VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3974

Coromandel / Bengal · 1,128 pages · 216 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3974_0703 view scan ↗

English

344 At my arrival here on 16 March, when I paid my respects to His Honour toward evening, the encounter was rather stern than friendly, and I barely had enough time to deliver the letters I had brought along to His Honour, as His Honour was hurrying to leave. Whereas I previously had reason to be assured that I was in His Honour's good graces, I heard soon thereafter, to my astonishment, that I was in disfavour because I had been named as the instigator of the disputes at Iaggernaijkpoeram, and it was advised to me that I must not speak of Van Bijland, for by stating anything in his favour I would only cause my own misfortune. I nevertheless remained steadfast in my intention, if asked, to speak as I knew the facts to be, but at the same time to remain entirely silent in the interim. The latter I have done, and the former never took place during the time of the Honourable Commander Tadama. Your Right Honourable was the first who demanded information from me in this regard by order dated 10 November 1790, on which I provided a report on 2 December thereafter. I dare assure Your Right Honourable that my report, had I made it immediately after the event, would have been considerably more accurate in many matters than it is now, for a lapse of 9 months, and the prolonged and very dangerous illness in which I spent almost all that time, has caused me to lose much from memory; to which is added that during the most dangerous stage of my illness, I caused everything of importance and in writing that I had to be burned, in order to prevent any disadvantageous use thereof after my death. where Mr Obdam had been in passing, he was requested, nay even implored, to stand up for his family, since Ramaija was then still imprisoned, that he [considered] neither money nor property, if only justice and righteousness could be obtained, while his family had been dishonoured and discredited, and had thereby lost all respect among the native population. Regarding this, Mr Obdam was to submit a written justification; whether he could not sometimes, through his sincere conduct and expertise, calm the minds, where now so many families will sigh and languish under punishments according to merits. Agreed / signed: Jacob Eilbracht. This lack of asking was therefore the reason that no disclosure of matters was made on my part, and I readily leave it to the enlightened judgment of Your Right Honourable whether it was advisable for me to present myself as an advocate, the more so because I saw everything prejudiced against Mr Van Bijland and myself. I was merely summoned to the meeting in April, handed a letter addressed to me by Mr Van Bijland under the cover of Mr De Langer at Madras, dated the 9th of that month, and ordered to open it, read it, and thereupon deliver a copy of it, under the express prohibition of further correspondence with His Honour, without being asked about any state of affairs of whatever nature. I pass over in silence here other tokens of disfavour all that time and the failure to effect the transfer of the administration attached to my post, before this took place under the administration of Your Right Honourable in November last, at which time I also first took the oath as Secretary of Justice, thus after the lapse of 9 months after my arrival, during which, however, I performed the duties of First Clerk, first continuously for a month and 10 days before my illness, and thereafter again as far as my condition permitted me to do so. Hoping hereby to have complied with Your Right Honourable's esteemed intentions, I take the honour to subscribe myself with deep respect, Right Honourable Sir, Your Right Honourable's humble and obedient servant / signed: J. Obdam / in the margin: Palleakatta, 1 February 1791. Agreed, D. Dornieuk, First Clerk. 345 No. 14 To the Right Honourable Sir Jacob Eilbracht, Senior Merchant and Commander of the Coast of Coromandel with the resort thereof, etc., etc., etc. Right Honourable Sir, We have the honour to elucidate to Your Right Honourable that, according to the report of the second bookkeeper dated 24 November last presented to Your Right Honourable, we have observed that from 1 June to 1 October 1788 the dabboesen were struck at 6 per cent less in value, but since 1 October 1788 they have been minted at 5 to 14 per cent less in value, and up to what time this underweight lasted is not mentioned therein; meanwhile, we consider it our duty, pursuant to the order dated the 6th of this month handed to us by Your Right Honourable, to draw up this report in the following manner, namely: In the year 1787/8, from the end of June to the end of August, Japanese bar copper for the minting of dabboesen...

Dutch transcription

344 Den bij myn komst hier op den 16 maart arpa daar daar de heer Obdam tegen den avond mijn opwagting bij zijn agt„ baare doende, was de ontmoeting eer stuur aangeweest is in passant heeft hem dan vriendelijk, en ik had pas zoo veel tyd om verzogt, Ia ook gesmeekt van voor de meede gebragte brieven zijn agtb: overte geeven, als haastende zig zijn agtb: uijtte zijn familie te willen opkomen, aan gaan. Daar ik te vooren reeden had ver„gezien ramaija toen nog gevangen Bat zekerd te weezen, dat ik in goede gevoelens bij zijn agtb: stond, hoorde ik tot mijn dat hij nog geld, nog goed, en consideredr„ verwondering wel haaft, dat ik in on„de, als men maar regt en gerechtigheijd gunst was ter zaake ik opgegeeven was voorde aanstooken van de dispuiten op Iaggernaijk kon erlangen, terwijl zijn familie poeram en die mij gereegen waaren Beionteerd en gediscreteerd was, en alle de wij dat ik maar niet van van Bijland spreeken woest want dat ik met aanzien daar door bij den inlan „ iets in zijn voordeel te affiren maar mijn eijgen on„ der verlooren had. Hier over diende gekuk veroorzaaken zoude. —. Ik bleef egter bij mijn voorneemen om, gevraagd de heer Obdam een schriftelijke wordende te zeggen, zoo als ik de zaaken verantwoording in te dienen; of wist, dog tevens om mij soo lange in het geheel stil te houden, dit laaste heb ik gedaan, en het eerste heeft nooijt ten tijde van den agtb: Heer niet somwilen door sijn opregte „geBaghebber Tadama plaats gehad. uwel Edele agtb: is de eerste geweest die van mijn desweegen beleijdenis en kundigheijd de gemoede Informatie gevorderd heeft bij ondonnantie de dato 10. November 1790, en waar op ik ren niet tot bedaaren konde bren„ van berigt gediend heb den 2 december daar aan gen, daar nu zoo veele famdiens on„ Ik durf uwel Edele agtb: versekeren, dat mijn verslag, soo ik dat op verser daad gedaan had, der zugten en kwijnen zullen, als in veele zaaken vrij nauwkeurigen zoude ge„ weest zijn, als thans, want een verloop van j straffens na merites zullen 9 maanden, en de langduurige, en wel zeer ge„ vaarlijke ziekte, daar ik meest al die tijd in door ontfangen /:onderstond:/ Accor„ gebragt heb, heeft mij veel uijt het geheugen dog verliesen, waar hij nog komt dat ik in her deerd :/ was getekend /: Iacob gevaarlijkste van mijn ziekte alles wat ik van aangelegendheijd en schrift had, heb doen Eilbracht.— verbranden, om een nadeelig gebruijk na mijn overlijden voortekomen. Dit niet vraagen is derhalven oorsaak dat van mijne zeijde geen opening van zaaken gedaan ver¬ „ „ t . „ gedaan is en ik wil gaarn aan 't verligt oordeel van uwel Edele Agtb overlaaten, of het wel raad Baam voor mij was, mij zelve als voorspreeker aantegeeven, te meer daar ik alles tegen de heer van Bijland en mij zelver voor ingenoomen Bag; enkel heeft men mij in April in vergadering ontboden; overgeevende Een brief door de heer van Bijland aan mij onder addresse van =de heer De Langer op Madras gerigt: gedateerd 9 dier maand gelast die te openen te leezen en daar na er Copij cante leeveren, onder Expres verbod van verdere correspondentie met zijn Edele zonder het vraagen na eenige toestands van zaaken hoe genaamt. Ik gaa hier stilswijgende voor bij, andere blijke van ongunst al die tijd en het niet doen transporteeren van de aan mijn post verknogte administratie, voor dit onder 't bestier van uwel Edele Agtb in november I:o L: heeft plaats gevonden, als wanneer ik ook eerst den Eed als secretaris van Iustitie gepresenteerd heb dus na den tijd verloop van 9 maanden na mijn aankomst, waar in ik egter de dienst van Eerste klerk waarnan, eerst Contruca voor mij ziekte een maand en 10 dagen, en daar na weder voor zoo verre mijn toestand mij dit toeliet. In hoope hier meede aan Uwel Edele Achtb: geeerde intentie voldaan te hebben maatige ik mij de eere aan met diep ontsag. te onderschrijven. /: onderstond /: wel Edele— Achtbare Heer uwel Edele Agtb onderdanige en G hoorzame Dienaar /:was getekend :/ I:n Obdtam, /:in margine:/ Palleakatta den 1:e Februarij 1791. —. Accordeerd D Dornieuk Sche Clercq. het wel Ti ring van an 345 No 14 Aan den welEdele Agtb: Heer Jacob Gilbracht. oppercoopman en Gezaghebber der Custe Cormandel met den resorte van dien Er: Etc: Ekn Wel Edele Agtbaare Heer. Wij hebben d' eere uwel Edele Agtb: te elucidee„ ren dat volgens berigt van den tweede, teekenaar de dato 24. November Iongstleeden aan uwel Edele Agtb: ge„ presenteert ontwaard hebbe dat zedert p=mo Iunij tot p=mo October 1788 de dabboesen met 6 p=r Cto: minder in waar de geslaagen zijn maar Siedert primo: October 1708 is van 5 tot 14 PCto minder inwaarde vermunt geworden, en tot wat tijd deese mienwigt geduurt heeft word daar bij geen men tie gemaakt; intusschen agten wij van onsen pligt om volgens door uwel Edele Agtb: ter hand gesteld ordon„ nantie de dato 6 deeser dit berigt op de volgende wij„ se interigten, Teweeten. In A:o 178 7/o is zedert ult:o Iunij tot ult:o aug:s aan staaf kooper Iapans tot het vermunte van dabboesen

NL-HaNA_1.04.02_3974_0708 view scan ↗

English

2 12200: —. —. thus 19200 lb copper calculated at 400 lb per bhaar yields bh: 40. —. — at 16014 pieces per bhaar after deduction of minting: yields Dabb: 640560. —. But when one calculates, without deduction of the minter's wages, at 16860 pieces of dabboes per bhaar, then for the minted 40 bh. of copper it yields Dabb:s 674400. –. whereupon calculated at 6 percent for the reduced value amounts to 40464. —. makes together in light dabboes Dabb:s 714864. –. from which deducting 5 percent for minter's wages amounts to 35743. —. Thus remains in light dabboes Dabb:s 679121. –. In the year 1788/89 from 1st September to the last of August, delivered for the minting of Dabboes: lb 48000. –. When one calculates the aforementioned 48000 lb copper at 480 lb per bhaar, it yields: bh: 100. —. — [illegible] Dabboes 1601400 Dabboes 1686000 reduced value of 14 percent when calculated on the aforementioned quantity amounts to 236040. – thus together in light dabboes dabb:s 1922040. — calculated at 5 percent on the aforementioned quantity for minter's wages amounts to 96102. —. remains in light dabboes dabb: 1825938. — Short demonstration of the minted light dabboes in the period of 15 months, namely: In 346 In the year 1785/6, or from June to August, being for the duration of 3 months, there were minted with a reduction in value of 6 percent: dabb:s 679121. –. and in the year 1788/9, or the entire year, there were minted with a reduction in value of 14 percent: 1825938. —. Thus together, after deduction of minter's wages, minted in 15 months: Dabb: 2505059. –. These 2505059 Dabboes, calculated at 16014 pieces for a bhaar of Japanese bar copper, then the Company in the period of 15 months for the minting of the aforementioned dabboes would have needed in copper: bh: 156 3/8. and according to this calculation, no more copper was delivered for the minting of dabboes in the period of the aforementioned 15 months than: 140. —. thus less copper delivered because the values were reduced from 6 to 14 percent, as stated herebefore: bh: 16 3/8. The aforementioned 16 3/8 bhaar of Japanese bar copper, calculated according to the Company's fixed redemption price at Pag: 89. 19. 50 the bhaar, amounts to: Pag: 1470. 18. 30, f 6618. 9. — Add to this furthermore that which the Company commonly profits on the minting of dabboes after deduction of the redemption costs on each bhaar, Pag: 5. 12. 7, thus amounts on the aforementioned 16 3/8 bhaar of copper to: Pag: 90. 2. 70, f 405. 10. 8. Thus the total by which the Company has been disadvantaged by the minting of lower value from 6 to 14 percent according to this calculation amounts to: Pag: 1560. 21. 20, f 7023. 19. 8. Herewith we hope to have satisfied the esteemed intention of your Right Honorable; we take the honor to call ourselves with all high esteem, below stood: Right Honorable Sir, your Right Honorable's humble and obedient servants, was signed: Chr:n Theod: Bloeme and S: I: De Bruijn; in the margin: Palleacatta, the 13th of January A:o 1791. Agreed, A. Dormieux, Clerk. 347 No. 15 To the Right Honorable and Commanding Sir, Jacob Eilbracht, Senior Merchant, and Governor of the Coromandel Government with the resort thereof, etc. etc. etc. Right Honorable and Commanding Sir, In compliance with your Right Honorable's honored order, the undersigned Assayer went to the Company's mint here, and there weighed the Dabboes placed on the scales for him by Mr. van Bijland, having first been sorted by the native and servant of the said Mr. van Bijland, as he has the honor to present herewith: 18 pieces of good Jaggernaijkpoeram dabboes, according to the designation of Mr. van Bijland, weighed 8 3/16 ounces. 8 pieces of Mazulipatnam dabboes weighed 3 7/16 ounces. 8 pieces of Bimilipatnam dabboes weighed 3 1/2 ounces. 8 pieces of bad Jaggernaijkpoeram dabboes weighed 3 1/4 ounces. With which I have the honor to subscribe myself with the utmost respect, below stood: Right Honorable and Commanding Sir, your Right Honorable's humble and obedient servant, was signed: E: De Vries; in the margin: Palleacatta, the 20th of December 1790. Agreed, A. Dormieux. 348 No. 16 To the Right Honorable and Valiant Sir: Jacob Eilbracht, Senior Merchant, and Governor on behalf of the General Dutch East India Company of this Coast of Coromandel, with the resort thereof. Right Honorable and Valiant Sir, The humble undersigned takes the liberty most humbly to request that your Right Honorable and Valiant may be pleased to have the following questions and attestations gathered at Jaggernaijkpoeram, by the new gentlemen commissioners expressly commissioned for that purpose; namely: Whether the Kotwal named Isoe Rhettij was not dismissed from service by Heshuijsius and Schliephaken, after having first paid fifty pagodas for his service, because he, the Kotwal, declared that in the morning at the report, Mr. van Halm asked him: have the Mazulipatnam merchants departed? Whereupon he, the Kotwal, said that he had heard nothing of it; Mr. van Halm said thereupon: you are a fool, go look and bring report; whereupon he reported

Dutch transcription

2 12200: —. —. dus 19200 lb kooper tot 400 lb perbhaar ger: komt bl: 40. —: - â 16014 stij. p:r sthaar na aftrek der munten 1 6: komt Pab: 105 6 Dog wanneer men sonder aftrekt der munt„ tersloon reekent op een bhaar 16860. stx dabb: dan komt voor de vermunte 40. bl. kooper Tabb:s 674400. –. waar op 6: prC:to voor de verminderde waarde gereekend komt . _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ - - - _ - - „ 40464. —. komt te saamen aan lagte. . . . . Pabb:s 714864. –. waar van aftrekken. 5. pr C=to voor mun„ tersloon komt - - - - - - - - - - - „ 35743. —. E Dus rest nog aan ligte. . . . . Pabb:s 679121. –. - In het Iaar 1700r / gis van p=mo September tot ult:o aug:s tot het vermunte van Dabboeten verstrekt . . . . . . . . lb: 48000. –. Wanneer men gem: 48000 lb kooper tot 480 lb: dabboesen verstrekt. . . . . . . . . . . . . . . . . . .. per bhaar reek: komt. . . . . . . . . . .. d rn: 16„t 800: t maen to de a ee e ee an eten en vr e e e den Dabboel 1601400 talboel 1686000 verminderd waarde van 14. ten hondert als men reekend op even gem: quantiteit komt „ 236040. – dus te zaamen aan ligte. . . . . . . . . dabb„s 1922040 — op even gem: quantiteit 5 p„o Cto voor munters„ loon bereekent komt . - _ _ _ _ _ _ _ _ - - - - - - - - „ 96102. —. rest nog aan ligte. - - dabb: 1925938. — korte aanthooning van de vermunte ligte dabboe„ sen in den tijd van 15. Maanden Teweeten In 346 In Anno 178 5/6. of van Iunij tot augustus dan wel geduurende 6/m: zijn vermunt met een vermindering in waarde van 6 percento - - - dabb:s 679121. –. en in anno 178 8/9 off het gantsche Iaar zijn vermunt geworden met een ver„ mindering in waarde van 14. prCento . - - - - - „ 1825938. —. Dus te zaamen na aftrek van mun„ tersloon in 15. manden vermunt . . . . . Dabb„ „ 2505059. –. Deese 2505059. Olabb:s gereekent 16014. stx. voor een bhaar staaff kooper Iapans als dan zoude dE Comp=e in den tijd van 1/m: tol vermunte van gem: dabboesen van nooden gehad hebbe aankooper - - - - - - - - - bh: 156 3/8. en volgens deese bereeking is niet meer koo„ per verstrekt geworden tot de vermunting van dabboesen in den 1: Rijst: van gem: /m: dan „ 140. —. dus minder kooper verstrekt door dien„ de waarde vermindert zijn geworden. van 6 tot 14. prCento als hier vooren: gezegd. - - - - - - - - - - - - - - - - bh: 16. 3/8. De gem: 16. 5/8. bhaar staafkooper Iapans na de gefixeer„ de 'sComp:s uijtkoops prijs de bhaar teegens Pag: 89. 19. 50. gereekend komt - - - - - - - - - - - - - - - - - - . r:=o 1470: 18. 30 ƒ618. 9. - voege hier bij nog het geen d'E Comps: gemeenlijk . —. 40. — —. —. Pabb:s 640560. . 64. —. 43. —. 21. —. „ : 1 000. – 500.— 1601400 1686000 604 40. —. 40 — 102:— 610 938. — ab gemeenlijk profsiteerd op de vermunten van dabboesen aftrek van het uijtkoops kostende op ider bhaar pag: 512. 7. dus komt op voorm: 16: f/or bhaar koper- - - dan 90. 2. 70. ƒ 405. 10. 8. Dus komt in het geheel dat d'E: Comp:e door de vermunting van minder waarde van 6 tot 14 Poc=to na deese bereeking be„ nadeelt is ep....... 57„ 1560. 21. 20. ƒ 7023. 19. 8 Hier meede verhoopen wij aan de g'eerde intentie van uwel Edele Agtb: voldaan te hebben, matige wij ons de Eere Aan met alle hoogagting tenoemen /:onderstond /: wel Edele Agtbaare Heer, uwel Edele Agtbaare onderdanige, en Gehoorsaame Dienaaren /:was ge teekend:/ Chr:n Theod: Bloeme en S: I: De Bruijn /:in margine /: Palleacatta den 13. Ianuarij A:o 1791. Accqudeerd A Dormieuk Deser Clrcq .... 347 No 15 Aan den welEdelen Agtbaren en gebiedende Heer Jacob Eilbracht. opperkoopman, en gezaghebber van het Cormandels gouvernement met den re„ sorte van dien &a &. &:, Wel Edele Agtbare, en gebiedende Heer. In naarkoming van uwel Edele Agtbare geeerde bevel heeft den ondergetekende Essaijeur zig vervoegd in 'sComp:s munt alhier, en aldaar gewoogen de hem van de heer van Bijland ter schaal gelegde. Dabboesen. /: zijnde door den Inlander en bediende van gem: heer van Bijland eerst gezorteerd / zoo als hij bij deezsen de eere heeft te vertoonen:. 18. p:s naar de naam gevering van de heer van Bijland goede Iaggernaijk poeramse dabboesen hebben gewogen. . . . . . . . 8 3/16. oorcen 8. „ mazulipatnamse - - - - - - - - . . 3 7/16. _„o 8. „ bimilipatnamse - - - - - - - - - - - - - - - - 8½ „ - - - - - „ Paggernaijkpoeramse slegte - - - - - - - - - - 3¼ . . . . „ Waar meede de eere heb met de volmaakste Eerbied te onderschrijven /:onderstond:/ Wel Edele Agtbaare en Gebieden„ de Heer uwelEdele Agtb: onderdanig- en Gehoorzame Dienaar 10. 8. ƒ7020. 19. 8. de 1. 8. „ Dienaar /:was getekend:/ E: De Vries /:in margine:/ Palle„ akaste den 20. December 1730. —. Accordeerd A Formese „ 348 No. 16 Aan den wel Edelen Gestrengen Heer: Jacob Eilbracht, opperkoopman, en gezaghebber van wi„ gen de generaale Nederlandche Oost Indische Compagnie deezer kuste Cormandel, met den resorte van dien. Wel Edele Gestrenge Heer Den nedrigen tekenaar neemt onderdanigst de vrijheijd van te verzoeken, dat uwel Edele gestrenge deeze, volgende vraagen en attesten gelieven te laaten in winnen op Pag„ gernaijkparam, door de nieuwe Hieren gecommitteerdens. daar toe Expresselijk gecommitteerd; als. of de sotterwal met naame Isoe rhettij niet uijt den dienst gehet is door Heshutius en Schliephaken, naar alvoorens vijftig pagoden voor zijn dienst betaald te heb„ benj, om dat hij Coterwal gedicleereerd heeft, dat 's morgens bij het rapport de heer van Halm hem gevraagd had, sijn de mazulipatnamse kooplieden uijtgeweeken. dat hij Coterwal daar op gesegt heeft, daar niets van ge hoord te hebben, de her van Plalm daar op seijde uw is een gik, gaat zien, en brengt rapport, wanneer hij rapporteerde

NL-HaNA_1.04.02_3974_0716 view scan ↗

English

reported that those merchants were all inside, but in the evening he came to report a second time that they had now retreated to the house of Trwvengelam at Kakirnada, but that they had taken none of their goods with them; ah, said Mr. van Halm, that is good, laughing, and being very pleased he went inside. Whether he, the Kotwal, was not daily insulted and molested in his house and where the women lived, against the Gentoo laws, under the pretext of searching for his brother, who was a chobdar with the draftsman and had to flee the country to escape persecution, leaving behind his wife and children; whether he, the Kotwal, had not resolved thereupon that if Company peons came into his house again, they had all resolved to set fire to their house and all do away with themselves with poison, rather than endure those affronts any longer; that is the base form of government of those unjust commissioners. Secondly, the Interpreter must also be questioned about this departure, since Mr. van Halm also asked him, have the merchants not departed yet, and whether for that reason he, the Interpreter, did not walk around for months without respect and as if dismissed from service, until he signed a false certificate stating that the inhabitants were not satisfied to have me as Chief, as well as concerning the aforementioned 10000 rupees promised by Truwengelam to Mr. Tadama; and whether he, the Interpreter, did not come to report to me that the merchants of Mazulipatnam had gotten into a dispute among themselves over the exorbitant sum of 10000 rupees, that they had indeed given permission to make a gift of respect, but that 10000 rupees was too much, that they had thought to receive that much with the new contract, and that they had now only received that much on the occasion when the sloop arrived with silver and desirable wares. On this matter, Poela Ramaija must also be questioned, who was imprisoned at that time, but nevertheless let me know of it both through Mr. Obdam and through the servant of Mr. Obdam. The Interpreter must also be asked further how he proceeded to inquire about the reason for the departure of the Mazulipatnam merchants, and whether he is not aware that the written complaint for those merchants was drawn up by the Chiefs with Turwengalam, and that the first complaints were sent back, and they were sent another paper to sign. Thirdly, Boela Ramaija must be questioned under oath in the Gentoo manner, whether he did not come to warn me that 10000 rupees were being offered by Tuwvengulam to Mr. Tadama to recall me again from the post, and whether my servant or dubash was not present there, and whether he did not also tell this privately to my servant, and whether I did not say to him thereupon, I have also heard that news, I wish to have it in writing. He must also be asked how that departure of the merchants with their complaints took place, and how he was dismissed from service, and how the inventory of the warehouses was carried out by the commissioners, and whether he did not tell me that he had kept a daily register since my arrival, and especially since 3 February, and whether he would not be willing to disclose that for the information and welfare of the Company's interests; and whether I did not, immediately after the departure of the Mazulipatnam merchants, draft a private supply contract for the Company, with a deduction of all percentages that have arisen since the war; and whether the Regent of Carpa was not willing to advance 4000 pagodas immediately to send to the bay, in order to be able to fulfill the full demand of the Company in due time. To grant the shroff Goerai Rama Swamij a cowle or safe-conduct to enter Jaggernaykpoeram again, since he was forced by violence to sign whatever they pleased, and therefore fled from prison; whether he did not tell my servant the history of the daboeses, as well as the affair of the 10000 rupees, that if the affair of the daboeses were discovered under my administration, I would bear the blame and shame of it; whether he did not also send to me through my servant all those daboeses of Jaggernaijkpoenam, both good and bad, and also those of Binik, which were sent to Batavia by me; and whether my servant did not say to him, my master does not want to believe such things, put it on paper, which he then also did; and whether he did not also say that all weights and measures were bad and had not been calibrated for many years, and concerning the great damage to the inhabitants when weighing with light or heavy daboeses at discretion. Fourthly, that the entire group of Jaggernaijkpoeram merchants must be asked whether I used any violence to unite them all into one group, and whether I said anything other than, whoever is not satisfied, let him pay his share of the debt into the treasury or pay off the entire debt, for I would never take it over on such an insecure basis, and also

Dutch transcription

rapporteerde, dat die kooplieden alle binnen waaren, maar des avonds kurem hij andermaals rapporteeren dat zij nu uijt„ geweeken waaren naar het huijs van Trwvengelam, op ka„ kirnada. , maar dat zij niets van hunne goederen mee„ de genoomen hadden, â seijde de heer van Halm, dat is goed, laggende, en heer vergenolgd zijnde gong na, binnen Of hij Coterwal niet dagelijks tegens de Fentiefse wel ten in zijn huijs, en daar de vrouwen woonde geinsul tevrd, en gemolesteerd wierd, onder pretext van zijn broe der te Boeken, die Sjobbedaar was bij den tekenaar en het land heeft moeten ruijmen voor de vervolging met agterlating van vrouw en kinderen; of hij koter wal daar op niet geresolveerd hadt, van als wederom Comp:s pions kwamen in zijn huijs, zij lieden alle voor„ genomen hadden, om hun huijs in den brand te steeken, en zig alle met vergift van kant te helpen, liever als langer die affronten te ondergaan, dat is de Lagte regeerings form van die onregtvaardige gecommitteerdens. Tweedens dient den Tolk over deeze uijtwijking ook onderhouden te worden, alzoo de heer van Halm hem ook gevraagd heeft, zijn de kooplieden nog niet uijtgewee ken en of om die reeden hij Tolk niet maanden rond gegaan heeft zonder aanszien, en als buijten den dienst, tot dat hij een valsche attest getekend heeft dat de inge„ Setenen 349 Petenen niet wil te vreeden waaren om mij als opperhoofd te hebben, als ook omtrent de meergemelde 10000 ropijen door Truwengelam beloofd aan de Heer Tadama, en of hij Tolk mij niet is komen rapporteeren dat de kooplieden van Mazulipatnam rusie onder elkande„ ren gekreegen hebben over de exhorbitante Somma, van 10000: kopijen, dat zij wel verlof gegeeven hadden om een present te doen van aantzien, maar dat 10000 ropij„ en te veel was, dat zij gedagt hadden bij de nieuwe aanbesteeding zoo veel te ontfangen, en dat zij nu sligts zoo veel ontfangen hadden bij gelegendheijd dat de Chia„ loup gekomen was met zilver en gewilde waaren Hier op dient ook Poela Ramaija over onderhou„ den worden, dewelke op die tijd gevangen was, maar liet het egter aan mijn weeten Zoo door de heer Obdam als door de dienaar van de Heer Obdam. Ook dient den Tolk nog gevraagd te worden; hoe dat hij overgegaan. is, om de reeden te vraagen der uijtweijking der Ma„ Zulipat„s kooplieden, en of hem niet bewust is dat het klaagt schrift voor die kooplieden op gemaakt is door de opperhoofden met Turwengalam, en dat de eerste klag„ ten wederom gezonden is, en men hun een ander papier toegezonden heeft om te tekenen Derelins Boela Ramaija moet op de Sentiefsche wijze wijze: onder Eede afgevraagd worden, of hij my niet is komen waarschouwen, dat er door Tuwvengulam 10000 Cop:s ge presenteerd wierd aan den heer Iadama om mij weeer van de plaats opteroepen, en of daar mijn dienaar of dobachij niet present was, en of hij het ook niet parti„ culier aan mijn dienaar dut verteld heeft, of ik hem daar op niet gezegd heb, ik heb dat nieuws ook gehoord ik, winschte het op schrift te hebben Ook dient hem gevraagd te worden hoe die uijtwijking der kooplieden met hunne klagten toegegaan is, en hoe dat hij uijt den dienst gezet is, en hoe dat den opneem der pakhuijsen geschied is bij de gecommitteerders, en of hij mij niet gezegd heeft van een dag register gemaakt te hebben Zedert mijn komst, en principaal zedert den 3. februarij, of hij dat niet zoude willen openleggen, tot onderrigting en welkzijn van Compagnies belangens., of ik ook direct naar de uijtreiking der Mazulipatnamse kooplieden niet een onderhands Contract van leverancie geprojecteerd heid voor de Compagnie; met korting van alle perC: die er zeedert den oorlog opgekomen zijn, of den Regent van Carpa niet direct 4000 pagoden heeft willen voor„ schieten om naar de bogt te zenden, om den vollen Eijsch der Compagnie op zijn tijd te kunnen voldoen Den Iaraf Goerai Rama Swamij een kou„ wel 350 wel of vijfrief verleenen om waer binnen Paggernayk„ poeram te komen, terwijl hij met geweld heeft moeten tekenen wat men goed vond, en daarom uijt de gevange„ „nisse gevlugt is, of hij niet aan mijn dienaar gezegd heeft de historie der Daboussen, als ook het geval der 10000. ropijen, dat als het geval der daboussen ontdekt wierd onder„ mijne regeering dat ik de schuld en schande daar van draagen zou, of hij mij ook niet door mijn dienaar heeft, laa„ ten toekomen, alle die daboussen van Iaggernaijk poenam goe„ de en kwaade, en ook die van Binik, dewelke naar Batavia, verzonden zijn door mij, en of mijn dienaar hem niet gezegd. heeft mijn Heer wil zulke dingen niet gelooven; brengt het op het papier, het welke hij dan ook gedaan heeft of hij ook niet zeijde dat alle maaten en gewigten slegt waaren en lange Paaren niet gelikt zijn geworden, en de groote schaa„ de der ingesetenen bij het wegen met ligte of Zwaare daboussen naar welgevallen. vierden6: dat de geheele ploeg der Paggernaijkpoeram„ se kooplieden moet gevraagd worden, of ik eenig geweld ge„ „plugd heb om hun lieden alle tot een plorg te conjungee„ ren, en of ik wel iets anders gezegd heb, als die geene, die niet vergenoeyd is laat die zijn aandeel van Schuld in Cas„ betaalen of de geheele schuld afbetaalen, want dat ik die nimmer zoude overneemen op zoo een lossen voet, en ook komen g weeer parti„ daar dat n rij rd die r

NL-HaNA_1.04.02_3974_0720 view scan ↗

English

could not be obligated to do so either, also whether they had not submitted among them all a Gentoo petition, one to me, and one to the Council, whether they received redress or an answer to it, yes or no, and whether they had not dispatched several petitions from their prison to the gentleman Tadama, or the Council, whether they ever received any satisfactory answer. Fifth, the clerk van Holt, and the clerk Da Silva, whether they were present at the opening and taking inventory of the cash funds, questioning the same under oath, since Da Silva testified to Doctor Roge, and the bread baker Appol, and several others that he was not present there and van Holt neither, and nonetheless had to sign because the gentlemen Heshusius and Schliephaken declared and promised them that no inquiry would follow, but Da Silva said if an inquiry comes then in conscience I must testify to the truth. Sixth, to interrogate Doctor Roge not only concerning my criminal imprisonment, but how many times he received orders not to come visit me in my illnesses, as well as for my slaves and domestics. Seventh, why van Holt never wished to accept my protests, so that I was compelled to have the same thrown onto the porch of his house by the messenger. Eighth, that the commissioners lay open their instructions, or why they treated me so cruelly, as that treatment appears in none of the extracts of the Council of Coromandel that they had orders to do so, nor do the councillors here deny that such resolutions were ever taken, to treat me like a murderer, and especially the letter of 14 April in which my arrest was aggravated, on whose authority that happened, and why I was not permitted to sell my horses, while as a prisoner I received no maintenance other than barely more than 3000 Daboussen, while I spent more than 50 pagodas a month, as also why they opened my letters, and detained the Madeira wine sent to refresh me in my illness, and why and on whose order they seized my shipwrecked goods; from all this the private orders of the gentleman Tadama will become apparent, in order to exercise his revenge against me. Ninth, what reason the commissioners had to burn the petition of the inhabitants on the bazaar on their own authority. Tenth, why the commissioners did not first secure the books and papers before they took inventory of the warehouses. Eleventh, whether he, Schliephaken, had not been informed by me before his arrival of all the malversations, and why he then proceeded to act against his better knowledge. Twelfth, Wintera Pregada Anappa, who supposedly told my Dubash first that Triwengalam promised 10000 rupees to recall me from Jaggernaikpoeram, but after the sloop with the silver arrived, he came to say that Triwengalam had settled it for 5000 rupees, and that it was to be deducted from the Company's silver, also that those Masulipatnam merchants had severe disputes about that, and for that reason he assumes it was reduced to 5000 rupees. This man is highly regarded by the gentleman Schliephaken, because he was a servant to the late de Jan, secunde of Palicol, out of fear that it would be discovered through him how he, Schliephaken, oppresses the inhabitants and casts the good people out of their possessions in order to draw their land and estates to himself, mentioned more broadly in section 3. Herewith I believe I have complied with the intention of your Right Honorable, while I have the honor to call myself with respect, below stood: Right Honorable Sir, your Right Honorable's very obedient and bounden servant, was signed: W. H. G. van Bijland. In the margin: Palliakatta, 28 December 1790. Agreed, J. Dormieux, Upper Clerk. No. 17. 353. Extract Finding of such cash Bahar silver and merchandise etc., as were brought here on the twenty-sixth of this month, per the Company's sloop De Zeerob, from the main station Palleakatta, and by us, the undersigned special commissioners, by order of the merchant Paul Engelbert van Halm, chief here, in the presence of its commander, accurately counted and weighed, and handed over to the secunde of this station, the junior merchant Hieronimus Jacobus van Someren van Vrijenes, in such manner as is shown here below at large; namely: For Jaggernaikpoeram 720. –. . 710. –. –. at 90 bars Bahar silver, each of 8 Ag. tr., enclosed in a sealed chest marked EE., accords with the bill of lading invoice of 20 February last. All the goods mentioned here before duly received by us, the undersigned, for the station Palicol, as appears by bill of lading invoice, in order to be forwarded unopened. In the Dutch station Jaggernaykpoeram, the last of February 1790. Below stood: for the receipt, was signed: H. J. van Someren van Vryenes. In the middle stood: for the delivery, signed: Joachim Otto Dratzier. In the margin: present with us as commissioners, was signed: J. Dormieux and G. van Rechem, Upper Clerk. Agreed, Dormieux.

Dutch transcription

ook niet daar toe kon werpligt worden, ook of zij niet onder hun alle een Ientiefs klagt schrift hadden ingediend een aan mij, en een aan den Raad, of zij daar redres of antwoord op bekomen hebben, Ia of neen, en of zij uijt hunne gevangenis niet varscheijde klagtschriften naar de heer Tadama, of den Raad afgevaardiged hadden of zij wel immer eenig sa„ tisfactoir antwoord bekomen hebben. Vijfdens, den schriba van Hlolt, en den schribent Do silven, of zij bij het openen en opneemene der kassan geweest f. zijn, dezelve op den Eed vraagen, aangezien da Silva getuijge heeft aan doeter Roge, en den broodbakker Appol, en meer anderen dat hij daar niet bij is geweest en van Holt ook niet, en wvenwel hebben moeten tekenen om dat de heeren Heshusius en Schliephaken hun declareerden en beloofden dat daar geen navraag na zoude komen, dog Zeide Da. Silva als 'er na vraag komt zoo moet ik in gemoede de waarheijd getuijgen. ~. Sesdens de heer Doctor Roge ondervraagen over mijne Crimineele gevangenisse niet alleen, maar hoe menig„ maal hij order gehad heeft van mij niet te komen bezoe ken in mijne Diektens, als ook voor mijne slaaven en huijselingen Zevende waarom dat van Hlolt mijne Protesten nimmer heeft willen accepteeren, dat ik genoodzaakt wierd 351 wierd dezelve door den rapport ganger op de Horp van zijn ruijs te laaten werpen. —. Agtste, dat de gecommitteerdens hunne Instructien open leggen, of waarom: zij mij zoo Cruel behandeld. hebben dat die behandeling in geene der Extracten van den Raade van Cormandel blijkt dat zij daar order toe gehad hebben ook negeeren hier de roedslieden dat 'er ooijt zulke resolutien genomen zijn, van mij als een moorde naar te handelen, en voor al de brief van den 14. April daar mijn arrest verzwaart is, op wiens authoriteit dat dat geschied is, en waarom ik mijne paarden niet mogt ver„ koopen, terwijl ik als gevangene geen onderhoud: kreeg, als slegts iets meerder als 3000. Daboussen, terwijl ik meer als 50. pagoden 'smaands verteerde, als ook waar„ om sij mijne brieven geopend hebben, en de toegezonde„ ne madera wijn tot laving in mijne Diekte aangehou„ den hebben, en waarom en op wiens order zijn mijne schip bruuk geledene goederen gearresteerd hebben; uijt dit alles zal blijken de particuliere ordres van de Heer Todama, om zijn uraak tegens mij te exerdeeren Negende wat reeden zij gecommitteerden gehad. hebben. om het klagt schrift der ingezetenen op eijge authoriteijt op de bazaar te verbranden tiendens: waarom de gecommitteerdens niet eerst de boeken. en kt a boeken en papieren verzekerd hebben, voor dat zij den opneem deeden der pakhuijzen Elfden., of hij schliephaken niet voor zijn komst door mij van alle de malversatien onderregt was geworden, en waar„ om hij dan tegens zijn beter weeten aan, te werk is ge gaan Twaalfden wintera Pregada Anappa, die zou aan mijn Dobachij verteld hebben eerst dat Triwengelan, 10000 rop:s beloofd heeft om mij van Saggernaijkpoeram opteroepen, maar na dat de sloep met het zilver gekomen is, heeft hij komen zeggen, dat Triwengalam het met 5000 rop:s af gemaakt had, en dat het van Compagnies zilver Soude zijn afgetrokken, ook dat die Mazulipatnamsche kooplie„ den zwaare disputen daar over gehad hebben, en om die ree„ den neemt hij op 5000: rop: vermindert zoude zijn. Deeze man word heer in agt genomen door de heer Schlief„ haken, om dat hij dienaar was bij den overledene de Ian seeunde van Palicol uijt vreeze dat door hem ontdekt. Zou worden hoe dat hij Schliephaken de ingezetenen on derdrukt, en de goede lieden uijt hunne bezittingen stoot om hun land en erven tot het zijne te trekken in Curft. 3. breeder vermeld. — Hier meen ik aan de intentie van uwel Edele Gestr: voldaan te hebben, terwijl ik de eere heb mij met respect te 352 te noemen /:onderstond:/ wel Edelen gestringe Heer Uwer„ wel Edele gestr: Zeer gehoorzamen en trouwschuldigen. Dienaar /:was getekend:/ WW: H: G: van: Bijland /:in margine:/ Palliakatta, den 28. December 1790. —. Accoudgerd J Dormieuk Jpp„r Clercq. neem door mij No. 17. 353. Mg: Er:t, mi: H: 7:-: Contan„ Extract Bevinding van zodanige er ten Bhaar zilver en koopmanschappen etc:a, als op den ses en twintigsten deezer, per 'sComp:s Chialoup De Ieerob, van de Hoofd-plaatse Palleakatta alhier zyn aangebragt, en door ons ondergesz: Expresse gecom„ mitteerdens ter ordre van den koopman Paul Engel„ bert van Halm opperhoofd alhier, ten overstaan van dies gezaghebber, accuraat geteld, en gewoogen, mits„ gaders aan den secunde deezes Comptoirs den onder„ koopman Aironimus Jacobus van Someren van vrijenes, ter hand gesteld in sodaniger voegen als hier ouder largo word aangetoond; Namentlijk Voor Iaggernaijk poeram 720. –. . 710. –. –. â 90. staaven bhaar zilver, â ider van 8: Ag: tr„a, be„ slooten in Een versegelde kist geen:t EE. , Accordeert met 't Cognoissement factuur van den 20. februarij J=o leeden. Alle de hier vooren vermelde goederen door ons onder„ geschreeven voor het Comptoir Palikol blijken Cognoisse„ „ment factuur behoorlijk ontfangen, om zodanige ongeopend nader verzonden te werden In 't Nederlands Comptoir Iaggernayk poeram ultimo februarij 1790. /:onderstond:/ voor den ontfangst /.was /:was getekend/ H: I van Someren van vryenes in 't midden stond:/ voor den overgave /:geteekend/ Ioa ons present chim Otto Drat zier /:in margine als Gecommitteerdens /:was getekend/ J„b Dormieux en G: van Rechem ijne Clercq Accorseerd ormieus x

NL-HaNA_1.04.02_3974_0731 view scan ↗

English

No 18 354 To the Right Honorable Jacob Eilbracht, Senior Merchant and Commander of the Coromandel Government, with its dependencies, residing there. Right Honorable Sir. Received by our President on Sunday evening and produced by His Honor on Monday at our extraordinary assembly, Your Right Honorable's esteemed missive of the 9th of this month and the accompanying extract of a complaint from Lord Willem Hendrik, Count of Bijland, wherein he grieves that the attachment lawfully placed upon his goods was violated without decree or prior knowledge, both here and at the office of Sadraspatnam, and regarding which Your Right Honorable requires information as to what should be believed or rejected of that complaint, in so far as it relates to what occurred here, to serve as esteemed information for and communication to the Honorable High Indian Government, we have the honor to serve Your Right Honorable for elucidation in this matter. That the attachment upon the goods of the Lord of Bijland here and at the office of Sadraspatnam was placed following a prior request made by petition on behalf of Miss the widow Cantervisscher, upon a decree of this Council of 12 February of the past year. That the opening of a chest of the attached goods here also took place at the request on behalf of the said Miss, made on 19 February after the closing of the session in our assembly, and the following decision of approval thereupon, by reason of the presented danger of termites which had already settled outside upon this chest. That this opening and inspection was performed by a judicial commissioner and a proper record of findings and resealing was drawn up thereof. That the chest with books brought from Sadraspatnam was opened and inspected on 28 June following, and properly repacked and resealed, whereof likewise a proper record was directly drawn up by the gentlemen and sworn scribes who formed the commission. This opening and [illegible] was done upon verbal request and the commission ordered thereupon by the Honorable presiding officer of the time, Jacob Samuel de Raeff, immediately upon delivery of the chest and the finding that the rats had already gnawed a hole in it. Regarding the transfer of the goods of greatest value 355 from Sadraspatnam, this was done pursuant to a resolution of the Council dated 26 April 1790, made upon request submitted by petition on behalf of Miss Cantervisscher, petitioner of the attachment, by reason of the troubles of Tippu's marauding troops. And because of the same raised concern on behalf of the said Miss, the petitioner, it was granted by decree of our Council on 20 December of the past year to have the attached goods still remaining at Sadraspatnam also transported hither. We hope that this will serve as sufficient elucidation to Your Right Honorable regarding the aforementioned complaint of van Bijland, and have the honor to name ourselves with all high esteem. Was signed beneath: Right Honorable Sir, Your Right Honorable's humble and obedient servants, was signed: P. C. van Halm, Jacob Samuel de Raeff, I. I. Winckelmans, W. Pietersz, S. Duynevelt, J. van Tessel, Jan Willem Luijken, and Christiaan Theodorus Bloeme. In the margin: Paliacatta in the Fort Geldria, the 12th of January 1791. Agreed. D. Cormieuk, First Clerk. 386 Tuesday the 25th of January, Year 1791. In the morning. All present, Except: The Honorable Christiaan Theodorus Bloeme, on account of indisposition, the chairs of the Honorable President and Fiscal being open. The following address was presented by the Junior Merchant Jacobus Simons Cantervisscher: To the Honorable Jacob Samuel de Raeff, presiding member, together with the Honorable members of the Council of Justice of this government. Honorable Sir and Gentlemen. The undersigned has not been able to refrain from answering the extract from a writing of a certain merchant van Bijland, submitted on the 10th of this month in Your Right Honorable assembly by the Right Honorable Commander of this government, Jacob Eilbracht, with a request for a response by Your Honors, and in this extract I find myself noted as being incited to litigate against him with an unfounded action over a debt to my mother. And have the honor to reply to this, that this statement is loosely conjured up and absurd, and written according to his custom without proof, for far from being incited, undertaking proceedings was at that time advised against to me, in particular by my uncle, the then governing Commander Tadama, on the assumption that the said van Bijland, after some stay at Jaggernaickpoeram, would then be better able to pay his debt than then; I am prepared to confirm this at all times with a solemn oath. This was the reason that he, the undersigned, postponed the legal claim until after the departure of van Bijland to Jaggernaickpoeram, when he was positively instructed by his mother as proxy and thus to do so for Her Honor without longer delay, which then also occurred, but by no means upon an unfounded action, which is false unless one can deny his own signature and letters, the former of which remains in original among the kept court papers, and the others remain with the undersigned. By the claim submitted by me, the undersigned, on 19 February 1790, in the accompanying authenticated [illegible] short table, in response from van Bijland, Your Honors will be able to see that he was indeed not directly addressed in court for the reason aforesaid, but indeed amicably spoken to verbally by Mr. Crap and by him in writing, but it was to a deaf

Dutch transcription

No 18 354 Aan den wel Edele Achtbaaren Heer. — Jacob Eilbracht opperkoopman en GeBachhebber van het Cormandels Gouvernement met den resorte van dien verte: ble en. Wel Edele Achtbaare Heer. Op sondag avond bij onse president ontfangen en man„ dag door zijn E: E in onse Extra ordinaire bij eenkomst geproduceerd weesende, uwel Edele agtbaare g'eerde mis„ sive van den 9' deeser en versellend Extract klachte van de Heer Willem Hendrik Graaf van Bijland waar bij doleert, dat het arrest op zijn goederen gerech„ telijk gelegt sonder decreet of voor kennis geschonden is, zoo hier als ten Comptoire Sadraspatnam, en welkende weegen uwel Edele agtbare requireert informatie, wat van die klagte, zoo verre ze ziet op het gepasseerde alhier gelooft of verworpen moet werden, om te strekken tot g'eerde naricht van en Communicatie aan de Edele Hooge Indiasche Regeering hebben wij de eere uwel Edele achtbaare tot elucidatie in deesen te dienen Dat het arrest op des Heer van Byjland goederen hier in en ten Comptoire Padraspatnam gelegd is, na voorgaand: ver„ „zoek daar toe bij request voor een van weegen Mejuffrouw de wed:e Canterwisscher, op decreet deeses raads van 12 fe„ bruarij anno pass:o —. Dat dek opening van een kist van de gparresteerde goederen hier geschied is meede op verzoek van weegen gem: Juffrouw op den 19. febr: na 't afloopen der wolle in onse vergo= dering gedaan, en daar op gevallen besluijt van Fiat, om reeden van het voor gesteld gevaar van witte muren die zich bereeds buijten aan deese kist geset hadden. — Dat deese opening en visitatie door een Iustiteele Commissa gedaan en daar van behoorlijke acte van bevinding en wee der verzegulen belegd is.—. Dat de kist met boeken van Sadraspatnam aangebracht, ge openden gevisenteerd is den 28 Iunij, daar aan volgende, en behoorlijk weeder in gepakt en verzeguld, waar van meede door de heeden en beamptschrijven die de Commissie uytge maakt hebben, direct behoorlijk acte belegd is. — Deese opening en kel, is op mondeling verzoek en daar op belegde Commissie door den E: E: Heer voorzetter des tyds Iacob Samuel de Raeff gedaan, direct bij aanbreng van de kist en bevinding dat de rotten daar inne be reeds een gat gekraagd hadde.. Belangende de overbreng der goederen van meeste waarde 355 waarden van Tars Cahan, dit is geched vermnogen be sluijt des raads sub dato 26 April 1790. gevallen; op bij request daar toe gedaan verzoek, van weegen Mejuffrouw Cantervisscher, Impetrante van 't arrest om reeden van de troubles van Sipoos roof-troupen ~ En om deselve geopperde zwaarigheid voor van wee„ gen gemelde Mejuffrouw de Jmpetrante is bij dispositief on„ ses raads op 20 december passato geaccordeerd de op Sa„ draspatnam nog resteerende gearresteerd goederen ook dit heen te doen transporteeren. — Wij hoopen dat dit tot genoegzaame ellucidatie van uwel Edele achtbaare opgemelde klagte van van Bijland sal strekken, en hebbe de eere met alle hoog agting te noemen. - . /:onderstond /: wel Edele Achtbaare Heer uwel Edele achtbaare onderdanige en ootmoedige Die„ naaren /:was geteekend:/ P: C: v: Halm, Jach Sam:l de Raeff, I: I: Winckelmans, W: Pietersz: S: Duynevelt, J:s van Tessel, J:n W=m Luijken, en Chr:n Theod:s Bloeme. /:in margine /: Palliacatta Jn 't Port Geldria den 12. Januarij 1791. —. Accorpeerd D Cormieuk De p: Clercq. isso 386 Dingsdag den 25. Januarij Anno 1791. S morgens.— Presentibus Omnibus, Demptis. d' E: Christiaan Theodorus Bloeme, mits indispositie, zijnde de stoelen van den E: E: heer President en fiscal open —. Is door den onderkoopman Jacobus Simons Canter visscher gepresenteerd het volgene addres Aan den E: E heer Iacob Samuel De Raeff, voorzittend Lid benevens de E=s Leeden van den raad van Iustitie deezes gouvernements. —. E: E: Heer, en Heeren. —. Den ondergetekende heeft niet kunnen afzijn te antwoor„ den op het Extract uijt een geschrift van eene p:l koop„ man zeekere van Bijland den 10. deezer in uwel Ed:e Agtb: vergadering door den wel Edele agtb: Heer gedaghebber derzes gou„ vernements Iacob Dilbracht ingezonden met een requisit ter response door uw Agtb: en In dit Extract vind ik my aan„ gemerkt als opgestookt zijnde met een ongefundeerde actie tegens hem te procedeeren over schuld aan mijn moeder. en Hebben de eere hier op te repliceeren, dat dit gezegde la„ sive opgeraapt, en absurt is, en na onder gewoonte geschreeven sonder Nt 19 sonder hewijs, want verre van te zijn opgestookt is mij het on derneemen van proceduires in dien tyd afgeraaden, in het by, zon der door mijn Oom den doen regeerende heer gezaghebber Tadama in die supositie, dat gemelde van Bijland na eenig verblijf op Suggernaykpoeram zijn schuld, dan beeter, als toen zoude kunnen betaalen /: ik ben bereid, dit ten allen teijden met so„ lemneelen Eede te bevestigen:/ Dit is de reeden geweest dat hij ondergetekende de aanspraak in regten heeft uijtgesteld, tot na het vertrek van van Bijland na Iaggernaijkpoe ram, wanneer hij possitive door zijn moeder daar toe wierd last om q9 en dus voor haar Ed: zulks te doen sonder langer dilaij, het welk dan ook is geschied, maar geensints op eene ongefundeerde actie dat valsch is ten zij men zijn eijgene handtekening en brieven kan looe„ renen, welke eerste in origineel onder de gehoudene pro„ ces papieren, en de andere bij heere ondergetekende zijn berustende. — Bij den door mij ondergeteekend ingediende Eijsch op den 19 feb: 1790. , in het nevens gaande geautentiseerd taond Cortabelletje aan, in antwoord van van Beijland zullen, uw Agtb: zien kunnen dat hij wel niet di rect in rechten om reeden voormeld, maar wel in der minne door den heer Crap mondelings en door hem schriftelijk is aangesprooken, maar het was aan een door

NL-HaNA_1.04.02_3974_0737 view scan ↗

English

knocked on a deaf man's door. To which end the undersigned requests that this document, submitted in answer to the periods concerning me, and the authenticated copy notes be inserted into the court roll, and subsequently be attached in original to the answer to the Extract memorial of van Bijland to the Right Honorable Lord Commander, in order to serve for the refutation of his shameless pretenses. With great respect he has the honor to be, below stood, Honorable Lord and Gentlemen, Your Honors' humble and obedient Servant, was signed, I: S: Cantervisscher, in the margin, Palleakatta the 16th of January 1791. Highborn Lord, It grieves me to have to report to Your High-Born Honor that I have received positive orders from my mother not to let Your High-Born Honor depart before and until her claim of S: Rop: 2300, together with the interest accrued thereon, has been satisfied; therefore I request Your High-Born Honor hereby to settle the matter amicably, so that I may not see myself placed under the unpleasant necessity of having to proceed against Your High-Born Honor at law concerning this. I have the honor to be with esteem, in the margin, the 16th of November Anno 1789, below stood, Agrees with the minute in the own handwriting of Mr. Jacobus Simons Cantervisscher shown to me, Palleacatta In Fort Geldria the 19th of January 1791, was signed, I:n Obdam Sworn Clerk. Sir, Your Honor cannot let me depart: that remains to be seen; for the rest I repeat my statement which I gave to Mr. Crap, in order to be able to do everything that Your Honor shall deem fit to do, and in that expectation I remain, below stood, Sir, Your Honor's Servant, was signed, van Bijland, in the margin, Palliakatte the 16th of November 1789, below stood, Agrees with the original shown to me, Palleakatta in Fort Geldria, the 19th of January 1791, was signed, P:n Obdam Sworn Clerk. The Council, disposing upon the above address, grants the petitioner's request as far as it concerns this Council, commanding thereby the secretary to insert the said address and annexes into the civil petition bundle, but leaves the attaching of both to the report of information previously delivered by the Council to the Honorable Lord Commander upon Mr. van Bijland's complaint, deferred to the Honorable Lord Commander aforesaid, in such manner as His Honor shall be requested by the petitioner or on his behalf under the presentation of a copy copy hereof, below stood, In my presence, was signed, I: Obdam Secretary of Justice, lower, Extracted from the Civil lawsuit bundle of the Honorable Council of Justice of this Government, Collated Agrees Palleakatta In Fort Geldria, the 28th of January 1791, signed, I:n Obdam Secretary of Justice. Agrees J Dormieux Supervising Clerk No: 29 To the Right Honorable Lord Jacob Eilbracht, Senior Merchant and Commander of the Coromandel Government with the Dependencies thereof, etc. etc. Right Honorable Lord, Pursuant to Your Right Honorable's esteemed order, the undersigned, Fiscal ad interim and Commissioned Judicial Councilors, together with the secretary, betook themselves to the Company's storehouse in the fort here, and demanded of the storekeeper such measures and weights as might be false or small and too light. The storekeeper thereupon handing to us a tin measure or can, with which at the time Mr. Brouwer was storekeeper, the distribution or measuring out of oil was done, we measured the same against a calibrated wooden Nagapatnam measure, and found that the said tin can contained no more than three quarters of the same. Subsequently having performed the remeasurement with a mussie, mussie, the finding was as follows: The Nagapatnam calibrated measure: 17 Mussies. The aforesaid tin can: 13 1/2. A smaller tin can, passing for the half of the first: 8. A ditto, passing for one quarter: 4. Furthermore, we found all the weight present in the storehouse to be the Company's, and upon confrontation with the standard weights, agreeing with the same. The wooden Parra, which is uncalibrated, we also compared, namely, measured with rice leveled off, and upon weighing found it to contain barely forty pounds. Furthermore, we also found the old wooden Parra and some smaller old wooden measures, which the storekeeper declared were not used at all and lay as useless in the storehouse. Further, pursuant to Your Right Honorable's further order concerning the aforesaid tin measure found too small, we heard the following persons, namely: The storekeeper Mr. Fredrik Willem Bloeme, the checker Christiaan Theodorus Bloeme, the former servant of Mr. Broerius Brouwer Mr. Broerius Brouwer, who concerning this all declared as the document executed thereof before us today shows, to which we respectfully refer. Hoping hereby to have fulfilled Your Right Honorable's esteemed intention, we take the honor to subscribe ourselves with deep respect, below stood, Right Honorable Lord, Your Right Honorable's humble and obedient Servants, was signed, J:s van Tessel and I: W: Luijken, in the margin, Palleacatta In Fort Geldria the 1st of February 1791, lower, In the presence of me, signed, S:n Duijnevelt, in the middle, To my knowledge, was signed, I:n Obdam Secretary, namely Welaijdom Chittij, servant of Mr. Brouwer at the time that His Honor was storekeeper or observed that post. Agrees. A Dormieux Supervising Clerk

Dutch transcription

357 doove mans. deur geklopt. — Ten fine verzoekt den ondergetekenden dat dit in ant„ woord op de mij raakende percods, ingediend. geschrift en geauthentiseerde copij braefjes in de rolle geinsireerd, en vervolgens in natura bij het antwoord op het Extract me morie van van Bijland aan den wel Edele agtb: heer. gezaghebber mag werden gevoegd om te kunnen dienen tot wederlegging van zijne onbeschaamde voorwendsels. -. Met veel ontsag heeft hij de eere te zijn /:onderstond /: E: E: Heer, en Heeren, uwelEdele onderdanige en gehoor„ Zame Dienaar /:was getekend:/ I: S: Santervisscher /:in E margine:/ Palleakatta Den 16. Ianuarij 1791. —. Hoog geb: Heer Het doet mij leed uw Hoog wel geb: te moeten melden dat ik van mijn moeder positive ordre heb gekreegen om uw Hoog geb: niet, te laaten vertrekken, voor en al eer„ dat haare pretentie voldaan is van S: Rop: 2300. ne„ vens de daar op verlopene rente, dus versoeke ik uw Hoog wel Geb: bij deeze de zaak in der minne te schik„ ken, om mij niet in de onaangenaame noodzakelijkheijd te zien uw Hoog wel geb: in regte daarover te moeten betreekken. — Ik heb de eere met agting te zijn /:in margine:/ den 16. november: Ao 1789. /:onderstond:/ Accordeerd met mij mij vertoond minut eijgenhandig schrift van de heer Iacobus Simons Cantervisscher, palleacatta In het fort galdria den 19. Januarij 1791. /:was getekend /: I:n Obdam E: g: Clercq. — Mijn Heer. . uw Ed:se kan mij niet laaten vertrekken: dat sal te bezien staan, overigens herhaal ik mijn gesegde, „at ik aan de heer Crap. gegeeven heb, om alles te kon nen doen wat uwel Edele sal goet oordeelen, te doen en in die verwagting blijf ik /:onderstond /: Mijn Heer uwel Edele Dienaar /:was getekend /: van Bijland /in margine /: Palliakatte den 16. november 1709. /: onder stond /: Accordeerd met het mij vertoond origineel, palle akatta in het fort Geldria, den 19. Ianuarij 1791. /: was getekend /: P:n Obdam E: g: Clercq. — Den Raad op bovenstaande addres disponeerende, accor deerd des suppliants versoek. voor soo verre dit deeze raa„ de belangt gelast mits dien den secretaris, gemeld addres en bijlagen te voegen in de civrele request bondel, dog laar het voegen van het een en ander bij het rats aan den agtb heer gezaghebber overgegeeven berigt van informatie op des Heer van Bijlands klagte, gedefereert aan den agtb: Heer gezaghebber voormeld, zulx zijn agtb door den suppli ant of zijnent weege onder het prezenteeren van Copia 8 358 Copia, hier van verzogt wordende . /:onderstond /: Mij /: present /: was getekend: /: I: Obdam Secretaris J:s /:lager:/ g'Extraheerd uijt de Civile proces bondel van den Agtbaren Raad van Iustitie deezes gouvernements, Gecollationeerd Ac„ cordeerd Palleakatta In het fort Geldria, den 28 Ia„ nuarij 1791. /:getekend /: I:n Obdam Sec:t Gust:s. — Accordeerd JDormieuk Sepvr: Clercq 359 No: 29 Aan den WelEdelen Agtbaden Heer Jacob Eilbracht. opperkoopman en Gezaghebber van het Cormandelsch Gouvernement met den Resorte van dien, &a. &a: Wel Edele Achtbaare Heer Ingevolge uwel Edele Achtbaare g'eerde last, hebben de on„ dergeteekendens, Prointerum fiscaal en Gecommitteerde Iusti„ tieele Raeds Lieden, nevens den secretatis hun vervoegd in 's Compagnies dispens in 't fort alhier, en vanden dispencier afge„ vraagd zoodanige masten en Gewichten als valsch ofte kleijn en te ligt mochte weezen. Den dispencier ons daar op terhandstellende Een Blik„ ke maet of kan, waarmeede ten keijde dat de Heer Brou„ wer dispencier was, de verstrekking of uijtmeeting van olij gedaan was, hebben wij deselve nagemeeten met Een gelykt houte Nagapatnamsche maet, en bevonden dat de zelve blikke kan niet meerder inhield dan Drie quart r=m van dezelve. —. Vervolgens de nameeling gedaan hebben met Een musje musje was de Bevinding als volgd. —. De Nagapatnamse g'eykte maat. . . . . . . . - Missis. 17. —. voorsz blikke kan . - - - . . . . . . . . . . . . . „ 13. 12. Een kleijndere blikke kan, loopende voorde helfte van de Eerste. . . . . . . . . . . . . . . . . . . „ 8. — Een dito, loopende - voor Eenquart - - - - - - - - - „ 4. — Voorts hebben wij alle het indispens weezende gewigt be„ vonden, teweezen 'sComp:s, en bij confrontatie teegens de stand gewigten, met dezelve Accordeerende de Houte Parra die ongeeijkt is hebben wij meede geconfronteerd, teweeten, met Rijst afgestreeken gemeeten en bij weeging bevonden in te houden veertig Ponden schaars. —. Voorts hebben wij nog gevonden den oude Houte Purra en eenige kleijndere oude houte maaten, die de dispencier verklaarde dat eene maal niet ge bruijkt wierden, en als nutteloos in 't dispenslagen Wijders hebben wij ingevolge uwel Ed: agtb: ver„ dere last weegens voorsz tikleijn bevondene Blikke maatgehoord de volgende persoonen als. —. Den dispencier D' Heer Fredrik Willem Bloeme Den Nareekeraar Christiaan The„ odorus Bloeme. Den Geweeszen dienaar van de Heer Broerius Brou„ wer „ 360 De Heer Broerius Brouwer. welke derweegen alle verklaard hebben als de daar van opheeden voor ons belegde document aantwond waaraan wij ons Eerbiedig gedraagen. . Hoopende Hiermeede aan uwel Edele Agtb: g'Eer„ de Intentie voldaan te hebben, maatigen wij ons de Eere aan met diep ontslag te onderschrijven /:onderstond:/ wel„ Edele Achtbaare Heer uwelEdele Achtb„s onder=„ danige en Gehoorsame Dienaaren. /:was getekend:/ J:s van Tessel en I: W: Luijken /:In margine:/ Palleacatta In 't fort Geldria Den 1. februarij 1791. /: Lager—:/ Ten overstaane van mijn /:getekend:/ S:n Duijnevelt /:in 't midden :/ Jnkennisse van mij /was getekend:/ I:n Obdam sec:s: p:l en. wer ten teijde dat zijne E. dispencier was, of die post waar nam, inname Welaijdom Chittij. Accordeerd. A Dormieus Pepr Clercq 17 . —. ver„ e Bron„

NL-HaNA_1.04.02_3974_0747 view scan ↗

English

No 6. 361 Today, the 1st of February 1791. Appeared before us, the undersigned members of the Honorable Council of Justice of this Coromandel Government, the junior merchant, invoice keeper, and storekeeper here, Mr. Frederik Willem Bloeme, who, at the requisition of the Honorable Simon Duijnevelt, acting pro interim in the office of fiscal here, denounced as the absolute truth: That, when he was to take over the provisions store from Mr. Broevius Brouwer, the servant of His Honor, by the name of Welaijdom, as Mr. Brouwer was not present due to indisposition, wanted to measure out the oil to him with an uncalibrated tin measure, claiming it to be a Nagapatnam mediet. That the son of the gentleman denouncer, the bookkeeper and auditor Christiaan Theodorus Bloeme, arriving by chance at the provisions store and hearing the discussion about the measure, said to the gentleman denouncer, his father, that it was not good to take over the oil with that measure, because that measure was not genuine, and that it was better to take over everything with a calibrated measure. That the gentleman denouncer thereupon had a calibrated Nagapatnam mediet brought by the under-major Pregoor, and having compared the aforesaid tin measure against it, found that the latter held only ample three-quarters of the former. That the gentleman denouncer then rejected the tin measure and took over everything with the calibrated wooden measure, and that he also conducts all deliveries until today with the same measure. That he, the denouncer, addressing the aforementioned servant regarding this apparent deceit, the latter brought forward in excuse that his master had received everything with this measure when taking over the provisions store from Mr. Peeke (deceased). Ending herewith, the gentleman denouncer declared this denunciation of his to contain the pure truth, giving as reason for his knowledge as stated in the text, remaining ready, if required, to confirm the same with a solemn oath. Thus done and denounced in Fort Geldria at Palleacatta on the date aforesaid, in the presence of the Honorable Jacobus van Tessel and Jan Willem Luijken, commissioned members of the Council of Justice. The minute of this is duly signed. Below stood: Which I testify, signed J:n Obdam, Secretary of Justice. On today, the 14th of February 1791. Appeared 362 again before the undersigned commissioned members from the Honorable Council of Justice of this Government, the gentleman denouncer mentioned in the foregoing denunciation, which having been read to His Honor in the presence of the acting Fiscal aforesaid, His Honor fully persisted therein. Thus done and re-examined in Fort Geldria at Palleacatta, on the date aforesaid, in the presence of the Honorable Jacobus van Tessel and Jan Willem Luijken, commissioned members of the Council of Justice. Was signed: F:s W:m Bloeme. Below: In my presence, signed: J:n Obdam, Secretary of Justice. In the margin: Present to us as commissioners, was signed: van Tessel and J:n W:m Luijken. Accordaat A Dormerk 1st Clerk. 363 Today, the 1st of February 1791. Appeared before us, the undersigned members of the Honorable Council of Justice of this Government, the bookkeeper and trade auditor Christiaan Theodorus Bloeme, who, at the requisition of the Honorable Simon Duijnevelt, acting pro interim in the office of Fiscal here, declared as the absolute truth: That, when his father, Mr. Fredrik Willem Bloeme, was taking over the provisions store from Mr. Brouwer, he happened to arrive there from the office just as the oil was to be delivered. That he then heard there was a dispute regarding the measure, and his father showing him a tin measure, which had been presented by the servant of Mr. Brouwer, by the name of Weleijdom, for a full Nagapatnam mediet, which appeared to him, the deponent, by sight to be too small for that, and also because it was not calibrated, he advised his father not to receive with it, warning that he would fall short upon delivery. That his father thereupon having a calibrated Nagapatnam mediet fetched from the under-major Fregoor, upon measuring it was found found that the tin measure contained only ample three-quarters of this calibrated wooden one. That the deponent's father, addressing the servant Welaijdom regarding this, the latter brought forward in excuse that his master, upon taking over the provisions store from Mr. Teeke, had received everything against this tin measure, and had also made deliveries with it until that time. That the deponent's father subsequently received everything with the calibrated wooden measure, and that he, the deponent, thereupon advised his father to keep the aforesaid tin measure completely out of use, both in receiving and in delivering, and that he is assured that this was followed accordingly. Ending herewith, he, the deponent, declared this testimony of his to be the pure truth, giving as reason for his knowledge as stated in the text, remaining ready, if required, to confirm the same with a solemn oath. Thus done and declared in Fort Geldria at Palleacatta on the date aforesaid, in the presence of the Honorable Jacobus van Tessel and Jan Willem Luijken, commissioned members of the Council of Justice. The minute of this is duly signed. Below stood: Which I testify, was signed: J:n Obdam, Secretary of Justice.

Dutch transcription

No 6. 361 Op Huijden Den 1 februarij 1791. —. Compareerde voor ons ondergeschrevene leeden uijt den Achtbaaren Raad van Iustitie deeses Cormandelsch Gouvernements, den onderkoopman factuurhouder en despen„ cier alhier, de Heer Frederik Willem Bloeme, de„ welke ter requisitie van de E: Simon Duijnevelt als prointerum waar nemende het ampt van fiscaal alhier, denuncieerde de- waarachtige waarheid te wee„ „ Ben. e. Dat hij van de Heer Broevius Brouwer het dis„ pens zullende overneemen, de dienaar van zijn Edele„ in name Welaijdom, als weezende de Heer Brouwer mits onpasselijkheijd niet present, hem de olij wilde toe meeten met Een blikke ongelijkte maat, houdende die voor Een Nagapatnamse mediet. —. Dat des Heer denunciants, zoon den Boekhouder en Na„ Christiaan Theodorus Bloem- Juijst als bij reekenaar „geval in 't dispens komende, en het redeneeren over de maat hoorende, teegen den Heer denunciant Zijnen va„ der gesegt had, dat het niet goed was, dat de olij met die maat overnam, want dat die maat niet Egt was, dat het beter was alles overteneemen met Een G'eijkte maat. Dat den Heer denunciant daar op van den onder majoor majoor Pregoor hadlaaten haalen Een Nagapatnamse Geij„ ke medeet, en daar teegen geconforonteerd hebbende, voor schreeven blikke, bevonden had, dat de Laaste maar hou de driequart van de Eerste Ruijm. — Dat de Heer denunciant toen de blikke maat verworpen en met de houte geEijkte alles overgenoomen had, en dat alle uijt leveringen tot heeden ook doet met deselve maat Dat hij denunciant de voormelde dienaar over dit oog scheijnelijk bedrog aanspreekende, dese tot verontschuldiging had ingebragt, dat zijn Hevr alles met deese maat bij t overneemen van 't dispens van de Heer Peeke /:z. / ont„ vangen had. — Eijndigende hier meede verklaarde den Heer duunciant deese zijne denunciatie de zuijver. waarheid te behel„ sen voor reeden van weetenschap gevende als in den text bereijd blijvende het zelve, des gerequireerd werdende met solemneele Eede te bevestigen. — Aldus Gedaan en Gedenuncieerd in 't fort Geldria te Palleacatta op dato voorsz: ter presentie van D' E:s Ia cobus van Tessel,) en Jan Willem Luijker Gecom mitteerde Iustitieele Raads Lieden de minute deeses is behoorlijk geteekend /:onderstond:/ T welke Getugd. J:n Obdam Sec:t J:t /:was geteekend:/ Februarij 1791. Compa¬ Op Huyden den 14. reerde 362 reerde andermaal voor de ondergesz: gecommitteerde zee„ den uijt den achtb: raad van Justitie deeses Gouvernements. den Heer denunciant in voorenstaande Denunciatie ver„ meld welke zijn Ed: voorgeleesen weesende ten overstaan van den Prointerum Fiscaal voorm: bleef zijn Ed: daar„ hij ten vollen (Persesteeren Aldus Gedaan en Gerecollurd In 't fort Gel„ dria te Palleacatta dato voorsz ter Presentie van de E:s Jacobus van Tessel en Jan Willem Luij„ ken Gecommitteerde Iustitieele: Raads Leeden /:was getekend:/ F:s W:m Bloeme. /: Lager:/. Inkennis„ se van mij /:getekend:/ J:n Obdamn sec:t J:o /: ter zeij„ de / ons Present. als gecommitteerdens /:was gegetekend:/ van Tessel en J:n W:m Luijken. —. Akcorgtaard A Dormerk sve Clercq. 363 Op Huiden Den 1. februarij 1791. Compareerde voor ons ondergesz: leeden uijt den Agtb: Raad van Iustitie deezes Gouvernements, den boek„ houder en Negotie nareekenaar Christiaan Theodorus Bloeme, dewelke ter requisitie van dE: Simon Duijnevelt, als prointerum waarneemende het Ampt van Fiscaal alhier verklaarde de waarachtige waarheid te weezen. —. Dat zijn vader de Heer Fredrik Willem Bloeme het dispens overneemende van de Heer Brouwer hij toe„ vallig van 't kantoor daar gekomen was, toende olij zoude overgegeeven werden. —. Dat hij toen hoorde dat 'er verschil was over de maat, en zijn vader hem toonende Een blikke maat, die door de dienaar van de Heer Brouwer in name weleijdom opgegeeven was voor een Hiele Nagapatnamsche mediet, welke hem attestant op het oog daar voor te kleijn voorkomende, en meede om dat zo niet GeEijkt was, hij zijn vader geraaden had, daar niet meede te ontvangen waarschouwende dat bij uijt lee„ vering te kort komen zoude. Dat zijn vader daar op Een Nagapatnamse Ge Eijkte mediet van den onder majoor Fregoor. hebbende laaten komen, bij nameeting be„ vonden vonden was, dat de blikke maat maar inhield drie quard r=m van deeze houte G' Eijkte. Dat des attestestants vader de dienaar welaijdom hier over aanspreekende deeze tot ontschuldiging inge bracht had, dat zijn Heer alles bij het overneemen van 't despens van de Heer Teeke teegens deeze blik„ ke maat ontvangen, ende uijtleevering daar meede tot zoo lange ook gedaan had. . Dat des attestants vader vervolgens alles met de houte T'eijkte-maat ontvangen had en dat hij attestant daar op zijn vader had geraaden om voorsz: Blikke maat ten eenemaal buijten gebruijk te houden zoo met ontvangst als uijt levering, mitsgaders dat hij verbeekerd is, dat dit zoo„ danig gevolg genomen heeft. Eijndigende hier meede verklaarde hij attestant deeze zijne betuijgeng de zuijvere waarheijd te weezen, voor reeden van weeten schap geevende als in den teijt, bereed blijvende. het zelve des gerequireerd werdende met solemneele Eede te bevestigen. i. Aldus Gedaan en verklaard In t fort Geldria te Palleacatta op dato voorsz:, ter Presentie van D' E:s Jacobus van Tessel en Jan willem Luij„ kers, Gecommitteerde Iustitieele raads. Leeden, De minute deezes is behoorlijk geteekend. . /: onderstond /: 'Twelk Ge tugd /:was getekend /: J:n Obdam Sec:t J:s —. p „1

NL-HaNA_1.04.02_3974_0753 view scan ↗

English

Today, the 14. February 1797. Appeared once again before the undersigned commissioned members of the Honorable Council of Justice, the aforementioned witness in the preceding declaration, which having been read aloud to him in the presence of the abovementioned provisional fiscal, he fully persisted therein, confirming the same by solemn oath by raising the two front fingers of his right hand and uttering these words: So truly help me God Almighty. Thus done, recollected, and sworn in Fort Geldria at Palliacatta on the date aforesaid, in the presence of the Honorable Jacobus van Tessel and Jan Willem Luijken, commissioned judicial council members. Was signed: Chr:n Therd:s Bloeme. Lower: In my knowledge. Signed: J:n Obdam Sec:s J:o. In the margin: Present before us as commissioners. Signed: J:s van Tessel and J: w: Luijken. Agreed. ADormieuk Shvs: Clercq quard 365 Today, the 1. February 1791. Appeared before us, the undersigned commissioned members of the Honorable Council of Justice of this Coromandel Government, the native Welaijda Chittij of the Welale caste, aged 20 years, formerly servant of Mr. Broerius Brouwer, and at that time performing the duties in the dispensary, who, at the requisition of the Honorable Simon Duijnevelt, acting provisional in the office of fiscal here, deposed in the Portuguese language to be the true truth: That when his aforementioned former master Brouwer took over the dispensary from the servants of Mr. Feeke in the presence of commissioners, he himself had received the oil with a wooden Nagapatnam gauged mediet. That the said people of Mr. Teeke had also handed over the tin measure shown to him, the deponent, saying that the distribution was always done with this for one mediet. That as long as the aforementioned Mr. Brouwer held the dispensership, he himself had always made the distribution distribution with the said tin measure. That when Mr. Bloeme took over the dispensary from his master, his Honor was against receiving it with the said tin measure, and that thereupon the distribution of the oil was done with a Nagapatnam gauged measure. That when Mr. Brouwer was to receive the dispensary from the people of Mr. Teeke, they had also wanted to measure out the oil with the aforesaid tin measure, but that upon protests against this, such was not done, but as aforesaid with a wooden Nagapatnam gauged measure. Ending herewith, he, the deponent, declared this his testimony to contain the pure truth, giving as reason of knowledge as in the text, remaining prepared to further stand by this at all times if required. Thus done and deposed in Fort Geldria at Palleacatta, date aforesaid, in the presence of the Honorable Jacobus van Tessel and Jan Willem Luijken, commissioned judicial council members. The minute hereof is duly signed. Underneath stood: Which I witness. Was signed: Jn Obdam, Sec:s J:o. 366 Today, the 14. February 1791. Appeared once again before the undersigned judicial commissioners, the aforementioned deponent named in the above declaration, who, upon having it presented to him in the Portuguese language in the presence of the provisional fiscal mentioned therein, fully persisted therein, with this addition: that in measuring out liquor and oil, he had always acted according to his master's order, namely that liquor had been supplied with the liquor can, and oil with the oil can; that he did not know that the oil can was too small, but that his opposition to Mr. Teeke's people against measuring with the can was solely to prevent loss by spilling, and because he knew that upon purchase it was always measured with the Nagapatnam gauged mediet. Furthermore, that the liquor can is also not gauged, but that it has small holes around the rim which serve as a mark of a fixed measure, and that since the liquor in transport is not measured out with such a small measure, no dispute had arisen regarding that between him and Mr. Teeke's people, but that the remainder of cans over a leaguer was always measured out with the aforesaid tin measure, just as his master had likewise received this from the people of Mr. Teeke. Thus Thus done and recollected in Fort Geldria at Palliacatta on the date aforesaid, in the presence of the Honorable Jacobus van Tessel and Jan Willem Luijken, commissioned judicial council members. Underneath stood: In Malabar characters, the signature of Welaijda Chittij. Lower: In my knowledge. Signed: J:n Obdam: Sec:t J:e. In the margin: Present before us as commissioners. Was signed: J:b van Tessel and J:n Wm: Luijken. Agreed. ADormieuk Gehvr: Clercq

Dutch transcription

364 Op Huijden den 14. februarij 1797. Compareerde andermaal voor de ondergesz: Gecommitteerde Leeden uijt den Achtb: raad van Justitie, voormeld den attes„ tant in voorenstaande. verklaaring voormeld, dewelke hem ten overstaan van boven genoemde Proincterum fiscaal, voor„ geleezen weezende, bleef den selven daar hij ten vollen per„ Testeeren bevestigende het zelve met solemneele Eede door het op steeken van de twee voorste vingers van zijn reg„ ter hand, en het uijten van deeze woorden. —. AZoo waarlijk Helpe mij God Almagtig. Aldus gedaan Gerecolleerd en bebedigd in t fort Geldria. te Palliacatta op dato voorsz: ter Presentie van d: E: Jacobus van Tessel en Jan willem Luijken Gecommitteer¬ de Iustitieele Raads Leeden /: was getekend /: Chr:n Therd:s Bloeme. /: Lager :/ Inkennisse van mij /:getekend /: J:n Obdam Sec:s J:o /:ter zijde /: ons Present als gecommitt:s /:getekend /: J:s van Tessel en I: w:) Luijken. —. Accordleerd ADormieuk Shvs: Clercq quard 365 Op huijden den 1. Februarij 1791. 6. Compareerde voor ons ondergeschulverne. Gecommitteerde Leeden uijt den agtbaaren Raad van Justitie deeses Cor„ mandels Gouvernements, den Inlander. welaijda Chittij van de Casta welale oud 20. Iaaren, bevoorens dienaar van de Her Broerius Brouwer, en als toen waarneemende de dienstend in 't dispens dewelke ter re quisitie van de E: Simon Duijnevelt, als prointirum waarneemende het ampt van fiscaal alhier in de portugeesche taale deposeerde de waaragtige waar heijd te weesen. —. Dat toen genoemde zijn geweesen Heer Brou„ wer het ditpens overnam van de bediendens van de Heer Feeke ten overstaan van gecommitteerdens, hij zelver de olij ontvangen had met een houte Nagapat„ namse Teijkte mediet. ~. Dat het gemelde volk van de Heer Teeke tevens. overgegeven had, de aan hem deposant vertoonde Blikke maat, onder het zeggen dat met deese de uijtleewvoring altoos gedaan wierd teegen één me „ diet. dat zoo lange voormelde Heer Brouwer het dis„ pancierschap heeft, waar gewoomen, hij zelver altoos de uijttevering uijtlevering gedaan had met gemelde blikke maat. — Dat toen de Heer Bloeme het dispens van zijn Heer overnaam, zijn Edele tegen de ontvangst was met ge melde blikke maat, en dat daar op de uijtleevering van de olij geschied was met een Nagapatnamse gerijkte maat. —. Dat toen de Heer Brouwer het dispens, van des Heer Teeke 'T volk zoude ontvangen deese ook de Olij hadden willen toemeeten met voorsz: blikke maat, dog dat op protestatien. daar teegen zulx met geschied was, maar als voor zegt met eene houte Nagapat„ namse gelijkte. — Eijndigende hiermeede verklaarde hij deposant deese zijn getuijgenis de zuijvere waarheijd te behelsen voor reeden van weetenschap geevende als in den text, be reid blijvende zulx ten alleen teijde des gerequireerd wer„ dende nader gestand ten doen. —. Aldus Redaan en Gedeposeerd In 't fort Geldria te Palleacatta dato voorsz: ter presentie van D: E: Jacobus van Tessel en Jan Willem Luijken Gecommitteerde Iustitieele raadsleeden, de minute deeses is behoorlijk geteekend /: onderstond /: T: welk getuijgd /:was getekend /. Jn Obdam. Sec:s J:o. 366 Op Huijden Den 14. februarij 1791. —. Compareerde andermaal voor de ondergesz: Iustiteele Gecommitteerde voormelde den deposant in boven staande verklaaring Genoemd, dewelke hem ten overstaan van den daar Gerepte Prointerum fiscaal in de Portugeesche Taa„ le voor Gehouden weezende bleef hij daar bij ten vollen persesteeren, met dese bij voeging dat hij in 't uijt mee ten van drank en Olij attoos na zijn Heers order te werk gegaan was te meeten dat drank verstrekt had„ met de drankken, en Olij met de olij kan dat hij niet geweeten heeft dat de olijkan te kleijn was, maar dat zijn oppositie bij des Heer Teekes volk teegen het meeten niet de kan enkel geweest is om het verlies doorstorten voorte komen, en om dat hij wist dat bij inkoop altoos met de Nagapatnamse G'eijkte mediet gemeeten wierd. voorts dat de drank kan ook niet G' Eijkt is maar dat die bij de rond gaatjes heeft die tot teeken van vaste maat strekken, en dat vermits de Druk bij trans„ port met zulke kleijne maat niet toe gemeeten word„ daar omtrend ook geen verschil tusschen hem in des Heer Seekes volk ontstaan, was,„ dog dat het restant van kannen boven een Legger altoos met voorsz: blikke maat toegemeeten werd, zoo als zijn Heer dit van des Heer Geikes volk ook zodanig had ontvangen. Aldus Aldus Gedaan en Gerecoleerd in 't fort Geldria te Palliacatta op dato voorsz: ter Presentie van D' E:s Jacobus van Tessel en Jan Willem Luij„ ken. gecommitteerde Iustitieele Raadsleeden. /:onderstond /: Jn mallebaarse Carakters de handteekening van Welaij„ da Chittij /:Laijer:/ inkennisse van mij /:getekend /: J:n Obdam: Sec:t J:e /:ter zijde /:ons present als gecommitteerden/: J:b van Tessel /en J:n Wm:) Luijken. —. /:was getekend/: Acgordeert ADormieuk Gehvr: Clercq

NL-HaNA_1.04.02_3974_0759 view scan ↗

English

Today, the 1st of February 1791. Appeared before us, the undersigned members of the Honorable Council of Justice of this Coromandel Government, Mr. Broekius Brouwer, suspended junior merchant, fiscal, and payroll bookkeeper here, who, at the requisition of the Honorable Simon Duijnevelt, acting as fiscal of this principal place, deposed it to be the truth. On the specific question of the Honorable requisitor as to how the tin measure shown to his Honor, containing 13 ½ mutsjes, came into the pantry. That he, upon taking over the pantry after the demise of Mr. Peeke from the bookkeeper and now trade transfer agent Wouter Pietersz, had received it on behalf of Madam the widow Peeke, along with two smaller tin measures for half and a quarter of the first, without any other measures for wet goods. Against which measure his Honor received the oil upon transfer. That he cannot say this with certainty, having left the receipt of the oil to the servant Wellaydom, who in turn had to account for it to his Honor; with which measure his Honor delivered the oil provision. That he had likewise left this to his Honor's servant Wellaydom, because he was accountable to him for the receipt. The deponent further stated that he had indeed received a report from his aforesaid servant that the tin measure shown was somewhat too small, but that, since no other was to be obtained here, he had let it pass without troubling himself about it; not thinking that the difference was as large as he had discovered upon handing over the pantry to Mr. Bloeme, and all the more so because he had not concerned himself with it, as no complaints had ever been lodged about it. Ending herewith, Mr. Deponent testified this his statement to contain the pure truth, giving as reason for his knowledge as in the text, remaining prepared to maintain the same at all times upon further notice. Thus done and deposed in Fort Geldria at Palleacatta on the date aforesaid, in the presence of the Honorable Jacobus van Tessel and Jan Willem Luijken, commissioned judicial council members. The minute of this is duly signed; underneath stood: Which testifies; was signed: J:n Obdam, Secretary of Justice. Today, the 14th of February 1791. Appeared once again before the undersigned members of the Honorable Council of Justice aforesaid, Mr. Deponent mentioned in the above statement, which, having been read to him in the presence of the above-named acting fiscal, he fully persisted therewith, with this addition: that to this day no order is known to him, Mr. Deponent, whether the dispenser is obligated to measure out with the Nagapatnam measure or rather with the Palleacat measure, but that, having received the tin measure upon transfer, he had considered this to be a Company measure, and therefore deemed himself obligated to make the provision with it, all the more so since his predecessor had also done so; he further remarked, regarding the receipt by his Honor's servant from Mr. Peeke's people against the Nagapatnam measure, that such certainly would not have taken place had his Honor been alive; further that he, Mr. Deponent, made the purchase of oil against the measures of the places where the purchase took place, namely: to the south against the southern measure, and here against the measure of this place; that he had delivered the oil to Mr. Bloeme against the Nagapatnam measure or that of Mr. Tregoor, solely to prevent disputes or to settle those that had arisen, through which he himself fell short by nearly 60 to 70 measures; that he, deponent, also does not yet hold himself certain that the measures of Nagapatnam shown to his Honor in the pantry are authentic, for the reason that they contain 17 mutsjes, whereas the two smaller tin measures, as half and quarter, contain 8 and 4 neat, so a whole measure should contain 16 mutsjes, assuming the mutsje was correct, of which he said he likewise does not hold himself certain, not having seen that it has been calibrated. Thus done and recollated in Fort Geldria at Palliacatta on the date aforesaid, in the presence of the Honorable Jacobus van Tessel and Jan Willem Luijken, commissioned judicial council members; underneath stood: was signed: B: Brouwer; lower: In my presence; signed: J:n Obdam, Secretary of Justice; aside: Present with us as commissioners; was signed: J:s van Tessel and J: W: Luijken. Agrees: A. Dormieux First Clerk. No. 21. To Simon Duijnevelt, acting as fiscal pro interim, is hereby handed a sealed packet, and he is ordered to immediately convene a judicial session, to summon there the former first weigher in the Company's warehouses Waitinaden, dismissed from the Company's service, and someone who, outside the Company's servants, can be indicated by him to be capable and worthy of his trust as an interpreter, in case he himself might not be sufficiently proficient in the Portuguese language current here to understand and to answer that which must be asked of him. And after this interpreter shall have been administered the oath to honestly and faithfully translate that which shall be given to him to put to and inquire of the said Waitinaden, without adding to or subtracting anything from it, the packet shall be opened in the presence of both these persons; the address lying therein must immediately be read to the said Waitinaden, distinctly explained, and he must be asked whether that which is written therein and put to him in translation by the bookkeeper and secretary of the Orphan Chamber

Dutch transcription

367 Op huijden Den 1. februarij 1791. Compareerde voor ons ondergesz: Leeden uijt den Achtb: raad van Iustitie deeses Cormandelsch Gouvernement; de Heer Broeki„ us Brouwer, buijten functie gestelde onderkoopman, fis„ caal en Soldij Boekhouder alhier, de welke ter requisitie Duijnevelt, als prointetum waar„ van D' E: Simon nemende het ampt van fiscaal deezer. hoofd plaatse, deposeea„ de de waarheid te weezen. Op speciaale vraage van de E: requirant, hoe de. aan zijn E: vertoonde Blikke maat die inhoude. 13. ½. mutse in 't dispens quam. Dat hij die bij 't overnemen van 't despens na des Hua„ Seekes overleijden van den Boekhouder en tans negotie over„ drager Wouter Pietersz:, van weegen Mejuff:w de wedu„ we Peeke ontvangen had. nevens nog twee kleijndere Blikke maate voor half en quart van de Eerste zondere eenige ander. maate meer voor natte waaren. Teegen welke maat zijn E: de Olij bij transport ont„ vangen heeft. —. Dat dit niet met zeekerheijd zeggen kan, als hebbende de ontvangst van de Olij aan de dienaar welaijdom overgelaaten, die daar weeder de verantwoording van aan zijn E: moest doen: Met welke maat zijn E: de Olij verstrekking uijtgeleeverd heeft. —. C Dat. Adria mitteerden 7. Dat dit meede aan zyn E: sienaar wellaydom had overgelaa ten, om dat deese weegens de ontvangst, hem de verantwoor ding verschuldigt was. —. den deposant verder, dat wel rapport van zijn voorsz: dienaar gekruigen had, dat de vertoonde- Blikkemaat wat te kle was, dog dat, wijle hier geen ander te bekomen was, hij dit had laaten loopen, zonder zig daar aan te bekreunen; als niet denkende dat het verschil zoo groot was, als hij bij 't over„ geven van 't dispens. aan de Heer Bloeme ontdekt had, en dat te meer zig daar aan niet had laaten geleegen leggen, no ter nooit klagten over ingekomen waaren EEijndigende hier meede betuijgde den Heer Depasant, dee se zijn verklaaring dte zuijvere waarheid te behelsen, voor ree„ den van wietschap gevende als in den text, berad blijvende zulx ten alleen beijde nadere gestand te doen. —. Aldus Gedaan en Gedeposeerd in 't fort- Geldriae te Palleacatta Dato voorsz: ten presentie van D: E: Jacobus van Tissel, en Jan Willem Luijken. Gecommitteerde Iustitieele raads Leiden De minutie dee „ses is behoorlijk geteekend /: onderstond /: 'T welk Getuijgd: was getekend /: I:n Obdam sec:s J:s. Op huijden Den 14. Februarij 1791. Compareerde andermaal=or de vndergesz: Leeden uijt de 368 de Achtb: Raad van Iustitie voormeld, den Heer Depo„ sant in booven staande verklaaring vermeld, de welke hem ten overstaan, van boven genoemde Prointrum fiscaal, voor-„ gehouden weezende, bleefden zelven daar bij ten vollen Per„ „sisteeren, met deese bijvoeging, dat hem Heer deposant tot 6 heeden geen order bekend is, of den Dispencier verplicht is met de Nagapatnamse maat dan wel met de Pal„ leacatsche uijt te meeten, maar dat hij het ontvangen bij Transport van de blikke maat deeze voor een sComp. s maat gehouden had, en zich daar om verplicht G' agtb heeft daar meede de verstrekking te doen, te meer dat zijn voorgangen ook 300 gedaan had, merkte voorts aan, omtrend de ontvangst door zijn Ed: Dienaar van des Heer Teekes volk teegen de Nagapatnamse maat dat zulx zeeker geen Plaats zoude gehad hebben, was zijn Ed: in 't leven geweest; verder dat hij Heer Depo„ sant de Inkoop van olij deed teeger de maaten van de Plaatsen, waar den Inkoop geschiede, te weeten: om de zuijd teegen de Zuijdse, en hier teegen de maat van deeze plaats, dat hij de Heer Bloeme de olij had geleeverd teeg:s de Nagapatnamsche maat of die van de Heer Tregoor, enkel om desputen voortekomen, of de ontstaane maar te beslegten, waar door hij selve tot bij de 60 â: 70 maaten was te kort geschorten dat hij overgelaa rantwoor voorsz: kleyn uijt hij deposant zich ook nog niet verseekerd houd dat de maa ten van Nagapatnam zijn Ed: ins't despens vertoond, Egte zijn, omreeden ze inhouden 17 musjes, daar de twee, kleijn„ dere blikke maaten als halve en quart houden 8. en 4. net, dus een heele maat zoude moeten in houde 16. musjes, gesteld het musse goed was, waar van hij zeijde zich meede niet verseekerd te houden als niet gesien hebbende dat 't g'eijkt is. —. Aldus Gedaan en Gerecolleerd in 't fort Gedria te Palliacatta op dato voorsz. ter Pre„ zente van D' E:s Jacobus van Tessel en Jan Wil„ „lem Luijken Gecommitteerde Iustitieele Raads. Leeden /:onderstond /: was getekend /: B: Brouwer/ Lager /: Jnkennisse van mij /: getekend /: J:n Obdam ser.s. J:l ter zeijde ons Present als gecommitteerdens /:was getekend /: J:s van Tessel. en I: W: Luijken: Accordeerd A Dormieul Deswe Clercq. 366 No. 21. Simon Duijnevelt pro interim als fiscaal fungeerende is word mits deeze ter hand gestelt een verzegelt =paket en gelast om onmiddelijk te beleggen eene Iustitieele sComparitie, aldaar te ontbieden den uijt 's Comp:s dienst geslooten geweezen eerste weeger in 's Comp=s pakhuijsen Weitinaden en iemand die buijtend Comp:s Toeken, door hem kan aangeweezen worden in staat te zijn, en bij hem geloof te verdienen als vertaaler, indien hij zelf de hier in Iwang gaande Portugeesche tael niet magtig genoeg mogt x „ zijn, om te verstaan, en te antwoorden het geen hem gevraagt moet worden. En na dat deezen vertaalen zal afgenomen zijn den Eed van opregt, en getrouwe„ lijk te zullen overzeggens het geen hem opgegeeven zal worden gem: waitianaden voor te houden, en aftevraagen, sonder daar iets bij of af te doen, zal het paket, in presentie van beiden deeze lieden geopent: het daar in leggende Adres den gem: wai„ tinaden onmiddelijk voorgeleezen, distinctelyk „moeten te verstaan gegeeven en afgevraagt worden of het geen daar in beschreeven staat, en hem bij vertaling De boekhouder en secretaris van de weeskamer voorgehouden „ kleijn, waar ken. Lu 9.

NL-HaNA_1.04.02_3974_0764 view scan ↗

English

submitted to him contains the pure truth, and whether he considers the documents previously delivered by him in court as having been extorted and given out of distress and coercion, then letting him take the oath, a distinct annotation of his additions or subtractions should be made on the Act of Verification, which is written on the back or on the blank side of the report, and whereby it must be made known in what manner he has taken the oath, as there are various solemnities regarding this among the Malabars, and the most solemn is in this case the most necessary, and if he offers it, it must be done by him and at the same time by all other Malabars who must be heard concerning the matter. As it is then now necessary, after concluding matters with Waitianada, to immediately reseal the address with the seal of the Council in his presence, it goes without saying that all persons mentioned therein, and among these of the natives: Anda Chittij and Soepermanie Chittij, Patche Poele, conicopoly, must be called one by one and seriously asked: 1. Whether they were not summoned last year to give testimony concerning the administration and accounting of the warehouse by the former warehouse master Van Bijland. 2. Whether they were also previously encouraged by anyone and instructed what they had to say. 3. Whether promises or promises of rewards were also made to them to give testimony. 4. Who entertained them beforehand in such a manner. 5. In whose name they were first approached to give testimony. 6. Whether any threats also took place to compel them to give testimony. 7. Who, or by whom, and in whose name those threats might have been made. 8. What they received for giving testimony, from whom, and who fulfilled those promises to them for the testimony provided. 9. Whether the post of first weigher did not fall to Anda Chittij. 10. Whether Patche Poele did not flee, and was compelled with force to give testimony. 11. How they felt when appearing before the Members of Justice, fearful or of good cheer. 12. Whether they would be able to repeat of their own accord what was asked and answered. 13. How the interrogation took place, and whether the then Fiscal Brouwer treated them and posed the questions decently or with force and threats. 14. Whether they can confirm the answer to these questions, or the declaration to be drawn up thereafter, with an oath in the same manner as Waytianada. After this, Nagamalla Tagoel Naijk is called inside, a person upon whom Waitianada relies, to give a statement of what the conicopoly Patche Poele said and spoke in November of last year at the house of the said Tagul Naik concerning the aforementioned testimonies as they were demanded and provided in the past year. At this, or a further court session, the Under-Major Emanuel Gregoor must be summoned, and with regard to Wailianade, who must enter his presence, he must be asked how long a time this man was arrested within this fort last year; in what manner, where, and under the supervision of which sentries, Europeans or natives, locked up or unlocked, and what freedom regarding his heathen ceremonies of washing and eating. Whether he, Gregoor, can remember the date that he was ordered in the evening at the issuing of the watchword to take him, Waytinada, by an arm, and bring him out of the guardhouse to the outside. And whether he, doing this outside the gate, said in silence to Weitianada, "You surely know what His Honour (the Governor apparently) has charged you with. You must not remain here, but immediately leave the place," letting him enter a statement under the offer of an oath of whatever he answers, at your requisition as being thereto instructed in writing by me. Make all possible haste with this affair and report to me in writing on the outcome of this commission, attaching the Acts and returning the sealed address, together with the members and secretary of Justice. At the bottom was written: Palleakatta, the 1st of February 1791. Signed: J:b Eilbracht. In the margin: on the packet is written as the superscription: "This, according to my ordinance issued to the Interim Fiscal Duijnevelt, is to be opened in a court session to be specially convened and after the reading of the ordinance, and then to act with the writing enclosed therein according to the tenor of the ordinance." Agreed, A: Dormieux, First Clerk. 372. No. 22 To the Right Honourable Sir, Jacob Eilbracht, Senior Merchant and Governor of the Coromandel Government with the Dependencies thereof, etc., etc. Right Honourable Sir, Pursuant to the written ordinance issued to the undersigned, Interim Fiscal Simon Duijnevelt, he immediately after its receipt convened a judicial court session, and therein complied as far as possible with the contents of your aforementioned esteemed orders, in the following manner: The court session having been convened on the morning of the 2nd of this month, the repeatedly mentioned written ordinance dated the 1st of this month was first read out, presenting the sealed packet, the writing of Waijtinada. After this, the said Waijtinada, dismissed weigher of this place, was summoned inside and given his choice as to whom he wished to choose in the proceedings as an interpreter other than the Company's interpreters; however, as he could not determine this himself, the court messenger was proposed to him.

Dutch transcription

voorgehouden is de zuijvere waarheyt behelst, en of hy zyne te vooren gerechtelijk verleende stukken houd voor afgeperst en gegeeven uijt nood en dwang, hem dan den Eed doen laatende, dient van zyne af of bij voeginge destencte annotatie te geschieden bij de Acte van Recolement, die agter, of op de blauke zijde van het berigt geschreeven, en waar bij bekend moet gesteld worden, hoedanig hij den Eed gepresteert heeft, als zynde er dien aangaande bij de Mallebaaren onderscheydene solemniteiten, en de plechtigste is in deezen de nood ^als zakelykste, en zoo hy ze aanbiet moet het door hem en tevens geschieden door alle andere mallabaaren welke ter zaake gehoort moeten worden Gelijk het dan nu nodig is om na verrigting van zaaken met waitianada het Adra in zijn presentie ten eersten met het zegel van de Raad weder te Cachet„ teeren., zoo sprekt het van zelf, dat alle daar bij gementioneerde persoonen, en onder deeze van de Inlanders Anda Chittij en Soepermanie Chittij een voor een ge Palche Poele kannekappel, roepen en serieuslijk gevraagt moeten worden 1/ of zy voorleeden Iaar niet zijn geroepen geworden 1 om 370 om getuijgenis te geeven over de administracie en verant woording van het pakhuijs door den geweezen pakhuijs„ meester van Bijland. 2/ of zij ook door iemant, te vooren, aangemoedigt en beduijt zijn wat zij moesten zeggen. 3 /of hen ook beloovingen of beloften van belooningen zyn gedaan om getuijgenis te geeven! 4/ wie hen op dusdanig een wijze, tvoor af heeft onder„ houden ? 5/ uijt wiens naam 'er by hen het eerst aan hoek gedaan is tot het geeven van getuijgenis. 6 Of'er ook eenige dreigementen hebben plaats ge„ had om hen tot het geeven van getuijgenis te noodzaa„ ken . 7/ wie - of door uren, en in uiens naam die dreijgementen mogten geschiet zijn. 8 /wat zij voor het geeven van getuijgenis hebben genooten. van wie, en wie hen die beloften voldaan heeft -„ Om het verleende getuijgenis 9C of Anda Chittij de post van eerste weeger niet is te beurt gevallen. 10 / of Patche Poele niet gevlugt, en met geweld genoodzaakt is geworden getuijgenis te geeven 11 Hoedanig zij zig gevoelden Compareerende voor de Leeden van Iustitie bevreest of wel gemoet. . 12 / of zij uijt haar zelve wel weder zouden konnen herzeggen het geen 'er gevraagt en geant„ woord is. 13 / Hoe de ondervraaging zig heeft toegedragen g den toegedragen, en of de toenmalige fiscaal Brouwer hen bescheijdentlyk of met force en dreigementen bejeegent en de vraagen voorgesteld heeft 14 / of zy het antwoord op deeze vraagen ofte het daar na in te stellen Deila„ ratoir, met Eede, in diervoege als waytianade konnen bevestigen. Ckie deeze word binnen geroepen Nagam alla Tagoel Naijk een persoon waar op waitianada zig beroept, om een verklaaring te geeven van het geen de kannekappel Patche Poele in November I„o leeden ten huijze van gemelde Fagul Naik gezegt, en gesprooken heeft over de voorsz: getuijgenissen zoo als z in den voorleeden Iaare zijn gevordert en verleend. Bij dae zi, ofte eene nadere Comparitie; moet ontboden worden de onder Majoor Emanuel Gregooko, en ter aanzien van wailianade welke in zijn presentie moet komen, hem gevraagt worden, hoe lange tijd deeze man voorleeden Iaar, binnen dit fort wel is gearres„ teert geweest; Hoedanig? waar, en onder op zigt van welke schildwachten, Europeers of ^ met Inlanders, geslooten of ongeslooten, en welke vrijheijt 371 vrijheijt nopens zijne heidensche Ceremonien van wasschen en Eeter. of hij Gregoor Zich herinnere„ kan den datum dat hem 's avonds bij het uijtgeeven van het parool is belast om hem waytinada bij een arm te neemen, uijt de wacht naar buijten te brengen. En of hij dit doende buijten de poort„ ƒ in stilte tegen weitianada, heeft gezegt " De „weet immers wat zyn Edee (: de heer gezag„ „hebber apperent:/ aan U heeft belast. Te „moet hier niet blijven, maar zoo aan„ „stonds de plaats verlaaten laatende hem van het geen hij antwoord passeeren een verklaaring onder presentatie van Eede ter ƒƒ uwer requisitie als daar toe schriftelijk door mij gelast zijnde. Maak met deeze affaire alle mogelyke spoet en doet van den uijtslag deezer Commissie onder bij voeging van de Actas, en wederom bezorging van het x verzegelt addres, met de leeden en secretaris van Justitie aan mij Rapport in schiptis. . /:onder„ stond :/ Palleakatta den 1:e februarij 1791. /:was getekend:/ I:b Eilbracht /. in margine:/ op het paket staat tot supperscriptie. Deeze, na mijne op den interim fiscaal Duijnevelt verleende ordonnancie hen t alla den en ie; Comparetie ordonnancie, in eene Expresselijk te beleggene en na het leezen van de ordonnancie, te openen, en dan met het daar in geslooten geschrift na luijd van de ordonnancie te handelen Accorgeerd A: Dormieux sw: Clercq paretie, dan 372. No. 22 Aan den welEdelen Agtbaren Heer. Jacob Gilbracht opperkoopman en Tezaghebber. van het Cormandels gou„ vernement met den Resorte van dien Etc: Esc:r Wel Edele Agtbaare Heer Ingevolge, schriftelijke ordonnantie op den ondergeteekende Prointerum fiscaal Simon Duijnevelt, heeft hij direct na dees ontvangst;, belegt Iustitieele Comparitie; en daar inne zoo namogelijk voldaan aan de inhoud van Hoog„ desselfs voorsz: g'eerde beveele, in maniere als volgt. — Den 2' deeser Smorgens de Comparitie belegt wee„ Bende, is voor af opgelieven meermelde schriftelijk or„ donnantie, gedateerd 1. s=t deezer, onder productie van het „geslooten, Packet, geschrift van waijtinada. o Hier na is binnen gescheld gem: waijtinada uijt dienst „gestelde, weegete, deesele plaats, en aan sijn keuse gelaa„ ten wie hij in de onderhandeling tot taal man wilde verkiese buijten 'sComp:s tolken: dog hij selve zig hier in chiet kunnende bepaalen, is hem voorgesteld den Boode. 3

NL-HaNA_1.04.02_3974_0772 view scan ↗

English

Messenger of the honorable Council of Justice, who, being a native, is knowledgeable in the Malabar and Portuguese languages, with which he was also completely satisfied. This person was summoned and the oath for faithful translation was administered to him, in the manner customary among Roman Catholics as professing that religion, and this in the presence of waijtinada. After this proceeding, the aforementioned packet was opened in his presence and that of the interpreter, and the address found therein from him, directed to Your Honorable Worships, was made known to him word for word, asking whether all this agreed with the truth and his intention, and whether he also desired any alteration or addition; item, whether he considered his documents previously submitted in court to have been extorted and given out of necessity and coercion; and whether he was prepared to confirm both upon oath in the most solemn manner customary among his nation; and since he answered in the affirmative to all of this, adding that he desired not the slightest alteration or addition thereto, a statement of this re-examination was drawn up, and after the proper signing thereof, and the filing of the act of the oath taken by the interpreter, the packet was resealed in the presence of both with the cachet of the honorable Council of Justice, with the determination to take the oath the following afternoon in the pagoda Sam Esseren Coul. In the afternoon at half past 6 o'clock, the oath was thereupon taken with all proper solemnities in that case by waijtenadael before the Commission, after opening the aforementioned packet for that purpose, again in his presence and that of the interpreter, which after the conclusion of the matter was also resealed in their presence, as we now have the honor to present to Your Honorable Worships under letter A. The following morning, the 3rd, the persons of Anda Chittij, Souperimanie Chittij, and Patche Poele, canacaple, were examined on articles, each separately. In their answers, which were directly contrary to what was declared by waytinada in his aforementioned address, they agreed with each other to such an extent that it was deemed unnecessary to make separate records thereof, but we included this in a single declaration, with a very willing offer of the oath by each individually in the manner taken by waijtinada. Hereafter was called in Nagamalbe Tagel Naijk, a person to whom waijtinada refers, and he made a statement regarding what was said by the canacaple Patche Poele at his house concerning the testimonies as they were required and given in the past year, in the matter of the administration and accounting of the warehouse by the former warehouse master van Bijland. This testimony agrees a great deal with the statement made in that regard by waijtenadoe, but the deponent is not as precise regarding the time of this conversation, which he says has escaped his memory; he also excuses himself from the oath under the pretext customary among natives of distinction. Subsequently, the under-major Manuil Gregoor was summoned, who answered the questions put to him. His Honor immediately recognized the person of waijtinada as the one he had held under arrest last year, and his answers were almost a complete affirmation of the questions put to him, especially regarding the last one concerning what he said to waijtinada when bringing him outside; upon specific questioning, he offered the oath very willingly. On the morning of the 4th, the testimonies given by the persons of Anda Chittij, Soupermania Chittij, and Patche Poele, canacaple, were properly re-examined again in separate appearances, all of whom persisted, with a further offer of the oath. However, we did not dare allow them to take this without the special authorization of Your Honorable Worships, both because of the expenses involved and because the ordinance does not prescribe this, and even more so because of the contradiction in their depositions with that of waijtinada in his address, which absolutely implies that either he or waijtinada is guilty of perjury. We offer the declaration of their answers to Your Honorable Worships under letter B. In dealing with these people, the aforementioned messenger was also used as an interpreter, to the complete satisfaction of the deponents. Subsequently, the native Nagoemalloe Tagoel naijker was re-examined, who, with a small alteration, persisted, filing the act thereof under letter C; and lastly the under-major Emanuel Gregoor, who likewise persisted and properly took the oath, see document letter D.

Dutch transcription

Boode van den agtb: raad van Iustitie, die een Inlan„ der weesende, de mallabaarse en Portugeese taale kun„ dig is, waarmeede hij ook volkomen genoegen nam Deese is den ontbooden en den Eed voor getrouwe ver„ tolking afgenoomen, in maniere als bij de roomse ge bruijkelijk is als beleijdenis doen, de van die god dienst, en dit in presentie van waijtinada. —. Na deeze verrichting, is, het voorschreeven Tacket in zijn en des taalmans bij weesen, geoppend in het daar in bevonden addues van hem gerigt aan uwel Edele agtb: hem van woort tot woort te verstaan gegeven, met af„ vrage of dit alles met de waarheijd en zijn intentie over een komstig was, en of ook eenige verandering of bijvoeging begeerde Item of zijne voor heen gerigteglijk belegde stukken hield voor afgeperst en gegeven uijt nood en dwang; en of bereid was het een en ander op de solemneelste wijse, onder zijn natie gebruijkelijk, met Eede te bekragtigen, en door hem op dit alles de affirmatie geantwoord weesende, met bijvoeging dat daar in geen de minste verandering of bijvoe ging begeerde, zoo is daar van ingesteld Declaratoir- van dit recollement en na behoorlijke teekening van het zelve, en leasseering der acte van gepresteerde ƒ Eed door den taal=man het Packet in beij„ der E F „ 373 der presentie weeder versegult, met het Cashet van den agtb: raad van Justitie, onderbepaaling van het doen„ den Eed dien volgende namiddag in de Pagood Sam„ Esseren: Coul. —. 's namiddags half. 6. Uuren is daar op met alle behoorlijke solemniteijten in dat geval, den Eed: door waijtenadael, ten overstaan van de Commissie gepresteerd, na het openen van het voorsz: Tacket ten dien eijn„ de, weeder in zijn en des taal=mans presentie, dat na verrigting van Zaake ook weeder in hun bij sijn verseguld is, zoo als men tans de Eere heeft die - uwel Edele agtb: aantebieden onder L:ra A: Den volgende Morgen den 3=de zijn op articulen gehoort, ieder afsonderlijk, de persoonen van Anda Chittij Souperimanie Chittij en Patche Poele kannakappel, deese quamen in hunne antwoorden, en wel regt streijdig met het verklaarde door waytinada in zijn voorsz: addres, zoodanig over een, dat men niet nodig oordeelde daar van apparte actens te maaken maar hebben dit begreepen in een Declaratoia, onder Seer be„ reijdwildige= Aanbod van den Eed door ieder afzonderlijke in dier voegen als die door waijtinada is gepresteerd;— Hier 6 lan„ ver„ est en trir - van. beij„ - Hier na is binnen geroepen Nagamalbe Tagel Naijk een persoon waar op waijtinada zig beroept, en deese heeft verklaaring gegeven van het gezegde door den kan„ nekappel Patche Poele ten zijnen huijse over de ge tuijgenissen zoo als ze in den voorleeden Iaare zijn ge„ vorderd en verleend, ter saake de administratie, en ver¬ antwoording van het Pakhuijs door den geweesen Pakhuijs„ meester van Bijland. —. Dit getuigens is al veel over een komende met het op„ „geven daar- omtrend door waijtenadoe, dog den attestant is niet zua bepaald hier in nopens de tijd van dit ge„ sprek, die hij zegt dat hem ontschooten is, hij Excu„ seerd: sig ook van den Eed onder pretext als onder inlan ders van aansien gebruijkelijk Vervolgens is ontbooden den ondermajoor ma„ nuil Gregoor, die op de hem voorgestelde vraagen geantwoord heeft. —. DZijn E: eekende direct de persoon van waijti „nada voor die, welke hij voorleeden Iaar had in arrest gehad, en zijne antwoorden, zijn Heer na bij eene volkomene affirmatief van de voorgestelde vraagen, voor al op de laaste weegens zijn gesegde aan waijtinada bij het buijten brengen; biedende op spe„ ciaale afvrage, zeer bereijd willig den Eed aan. —. Den 374 Den 4.de Smorgens zijn behoorlijk bij apparte Comparatie weeder gerecolleerd de gegevene getuijgenisse van de Persoon van. . Anda Chittij Soupermania Chittij en Patche Poele kannekappel, die alle bleeven persitteeren onder nader aan bod van den Eed, dog deeze heeft men „agtb: hun niet buijten uwel Ed:s speciaale qualificatie dur ven laaten presteeren, soo om de ongelden die daar op loopen als om dat de ordonnantie dit niet dicteerd, en nog te meer niet, om de teegenstrijdigheijd in 't gede„ potteerde door hun met dat van waijtinada in zijn addres, welk absolut insluijt, dat of hij of waijtinada zig aan mijn Eedigheijd schuldig maakt, biedende het declaratoir hunner antwoorden uwel Edele agtb: aan on„ der L:ra B: in de onderhandeling met deese menschen heeft men meede als taalman gebruijkt voorsz: boode met volkomen genoegen der deposanten. —. Vervolgens is gerecolleerd den Inlander Nagoemalloe Tagoel naijker, die met een kleijne verandering bleef persisteeren, Liasseerende de acte daar van onder L:r C: en Laastelijk den ondermajoor Emanuel. Gregoor. die meede persisteerde, en behoorlyk den Eed: presteerde vide document L:a D: Na ijk an an

NL-HaNA_1.04.02_3974_0776 view scan ↗

English

After the completion of these verifications, the persons mentioned in Waijtinada's report were further heard on the articles, namely: The servant of Mr. De Raeff, Moetoe Moddelij, The Company's Interpreter Mandalam Wengadassalam Naijker, and the Company's Brahmin Coupa Aija. The first and second are almost entirely ignorant of everything about which they were questioned in accordance with Waijtinada's statement; however, the interpreter does not deny that statements of the testimony were prepared beforehand, but says that it did not happen by his order or prior knowledge, and that both the weighers and the cannekappel were accustomed to coming to his house to write down one account or another. The Company's Brahmin sheds more light; he says on article 1 that he summoned Waijtinada, Anda Chittij, Souperimanie Chittij, and the cannakappel Patche Poele to give testimony, in the name of the Honorable Mr. Tadama; on article 2, that they were all willing to do so and agreed in the statements, except for Waijtinada, but that they agreed when they were confronted with one another; that the order of the Honorable Mr. Tadama in this matter was that they had to make statements of what was known to them concerning the affairs, and furthermore that each had written his statement himself. Article 3: that Patche Poele and Anda Chittij had declared before Mr. Hasz that they had seen what was declared with their own eyes; this again contradicts the deposition made by the native Nagoemaloe Tagoel Naik regarding the conversation of Patche Poele at his house, see Document L:a. Article 4: that when Waijtinada was at the house of Mr. Hasz and what had been declared by the other three was presented to him, he agreed with them in some matters and in others not, but that being examined again the following day in their presence, he agreed with them. Article 5: that he, the Brahmin himself, had brought Waijtinada to the Honorable Mr. Tadama; that His Honor had told Waijtinada to give testimony on what he knew of the matters, and that Waijtinada had then also promised to do so. Article 6: that he had then brought Waijtinada back to the house of Mr. Hasz; that the declaration was then put into writing, and that with the speaking and walking back and forth it had already become 10 to half past 10 in the evening. This gives no small appearance of truth to Waijtinada's pretexted unwillingness to give testimony. Of these three persons, only Mr. De Raeff's servant offers to take the oath; the Company's interpreter and Brahmin excuse themselves from it for the usual reasons among Hindus. On the 5th in the morning, the above-mentioned three persons were re-examined and persisted in their statements, the interpreter Mandalam adding to article 2 that the warehouse servants, except Waijtinada, had brought written palm-leaf statements of what occurred in the warehouse to his house, during the days of the hearing in the council chamber when he acted as interpreter there, but that he had turned them away, saying that they could testify before the gentlemen. This therefore provides, in accordance with Waijtinada's allegation and the declaration by the Company's Brahmin in document Letter G, proof that statements of what was declared were put into writing beforehand, and also shows that Waijtinada lagged behind in this. Of these three witnesses, only the first further offers the tendered oath; the other two excuse themselves from it for the reasons stated. The documents concerning this accompany this report: That of Moetoe Moddelij under Letter E. That of the Company's Interpreter under Letter F. That of the Brahmin under Letter G. Considering the commission hereby concluded beforehand, we hope to have complied with Your Honorable Worship's honored orders, and furthermore take the honor to subscribe ourselves with deep respect. Below stood: Right Honorable Sir, Your Honorable Worship's humble and faithful servants. Was signed: S. Duijneveld. In the margin: Paliacatte, in Fort Geldria, the 7th of February, Anno 1791. Lower: Present before us as commissioners, signed: J. van Tissel and J. W. Luijken. Still lower: To my knowledge, J. Oolam, Secretary. Agrees, J. Dermieuk, First Clerk. Say as if from one mouth: Say unanimously: No. Today, the 3rd of February 1791. Appeared before us, the undersigned commissioned members from the Honorable Court of Justice of this Coromandel Government, the natives and present residents of this place, Anda Chittij, aged 30 years, Soepehamania Chittij, aged 32 to 33 years, and Patche Poele, cannecappel, aged 32 to 33 years, who, upon the questions below on behalf of the Honorable Simon Duijnevelt, acting pro interim in the office of Fiscal here and specially ordered thereto by written warrant of the Right Honorable Governor of this Coast, Jacob Eilbracht, each being heard separately, answered thereto as is noted in the margin of each. 1. Whether they were not summoned last year to give testimony concerning the administration and accountability of the warehouse by the former Warehouse Master Van Bijland. 2. Whether they were also previously encouraged or instructed by anyone as to what they had to say.

Dutch transcription

Na het afloopen van deeze recollementen heeft men nog op articulen gehoort persoonen in waijtinades bericht ge„ mentioneerd, te weeten:~. De dienaar van de heer De. Raeff moetoe moddelij sComp:s Tholk Mandalam Wengadassalam Naijker en sComp:s Bramine Coupa aija. e. Den Eerste en tweede zijn bij na geheel onkundig in alles waar na hun conform waijtinades opgave gevraagt is, egter negeert de tholk niet, dat opgaves van 't getuijgenis voor afgemaakt zijn, dog zegt dat het niet met zijn, order of voorkennisse geschiet is, en dat zoo wel de weegen als Cannekappel gewoon waaren bij hem aan huijs te komen om de Een of andere reekeningen op te schrijven. — Van sComp:s Bramine geeft meerder ligt - deze zigt op aat: d: dat hij waijtinada, Andachittij, souperima„ nie Chittij en den kannakappel Patche Poele om ge tuijgenis te geeven, geroepen heeft uijt naam van den agtb: heer Iadama op art: 2. dat ze alle daar ingewillig waa„ ren en in de opgaver overeenquamen, buijten waijtinada dog dat ze overquamen toen ze teegen den anderen ge„ confronteerd wierden, dat de order van den Agtb: Heer. Iadama in deesen was, dat ze moesten opgaves doen van het geene hun van de zaaken bekend was, en voorts dat ieder zijne opgave zelve geschreeven. had. 375 had. —. Art. 3. dat Patche Poele en Anda Chittij bij de heer Hasz: verklaard hadden, dat ze het verklaarde met oogen gesien hadden dit streijd weeder teegen het ge= deposeerde door den Inlander Nagoemaloe Tagoel Naik, weegen het gesprek van Tatche Poele ten zijnen huijse vide Document L:a Act: 4. dat waijtinada ten huijse van de heer Hasz: het verklaarde door de andere drie voorgehouden, weesende, in sommige saaken. met hun over een quam en in ande„ re niet, dog dat hij 'sanderen daags in hun presentie weeder verhoord weezende, met hun accordeerde Art. 5. dat hij Braminie selver waijtinada bij den agtb: heer Tadama had gebracht, dat zijn agtb: waijtinada gesegt had getuijgenis tegeven wat hij van de zaaken wist, en dat waijtinada dit toen ook belooft had te zul len doen. is Art: 6. dat hij waijtenada toen weeder gebragt had tan ten huijse van de heer Hasz:, dat toen de verklaaring inschrift gebragt was en dat met het spreeken en over een weer loopen bereets 10. â half Elf. 'savonds geworden. was. dit het geen kleijne scheijn bij aan waijtenades gepretexteer„ de onwilligheijd in 't geven van getuijgenis. —. Van ker. war 5 Van deese drie persoonen bied enkeldes Heer De Raeff dienaar den bed aan, 'sComp:s tolk en Bramine houden hun daar van vrij om de gewoone reeden onder Handers van aan zijn Den 5. 'S morgens zijn boven staande drie persoonen gere colleerd en hebben bij hunne gezegdens gepersisteerd, de tholk Mandalam met bijvoeging op art: 2. dat de Pakhuis bedien„ dens Excepto waijtinada opgaaff olas van t voorgevallene. in 't Pakhuijs bij hem aan huijs gebragt hadden, in de dagen van 't verhoor op de raadkamer toen hij daar als taal man ageerde, dog dat hij hun afgeweesen, had, onder het zeggen dat ze voor de Heeren konde verklaaren.— Dit leverd dus over een komstig met wagjtinades voorgegeven, en het verklaarde door 'sComp:s Braminie document L:r G. bewijs op dat opgaves van 't verklaarde voor af in schrift gebragt zijn en toond tevens cok aan dat waijtinada daar in agterbleef. —. van deese drie getuijgen, beid enkel de eerste nader den aan gebooden Eed aan de andere twee, houden hun om reeden gesegt daar van vrij de Documenten hier van verzellen deeze Die van Moetoe moddelij onder L:r E. van 'sComp:s Tholk - - - - - - - - - - - „ F: Bramine - - - - - - - - „ T: De commissie hier meede voor afgeloopen houdende, hoopen„ wij aan uwel Ed: agtb: g'eerde beveele voldaan te hebben, en F. „ 376 en maatigen. ons overigens de eere aan met diep ontsagte onder schrijven. /:onderstond:/ wel Edele agtb Heer uwel Edele agtb: ondt: en getz: Dienaaren /:was geteekend :/ S: Duijneveld /:in margine:/ Palliac: in 't fort Geldria den 7: feb: A:o 1791. /:Lager:/ ons Present als gecomm:s /:geteekend:/ J:s van Tissel en. J: W: Luijken. /: nog Lager /. Inkennisse van mij J:n Oolam. Pec:s J:b . Accoridteerd J Dermieuk Ge pr: Clercq. Raeff en voorge gegeven geven ze oopen ho hebben, zeggen als To zeggen zeggen als uijt Eenen Monde zeggere over eenstommige Neen Op Huijden Den 3:' februarij 1791. 6 Compareerde voor ons ondergesz: gecommitteerde Leeden uijt den agtbaaren raad van Justitie deeses Cormandels Gouvernements, de Inlanders in teegenwoordige inwoonders deeses plaats An„ da Chittij oud 30. Iaaren soepehamania Chittij oud 2. â. 53. Iaaren, en Talche Poele cannecappel. oud 2. â 33 Iaa„ rem, dewelke op de onderstaande vraagen van weegen dE: Simon Duijnevelt, als prointerium, waarneemende het Ampt van Fiscaal alhier en bij schriftelijke ordonnantie van den welEd: agtbaaren heer gezaghebber deeser Custe Iacob bilbracht, daar toe speciaal gelast; ieder afsonderlijke gehoort weesende daar op zodanig antwoorde als inmargine van ieder g'ancteerd— staat. —. of zij voorleeden Iaar niet zijn ge roepen geworden, om: Getuijgenis te gee¬ ven overde administratie en ver„ antwoording van 't Pakhuijs door den Geweesen Pakhuijsmeester van Bijland. of zij ook door iemant te vooren aangemoedigd onbeduijt zijn want zij morste zeggen. — To 1.

NL-HaNA_1.04.02_3974_0784 view scan ↗

English

Just so, by no one. Gentlemen of the meeting lapses. last remaining Patche to be equal They say as to article 2: by no one. With the one denying that the thotte cepar aijer had summoned them to give testimony in the name of Patche Poele, nor that koepaijen had said that it was an interrogation, and that he had to appear. In whose name the first request was made to him to give testimony. They say no, and that they gave their testimony freely about what they had seen with their own eyes and knew about. Whether any threats were also made to compel them to give testimony. That they have received nothing for it. What they received for giving testimony, from whom, and who fulfilled that promise to them. They say: to do as since they a confused Who, or by whom and in whose name, those threats might have been made. That the that thus held before them beforehand to testify, as punishable nor anyone Drot 2710 other than Jointly fled to be testified Anda to weigh being years soepereman Jointly not at all this one resigned Whether rewards or promises of rewards were also made to them to give testimony. Who spoke with them beforehand in such a manner. 9. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 378 being years this one resigned, had alone remained. remained the last. That they were in good spirits out of conviction that they spoke nothing but the truth. held before them beforehand to testify to nothing other 10. Jointly as with one mouth that Patche poelle had never fled, nor was in any way compelled by force to give testimony. since they feared otherwise, due to the passage of time, to give a confused narrative. They say no, but indeed that they wished to abide by it, That the interrogation had proceeded very calmly, that both the gentleman fiscal and the commissioners had presented to them beforehand to testify to nothing other than the truth, and that they would be liable for lies, and that neither the gentleman fiscal nor anyone else had made any threats. How the interrogation proceeded, and whether the then Fiscal the Hon. Brouwer had treated them discreetly or with force and threats and put the questions to them. der would be able to repeat what was asked and answered. to do when it was put to them article by article, whether they of their own accord would know. How they felt, appearing before the Members of Justice, fearful or in good spirits. Whether Pasche Poele did not flee, and was compelled by force to give testimony. Anda Chittij says that he is not, but boeparmanie is, the third weigher; that this one succeeded waijtinada, as the oldest in years, soeperemania, that he being weigher with waijtinada, after the expiration of Patche poele, that waijtinada and soepermania previously were weighers of equal standing, and that the first resigning, the Jointly, that in this regard no such granting of favor took place at all. Whether Anda Chittij, for giving testimony, had the post of First Weigher fall to him. 13. 12. 12. 13. 11. 10. Whether they the answer to these questions, or to confirm the declaratory later to be drawn up from this under oath, in such manner as waijtinadoe could confirm. They say completely so, and soeperamania also separately that he wished to swear to these his answers word for word. Thus done, questioned, and answered in Fort Geldria at Palliacatta on the date aforesaid, in the presence of the Hon. Jacobus van Tessel and Ian Willem Luijker, commissioned judicial Council Members, and through the interpretation of the messenger of this Council, Willem Heijman. The minute hereof is duly signed. Below stood: Which I attest. Was signed: J:n Obdam, Junior Secretary. On this day, the 4th of February 1791. Appeared once again before us, the undersigned members of the Honorable Council of Justice aforementioned, the questioned persons named in the header hereof, who, having been given to understand the aforesaid questions and their answers through the interpretation of the Messenger Willem Heijman, 14. persisted fully 14. 379 therein, without wishing to make any alteration or addition, remaining as yet ready to take the offered oath for it. Thus done and reviewed in Fort Geldria at Palleacatta on the date aforesaid, in the presence of the Hon. Jacobus van Tessel and Ian Willem Luijken, commissioned Judicial Council Members. Below stood: in Malabar characters the signatures of Anda Chittij, Soepermanie, and Tatche Poele. Lower: Witnessed by me, signed: Jn Obdam, Junior Secretary. In the margin: Present before us as commissioners, signed: J:s van Tessel and J: W: Luijken. On this day, the 14th of February 1791, at 5 o'clock in the afternoon. The undersigned Judicial Members named above, together with the Fiscal pro interim, betook themselves to the outer city here before the Heathen Temple of the deity samie speren, where likewise appeared the persons mentioned in the preceding questions, who confirmed their answers under oath in the following manner, after they had washed themselves with pure water and several

Dutch transcription

Eeven zo, door niemant. -. heeren der vergadering vervalt. laaste ge Patche gelijk staan „zeggen als op art: 2. door niemaant. Med denstuijdende, dat de thotte cepar aijerhun Uijt wiens naam er bij hem het eers„ geroepen had getuijgenis te geeven uijt naam van de te aansoek gedaan is, tot het geeven Patche Poele nog, dat koepaijen gezegt had, dat 't ver„ van getuijgenis. ~ hoor was, dat hij compareeren moest. zeggen Neeu, en dat zij hunne getuijgenisse ge of er ook eenige drijgementen hebben geven hebben vijarlig van tiden zij met hunne plaats gehad, om her tot het geeven ooger gesien hebben, en daar van wisten. —. van getuijgenis te noodsaaken. Dat zijnog ult daar voor genooten hebben wat zij voor 't geeven van ge„ tuijgenis hebben genooten van wie en wie hun die belofte voldaan heeft. —. zeggen doen als den, wijl ien ver Wie - of door wien en wiens naam die - drijgementen mog ten geschied zijn. — Dat de on gen, dat zo voor afhebb getuijgen, als Haafbaar nog ieman Drot 2710 anders als Tesamentlij is gevlugt worden getui Anda te weeger Iaaren wee soepereman Gezamentlijk 't geheel geen deese afging Of hun ook belooningen of belofte van belooningen zijn gedaan om ge tuijgenis te geeven. — Wie hen op dusdanige een wijse voor af heeft onderhouden. g. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 378 Iaaren weesende deese afging, alleen overgebleeven was. —. „ laaste gebleeven is. —. Dat zij wel gemoet waaren uijt overtuijging dat zij niet anders als de waarheijd spraaken. —. voor af hebben voor gehouwen van niest anders te 10. Tesamentlijk als uijt eene monde dat Patche poelle nooijt gef is gevlugt geweest, nog ook niets met geweld is genoodsaakt ge„ worden getuijgenis te geeven. den, wijl zij vrees den mits langheijt van tijd auders. een verwart verhaal te zullen doen. zeggen neen, maar wel dat zij zulks wil de gestand Dat de ondervraaging zig zeer stel had toe gedro„ gen, dat zo de heer fiscaal als gecommitteerdens hun nog iemant Eenige drijgementen gedaan heeft getuijgen, als de waarheijd, en dat zij voor leugens. Hoe de ondervraging zig: toenmalige Fiscaal D E: Brou„ wer hun bescheijdentlijk of staafbaar zoude zijn, dat nog de heer fiscaal heeft toegedragen, en of De der zoude kunnen herseggen het geene er gevraagt en g'ant„ woord is.. doen als hun articul voor articul wierd voorgehou„ of zij uijt haar selve wel wee„ Hoedanig zij zig gevoel den Com„ pareerende voor de Leeden van Iustitie bevreest of wel ge moet. — Fasche Poele niet gevlugt, en met gewelt genootsaakt is geworden getuigenis te geeven. Ander Chitij, zegt, dat met hij maar boeparmanie ders, Of. Anda Chittij om 't ver„ te weeger is dat deese waijtinada opvolgt is, als de oudste in Getuijgenis de Post van soeperemania, dat hij met waijtinada weeger weesende, na leede Patche poele, dat waijtinada en soepermania bevoorens. Eerste weeger niet is te „gelijk staandige weegers waaren en dat de eerste afgaande, de Gezamentlijk, dat hier omtrend zodanig eene gunst bewijsing in beurt gevallen. t geheel geen plaats gehad heeft —. met bet te voor heb geeven naam ge „ wie daan 13. 12. 12. 13. 11 10. Of zij Het aantwoord, op deese vraa„ zeggen sa volkomen, en soeperamania nog gen, of Het daar na intestellen de afsonderlijk wel dat hij woort woorwoort van deese zijne antwoorden zodanig wilde be „claratoir met Eede, indiervoegen, sweeren als waijtinadoe konnen be vestigen. Aldus Gedaan Gevraaijd en beantwoord in 't fort Geldria te Palliacatta dato voorsz: ter pra sentie van dE:d Jacobus van Tessel, en Ian Willem Luijker gecommitteerde Iutieele Raadslee„ den en door vertolking van de boode deeses Raads willem Heijman /de munute deeses is behoorlijk geteekend. /: onderstond:/ /:T welke Getuijgd /: was geteekend /. I:n Obdani SectJ:e Op huijden den 4. februarij 1791. Compareerde andermaal voor ons ondergeschreevene leeden uijt den achtb: raad van Iustitie voormeld, de gevraagdens in den Hoofde deezes genoemd, de welke voorsz: vraagere en hunne antwoorden door vertolking van den Boode Willem Heijman te verstaan gegeven weesende, daar bij ten 14. met force En drijgementen Bejeegent En De vraagen voorgestelt heeft vollen 14. 379 vollen bleeven persesteeren, zonder eenige verandering of bijvoeging te begeeven, blijvende als nog bereeds tot het doen van den aangebooden Eed daar voor N. Aldus Gedaan en Gerecolleerd in 't fort Geldria, te Palle„ acatta op dato voorsz: ter presentie van dE:s Iaco„ bus van Tessel en Ian Willem Luijken geComm Iustiteeele Raads leeden; /:onderstond /: in mallebaarse Ca„ racters de hang teekening van Anda Chittij, Soeperma„ nie, en Tatche Poele. /:Lager /: Inkennisse van mij/ /:geteekend /: Jn Obdam src:s J:o /:ter Zijden /: ons pre„ sent als gecommitteerdens /:gel:d /: I:s van Tessel /: en J: W: Luijken.— Op Huijden den 14. februarij 1791. . S' namiddags 5: uuren . Hebben de ondergeschreevene Justitieele heeden hier boven genoemd hun nevens den Prointerum fiscaal vervoegd in de buijten stad alhier voor den Heijdensche Tempel van de afgod samie speren alwaar tevens Compareerde in vooren staande vraagen vermelde de persoon ten, de„ de hun antwoorden in volgender voegen met Eede be„ ifke we „ na zij zich gewassee hadden met Rit- water en nog eenige pegent „ vraa„ gen,

NL-HaNA_1.04.02_3974_0788 view scan ↗

English

some other ceremonies, showed their respect at the entrance of the temple to the idol, walked three times around the temple within the walls, smeared with a kind of ash called Tionoer and hung about with flowers, drinking before the sacrificial idol a water prepared by the Brahmin, and placing themselves thereafter before the place of sacrifice, while uttering each separately these words: That which I have testified in the above writing, I still testify to be the pure truth, or otherwise may the God Sauie Iseren punish me. Thus done and sworn in the city of Palliacatta on the date aforesaid, in the presence of the Honorable Jacobus van Tessel and Jan Willem Luijken, Commissioned Judicial Council Members. Below stood in Malabar characters the signatures of Anda Chittij, Soeperamanie-Chittij, and Patche Poele. Lower: In the knowledge of me. Was signed: Obdam, Secretary Junior. In the margin: In our presence as commissioners. Was signed: J:s van Tessel and J:n W: Luijken. Agrees. W Dornieuk, First Clerk. 380 Today, the 3rd of February 1791. Appeared before us, the undersigned Commissioned Members from the Honorable Council of Justice of this Coromandel Government, the loader Nagamalloe Tagul Naijk, of the Gentoo caste, aged 44 years, currently residing here, who, upon special interrogation on behalf of the Honorable Simon Duijnevelt, acting pro interim in the office of Fiscal here, and by written order of the Right Honorable Jacob Eilbracht, Governor of this Coast, specially instructed for this purpose, namely what the cannecaple Patche Poele, in the month of November of the past year, spoke and said at the home of the respondent concerning the testimonies as they were demanded and provided in the past year regarding the administration and accounting of the warehouse by the former warehouse master, the Honorable Mr. van Bijland, declared in the Portuguese language to be the true truth: That Patche Poele had constantly urged him to put in a good word with the servant of the Honorable Mr. van Bijland, named Wingadassalam Poele, so that he might remain in good favor with him. That the respondent on a certain day, without being able to specify the exact time, at 2 o'clock in the afternoon, while walking down the street with the aforesaid servant of the Honorable Mr. van Bijland, had met Patche Poele, and while conversing had proceeded together as far as the respondent's house, where the three of them had gone inside to sit and talk for a while. That Patche Poele, speaking about the affairs of the Honorable Mr. van Bijland, had then said: That he had seen nothing with his own eyes; that he as well as Anda Chittij had been outside, apparently, of the warehouse, and Souperimanie Chittij inside; that the latter had told them, namely, all that they had testified before the Honorable Mr. Hasz; that he, Patche Poele, had also reported this to the Honorable Mr. Hasz, namely, that they had not seen it themselves, but had heard it from Souperemanium. That between the said Wengadassalam and Patche Poele several other conversations were held that afternoon, but that it is impossible for him to recall everything now; however, he still remembers that Patche Poele, among all this, also said: That the peons of the Honorable Mr. Tadama had already sought him for three days, but that he had kept himself hidden inside the house all that time; that lastly, 381 lastly, the present servant of the Honorable Mr. De Raeff, named Moetoe Moddelij, had come with a peon to fetch him; that this person had brought him to the house of the interpreter Mandalam; that he had been threatened and forced there to give testimony, they arguing to him that the others had already done so, why should he alone continue to refuse; that upon his demonstrating his ignorance of the matters, they had persuaded him for three days until 10 to 11 o'clock at night, so that finally, seeing the time, he had become afraid and had given testimony such as was desired of him. That Patche Poele finally had requested both him, the respondent, and the servant of the Honorable Mr. van Bijland to ensure that no harm should come to him on this account; that Waitinada and Soepermania, not agreeing, the latter always falsely accused the former. Concluding herewith, the respondent declared this, his given testimony, to contain the pure truth, giving as reason for knowledge as stated in the text, remaining prepared to confirm this further at all times if required, but that he cannot take an oath, as such does not accord with the customs of his caste, and all the more so because these are matters in which he has not the slightest interest. Thus done, interrogated, and declared in Fort Geldria at Palleacatta on the date aforesaid, in the presence of the Honorable Jacobus van Tessel and Jan Willem Luijken, Commissioned Judicial Council Members. The minute of this is duly signed. Below stood: Which is witnessed. Was signed: J:n Obdam, Secretary Junior. Today, the 4th of February 1791. Appeared once again before us, the undersigned Commissioned Members from the Honorable Council of Justice of this Coromandel Government, the respondent mentioned in the preceding declaration, who, after it had been read to him and explained in the Portuguese language, fully persisted in his given testimony, with this alteration concerning the first conversation of Patche Poele: That Soepermanie was the man who had brought those matters outside, and had also told them, instead of what is written there, namely: that they were outside and Soepermanie had been inside; further remaining prepared at all times to confirm this further, exempting himself from the.

Dutch transcription

eenige andere Cermonien, betuijgden Sij voerden In„ gang des Teupels hunnen Eerbied aan het afgods beeld gingen drie maal den tempel binnens muuren rond, besmeerd met een soort van as Tionoer Genaamt en om hangen met bloemen, drinkende voor 't offerbeeld Een door de bramine toebereijd water, en stellende zig daar„ na voor de offer Plaats onder het uijten ieder af sonderlijk van deeze woorden Het geene ik inbovenstaand Geschrift Getuijgd hebbe betuijge ik als nog dat de suijvere waarheid, of anders mag de God sauie Iseren mij Straffen. ~. Aldus gedaan en beEedigd in de stad Palliacatta op da te voorsz: ter presentie van D E: Jacobus van Tessel en Jan Willem Luijken Gecommitteerde Iustitieele Raads Leeden /:onderstond:/ in mallebaarse Caracters de hand tee „kening van Anda Chittij, Soeperamanie- Chittij en Pat„ che Poele /:Lager /: inkennisse van mij /:was getekend /: Obdam sec:t J:o /: Ter zijden:/ ons prisent als gecompitteerdens /:was geteekend:/ J:s van Tessel en J„n W: Luijken Accordeerd W Dornieuk sesp: Cleecq 380 Op Huijden Den 3 Februarij 1791. Compareerde voor ons ondergesz: Gecommitteerde Leeden uijt den agtbaaren Raad van Justitie deeses Cormandelsch gouvernement, den Inlaader Nagamalloe Tagul Naijk van de Ientiefsche Casta oud 44. Iaaren thans hier woonagtig dewelke op speciaale afvraage van weegen — D: E: Simon Duijnevelt als prointerum, waarneemen de het ampt van fiscaal alhier, en bij schriftelijke or„ donnantie van den welEdelen Achtb: Heer GeBaghebber deeser Custe Iacob Eilbracht hier toe speciaal ge„ last, namelijk wat den kannekopel patche Poele in de maand November: J: L: ten zijnen gevraagdens Huij„ se welgezegt en gesprooken heeft, over de getuijgenissen zoo als ze in den voorleeden Iaare zijn gevorderd en wer„ leend, over de administratie en verantwoording van het pakhuijs door den geweesen pakhuijsmeester de Heer van Bijland in de portugeese taale verklaarde de waar„ agtige waarheid te weesen. Dat Patche Poele geduurig bij hem had aange „. houden om een goed woord te doen bij de dienaar van de heer van Bijland in name wingadassalam Poele, op dat hij bij deeze in goede gunst mogt blijven, Dat hij gevraagden op zeekere dag, sonder dat hij de tijd regt bepaalen kan 'smiddags om 2 uuren met met voorsz: des Heer van Bijlands dienaar overstraat loopende, Patche poele ontmoet had, en soo spreekende voort gekomen waren tot aan zijn gevraagdens huijs, waar Z met hun drziën waaren binnen gegaan, om wat te blijven sitten praaten. Dat Petche poele spreekende over de zaaken van de Heer van Bijland, toen gesegd hadde„ Dat hij niets met zijn oogen gesien had, dat hij zoo wel als Anda Chittij buijten / apparent het pak huijs / geweest waaren, en souperimanie Chittij bin nen, dat die het hun gesegd hadde, namelijk alle het geene zij getuijgd hadde bij de Heer Hasz: dat hij patche Poele dit aan de Heere Hasz: ook soddanig had opgegeven te weeten dat zij het niet zelver gesien, maar van souperemanium ge hoord had. —. Dat er tusschen gemelde wengadassalam en Patche Toele dien middag nog verscheijdene gesprekken gehouden zijn, dog dat hij zig onmogelijk dit nu alles kan te binnen brengen, egter, dat hem nog voorstaat dat Patche poeloe onder dit alles nog gesegd heeft. Dat de pions van den Achtb: Heer Tadama „ hem bereets drie daagen gesogt hadden, dog dat hij „ zig al die tijd in huijs verschooten gehouden had „ dat laastelyk 381 „laastelijk de teegenwoordige dienaar van de — Heer De Raeff in name moetoe moddelij met een „ pion ge-„ „komen was om hem afte haalen, dat deeze hem „ gebragt had ten huijse van de tolk mandalam. „ dat hij daar gedreijgd en genoodzaakt geworden., was om getuijgen is te geven; hem voorstellende dat „ de andere dit be„ reeds gedaan hadden, waarom „ hij alleen moest blijven weijgeren, dat hij zijn onweetenheijd in de zaaken ver„ toonende zij hem drie daagen lang zoodanig hadden gepersuadeerd tot 10: â 11. uuren in de nagt dat hij laas„ telijk de tijd insiende, bevreest geworden was, inge„ tuijgenis gegeven had, zoodanig als van hem begeerd geworden was. —. Dat patche poele laastelijk zo hem gevraagden als dis Heer van Bijlands dienaar versogt had, tog te zorgen dat hem geen quaat deesent weegen overquam, dat waij„ tinada en soepermania niet accordeerende, de laaste de Eerste althoos leugenagtige beschuldigde. Geeedigende hier meede verklaarde hij gevraagde dese zijn gegeven getuijgenis de zuijver waarheijd te be„ helsen voor reeden van weetenschap gevende als in den text, bereid blijvende zulx ten allen tijde, des gerequireerd werdende, nader gestand te doen, dog dat geene Eid kan doen, also sulx met zijn castens gebruijk./ ver straat waar Heer gebruijk niet over aan een komt, en te meer niet, om— dat het zaaken zijn daar in hij geen het minste be„ lang heeft. . Aldus Gedaan gevraagt, en verklaart In 't Fort Geldria te Palleacatta op dato voorsz:, ter presentie van D: E:s Jacobus van Tessel, en Ian Willem Luijken, Gecommitteerd Iustitieele Raadslieden, de minute deeses is bihoorlijk. geteekend /:onderstond/: T welke getuijgd /:was geteekend /: J:n Obdam Seer: J:o —. Op Huijden Den 4. februarij 1791. . Compareerde andermaal voor ons ondergesz: gecommitteerde Leeden uijt den agtb: raad van Iustitie deeser Corman„ delsen Gouvernement, den gevraagden in voorenstaande verklaaring vermeld, dewelke hem in de Portugeesche taa„ le voorgehouden en te verstaan. gegeeven weesende, bleeff bij zijn gegeeven getuijgenis ten vollen porsisteeren met dee„ =se verandering omtrent het eerste gesprek van Patche Poele, Dat soepermanie de man was die die Zaaken had buijten gebragt, en het hun ook had gesegt, in steede van het geene daar staat; Teweeten: dat zij buijten waaren en soepermanie binnen geweest was voorts als nog brijd blijvende zulks ten allen tij de nader gestand te doen zig vrijhouden de van den.

NL-HaNA_1.04.02_3974_0795 view scan ↗

English

the oath for the reason mentioned above. Thus done and reviewed in the fort Geldria at Palliacatta on the date aforesaid in the presence of the Honorable Jacobus van Tessel and Jan Willem Luijken, commissioned members of the Court of Justice. Below stood: in Gentoo characters the signature of Nagamaloe Tagul Naijk. Lower: In the presence of me, signed: J:n Obdam, Secretary of Justice. In the margin: present before us as commissioners, was signed: J:s van Tessel and J:n W: Luijken. Agreed, J Dormieuk, Clerk. Today, the 3rd of February in the year 1791. Appeared before us, the undersigned commissioned members from the Honorable Court of Justice of this Coromandel government, the Ensign and Adjutant here, Mr. Emanuel Gregoor, who, having been presented with the following questions on behalf of the Honorable Simon Duijnevelt, acting provisionally in the office of Fiscal here, and specially ordered thereto by written warrant from the Honorable Governor of this Coast, Jacob Eilbracht, answered them as is noted in the margin of each article. Upon presenting to the interrogated gentleman the person of Waijtenada Poele: How long was this man under arrest within this fort last year? Says that he indeed recalls having had this man under arrest last year, but not for how long, as no record of that is kept. That he sat on the order of the Honorable former Governor Tadama. In what manner, where, and under the supervision of which sentries, European or native, locked up or unlocked, and with what freedom regarding his heathen ceremonies of washing and eating? That he sat like an ordinary soldier, loose under the gate, unlocked with a single sepoy. That with regard to the freedom of ceremonies, washing, and eating, nothing clearly stands before his mind due to the length of time, however, that he thinks that that man had the freedom, accompanied by a guard, to go to his house to eat. Whether he is ready to confirm his given answers with a solemn oath. Says yes. Whether his Honor can recall the date that he was ordered in the evening at the password to take Waijtinada by an arm and bring him out of the guardhouse to the outside. Says that he cannot recall that date, but knows very well that on a certain evening he received orders from the Honorable Mr. Tadama to take Waijtinada by the arm and bring him outside the gate, at eight o'clock. Whether, while doing this outside the gate, he said to Waijtinada in silence: You surely know what his Honor, the Governor apparently, has instructed you; you must not stay here, but immediately leave the place. Says that having brought Waijtinada outside the barrier after the beating of the password, he said to him: You know what the Honorable gentleman has said to you, you can go now. Thus done, interrogated, and answered in the fort Geldria at Palliacatta on the date aforesaid in the presence of the Honorable Jacobus van Tessel and Jan Willem Luijken, commissioned members of the Court of Justice; the minute of this is duly signed. Below stood: Which I attest, was signed: J:n Obdam, Secretary of Justice. Today, the 4th of February 1791. Appeared once again before us, the undersigned commissioned members from the Honorable Court of Justice of this Coromandel Government, the gentleman interrogated as mentioned in the heading of this, who, the foregoing questions and his given answers having been read to him, fully persisted with his answers without desiring any alteration or addition whatsoever, confirming the same with a solemn oath by raising the two front fingers of his right hand and uttering these words: So help me God Almighty. Thus reviewed and sworn in the fort Geldria at Palliacatta on the date aforesaid, in the presence of the Honorable Jacobus van Tessel and Jan Willem Luijken, commissioned members of the Court of Justice. Was signed: E: Gregoor. Lower: In the presence of me, signed: J:n Obdam, Secretary of Justice. In the margin: Present before us as commissioners, was signed: J:s van Tessel and J:n W: Luijken. Agreed, J Dormieuk, Clerk. Today, the 4th of February 1791. Appeared before us, the undersigned commissioned members from the Honorable Court of Justice of this Coromandel Government, the native and resident of this place, Moetoe Moodelij of the Moodeliaar caste, aged 53 years, who, upon the following questions put to him on behalf of the Honorable Simon Duijnevelt, acting provisionally in the office of Fiscal here, and specially charged thereto by written warrant from the Honorable Governor of this Coast, Jacob Eilbracht, in the Portuguese language, answered as is noted in the margin of each of the same. Whether he was not present last year, when Mr. de Raeff, having taken over the warehouse from Mr. van Bijland, had spices, copper, etc. reweighed to see how much surplus there would be? Says that he did not arrive at this reweighing until the end when the copper was being weighed, of which 200 boxes had already been weighed when he arrived. Whether before they were placed on the scale, from the clove chests there was not first taken Says that due to the length of time he does not recall anything of this, but that he does know that

Dutch transcription

382 den Eed omreeden voormeld. in. Aldus gedaan en Gerecolleerd In 't fort Geldria te Palliacatta op dato voorsz ter presentie van dE:s: Jacobus van Tessel en Jan Willem Luij¬ ken, gecommitteerde, Iustitieele raadsleeden. . /:onder„ stond :/ In Ieutiefsche Caraters de handteekening van Nagamaloe Tagul Naijk /. dager /: Inkennisse van mij /: get:d /: I:n Obdam Sec: I:l /: ter zijden. /: ons present als gecommitteerdens /:was geteekend /: I:s van Tessel en J„n W: Luijkenƒ. Accordeerd J Dormieuk Lhv: Clercq om tebe„ an 6 d pa D nie tijde dat die van geten 383 Op huijden den 3 Februarij Ao. 1791. Compareerde voor ons ondergesz: gecommitteerde. leeden uijt den agtbaaren Raad van Justitie deeser Cormandelsch gouverne„ ment, den vendrig en onder majoor alhier de heer Pma nuel Gregoor, dewelke van weegen D: E:s Simon Duijne„ velt, als prointerum waarneemende het ampt van Fiscaal alhier, en bij schriftelijke ordonnantie van den wel Edelen agtbaren heer Gezaghebber deeser Custe Iacob Eilbracht daar toe speciaal gelast, voorgehouden weesende de volgen„ de vragen, daar op zoodanig antwoorde als in mar„ „gine van ieder articul geannoteerd staat. en. zigt, dat hem wel voorstaat deeze man Onder het vertoonen aan den voorleede Iaar in arrest gehad te heb„ „ben, maar niet hoe lang, alsoor daar van heer gevraagden van den persoon geen aanteekening gehouden word. van waijtenada Poele; Hoe lan„ Dat hij gezeetens heeft op ordre van den ge tijd deese man voorleeden Iaar agtb: Heer geweesene Gezaghebber Ta binnen dit fort wel is gearresteert dama geweest. —. Dat hij geseeten heeft als eengemeene zol, Hoedanig, waar, en onder opzicht daat los onder de poort, met den Enkelde si„ paij ongeslooten. van welke schildwagten Europees Dat hem omtrent de vrijheijd van Cerom, of inlander geslooten of ongeslooten „nien wassen en Eeten door langheijt van tijd niets regt voorstaat, Egter, dat hij den dem met welke vrijheijd nopens zij„ dat die man vrijheijt gehad heeft, verzett van ben bij wagt, na zijn huijs te gaan ne heijdensche Ceremonien van was„ geten schen en Eeten. Segt Ja. zegt dat hij zig dien datum niet kan Of zijn E: zich herinneren kan te binne brengen, maar zeer wel weet, den datum dat hun savons bij dat op zeeker avond ordre van den agtb Heer Tadama gekraegen heeft, waijtina het parool is belast om hem da bij de arm te neemen en buijten de waijtinada bij een arm te nee„ poort te brengen, om agt uuren men, uijt de wacht naar buijten te brengen. Off hij dit doende buijten de zigt, dat hij waijtmada buijten de ba„ rier gebragt hebbende na 't afloopen van poort in stilte, teegen waijti„ 't parool, hij hem gesegt heeft. Te weel wat d'agtb heer teegens nada heeft gesegt ze gesegt heeft, Te kant nu maar hoen Je weet immers wat zijn Edele /: de Heer Gezagheb„ ber apparent /: aan uw heeft. betast Te moet hier niet blijven, maar zoo aan stonds de plaats ver laaten. gaan. Aldus Gedaan Gevraagden Beantwoord Jn Off hij bereijd is zijn gegeeven antwoorden met solemneele Eede te bevestigen. — 4: 5. 384 't fort Geldria te Palliacatta dato voorsz: ter presentie van d E:s Jacobus van Tessel en Jan willem Luijken; Gecommitteerde Iustitieele Raads leeden de minute die„ ses is behoorlijk geteekend /: onderstond /: Twelke getuijgd /: was geteekend /: J:n Obdamn Sec: J: Op huijden Den 4. februarij 1791. — Compareerde andermaal voor ons ondergesz: Gecommitteer„ Guf de Leeden uijt den Agtbaren Raad van Iustitie dee„ ses Cormandels Gouvernement, den Heer Gevraagden inden Hoofde deezes vermelde, dewelke voorenstaande vraage en zijne gegevene antwoorden voorgeleesen weesende, bleef hij dezelve zijne antwoorden ten vollen persisteeren zonder eenige verandering of bij volging hoe genaamt te begeeren bevestigende het zelve met solemneele Eede onder het op steeken van de twee, voorste vingers van zijn regterhand. en het uijten van deese woorden. Zoo. waarlijk helpe mij God Almagtig. Aldus Gerecolleerde en b' Eedigd in t fort Geldria te Palleacatta op dato voorsz: ter pre„ sentie van d E:s: Jacobus van Tessel en Jan Willem. „Luijken gecommitteerde Justiele Raadts. Leeden /:was ge„ teekend /: E: Gregoor /: Lager /: Inkennisse van mij /:ge„ teekend /: J:n Obdam S: S: J:s /: in margina /: on Present als n kan geeven als gecommitteerdens. /:was geteekend /. J:s van Tessel in J:n W: Luijken. Accordeerd A Dormnieuk w Clercq 1 385 Op Huijden den 4: februarij: 1791: - Compareerde voor ons ondergesz Gecommitteerde Leeden, uijt den Agtbaaren raad van Iustitie deeses Cormandels Gouver„ „nements, den Inlander en inwooner deeser Plaats moetoe Moo„ delij van de moddeliaars Casta oud 53. Iaaren dewelke op „ ƒ de onderstaande vraagen, hem voorgehouden van weegen DE: Simon Duijnevelt als Troiterum waarnemende het ampt van fiscaal alhier en bij schriftelijke ordonnantie van den achtbaaren Heer Gezaghebber deeser Custe Iacob Gilbracht hier te speciaal getast in de portugesche taale: zoodanig antwoorde als in margine van ieder der selve Geannoteert staat. —. zigt dat hij bij dit naweegen niet eerder ge, off hij niet present geweest is voor„ koomen was als op het laast toen het het ko„ leeden Iaar, toen de Heer de Raeff „per gewogen wierd, en waar van toen hij quam, na het Pakhuijs van de Heer van Bijland overgenomen had, specerij„ en, koper Ensz: heeft laaten, over„ weegen, om te sien hoe veel over„ schot 'erzonde weesen.. bereets al 200 kistje gewoogen waaren. zegt dat hem hier van doorlangheijd van of uijt de naquel kisten voor die op tijd niets voorstaat, maar dat hij wel weet de schaal quamen niet eerste ge dat nomen in 2.

NL-HaNA_1.04.02_3974_0804 view scan ↗

English

knows. falls. become. in. that the chests are doubled and reweighed, taken into the hold, and the percentages of the ship officers and the percentages of the Warehouse Master were left in them! States that he can provide no statement regarding this, but that he well knows that if anything was found to be in excess, it was then brought to the Warehouse Master at his house. How much this space and the percentages of the ship officers amounted to, whether he can give an estimate thereof, and whether that was not brought to the house of the Master of the Ship. and that he knows nothing at all of what was asked. Patche Poele fetched with a peon and brought to the interpreter Mandalam to make a statement about what occurred in the warehouse during the administration of the former Warehouse Master, Mr. van Bijland. states that he never fetched Patche Poele, by whose order he, the kannekappel, What Patche Poela said to him during that fetching; him 2 Geelvinck Who 3. 4. 386 percentages falls they order him to take the oath. know states that because he is convinced that he answered according to the truth, he is ready, if the Gentlemen Whether he can confirm his given answers by oath. Thus Done, Interrogated and answered in Fort Geldria at Palliacatta, date as above, in the presence of the Honorable Jacobus van Tessel and Jan Willem Luijken, Commissioned Judicial Council Members, this document being duly signed. Below stood: Which I witness. Was signed: Jan Obdam, Today, the 5th of February 1741: Appeared once again before us, the undersigned commissioned members aforesaid, the native mentioned in the heading of this document, threats and promises were made to obtain these statements, to whom, and in whose name. states that he also knows nothing of all this that was asked. Who else made such a statement to the interpreter Mandalam, who was present there, and who put it in writing! native. and pel the has; 1 Secretary Junior 8. 7. native Mortor Moddelij, who, having the questions put to him and his given answers read aloud, fully persisted in the latter without desiring any change whatsoever, remaining as yet ready to take the offered oath when required. Thus Done and reviewed in Fort Geldria at Palliacatta on the date aforesaid, in the presence of the Honorable Jacobus van Tessel and Jan Willem Luijken, Commissioned Judicial Council Members. Below stood: in Malabar characters the signature of Moetoe Moddelij. Lower: In my knowledge. Signed: J:n Obdam, Secretary Junior. At the side: Present with us as commissioners. Was signed: J:s van Tessel and J: W: Luijken. Today, the 14th of February 1791, at 5 o'clock in the afternoon. The undersigned Judicial Members named hereinabove proceeded together with the Fiscal pro interim to the outer town here, before the heathen temple of the idol god Samie Iseren, where also appeared the questioned person mentioned in the preceding articles, who confirmed his answers with a solemn oath in the following manner: after 387 after having washed himself with well water, and performing some other customary ceremonies, he expressed his reverence before the entrance of the temple to the idol, went three times around the temple inside the walls, smeared himself with a kind of ash called tirnoer, draped with flowers, drinking before the sacrificial image a water prepared by the Brahmin, and then presented himself before the sacrificial place, uttering while touching it with his hands these words: That which I have testified in the above writing, I still testify to be the pure truth, or else may the god Iseren punish me. Thus Done and Sworn in the city of Palliacatta on the date aforesaid, in the presence of the Honorable Jacobus van Tessel and Jan Willem Luijken, Commissioned Judicial Council Members. Below stood: in Malabar characters the signature of Moetoe Moddelij. Lower: In my knowledge. Signed: J:n Obdam, Secretary Junior. At the side: Present with us as commissioners. Was signed: J:s van Tessel and J:n W: Luijken. Agrees J Dormeuk Supervising Clerk. 388 Today, the 4th of February 1791. the warehouse servants passed. to his knowledge and by his order were not written at his house; they came from home when their matters also required it and also to take up some accounts or other. Appeared before us, the undersigned Commissioned Members from the Honorable Council of Justice of this Coromandel Government, the Company Interpreter here, Mandalam Wengadassalam Naijker, of the Gentoo caste, aged 56 years, who, to the following questions put to him on behalf of the Honorable Simon Duijnevelt, acting as Fiscal pro interim here, and by written order of the Honorable Governor of this Coast, Jacob Eilbracht, specially charged for this purpose, answered in the Portuguese language as annotated in the margin of each of them. States that he brought no such statements to Mr. Hatz; that he was in Madras when these matters occurred, namely: when the declaration of Whose statement of what occurred in the warehouse at the time Mr. van Bijland was Warehouse Master he brought last year to Mr. Hatz in order to arrange declarations afterwards, and by whose order. Who in this statement was willing, to whom, and by whose order. states he knows nothing of this, and especially that no such statements were, or whether those statements were not written at his house, and by but that it is true that the weighers now and then came to him Falls ren. 3.

Dutch transcription

weet. —. vervalt. —. geworden. in. dat de kisten gedofranel en nagewoogen sijn nomen is het ruijme en de Per centos van de scheeps overheeden, en de percentos van den Pakhuijsmees„ ter er ingelaaten! Tegt hier omtrent geen opgave te kunnen Hoe veel dit Ruijme en de percentos vervatt doen dog dat wel weet dat als er wat te van de scheeps overheeden wel be„ overbevonden, word, dat dit dan bijde Pakhuijs, draagen heeft, of hij dat niet ten meester, word aan huijs gebragt. — naasten bijs kan opguven, en of dat niet na des Heer De Roeff huijs ge„ bragt is. er. en dat in 't geheel van het gevraagde niets Patche poele met een pion heeft afgehaalt en bij de tolk mandalam gebragt om op gave te doen van het voorgevallene in 't pakhuijs- ge„ duurende de administratie van den geweesen Pakhuijsmeester de heer van Bijland. zegt nooit Patche poele afgehaalt te hebben, uijt wiens order hij de kannekappel Wat Patche poela bij die af„ haalen wil teegen hem gesegt heeft; hem 2 Geelvinck Wie 3. 4. 386 centos vervalt hem ordonneeren, om den Eed te doen. weeten zigt, dat wijl hij overtuijgd is dat na waarhijd Of hij zijn Gegeven antwoorden, geantwoord heeft, hij bereed is, als de Heeren het met Eede kan bevestigen. . Aldus Gedaan Gevraagd en beantwoord In 't Palleacatta dato voorsz: ter fort Geldria te Presente van dE: Iacobus van Tessel en Ian willem Luijken Gecommitteerde Justieele raadslee den de munitie deese is behoorlijk geteekend /:onder„ stond /: 'Twelk getuijgd /:was geteekend /: Ian Obdam Op Huijden Den 5. februarij 1741: Compareerde andermaal voor ons ondergesz: gecommitteer„ de Leeden voormeld, den inde Hoofde deeses Genoemde In„ wal dreijgementen en belofte ge-„ daan, zijn om deese opgaves te krijgen aan wien, en uijt wiens naam. zigt van al dit gewraagde meede niets te Wie almeer sodanige opgave heeft gedaan bij de tolk mandalam, wie daar al is bij geweest, en wie die in schrift gesteld heeft! lander. en pel den heeft; 1 sec:s J:o 8. 7. lander Mortor Moddelij, dewelke de hun gedane vraagen en zijne gegevene antwoorden voor gehouden weesen, blief den selven bij de laaste te vollen persiseeren zonder eenige ver„ andering hoegenaamt te begeeren, als nog bereid blijvende de aangebooden ee bed fles Gerequireert werdenden, te prestie ren. Aldus Gedaan en gerecolleerd in 't fort Peldria te van dE: Pa„ Palliacatta op dato voorsz: ter presente cobus van Tessel en Jan: Willem duijken gecommitteer„ de Iustitieele raad Leeden. - . /:onderstond:/ in mallebaarse Carac„ tens de hand teekening van Moetse Moddelij /Lager. /: /: inkennisse van mij /: geteekend :/ I:n Obdam Sec:s J:r /: ter zijden /:ons present als gecommitteerdens /:was geteekend. /: J:s van„ Tessel en I: W: Luijken. Op huijden Den 14. Februarij 1791. 's namiddags 5 uuren. Hebben de ondergesz. Justitiele Reeden hier bovengenoemd hun nevens den Prointerum fiscaal versoegd in de buijten stad alhier voor de Hijdensch tempel van den afgode samie Iseren, al„ waar tevens compareerde den gevaagden in voorenstaande atiticulen, vermeld de welke zijne antwoorden in vol„ gender voegen met salemneele Eede bevestigde.. na 387 na Zich gewassen hat met Putwater, en het verrigt van nog eenige andere gebruijkelijke Cermonien, betuijgde hij voor den Ingang des tempels zijn Eerbied aan het af god beeld, ging drie maal binnens meurs den tempel rond besmeerde zich met een soort vasses tirnoer genaamd om hangen met Bloemen, drinkende voor het offerbeeld een door de Braminie toebereid water en stelde zich daar na voor de offerplaats uijttende onder het aanraaken, derselve met zijne handen dese woorden: Het geene in bovenstaand ge„ schrift getuijgd heb betuijge ik als nog dat de suijvere waar„ heijd is of anders mag de god Iseren mij straffen. Aldus Gedaan en Be Eedigd in de stad Palliacatta op dato voorsz: ter Presentie van d: E: Jacobus van Tessel en Ian Willem Luijken Gecommitt:s Justitieele Rads Leeden. /:onderstond /: inmallibaarse Caracters de handteekening van Moetoe Moddelij /:Lager inkennisse van mij /:geteekend /: J:n Obdam sec:s J:l /: ter zijden /: ons present als gecom„ mitteerdens /: was getekend /: J:s van Tessel en I:n W: Luij„ ken. Accordeerd J Dormeuk Sepv: Clercq. gen eer„ Carac„ vol„ in a nis wrete dog dat zijn aan zegt, hier hebben Ma de wel om 388 Op huijden Den 4. Februarij 1791. de pakhuijs bediendens gepasseerd wierden. nes weetens en met zijn order bij hem aan huijs niet geschreven zijn; zijn van huijs gekoomen als hunne zaaken zulks ook vorderde en ook wel om de een of andere Reekeningen op te neement. Compareerde voor ons ondergesz: gecommiteerde Leeden uit den achtbaaren raad van Iustitie deses Cormandels Gouvernement, 'sComp Tolk alhier Mandalam wengadassalam Naijker van de Tentiefsche Casta. oud 56. Iaaren, de welke op de onderstaande vraa„ gen, hem voorgehouden van weegen D' E Simon Duijnevelt als prointerum waarneemende het ampt van fiscaal alhier, en bij schriftelijk ordonnantie van den Achtbaaren Heer Gezaghebber deer„ ser Custe Iacob Eilbracht hier toe speciaal gelast, in de portugeesche taale zoodanig antwoorde als in margine van ieder der zelver geannoteerd staat. ~ Zigt geine zulke opgavers bijde Heer Nasz: gebragt te wins opgave van het voorgevallene Madras was te weeten: toende verklaaring van in 't Pakhuijs, ten tijde de Heer van Bijland Pakhuijs meester was hij voor„ leeden Jaar gebragt heeft bij de Heer Hatz: om daar na verklaaringen te beleggen en uijt wiens order. hebben, dat hij toen deeze zaaken voor vielen op Wie in deesen opgave gewillig waa„ wien, en op wiens order. zogt, hier van niets tewten en wel spciaal dat dergelijke opgavesij, of die op gaves niet bij hem Aan dog dat het wel aan waar is dat de weegers nu en dan bij hem huijs geschreeven zijn, en door Avrvalt ren. 3.

NL-HaNA_1.04.02_3974_0812 view scan ↗

English

Although mooted by the previous answer, it is nevertheless asked: Whether Patche Poele was not brought to his house to make this statement by the servant of Mr. De Raeff, Moetoe Moddelij, with the peon of the Honorable Mr. Tadama. He says that both Patche Poele and Moetoe Moddelij are accustomed to visit his house, but that he knows nothing of a delivery as is asked here. To taking an oath. He says that he has answered truthfully, but that taking an oath does not accord with the custom of his caste and his capacity as interpreter, and that such could cause offense. Thus done, interrogated, and answered in the fort Geldria at Paliacatta on the date aforesaid, in the presence of the Honorable Jacobus van Tessel and Jan Willem Luijken, commissioned judicial Council members. The minute of this is properly signed. Below stood: Which I attest. Was signed: J:n Obdam, Secretary of the Court of Justice. Today, the 5th of February 1791. There appeared once again before us, the undersigned commissioned Council members aforesaid, the Company's interpreter Mandalam Wengadassalam Naiker, mentioned in the heading of this document, to whom the questions posed here and his given answers having been read, he fully persisted by the latter, adding to Article 2: that when the Honorable Mr. Tadama had ordered him to serve the council chamber as interpreter in this matter, the warehouse servants, except Waijtinada, had brought such statements to his house during the days of the interrogation, without him recalling whether they had already been interrogated at that time, but that he had turned them away, saying that they had to make their declarations before the Gentlemen. Thus done and reviewed in the fort Geldria, at Paliacatta on the date aforesaid, in the presence of the Honorable Jacobus van Tessel and Jan Willem Luijken, commissioned judicial Council members. Below stood: In Gentoo characters, the signature of Mandalam Wengadassalam Naijker. Lower: Known to me, signed: J:n Obdam, Secretary of the Court of Justice. In the margin: Present as commissioners, was signed: J:s van Tessel and J: W: Luijken. Collated. A. Dormieux Josue Clercq 390 Today, the 4th of February 1791. There appeared before us, the undersigned commissioned members from the Honorable Court of Justice of this Coromandel Government, the Company's Brahmin here, Coupa-aija, aged 46 years, who, to the undermentioned questions put to him on behalf of the Honorable Simon Duijnevelt, acting pro interim in the office of fiscal here, and specially charged hereto by written order of the Honorable Governor of this Coast, Jacob Eilbracht, answered in the Portuguese language as is annotated in the margin of each of the same. 1. In whose name he last year called the warehouse servants Waijtinada Poele, Anda Chittij, Soeperemanie Chittij, and Patche Poele to give testimony concerning the administration and accounting of the warehouse by the former warehouse master, Mr. van Bijland. Says: in the name of the Honorable Mr. Tadama, at that time Governor. 2. Which of them was willing and who was not, what the unwilling brought forward as reasons for it, and whether the written statements by each of them agreed with the other, by whom and on whose order they were written. Says that they were all willing, that Anda Chittij, Soupermanie Chittij, and Patche Poele agreed in their statements, but that Waijtinada differed somewhat from them therein, but that they had agreed when they were confronted with one another, that these statements were made on the order of the Honorable Mr. Tadama, who had commanded that each must state what they knew of the matters, that the declarants had written their statements in their own hands. 3. Whether Patche Poele and Anda Chittij, when through his interpretation at Mr. Hasz's they made their declaration, said that they had seen the stated matter themselves, or that they had heard it from another, and in this latter case, whom they had named as informant. Says that they said that they declared it having seen it with their own eyes. 4. What Waijtinada answered when he first questioned him in the presence of Mr. Hasz, namely before the declaration was drafted. Says that Waijtinada, at Mr. Hasz's, agreed with the stated matter in some things and in others not, but that being confronted and questioned the following day in the presence of the other three, being held to what was stated by the other three, he then agreed with their testimony. 5. What Waijtinada said further when he, after this interrogation, brought him to the Honorable Mr. Tadama, namely also before the declaration was put in writing. Says that he himself brought Waijtinada to the Honorable Mr. Tadama, and that his honor had said to Waijtinada that he had to give testimony of that which was known to him, and that Waijtinada had also promised this. 6. Whether he did not then bring him again to the house of Mr. Hasz, with the order to write his declaration in writing. Says that he then brought Waijtinada again to the house of Mr. Hasz, and that the declaration was then executed, that with the talking and walking back and forth it had already become 10 to half past 11 in the evening.

Dutch transcription

schoon door de voorige antwoord vervalt egter gevraagt, zegt dat zoo wel patche poele als moetoe moddelij gewoon zijn bij hem aanhuijs te koomen, dog dat hij niet weet van een opbrenging als hier gevraagd word met een Eed te doen ren, en, wie niet wat weeden de on„ willige daar voor in bragten, en hoe„ danig zig naderhand gekomen zijn tot het doen hunner op gave. Off Tatche Eoele tot het doen van deese opgave niet bij hem aan huijs gebragt is door des Heer De Raeff dienaar Moetoe Bloddelij met den pion van Den Achtb. Heer Ja¬ dama zegt na waring geantwoor te heben dogn dat met het gebruijk 'f hij na waarheid geantwoord heeft en zulx kan beleedigen. zijner Caste en qualiteit van tolk niet over eenkomt om den Aldus Gedaan Gevraagd en berantwoord in 't fort Geldria te Talliacatta dato voorsz: ter presentie van D: E:s Jacobus van Tessel en Jan Willem Luijken Ge„ Committeerde Iustitieele Raads leeden, de minute deeses is behoorlijk geteekend /:onderstonds:/ T: welk Getuijgd: /: was ge„ teekend:/ I:n Obdam Sec:t J. l. e. Op Huijden den 5. februarij 1791. Compareerde andermaal voor ons ondergesz: Gecommittde raads„ leeden pion . 389 Wengadassalam Leeden voormeld 'sComp:s tolk mandalam Naiker inden hoofde deeses genoemd dewelke de heer gedaane vraagen en zijne gegevene antwoorden voor gehouden weesen„ de, blief deselven bij de laaste ten vollen persisteeren, met bij vorging, op Art: 2. dat toen de Achtb: Heer Tadama hem geordonneert had, de raad kamer als tolk in deezze. zaake te bedienen, de Pakhuijs bedienden. „. Exapto waijte„ nada, in de daagen van 't verhoor zulke opgaaf olas bij hem aanhuijs gebragt hadden zonder agter dat hem voorstaat of zijtoen bereets verhoord waaren, dog dat hij ze af ge„ weesen had zeggende dat ze voor de Heeren moesten ver„ klaaren. Aldus Gedaan en Gerecolleerd in 't fort Geldria, te Talleakatta op dato voorsz: ter presentie van d: E: Ia„ cobus van Tessel en Jan Willem Luijken Gecommitteerde Justitieele raadsleeden /:onderstond /: In Ientiefsche Caracters de handteekening van Mandalam wengadassalam Naijker /:Lager /: Inkennisse van mij /:geteekend /: J:n Obdam Siec: J: J: ter zijden /:ond:present als gecommitteerdens /:was geteekend /: J:s van Tessel en J: w: Luijken/: /sr Gecorsleerd A Dormeutke Jeswe Cleacq on„ aan Ja„ Ma 17 zeg sout een wat de tuge ze opga Tadania zijn van veeij 390 duma des tijds gezaghebber Op Huijden Den 4 februarij 1791. Compareerde voor ons ondergesz: gecommitteerde seeden uijt den acht„ baaren Raad van Iustitie deeses Cormandelsch gouvernement 'sComp:s Bramine alhier Coupa-aija oud 46. Iaaren, dewelke op de onder„ staande vraagen, hem voorgehouden van weegen D: E: Simon. Duij„ nevelt als prointirum waarnemende het ampt van fiscaal alhier, en bij schriftelijke ordonnantie van den Achtbaaren Heer Gezaghebber deser Custen Iacob Silbracht, hier toe speciaal gelast, in de portu„ „geesche taale Boodanig antwoorde als in margine van ieder der zel„ ve geannoleerd staat. — Uijt wiens naam hij voorleeden Iaar de pakhuijs bediendens waljtinada poele, An„ da Chitty Soeperemanie Chittij en Talche Poele heeft geroepen om getuijgenis te geven overr: de administratie en Verantwoording van het Oakhuijs door den geweesen pakhuijsmees„ ter de Heer van Bijland zegt uijt naam van den agtb: Heer Fa„ zegt, dat ze allee gewillig zijn geweet dat ander Chittij wie van hun gewillig was en wie niet, soupermanie Chilij en Patche Poele in hun opgaves over wat de onwillige tot Reeden daar van een quamen, maar dat waijtinada daar in met hun wate defereerde dog dat ze over eengekomen waaren toen ze teegen den anderen geconfronteerd wierden, dat die inbragten, en of de geschrevene opgaves door ze opgaves geschied waaren op ordre van den achtb: Heer Tadauca die gelast heid; dat ieder moest opgeeven wat ieder van hun met den anderen accor„ zijn van de zaaken wisten — dat de opgevers hunne opga„ ir eegenhandig geschreeven hadden. deerde door wie, en op wiens ordre die geschreeven ova 2. oogengezien hadde. door de andere drie voorgehouden weesende hij in som„ een quam. huijse van de Heer Hasz: en dat toen de ver„ klaaring is gepasseerd geworden, dat het met het de da it zegt dat ze gelig hebben, dat ze het verklaarden met df Patche Poele en anda, Chittij toen 3e door zijn vertolking bij de Heer Hasz verleende, gezegt hebben dat ze het ver„ klaarde silver gesien hadden, of wel, dat Do het van een ander hadden gehoord, en dit laaste geval, wie ze als Zegsman had„ den genoemd zegt dat wagtenada, bij de Heer Hasz het verklaarde wat waijtinada geantwoord heeft, toen mige zaaken over een quam en in andere niet, dog dat hij hem ten overstaan van de Heer hij sanderen daags in presentie van de andere drie geconfron„ teerd engevraagd weesende toen met hun getuijgenis over Rasz: eerst ondervraagde; te weeten voor de verklaaring belegd wierd en dat waijtinada dit ook beloofd had. —. brengende, zijn agtb: teegen waijtinada gesegt had dat zegt, dat hij zelve waijtinaden bij de agtb: Heer Iadama zegt dat hij waijtinada toen weeder gebragt had ten Of hij hem toen niet weeder ten huijse van de Heer Hasz: gebracht heeft, met spreeken, en over en weerloopen bereits 10. â half order om zijn- verklaaring in schrift Elf geworden was savond. —. Wat waijtinada weeder gesegd heeft „ hij getuijgenis geven moest van het geene hem bekend was toen hij hem na dit verhoor, bij de achtb: Haer Tadama bracht, te wee„ ten, meede nog voor dat de verklaaring inschrift gesteld wierd. geschreeven zijn geworden. te 4. 5. 6 3

NL-HaNA_1.04.02_3974_0817 view scan ↗

English

391 And whether he has answered according to the truth, and can confirm such by oath. That he has answered according to the truth, but being a Brahmin he cannot take an oath. Thus done, interrogated and answered in Fort Geldria at Paleacatte on the date aforesaid, in the presence of the Honorable Jacobus van Tissel and Jan Willem Luijken, commissioned Judicial Council Members. The minute hereof is properly signed. Below stood: Which I witness, was signed: J:n Obdam, Secretary, Junior. Today, the 5th of February 1791. There appeared again before us, the undersigned commissioned council members aforesaid, the Brahmin Coupa Aija named in the heading of this document, who, having the questions put to him and his given answers presented to him, persisted fully by the latter without desiring to make any change whatsoever. Thus done and reviewed in Fort Geldria at Paleacatte on the date aforesaid, in the presence of the Honorable Jacobus van Tissel and Jan Willem Luijken, commissioned Judicial Council Members. Below stood: In Gentoo characters the signature of Coupa Aija. Lower: In the presence of me, signed: J:n Obdam, Secretary, Junior. Beside: Present as commissioners, was signed: J. van Tessel and J:n W:m Luijken. Agreed, A. Formieuk, First Clerk. 342 No. 23 Today, the 7th of February, Year 1791. Appeared before me, Jan Obdam, Bookkeeper and First Sworn Clerk at the Secretariat of this Coromandel Government, in the presence of the after-mentioned witnesses, the extraordinary pyrotechnician here, Hendrik Christoffel Corner, who, at the requisition of the Honorable, Respected Jacob Eilbracht, Senior Merchant and Commander of this Coromandel Government with the dependencies thereof, etc., etc., having had read to him the following extract from a writing of the Merchant Willem Hendrik van Bijland, serving for his defense, dated the 29th of January, Year 1791: "A certain pyrotechnician Corner, currently present in this garrison, a slave girl came from his neighbor's house and stayed hidden there at night. He settled this matter to mutual satisfaction and bought that girl, who was not inclined to stay longer with her former master. The Fiscal forced this Mr. Corner indoors to sign a debt acknowledgment of 100 pagodas, saying that he had abducted that slave girl. Being fearful and upset, having already had unpleasant encounters with Mr. Iadama, that poor man signed, and took that matter so to heart that it struck him, as it were, in the head for several months, and he was obliged to sell that girl again out of poverty. Your Honors can question and investigate this yourself; he still owes over 20 pagodas on it today to Brouwer." Below stood: Agrees, was signed: Jacob Eilbracht. The deponent thus declared it to be true and truthful that on a certain morning at about 6 o'clock, the servant girl of his neighbor at that time, the Bookkeeper Abraham Swart, came running into his house, and when he asked her what she wanted, she answered that she wanted to run away, with the request to him, the deponent, to keep her hidden for a while. That the deponent, having no servants in the house to inform his neighbor of this, kept her for about an hour, or until the arrival of his barber. That he then immediately had his neighbor called, and upon his arrival, informed him of the case while presenting the girl. That the deponent, having already heard beforehand that his neighbor was inclined to sell this girl, had addressed him asking whether he would do such to him, the deponent, and that while speaking of this, 393 the girl ran out of the door again and hid herself at a native's place. That his neighbor thereupon demanded from him, the deponent, to be answerable for the girl, because she had run away from his house. He immediately sent out people to fetch her, so that she was also brought back at once, and That he then had his neighbor summoned again to hand the girl over to him, or else to conclude the purchase, and that the purchase was then concluded for 55 pagodas, whereupon he, the deponent, took over the girl and paid the money. That after the course of six to 7 days, Mr. Brouwer, the Fiscal at that time, summoned him to his Honor's office in the fort and said he had an action against him on account of the abduction of the aforementioned girl, demanding 200 pagodas to settle this out of hand, and that, however much he, the deponent, made known his innocence in this case, nothing could be done about it, but he was obliged to content the Fiscal with 100 pagodas, for which he granted a bond to be paid upon first demand. That he, the deponent, not possessing enough money to pay this, was indeed obliged to sell the aforesaid girl again, and that he, with that, and with what he could otherwise get together, settled the debt up to

Dutch transcription

391 Dat hij na warhijd gantwod sed, dog dat hij en Off hij na waarheid geantwoord heeft, en sulx kan beEedigen Bramine weesende geen Eed kandgen. Alddus Gedaan Gevraagd en brantword in 't fort Sildria„ te PalleaCettan op dato voorsz: ter presentie van D' E:s Ia„ cobues van Tissel en Ian Willem Luijken Gecommitteerde Iustitieele Raads Leeden, de minute deeses is behoorlijk getee„ kend : /: onderstond:. /: T welk getuijgd /: was geteekend /: J=n Ob„ dam sec:s J: Op Huijden Den 5e. Februarij 1791. —. Compareerde andermaal voor ons ondergesz: gecommitts raads lee„ den voormeld, den in den hoofde deses genoemde bramine Coupa aija, de welke de hem gedaane vraage en sijne gegevrne ant„ woorden voorgehouden weesen de blief denzelven bij de laaste ten vollen persisteeren; zonder eenige verandering hoegenaamt te begeeven. Aldus Gedaan en Gerecolleerd in 't fort Geldria te Palleakatta op dato voorsz: ter presentie van D: E:s Ia„ cobus van Tissel, en Ian willem Luijken gecommitteerde Justieele Raadsleeden. . /: onderstond / In Tentiefsche Ca te stellen, of dat toen ook niet geschiet is, in hoe laat het toen bereets was. en. racters toen ttij 3 ring huijse hrigt raeters de handteekening van Coupa aija. /: Lager /: Inkennisse van mij /:geteekend :/ J:n Obdaim Sec:s J=o /: ter Zijden:/ ons Prae„ sent als gecommitt:s /:was geteekend /: J: van Tessel en J„n W=m Luijken. Gccordeerd A Formieuk Genr: Clercq No 342 N:o. 23 Op huijden Den 7. februarij A:o 1791. Compareerde voor mij Jan Obdam Boekhouder en Eerste gesewooren Clerk ter secretarije deses Cormandelsch gouver„ nement, present de natemeldene getuijgen den Extra or„ dinair vuurwerken alhier Hendrik Christoffel Corner dewelke ter requisitie van den welEdele Agtbaa„ „re Heer Iacob Eilbracht opperkoopman en Gezagheb„ ber deeses Cormandelsch gouvernement met den resorte van dien. Etc: Etc: zijnde voorgeleezen. het ondervolgende Extract uijt Een geschrift van den koop„ Hendrik van Bijland man Willem dienende tot zijne verantwoording ge„ dateerd den 29. Januarij A:o 1791. N Eenen zeekeren vuurwerken Corner thans present in dit guarnisoen, een slaave meijsje kwam van zijn buurmans, „huijs, en bleef des snagts daar verhoolen, hij maakte deeze zaak of tot weder zijds genoegen en kogt die meijd, die niet geneegen was om langer bij den voorigen Heer te blijven. De fiscaal dwingt dien hier Corner binnens Camers om een schuld bekentenis van 100. pag: te teekenen seggen„ „de dat hij die slaave meijd geschaakt had bevreets en on „steld zijnde, hebbende reets onaangenaame ontmoetinge gehad met de Heer Iadama teekende, dien armen. man 1 enisse ons Pra„ man, en heeft zig die zaak soo aangetrokken dat het hem als in 't hoofd geslaagen is voor verscheijde maanden en was verpligt die mijd uijt armoede wederom te verkoopen; uwel Edele Achtb: konnen dit selfs ondervragen en ondersoeken; hij blijft heeden, nog over de 20: pagooden daar op schuldig aan Brouwer. /: onderstond /: Acordeert /:wa geteekend /: Iacob Eil„ bracht. ~. Zoo verklaarde den deposant waar en waaragtig te zijn dat op zeekere morgie omslaus 6. uuren de meijd van zijn buurman toen ter tijd den boekhouder Abraham Swart, bij hem is komen in huijslopen, en hij haar vragende wat zij wilde hebben zij geantwoord had te willen wegloopen, met verzoek aan hem deposant haar wat verschoolen te houden Dat hij deposant geene bediendens in huijs hebbende om sijn buurman hier van kennisse te geeven, haar omtrend een uur lang had aangehouden of wel tot de komst van sijn barbier Dat hij toen direct sijn buurman had laaten roeppen en die gekoomen weesende, van het geval had kennisse gegeven onder het presenteeren van de meijd. —. Dat den deposant bevoorens bereeds gehoort hebbende dat zijn buurman geneegen was deese meijd te verkoopen, hem aangespor„ „ken had of hij zulx aan hem deposant wilde doen, en dat onder dit: 393 dit spreekende meijd werder de deur uijt geloopen was, en haar bij een inhoor verschoolen had. —. Dat sijn buurman daar op van hem deposant gevorderd hebbende de meijd te verantwoorden, om dat zij uijt sijn huis was wegge„ loopen. hij direct volk had uijtgesonden om se opte haalen, Zoo= alzo ook aanstonds te rug gebragt was, er Dat hij toen zijn buurman weeder had laaten ontbeiden om. hem de meijd overte leveren, dan wel de koop te sluijten, en dat de koop toen geslooten is geworden tegens 55. pag: waar op hij deposant de meijd hadr overgenoomen en het geld, Be„ taalt. —. Dat na verloop van ses â 7. dagen de Heer destijps fiscaal Brouwer, hem in zijn Ed: kantoor in 't fort ontbooden en ge„ segdhad een actie tegens hem te hebben wegens het schaaken, van voorm: meijd, eijsschende, om dit onder hands afte maaken, zoo: pag:, en dat, hoe hij deposant ook sijn onschuld in dit ge„ val te kennen gaf, er niets aan te doen was, meer ver „pligt is geweest om de Heer fiscaal te Contenteeren met 100 pag: waar voor hij een obligatie verleend heeft te be„ taalen ter eerste aanmaaning. ~. Dat hij deposant geen geld genoeg bezittende. om dit te be taalen, wel verpligt geweest is voorsz: meijd weder te verkoo pen en dat hij daar meede, en met het geen hij verder konde bij den anderen krijgen, de schuld afgemaakt heeft tot e

NL-HaNA_1.04.02_3974_0822 view scan ↗

English

up to 78 Pagodas, leaving a debt of 22 Pagodas, which he still owes to this day, and for which the promissory note also still remains in the possession of Mr. Brouwer. That he, the deponent, during the time that Mr. Brouwer brought this action against him, did indeed complain to the Honorable Mr. Stoffenberg, then president of the Honorable Council of Justice, but that His Honor had always dismissed him, saying that he could not interfere in the matter, and that if he did not wish to submit to it, he could then see what papers the Fiscal would bring against him and how miserable he would make him. Regarding the unpleasant encounter that he, the deponent, was said to have had with the Honorable Mr. Tadama, that this took place long beforehand and concerned an entirely different matter, which had already been settled at that time. That the aforementioned case with the Fiscal, both on account of his poverty to pay such a sum of money and because of the injustice of the matter itself, caused him a severe and troubled illness, and most particularly a madness, from which Doctor Roge cured him. Concluding herewith, he, the deponent, declared this testimony of his to contain the pure truth, giving as reason of knowledge that which is in the text, remaining prepared to confirm the same, if required, with a solemn oath. Thus done and declared in Castle Geldria at Palliacatta on the date aforesaid, in the presence of Salomon Hartwig Bonte and Paulus Godefriedus Hart, clerks at the Secretariat here, as witnesses. The original minute of this is duly signed. Beneath stood: Which I testify. Was signed: C:m Obdam, First Clerk. Agrees. J. J. Vermieukx, Sworn Clerk. Number 24 To the Right Honorable, the Right Honorable Lord Jacob Eilbracht, Senior Merchant and Governor of this Coast of Coromandel, etc. etc. etc. Castle Geldria. Right Honorable Sir, I humbly request favorable permission to lay my grievous distress before Your Honor. I shall not demand justice, for I am as surely convinced of Your Honor's righteousness as I know that the sun shines upon the world. Shortly after the arrival of Count van Bijland at Palliacatta, I had to weigh out, by order of Mr. Stoffenberg, Warehouse Master, all the iron, nails, etc., in the warehouse, and according to his express instruction, give scale for scale about a pound of overweight. When Mr. van Bijland arrived at Palliacatta, the copper was pre-weighed for him and, pursuant to Mr. Stoffenberg's order, half a pound of overweight was given on each scale, because, as he said, he did not wish to have any dispute with Mr. van Bijland. The spice chests were not weighed, but handed over just as they had been delivered by the ship captains. At the subsequent transfer of the warehouse by Count van Bijland to Mr. de Raeff, at which four commissioners were present, all those goods that had been transferred by Mr. Stoffenberg to Count van Bijland were pre-weighed for him, as were also the sugar, nails, etc., which had arrived during the time of Mr. van Bijland; but the other goods that arrived during Mr. van Bijland's time were transferred without weighing, in the same state as they had been received in the warehouse. A few days after Mr. de Raeff, as has just been mentioned, took over the warehouse in the presence of the aforementioned four gentlemen, his clerk Biekman came to me and ordered me, by command of his master, to weigh the goods that had been transferred without weighing, namely spices, copper, etc., as well as the sugar, for the second time, but only roughly, and to give on the copper, scale for scale, a small amount of overweight, about three quarters of a pound or one bar per scale, because Mr. de Raeff wished to make an estimate of what would approximately come out. When I was now busy weighing, there came to the scale my mortal enemy, the weigher Soebraminija Chittij, and Mr. De Raeff's servant, Moetoe Moeitelij, recommended to him by Mr. Tadama, in whose presence I had to weigh. These two constantly watched the balance beam and the scale, and were never satisfied with my balance, but continually had more added, and as soon as the scale began to drop, they had it tipped out; thus I had to weigh all the copper. Regarding the spices, from each chest was taken the surplus granted by the Company above the net weight and the present from the ship captains, but leaving therein the customary present for the warehouse master. The surplus of spices thus obtained, which was immediately carried off to Mr. de Raeff's residence, amounted, as I know for certain, to well over two thousand pounds of cloves, or somewhat more. Some days thereafter, the aforementioned weigher Soebraminaija Chittij and another weigher, Anda Chittij, both my sworn enemies, and the warehouse canicapole Patchia Poellij, came secretly together at the house of the Company's interpreter Mandalam Vencatachalum Naik, and there executed, by the hand of Mr. Tadama's canicapole Chinna Tombij, a statement ola of the events in the warehouse during the time of Mr. van Bijland, which was given by the said interpreter to the

Dutch transcription

tot 78 Pag:, restenende nog 22 pag:s schuld, die hij ook tot heeden nog schuldig is, en waar voor de obligatie ook als nog onder de Heer Brouwer berust. —. Dat hij deposant in de tijd dat de Heer Brouwer dese actie op hem maakte, wel sijn beklag heeft gedaan bij de E: E: Heer Stoffenberg des tijds president van den Agtb: Raad van Iustitie dog dat zijn Edelen hem altoos afgeweesen had zeggende zig daar meede niet te konnen bemoeyen, en dat indien sig daar aan niet wilde onderwerpen, hij dan sienkonde welke papierende Heer fiscaal tegens hem uijtbragt en hoe on„ gelukkig bij hem maaken soude Belangende onaangenaame ontmoetinge die hij deposant bij den Achtb: Heer Padama soude gehad hebben, dat sulks lang voor „dato en over een gantsch ander geval geweest is, welk toen bereets was afgemaakt. — Dat het voorsz: geval met den Heer fiscaal, zoo weegens sijne armoede om zoo een somma gelos betaalen, als om de onrechtvaardigheijd van de zaak zelve, hem een swaare en onrustige ziehte heeft veroorzaakt, en wel meest een. krankzinnigheijd, waar van doctor Roge hem geneesen heeft. —. Eijndigende hier meede verklaarde hij deposant dese sijne getuijgenis de suijvere waarheijd te behelzen, voor heeden van weetenschap. gevende als inden text bereijd blijvende sulx 394 sulx des gerequireerd werdende met solomneelen Eede te bevestigen. —. Aldus gedaan en verklaard In 't Casteel Geldria te Pal„ liacatta Dato voorschreeven ter presentie van Salomon Hart wig, Bonte en Paulus Godefriedus Hart Clercqun: ter Secretarij alhier als getuijgen /: de minute deezes is Behoor„ lijk geteekend /: onderstond /: 'T welke getuijgd /: was geteekend /: C:m Obdam E: g: Clercq. Accordeerd JJ Vermieukx Desuw Clercq. heeden d d daak den. eegens de 395 N:o 24 Heere Aan den welEdelen Gestringen. Den WelEdelen Gestrengen. Heele. Jacob Eilbracht. opperkoopman en Gezaghebber deezer kuste Cormandel Etc: Etc: Etc: Casteel Geldria. Wel Ede Gestrenge Heer. Ik verzoek ootmoediglijk om gunstig, verlof, van mijn droe„ vig noot tot aan uwel Edele gestrenge te mogen voor leggen, Recht zal ik niet eijsschen, want van uwelEd:s Gestr: ge„ rechtigheit ben ik zoo zeker overtuijgt, als ik weet dat de Zon de waereld beschijnt. ~. kort over de aankomst van den Heer Graaf van Bij„ land op Palleacatta moest ik op Bevel van den Heer Stoffenberg Pakhuijsmeester, al het ijzer spijkers ensz: in 't Pakhuijs afweegen, en volgens zijn uijtdruklijke belasting schaal, voor schaal omtrent een pond: Ruijm geven. —. Toen Mijn heer van Bijland op Palliacatta aankwam wied hem het kopper, voorgewogen en in gevolg van Mijn heeb„ „ee Hoffenberg Bevel op ieder schaal, een halve Pond Ruijm gegeven doordien hij gelijk hij zeide met Mijn heer van Bijland geen verschil wilde hebben: De specerij O specerij kisten wirden niet gewogen, maar zoo overgegeven als ze door de scheeps-Capiteins waeren afgeleverd. —. Bij de navolgende afleevering van het Pakhuijs door den Heer Graaf van Bijland aan den Heer de Raeff, waar bij vier„ gecommitteerden tegendie waren, wierden hem die van Mijn hier Hoffenberg aan Graaf van: Bijland overleeverden goederen alle voorgewogen. gelijk ook het zuijker, spijkers, ent z: die ten tijd van Mijn hur van Bijland. waren g'arriveerd, maar de overigen in mijn heer van Bijland zijn tijd aangekomenen Goederen, zonder te weegen, in den zelven staat overleerd, als ze in 't Pakhuijs von ren ontfangen. —. Eenige dagen na dat Mijn heer de Raef, gelijk zoo even gemeld is, het Pakhuijs in Bijweezen van bovengemelde vier stu„ ren had aangenomen, kwam zijn schrijver Biekman, toe mij, en belaste mij uijt order van zijn Heer, die zonder te weegen overleverde goederen namentlijk specerij koper ent 3: als meede het zuijker / de tweede kier / maar zoo grof nog te weegen, en op het koper schaal voor schaal iets weijni„ „ges ruim te geven, omtrent drie Quart of een staaf ieder schaal, dewijl Mijn heer de Raaf gaarne een over slag wilde maaken, water wel ten naasten bij zoude uijt„ komen Toen ik nu bezig was met het afwegen kuamen bij de schaal mijn: dood viand, wegen Sebruminija Chittij en Mijn 346 Mijn heer De Raaft Dienaar, Moetoe Moeitelij / door Myjn heer Fadama aan hem gerecommandeerd in wiens, bijwee„ zen ik weegen moest deeze twee zagen altoos na den sporen en de schaal, en waren nimmer met mijn uijtslag te iree„ den, maar lieten geduurig toegeven, en zoo dra als de schaal beginde te zakken, lieten te storten, dus moest ik al het koper afweegen. Aangaande de specerijen, zo wierd uijt ieder kist ge„ nomen die van de Comp vergunde overschot boven het netto- en het present van de cappiteins van de scheepen, maar het gewoone present voor den pakhuijs meester daar in gelaaten die zulks erlangde overschot van specerijen /welke aanstonds wech. na Mijn heer de Raaf zijn wooning gebracht wierd:/ be„ „droeg gelijk ik zeeker weet, ruijm: twee duizend Ponden nagelen of iets meer zommige dagen daar na kwamen bovengemelden wee „ger Soebraminaija Chittij en een ander weeger Anda Chittij / beijde mijne gezwoore vijanden / en de Pakhuijs Canicoplij Patchia Poellij in 't geheijm 't zamen in 't huijs van sComp:s Tolk Mandalam vencatachalum Naik, en passeerden aldaar door de hand van Mijn heer Tadama Canicoplij Chinna Tombij, een opgaven ola van den ge„ schiedenissen in 't Pakhuijs geduurende den tijd van Mijn heer van Bijland; te welk door bemelden Tolk aan den gegeven 1ere

NL-HaNA_1.04.02_3974_0830 view scan ↗

English

was handed to the Secretary, Mr. Hasz. May I be permitted to remark that the above-mentioned Anda Chittij is a notorious thief at Talliacatta, whom Mr. Stoffenberg dismissed from service because he was caught stealing the Company's copper, but later reinstated upon his humble plea, so that he would not starve. A few days after this submission, the Company's interpreter, Coepaija, had me summoned to him by a peon of Mr. Tadama, and took me along to Mr. Hasz. This gentleman and Copaija asked: "What kind of present from Mr. van Bijland have you taken to the Havaldar?" I answered: "Not I, but Vencatachellum Poellij, Mr. van Bijland's servant, brought such and such goods (which I then specified) there." "Did you not afterwards, by order of Mr. van Bijland, go to the Havildar," Mr. Hasz resumed, "to call some of his people?" "Yes." "And why?" he asked. "Merely to show them the goods of Mr. van Bijland that were ready to be shipped, and then to pack them in their presence, so that they might not afterwards be detained at the beach." Mr. Hasz asked again: "What did you people discuss in there?" I replied: "That I do not know, because I remained outside when the Havildar's people went inside." "How can you lie so?" said Mr. Hass. "The three of them have stated in their declaration that you were not only present, but furthermore helped with the opening and repacking of the chests; confess rather the truth." I gave as an answer: "Not only did I not help pack, but I was not even inside the house myself." Now interpreter Coepaija asked me again: "Did you not hear that Mr. van Bijland said anything about detaining, hindering, or anything of the sort, or did you not bring a Malabar letter to the Havildar written by Mr. van Bijland's little dubash Arnachellum regarding the detention of packages at the beach?" (but whose packages these were, he took careful note not to mention). "And even if you were outside, could you not have heard anything of what Mr. van Bijland might have spoken with the Havildar's people?" I answered: "I have heard nothing, and have nothing at all to say." In this manner they questioned me on the very same matter, varying the words continually by turns from 4 o'clock in the afternoon until 8 o'clock in the evening, without allowing me time to catch my breath or to rest; which, together with being without food, made me so faint that I could barely keep standing on my feet, and to all their questions I could give no other answer than: "In matters of which I know nothing, I cannot give false testimony." After interpreter Coupaije had run to Mr. Tadama's house, he came back and took me along to His Honour, to whom he gave a short report in my presence of what had occurred. Thereupon His Honour approached me with a stern countenance and asked why I was holding back! "That I had no reason to be afraid of Mr. van Bijland, as His Honour is the sole master here, and they called me from Naga to my present post." I answered: "If I knew anything, I would freely declare it, but my adversaries lie about me out of hatred, and I know nothing at all about it, nor have I heard anything." His Honour then put question after question to me, all in the same vein, and said at last: "When the Havildar's people came out of Mr. van Bijland's house, did you not at least hear that they spoke among one another of detaining, &c.?" Extremely distressed and, as it were, confused in my head by the continuous interrogation from 4 to 9 o'clock in the house of Mr. Hasz and of His Honour, powerless and ready to sink to my knees from hunger and faintness, seeing full well that I would never be able to avoid being endlessly tormented with the same questions; moreover, fearing treatment that would be highly painful for a young person, but entirely and utterly unbearable for a man of my years; I found my gray head too weak to resist the combined forces of fear, hunger, and faintness, and I answered "Yes" entirely to His Honour's liking to all the questions that were put to me regarding things that I can attest up to now to be completely untrue, merely to get away from His Honour and to be allowed to come to my natural rest. Upon that word His Honour sent me back with Interpreter Coepaija to Mr. Hasz, who immediately drew up a statement and made me sign it. After a few days, interpreter Coepaija advised me thus: "Why would you get into misfortune without reason? Those other three have submitted a statement; submit a statement too, just like the three." On his word, I made a statement twice, which he gave back to me because, he said, it did not agree with that of the other three. The third statement, which I had to make at his desire and which was completely identical to both of the first ones, he kept. And ever and always he asked

Dutch transcription

den Heer Secrataris Hass: behandigd wirnd Het zij mij geoorloft te mogen aanmerken, dat bovengemelden Anda Chittij een op Talliacatta vermaarden dief is dien reene Mijn heer Stoffenberg om dat hij op het steelen van 's Comp:s ko= per betrapt was, buijten dienst gejaagt—. maar waderhand op zijn nedraig verzoek, om niet te verhongeren, weerom aangesteld heeft Weijnige dagen na deeze ingaave liet mij 'sComps totk Coepaija, door een Pion van Mijn heer Tadama toe zig vorderen, en mam mij mee na den Heer Hasz: deeze en Copaija vraagden, wat voor een present, van Mijn heer van C hebt hij ee Bijland hij gij an den Havaldar gebragt" Ik antwoorde niet ik, maar vencatachellum Poellij, Mijn heer, van Bijland, dienaar, heeft die en die goederen (dewelke ik toen specificeerde /:heen gebragt "zijt gij niet nader hand bij Laste van „Mijn heer van Bijland naar den Havildar. gegaan, hernam M: M: Hasz:, om eenige van zijn volk te „ roepen Ia: En waarom „ vraagde hij enkel om de goederen van Mijn heer van Bijland, die gereeds stonden om afgescheept te worden aan hun te loo nen en dan in haare tegenwoordigheijd te pakken, om dat ze naderhand aan strand niet opgehouden mogten worden M: H: Hasz: vroeg weirom wat het gijlieden dan daar binnen gesproken. " Ik verzette, dat weet ik niet, doordien ik buijten gebleeven ben wanneer den Ha„ vildar 357 wilder zijn volk is binnen gegaan = Hloe kunse dus lie„ gen, Ziede M: H Hass:, de drie hebben in haar opgaaf gezegd, dat gij niet alleen tegenwoordig zijt geweest, maar nog bovendien bij het openen en weer Inpakken van de kisten geholpen heeft; beken tog maar liever de waarheijd, Vk. gaaf ter antwoord, niet alleen heb ik niet helpen pakken maar ik been ook zelf niet eens in 't Huijs geweest, nu vroeg mij tolk coepaija weerom: Heb gij niet gehoord dat Mijn vlingelandt heer van Bijland iets gezegd heeft van aanhouwen, beletten of iets dergelijken of heb gij niet een „ Malabaarse - brief aan den Havildaa gebragt geschreeven door Mijn heer van Bijland zijn klijne dubash Arnachelluu omtrent 't aanhouden van „ Pakkens aan 'te stand:/ maar wiens sakken dit zoude zijn daar van nam hij zig zorgvul„ dig in acht geen gewagte maaken :/ En al zijt gij buijten ge„ weest echter konje niets verneemen, wat Mijn heer van Bijland met den Havildar zijn volk mogt gesprooken heb„ ben. . Ik antwoorde, Ik heb niets gehoord, en weet ook niet met al te zeggen op deeze wijze onderwaagden ze mij den zelf„ den zijn met verandering van woorden geduuiglijk bij beurten van den agter middag 4. uur tot 8 uur avonds toe, zonder mij tijd te vergunnen van adam te scheppen, of mij te mogen rusten; het welk, te zaamen met zonder spijs te zijn gemelden ko zijn heeft toth zig en hier van woorde van ik welk d aar den eenige vraagde dat de ar Na„ deeze toe Comps gesteld and C6. zijn mij zoo flaauw maakte, dat ik mij naauwlijks op mijn de „de voeten staande kon, houden en op al haare vraagen ken ik geen andere antwoord geeven„ dan, In dingen daar van ik niets weet kan ik geen seugen Leggen —. Na dat tolk Coupaije naar den Heer Tadama, zijn Ha was geloopen kwam hij weerom, en nam mij meede tot zijn Ed:s aan riren hij in mijn bijweesen een kort repport gaf, van 't geene voorgevallen. was, daar op kwam zijn Ed: met een kaond gezigt op mij toe, en vroeg;, waarom ik dan agterhield! "Dat ik geen reden had om voor Mijn heer van Bijland, be vreest te Bijne zijnde zijn Ed: alvenig Baas hier, en hebben mij van Naga geroepen tot mijne tegenwoordig plaats, Ik antwoordde, zoo ik iets weest zou ik het wel vrij verklaar „ren, maar mijn weersaakers. liegen hiet mij uijt haat en ik weet geheel van niets af, het ook niet met al gehoord zijn. Eel died zoo dan vraag op vraag aan mij al in denzelven zijn, en zijde ten laasten Toen den Havildar zijn volk uijt Mijn heer van Bijland. zijn huijs kwam, heb gij daar niet ten minsten gehoord, dat ze onder maal kanderen. gesprooken hebben van aanhouden &c:a Ten uijttersten benaauwd, en als het waare, in mijn hoofd verwaard, door het continueerlijke bevraagen van 4. tot 9. uuren in 't Huijs van M: H: Hasz en van zijn 6, krach„ 6 teloos en gereed om in de knien te Binken door Hon„ ger 398 ger en flaauwte, wel ziende dat ik nooit zou kun„ nen vermeiden van met dezelven vraagen zonder eijn„ de gepijnigd te worden; mitsgaders vrezende een bejege ning, die voor een Jongen minsch ten hoogsten pijnlijk. maar voor een man van mijne Iaaren geheel en gantsch on„ verdraaglijk zou vallen; vond ik mijn grijzen kop te zwak om tegens de vereenigde krachten van Angst, honger en fladuwte weerstond te te kunnen doen, en vrantwoorde Ia naale den Zin, van zijn Ed„, op alle, vraagen die aan mij wier„ den gedaan omtrent dingen, die ik tot nu toe kan betuijgen van geheel onwaar te zijn:, enkel om van zijn Ed af-. en tot mijn natuurlijke Rust te moogen koomen, op dat woord stuur„ de mij zijn Ed, met Tholk coepaija naar. M: H: Hlatz: terug, dia aanstonds een verklaaring passeerde, en mij de„ zelve teekenen deed. — Na weinigen dagen raade mij tolk Coepaija dus: waar„ om wist gij dan zonder reeden in ongeluk komen! Die anderen hebben drie een opgaaf ingegeven bring gij tog ook een opgaaf ingelijk de drie„ op zijn zeggen heb ik twee keere een opgaaf gemaakt, die hij mij weerom gaf de„ wijl, zeide hij, dezelve niet overrekwamen met dat van de anderen drie De derde opgaaf die ik op zijn begeer„ te moest maaken en 't welk geheel eensluijdende was met de beijden eersten behield hij —. En immer en altoos vroeg hij op mijn d gen van Kon ven niet hoofd

← previousnext →