VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3974

Coromandel / Bengal · 1,128 pages · 216 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3974_0834 view scan ↗

English

he me, whether Mr. van Bijland had not taken copper out of the warehouse; and constantly I answered no. A few days after that, Mr. de Raef had me and the other three summoned to the Council Chamber in the Castle: when we arrived there, they let me go, and kept the three there, whom they interrogated from 8 to 1 o'clock. In the same afternoon, at about half past one o'clock, an orderly of his Honour brought me under arrest to the guard inside the Castle. Some days after this I was brought by a sepoy to the Council Chamber before Mr. Fiscal Brouwer, who asked me with an angry countenance, what have you mixed between the heads of cloves and the rotten nutmegs. I answered: The sweepings from the dumping of the chests and what remained after the garbling, and those rotten nutmegs, I picked up from the ground and threw them with those which were ready to be sent to Batavia. You lie, said Mr. Fiscal, confess the truth, for according to the statement of those other three, you threw 11 or 12 winnowing baskets of dirt into it. I replied: how can that be possible, for the remainder of the garbled nutmegs sent to Batavia was no more than 105 lb: it is crystal clear that they are lying about me: I have only done what I have just declared. The Mr. Fiscal became very enraged, and said threateningly, if you do not speak in conformity with the saying of the other three, then you will be terribly punished. Through the sharp questioning, hard threats and the terrible countenance of Mr. Fiscal, as well as through fear of beatings and further severe imprisonment, as I had already experienced, I saw myself forced to answer yes to these matters, of which I know absolutely nothing at all. If this, or any other fiction of all those which I have been forced to affirm, has the slightest spark of truth in it, then divine vengeance may exterminate me and my whole house. The Mr. Fiscal asked me again, why then was there an interpreter of 5 or 6 days to weigh the caliatour wood! why did you call a merchant named Meda warddara Chittij, how many pagodas did you bring from him to Mr. van Bijland! I answered, there was no delay, Mr. van Bijland asked me what the usual custom was on the part of the merchants to the warehouse master, and I answered, 5 percent. Thereupon Mr. van Bijland sent me to call the aforementioned Medawarradara Chittij; he went inside, and what they spoke there, I do not know. I also added that I had taken no money at all from that merchant, which word I can confirm to this moment. Mr. the Fiscal asked me several times whether Mr. van Bijland had not taken copper out of the warehouse, which I answered with no. Then said the Mr. Fiscal threateningly, "There are witnesses and proofs that Mr. van Bijland has taken 14 chests of copper out of the warehouse, and you lie; if you do not confess uprightly, then you will be terribly punished. Thereupon I answered: I request that those three, who are my enemies, shall be held to swear to their statement in the Malabar Pagoda, or else I will take my oath there! That is unnecessary, replied this Mr. Fiscal, one can always give belief to three, but to you alone nothing at all; then I said: even if they were to hang me, I cannot confirm a lie, nor something that has completely not happened. Up to now I repeat, and will repeat until death, if it appears that a single ingot of copper was sold by order of Mr. van Bijland or taken out of the warehouse, then they may hang me without mercy. Again the Mr. Fiscal asked me: How many pounds of nutmegs, mace, and carbuncle cloves were taken out of the warehouse for Mr. van Bijland. I answered, I have kept no account of that; but if I knew the quantity of chests, I could give information thereof approximately. The Mr. Fiscal having thus stated the quantity orally, I said, about 1000 or 1200 lb of cloves (which occurred through the surplus above the net weight and the presents), 70 or 75 lb of nutmegs, and 3 pounds of mace. Then the Mr. Fiscal became frightfully angry, and said with a threatening countenance: A much larger portion of nutmegs is missing, and Mr. van Bijland has taken much more out of the warehouse; you lie, if you do not confess, you will be forced to it. The interpreters Mandalam Vencatachellum Naik and Cospaija also advised him to have me whipped by twelve peons, since his gentle manner of questioning would achieve nothing with me; they asked me at the same time, why then I was afraid of death.

Dutch transcription

hij mij, of niet Mijn heer van Bijland kopper uijt het Pakhuijs had genoomen; en gestadig antwoorde ik neen Eenige daagen daar na liet Mijn heer de Raef mij en de anderen drie op de Raadkamer in 't Casteel vorderen: toen wij daar kwamen, lieten te mij gaan, en hielden de drie daar die ze van 8n tot 1. uur ondervraagden In den zelven mid„ dag, omtrent half twee uuren bragt mij een oppasser van zijn Ed: binnen 't Casteel aan de wagt in arrest Sommige dagen hierna wierd ik door een sepoij op de Raad kamer: voor den Her fiscaal Brouwer gebragt, die mij met een vergramt gezegt vroeg, wat heb gij tusschen de Hoffen van Nagelen en de verrotte nooten ge mengd.s k antwoorde de: De stoppen van het storten der kisten en overgebleeven naar het garbuleeren, en die verrotte notten, heb ik van den grond opgerapt en bij dagienen geworpen dewelke- stonden om na Bata„ Gij legt, Zeede Mijn heer via gezonden te worden, fiscaal, beken, de waarheijd want volgende de opgaaf van die anderen drie, heb gij 11: of 12. wannen Land datr in geworpen, Ik hernam: hoe kan dat mo gelijk zijn, want het Restaet van de gegarbuleer„ de - nooten, naar Batavia gezonden, was niet meer dan 105 lb: het blijkt Ionneklaar dat zij het op mij liegen: Ik. heb enkel gedaan wat ik 399 ik zoo aanstond verklaard heb, den heer, fisca, wierd heel vertoornt, en zeij dreigende als gij niet spreekt conform met het zeggen van de anderen drie zoo zult gij ijsselijk gestraaft werden. Door het scharpe vraagen harde dreigen en 't vreesselijke gelaat van den Heer fis„ caal, als meede door vrees van slagen, en verdere scharpa. gevangenis, gelijk is reeds ondervonden had, zag ik mij gedwongen om Ia te antwoorden op deeze zaa„ ken, dat van ik geheel en al niet metal af weet Zoo dit, of eenig ander verdichtsel van allen die ik ben gedwongen worden om te bekrachtigen, de mierste vonck van waarheijd aanzig heeft, zoo mag de goddelijke wraak mij en mijn geheel Huijs uijt„ roeijen. . den heer fiscaal vroeg mij weerom, waarom heeft dan daar een talman van 5 of 6. dagen geweest om het kalletuurhout te va weegen! waarom heb gij een koopman geroept met naam Meda warddara Chittij hoe veel pagoden, heb gij van hen aan Mijn heer van Bijland gebragt! Ik. antwoorde daar is geen talmen geweest Mijn heer van Bijland heeft mij gevraagd wat de gewoonlijke Customada was op nago van de kooplieden aan den Pakhuijsmeester en ik heb geantwoord, 5: pocto het mid„ ten wat prCento daar op heeft Mijn heer van Bijland mij ge „ zonden om bovengemelden. Medawarradara: Chittij te roepen deeze ging binnen, en wat ze daar gesprooken hebben, weet ik niet. Ik voegde nog bij dat ik van dien koopman niet metal geen geld genoomen had, t' welk woord ik tot deeze momend toe kan bekrachtigen Mijn heed de fiscaal vroeg mij verscheiden maalen of mijne heer van Bijland niet koper uijt het pakhuijs „genomen had 't welk ik met neen beantwoorde Iodan zei„ de den Heer fiscaal driegende, " Daar zijn getuijgen „ en bewijzen dat mijn heel van Bijland heeft 14. „kisten koper uijt den Pakhuijs genomen, en gij leegt als gij niet recht op biecht, zoo zal men Jou verschrik„ kelijk straafen. Daar op antwoorde ik: Ik. verzoek. dat die drie, die mijne vijanden zijn, zullen aan„ „gehouden worden, om haar opgaave in de malla„ baarse Pagoode te bezweeren, of echter zal ik mijn Eed aldaar doen! Dat is onnodig, herman dese heer fiscaal, aan drie kan men altoos gelooven. toe stellen, maar aan jou alleen niet metal, dan zei ik; zoo kan ik geen Leugen be al zou men mij ophangen, krachtigen nog iets dat gantsh niet is gebeurd. —. Tot nu toe herhaal ik, en zal tot in den dood herhaale, als 't blijkt, dat een enkelden Mafskopper. uijt 3 400. uijt order van Mijn heer van Bijland is verkogt of uijt het Pakhuijs genomen zoo zal men mij zonder gena de ophangen. en Weerom vroeg mij den heer fiscaal. Hoe veel Pon den Nooten, foelij en Corfunkel. Nagelen zijn voor mijn heer van Bijland uijt het Pakhuijs gewerd. Ik antwoor„ de, daar van heb ik geen reekening gehouden; maar als ik de quantiteijt van kisten wist, zoo zulden ik ten naasten bij daar van kunnen narigt geeven, Den heele fiscaal hebbende zodan de quantiteijt mondeling opgegeven Zeide ik, omtrent 1000 of 1200 lb: nagelen /:'t welk. geschied door het overvloedige boven 't Netto en de presents ƒ: 70. of 75. lb nooten muscaat en 3 Ponden foelij, toede wierd den heer fiscaal ver„ vaarlijk kwaad, en Zee met een dreigend gelaat: Daar veeld een veel grooter gedeelte van Nooten en mijn heer van Bijland heeft veel meer uijt het Pakhuijs genomen gij liegt, als gij niet bekend, zult gij daar toe gedwongen worden. De tolks manda„ lam vencatachellum naik en Cospaija, rie den hem ook; mij door twaalf Pions te laaten geesselen, dewijl zijne zachtmoedige wijs van ondervraagen niets bij mij wilde uijtwerken te vroegen mij teffens, waerom ik dan bevreest was voor ige dood koper. 3:

NL-HaNA_1.04.02_3974_0838 view scan ↗

English

for that gentleman, who was beyond hope of ever rising high again! Or had I perhaps received fifty or a hundred from him! I would rather just speak like the other three and try to get free; why did I have to be punished so severely on account of that gentleman! But I said, How dare I speak that which is not grounded in truth. Now the fiscal became utterly embittered, and had me whipped by six peons of master Tadama, and thereupon the aforementioned interpreter Vencatachellum Naik said to me that I should now take an example from my present punishment, and rest assured that, if tomorrow in the council chamber I did not confirm all the words of the other three, my punishment would become much more unbearable. Words are too weak to describe my condition, my pain in body and soul. Having grown gray in the Company's service, and regarded as a faithful servant, I now had to allow myself to be beaten in my old age like a criminal coolie, because I would not confirm the most prominent lie there. They sent me thus back to the guard. When the next morning I was brought back to the council chamber, I thought in my mind, behold Master Tadama, the entire council chamber, interpreters and false witnesses, everything from the head to the tail, has sworn together against me; there is not one who will judge impartially or take pity on me. My mortal enemies, the weighers Soubraminija Chittij and Anda Chitty the copper thief and that conicaple Patchia Tullij are believed above me in their false testimony, recounting the greatest lies as if they had been present. It will avail me nothing to keep solely to the side of the truth, and I will only lose my health under the rattans of the peons, which no man will afterwards be able to restore to me, and I will accomplish nothing thereby. Rather, I will answer all their questions with yes according to their wish, even if they should order me to confess that I had murdered my father and mother. Thus I answered all the questions that were put to me according to their wish, signed a declaration that was presented to me, and was led back to the guard. A few days afterward Master Tadama had me brought to him and made known to me through the interpreter Mandalam Vencatachellum Naik that his Honor would let me go, and I must not remain in the place, but I should go to Sadras, and his Honor would write to Master Simons to give me wages there; he further ordered me to say this to no one. He wanted to arrange orders to set me free by night. I was sent back to the guard, and the same evening after the parole was issued, Under-Major Tregoor took me out of the guard and by the arm, and led me outside the gate secretly, saying: surely you know what his Honor has ordered you; you must not remain here, but leave the place immediately. Thus I left Palliacatta, however without going to Sadras, but I went to a village two hours from here, to await there what I might be able to accomplish in the future through divine grace. For 80 years my ancestors and I have had the honor of standing as weighers in the Company's service, and as long as I can remember and have been in service, regarding those different kinds of dust that were mixed in time and by order of the old warehouse masters among the remnants to be sent to Batavia, not the slightest part occurred through my lord van Bijland; besides this, I have on my own, without order from Master van Bijland, according to old custom, put the garbled dust of the cloves into the dust of the nutmegs among the aforementioned remnant. And in order to show the credibility of the testimony of the said three in a clear light, I request your Honor to be pleased to examine a certain Nagamalla Tagul Naik, currently being here, regarding those words which the aforementioned conicaple Patchia Tulleij spoke in his house last November, which without delay will make his false testimony evident. Persecuted and dismissed from service by those who found it more convenient to give credence to my mortal enemies, a notorious thief and a roguish deceiver, than to me, because I would not confirm a lie: I took the liberty humbly to request your Honor to be pleased to grant me once again a place in the Company's service. This high favor I shall acknowledge with the greatest gratitude during the whole course of my life, being, with the dutiful respect, Noble and Worshipful Sir, your Honor's most humble and obedient servant, was signed, Weijtinadam, in the margin: Palliacatta, 30 January 1791. Today, 2 February 1791. Appeared before us, the undersigned commissioned members from the Honorable Court of Justice of this Coromandel

Dutch transcription

voor dien heer, die buijten hoop was om ten eenigen tijd weer om hoog te koomen! of had ik misschien vijftig of 8W Ik zou dogh liever maar spree¬ hondert van hem gekreegen! ken gelijk de anderen drie on zoeken om vrij te komen waar„ om moest ik om dien Heere wegen zoo hevig gestrakft woorden! Maar ik zeide, Hoe durf ik dan spreeken 't geen in waarheijd niet gegrond is . Nu wierd den heer fis„ caad gantsch verbitterd, en liet mij Twippen door zes Pions. van mijn heer Tadaua, en daar op zeide den bovengemelden tolk vencatachellum Naik tot mij ik zou nu een exem „pel neemen, aan mijne tegenwoordige straaf, en mij verzee kerd houden dat, als ik morgen op de raadkamer niet al woorden van de anderen, drie bevastigde, mijne straaf nog veel onverdraaglijker zou vullen. i. Woorden zijn te zwak, om mijnen toestand, mijne pijn aan Lijff en ziel te schilderen. Prijs geworden in Comp:s dienst, en geracht als een trouw dienaar, moest ik mij nu gelijk een middadig koelij op mijne ouden dagen laaten slaan, om dat ik niet wilde de z aldaar uijtsteekenste Leugen mij Zodan terug aan bekragtigen —: —. —. Men zond de wacht. is. Toen ik den anderen morgen weerom na de raadka„ vier gebragt wierd, dacht ik in mijn zin zie daar Tadama, de geheele Raadkamer, tolks en den Heer valschen F 401 vulschen: getuijgen alles, van 't hoofd tot den saart in te zamen zal „verzwooren tegens mij daar is geen een die onpartijdig richten nog zig over mij ontfenmen: Mijne doodvijanden, we„ Chittij en anda Chitty de koper dief „gers Soubraminija en die Canicoplij Patchia Tullij worden ge=looft boven mij in haar valsch geltuijgenisse, de grootsteu Leugen dus ver„ haalende als waren ze 'er bij geweest Het zal mij niets baa„ ten alleen aan de kant van de waarhijd te houden, en ik zal maar mijne gezondheit onder de Rottings. van de Rroms. verliezen, die mij naderhand geen maensch zal kunnen herstellen en ik zal niets daar door uijtwerken Liever zal ik na hun zin al haare vraagen, met Ia beantwoorden, al zouden ze mij beveelen te bekennen dat ik mijn vader en moeder had vermoord. —. Dus beantwoordde ik al de vraagen die aan mij geschieden na hun Zin, teekende een Verklaaring die mij wierd voor„ gelegd, en wierd. te rug naar de wacht gevoerd. — Eenige dagen herna liet mij Mijn heer Tadama brin„ „gen en liet mij door Tolk mandalam vencatachellum Naik beduijden, dat zijn Ed: mij zoude laaten gaan en ik moest niet op de Plaats blijven, maar ik zoude „na sadras gaan, en zijn Ed: wouaan Mijn heer si„ mons schrijven om mij aldaar gagie te geeven hij mij verder, dit aan niemand te zeggen. Hlij beval wilde gen Vijftig een gen aan raadka„ aar tolks en — wilde order stellen, om mij bij nagt vrij te laaten. Ik wierch weerom aan de wagt gezonden en dezelven avond na dat de parool was uijtgegeven, nam mij onder majoor Tregoor uijt de wagt en in arm, en leidde mij buijten de Poort, heij„ melijk, zeggende, gij weet immers wat zijn Ed. aan uw heeft belast, gij moet niet hier blijven maar zoo aan¬ stonds de Plaats verlaaten. —. Dus verliet ik Palliacatta, echter zonder na Tadras te gaan maar ik ging op een dorp, twee uuren van hier, om daar aftewagten, wat ik door de goddelijke genade in 't toekomende zou kunnen uijt werken. Sederd 80. Iaaren hebben mijne vooroudersen ik de Eere gehad, van in sComp:s dienst als weegers te staan, en zoo- lang als ik mij kan kerinnelieu en in dienst ben ge„ weest, zoo is omtrent die differente zoorten van stoffen die ten tijd en uijt ordre van de ouden Pakhuijs mees„ Restanten ters tusschen die na Batavia, te zendene vermenget zijn, door mijn hier van Bijland niet een houde teste Part geschied buijten dien heb ik zonder or„ dre van Mijn heer van Bijland uijt mijn eigen, vol„ =gens oude Customade, de garbuleerde stoff van de na„ tusschen de bovenge„ gel in de stoff van de Nooten melde restant gedaan. . En om de geloofwaardigheijt van het getuijgnisse der gemelden 402 gemelden drie in een helder Ligt te vertoonen, zoo ver„ zoek ik uwelEdele Gestrengen, eenen zeekeren. Nagamalla. Tagul Naik, thans hier zijnde, te willen verneemen omtrent die woorden, welke bovengemelden Conicoplij Pat„ chia Tulleij in November laastlieden in zijn Huijs gesproo„ ken heeft het welk zijn valsche getuijgenis zonder verlers zal doen blijken. vervolgd en buijten dienst gezet door die geenen die het convenabler, vonden, van gelooven toetestellen aan mijne dood vijanden een notorieele dief en een schelmachtigen derigenaar, dan aan mij, dewijl ik geen leugen wilde be„ kragtigen: verstont ik mij om uwel Edele Gestrengen oot moediglijk te verzoeken, van mij weerom een Plaats in Comp. dienst te willen verleenen:—. Deezze hooge Gunst zal ik geduurende mijn geheel levens„ tijd met de grootste dankbaarheijd er kinnen, zijnde, met schuldigsten Eerbied /:onderstond/ wel Edele Gestrenge Heer UwelEd: Gestr:s ootmoedigste en onderdanige /: was getee„ kend /: weijtinadam, /:in margine /: Pulliacatta den 30. Januarij 1791. e. Op Huijden den 2. Februarij 1791. e. Compareerde voor ons ondergensz: gecommitteerde Leeden uijt den E: agtb: Raad van Iustitie deeses Cor„ mandelsen Ik dat nge„ der

NL-HaNA_1.04.02_3974_0842 view scan ↗

English

mandels Government, the native, Waijtinada Poele of the Costa villa, aged 50 years, who at the requisition of the Honorable Simon Duijnevelt, acting as fiscal ad interim here, the foregoing address having been presented and made understood to him through translation into the Malabar language by the court messenger Willem Heijman as expressly sworn for that purpose, testified that the same contains in all parts the pure truth, and specifically that all the documents previously legally provided by him, he considers extorted and given out of necessity and coercion, being prepared to confirm both the one and the other with a solemn oath, without desiring any change or addition whatsoever. Thus done and resolved: In Fort Geldria, at Palliacatta, date aforesaid: in the presence of the Honorable Jacobus van Tessel and Jan Willem Luijken, delegated Judicial Council members. Below stood in Malabar characters the signature of Waijtinadoe Poele. Lower: In my knowledge, signed: J:n Obdam, Secretary Junior. In the margin: Present before us as delegates, was signed: J:s van Tessel and J:n W: Luijken. On the date aforesaid, at half past five in the afternoon, we, the undersigned delegates aforesaid, together with the aforementioned acting fiscal, the Honorable Simon Duijnevelt, went to the entrance of this heathen Temple of the idol Sauieseren situated outside the town, and administered to the person Waijtenada Poele mentioned in the foregoing address and verification the oath offered by him in the following manner, namely: The said Waijtenada Poele entered within the walls of the Temple, washed himself with well water, coming thereafter before the idol, he smeared himself with tiruneeru or a kind of ash, draped himself with flowers, and drank a kind of water offered to him by the Brahmin, subsequently went around the Temple three times, and then placed himself before the idol, uttering these words: What I have testified this morning, I testify still to be the truth, or else may the idol Sauieseren punish me. Thus done and sworn. In the outer town at Palleacatta, date aforesaid: in the presence of the Honorable J: van Tessel and Jan Willem Luijken, delegated Judicial Council members. Below stood in Malabar characters the signature of Waijtinade Poele. Lower: In my knowledge, signed: J:n Obdam, Secretary Junior. In the margin: Present before us as delegates, signed: J:s van Tessel and J:n W: Luijken. I, the undersigned Willem Heijman, serving as court messenger here, 37 years of age, of the Roman Catholic religion, being proficient in understanding and speaking the Dutch, Malabar, and Portuguese languages, having been chosen by the person of the native Waijtinada Poele as his interpreter before the fiscal and Commissioners present in the Council chamber, promise and swear to translate sincerely and faithfully everything that shall be assigned to me by the gentlemen Commissioners to put and inquire of the said Waijtinada Poele, and likewise his answers thereto to the gentlemen Commissioners and everything else he shall further say, without adding to or taking away anything therefrom. So truly as this Gospel is, upon which I now lay my right hand, so truly shall also my translation be. Thus done and sworn, in Fort Geldria at Palleacatta, on the date 2 February Anno 1791, in the presence of the Honorable Jacobus van Tessel and Jan Willem Luijken, delegated Judicial Council members, and before the Honorable Simon Duijnevelt as acting fiscal, together with the presence of Waijtinada Poele aforementioned. Was signed: W: Heijman. Below stood: Before me, signed: S: Duijnevelt. Lower: In my knowledge, signed: Jn Obdam, Secretary Junior. In the margin stood: Present before us as delegates, was signed: J:s van Tessel and J:n W: Luijken. Lower: In the presence of me, the signature of Waytinada Poele. Agrees A Dormieux First Clerk No. 25. To the Right Honorable Jacob Pilbracht, Senior Merchant and Governor on behalf of the General Dutch East India Company of this Coast of Coromandel, with its Dependencies. Right Honorable Sir, Takes in all humility the liberty to very respectfully present herewith, Your Right Honorable's most humble servant Wengadassalam Poele, Chief Dubash of the Right Honorable Willem Hendrik Count van Bijland, that which has occurred since his performance of service with His Honor, both here at Palliacatta and at Jaggernaijkpoeram, and the insults which he, the humble signatory, has innocently had to endure, particularly after the written attestation of his Master, at the last mentioned place. May it then be with Your Right Honorable's permission that he, the humble petitioner, gives a true account thereof, and hereby making a beginning: That in the year 1789, when my Master was here at Palliacatta, His Honor handed over to me some present goods, in order to send them to the Amaldar at

Dutch transcription

mandelsen Gouvernemeets den Inlander, waij timada, Poel= van de Custa willa oud 50. Jaaren, dewelke ter requisitie van d E: Simon Duijnevelt, als prointirium waarneemende 't ampt van fiscaal alhier, het voorenstaande andres door vertolking in de Mallabaarse taale; door den boode willem Heijman als daar toe op Expresse verkiesing b'Eedigt, voor„ gehouden in te verstaan, gegeeven weesende bethuijgde zulks zodanig, in allen deele de zuijvere waarheijt te behelsen en spe„ craal dat alle de door hem te voorene geregtiglijk verleende stuc„ kere, hij houd voor afgesperst en gegeven uijt nooten dwang bereijt zijnde het een en ee ander met sollemneele Eede te bevestigend zonder dat eenige verandering off bij voeging hoe genaamt begeerde. —. „ Aldus Pedaan en Geresolleerd: In't fort Geldria, te Salliacatta, dato voorsz: ter presentie van D' E: Jaco bus van Tessel en Jan Willem- Suijken, gecommitteer„ de Iustitieele raads zeden /:onderstond /: in mallebaarse Carac„ Poele /:Lager /: „ters de hand teekening van waijtinadoe /:inkeenisse van mij /:geteekend:/: I:n Obdam Sect: J:l /:ter zijden / ons present als gecommitteerdens /: waa ge„ J:s van Tessel en J:n W: Luijken -. teekend Op dato voorsz: 'snamiddags halff inset uuren, hebben wij ondertgesz: gecommitteerdens voormeld, ons neevens voorengenoemde 403 voorengenoemde prointirum:t fiscaal dE: Simon Duijnwvelt ver„ voegt aan den ingang van dien deesen buijten stad staande Heijden„ se Tempel van den Afgod Sauieseren, en van den in vooren staande addres en recollement genoemde persoon waijtena„ da Toele afgenomen de door hem aangeboden Eed in manie„ re als volgt Namentlijk. —. Gemeelde waijtenada Poele begaaff zig binnen de muuren des Tempels, waste zig met put water, komende daar na voor 't afgods beld, besmeerde hij zig met Tinmoer: off een zoort van as behangende zig met bloemen, en drinkende eene zoort van water, dat hem door den bramine aan„ geboden, wierd gaande vervolgens drie keeren de Terupel rond, en stelde zig toen voor 't afgods beelt uijtzende deese woor„ den, 't geen ik deesen morgin betuijgd heb betuijge ik als nog dat de waarheijt is, off anders mag. de Afgod same„ seren mijn straffene Aldus Gedaan en Blidigd. In de Buijten stand te Palleacatta dato voorsz: ter presentie van dE:s J: van Tessel en Ian willem Luijken, gecommitteerde Ius„ titieele raads Leeden /:onderstond /: in mallebaarse Carac„ tens de hand teekening van waijtinade Poele /:Lager /: in„ kennisse van mij /:geteekend:/ J=m Obdaen sec:s J:o /ter Zijden/ /:ons:e Priseet als gecommitteerdens /:geteekend /: J:s van Tes„ sel en J:n W: Luijken. Ik Poele tite mende suc„ g 29 hoe Heer Carac„ /:Lager/. ge hebben vors emde Ik ondergeschreevene Willem Heijman fungeeren de als geregtsboode alhier 37. Iaaren van den rooms catholijke Relegie weesende de Hollandse; Mallabaarse er Portugeese taale magtig in 't verstaan en uijt spreeken, door den persoon van den Inlander waijtinada Poele, verkoosen weesende tot taalman van, hem voor heeren fiscaal, en Commissarissen ter Raad kamer present beloove en sweere opregtelijk en getrouw te zullen overseggen alle het geene Commassarissen mij zal opgegeeven werden door heer en gem: waijtinaca Poele voortehouden en afte vraagen, en zo ook zijne antwoorden daar op aan heeren Commissarissen en alle het geene hij verder zeggen zal, zonder daar iets bij toe off afte doen. zo waaragtig als dit Evangeluim is waar op ik thans mij regterhand segge, zo waaragtig zal ook mijne vertaaling zijn. —. Aldus Bedaan en Beedigt, In 't fort Geldria op dato 2. februarij A:o 1791. , ter te Palleacatta, presentie van d: E:s Jacobus van Tessel en Jan Willem Luijken Gecommitteerde Iustitieele raads Leeden, en ten overstaan van D: E:s Simon. Duijnevelt als prointe„ rum fiscaal, mitgaders bij weesen van Waijtinada Poele voormeld /:was geteekend /: W: Heijman /:onderstond:/ /ten overstaan van mij /: getekend/ S: Duijnewvel /: lag./. J: inkennisse, van mij 404 /:inkennisse van mij /: getekend /: Jn Obodan sect J:s /: ter Zijde stond /: ons Present als gecommitt:s /:was geteekend /: J:s van Tessel en J:n W: Luijken. /: Lager /: ten bij weezen van mij/: de hand teekening van waytinada Poele. Accoudeerd A Dormieux Ehr: Clercq de ke zo: iets waar a Geldria stond./ e van my 405 N:o: 25. Aan den welEdelen Gestroengen Heer! Jacob Pilbracht, opperkoopman en Gezzaghebber van wegen de Genarale Nederlandsche Oostindische Compag„ nie deszes kuste Chormandel, met den Re„ Forte van dien. . Wel: Edele Gestrenge Heer. Namt in allen ootmoed de vrijheid bij deezen zeer eerbiedig te ver„ toonen, uwer welEe Gestr: allerootmoedigsten: Dienaar Wengadas„ salam Poele Hoofd Dobachij van den welEdelen Heere Wil„ lem Hendrik Graaff van Bijland, het gene sedert zijne dienst verrigtingen bij gem: zijn Ed: zoo alhier te Palliacat ta, als te zaggernaijkpoeram voor gevallen is, en de insul„ „tes dien hij nederigen tekenaar onschuldiger wijze, en wel na de scherfr. atesteering van zijnen Heer, op laast gem: plaatse, heeft moeten ondergaan. Het zij dan met verlof van uwel wel Ed. Eestr: dat hij nederigen vertoonen bij die zin een waar„ agtig verhaal van doet, en hier mede een aanvangh nee mende Dat in het Jaare vrog toen mijn Heer alhier te Gal„ teacatta was, zijn Ed: mijn eenige present goederen ter handen gesteld heeft, om waar den Ammeldaar te -:

NL-HaNA_1.04.02_3974_0848 view scan ↗

English

to bring, and to enter into an agreement with the same regarding the fruits and provisions, as well as other trade goods or merchantable commodities that were sent to His Honour; that the former may pass free and frank (as not being subject to toll) without any detention, and that regarding the latter mentioned, the toll would subsequently be paid by my Master, which proposal the Divan accepted very willingly, and handed over to me in return a counter-present. A few days after this affair, my Master bought pepper from the Honourable Company, and during the shipping of the same to be transported to Madras, I reminded His Honour concerning the toll, whereupon His Honour asked me: will the divan also demand toll on the goods that have been purchased from the Honourable Company? But give me in the meantime an estimate of how much this amounts to. Whereupon I gave this verbally, namely for each bhaar 4 pagodas and circa 23 fanums, being in accordance with the agreement concluded with the Divan, and that which is customarily paid by those who purchase anything from the Honourable Company, and which is actually called the Canwool toll. Thereupon my Master said to me: you are a stranger here, and know nothing of the custom or the manners; go to Mr. Tadama, and ask His Honour, while presenting my compliments, whether it is customary customary to pay toll on goods purchased from the Honourable Company, and how much this amounts to; that having delivered this message to Mr. Tadama, His Honour immediately sent to my Master the Malabar Cannecappel appointed on behalf of the Honourable Company to collect toll for the divan; that after his arrival, my Master asked him what the custom was for paying the toll; that this Cannecappel stated for each bhaar 4 pagodas, circa slightly more than 23 fanums; my Master van Bijland further said to this cannecappel: I am toll Bookkeeper, and why do you not report to me what comes in for the Honourable Company? Bring me the lease conditions so that I may examine them, which the said cannecappel promised to do. That same evening, by order of my Master, I departed for Madras; that after my arrival there, the sloop of my Master also arrived there; but that I could not sell the goods, because so much sugar and some spices had already been brought there; that shortly thereafter my Master also arrived at Madras; that I informed His Honour of the aforementioned, whereupon my Master instructed me to deliver all the goods to the Armenian merchant Joseph de Marooth, which I did, and immediately rendered account thereof at Madras to my Master, whereupon my Master departed again for Palliacatta. departed, and I followed him a few days thereafter. That upon my return here my Master told me: I have already paid 100 pagodas in advance to the divan to serve in reduction of the toll; go to him and ask him how much all the toll amounts to together that I must pay to him. That I carried out this message; that the Divan said to me: I have already received 100 pagodas; whereupon I, of my own accord, requested him to reduce the toll, because the goods had decreased greatly in price; that the divan answered: how can I do such a thing? Saying however, while reflecting for a moment: good, fetch the remaining money, and then I will see to settling it after all; which answer I conveyed to my Master, whereupon my Master said to me: it is well, I will settle this with the Divan, but I must pay the Honourable Company for purchased goods, and have no money at present; go to Jaggernackpoeram, and see that you can obtain there a bill of exchange of 2000 to 5000 pagodas on Madras; handing to me a letter which I had to translate into Telugu, and which was signed by my Master; which letter His Honour gave to me sealed, but unaddressed, as not being able to know who would grant the bill of exchange, with orders to put the address to the person who would grant the bill of exchange. That I soon departed thither, and having arrived there, addressed myself to the Company's merchant of the Mazulipatnam group, Watsoe Tiriwingalom, who accepted the request; that I also delivered the said letter to him after having put the address upon it; that this merchant further granted two bills of exchange on Madras, namely one on Messrs. Beggle and Heefke and the other on Mr. de Lange of 700 and 800 pagodas, which bills of exchange I immediately sent over to my Master. That shortly thereafter, my Master arrived as Chief at Jaggernaikpoeram; that everything was then in good harmony there; that the merchants of the white cloth group addressed themselves to my Master and complained strongly about the loss or the damage that they had to suffer and undergo regarding the trade assigned to them by the Honourable Company, because the English are also making large collections or purchases of cloth inland, whereby the price of the same has become very expensive; secondly, that they have suffered much loss on the corals which Mr. van Halm has practically foisted upon them; and finally, that of the cash money sent from Palliacutta, they have not received their share, but that Mr. van Halm has assigned the same to the merchants of the Mazulipatnam group, as well as protecting them more; and that they have also suffered much loss due to the many customary gifts which they already had to give to the gentlemen.

Dutch transcription

te brengen, en met den zelven een accoord aan te gaan, omtrent de vrugten en provisien, mitsgaders ook andere ne gotie of handeliehaaven, welke aan zijn Ed: toegezonden wier den; dat de eerste vry en frank ( als geen thol subject zijnde „zonder eenig agterhoudendheid mag passeeren, en dat omtrent den laast gem: den thol door mijn Heer naderhand vol„ daan zoude worden, welken voorslag den Diven zeer bereid„ willig aangenomen, en aan myn weder een contra present„ jae ter handen gesteld heeft. — Eenige dagen na deeze affaire, kogte mijn Heer Peper van de E: Comp:e in en onder het afscheeppen van dezelve om naar Madras te vervoeren, herinnerde ik zijn Ed: om trent den thol waar op zijn Ed: mij vroeg zal den divan ook thot afeischen van de goederen die van de E: Comp: inge koop zijn, dog geeft mij antusschen op, hoe veel het zulks bedraag dat ik zulks mondelings op gegeven heb, en wel voor ieder bhaar 4. . – . pag: en circumcirca, 23. p:r, als zijnde ingevolge het ge„ troppen accord met de Divan, en het geene gebruikelijk door den genen, /: die van de E: Comp:e ies inkoop /: betaal wordt, en welke eigentlijk den Canwool thol wordt genaamt. — Vervolgens zeide mijn Heer tegens mijn, gij bent vreemd alhier, en weet het gebruik of de manieren niets 1 gaat naar den Heer Tadama, en vraagd zijn — welEed onder het afleggen van mijn Compliment of het gebruikelijk 406 gebruikelijk, is thol te betaalen, op de goederen die van de E: Comp:e ingekogt wordt, en hoe veel 't zulks bedraagt; dat ik dien boodschapp: aan den Heer Iadama gedaan hebbende, zijn welEd: direct den Mallabaarschen Cannecappel van wegen de E: Comp: gesteld is, om thol voor den divan optebrengen, na mijn Heer gezon; den heeft, dat mijn Heer denzelven, na zijne komste gevraagd heeft, hoedanig het gebruik was om den thol te betaalen; dat dien Cannetappel voor ieder bh:r 4. Pag: Cc. its meer als 23. fa„ nums opgegeeven heeft mijne Heer van Bijland voorts: tot dien cannecappel gezegd heeft, ik ben thol Boekhouder, en waarom komt 3j mij niet opgeeven, het gene voor de E: Comp: inkomt brengt mij de Pagt conditien, op dat ik dezelve kan nagaan, en het gene gem: can„ necappel beloofd heeft te zullen doen:—. Dat ik dien zelfden avond uit order van mijn Heer naar Ma„ dras vertrokken ben, dat naar mijne komste aldaar, de Chialoup van mijn Heer ook aldaar geariveerd is; dog dat ik de goederen niet heb kunnen verkoopen, doordien, ir reeds zoo veele zuiker en wat specerijen Aangebragt weeken; dat kort daar op mijn Hleer ook op Madras aangekomen is, dat ik van het voorgem: aan zijn E: kennis heb gegeeven, wanneer mijn Heer mijn belast heeft om alle de goederen aan den armenisch koop„ man Ioseph. de Marooth: over te leveren, het geen ik gedaan heb, en daar van dien directe rekenschap op Madras aan mijn Heer gedaan heb, waar op mijn Heer weder naar Palliacatta vertrokken. te gaan, zijnde wier„ ne t„ van kogt bedraag haar eder . —. vreemd . — 1: Abb: of het kelijk 1 wordt, Vertrokken is, en ik den zelven eenige dagen daar, op gevolgd ben Dat bij mijn terugkomste alhier mijn Heer mijn gezegd heeft, ik heb reeds 100. –. –. pag: aan den divan voor uit betaald, om te strekken in mindering van den thol, gaat uwe na hem toe, en vraagds hem hoe veel al den Thol te zaamen beloopt, dien ik aan den zelven betaalen moet, dat ik die boodschap verrigt heb, dat den Divan aan mijn gezegd. heeft, ik heb, reeds 100 pag: ontvangen, waar op ik den zelven uit mijn eige motief verzogte om den thol te ver„ legten, door dien de goederen zeer in prijs verminderd was, dat den divan geantwoord heeft, hoe kan ik 't zulks doen, zeggen„ de egter /:onderwijlen zig wat bedenkende /goed, haald de overige penningen, en dan zal ik 't tog zien te schikken, welk antwoord ik aan mijn Heer overgebragt heb waar op mijn, Heer tegens mijn zeide, 't is goed ik zal zulks met den Divan afmaa ken, dag ik moet aan de E: Comp:s wegens ingekogte goederen be taalen, en heb tegenswoordig geen geld, gaat naar Iaggernackpoe„ ram, en ziet dat gij aldaar een wisselbrief van 2000. –. â 5000 Pag: op Madras: kunt krijgen; stellende mijn ter hand een brief dien ik 't Tenteefse heb moeten overzetten, en het gene door mijn Heer ondertekend is; welke brief zijn. Ed mij geachetteerd overgaaf dog ongeadresseerd, / als niet konnende weeten/ wien de wissel sou„ de verleenen, met last om de addresse te stellen, aan den genen dien zoude verleenend. de wissel Dat ik spoedig naar derwaarts vertrokken ben, en aldaar aan„ gekomen 407 gekomen weende mijn gualdressen heb, bij den Comp:s koopmen van de Mazulipatnamse Ploeg watsoe Tiriwingalom, die 't verzoek g'accepteerd: heeft; dat ik ook den gem: brief na dies addresse 'er op „gesteld te hebben; aan den zelven overgegeeven heb; dat dien koop„ man voorts twee wissels op Madras, verleend heeft, als de een op de Heeren Beggle en Heefke en den ander op den Heer de Lange van 700. - - en 800 Pag: welke wissels ik direct aan mijn Heer overgezonden heb. — Dat kort daar op, mijn Heer, als opperhoofd op Jaggernaik„ soeram gearriveerd is, dat toen aldaar alles in een goede harmonie was; dat de kooplieden van de witte ploeg Lij„ waaten zig bij mijn Heer g'addresseerd en sterk geklaagd hadden over 't verlies of de schaade dien zij moesten Lijden en onder„ gaan, wergens de Negotie die hun door de E Comp:e oegevoegd. is, overmits de Engelschen ook sterke in zaameling of inkoop der Lijwaa ten landwaarts in, doet, waar door de prijs derzelven zier duur ge„ werden is, anderdels dat zijn veel verlies geleden hebben op de Coraa„ len die den Heer van Halm hun als in handen gestopt heeft en ten laassten dat zij van de contante penningen, welke van Palliacut„ ta gezonden zijn hun deel niet gekregen hebben, maar dat den H:r van Halm dezelven aan de koopl: der Mazulipatnamse Roeg toegevoegd heeft, mitsgaders dezelven ook meedeter protegeeren, en dat zij door de veele customabos, welke zij reeds aan de Heeren hebben moesten geeven ook veel verlies geleden heb„ ben dien aan„

NL-HaNA_1.04.02_3974_0852 view scan ↗

English

would agree, but the other merchants would not; to which my Lord said, if you are satisfied, the others will also be satisfied, and bring this to their knowledge or understanding, whereupon Teriwengalom went home while saying yes. That I afterwards spoke in private with Tiriwingalam, to unite the two factions, that Tiruwengalom answered me: it is true that the merchants of the white faction suffer much damage, but it is their fortune, but it has never happened that they were united with the Mazulipatnam merchants, and say to your Lord that I item offer 1200 or 1500 pagodas if they are not united, or otherwise advise your Lord that he prosecute the merchants of the white faction for 3000 pagodas, in order then to be able to unite the two factions; but at the same time if those merchants complain too strongly, that we will then also take upon ourselves the delivery of both or that of the white linens, of which I informed my Lord, and that my Lord thereupon became angry with me, saying that such shall never happen. That after this incident, Tiriwengalom came with me to my Lord in person the next day, and that my Lord asked him whether he had already spoken with his confreres; that Tiriwingalom thereupon in my hearing advised my Lord to prosecute the merchants of the white faction, so that they give 3000 pagodas for the unification of both factions, for saying, why must your Honour take trouble for nothing, otherwise your Honour gives the collection of the white linens to us as well; that my Lord thereupon said to Tiriwengalom, how can you speak to me in such a manner, since first of all your faction has the greatest profits, and secondly, that the same has solely drawn all the money that was sent thither on the Company's behalf for both factions, and thirdly your faction has remained in arrears on its delivery to the Company 12000 and on the Japan copper 6000 pagodas; whereas those of the white faction, as suffering the most damage and not having drawn even their share or funds, have not remained in arrears so much or any sum in comparison with yours, shall I then still cast them off or suppress them, such shall never happen, my Lord further saying to Tiruwengalom, that both are equal to the Honourable Company, and that for the one, just as for the other, just as much regard is used; and I do not desire to take any money or anything from your people, but I only desire and it is my wish that both factions would live in a good harmony or understanding with each other, and that neither of them need suffer damage, so that the Company's affairs suffer no hindrance or adversity, and everything may be well settled without any failure, and that I, Lord van Bijland, also gladly want everything settled well, in order thereby to be able to obtain a good reputation with the Company. That Teriwengalom thereupon served that we are not 10000 pagodas in arrears but indeed 12000, and of that there are still 5000 pagodas worth of linens remaining in the Company's warehouses, and that we will also pay off the remaining 7000 pagodas in time, whereupon my Lord asked, where then has the money from the 80 bahars of Japan copper gone, whereupon he, Tiriwengalom, answered, that is a matter that I know nothing of, and does not concern us at all; that my Lord thereupon said, how is it possible that your Honour knows nothing of that or will not know, that he once again served, I know nothing of it at all, and thereupon he went home. That the following morning Lord van Halm sent the accounting of the two factions to my Lord, that a few hours thereafter the Mazulipatnam merchants, namely those who were known in the books as merchants, came to my Lord, that my Lord asked them how much they were in arrears to the Honourable Company; that they answered we are not more than circa 12000 pagodas in arrears, and of that there are indeed circa 5000 pagodas in linens still remaining in the Company's warehouses, that my Lord thereupon said that they had to ensure that within the period of 7 to 8 days, the missing 7000 pagodas, whether in linens or cash, had to be brought in; and that His Honour at the same time finding upon examination that the linens which are lying in the Company's warehouses

Dutch transcription

„ne willen accordeeren, dog de andere kooplieden niet; dat mijn Heer daar op zeide bij aldien uwe te vreede is, zullen de anderen ook te vree„ de weezen, en brengt dit aan hun kennis of verstand, waar op Teri„ wengalom onder het zeggen van Ja naar huijs is gegaan. — Dat ik naderhand met Tiriwingalam in het particulier gesproken heb, om De beide ploegen te vereenigen dat Tiruwengalom mijn geantwoord heeft; het is waar Dat de kooplieden der witte Ploeg veel schade lijden, maar het is hun fortuime, dog 't is nooit geschied dat dezelve met de Mazulipatnamse kooplieden vereenigd waren en zegd aan uw Heer dat ik Item 1200. –. of 1500. —. Pag: offer indien dezelven niet vereenigd wierden, of anders raad uwe Heer dat Hij de kooplieden der witte Ploeg vervolgd om 3000. –. pag: om de beide ploegen, als dan te kunnen vereenigen; dog dat teffens zoo die koopl: te sterk klaagen wij als dan de levdering van beiden of die der witte Lijwaaten ook op ons willen neemen, waar van ik aan mijn Heer te kennen heb gegeeven, dat mijn Heer daar op boos op mijn geworden is, zeggende dat 't zulks nooit ge„ schiepen Zal. Dat na dit voorval, met mijn Tiriwengalom 's anderen daags, zelf bij mijn Heer gekomen is, en dat mijn Heer aan hem gevraagd heeft, of hij al met zijne confraters gesproken heeft; dat Tiriwingalom Daar op ten mijnen aanhooren aan mijn Heer geraaden heeft, om de kooplieden der witte vrloeg te vervolgen, dat zij 3000. –. pag: geeven voor de 409 de vereeniging van beide de ploegen, want zeggende, waarom moet de uwE voor niets moete neemen, anders geeft uwe de inzameling der witte Lijwaaten ook aan ons; dat mijn Heer daar op aan Kirrwengalom gezegd heeft, hoe kunt gij op Boo een manier te„ „gens mij spreeken, daar voor eerst uwe ploeg de meeste winstene hebben, en twebens, dat den zelven al het geld, dat Comp:s wegen= voor de beide ploegen derwaarts gezonden is, alleen getrokken heeft, en ten anderen in uw ploeg op haare levering aan de Comp:s 12000. -. en op het Iapans koper 6000. —. pagooden ten agte, dien gebleeven; daar die der witte ploeg als het meeste schade lijdende, en zelfs hun aandeel ofte penningen niet getrokken hebben, niet zoo veel of geene som in Comparatie tegens de uwe ten agteren zijn gebleeven, zal ik hun dan nog verstooten of te onder brengen, zulks zal noit geschieden, zeggende mijn Heer aan Tiruwengalom verders, dat beiden bij de E: Comp: even een is, en dat voor de eene, met zoo wel als voor de andere even veel ggards gebruikt wordt; En ik legeer geen geld of iets van uw Vee„ den af te neemen, maar alleen begeer ik en is mijn wensch dat de beide sloegen in een goede harmonie of verstandhouding metcee elkanderen wilden leeven, en dat geene van beiden schade hoeven te lijden, op dat Comp:s zaaken geene hinder of tegenspoed lijde, en alles zonder eenige manquement wel afgehandeld worde, en dat ik (den Heer van Bijland ook gaarne alles wel afgedaan wilt hebben, om daar door een ernaam, bij de Comp: te kunnen verkrijgen Dat daags, hem heeft; der voor Dat Teriengalom daar op gedind heeft wij zijn niet 10000. - pagooden ten agteren maar wil 12000. , en daar van leggen er nog voor 5000. — pag: aan Lijwaaten per restant in Comp:s Pakhuisen, en dat we de overige 7000. –. pagooden door den tijd ook wel zullen afleggen, waar op mijn Heer vroeg, waar is dan het geld van de 80: - bhaaren Iapans koper gebleeven, waar op hij Tiriwengalom ant„ „woorde, dat is een zaak dat ik niet van weet, en ons in t ge„ heel niet aanraakt; dat mijn Heer daar op gezegd heeft, hoe is gl 't mogelijk dat uwe daar van niets weet of weeten wil, dat hij nog maals gediend heeft, ik weet daar in 't geheel niets van en daar op is hij naar huijs gegaan Dat den volgende morgen den Heer van Halm. de afrekening van de biede ploegen aan mijn Heer gezonden heeft, dat eenige uuren daar na de Mazulipatnamse kooplieden / namelijk die bij de boeken als kooplieden bekend, stonden / bij mijn Heer ge„ komen zijn, dat mijn Heer hun gevraagd heeft, hor veel of ze aan de E: Comp: ten agteren waren; dat zij geantwoord hebben wij zijn niet waer dan c. c. 12000: —. pagooden ten agteren, en daar van leggen er immers cc. 5000. pagooden aan Lijwaaten in Comp: Pakhuijsen nog per restant dat mijn Heer daar op gezegd heeft dat 2' maaken moesten dat binnen den tijd van 7. â 8. dagen, de manquerende 7000 —. Rdig: t zij aan Lijwaaten of Contanten moesten ingebragt worden; en dat zijn Ed: teffens bij examinatie bevindende, dat de Lijwaaten welke in Comp:s Pakhuijsen leggen„ de

NL-HaNA_1.04.02_3974_0855 view scan ↗

English

470 reaching the value of the same, will accept, but not otherwise; that those merchants replied to this, how shall that go, my Lord, if you say so, for we must receive money from various merchants who bought merchandise from us, as well as from the weavers, so if your Honour gives us two months respite, we will pay off those moneys; that my Lord said thereupon, I do not wish to interfere with your affairs regarding that, but will speak about it with Mr. van Halm, whereupon they went away. — That a while thereafter the merchants of the white faction came; that upon their arrival my Lord sent for Mr. van Someren to call His Honour, who also came to the house of my Lord; that Mr. van Bijland, in the presence of His Honour and of the writer Dirksz, presenting the final account to them, asked them how much they were still in arrears to the Honourable Company; that they replied thereto, there are still circa 1000 pagodas per balance remaining in the Company's warehouses, and besides that, we will only be in arrears circa 700 pagodas. — That my Lord said in the presence of the said two persons, there is indeed charged on your account 5 to 3000 pagodas, and report honestly or tell the truth; that they replied thereto, the remaining money is with the gentlemen Bijland; thereupon Mr. van Someren showed a very threatening countenance, and asked, while threatening those merchants, with whom has the money ended up! that they answered thereto, the linens that we have already delivered to the Company, Your Honour and Mr. van Halm have indeed taken from the Company's warehouses; thereupon Mr. van Someren burst out in contempt and with abuse against the white faction's Ramaija, saying that is a private matter, and even if it should cost me 1000 pagodas, I will prosecute you in the Court of Justice; whereupon Mr. van Bijland, advising, said to Mr. van Someren, it is not good that you speak in such a manner of contempt against those merchants; whereupon van Someren as well as the merchants departed; that all this treatment will be better apparent to Your Right Honourable from the petitions which those merchants have delivered to Mr. van Bijland and Mr. Tadama. That that same afternoon at eleven o'clock the Masulipatnam merchants went to the house of Mr. van Halm, where they remained until two o'clock in the afternoon, when they went away again. — The next day in the morning Tiriwengalam came to my Lord, when His Honour asked him whether he had already spoken with his colleagues; that Tiriwengalam answered my Lord thereto, that His Honour should summon the merchants of the Masulipatnam faction to him, and then propose the union to them; that they would then surely come to him, Tiriwengalam, when he would settle that matter with them. 411 That the following morning those merchants also came to my Lord; that my Lord had proposed to them through me that it did not please His Honour that the one party suffered losses and the other had much profit, but that His Honour wished that they would unite, in which case both parties could then balance each other, and that thereby the Company's affairs would also have a better and speedier progress; that those merchants submitted that since ancient times the two factions were never united; yet it now rests in your will, however we request your favour, what shall we say; that my Lord said to them thereupon, you shall not fall short or suffer damage, just come to me tomorrow morning, then I will present and hand over to you a Telugu document containing an agreement regarding the union of the two factions, so that they can sign the same then, and subsequently each accept an areca nut and betel leaf with a contented heart and return to their home; that those merchants said that a certain merchant participating with them, named Mamoedies Sorraija, had departed for Palicol, that they will first write to him about it and summon him, and that after his arrival they will come to my Lord again; that my Lord said, why should so much time be wasted for a single person; that if you accept and sign the agreement, he will surely follow as well.

Dutch transcription

470 de waarde dezelve behaalende, zal accepteeren, dog anders niet; dat die kooplieden daar op geduend hebben, hoe zal dat gaan mijn Heer., als uwe het zoo zegt, want mij morten van diverse kooplieden die van ons koopmanschappen afgekogt hebben, als ook van de wevers, geld hebben, dus als uwE: ons twee maanden respeijt geeft„ zullen wij die penningen afbetaalen; dat mijn Heer daar op gezegd heeft ik wil met uwes daar omtrent niet bemoeijen, maar zal met den Heer van Halm daar over spreeken, waar op zij heenen ge„ gaan zijn. — Dat een pobsse of daar na de kooplieden der witte Ploeg geko„ men zijn; dat op haarde komste mijn Heer van Someren om zijn E: te roepen, die ook ten huize van mijnen Heer gekomen gis, dat de Heer van Bijland in Presentie van zijn E: en van. den schrijver Dirksz: aan hun onder voorhouding der affrekening, „gevraagd heeft, hoe veel zij nog aan de E: Comp:s ten agteren waren; dat zij daar op geantwoord hebbende er leggen nog c. c. 1000. pag: per res„ tant in Comp:s Pakhuisen en behalven dat, zullen wij nog maar C. C. vooa pag per Iestant in Comse Pasluise en beosen dat witder on voowas 700. —. Pag: ten agteren zijn. — Dat mijn Heer in presentie van gemelde tiee persoonen gezegd. heeft, daar staat immers op ui rekening. 5c. 3000. —. pag: be last, en bregt opregt of zegt de waarheid, dat zij daar op gezegd. hebben het overige geld, is op de Heeren Bijland; daar op toonde den Heer voor Someren een zeer omziendelijk gezagt, en vroeg al dreigende 8 ant¬ van ekening ge die daar Comp: 6 heeft 8. dagen, anten examinatie sen leggen, dreigende aan die kooplieden, op wie is 't geld beland! dat zij daar op geantwoord hebben, de Lijwaaten die wij reeds aan de Comp: hebben geleverd, heeft uw E: en den Heer van Halm immers uit Comp„s Pakhuijsen genomene, daar op borst den Heer van Comeren in min agting en al scheldende aan Winte prool Ramaija uit, zeggende dat is een particuliere zaak. en al zou het mij 1000: –. Pag: komen ellle te kosten; zal ik uu in den Raad van Iustitie vervolgen, waar, op den Heer van Bijland, al raadende, tegens den Heer van Some„ ren zeide, 't is niet goed, dat uur op zoo een wijze in min agting tegens die kooplieden sprekt, waar op van Someren Zood wel als de koopl: vertrokken zijn dat al die behandeling uwel Edele Gestr: beter blijken zal uit de Requesten, welke die kooplieden aan den Heer van Bijland en den Heer Tadama overgeleverd heb„ hen Dat dien zelfden middag om Atfuur de Maulipatnamse koopl: ten huisze van den Heer van Halm gegaan zijn, alwaar zij ver„ toefd hebben tot twee uuren des nademiddags, wanneer zij wel „der hetren gegaan zijn. —. Sanderen daags 'smorgens kwam Tiriwengalam bij mijn Hler„ wanneer zijn Ed: hem vroeg, of hij reeds met zijne Confraters ge„ sprooken heeft; dat Tiriwengalom daar op aan mijn Heer geantwoord heeft, dat zijn Ed: de koopl: der Mazulispatnamse Gloeg„ bij zig zoude laaten ontbieden, en dan aan hun nopens de vereeniging voorhouden; dat dezelven, als dan wel bij hem Tiriwengalam Zouden 411 zouden komen, wanneer hij over die zaak met hun afhandelen Val. Dat den volgende morgen die kooplieden ook bij mijn Heer gekomen zijn, dat mijn Heer door mij aan hun heeft laaten voorhouden, dat het zijn Ed: niet wel aanstond, dat de eene partij schade leeden, en de andere veel profijt hebben, maar dat zijn Ed: wenschtte, dat ze zig wilden vereenigen, wanneer beide partijen als dan zoude kunnen balanceeren, en dat daar door ook Comp. s zaaken eenen beteren en spoedigen voortgangh zullen hebben; dat die kooplieden ge„ diend. hebben, dat sedert van oude tijden af de beide ploegen nooit vereenigs waren; dog het staat nu in uw wil, egter verzoeken wij uwe gunst. wal zullen wij zeggen: dat mijn Heer daar op aan hun gezegdt heeft, uwes Dat niet te kort komen of schade lijden, maak komt morgen ogtend bij mij dan zal ik een Tentuefsch ge„ schrift, behelsende accoord nopens de vereeniging van de beide ploe„ gen uwes voorhouden en ter handen stellen, dat zij het zelve als dan kunnen tekenen, en vervolgens ieder een pinang en betel blad. met een vergenoegd hart aan neemen en tot hunnent weeder keeren dat die kooplieden gezegd hebben, dat zeker met hun meede participeer„ rend koopman genaamt Mamoedies Sorraija na Palicol vertrokken is, dat zij eerst daar over aan hem zullen schrijven en hem op„ roepen, wanneer zijn na zijne komste weder bij mijn Heer komen „ zullen; dat mijn Heer gezegd heeft, waarom zal 'er zoo veel tijds om een enkelden persoon verspeeld worden; dat zoo wan„ neer uwer het accoord accepteerd en tekend, hij ook wel volgen Zal 8. zij daar n min eggende zeg komen waar Some„ of mijn Hler„ ralers ge¬ 1 engalam ging Ploeg.

NL-HaNA_1.04.02_3974_0858 view scan ↗

English

shall, and if he is not inclined, let him settle his share or debt to the Company; that those merchants further said to that, that tomorrow was not a good day for them, but that they will come to his Honour the day after tomorrow or the following day, whereupon they went away. That the promised day having arrived, the Lord of Bijland had them summoned by a Peon, that they said they would come; that my Lord had the Company's interpreter named Addaballa Appaija and the Company's Cannecappel Otierasoe Ramaija called to him, and upon their arrival handed them a document written in Dutch to translate into Gentoo, while saying, stay you then here waiting until those merchants have arrived, and then make it understood to them, and if it pleases them they can sign it, and if not they can also leave it; that it becoming late, my Lord let them go again, but that they said that it was an evil hour, and that they would come afterwards, which they have not done; that my Lord thereupon said to send another message to them, when I sent the chobdar named Sjatigslanu to them, but he staying away and it becoming late or eating time, my Lord gave me orders again to send a message to them; that I thereupon sent Peons again to see what the chobdar was doing; that the chobdar then came with the report that they all (the Masulipatnam merchants) were assembled with Tiriwvengalom in the house of the merchant Mamordies Soeraija, and that the gates or doors were tightly shut, and moreover that twelve or thirteen Peons, who were all armed with cutlasses and daggers, were keeping guard before the said gates, he the chobdar saying that he addressed the said Peons keeping guard before the doors, and that then the merchant named Jenoerie Sarassoe, having slightly opened the door and stuck out his head, said to him the chobdar that they did not want to come to my Lord of Bijland, but that if the Lords van Halm, van Someren, and van Holt are assembled, we will come then; that my Lord thereupon sent the chobdar with a note to the Lord van Halm, and that upon this his return, my Lord sent me to the Lord van Halm with a message to request his Honour that his Honour would have the Masulipatnam merchants notified to come to his Honour (this Lord of Bijland), as his Honour would gladly speak to them on the Company's behalf, to know from them yes or no, or shall I go and call them; that the Lord van Halm thereupon said angrily, if your Lord wants to speak with the Masulipatnam merchants, then he can come here to me, and if your Lord goes to call them, then I do not know what will happen or occur, and even if they lose their lives, they will never come to your Lord. That I said such to the Lord of Bijland, whereupon his Honour remained silent. That a few hours after that, Tireevengalam with the Masulipatnam merchants had gone to the Lord van Halm, having with them 28 or 30 Peons, all sharply armed; where, after having stayed a few hours, they departed again; that the third day after the said visit to the Lord van Halm, in the afternoon, the aforesaid Masulipatnam merchants (who are known on the books) departed from Jaggernaikpoerai to go to Sapsawaran; that they first went to the other side of the river named Kakenara, and indeed to the house of their head spokesman the aforementioned Tiriwingelam, where they consulted with one another, and subsequently departed for Sapawaram. That that same afternoon at 5 o'clock the Company's interpreter named Addaballa Appaija came to my Lord of Bijland, and in my presence related to my Lord of Bijland that that morning the Kotwal Issbenddij had come as usual on the report to my Lord of Halm, that my Lord of Halm asked that Kotwal, what special news is there in town, whereupon the Kotwal replied, there is no extraordinary news; that the Lord of Halm further asked him the Kotwal, are the Masulipatnam merchants then still in town; that that Kotwal thereupon became bewildered, and subsequently went to his chawltry and took his Peons with him, going to the houses or the places of the said Masulipatnam merchants to inquire after them; that he the Kotwal subsequently came again to my Lord of Halm, reporting to his Honour that the merchants were still in their lodgings. That a few days after that, the Chief Dubash of the Lord de Tan wentra Progado Annappa, who was lodging in the same house where I lived, came to me in the room in the afternoon, and related to me that he had heard that Triwvingalom with the already departed Masulipatnam group had presented 1000 rupees to the Lord Tadama, to remove the Lord of Bijland from his post and to send another chief in his Honour's place. That shortly thereafter the shroff Toram Rama Saammij also related to me that he had heard that Triwingelom and the Masulipatnam group had presented 10000 rupees to the Lord Tadama, to (as said) remove the Lord of Bijland from his post, which matters I have brought to the notice of my Lord. That thereafter the head spokesman of the white linen group

Dutch transcription

zal, en zoo hij niet genegen is, taat hij zijn aandel of schuld aan de Compagnie afleggen; dat die koopl: voorts. daar op gezegd hebben dat het morgen geen goeden dug voor hun was, maar dat zij over morgen of den daar aanvolgende dag bij zijn Ed: komen zullen waar op zij hieren gegaan zijn. —: Dat den beloofden dag verscheenen zijnde, den Heer van Bij„ land door een Tion hun heeft laaten ontbieden, dat zij gezegd hebben van te zullen komen; dat mijn Heer Comp:s tolk gen:t Addaballa Appaija en Comp:s Cannecappel otierasoe Ramaija bij zig heeft laaten roepen, en hun bij hunne komste een in 't Nederduitsch geschreeven geschrift ter handen gesteld om in het Tentiefsch over te zellen onder 't zeggen blijft uwes dan hier wagten tot dat die kooplieden gekomen zijn, en geeft het dan aan hun te verstaan, en zoo het hun aanstagt kunnen zij het tekenen, en zoo niet kunnen zij het ook nalaaten; dat het laat wordende mijn Heer hun weder heeft laaten loopen, dog dat zij gezegd hebben dat 't een kwaade uur was, en dat zij naderhand komen zouden, het geen zij niet gedaan hebben E dat mijn Heer daar op gezegd heeft, om weder een boodschaef aan hun te zendene, wanneer ik den sjoldaar genaamt sjatigs„ Ia nu hun gezonden heb, dog deeze weg blijvende en het laat offetens tyd wordende, gaf mijn Heer mij weder: last om een boodschap aan hun te zenden Dat ik daar op weder Tions gezonden heb om te zien wat T. 412 wat den sjobdaar verrigte; dat dent sjobdaar toen gekomen is met rapport dat zij allen:/ de Mazu lapatnamse kooplieden./ met Tiriwvengalom vergaderd waren in het Huis van den koopman Mamordies Soeraija, en dat de soorten of deuren digt gesloten waren, mitsgaders dat er twaalff of dertien Pions, die allen met Houwers en buiksteekers gewapend waren, voor de gemelde Poorten, de wagt hielden, zeggende hij sjobdaar dat hij de gemelde voor de deuren wagt houdende Pons aangesproo„ ken heeft, en dat toen den koopman genaamt Jenoerie Sarassoe offentjes de deur opengemaakt en zijn kop uitgestooken hebbende aan hem sjobdaar gezegel heeft dat zij niet bij mijn Heer van Bijland wilden komen maar dat zoo de Heeren van Halm. van Someren en van Holt vergaderd zijn, wij als dan= komen zullen; dat mijn Heer daar op den sjobdaar met een briefje na den Heer van Halm gezonden heeft, en dat bij dee ze zijne terugkomste mijn Hear mij na den Heer van Halm. heeft gezonden, met boodschap, om zijn E: te verzoeken, dat zijn P: de Mazulppatnamse kooplieden zou laaten aanzeggen van bij zijn Ed / deze Heer van Bijland / te komen, alzoo zijn. E: hun gaarne Comp:s wegen spreeken wilde, om te weeten van hun Ja of neen, of zal ik gaan roepen; dat den Heer van Halm daar op toorwig gezegd heeft, als uwe Heere met den Mazulip: kooplieden spreeken wil, dan kan - hij hier bij mij komen, en als uw Heer hun gaat roepen dan aan hebben waar van Bij gezegd 9 tolk a t te geeft unnen dat #bben om en zien atigs 809 dar onveet ik niet wat er voorvallen of geschieden zal en al ver„ leesen zij hun leeven, zij zullen noort bij uw Heer komen. Dat ik die Heer van Bijland: zulks gedegd heb, waar op zijn E„ stil Zweeg. Dat eenige uuren daar na Tireevengalam met de Masulipatnam, se kooplieden na den Heer van Halm gegaan waren, bij zig heb„ binde 28. of 30: stuks Pions, allen scherp, gewaapend; alwaar zij na eenige uuren vertoefd te hebben weder vertrokken zijn dat den derden dag na de gemelde komste bij den Heer van Halm, des nademiddags, de voorsz: Mazuli p:l kooplieden / die te boek bekend staate / van Jaggernaikpoerai uijtgeweeken zijn om na Sapsawaran te gaan; dat zij eerst aan de over kant van de revier gen: kakenara gegaan zijn en wel in den mergem: Tiri„ Hoofd voorspreeker het Huijs van hunnen wingelam, alwaar zij zig met elk anderen geraadpleegd heb„ ben, en vervolgens na Sapawaram vertrokken zijn. —. Dat dien zelfden agtermiddag om 5. uur Comp:s Tholk ge„ naamt Addaballa. Appaija bij mijn Heer van Bij land gekoomen is, en in mijn presentie aan mijn Heer van Bijland verhaald heeft, dat dien morgen den Coterwal Issbend dij volgens gewoonte op het rapport bij mijn Heer van Halm gekoomen was, dat mij Heer van Halm aan dien Coterwal gevraagt heeft, wat is 'er voor bijzondere nieuws op de plaats waar op den Coterwal geantwoord heeft, daar is F 413 is geen vjferce ordinair nieuws;, dat den Heer van Halm, voorts aan hem Coterwal gevraagd heeft, zijn dan de Mazulipalnamsche kooplieden nog op de plaats; dat dien Coterwal daar op bedwelend. is geworden, en vervolgens na zijn Chauldelie is gegaan, en zijn. Pions met zig meede genoomen heeft, gaande naar de Huijsen off de plaatsen van de gem: Mazulip:se kooplieden om naar dezelven te verneemen; dat hij Cotterwal vervolgens weder bij mijn Heer van Halm gekoomen is, met rapport aan zijn E. dat De kooplieden nog in haare wooningen waren: Dat eenige dagen daar na den Hoofd Dobachij van den Heer„ De Tan wentra Progado Annappa die in het zelfde huijs was logeerende, waar ik woonde, 'T agtermiddags bij mijn in de kamer gekoomen was, en mijn verhaald heeft dat hij gehoord. heeft dat Triwvingalom met de reeds uijtgeweken, Mazulips=e sloeg aan de Heer Tadama 1000. -. Rop:s heeft aangepre„ senteerd, om den Heer van Bijland van zijn Post afteligten en een ander opperhoofd in zij E: plaats te zenden:—: Dat kort daarna den Saraaff Toram Rama Saam„ mij aan mijn ook verhaals heeft, dat hij gehoord heeft dat Triwingelom en de Mazulip=le Ploeg 10'000. –. rap:s aan den, Heer: Iadama heeft gepresenteerd, om /als gezagd/ den Heer van Bijland van zijn post te ligten welke een en ander ik mijn Heer van kennissa gegeeven heeft. Dat daar na den Hoofd voorspreeker der witte Lijwaaten ploeg

NL-HaNA_1.04.02_3974_0862 view scan ↗

English

plough Wintieprool Ramaija came to my Lord van Bijland, that my Lord van Bijland asked, what is the news; well my Lord I have heard that Triwengalom and the Mazulipatnam merchants have offered 10000: —. Rupees to the Lord Tadama to remove you from your Post and to appoint another chief in your place, to which my Lord van Bijland said, is that so. That the following day in the morning when I came to my Lord van Bijland, His Honour said to me, you surely know or have already heard from Ramaija, etcetera regarding my removal; put all of this into a Gentoo document, which I shall send in a letter to the Lord Tadama. Subsequently, on my own accord, I had two documents written in the Gentoo language by the shroff Poram Ramoswamie, one of which was doubtful and the other positive, both of which I presented to my Lord van Bijland; that His Honour took the doubtful one. The next day in the morning, the Lord van Halm summoned the merchants of the white piece goods to him, and they having arrived there, His Honour detained them until about half past five in the evening without letting them go home or anywhere else to eat, or to relieve themselves or do otherwise, and pressed them hard for the Catnams money which they had to pay for their office. 41½ That the Lord van Halm, when they wanted to go home, forced Wintieproot Ramaija to provide an attestation in Gentoo, stating that His Honour had already sent 700. —. pagodas for Catnams money via Palicol to the Lord Tadama, which incident Ramaija related to me. That some days thereafter the Company's sloop arrived from Palliacatta, that the day after the arrival of the said sloop the Lord van Halm summoned the merchants of the white plough to him, and pressed them hard to sign their account, and to my guess kept them locked up under arrest inside his hedges or dwelling for a couple of days without letting them go home. That the Lord van Halm kept those merchants under arrest with him for so long until the arrival of the Lord Schephaken as commissioner from Palicol, who immediately released the said merchants. That meanwhile, as the merchants of the white plough were under arrest with the Lord van Halm, the Lord van Halm sent the clerk van Holt and the Company's interpreter Ada Balta Appaija to the departed Mazulipatnam merchants who were on their way; that a few hours later those two returned with the Mazulipatnam merchants, all seated in palanquins, and went to the house of the Lord van Halm; where the Lord van Someren was also present, and after staying a few hours departed again. That shortly thereafter the Lord van Halm entered into a contract with the Mazulipatnam merchants regarding the contracting or delivery of the Company's demand, and that he, the Lord van Halm, gave the contract of the merchants of the white plough to two other suppliers, one of whom was a brother-in-law and the other a son-in-law of Triwengalom. That the chief dubash of the Lord de Jan named Wintraprogada Anappa, coming from outside, related to me: do you know what news there is, I told you that Triwingalam and the Mazulipatnam merchants offered 10000. Rupees to the Lord Tadama to remove your Lord from his post; but it is now entirely different, I have heard that Triwingalam and Camalanaboe did so on their own accord and without the foreknowledge of the other merchants; that it is no more than 5000. rupees, over which a dispute has arisen with him, Triwengelam and Camalanaboe. That an order arrived from Palliacatta from the Lord Tadama to withhold the 5000. –. rupees from the silver that has been sent to be contracted to those merchants for their delivery. That the Mazulipatnam merchants thereupon said to Triwengalom etcetera, how can you make such an offer on your own, whereof we know nothing, and since we ourselves 415 have already suffered so much loss on account of the payment of the Catnams money as well as customados etcetera, and we are unable to pay so much; over which they were in a great dispute with Triwengalom and would not agree to it. That Triwingalom always came to the house of the Lord van Halm with 15 to 16 sharply armed peons. That my Lord van Halm, in addition to the Company's peons in service, had taken another 12 Moorish peons into service. That shortly thereafter my Lord van Halm sent a peon to fetch the Brahmin of Darma Choultry named Peelipatala Kisnaija, and had him locked up in a dark room in the Kotwal choultry, and as I have heard, the reason was because that Brahmin had allegedly said that it appears that the Lord van Bijland is a military man, for he always travels in great state, and rides on horseback, and carries pistols and sabres; but that he was released again upon the arrival of the Lord Schephaken. That shortly thereafter my Lord said to me, I have written to the Lord Tadama at Palliacatta, and have received no answer yet; it appears that roguery is being played beneath the surface; and since I cannot rely on the four peons that I have from my Lord van Halm, see that you recruit 10 to 12 foreign peons into service for me. 3 3

Dutch transcription

ploig winte prool. Ramaija bij mijn Heer van Bijland, ge koomen is, dat mijn Heer van Bijland gevraagt, heeft wat is er voor nieuws; wel mijn Heer ik heb gehoort dat Triwengalom en de Mazulip=le kooplieden 10000: —. Ropijen aan den Heer Ta dama heeft gepresenteerd om uw van uw Post te ligten en een andere opperhoofd in uw plaats te benoemen, dat mijn Heer van Bijland daar op gezegd heeft, is dat zoo Dat den volgenden dag daar aan 'smorgen toen ik bij mijn s van Bijland, kwam zijn E: mij gesegel heeft, gij weet immers wel of heb reeds van Ramaija, ensz: gehoord van wegens de tiglin van mijn brengt het een en ander op een Intiessch geschrieft, we ke in een brief aan de Heer Tadama zal overzenden —. Vervolgens heb ik uijt mijn eijge door den Saraaff Poram Ramo swamie twee in het Tentufsch geschreevene geschrift laaten vervaardigen, waar van het eene twijffelagtigen het ander Posentes was, welke beiden ik mijn Heer van Bijland voorgehouden hebbe; dat zijn E: het twijfplagtige genoomen heeft. on 'Sanderen daags daar aan 'smorgens heeft den Heer van Halm de kooplieden der witte sijwaaten bij zig laaten ontbiden, en de selven aldaar gekoomen zijnde heeft zijn E: hun aangehouden tot 'savonds omtrend half ses uuren zonder dezelven waar Huijs afergens te laaten gaan om te eeten, dan wel hun behoeft of anders te doen en hun sterk vervolgd, om het Catnams-geld het gene zij moesten dokken voor hun offecieschap. —. 41½ Dat den Heer van Halm: Witnteproot Ramaija toen zij naar huijs wilden gaan, gedwongen heeft om un attestatie in 't Ientiefs te verleenen, beheezende dat zijn E: reets 700. —. pag: voor Calnams geld over Palicol aan den Heer Tadama gezon„ den heft, welk voorval Ramaijg. aan mijn verhaald heeft Dat eenige dagen daar na Comp:s sloep van Palliacatta gearriveerd. was, dat daags na de arrive van gem: sloep den Heer van Halm de kooplieden der wille plocg bij zig theeft laaten ontbie„ den, en hun hard vervolgel om hunne afreekening te teekenen en hun naar mijn gissing een paardagen binne zijne hebken of wooning gearresteerd afgeslooten gehouden heeft zonder hun naar huijs te laaten gaan Dat de Heer van Hlalm die kooplieden zoo ladige bij hem gearresteerd heeft gehouden tot de komste van de Heer Schuep„ haken als gecomm: van Talerol, die de gem: kooplieden direct ontslaeg. — Dat onderwijlen de kooplieden der witte prhoeg by den Heer van Halm in arrest zal, den Heer van Halm. , den scriba van Holt en Comp:s tolk Ada Balta Appaija na de uijtgeweeken Mazultp=r kooplieden /. die onderweegens waaren /: gezonden heeft; dat dien twee eenige uuren daar na wieder met de Mazulip:e kooplieden te rug gekoomen waaren alle in Palenkeijns gezeeten en naar het huis van den Heer van Hier Van Someren ook. Halm gegaan zijn; alwaar den was. p Halm ns rs was, en na eenige uuren vertoevens weder vertrokken zijn. —. Dat kort daar na den Heer van Halm, een Contract aange„ „gaan heeft met de Massulep=se krooplieden wegens de aanbesteeding of. Leverancie van Comp:s Eijsch en dat hij Heer van Halm, het Contract van de koopliden der witte ploeg dan twee andere Levuranciers gegeeven heeft, waar van de eene een scagen en dere andere en schoon zoon van Triwengalom was. Dat de Hoofd dobachij van den Heer de Tan gen:t win„ traprogada Anappa van buijten koomende mijn verhaals heeft weet uijr wat nieuws ik heb uw verhaald dat Triwingalam en de Mazulipatnamse. kooplieden 10000. Ropijen aan de Heer Tadama gepresenteerd heeft om uw Heer van zijn post te ligten; dog het is nu geheel anders, ik heb gehoord dat Tiriwingalam en Camalanaboe uijt hun eigen en houden voorkemis van de andere koopl: zulks gedaan heeft;, dat het niet meer is als 5000. ropp:s waar over: verschil met hem Triwengelam en Camalanaboe, ontslaate Dat er van Palliacatta aanschrijvens van den Huiee Tadama gekoomen is, om de 5000. –. rop:s aftehouden van het zilver dat ie gezonden, is omaan die kooplieden voorhume lever„ antie aaabesteeden. Dat de Mazulipatnamse kooplieen daar op aan: Tieuenga, lom etc: gezegd heeft, hoe kunt gij uijt uw eijgen zoo eene aan presentatie doen, daar wij niets van weeten, en daar wij al„ zelfs F. 415 zelfs zoo veel schaade hebben gelieden wegens het opbringen van het Catnams, geld als ook custumados ent3:, en wij zijn onvermoogend, om zoo veel te betaalen waar over zij in een groote dissput: met Truvengalam waren en zulks niet willen accordeeren Wat Triwingalom attoos met 15. a:o 16. Pions scherp gewapens. aan het Huijs van den Heer van Halm kwam Dat mijn Heer van Halm behalven den in dienst zijnde Comp:s Pions nog 12. Moorschen pions in dienst genoomen hadt. —. Dat mijn Heer van Halm kort daar aan door een pions den bramine van Darma Chauderie genaamt Peelipatala kisnaija. heeft laaten haalen en in de Coterwal chauderie in een donkere hot laaten op sluijten, en 300. als ik gehoord heb, wat de reeden van, om dat dien Bramine zoude gezegt hebben, dat het schijnt dat den Heer van Bijland een krijgtman is, want hij gaat altoos in een groote staatsie, en rijdt te paardt en heeft Pistoolen en sabels; dog dat hij weeder ontslagen is op de komste van den Heer Schlephaken — daar aan mijn Heer aan mijn gezegd heeft, Dat kort ik heb naar Talliacatta aan den Heer Tadama geschree„ ven, en nog geen antwoord: bekoomen; het schijnt dat er schur„ kerije onder gespeeld wordt; en overmitts ik op de vier Pions. die ik van mijn Heer van Halm heb geen staat kan maa„ ken, zit dat gij 10. â 12. vreemde Pions voor mijn in dienst verwerft. 3 3

NL-HaNA_1.04.02_3974_0866 view scan ↗

English

acquired. That I subsequently had 12 peons come from Daraatsewaram, and when they had arrived, I sent them to Mr. van Bijland; that Mr. van Bijland told them, go first to eat and rest, and then come here towards midday at 12 o'clock, and then you may remain in my service; that in the meantime, while those peons had gone to their quarters to cook or smoke, Triwengelam had come to Mr. van Halm; that Mr. van Halm immediately summoned the cotwal named Issoreddie, and sent him, combined with peons of His Honour and of Triwengelam to the number of about 18 to 20 by my estimate, to the place where those first-arrived peons were staying, and took them and brought them to Mr. van Halm, and subsequently had them chased entirely away from the place. That a few days after the arrival of Mr. van Bijland at Jaggernaikpoeram, on a certain day the money changers or shroffs kept their shops tightly closed, for the reason that those money changers had been out of pocket for a very considerable time for the daily expenses of Mr. van Halm, which were always fetched or enjoyed by His Honour's clerk, the Brahmin named Coparte Iagerasoe, for which they had received no payment in the space of two years, over which those money changers had frequently been to Mr. van Halm and complained to His Honour about it, but that they obtained no justice, and that Mr. van Halm, with his aforementioned clerk, had referred those money changers to Mr. van Bijland in order to present their grievances to that gentleman. That Mr. van Bijland thereupon asked Iaggerasoe why he had not paid them, to which he replied that it was indeed true that he had enjoyed the daily expenses for Mr. van Halm, but that this fell upon the late Company's interpreter Addaballa Narasimeloe, who had to account for it; that Mr. van Bijland thereupon summoned the present Company's interpreter and son of the deceased to him, and asked him why he would not make payment of that for which his late father had to account; that the same replied to Mr. van Bijland that he was entirely ignorant of the matter, whereupon Mr. van Bijland said that they both, namely Paggerasoe and the interpreter, should appoint arbitrators to settle the matter; that meanwhile Mr. van Halm and Mr. van Bijland fell into discord or dispute, and that the aforementioned matter was left in the lurch. That at the time the Company's chaloup Zeerob was at Jaggernaikpoeram, a certain comotie who had murdered a Brahmin was taken into custody and subsequently put in irons; that when that comotie was to be sent up with the Company's chaloup to Palliacatta, all the shopkeepers closed their shops in order thereby to obtain a plea for that prisoner, being of their caste, from Mr. van Halm; but this failed, though they later opened their shops again. Thus far what is known to me has been dealt with and committed to paper by me in truth, when Mr. Schliephaaken arrived at Jaggernaikpoeram in the month of March, Mr. van Bijland having then departed for Corringe. A few hours after Mr. Schliephaaken had arrived at Mr. van Halm's, the aforementioned gentleman sent the frequently mentioned cotwal Issoereddi with four peons to look for me and arrest me; that those servants first went to the house of Mr. van Bijland, but not finding me there, they came to Dirksz where I was present; that they took me from there directly under arrest before Mr. Schliephaaken; that Mr. Schliephaaken, in the presence of Mr. van Halm and several others who were then present there, asked me whether I was the head dubash of Mr. van Bijland, to which I answered yes, and subsequently for my name, which I also gave; that Mr. Schliephaaken subsequently ordered me to be criminally arrested within the gates of Mr. van Halm where the hourglass stood, but after having sat there for a couple of hours, the merchants of the white piece-goods were released, and I was subsequently transferred to the room where they had been sitting. That in the meantime Heshusius from Bimilipatnam had also arrived. Subsequently, all my papers were taken from my house without my presence. Shortly before my dispatch to Palleakatta, Messrs. Schliephaken and Heshusius sent the Company's interpreter Addaballa Appaija and the Company's connicopoly Otirasoe Ramaija to me, and had it announced to me that I was to depart on foot under arrest for Palliacatta; that I thereupon had those gentlemen asked what my crime or guilt was that I had to go to Palliacatta under arrest, and that they would please state it to me, so that I would then depart for Palliacatta; that those gentlemen sent word to me that if I went to Palliacatta under arrest, the gentlemen there would certainly tell or state my guilt to me. Subsequently I, with my own palanquin and indeed by

Dutch transcription

verwerft. ~ Dat hik vervolgens van Daraatse waram: 12. Pions heb laa ten koomen, en die gekomen zijnde heb ik na den Heer van Bij„ land gevonden; dat den Heer van Bijland hun gezegd heeft gaat eerst keenen om te eeten en uijt te rusten, en komt dan teegens den middag om 12. uur hier en dan kunt gelieden bij mijn blijven dienen, dat in die tusschen tijd dat die pions naar hunne plaats „gegaan waaren om te kooken of te smooken, Triwengelam bij mijn Heer van Halm gekoomen was; dat mijn Heer van Halm direct den Coterwal gen:t Issored=die heeft laaten roepen, en den zelven met Pions van zijn E: en van Triwengelam vereenigd ten getalle van 18. â 20. stuks naar mijn gessing naar de plaats gezonden alwaar die eerst aangekoomene Pions zig opheelden en hun gehaald en bij den Heer van Halm gebragt ver„ volgens dezelve van de plaats gebeel heeft doen weg Jaa„ Dat eenige dagen na de aankomst van mijn Heer van Bijland op Iaggernaij kpoeram op zekeren dag de wisselaars. of saraefs haare Boutjcquen digt geslooten gehouden hebben, om reeden dat die wisselaars voor de dagelijkse ongelden van den Heer van Halm eenen zeer geruimen tijd in verschot waaren geweest, welke attoos door zijn E: schrijven den Braminie ge naamt Coparte Iagerasca gehaald of genooten is waar van zij in twee Jaaren tijds geenen afbelaaling gekregen hebben, waar over gen 416 over die witselaars. dikewels bij den Heer van Halm geweest zijn en aan zijn Ed: daar overgeklaagd dog dat zij geen regt orlangd. hebben, maar dat den Heer van Halm die wisselaars met zijn gem: schrijven na den Heer van Bijland geren voijeerd heeft ten einde aan diee Heer hunne klagten voortedraagen- Iaggerasoe ge Dat den Heer van Bijland daar op aan „ vraagd heeft, waarom hij hun niet afbetaald heeft, dat dee„ sen ten andwoord gediend heeft, dat 't wel waar is dat hij de Degelijkse ongelden voor den Heer van Halm genooten heeft, dog dat zulks beland is op wijlen den overleedenen Comp:s tholk„ Addaballa Narasimeloe, die zulks heeft moeten ver„ antwoorden, dat den Heer van Bijland daar op den teegens„ woordige Compagnies Tholk en Zoon van wijlen den overleedenen bij zig heeft laaten ontbieden, en hem gevraagt heeft waarom hij gee„ ne afbetaaling wilde doen van het geende „ wijlen zijn vader verantwoorden, moest, dat der zzl. daar op aan de Heer Van Bijland geantwoord heeft, dat hij gansch in gaarne van de zaak niet afwist, waar op den Heer van Bijland ge„ zegd heeft dat zij bijden / naam: Paggerasoe en den Tholk / arbiters zullen benoemen om de zaak aftemaaken, dat onder„ wijlen den Heer van Halm en den Heer van Bijland in onvrundschap of verschil geraakt is, en dat de gemelde zaak in steek is gebleeven Zeerob op Pag¬ Dat in den tijd dat Comp:s Chialoup „gernaikpoeram „ plaats ijmijn Halm den g plaats ge- „ zij in aar gernaikpoeram was, zeeker Comolie die een Bramine vermoond, vermoonds heeft, in arrest gehaald en vervolgens in de bouten gezet was dat toen wanneer dien Comitie met com„ pagnies Chialoup naar Palliacatta; zoude opgezonden worden alle de boutiqueros, hunne-bouticquen geslooten hebben; ten eijn„ de daar door een verzoek voor dien arrestand als zijne hun Casta bij den Heer van Halm te verwerven; dog het gee„ ne mislukt is, dog dat zij naderhand hunne bouticquen- wee„ der opengemaakt hebben. Dus verre is het geene mijn bewust is afgehandelt en door mijn naar waarheijd - ten papiere gebracht, wanneer, mijn Heer Schliephaaken in de maand: Maart op Jagger„ naikpoeram aangekoomen is, zijnde den Heer van Bij„ land toen naar Corringevertrokken. —. Na eenige uuren dat de Heer Schliephaaken bij den Heer van Halm aangekoomen was, zond gem: Heer den Issoereddi met vier Pions om mij op meermelde Coterwal te zoeken en te arresteeren, dat die dienaars eerst vervoegd heb„ ben ten huijse van den Heer van Bijland, dog mij al„ daar niet vindende gekoomen zijn bij Dirksz: alwaar ik tegenwoordig was, dat zij mij van daar direct in arrest weg gebracht hebben voor den Heer schliephaken; dat den Heer Schliephaken in presentie van de Heer van Walm en meer anderen, die aldaar toen present waren, mijn af gevraagd 417 gevraagt heeft, of ik den Hoofd Dobachij van den Heer van Bijland was het geene ik met Ia beantwoordende en vervolgens naar mijnen naam, dien ik ook opgaaf, dat den Heer schliep haaken vervolgens geordonneerd heeft om mij Crimirelijk bin „ nen de hekken van de Heer van Halm waar het uur Glas stond te arresteeren, dog na een paar uuren aldaar gezeten te hebben, wierden de kooplieden der witte Ploeg lijwaaten vrijgelaaten, en ik vervolgens in het vertrek waar zij geseeten hebben overgebragt wierde. Dat in die tusschen tijd Heshusius van Bimilipatnan ook aangekoomen was. Vervolgens wijden alle mijn papieren uijt mijn huijs, zonder mij bij zijn afgehaald. kort voor mijne op zending naar Palleakatta zondt de Hee„ ren Schliephaken en Hishuscus Comp:s tolk. Addabalta Appaija Comp: Cannecappel otirasoe Ramaija bij mij en lie „ten mij aankondigen dat ik te voet in arrest naar Palliac: vertrekken, dat ik daar op aan die Heeren heb laaten vra„ „gen, wat mijn bedrijf of schuld was dat ik in arrest naar Palliacatta moest en dat zij wij die geliefden voor te„ „houden, dat ik als dan naar Palliacatta vertrekken zal; dat die Heeren mij hebben doen weeten als ik in arrest waar Pal„ liacatta gaat dat dan de Heeren aldaar mijn Schuld aan mijn wel zeggen of voorhouden zullen. Vervolgens ben ik met mijn eige Palankeijn en wel door T

NL-HaNA_1.04.02_3974_0870 view scan ↗

English

by hired coolies of my Lord van Bijland, under escort of six armed Peons, brought directly under arrest from the house of the Lord van Halm to Palliacatta; that I was first taken to Palicol, where upon my arrival the Lord van Haeften, the chief, had me arrested in the Kotwal-Chavadi, and subsequently opened and inspected my small writing desk; that the next day at noon I was transported to Palleacatta with a letter from that chief and by Peons of that place. That meanwhile, approaching near Mazulipatnam, I became fearful that I would be ill-treated at Palliacatta, partly because my Master has also been strictly arrested, and partly because no inquiry into my guilt was made at Jaggernaik, and thus I resolved to take flight or hide at that place, and to stay there so long until good tidings came from Batavia, but that I was again caught by the Peons and brought to Palliacatta; that upon arriving here, I was brought before the residence of the Lord Tadama, from where I was brought by orderlies of his Honour to the Commandant's residence in the Fort, and subsequently under arrest to the Main Guardhouse; that after having stayed there for several hours, I was transferred by a Corporal with four soldiers alongside the Sergeant Roosemijen to the bastion, specifically into a room or apartment where a few days prior a certain Maldivian boy and murderer had been confined; that I was always strictly guarded by soldiers, with orders without any access or entry of anyone to me; that through that strict confinement, indeed having received food only twice a day, and having had to sit as if in a dark cage which had been terribly soiled by that murderer, indeed also during all my imprisonment not having been able, according to custom, to go out to wash or relieve myself, but rather to fast and pray, nor having been able to rest at night due to the heat or numerous mosquitoes, I became entirely unhealthy; that now and then I was brought to the Council Chamber for interrogation, where I always had to stand for a very long time; that everything was not written down as I had stated; that the Fiscal threatened and forced me to answer that the Company's interpreter Mandalom Wengadassalam Naiker told me, all forces combine and wish to make a vessel sink, what can one sailor help; that the Lord Fiscal Brouwer further said, you do not have to be afraid for your Master, for he will not come to ask for you, and standing up at the same time from his chair and walking toward me, mockingly and pacing, look here, does your Master not walk like this, so that Luijker asked me, do you want to make your Master honest; that I also heard that the Company's weigher of Nagapatnam named Waitenada was ill-treated and beaten by 6 Peons; that the Lord Tadama told me, confess sincerely about the Japanese copper and the 7000 Pagodas, I will send your Master to Batavia, indeed even before the handover of my administration, he will not remain here on this coast, I will help you and take you into my service; that through all these threats and torments, and as already stated having become unhealthy, I was almost completely deprived of my senses, and thus answered incorrectly to all the questions put to me, indeed whatever came to my mind. That the Lord Tadama, when I was released from arrest, forbade me to go speak with the Lord Obdam, and that I noticed that there was no one who would have dared to stand against the Lord Tadama for right and justice, for which reason I preferred to submit my evidence further, as is being done by this. That out of fear of having to lose my life, and in order not to remain in arrest any longer, I took the oath out of fear at the demand of the Fiscal, from which, however, I consider myself free and hold myself discharged. That the humble undersigned now turns to your Right Honourable, firmly trusting that your Right Honourable upholds right and justice, with the humble request not only to have him, the petitioner, compensated for his suffered loss of 500 Pagodas which he had to lose through the innocent arrest at Jaggernaik, but also to obtain such justice as your Right Honourable shall deem proper. Below stood: Which doing, etc. etc. Was signed in Malabar characters: Wingadassalom Poele. In the margin: Palliacatta, the 13th of February 1791. Today, the 14th of February 1791. Appeared before the undersigned commissioned members from the Honourable Court of Justice of this Coromandel Government, the native Wingadassalam Poele, stating to be of the caste of Wittale, aged 25 to 26 years, who, in the presence of the Honourable Simon Duijnevelt, acting pro interim in the office of Fiscal here and expressly authorized for this by the Honourable Lord Governor of this Coast, Jacob Eilbracht, having had his aforementioned statement or address read out and explained to him, testified that it contains the pure and upright truth without desiring any change or addition, noting only that on the first sheet, 4th page, last line, it states Pagodas 5000, which must be Pagodas 1500. Stating to be unable to take an oath, as such is an affront to his

Dutch transcription

door gehuurde korlies van mijn Heer van Bijland, onder es„ corte was zes gewapende. Pions, direct uit het huis van den Heer van Halm. in arrest naar Palliacatta overgebragt; dat ik eerst na Palicol overgevoerd wierdt, alwaar ik aankomen„ de den Heer van Haeften / 't opperhoofd /: mij in de Coterwal- Haudrie heeft laaten arresteeren, en vervolgens mijn dessenaartje geopend: en gevesiteerd; dat ik 'sanderen daags 'smiddags met een brief van dien opperhoofd en door Pions van die Plaats naar Palleacatta overgetransporteerd wierdt. —. Va Dat ik onderwijden omtrent Mazulip: naderende bedugt ge slegt behandeld zoude wor„ worden bin, dat ik op Palliac: dem, eens deels wijl mijn Heer ook scherpelijk gearresteerd is, en anderendeels, wijl 'er op Iaggernaik geen onderzoek naar mijn schuld gedaan is, en dus nam ik voor om op die plaats de vlugt of schuil te gaan neemen, en aldaar zoo, lange te vertoeven tot dat 'er goede tijding van Batavia kwam„ sog dat ik weder door de Pions betrapt geworden ben, en naar Talliacatta overgebragt, dat ik alhier aankomende, voor de wooning van den Heer Iadama gebragt, van waar ik met oppassers van zijn welEd: naar des Commandant woo„ ning in het Fort, en vervolgens naar de Hoofdwagt in arrest gebragt wierdt, dat ik na eenige uuren aldaar getjeeken te hebben, door een Corporaal met vier soldaaten nevens den sergeant Roosemijen overgetransporteerd ge worden 3 418 worden ben op het bolwerk, en wel in een kamer of vertrek, alwaar voor eenige dagen nog zekeren Maluitschen Jongen en moordenaar gezeeten heeft, dat ik attoos door Militai, ren scherp bewaakte wierde, met order zonder enig accis of toegang van iemand tot mij dat ik door die scherpen arrest ja zelfs sdadgs maar tweemaal te eeten gekregen hebbende:/ en als in een donkere kauer, welke door dien moorddaadiger ijselijk bevuilt is, heb moeten zitten /Ja ook geduurende al myn gevangenschap niet /naar volgens gewoonte / uijt heb komen wassen of scheeden, dan wel vasten en bidden, nog saagts door de hitte of veele muskueten konnen rusten geheel ongezond geworden ben; dat ik nu en dan ter verhoor naar de Raadkamer gebragt ben, alwaar ik altoos een zeer gerui„ men tijd heb moeten staan, dat alles niet opgeschreeven is geworden, zoodanig als ik heb opgegeven; dat den Iis„ caal mijn gedreigd en geforceerd heeft, om te antwoorden, dat Comp:s tolk Mandalom wengadassalam Naiker mij ge„ zegd heeft, alle kragten spannen een, en willen een vaar„ tuig doen ziecken, wat kan een Mattroos helpen; dat den Heer fiscaal Brouwer verders gezegd heeft, gij hoeft voor uw Heer niet bevreest te weezen, want hij zal niet na uw komen vraagen, en staande te gelijk van zijn stoel op en Liidende tegens mij, al spottende, en loopende, kijk hier„ loopt jouw Heer niet zoo dat luijker mij gevraagd heeft e 3 heeft, wilt gij souw Heer eerlijk maaken; dat ik ook vernomen heb dat Comp=s weger van Nagapatnam genaamt waite nada, slegt behandeld en door 6. Pions geslagen is geworden; dat den Heer Padama mijn gezegd heeft, biegt tog opregt, omtrent het Iappans koper en de 7000. –. Pag: ik zal uwr Heer naar Batavia opzenden, en wel nog voor de overgaaf van mijn hij blijft hier niet op deeze kust ik zal uwe hel„ Transport; pen en in mijne dienst neeuwen. dat door alle die dreigementen en tormenten, en gelijk als reedes gezegt ongezond geworden, geheel bijna van zinnen beroofd geworden ben, en dus op alle de aan mij gedaane vraagen, verkeerd. ja wat mij voorkwam g'iantwoord heb, —. wierdt, Dat den Heer Tadama toen ik uit het arrest ontslagen mij verbooden hreeft van met den Heer Obdam te gaan spree„ ken, En dat ik bemerkt heb, dat er niemand was, die tog te gens den Heer Padama, voor de regt en geregtigheid zou hebben durven kanten, waarom ik liefst verkoozen heb, mijne bewijzen nader in te brengen gelijk bij deezen is doende. — Dat ik uit vreeze van mijn leevene te hebben moeten verliesen, en om langer niet in arrest te zitten door vreese den Eed heb gedaan op de begeerte van den fis„ caal, dog waar van ik mij vrij rekene en voor ontsla„ gen houde. Dat den nederigen tekenaar zig thans tot uwer wel Edele 419 Edele Gestr: heed, als te wel vertrouwnde, dat uwer wel Edele Gestr: regt en geregtigheid hand haaft, met nederig verzoek om hem sepp: niet alleen zijn geleeden verlies van 500. pag: welke. zij door het onschuldig in vaarestneeming of Iaggermnaik heeft moetie verlies te willen laaten vergoeden maar ook zooda„ nig regt te doen erlangen als uwer welEd: Gestr: bevinden zal te behooren /:onderstond:/ T welk doencie &= &:a /:was getekend / inmalla„ baarsche Caracters Wingadassalom Poele. / in margine./. Pal liacatta den 13. februarij 1791. —. Op huijden Den 14. Februarij 1791. —. Compareerde, door de ondergeschreenen gecommitteerde Leeden uijt dene Achtb„r raad van Iustitie deeses Cormandelsch Gouvernemeet den Inlander wingadassalam Poele zeggende te zijn van de Castae„ wittale oud 25. â 26 Iaaren dewelke ten overstaan van d E: Simon. Duijnevelt als prointerum waarneemende het ampt van fiscaal alhier en door den achtb: Heer Gesachebber deeser Custe Iacob Eilbracht hier toe Expres gequalificeerd, zijn voorenstaande bericht of addres voorgeleesen en te verstaan gegeven weesende, betuijgde het zelve te behelsen de suivere en opregte waarheid zonder eenige ver„ andering of bijvoeging te begeeren, merkende alleen aan dat Eerste vel 4. zeijde Laaste regel, staat pag:s 5000. -. dat weesen moet pag: 1500. — Zeggende geen Eed te kunnen doer also zulx een affront voor„ zijn

NL-HaNA_1.04.02_3974_0874 view scan ↗

English

his caste and descent is, and that he took the last-mentioned oath in the council chamber under duress, out of fear, and merely to go free. Thus done and re-examined in Fort Geldria at Palliacatta on the date aforesaid, in the presence of the Honorable Jacobus van Tessel and Jan Willem Luijken, commissioned Judicial Council Members. Was signed in Malabar characters: Wengadassalom Poele. Lower down: in my presence, signed: Jan Obdam, Secretary of Justice. In the margin: present as commissioners, was signed: Jacobus van Tessel and Jan Willem Luijken. Agreed, J. Dormieux, Sworn Clerk. 420 No. 26. To the Honorable, the worshipful Jacob Eilbracht, Senior Merchant and Governor of this Coast of Coromandel and its dependencies, etc., etc. Honorable and Worshipful Sir, Jan Willem Luijken respectfully represents: That as a member of the Worshipful Council of Justice here, during the commission for the examination of the person of Wengadassalam Poele in the case of Mr. van Bijland, held on the 14th of this month by order of Your Honor, he took note of a certain accusation brought against him, the petitioner, in a statement dedicated to Your Honor by the said Wengadassalam. Namely, that at a previous examination, at the time when inquiries were being gathered regarding Mr. van Bijland's affairs and when the petitioner also officiated as a commissioned member, he allegedly said, "Do you want to make your master honest?" That the petitioner, being conscious in his own mind that he used no such expressions against Wengadasselam, but that on the contrary he said by way of recommendation that he had to confess the truth uprightly and beware of deviating from it, whether to aggravate or lighten the case, cannot bring himself to leave this accusation, now brought to his notice, unaddressed to his detriment. Wherefore, desiring to be placed beyond all suspicion in this matter, he takes the liberty—as the commission of inquiry in this matter is not yet charged—respectfully to bring this to Your Honor's knowledge, requesting that such consideration be given thereto as may be found proper for his exoneration, submitting himself to the testimony of the then also sitting Commissioner Bloeme and the sworn clerk Richard, who at that time kept the record. Wherewith concluding, hoping to obtain favor, etc. Was signed: J. W. Luijken. Agreed, J. Dormieux, Sworn Clerk. 421 No. 27½ Whereas I have been privately informed that one Iagoe Naiker, former servant of the deceased Mr. Stoffenberg, has attempted to corrupt the conacopoly of the warehouse named Patjea Poele and the weigher Anda Chittij through threats and promises in order to cause them to revoke the declarations given by them, and has incited them to flee; and whereas the said Iagoe Naiker executed a deposition before two judicial members in the presence of the Pro Interim Fiscal Simon Duijneveld, containing in substance that the aforesaid Patjea Poele allegedly told him, Iagoe Naiker, that he had given his previously provided deposition dated April 29th of the past year out of fear that he would fall into disfavor with the Gentlemen; Therefore, I, the undersigned, find myself obliged, for the defense of the truth, to have the following interrogation points presented to the said Patjea Poele, so that he may be heard upon them by two judicial members in the presence of the Pro Interim Fiscal Simon Duijneveld, assisted by the Secretary of Justice Jan Obdam, and to have his responses sworn to within 24 hours in the most formal manner. His name, caste, age, and occupation. Answers: named Patjea Poele, of the Conacopoly caste, 32 to 33 years old, and clerk by profession. Whether he is acquainted with Iagoe Naiker, former servant of Mr. Stoffenberg. Answers: that he became acquainted with him at the time Mr. Stoffenberg was warehouse master, since he served under his Honor and the respondent was a clerk in the warehouse master's office, and that he came to know him during that time. If so, how he became acquainted and since what time. Answers: yes. Whether he, being a fluent writer, was from time to time requested by Iagoe Naiker to write an ola for him. Answers: that at the request of Iagoe Naiker he had several times written olas and letters, and that when the respondent was sometimes not at hand, Iagoe had then assigned this to the respondent's brother, Appa Poele. If so, how often he did that. Answers to Article 4: several times. Whether on such occasions some discourse occurred between the two of you. Answers: that when he was there, they often spoke about various matters, and at the time the disputes were running between the Honorable Mr. van Bijland and the gentlemen, mostly about that; that on such occasions Iagoe always brought up, saying that Mr. van Bijland had sent a vessel and power of attorney to Batavia, and that the gentlemen would thus ultimately come to an agreement, but that he, the respondent, and the other two who had testified against his Honor, would then fall into misfortune.

Dutch transcription

zijn Caste en afkomst is, en dat hij de laast gedaane Eed in de raad kaer gedwongen uijt vrees en om maar vrij te komen gepresteerd Aldus Gedaan en Gerecolleerd In 't fort Geldria te Palliacatta op dato voorsz: ter Presentie van d: E: Iacobus van Tessel en Jan Willem Luijken Gecommitteerde Justitieele Rads Leeden /:was geteekend /: in mallabaarsche Caracters /: wenga„ dassalom Poele /: Lager inkennisse van mijn /:geteekend/ J:n Obdam sect, J: / ter zijden /:ondpresent als Gecommitteerdens /: was getee„ kend /: I:s van Tessel en J:n W: Luijker. ƒ . _. Accordeerd JDormieuk Deswe. Clercq had. 420 No. 26. Aan den wel Edelen Achtbaren Heer Jacob Eilbracht opperkoopman en gezaghebber dee her Custe Cormandel met den resorte van dien etc:a, etc:a Wel Edele Achtbare Heer. vertoond mat gesaste eerbied Jan Willem Luij„ ken. Dat hij als Lid van den Achtbeeren Raad van Iustitie alhier bij Commissie van verhoor van den persoon van weng adassalam Poele in de Zaake van de heer van Byland op den 14. deezer ter ordre van uwel Edele Achtbare belegd, onder het oog gekreegen heeft zeekere beschulding van deeze persoon ten ziner vertoonens laste in een door gemelde Wengadassalam aan uwel Edele Achtbare gedediceert bericht geinsereert namelijk dat den vertooner hem by een voorig verhoor ten teijde hij wegens der Heer van Byland zaaken hier in arrat Pat en Informatien ingewonnen wierden wanneer hy meede als gecommitteerd Lid daar in va„ x ceerde zoude gezegt hebben, wil je sou Heer eerlijk maaken Dat Dat den vertooner in gemoede verzeekert weezende dergelijke spreek termen tegen hem wengadasselam niet gebruykt te hebben, maar dat in tegendeel recommandeerende „ge Tegt heeft, dat hij de waarheijd opregtelyk moeste be„ leijden, en zig wachten buijten dien te gaan het zy tot werswaar of verligting der zaaken niet van zig kan verkrijgen deeze accusatie, tans ter zijner kennisse gekomen, ongemerkt ten zijnen laste te laaten, waar dat hij begeerde hier inne buijten alle verdenking gesteld te zijn, hij de vrijheijd gebruijkt Hoog Dezelve als niet de commissie tot ondersoek in deezen gechargeerd wee„ zende, daar van Eerbiedig kennisse te geeven, met verzoek daar op zodanige reflexie te slaan als ter zyner ont„ lasting zal goedvinden te behooren, onderwerpende zig aan het getuijgens van den toen meede gezeeten heb„ bende Commissaris Bloeme, en geswooren Clercq Richard, die toen de per voerde /:onderstond:/ gunt verwervende &:a /:was getekend:/ J: W: Luijken Gggogdeerd J Dornelick Se sw: Clercq. 421 N:o: 27½ Dewijl ik van ter zijden onderrigt ben, dat Eene Iago. Kaiker. Geweesen dienaar van den overleeden Heer Hoffenberg getragt heeft den Cannacappel van het Pak„ kuijs in naame Patjea Poele en den weeger. Anda„ Chittij. door dreijdementen, en beloften te Corrumperen om de door hun gepasseerde verklaringen te doen her roopen, en hun geinciteerd heeft zig fugatief te stellen mitsgaders dat gemelde Pagoe.- Naijker. Een Attestatie voor twee Iustitieele laden ten overstaan van den Prointerinve. Fiscaal: Simon : Duijneveld: heeft gepasseerde, behelsen„ de in Substantie, dat Patjea Poele voorm: aen hem Iagoe„ Naijker zoude gezegd hebben, dat hij zijne te vooren ver„ leende Attestatie in dato 29. April: des gepasseerden Iaars. uit vreese dat in ongenade van de Heeren zoude koo„ men, hadden verleend. —. het zoo is dat ik ondergeteekende mij, tot voorstand der waerheid genootzaakt vinde, om de ondervolgende vraag„ poinctera aen Gem: Patjea Poele te laten voorstellen; om, daar op door twee Iustitieele leeden, ten overstaen van den Pointerum fiscaal Simon Duijnevelt gead sis„ teerd door den Secret:s van Justitie Ian Obdam zijne responsen bin gehoord te worden, mitsgaders nen 24. uuren te doen beedigen op de formeelste— wijze. 3 „ weesen. maar dat hij gevraagden en de andere 2: die teegen zijn Edele getuijgd hadden dan in togeval zoude raa„gevallen. „zigt Paljias Poele gent: van de kannakapel Casta Lijn naam, Casta, ouderdom en 32. â 33 aaren oud, en schrijver van handteening te handteering. 2B: Off: hij ook kennis heeft aen Iagoe Naiker geweesen Die„ dat schrijven naar van de Heer Stoffenberg, zegd haad Dat hij op versoek van zagoel Naijk verscheijdene Off: hij een vlug schrijver zijn keeren olas en brieven geschreeven had. - en dat hij gevraag„ den somtijds niet bij der hand weesende Iagdel zulx dan de, nu en dan niet eens verzogt zijn gevraagtens broeden appa Boele opgedraagen had. —. is door Pagoe Naiker om den ola voor hem te schrijven 200: Ia: hoe dikwils hij dat welgedaan heeft: zegt dat als hij daar was, zij dan wel over verscheijdene saaken ge sproopen te hebben in ten tijde de disputen leepen tusschen de Iser. bij zulke geleegentheiden Heer van Bijland en de heeren wel meest daar over dat zagoel bij die geleegendheid altoos voor quam met het zegger dat de niet het een of anders discours Heer van Bijland een vaartuijg en volmagt na Batavia gesonden had, dat dus de Heeren laastelijk wel zouden over een komen tusschen Uw beiden voor„ Alo Art: 4 gezigt verscheijdene maalen. zegt met hem in kennisse gekomen te weezen, ten teijde. 3oo Ia„ hoedanig hij inken de Heer Stoffenberg pakhuijsmeester was, wijl dee„ Dat das ze bij zijn Ede dienegde, en hij gevraagden schrijven nis is geraakten zeedert wat was in 't pakhuijsweester en dat hij in die tyd met hem. maar om in kennisse gekomen was. —. tijd Rigt Ja 3. 4. 5. 6. voo Bijland dan booden als 2 ken

NL-HaNA_1.04.02_3974_0883 view scan ↗

English

422 3 Answered on the preceding article. As above. Says that Tagoel promised him nothing, but had indeed threatened that he would see how it would turn out, as he said to him, he who belonged at home would certainly run away and thus go free. The interrogated answers to the preceding article. That Iagoel, summoning him on a certain day around that time to write something without discussing other matters, had said to him concerning his passed attestation of 29 April, that he, being a poor innocent man, both his hands if he had to write, that this would be worse if he were summoned to do so regarding these matters, and that the Gentlemen would then just punish him; that it was therefore better to prevent such that he absent himself from here for a few days. That Tagoel, after the interrogated had left, would speak with Wengadassalam, servant of the Lord van Bijland, in order to bring the interrogated back into favor with the Lord van Bijland, upon which he would go free, and the two weighers would take the blame for it. To ask what Iagoel Naijker spoke with him about that. Did Pagoel Naijker advise or dissuade him, the interrogated, anything regarding this? If yes, what did he advise him, and what dissuade? Advice. If he did not listen to his advice, that it would then go badly for him, as with Anda Chittij, and that Soupermanie, who was capable anywhere of earning his livelihood, was not as tightly constrained here; of what discourse or what promises. Has Tagoel Naijker also pressed any advice, promises, or threats? Tagoel expressly forbidding the interrogated from giving any disclosure of this conversation to Anda Chittij and Souperimanie, adding to the aforesaid that if he once suffered the shame of being punished, he would have no livelihood here anymore, whereas with Anda Chittij it was not so strictly dependent; the interrogated further saying that, although Iagoel had thus forbidden him to say anything of this conversation to anyone, he, the interrogated, had nevertheless heard afterwards that Iagoel had related it himself to Anda Chittij, as Anda Chittij had said this to him himself during the weighing of the packs, namely that Tagoel had made such threats to him regarding the giving of testimony against van Bijland. That to this entire conversation, or rather the threat, he had actually answered that he was not at all afraid, since he had witnesses or had seen it with his own eyes, and that he had also already declared proof thereof with the naming of witnesses. What did the interrogated answer to the threats or promises made? Says that Jagoel always entertained him separately about these matters, even taking him aside for that purpose when other people were with them, and that there was only once a negotiation where the Lord van Bijland's servant Wengadassalam was also present, Pagoel, having met him in the street, having brought him expressly to his house for this conference, even leading him there by the arm, when Wengadassalam was already there. Was the negotiation between the interrogated and Tagoel Naijker always done in private, or was someone present now and then? Who was present then? That when Pagoel and Wengadassalam, together with him, the interrogated, came together as stated in article 13, Iagoel had recommended the interrogated to Wengadassalam, saying that he was after all a poor and innocent man, that he, Wengadassalam, must take care not to make him unhappy; that Wengadassalam had said to Iagoel upon this: let all this go, and turning to the interrogated, had asked him: how does the matter of the copper stand? Whereupon the interrogated answered him that he had already stated this in his rendered attestation; the interrogated, without saying anything more, had stood up and gone home. Answered on the preceding article: If, as he says, Wengadassalam Poele, servant of the merchant van Bijland, advised or dissuaded him, the interrogated, anything regarding this matter. 13. 14. 15. 16. 2. 07 423 Lapses, but here the statement of Anda Chittij to the interrogated at the end of his answer to Article 11 comes into consideration. Says yes. Says that Iagoel had only told him to see to give a spin to his previously rendered declaration to prevent him from becoming unhappy, but that he does not know whether he also gave that advice to the others; but that he, the interrogated, having related Dagoel's conversation to Soepermanien, the latter, on the porch of the Lord De Raeff now about two months ago, had seriously addressed and scolded Iagoel, who was there then, about seeking to seduce people, and that Iagoel thereupon swore a kind of oath to Moetoe Moddelij, who also interfered in the conversation, that he had never spoken a word with the interrogated about the Lord van Bijland's affairs; furthermore, that Tagoel had never spoken with him, the interrogated, since that time. Could the interrogated also state whether Tagoel Naijker had sought to persuade others to revoke any declaration? If yes, who are those persons whom Naijker approached for that purpose? 17. 18. Whether his given answers contain the truth, and whether he can confirm the same by oath. Done at Palliakatta the 11th of February 1791. De Raeff signed: Jacob Sam Today, the 12th of February 1791. Appeared 16

Dutch transcription

422 3 Beeantwoord of het voorgaand articul. Als even. zegt dat Tagoel hem niets beloofd, maar wel gedreijgd had, dat zoude afloopen, zoo als hij zeijde te zullen hunnen zien hoe het te huijs hoorde, wel zoude wegloopen en zoo vrij ko„ De B. antw: op het voorgaande articul. —. omtrend gt hij Dat Iagoel hem in die tijd op zeeker dag ontbiedende om iets te Loo schrijven zonder over andere zaaken te vepreekken, teegen hem ge en derweegens Ge zijne N9. zegd had Dat hij een arm onnozel man weesende, en zijn hand beijde passeerde Attestatie van als hij moest schrijven dat dit slimmer zoude weesen wanneer hij ont„ booder wierd om sulx te doen weegens deese zaaken, een dat de Heeren hem dan maar straffen zoude, dat het den halven beter was om sulx voorte den 29 April hem dan komen dat hij zig voor eenige Daagen van hier absenteerde. —. dat hij zig Tagoel na, dat den gevraagden was weggegaan, met wenga„ vragen wat Iagoel Nai„ bassalam dienaar van de Heer van Bijland spreeken zoude, te om hem gevraagden weder in de qultst te brengen bij de de Heer van ker daar over met hem Bijland als wanneer hij vrijraaken, en den twee weegers en voor op draaijen zoude. —. gesprooken . Heeft Pagoel Naijker. hem geinterrogeerden hier omtrent iets aan of afge„ raaden. Zoo. Ia. wat heeft hij hem aengeraeken, en wat afgerae=„ den Raad. zoo hij na zijn raad niet hoorden, dat het dan qualijk met hem heeft- Tagoel ƒ— Eenige zou gaan met andar Chittij, en dat soupermanie die tog overal ook aengedronge bequaam was zijn brood winning te hebben, en hier ook niet welk discours off: waer Loo. Ia. gesproo N over ist het ƒ ken. men. beloften ƒ „nen verbie dende Vagoel hem gevraagden wet Expres van beloften, of bedreijgingen. — dit gesprek geene opening te geven aan Anda Chittij en souperi„ manie en voegdener nog bij van gesz: dat soo hij eens deschande onderging van gestraft te worden, dat hij hier geen brood winning meerden hebben zoude, daar dit met anda Chittij er niet zod nauw op aan quam zeggende den geinterrogeer„ der verder dat daar Iagoel hem zoo verbooden hadt van dit gesprek aan niemant iets te zeggen hij geinterrogeerden daar na egter vernoomen had dat Iagoel het selver aan anda Chittij had verhaalt, also anda Chittij hem dit zelver onder het. Pakken weegen gezegt had namelijk dat zagoel hem zulke be„ dreijginger had gedaan weegens het geven van getuigenis tee„ gen van Bijland. Dat hij op dit geheel gesprek of de bedreijging eij„ wat heeft den geinterrageer„ genlijk geantwoord had, dat hij in 't geheel niet, bevreest, was wijl hij mits getuijge had of hij had het met oogen ge„de op de gedane bedreijgingen sien, en dat hij zulx ook beweest bereets ver„ 33 klaard had met opnoeming van getuijgen of beloften geantwoord. regt dat Jagoel, hem altoos afzonderlijk over deeze, zaa„ hen onderhield, zelf dat hij hem daar toe wel apart„ I. de onderhandeling van den nam als er ander menschen bij hun waaren en dat er maar eens een onder handeling geweest is, waar hij nog des Heer geinterogeerde, en Tagoel Nai„ van Bijlands dienaar wengadassalam was hebbende Pagoel die hem opstraat onmoetede, hem tot deese Con„ ferente Expres aan zijn huijs gebragt zelfs bij de arm ker. altoos onder vier ogen daar na toe brengende, als wanneer wengadassalam geschied, of was er nu, en dan iemand. bij. —. Dat toen Pagoel en wengadassalam nevens hij geinter, zoo hij zegt wengadasselem rogeerden als bij art: 13 vermeld staat bij den anderquaa„ men Iagoel der gevraagden aan wingadassalam had gerecom„ mandeerd onder het seggen dat hij tog een arm en onmooseh Poele dienaar van den man was, dat hij wangadassalom moest sorgen van hem niet ongelukkig te doen worden dat wengadassa„ koopman van Bijland, hem lom daar op gesegd had teegen Jagoel laat dit alles gaan„ en hem tot den gevraagden keer dede hem gevraagd hadt, Hou„ dan te vraagen wat die den taat het met de zaak van het koper dat den geinterrogeer„ den hem daar opgeantwoord hebbende, dat hy dit bereets geinterrogeerde omtrend deeze opgegeven had bij zijn verleende attestatie hij ge=„ vraagden sonder ilte meer te seggen opgestaen e en zaak had. aen. of- afgeraden. haar gegaan was. op het voorgaande articul beantwoord: Wie is er dan bij geweest—. 14. 16 daar reeds was. 1.5. 13. 2. 07 423 Vervalt, dog komt hier in aanmerking het gesegde van Tegt Ia. —. zegt dat Iagoel alleen, teegen hem gezegt had, om sien een draaij aan zijn t vooren bereeds verleende ver soude den Geinterrogeer„ klaaring te geven tot voorkoming dat hij niet ongelukkig „vierd, maar dat hij niet weel of hij ook die raad aan de „ de ook kunnen Leggen dere gegeven heeft dog dat hij geinterrogeerden het gesprek. van Dagoel aan Soepermanien verhaalt, hebbende, die„ de op de stoep van de Heer De Raeff nu nagisling twee of Tagoel Nacker ook maanden gelieden, Iagoel, die daar toen was, hier over. — ernstig onderhouden en uijtgescholden had voor de over andere heeft zoeken over het soeken verleijden van de menschen, en dat Iagoel daar op teegen moetoe moddelij die zig meede met „ 2d: p„ te haalen tot het her saan het gesprek bemoeijde een zoort van Eed gedaan had, dat woort met den geinernogeerden over des Heer van Bijlands coepen van Eenige ver zaaken gesprooken hadde, voorts dat sogoel sedert die tijd nooit met heu geinerogeerden meele gesproo„klaaring. —. kee had. —. L00. Ia welke zijn die perzoo„ Anda Chittij teegen den geinterrogeerden in 't laast van nen die hij naiker daer toe zijn antw=d op Art: 11. —. aangezogt heeft 18. Off zijne gegeevene antwoorden de waarheijd behelzen, en off: hij dezelve met Eede kan bevesti gen Actum Te Palliakatta den 11 feb: 1791. De Raeff: /:was geteekend. / Iacob: Sam„ O Huijden Den 12. Februarij 1791. 37. Compareerde 16 - ƒ

NL-HaNA_1.04.02_3974_0886 view scan ↗

English

Appeared before the undersigned members of the Court of Justice of this Government the native mentioned in the above articles by name of Patjea Poele, who, at the requisition of the interrogator mentioned therein, in the presence of the Honorable Simon Duijnevelt, acting pro interim in the office of fiscal here, having been heard on the above questions, answered thereto as is made known in the margin of each. Thus done, asked, and answered in Fort Geldria at Palliacatta on the date aforesaid, in the presence of the Honorable Jacobus van Dessel and Jan Willem Luijken, commissioned members of this Council, through the interpretation of the messenger Willem Heijman. Below stood some Malabar characters for the signature of the interrogated Batjia Poele. In the margin stood: Present as commissioners, signed: J:s van Tessel, and J:n W: Luijker. Lower stood: In my presence, signed: J:n Obdam Sec: J:s. Extracted, W Dormnieuk, Sworn Clerk. 1. 35. 424 For the Company. L: S: First Sworn Clerk Jan Obdam. Being properly assisted, you shall betake yourself to Mr. Willem Hendrik Graef van Bijland, and in my name and as commander on behalf of the General Dutch East India Company, insinuate and present to his Honor the following passage from the memorial submitted by his Honor against the report of the office of the fiscal, under date of the 29th of the month last past, reading verbatim as follows: "Certainly the letter of the 26th of February is strong but appropriate, and with that resolution that befits a well-meaning, faithful Company servant, who has taken but one oath to serve his lords and masters faithfully, and he saw before his eyes the unfaithful, careless malversations increasing from hour to hour, with the most dangerous consequences for the Company's interests, yes, even that Mr. Tadama, by conviction in his mind, already shipped off his most precious goods by night and at improper times to Tranquebar, without that being prevented by a faithful, well-meaning servant of the Company, and that at a time when I was convinced that he must count back more than 40 thousand pagodas into the treasury, if everything is checked as it ought to be; I was not asked or consulted, although being the one who brought these profits to the Noble Company, along with the discovery of the same, yes, even the way and manner how it could be discovered in the most proper manner." Ask his Honor for proof concerning the embezzlement and shipping off of goods by Mr. Tadama to Tranquebar. 2. Item, on what grounds that gentleman must reimburse more than 40,000 pagodas into the Company's treasury. 3. And what he, the gentleman served with this insinuation, means by saying, "I was not consulted," and whether his Honor thinks that I ought to have asked his advice on how to act with Mr. Tadama. 4. What his Honor has discovered to the charge of Mr. Tadama beyond the questionable account with the merchants, and whether from that must be found the profits that he, the gentleman served with this insinuation, believes to have brought to the Honorable Company. And whereas his Honor in an earlier writing under date of 6 January 1791 indicates that he will not take over his goods still present at Jaggernaijkpoeram before the same shall have been examined by the new commissioners upon my order to his satisfaction and justification; you shall have to remind the gentleman served with this insinuation of the resolution of the 9th of November last given to his Honor in extract, and ask: 5. Who has qualified his Honor to attend that examination on his behalf, just as was done here with his papers, and to take over whatever shall be found there, without prejudice to his sustained right and action for compensation of the damage to institute it as shall be deemed advisable, referring myself to that end in general to the extract sent to his Honor from the separate resolution of the 10th of December 1790. Whether any more attachments belong to the aforesaid accounting than those mentioned on the accompanying register from No 1 to 16; if so, that his Honor please add them thereto, close the register, and sign it, as well as hand over the one and the other to you, and conclude the matters for the present with this, while the documents that might arrive in the meantime from Jaggernaijkpoeram may be added thereto and made known with a note or appendix to the register. Demand a clear and distinct answer to the one and the other, and in case of refusal thereof, protest against the exception of non-communication, and all consequences thereof. Allow the gentleman served with this insinuation, if his Honor desires it, a copy of this at his reasonable expense, and summon him at the same time to answer within three times twenty-four hours, or that in default thereof it will be his fault for not having given sufficient elucidation for the necessary settlement of affairs. Palleakatta, in Fort Geldria, the 11th of February Anno 1791. Signed: Jacob Zilbracht. Date as above, I, Jan Obdam, First Sworn Clerk of Police, and in that capacity qualified and sworn to make and pass all notarial acts, betook myself with the witnesses to be named hereafter to Mr. Willem Hendrik Graaf van Bijland, and presented to him the preceding insinuation, whereupon, after reading the same, he expressed his astonishment, stating that he could not close the register, because he did not yet have all the proofs together, and especially not those that he expected through the channels of your Right Honorable Worships from Jaggernaijkpoeram; and after I, First Sworn Clerk, on account of this refusal, had protested against the exception of non-communication, and had tendered to his Honor

Dutch transcription

Compareerde voor de ondergeschreevene Leeden uijt den Acta Raad van Justitie deezes. Gouvernements den Inlander en boven staande, Articuleu vermeld bij name Patjea, Poele de welke ter Requistie van den daar verwelde bij hur Jnterrogant, teee overstaan dan d' E: Simon Duijnevelt, als waarneemende Prointerum het Ampt van fiscaal alhier g hoord weesende op de bovenstaande vraagen, daar op 3oodanie antwoorde als in margine van ieder is bekend gesteld. —. Aldus Gedaan gevraagt en beantwoord In 't fort Seldria be Palliacatta op dato voorsz: ter Presentie van d' E: Jacobu van Dessel en Ssau Willem Suiken gecommitteerde sus Raads leeden door vertolking van de Boode Willem Heij man. . /:onderstond /: eenige Mallabaarse Caracteur voor de Handtekening van den geinterrogeerden Batjia Poele /: In margine /: ons Prezent Als gecommitteerdens : /: was ge teekend:/: J:s van Tessel, en I:n W: Luijker /: Lager /: Inkennisse van mij /. Geteekend /: I=n Obdam Sec: J:s. Echrcteerd W Dormnieuk Geper Clerq. 1. 35. 424 voor de Comp: L: S: Eerste geswoore klerk Ian obdam. . UE: zal behoorlijk geassisteert, u vervoe„ gen bij den heer Willem Hendrik Graef van Bijland, en zijn Edele uijt mijne naam en als gezaghebber van wegen de ge„ neraale Nederlandsche oost Jndische com„ pagnie, insuniando modo voorhouden de ondervolgende passage uijt het door zijn E: tegen het bericht van het officie fiscaal; in gedient vertoog, sub 29. der Jongst gepas„ seerde maand, luijdende woordelijk aldus. „zeekerlijk is de brief van den 26. februarij „sterk maar gepast, en met die Cordaat„ „heijd die betaamt aan een welmeenent „trouw Comp: dienaar, die maar eenen „ Eed gedaan heeft van zijne heeren en „meesters trouw te dienen, en hij sag voor „sijne ooge de ontrouwe sorgeldose mal„ „ versakien van uur tot uwr toeneemen, „ met de aller gevaarlijkste gevolge voor „compagnies belangens, Ja selfs dat de „heer Tadama door overtuijging in zijn „gemoed reets zijne kostbaarste goederen „bij nagt en onteijden afscheepten naar No 76. Tranquebar No: 28. „Tranquibar, sonder dat hem dat door „ een trouw welmeenent dienaar van „de comp: belet wierd, en dat op een teijd „dat ik overtuijgt was dat hij meerder „ als 40. duijsent pag: in cassa moet te „rug tellen, als alles nagegaan word, „zoo als het behoord, ik ben niet ge„ „vraagt of geconsulteerd hoe wel den gee„ „nen die deeze profijten aan de Edele Com„ „pagnie toegebragt heb, met de ontdek„ „king derselver, Ja selfs de weise en manier „hoe het op de geschikste weijze te ontdek„ „ken zoude zijn. — Vraagt zijn Edele om bewijs wegens het ver„ duijsteren en afscheepen van goederen door den heer Tadama naar Tranquebar. 2/ Jtem, uijt wat hoofde dien heer meer als 40'000. pagoden in 's Comp:s cassa moet rembour„ seeren. 3/ en wat hij heer geinsinueerde verstaat, door te zeggen, ik ben niet geconsulteert, en of zijn Ed: vermeent, dat ik hem advies had behoo„ ren te vraagen, hoedanig met de heer Tadama te handelen. 4:/ Wat 1. 26 425 4./ Wat zijn Edele ontdekt heeft tot laste van den heer Tadama buijten de bedenkelijke ree„ kening met de kooplieden, en of daar uijt zullen moeten gevonden worden de profij„ ten, die hij heer geinsinueerde vermeent d'E: Comp: toegebragt te hebben. En vermits zijn Edele bij een vroeger ge„ schrift sub 6. Januarij 1791. te kennen geeft, zijne te Jaggernaijkpoiram nog aanweezigen a goederen niet te zullen overneemen voor „dat dezelve tot zijne satisfiactie, en Justi„ „ficatie door de nieuwe gecommitteerden ƒ „op mijne ordre zullen geexamineert zijn; zal uE: den heer geinsinueerde moeten herinneren aan het zijn E: in Extract af„ gegeeven besluijt van den 9. november laast„ leeden, en afvraagen. - 5/ Wie zijn Edele heeft gequalificeert om die Examinatie, even als alhier met zijne Papieren geschiet is, zijnent wegen bij terwoo„ nen, en om het geen ter gevonden zal worden, overteneemen, onvermindert zijn gesusti„s neert recht en actie van vergoeding van te schaade om die te institueeren, zoo als te raade zal worden, mij ten dien fine in het generaal generaal referreerende aan het zijn Edele meede gezonden Extract uijt de aparte re„ solutie van den 10: december 1790. Of er tot de voorsz: verantwoording nog meer bijlaagen behooren, dan die vermelt staan op het nevens gaande register van N=o 1. tot 16. ; zoo ja, dat zijn E: die ter gelieven bij te voe„ gen, het register te sluijten, en te tekenen, mitsgaders het een en ander uE: te overhan„ digen, en de zaaken voor tegenwoordig hier meede te fineeren, kunnende de stukken die intusschen van Jaggernaijkpoeram mogten inkomen 'er bij gedaan en met een Nota of ampliatie bij het register bekent gesteld woor„ den. Vraagt op het een en ander duijdelijk en distinct antwoord, en bij weijgering van dien protesteer tegen de Exceptie nan Communi„ catione, en alle de gevolgen van dien. Laat den heer geinsinueerden, zoo zijn E: het begeert van deeze ten zijnen reedelijke kosten copij, doen sommeer hem tevens om bin„ nen drie maal vier en twintig uuren te ant„ woorden, of dat bij manquement van dien het zijne schelt zal zijn tot de nodige be„ „zechting 426 „regting van zaaken geen voldoende Elu„ cidatie te hebben gegeeven: Palleakatta Jn het Fort Geldria Den 11. Februarij A:o 1791. /:was geteekend:/ Iacob Zil„ bracht; Dato ut supra, hebbe ik Jan obdam, Eerste geswooren klerk van Politie en in die hoeda„ nigheid gequalificeerd en beëëdigt tot het maa„ ken en passeeren van alle Notarieele acten, mij met de natenoemene Getuijgen vers„ voegte bij den heer Willem hendrik Graaf van Bijland, en hem de vooren staande Jn„ sinuatie voor gehouden, waar op hij na het afleesen van de zelve zijne verwondering betuijgde net teleggen, dat het Register niet af sluijten konde, wijl nog alle de be„ wijzen niet bij den anderen had, en voor al niet, die hij door weegen van uwel Edele acht= baare van Jaggernaijkpoeram verwagte, En na dat ik Eerste geswooren Clercq weegens dit refus hadde geprotesteerd van de Exceptie non Communicatione, en zijn Edele hadde gepresenteerd

NL-HaNA_1.04.02_3974_0894 view scan ↗

English

a copy having been presented to reply, the notified gentleman requested such from me and promised to reply within three times twenty-four hours, which copy I delivered that very same evening; shortly thereafter, his Honour requested from me the register offered for closing, and I handed the same to his Honour myself, whereupon his Honour promised to close the same. I report this to be my true findings; Done Palliacatta In fort Geldria in the presence of Dirk Collet and Paulus Godefridus Hart, Clerks at the secretariat here as witnesses, was signed: J=n Obdam First Sworn Clerk, In the margin: Present before us signed: H=k Collet, and P: G:s Hart. — Agreed H Lichart Clerk 3 ADTregoor Examined V 2 427 For the Honourable Company No 77: Today the 14th February 1791: Appeared before me, Jan Obdam, First sworn clerk of Police and in that capacity qualified and sworn to make and pass all notarial acts, present the witnesses to be named hereafter: the Lord Willem Hendrik Count von Bijland, who, in response to the notification served upon him on the 11th of this month registered in the Protocol under No 76, handed to me the following articles written and signed by his Honour's own hand; reading as follows. - The undersigned was already aware of this in his imprisonment at Jagernijk, and believes it requires no further proof than by common rumor, and that he already communicated it months ago to the Lord Commander, who will have conducted the necessary inquiry into it, or is yet to do so. Yes, 40,000 pagodas and more, but the undersigned intends to prove this and L. S. 1: 2: and clearly demonstrate where he shall deem proper, or rather when he shall have experienced that he is maintained as a champion of the Company's precious interests; whereas at present he still undergoes nothing but affronts for his faithful services, yes, even out of service, salary, or board money, or any maintenance as a reward for his discovery that the Coast of Coromandel was soon to be ruined without those effective measures that are presently being undertaken. I was not consulted, and so forth, By that, the undersigned means that it would have been proper to have been consulted not as to how to deal with Mr. Iadama, which is quite indifferent to him, as holding his recourse against the Council of Paliacatta and those who have acted with tardiness or neglect therein, but rather to help promote the Company's interests as the initiator and the zealot; moreover, the undersigned believes he furnished such essential points to the Lord Commander out of friendship and faithful devotion, to support his Right Honourable and at the same time to give proof of his knowledge in the affairs of this Coast, which could not be expected from his Right Honourable, who arrived here recently and is surrounded by enemies and unfaithful servants, both whites and blacks; secondly, the Lord Commander would then have been too easily informed of how matters stand with the merchants of Nagapatnam at the surrender of the place to the English, and particularly how matters stand with Ankim Pattawierama Naiker, merchant and brother-in-law of the Company's Interpreter, and who performed that service at that time, and thus both are liable; those people still have to account for upwards of ten thousand pagodas to the Honourable Company for heelij and Caljatoerhond, etcetera, etcetera. The above-mentioned merchant has carefully kept himself absent under the territory of Mr. Blaukamer and Tadama, but now traverses the Company's territory again. This is answered under article two, but he repeats his statements from previous papers not to venture out into the open again for the present by making new indications toward the promotion and further restoration of this Coast, having already lost his health, honour, name, reputation, and fortune thereby, which by no means encourages, and that without the least hope of redress in his affairs; one ought to assume that when the Company's enemies are suspended and fall, whom he has pointed out, he ought to rise, but no, the guilty and the innocent are equally rich. - Acknowledges having received the extract, and requests that if any suspicion remains that there was copper with it, then to have the same goods brought forward here to be examined by his Right Honourable in his presence, if they are to be shipped off by the commissioners, who took possession of, arrested, and secured the same without him or his people, as also the timbers that were already arrested on the 24th or 25th of March to the great damage of the undersigned, as can be seen from the protest of the 16th of July; all this without prejudice to his maintained right and action to be indemnified and held harmless for what is missing or spoiled; the vessels are and remain at the responsibility of those who arrested the same, so illegally as well as unlawfully. The undersigned must close and sign the register, but reserves his protest that those people who ought to have given information did not appear to prove all his accusations against the chiefs, although the undersigned has already listed the same in his letter to the Lord Commander written in the month of October from Jagernijk. Palliacatta fort Geldria the 14th February 1791: was signed: W: H: G: van Bijland: The Appearer requesting this to serve, and together with the Register also handed to me and mentioned in the aforesaid notification, closed and signed under today's date, to deliver where it belongs, and to draw up an act thereof, which is this present one. Thus Done and Passed in the 6. 10

Dutch transcription

gepresenteerd Copij om te antwoorden, ver„ sogt den heer geinsinueerde mij sulx, en beloofde binnen drie maal Vier entwin„ tig uuren te antwoorden, welk Copij ik nog dien zelven avond geleverd heb; kort hier na heeft zijn Edele van mij gevraagt het ten afsluijting aangebodden register, en heb ik dat zijn Edele zelve overhandigd, als wanneer zijn Edele beloofde het zelve te zullen afsluijten. Relateere dit te zijn mijn weeder waaren; Actum Palliacatta Jn't fort Geldria in Presentie van Dirk Collet, en Paulus Gode„ fridus hart, Clercquen ter secretareij alhier als getuijgen, /:was geteekend:/ J=n Obdam E: G: Clercq, /:Jn margine:/ ons Present /:ge„ teeken:/ H=k Collet, en P: G:s Hart. — Accordeerd H lichart Cluk 3 ADTregoor Nagezijen V 2 427 Voor dE. Comp: N 77: te Heeden Den 14: Februarij 1791: Compareerde voor mij Jan Obdam, Eerste geswoore klercq van Politie en in die hoeda„ nigheijd Gequalificeerd en beëëdigt tot het maaken en passeeren van alle notarieele Acten, present de na te noemene getuijgen: de von Heer Willem Hendrik Graaf, Bijland, de„ welke in antwoord van de op den 11: deeser aan hem gedaane insinuatie onder N:o 76. ten Protocolle geregisteerd, mij ter handstel„ „de de ondervolgende door sijn E: eijgenhan„ dig Geschreevene en geteekende articulen; luijdende als volgt. - Den ondergeteekende was dit reets bewust in zijne gevangenschap op jagernijk, en vermeent het niet naader te beweisen, als door 't algemeen, gerugt, en dat hij het den Heere Gezaghebber reeds maanden geleeden, bedeelt heeft, die daer zeeker noo„ dige ondersoek na zal gedaan hebben, of nog staat te doen. Ia 40'000. pag: en meerder, maar den tee„ kenaer vermeent dit te sullen beweisen en L. S. 1: 2: en klaer aantoonen daer sal meenen te be¬ hooren, dan wel wanneer hij ondervonden zal hebben, dat hij gemaintineerd word als een voorstander van Compag: Dierbaene belangens; terweil tans nog voor zijne trouw dienste niet als affronten ondergaat, Ja selfs buijten dienst, gagie of kost gelt of eenig onderhoud tot eene belooning van zijne ont„ dekking, dat de Cust Cormandel wel haest te grond stond te gaan sonder die éficacieu„ se middelen, die tans bij de hand genoomen worden. Ik ben niet geconsulteerd, en zoo voorsz, Daer verstaat den teekenaers door, dat het gevoegt soude zijn geweest om geconsulteerd te zijn geworden niet hoedanig met de Heer Iadama te handelen, dat hem zeer om 't eeven is, als houdende zijn garand op dee Paliacatsen Raed, en die daer traag of verzuijm in gepleegt hebben, maar wel om Compagn:s belangens te helpen bevorder als den aanleider, en den eijveraer, daer en booven vermeent den Teekenaar sulke essentieele pointen aan den Heer gesagheb„ ber gesupediteert te hebben, uijt vriendschap en trouwe sugt, om zijn Edele agtb: te onderschray 3: 428 2 blijken onderschragen en teffens ^ te geeven van zijne kennis in saaken deeser Custe, die men niet overwagten kon van zijn Edele agtb: die taerond: hier gekoomen is en omvingt van veijanden en ontrouwe Dienaeren, zoo wel blancken als swarste; ten tweeden, had als dan den Heer gezaghebber te licht onderrecht zijn gewor„ den, hoe het gesteld is met de kooplieden van Nagapatnam, bij de oovergaaf der plaats aan de Engelsche en wel voornamenlijk hoe het geleegen is met ankim Patta wierama Naiker, koopman en swaager van Comp:e Tolk, en op die leijd die dienst waernam, en dus beijde aanspreckelijk, die menschen moeten nog ruijm tien duijsent pag: aan de Edele Comp. verree„ kenen voor heelij en Caljatoerhond, &: &: Die boove gemelde koopman heeft sig sorgvuldig absent gehouden, onder het gebied van de Heer Blaukamer en Tada„ „ma, dog bewandelt comp:s territoir tans weeder Dit is beantwoord bij artikel twee, maer herhaald zijne gesegdens bij voorige pa„ pieren van sig nog voor eerst niet weeder op de vlak te te gegeeven, met nieuwe aan weiling aanweising te doen, tot bevordering en verder herstel deeser Custe, als hebbende reedts mijne gesondheijd, Eer, naam, reputatie en fortuijn daer bij verlooren, dat geensints aanmoedigt, en dat sonder 'er nog de minste hoop van redres in zijne saaken, diende men te ver„ onderstelken als Compagn: veijanden gesus„ pendeert worden, en vallen die hij aange„ toont heeft, dienende hij op te staan, maar neen, de schuldigen en ondschuldigen zijn eeven rijk,— bekent het Extract ontfangen te hebben, en versoekt, dat als 'er eenige suspitie overblijft, als daer kooper bij was, om als dan de selve goederen hier heen te doen voorkoomen, om door zijn Edele agtb: ten zijnen overstaan geexamineerd te worden, zij dien de door de gecommit„ teerdens afgescheept te worden, die de selve buijten hem of zijn volk overgenoo„ men, gearesteerd en geborgen hebben- als ook de Houdwerken die op den 24: of 25: maart reedts gearesteerd zijn geworden tot den Teekenaers zijn groote schaade als te sien is bij het protest van den 16: Julij, dit alles onvermindert zijn gesus 5: 429 gesustineerd recht, en actie, voor het te min of bedorvene, kost en schadeloos gesteld te worden, de vaartuijgen, zijn, en blijven voor verantwoording der geene, die de selve gear„ resteerd hebben, zoo ilegaal als onwettig. Den teekenaer moet het register sluijten en teekenen, maar reserveerd zijn protest dat die lieden dewelke condschap had„ den moeten geeven, niet opgekoomen zijn, om alle zijne beschuldiging teegens de opperhoofden te beweesen, Hoe wel den teekenaer deselve reeds opgegeeven heeft in zijn brief aan den Heer gesaghebber van de maand October van Jagernijk ge„ schreeven. Palliacatta fort geldria den 14: Febr: 1791: /:was Geteekend:/ W: H: G: van Bijland: versoekende den Comparant deese te die„ nen en neevens het mij meede ter handge„ stelde Register in de voorsz insinuatie ver„ meld, onder heedigen datum afgeslooten en geteekend, te overhandigen daar het behoort, en om daar van te maaken ac„ te het welk is deese-. Aldus Gedaan en Gepasseerd in't 6. 10

NL-HaNA_1.04.02_3974_0902 view scan ↗

English

Fort Geldria at Palliacatta, date as aforesaid. In the presence of Dirk Collet and Paulus Godefridus Hart, clerks at the secretariat here, as witnesses. Was signed: In Obdam, Rg Clerk. In the margin: Present with us. Signed: D:k Collet and P:s G:s Hart. Agrees. H. Hichard, Clerk. Aforesaid. F 1. 32. Examined: A. V: Bregoot. 1. 338. 430. I, the undersigned, acknowledge to have received by order of the Government here from Mistress the widow Stoffenberg four pieces of warrants; namely: three pieces chargeable to the deceased overseer of the works, Mr. Adam Godlieb Flenck, amounting to: 1: amounting to Pagodas 2606. 13. 50. 1. ditto 327. 25. —. 1. ditto 79. 4. 40. One ditto chargeable to the lessee Ian Steens, amounting to 518. 12. 35. Wherefore I grant this as a receipt. Palleakatta, the 26th of April 1790. Signed: I: I: Hasz. Lower: Collated, agrees with the original shown to me, Palleakatta, the 26th of January 1791. Signed: I:n Obdam, first sworn Clerk. Agrees. D. Cormieuk, Deputy Clerk. No. 29. 432. 431. No. 30. Policy of the remaining stamped paper, which according to the booklet is surrendered, namely: 7 sheets of 10 Rix-dollars 8 ditto of 5 ditto 24 ditto of 4 ditto 24 ditto of 3 ditto 45 ditto of 2 ditto 67 ditto of 1 ditto 209 ditto of 24 stivers 24 ditto of 12 ditto 252 ditto of 6 ditto Palleakatta, the 17th of August 1789. Underneath stood: written by the Honorable Mr. Tadama's own hand: No. 3: One sheet of one Rix-dollar was found short in the transfer. Signed: N: Tadama. Lower: Further transferred: The large cash books of the years 1785/6, 1786/7, 1787/8 closed, and 1788/9 current. The bundles of receipt and expenditure warrants belonging to the said cash books. The receipt book to the same effect. The extract cash book ditto. The bundle of the account of stamped paper, together with the remainder of the said papers, and the small box with 15 silver seals according to the annexed note of the 16th of December 1788. The bundles of the bail bonds, receipts, acquittances, etc., concerning the interests of the Noble Company. Palleakatta, date as aforesaid. Signed: N:s Tadama. Lower: Collated, agrees with the original shown to me, Palleakatta, the 26th of January 1791. Was signed: I:n Obdam, first sworn Clerk. Agrees with it. J. Vermieuk, Sworn Clerk. 67. 432. Extract from the separate Resolution taken in the Council of Coromandel. Thursday the 30th of September 1790. Whereas the matters concerning the merchant Van Bijland have since been handled by separate resolution, and by that of the 12th of March the placing under arrest of his person, etc., at Iaggernaykpoeram was decided upon, regarding which the incoming Lord Governor declared himself in writing to the Council today: it was consequently understood to insert that writing into this separate Resolution; reading as follows: Insertion. With regard to the proposals made therein, such decisions were made as were dealt with in detail in the general Resolution of today, of which it was also deemed proper to make this note here. Extract. La 2. E. Wednesday the 27th of October 1790. Extract from the Separate Resolution taken in the Council of Coromandel. Regarding the defense of the commissioners with respect to the complaint by the designated Chief Van Bijland concerning the nature and manner of the arrest placed on his person and property, likewise his refusal to take back the latter as has already been offered to him, it was understood to reply: that when the said Van Bijland shall have arrived here, and his grievance, which may well extend further, shall have been heard, one will then, seeing what he alleges and what he proves, be able to judge better than now what ought to be done therein; further noting that the commissioners were not ordered to demand proof from him, Van Bijland, as their letter of the 14th of this month and the report received alongside it dictate, but rather that they could inform him of the commission of the Noble High Indian Government to the Honorable Lord Governor, to ask him for the proofs of his accusations, and that if he deemed it necessary to obtain or require any, they would assist him therein if he so desired, nothing more; the said Honorable Lord making known to the Council that he had to make this remark on account of the complaint made privately to his Honor by the aforesaid Van Bijland regarding the refusal given to him of a statement of the debts as well as the status of the large and small cash boxes, which he considers an indication of partiality, and that it was therefore not possible for him to gather proofs; consequently authorizing the said commissioners to justify themselves with regard to this accusation in the report, although this assembly must be surprised that they made no mention in their letters of the aforesaid request made by Van Bijland and refused. Extract from the Separate Resolution taken in the Council of Coromandel. Friday the 29th of October 1790. By session of the 12th of March last, the fiscal office here, Broerius Brouwer, having been instructed to proceed against the designated Chief of Iaggernaykpoeram, the merchant Willem Hendrik van Bijland, and his servant Wengadassalam Poele, according to the laws and the Articles of War, and this for reasons described at large in the aforesaid Resolution, without this having had any result as of yet, or any action against either of them having been established in court, as the Lord Governor declared to his Honor from the matters in the previous month.

Dutch transcription

fort Geldria te Palliacatta dato voorsz: ter Presentie van Dirk Collet en Paulus Godefridus Hart, Clercquen ter secretarij alhier als getuijgen /was geteekend:/ In obdam Rg Clercq: /In margine /ous Present /Geteekent:) D:k Collet en P s G:s Accordeerd H. Hichard Clerk Hart: oorsz: F1 lus M 32 Nagezider A V: Bregoot O 1. 338 430 Ik ondergetekende bekenne uijt last der Regering al„ hier van Mejuffrouw de weduwe Stoffenberg ontvan„ gen te hebben vier p. s ordonnantien; als drie p. s ten laste van den overledene opziender der werken den Heer Adam Godlieb Flenck, als 1: Groot. . . . . - - - - - - - Pag: 2606. 13. 50. Een dito ten laste van den pagter Ian steens groot - - _ _ _ _ _ - - - - - „ 518. 12. 35. ou Des deeze tot quitantie verleene Palleakatta den 26:e April 1790. /:getekend:/ I: I: Hasz: /:lager :/ gecollationeerd, Accordeerd met het mij vertoonde Origineel Palleakatta den 26=e Ianuarij 1791. /getekend:/ I:n Obdam E: g: Clercq. 1. do - - - - - - - – – – - „ — 32725 —. 1. do. . - - - - - - - - - - - - „ 79. 4. 40. Accordeerd D Cormieuk Depr Clercq. 8 - No. 29. 432 431 No. 30. 7. vellen van 10. Rijxdaalders do 8. d. o „ 5. d. o „ 4. „ 24. „ 3 „ 3. „ 24. „ „ 2. 45— ƒ „ „ 67. . „ 209. - - „ „ 24. stuijvers 24. . . „ „ 12. d. o 252. . . „ „ 6. d. o Palleakatta den 17. augustus 1789 /:onderstond: eijgenhandig door den Achtbaren Heer Padama geschreeven:/ No 3: Een vel van Een rijxdaalder is de overgave te min bevonden /:getekend :/ N: Tadama. lager Nog over getransporteerd De groote kassa boeken d' Ao 1785 7/6, 178 6/7. 178 5/8. ge„ slooten, en 178 8/9 loopende De ontvang en verstrek ordonnantie bondels gehooren tot „gemelde kassa boeken. Het quitantie boek ad jdem Het Extract kassa boek d„o De bondel van de reekening van gestempeld, nevens het restant van gemelde papieren, en het kasje met 15. zilvere Politie van het Restant segul papier, dat volgens boekje overge„ „geven word te weeten d=o „ s d„o zegels volgens annexe notitie van den 16. december 1788 Dee bondels van de borgtogten, quitantie, recipissen ensz: Con„ cerneerende de belangen der Edele Maatschappij.— Palleakatta dato voorsz: /:getekend:/ N:s Tadama /:lager :/ gecollationeerd Accordeerd met het mij vertoon„ de Origineel, Palleakatta den 26. Ianuarij 1791. /:was getekend:/ I:n Obdiam E: g: Cleecq. Accot der dot J Vermieuk Gehve: Clercq 67 432 Extract uijt de aparte Re„ solutie genomen in Raade van Cormandel Donderdag den 30.: September 1790 Nademaal de zaaken met den koopman van Bij„ land zeedert by aparte resolutie zyn verhandelt en bij die van 12. Maart gearresteerd is, het ver„ leenen van arrest op desselfs per zoon enso: te Iaggernaykpoeram, waar over de Heer aanko„ mende gezaghebber zig heeden aan Raade schrif„ telyk verklaarde: Zoo is, als een gevolg van dien verstaan, dat geschrift bij deeze apparte Re„ solutie te insereeren; luijdende het zelve aldus Insertio zijnde met op zigt tot de daar bij gedaane propositien sodanige besluijten gevallen, als bij de gemeene Resolutie van heeden omstandig verhandelt zyn geworden, waar van tevens is goedgevonden alhier deeze aanteeke„ ning te houden Extract La 2 E. op Belangende der gecommitteerdens verdeediging met op zigt tot de klachte door het gebligeert opper„ hoofd van Bijland over den aart en wijze van het op zyn persoon en goederen verleend Arrat, item zijne weigering om de laastgemelde zoo als hem reets is aangebooden te rug te neemen, is ver dat wanneer gem: van staan te antwoorden Bijland hier zal aangekomen, en zijne doleantie die zig mogelijk wel wijder zal uijtstrekken, gehoort zal zijn, men als dan, ziende wat hij allegeert, en wat hij bewijst, beter als nu zal konnen oordeelen wat daar in diend gedaan te worden; onder aani merking wijders, dat zij gecommitteerdenrs niet gelast zijn geworden om van hem van Bijland bewijsen aftevorderen, gelijk haaren brief van 14=e Woensdag den 27. October 1790. Extract uijt de Aparte Resolutie genomen in Rhaade van Cormandel op deezer 433 deezer, en het Relaas daar nevens ontvangen dicteert maar wel; dat zij hem konden bekend maaken de Com„ missie van de Edele Horge Indiasche Regeering op den E. E: Agtbeeren, Heer gezaghebber, om hem van syn accu„ satien de bewijzen te vraagen, en dat zij indien hij ook„ deelde eenige te moeten in winnen ofte benodigen, hem daar in zouden assistentie verleenen, indien hy dat begeerde, zonder meer; geevende welm: zijn EE: Agtb aan Raade te kennen, deeze aanmerking te moeten maaken uijt hoofde van het door voorm: van Bijland in het particulier aan zijn Agtbare gedaan beklag, over de hem gedaane weijgering van een opgave zoo der schulden, als den staat der groote en kleene Cassas dat hij aanmerkt als een blijke van partijdigheijd, en er dus geen mogelik heijt voor hem geweest is om bewijzen in te winnen, met qualificatie derhalven aan gemelde gecommit„ teerdens om sig ten aanzien van deeze accu za„ tie bij het Rapport, te verantwoorden, schoon het deeze vergadering moet verwonderen, dat zij van het voorsz:e door van Bijland gedaan en gewengert geweijgert verzoek geen gewag bij Hunne brieven gemaakt hadden Extract uijt de Apparte Re„ solutie genomen in Raade van Cormandel Vrijdag den 29. e october 1790. Per sessie van den 12:e Maart laastleeden het officie fiscaal alhier Broerius Brouwer gede„ mandeerd zynde om tegens het geEligeerd opperhoofd van Iaggernaykpoeram den koopman Willem Hendrik van Bijland, en zyn dienaar wen„ gadassalam Poele te procedeeren na de wetten en den Articul brief, en zulks om reedenen als breedvoerig beschreeven staan bij voorsz: Resolutie, zonder dat zulks voor als nog gevolg gehad heeft, of dat 'er eenige actie tegen een van beiden is bankvast gemaakt, gelijk den Heer gezaghebber verklaard zijn EE: Agtbare uijt de in de voorleede maand op 2.

NL-HaNA_1.04.02_3974_0913 view scan ↗

English

having appeared from documents reviewed last month, and for which reason he proposed, since the intention of the Noble High Indian Government entails that the investigation of matters requested of His Honorable Worship, and the findings thereof, should be disposed of beforehand, provided that the arrival of the aforesaid merchant van Eijland is daily expected here, to order the aforesaid fiscal office to serve this assembly with a report on the state of the matter as it currently presents itself to him, and alongside this to exhibit the documents that have been gathered concerning the aforesaid matter or are relative to the same, in order, after the receipt thereof, to proceed therewith as shall be found appropriate: thus it is resolved to conform to this. Extract from the Separate Resolution taken in the Council of Cormandel, Tuesday the 9th of November 1740. After the Lord Commander had made known to the assembly the arrival of the head of Jaggernaijkpoeram, summoned hither under arrest, the titular merchant Willem Hendrik Count of Bijland, on the first of this month in the evening, since which date he has been provided lodging in one of the houses within the fort and has been under the supervision of a sentry, His Honorable Worship further showed that he had primarily convened the assembly for the communication of a petition directed solely to him, the Lord Commander, by the said van Bijland, requesting provisional release from that arrest, under such obligation as is mentioned therein, item for the release of his seized papers, and for a knowledgeable person to assist him, and specifically the First Sworn Clerk Obdam, and finally for the detention of two peons who came hither with him for such purposes as the petition itself further indicates. Insertion No. 1: After the reading of which, the Lord Commander, regarding his considerations formulated thereon, read the following document to the assembly. Insertion No. 2: Which having been listened to with attention, the members present in the assembly, Brouwer, Bloeme, and Hasz, having also voted on the aforesaid arrest on the 12th of March of this year, made known that no goods or effects of whatever nature had been seized here by virtue of that decision; but indeed by virtue of a request made and granted to that end for the Lady Widow Cantervisscher at the Court of Justice here, in the matter of a certain claim against van Bijland; however, that by order of the assembly at Jaggernaijkpoeram the goods of the said van Bijland had been taken into custody and his papers sent hither from the same, which, after receipt thereof, in two packets opened by the former Lord Commander Tadama, were handed over to the Secretary Hasz, with orders that, if no inventory had been made of them, to do so in the presence of the sworn clerks Abraham Dormieux and Hendrik Richard, which also took effect, and after the execution of which the packets marked A: and B were sealed with the Company's seal and that of both the said sworn clerks and delivered to him, the Secretary, for safekeeping: thus it is resolved to make a record of this, item to have such papers as relate to the Jaggernaijkpoeram Commission, after the receipt of the report requested on the 30th of September last and further required on the 27th of October, prepared in copy along with the same for Europe as soon as the continuous clerical work permits, with all the documents that were previously treated, and, according to the remarks of the Lord Commander in the aforesaid writing, were only described in the abstract in the resolutions and were not inserted, in order to be able to offer them also to the Noble, Right Honorable Lords and Masters as soon as the Noble High Indian Government shall be pleased to order such. Hereupon, according to the proposal of the aforesaid Lord Commander, the arrested merchant van Byland was summoned into the assembly, and after having been in a separate place, the terms and conditions upon which his request was granted according to the tenor of the aforesaid document were presented to him by His Honorable Worship. The aforesaid van Bijland, against the promise of having to return to arrest upon the desire of the Noble High Indian Government, expressed his grievance, as if he were indeed convicted and guilty of a crime hitherto unknown to him, and consequently after the release had to brace himself again to undergo an arrest from which he thought he could be discharged, making promises to appear and account for whatever might be laid to his charge and specified as guilt whenever he might be required to do so, regarding which he once again declares himself to be completely ignorant. Against this, the Lord Commander showed him that the fact or facts charged against him would appear from the resolution of this assembly dated the 12th of March 1740, of which, and of other documents serving for his defense, the registered extracts or copies would be handed to him today or at the latest tomorrow, in order to serve upon them and hand in the evidence for the various accusations brought against diverse persons, and especially the former administration, and when regarding his grievances concerning the decreed arrest such representation

Dutch transcription

434 maand geresumeerde stukken te zyn gebleeken en waar om proponeerde om, vermits de intentie van de Edele Hooge Indische Regeering meide brengt om over het ondersoek van zaaken aan zijn E: E. Achtbare gedemandeert, en de bevinding van dien voor af te willen disponeeren, mits de aannadering van voorsz: koopman van Eijland, dagelyks hier verwagt wer„ dende, het officie fiscaal voormelt te gelasten om van den staat der zaake, en zoo als ze zig tans wer„ kelijk aan hem opdoet, aan deeze vergadering te dienen van bericht, en daar neven te exhibeeren de stukken die ter zaake voorsz: ingewonnen of tot dezelve betrekkelijk zijn, om na het in komen van dien daar meede te doen handelen als men zal bevinden te behooren: Soo is ver„ staan zig hier meede te Conformeeren Extract uijt de Aparte Resolutie genomen in Raade van Cor mandel Dingsdag den 9„e November 1740. Na dat de Heer gezaghebber de vergadering hadde bekend op bekend gemaakt de aankomst van het in arra, ker„ waards ontboden Iaggernaijkppoeramsch opperhoofd den koopman titulaer Willem Hendrik Graaf van Bijland op primo deezer 's avonds, zedert welken da„ tum in een der wooningen binnen het fort, huysvesting gegeeven, en onder opzigt van een schildwagt geweest is, vertoonde zijn E: E: Achtbare verder, de vergadering voornamelyk te hebben geconvoceert tot de Communi„ catie van een door gemelde van Bijland aan hem Heer gezaghebber alleen gerigt Request tot provi„ sioneel ontslag uijt dat arrest, onder sodanige verbintenis, als daar bij vermelt staat, item tot relaxatie van zijne aangehouden papieren, en om een kundig persoon ter ziner assistentie, en wel inzonderheijt den Eersten geswooren klerk Obdam, en eijndelijk om de aanhouding van twee met hem herwaarts gekomen pioi ten zodanigen fine als het Request zelve nader uijtwijst insertio N:o 1: ra lecture van het welke de heer Gezachhebber no„ pens zijne daar op gemaakte Consideracien de ver„ gadering voorlas het volgende geschrift /. Infectio No 2. Het 435 Het welk met aandagt aangehoord zijnde, gaven de in vergadering aanweezige Leeden Brouwer, Bloeme en Hasz: over het voorsz: arrest op den 12:e Maart deezes Iaars meede hebbende gevoteert, te kennen dat er, alhier geene goederen of Effecten hoe genaamt, uijt krachte van dat besluijt, gearresteerd waaren geworden; maar wel uijt kragte van een daar toe, voor Mejuffrouw de weduwe Cantervisscher, bij de Raad van Justitie alhier, ter zaake van zeekere pretensie op van Bijland daar toe, gedaan en geaccordeert verzoek, edog dat op ordre van de vergadering te Iaggernaij k poevam de goederen van gemelde van Bijland in ver„ zeekering genomen en van dezelve, zijne papieren herwaards gezonden waaren, welke, na derzelver ont„ vangst, in twee door den heer geweezene gezachhebber Tadama geopende paketten, den secretaris Hass: in handigt waaren geworden, met bevel om zoo er geen Register van gemaakt mogt zijn, zulks te doen en prezentie van de geswooren klerken Abraham Dormieux, en Hendrik Richard, gelijk ook gevolg had genoomen, en na verrigting van het welke de Paketten gemerkt A: en B met 's Comp:s Zegel, en dat van beiden gemelde gezwooren klerken verze„ gelt en aan hem secretaris te bewaaren, geintrageert zijn geworden: Zoo is, verstaan hier van aantekening te als tot te houden, item om van sodanige Papieren de Paggernaijkpoeramse Commissie relatie hebben na het inkomen van het op den 30:e September I„o leeden, en den 27. October nader gerequireert rapport, met het zelve zoe dra het volhardige schrijfwerk dat toelaat, in Copia te laaten in gereedheijt brengen voor Europa met alle de stukken, welke bevoorens verhandelt, en na de aanmerkingen van de Heer gezoghebber by voorsz geschrift, by de resolutien maar in het afge„ trokkene beschreeven, en niet geinsereert zijn ge„ worden, om zoo dra de Edele Hooge Indische Re„ geering behagen zal zulks te ordonneeren, de Edele Hoog Agtbare Heeren en Meesters ook aange„ booden te konnen worden Hier op na den voorstel van den Heere gezach„ hebber voorm: gearresteerde koopman van Byland in vergadering ontboden, en na aangeweest se„ paracte Tit plaats, door zyn E: E: Achtbare zijnde voorgehouden de termen en voorwaarden waat op na luijd van het voorsz: geschrift in zin verzoek bewilligde, gaf voorsz: van Bijland tegen de belof„ te van op begeerte van de Edele Hooge Indische Regee„ ring zig weder in arrest te zullen moeten begeeven, te 456 te kennen zijn bezwaar, als of hij namelijk over„ tuijgt en schuldig was van een, tot nu toe, hem onbekend Crimen, en mits dien na het ontslag wederom schrap moest slaan tot het ondergaan van een arrest van het welke hij dacht te kon nen worden ontslagen, beloften doende van wan„ neer ook mogt worden gerequireert te zullen verschijnen en verantwoorden het geen men hem als schuld mogt ten lasten leggen, en opgeeven waar omtrent hij andermaal verklaart ten eenemaal ignorant te zijn, waar tegen de Heer gezaghebber hem vertoonde dat het feit ofte de feiten ten zynen laste zoude bliken bij de resolutie deezer vergadering de dato 12. ' Maart 1790, van dewel„ ke en andere ter ziner verantwoording zynde stuk„ ken, hem heeden of uijterlijk morgen de geregistreerd de Extracten of kopijen zouden worden ter hand gestelt, om daar op te dienen, en in teleeveren, de bewijzen van de onderscheijdene beschuldigingen tegen diverse persoonen, en insonderheijd het voormalig Ministeriem uijtgebragt, en wanneer nopens zijne beswaarnes over het gedecerneerde arrest zodanige repressentacie

NL-HaNA_1.04.02_3974_0918 view scan ↗

English

could make representation as he would be advised, because it was not in the power of him, the Lord Governor, to judge or determine regarding the nature or merits of the arrest, since after the presentation of the matter, with all reverence, it would be left to the judgment of the Noble High Indian Government; and that consequently, in his request for provisional discharge, he could not consent otherwise than on the said and described terms, to which the frequently mentioned van Bijland finally submitted; thus it was agreed to record that the said Lord Governor, upon a handshake and the aforementioned promises, released him from arrest and ordered the Commander of the garrison to relieve the sentry immediately, and, should van Bijland desire to go outside the fort, not to restrain him. Furthermore, pursuant to the second clause, to have the aforementioned packets of papers delivered to the aforementioned van Bijland by the secretary of this assembly with the aforementioned witnesses at the Poele of the government, if he so desires with an official clerk and witnesses on his side, so as to have an instrument drawn up of the opening and condition of the documents; just as the petitioner is also permitted to act, and have action taken, with his goods placed under arrest at Jaggernaijkpoeram, it being understood, after the chiefs have been provisionally disposed of, and upon their replacement by new chiefs, the same order will be established, namely that the taking over of the goods shall take place by two authorized representatives chosen on his part, and in the presence of an official clerk and witnesses to draw up an instrument of the finding and surrender thereof, in the presence and company of the chiefs on the other side, to whom, for transmission hither, as well as to the petitioner's authorized representatives, an official copy of the said instrument will be granted and issued to serve where appropriate. Item, that the request regarding Jan Obdam was denied to him, van Bijland, in the assembly, but he was permitted to employ another for his assistance, with freedom for Jan Obdam to pass all notarial acts which he, van Bijland, might require; and finally, that the two Jaggernaijkpoeram peons were granted to him under the condition of defraying their expenses, and he himself, after the conclusion of these various matters, was dismissed. Extract. Friday, 19 November 1790. Concerning the return made in the government, pursuant to the separate resolution of the 9th of this month, of two sealed packets of papers belonging to the merchant van Bijland, before and in the presence of the secretary of this assembly, and in the presence of the First Sworn Clerk and witnesses, the following instrument having been drawn up and submitted to the assembly today: [insertion] it was, after resumption, agreed to record this: to have a copy of the said instrument delivered to the Honorable former Governor Nicolaas Jadama, with the request that he answer to it, and for the same purpose to send a copy thereof to the commissioners at Jaggernaijkpoeram, with orders to report whether, of everything placed under arrest, and thus also of the papers mentioned in that instrument, an inventory was not made beforehand, Extract from the Separate Resolution taken in the Council of Coromandel. and whether it was distinctly recorded therein in what state each item was found. Extract from the Separate Resolution taken in the Council of Coromandel. Saturday, 27 November 1790. After the transaction and recording in the general resolution of today, the Honorable Lord Governor informs the assembly of the receipt the day before yesterday of an unsigned Gentoo letter, superscribed with the address to His Honor in English, and according to the translation written by the inhabitants of Jaggernaijkpoeram, reading as follows: [insertion No. 1] Concerning these accusations arising anew against the latest and former chiefs of Jaggernaijkpoeram, and how they ought to be regarded, and inquiries made thereafter, the Lord Governor read the following writing to the assembly: [insertion No. 2] After the reading of which His Honor further produced the advertisement drafted in readiness, with the following: Advertisement [insertion No. 3] Upon all of which, the matters appearing therein being regarded as alarming fabrications, yet nevertheless deliberated upon, and the path of prudence being deemed highly necessary, it was, after consideration, approved and agreed to allow the first and second clauses of the aforementioned proposition to take effect along with the remainder, but to suspend the third and fourth of the proposals until after the effect of the advertisement, since the non-signing of the letter is considered as making it uncertain who will come forward and present himself as the writer and further maintainer thereof. Extract from the Separate Resolution taken in the Council of Coromandel.

Dutch transcription

representacie konde doen, als te raede zoude worden want dat het in de macht van hem Heere Gezaghebber niet stond om nopens den aart of merites van het arrest te Lugeeren, ofte te determineeren, wijl dat na voordragt van zaaken, met alle reverentie aan de beoordeeling van de Edele Hooge Indische Regeering zoude gelaaten worden; en dat over zulks in zyn verzoek tot provisioneel ontslag niet anders dan op den gezegden, en beschreeven voet konde bewilligen, waar aan meermelde van Bijland zich dan eindelijk hebbende onderworpen; zoo is verstaan aan te teekenen dat gemelde Heer gezaghebber, onder hand tasting en voorsz beloften hem uijt het arrest gelargeert, en den Commandant van het garnisoen gelast heeft den schildwacht direct te laaten aflossen, en van Bijland, begeerende zig buijten het fort te be„ „geeven, niet tegen te houden: Wijders om navolgens het tweede Lid, de voorsz paketten met papieren door den secretaris deezer vergadering met de voorsz: getuijgen op de Poele van het gouvernement, aan voorm: van Eijland ter hand te doen stellen, des begeerende met een beampt schrijver en getuijgen van, zyne kant om aan de Opening 437 opening en bevinding der stukken te laaten maaken Acte, hoedanig de suppliant ook word gepermitteert te doen, en te laaten handelen met zyne te Lagernaijk poeram gearreeteerde goederen, wel verstaande, na dat over de opperhoofde provisioneel gedisponeert, en bij beklee„ ding door nieuwe opperhoofden die zelve ordre gestelt zal zijn, teweeten dat het overneemen van de goederen J geschiede door gemagtigden te verkiesen zijnen twee„ gen, en ten bij zijn van een beampt: schrijver en getuij„ gen om Acte te maaken van de bevinding en over„ gave van dien, ten overstaan, en bij zijn van de opper„ hoofden ter andere zijde, aan dewelke ter verzending #e herwaards zoo wel als aan des suppliants gemachtigden verleent en afgegeeven zal worden grosse der gemelde „ Acte om te konnen dienen daar het behoort; item dat het verzoek nopens Ian Obdam, hem van Eijland in vergadering ontzegt, dog gepermitteerd is geworden een ander te konnen emploijeeren tot zijne assistencie, met vryheijd aan Ian obdam tot het passeeren van alle Notarieele Acten, welke hij van Eijland mogte benodigen, en eijndelijk dat de twee Paggernaijkpoeramsche pious, onder de nits van zin toegestaan, en hij de fraijeering hem aan tehouden, zelve, na afhandeling van dit een en ander, is gedemit„ teert geworden. Extract Vrijdag den 19. ' November 1790 van de volgens apart besluijt van den 9:e deezer in het gouvernement gedaane te rug gave van twee ver„ zegelde pakketten met papieren, toebehoorende, den koopman van Bijland, ten overstaan, en in pre„ sentie van den secretaris deezer vergadering, en in bij zijn van den Eersten geswooren klerk en getuijgen, zynde ingericht en heeden ter vergadering overgelegt de volgende Acte /.Insentio soo is, na resumptie verstaan dit aan te tekenen Copia van gemelde Acte, den Achtbare Heer gewee„ Ten gezaghebber Nicolaas Iadama te doen ter hand stellen, met verzoek zig daar op te willen verantwoorden, en ten zelven fine een afschrift daar van te zenden aan de gecommitteerdens te Iaggernaijk„ poeram, met last om te dienen van bericht, of van alles wat in arreet genomen is, dus ook van de in die Acte gementioneerde passieren, voor af geen Inventaris gemaakt, Extract uijt de Apparte Reso„ lutie genomen in Raade van Cormandel en. op ƒ 438. en daar bij diestinctelijk aangetekend is, hoedanig men het een en ander heeft bevonden. Extract uijt de Apparte Re„ solutie genomen in Raade van Cormandel Saturdag den 27. Novem„ ber 1790. Va het verhandelde en aangetekende ter gemeene resolutie van heeden, maakt de E: E: Achtbaren Heer gezaghebber de vergadering bekent de ontvangst op aer gisteren van een ongetekende Ientiefsche brief gesupperscribeert met het adres aan zyn E: E: Agtb in het Engelsch, en na de overzetting geschreeven door de Inwoonders van Iaggernaijkpoeram, luij„ dende aldus /insertio N o 1. Over welke, in deeze op nieuw voorkomende accu„ satien tegen de Iongste en voorgaande opperhoofden van Paggernaijkpoeram, en hoedanig die behooren te worden geconsidereert, en daar na 't geinformeert, op de 1790 de heer gezaghebber de vergadering voor las het vol„ gende geschrift (:insertie N:o 2 na lectuure van het welke zyn E: E: Agtbaren, alverder produceerde het tevens in voorraad ontworpen, metde hier volgende Advertissement /:insertio N:o 3. Op alle het welke de zaaken daar in voorkomende als ontrustende uijtvindingen aangemerkt, niet te min tevens gedelibereert, en de weg van voor zigtig „heijt ten hoogsten nodig geoordeelt zijnde, is na over weeging, goedgevonden en verstaan om het eerste en tweede lid der voorsz: propositie met het overige te laaten gevolg neemen, dog het derde en vierde der voorstellen, tot na de uijtwerking van het advertis sement gesurcheert te laaten, aangezien het niet tekenen van de brief word geconsidereert als on„ zeeker wie zich, als de schrijver en verder gestand doener van dien, zal aanmelden en komen opte doen. Extract uijt de Apparte Resolutie genomen in Raade van Corman„ del

NL-HaNA_1.04.02_3974_0923 view scan ↗

English

1412 439 Friday the 10th of December 1790. Received and read a justification, required pursuant to the arrest of the 19th ultimo, of the former gezaghebber Mr. Nicolaas Tadama, against the protest inserted in that resolution by the merchant Willem Hendrik van Bijland regarding the unqualified opening of two packets of papers, described more fully in that document, and which justification reads as follows. Insertion Whereupon, having deliberated and considered that the point in dispute, or the claimed compensation for damages by the aforesaid van Bijland, does not belong to the decision of this meeting, but must be determined by the Noble High Indian Government itself, or by whomever Their High Mightinesses might be pleased to refer the matter to; indeed that in case of compensation for damages it must first appear that such documents as are specified as missing or absent were truly in existence at the time of the seizure, and that the claim for damages does not surpass the value of the loss, which also ought to be estimated, regarding which disposition can only be made in a court of law; so it is, in order to ascertain whether Their High Nobles also please to consider it as such, after consideration, resolved to accept the aforesaid justification merely to serve as shall principally be found to be appropriate in the decision of matters by Their High Nobles; and furthermore, for information, to have an extract hereof delivered to the interested parties. Further Extract from the aforementioned Resolution Also, in compliance with what was required by separate resolution of the 29th of October last, having been received and read a report from the official Fiscal Broërius Brouwer concerning the state of the case with the aforementioned merchant van Bijland, and why, pursuant to the separate resolution of the 12th of March of this year, no action was instituted against him and his servant Wengadas Salam Poele before the Council of Justice, reading as follows: Insertion Upon which report, by way of considerations, the following writing was submitted by the Mr. gezaghebber: 440 Insertion so it was, after reading, resolved to conform to the sentiments and propositions of His Honor contained therein, and therewith to leave the existing neglect of the said Fiscal in this matter to the respected disposition of the Noble High Indian Government, and to note, for reasons mentioned therein, that instituting an action at present can cause nothing but new confusion and difficulty, as it is now too late, and the investigation into all that appears to the charge of van Bijland can, for the present, only be carried out by the separate commission to the Mr. gezaghebber. Extract from the separate Resolution taken in the Council of Coromandel Friday the 24th of December 1790: Among the transaction of affairs mentioned in the common Resolution of today, it was resolved, conforming to the proposition of the Mr. gezaghebber, to note here: that on the 20th of this month two written addresses were delivered to His Honor by the merchant Willem Hendrik van Bijland, the first serving as a defense of his notes in this meeting in September and October 1789, and what further occurred until his departure for Jaggernaijkpoeram as chosen provisional chief, and the other serving as a brief summary or summaria of the following two points, namely: the one concerning what occurred at Jaggernaijkpoeram since his arrival; the subsequent arrest of his person; his return hither, and provisional release from arrest, with several enclosures relating thereto, all of such a nature that His Honor declared that the consideration and reflection upon the same, with what further is to result therefrom, caused very much concern and care as to how everything will still be brought into order and readiness, among a multitude of so many other activities that successive meetings and others in the Company's service come to cause, in so short a time as still remains between now and the 15th or at the latest the 20th of January next, when the general report of affairs must be made ready and sent to the Noble High Indian Government; His Honor judging 441 His Honor judging this note necessary, so that if one thing or another should happen to fail, the meeting would always be able to bear witness that it was not lacking in His Honor's untiring zeal and diligence to respond to the intention of Their High Nobles, and to redress all confusion and disorder in the administration as well as especially with regard to this dubious affair, and to bring it into such a state that the course of the Company's affairs may once again get onto the right track, and an end may be seen to a commission that is nothing but exceedingly distressing and presents indescribable difficulty. Extract from the Separate Resolution taken in the Council of Coromandel Friday the last day of December 1790 After this was concluded, the Honorable gezaghebber requested that, concerning what now still had to follow, the Honorable Chief Administrator van Halm leave the meeting freedom of deliberation, and from

Dutch transcription

1412 439 Vrijdag den 10. December 1790. Ingekomen en geleezen een ingevolge arrest van den 19 pass:o gerequireerde verantwoording van den geweezen gezaghebber de heer Nicolaas Tadama, tegen het bij dat besluijt geinsereert protest van den koopman Willem Hendrik van Bijland nopens de ongequalificeerde opening van ttwee pakketten met papieren, breeder bij die acte ver„ melt, en luijdende die, verantwoording aldus. /:Insertie Waar op gedelibereert en geconsidereert zijnde dat het point in verschil, ofte de gesustineerde schaade vergoeding door voorsz: van Bijland niet behoort tot de decisie van deeze vergadering maar gedetermineert moet worden door de Edele Noge Indische Regeering zelve, ofte door den geen waar aan Hoog Dezelve de zaak mochten gelieven over te wijsen, immers dat in cas van vergoeding van schaade eerst moet blijken dat er zodanige stukken welke als vermist of ab„ sent worden opgegeeven, bij het in beslag nee„ men waarlijk in weezen geweest zijn, en dat den Eysch van schaade, de waarde van het verlies, dat ook del of ook dient te worden begroot, niet surpasseert, waar over niet dan in Rechten kan worden gedisponeert: zoo is, om of Hun Hoog Edelheeden meede het dusdanig gelieven aantemerken, na overweeging, ver„ staan de voorsz: verantwoording enkel overteneemen om te dienen zoo als ten principaalen bij decisie van zaaken, door Hoog dezelve zal bevonden worden te behooren; en over zulks ter naricht hier van Extract aan de geinteresseerde partijen te laaten afgeeven Nader Extract uijt voormelde Resolutie Nog in voldoening aan het gerequireerde bij Aparte„ besluijt van den 29 october I„o leeden ingekomen en geleezen zijnde een bericht van het Officie fiscaal Broërius Brouwer wegens den staat der Zaake met voorm: koopman van Bijland, en waarom in gevolge apart besluijt van den 12. e Maart deezes Iaars, tegen den zelven, en zijn dienaar Wengadas„ Salam Poele bij de Raad van Justitie geen actie is geinstitueerd, luijdende als volgt /:intertio Op welke bericht bij wege van consideratien door den Heer gezaghebber zijnde overgelegt het volgende geschrift. 440 /Insertio/ zoo is na lecture verstaan zig met de daar bij ver„ vatte gevoelens en propositien van zijn E: E: Agtb: te Conformeeren, en mits dien het in deezen Exteerende 675. ver zuijm van gemelde fiscaal aan de geeerde disposi„ tie van de Edele Hooge Indische Regeering over te laa„ ten, en om reeden daar bij vermelt te noteeren dat het institueeren van actie thans niet dan nieuwe confusie en moeijelijkheijt kan veroorzaaken als thans te laat en het ondersoek van alles wat ten laste van van Bijland voorkomt, voor eerst niet anders dan door de aparte Commissie aan den heer gezaghebber ter uijtvoer te brengen zijnde. Extract uijt de apparte Resolutie genomen in Raade van Cormandel Vrijdag den 24=e december 1790: Onder de verhandeling van zaaken ter gemeene Resolutie van heeden vermeld, is Conform de pro„ positie van den heer gezaghebber verstaan, hier aan„ te teekenen; dat op den 20e deezer maand door den koopman Willem Hendrik van Bijland, aan zijn E: E: Agtbare zijn ter hand gesteld twee geschrift schriftelijke op schriftelijke adressen dienende het eerste tot verdeediging van zijne aanteekeningen ter deezer vergadering in September, en October 1789, en het geen verder is voor„ gevallen tot op zijn vertrek naar Jaggernaijk poe„ ram als geeligeerd provisioneel opperhoofd, en het andere tot eene korte samentrekking ofte Summaria van de twee volgende poincten; als: het Eene wegens het geExteerde te Iaggernaijkpoeram sedert zyn aankomst; het daar op gevolgd arrest van zyn Persoon; zijne te rug komst herwaards, en provisio neel ontslag uijt het arrest, met verscheijde daar toe relative bijlaagen, alle van die natuur, dat zyn E: E: Agtbaere verklaarde, het overwegen en naden„ ken van dezelve met het geen verder daar uijt staat te resulteeren, zeer veel bekommering en zoog veroorzaakte, hoedanig alles nog in ordre en gereed„ heijt zal worden gebragt, onder een meenigte van zoo veele andere beezigheeden, als de successive ver„ „gaderingen en anderen in 's Comp:s dienst, komen te veroorzaaken, in een 300 korten tijd als er nog overig, is tusschen nu, en den 15. of uijtter ^ verslag lijk den 20. Ianuarij aanstaande, dat het generaal„ van zaaken aan de Edele Hooge Indische Regeering id gereedheijd gebragt en verzonden dient te worden; Oordeelende 441 Oordeelende zijn E: E: Agtbare deeze aanteekening no„ dig, om dat indien het eens aan het een of ander mogt komen te happeren, de vergadering altoos ge„ tuijgenis zou konnen draagen, dat het niet heeft ge„ mancqueert aan zyn Achtbares onvermoeyde iever en vlijt om aan de intentie van Hun Hoog Edel„ heeden te beantwoorden, en alle confusie en dis ordre in de huijshouding zoo wel, als inzonderheijt met betrekking tot deeze bedenkelijke affaire te re„ dresseeren, en in die staat te brengen, dat den loop van 's Comp:s zaaken weder eenmaal in het rechte. spoor geraaken, en een eijnde worde gezien aan eene Commissie, die niet dan ten hoogsten verdrietig is, en onbeschrijvelijke moeije„ lijkheit opleverd F xtract uijt de Aparte Reso„ F lutie- genomen in Raade van Cormandel Vrijdag ultimo December 1790 dat dit zyn beslag had, verzogt de E: E va N Achtbare gezaghebber, om wegens het geen nu nog moest volgen, den E: Hoofd-administrateur van Halm de vergadering vrijheijd van de liberatie te laaten, en van de op

NL-HaNA_1.04.02_3974_0928 view scan ↗

English

to break off the business, since what His Honorable had to communicate concerned the investigation into the matters regarding the events that occurred at Saggernaijkpoeram, and in regard to which, after the said Honorable Chief Administrator had been escorted out by the secretary, the Lord Commander read aloud to the assembly the following document: insertion No 6½: reading the accusations mentioned in this document and relating to Iaggernaijkpoeram or to the former chiefs there, which belong to the communication made to the assembly as follows: insertio No 7. Whereupon, it having been deliberated and considered that the proposals made by the Lord Commander and the orders issued by anticipation are the only ways and means to discover the truth or falsehood of what the merchant van Byland, in order to stir up endless troubles and vexations, so fearlessly and audaciously dares to put forward as committed infidelity and villainy, whereas the case to which he refers, namely the flood, the flood in 1787, and its consequences, was handled by this assembly with so much circumspection, and as far as is known was also faithfully managed and properly accounted for at SagyernayApoeram, so that one would have to assume the most dishonorable sentiments in this assembly and in the Iaggernaijkpoeram chiefs of that time in holding the posts entrusted to them, if there could be any truth to the imputed crimes; indeed, that an event of such a nature as the embezzlement of goods that were publicly declared to have been lost through the aforesaid misfortune could not have taken place so secretly that nothing of it would ever have been perceived or heard, all the more so since van Bijland claims it to be so public and notorious that at Iaggernaijkpoeram the children on the street were able to speak of it, although notwithstanding this it remained hidden from the assembly and was never reported by anyone, which would be sufficient to regard such far-fetched, if not fabricated, accusations by dishonorable natives as inadmissible and to reject them, except that, as the Lord Commander rightly remarks, the circumstances concerning the aforementioned van Byland do not permit acting in such a manner, even though, as the accuser, it was properly his duty to prove what he alleges, yet regarding which it is easy for him to cite such general, sometimes impossible inquiries as guidelines for an investigation, as for example the extraordinary expedient of amnesty, in order to grant impunity to some offender or other, as he says, provided he confesses frankly and brings the truth to light, an expedient that is solely at the disposal of the high and legitimate authority, and at least is entirely beyond the power and scope of this assembly; besides which, the question would still be whether, notwithstanding the general proposition that Japanese bar copper cannot sink and that anchors and money chests cannot drift away, there are no examples of such goods being swallowed up by the fury of the water, and whether, assuming it to be mathematically impossible, thus mathematically true, that such goods, having become buried under the water, could not have diminished but must have come to light again, much more was at hand during the flood than was partially reported as salvaged and the rest as lost; and whether, regarding what was thus made known, probability or improbability presents itself; at least that, in the manner in which the aforementioned van Bijland understands the matter, no reliance whatsoever can any longer be placed upon any reports, and thus years afterward some committed fraud can always be pretexted, which very easily arises in the mind of someone who is granted full freedom to accuse, and in respect to which, although in a good sense and intention, no bounds or limits were set, but he was permitted to give free rein to his troubled mind in writing, provided he observed moderation and decency, since by not being able to conclude this, one runs the risk of falling from one thing into another and seeing no end to that which comes to constitute the actual case in question; furthermore, as the Lord Commander adds to this, beyond these newly stated points, several others have been cited by van Bijland which could each in themselves form a corpus delicti, and were it proper directly to assault someone's honor and reputation in the way His Honor thinks it ought to be done, it could bring the initiator into a crisis of difficulties from which one would ultimately no longer know how to extricate oneself, accumulating one crime upon another ad infinitum; so it is, after all this had been attentively considered and thus evaluated, upon the proposal of the well-mentioned Lord Commander, resolved and agreed, for the present, to make no public commotion about this, but to let the matter rest upon the orders which His Right Honorable, in the case in question, has already caused to be dispatched to the expected chosen chief, his brother Casparus Leonardus Eilbracht, by separate letters of the 27th, 29th, and 30th of this month; the amnesty maintained by van Bijland for

Dutch transcription

de besogne maar aftebreeken, nadien het geen zyn E: Agtbare had te Communiceeren, betrof het onder„ zoek van zaaken omtrend het voorgevallene te Sag„ gernaijkpoeram, en waar omtrent, na dat gem E„ Hoofd-administrateur door den secretaris het uijt„ geleijde was gegeeven, den heer gezaghebber de ver„ gadering voorlas het navolgende geschrift insertie N:o 6½: luijdende de bij dit geschrift gementioneerde en tot Iaggernaijkpoeram ofte de geweezene opperhoofden aldaar relatie hebbende beschuldigingen welke behooren tot Communicatie aan de vergadering aldus insertio N:o 7. / waar op gedelibereert en geconsidereert zijnde dat de door den Heer gezaghebber gedaane propositien en byj anticipatie gestelde ordres de eenigste wegen en middelen zijn ter ontdekking van het waare of onwaare van het geen den koopman van Byland om eindelooze moeijte en verdrietelykheeden te verwekken zoo onbeschroomt en stoutmoedig durft ofgeeven als gepleegde ontrouw en schel„ marij, daar het geval, waar op hij doelt ofte de watervloet. 442 watervloet in 1787. , en dies gevolg bij deeze verga„ dering met zoo veel omzigtigheijd behandelt, en voor zoo verre men weet te Sagy ern ay Apoeram meede getrouwelijk gederigeert en behoorlijk ver„ antwoord is, dat men in de vergadering, en de Iag„ gernaijkpoeramsche opperhoofden van die tyd zoude moeten onderstellen de eerlooste sentimenten bij de bekleeding van de hun toevertrouwde posten indien er waarheijd kon zij aan de opgetijgde misdaaden, immers dat een geval van sodanig een natuur als het ontvreemden van goederen die publicq opgegeeven worden, door het voorsz: ongeval verlooren gegaan te zijn, zig zoo bedek„ telijk niet heeft konnen toedragen, dat men nim„ mer daar van iets vernomen ofte gehoort zoude hebben, te meer van Bijland beweert het 300: publick en ruchtbaar te zijn dat te Iagger„ naijkpoeram de kinderen op straat 'er van wisten te spreeken, schoon het des onaangezien voor de vergadering bedekt gebleeven, en door nie„ mant ooijt is aangegeeven, het welk genoeg zou zijn om zulke ver gezogte, zoo niet uijtgedagte beschul„ digingen mu digingen door eerloose Inlanders, als ongeoorlooft aan„ temerken, en van de hant te wijzen, dan dat, gelijk de Heer gezaghebber, wel aanmerkt, de gevallen met voorm van van Byland niet toelaaten dusdanig te handelen, schoon het als beschuldiger eijgenlijk zijne zaak was om het geen hij aangeeft te bewijsen, dan waar omtrent het hem ligt valt zulk algemeene, sonwijl onmogelijke na spooringen voor handleidingen tot een onder zoek op tenoemen, als bij voorbeelt het extra ordinair middel van Amnesti, ten eijnde den een of ander misda„ dige gelijk hij Iegt straf vrijheijd te vergunnen mits recht opbiegtende, en de waarheyd aan de dag leggende, een middel dat alleen staat ter dispo„ sitie van de Hooge en wettige overigheijd, althans geheel buijten de macht en het bestek is van dee ze vergadering, behalven nog dat de vraag zou zyn of 'ed, onaangezien de generaale stelling dat Ia„ pansch staaf koper niet kan verzinken, Ankers en geld kisten niet kunnen weg drijven, geen voor„ beelden zijn van het verslinden van zulke goede„ ren door de woede van het water ? en of, geno„ men dat het Mathe matus onmogelijk, dus wis kun„ „ „stig. ou 443 „stig waar is, dat soortgelijk goed, onder het water bedol„ ven geraakt, niet had konnen verminderen, maar weder voor den dag had moeten komen, bij de water vloed veel meer aan handen is geweest, dan gedeeltelijk weder als gesauveert, en de rest als verlooren is of gegeeven! en of voor het dusdanig bekent gestelde, de waar„ schijnelijkheijd of onwaarschijnelijkheijd zig opdoet althans dat, op die wijze, als meerm van Bijland de zaak begrijpt, er geen staat meer op eenige berich„ ten hoe genaamt is te maaken, en dus Iaaren nader hand altoos eenig gepleegt bedrog gepretexteert kan worden, het welk zeer ligt opkomt in de geeft van iemand die tot het beschuldigen volkomen vrijheijd word gelaaten, en daar omtrent, schoon in een goede Tin en meening geen paal of perk gestelt, maar gepermitteert is zijn bezwaart teugel te konnen gemoet met schrijven den vieren, mits in agt neemende moderatie en de„ centie, dewijl men door dit niet te konnen sluyten gevaar loopt van het eene in het andere te vervallen en geen eijnde te zien, aan dat goen, het welk de eij„ genlijke Casus questions komen uijt te maaken, als als zynde, en, gelijk de Heer gezachhebber hier bij voegt, buijten deeze nieuw opgegeevene pointen nog verscheijde andere door van Eijland aangehaald die ieder op haar zelve een Corpus dilec ti konnen formeeren, en ware het oorbaar om iemands Eer en reputatie direct aanteranden zoo als zijn E: denkt dat het diend te geschieden, den aanlegger Goude konnen brengen in een Crisus van moeijelykheeden, waar uyt men zig ten laasten niet meer zou weeten te redden, als accumuleerende het eene Criemen Zoo is, op het andere tot in het oneijndige na dat dit een en ander aandagtig was over„ wogen, en dusdanig geconsidereerd, op welmelde Heer Gezaghebbers propositie, goedgevonden en verstaan, voor eerst, hier over geene publieke beweegingen te maaken, maar het te laaten berusten bij de Ordres, die zijn E: E: Achtbare in Cas subject, aan het verwagt wordend geEli„ geert opperhoofd desselfs broeder Casparus Leo„ nardus Eilbracht bereets heeft laaten afgaan bij aparte brieven van den 27. 29. en 30. deezer, De door van Bijland gesustineerde Amnesti voor

NL-HaNA_1.04.02_3974_0933 view scan ↗

English

444 to consider impracticable, and for the time being not to disclose or propose anything to the appointed commissioners Obdam and De Bruijn, until, from a certain report submitted in the year 1787 by the trade transferor, it will have been verified and discovered what damage the Company suffered due to the aforesaid inundation, and thereupon to hear them in the meeting, and in the meantime also to inspect the secretarial papers to see if anything appears therein that can accuse anyone of negligence or neglect of duty, in order, if so found, to act as shall be further decided. Finally, having reviewed what is contained in the separate Iaggernaijkpoeram letter of the 12th of this month in response to the advertisement sent to the commissioners beforehand on 27 November and inserted in the separate resolution of the latter date, namely that, after prior announcement by beat of drum, the same was read out at eleven o'clock in both the Dutch and Gentoo languages, and posted on the warehouse; but that until 12 December, no one had presented himself to them as the writer or writers of the letter addressed to the Honorable Ruler in the name of the Iaggernaijkpoeram inhabitants; furthermore, that the commissioners had also directly notified the Company's interpreter Adaballa Appaijen, the renter of Gollapalum Ramaijen, the former chief peon, and kotwal, as well as a formerly arrested Brahmin named Pedi Botla Kistnama, that they had to journey hither; but that they all had replied thereto that they were very willing to do so, but that the outstanding affairs of the first two mentioned were of such a nature that they could not leave so immediately, for which they needed time until at least the end of December, while the last three mentioned had testified to their inability to bear the expenses, whereupon, according to the order of this meeting, the necessary batta money was offered to them, but with which they were not satisfied, even demanding doolies and palanquins for their journey, which the commissioners, having no authority for that, could not grant, nor had they dared 445 6 take it upon themselves to use any force to compel them to the journey, since that conflicts with the interdiction against it: requesting to know how they shall have to act with them: Thus, since the stated difficulties of the persons summoned hither are not unfounded, and one can as little require them as the Company to incur extraordinary expenses for the journey, and moreover the intelligence received by the ruler dictates that the elected chiefs were to leave Bengal at the latest on the 20th of this month, and thus, with any favorable weather and wind, may already be there, or may be upon receipt of this reply; it is resolved to instruct the commissioners to hand over this answer to them; with the addition thereto, as drafted in advance by the ruler, and following below further, and now approved. Advertisement: insertion No 8 Wednesday Separate Wednesday the 5th of January 1791. In the forenoon at 10 o'clock Pursuant to what was recorded in the separate resolution of the last of the recently passed month of December, it was approved and resolved, upon the proposal of the Honorable Ruler, to summon to the meeting the first sworn clerk Ian Obdam and the assistant Simon Ian De Bruijn, who acted as commissioners at Iaggernaijkpoeram to carry out the inventory of the Company's linens and effects in the warehouses etcetera after the inundation in the month of May 1787, and to put the following questions to them, as well as to note their responses in the margin, and thereafter, while the meeting is in session, to have the same confirmed under solemn oath, as appears more fully below, insertion and this having been carried out extempore, 8. 446 it is resolved to keep this record thereof. Finally, the Ruler also makes known to the meeting the receipt of a Gentoo-signed document from Iaggernaijkpoeram, containing a repudiation of the contents of the unsigned one inserted in the resolution of 27 November last, as the translation shows. insertion However, since, as the Ruler noted, this one can as little be relied upon as the previous one, and the ordered investigation of matters regarding the inundation of 1787 will have to show what one can or may believe, it is resolved, in accordance with His Honor's proposal, to await this, and thus, with mere annotation and insertion as above, to deliver a copy of this resolution to His Honor, to be added, as he deemed proper, to the papers concerning the separate commission. Done, etc. Extract on Friday the 14th of January 1791. Finally, the Ruler made known to the Chief Administrator Paul Engelbert van Halm in brief and fitting terms how, after the outcome of the appearance and hearing of His Honor and of Bijland against each other regarding the Iaggernaijkpoeram affair, held within the government on the 8th of this month, it appeared that matters stood in such terms that, according to the order of the Supreme Government of the Indies, he could not be retained in his post, but had to be suspended, requesting His Honor to be pleased to leave the meeting and give freedom regarding what His Honor had to make known to the same on the subject; which then having been heard and complied with not without emotion by van Halm, the Ruler read to the members the following document. insertion This having been heard and, at the same time, attention having been paid to what is relevant in these respects, Extract from the separate resolution taken in the Council of Coromandel.

Dutch transcription

444 voor onuijt voerlijk te houden, en voor als nog aan de opgegeeven gecommitteerden Obdam en De Bruijn, niets te laaten blijken, of voor te stellen, dan na dat men bij zeeker in Anno 1787. ingedient berigt van den negocie overdra„ „ger zal nagegaan en ontwaard hebben, welke schaade de Compagnie door de voorsz: water vloet heeft geleeden, en als dan hun in vergade„ ring te hooren, en inmiddels bij de Secretarieele papieren ook na tezien of er iets in voorkomt dat iemant van noelatigheijt of pligt verzuijm kan beschuldigen, om dat zoo bevindende te doen als men nader te raade zal worden Laastelijk zijnde overgezien het geen vervat staat bij de aparte Iaggernaijkpoeramsche brief van den 12. deezer maand in antwoord op het sub 27: November bevoorens den gecommitteerden toegezonden, en ter aparte resolutie van laastgemelde datum geinsereert Advertissement, namelijk dat, na voor afgaande bekendmaaking bij tromslag, het zelve te Elf uuren in beide de Hollandsche en Ien„ tiefsche taalen was afgeleezen, en aan het pakhuys geaffigeert; dan dat zig tot den 12. december toe, bij by hun niemant hadde aangediend als schrijver of schryvers van de brief op naam van de Iagger„ naijkpoeramsche Inwoonders aan den Ed: Agt baren Heer gezaghebber gerigt; voorts dat zij ge„ committeerden ook direkt 'sComp:s Tolk Ada balla Appaijen de pagter van Gollapalum Ra„ maijen, de voorige hoofd- pion, en koetwael, item een gearresteert geweest zijnde braminees genaamt Pedi Botla Kistnama hadden aangekundigt van herwaards op reis te moeten gaan; dog dat zij allen daar op hadden gerepliceert van daar toe seer genegen te zijn, maar dat de uijtstaande affai„ res der twee eerst gem: van dien aart waaren, dat zij sig daar van zoo direct niet konden verwijderen, waar toe zij ten minsten tot ult:o December tijd benodigden, terwijl de drie laast gem: hadden be„ tuijgt haar onvermogen tot het doen der onkosten waar op hen, na de ordre deezer vergadering de nodige battam gelden aangebooden, dog waar meede sij niet te vreeden waaren, Eijsschende zelfs doelies en draagstoelen tot hunne reis, die zij gecommitteer„ den, als geen qualificatie daar toe hebbende niet hadden kunnen accordeeren, ook niet op hun hebbende durven 445 6 dierven neemen om eenig gewelt te gebruijken om haar tot de reijse te noodzaaken, dewijl dat streid met de daar tegen leggende interdictie: verzoekende te mogen weeten hoedanig zij met hun zullen hebben te handelen: Zoo is nademaal de bedeelde Zwaa„ righeeden der herwaards ontbodene lieden niet on„ gegrond zijn, en men dezelve zoo min als de Comp:e vergen kan Extra ordinaire ongelden tot de rus te doen, en daar en boven de bij den heer gezaghebber ontvangene narichten dicteeren dat de geëligeerde opperhoofden; uijterlijk den 20: deezer Bengale stonden te verlaaten, dus, byj eenige voorspoet van weer en wind, bereets daar zijn, of op ont„ vangst deezer rescriptie konnen zijn; verstaan de gecommitteerden te gelasten, om dit antwoord aan hen te overhandigen; met het daar bij te voegen, mitsgaders door den heer gezaghebber in voor„ raad ontworfen, en hier onder volgende nader, en nu goedgekeurd. Advertissement: 7. insertio N=o 8 Woensdag Apart Woensdag den 5:e Januarij 1791. 's voor middags te 10. uuren Ingevolge het aangeteekende ter apparte resolutie van ultimo der Iongst verweeken maand Decem„ bek, is op propositie van den E: E: Agtbaren Heer Gezaghebber goedgevonden en verstaan den Eersten gezwooren klerk Ian Obdam, en den assis„ tent Simon Ian De Bruijn, die als ge„ committeerdens te Paggernaijk poeram geageerd hebben, tot het doen van den opneem van 's Comps Lijwaaten en Effecten in de pakhuijzen etc=a na de water vloet in de maand Mei 1787. in ver„ „gadering te ontbieden, en haar de ondervolgende vraagen voor te houden, mitsgaders hunne respon„ cen, in margine te noteeren, en daar na staan„ de vergadering dezelve met Solemneelen Eede te gelijk zulks hier onder laaten bekragtigen nader komt te blijken /: onsertio/ soo is dit een en ander extempore gevolg ge„ „nomen 8. 8. 446 „nomen hebbende, verstaan daar van deeze aantee„ kening te houden Laastelyk maakt de Heer gezaghebber de vergadering nog bekent de ontvangst van een Ien„ tiefsch geteekent geschrift van Paggernaijk poe„ ram, behelzende een afkeuring van den inhoude van het ongetekende, geinsereert ter resolutie van 27:e November laastleeden, gelijk de vertaa„ ling uijtwijst insertio Dan nademaal, gelijk de Heer gezaghebber aanmerkte, op dit, Ios min als het voorige is aan tegaan, en het geordonneerde onder zoek van zaaken met betrekking tot de water vloet van 1787. zal dienen uijt te wijzen wat men kan of mag „zo0 is Conform zijn E: E: Achtb:e pro„ gelooven positie verstaan dit aftewaechten, en dus met enkele annotatie en insertie als boven, Copia van dee ze resolutie aan zijn E: E: Achtbare ter hand te stellen om, gelijk oordeelde, te behooren bij de papie„ ren raakende de apparte Commissie gevoegt te worde„ Actum ent. N Extract ge„ op Vrydag den 14. Ianuarij 1791. Laastelijk maakte de heer gezaghebber den Hoofd„ Administrateur Paul Engelbert van Halm in korte en gepaste termen bekent hoe, na den uijt„ slag van de over de Paggernaijk poeramsch affaire binnen het gouvernement, op den 8:e deezer gehoudene Comparitie en verhoor van zijn E: en van Bij„ land tegen elkander, het quam te blijken dat de zaaken stonden in die termen dat na de ordre van de Edele Hooge Indische Regeering niet in zijn post gelaaten, maar gesuspendeert moeste worden, ver„ soekende zijn E: de vergadering te willen verlaaten en vrijheijt te geeven van het geen zijn E: E: Achtbare ten susette, dezelve bekend moeste maaken; dat dan niet zonder aandoening door van Halm zijnde aangehoort en opgevolgt., las de Heer gezag„ hebber de Leeden voor het ondervolgende geschrift /Insantis/ ƒ ^tevens op het ten deezen gelet zijn de Soo is, dit gehoort en Extract uijt de aparte Resolutie genomen in Raade van Cormandel opzigten

← previousnext →