VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3975

Ceylon · 1,668 pages · 213 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3975_1080 view scan ↗

English

should, as seems proper, be done by a solemn embassy, just as at the beginning of the previous war was likewise judged necessary upon the delivery of a letter written at that time by Their High Mightinesses to the King, or whether one should not accompany the same with the customary gifts. 2nd. By whom one could most competently have the letter translated, in order to have this taken in hand as quickly as possible, in compliance with the order of Their High Mightinesses, according to which the Kandyan letter must be given over for translation immediately after the reading of Their High Mightinesses' letter. Which having been deliberated upon, it was taken into consideration that the expedient suggested by Their High Mightinesses, with a Court as proud as that of Kandia, might lead to an adverse outcome, and at times even to detrimental consequences for the Company's interests, and that it therefore well deserves to be maturely weighed and considered before proceeding to make use thereof; the more so as the reasons why Their High Mightinesses judged the aforesaid expedient necessary, namely that all other avenues for opening correspondence might be closed, can now not be considered to obtain, since the first Adigar has already sent a public mission to the Lord Governor, as appears from the note recorded in the resolution of the 3rd of this month. And it has therefore been unanimously approved and resolved to defer until the next meeting the final decision whether to make use of the aforementioned expedient suggested by Their High Mightinesses, or not. Thus done and resolved in the Castle of Colombo, on the day, month, and year aforesaid. (was signed:) W: J: Van de Graaff, M P Raket, D C van Drieberg, D T Fretz, C van Angelbeek, J Reintons, B L van Pitter, A Samlant, and J A Vollenhoven. Agrees, Dijbrands, First Clerk. Tuesday, the 14th of August Anno 1792. Present: The Right Honourable Willem Jacob van de Graaff, Lord Governor; The Qualified Galle Commander; The Colonel; The Matara Dessave; The First Warehouse Master; The Secretary; The Trade Bookkeeper. Absent: Mattheus Petrus Raket; Gerrit Engel Holst; Mr. Johannes Adrianus Vollenhoven; the first two on account of indisposition, and the latter occupied at the Instruction. The Honourable Head Administrator; The Honourable Pay Bookkeeper; The Honourable Fiscal. Diederich Thomas Fretz; Diederich Carel van Drieberg; Mr. Christiaan van Angelbeek; Johannes Reintons; Benedictus Lambertus van Uitter; Abraham Samland. Secret Resolution taken in the Council of Ceylon. The deliberation, suspended at the session of the 6th of this month, regarding the weighty question whether and when use should be made of the expedient suggested by the Noble High Indian Government in its secret missive of the 10th of May of this year, to open the avenue of correspondence with the Court of Kandia, being now about to be resumed, the Lord Governor first produced a written address, inserted below, directed to the members of this assembly: Gentlemen, The Court of Kandia has declared by two letters that the hostile movements which it made had for their object the reclaiming of the coastlines, and by the last of these two letters it adds in so many words: that the Governor's request that, in order to prevent misunderstandings, no large body of armed men should come too close under our forts, would be complied with once the ceded lands and coastlines were returned to the King's disposal. The Court certainly imagined that things would take the same course again as they did in the year 1760, when the Kandyans, before we, so to speak, knew we had anything to do with them, had already penetrated everywhere into our lands and quickly caused our inhabitants to come over to their side, with whom we afterwards had the most trouble. Seeing itself disappointed in this by the swift measures we took and put into effect, the Court, notwithstanding the aforesaid arrogant language and a multitude of threatening movements, has not dared to venture anywhere to violate the Company's territory. If the Court, after the measures that were put into effect, had dared to venture to attack us anywhere, it would have done so right in the beginning. It would have left us no time to reinforce ourselves by summoning more troops, and in the meantime to make all the necessary arrangements everywhere. What it has not dared to do from the beginning, it will now be much less capable of undertaking; we therefore have nothing to fear from that side; meanwhile the Court is exhausting itself more and more. The chiefs of the country naturally lose in their revenues and meanwhile, as one hears, plunder the people on all sides. In addition to this, one hears that, not to speak of other necessities, the lack of salt in particular is great everywhere and is increasing more and more, and that on that account there is general discontent among the King's inhabitants. All these things may with reason be assumed to become more and more oppressive; the Court also already appears to be markedly discouraged. One has therefore much hope that it will finally have to come to terms, and this hope is further strengthened by the attempts already made several times by the Court to see whether it could entice us into a step that might give it the honour that peace had been requested from the Company's side. We can therefore do no better, unless active means are employed, than to let things run their course a little, and in the meantime prosecute our plan of encirclement to the utmost. And

Dutch transcription

moet, gelyk dat betamelijk, schynt, door een plegtige Ambassade, rioo als dat in het begin van den voorgaanden oorlog insgelyks noodig geoordeeld is by het bestelten van een brief door Hun Hoog Edelheeden ter dier tyd aan den koning geschreeven, of men dezelve niet zonde behooren te doen vergeld gaan van de gewoone geschenken. 2e Door wien men de brief bekwaamst zoude kunnen laaten overzetten, ten einde dit ten spoedigste te kunnen laaten onder handen neemen, ter voldoening aan de ordre van Hunne Hoog E= delheeden, volgens welke den Kandiaschen brief immediaat na de leesing van Hunne Hoog Edel= heeden brief ter vertaaling moet worden onder handen gegeeven. Waardp gedelibereerd zynde, is in achting ge= noomen, dat 't door Hunne Hoog Edelheeden aan de hand gegeevene middel, by een Hoff, zoo trols als dat van Kandia, van een Averedits uitslag, en hom tydt zelvs van nadeelige gevolgen. voor sComps belangens, man worden, en dat 't mitsdien wel verdiend rypelyk gewikt en gewoogen te worden, een men overgaat om daar van gebruik te maaken, te meer de heeden, waar om hunne Hoog Edelheeden het voorsz: middel noodig ge= oordeeld hebben, namelyk dat alle andere weegen tot de opening van de Correspondentie konde geslooten zyn, nu niet geagt kan worden plaats te hebben, daar de eerste rykradigaar reeds eene publieke bezending aan den Heer Gouverneur heeft gedaan, blykens aanteekening by 452 bij resolutie van den 3: dezer. En is derhalven met eenpaarigheid van stemmen goedgevonden en verstaan, het finaal besluit of men rug van het meermeld door Hunne Hoog Edelheeden aan de hand gegeeven middel zal bedienen, dan niet, uit testellen tot de volgende by een koomst. Aldus Gedaan ende Geresolveert in 't Casteel Colombo, ten dage maand en Jaare voor /:was geteekend:/ W: J: Van de Graaff, M V Rakel. DC van Drieberg, D T Fretz:, C van Angelbeek, I Beintons, BL van Pitter, Asamlant. en J A Vollenhoven Accordeert Dijbrands Egklerd 1 453 455 ds Dingsdag den 14: Augustus Ao 1792 Prezent. Den WelEde Groot Achtbaare Willem Jacob van de Graaff Heer Gouverneur „ Heer Geoligeerd Gaalsch Commandeur 't Kollonel- „ Matunees Dessave „ Eerste Pakkeismeester „ Secretaris „ Negotie Boekhouder Den E Hoofd adminitrateur „ „ soldy Boekhouder „ „ Fichaal De ter sessie van den 6: dezer gesteakte de= liberatie over de gewegtige draagjof en wanneer gebruik zal moeten worden gemaakt om 't expedient, door de Edele Hooge Jndische Regeering by hoogst desselve schrreete missive van den 40e Mey Th r aan de hand Abrent Mattheus Petrus Rahet Gerrit Engel Holst Mr. Johannes Adrianus Vollenhoven de twee Eerste mits indispontie, en de laatste geoccupeerd by de Jnstretsie Drederich Thomas Fretz: Diederich barel van Drieberg Mr Christiaan van angelbeek. Johannes Reintons Benedictus Lambertus van Uitter Abraham Samland. Schreete Resolutie genoomen in Maade van beilon ge 1 „ „ - gegeeven, om den weg tot de Correspondentie met 't Hof van Kandia te openen, tans zullende herva worden, produceerde de Heer Gouverneur voor af een hier onder geinsereerd schriftelyk addres, gerigt aan de Leeden deezer vergadering: Mine Heeren Het Hof van Kandia heeft by twee brieven ver klaart, dat de Hofteleberteeginge die het maak het terug hebben der stranden ten oogmerk had en by de laatste dezer twee brieven hegt het me zoo veel woorden; dat op 's Gouverneurs verze dat ter voorkooming van mis verstand, geen veel gewapend volk mogte koomen te digt onder onze forten: zoude worden gelet wanneer de afgestaane landen en stranden aan skonings Dispens wierden terug ge geeven Het Hof heeft zig zeekerlyk verbeeld dat de dingen weederom den zelvden loop kouden neemen als ze deeden in 't Jaar 1760, toen de mandiaang voor dat we om zoo te spreeken wisten iets met hun te doen te hebben, reeds over al in onze landen waeren ingedrongen en spoedig onze ingezeeten en tot hun partij deed overkoom waarmeede we naderhand het meeste te stellen gehad hebben. Door onze genomene spoedig te werk gestelde maatzeegelen rig hier in gedifapointeerd ziende, heeft het Hofine teegenstaande de voors: trotschentaal, en een meenigte van dragende beweeginge, tie niet durven waegen om ergens 's komps grond gebied te schenden. Zo 455 454 Zoo het hof na de tewerk gestelde Maat. reegelen het hadde durven waegen, om onsergens Aantetanten, zoude liet dat gedaan hebben, voorts in de beginne. Het zoude ons geen tyd gelaaten hebben, om ons door het ontbieden van meer troupes te verslerken, en middelewyl op allen de noodige schikkinge te maeken. Het geen liet van den beginne niet heeft duwen doen, zal : het nu nog veel minder bestaan; we hebben dus van dien mant niets te vreesen; middelerwge mat het Hof zig meer en meer af Hlands Grooten verliesen natuurlyk in hunne inkom= =sten, en plunderen ondertufschen het volk, zoo men hoort, op alle kanten Hier by hoort men, dat, om van andere behoeftens niet te spreeken, inzonderheid het hout gebrek over al groot is en meer en meer toeneemd, en dat daar over een algemeene te ontvreedentheid is by Wonings ingezeetenen Alle deeze dinge mag met met Heeden veronderstellen, dat meer en meer doukkend zullen worden, ook schemt. het Hof reeds mer= =kelyk te zyn optmoedigt. men heeft dus veel Hoop dat het eindelyk zal moeten bykoomen, en deeze hoop word nog versterkt, door de nu reeds verscheidene maelen genoomene proeven; door het Hof, of het ons zoude munnen intlokken tot een stap, die aan het zelve zoude kunnen geeven. de Eere dat van tkomp zyde de vreede verzogt is. toe kunnen dus niet beeter dog, ten hy men aktive middelen gebruikt, dan de dinge wat te laaten op haar beloop, en middelerwyl ons plan van insluiting op 't sterkst voorstegetten. En 1 „

NL-HaNA_1.04.02_3975_1086 view scan ↗

English

And a similar plan was, in the assumed case, also in the previous war, when its execution was indeed noticeably more difficult, considered by us, as appears from the secret Resolution of 20 April 1764, to be a means that in the end could not fail to lead us to the proposed objectives. And if we can thereby bring the Court of Kandy to the necessity of taking the first step toward settling the disputes, there is the most well-founded hope that at least the requests of the Court for the return of the seacoasts will entirely cease with this rupture. For how, indeed, would the Kandiyans manage to bring those requests up for discussion again? It would, for example, have neither sense nor reason for them to come and tell us: we have repeatedly and with great emphasis requested that the coasts and ceded lands might be returned to the Court, and this was refused to us; we therefore attempted to take them back from you by force, and this also failed us; we would nevertheless gladly have them, and therefore request you to give them to us now. If we, in this state of affairs, employ the expedient in question, then we help the Kandiyans out of this embarrassment; we furnish them a very suitable opportunity to bring the matter of the restitution of the seacoasts back into the open. It will undoubtedly bring up to us in a haughty manner that it had already in the beginning declared in two letters that its hostile movements had the restitution of the coasts as their purpose, and that, being invited thereto by us, it now explains this further. This will, in all probability, be the consequence of this step. As soon as the Court gets wind of the fact that we consider ourselves incapable of compelling it to reasonable terms, it will take heart anew and urgently renew its demand for the return of the coasts; and if it does this, as cannot be doubted with any reason, what shall we say then? We shall again have to deny, as before, this demand, the renewal of which we will even have brought upon our own necks. It would be a dangerous self-deception if one expected anything else from it; for on what grounds can one suppose that the Court would be diverted from its prospects of having the coasts returned through the employment of this expedient? With no tolerable reason can one expect that from it, unless one assumes that the Court is already so out of breath that it must make peace however it can, and that it, consequently, like a drowning person who grasps at everything to save himself, will also seize this opportunity merely to obtain peace. But if one assumes this, then that is even one more reason not to employ the prescribed remedy. If the Court is already in such an exhausted state that it can no longer endure the condition in which it finds itself, and is thus compelled to seek peace, why should we not endure things as they are for a little longer? If the Court has already come to that state of humiliation that it must make peace however it can, it will much rather come to terms when it sees us remain steadfast in the measures taken, than when we take steps that could betray our weakness and the great disinclination arising therefrom to take up arms. If, on the contrary, the Court is not in such a bad situation, or if it takes fresh courage by our taking this step, as it undoubtedly will do, then we will have taken a great step backward, and matters will, so to speak, have to begin all over again from the beginning. The Court has recently given us a fresh proof of what kindness and tokens of peacefulness effect upon it: our letters, in which we asked it in a more earnest tone for the reasons for its hostile preparations, were answered immediately; but to a letter in which we informed the Court that, out of love for peace and concord and in order not to arouse any anxiety among the King's inhabitants, we had recalled our troops in the field, and to yet another letter in which we in a friendly manner offered the Court the payment of the revenues of the coasts, for the past as well as the present and future times, the Court has not deigned to send us any reply. The taking of this step is therefore in no respect to be recommended. It can noticeably deteriorate and worsen our affairs, and this, in all probability, will also be the outcome thereof. By taking it, we at the same time risk producing a complete reversal in the way of thinking, both among our own inhabitants and among the inhabitants of the King. Our own subjects, in the previous war,

Dutch transcription

En even diergelyke plan is in het veronderstelde geval, ook in de voorgaande oorlog, toen het in de uitvoering zelfs merkelyk moegelyker was, Aan tans, blykens secreete Resolutie van den 20. April 1764 gehouden voor een middel, dat Aan het einde niet misse mon ons tot de voorgestelde oogmerken te leiden, en zoo we het Hof van Kandia daar door kunne brengen in de noodzaekelykheid om tot bed by leggen der geschillen de Eerste stap te doen is er de gegrondste koop dat ten minsten de aanzoeken van het Hof tot het terug hebben van de stranden, met deeze nupluur geheel zullen ophouden. Want hoe, tog zoude de mandiaenen het maeken om die aanzoeken wederom ter spraak te brengen; Het zoude bij voorbeeld nog slot nog val hebben ons te koomen leggen, we hebben te meermaalen en met groote nadruk verzogt dat aan het Htof de Stranden en afgestaane lan =de mogten worden terug gegeeven en dit is ons gewygert, we hebben daarom getragt ze U met geweld weeder afteneemen, en dit is ons ook mitluht, we hadde te nog= tant gaarne en verzoeken U daerom te ons nu te geeven, gaan we in deze gesteld= heid van zaaken het bewuste expedient en ployeeren, dan helpen we de mandiaen en uit deeze verleegentheid, we form eene Aan dezelve een heer bequaame geleegentheid om 't stuk van de terug gave der stranden op nieuw voor de dag te haalen Het zal ons ongetwyffelt op een tootsche wyze te gemoed voeren, dat het voorts in de beginne len twee : 455 „ twee brieven heeft verklaart dat depelvs Hostite be= „weeginge de terug gaave der stranden te oogmerk hadden „ en dat ze daer toe door ons uitgenoodigt, dat nu nader „ verklaeren „ Dit zal na de hoogste waarschijnelykheid het gevolg „ van deze stap zyn. Het Hof zal, zoo dra het in aan „ de lucht vat, dat we ons buiten staat oordeelen om „ het zelve tot reedelyke voorwaarden te dwingen, op nieuw „ moet vatten en derzelvs Eisch tot het te rug hebben der wanden op eene dringende wyze hernieuwen, en doet "het dit, hoo als daer aen met geen grondt kan ge= =twyffelt worden, wat zullen we dan zeggen, we zullen deze Eisch waer van we ons de hiernieuwen zelvs „ zullen hebben op de net hals gehaald, weederom als te vooren moeten ontzeggen. Het zoude een gevaerlyke zelfs bedrog zyn, zoo men daar van iets anders verwagte, want met wat gronds dog kan men veronderstellen, dat het Hof door het employ van dit expedient van des Velds uitzigten tot het terug hebben der stranden hoe worden afgeleid. Met geen draagelyke reede kan men dat daer van verwagten, ter ry men verondersteld dat het hof bereeds zoo te einde adem is, dat het vreede moet maeken, zoo als het kan, en dat het mids dien gelyk iemand dat verdrinkt alles Aangrypt, om zig te hedden, ook deese gelegentheid zal Aangrypen om maar aan vreede te koomen. Maer als men dit verondersteld, dan is het zelfs een heede te meer om het voorschreevene middel niet te Amplozeeren; Indien Het Hof bereeds in die afge matte staat is, dat het den toestand waarin 't rig bevind, niet langer uithouden kan, en dus genoodsaakt is vreede te zoeken, wat weegen wedar met de dingen zoo als hetfyn te lenate doorstaan Is het Hof reeds tot dien staat van verneedering gekoomen dat het vreede moet maken hoo als het kan, zal het veel een bykoomen wanneer het ons standvastig by de genoomene maatzegels niet „ niet blyven, dan wanneer de Happen doen die onse rwwakheiden daar iit voortkoomende groote ongeneegtheid om tot de wapenen te Boomen, zoude munnen verraeden. Is het Hof daer en teegen niet in zoo een slegte situatie, of vat het door het doen van deeze stap op nieuw moed, zoo als hiet ongetwyffelt doen zal, dan zullen we een groote hebben agter uit gedaen, en de zaeken zullen om zoo te spreeken weder van maend af aan moeten beginnen niet Het Hof heeft ons nog onlangs een versche blyk gegeeven van het geene vriendelykheid en bewyzen van vreedelieventheid op hetzelve vermag, onze brieven waer by lve hetzelve op ernstiger toon hebben gevraegd na de redenen van desselvs hortele toeberijdselen, zyn aanstonds beantwoord dog op een brief waer by we aan het Hof hebben bekent gemaakt dat nee ter liefde tot vreede en eensgezintheid en ten einde by 's konings ingezeetenen geen ongerustheid te verwekken, onze troupes te veld hadde terug ontboden, en op nog een andere brief waer by we Aan het hof op een vriendelyke wyze hebben aangebooden de uitkeering van de inkomsten der stranden Zoo voor de voorleedene als de teegenswoordige en de toekoomende tyd, heeft het Hof rug niet verwaerdigt ons eenig antwoord te zenden Het doen van deze Hap is dus in geen opzigt Aantenaaden, Het man onze zaaken merke: lyk veragtenen en verslimmeren, en dit zal na de hoogste waarschynlykheid, ook de uit= komst daer van zyn; Met dezelve te weegen waegen we te gelyker tyd dat we daer door zullen voortbrengen een geheele omkeening in de wyze van denken, zoo by ons eige ingezeetenen, als by de ingezeetenen van de Koning onze eigen onderdaen en zyn in de voorgaande Oorlog

NL-HaNA_1.04.02_3975_1089 view scan ↗

English

456 war, as is very well known, and is abundantly evident from the written advice of the late Governor van Eck that is inserted in the aforesaid secret resolution, could only be kept in check, and even then barely, through fear of the Company's arms; and it was to be feared, as the well-mentioned Governor van Eck also added to his advice, that upon detecting faint-heartedness in us, they would promptly cast off that fear, rise against us with contempt at the first opportunity, and support and join the Kandians. At present, our inhabitants have great confidence in our power. Nowhere is there any need to employ extraordinary measures to keep them to their duty, and the King's inhabitants everywhere are in fear and apprehension of the incursions of our troops, which they now expect daily. Yet what will our own inhabitants and the inhabitants of the King think of us, that we, at a time when both the one and the other believe that we have all the power necessary to lay down the law to the court, take this step? Will it not cause us to lose all respect at once, both among our own inhabitants and among those of the King? One knows how much general opinion works upon the minds of the common people. If the court itself comes to terms, as it probably must do, then the honor of the Company is saved; and even if Their High Excellencies desire or wish for nothing more than a simple and complete renewal of the treaty, the Company will thereby at least gain the reputation of having once again granted peace to the court solely out of sentiments of moderation. All orders, especially those sent to distant places, presuppose the possibility of their execution, or that there are no manifest reasons preventing their execution; and I therefore think that we would fail the confidence that Their High Excellencies have placed in us by entrusting us with the conduct of this government, and thereby fail our oath and duty, if we were to execute the order received without first bringing all the aforesaid considerations to the attention of those who cannot possibly know the true situation of affairs as well as we who observe them closely. I think so all the more because, since there is no danger in a delay for a short time, we should leave this order unexecuted until further orders from Their High Excellencies, or at least suspended for the present and until one sees what turn affairs take. I do not think that the foregoing requires any further explanation; meanwhile, I should briefly recall here that it is not impossible, although I readily admit not overly probable, that Their High Excellencies, upon receiving our secret letter dispatched on the ship Meentje, might at times proceed to measures to maintain the honor and prestige of the Company through vigorous means. Colombo, 14 August Ao 1792. Signed: W. J. van de Graaff Which address having been carefully reviewed and subsequently deliberated upon, it was taken into consideration by the Members: That 457 That the considerations of the Governor contained in the aforesaid address rest upon such solid grounds that one would have to suppress all sense of truth and conviction to raise any objection against them. That although the order of Their High Excellencies is very positive that use must be made of the prescribed expedient, on the other hand it must also be considered that this order was given on the assumption that all other ways and means to be led to an amicable accommodation were cut off. That it is indisputably the duty of the local Government, in the execution of orders given upon certain assumptions or for reasons that no longer exist, to act according to the circumstances of affairs. That the step which the First Adigar of the Realm has already taken, by sending a public mission to the Governor, certainly serves as a preparation to reopen the way for resuming the broken correspondence with the court. That, it being therefore unnecessary to subject the Company to such a humiliating act, which must greatly diminish its reputation both among the Kandians and its own inhabitants, it would certainly be an inexcusable undertaking if one nevertheless did so. That this step would have all the less excuse

Dutch transcription

456 Oorlog, roo als dat heer bekent is, en ten overvloede blykt by het schriftelyk advies van den Hoog: Zal: Heer Gouverneur van Ech dat in de voorsz: schreete Resolutie is geinsereerd, alleen door de vreese voor 'skomp wapenen en dat nog nauwelyks, in tengel te houden geweest, en was het te dugten hegt welgem Heer Gou= verneur van Ech nog by dit yyn advier, dat ze afhartigheid in ons bespeurende, die vreese ten eersten honden afleggen, en by de Eerste ge= leegentheid met veragting teegens ons op= staan en de kandiaanen bystaan bijvallen. Tans hebben onke ingezeetenen een groot vertrouwe op omp vermoogen, Nergens behoeft men eenige buiten gewoone middelen te gebruiken om dezelve tot haer plicht te houden en tkonings ingezeetenen zyn over al in vreeze iit bedugting voor de invallen onzer troupes, die he nu dagelyks te gemoed zien. Dog wat zullen onzedige ingezeetenen en de ingezeetenen van de koning van ons denken, dat we in een tyd dat zoo wel de eene als de andere meenen dat we al het vermoogen hebben dat noodig is, om aan het Nos de wet te stellen, deeze stap gaan, doe, zal niet de= zelve, zoo by ons eige ingezeetenen als by die ven de koning, ons op eenmaal alle konsideratien doen verliesen; men weet hoe veel de algemeene opinie op de gemoedere van het gemeen werkt. komt het hof zelfs by, zoo als liet waerschynlyk zal moeten doen, dan is de reve van de komp„e gesauveerd, en zoo ook zelvs hunne Hoog Edelheeden niets meer verlangen nog begeeren, dan een eenvoudige en gave vernieuwing van het proctaat, zal de komp daar door ten minsten verkrijgen de reputatie van alleen unt gevoelens van gematigheid andermaal de vreede aan het hof te hebben geschonken. Alle oorlog "Alle orders inzonderheid die gegeeven worden na verre afgeleegene plaatsen, veronderstellen de mogelykheid der uitvoering daer van, of dat er geene rugtbaare reedenen zyn die de uit¬ voering onhaeden, en ik denke daarom, dat we aan het zal vertrouwen dat hunne Hoog Edelheeden in ons gestelt hebben, met ons het belyd over dit gouvernement optedraegen, en mids dien aan onzen red en plicht zoude te kort doen, zoo all de ontvangene dderle executeerden zonder alvoorens hoe git dezelve die onmogelyk de waare situatie der dingen zoo goed hunne kennen, dan wy die ze van naby beschouwen, alle de voorsz: conside= ratien te hebben onder het oog gebragt. Ik denke daerom te meer, wyl in het uitstel voor een korten tyd, geen gevaer is, dat we deeze ordre tot hunne Hoog Edelheeden nadere beveelen moeten laeten buiten uitvoering, of te minsten voor eerst en tot men niet wat keer de dingen neemen te laeten uitgesteld. Het voorenstaande denk ik niet dat verder eenig afnn noodig heeft, intusschen dien ik met daterder hier nog met een woord te herinnere, dat het niet onmoogelyk, schoon„ ik bekenne het gaarne, niet al te waar= schynlyk is, dat Hunne Hoog Edelheeden op de ontvangst van onze Sekreets brief, met 'T schip Meentje afgegaan, zom tyds. zoude kunnen overgaen tot maeteegelen, om door vigoureuse middelen de Eere en het aanzien van de kompe te handhaeven. Kolombo den 14=e Augustus Ao 1792. /was geteekend:/ W: J: van de Graaff Welke addres met aandagt geresumeerd en vervolgens daar over gedelibereerd zijnde is by de Leden in aanmerking genoome: Dat 457 Dat de konsideratie van de Heer Gouverneur by voorsz: addres verwat, op zulke solide gronde husten, dat men alle gevoel van waerheid en overtuiging zoude moeten onderdrukken, om iets daar teegen te kunnen excipieeren Dat wel de ordre van Hunne Hoog Edelheeden. zeer stellig is, dat van 't voorschreevene expeditient gebruik moet worden gemaakt, dog daar teegen ook in aanmerking moont, dat deeze ordre gegeeven is in de onderstelling, dat alle andere wegen en middeelen om tot eene minnelyke apsopiatie te worden geleid, afgesneeden waeren. Dat het onweederspreekelyk de pligt van de plaatselyke Regeering is, in de uitvoering van ordres, gegeeven op zeekere onderstellinge, of om reedenen die niet meer bestaan, te handelen naer omstandigheeden van zaeken. Dat de stap, die de Eerste Ryks adigaer reeds gedaan heeft, met eene publieke bezending aan de Heer Gouverneur te doen, gelyk zeekerlyk strekt tot eene voorbereiding om den weg tot 't hervatten van de afgebrookene Correspondentie met 't hoff weeder te dpenen. Dat het mits dien buiten noodzaekelykheid zinde de Comp aan hoo eene verneederende daad te onderwerpen, die tot groot deelin voor haare resustatie moet strekken, zoo bi de kandiaan„ als haare eygene ingezeetenen, het zeekerlijk eene onverandwoordlyke onderneeming zonde zyn„ zoo men dat evenwel deed. Dat deeze stap te minder eenige verschooning houde

NL-HaNA_1.04.02_3975_1092 view scan ↗

English

could find, as one would have to proceed to this in the full conviction that, instead of advancing the matter thereby, on the contrary the court will step backward, because, far from attributing this step to peace-loving intentions, it will rather consider the same as a consequence of impotence and weakness, and will remain all the more obstinately steadfast in its demands. And it is therefore, and because the assembly is in conscience convinced that by acting otherwise it would act contrary to its oath and duty, unanimously approved and agreed by the members to postpone the use of the aforementioned expedient until one shall have seen the effect of the embassy of the First Imperial Adigar, and to give notice of this at the first opportunity to Their High Mightinesses. The aforementioned address of the Lord Governor and the resolution taken upon it having been communicated by the secretary, after the adjournment of the meeting, by order of the same, to the honorable members Raket and Vollenhove, and their advice regarding it having been requested, their Honors declared that they felt themselves in conscience bound to conform to the aforementioned resolution taken at the meeting, as their Honors testified that they conformed to it in the fullest manner, of which this note is kept. Thus resolved in the castle of Colombo, on the day, month, and year aforesaid. Signed: W. J. van de Graaff, D. F. Feh., H. von Drieberg, E. van Engelbeek, d'Heitons, B. L. van Putter, and A. Samlant. Agreed. Dijbrands No. 23. 458 To the Right Honorable, Highly Esteemed, High and Mighty Lord Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the island of Ceylon, with its dependencies. Right Honorable, Highly Esteemed, High and Mighty Lord. Having been ordered by Your Right Honorable High Mightiness to submit my humble remarks on what was written by Their High Mightinesses in their most respected letter of 15 June 1792, paragraph 11, I have the honor to report by this: That when I arrived at Matara on 1 June 1791, I communicated to the Lord Commander Sluijsken, as appears from an extract of my letter accompanying this, that the Modliars there, who were ordered to depart with me, were immediately summoned, among others Tinnekoon, but that none of the three summoned Modliars had appeared, under diverse pretexts; among others on account of the smallpox then raging. That we had let them know to come that very day around 4 o'clock in the afternoon to the other side of the river to the Lord Lieutenant Dessave van Schuler, where one had no fear of the smallpox. I added to that letter at the same time that time would tell what would come of it. I said further that at Matara everything was lacking, and that there was not even rice and provisions. That on the 6th of the said month I still wrote to the said Lord Commander Sluijsken, as appears from an extract from my letter of that day, which also lies enclosed here, that the Modliar Tinnekoon had indeed promised to send coolies and paddy with pack animals to Katuwana, and to have the rice stamped in passing in his district for the troops, but that to my regret I learned that he, the Modliar, had not yet departed, and that it seemed to me that the orders of the Lord Dessave Berghuijs were not strictly observed. I could have made these my reports somewhat more detailed, and I gladly confess I ought also to have done so. I ought especially to have corrected my first report; but being more occupied with working than with writing, as also best suits my profession, these my reports have therefore turned out somewhat short and abrupt, without thinking that such a writing, dispatched before I had yet been able to examine matters sufficiently, and serving only as provisional reports, would in time be able to produce any disadvantageous impression to the detriment of the Matara chiefs, to whom, on the contrary, I owe the testimony that during my small campaign in the Matara Korale, they did their duty with much zeal and loyalty. The Modliars, upon the order that was sent to them, and of which I have spoken above, arrived at 4 o'clock in the afternoon at the house of the then Lieutenant Dessave and now Dessave of Matara, the Lord 459 Lord van Schuler, where one had no fear of the smallpox, and concerning the reasons stated by them and the willingness shown to me on that occasion, I could not but be content in the highest degree. On that occasion it also appeared to me that only the fear of the smallpox had caused the chiefs to excuse themselves to the Lord Berghuijs from coming across the river into the fort upon the summons made to them the morning before, as the smallpox was then raging very severely there; but then my letter of the 1st to Commander Sluijsken had already been dispatched. It has also since appeared that the Modliar Tinnekoon completely fulfilled his promise mentioned in my aforementioned letter of the 1st to the Lord Sluijsken, in procuring coolies and paddy with pack animals to Katuwana, and having rice stamped in his district for the troops. Being a stranger at Matara and not knowing to what extent Tinnekoon could properly arrange these orders while remaining at Matara, my writing that the Modliar Tinnekoon, notwithstanding his promise made, had not yet departed, arose solely from these my doubts. When I wrote my letter of 9 June to the Lord Sluijsken, the good disposition of the Matara [illegible]

Dutch transcription

zoude kunnen vinden, wyl men daer toe zoude moeten overgaan, in eene volkoomen overtuiging, dat men insteede van de haak daar door te bevorders, in teegendeel het kof zal door Agter uit treeden, wyl het, wel verre van deeze stap aan veedelievende inzegten toeteschryven, dezelve veel eer als een gevolg van onmagt en weese aanwerken, en des te styver op zyne Eisschen zal blyven Haan. En is daarom, en wyl de vergaedering in gemoed overtuigd is, dat ze niet anders te handelen, zo eenparigh handelen teegen haaren red en pligt, met eenighei van Hemmen goedgevonden en verstaan het gebruik van meerm expedient uittestellen, tot dat men zal hebben gezien 't Effect van de voor Bezending van den Eersten Ryks Adigaar en hier van by de Eerste geleegendheid kennis te geeven Aan Hunne Hoog Edelheeden voors: Addret van den Heer Gouverneur en 't daarop genomen besliit door den sekretaris, naa 't scheiden van de vergadering, op ordre van deselve Aan de Es. Leden Raket en vollen hove Gecominueerd =en derzelver advies daaromtrend gevraagd zynde hebben hun Ed verklaard zich in gemeede ver¬ =plicht te achten, met 't voors: genomen besluit by de vergadering te moeten conformeeren, zoo als hun Ed betuigde, rug op de volkomenste wyze daarmeede te conformeeren, waer van gehouden word deeze aanteekening Aldus Geresolveerd in 't kasteel Colombo, ten dage maand en Jaare voors: /geteekend:/ W J van de Graaff DF Feh: H Von Drieberg, E van Dngelbeek d' Hei =tons, B L van Putter en A Samlant Accordeerd. Dijbrands ealen N:o 23: 458 Aan hen WelEdelen Groot Achtbaaren HoogEGebiedenden Waar Willem Jacob van de Graaff Raad Ordinair van Neederlands Jndia, Gouverneur en Directeur van 't eijland Geilon, met dies onderhoorigheeden. WelEdele Groot Achtbaare Hoog Gebiedende Heer. Door Uwdel Edele Groot Achtb: gelast zijnde, mijn needrige aanmerkingen te geeven op het geschreevene door Hunne Hoog Edelheeden bij Hoogst derzelver zeer g'eerbiedigden brief van den 15: Junij 1792: §: 11:, heb ik de eer door deezen te berichten. Dat toen ik den 1: Junij 1791: te Mateere kwam, ik aan den Heer Commandeur Sluijsken, blijkens een extract uit mijn brief dat hiernevens gaat, heb gecommuniceert, dat de Modli„ „aars aldaar, die geordonneert waeren met mij te vertrekken, direct geroepen waaren, onder anderen Tinnekoon, maar dat geen van de drie geroepene Modliaars verscheenen was, onder diverse pretexten; onder anderen weegens de toen grasseerende Kinderpokken. Dat we hun hadden laaten weeten, die eijgeeste dag teegens 4: uuren 'sagtermiddags aan de overkant van de rivier bij den Heer Lieutenant Dessave van Schuler te koomen, alwaar men voor de Kinderpokken geene vreese had. Ik voegde bij die brief te gelijker tijd, dat de tijd zoude uitwijzen wat er van koomen zoude. Jk zeijde voorts, dat 'er te Mature aan alles manqueerde, en dat 'er zelfs geen rijft en voor„ „raad was. Dat ik den 6: van gem: maand noch aan gem: Heer Commandeur sluijsken, blijkens een extract uit mijn brief van dien dag, dat ook v ook hiernevens legt, heb geschreeven, dat de Modliaar Tinnekoon wel had beloofd, voor de Roelies Neelij met draagbeesten na kattoene te zullen zenden, en de vijft voor de trouppen en passent in zijn di„ „strict te laaten stampen, dog dat ik tot mijn leed„ „weeten vernam, dat hij Modliaar nog niet was vertrokken, en dat het mij scheen, dat de ordres van den Heer Dessave Berghuijs niet stipt wierden geobserveerd. Jk hadde deeze mijne berichten wat uitgebreijder kunnen maaken, en bekenne gaarne ik hadde dat ook behooren te doen Jk hadde inzonderheid mijn eerste bericht behooren te cor„ „rigeeren; dog mij meer beetig houdende met werken dan met schrijven, zoo als dat ook aan mijn beroep best pas zijn deete mijne berichten daardoor wat kort en afgebr „ken uitgevallen, zonder te denken dat zulk een schrij ven, afgegaan voor dat ik de zaaken nog genoeg hadd kunnen onderzoeken, en alleen strekkende tot voor„ „loopige berighten, in der tijd zoude kunnen voort boen „gen eenige naadeelige inpressie, ten nadeele van de Matievensche Hoofden, die ik daar en teegen het Getei „genis schuldig ben, dat ze geduurende mijn kleine campagne in de Matureesche hassavonij, met veel ijver en trouwe hun pligt gedaan hebben. De modliaars zijn op de ordre die aan hun gezonden is, en waarvan ik hier boven gesprooken heb, '/ agtermiddags ten 4: uuren gekoomen aan 't huijs van den toenmaalige Luijtenant Dessave en taus Dessave van Matere de Heer 459 Heer van Schuler, alwaar men voor de Minderpok keer geen vreese had, en over hunne gevoerde reedenen en hunne bij die geleegendheid aan mij betoonde berijd„ „willigheid; konde ik niet dan ten hoogsten con„ „beeet zijn. Bij die geleegendheid is het mij ook gebleeken dat al„ „leen de vreese voor de kinderziekte hadde voort„ „gebragt, dat de Hoofden zig bij de Heer Berghuijs hadden doen verschoonen, om op het ontbod, hun 's mor„ „gens te vooren gedaan, te koomen over de rivier binnen het fort, daar de kinder ziekte toen zeer sterk heerschte, doch toen was mijn brief van den 1:e aan Commandeur sluijsken reeds vertrokken. Het is ook zeedert gebleeken dat de modliaar Tin„ „nekoon aan zijn belofte vermeld bij voorsz: mijn brief van den E: aan de Heer sluijsken, compleet heeft vol„ „daan in het bezorgen van Roelies en Nelie met— draagbeesten na kattoene, en het doen stampen van Rijst in zijn district voor de Trouppen. Te Mature vreemd zijnde en niet weetende in hoe verre Jinnekoon deeze bastellingen be„ „hoorlijk konde laaten doen, te mature blijvende, is alleen uit deeze mijne twijffelingen voortgevloeijd mijn schrijven, dat de modliaar Sinnekoon, niet teegenstaande zijn gedaane belofte, nog niet was vertrokken. Toen ik mijn brief van den 9: Junij aan de Heer Sluijsken schreef, was mij reeds de welgetuitheid van de Matu„ „veesche ag eer N

NL-HaNA_1.04.02_3975_1098 view scan ↗

English

Native Chiefs appeared so complete; and I was so very convinced of this that I could not say enough in their favor. This letter of mine also clears up all doubts on this matter. Moreover, it states in so many words that the Matara Chiefs seemed to be very attached, since they showed every assistance and inclination. The old Mudaliyar Tilkeratne even went along with me, although he was known to be ill, just as I wrote to the Commander Sluijsken in my letter of the 9th, and I cannot withhold praise from the Matara Mudaliyars in general, that they continuously and ever diligently and faithfully performed their duty, just as my further letters written to Mr. Sluijsken about them testify. My writing in the letter of the 1st that everything was lacking at Matara has no reference to the Matara Mudaliyars, who, not being charged with that department, are completely without fault in this. They were not expecting me at Matara with so many people, and it is mainly to be attributed to that fact that no further preparations had been made at Matara by the one whose department this was. I request Your Right Honorable to bring this, my respectful writing, before the eyes of Their High Excellencies, 460 Excellencies, so that I may in this way clear myself of all suspicions. With which I have the honor, with the highest esteem, to call myself. Below stood: Right Honorable High Governing Lord, Your Right Honorable Very Humble Servant. Was signed: D: P: van Drieberg. In the margin: Colombo the 19th of December Anno 1792. Agrees Wijbrands First Clerk 461 Copy of Letter dated the 1st of June 1791 from Matara to Galle written to the Commander Sluijsken. Right Honorable Sir. That I arrived here this morning at 7 o'clock, I have the honor to report to Your Right Honorable. Upon my arrival, the Mudaliyars who were ordered to go along were immediately summoned, likewise also Ginnekoon, but none of the three appeared, under diverse pretexts, among others the smallpox. We let them know to come this evening at 4 o'clock to the Lieutenant Disava van Schuler. Time will tell what will come of it. Here everything is also lacking, and there is not even rice in stock, so that I do not know how I shall be dispatched. I shall write more to Your Right Honorable at the earliest opportunity. I have further the honor etc. Copy extract from a letter dated the 6th of June 1791 from Matara to Galle to the Commander Sluijsken. It is true that the Mudaliyar Tinnekoon promised to send paddy for the coolies to Kattoene with pack animals and to have rice pounded for the troops in passing through his district, but to my regret I learn that he has not yet departed; in short, it appears that the orders of Mr. Berghuijs are not too strictly observed. Copy extract from a letter dated the 9th of June from Marakadde to Galle to the Commander Sluijsken. The Matara Mudaliyars seem to be very attached, since they all in particular show every assistance and inclination, and notwithstanding that the old Sillekeratne is known to be ill, he nevertheless goes along. Copy Copy Extract from a letter dated the 9th of June from Marakadde to Matara, to the Gentlemen Berghuijs and van Schuler. The Mudaliyar Tinnekoon carries out his promise very well, so that I trust that we may expect much service, and therefore much convenience thereby, in bringing rice etc. upcountry. With the Mudaliyars de Saram and Tinnekoon I am continually satisfied, and have had no lack. Copy extract from a letter dated the 30th of August 1791 from Marakadde to the Commander Sluijsken to Galle: The Chiefs of the Gangaboda Pattu and Weligam Korale offer to make a patrol along the boundaries through the Morawak Korale, Kattoene up to the borders of the Magam Pattu, with 3 to 400 men of their people and some Malays, and subsequently request to have a detachment of Malays at Akuressa, in order to come to the aid of the Morawak Korale by that way, in case the Kandiyans might undertake to Copy extract from a letter dated the 13th of June, to the Commander Sluijsken from Marakadde that 462 invade that Korale. It appears to me that through this a personal hatred between both peoples could be awakened, which in my opinion would already be much, since the Mudaliyar de Saram tells me that all Chiefs gladly want to let themselves be employed to withstand the enemy when he invades the country. Below stood: Extracted from my Letter-books. Colombo the 19th of December 1792. Signed: D: P: van Drieberg. Agrees Wijbrands First Clerk No: 24:

Dutch transcription

„veesche Hoofden zoo rompleet gebleeken; en was ik zoo zae overtuijgd daarvan, dat ik niet genoeg ten hunnere voordeele zeggen konde. Ook heldert deeze mijn brief alle twijffel „gen op dit stuk op- Daarbij staat met zoo veel woond dat de maturersche Hoofden zeer geattacheerd schee nen te zijn, dewijl te alle hulpe en geneegendheid betoonden. De oude Modliaar Tilkeratne is zelfs met mij meede gegaan, schoon hij weetendlijk ziek was, zoo als ik dat nog aan de Heer Commaardeur sluijsken bij mijn brief, van den 9: heb geschreeven, en ik kan de Matureesche Modliaars in het algemeen den lof niet onthouden, dat ze zig bij voortduuring steeds ijverigen trouw waar hun „ne pligt gekweeten hebben, zoo als ook mijn verdere brieven aan de Heer Sluijsken over hun geschreeven dat getuijgen. Mijn schrijven bij brief van de 1:e: dat 't te Mature aan alles mankeerde, heeft geen betrekking tot de matureesche Modliaars, die, niet gechargeerd zijnde met dat de partemeet, daarin zijn buiten alle schuld Men was mij te Matiere met zoo veel volk niet verwachtende, en daaraan is het hoofdzaakelijk toe „teschrijven, dat te Mature geen meerdere aanstal„ „ten waeren gemaakt, door de geene drie wiens departemuit dit was. Jk solliciteere UwelEdele Groot Achtb: dit mijn eerbiedig geschrift, onder het oog van Hunne Hoog Edelheeden 460 Edelheeden te willenbrengen, op dat ik mij langs deene weg van alle verdankingen mag zuijver maaken. Waarmeede ik de eere heb, met de meeste hoogagting mij te noemen. /:Onderstond:/ WelEdele Groot Achtbaare Hoog Gebiedende Heer, uel Edele Groot Achtbaare Zeer Ootmoodige Dienaar :/was geteekend /: D: P: van Drieberg. :/in margine/: Colombo den 19: December A=o 1792: Akkordeert Wijbrands EGleerk 461 Copij Brief de dato den 1: Junij 1791: van Mature na Gale aan den Heer Comman„ „deur sluijsken geschreeven. WelEdele Achtbaare Heer. Dat ik heden morgen om 7: uuren hier aangekoomen ben„ heb ik de eer Udel Ed: Achtb: te melden. Bij mijne komste zijn direct de modliaars welke geordonneert zijn meede te gaan geroepen, desgelijks ook Ginne koon, maar ƒ. geen van driëën is verscheenen, onder diverse pretexten, onder anderen de kinderpokken. Wij hebben hun laaten weeten heden avond om 4: uuren bij den Heer Lieut:: Dessave van Schuler te Koo„ „men. De tijd zal uitwijzen water van koomen zal. Wier manqueert het meede aan alles, en is zelfs geen rijft in voor„ „raad, zoo dat ik niet weet hoe ik zal afgescheept worden. met eersten zal ik uwelEd: Achtb: meerder schrijven„ Jk heb voorts de eere &Ca. Copij extract uit een brief de dato 6: Junij 1791: van Mature na Gale aan den Heer Commandeur sluijsken. Wel is waar dat den Modliaar Tinnekoon beloofd heeft Neelij voor de Koelies na kattoene met draagbeesten te zenden en rijft te laaten stampen voor de trouppen en passent in zijn district, dog tot mijn leedweeten verneeme ik, dat hij nog niet vertrokken is; Jn 't kort, het schijnt dat de ordres van den Heer Berghuijs niet al te stipt geobserveerd werden. Copij extract uit een brief de dato 9: Junij van Marahadde na Gale aan de Heer Commandeur sluijsken. De Matureasche modliaars schijnen zeer geattacheerd te zijn, dewijl zij allen in 't bijzondere, alle hulpe en geneegentheid betoonen, en niet teegenstaande de oude Sillekeratne weetendlijk ziek is, gaat hij egter dog meede. Copij 1: Copij Erttagt uit een brief de dato 9: Junij van Marakadde na Mature, aan de Weeren Berghuijs en van Schieler. De modliaar Tinnekoon kwijt zig zeer van zijne belofte, zoo dat ik vertrouw, dat wij veel dienst, en dus veel gemak daardoor te wachten hebben, in het na boven brengen van Rijft & ca. Over de Modliaars de Saram en Tinnekoon beuik bij aanhoudentheid voldaan, en hebbe geen gebrek gehad. Copij extract uit een brief de dato- 30: August 1791: van Marakadde aan de Heer Pommaradeur Sluijskeu na Gale: De Hoofdeie der Gangebaddapattoe en Billigam Korle offereeren een pattrouille langs de limieten te doen door de Morruakorle, kattoene tot op de grenthene van de Magampattoe, met 3: â 400: man van hun volk en eenige mallaijers, en verzoeken vervolgens een de tacha„ „ment Mallaijers te Accurasse te moogen hebben, om door dien wag de Mooriakorle te hulpe te koomen, in gevalle het de Randiaanen mogten onderneemen in Copij extract uit een brief dato den 13 Junij, aan de Hr. Commandeur Sluijskeu van Marakadde die 462 die Korle te vallen. Wat schijnt mij toe, dat hier door een personeele haat tusschen beide Volkeren konde„ verwakt worden, het welke na mijne gedagten reeds veel zoude zijn, derwijl mij de modliaar de Saram zegt, dat alle Hoofden gaarne zig willen gebruijken laaten om den vijand als hij in 't landvalt te heer te gaan. /:Onderstond:/ Geextrakeert uit mijne aopij Brieven. Kolombo den 19: X=ber 1732: /:geteekend:/ D: G: von Drieberg. Akkordeert Wijbrands adeerk No: 24:

NL-HaNA_1.04.02_3975_1107 view scan ↗

English

467 463 Today, the 14th of January Anno 1792. By order of the Right Honorable, Rigorous, and Highly Esteemed Governor Willem Jacob van den Graaff, there appeared before me, Petrus Gerrardus de Vos, sworn clerk at the Political Secretariat here: Simon de Silva, retired schoolmaster of the village of Mapalagam, situated in the Galle Korale, 55 years of age and of the Reformed religion, who, upon the translation by the mohandiram and interpreter at the said Secretariat, Don Philip Samerekoon, declared it to be true: That about two months and fifteen days ago, being in his school which stands near the river, he saw a covered kattaponel loaded with goods coming from the direction of Galle and going up the river towards Hiniduma, which lies on the border of the King's and the Company's territory, but that he does not know what goods were inside it and that he also did not know the people who were on it. That nearly two months ago, while he was in the said school, he again saw another two covered kattaponels, which were likewise loaded with goods and came from the direction of Galle, sailing up the river towards Hiniduma. That he does not know what goods were on the said two kattaponels, but that on the kattaponel that was rowing ahead he saw: 1 A Sinhalese priest who is unknown to him. 2 Haberehadde Appu, who is a Kandyan residing at Habarakada in the King's territory, and is married to a daughter of the Nanayakkaraya Walalgoda Appu, inhabitant of the village of Udamatta, situated in the Gangaboda Pattu of Galle. 3 The second son of the said Walalgoda Appu, and 4 A son of Louis Mahadon, who during the Sinhalese War of the year 1760 deserted to the Kandyans together with the korale of the Talpe Pattu, Dissanaike. That ten to twelve days thereafter, when he was in the aforesaid school, he once again saw a fourth covered kattaponel loaded with goods coming from the direction of Galle, passing towards Hiniduma, but that he does not know what goods were in it and that he also did not know the people who were on board. The attestant further testifies that covered kattaponels are not used for anything other than carrying persons of distinction and for loading valuable goods, such as cinnamon. The attestant further declares to have seen 6 467 that one Lokoe Appu, son of Kumarawel Walayden, paternal brother of the Malabar Mudaliyar at Galle, Waytenaden, who in the time of the Galle Commander Samlant accidentally shot and killed a man while hunting at Baddegama and therefore fled from the Company's territory and has since lived at Habarakada in the King's territory, where he is married to a sister of the aforesaid Haberehadde Appu, passed over the main road of Mapalagam a little more than a month ago, coming from the direction of Habarakada and going towards Galle; that he, the attestant, saw Lokoe Appu again a few days later, coming from the direction of Galle and going towards Habarakada; and that he, the attestant, about 14 days ago for a second time saw the said Lokoe Appu coming from the direction of Galle, going towards Habarakada, but that he does not know when or by which road Lokoe Appu went back towards Galle. The attestant further declares that he does not know of any prohibition existing at Mapalagam against the transport of timber to the King's territory, but that a few days 464 ago No. 25 ago he heard from the Chalias that such a prohibition had been issued. Herewith the attestant concludes this statement given by him, which he declared to contain the sincere and pure truth, giving as reason for his knowledge as stated in the text, consequently remaining prepared to confirm the attested under oath. Thus declared in the Castle of Colombo on the day aforesaid, in the presence of the clerks Christiaan Fredrik Thomas and Justinus Pompens as witnesses. Signed: S. de Silva. In the margin: In our presence, signed: C. F. Thomas and J. Pompens. In the middle: For the translation, signed: D. P. Samerkoon, Interpreter. Below: In my presence, signed: P. G. de Vos, Sworn Clerk. Agreed. IJsbrandsz First Clerk 465 467 Today, the 10th of September 1792, appeared before me, Benedictus Lambertus van Zutter, Merchant and Secretary of Policy here: Sikander Mira Lebbe, Moor and inhabitant residing at Gintota, in the Galle Korale, 43 years of age, Who, at the requisition of the Right Honorable and Highly Esteemed Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of the Dutch East Indies, Governor and Director of the island of Ceylon with its dependencies, and through the translation of the mohandiram and sworn Sinhalese interpreter at the Secretariat of Justice here, Manuel Ferrando, declared: That on the occasion when the Company's areca nut gardens situated in the Galle Korale were farmed out, he rented some gardens in the Talpe Pattu and Gangaboda Pattu, and after some time had elapsed, or about 9 to 10 months ago, he went thither to have the areca nuts gathered. That while he was thus engaged in that very business in the village of Tellambura, situated in the Gangaboda Pattu on the border of the King's territory, there arrived one Kumarawel Walayden, being of the close relations of the recently deceased Waytenaden, who was Mudaliyar and Malabar interpreter at the gate of the Galle Commander, and which Kumarawel Walayden, as the declarant understood from various people, fled the Company's territory many years ago on account of a certain committed crime and settled down to reside in the village of Habarakada, situated in the King's territory and bordering on the aforesaid village of Tellambura, being married to the daughter of a lekama appuhamy of that village, who is already deceased. That 6

Dutch transcription

467 463 Heeden den 14 January Anno 1792. Is ter order van den Wel Edelen Gestrenge Groot Achtb: Heer Gouverneur Willem Jacob van den Graaff voor my Petrus Gerrardus de Vos, gezwoore klerk ten secretary van Politie alhier, Gecompareert: Simon de Silva, rente Schoolmeester van het dorp Wapselgam, gelegen in de gale Morle, oud 55 Jaaren en gereformeerd, den welke op der vertaa= ling van den mohandiram en tolk ter ge= melde Secretary Don Philip Samerekoon, verklaarde de waarachtig te weezen. Dat hy nu omtrend twee maanden en vyftien dagen geleeden in zyn schoot, dat naast de rivier staat, geweest zijnde, gezien heeft, dat een overdekte katteponeel, met goederen beladen van de kant van gale kwam en de revier ofwaarden, na de kant van Hinidoeme, die legd aan de liniet van tkonings, en sComps land, dog dat hy niet weet welke goederen daarin waaren en dat hy ook de menschen die daarop waaren, niet gekend heeft Dat hy nu by na twee maanden geleeden, terwyl hy in gemelde school was, aandermaal gegien heeft, dat nog twee overdekte katteponeels die meede met goederen belaaden waaren, en van de kuit van gale mwamen, de revier op na de kant van Hinidoense vaerden Dat hy niet weet waarin bestaan hebben de goederen die in gemelde twee katteponels te vinden waaren, dog dat hy op de kattaponeel die voor voor uyt noeyde gezien heeft 1 Een singabeese pnester die hem onbekend is 2 Haberehadde appoe, die een Kandiaan, wo achtig te Haberekadde in konings land, en getrouwt is, met een dogter van den Nanaje karaa Wilegodde appoe, inwoonder van het dorp oedelle matte, geleegen in de gaalsche gange baddepattoe 3 de tweede hoon van geme Wilegodel Appoe en 4o Een Zoon van Louis Mahedon, die in den Singaleeschen oorlog van 't Jaar 1760 met de korael van de Talpepattoe Deffapaike is, overgeloopen na de kandiaanen. Dat tien a twaalv daagen daarna, hy, toen hy zich in voors: school bevond, nogmaals gezie heeft, dat een vierde overdekte katteponeel belaaden met goederen, koomende van de kant Gale, Huidoeme waerds papseerende, maar dat hy met weet welke goederen in dezelve waeren en dat hy ook niet gehend heeft, de luiden die zich daarop bevonden hebben Betingende de Attestant wyders dat overdekte kateponeels niet anders worden gebruikt, dan by het voeren van luiden van aanzien en tot het belaeden van goederen van waarde gelijk kanneel. Nog verklaard de Attestant gezien te hebben 6 467 hebben, dat eenen Lohoe appoe, soon van koemare Willie bluttaer, vaders broeder van den mallabaarschen Modlaar te gale waytenaden, die ten tyde van den Heer Gaalsels kommandeur Samlant, te Baddegam op de Jagt een man per ongeluk dood geschooten, daarom uit's Comps land de vlugt genoomen, en 't zeedert gewoond heeft te kabere hadde in s Conings land, daer hy getrouwd is, met een zuster van voorsz: Haberchadde appo nu wat meer als een maand geleeden, over de bandweg Mapelgam gepasseerd is, koomende van de kant van Haberehadde en gaande na de mant van gale; Dat hy attestant hem Lohve approe eenige daagen daarnaar heeft wederom gezien, komende van de mant van gale en gaande na de kant van Haberehadde, en dat hy attestant gemelde Lokoe Appoe, nu omtrent 14 daegen geleeden ten tweedemaale heeft zien koomen van de kant van gale, gaande na de kant van Habere hadde, dog dat hy niet weet wanneer, of langs welke weg Lohoe appoe weederom is gegaen, na de kant van gale. Wyders verklaard de attestant dat hij niet weet dat te mapelgam eenige verbod zoude weegen teegens het opvoeren van hout na skonings land, dog dat hy nu eenige daagen 464 geleeden N:o: 25 geleeden van de Chaliassen gehoord heeft, dat zulk een verbod zoude zyn gegeeven. Eindigende hiermeede de attestant zyne Gegeevene verklaering, die hy betuigde te behelsen de oprechte en ruiwere waarheid Geevende voor reeden van weetenschap als in den text, overzulks beryd blyvende het geattesteerde met rede te bevestigen Aldus verklaard in 't kasteel kolom bo ten dage voormeld en ter presentie van de Klerken Christiaan Fredrik Hiomat. en Jurtinus Pompens als getuigen (geteekend:) J: de Silva /in margine / ons prezent /geteekend:/ C F Thomas en I Pompens. /in 't midden:/ voor de vertaaling /geteekend/ D: P: Samerkoon Tolk /lager /in myn kennis /geteekend) P G de Vos Geun Klerk Akhordeerd.— Hijbrands Egkeerk 465 467 Heeden den 10=e September 1792: Compeneerde voor my Benedictus Lambertus van Zutter W Koopman en Secretaris van Politie alhier. Sikander Mira hebbee, Moor en inwoonder alhier 3 inwoonder te Gindura, in de gale Morle, ond 43 Jien, Dewelke ter Requisitie van de WelEdele Groot Achtb. Heer Willem Jacob van de Graaff, Raad ordinair van Neederlands Jndia, Gouverneur en Directeur van het Eiland Ceilon, met dies onderhoorigheeden, en ter eertaaling van den molsandiram en gesnoore Singaleesche tolk ter Secretariys van Juntettie alhier Manuel ferrando., declareerde: Dat by geleegentheid sComps Arrecht tinnen, geleegen is de Gale korle, verpacht wierden, by eenige tinnen van de Talpepattoe en gangebaddepattoe gepacht, en zich naar verloop van eenige tyd, of uw omtrent 9 a 10 maanden geleeden, naar derwaards begeeven had om de Arrech te laaten plukken. Dat terwyl hy dus om eden dezelvde affaire zich bevond in 't Dorp Tallangale, leggende in de gangebaddepattie, aan de Annete van sConings Gebied, aldaar was gekoomen eene koemare wele welayden, zynde van de namaagschap van den onlangs overleedene wantenade, die geweest is modeliaar en mallebaarse tolk aan de porte van den Heer Gaalsche Commandeur, en welke koemare welen welayden, zoo by declanaat van deezen en geenen verstaan heeft, veele Jaaren geleeden weegens zeekere leedseevene misdaad uit sComps gebied gevlugt is en zich in 't dorp Habsehadden, geleegen in kkonings gebied en grensende aan voorsz: dorp Talleng alle met er woon nedergezet heeft, zynde getoond met de dogter van eenen leekamme, appoehann van dat doop die reets overleeden is. Dat 6

NL-HaNA_1.04.02_3975_1112 view scan ↗

English

That whereas he, the declarant, had previously served under Waytenaden Modliaar, and had also frequently gone to trade in the villages situated on the frontier, he had thereby become acquainted with the aforementioned Koemare Welen Welande; and that therefore the latter, meeting him at Tallangalle, and learning that he had brought tobacco and linen for sale and had left it behind in the village of Hinidoeme, had proceeded with him, the declarant, to Hinidoene. That on the way to Hinidoene he had spoken with the other, among other things about the aforementioned Waytenaden Modliaar, and that the said Koemare Welen Welande had then related to him, the declarant, that when he had been in Gale about three months ago, Waytenaden Modliaar had given him an ola, which he said he had received from the Honorable Galle Commander, and which ola Waytenaden had requested him to bind in a neckerchief around his body, and with the greatest caution to carry and deliver to a certain Kandyan Dessave whose name has slipped the declarant's mind; and that Waytenaden had promised him in return a Jaffna bampaai, a shawl, a neckerchief, and eight koppens, but that upon returning after the delivery of the ola he had received nothing, but in the meantime had expended 18 schellingen. That arriving at Hinidoene, Koemare Welen Welande, having purchased some pieces of linen and some tobacco from him, the declarant, returned again to Habrekadde. That he, the declarant, having again proceeded to the villages about three months ago in order to transport the assessed areca to Gale, had among other places also been in the village of Hinidoeme, and there on a certain day being in conversation on this side of the river with the eldest son of the sister of Waytenade Modliaar, who lives on the opposite side of the river, yet however on the Company's territory, and is called Ambagodde Loku Appuhamy, he had seen two Kandyans on the lower side of that river, of whom one was well dressed and wore a Sinhalese hat on his head, but the other was a coolie carrying two bags, going to the house of the youngest son of Waytenaden his sister, who indeed lives next to the house of the eldest brother, but on the King's territory, and alternately performs the service of Lekam at Habrekadde, being named Ambagodde Bala Appuhamy. That he, the declarant, thereupon asking the eldest son, who as said was in conversation with him, what sort of Kandyans those were, the latter, because there were still some people present, had called him somewhat aside and related that they had come from Kandy to deliver an ola to Waytenaden Modliaar, in answer to a certain ola sent by him to Kandy some time ago, but that learning from him that Waytenaden was already dead, they went to the house of his brother to spend the night there and return to Kandy the following day, and that the foremost of them was named Sittanwadaname; requesting him, the declarant, at the same time to keep this secret and reveal it to no one. Thus declared in the Castle of Colombo, on the day aforesaid. Signed with a Moorish signature. In the margin: for the translation, signed: M: Fernando Moh: and sworn interpreter. In the middle: to my knowledge, signed: B: L: van Zitter, Sec: Agreed, Wijbrands, clerk. Number 26. Today, the 2nd of October 1792, appeared before us, the undersigned Members of the Political Council here, Hitti Appuhami, residing in the village of Habrekadde, under the Kandyan territory, aged over 50 years, and Barniewelle Lienage Madduma Appu, residing in the village of Ambagodde, also situated in the King's territory, aged over 50 years. Who, at the requisition of the Right Honorable Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of the Netherlands Indies, Governor and Director of the island of Ceylon, with its dependencies, and through the translation of the Mohandiram and sworn Sinhalese interpreter of Justice, Manuel Fernando, declared: The first declarant, that to the best of his recollection, now over a year ago, he was summoned to Gale by his cousin Waytenaden, who was a Modliaar and Malabar interpreter at the gate of the Honorable Galle Commander. That he had thereupon proceeded thither, and arriving at the house of Waytenaden, the latter had requested him to carry an ola to Habrekadde and subsequently to deliver the same, together with one Habrekadde Appuhamy, who has since died, to Eknelligodde Ralahamy, former Basnayake of Saffragam. That he, the declarant, having expressed his willingness thereto, was called by Waytenaden and taken along to the town, up to the stoop of the residence of the Honorable Commander; that Waytenaden went inside the house there, and coming out onto the stoop afterwards, handed over a folded and sealed ola to him, to go and deliver it as stated hereinbefore. That he, however, on account of high water, for about eight days

Dutch transcription

Dat terwyl hy declarant te vooren by waytena modhaar gediend had, en ook meenmaals on handel te dryven in de dorpen, geleegen aan liniet, geweest was, hij daardoor in kennis was geraakt met voorm Boemare Welen Wela en dat daar om deezen hem op Tallangale ontm =tende, en verneemende dat hig taback en lywaa te koop gebragt en in 't dorp Minedoem Agterge laaten had, zich met hem declarant had begee na Hinedoene Dat hy op weg naar Hinedoene met den anderen hadde gesprooken, onder anderen over voormelde waytenaden modliaar, en dat toe gedagte koem welen welande aan hem declarant had verhald dat by toen omtrent drie maanden to gleeden, te ge geweest zynde, wagtenaden mothaar heme ola had gegeeven, die hy zeide gekreegen te hebben de Heer Gaalsch Commandeur, en welke ola Wayten hem had verzogt in een neusdoek om zyn lyf te binden, en met de grootste voorzigtigheid te bre en bestellen aan Zeekeren Bandiaschen Depave wien naam de declarant ontschooten is, en dat we tenaden hem daarvoor beloofd had een Jeffenasche bambay, een sjalde, een neusdoek en acht hopgen, dog dat hy na de bestelling van de dla terug koom niets gekreege had, maar onder tusschen 18 schelling had veronkortigd Dat zy te Hine doene koomende, koemare welen wel eenige stukken lywaat en wat tabak van hem declar was gekogt hebbende, weder naar Habschadde terug geheerd. Dat by declarant nu omtrent drie maanden geled zich weder naar de dorpen begeeve hebbende, om de opgelegde Arreek naar gale te vervoenen, onder and ook was geweest in 't dorp Menedoemen, en daar op Zeekeren 467 6 zeekeren dag aan deeze zyde van de rivier in Gestrick zynde met de oudsten Roon van de Zuiler van waytenade modhaar, die aan de overzyde van de rivier, doch egter op sComps gebied woon= Achtig is en Ambagsdde Lohde appoehanie genaamd word, aan de ondeer kant van die rivier twee Kandiaane, waarvan de eene wel gekleed was, en een singaleesche hoed op 't Hoofd had, doch de andere een koeli was, draagende twee zakken, had zier gaan naar 't huis van de Jongste zoon van waytenaden zyn ruiter, die wel naast t huis van den oudsten broeder, doch op 's konings gebiend woond, en beurtelings den dienst van Lechamme te Habrehadde doet, zynde genaamd, Ambagod de Bale appoehain Dat hy declarant daarop de oudste zoon, die als vraagende gezegd met hem in gesprek was, wat liet voor Kandiaanen waaren, deeze hem, toen, wyl er nog eenige menschen present waaren, wat ter zyde ge= hoepen en verhaald had, dat ze van Kandia gekomen waaren om aan waytenaden modlicar een ola over= tebrengen, in antwoord op zeekere dla door hem eenige tyd geleeden naar kandra gezonden, doch dat zy van hem verneemende dat wan tenade reets gestorven weis, naar 't huis van zyn Broeder ginge, om daar te vernachten en 's anderen daags naar handia terig te keeren, en dat de voornaamste van hun genaamd was sittaawaddenamine Verzoekende aan hem declarant teffens om zulks geheim te houden en aan niemand te openbaaren Aldus gedeclareerd in 't barteel bosombo, ten dage voorz: /was geteekend/ met een moorse handteekening /in margine:/ 466 vaar voor de vertaaling /was geteekend/ M: bernando Moh: en geen tolk / in 't midden) in mijn kennis /was geteekend/ B L van hitter Seet Accordeerd. Wijbrands egkeerk N:o: 26: 467 Heeden den 2: October 1792:, compareerden voor ons onder„ „geteekende Leeden van den politieken Raad alhier. Hitti Appoehami, woonagtig in 't dorp Wabbre Kadde, onder 't Randiasch gebied, oud ruim 50: jaaren, en Barnievelle Lienage Maddoema Appoe, woonagtig in het dorp Ampagodde, meede in 's konings gebied geleegen, oud ruim 50: jaaren. De welken ter requisitie van den WelEdelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaff, Raad Ordinair van Neederlands Jndia, Gouverneur en Directeur van 't eijland Ceilon, met dies onderhoorigheeden, en ter vertaaling van den Mohandiram en gezw: singaleesche tolk van de Justitie Manuel Fernando, declareerden: De eerste deplarant, dat hij naar zijn best onthoud nu ruim een jaar geleeden, door zijn neef Waijtenaaden, die modliaar en mallabaarsch tolk aan de porta van den Heer Gaalsch Commandeur geweest is, naar Gale was ontbooden. Dat hij zig daarop derwaards begeeven had, en ten huijze van Waitenaaden koomende, deeze hem verzogt had eene ola te brengen naar Wabrehadde en dezelven vervol„ „gens met eenene Wabrekadde Appoehamie, die zeedert gestorven is, te bestellen aan Jknelligodde Raalehamij, geweeten Barnaike van Saffergam. Dat hij declarant zijne bereedwilligheid daartoe betuigd hebbende, door Waijtenaaden geroepen en meede genoomen was naar de stad, tot voor de stoep van de wooning van den Heer Commandeur, dat Waitenaaden aldaar binnen 't huijs geweest is, en daarnaa buiten op de stoep koomende, eene toegevolde en verzeegelde ola aan hem heeft overge„ „geeven, om als hier vooren gezegd te gaan bestellen. Dat hij zig egter weegens hoogwaeter omtrent een agt daegen

NL-HaNA_1.04.02_3975_1116 view scan ↗

English

days had had to remain in Gale, after which he had proceeded to Wabra kadde, from where, accompanied by the aforesaid Mabrekadde appoehamij, he had gone to Iknelligodde and delivered the ola to the aforesaid Raale hamij, who was then still serving as Basnaijke. That the latter, having opened and read the ola, had told him to go away, and that he would send the reply later, whereupon he had returned to his home village of Wabrekadde. The second declarant, that approximately five months ago now, he had been summoned to Gale by his uncle Waitenaden, who was a mudaliyar and Malabar interpreter at the gate of the Honorable Galle Commander. That upon his arrival in Gale, he had been called by Waitenaaden and brought before the Honorable Commander, in whose presence Waitenaaden had handed a folded and sealed ola to him, the declarant, with the request to bring the same to Barniwelle, and from there, accompanied by the lekamme or writer of Barniwelle, to bring the same to Ellepahate and deliver it to Attepattoe Basnaijke, who had become Basnaijke in place of the aforesaid former Iknelligodde Basnaijke. That having accepted this, he had directly proceeded to Barnewelle, and from there, accompanied by the aforesaid Lekamme, had brought the ola to Ellepahate and delivered it to the aforesaid Attepattoe Basnaijke. That the latter, having opened and read the ola, had said that he would send a reply thereto, whereupon he had returned to his home village. That now about 2½ months ago, two Kandians had come to his village, who said that they were going to Gale to bring an ola from a Kandian Grandee to Waitenaaden, but that, learning that Waitenaaden had already died, they had not continued their journey, but had returned immediately, taking the ola with them. Thus declared in the castle of Kolombo, on the date aforesaid, and in the presence of the Honorable Members Johannes Reintous and Benedictus Lambertus van Zitter, who signed the minute hereof along with the declarants, the sworn interpreter, and me, the secretary. Below stood: Which I attest. Signed: B: L: van Zitter, secretary. Agrees. Sijbrands Vrijberk Today, the fifth of October in the year 1792, appeared before us, the undersigned Members of the Political Council, the declarants named in the foregoing Declaration, to whom the same, pursuant to the resolution adopted yesterday in the Council of Ceylon, having again been clearly read out in translation by the sworn interpreter of Justice, Manuel Fernando, they persisted therein, desiring no alteration. Subsequently, the following questions having been put to the declarants, they answered them as is noted beside each article: Question: To whom the person of Habrekadde appoehamij is married? The first declarant says: to the daughter of the writer of Baddegama, whose name is unknown to him. The second declarant answers the same as the first declarant. Question: To whom the sister of the aforesaid Habrekadde appoehamij is married? The first declarant says: to himself, the declarant. The second declarant says: to the first declarant. Question: Who it is that is named Ambagodde de Koe Appoehamij? The first declarant says: the second declarant. The second declarant says: he, the declarant himself. Question: Who it is that is named Ambagodde Raale appoehamij? The first declarant says: the second declarant's youngest brother. The second declarant says: that it is his youngest brother. Thus recalled, persisted in, questioned, and answered in the Castle of Kolombo in the presence of the Honorable Members Johannes Reintous and Adam de Lannoij. Was signed with two Sinhalese signatures. In the margin: In our presence. Was signed: J: Reintous, A: de Lannoij. Below it: For the translation, signed: M: Fernando, mohandiram and sworn interpreter. In the middle: Known to me, was signed: B: L: van Zitter, Secretary. Agrees. Sijbrands Vrijberk No: 27: Colombo Separate To the Right Honorable, Valiant, Highly Esteemed Sir, Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies, together with the Council. Right Honorable, Valiant, Highly Esteemed, High and Mighty Sir! I have had the pleasure of receiving Your Right Honorable's separate letter of the 6th of this month, together with the Declaration mentioned therein, made by Hittie Appoehamij, inhabitant of the village of Habbrekadde under Kandian territory, and by Barniwelle Liennege Madoema Appoe, inhabitant of the village of Ampagodde, also in the King's territory, dated 2 August, taken at the requisition of the Right Honorable Governor van de Graaff, and recalled on the 5th thereafter. I thank Your Right Honorable very much for the transmission of the latter, and shall provide a full reply thereto as soon as Your Right Honorable, which I hereby very humbly request, will please inform me what actually gave rise to obtaining these declarations, and at the same time will allow to reach me such further declarations as I believe I must infer from the one sent to me to have been taken in this matter, whereupon I shall subsequently give satisfactory clarification and demonstrate the falsehood thereof. I have furthermore the honor to be with all high esteem, Right Honorable, Valiant, Highly Esteemed, High and Mighty Sir! Your Right Honorable's very obedient servant. Was signed: I:s Sluijsken. In the margin: Gale, the 9th of October 1792. Agrees. Sijbrands Vrijklerk No: 28.

Dutch transcription

daegen te Gale had moeten ophouden, waar naar hij zig naar Wabra kadde begeeven hebbende van daar, verzeld van voorm: Mabrekadde appoehamij, naar Jknelligodde gegaan was en de ola aan voorm: Raale hamij, die toen nog als Basnaijke fungeerde, bestald had. Dat deeze de ola geopenden geleesen hebbende, hem gezegd had heenen te gaan, en dat hij 't antwoord naader zoude zenden, waarop hij na zijn woondorp Wabrekadde terug gekeerd was. De tweede declarant, dat hij nu naargissing ruim vijf maanden geleeden, door zijn Oom Waitenaden, die modliaar en mallabaarse tolk was aan de porta van den Heer Gaalsch Commandeur, naar Gale ontboo„ „den was . Dat hij bij zijne komste te Gale, door Waite„ „naaden was geroepen en gebragt bij den Heer Comman„ „deur, in wiens presentie, Waitenaaden een toegevolde een verzeegelde ola aan hem declarant had ter hand gesteld, met verzoek, om dezelve te brengen naar Barniwelle, en van daar verteld van den tekamme of schrijver van Barniwelle, dezelve te brengen naar Ellepahate en te bestellen aan Attepattoe Basnaijke, die Basnaijke ge„ „worden is in plaats van voorm: geweeten Jkneldogodde Baspaike. Dat hij dit aangenoomen hebbende, zig di„ „rect naar Barnewelle begeeven, en van daar, verzeld van voorm: Lekamme, de ola naar Ellepahate gebragt en aan voorsz: Attepattoe Basnaike besteld had. Dat deete de ola. geopend en geleesen hebbende, gezegd had daarop antwoord te zullen zenden, waarop hij naar zijn woondorp was terug gegaan. Dat nu omtrent 2½: maanden geleeden 2: kandiaanen on zijn 468 zijn doop waeren gekoomen, die zeiden dat ze naar Geele gingen, om een ola van een kanviasche Groote aan Waitenaaden te brengen, dog dat zij toen, vernee„ „meede dat Waitenaaden reets gestorven was, hunne reis niet vervolgd hadden, maar direct terug gekeerd zijn en de ola meede genoomen hadden. Aldus gedeclareert in 't kasteel Kolocbo, dato voorsz:, en ter presentie van de E=e. Leeden Johannes Reintous en Benedicties Lambertus van Zitter, die de minuute deezes, nevens de declaranten den getw: tolk en mij secretaris hebben onderteekend. /: Onderstond:/ 'T welk Getuigd. /geteekend /. B: L: van Zitter secrat:s Accordeert. Hybrands VEibeerk Heeden den vijfden october Anno 1792 Kompa b: Leedede reerde voor wig de ondertenoemene Caa den Polietieke Raad, de declaranten genoemzi bij 't voorstaande Declaratoir, aan de welken 't zelve, ingevolge genoomen besluit in Raade van Ceilon op gisteren, ter vertaling aan de gesw: tolk van Justettie Manuel fernando„ weder diidelyk voorgehouden zynde bleeven zij daarbij persuteeren, zonder verandering te begeeren: Vervolgens om de declaranten gedaan zijnde de volgende vraagen, hebben zij daarop zoo nig g'antwoord, als bezyde elk articul noteerd word: de Eerste declarant zegt met de dogter Met wien de Perzoon van H van den schrijver van Baddegamareus brekadde appoehanij ge naam hem onbekend is. trouwd is. De tweede declarant antwoord als De de Eerste De Eerste declarant zegt met met wien de Lasten aan voorm: hem declarant zelve Habrekadde appoehanij getrou De tweede declarant zegt met den Eerste declarant. is! de Eerste declarant zegt de tweede wie 't is die ambagodde de declarant. Koe Appoehamij genaemd De tweede declarant zegt hij declarant zelve. word! d 2 469 de eerste declarant zegt des tweeden Wie 't is die ambagodde declarants Jongste Broeder. Baale appoehamij genaemd De tweede declarant zegt dat 't word zijn Jongste Broeder is. Aldus gerecalleerd, gepessisteerd, gevraagd en beantwoord in 't Casteel Kolombo, gevraagde beantworden 't Casteel kalomba ter presentie van d E: Leeden Johannes Reintous, en Adam de Lannaij /was getekend /: met twegen/ twee singaleesche handteekeningen /: /:inmargine /:ons present /: was getekend W:t J: Reintous, A: de Lannoij /:daar on„ der (: voor de vertaling /:getekend /: M: Fernando moh: en gesw: tolk / in 't midden/ in mijn kennis /: was getekend /: I: L: van Zitter Secretaris Sijbrands Segreerk Akkordeert 4 No: 27: 470. Colombo Appart Aan den wel Edelen Gestrengen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaff Raad ordinair van Neederlandsch India, Gouverneur en Direkteur van 't Eiland Ceijlon, met dies onderhoorigheeden, Neevens den Raad Wel Edele Gestrenge Groot Achtbaare Hoog Gebieden„ „de Heer! Ik heb het genoegen gehad te ontvangen uwel Edele Gestrenge groot Achtb: Apparten brief van den 6. deezer, nee„ „vens het daar bij vermelde door Hittie Appoehamij inwoonder van het Dorp Habbrekadde, onder het Candiasch gebied, en door Barniwelle Liënne „ge Madoema Appoe, inwoonder van het Dorp Ampagodde, meede in des konings-gebied, in dato 2. Aujus, ter requisitie van den wel Edelen Heer Aorvooris Gouverneur Gouverneur van de Graaff belegde e op den 5. daar aan gerecolleerde De „claratoir: Ik bedank uwel Edele Gestrenge groot Achtbaare voor bezorging van het laatste heel ve en zal daarop volleedig in Andwo dienen, zoo draa uwel Edele ge „strenge groot Achtb: /: waarom i bij deese seer nedrig verzoeke: ( om zult gelieven te onderrigten, wat e „gentlijk aanleiding gegeeven hee tot het inwinnen van deese ver „ringen en teffens wilt laaten toek men zoodanige nog meerder beleg verklaaringen als ik vermeene uit deeze aan mij toegesonde te moe „gen opmaaken, dat er in deeze zal zijn belegd, wanneer ik vervolgens voldoende opheldering zal geeven de valscheid daar van aantoonen Ik heb voorts de eere met alle ho agting te zijn /:onderstond / wel Edele Gestrenge Groot Achtba „re Hoog Gebiedende Heer! dororvormerts uwel Edele 471. uwel Edele gestrenge groot Achtb: zeer gehoorsaamen Dienaar /:was ge„ „teekend / I=s sluijsken /:in margine:/ Gale den 9. oktober 1792. Akkorteert Dijbrands Eijklerk No: 28.

NL-HaNA_1.04.02_3975_1127 view scan ↗

English

Separate secret to Colombo To the Right Honorable, Rigorous, Highly Esteemed Lord! Willem Jacob van De Graaff, Ordinary Councilor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies, Besides the Council. Right Honorable, Rigorous, Highly Esteemed, High Commanding Lord. I thank Your Right Honorable, Rigorous, Highly Esteemed very humbly for the requested deposition sent to me with the letter of October 25, which was said to have been taken on September 10 last, and which I hoped would provide me with an indication of what gave rise to the taking of two other false depositions by Plittie Appuhamy, inhabitant of the village Habaracadde, under the Kandyan territory, and by Barnewille Lienege Maduma Appu, inhabitant of the village Ampagodde, further into the King's territory, executed on October 2 at the requisition of the Right Honorable, Highly Esteemed Lord Governor Van De Graaff, and which were sent to me with the letter of the 6th following. In this last-sent copy of the deposition, nothing can be seen as to who the deponents are, nor before which official clerk this deposition was taken, nor whether it was recollected and before whom; thus it is impossible for me, principally because of the former, to trace the origin and what, or who, may have moved, or could have moved, the deponent to make these false depositions, as I must consider them, and as will also be found upon a close investigation, just as the others truly also are, and as can be clearly seen from the depositions annexed hereto by the second surgeon of the Dutch hospital, Ludovici, and other native physicians, who had already treated Waijtenaden before him, Ludovici. How can one also, without harboring a malicious heart, suspect that a man who for more than 45 years, as Mudaliyar at the Galle Gate, has irreproachably performed his official duties, at a time when all correspondence with the highlanders was so strictly forbidden, would have sent, without my foreknowledge, any olas or letters to the borders; except those which, addressed to his family, could be dispatched without any mystery and breach of duty. Whether any olas, which could not bear the light of day, would have been sent to the highlands by Waijtenaden on my orders, as the false depositions would like to suggest, has never, I hope, and will never enter the mind of Your Right Honorable, Rigorous, Highly Esteemed, given the trust which Their High Honors are pleased to show me, and given the proofs which I have given from time to time of my zeal for the Master's interests, and I thus consider it entirely unnecessary to add anything further in this regard. While I assure Your Right Honorable, Rigorous, Highly Esteemed, on the oath taken to the country, that the only olas sent by Waijtenaden on my orders are: a letter ola to Waijtelingen concerning horses, a letter ola to Muttupulle Mudaliyar, likewise concerning a horse, and then another to the Basnayake of Sabaragamuwa in the late part of 1789, or in the beginning of the year 1790, for the purpose of obtaining more areca nut here in Galle, concerning which inquiries were made by the Colombo letter dated February 20, 1790, and answered from Galle, among other things, by the letter of February 23, 1790. May it further please you to take it in good part that I take the liberty of presenting herewith to Your Right Honorable, Rigorous, Highly Esteemed a copy of an interlocutory decree of the Council of Justice in Colombo, passed on March 29, 1672; from this Your Right Honorable, Rigorous, Highly Esteemed will see that in those times such villainous tricks as the seeking out of false depositions were also practiced, yet did not pass unpunished, and I do not doubt, if Your Right Honorable, Rigorous, Highly Esteemed sees fit to have everything in this matter also handled judicially, that Your Right Honorable, Rigorous, Highly Esteemed will very soon discover the origin and cause of all these false accusations against Waijtenaden or whoever it may be, and make an example of these deponents and their instigators, who in my opinion might easily be descendants of Waullige Dillia, whereby others may be deterred from practicing that dangerous and villainous trade, or from allowing themselves to be used for it. With the dutiful sentiments of high esteem, I have the honor to be, Right Honorable, Rigorous, Highly Esteemed, High Commanding Lord, Your Right Honorable, Rigorous, Highly Esteemed's very obedient servant, signed: Sluijsken. In the margin: Galle, November 2, anno 1792. Agrees. Brand, Clerk. No. 29.

Dutch transcription

472 Appart secreet a Colombo Aan Den Wel Edelen Gestr: Groot Achtb: Heer ! Willem Jacob van De Graaff, Raad ordinair van Nederlands India, Gouverneur en Direkteur van het Eijland Ceijlon, met dies onderhoorigheeden, F Nevens Den Raad. Wel Edele Gestrenge Groot Achtbaare Hoog Gebiedende Heer. Jk danke uwel Edele Gestrenge Groot Achtb: Zeer nedrig voor de mij toegezonde ne bij brief van den 25. oktober, verzogte verklaering, die op den 10. September J=o L=n p zouden zijn belegd, en die mij aanwijzing o zoude doen, zoo ik hoopte, wat aanlijding heeft gegeeven tot het beleggen van nog twee andere valsche verklaeringen door Plittie m Appoehamij Appoehamij, inwevonder van het Dorp Ha berekadde, onder het kandias gebied, en door Barnewille Lienege Madoema Assoe, in woonder van het dorp Ampagodde, meer in 'skonings gebied, in dato den 2. oktob ter requisitie van den wel Edelen Groot Agtb: Heer Gouverneur Van De Graaff gepasseerd, en welke mij bij brief van den 6=e daar aan zyn toegesonden. Bij deeze laastgezondene Copij verklaering is niets te zien welke de Declaranten is, nog voor welke beamptschrijver deeze ver klaering is belegd, nog ook niet of dezelve en voor wien is gerecolleerd; dus is mijoo niet doenlijk, om de wille van het eerste vo namentlijk te kunnen naspeuren de oor spronk en wat, of wie moogelijk den Declarant heeft bewoogen, of kunnen beweegen tot het doen van deeze valsche verklaeringen, gelijk ik dezelve moet aan merken, en bij een naeuwkeurig onder zoek ook zodanig zal bevonden word Evengelijk de andere weezendlijk oek zijn 50 vr 473 zijn, en blijkbaar te zien is uijt de hiernevens leggende verklaeringen door den tweeden Chirurgijn uit het Nederlandsch hospitaal Ludovici en nog andere inlandsche ge= neesmeesters, die al voor hem Ludovici over Waijtenaden gepractizeerd hebben. Hoe kan men ook, zonder een kwaedden kend hart te voeden, vermoeden, dat een man, die ruijm 45. Jaaren, als Modliaar aan de Gaalsche porta, onbesprooken zijne ampto„ pligten heeft verrigt, op een teidstip, wanneer alle Correspondentie met de bovenlanders x zoo strikt verbooden was, buiten mijne voorkennis, eenige olassen of brieven, naar de limieten zouden gezonden hebben; als die, welke aan zijne familie gerigt, zonder eenige misterie en pligtkrenking konde afgeraek= digd worden. of nu eenige olassen, die het ligt niet konde veelen, door Waijtenaden op mijne order naar de boven landen zouden gezonden zijn, gelijk de valsche verklaeringen willen ƒ te kennen geeven, is, of zal hoop ik; nim= mer bij uwel Edele Gestrenge Groot Agtb: kunnen kunnen opkoomen, na het vertrouwen wel ke hunne Hoog Edelheeden mij gelieven te betoonen, en na de blijken welke ik van mijne Lugt voor Smeesters belangen van teid tot heid gegeeven hebbe, en agt het dus geheel onnoodig desweegens hier bij te voegen Terwijl ik uwel Edele Gestrenge Groot Achtb: op den Eed aan den Lande gedaan verzeekere, dat de eenigste vlassen door Waijtenaden of mijne order verzonden, zijn, als: Een brief ola aan Waijtelingen weegens paerden, een brief ola aan Moet toepoelle modliaar, almeede weegens een paard, en dan nog een aan den Bas„ naijke van Saffregam in het laatst va 1789., of in het begin van het Jaar 1790, ter erlanging van meerder alteek hier te Gale en waaromtrend bij Colombosche brief in dato den 20. februarij 1790. is aenvraege ge daen, en van Gale onder anderen bij brie¬ ve van den 23. februarij 1790: is geantwoord Gelieft mij verders ten besten te duijden, dat ik de vrijheid neeme hiernevens uwel Edele Ge= strenge Groot achtbaare aantebieden Een Copia he 474 Copia Appoinktement, van den Raad van 6/8 Iustitie te Colombo, geslaegen op den 29. maart 1672. , uit dezelve zullen uwel Edele gestrenge groot Achtbaare Zien, dat er in den teid ook zodaenige fielte streeken als het opzoeken van walsche verklaeringen is gepractizeerd, dog niet ongestraft gepasseerd wierden, en ik twijffele niet, zoo uwel Edele Gestrenge groot Achtb: goedvind in deezen ook alles o, Iustitieel te doen behandelen, of uwel Edele Gestrenge Groot Achtbaare zal wel haast de oorspronk en oorzaak van alle deeze valsche beschuldigingen teegen Waijtenade of wre het mogte zijn, ontdekken, en aan deeze declaranten en hunne Instigateurs, die na mijn gevoelen wel ligt afkoomelin„ gen van waullige Dillia konde zijn, een voorbeeld kunnen statueeren, waar door an¬ dezen afgeschrikt worden om dat gevaar= lijke en Fielte mitie te oeffenen, of zig daar toe te laaten gebruiken. Met de verpligte gevoelen van hoog agting heb ik de eede te zijn /:onderstond:/ wel Edele Gestrenge Groot Achtbaare Hoog Gebie= =dende geor dende Heet Pouw wel Edele Gestr: groot gehoorzaemen Dienaar /: Achtb: Zee sluijsken /:in marginie:) tekent: ge 792: e2=e November Anna 17 G Akkor rdeert rands Klerk N: 29:

NL-HaNA_1.04.02_3975_1135 view scan ↗

English

Translation of the Sinhalese ola letter, written by Gallegodde Poentje Raale, residing in the Matara Dissavony, to the Basnaike of the Sabaragamuwa Temple. After preceding compliments. Because I have been informed from Kandy that commandos have been dispatched from Colombo to Sitawaka, Hanwella, and Attanagalla, and also regarding what needs to be done about the roads, six well-dressed messengers must immediately upon seeing this matter be dispatched, two by two, to the Mohandiram of the Matara Kandebodapattu, to the Mohandiram of the Magampattu, and to the Second Mudaliyar of the Giruwapattu, in order to clearly inform them that orders have been received from the Great Court to incite an uprising in the Matara Dissavony. As soon as this is made known, I shall cause the entire Matara Dissavony to rise up together. When this is done, the aforementioned commandos will be sent to this side, whereupon one can do on that side whatever one wishes. Furthermore, it is a matter well known to the high official, the Galle Commander, who serves me in place of a mother, that while during the time of Governor Falck the matter of the cinnamon prohibition was communicated to Batavia, and directives were thereupon sent to return the districts to the Great Court, the said Lord Governor in the meantime had died. When this Governor arrived and accordingly wished to return the districts, the beef-eating Maha Mudaliyar, without affording an opportunity for it, gave the wicked counsel that by sending various things to the Great Court, the districts could be retained. Of this matter I sent word two or three months ago to our high official, the Adigar. Therefore, I think that if haste is not made with the aforesaid matter, it will turn out badly. If this confusion arises without returning the district, and the Company is driven to great expense, it is certain that the Governor will be replaced. If it happens thus, the high official, the Commander who favors me, will obtain the government, and the Great Court will also obtain the district without hindrance. Because I received a message from the Dissave Lewke to inform you, this matter has been written and dispatched by Gallegodde Poentje Raale, residing in the Matara Dissavony. At the head of the said ola was signed in Sinhalese: Gallegodde Poentje Raale. Below was written: for the translation, Colombo, the 7th of October 1791. Signed: B. L. van Zitter, Secretary. In the margin: for the translation, signed: M. Fernando, Mohandiram and sworn interpreter. Below was written: Agrees, signed: B. L. van Zitter, Secretary. Wybrants, Vigkler. Agrees. Number 30. Extract from the Secret Resolution taken in the Council of Ceylon. Tuesday, the 23rd of October 1792. The Lord Governor communicated to the meeting that a cinnamon peeler had come on the 6th of this month to report that a certain Korale of Mahambekanda had requested him to deliver an ola from the Dissave of Sabaragamuwa to the Commander of Galle, and that he had agreed to do so, but had requested a delay of a few days for that purpose, as appears from a note taken thereof on that day by the Secretary. That His Honour had sent the said cinnamon peeler back with orders to return to this Korale and show himself ready and prepared for it, and that he returned here yesterday, bringing with him an ola which he states to have received from the aforesaid Korale, in order to go and deliver it, along with a Kandyan named Poentje Raale, to the Commander of Galle, as appears from the note taken thereof by the Secretary, in which the translation of the aforementioned ola is also inserted; and that His Honour subsequently caused a declaration regarding the entire circumstance of this case to be made by that cinnamon peeler before two members of this meeting, which notes and declaration were subsequently read out by the Secretary by order of His Honour, and found to be of the following contents: Today, the 6th of October 1792, I, Benedictus Lambertus van Zitter, Merchant and Secretary of Police here, upon the summons of the Right Honourable Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of the Netherlands Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies, presented myself to His Honour at the Government House, where I found the cinnamon peeler Miette Oesappoewa, who, at the requisition of His Honour and through the translation of the Mohandiram and sworn Sinhalese interpreter of Justice, Manuel Fernando, declared: That having his peeling shed close to the boundaries of Sabaragamuwa, he was accustomed now and then to cross into Sabaragamuwa in order secretly to peel cinnamon in the forests lying near the boundaries, which was connivingly permitted to him by the Korale of Mahambekanda, who had known him from earlier years. That this Korale had sent a request to him, the declarant, seven days ago to present himself in one of the aforesaid Sabaragamuwa forests, because he, the Korale, needed urgently to speak with him. That he, the declarant, thereupon went to the appointed place and found the aforementioned Korale there. That this Korale had first asked him whether it was true that the Lord Commander of Galle had obtained a foreign government, and that he, the declarant, had replied thereto that he had also heard so, but could not say with certainty whether that news contained the truth. That the Korale had subsequently asked him whether he would be willing to go and deliver an ola from the Dissave of Sabaragamuwa to the aforementioned Lord Galle Commander, with the promise that if he did this and brought back the answer, he, the Korale, would give him, the declarant, two bundles of cinnamon, and that he, the declarant, had replied thereto

Dutch transcription

475 Naar voorgaande Complimenten Wijl mij van kandia bericht is, dat van Colombo Con„ mandes gezonden zijn naar sitevaka, Hangwelle en At„ negal, en ook wat dient weegen gedaan moet worden, zoo moet aanstonds op het zien van deeze zaak, ses welge„ kleede Boodschappers „ twee en twee, gezonden worden aan den Mohandiram van de Matureesche kandebadde„ =pattoe, aan den mohandiram van de Magampattoe, en aan den tweeden modliaer van de Gierie wai pattoe„ om hun duijdelijk bekend te maaken, dat van 't groo„ „te Hof order bekoomen is, om in de Matureesche dessa„ vonie een samenrotting te verwekken, zoodra dit be„ kend gemaakt is, zal ik de geheele Matureesche dessavonie doen te zaemen rotten. Als het dus geschied, zullen de voorm: Commandos naar deeze kant gezonden worden, als wanneer men aan die kant doen kan wat men wil, Behalven dat is het eene zaak, dat de mij in plaats van moeder strekkende Gaalsch Commandeur groote Amptenaar wel bekend, is, dad terwijl in de tijd van den gouverneur Falck de zaak van 't verbod van de kaneel na Batavia bedeeld is, en daar op aanschrijvens gezonden wierd om de Districten weeder aan het Groote Hof te rug te geeven, Gemelde heer Gou„ verneut intusschen was gestorven. toen deeze Gouverneur was gekoomen in de districten, ingevolge van dien, wilde terug geeven, heeft de Rundvleesch eetende Mahamod„ liaat, zonder daartoe geleegentheid te geeven, de kwaa„ de raad gegeeven, dat met het een en ander aan het groote Hof te zenden, de districten konde worden be„ houden, van deeze zaak heb ik aan onzen Adigaar„ maal groote Amptenaar, twee a drie maanden bericht ge¬ Translaat singaleesche brief ola, door gallegodde Poentje Raale, woon„ agtig in de Matureesche Dessavonie, geschreeven aan den Basnaike van den saffergamschen Tempel. zonden mi: „zonden: Daarom denk ik, dat zoo er met de hier voor gezegde zaak geen haast gemaakt word, het kwalij afloopen zal; Jndien zonder het district te geeven deeze verwarring ontstaat; en de Compnie op ko wierd gejaagd, is het zeeker dat de Gouverneur worden verwisseld; Als het zoo geschied, zal de mij =gunstigende Commandeur Groote Amptenaar t gouverneurent krijgen, en het groote Hof zal o het district zonder verhindering krijgen, om de ik van leeuke Dessave boodschap heb gekreegen aan u de weet te geeven, is deeze zaak geschree ven en gezonden door den in de Matureesche Desfaronie onthoudend Gallegod de Poentje Ra :/ Aan het hoofd van gemelde ola was in het si galeesch geteekend:/ Gallegodde Poentje raale / onderstond:/ voor de Translaatie kolombo de 7. oktober 1791. /:was geteekend:/ B: L: van zitter seceetaris /:in margine:/ voor de verta ling /:geteekend/ M: Fernando Moh: en g: tot /:onderstond:/ Accordeert /:was geteekend:/ B: Z van zitter secretaris —. Wijbrants Vigklers Akkordeert — No: 30: 4 v6 Dingsdag den 23. ' oktober 1792. De Heer Gouverneur heeft ter vergadering gecommuniceerd, dat een kanneel schiller den 6. dezer was komen aangeeven, dat eenen Marem bekande koraal hem hadde aangezogt, om een ola van den Dessave van saffergam aan den Commandeur van Gale te brengen, en dat hij aan„ genoomen had dat te doen, dog daar toe eenige dagen uitstel verzogt had, blijkens eene aanteekening door den secretaris ten dien dage daar van ge„ houden. Dat zijn Ed: gemelde kanneel schiller had terug gezonden, met last, om nade zen koraal terug te gaan, en zig daar toe beheijd vaardig te toonen, en dat hij gesteren alhier terug ge„ koomen is, meede brengende eene ola, die hij zeeve van voorsz: koraal ontvan„ gen te hebben, om met eenen kandiaan Doentjee haale, aan den Commandeur van Gale te gaan bestellen, blijkens de daar en„ van gehoudene aanteekening door den secretaris, waar bij ook het Taanslaat van voorm: ola geinsereerd is en dat Extrakt uit de sekreete Re„ solutie genoomen in Raade van Ceilon zijn op zijn Edele vervolgens door dien kanneel sch ler, van den geheelen toedragt van dit ge val, eene verklaaring had doen verleen voor twee Laden dezer vergadering, wel aanteekeningen, en verklaaring ver volgens ter order van zijn Edele, door den secretaris opgeleezen en van den volgenden inhoud bevonden zijn: Heden den 6: oktober 1792. , heb ik Ba dictus Lambertus van Zitterp koopman en secretaris van politie alhier, op 't ontbod van den wel Edele groot agtb: Heer willem Jacob van de Graaff Raad ordinair van Nede lands india, Gouverneur en Direc teur van het Eiland Ceilon, met dies onderhorigheeden, mij bij zij Edelen in 't gouvernement vervol„ alwaar ik vond den Canneel schild Miette oe sappoewa, die ter bequi sitie van zijn Edele en ter vertaa„ ling van den mohandiaam en geh: singaleesche tolk van de Justitie Manuel fernando, de Clareerde Dat hij zijn schiltent hebbende dig bij de Limieten van saffergam, gewo was nu en dan in 't saffergamsch ove te loopen, ten einde inde aan de li mieten leggende bosschen ter sluij kan n 77 677 „kanneel te schillen, het welk hem oog„ „luikende wierd toegelaaten door den ko„ „naal van Maham bekende, die hem van „vroeger Jaaren af kend. - Dat deeze koraal hem declarant, nu ze„ ven dagen geleeden, had laaten verzoeken zig te laaten vinden in een van de voorsze saffergamsche bosschen, wijl hij Coraal hem noodzakelijk moest spreeken. Dat hij de Clarant zig daar op nade bestemde plaats begeeven, en aldaar voorm: koraal gevonden had. Dat deeze konaal hem eerst gevraagd had„ of 't waar was, dat de heer Commandeur van gale een buiten lands Gouvernement had bekomen! en dat hij declarant daar op had geantwoord, dat hij zulks meede vernoomen had, maar met zee„t kerheid niet konde zeggen, of die tijding de waarheid behelsde. Dat de koraal hem vervolgens had gevraagd, of hij wel een ola van den Dessave van Saftergam aan voorm: heer Gaalsch Commandeur ena zoude willen gaan bestellen, met belofte, dat zeg hij dit deeden het antwoord te„ rug bragt, hij koraal hem declarant twee bosschen kanneel zoude schenken, en dat hij de Clakant daar op geantwoord had

NL-HaNA_1.04.02_3975_1142 view scan ↗

English

so said that he, presently being in the Company's service, was not able to absent himself, but that he would gladly do so in 15 days; whereupon the Korale had replied that it was well, and that he, the declarant, had to come and warn him four days in advance when he was ready to go to Galle. That he, the declarant, having thereupon taken his leave from the Korale, had immediately proceeded hither and given notice of the aforesaid conversation to the Mudaliyar and first interpreter of the Mahabadde, Andries Mendis, who had presently brought him, the declarant, to the Governor, and made a report thereof to His Honour. Of this declaration, this record is kept by order of His aforementioned Honour. Signed: L. J. van Zitter, Secretary. In the margin: For the translation, signed: M. Fernando, Mohandiram and sworn interpreter. Today, the 22nd of October 1792, I, Benedictus Lambertus van Zitter, provisional merchant and secretary of police here, on the orders of the Right Honourable, Most Worshipful Lord Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of Dutch India, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies, presented myself to His Honour at the Government house, where I found the cinnamon peeler Niette Oosappoewa, who, at the requisition of His Honour, and through the translation of the Mohandiram and sworn Sinhalese interpreter of the Court of Justice, Manuel Fernando, declared: That he, pursuant to orders received from His aforementioned Honour, had proceeded to the Korale of Marambekande, to obtain the ola which he, the Korale, wished to give to him, the declarant, for delivery to the Galle Commandeur, and of which mention is made in the record kept by me, the secretary, under the date of the 6th of this month, and to bring it hither, which he also succeeded in doing and has brought the ola with him, presenting at the same time to the aforementioned honourable Governor a rolled-up ola which he produced from his maddie or waistcloth, with the declaration that it was the same ola which the Korale mentioned herebefore had given for delivery to the Galle Commandeur. Which ola His Honour subsequently handed to me, the secretary, with the instruction to translate the contents thereof into Low Dutch, which being done by me through the translation of the interpreter mentioned herebefore, the same was found to read as follows: To the very good friend the Commandeur at Galle, whom God grant to live with good works, the following matter is written: As Your Honour has made known by writing and saying, I have up to this time prevented with much effort that the confusion was not ended. Presently I hear that Your Honour is going abroad in a great capacity; if Your Honour had the favour of the Lords General, why then was the government not obtained? Whether this is soon to follow, or how matters stand, I await a prompt reply. Besides, if nothing comes of the matters which I have done and spoken on Your Honour's word, my words will become untrue, and the Great Court will be exceedingly displeased with me; due to the lack of salt, the gravets have been opened. A clear answer must be sent into the hands of the bearer of this. In this manner, by the one holding the service of Disava of Saffergam among the grandees at the Great Court, the Leuke Rajewardene Rajekaruna Senewiratne Mudaliyar. At the head of the aforesaid ola was signed with some letters or characters which are not Sinhalese but Malabar letters. Of this and the other, this record is kept by special order of the aforementioned honourable Governor. Was signed: B. L. van Zitter, Secretary. In the margin: For the translation, signed: M. Fernando, Mohandiram and sworn interpreter. Today, the 22nd of October 1792, appeared at the Council Chamber of Police here: Kiette Oosappoewa, cinnamon peeler and inhabitant of the reformed village of Reitgamme, and aged about 35 years by estimation. Who, at the requisition of the Right Honourable, Most Worshipful Lord Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of Dutch India, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies, through the translation of the Mohandiram and sworn Sinhalese interpreter at the Secretariat of Justice, Manuel Fernando, declared: That he, now about 16 days ago, having received orders from the aforementioned honourable Governor to go and receive a certain ola, which the Korale of Marambekande, situated in Saffergam, had promised him for delivery to the Galle Commandeur, and of which mention is made in the record kept by the undersigned secretary on the 6th of this month, and to bring it hither, had gone to the dwelling of the aforementioned Korale, but did not find him at home, and had learned from his household that he had gone to the residence of the Disava of Sappergam, wherefore he, the declarant, had returned to his peeling tent in the village of Kandeniepittien, situated in the Company's territory at the borders of Saffergam. That he, four days thereafter, learning that the aforesaid Korale had come home, proceeded thither and told the said Korale that he had come to deliver the promised ola, whereupon the Korale had answered that he would go and speak to the Disava of Saffergam and give him further word, enjoining him at the same time to remain in the meantime for three days in his Korale's accommodessan village of Laboegamme. That the Korale had come to Laboegamme on the fourth day, bringing with him a

Dutch transcription

so had, dat hij tans in sComp: dienst zijn de, zig niet vermogt te absenteeren maar dat hij zulks over 15. dagen wel wilde doen; waar op de konaal gerepliceerd had, dat 't wel was, en dat hij declarant hem vier dagen te vooren moest komen waarschou wen als hij gereed was om naar Gal te kunnen gaan. Dat hij declarant daar op van den koraal afscheid genoomen hebbende zig ten eersten herwaards begeeven en van 't voorsz: gesprek kennis gegeeven had aan den modliaar en eerst tolk van de mahabadde Andries Men dis, die hem declarant tans bijden heer Gouverneur gebragt, en aan zy Edele daar van rapport gedaan had. wordende van dit de clakatoia, te order van welgem: zijn Edele gehou deze aanteekening /:geteekend:/ L J: d: van Zitter Sekretaris /:in maage ne:/ voor de vertaling /:geteekend:) M: fernando moh: en g: tolk. Heeden den 22. oktober 1792. heb Benedictus Lambertus van zitter, p:l koopman en secreta ris van politie alhier, op 't ontd van „ 478 van den wel Edelen Groot. Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaff, Raad ordinair van nederlandsch India gou„ verneur en Directeur van 't Eiland Ceilon, met dies onderhoorigheeden, mij bij zijn Edele in het Gouverne„ ment vervoegd, alwaar ik vond den Canneel schiller Niette oos„ appoewa, die ter requisitie van zijn Edele, en ter vertaaling van den mohandiaam en gezw: singa„ leesche van de Justitie Manuel fer„ nando te kennen gaf: Dat hij, ingevolge bekoomene on„ der van wel gem: zijn Edele, zig de naarden Coraal van Marambe „t kande begeeven had, om de vla die hij Coraal hem declarant wil„ de geeven ter bestelling aan den Heer Gaalsch Commandeua, en waar van vermeld word bij de door mij se„ coetaris gehoudene aanteekening onder dato 6. dezer, machtig te worden en herwaards te brengen, za zoo als dat hem ook gelijkt was in bij de ola meede gebragt heeft, e geevende geevende teffens aan welgem: Edelen heer gouverneur over eene toe gerolde als die hij uit zijn maddie of middelda te voorschijn bragt, met betuiging a ze dezelfde ola was, die de Corac hier vooren genoemd ten bestellin aan den heer Gaalsch Comman ven had gegeeven. welke ola zijn Edele vervolgens aan mij secretaris ter handstelde, n last, om den inhoud daar van in Nederduijtsch over te zetten, het wel door mij ter vertaaling van den hee vooren genoemden tolk, geschied t de, is dezelve bevonden te bered sen als volgd: Den zeer goeden vriend Comma„ deua te Gale, dien God met goede werken wil laten leven, word s volgende zaak geschreeven op lijk uwEd door schrijven en zegge heeft laaten weeten, heb ik tot de lange met veel moeite belet dat de verwaaring niet wierd ge eindigd. Tans verneem ik di uwEd in een groote qualiteit buiten 'slands gaat, zoo uwed de gunst hadde van de Heere gene vaals, waarom dan 't gou vernement 479 vernement niet verkreegen. ? of dit spoedig staat te volgen, dan wel hoe het geleegen is, verwagt ik een spoedig antwoord. Buiten dien, zoo van de zaaken die ik, op uwE: voord, gedaan en gesprooken„ heb, niets gebeurd, zullen mijne te gezegdens onwaar worden, en 't groote Hof zal ten hoogsten op mij misnoegd worden; wegens 't ils gebrek van zout zijn de gravet„e ten opengeraakt. In hadden van brenger de zes moeten een zuiver antwoord gezonden worden. op deze wijze door den, onder de ide grooten aan 't groote Hoffden dienst van Dessave van Saftergam, be„te kleeden den Leeuke Rajewarde¬ ne Ra je karoena se ne wibatra ste vat modliaaa. Aan 't hoofd der voorsz: ola /:was„ geteekend met eenige letters of Caracters, die geen singaleesche mag„ mallabaarsche letters zijn. wordende van dit een en ander, tezonder va„ van meer wel gemelde Edelen Heer gouverneur, gehouden deze aantee„ kening /:was geteekend:/ B: L: van zitten 22 zitter secretaris /:in maagiene:/ vo de vertaaling /:geteekend:/ M: Fern d0 Moh: en 9: tolk Heeden den 22e: october 1792. Com pareerde ter Raadkamer van pol tie alhier: kiette oe Sappoewa, Canneel Schil en inwoonder van 't dorp Reit gamme gereformeerd, en oud nae gissing 35. Jaaren. De welke tot requisitie van den wel Edelen groot achtb:aaren Heer willem Jacob van de Graaff, Raad or denair van Nederlands India gouverneur en devecteur van Eiland Ceilon, met dies onderhoor reeden, ter vertaaling van den Mo„ handiaam en gesw: singaleesche tot ter secretarij van Justitie Manuu pernando, de Cla keerde: Dat hij nu omtrent 16. dagen geleeden, van welgemelde edele heer gouverneur orde bekoomen hebbende om zekere ola, die de Coraal van Marain bekande, geleegen in saffergam, hem ter bestelling aanden heer gaalsch Commandeur had toe gezegd, en waar 480 484 waar van gesprooken word bij de Aaantee„ „ning door den ondergeteekenden secreta„ „ris op den 6. deezer gehouden, te gaan ontvangen en herwaarts brengen, was gegaan naar de wooning van voormelte Coraal, doch hem niet te huis gevonden, en van zijn huis gezin vernomen had, dat hij was gegaan naar de verblijfplaets van den dessave van Sappergam, weshalven hij de declarant was terug gegaan naar zijn schiltent in't dorp kande niepittien, ge„ leegen in sComp:s gebied, aan de grens en van saffergam. —. Dat hij vier dagen daar na, verneemende dat voorschr: Coraal thuijs was gekomen, zich derwaards begeeven en aan gedachte Coraal gezegd had, dat hij gekoomen was om de toegezegde ola te gaan bek„ stellen, waar op de Coraal geantwoord had, dat hij den Dessave van Saffergam zoude gaan spreeken en hem nader be„ scheid geeven, hem daar bij aan zeggende, om in tusschen drie daagen te verhoeven in zijn Coraals accomo dessans dorp Laboegara„ me Dat de Coraal op de vierden dag te Laboe„ „gamma gekoomen was, meede brengende eene G

NL-HaNA_1.04.02_3975_1148 view scan ↗

English

a folded ola, which he handed to the declarant, with orders to give that ola to a Kandyan, Poentje Raale, who was also present there and was himself to deliver the ola to the Lord Commandeur, the Coraal merely desiring of the declarant that he should accompany the said Poentje Raale to Gale to point out to him the person of the Lord Commandeur: wherewith the Coraal had further recommended him not to go along the road to Kolombo, but rather via Kalutara. That the declarant at Lamboegamme itself, in the presence of the aforesaid Coraal, had handed over that ola to Poentje Raale, and subsequently proceeding on the way with him, had arrived in the village of Pattaha watte, in the Raijgam korle, but that Poentje Raale, noticing then that they were on the road to Kolombo, had become very suspicious there and had wanted to turn back again. That the declarant had then proposed to him, since it was already late in the evening, to remain right there that night and to depart the following day, to which Poentje Raale finally also consented. That having eaten there of the provisions which they had brought with them, Poentje Raale had in the meantime also drunk of the arrack which the declarant had expressly bought and given to him, after which they had both laid down to sleep; but that the declarant, having noticed at midnight that Poentje Raale was fast asleep, stood up and, having opened his betel bag, took the ola of the Coraal out of it, and immediately repaired to a boutique of a certain Malemoelle Raale, where he awaited the break of day, and subsequently proceeded hither. That arriving here this morning, he had reported to his Mudaliyar Andries Mendies, who first brought him to the head of the Mahabadde and subsequently to the Noble Lord Governor, and that he related his experiences to his said Honour, and likewise handed over the ola to his Honour. Thus declared in the Castle of Colombo, in the presence of the Honourable Members Benedictus Lambertus van Zitter and Adam de Lannoij, signed, and written around it with a mark (this is the signature of the aforesaid Miette oesappoewa, in the margin: in our presence, signed: B: L: van Zitter and A: De Lannoij; lower down: for the translation, signed: M: Fernando, first interpreter). Whereupon, having deliberated and taken into consideration that, however much everything in this case rests solely upon the statements of the aforesaid cinnamon peeler, the matter itself is nevertheless of such importance that it well deserves a further investigation: it was approved and resolved by a majority of votes to have the aforesaid declaration of the cinnamon peeler re-read and sworn to by him before two members of this meeting, and subsequently to send privately a copy of the ola delivered by him to the well-known Court Grandee, which the Noble Lord Governor has undertaken to perform himself. Mr. Raket, on the contrary, was of the opinion that the aforesaid papers, just as they lie, must be sent to the Noble High Indian Government, and that no notice thereof must be given to Kandia; and the Honourable Vollenhove maintained that the aforesaid declaration ought to be left unsworn, and that if it were sworn, such must take place before Commissioners of the Court of Justice, likewise that no notice of the aforesaid ola ought to be given to Kandia, and that if one nevertheless wished to do so, such must then be done by an official letter. Furthermore, the Noble Lord Governor produced at the meeting a translation of an ola letter written by the Kandyan High Priest to the Maha Mudaliyar of his Honour's gate: Translation of a Sinhalese ola letter written by Kokke Rottoi Naijke oennanse, or High Priest in Kandia, to the Maha Mudaliyar here. Since the troubles have arisen on both sides, and the gravets have been closed, I have been very ashamed and grieved, and for that reason I have also been unable to send anyone to you during all that time, which has caused me great regret. Since I have now learned that the mutual gravets have been opened, I send the bearer of this, with this ola, to inquire after your health. I cannot sufficiently praise the favours and kindnesses which I enjoy from Leeuwke Ralehamie, since he has been Disawa of the Captergam. I experience that he loves me as sincerely as you have always done; since I have perceived the way of thinking of this Disawa, I have wished and also considered making you and him into two faithful friends, in order to be able to be of service and use to each other in all things, which would then also be a very great matter for me; if I might hear from you that you are inclined thereto, I think that the Disawa, on his part, will gladly proceed thereto. I therefore request you to let me know whether you are disposed to this, because it would be a great joy for me to make your Honour and him into two intimate friends; and as this is a matter in which I place great interest, I request you with the greatest urgency to send me an answer to this. As far as I have perceived, I have not been able to notice in the least that the Disawa is in any way reserved towards you and

Dutch transcription

eene toegevolde ola, die hij aanden declaren ter handstelde, met last, om die ola te ge„ aan eene kandiaan Poentje Raale, die meede daar present was en onder had zelf de ola aanden heer Commandeur te beste begeerende de Coraal eenelijk vanden de clakant, dat hij gemelde Poentje Rae zoude versellen naar Gale, om hem den P soon vande heer Commandeur aante„ wijzen: waar bij de Coraal hem nog had gerecommandeerd, om niet tegaan lan de Wegnaat Kolombo, maar wel over Dat hij de Claramt te Lamboegamme zelve, in presentie van voorm: Coraal, di ola aan Poentje Raale afgegeeven had, en vervolgens met hem op heid gaande, ge¬ koomen was in 't dorp Pattaha watte, in de Raijgam korle, doch dat Poentje Raale toe bemerkende, dat zij op de weg waaren naar kolombo, daar wel gestond geworden was en weder hadde willen terug shee¬ =ren. —. Dat de declarant hem toen had voor ged„ steld, om wijl het reets leegen de avond was, die nacht daar zelve te blijven en sanderen daags tevartrekken, waar in kalteren —. Poentje 481 484 Poentje Raale eindelijk meede bewilligde. Dat zij daar gegeete hebbende van de kost„ die zij meede gebragt hadden, Poentje Raale tusschen beide ook gedronken had van de atkak„ die de declarant expres gekogt en aan hem gegeeven had, waar naar zij beiden zich te slaapen gelegd hadde; Docht dat hij de Clarend in de middernacht bemerkt hebbende, dat Poentje Raale vast sliep, opgestaanen zijn betelzakje geopend hebbende, de ola van de Coraal daar uijt genoomen, en zig ten eersten begeeven had naar een boetiek van zeekere Malemoelle Raale, alwaar hij het aanbreeken vande dag afgewagt, en zich vervolgens dit heen begeeven had. Dat hij heden morgen alhier koomende, zich gemeld had bij zijne Modliaat Andries Mendies, die hem eerst bij 't hoofd der Mahabadde en vervolgens bij den edelen heer gouverneur gebragt had, en dat hij aan welgemelde zijn edele zijn weder vaeren verhaald, en teffens de ola aan zijn edele vergegeeven had. —. Aldus gedeclareert in 't Casteel kolombo, ter presentie vande E: Leden Benedictus Lambertus van Zitter en Adam de Lannoij /:geteekend:/ en daaromme geschreeven met een merk (dit is de hand teekening van voorm: Miette oesappoewa /:in mar„ =gine:/ & =gine:/ ons present:/ geteekend:/ B: L: van zitter e A: De Lannoij /: Lager:/ voor de vertaaling /:geteekend:/ M: Fernando Atd 9. tolk Waar op gedelibereerde in agting genoomen zijn dat hoe zeer alles in dit geval alleen rust op de opgaves van voorm: kanneel schiller, de zaak zel„ „ve egter vandat belang is, dat, 't een nader onderzoek wel verdiend: is bij meerderheijd van stemmen goedgevonden en verstaan, de voorschr verklaaring van den kanneel schiller door hem te laaten Recolleten e beeedigen voor twe leeden deeser vergadering, en vervolgens vande door hem bestelde ola partikulier een Copi te zenden aanden bekende, Hofs groote, het wa de Edele Heer gouverneur aangenoomen heeft laten zelfs te werten zullen dog. De heer Raket was daar en tegen van gevoele, dat de voorsch papieren, zoo als ze leggen, aande Edele Ho„ =ge Jndische Regeering moeten worden gezonden, en dat daar van geen kennis naar Kandia moet worden gegeeven; en de E: vollenhove sustineerde, dat de voorsz: verklaaring onbeeedigd moeste gelaaten 482 „ 1 100 484 gelaaten worden, en dat zoo ze beeedigd wierd„ zulks geschiede moest voor Commissarissen vanden Raad van Justitie, zoomeede dat ver voorm: ola geen kennis na Kandia behoord gegeeven te worden, en dat zoo men dat egter wilde doen, zulks dan bij een officieele brief moest gedaan worden. —. Nog heeft de Edele Heer Gouverneur ter vergadering geproduceerd een Translaat van een brief ola, door de Rendiaschen hooge priester aan de Mahamodliaat van zijn Ed:s porta geschreeven:— Translaat van een singaleesche brieff ola geschreeven door Kokke Rottoi Naijke oennanse, off Hooge Prietten in kandia aan de Maha Modliaar alhier. —. zeedert dat de onlusten van weerszij„ den zijn ontstaan, en dat de graventen zijn geslooten, ben ik zeer beschaamt en bedroeft geweest en heb ook om die reeden niemand in al die tijd bij uw kunnen zenden, het geen mij zeer leed gedaan heeft. Wijl ik nu vernoomen heb dat de wederzijdsche gravette geopend zijn, rend ik de brenger deezes, met deeze ola, om na uw gezondheijd te verneemen: 2. „. Ik p Jk kan niet genoeg roemen de gunsten en goedheeden, die ik geniet van Leeuw „ke Ralehamie, zedert dat Hij Desserva van de Captergam is. Jk ondervinde, dat Bij mij zoo opregt bemind, als uw mij steets gedaan heeft, zeedert dat ik ontwaart heb de manier van denken van deeze Dessave, heb ik gewenscht e ook in gedachten genoome om uw na hem tot twee getrouwe wiende te mak ten einde malkenderen in alles te kunnen van dienst en nut zijn, het geen als dan voor mij ook een zeer groote zaak zoude zijn, zoo Ik van uw mogte hooren dat uw daar toe geneegen is, denk ik dat de Dessalve van zijn, kant daar toe gaane, zal overgaan. Jk verzoek mij dus te laaten weeten of uw hier toe gezand is, wijl het voor mij een groote waeugde zoude zijn uwEd: bij de tot twee intime vre „de te maaken en dit een zaak is waar in ik groot belang stelte, verzoek ik uw met het grootste empressent mij hier op een antwoord te zenden. zoo veel ik ontwaart heb, heb ik na het minst niet kunnen merken, dat de Desselve eenigzins op uw gesloot en

NL-HaNA_1.04.02_3975_1153 view scan ↗

English

483 100 484 and therefore you must also give no credence to whatever someone might at such time recount to you to his disadvantage. If you send a proper reply to us, you yourself will discover what sentiments the Dessave holds toward you. Thus written by Kathelotte Naijke Aenanse, who continually thinks of you. And after deliberation, since the contents thereof contain nothing other than an offer to assist the Mahamodliaar into friendship with the Dessave of Saffergam, it has been approved and agreed to have the Mahamodliaar simply reply thereto that he, being inclined to live in friendship with all people, could find nothing but pleasure in the friendship of the Dessave of Saffergam. Agrees Dijbrands Clerk 2. N: N: 484 Extract of a letter dated the 18th of December 1792 written from Hulftsdorp to Kolombo. Secret Extract That which appears in the letter written by their High Mightinesses on the 16th of June 1792 to Kolombo, concerning the writing of the Resident Sinning by his letter of the 5th of July 1791, that the coolie people here murmured about the continuous heavy burdens and services imposed upon them on behalf of the Company, so much so that they had had no rest for 5 to 6 months, consists of the following, namely: That since a camp for the lodging of roughly 600 men, and a storehouse, had to be constructed at Moegoeroegampelle for the corps of Major Morack, and the site for this was designated by Lieutenant de Perron, the inhabitants therefore, according to their ancient obligation, not only had to clear that place and around it of forest so that one could see out from behind it, but also had to erect the mandus as dwelling places for the people and storage places for ammunition and provisions; through this and through what they had already performed, they had indeed been in more than usual motion for some time, yet the work was nevertheless not so heavy that they could not do it without having grounded reasons for murmuring, because on on such occasions the inhabitants must accept such services, as this is no novelty, but a known obligation that has taken place of old and still takes place everywhere both in the Company's lands and in the Kandyan territory, just as the Kandyans who had submitted to us in the year 1765 also took such duties upon themselves and performed the same without giving any sign that they had anything against it, as I know by own experience, being that when I was commandant at Wissenawe in the 7 Corles in the King's land in the year 1766, they went to work immediately upon my first address and representation that such works had to be performed. Resident Sinning has also in his letter of the 5th of July 1791, of which I presented to Your Right Honorable and Worshipful Lordships an extract alongside my respectful letters of the 6th of that month, and from which letters I now have the honor to present the extracts hereto, stated that the people had not complained to his Honor, but murmured among themselves, whereupon it should be noted that they themselves must have understood that they had no lawful reasons to complain about the work imposed upon them, because otherwise they certainly would have, according to their custom, brought their grievances before the Resident, for they will not easily do anything more, 485 especially on the order of a native official, than they are actually obliged to do, but will immediately complain about it whenever they believe they have a right to do so; and if they had actually brought their grievances forward, even then the Resident would have been able to persuade them to the work by demonstrating the necessity and promising that they would subsequently have that much more freedom, just as one must frequently draw on the Sinhalese in this or that manner, and by which means one also generally succeeds; whereas on the contrary, if they refuse to be persuaded and continue to insist on freedom and relief of service, one must then also accommodate them therein, especially when one is convinced that the work falls too heavily on the people and is too continuous, and in such cases one must then seek to employ other means to execute the intended work, if it is of such necessity that it must be done; and this could and should also have happened in this case, namely by putting people from other Korles, with other provision of maintenance, to work as well, as was also done in the Hewagam Korle at the erection of the encampment at Awisaweele, N: 32: Avissawella, if the inhabitants of the Hapitigam Korle had essentially been burdened too much and had actually complained about it to the Resident, who was daily in and around them. Agrees Dijbrands Free Clerk 2

Dutch transcription

483 „ 100 484 en daarom moet uw ook geen geloof slaan aan het geen zoon tijds iememd ten laste van hem aan uw: mogte verhaalen. Als uw: een behoorlijk antwoord aan wij zend, zal uw zelve onder vinden welke gevoelens de Dessave voor uw: heeft, Aldus geschreeven door kathelotte Naijke aenanse, die steets om uw denkt —. En is na deliberatie, wijl de inhoud daar van niet anders bevat dan een aanbieding om den mahamodliaat in vriendschap te helpen met de Dessave van Saffergam goed gevonden en verstaan, daar op door de mahamodliaar een voudig te laaten ant„ woorden, dat hij geneegt zijnde, net alle menschen in wriendschap te leven, hem ook de vriendschap van den Dessave van Cappergam¬ niet dan aangenaam konde zijn Akkordeert Dijbrands Verler ƒ . 2. „. N: N: 4844 Extract Messive de dato 18e December 1792 van Hulftsdorp na Kolombo geschreeven. „ Extrakt sekreete Dat het geene voorkomt by missive door hunne Hoog Edelheeden op den 16: Juny 1792 8 19 na Kiolombo geschreeven, nopens het schrijven van den Resident sinning by zyn brief van den 5 July 1791, dat het koot volk heer munmiseerden over de Aanhoudende swaare vast en diensten, die hen sComps weegen zyn opgelegt, zoodanig dat ze in 5 a 6 maanden geen huit hadden gehad, in het volgende bestaat; als: Dat vermits en een kamp tot logement van min of meer boo man, en een magazijn, te moegoeroegampelle moesten werden aangelegt, voor het korps van den Heer Meyoor Morach, en de plaats daartoe door de Luitenant VE de Perron was aangeweesen, de ingezeetenen dus die plaats en hondom denselve om van rug af= te konnen zien, volgens hunne oude verplichting niet alleen van het bosch moesten zuweren, maar ook de mandoes tot verblyf plaatsen voor het volk, en Bergplaats voor amunitie en Provisies, moesten opslaan, hier door en door 't geene se reeds versigt hadden, waaren hy wel eenige tyd in meer dan gewoone beweeging geweest, egter was het werk dog niet hoe swaar, of zy houden het wel doen, sonder gegronde reedenen tot murmureeren te hebben, want by „ by zulke geleegentheeden moeten de ingezeetenen hun zulke diensten laten welgevallen, als zyne cht geene nieuwigheid, maar eene bekende verpligting, die van ouds plaats heeft geha en nog overal zo in 's komps land, als in het Kandiasche plaats heeft, gelyk de kandiang die rig in 't Jaar 1765 aan ons onderworpen hadden zulke verrigtinge ook op rug genoomen, en deselve sonder eenige blyk te geeven, dat he iets daar teegen hadden, verrigt hebben, gelyk ik dat by eige ondervinding weet, als zynde hy toen ik in Ao 1766 kommandant was te Wissenawe, in de 7 Cooles, in tkonings land, of myne Eerste aanspraak en voorhouding dat diergelyke werken moesten verrigt worden, te eerste aan het werk gegaan. De Resident hining heeft ook by zyn brief van den 5e July 1791, waarvan ik UEd EdGestr: groot Achtb: neevens myne Eerbiedige letteren van den 6. dier maand, Extract hebbe aang =bods, en uyt welke brieven tans de reve hebbe hoo get denselve hierneevens Extracten Aanste presenteeren, gezegt, dat het volk rug niet by zyn E hadde beswaart, maar onder hun mumnueerden, waarop aantemerken valt, dat hy zelvs in het begrip moeten zyn geweest van geene wettige reedenen van klagen te heb ben over het huis opgelegde werk, weil ry anders wel degelyk na hunne gewoonte hun beswaaren is by hem Resident houden hebben ingebragt, want hy niet ligt iets meerder doen 485 doen zullen, voor al op de order van Een rurcheese Amptenaar, dan hy werklyk verplicht zyn, maar daadelyk daar over zullen klaagen, wanneer hy vermeenen daartoe regt te hebben, en wanneer zy hunne beswaare is wegentlyk ingebragt hadden, dan zelfs zoude den Resident hun nog wel tot het verrh hebben kunnen persuadeeren, onder vertooning der noodzaakelykleeid, en toezegging, dat zy in de vervolge zoo veel meer vrijheid houden hebben, gelyk men op deezen in een andere wdeize te meermaalen niet van de fingeleeren moet trekken, en door welk middel men ook doorgaans slaagt, terweil in teegendeel wanneer hy hun niet willen laaten persuadeeren, en om voyheid en dienst verligting blyven aanhouden, men hun daarin dan ook moet te gemoet koomen, insonderheid wanneer men overtuigd is, dat het werk voor de menschen te snaar valt en te aanhoudende is, en in zulke gevallen moet men dan weeder andere middelen te werk soeken te stellen, ten einde het voor= genomene werk. uyttevoeren, wanneer het van die noodzaakelykheid is, dat het gedaan moet worden, en dit zoude ook in dit geval hebben kunnen en behooren te geschieden; en wel door volk uyt andere Mools, andere verstrekking van onderhoud, meede aan het werk te plcatsen; gelyk men in de hewagam kors ook heeft gedaen by het opstaan van 't kampement te Awisaweele N: 32: Auriawelle, indien de ingeseetene der happet gam kort, weesentlyk te veel waaren beswaar geweest, en daar over werkelyk by de Resident die dagelyks om en by lum was, geklaag hadde Accordeert Dijbrands Vegklerk 2

NL-HaNA_1.04.02_3975_1159 view scan ↗

English

486 Comparison of the vessels that were on Ceylon in the year 1770 and are presently at hand: In the year 1770 were at Colombo: 11 Sloops, beacons, and patjallangs; namely: The beacon De Falck The sloop Rudolphina Dorothea Ditto De Baars Ditto Ioan Carel Ditto Sunda Ditto Colombo Ditto De Schilpad Ditto Den Arend Ditto Nagelboom Patjallangs De Brak Ditto De Bestendigheid 3 Boats, namely: The cargo boat De Jonge Martijn The boat Kropgans Ditto De Lastdrager at Jaffanapatnam: Sloops; namely: De Pallasen De Vianen 2 Boats, namely: De Spion and Boedatanne at Galle: Sloop Ceilon Barks, sloops, and patjallangs 5 boats. Colombo the 31st of December 1792: at Trincomalee: 3 boats, namely: De Jonge Thomas De Suffren De Walvis Barks and sloops and 8 Boats 8: Presently at hand at Colombo: 7 Barks and sloops; namely: The bark De Jonge Willem Arnold Ditto De Kreeft Ditto De Gustaaff Ditto Sinsura Ditto Hervatting Sloop Colombo Ditto Galle at Jaffanapatnam: Sloop Ceilon 4 Boats, namely: The boat Ceilon No. 1 Ditto ditto 2: Ditto ditto 3 Ditto ditto 4 In the Vanni: 1 boat Texel Sijbrands First Clerk 4 14. No. 33: Examined Van Geizel 487 442 Extract from a private letter written by the Chief of Batticaloa, Mr. Burnaud, on the 18th of September 1792 to the Noble Gentleman, Governor van de Graaff. This is solely to inform your Most Honorable Worship that, wishing to be positively instructed as to the true disposition of the Malabar and Moorish Chiefs of Eastern Tambankadewere, I, some weeks ago, quietly had them asked through the brother of the vidane of the Korale Pattu whether they would be inclined to return under the obedience of the Company along with their subordinate inhabitants, whenever in time it might please your Most Honorable Worship to have their country retaken into possession. The answer was in full accord with what I have long known of their disposition, to wit that for a year they have been looking forward with longing to the moment when they shall again stand under the Company. From the enclosed translation of the report by Assena Modelie, your Most Honorable Worship will see how he carried out his commission. Examined If necessary, it can always be denied that I sent a man to Tambankadewere for the aforesaid purpose. Agreed Sijbrands First Clerk 442 488 Translation of the report submitted by Assena Modlie, Moor and inhabitant of the Korale Pattu, brother of the local vidane Koetien Poele, to the Chief, Mr. Jacob Burnaud, on the September 1792; namely: That 12 days ago, he, the informant, received an order from his said Honour to proceed to Eastern Tambankadewere in order to inquire secretly into the disposition of the Chiefs there regarding the Company, with orders to give them the assurance that, if it should happen by order of the Most Honorable, Highly Esteemed Gentleman, the Governor, that their country should come to stand under the Company again, the inhabitants shall be free from all taxes for two years, and the Chiefs continued in their offices with the usual honors. That arriving at Korale Pattu at his said brother's, he immediately called two Veddas who were keeping watch at the boundary and asked them what news there was in Tambankadewere, to which they replied that about 4 days ago a Disava had come to the other side of the river to attend the feast in the church of [illegible]. That thereupon the informant, for fear of being seized, thought fit to send two trusted servants of his brother to the village of Tambankadewere Examined on this side of the river, with orders to tell the local Chiefs or modeliaars of the fishers that he, the informant, will await them at the boundary and desires to speak with them. That the said two Veddas, having declared themselves as messengers, departed thither the same evening and executed the commission entrusted to them, whereupon the local modeliaars, the Chiefs of the fishers of the village of Tambankadewere, answered them with joy to tell the informant in return that they were very inclined, as they had always wished, to come under the Company, since they had not only been extorted by the Disavas, but had also been greatly oppressed, whereby they have fallen into the utmost poverty; and that when the detachments will have arrived at the river, they will hide themselves merely for appearance's sake and stay away for two days, after which they will appear upon receiving word; furthermore, that for fear of the Disava, instead of coming themselves, they will send two of their relatives along to the boundary to give the informant assurance of their promise, as they also actually did. That the informant, having thereupon crossed the boundaries, also made known the reason for his arrival to the Chiefs of the Moors at Kallar or [illegible], Koetie Namde Moddeleer and Malvette Moddelier, 442 whereupon they answered and declared in like manner as the Chiefs of the fishers to be very inclined to stand under the Company: That subsequently the informant undertook his return journey hither. Was signed: Assena Modlie. Underneath stood: For the translation, Batticaloa the 16th of September 1792. Was signed: C. A. Cramer, authorized. Lower: For the translation, Moetoeloemane Philippoe, sworn adjunct of the sworn interpreter. Under that: Agreed. Signed: C. A. Cramer, authorized. Agreed Sijbrands First Clerk 489 490 2nd 1st Aub 12 Examined

Dutch transcription

486 Vergelijking van de vaartuigen, die in het Iaar 1770. op Ceilon zijn geweest, en tans aan handen zijn: In het Iaar 1770 zijn geweest op Kolombo. 11. Sloepen Baaken en Patjallangs; als: Debaak De Falck De sloep Rudolphina Dorothea „ d — de Baars „ d— Ioan Carel „ d — sunda „ do — kolombo „ d„o — De schilpad „ do — Den Arend. „ d o Nagelboom „ Patjallangs De Brak. „ d. o —De Bestendigheid. 3: Boots als: De Losboot de Ionge Martijn. De Boot kropgans. „ 8 — De Lastdrager. op Saffenapatnam sloepen; als: De Pallasen De vianen. 2: Boots, als: Despion en Boedatanne op Gale sloep Ceilon Barken, sloepen en Patjallangsen 5: boots. Kolombo den 31:e December 1792: op Trinkonomale 3 boots, als De Ionge Thomas De Suffren De walvis Barken en sloepen en 8. Boots „ 8: Tans zijn aan handen op Kolombo. 7: Barken en sloepen; als: De bark de Jonge willem Arnold „ d — De kreeft „ d=o De Gustaaff „ 8 — Sinsura „ d=o hervatting „ sloep kolombo „ _=o Gale op Taffenapatnam sloep Ceilon 4: Boots, als Deboot Ceilon N:o 1. „ d=o — do — „ 2: „ do — d — „ 3. „ 8— d — „ 4. In de wannij 1 boot Texel Sijbrands Egklerk 4 14. N:o 33: Nagezien Van Geizel 487 442 Extrakt uit een Parlikuliere briev geschreeven door het opperhoofd van Battikatoa de Heer Burnaud, den 18 September 1792 aan de Edele Heer Gouvr van de Graaff. Deeze is eeniglyk om uw Hoog Ed Gestr: te bedeelen dat gaarne positief onderricht willende zyn, van de regte gezintheid van de mallebaarse en Moorse Hoofden van de ooste lyke Tambehadewere ik voor eenige weeken, /door de broeder van de vidaan van de korle„ pattoe /:reymelyk heb laaten vraege, of Ze gegeneegen #### zouden zyn met hunne ondergeschikte inwooners weederom onder de gehoorsaamheid van de mompe te koomen wanneer in der tyd uw Hoog Ed Gestr: mogte behaage hun land weederom in bezit te laaten neemen Het antwoord is volkoomen Accoord geweest met het geen my zeedert lang bewust is, van haar gezintheid, te weeten dat he zeedert een Jaar met verlangen het oogeblik te gemoet zien, daar he wederom onder de kompe zullen Haan. Uit den inleggende Translaat Relaat dla van Assena Modelie, zal uw Hoog Ede Gestr: hier hide daaring dat bij zyn kommissie M Rd1 verrigt t H Navazien verrigt heeft; Het kan des noods altid. ontkend worden, dat ik een man tot het einde voorsz: naar Tambekadewerse hebgen o Accordeert Sijbrands E Calerk 442 488 Translaat Relaas dla door Assena Modlie moor en inwoonder van de Korlipattoe, broeder van de daar zynde vidaan koetien Poele, aan 't opperhoofd DE Heer Jacob Burnaud gediend, op den September 1792; als: Dat uu 12 dagen geleeden, hy Relatant order van ged zyn E ontvangen had, zich naar de Oostelyke Tambanhadewe te begeeven, ten einde na de ge„ zindheid van de daar zynde Hoofden omtrent de komp in 't gelieun te verneemen, met least hun verzeekering te geeven, dat zoo het gebeuren mogten, dat op order van den WelEd„e Gestr: Groot Achtb: Heer beiloud Gouverneur, haar land weederom onder de komp te staan kwam, d' Inwooners twee Jaaren vry zullen zyn, van alle belastingen, en de Hoofden met de gewoonlijke hespecten in hunne diensten gecontinueerd Dat hy op Korlepattoe by gede zyn broeder komende, terstond twee wedassen, die aan de paalscheiding de wagt hielden, genoepen en haar gevraagdl had, wat niemes op Tembankadewen was waar op zy gerepliceerd hadden, dat omtrent 4: daagen ge= leeden, een Dessaven aan de overzyde van de rivier gekomen was, om de Feest in de kerk van Ringetorse by tewoonen. Dat hier op by rebatant uit vreese gevat te worden, goedgevonden had twee vertrouwde Dienaaren van zyn broeder naar het Dors Tambankadewe H MRd1 la Aan Nagezien Aan deeze zyde van de rivier te zenden, met Cent aan de daar zynde Hoofden of modeliaars van de vissers te zeggen, dat hy relatant haar aan de paal scheiding zal afwagten en begeerd te spreeken. zendelinge Dat ged twee wederse nich als wedersien verklae hebbende, dezelfden avond naar derwaards vertrokken en de aan hun opgedragene Commissie ter uitvoer gebragt waarop de daar zynde modliaars de Hoofden der visiers van het Dorp Tandbankader haar met Blydschap. g'antwoord hadden, aan Relatant terug te zeggen, dat hy zeer geneegen waaren, gelyk zy altoos gewenscht hadden, onder de kompt te komen, terwyl hy door de Dessaves niet alleen uitgesint, maar ook grotelyks notg het verdrukt waaren geworden, waar door zij i de uiterste armoed geraakt zyn, en dat wanneer de Commandoos aan de rivier kin zullen zyn gekoomen, zy zich kenheld voor de naam/ verschuild en twee daagen absent zullen honden, waar na op boodschappen zy ten voorschyn zullen koomen, wyders dat zey uit vreese voor den Depave, insteede van haar twee hunner fomniljes naar de paalscheidin meede zullen zenden, om de Nelatant met red verzeekering te geeven van haare belofte voor gelyk hy ook werkelyk gedaan hebben. Dat hy Relatant hier op zich over de limieten begeeven hebbende, aan de te kallatten of Koepene zynde Hoofde der Moosen koetie Namde Moddeleer en Malvette Moddelier de reeden van zyn koomst ook bekend had gemaakt 442 MRdIa gemaakt, waar op hy insgelyks als de Hoofden van de visiers geantwoord en verklaard hebben zeer geneegen te zyn onder de kompe te Htaan: Dat vervolgens bij Relatant zyne terug reyse dit heen aangenoomen had. /wan geteekend:/ Assena Modlie /onderstond:/ voor de Tremitatie /Batkaloa den 16: 7ber 1792 /was get:/ C: A: Cramer geauth: /laager voor de vertaaling /Moetoeloemane Philippoe seginerde adjunct van de rerite Tolk / daar onder / accordeerd /geteekend/ C A Cramer geamnthr: Accordeerd Dijbrands egreerk 489 Wlitce 490 2de 1en Aub 12 Nagezien

NL-HaNA_1.04.02_3975_1171 view scan ↗

English

Register of the Papers belonging to the letter which, by order of the Right Honorable Lord Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Member of the Council of Dutch India, Governor and Director of the Island of Ceylon and its dependencies, together with the Council, is dispatched with the ship the Jonkvrouw Sibella Anthonetta, consigned to the Right Honorable Lords Directors assembled in the Meeting of Seventeen representing the General United Chartered East India Company at the Presidial Chamber Middelburg in Zeeland. No. 1: Original dispatch written on this day by and to the parties mentioned in the heading of this document. No. 2: A sealed packet containing a secret dispatch of this day written to the aforementioned, along with the annexes belonging thereto according to the separate register made for it. No. 3: Copy of letters of today's date written from Colombo to the Honorable Lords Directors of the respective chambers, as well as the Cape ministers. No. 4: Duplicate dispatch of 7 March with the packet boat the Star, written by and to the parties as in the heading of this document, along with its annexes according to the register. No. 5: Original report of the judicial members who had the cloth brought by the ship Trinkenomale remeasured, and further examined, remeasured, and packed the piece of silver cloth brought by the said vessel. No. 6: Original report from the warehouse masters, stating that the piece of silver cloth is the same that was brought with the ship Trinkenomale, and that the ell now being sent over is the same with which the cloths brought with that vessel were measured. No. 7: Extract from the resolution taken in the Council of Ceylon on 24 September last, concerning a requisition of necessities for the ship Sibella Anthonetta for making the voyage to the Netherlands. No. 8: Copies of the resolutions taken in the Council of Galle on 27 October and 12 November last, concerning the provisions supplied to the said vessel. No. 9: Copy of the resolution taken in the Council of Galle on 9 November last, concerning the accounting of the consumption account of the said vessel. No. 10: Copy of the petition of Lieutenant Engineer Lourens Lusson, who is repatriating on the aforementioned vessel. No. 11: Short muster roll of the crew of the ship. No. 12: Copy of the report of the examination of the journal of the aforementioned ship, together with the journal itself. No. 13: Copy of the report of the examination of the surgeon's journal and the notes of the weekly meetings held on the aforementioned vessel. No. 14: Copy of the report of the captain of the ship De Schelde, Van Eps, stating that he met with no unusual encounters during the voyage, and that the provisions supplied for the voyage were good and in proper order. No. 15: Extract of the resolution taken in the Council of Ceylon on 9 November last, concerning a report by the first visitor Psendorp about the No. 16: Extract from the resolution taken in the Council of Ceylon on 2 November last, regarding the declarations that the captains Van Eps and Van Straalen have issued concerning the portions given to them for the voyage, and to have the visitor, in examining the gunpowder accounts of the ships De Schelde and Vasco da Gama, observe the orders established for that purpose before the receipt of the latest order from Their High Honors, the settlement of the consumption account and the inventory of the ships De Schelde and Vasco da Gama. No. 17: Short muster roll of the crew of the ship Vasco da Gama. No. 18: Copy of two reports submitted by the captain of the ship Vasco da Gama, Van Straalen, stating that he encountered no new sandbanks or shallows during the voyage, and that the provisions supplied for the voyage were found to be good and in proper order. No. 19: Copy of the report of the examination of the journal of the ship Vasco da Gama kept during the voyage from the Netherlands, together with the journal itself. No. 20: Copy of the report of the examination of the surgeon's journal and the notes of the weekly meetings held on the aforementioned vessel. No. 21: Short muster roll of the crew of the ship Hilverbeek. No. 22: Copy of the report from Captain Droop stating that he had no unusual encounters on the voyage from the Cape to this place, and how the provisions were found during the voyage. No. 23: Copy of the report of the examination of the journal of the ship Hilverbeek. No. 24: Copy of the report of the examination of the surgeon's journal and the notes of the weekly meetings held on the ship Hilverbeek. No. 25: Extract from the resolution in the Council of Ceylon on 31 December 1792 on a report of the first visitor Psendorp regarding the settlement of the consumption account and the inventory of the ship Hilverbeek. No. 26: Extract from the resolution taken in the Council of Ceylon on 29 September last, concerning the delivered Batavia cargo of the ship Sibella Anthonetta. No. 27: Copy of the Galle resolution of 26 October last, concerning the cargo delivered there from the ship Sibella Anthonetta. No. 28: Extract of the resolution taken in the Council of Ceylon on 31 December last, containing the disposition on the findings regarding the homeland and Cape cargo delivered here from the ship De Schelde. No. 29: Extract of the resolution taken in the Council of Ceylon on 20 December last, containing the disposition on the homeland and Cape cargo delivered here from the ship Vasco da Gama. No. 30:

Dutch transcription

490 MRd1 Register der Papieren gehoo„ rende tot den brief, die ter order van den wel Edelen Groot Achtbaare Heer Willem Jacob van de Graaff Raad ordinair van Neder„ lands Jndia Gouverneur en Direkteur van 't Eiland Ceilon met dies onderhoo„ righeeden, Nevens den Raad die met schip de Jong vrouw Sibella Antho„ netta word afgesonden geconsigneerd aan de wel Ed: Hoog Achtb: Hee„ ren Bewindhebberen ter vergadring van zeven„ teenen representeerende de Generaale Nederland„ sche g'octroijeerde oost.- Jndische Comp:e ter pre„ Tidiaele kamer Middel„ burg in Zeeland. - N:o 1: orgineele missive op heeden door en aan als in den hoofde dezes geschreeven. N:o. 2 td Hr N:o 2: Een gesloote paket houdende secreete missive va heeden aan des over geschr ven met de daar bij gehoo rende bijlaegen volgens t daar van gemaakte apar register. „ 3. Copia brieven van hedigen datum van Colombo schreeven aan de Edele agtb„ Heeren Bewindhebberen van de respective kamer mitsgaders de Caabse ministers. „ 4. Duplicaat missive den 7. ' maart met de pak boot de star door en als in den Hoofde dezes ge„ schreeven met dies bij la gen volgens register. No 491 M R Ca N:o 5: orgineele rapport van de Justitieele leeden die de lakenen met het schip Trinkenomale aangebragt, hebben laeten nameeten en het stuk zilver stof met gem: bodem aange„ bragt nader g'examineerd nagemeeten en afgepakt. 6. orgineel berigt van den pakhuis meesters, hou„ „ dende dat het stuk zilver stof het zelfde is dat met het schip Trinkenomale aangebragt is en dat de tans overgesondene wor„ dende ell dezelfde is waar mede de met dien bodem aangebragte Laakenen gemeeten zijn 7. Extrakt uit de resolutie genomen in rade van Ceijlon op den 24:' 7ber: J:L: „ # Jongstleeden op een Eysch van benoodigt heeden voor het schip Sibella Anthonetta tot het doen der reijse na Nederland. Copijen van de resolutien genoom No 8. ƒ in raade van Ga„ le op den 27:' 8ber en 12 November 492 dan M. R. 4. Crt November Jol: over de voorzeenigen aan gem: bo„ den gedaan. No 9 Copia resolutie genoomen in raade van Jale op den 9. November J:oz: over de verantwoording van de Consumptie reekening van gedagte bodem. „ 10: Copia request van den luitenant Jngenieur Lourens Lusson, die met voorsz: bodem repatrieerd Coote sterkte van de manschappen van het „ 11 schip 12 Copia berigt van de Examinatie van 't Journaal van 't even gem: schip benevens het Jour„ naal zelve. No „ 13: Copij berigt van de examinatie van 't Chirurgijns Journaal en de aanteekening van de weeklijkse gehoudene vergaderingen van even gem: bodem schip de schelde 15 493 N:o 14. Copij berigt van den Capitain van het schip de schelde van Eps hou„ dende dat hij op de rijse geene bijzondere ontmoe„ tingen gehad en dat de provisie voor de rijse mee„ de gegeeven goed en wel ge„ weest zijn. „ 15. Extract resolutie genoomen in raade van Ceijlon op den 9. 9ber: J:o Leeden op een berigt van den eersten visilateur Psendorp over t H dan M. R. 1A. Cr de N:o 16. . . . Extract uit de resolutie genoomen in raade van Ceijlon op den 2. 9ber: J„o L over de merikaaren die de Capitains van Eps en van straalen hebben uitgegeeven van de aan hun tot de reijse meede gegeevene portijen en om door den visilateur in 't examineeren van de kruijtree„ keningen van de scheepen de schelde en vasco de Gam te laaten opserveeren de orden die daar voor omtaend zijn gesteld voorden ontvang van de Jongste order van H: W: Edelh de vereffening van de Consemptie reekening en den inventaris van d ' schiepen de schelde en vascode Gaina 494 N:o 17. Korte sterkte „ 18. Copij van Jwee berigten door den Capitain van 't schip vatco de Gamo van staaalen ingediend, houdende dat hij op de rijse geene nieuwe banken en droagtens heeft ont„ moet en dat de tot de wijse meede gegeevene provisien goed en wel be„ vonden zijn van de manschappen van het schip vasco de Gamo Copiae A dan M R. 1.0. Ch 1 71 „ 20. No: 19. Copia berigt van de examinatie van 't Journaal van 't schip vasco de Gawo geduurende de rijse van Nederland ge„ houden benevens het Jour„ naal zelve Copij berigt van de examinatie van het Chirurgijns Journaal en de aantekeninge van en de aantekeningen van de weekelijkse gehoudende vergaderingen van even gem: bodem. 495 „ 23. No: 21 Korte sterkte van de manschappen van 't schip Hilverbeek 122. Copia berigt van den Capitain droop dat hij op de rijse van de Caab na herwaards geene bijzondere ontmoeting gehad heeft en hoedanig de provisien geduurende de reijse zijn bevonden. Copia berigt van de examinatie van 't Journaal van 't schip Wil WH da M R 1A. Cr verbeek N: 24. Copij berigt van de examinatie van 't Chirurgijns Journaal ende aanteekening van de week lijkse gehoudene vergade„ rigen van 't schip Wilver„ beek „ 25. extract uit de resolutie in Raade van Ceijlon op den 31: en: Jer 1792 op een berigt van den eerste visilateur pendorp wegens de vereffening van de consemptie reekening verbeek benevens het Journaal en 496 da. Mr R 14. C 1 P enden inventaris van 't schip Hilverbeek N:o 26. Extract uit de resolutie genoemen en aarde van Ceijlon op den 29. 7ber: Jol: over de uit geleeverde bataviase laading van 't schip Sibella Anthonetta „ 27. Copia Gaalsche resolutie van den 26. 8ber: J:Leeden over de aldaar uit„ geleeverde laading van 't schip Sibella Autho„ netta. N o 28. I1 No: 28. Extract resolutie genoomen in raade van Ceilon op den 31: le cem„ ber Jol: houdende dispo„ sitie op de bevinding van de alhier uitgeleeverde palacase en Coobse laading van 't scheep de schelde 29. Extract resolutie genoonen in rande ver Ceijlon op den 20. december J:oL:, houdende dispositie op Z 9 de alhier uitgeleeverde patriaase en Caabse lading van 't schip vasca de Jamo N:o: 30.

NL-HaNA_1.04.02_3975_1185 view scan ↗

English

497 No. 30. Copy of the Galle resolution of the 20th of December last year, regarding the finding on the cargo delivered there from the abovementioned vessel. No. 31. Extract of the resolution taken in the Council of Ceylon on the 24th of December, whereby the abovementioned Galle resolution is approved. No. 32. Three copies of Tuticorin reports from committee judicial members concerning the found underweight on the gold which was brought with the ships Vasco da Gama and De Verre Schelde. No. 33. Copy of a Tuticorin report from committee judicial members concerning the found underweight on the gold which was brought with the ship 't Meeuwtje. No. 34. Memorandum of the monies that were counted here into the Company's treasury against 4 receipts. No. 35. 498 No. 35. Memorandum of the monies that were counted into the Company's treasury on assignments. No. 36. Address of Colonel De Meuron, along with the designation mentioned therein of the monies which his Honour requested to be permitted to count into the Company's treasury on account of the regiment. No. 37. Memorandum of the assignments granted for the aforementioned monies. No. 38. Copy of the letter from the Colonel of the Regiment of Württemberg, De Hügel, inserted into the resolution of the 28th of October, to be permitted to count money into the treasury on account of the regiment. No. 39. Extract from the resolution taken in the Council of Ceylon on the 28th of October last year, whereby it was decided to grant to the Colonel of the Regiment of Württemberg, De Hügel, assignments at par on the monies which his Honour counted here into the treasury on account of the regiment, together with a copy of the deed of obligation mentioned in the aforementioned resolution. No. 40. 499 No. 40. Memorandum of the assignments granted to the aforementioned Colonel on the monies which his Honour counted into the Company's treasury on account of the regiment. No. 41. Copies of the letters written from here to their High Excellencies on the 9th of April, 24th of May, and 24th of July last. No. 42. A packet from the Lord Governor to His Highness the Prince of Orange. No. 43. A packet received from Coromandel, addressed as in the heading of this document. No. 44. A sealed packet containing copies of separate letters written by the Lord Governor to their High Excellencies. No. 45. Copies of the resolutions regarding the military department and regiment taken on the 25th and 31st of October, 9th of November, and 1st of December last year. No. 46. 508 No. 46. Copies of the letters written from the Cape to this place on the 4th and 13th of July, and 19th and 21st of December last year. No. 47. Three copies of the reports on the cinnamon inspected and tasted at Colombo, Negombo, and Beruwala. No. 48. A packet addressed to the Right Honourable Lords Seventeen of the Amsterdam Chamber (goes separately). No. 49. A packet addressed to the Right Honourable Lords Directors of the Zeeland Chamber. No. 50. A packet addressed to the Honourable Lords Directors of the Hoorn Chamber. No. 51. Ditto to the Honourable Lords Directors of the Delft Chamber. No. 52. Ditto to the Honourable Lords Directors of the Rotterdam Chamber. No. 53. Ditto to the Honourable Lords Directors of the Enkhuizen Chamber. No. 54, 55, 56, 57. Four packets addressed as in the heading of this document, containing private letters marked P.B. (goes separately). Colombo, the 8th of January, Anno 1793. Sybrands, First Clerk J. Ledulx, Examined 501 Zeeland To the Honourable Lords Directors of the General Dutch Chartered East India Company, for the aforementioned Chamber. Honourable Lords, We have the honour to present herewith to your Honours the duplicate of our respectful letter of the 27th of March past, dispatched with the packet boat De Star, which departed from Galle on the 22nd thereafter. Since then, we have had the honour to receive your Honours' highly esteemed missives of the 19th of January, 9th of February, and 3rd of May 1792. Pursuant to your Honours' recommendation, we have caused to be deducted from the monies permitted to the Regiment de Meuron to be counted annually into the Company's treasury, the sums collected on account of that regiment at the Cape of Good Hope, as your Honours may observe from the extract from our resolution of the 28th of October last year, which is enclosed herewith. To your Honours' order to have Captain Le Clerc satisfy, or else to have deducted from his pay, his debt to the former Lieutenant under the Regiment of Luxembourg, De Feid, we are unable to comply, because the aforementioned Le Clerc, who was to be sent to the Netherlands with cancelled pay on the order of the High Indies Government as a troublesome subject, has deserted, probably with a French private ship that lay at anchor in these roads. The ship De Jonge Vrouw Sibilla Anthonetta, appointed by us as a return vessel for the first consignment and consigned to the Amsterdam Chamber, whither it will commence its voyage on the 10th of this month, is the bearer of this letter. Regarding the cargo and crew of that vessel, we refer to the reports that the servants at Galle will have the honour of sending thereof to your Honours. Furthermore, we have the honour to inform your Honours that we have permitted the former Second Lieutenant of the Regiment de Meuron, Matthias Bissardon, who requested his discharge, and the former Sergeant of the Regiment of Württemberg, Hook, who received his discharge from the regiment, to cross over to the Netherlands with one of the return ships, and also

Dutch transcription

497 N:o: 30. Copia Gaalse resolutie van den 20. de„ cembea JZ: op de bevending van de aldaar uitgeleeverde laading van even gem: bodem „ 31. Extrakt resolutie genoomen en raade van Ceijlon op den 24. december waar bij even gem: Gaalse resolutie geapprobeerd is. „ 32. Jaree Copia Tutucorijunse rapporten van gecommitteerden Justieele leeds wegens het bevonden minarigt A„ da M R. 1A C N: 33. min wigt op het goud het welk met de scheepen vasco de gamo en de verschel„ de aangebragt is. Copia Tutucorijnse rapport van ge„ committeerde erstieelen lee„ den wegens 't bevonden min„ wigt op het Goud het welk met het schip t meeuwtje aangebragt is „ 34. Memorie van de Gelde die alhier in CComp Cas geteld zijn op 4 quitantien. No: 35. 498 No: 35. Memorie van de gelden die op assigna„ ƒ tien in 'sComp:s Cas geteld zijn „ 36. Addaes van de Colonel De Meuron niet se daar bij vermelde aan„ wijsing van de gelden die zij E: versogt heeft in 'sComps Cas over reekening van „te mogen toegement „ tellen „die op „ 37. Memorie van de assignatien voor melde gelden verleend zijn da M RO 40. Cr 1 N. o 38. #„ x N. 38. Caprij van de brief van den Colonel van geinsereerd bij Retol: het oegiment wurt en be de Hugel om geld voor reekening van 't aegiment in kos temoogen tellen van den 28 ' oktober „ 39. Extract uit de resolutie genoomen is raade van Ceijlon op de 3 28. 8ber: JoL: waar bij be„ slooten is om aan den Colonel van 't oegiment van wurter burg de Heegel te verlee„ ne â: pariv op de penn: die zijn E: alhier in Cas voor reek: van 't regement geteld heeft benevens een Copij van de akte van verbin„ tenis bij gem: resolutie vermeld. No. 40. 499 Nammda. RD 4.2. Ch 1 N:o: 41. N:o 40. Memorie van de assignatien die aan gem: Colonel verleend zijn op de penn: die zij E: voor reek: van 't reqiment in 'sComp:s Cas geteld heeft. Copije van de brieven die van hier aan hunne Hoog Edelh: gescheeven zijn op den 9: apail 24. maij en 24. Julij Vzeede „ 42. Een Taketek van den Heer Gouverneur aan zijn Hoogheid den Heer pauce No:o 43. Een paket van Cormandel ontvangen 3 aan als in den hoofden dees gerigt. N:o 44. Een gesloote Paket inhoudende Copij apparte brieven van den weer Gouverneur aan l: H: Edelh: geschreeven. „ 45. Copijen van de resolutien over 't militaij re departement regiment genoomen op de 25. en 31. 8ber: 9. November 1. december J:o Leeden. pairce van orange No. 46 508 N:o 46. Copijn van de brieven die van de Caab na herwaards geschreeven zijn op den 4: en 13. Julij 19: en 21. xber: J:o Leeden. „ 47. Drie Copije van de rapporten van de caneel die te Colombo; Nigombo en Berberij de zigtigd en geproeft is. „48. Een paker besch: aan de wel Ed: Hoog agtb: gaat appart weeren seventien ter kamer amsterdam. „49. een paket besch: aan de Edele Hoog agtb: weeren bewind hebber ter kamer Zeeland Haemda. M RO 1 A. Cr 1 No: 50 # „ 54. „ 55. No 50: Een paket betoh: aan de Edele agtb: 18 eeren Bewind hebberen ter kamer Hoorn N:o 51. in d=o —. d=o. aan de Edele agtb: Heeren Be windhebberen ter kamer Deeft „ 52. „ do — do —. aan de Edele agtb: Heeren bewindhebberen ter kamer Rotterdam. „ 53. „ d — de —. de Edele agtb: Heeren bewind„ hebberen ter kamer Enkhuis „ 56. vier Paketten aan als inden hoofd deeses besch: „ 57: gaat appart met partitiuliere brieven ge merkt P: B: Kolombo den 8. Januarij A:o 1793. Sybrands Egrlerk D T H den Bn A814 Cat 1 I: Ledulx Nagezie 501 Zeeland RDIR CaI Aan de Edele Achtbaare Heeren Bewindhebberen van de Generaale Nederlandsche g'octroijeerde oost-Jndische Comp: ter voormelde kamer Edele Achtbaare Heeren wij hebben de eer uwel Edele Achtbaare hier nevens aantebieden, het Dupli„ caat van onzen eerbiedigen van den 27: Maart passato, afgezonden met de paket boot de star, die den 22:' daar aan van Gale vertrok ken is zedert hebben we de eere gehad t0 Hr gehad uwer wel Edele Achtbaare Zeer g'eerde Missives van den 19. Janu arij 9. februarij en 3. Maij 1792. te ontvangen. volgens uwer wel Edele Achtbaare aanbeveeling, hebben we de gelden die aan het Regiment van Marron toegestaan is Jaarlijks in sComp:s Cas „ te tellen, doen afkorten de sommen„ die voor reekening van dat Regi„ ment aan de Caab de goede Hoop g'incasseerd zijn, zoo als uwel Edele Achtbaare zulks beoogen kunnen bij het extrakt uit onse resolutie van den 23. 8ber: J:o Leeden; dat hier neevens gaat. Aan uwerwel Edele Achtbaare order om door den Capitain le Clerc te laaten 502 MAdia lIX II laaten voldoen, dan wel van zijne gagie te doen inhouden, zijn schuld aan de gew: Luitenant onder het degi„ ment van Luxemberg de feid, kun„ nen we niet voldoen, wijl gem: le Clerc, die op order van de Edele Hooge Jndische Regeering, als een ondustig subject, met afgeschreevene gagie naar Nederland stond opgezonden te„ worden is gedeserteerd, waarscheijnlijk met een faans partikulier schip dat hier ter reede lag 't schip de Jongvrouw Sibella Antho„ netta:, door ons aangelegd tot een retour bodem voor de eerste bezending en ge„ consigeerd aan de kamer Amsterdam, werwaards het zelve den 10: deezer de rijse zal aantreeden, is de brenger deeses td H 1. deeses Nopens de laading en bemanning van dien bodem gedraagen we ons aan de bedigten, die de bedienden te Gale de eere zullen hebben, daar van aan uwel Edele Achtbaare toe te zenden. voorts hebben we de eere uwel Edele Achtb: te berigten, dat we aan de gew: sous Luitenant van het rege meut de Meuidon Matthias Bis seerdon, die zijn demissie gevraagt heeft, en aan den gew: sergeant van 't regiment van wurtenburg Hookt die van het regiment zijn ontslag heeft bekoomen, heb „ben toegestaan met een der act „scheepen naar Nederland overte vaa ook

NL-HaNA_1.04.02_3975_1199 view scan ↗

English

We have also, at their request, taken into service as sailors three Englishmen who arrived at Gale on a private vessel, named George Ortorno, William Roberts, and John Pete, at the wages of twelve guilders per month each, to be placed on one of the return ships, though in such a manner that they shall not be paid the premium usually paid to ship's sailors upon return to the Netherlands, which we have caused to be made known in their deeds. The ship De Schelde arrived at this roadstead on the first of October last. This ship sailed on the 20th of February from Rammekens with 294 heads, and arrived on the 30th of June in the Simonsbaaij with 287 heads, 4 seafarers and 3 soldiers having died on the voyage. From there it departed on the 16th of July with 290 heads, of whom 3 seafarers and 1 soldier passed away on the voyage, and at the muster at sea another 4 seafarers were found missing, so that the same brought to Ponnekail, where it arrived on the 16th of September, 282 heads, consisting of 146 seafarers, 43 national soldiers, 86 soldiers of the regiment Meuron, and 7 passengers, as appears from the brief roll of strength forwarded among the appendices. The ship's and surgeon's journals kept on this vessel during the voyage, together with the notes of the weekly meetings held, have been examined by specially appointed commissioners, and according to the reports received thereof, which accompany this in copy, both the ship's officers and the chief surgeon properly attended to their duty in all things and complied with the orders. According to a report from Captain van Eps commanding this vessel, which is forwarded in copy among the appendices, he had no extraordinary encounters during the voyage, nor discovered any shoals or reefs not known on the charts; and the provisions supplied in the Netherlands for the voyage were all very good and proper, except for two barrels of meat that were found spoiled. The consumption, account, and inventory of this vessel concerning the provisions and other necessities received in the Netherlands and at the Cape of Good Hope have been properly settled here, according to the report of the first visitor Issendorp, inserted in our resolution of the 9th of November, which accompanies this in extract, and by which Your Right Honourables will see that we have made the ship's officers account here for some surplus provisions and ship's clothing, and on the other hand have had written off the inventory various equipment goods, spars, and cooperage, which were both consumed on board and laid down from the supplies of this ship at the Cape of Good Hope and here. Captain van Eps has requested of us that 67½ mexicans, which he had disbursed out of the 200 pieces received according to an account submitted by him, namely 62½ pieces for wagon hire to travel in the Company's service from False Bay to the Cape and back again, and 5 pieces for purchasing fish off the Madurese coast, might be written off; as he had neglected through ignorance to take receipts for the aforesaid expenditures, and those expenditures nevertheless had to be made out of necessity. We have upon this, at the session of the 2nd of November, as appears from the accompanying extract from our resolution, decided—purely as a trifle for which no proof could easily be obtained—to allow the writing off of the 5 pieces disbursed off the Madurese coast for the purchase of fish, but provisionally to place the remaining 62½ pieces on the pay account of Captain van Eps, and to refer the final disposition thereof to Your Right Honourables, as this Captain has been placed in command of the ship Dregterland and is to repatriate on it; and we have at the same time requested the ministers at the Cape of Good Hope to kindly report to Your Right Honourables whether the captains of ships that happen to lie in False Bay are compensated for wagon hire for the journeys they make from there to the Cape and back again. Captain van Eps has furthermore represented to us that until his arrival here in the roadstead he was ignorant of the new order that no more than a one-third charge of gunpowder, or one-third of the weight of the shot, may be used for each cannon shot, and that he consequently, during the voyage from the Netherlands to this place, had used half charges of powder according to previous custom, requesting that the shots fired with half charges may be passed. And as no evidence whatsoever has been found that the aforesaid Captain was informed of the order recently issued by the High Government of the Indies that no more than a one-third charge of powder may be employed for salute shots, we have, as appears from our resolution of the 2nd of November, which accompanies this in extract, qualified the visitor, in examining the powder accounts of these ships, to adhere to the orders observed in that regard prior to the receipt of Their High Honours' aforesaid latest order. Regarding the findings on the home and Cape cargo unloaded here from the ship De Schelde, we have disposed thereof by our resolution of the 31st of December last, which accompanies this in extract.

Dutch transcription

503 Ook hebben we drie engelschen, die met een partikulier vaartuig te Gale zijn aangekoomen, met naamen George Ortorno, wil„ „liam Roberts en John Pete, op hun verzoek, in dienst aangenoomen als mattroozen, voor de gagie van twaalf gul„ „dens 'smaands ieder, om op een der retour scheepen te worden geplaatst, dog zoo, dat aan dezelve niet zal worden be„ „taald de premie, die gewoon„ „lijk aan scheeps mattroozen bij retour in Nederland word betaald, het geen we bij hun„ „ne aktens hebben doen be„ „kend stellen. 3 M R. 1O. T. schip de schelde is den eersten ok „tober J: L: ter deezer rheede aa „gekoomen. Dit schip is den 20. ' fe„ „bruarij van Rammekens gezeid met 294. koppen, en is den 30. ' Jun in de Simonsbaaij gearriveerd met 287. koppen, zijnde op de rij „ze gestorven 4. zeevaarenden en 3. Militairen. van daer is 't di 16. ' Julij vertrokken met 290. ko„ „pen, waar van op de rijze over leeden zijn 3. zeevaarende en militair, en bij de monstering op zee zijn nog 4. zeevaarenden absent bevonden, zoo dat 't zelv te Ponnekail, alwaer 't den 16. ' 7ber: gearriveerd is aange „bragt heeft 282. koppen, bestaan „de in 146. zeevaaren den 43. natie „naale militairen, 86. militair van 't regiment Meuron en 7. passagiers 504 passagiers, blijkens de korte sterk„ „te, die onder de bijlaagen overgaat. De scheeps en Chirurgijns Journaalen, die geduurende de rijze op deezen boodem gehouden zijn, nevens de aanteekening van de weekelijk„ „sche gehoudene vergaderingen, zijn door expresse gekommit„ „teerden g'examineerd, en volgens de daer van ingekoomene berigten, die deezen kopieelijk verzellen, hebben zoo wel de scheeps over„ „heeden, als de oppermeester, in alles hun pligt behoorlijk be„ „tragt, en aan de orders voldaen. Volgens een berigt van den op deezen bodem kommandeerenden kapi„ „tain van Eps, 't welk in kopij onder de bijlaagen overgaat, heeft hij op de rijze geene bijzondere ontmoetingen gehad, nog eenige droogten M R . droogten of klippen ontdekt, die niet in de kaarten bekend zijn, en de provisien in Nederland voo de rijze meede gegeeven; waar alle zeer goed en wel geweest, be halven twee vaaten vleesch, die bedorven bevonden zijn. De Consumtie, reekening en Inven „taris van deezen bodem, wegen de in Nederland en aan de Kaa de Goede Hoop ontvangene pa „visien en andere behoeften, zijn alhier behoorlijk vereffend, vol „gens het berigt van den eersten visitateur Issendorp, g'inse „reerd in onze resolutie van den 9. ' November, die in Extrak„ deezen verzeld, en waer bij uwe Edele Achtb: zullen zien, dat we door de scheeps overheeden hier 505 M R 10.C hier hebben doen verantwoorden eenige overgeschootene provisien en scheeps kleederen, en daar en teegen bij den Inventaris laaten afschrijven diversche equipagie goederen, rondhouten, en vaatwer„ „ken, die zoo wel aan boord ver„ „bruikt, als aan de Kaab de Goede Hoop en alhier uit de behoeften van dit schip gelegt zijn. De Kapitain van Eps heeft ons verzogt, dat 67½. mexikaanen, die hij van de ontvangene 200. stuks volgens eene door hem overgelegde reekening had uitgegeeven, namelijk 62½ stuks voor wagen huur, om in 'skomp: dienst van de baaijfals na de Raab en van daer terug te reijden., en 5. stuks tot 't koopen t Hr 11 koopen van visch onder de Ma„ „dureesche wal, mogten worden afgeschreeven; wijl hij uit on„ „kunde had verzuimd van de voorsz: uitgaaves quitantie teneemen, en die uitgaaves nogtans noodzaakelijk had „den moeten geschieden. Wij heb „ben hierop ter sessie van den 2.' November, blijkens het hierneevens gaande Extrakt uit onze resolutie, beslooten, alleen als eene geringheid waer van niet wel eenig bewijs konde wor „den genoomen, te laaten afschag„ „ven de 5. stuks, die onder de Madureesche wal tot 't koopen van visch zijn uitgegeeven, dog de overige 62½. stuks bij provisi te doen stellen op de zoldij reekene van 506 dan M R. t van Kapitain van Eps, en de finaale dispositie daer omtrent wijl deeze Kapitain op 't schip Dregterland in Kommando ge„ „steld is, en daer meede staat te repatrieeren, te defereeren aan uwel Edele Achtb:; en hebben we teffens de ministers aan de Kaab de Goede Hoop ver„ „zogt, aan hoogst dezelven tewillen berigten, of aan de ka„ „pitains van de scheepen, die in de braijfals koomen te leggen, wagen huur word goedgedaan voor de togten, die ze van daer na de Raab en weder terugdoen. Nog heeft de Kapitain, van Eps aan ons vertoond, dat hij tot zijne komst hier ter rheede onkundig was geweest van de nieuwe td Ar nieuwe order, dat voor elke Ka„ „non schoot niet meer dan een derde lading buskruit, of een derde van de Zwaarte der koegels, mag verbruikt worden en dat hij mitsdien, geduuren„ „de de rijze uit Nederland na herwaards, volgens voorig gebruik halve ladings kruit hadde verbruikt, met ver„ zoek, dat de gedaane schooten met halve ladings moogen worden gepasseerd. En wijl 'er nergens eenig blijk gevonden is, dat de voorsz: Kapitain g'informeerd is geweest van de order, door de Hooge In„ „dische Regeering onlangs ge„ „steld, dat voor de salut schooten niet 507 niet meer dan een derde lading kruit mag worden g'emploijeerd, hebben we blijkens onze reso„ „lutie van den 2. ' November, die in Extrakt deezen ver„ „zeld, den visitateur gequali„ „ficeerd, in 't examineeren van de Kruitreekeningen van deeze scheepen zig te rigten naer de orders, die daer om„ trent zijn geobserveerd, voor den ontvang van voorsz: Hun„ „ner Hoog Edelh: Jongste or„ „der. Op de bevinding van de alhier uit„ „geleeverde Patriasche en kaab„ „sche laading van het schip de„ schelde, hebben we gedisponeerd bij onze resolutie van den 31' December J:o Leeden, die in Extrakt deezen te Hr M R. 10. Cr.

NL-HaNA_1.04.02_3975_1208 view scan ↗

English

accompanies this, and to which we most humbly conform ourselves. We only take the liberty to note here that in a case No. 41, instead of 50 Japen der Jeugd, no more than 25 pieces were found, thus 25 less, which we have decided to have written off because the said case was delivered in good condition. Likewise, we have decided to have 2 1/20 reams of small format and 7/40 reams of small median paper, together with 48½ ells of sail and 14 ells of light Dutch sailcloth, which were found to be wet and damaged, sold by public auction 508 auction for the prevailing price, and to have the lesser yield thereof written off, because the cases in which these items had been packed were wet and damp upon delivery, though otherwise in good condition. The found deficiencies in the meat, the olive oil, the gunpowder, and the corks, we have also caused to be written off, though somewhat large, because the casks were delivered in good condition; however, in contrast, we have caused the deficiencies in the iron, after deduction of the determined spillage, to be charged to the salary accounts of the ship's officers, because the count of the hoops and bars was not delivered correctly; and finally, we have caused the found deficiency of 26½ ells of broad duck canvas on 18 pieces, and of 5 5 ells of narrow duck canvas on 7 pieces to be written off, because the count of the pieces was properly delivered. Regarding the remaining cargo of this vessel that was delivered at Gale, we have received another report, and we shall consequently have the honor to render a further account thereof to Your Noble Worships. According to a report received from Tutukorijn from commissioned judicial members, a copy of which accompanies this, a deficiency in weight was found in the gold that arrived with the ship De Schelde, namely 2 bars from the chest No. 1, 5 bars Nos. 31, 38, 39, 41, and 42 from the chest No. 3, and bars Nos. 43, 44, 45, 46, 48, 49, 50, 51, 52, 53, 55, and 56 from the chest No. 4 weighed together less by 1 ounce and 509 and 17½ engels, which deficiencies we have caused to be written off in the books. We commend Your Noble Worships to the protection of the Almighty and remain with all high esteem. Below stood: Noble Worshipful Gentlemen! Your Noble Worships' obedient servants. Was signed: W. J. van de Graaff, M. P. Raket, D. J. Fretz, C. van Angelbeek, D. C. von Drieberg, J. Reintous, B. L. van Zitter, A. Samlant, and J. A. Vollenhove. In the margin: Kolombo, the 8th of January, Anno 1793. Agrees: Sijbrands First Clerk Checked: Ws. van Geizel 510 To the Noble Worshipful Gentlemen Directors of the General Dutch Chartered East India Company at the aforementioned Chamber Delft. Noble Worshipful Gentlemen, We have had the honor to receive Your Noble Worships' honored letter of August 31, 1791, and we humbly thank Your Noble Worships for the information communicated therein, both concerning the return ships arrived in the Netherlands and the payment made on the monthly note of the Senior Merchant Fretz. The ship De Jonkvrouw Sibella Anthonetta now departs for the first consignment, consigned to the Chamber of Amsterdam, and and we take the liberty, regarding its cargo and crew, to refer to the reports that the Gale officials will have the honor to provide to Your Noble Worships. For the rest, we take the liberty to refer ourselves most humbly to our advisories to the Right Noble High Worshipful Gentlemen Seventeen, a set of which we have the honor to present herewith to Your Noble Worships. We commend Your Noble Worships to the protection of the Almighty and remain with all high esteem. Below stood: Noble Worshipful Gentlemen! Your Noble Worships' obedient servants. Was signed: W. J. van de Graaff, M. P. Raket, D. T. Fretz, C. van Angelbeek, D. C. von Drieberg, J. Reintous, B. L. van Zitter, A. Samlant, and J. A. Vollenhove. In the margin: Kolombo, the 8th of January 1793. Agrees: Sijbrands First Clerk Checked: O. P. G. de Vos 511 Hoorn To the Noble Worshipful Gentlemen Directors of the General Dutch Chartered East India Company at the aforementioned Chamber. Noble Worshipful Gentlemen! The ship De Jonkvrouwe Sibella Anthonetta now departs for the first consignment, consigned to the Chamber of Amsterdam, and we take the liberty, regarding its cargo and crew, to refer to the reports that the Gale officials will have the honor to provide to Your Noble Worships. For the rest, we take the liberty to refer ourselves most humbly to our advisories to the Right Noble High Worshipful Gentlemen Seventeen, a set of which we have the honor to present herewith to Your Noble Worships. We commend Your Noble Worships to the protection of the Almighty and remain with all high esteem. Below stood: Noble Worshipful Gentlemen! Your Noble Worships' obedient servants. Was signed: W. J. van de Graaff, M. P. Raket, D. T. Fretz, C. van Angelbeek, D. C. von Drieberg, J. Reintous, B. L. van Zitter, A. Samlant, and J. A. Vollenhove. In the margin: Kolombo, the 8th of January 1793. Agrees: Sijbrands First Clerk 512 Enkhuizen To the Noble Worshipful Gentlemen Directors of the General Dutch Chartered East India Company at the aforementioned Chamber. Noble Worshipful Gentlemen: The ship De Jonkvrouw Sibella Anthonetta now departs for the first consignment, consigned to the Chamber of Amsterdam, and we take the liberty, regarding its cargo and crew, to refer to the reports that the Gale officials will have the honor to provide to Your Noble Worships.

Dutch transcription

deezen verzeld, en waeraan ons nedrigst gedraagen. Alleen neemen we de vrijheid daerin hier bij te noteeren, dat in een Kas N:o 41. , insteede van 50. Ja„ „pen der Jeugd, niet meer be vonden zijn dan 25. stuks di minder 25. , die we beslooten hebben te laaten afschrijven om dat gem: kas wel geko ditioneerd uitgeleeverd is. Insgelijks hebben we besla „ten 2 1/20. riem klijn formac en 7/40. riem klijn mediaan papier, nevens 48½. ellen zea en 14: ellen ligt hollands zijl doek, die nat en verstik bevonden zijn per publieke vendutie 508 vendutie voor 't geldende te laaten ver„ „koopen, en het minder rendement daer van te laaten. afschrijven, om dat de kassen, waar in deeze dingen ge„ „pakt zijn geweest, bij de uijtleevering nat en vogtig zijn geweest, dog anders wel gekonditioneerd waaren. De be„ vondene minderheeden, op 't vleesch, de olijven olij, 't kruijt en de kurken, hebben we, schoon wat groot, meede laaten afschrijven, wijl de vaaten wel gekonditioneerd zijn uijtgelee„ „verd, dog daar en teegen hebben we de minderheeden op 't ijzer, naar af„ „trek van de bepaalde spillagie op de zoldij reekeningen van de scheeps over„ „heeden doen stellen, om dat het getal van de banden en staaven niet regtig uitgeleeverd is: en eijndelijk hebben we de bevondene minderheid van 26½. ellen breed everdoek op 18: stukken, en van 5. t0 Hr d M R. 10.n 5. ellen smal everboek op 7. stuks laaten afschrijven, om dat 't getal der stukken behoorlijk uitgeleever Van de restant lading van deezen bode die te Gale uitgeleeverd is, hebben we nog een berigt ontvangen, en z## „len we mits dien de eere hebben daar van nader verslag aan uwel Edele Achtb: te doen volgens een van Tutukorijn ontvangen rapport van gekommitteerde Justitieele leed waar van kopij deezen verzeld, is 'er een minwigt bevonden op 't goud 't welk met 't schip de schelde aan leg is, als hebbende 2. staaven uit de Kist N:o 1:, 5: staaven N:os 31: 38: 39: 41: en 42. uit de kist N:o 3:, en staaven, N:s 43: 44: 45: 46: 48: 49: 50 51: 52: 53: 55: en 56: uit de kist N:o 4 te zaamen minder gewoogen 1. once en is. 509 en 17½. eng:s, welke minderheeden wij bij de boeken hebben laaten af„ „schrijven. Wij beveelen uwel Edele Achtbaare en de bescherminge des allerhoogsten en blij„ „ven met alle Hoog achting. (:onderstond:) Edele Achtbaare Heeren! uwel Edele Achtbaare Gehoorzaame Dienaaren. /:was geteekend:/ W: J: van de Graaff, M: P: Raket, D: J: Fretz:, C: van Angelbeek, D: C: Von Driberg, J: Reintous, B: L: Van Bitler, A: Samlant en J: A: Vollenhove. /:in margine:/ Kolombo den 8.' Januarij A:o 1793: Akkordeert Sijbrands HEgreerk M R. 1O. Crt Sie den Aulb 142 ae 12 Nagezien Jn W„s Van Geizel 510 Aan de edele achtbaare Heeren Bewindhebberen, van de Generaale Nederlandsche g: oktroieerde oost-Indische komp: ter voormelde kamer. Delft, Edele Achtbaare Heeren Wij hebben de eere gehad uwwerweledele achtbaare g:'eerde missive van den 31:' augustus 1791: te ontvangen, en bedanken uw wel edele achtbaare needrig voor 't daar bij gecommuniceerde, zoo weegens de in Nederland g'arriveerde retourscheepen als de gedaane betaaling van de maand- cedul van den opperkoopman Fretz. 'T schip de Jonkvrouw Sibella Anthonetta vertrekt tans voor de eerste bezending, ge¬ „consigneerd aan de kamer Amsterdam, en M R. 1. C. en we neemen de vrijheid, nopens de laeding en bemanning van't zelve, ons te gedraegen aan de berigten, die de Gaalsche bedienden de eere zullen hebben, daar van aan uw welEdele achtb: tedoen. voor 't overige neemen we de vrijheid, ons nee„ „drigst te refereeren aan onze advisen aan de wel Edele Hoog Achtb: Heeren XV II=nen waar van we de eere hebben uw welEdele achtbaare hierneevens een stel aan te „bieden. wij beveelen uw wel Edele Agtbaare in de bescherminge des Allerhoogsten en blijven met alle hoog achting. /:onder „stond:/ Edele Agtbaare Heeren! uwel „Edele Achtbaare gehoorzaeme Dienaaren /:was geteekend:/ W: J: van de graaff, M: F: Raket, D: T: Faetz:, C: van Angelbeek D: C: von Drieberg, J: Reintous, B: L: van Zitter, A: Samlant en J: A: volle „hove /:in margine:/ Kolombo den 8e Januarij 1793. Akkordeert Hijbrands Egkelerk ende da W No 10. ten Nagezien Opgdevos 511 Hoorn Aan de Edele Achtbaare Heeren Bewindhebberen, van de Generaale Nederlandsche g'oktroieerde Oost-indische komp:e ter voormelde Kamer. Edele Achtbaare Heeren! 'T Schip de Jonkvrouwe Sibella An¬ „thonetta vertrekt tans voor de eerste bezending, gekonsigneerd aan de Kamer Amsterdam, en we neemen de vrijheid nopens de Laading en bemanning van 't zelve, ons te gedraagen aan de berigten, die de Paalsche bedienden de eere zúllen hebben, daar van aan uw wel Edele achtbaare tedoen voor M No. 18. # Voor 't overige neemen we de vrijheid, ons nedrigst te refereren aan onze advisen aan de weledele Hoog Achtbaare 17nen, waar van wede eere Heeren hebben uw weledele Achtbaare hierneevens een stel aantebieden. Wij beveelen uw wel edele Achtb: in de bescherminge des Allerhoogsten en blijven met alle hoog Achting. /:onderstond:/ Edele Achtbaare Heeren! uw wel Edele Agtbaere gehoorzaame Dienaaren. /:was ge„ „teekend:/ W: J: van de PraafC M: P: Raket, D: T: Fretz:, C: van Angelbeek, D: C: von Drieberg, J: J: Reintous, B: L: van Zitter, A: Samlant, en J: A: vollenhove /:in margine:/ Kolombo den 8:' Janu „rij 1793: Akkordeert Sijbrands Ealerk 512 Enkhuisen Aan de Edele Achtbaare Heeren Bewindhebberen van de generaale Nederlandsche g'oktroi= „eerde oost indische komp: ter voorm kamer. Edele Achtbaare Heeren: 'T schip de Jonkvrouw Sibella Anthonetta vertrekt tans voor de eerste bezending, gekonsigneerd aan de kamer Amsterdam, en we nee„ „men de vrijheid, nopens de Laa= „ding en bemanning van 't zelve, ons te gedragen aan de berigten, die de Gaalsche bedienden de eere zullen hebben, daar van aan uw wel Edele Achtbaare te doen. voor M R. 1. #

NL-HaNA_1.04.02_3975_1222 view scan ↗

English

For the rest, we take the liberty most humbly to refer to our advices to the Right Honorable Gentlemen Seventeen, of which we have the honor to present a set to Your Honorable Worships herewith. We commend Your Honorable Worships to the protection of the Almighty and remain with all high esteem, /:below stood:/ Honorable Worshipful Sirs, Your Honorable Worships' obedient servants. /:was signed:/ W: J: van de Graaff, M: P: Raket, D: T: Fretz, C: van Angelbeek, D: C: von Drieberg, J:b Reintous, B: L: van Zitter, A: Samlant, and J: A: Vollenhove. /:in the margin:/ Kolombo, the 8th of January, Anno 1793. Agrees Dijbrands First Clerk M No 18. Ken. Examined pgderos m No 18. ten Examined Staats. 513 Rotterdam To the Honorable Worshipful Gentlemen Directors of the General Dutch Chartered East India Company at the aforesaid Chamber. Honorable Worshipful Sirs: The ship De Jonkvrouw Sibella Anthonetta is now departing for the first consignment, consigned to the Chamber of Amsterdam, and regarding its cargo and crew, we take the liberty to refer to the reports that the servants at Gale will have the honor to make to Your Honorable Worships thereof. M R. 18. . 1 3 For the rest, we take the liberty most humbly to refer to our advices to the Honorable, Right Worshipful Gentlemen Seventeen, of which we have the honor to present a set to Your Honorable Worships herewith. We commend Your Honorable Worships to the protection of the Almighty and remain with all high esteem, /:below stood:/ Honorable Worshipful Sirs, Your Honorable Worships' obedient servants /:was signed:/ W: J: van de Graaff, M: P: Raket, D: T: Fretz, C: van Angelbeek, D: C: von Drieberg, J:bs Reintous, B: L: van Zitter, A:s Samlant, and J: A: Vollenhove /:in the margin:/ Kolombo, the 8th of January, Anno 1793. Agrees Hijbrands First Clerk m N o 1.0. Ke Examined is H Drendsz 514 Cabo de Goede Hoop To the Honorable Joannes Isaak Rhenius, Senior Merchant and Secunde, acting in the administration of affairs, together with the Council there. Valiant, Provident, Discreet Sirs, With the arrival of the ships De Schelde, Vasco da Gama, and Helverbeek, we have received Your Honors' esteemed missives of the 4th and 13th of July and the 19th and 21st of September last. We thank Your Honors kindly for the goods sent by those vessels, and request that our previously submitted requisitions be considered fulfilled therewith. 10 s M R. 1A. Cr. The goods sent to us for the Malabar have already been forwarded thither, just as we have also provided further transport for the letters sent for Tuticorin, Surat, Coromandel, and Bengal. We further let this serve as an escort for the ship De Jonkvrouw Sibella Anthonetta, which has been designated as a return vessel for the first consignment and consigned to the Chamber of Amsterdam, whither it is scheduled to depart from Gale on the 10th of this month, regarding which vessel's crew and cargo we refer to the reports that the servants of Gale will send to Your Honors. We have ordered the servants at Gale to have published on board this vessel and in the following return ships the edict enacted at Cabo de Goede Hoop by the Right Honorable Commissioners General against the importation of 515 d M RO. 1. 0. Cr.I unpermitted and unbranded goods. With the aforesaid ship, Captain Kibourg of the Regiment de Meuron travels over thither to remain stationed there at the depot of the said regiment, and he has enjoyed his salary here up to the end of this month. Furthermore, we have sent to Gale, to be dispatched with one of the return ships to the Cape of Good Hope, 4 European convicts, named Ludewier Zwarts, Francois Borgard, Josep Klos, and Petrus de Vloo. According to the accompanying sentence of the Council of Justice of this castle, the first must be confined for life and the three latter each for 3 years, wherefore we request Your Honors to be pleased to have them placed on Robben Island in order to serve the aforesaid confinement there, after which Your Honors will be pleased to send them to the Netherlands on account of the banishment decreed in the aforesaid sentence. The Captains of the aforesaid ships De Schelde and Vasco da Gama, in the accounts submitted by them of the mexicans received in the Netherlands, have among other things brought up what they paid for wagon freight to ride from False Bay to the Cape and from there back to False Bay, as Your Honors can see from the copies of the aforesaid accounts which pass herewith for Your Honors' inspection. Because no example has appeared to us thus far where wagon freight is credited to the Captains of the ships that come to lie in False Bay for the journeys they must make in the Company's service, we have provisionally placed the freight brought up by them 516 M N. 1. 0. Cr. upon their pay accounts, pending further disposition of the Gentlemen Majores and of the Honorable High Indian Government, and we kindly request Your Honors to serve them with the necessary information concerning this matter. According to an account submitted by Captain Droop, which accompanies this in copy, the former Captain on the ship Hilverbeek, Claas Voet, delivered to him no more than 150 mexicans of the 200 pieces that he received in the Netherlands. We have therefore decided, out of the 50 mexicans delivered short, to have six pieces written off, which is ordinarily paid for sighting the Gale coast, and the remaining 44 pieces are now charged thither, to be accounted for to the Company by Captain Voet, but in case he has already for receipt

Dutch transcription

Voor het overige neemen we de vrij „heid, ons nedrigst te refereeren aan onze adviesen aan de wel edele Hoog achtbaare Heeren 17=nen waer van eve de eere hebben uw wel Edele Achtbaare hiernevens een stel aan „tebieden Wij beveelen uwel Edele Achtbaare in de bescherminge des aller hoogste en blijven met alle hoog agting /:on „derstond:/ Edele Achtbaare Heeren uwel Edele Achtbaare Gehoorzaeme Dienaeren. /:was geteekend:/ w: J: van de Graaff, M: P: Raket, D: T: Freth C: van Angelbeek, D: C: von Duiber J:b Reintous, B: L: van Zitter, A: Samlant, en J: A: Vollenhove /:in margine kolombo den 8. Januar A:o 1793. Accordeert Dijbrands E Clerk M No 18. Ken. Nagezien pgderos m No 18. ten Nagezien Staats. 513 Rotterdam Aan de Edele Achtbaere Heeren Bewindhebberen van de Generaale Nederlandsche g'ontroi= „eerde oost - Indische komp: ter voormelde kamer. Edele Achtbaare Heeren: schip de Jonkvrouw Sibella Anthonetta vertrekt tans voor de eerste bezending, gekonsigneerd aan de Kamer Amsterdam en we neemen de vrijheid nopens de lading en bemanning van 't zelve, ons te gedragen aan de berigten, die de Gaal„ „sche bedienden de eer zullen hebben daar van aan uw weledele Acht= M R. 18. . „baare 1 3 „baare te doen voor 't overige neemen we de vrijheid ons nedrigst te refereeren aan onze adviesen aan de wel Edel Hoog acht„ nen „baare Heeren 17=men, waar van we de eere hebben uw wel Edele acht= „baare hiernevens een stel aante„ bieden. Wij beveelen uwel Edele Achtb: in de bescherminge des allerhoogsten en blijven met alle hoog achting. /:on„ „derstond:/ Edele Achtbaare Heeren uwel Edele Achtbaare Gehoorzal „me Dienaaren /:was geteekend:/ w: J: van de Graaff, M: P: Raket, D: T: Fretz, C: van Angelbeek, D: C: von Drieberg, J=bs Reintous, B: L: van Zitter, A:s Samlant en J: A: vollenhove /:in margine:/ kolom „bo den 8.:' Januarij A:o 1743. — Accordeert Hijbrands eijklerk m N o 1.0. Ke Nagezien is H Drendsz 514 Cabo de Goede Hoop Aan den Heer Joannes Isaak Rhenius opperkoopman en secunde, waarnemende de maneance van Zaaklen, Nevens den Raad aldaar Manhaften voorzienigen Diskreeten Met de arrive van de scheepen de schelde Vasco de gama en Helverbeek, hebben we ontvan„ „gen uwer Edelens geagte Missieves van den 4. en 13 Iulij en 19 en 21 September pass„o wi bedanken uw Edelens vrindelijk voor de ge„ „zondene goederen met die bodems, en verzoeken daar meede onze bevoorens gedaane eijsschen voor 10 s„ M R. 1A. Cr. voor voldaan tewillen zouden. De aan ons gezondene goederen voor de Mallaba zijn reets naar derwaards bezorgd, zoo als ook verder transport hebben verleend, aan de gezondene brieven voor koeltseem, Souratta Cormandel en Bengale. wij laaten deezen voorts dienen ten geleijde va 't schip de Jonkvrouw Sibella Anthonet het welk aangelegd is tot eer retour brdem voor de eerste bezending, en geconsigneerd aan de kamer Amsterdam, wernaeards het de 10' dezer van Gale staat te vertrekken, totn we ons, nopens de bemanning en lading va dien bodem, gedraagen aan de berichten, die de bedienden van Gale uw Edelens zullen toezenden. Wij hebben den bedienden te Gale gelast, aan boor van deezen bodem in de volgende retour schee„ „pen te laaten publicceeren de dader, door de Hoog Edele Heeren Commissarissen Generaal aan Cabo de Goede Hoop gesteld, teegen den invoer 515 d M RO. 1. 0. Cr.I invoer van ongepermitteerde en ongebrande goederen Met voorm: schip vaart naar derwaards over de Capitain van 't regiement van Meuron Kibourg, om aldaar bij 't depot van gem: re„ „gement bescheyden te blijven en heeft hy alhier zijn tractement genooten tot uctimo deezer. Voorts hebben we naar Gale gezonden, om met een der retour scheepen naar de Caab de goede Hoop verzonden te worden, 4 Europe„ „sche gecondemneerdens, met naamen zud„ „wier Zwarts, Francois Borgard, Iosep Klos, en Petrus de Vloo- volgens de nivens gaande sententie van den Raad van Sus„ titie deezes kasteels, moet de eerste voor 's en de drae laatste elk voor 3 Iaaren gecon„ „fineerd worden, weshalven wij uw Edelens verzoeken hun op 't hebben Eiland te willen doen plaatsen, om daar 't voorsz: Confine„ ment t Hr # „ment uittedienen, waar naar uw Edelens h uit hoofde van de bij voorsz: Sententie ge „serneerde bannissement waar Nederland gelieven te zenden. De Capitains van de voorsz: scheepen de sch en vasco de Gaura, hebben bij de door hun overgelegde reekeningen van de in Neder „land ontvangene mej kanen, onder and „ren opgebragt het geen ze voor wagen vrag hebben betaald, om van de baaij fals naar de kaab en van daar weder naar de baay of als te reijden, zoo als uw Edelens dat zi zien bij de Copijen van de voorsz: recken „gen, die hier nevens tot uw Edelens Speci overgaan. wijl ons tot nog toe geen voor beeld is voorgekomen, dat aan de Capita van de scheepen, die in de braij fals kom te leggen, wagen vragt word goedgedaan 1 voor de togten die ze in 's Comp„s dienstm „ten doen, hebben we de door hun opgebrag„ vragt 516 M N. 1. 0. Cr. vragt bij provicsie op hunne zoldij reekeningen doen stellen, tot nadere dispositie van de Heeren Majores en van de Edele Hoog Indie„ „sche Regeering, en we verzoeken uw Edelens vruendelijk, hoogst dezelven daar omtrent te willen dienen van de nodiege informatie. Volgens een door Capitain Droop overgelegde reekening, die in Copia deezen verzeld, heeft de geweezene Capitain op 't schip Hilverbeek claasvoet, aan hem niet meer dan 150 merika„ „nen overgegeven, van de zoo stux die lij in Nederland heeft ontvangen. wij hebben derhalven beslooten, van de minder overgege„ „vene 50 merikaanen, te laaten afschrijven ses stux die ordienair voor 't zien van de Kaal„ „sche wal word betaald, en de overiege 44 stuks worden tans naar derwaards aangerekend, om door Capitain voet aan de Comp: ver„ „antwoord te worden, dog zoo hij reeds voor ontvang T

NL-HaNA_1.04.02_3975_1236 view scan ↗

English

receipt of this may have departed, your Honors will please have the same further charged to the Netherlands, subject to the further disposition of the Lords Majors. By order of the Noble High Indian Government, by missive of 22 May 1742, of which an extract accompanies this, we have sent to Gale the Malay priest Mamoed, who has been banished here for some time, in order to be sent from there to the Cape with one of the return ships, and your Honors will see from the aforesaid extract that their High Nobilities desire that your Honors shall cause close watch to be kept on the person of the said Mamoed. Among the enclosures to this, we offer to your Honors a requisition of necessities for this Government, with the friendly request to kindly have it complied with as closely as possible. Furthermore, there is attached hereto a packet of letters addressed to your Honors, which was delivered here by the Captain of the ship Vasco de Gama, together with a report submitted by him concerning it, in which he says that he found the said packet upon opening the blue book. We have the honor, after dutiful greetings, to remain with respect, Valiant, Prudent, Discreet, your Right Noble's willing friends and servants, signed: W: I: van de Graaff, M: P: Raket, D: F: Fretz, Jac: C: van Angelbeek, C: v: Drieberg, I: Reintous, B: L: van Zitter, A: Sambant, I: A: Vollenhoven; in the margin: Kolombo, 8 January Ao 1793. Agrees: Hijbrands, Clerk. Examined: Van Geizel. To the Right Honorable, Highly Venerable Lord Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceilon with its dependencies. Right Honorable, Highly Venerable, High-Commanding Lord. In compliance with the esteemed order received from your Right Honorable, contained in the written warrant of the 6th of this month, we, the undersigned committee members from the Honorable Council of Justice of this Castle, proceeded to the Trade Warehouse and there, in the presence of the merchant and fiscal of this government, the Lord Master Ioannes Adriaan Vollenhove, received from the warehouse masters a piece of fabric, silver ground interwoven with gold and silk flowers, marked No. 28184, which the said warehouse masters as well as the ordinary commissioner Johannes Fredrik Spoor, the second commissioner Mr. Angelo van Geijzel having died, declared under oath to be the very one that was brought by the ship Trinconomale in Ao 1789 for the account of the Amsterdam Chamber; it was subsequently remeasured and found to contain 42 1/4 cubits, the same having then been properly packed in a small case, sealed with the seal of Justice, and handed over to the warehouse masters for transmission to the fatherland. Furthermore, three pieces of summer cloth which among other things were brought with the said ship; with the ell which the warehouse masters as well as the aforesaid commissioner Spoor declared under oath to be the same one with which the cloths brought at that time were measured, were also remeasured and found to contain as follows: 1 piece Saxon green, marked No. 33358, long 48 1/4 cubits instead of 50 cubits, according to the lead tag hanging from it, thus short 1 3/4 cubits. 1 piece brown, marked No. 33439, long 48 3/4 cubits instead of 50 cubits, according to the lead tag hanging from it, thus short 1 1/4 cubits. 1 piece yellow, marked No. 33376, long 48 cubits instead of 50 cubits, according to the lead tag hanging from it, thus short 2 cubits. Subsequently, the said ell was placed in a separate small box, sealed with the Seal of Justice, and also handed over to the warehouse masters to be sent to the fatherland. We hope hereby to have complied with the aforesaid esteemed order, and furthermore take the liberty to call ourselves, with true respect and high esteem, Kolombo, 8 November 1792. In my presence: Vollenhove. Your Right Honorable's Obedient Servants: Thierbach, D: Unekenbeek. No. 1. To the Right Honorable, Highly Venerable Lord Governor and Director of the Island with its dependencies etc. etc., Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Willem Jacob van de Graaff. Right Honorable, Highly Venerable, High-Commanding Lord. Regarding the remarks which the Right Honorable, Highly Venerable Lords Masters were pleased to make in their most respected missive of 22 December 1791, concerning the shortage found here of 103 3/8 ells of summer cloth on a parcel of 4998 1/2 ells, and the 4 artisan rosettes reported as missing belonging to the received horse harnesses, as well as regarding the condition of a piece of silver fabric with gold and silk flowers, all brought here with the ship Trinkonomale in October Ao 1789 from the Amsterdam Chamber, a report having been requested by your Right Honorable from us warehouse masters, we have the honor, in dutiful fulfillment thereof, respectfully to inform your Right Honorable that the aforesaid quantity of cloth was properly and with all attentiveness measured here in the presence of the ordinary commissioners, who, as is customary, attend the receipt of all goods in the Administrations, and that we therefore know of no other reason to give for the said shortage than merely that it is possible that there might be some difference between the Kolombo ell and that of the city of Leiden, where the cloth was purchased, which is why we take the liberty of submitting herewith the same ell with which the aforesaid cloth was measured here, and which was compared and calibrated by the sworn gauger of Kolombo against the standard standard preserved under his care, in case your Right Honorable should deem it necessary to send the same to Europe. That the four artisan rosettes reported as received short have since been sent, and that they were subsequently delivered as belonging to the horse harnesses. That

Dutch transcription

ontrang deezes mogte vertrokcken zijn gelieven uw Edelens dezelve verder naar Nederband te laaten aanreekene ter nadere dispositie van de Heeren Majores Op order van de Edele Hooge Indiesche Regeering, bij missieve van den 22 Me 1742, waar van een Extrakt deezen verzeld, hebben we naar Gale ge„ „zonden den Maleijdschen padp Mamor die hier eenigen tijd gerelegeerd is ge„ „weest, om vandaar met een der retor „scheepen naar de Caab verzonden te worden, en zullen uw Edelens bij voorsz getrakt zien, dat hunne Hoog Edel„ „heeden begeeren, dat uw Edelens op den perzoon van gem: Mamoed nau Keure acht zullen laaten geeven. onder de bijlaagen dezes bieden, wy uw 5172 M R 1. A. Cr 4 uw Edelens aan, een Eijsch van benodigdheeden voor dit Gouvernement, met vruendelyk verzoek, daar aan zoo na mogelijk te d willen laaten voldoen. Nog gaat hier nevens een brief paket aan uw Edelens gerigt, het welk door den Capitain van 't schip vasco de Gama alhier besteld is, nevens een berigt door hem derweegens inge„ „diend, waar bij hij zegt, gemelde pakket bij 't openen van 't blaau boek gevonden te hebben. Wij hebben de eere na gedienstige groete met Achting te zijn /:onderstont/ Manhaften wij voorzienigen Discreeten uwel Edele Dienst„ willige vriend en Dienaaren /:was getekent:/ W: I: van de Graaff, M: P: Raket, D: F: Fretz: Jac C: van Angelbeek, C: v: Drieberg, I: Reintous, B: L: van Zitter, A: Sambant, I: A: vollen, „hoven /:in margiene:/ Kolombo den 8„e Januarij Ao 1793 Accordeert Hijbrands Eilerk t Hr Nagezien VanGeizel M N. 1.4. 10 Hr en. 1 Aan den Wel Edelen Groot Achtb. Heer Willem Jacob van de Graaff Raad ordinair van Nederlands India, Gouverneur en Direkteur van het Eijland Ceilon met dies onderhorigheiden. Wel Edele Groot Achtbaare Hoog Gebiedende Heer. Jn nakominge der Erlangde ge-eerde ordre van uwel Edele groot Achtb: vervat bij schrif„ „telijke ordonnantie van den 6. deser, hebben wij ondergetekende gecomm: leeden uijt den Achtb: Raad van Justitie deses Casteels, ons vervoegt in het Negotie pakhuijs en aldaar ten overstaen van den koopman en fiskael deses gouverne ments DE heer M. r Ioannes Adriaan Vollen „hove van de pakhuijsmeesters ontvangen, een stuk stoff, silver grond met goud en zijde bloemen doorwerkt, gem. N. o 28184., het welk gemelde pakhuijsmeesters zo wel als de or„ dinaire gecommitteerde Iohannes Fredrik Spoor „ spoor als zijnde de tweede gecommitteerde Hr gelo van Geijzel overleeden, onder Eede ver klaerden hetzelfde teweesen, dat met het schip Trinconomale in Ao 1789 voor Reekening van de kamer Amsterdam is aangebragt vervolgens nagemeeten en bevonden wierd in te houden 42. ¼. C. , zijnde hetselve vervolgens in een kasje behoorlijk gepakt, met het Cachit de Iustitie verzegelt en aan de pakhuijsmeestere ter verzending na het vaderland overgegeven Wijders drie stukken somerlaken welke onder me andere met gem schip zijn aangebragt; met de el die de pakhuijsmeesters zo wel als vor gecomm:s spoor onder Eede verklaarden d zelfde teweesen, waarmeede de aangebragt lakenen toenmaals geneeten waaren, als in weder nagemeeten en bevonden intehouden als volgt. 1. stuk saxis groen, gem: N.:o 33358. lang 48¼. C insteede van 50. C. , volgens het daaraan hange„ lootje, dus minder 1. ¾. C. a 1. stuk bruijn, gem N:o 33439. lang 48¾. C. inste van 50. C. . , volgens het daar aanhangend loot dus minder 1.¼. C 1. stuk geel, gem. n. o 33376. lang 48. C. insterde van 50. C, volgens het daar aan hangend lootse dus minder Z: C. — Vervolgens te Har dan Mr Rd daba Arart H 71 Vervolgens is gemelde Ell. in een aparte kasje gedaan, met het Zegel der Justitie verzegelt en meede aan de pakhuijsmeesters overgegeven om na het vaderland teworden verzonden. Wij verhopen hiermeede aan voorsz: ge-eerde ordre te hebben voldaan, en gebruijken overigens de vrijheid, ons met waare Eerbied en hoog agting tenoemen. Kolombo den 8. 9ber 1792 Ten mijne overstaan. uwel Edele Groot Achtb. Gehoorsame Dienart Thierbach Wel Edele Groot Achtbaere Hoog Gebiedende Heer Vollenhove H D: Vnekenbeek Ar N: 1: Aan den WEd elen Rootagtb: Heer Gouverneur en Direkteur van 't Eiland met dies ressorte etc=a etc=aa Raad ordinair van Nederlands Jndien Willem Jacob van de Graaf„ WelEdele Grootagtb: Hoog gebiedende Heer Noopens de aanmerkingen, die de welEdele Hoog Agtb: Heeren Meesteren bij Hoogst Derzelver zeer gerespekteerde Missive van den 22. decemb 1791. gelieven te maaken, over de hier bevo „dene te kort kooming van 103 3/8. ellen zomer laaken, op een partij van 4998½. ellen, en de te min opgegevene 4. kartisaner roosjes ge „hoorende tot de ontfangene paarde tuigen als meede over de gesteltheid van een stuk zilver stof met goude en zijde bloemen alle met het schip Trinkonomale in oktob: A=o 1789 van de kamer Amster„ „dam hier aangebragt, door Uw Edele Grotaijs van van ons Pakluismeesters bericht gevraagd zijnde, hebben we de eere in schuldige voldoening daaraan Uwel Edele Groot agtb: eerbiedig kennis te geeven, dat voorm: quantiteijd laaken hier behoorlijk en med alle oplettentheid is gemeeten in present van de ordinaire Gekommitteerdens, die zoo als dat gebruikelijk is, den ontfangst van alle goederen in de Administraties bijwoonen, en dat we dus van gem: te kort kooming geen andere reeden weeten geeven, dan alleen dat het mogelijk is, dat tusschen de Kolombosche el, en die v de stad Leijden, alwaer het laaken in ingekogt, isseien eenig verschil kond zijn, waarom we de vrijheid neemen de zelfde el, waarmeede het voorsz: laak hier gemeeten is, en die door den kolom „boschen geswooren Eijkmeester met de onder hem berustende slaaper is geko fronteerd en g'eijkt, hiernevens over te leggen, of uwelEdele Groot agtb: zomtijds i „te noodig oordeelen dezelve na Europa te zenden Dat de vier als te min ontfangen opgegeve kartisaner roosjes zeedert zijn gezonden, en dat ze vervolgens als gehoorende tot de paardetuigen afgegeven zijn Dat

← previousnext →