Inventory 3975
Ceylon · 1,668 pages · 213 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
That regarding the piece of silver fabric with gold and silk flowers with a length of 53½ ells, whereof the Commissioners, who measured and examined the piece, stated in their report that it was entered instead of silver cloth, and that at one end a piece of 3½ ells is light in color and of a different workmanship, and furthermore that it consists of two pieces sewn together; the greater part of this piece of fabric is still present in the Trade Warehouse, there having been taken from the one end, which had no defect, only 17¼ ells on the occasion when the Fiscal Vollenhove departed for Kandy as Envoy in February 1790. We therefore very humbly request that your Right Honourable will be pleased to give orders that the aforementioned piece of fabric may be examined by a further commission, to ascertain whether their findings do not entirely agree with the statement made by the ordinary Commissioners in the year 1789. We must only note herewith that it may very well be that this sort of fabric bears the name of silver No. 6: silver cloth in the fatherland, but because it differs from the silver cloth that has always been sent out for the Company, and which is much thicker and heavier, the Commissioners have given it the name of silver fabric. Furthermore, we have the honor to call ourselves, with due high esteem and all respect, Right Honourable, High-Commanding Sir, Your Right Honourable's very humble and obedient Servants, J: Heimons J:S: Wickerman. Colombo, the 30th of October 1792. 3 6 522 To the Right Honourable Sir, Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies. Right Honourable, High-Commanding Sir! Lourens Lusson, Lieutenant Engineer here, your Right Honourable's very humble servant, respectfully gives to know that he arrived in India in the year 1785. And as family matters now require his presence in Europe, he respectfully requests your Right Honourable to be pleased to permit him, with preservation of his pay and rank, to sail home for two years with the first departing ship, in consideration of the fact that he has well served out his bond to be in India, and that also your Right Honourable may nobly please to make a favorable recommendation to the Lords Major, that Their High Mightinesses may be pleased, when he returns again to India, to favor him with the pay and rank that he presently has the honor to hold. /: was signed :/ Doing which, etc. Agrees, Hybrands Clerk Examined, G. Wolinde No. 10 523 Was read a below-inserted report from the first searcher Issendorp, concerning the settlement of the consumption account and the inventory of the ship De Schelde. To the Right Honourable Sir, Willem Jacob van de Graaffe, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies. Right Honourable, High-Commanding Sir. The undersigned has examined the papers belonging to the settlement of the ship De Schelde, recently arrived for the Chamber of Zeeland, and respectfully reports to your Right Honourable that the remainder of the provisions consists of the following, namely: 2486 lb. hard bread 691½ lb. meat 731¼ lb. bacon 671 cans arrack 431¾ cans wine 147½ cans olive oil 787 cans vinegar. And in cash 120½ Spanish dollars, after an expenditure of 79½ pieces both for the lookout at the Cape and Malabar coasts, and the purchase of refreshments /: including the 62½ pieces that were spent on some wagon loads at the Cape and which, according to the Resolution of this government of the 2nd of this month, are charged to the Captain's pay account until Friday the 9th of November 1792: Extract Resolution taken in the Council of Ceylon further disposition of the Lords Major :/ of the 200 given along to the ship's officers for making all ship disbursements and purchasing refreshments, along with what is left over of the ship's slops: 1 man's storm jacket 6 men's woollen suits 12 boys' ditto ditto 10 men's linen ditto 6 boys' ditto ditto 48 pairs of woollen stockings 30 pairs of linen ditto 52 pieces shirts 51 pairs of shoes conform to Extracts from the ship's pay journal annexed hereto, which shall serve to be accounted for by the officers of the said vessel, while on the inventory the write-off may be made according to such equipage and weapon goods as, according to the attached note supported by 18 sworn declarations, were consumed on board during the voyage, as well as that which was discharged from the store to the shore here, according to the warrant, namely: Here on shore: 1 stocked anchor, unserviceable 1 foresail 1 main staysail 1 studdingsail 1 foretopmast staysail 1 common jib 1 flying jib 1 main topgallant staysail 1 made topmast for a spare 25 muskets 25 cartridge pouches 25 grenadier cutlasses with brass hilts 25 sword belts 1 drummer's [illegible]
Dutch transcription
Dat wat betreft het stuk zilver stof met goude en zijde bloemen ter lengte van 53½. @:, waarvan de Gekommitt:s, die het stuk gemeeten en g'examineerd hebben, bi hun rapport hebben opgegeven, dat het insteede van zilver laaken is aangebragt en dat aan het eene end een stuk van 3½.C ligt van kleur en van een ander werk is mitsgaders dat het uit twee aan malkan genaaijde stukken bestaat; dit stuk stof voor het grootere gedeelte nog in het Nego tie Pakhuis in weezen is, zijnde van het eene end, waaraan geen manquement ge „weest is alleen afgegaan 17¼ @:, bij gelee „gentheid dat de Heer fiskaal Vollenhove in februarij 1790. als Gelant na Kandia is vertrokken Wij verzoeken dierhalven zeer nedrig, dat UwelEdele Groot agtb: gelieve ordre te geeven, dat voorm: stuk stof door eene nadere kommissie mooge worden g'examineerd ter ontwaaring, of haare bevinding niet allezins overeensteurd, met de gedaane opgave door de ordinaire Gekommitteerd=s in het jaar 1789. Eenelijk moeten wij hierbij noteeren, dat het zeer wel kan zijn, dat dit zoort van stof in het vaderland de naam draagd van zilver N:o 6: zilver laaken, dan wijl het verschilt van het zilver laaken, dat voor de komp: altoos is uitgezonden, en het welk veel dikker en zwaarder is, de Gekommitteerd:s daaraan de naam van Zilver stof hebben gegeven Wij hebben overigens de eere ons met schuldige hoogagting en alle eerbied te noemen Wel Edele Groot agtb: Hoog gebiedende Heer Uwel Edele Groot agtb: zeer ootmoedige en gehoorzam Dienaeren J: Heimons J:S: Wickerman. Kolombo den 30. oktober 1792. 3 6 522 Aan den Wel Edelen Groot Achtb: Heer, Willem Jacob van de Graaff, Raad ordinair van Nederlands Jndia, Gouverneur en directeur van't Eijland Ceilon, met dies onderhoorigheeden. Groot Achtbaare Wel Edele Hoog Gebiedende Heer! Lourens Lusson, Luijtenant ingenieur alhier, uw wel Edele Groot Achtb: zeer onderdaanigen Dienaar, geeft eerbiedig tekennen, dat hij in het Jaar 1785. in India aangeland is. En wijl tans familie aangeleegenheeden ver„ „bisschen zijn teegens woordigheid in Europa„ verzoekt hij uwelEd: groot Achtb: eerbiedig hem tewillen permitteeren, om be„ „houdens zijn gagie en qualiteits voor twee jaaren temoogen tehuijs vaaren met 't eerst vertrekkend schip, uit Consideratie dat hij zijn verband om in India teweezen ruim uitgedient heeft, en dat ook uw „wel Edele groot Achtb: edelmoedig be behaagen mag, om een gunstige aan „schrijving aan de Heeren Majores tedoen, dat Hoogst dezelven behaegen moogen, om hem wanneer hij weeder na India terug keerd, te begunstigen met de gagie en qualiteit, die hij tans de eere heeft te hebben. /: on- &ra derstond:/ 'T welk Doende ha Akkordeert Hybrands Egkeerk Nagezien G Wolinde - No 10 - 523 Is geleesen een hier onder g'insereerd berigt van den eersten visitateur Issendorp, wegens de vereffening van de Consum= tie reekening en den inventaris van 't schip de schelde. Aan den wel Edelen Groot Achtb: Heer. Willem Jacob van de Graaffe. Raad ordinair van Nederlands Jndia Gouverneur en directeur van het Eiland Ceilon met dies onderhoorigheeden. Wel Edele Groot Achtbaare Hoog Gebiedende Heer. De ondergeteekende heeft geexamineert de papie= =ren gehoorende tot de verevening van het nu jongst voor de kamer Zeeland uitgekoomen schip De schelde en berigt uw wel Edele Groot Achtb: in eerbied, dat het restant der provisien bestaat in het volgende, als. 2486 — lb: hard brood 691:½: „ vleesch 731. ¼. „ spek 671. kannen arrak 431. ¾ „ wijn 147. ½: „ olijven olij 787 — „ azijn. En aan kontent 120: ½: p. s merikaanen na een uijt- gaave van 79½: p:s zoo voor het uitzien van de Caabse als mallabaarse wal, en het inkoopen van verversing:/ daar onder begreepen de 62:½: p:s die voor eenige wagen vragten aan de Camp zijn uitgegeeven en volgens Resolutie deese regeering van den 2:e dee= =zer op de Capitijns soldij reekening belast zijn ter Vrijdag den 9:e November 1792: Extrakt Resolutie genoo= men in Raade van Ceilon naader op naader dispositie van de Heeren majores : ( van de 200 aan de scheeps overheeden tot het doen van alle scheeps =gelden en het inkoopen van verversing meede gegeeve beneevens die van de scheeps plunje overgeschooten 1: mans bolk vanger 6 thans wolle pakken 12: jongens d-o d=o 10 mans linne do. 6: jongens d=o d=o. 48: paaren wolle kousen. 30. „ Linne do 52: p:s hemden 51: paaren schoeken konform Extrakten uit het scheeps zoldij jouanee dit annex dewelke door de overheeden van op gem: bo zullen dienen verantwoord te werden, terwijl bij de ventaris de afschrijving mag volgens dan zodan Equipagie en wapengoederen als er uijt wijzens gevoegde notitie gesterkt met 18: stuks beeedigde klaaringen geduurende de reijze binnen boord verba zijn, zoo wel als het geen uit de voorraad, blijke ordonnantie alhier aan de wal gelegt is teweeten Alhier aan de wal 1: gestokte anker onbekwaam 1: fok. 1 groote baainzijl 1 Lijzijl 1: voorstenge slag zijl 1: gemeene kluiver 1 vlieger 1 groote bramn stengen Hag sijl 1: gemaakte steng voor de Loos 25: snaphaenen 25: pattroon tassen 25: granadiers houwers met koopere gevesten 25: porte E: pees 1s tamboers
English
524 1 drummer's broadsword 1 halberd 1 vat with a bridle and accessories 104 whole leaguers 6 half ditto According to declaration: 162 fathoms rope of 18 inches 1 cable-rope of 7 inches 1 lead line of 18 threads 1 stocked anchor 1 mizen 1 fore topgallant sail 1 lower studdingsail 1 main topmast staysail 1 Gretchen van Dijk 1 large jib 1 spare main yard for the loose 1 cheek 2 yardarms 1 seven palm 1 large deep-sea lead 1 fore topmast shroud 1 cablet 8 whole leaguers Wherewith with due respect calls himself, below stood: Right Honorable, Highly Commanding Lord, Your Right Honorable's very humble servant, was signed: A. Issendorp, in the margin: Colombo the 3rd of November 1792. And after deliberation, it was approved and understood to have the remaining provisions, Mexican dollars, and ship's clothing mentioned therein accounted for by the officers of the vessel, and on the other hand to have written off from the ship's inventory the goods which, according to the aforesaid report, were [illegible] both consumed on board, and discharged here at the shore. Further was read a report inserted here below from the aforementioned First Searcher concerning the settlement of the inventory and the consumption account of the ship Vasco de Gama. To the Right Honorable Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Councilor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies. Right Honorable, Highly Commanding Lord. The undersigned, having examined the papers belonging to the settlement of the ship Vasco de Gama, which recently arrived for the Amsterdam Chamber, has the high honor to report to Your Right Honorable that the remaining provisions consist of the following: 622 lb meat 315 lb bacon 1332 5/8 jugs of vinegar 830 jugs of arrack 297 lb butter And 525 And in cash 146 pieces silver Mexican dollars after an expenditure of 54 pieces both for looking out for the Cape as well as the Malabar coast, and the purchasing of refreshments according to receipt, and some wagon freights at the Cape of Good Hope which, according to Ceylon's resolution of the 2nd of this month, are charged to the captain's pay account, being at the disposal of the High Indian Government from the 200 pieces given to the deceased for the payment of all ship's expenses and purchase of refreshments; besides what was left over from the ship's slops: 6 pieces men's linen suits 4 pieces boys' ditto 17 pairs woolen stockings 27 pieces shirts 11 pairs shoes Conform to extracts from the ship's journal annexed hereto, which must be accounted for by the officers, while from the inventory may be written off all such equipment goods as appear from the attached note, supported by 14 sworn declarations, to have been consumed on board during the voyage, as well as what remained ashore at the Cape of Good Hope, and what was discharged here from the stock onto the shore according to warrant, namely: According to declarations: 178 fathoms rope of 18 inches 7 fathoms rigging rope of 18 inches 1 cable-rope of 5 inches 1 ditto of 6 inches 1 stocked anchor 1 ditto unserviceable handed over at the Downs 1 foresail 1 medium jib 1 spare main yard for the loose broken and the pieces handed over 1 ditto ditto 1 ten palm 1 seven ditto 1 yardarm 1 cablet 3 pieces whole leaguers Remained ashore at the Cape of Good Hope according to declaration: 5 pieces whole leaguers 4 half ditto According to expense account consumed at the Cape: 1 cheek According to warrant ashore: 1 foresail 1 main lower studdingsail 1 fore lower studdingsail 1 main topmast staysail 2 fore ditto 1 large jib 1 flying jib 1 main topgallant staysail 1 spare made topmast for the loose 1 yardarm 134 pieces whole leaguers 23 half ditto Wherewith 526 Wherewith with deep respect calls himself, below stood: Right Honorable, Highly Commanding Lord, Your Right Honorable's very humble servant, was signed: A. Issendorp, in the margin: Colombo the 8th of November 1792. And after deliberation it was approved and understood to have the remaining provisions, Mexican dollars, and ship's clothing mentioned therein accounted for here by the officers of the said vessel, and on the other hand to have written off from the inventory the goods that were consumed on board and discharged both at the Cape of Good Hope and here. Agrees, Sybrands, Sworn Clerk Examined, Thoms Lires No 15. 527 Colombo, 18 October 1792 The favor which the Gentlemen Directors have granted to my brother, the Colonel Proprietor, of counting 50,000 f into the treasury of the Noble Company at the Cape to be remitted to Europe, being according to their order of 9 February last charged against the sum granted to the Regiment, I have the honor to present to you, Governor, an account of this grant, according to which it is evident that I have in credit for the elapsed time, in addition to the 80,000 f annually, a sum of 87,059 f 15 s 8 d to deposit into the treasury. I come, Governor, to request you to give your orders so that the assignments I will need to complete this sum may be delivered to me. I have the honor to be with respect, Agreed. J. Meuron A. Gleder, Sworn Clerk Governor, Your very humble and very obedient servant, Signed: Governor
Dutch transcription
524 1. Tamboers houwers 1. Helmbaerd 1. vat met een taom en toebehooren 104 Heele Leggers 6 Halve do volgens verklaering 162: vadem touw van 18: d=m 1: kabeltouw - - „ 7: 1 Loodlijn van 18. draed 1: gestokte anker 1dezaen 1. voorbramzijl 1: onderlijzijl 1: groote stengen stag zijl 1: greetje van dijk 1 groote kluijver 1 manse raa voor de Loos 1 wang 2: kant spieren 1: zeven palm 1 groot diep lood 1 voorstenge wand 1 Cabelangs 8: heele leggers waar meede miet verschuldigde eerztig noemt /:onder„ stond:/ wel Edele groot Achtb: Hoog gebiedende Heer. uw wel Edele Groot Achtbaare zeer onder danegen Dienaar (:was geteekend:/ A: Jssendorp /:inmaa„ gine:/ kolombo den 3. November 1792: En is na deliberatie goedgevonden en verstaen de daar bij vermelde restant provisien, mejikaanen en scheeps kleederen door de overheeden van den bo- =dem te doen verantwoorden, en daar en teegen bij den scheeps inventaris te laaten afschrijven de goederen, die volgens voorsz: beregt, zoo wel de 200 ch g hoo ten 9 edig d 6l eeten Ke wel aan boord verbruikt, als hier aan den geligt zijn Nog is geleesen een hier onder geinsereerd berigt voorm: Eersten visitateur wegens de vereffening van den inventaris en de Consumtie reekenin van 't schip vasco de Gama. Aan den wel Edelen Groot Achtbaaren Willem Jacob van de Graa„ Raad ordinair van Nederlands jndian Gouverneur en directeur van het Eilan Ceilon met dies onderhoorigheeden. Wel Edele Groot Achtbaare Hoog Gebiedende Heer. De ondergeteekende: ge-examineerd heb ben de papieren gehoorende tot de verevening het nu Jongst voor de kamer Amsterdam gekoomen schip Vasco de Gama heeft hooge eere uw welEdele Groot Achtbaar te berigten, dat het restant van proviseen het volgende bestaat als 622: lb: vleesch 315 „ spek 1332 5/8. kannen azijn 830 — „ arrak 297. lb: Boter En 525 En aan kontant 146 p:s zilvere merikaanen na een uitgave van 54. p:s zoo voor het uijtzien van de Caabse als Mallabaarse wal, en het inkoopen van verversing, volgens quitantie en eenige waegen vragten aan Cabo de goede Hoop die volgens Ceilons besluit van den 2:e dezer op kapitains zoldij ree„ =kening belast zijnde ter dispositie van de Hooge pn= dische regeering van de 200 p:s aan de overleeden tot het doen van alle scheeps ongelden en inkoopen vern ververzing meede gegeeven benevens die van de scheepsplunje overgeschooten 6 p:s mans linne pakken. 4 „ gongens _o 17 paaren wolle kousen 27 p:s Hemden 11 paaren schoenen Conform Extrakten uit het scheeps Journaal dit annex, dewelke door de overheeden dienen ver„ „antwoord tewerden, terwijl bij de Jnventaris moo„ =gen afgeschreeven worden alle zodanige Equipagee goederen als er uit wijzens bij gevoegde notitie gesterkt met 14: stuks be=eedigde verklaarin gen geduurende de reize, binnen boord verbruikt zijn, zoo wel als het geen aan Cabo de goe„ de Hoop aan de wal verbleeven, en uijt de voorraad blijkens ordonnantie alhier aan de wal geligt is, teweeten. Volgens verklaarings. 178: V=m touw van 18: duim 7 „ tuijtouw „ 18: „ 1: kabeltouw „ 5. „ do 1: gestokte 1 „ 6 „ 1: Gestokte anker onbekwaamen te Duijns- 1 do afgegeeven 1: voormaas, zeil. 1 gem: kluiver 1: maase rae voor de loos gebrooken en de duij afgegeeven 1 do do 1. tien palm 1 zeeven do 1: kant spier 1 Cabelaago 3 p. s heele leggers op de Cabo de goede Hoop aan de wal gebl ven volgens verklaaring 5 p:s Heele leggers 4 „ halve d_o. volgens onkostreekening aan Ca =bo verbruikt 1: wanij volgens ordonnantie aan de wal A: Fok 1 groote baein ziel 1 voor baenn zeel„ 1 groot steng en stag Zeil 2 voor de 1 groote kluijver 1 vlieger 1 groote bram steng en stag zeil 1: gemaakte steng voor de Loos 1: kant speer 134. p:s heele leggers 23: heelve do. waer ƒ ter 526 Waarmeede met diep ontzeeg zig noemt /:onderstond:/ wel Edele Groot Achtbaere Hoog gebiedende Heer nw wel Edele Groot Achtb: Zeer onderdanige Dienaar /:was geteekend:/ A: Jssendoop. /:in mar„ gine:/ kolombo den 8 November 1792: En is na deliberaatie goedgevonden en verstaen de daar bij vermelde restant provisien, merikenen en scheeps kleederen, door de overheeden van gem: bodem alhier te laeten verantwoorden, en daar en teegen bij den inventaris te laaten afschrijven de goe„ deren, die aan boord verbruikt en zoo wel aan de Caab de Goede Hoop als alhier geligt zijn—. Accordeert Sijbrands Eekeerk „ Nagezien Thoms Lires No 15. 527 Colombo le 18 Octobre La faieur que Messieurs les Directeurs ont fuit a mon Frére, Le Collonel Proprietaire, de Compter 50'000 f a la Caisse de La Noble Compagnie au Cap„ pour être remi en Europe Etant d'apres leur or„ „dre du q. fevrier dernierim putée sur la somme qui est octroijé au Regiment jai L'Honneur de vous presenter, Monsieur de Gouverneur, un Compte de Cet oitroi, d'apres lequel il se conste, que fai de bon poir le tems echu outre le 80'000 f annuels une somme de ƒ87059„ 15„ 8„ a de poser en caisse, Je viens Monsieur le Gouverneur vous prier de donher vos ordres, pour quel me soit delivré les assignations dont J'auzai besoin pour Completter cette somme- Jac L'honneur detre avel respect 1792 Accordeerd. J: Meuron A Gleder Gems Klerk Monsieur le Gouverneur Notrestres humble & tres Obeissant Serviteur /: Signée:/ Monsieur Le Gouverneur
English
529 Governor, I have the honour to enclose herewith to your Excellency a memorandum concerning the fair claim of the privilege granted to the Regiment I command by Article 19 of its Capitulation. The reimbursements for which I am accountable to the Most Serene Proprietor for four years, as well as the particular payments relating to the Corps in Europe, compromise my intact integrity with His Highness the Duke, have caused me to lose the credit and confidence of my suppliers, and my administration suffers greatly from it. I dare to hope, Governor, that the legitimacy of the respectful representations which I have the honour to place before the eyes of your Excellency will obtain from justice the success that I believe myself grounded to hope for; your Excellency's reply will also enable me to take advantage of the Packet boat in the roads to give an account of my operations to the Most Serene Duke. (below was written) I am with profound respect, Governor, your Excellency's (lower) very humble and very obedient servant (signed) D'Hugel Colonel (in margin:) Gale, 17 March 1792. Agrees, A. Giedter Sworn clerk No. 38. No. 36 530 Extract from the Minutes of the resolutions in the Council of Ceilon. On Sunday, 28 October 1792. Read round by the Honourable Members is an address inserted below from the Colonel Commandant of the regiment of Wurtenberg, the Lord de Hugel. To the Right Honourable, Right Worshipful Lord, Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceilon with its dependencies. Right Honourable, Right Worshipful, High Commanding Lord. With the permission of Their High Excellencies according to the letter of instruction of the Lords Directors of the Chamber of Seventeen dated 31 March 1791: for the regiment of Wurtenburg, which I have the honour to command, to be allowed to deposit in cash three to four months of pay for the two years 1791 and 1792 from the officers, non-commissioned officers, and privates, in order to be paid out again in the Netherlands to the agent of the regiment; it is at the same time determined that this deposit of money shall take place on the footing as the money is received which is accepted in cash here from the regiment Meuron. If the said permission were indeed to take place on that footing, this would cause great damage to the regiment, which certainly cannot have been the intention of the said Lords Seventeen, since it is contradictory that a proof of favour can have disadvantageous consequences as its objective, and it is on that account that I take the liberty 5. 37 531 to present to your Right Honourable, Right Worshipful my humble representations regarding the interests of the regiment. The regiment of Meuron is permitted annually to count into cash by preference ƒ00000. -. at 20 stuivers each to be received by bill of exchange in the Netherlands, provided that, according to your Right Honourable, Right Worshipful's esteemed letter of the 18th of this month, a discount of 80 14/9 per cent is paid. In my humble view, it is very evident that the intention cannot be that I must proceed in the same manner, for not only would I in this case be obliged to pay the said 10 1/39 per cent out of my private purse, but I would also have to add 5 stuivers to every guilder that I received here at 15 stuivers, in order to count the guilder at 20 stuivers into the Company's treasury. The instruction of the High Worshipful Lords Seventeen in the abovementioned letter merely states that one is permitted to count three to four months of pay annually into the Company's treasury, without stipulating that any discount must be paid, or that I should be obliged to return more money than I actually received for this pay. On the occasion that I instructed Major Stackman at Batavia to make various representations to His High Excellency regarding the interests of the troops under his command, I had requested, among other things, that in consideration of the contents of the 19th article of the Capitulation we might be granted, like the national troops, to be credited for the pay for the entire year and receive it in the Netherlands; which was also granted by the Lord Governor-General, and which would probably also have taken effect if the 5. 37 532 agent of the regiment in the Netherlands, unaware of this, had not limited himself to four months, which were granted by the Lords Seventeen; whereby the permission of the Lord Governor-General lapsed. It still seems very natural and reasonable to me that, since all servants of the Company who clear their pay in the Indies receive the guilder at 20 stuivers for it in the Netherlands, this ought also to take place with the regiment of Wurtenburg, just as it is clearly stipulated in the 19th Article of the Capitulation that the officers, non-commissioned officers, and soldiers of the regiment shall have the same advantages in the Indies that the other troops of the Company enjoy; from which it naturally follows that the said four months of pay remain standing for the regiment of Wurtenburg with the Company on the same footing, or
Dutch transcription
529 Monsieur le Gouverneur, J'ai l'honneur d'adreser ey joint a votre Excellen ce un memoire concernant la juite heelamation du privilege qui eit Accordé au Regiment que je commande par Cent:a 19 desa Capitutation Les Benaboursement dont je hus comptable au serenissime Proprietaire, depuis quatre Ant, ainsi que les paijemens pentieuliers, ne= latifs au Corps en rusope, conpose mna delica= =tesse intacte auprés de son altesse Le due n'a fait perdre le credit et la consiance de mes fournisseurs, et mon administration en souffre beaucoup. Vose espérer monsieur le Gouverneur que la legitimité des représentations respectiveuses que jai l'honneur de meltre sons les yeuse de votre Excellence, obtiendra de la justice le succés que je me evois fondé d'enessierer, la reponse de vitre Excellence, me metroed er même de profiter du Paquebot en rade pour rendre compte de mes operations au serenissime Due, (onderstond) Je mis aee und profond Respact monsieur le Gouverneur de Votse Excellence /laeger) Le tres huible et tres obeissemt serviteur /geteekend/ D' Engel Colonel / in margin:/ Gale le 17 Mars 1792 Accordeert AGiedter gem klerk No: 38. No 36 530 Extrakt uit de Notulen van het geresolveerde in Raade van Ceilon. op Sondag den 28. october 1792. Is bij de E. s Leven rond geleesen een hier onder g'inse- „reerd addres van den Colonel Commandant van 't regi= „ment van Wurtenberg, de Heer de Hugel. Aan den wel Edelen Gestr: Groot Agtb: Heer. Willem Jacob van de Graaff Raad ordinair van Neederlands Jndia Gouverneur en Direkteur van het Eiland Ceilon met dies onderhoorigheeden. Wel Edele Gestr: Groot Achtbaare Hoog Gebiedende Heer. Bij de vergunning van Hunne Hoog Edelheedens om volgens aanschrijving der Heeren Direkteuren van van de kamer van Zeventienen gedateerd den 31 Maart 1791: voor het regiment van wurten „burg, dat ik de Eere heb te kommandeeren drie â vier maanden gagie voor de 2: Jaare 1791: en 1792. van de officieren onderofficieren en gemeenen, in kassa te moogen tellen, ten eind in Nederland aan de zaak bezorger van het regiment weder uitgekeerd te worden is te „fens bepaald dat deeze geld telling op den vor zal geschieden zoo als ontfangen word het ged dat alhier van het regiment Meuron in kasse word geakcepteerd. Indien gem: vergunning op dien voet werkelijk plaats moest vinden, zoude dit een groote schaade aan het regiment veroorzaaken het welk zeekerlijk de intentie van de gem Heeren Zeeventienen niet kan geweest zi alzoo het tegenstrijdig is dat een gunst be „wijs nadeelige gevolgen ten oogmerk kan het „ben en het is uit dien hoofde dat ik de vrij „heid 5. 37 531 „heid neeme uwel Ed: Gestr: Groot Agtb: mijne needrige representaties betrekkelijke belangens van het reglement voortestellen. Aan het regiment van Meuron is toegestaan om Jaarlijks bij praeferentie ƒ00000. –. â 20: stuivers ieder in kas te moogen tellen om per assigna„ „tie in Nederland ontvangen te worden mits betaalende volgens uwel Edele Gestr: Groot Agtbaare g'eerde brief van den 18: deezer een rabat van 80 14/9. p:r C:o Het is na mijn needrig inzien zeer Evident dat de intentie niet kan zijn dat ik op dezelve wijze moet te werk gaan want niet alleen zoude ik in dit geval verpligt zijn de gem: 10 1/39. p:r C=to uit mijn prieve beurs te betaalen maar ik zoude ook op ieder gulden die ik met 15: stuivers hier ontvangen heb 5. stuivers moeten bijleggen om de gulden met 20: stuivers in komp=s kas te kunnen tellen. De aanschrijving der Hoog Achtb: Heeren Zeeven„ „tienen „tienen bij bovengem: brief zegt enkeld om Jaarlijks in komp=s kas drie â vier maanden gagien te moogen tellen zonder daarbij te be „paalen dat eenig rabat moet betaald worden of dat ik verpligt zoude zijn meerder gelden terug te geeven als ik voor deeze gagien wa „kelijk ontvangen heb. Bij geleegenheid dat ik de Majoor stackman te Batavia gelast had om aan zijn Hoog Edel „heid verscheide voorstellingen over de belangen van zijn onderhebbende manschappen te doen heb ik onder anderen ook laaten verzoeken dat uit aanmerking der inhoud van het 19 artikel van de Capitulatie ons mogte vergunt worden om gelijk de nationaale troupen de gagie voor het geheele Jaar te moogen goed maaken en in Nederland ontvangen het welk ook door den Heer Gouverneur Generaal toegestaan wierd en het welk waarschijnlijk ook zoude effekt gezorteerd hebben indien de 5. 37 532 de zaakbezorger van het regiment in Nee- „derland, onkundig hiervan, zig niet alleen tot vier maanden bepaald had en die door de Heeren Zeventienen toegestaan wierden; waar door de vergunning van den Heer Gouver„ „neur Generaal vervallen is. Het komt mij nog zeer natuurlijk en reedelijk voor dat wijl alle Dienaaren van de komp: die hun gagien in Jndien goedmaaken daar voor in Nederland de gulden met 20: stuivers ont„ „vangen dit ook bij het regiment van Wur„ „tenburg dient plaats te vinden gelijk ook in het 19. Artikel van de Capitulatie duijde- „lijk bepaald is dat de officiers, onderofficiers en zoldaaten van het regiment dezelve avan„ „tagies in Jndien zullen hebben die de overige troupen van de komp: genieten waaruit dus. al van zelve volgt dat de gem: vier maan- „den gagie op dezelve voet voor het regiment van Wurtenburg bij de komp: staan blijven of
English
or be received back as takes place with the national troops, without payment of any dues. With regard to the regiment of Meuron, it should also be noted that for the same, so far as I know, the gulden is credited at 20 stivers, although here in the Indies only 15 stuivers are paid, for which reason it is therefore also reasonable that the money which this regiment has lost is paid at that rate to be counted here into the cash, as certainly cannot take place with the regiment of Wurtenburg because they are paid with 15 stuivers. Convinced that your Right Honourable, Severe, and Greatly Respectable Worship will judge the aforesaid as well-founded and equitable, I very kindly request to be willing to receive from me into the Company's treasury, and that at 15 stuivers to the gulden as I have received from it, the amount of 8 months for the regiment, and that on the basis as is determined in the 11th article of the Capitulation for each month, to wit: for the whole regiment, Artillery exclusive - - - f 20522. -. -. the wages of the four staff officers - - - - f 400. -. -. of the Artillery as Captains - - - - - - f 2502. -. -. Total - - f 23424. -. -. per month, and thus in 8 months for the years 1791 and 1792 a sum of 187392 guldens. I shall furthermore bind myself hereby, or if desired by an act in proper form, to remain answerable and accountable for all consequences that this arrangement, being granted by your Right Honourable, Severe, and Greatly Respectable Worship, might have in Europe; whilst I at the same time request also to be held unaccountable for the consequences that could arise from this if my request in this matter should not be granted. I have the honour to be with all high esteem, was signed: Right Honourable, Severe, Greatly Respectable, High-Commanding Lord, your Right Honourable, Severe, and Greatly Respectable Worship's humble and obedient servant, signed: d'Hugel, Colonel in the margin: Kolombo, the 25th of October 1792. Which having been deliberated upon, it was, in consideration that the arguments on which the aforesaid Lord de Hugel founds his request appear to this assembly not only to be in the highest degree equitable, but also that the Lord Hugel undertakes to bind himself to remain answerable and accountable for all the consequences that the granting of his request may produce, approved and agreed to grant his request, and consequently for the amount of the eight months' wages of the regiment of Wurtemberg, which was granted to the Lord Hugel at the session of the 16th of this month to be permitted to count into the Company's treasury, to the amount of f 187392. -., to grant him assignments at par, to be paid in the Netherlands without any deduction, provided that the Lord de Hugel binds himself by a special act: 1) To remain answerable that the rixdollars, instead of 48 stuivers, are calculated just as they are paid in this country to his regiment against 64 stuivers, being 20 rixdollars for 64 guldens. 2) That the assignments for the aforesaid sum of f 187392:-, which according to Their High Honours' orders had to be calculated just as the monies are calculated that the regiment of Meuron pays yearly into the cash, and on which the usual discount of 10 1/9 per cent is charged, are granted without discount, and consequently money for money, in case the Right Honourable and Greatly Respectable Lords Directors should happen to disapprove these arrangements. And an extract of this resolution shall be given to the said Lord Colonel de Hugel to serve for his information and instruction. Agreed. Wijbrands Schrader Checked Today, the 29th of October 1792, appeared before me, Gerrard Ioan Tijbrands, provisional junior merchant and first sworn clerk at the police secretariat here, present the hereinafter mentioned witnesses: The Right Honourable, Severe, and Valiant Lord Theobald De Hugel, Colonel Commandant of the Regiment of Wiertemberg, who declared that the Government of Ceylon, having by resolution of the 28th of this month granted upon the appearer's request to grant to his Honour, for the amount of the eight months' wages of the aforesaid regiment which was granted to the appearer by resolution of the 16th of this month to be permitted to count into the Company's treasury, to the amount of f 187392, assignments at par to be paid in the Netherlands without any deduction, to bind himself specially hereby: 1) To remain answerable that the rixdollars, instead of forty-eight stuivers, are calculated just as they are paid in this country to his Honour's regiment against sixty-four stuivers, being twenty rixdollars for sixty-four guldens. No. 1398. 2) That the assignments for the aforesaid sum of f 187392, which according to Their High Honours' orders had to be calculated just as the monies are calculated that the regiment of Meuron pays yearly into the cash, and on which the usual discount of 10 5/9 percent is charged, are granted without discount, and consequently money for money, in case the Right Honourable and Greatly Respectable Lords Directors should happen to disapprove this arrangement. The appearer consequently renouncing all reliefs and remedies that his Honour could turn to his benefit. For the security of the fulfillment of the aforesaid, the appearer binds generally his person, goods, claims, and debts, both present and future, submitting everything to the jurisdiction of all Lords Courts, laws, and judges. The appearer finally declared [illegible] to the force and effect of the aforesaid renunciation
Dutch transcription
of terug ontvangen worden als bij de natio „naale troupen, zonder betaaling van eenig ongelden, plaats vind. Met betrekking tot het regiment van Meuron valt nog aantemerken dat aan het zelve gelijk ik niet beeter weet de gulden met 20: st goed gedaan word hoewel hier in Jndien maar 15. stuivers betaald worden waarom het dus ook reedelijk is dat het geld dat dit regiment verlo heeft hier in Cas te tellen op die voet betaald word, zoo als zeekerlijk bij het regiment van wurtenburg geen plaats vinden kan wijl met 15. stuivers betaald worden. overtuigd dat uwel Ed: Gestr: Groot Agtb: het voorsz als gegrond en billijk zal beoordeelen verzoek zeer vriendelijk om van mij in 'skomp:s kassa willen ontvangen en wel met 15. stvers de gulden gelij ik daar uit ontvangen heb het bedraagen van 8. maanden voor het regiment en wel op den voe als bij het 11: artikel van de Capitulatie voor ieder 533 5. 37 ieder maand bepaald is te weeten. voor het geheele regiment Artillerie Exclu- „sieve- - -ƒ20522. -. -. de gagie van der vier staf officieren van de Artillerie als Capitains - - - - _ _ „ 400. –. –. „ 2502. –. —: „ Somma - - ƒ23424. —. —. per maand en dus in 8. maanden voor de Jaaren 1791. en 1792. eene Som van 187392. guldens. Ik zal mij voorts bij deezen of des gelievende per acta in forma verbinden te zullen verantwoordelijk en aanspreekelijk blijven voor alle gevolgen die deeze schikking door uwel Edele Gestr: Groot Agtb: toegestaan wordende in Europa hebben mogten ter„ „wijl ik teffens verzoeke ook onverantwoorde= „lijk te moogen gehouden worden voor de gevolgen die hier uit zoude kunnen voortspruiten indien mijn verzoek in deezen niet mogte inge„ willigt worden. Jk - -- Ik heb de eer met alle Hoog agting te zijn /:onderstond:/ wel Edele Gestrenge Groot Achtbaare Hoog Gebiedende Heer. uwel Edele Gestr: Groot Agtb: onderdanige en gehoorzaame Dienaar. /:was geteekend:/ d' Hugel Colonel /:in margine:/ kolombo den 25: oktober 1792: Waarop gedelibereerd zijnde, is uit aanmerking dat de argumenten, waarop voormelde Heer de Hugel zijn verzoek fondeerd, aan deez vergadering niet alleen ten uittersten billijk voorkoomen, maar dat ook de Heer Bugel aanneemt zich teverbinden, verantwoorde „lijk en aanspreekelijk te zullen blijven. voor alle de gevolgen, die het inwilligen van zijn verzoek kan voortbrengen: goedge vonden en verstaan in desselfs verzoek te bewilligen, en mits dien voor het bedraa „gen van de acht maanden gagie van 't regiment van Wurtemberg, die aan den Heer 5.37 534 Heer Hugel ter sessie van den 16: dezer toe- gestaan is in 'scomp:s Cas temogen tellen, ten bedraage van ƒ187392. –. , aan denzelven te verleenen assignatien a pari, om in Neder„ „land zonder eenige korting teworden voldaan, mits dat de Heer de Hugel zich bij eene speciaele acte verbind. 1) verantwoordelijk te blijven daar voor, dat de rd=s in stede van 48. st.:s, zijn berekend even als ze hier te lande aan zijn regiment worden betaald tegens 64. stuivers, zijnde 20. rd=s voor 64. guldens. 2: Daar voor, dat de assignatien voor de voorschr: som van ƒ187392:—, die volgens H: H: Edel- „hedens ordre moesten worden berekent even als berekend worden, de penn: die het regi- „ment van Meuron Jaarlijks in kas teld, Ct en waarop het gewoon rabat van 10 1/9. p:r C:to word bezwaart, verleent zijn zonder rabat, en mits dien geld om geld, indien de wel Edele Hoog Hoog Achtb: Heeren Bewindhebberen deze schik „kingen mogten koomen te improbeeren. En zal van deze resolutie worden extrakt ge „geven aan gem: Heer kolonel de Hugel, om te „zijn dienen tot „ informaatsie en narigt. speerk Akkordeert. Wijbrands Schrader Nagezien 537 535 Heden den 29e. Oktober 1792 kompareerde voor mij Gerrard Ioan Tijbrands, p:l onderkoopman en eerste geswoore klerk ter sekretarij van politie alhier, prezent de nate, „noemene getuijgen. De wel Edele Gestrenge Manhafte Heer Theobald De Hugel, kolonel kommandant van het Re„ „gement van wiertemberg, den welke verklaarde, dat de Ceilonsche Regeering bij resolutie van den 28. ' deeser op des Heer komparants versoek toe„ „gestaen hebbende voor het bedraagen van de acht maanden Gagie van voorsz: regiment, die aan # den Heer komparant bij resolutie van den 16:' dee„ „ser toegestaen is in 'skomp:s kaste mogen tellen, ten bedraage van ƒ187392. aan zijn Ed: te ver„ „leenen assignatien a pari, om in Nederland zonder eenige korting teworden voldaan, zich bij desen speciaal te verbinden, ge 1. / Verantwoordelijk te blijven daar voor dat de ud:o in steede van agt en veertig stuivers zijn bereekend even als ze hier te lande aan zijn Ed: regiment worden betaald tegens vier en sestig stuivers, zijnde twintig rd:s voor vier en sestig guldens. N.o 1398. 2: 2:/ Daar voor, dat de assignatien voorde voorschreeve som„ van ƒ 187392. die volgens Hunne Hoog Edelhedens ordre moesten worden berekend even als berekend worden de penningen die het regiment van Meuron Jaarlijks in kasteld, en waar op het gewoon nabat van 10 5/9. percent word beswaard, verleend zijn zonder rabat, en mits dien geld om geld, in dien de wel Edele Hoog Achtbaere Heeren Bewind, „hebberen deese schikking mogte komen te im„ „ puobeeken. Doende den Heer komparant mits dien afstand van alle relevementen en remedien die zijn Edele te baate zoude kunnen neemen. Tot zekerheid der nakominge van het vooren„ „staande verbind den Heer komparant Generaa„ „lijk desselfs persoon, goederen, aanspraaken en inschulden, zoo tegenwoordige als toekomende, alles onderwerpende aande rechtspraak van alle Heeren Hoven, rechten ende hechteken, De Heer komparant verklaarde eindelijk aan de kracht en uitwerking van voorschreeve afstand
English
537 536 to submit to renunciation and obligation. Thus executed in the Castle of Colombo in the presence of the clerks Wouter Gilles Trek and Jacobus Laket as witnesses. Signed: I: De Hugel, Colonel. In the margin: Present with us. Signed: W: G: Trek and J:s Taket. In the middle: To my knowledge. Signed: G: J: Fijbrands, sworn clerk. Agrees Hijbrands sworn clerk V: Orter Examined N:o 39 537 Batavia Section 392: To His High Excellency, The High Noble, Right Honorable, Wide-Ruling Lord, Mr. Willem Arnold Alting, Governor-General on behalf of the state of the Free United Netherlands and the General Dutch Chartered East India Company, And The Noble and Stern Lords Councillors of the Dutch Indies. High Noble, Right Honorable, Wide-Ruling Lord and Noble and Stern Lords, With the ship Willem de Vierde, which departed from here for there on March 17th last, we had the honor to present to Your High Excellency our secret letter of the 15th, and general letters of the 15th and 16th of the said month, duplicates of which accompany this letter. Section 393: Now that the ship de Gouverneur Generaal Maatzuijker is returning there, we take the liberty hereby to reply further to Your High Excellency's most recently received missive of December - last. Section 394. The provost, who according to the order of the Lords Majors was to be sent to the Netherlands, and who, according to what was communicated in our aforesaid letter of March 17th, had to remain behind here on account of illness, died in the hospital on the 23rd following, as appears from the report of the chief surgeon Knans, appended in copy among the annexes. Section 395. The high price of grain, which is generally 538 more expensive on this Island than on the Coromandel Coast and on the Madura Coast, may be considered one of the principal causes that have hitherto prevented more weavers from coming to settle on Ceylon. If our plan regarding the provinces of Mantotte, Nanathan, and Moeselie is approved by Your High Excellency, and turns out well, as we have good reason to hope, it will contribute very greatly toward removing this inconvenience. In the meantime, it would already serve very considerably to encourage a number of weavers from the opposite shore to settle on Ceylon if Your High Excellency should deem it proper to qualify us to supply to those who cross over here, during the first years, the necessary grain that is produced here locally, as well as the Batavian rice, at purchase cost, and that the privileges mentioned in our resolution of October 9th 1787 be guaranteed to them for a certain number of years. Section 396. Regarding that which appears in the Homeland Extract of December 11th 1790, Section 282, concerning coolies, who are said to have constituted a part of the livelihood of the Engineers on Ceylon, we take the liberty to note hereby that this relates to that which formerly took place at Jaffanapatnam, and as we have already had the 5819 honor to remark in our reply to the said extract at Section 288, this consisted of the fact that the uliyamars who did not come to work on their turn paid to the Jaffna Engineer 6 stuivers for every day they remained absent, for which he could hire coolies in their place for 4 stuivers a day; and since it made no difference to the Company whether an uliyamar or a hireling worked in his place, Her Nobility suffered no prejudice thereby. Section 397. We shall take the order regarding American vessels for our dutiful instruction. We shall avoid everything that could encourage this navigation; meanwhile, we think the intention is that the Americans must otherwise be treated like other foreign nations with which the Dutch State is on good terms. Section 398. We shall cause the importation of European goods by foreign vessels, especially of liquors, to be prohibited as of the 1st of September next, when the new leases commence. We hope as much thereof may be brought in as is necessary for this colony, but since this might sometimes fall short, especially in the first years, we take the liberty to propose humbly to Your High Excellency whether Your High Excellency might not deem it proper to qualify us to grant dispensation from this law in individual cases and when this is found necessary for the convenience of the Ceylon community. 540 Section 399. The order to handle paper money in the books according to the proposal of the Lord Director-General, made in the remarks of August 18th 1791 sent to us, certainly has very great utility in Batavia, where the Company pays out or receives gold or silver species for various matters. But on Ceylon, where the Company issues and receives nothing other than copper coin or paper money, except in very isolated cases that can be separately pointed out, that will, in our view, be introduced only with great difficulty and could, through inattention, sometimes give rise to errors. We therefore take the liberty to request Your High Excellency most humbly that the paper money and the copper coin, both in receipts and expenditures as well as in the handling in the books, may retain the value placed upon them at their introduction, and for which they have hitherto been issued and received again by the Company and the community without any exception or difficulty. Section 400. It has appeared to us that there may be special reasons in Batavia why non-Christians are not included in the ordinance for levying the tax determined by Your High Excellency on legacies and collateral successions; but since these do not exist on Ceylon, we have
Dutch transcription
537 536 afstand en verbintenisse zich te onder werpen. Aldus Gepasseert in het kasteel kolombo ter presentie vande klerken wouter Gilles Trek en Jacobus Laket als getuigen /:geteekend:/ I: De Hugel Colonel /:in margiene:/ Ons pre„ „zent /: geteekend:/ W: G: Trek en J:s Taket In ƒ het midden In mijne kennisse /:geteekend:/ G: J: Fijbrands E: g: kleuk. Akkordeert Hijbrands egreerk V: Orter Nagezien N:o 39 537 Batavia §392: Aan zijn Hoog Edelheid. Den Hoog Edelen Groot Achtbaeren Wijd gebiedenden Heer M:r Willem Arnold Alting, wegens den staat der vrije vereenigde Neder„ landen en de Generaale Nederlandsche g'ok„ „troijeerde oost= Indische kompenie Gouver„ „neua Generaal. En De wel Edele Gestrenge Heeren Raden van Nederlandsch Jndia Hoog Edele Groot Achtbaere Wijd Gebiedende Heer en wel Edele Gestrenge Heeren Met het schip willem de vierde het welk den 17:' Maart VLeeden: van hier na derwaards vertrokken is, hebben we de eere gehad uwen Hoog Edelh: aantebieden onzen secreeten brief van den 15. , en gemeene brieven van D van den 15. en 16. van gem: maand, waar van de duplicaaten dezen ver„ zellen. § 393: Jans dat het schip de Gouverneur Gen raal Maatzuijker naar derwaar terug keerd, neemen we de vriheid hier bij nader te antwoorden op uwer Hoog Edelh: Jongst ontvange ne missive van den - december passo §394. De provoost, die volgens order van de Heeren Majoves, naar Nederlan moest worden opgezonden, en vol„ „gens 't bedeelde bij voorsz: onzen brief van den 15:' Maart, mits ziet „te hier heeft moeten terug blijven, blijkens het in Copia onder de bijlaa„ gevoegd berigt van den oppermeester knans, op den 23. ' daar aan in het Hospitaal overleeden § 395. De hooge prijs van graanen, die door „gaans 538 gaans op dit Eiland duuader zijn dan op de kust kormandel en op de madu„ „reesche kust, mag men aanmerken als een der voornaamste oorzaaken die tot nog toe verhinderd hebben, dat geene meer weevers zich op Cei„ „lon hebben komen neerzetten. Jndien ons plan nopens de provintien van Mantotte, Nanathan en Moeselie bij uwe Hoog Edelh: word gegouteerd, en zoo als we op goede gronden denken te mogen hoopen, wel uitvalt, zal dat heel zeer meede werken om deeze ongeleegendheid wegtenee„ men; Intusschen zoude het reeds zeer merkelijk strekken, om een parthij weevers van den overwal aen temoedigen zig op Ceilon neer te zetten, indien uwe Hoog Edelh: konden goedvinden ons te qualificeeren, om aan de de geene die herwaards overkoomen geduurende de eerste Jaaren, de nodig graanen die hier zelve inkoomen gelijk ook de Bataviasche rijst teegens 't inkoops kostende te verstrekken, en dat aan hun de pri „vilegien, vermeld bij onzen resolv „tie van den 9. ' oktober 1787. — voor een zeker getal van Jaaren word verzekerd. §n 396. Nopens het geen bij 't patrias ex taa van den 11. ' december 1790. § 282. voo komt van Koelies, welke een ge „deelte van 't bestaan der Ingen „euas op Ceilon zouden hebben uitgemaakt, neemen we de vri „heid hier bij te noteeren, dat de betrekking heeft tot het geen eer„ „tijds te Jaffenapatnam plaats hadde, en zoo als we dit reeds de 5819 de eere hebben gehad aantemerken in onze b'antwoording van gem: extract op 5. 288. , daer en bestond dat de oeliammeas, die met op hun beurt te werk quamen, aan den Jaffe„ „naschen Jngenieur betaalden voor elke dag dat ze absent bleeven 6. stuijv:s waar voor hij in hunne plaats koe„ „lies konde huuren voor 4. stuijvers sdaags; en wijl het voor de Comp: om het even was, of een oeliammer of een huurling in zijn plaats werkte, leed haar Edele daar bij in zoo verre geen nadeel. §397 De order nopens de Amerikaansche scheepen zullen we tot ons schuldig narigt neemen. We zullen alles meiden wat deeze vaart zoude kun„ „nen aenmoedigen; Jntusschen denken we dat het de intentie is, dat de Amerikaanen Amerikaanen voor 't overige moe worden behandeld gelijk andere vre „de natien, met de welken de Ne „derlandsche staat is in een goede verstand houding §398. De invoer van Europische wharen m vreemde scheepen, inzonderheid van dranken, zullen we doen verbied met p=mo 7ber: aanstaande, dat de nieuwe pagten ingaans. we hoop zoo veel daar van mag worden „gebragt, als voor deze Colonie noden is, dan wijl dit zomtijds, in zoude heid in de eerste Jaaren, zoude ko „nen mankeeren, neemen we de vol „moedigheid uwe Hoog Edelh: nedrr voortestellen, of hoogst dezelven niet zouden kunnen goedvinden ons te qua „ficeeren, om in enkelde gevallen en wanneer dit tot gerief der Ceilonsch gemeente 540 gemeente word bevonden nodig te zijn, van deze wet te mogen dispen„ „saatsie verleenen. §399. De order om 't papiere geld bij de boeken„ te verhandelen naar 't voorstel van den heer Direkteur Generaal, gedaen bij de aan ons toegesonden aanmer„ „kingen van den 18. aug:s 1791. , heeft te Batavia, daar de Comp: voor di„ „verse zaaken goude of zilvere speet- „sien verstrekt of ontvangst, zeker„ „lijk een zeer groote nuttigheid dog op Ceilon, daar de Comp: niet dan kopere munt of papiere geld uitgeeft, nog ontvangst, dan in zeer enkelde gevallen, die appart kunnen worden aangeweezen, zal dat naar ons in„ „zien niet dan met groote moeiten te introduceeren zijn en zoude door in attentie zomtijds aanleijding kunnen kunnen geeven tot vergissingen wij neemen derhalven de vrijheid uw Hoog Edelh: nedrigst te verzoeken, dat 't papiere geld en de kopere munt, zoo wee in de ontvangen in „gave, als in de verhandeling bij de boeken, moogen behouden de waard bij de introductie derzelve daar of gesteld, en waar voor ze tot nog bij de Comp: en de gemeente zoude eenige uitzondering of swaarighe uitgegeeven en weder ontvangen zi § 400 Het is ons voorgekoomen dat er te Bo „tavia bezondere reedenen kunnen zijn waarom de onchristenen niet zijn be „greepen in de ordonnantie, tot het heffen van de door Uwe Hoog Edelh: bepaalde belasting op de le„ „gaaten en Collateraale successien, dan wijl die op Ceilon niet bestaen hebben
English
we have resolved to include also the non-Christians residing on Ceylon therein. § 401 On the other hand, it appeared to us that the levying of this tax on the native inhabitants of the country would necessitate arrangements which could not be introduced without great difficulty, and even without causing much sensation; and we have therefore requested the advice of the Dessave Faetz regarding to what extent this tax could be extended over the native inhabitants of the country, and as soon as the same shall have been received, we shall, subject to Your High Excellencies' approval, make an equitable arrangement regarding it. § 402 The payment of the recognition fee of one-fourth part of the income of the offices, we shall cause to take effect on the first of September next, because various perquisites granted to the servants are otherwise difficult to calculate. § 403. According to what was communicated in our respectful letter of the 7th of February last, the ship het Meeuwtje departed on the 27th following from Gale to Batikaloa, and after having disembarked at Trinkonomale a company of the Regiment Wurtemberg, which was sent therewith from Gale, this ship took in 16700 parras of Nelie at Battikaloa, and returned here on the 24th of March last. We shall, as this vessel is an exceptionally fast sailer, send it back immediately to the east side of the Island, in order to bring, as early as can be done, another cargo from Battikaloa to here, which we can have here with it sooner than we have to expect any grains either from Bengale or from the Coast. § 404. It can at the same time serve for the transport of a quantity of goods to Trinkonomale, and while the Surat textiles have had to remain behind, and now that we are somewhat more amply provided with gold, we can also count on a good quantity of Madurese textiles, we hope, with these and with the cinnamon, which can be ready for shipment in November next, to have cargo for the first consignment for a large ship and the ship het Meeuwtje, which consequently could serve as a second early return ship, if Your High Excellencies would be pleased to grant us authorization for that purpose. § 405. We take the liberty hereby to repeat our humble request made in our previous respectful letter, to be provided as early as can be done with a rice cargo from Batavia. § 406 The ship de Gouverneur Generaal Maatzuijker we are letting depart directly from here, because the ship de Indus, which we expect from Cochin, and which, due to the expired season, must unload its cargo at Gale, can take in there the coir and cordage that must still be supplied on the latest Batavian requisition. § 407. This ship could have sailed a few days earlier, had not the two half-brothers of the Panembahan of Madura, recalled by Your High Excellencies by letter of the 23rd of August last, named Pandjie Soero Notto and Pandjee Wiera Diningrat, requested this delay from us with great insistence. Through this we still had the opportunity to send therewith 11 packages of the Company's and 52 packages and one chest of private textiles, which were brought yesterday from Tutukorijn, and of which the bill of lading and the invoice are transmitted among the enclosures. § 408. The aforesaid two Radens are taking along their wives, children, and servants, namely the first-named Pantjie Soero Notto, 2 wives, 7 children, and 14 servants, and the last-named Pantjie Wiera Diningrat, 2 wives, 6 children, and 14 servants, the name list of whom is added to the enclosures of this. They have declared not to be half-brothers, but the first a brother-in-law and the latter an uncle by marriage to the present Panembahan of Madura, as appears from the notarial record kept thereof, which accompanies this in copy. § 409. The aforementioned Pantjie Soero Notto requested a loan of one thousand rixdollars from the Company to pay off his private debts, for which various jewels, gold, and silver works were pawned, which we granted, and at the same time resolved that the aforesaid pawned goods should be given into the keeping of the ship's captain, to be handed to him at the roads of Batavia, in order to be used by him, according to his request, upon going ashore there, provided that, in default of payment, he should have to surrender them to the order of His High Excellency, the Governor-General, to be sold for the debt; but upon his urgent request to be allowed to take these goods with him himself, the first-undersigned Governor had the same delivered to him, under the obligation, however, of having to surrender them there nonetheless, if he should fail to satisfy his aforesaid debt. The bond that he granted for this debt, and in which the aforementioned goods are specifically listed, we have the honor to present to Your High Excellencies among the enclosures. § 410. Furthermore, upon their request made for that purpose, an amount of one hundred rixdollars was lent to each of the aforesaid two Radens for travelling expenses, to be restored there to the Company, as appears from the bonds granted by them for it, which are likewise presented herewith to Your High Excellencies. § 411. At the request of the daughter-in-law of the aforementioned Pandjie Wiera Diningrat, who is now also crossing over and is included among the above-mentioned number of his children, we have permitted that Amat Djalanie, Javanese priest and physician, who was sent hither from Batavia with the ship Dordrecht in the year 1780 to remain relegated here, may now also cross over, because the petitioner
Dutch transcription
543 hebben we beslooten ook de onchristenen die zich op Ceilon bevinden daer in te begrijpen. §401 Daar en teegen is 't ons voorgekoomen, dat het heffen van deze belasting op de ingezeetenen des lands, schikkingen zoude nodig maaken, die zonder groo„ te moeite, en zelfs zonder wat veel op„ „ziens te baaren, niet zouden kunnen =worden g'introduceerd; en we hebben derhalven 't advies van den Dessave faetz: gevraagd, in hoe verre deze belasting over de ingezeetenen des lands zoude kunnen worden uitgestrekt, en zodra het zelve zal zijn ingekomen, zullen we daeromtrent, op uwer Hoog Edelh: goedkeuring, eene billijke schik„ „king maaken. § 402 De betaaling der recognitie van een vier de gedeelte van 't inkoomen der bedie„ „ningen „ningen, zullen we doen ingaan met pai„ mo 7ber: aanstaande, om dat deeze en geene douceurs aan de dienaaren toegestaan, anders niet wel te bereeke „nen zijn. § 403. Volgens het bedeelde bij onzen eerbiedigen van den 7. ' februarij Jleeden, is 't scheep het Meeuwtje den 27. daar aan van Gale naar Batikaloa vertrokken, en na te Trinkonomale een kompenie van 't Regiment wurtemberg, welke daerme „de van Gale gezonden is, ontscheept te hebben, heeft dit schip te Battikaloa ingenomen 16700. parras Nelie, en is den 24:' Maart Joleeden alhier terug gekomen. Wij zullen dit scheepje, wijl het een extra bezijlt vaertuig is, ten eersten te rug zenden na de oostkant van het Eijland, ten einde zoo vroegtijd het geschieden kan, nog een laading na van 542 van Battikaloa na herwaards te brengen die we eerder daermeede kunnen hier hebben, dan we eenige gaanen te verwag„ „ten hebben van Bengale, nog van de kust. § 404. Het kan te gelijk dienen tot het overbrengen van een partij goederen na Trinkonomale, en terwijl de suaatse lijwaaten hebben moeten blijven overleggen, en we tans dat „we wat ruimer van goud voorzien zijn, reekenen kunnen op ook een goede kwantiteid Madurese lijwaaten, hoopen we daar meede en met de kanneel, die in November aanstaende ter verzending kan gereed zijn, voor de eerste bezending lading te zullen hebben voor een groot schip en het schip het Meeuwtje het welk dienvolgens tot een tweede vroeg retourschip zoude kunnen dienen, indien uwe Hoog Edelheeden ons daertoe qualifi„ =catie „catie gelieven te verleenen. §. 405. We neemen de vaymoedigheid door deezen te herhaalen ons nedrig verzoek gedaen bij onze vorige eerbiedigen, om zoo vror „tijdig het geschieden kan met een rijst lading van Batavia te mogen worde voorzien. § 406 'T schip de Gouverneur Generaal Maatzuijker laaten we direct van hier vertrekken, om dat 't schip de Jndus, het welk we van koetsiem verwagten, en mits het verloopen sac „soen zijne lading te Gale moet lossen, aldaar inneemen kan de kaijer en touwerken, die nog op den Jongst Bataviaschen Eisch moeten worden voldaan §407. Dit schip zoude een paardagen vr „ger hebben kunnen zijlen, zoo niet de door uwe Hoog Edelh: bij Missive van 543 van den 23. ' aug:s pass=o terug ontbodene twee halve broeders van den Panembahan van Madura, met naamen Pandjie soero Notto en Pandjee wiera Diningaat, ons met groote nadruk dit uitstel ver„ „zogt hadden. Hier door hebben we nog ge„ „legentheid gehad om daer meede te verzen„ „den 11. – pakken Comp:s en 52. pakken en een kist partikuliere lijwaaten, die gisteren van Tutukorijn zijn aange„ „bragt, en waar van het Cognossement en de factuur onder de bijlaagen over„ „gaan. § 408. De voorsz: twee Radeens neemen hun„ „ne vrouwen, kinderen en bedienden meede, namelijk de eerstgenoemde Pantjie Soero Notto, 2. vrouwen 7. kinderen en 14. bediendens, en de laastgenoemde Pantjie wiera Dimin„ „grat, 2. vrouwen, 6: kinderen en 14. dienstelingen dienstelingen, waar van de naam lijst „der de Bijlaagen dezes gevoegd is. zi hebben verklaard geene halve broede maar de eerste een zwager en de lad een aangehuwde oom te zijn van de prezenten Panembahan van Madu blijkens de daar van gehoudene secr „tarieele aanteekening, die in Copia „zen verzeld. 5409. Voorm: Pantjie soero notto heeft van de Comp: een duizend rijksd:s ter leen ve „zogt, om zijne partikuliere schulden waar voor verscheide Juweelen, goud en zilver werken verpand waaren, aftebetaalen, het welk wij toegestaen, en teffens beslooten hebben, dat de voorsz: verpande goederen aan den scheeps Capitain in bewaaring zouden worden gegeeven, om aan hem ter rheed van Batavia ter hand gesteld te worden ten 544 ten einde door hem, volgens zijn ver„ „zoek, teworden gebruikt bij 't gaan aan de wal aldaar, mits hij dezelven bij manquement van betaling aan de order van zijn hoog Edelh:, den heer Gouverneur Generaal zoude moeten overgeeven, om voor de schuld te worden verkogt: dog op zijn instantig ver„ „zoek, om deze goederen zelfs te mogen meede neemen, heeft de eerst onder„ „geteekende Gouverneur dezelve aan hem laaten afgeeven onder verpligting egter van ze evenwel aldaar te moeten overgeeven, indien hij in gebreeke bleef zijne voorsz: schuld te voldoen. De obligatie die hij voor deze schuld heeft verleend, en waar bij meerm: goederen specificq bekend staan, heb„ „ben we de eere uwen Hoog Edelh onder de Bijlagen aantebieden 5. 410. § 410. Nog is aan ider van voorsz: twee Ra„ deens, op hun daar toe gedaan ver„ „zoek, tot 't doen van de rijs kosten geleend een bedragen van een Honderd rijksdaalders, om aldaar weder aen de komp: te worden gerestitueerd, be „kens de daar van door hun verleend obligatien, die meede uwen Hoog Ede hiernevens worden aangebooden. §411. Op het verzoek van de schoondogter va meerm: Pandjie wiera Diningra die tans meede overvaart en onder het hier vooren vermeld getal zijner ka deren begreepen is, hebben wa toege„ „staan, dat Amat Djalanie, Javaa „sche priester en geneesmeester die met het schip Dordrect in 't Jaar 178. van Batavia herwaards gezonden is, om hier gerelegeerd te blijven, tans te meede mag overgaan, wijl de supp=te bij
English
545 attested in her petition, which accompanies this in copy, that her husband is continuously ill and at times delirious, and that the remedies of this physician have helped him very much. Captain Masson was ordered by written directive not to allow this amat dialani to leave the ship upon his arrival at Batavia except by express order of His Excellency the Right Honourable Governor-General, and under this precaution we hope that Your Excellencies will favorably accommodate this liberty we have taken. § 412. The aforementioned two Radens enjoyed their monthly subsistence here until the ultimate of this month, as is further stated in the aforementioned list of names, and furthermore rations for the voyage were provided to them for the period of three months. they and to which we take the liberty to conduct ourselves most humbly, as we have nothing particular to remark thereon. § 417. The Captain of this vessel, Gerardus Masson, requested in a petition that accompanies this in copy, to be allowed to pay into the treasury here the funds which Your Excellencies granted him and the other ship's company by letter of the [illegible] December by assignment, because of the disadvantageous rate at which these assignments must be issued, to be allowed to pay into the Company's treasury in letters of credit upon receipt, or whether it might perhaps please Your Excellencies to have the same disbursed again there in letters of credit to him and his officers, provided they bear the usual agio of four 547 four percent. We have therefore accepted from him on that basis into the Company's treasury a sum of twenty-five thousand rixdollars in letters of credit, and we take the liberty to present herewith to Your Excellencies a copy of the receipt granted to him for this by the Chief Administrator Raket. § 418. Furthermore, we have the honor to present to Your Excellencies among the annexes to this, the Ceylon general ledgers for the financial year 1789/90. § 419. Due to the passing of the merchant and administrator at Jaffenapatnam, Gualterus Mooyaart, we have, subject to the favorable approval of Your Excellencies, appointed as administrator and storekeeper of Jaffenapatnam the junior merchant Theodorus Williamsz, and we take the liberty respectfully to recommend him hereby to Your Excellencies for confirmation and for obtaining the corresponding title and salary of merchant; his petition is included among the annexes to this. § 420. By the extract from the minutes of the resolution in the Council of the Indies on the 15 August 1786, the monthly allowance of three cans of arrack was allocated to the private soldier; but as we are uncertain whether this must be understood literally as such, or whether corporals are also included therein, we take the liberty to request a further explanation concerning this from Your Excellencies. § 421. The Colonel Commandant of the Regiment of 548 Wurttemberg, De Hugel, informed the first undersigned Governor in a letter of the 15 March last, which accompanies this in copy, that the Lords Directors, by letter of the 31 May of the past year written to Your Excellencies, had permitted the said regiment, in like manner as the Regiment of Meuron, to pay a certain amount into the Company's treasury to be received back in the Netherlands, in order to use this money to cover the outfitting in Europe of the incoming troops, as well as the requisites for the major and minor uniform parts, and for that reason requested to be allowed to pay into the Company's treasury here an amount of at least 100,000 guilders, for for repayment in the Netherlands to the regimental agents. In addition, he also requested in the same letter to be allowed to pay into the Company's treasury under the ultimate of August next four months' salary of the personnel of this regiment who are here on the island, in order to likewise be remitted to the aforementioned agents in accordance with the consent of the Lords Directors. § 422. Among the received papers of this regiment, we have found no letter of the 31 May, but one of the 31 March 1791 written by the Lords Directors to Your Excellencies, whereby in like manner as was permitted to the Regiment of Meuron, it is permitted to pay a certain sum by preference preference into the Company's treasury, and also, to prevent complaints regarding the quality of the goods delivered from the Company's warehouses, the Regiment of Wurttemberg is permitted to manage the major and minor uniform equipment, and to pay annually 3 to 4 months' salary of every officer and enlisted man, from sergeant to common soldier, into the Company's treasury. § 423. Only the latter request was granted to him by a letter from the Governor of the 19 March, which is also annexed hereto in copy; for although we do not wish to dispute the necessity of the former, and it even appears to us that the above-mentioned 3 to 4 months may perhaps constitute an overly tight fund for the regiment regiment to pay in Europe for the necessary recruitments for the regiment, we nevertheless thought it was prudent to ask Your Excellencies in advance, as we take the liberty of doing hereby, whether it is truly the intention of Your Excellencies, by their joint resolution of the 20 September 1790, of which the said Colonel Hughel likewise had an extract presented to the Governor, that the Regiment of Wurttemberg, over and above the aforementioned 3 to 4 months, shall also be permitted to pay into the treasury upon assignment to the Netherlands a sum proportioned according to the strength of the regiment to the sum that was permitted to the Regiment of Meuron. We thought so all the more
Dutch transcription
545 bij haar request, het welk in Copia dezen verzeld, betuigd, dat haere Man geduurig ziek en bij wijlen raaskalend van zinnen is, en dat de middelen van dezen genees„ ƒ „meester hem zeer veel geholpen hebben. De kapitain Masson is bij schriftelijke ordonnantie gelast, dezen amat dialani bij zijn komst te Batavia niet van boord te laten dan op expresse last zijn Hoog Edelheid van den Hoog Edelen Heer Goeverneur Generaal, en onder deze voorzorge hoopen we dat uwe Hoog Edel„ „heeden deze onze genomene vrijheid gunstig zullen inschikken. § 412. De voorsz: twee Radeens hebben hun maan„ „delijks onderhoud alhier genoten tot ultimo deezer zoo als dat breeder bij de voor„ „melde naamlijst bekend staat, en is voorts aan hun randzoen tot de rijze verstrekt, voor den tijd van drie maanden zij en waar aan wij de vrijheid geban„ „ken ons nedrigst te gedraagen, wijl daar op niets bijzonders aantemer „ken hebben. § 417. De Capitain van dezen bodem Gerardus Masson heeft bij een request, dat in Copia dezen verzeld, verzogt, de gelden die uwe Hoog Edelh: hem en de verder scheepelingen, bij missive van den december hebben toegestaan, op assig„ „natie alhier in kas te mogen tellen wegens den nadeeligen voet, waar op deze assignatien moeten worden ver „leend, hier in Credit brieven op qui„ „tantie in sComp: kas te mogen tellen of 't uwe Hoog Edelh: somtijds mogt behaagen, dezelve weder in Credit brie „ven aldaar aan hem en zijne officie „ren te doen uitkeeren, mits daer op dragende de gewoone agio van vier 547 vier percento. we hebben derhalven op dien voet van hem in 'sComp:s Cas geaccep= teerd eene zomma van vijfentwintig Duizend rijksdaalders aan Crediet brieven en neemen de vrijheid, een Copij van de daar voor door den Hoofd- =administrateur Raket aan hem ver„ „leende quitantie, uwer Hoog Edelh: hier nevens aantebieden. § 418. Nog hebben we de eere onder de Bijlaa„ „gen dezes uwen Hoog Edelh: aantebie„ „den, de Ceilonsche hoofdboeken van 't Boekjaar 173/90 § 419: Mits 't overleijden van den koopman en administrateur te Jaffenapatnam Gualterus Mooijaart, hebben we op de gunstige approbatie van uwe Hoog Edelh:, tot administrateur en pakhuijsmeester van Jaffenapatnam aangesteld den onderkoopman Theobo„ „bus rus williamsz:, en wij neemen de vrijheid hem, ter bevestiging en ter verkrijging van de daar toe staen qualiteit en gagie van koopman, uwe Hoog Edelh: door dezen eerbied voortedragen zijn request gaat on de Bijlaagen dezes. over. §420 Bij het extract uit de Notulen van 't geresolveerde in rade van Jndie of den 15 aug: 1786; is de maandelijk „sche verstrekking van drie kan arrak toegelegd aan den zoldaat doch wijl wij in het onzeeker zi of dit zodanig letterlijk moet w „den verstaan, dan wel of ook korporaals daar onder begreepen zij neemen we de vrijheid derweegen nadere explicatie van uwe Hoog Edelh: te verzoeken §. 421. De Colonel Commandant van 't regiment van 548 van Wurtenberg de Hugel, heeft den eerst ondergeteekenden Gouverneur bij een brief van den 15. ' Maart 7zeeden die in copia deezen verzeld, te kennen gegeeven, dat de Heeren Majores bij Missive van den 31.:' maij Ao pass=o aen uwe Hoog Edelh: geschreeven, aan gem: regiment hadden toegestaan, om inge„ „lijker voegen als het regiment van Meuron, een zeeker bedraagen in sComp:s kas te tellen, om in Nederland weder te rug ontvangen te worden, ten einde met dit geld goed te maa„ „ken de uitrusting in Europa der uitkomende manschappen, zoo wel als het benodigde voor de groote en kleine monteering. stukken, en uit dien hoofde verzogt, om ten minsten een bedraegen van 100'000 guldens al„ „hier in 'sComp:s kas te moogen tellen, ter ter weder uitkeering in Nederland aan de zaak bezorgers van t regie ment. Daer en boven heeft hij nog bij den zelfden brief verzogt, om „der ult=o aug:s aanstaande, in sComp kas te moogen tellen vier maande gagie van de manschappen van dit Regiment, die zich hier ten Eilan „de bevinden om meede ingevolge tot „stemming van de Heeren Majores aan voorsz: zaakbezorgers te w „den overgemaakt. § 422. Onder de ontvangene papieren van dit regiment, hebben we geen brief gevonden van den 31. ' Maij, maar een van den 31. ' Maart 1791. , door de Heeren Majores aan uwe Hoog Edel geschreeven, waar bij in gelijker voegen als aan het regiment van Meuron toegestaan is, zekere zom bij preferentie 549 preferentie in sComp:s kas te tellen, en ook om de klagten te preveniee„ „ren, wegens de qualiteit der goederen uit sComp:s magazijnen wordende gelee„ „verd, aan 't regiment van wurtenberg word gepermitteerd de bezorging van de groote en klijne monteering, en om Jaarlijks 3. â 4. maanden gagie van ieder officier en manschap, van zergeant tot gemeen zoldaat toe, in s Comp:s Cas temogen tellen. §. 423. Het laatste verzoek is alleen aan hem toe gestaan, bij een brief van den Gouver„ „neur van den 19. ' Maart, die nog in Copij hiernevens gaat, want schoon we de noodzakelijkheid van het eerste niet willen tegenspreeken, en het ons zelfs voorkomt dat de hier boven gem: 3. â 4. maanden, niet dan mis„ „schien een al te knap fonds voor 't regiment regiment kunnen uitmaeken, om in Ed „pa te doen betaalen de nodige bouan „tuaes voor 't regiment hebben we nogtans gedagt, dat 't het voorzigtig was uwe Hoog Edelh: voor af te vrag zoo als we de vrijheid gebruiken van te doen door dezen of 't werk „lijk uwer Hoog Edelh: intentie is, bij de door hoogst dezelve gemeene resou „tie op den 20. ' 7ber: 1796. waer ui gem: kolonel Hughel insgelijks ee Extract aan den Gouverneur heeft doe presenteeren dat 't regiment van wurtemberg, buiten en behalven de voorsz: 3. â 4. maanden, nog op assa „natie na Nederland in Cas zal moge tellen een som geproportioneerd na sterkte van 't regiment aan de Com die aan het regiment van Meuroi is toegestaan. we hebben te meer gedagt
English
thought thought thought 550 thought to do well in this, since after all the money could not be counted before next November, and provided that nothing is neglected through this. § 424. The Captain of the regiment of Wurttemberg von Winckelman, who is stationed here in the garrison, has, in the name and on behalf of his Colonel, requested by a petition that accompanies this in copy, that the supplement of the salary of some vacant officers' posts might be made good to the officers who followed them in rank, basing this request on the 14th article of the Capitulation. This article does say that all advancements up to the rank of Captain must take place according to seniority, but it does not appear therefrom that the next in line to the vacant post, even before his actual accession thereto, has a right to enjoy the supplement of the salary determined for the vacant rank. We have nonetheless, in consideration that the officers of the five companies who are here have had extraordinary expenses on their crossing to Ceilon and subsequently to the garrisons destined for them by us, allowed for this once only the payment of the supplement calculated by him, in the amount of 456: 22:— rds, more fully mentioned in a note added among the Annexes, but under express warning that this shall not be drawn into precedent if your High Nobilities might please to reject the right to such a supplement maintained by him. § 425. 551 § 425. Said Captain has, in his aforesaid petition, further requested that the provost of this regiment might be granted the emoluments of a sergeant, since he holds the rank of sergeant and had always drawn the emoluments thereof; but as the pay of a provost is determined at 10. gulds in the Capitulation, and it also did not appear from the Cape papers what kind of emoluments he enjoyed there, we have provisionally, and pending your High Nobilities' further approval, granted him, on an equal footing with the provost of Kolombo, the emoluments of a corporal. § 426. In consideration that, according to the plan of the Gentlemen of the Military Commission, two staff officers have been designated for Jamconomale, of whom the Major would have held the command at Oostenburg, we have, to compensate for the expenses which he more or less must incur, granted to the Captain of the regiment of Meuron de Stein, who has for some time commanded at Oostenberg, for as long as he serves as Commandant there, the emoluments of a Major with the National troops, or properly speaking that which these emoluments amount to more than his emoluments as Captain; yet we shall not allow the same to be provided to him until we shall have received hereon the esteemed approval of your High Nobilities. § 427. To the Javanese Rono Dirdjo, who has arrived here with the ship Willem de Vierde, 562 we have, provisionally and pending your High Nobilities' further orders, granted for his sustenance 3. rds in cash and one parra of rice per month. § 428. The Prince Major of Batjang Sadra Alam and the Prince of Batjang Goegoe Kitjiel Naimoedien have delivered to the first undersigned Governor a sealed letter for His High Nobility, the Lord Governor General, whereby they, according to their declaration, make a request to be allowed to return to Batavia. We take the liberty of adding the said letter among the Annexes to this. We commend your High Nobilities and the interests of the Company to God's safe keeping and remain with all respect and fidelity, (below stood:) High Noble, Right Honorable, Widely Commanding, and Noble Severe Gentlemen, your High Nobilities' humble and very obedient servants, (was signed:) W: J: van de Graaff, M: P: Raket, D: C: von Driberg, D: T: Fretz:, B: van Zitter, A: Samlant, J: A: Vollenhove, (in margin:) Kolombo, the 9th April Anno 1792. — To the same as before: § 429. We have the honor to present herewith to your High Nobilities the duplicates of our general and secret letters of the 9th of April past, which were dispatched with the ship the Gouverneur Generaal Maatzuiker, which departed from here thither on the 12th thereafter. § 430. Upon our request made to the Ministers at Paleacatta to have the testamentary executors or heirs of the late junior merchant Geeke provide sufficient security, pursuant to your High 553 Nobilities' order in the very esteemed dispatch of the 8th of July last past § 19., for the already apparent loss on the Danish muskets purchased by him, the Ministers answered by their letter of the 20th of February past, of which a copy accompanies this, that this cannot be done because the estate of the said Geeke had been surrendered to the sequestrator by his widow as insolvent, and he, Geeke, was moreover still indebted to the Company for ƒ34869. 18. -. § 431. The Jaffna Dissave Schreuder, in compliance with your High Nobilities' requisition in the aforementioned dispatch § 112., has stated in a report, which accompanies this in copy, that owing to unfavorable circumstances in which the Jaffna inhabitants had found themselves for some time through crop failure, dearness of provisions, lack of money, mortality, and the smallpox that had been prevalent, he had been obliged to postpone the founding of the native orphanages and hospitals permitted on trial to a more favorable point in time, and that consequently the institutions have not been established to date. § 432: Upon the receipt of your High Nobilities' aforesaid dispatch of the 8th of July, the former Galle Equipage Master Abo was already departed for Batavia, and we could therefore demand no proof from him that he had accounted for the excess European equipage-
Dutch transcription
550 gedagt hier aan wel te doen, wijl tog het geld niet konde worden geteld voor November aanstaande en mits dien hier door niets word, verzuimt. § 424. De Capitain van 't regiment van wur„ „tenberg von winckelman die hier in garnisoen legt, heeft uit naam en van wegens zijn kolonel bij een addres, dat in Copia dezen verzeld, verzogt „dat het supplement van 't tractement van eenige vacante officiers plaatzen, mogte worden goedgedaan aan de offi„ „cieren die hun in rang volgden, bon„ „deerende dit verzoek op het 14. aat: van de Capitulatie. Dit artikel zegt wel, dat alle avancementen tot de graad van Capitain toe moeten geschie„ „den volgens ouderdom, dog het blijkt daar bij niet, dat de naaste tot de vacante plaats, nog voor zijne wer„ „kelijke „kelijke optreeding daer toe, regt heeft om te genieten het supplement van 't tractement tot de vacante graad be„ „paald. We hebben niet te min, uit aanmerking dat de officieren van de vijf Compeirien die zich hier bevinden m hunne overtogt na Ceilon en vervol„ „gens naar de Garnizoenen door ons voor hun bestemd, buijten gewoone onkosten gehad hebben, alheen voor dit maal toegestaan de uitkeering va 't door hem bereekend supplement, ten bedraage van rd:s 456: 22:—, breeder vermeld bij een onder de Bijlaagen gevoegde notitie, dog onder expresse waarschouwing dat zulks niet gevolg zal mogen worden getrokk indien uwe Hoog Edelh: het door hem gesustineerd regt tot diergelijk supplement mogten gelieven te ontzagen § 425. 551 § 425. Gemelde Capitain heeft bij voorsz: zijn addres nog verzogt, dat aan den provoost van dit regiment de emolu„ menten van een zergeant mogten worden goedgedaan, wijl hij de rang heeft van zergeant en altijd de emolu„ „menten daar van getrokken had; dog wijl de gagie van een provoost bij de Capitulatie bepaald is op 10. guld=s, en 't ook bij de kaabsche papieren niet bleek hoedanige emolumenten hij daar genooten heeft, hebben we bij provisie en tot uwer Hoog Edelh: nader goedgevonden, aan hem, gelijk standig met den provoost van Kolom„ „bo, toegelegd de emolumenten van een korporaal § 426. Uit aanmerking dat volgens het plan van de Heeren van de Militaire Com„ „missie, twee staf officieren voor Jam„ „Conoinale Conomale bepaald zijn waer van de majoor 't Commando zoude hebben gevoerd te oostenburg, hebben we aan den Capitain van 't regiment van Meuron de Stein, die zedert eenigen tijd te oostenberg Commandeerd, zoo lang, hij daar als Commandant fun „geerd, tot goedmaaking van de kosten die hij min of meer doen moet, toe„ „gelegd de emolumenten van een Majoor bij de Nationaale troupe of eijgentlijk 't geen deeze emoluma „ten meer bedragen dan zijne emolu„ „menten als Capitain; dog zullen we dezelve aan hem niet laaten ver„ „strekken, tot dat we hier op zullen hebben ontvangen het g'eerd goedvin„ „den van uwe Hoog Edelheeden. §427. Aan den Javaan Rono Dirdjo, die met het schip willem de vierde alhier aangekomen. 562 aangekomen is, hebben we bij provisie en tot uwer Hoog Edelh: nader onder„ tot zijn onderhoud toegelegd 3. rd:s Contant en een paara rijst smaands §428. De prins Majoor van Batjang sadra Alam en de pains van Batjang Goegoe Kitjiel Naimoe„ „dien, hebben aan den eerst onderge„ „teekenden Gouverneur overgegeeven „een verzegelde brief voor zijne Hoog Edelheid, den Heere Gouverneur Ge„ „neraal, waar bij ze, volgens hunne betuiging, verzoek doen naar Bata „via te mogen te rug keeren. Wij neemen de vrijheid gem: brief onder de Bijlaagen dezes te voegen. Wij beveelen uw Hoog Edelheeden ende belangens der Maatschappij in Godes vijlige hoede en blijven met alle Eerbied en trouwe /:onderstond:/ Hoog Edele Groot Achtbaare wijd Gebiedende Welk En En wel Edele Gestrenge Heeren ue Hoog Edelhedens onderdaenige en zeek gehoorzaeme Dienaaren /:was geteekend W: J: van de Graaff, M: P: Raket D: C: von Driberg, D: T: Fretz:, B: van Zitter, A: Samlant, J: A: vollen „hove /:in margine:/ kolombo den 9=e April A„o 1792. — Aan als vooren: § 429. Wij hebben de eere uwen Hoog Edelh hiernevens aantebieden, de duplicacte van onze gemeene en secreete brie„ „ven van den 9. ' April Jzeeden, die afgezonden zijn met 't schip de Gouverneur Generaal Maatzui „ker, het welk den 12. ' daar aan van hier na derwaards vertrokken is. § 430. Op ons gedaan verzoek aan de Min „ters te Paleacatta, om volgens uwer Hoog 553 Hoog Edelh: onder bij zeer g'eerde Missi„ „ve van den 8' Julij pass=o §19. , door de Testamentaire executeurs of erfgenaamen van wijlen den onderkoopman Geeke„ voldoende Cautie te laaten stellen voor het reeds gebleeken verlies, op de door hem ingekogte deensche geweeren hebben de Ministers bij derzelver brief van den 20:' februarij Joleeden, waer van Copij dezen verzeld, geantwoord dat zulks niet kan geschieden, om dat de nalatenschap van gem: Geeke door zijne weduwe, als insolvent, aan den sequistor was overgegeeven, en hij Geeke buijten dien, nog ƒ34869. 18. - aen de Comp: schuldig was. § 431. De Jaffenasche Dessave, schreuder heeft, ter voldoening aan uwer Hoog Edelh: requisit bij voorm: Missive §n 112. , bij een berigt, het welk dezen in Copij verzeld verzeld, opgegeeven, dat hij wegens ongunstige omstandigheeden, waer de Jaffenasche ingezeetenen zich eenig tijd, door miswasch, duurte der leven „middelen, geldeloosheid, sterfte en de gegrasseerd hebbende kinder pakken hadden bevonden, genoodzaakt was geweest, het stigten van de ter pre „ve toegestaane inlandsche weeshuijs en Hospitaalen, tot een gunstiger tij stip uittestellen, en dat mits dien de gestigten tot nog toe niet zijn aang „legd. § 432: Bij den ontvang van uwer Hoog Edel voorsz: Missive van den 8. ' Julij, was de gew: Gaalsch Equipagiemeester Abo. reeds na Batavia vertrokken en we konden derhalven van hem geen bewijs vorderen, dat hij de door hem meerder verandwoorde Europische Equipagie-
English
equipment goods had actually purchased: Nevertheless, we have requested from the servants at Gale distinct statements of these surplus accounted goods, which we have the honor to offer to Your High Noblenesses among the Appendices, consisting of a Memorandum of such goods that, with the pleasure of Your High Noblenesses, can be offset against similar articles, and a Memorandum of surplus accounted goods that are not in the position to be offset against others. § 433. From these Memoranda Your High Noblenesses will be pleased to see that the surplus accounting does not only consist of goods that Abo actually handed over to his successor over and above the Company's stock, but also of goods that he, during his administration, due to a shortage at the Company, provided and consumed from his own stock for the service of the Honorable Company. § 434. Of the goods that he actually handed over to his successor in surplus, a part has also already been provided and consumed in the Company's service by the Master of Equipage Aams, as appears from a report from the said Aams, which likewise accompanies this in copy; but that which was still remaining of it, we have caused to be surveyed and inspected by a Special Commission, and according to the report received thereof, all the same were found to be usable in the Company's service. § 435. Furthermore, Abo actually handed over in surplus two heavy Dutch cables, namely one of 12 d=m and one of 16 d=m, which were already found damaged upon the handover by Abo, and were therefore immediately inspected by a Commission consisting of the Sea Captains Weijtzel and Lourentius and the Lieutenants Bosscher and Buissine. According to the report of this Commission, the same were indeed damaged and not fit to be issued as good cables, yet not so bad as to be entirely condemned. Because the Gale servants did not deem this report satisfactory, they resolved by their resolution of 29 November 1790, of which an extract accompanies this, to have the said cables inspected further by experts; but this further inspection took place only in the month of January of this year, by Sea Captains Louridsz and Tjerk, who stated in their report that these cables could be used for nothing else than the one of 12 for the picking of oakum for the caulking of ships and vessels, and the other of 16 d=m for the making of laid up hawser work, lines, or similar light cordage: for which the Gale servants, by their resolution of 18 January last, which is transmitted in copy under the Appendices, also resolved to have the same employed. § 436. Upon our question as to why the resolution for the further inspection was not executed sooner, since these cables during the course of the intervening time of over a year naturally had to become worse than they were at the first inspection, the Gale servants answered in their letter of 27 March last, which likewise accompanies this in extract, that this further inspection, owing to many other transactions that had occurred, was delayed and had not been carried out. § 437. Concerning the 8 grapnels that the Master of Equipage Abo has accounted for in surplus among a number of 14 pieces; the Master of Equipage Aams states in his aforesaid report that he cannot indicate whether they are serviceable or not, because upon taking over the administration he took over 23 unserviceable grapnels, and thus did not know whether this surplus handover of 8 pieces had occurred among the serviceable or the unserviceable grapnels; but from the comparison of the administration of Abo received from Gale, it appears that he handed over in surplus 6 unserviceable and 8 serviceable grapnels, as Abo, instead of 34 serviceable grapnels that he had to have remaining according to the books, handed over 42 serviceable grapnels. § 438. We take the liberty to submit most humbly to the esteemed pleasure of Your High Noblenesses the determination to what extent all the surplus accounted goods mentioned in the aforesaid two Memoranda, whether by offsetting or otherwise, may be credited to Abo, since, as already said, a large part thereof was actually employed in the Company's service, and the remainder, except for the two heavy cables, were found usable for the Company's service. § 439. Furthermore, we have the honor to offer to Your High Noblenesses among the Appendices, a memorial to the benefit of the often-mentioned Abo amounting to f 3073:12:8, on account of various issues to the ships that were successively charged to him for reimbursement by Your High Noblenesses, but from which the very same have had the goodness to discharge him again, according to an extract sent to us from the minutes of what was resolved in the Council of India on 12 August 1791. § 440. In continuation of what we, regarding the accounting required by Your High Noblenesses' very esteemed Letter of 1 November past concerning the issues to the ships above that which takes place at Batavia, noted in our respectful letter of 27 January last, § 117, we took the liberty to offer herewith to Your High Noblenesses an address from the Colombo Master of Equipage Andringa, wherein he testifies that the issues for making sails for the ships here have always been done according to the determination in the regulation of the year 1774, and that therefore these sails have also always been larger; but that the excess write-off of hemp for the bolt-ropes originated from the fact that each time no more bolt-rope hemp was tarred than was necessary for making the sails, but that if he is permitted a larger
Dutch transcription
554 Equipagie goederen werkelijk had ingekogt: Niettemin hebben we van de bedienden te Gale, distinkte opgaves gevraagd van deze meerder verantwoor„ de goederen, die we de eere hebben uwen Hoog Edelh: onder de Bijlaagen aante„ „bieden, bestaande uit eene Notitie van zulke goederen, die met believen van uwe Hoog Edelh:, teegen zoortge„ „lijke artikulen kunnen gerescontreerd worden, en eene Notitie van meer„ „der verantwoorde goederen, die niet zijn in de termen van teegen andere te kunnen worden gerescontreerd. §433. Bij deeze Notitien zullen uwe Hoog Edelh: gelieven te zien, dat de meerder verantwoording niet alleen bestaat uit goederen, die Abo boven sComp:s voorraad, aan zijnen vervanger wer„ „kelijk meerder overgegeeven heeft, maer ook ook uit goederen die hij, geduurend zijne administratie, mits ontstente „nis bij de Comp: uit eijgen voorraed ten dienste van haar Edele verstre en verbruikt heeft. 5434. Van de goederen die hij werkelijk aan zijnen vervanger meerder heeft overg „geeven, is ook reeds een gedeelte door den Equipagiemeester Aams in sCou dienst verstrekt en verbruikt, zoo als dat blijkt bij een berigt van gem: Aams, dat meede in Copia hier „nevens gaat; dog het geen daer van nu nog per restant was, hebben we door eene Expresse Commissie laaten opneemen en bezigtigen, en volgens 't daar van ingekomen rapport, zijn alle dezelve bevonden te weezen bruikbaar in sComp:s dienst. § 435. Nog zijn door Abo werkelijk meerder over 155 over gegeeven twee hollandsche swaare touwen, namelijk een van 12. d=m en een van 16. d=m, die reeds bij de overgave door Abo beschadigd bevonden, en daerom direct door eene Commissie, die be„ „staan heeft uit de Capitains ter zee weijtzel en Lourentius en de luite„ „nants Bosscher en Buissine, bezig„ „tigd zijn. volgens het rapport van deze „commissie, waaren dezelve wel bepha„ „digd en niet voor goede touwen ver„ „strekbaar, echter niet zoo slegt, om te eenemaal afgekeurd teworden. wijl de Gaalsche bedienden dit rapport niet voldoende oordeelden, hebben ze bij hunne resolutie van den 29. ' November 1790 waar van extract dezen verzeld, be„ „slooten, gem: touwen nader door des kundigen te laaten bezigtigen; dog deze nadere bezigtiging is eerst in de maend Januarij Januarij dezes Jaars geschied, door Capitains ter Zee Louridsz: en Tjerk die bij hun rapport hebben opgegeeven dat deze touwen tot niets anders kon gebruikt worden, dan het eene van 12. tot 't pluisen van werk, tot 't kal„ „vaten van scheepen en vaartuigen, en het andere van 16. d=m tot 't maak van opgeslagen troswerk, lijnen of diergelijk ligt touwerk: waar toe ook de Gaalsche bedienden, bij hunn resolutie van den 18:' Januarij Jzeeder die in Copia onder de Bijlaegen ov „gaat, beslooten hebben dezelven te laeten emploijeeren. § 436: Op onze gedaane vraag, waarom het besluit tot de nadere bezigtiging niet eerder was g'executeerd, wijl deze touwen in den verloop van den tusschen tijd van ruim een Jaar natuurlijk slegter - 556 slegter moesten worden, dan ze geweest zijn bij de eerste bezigtiging, hebben de Gaalsche bedienden bij hunnen brief van den 27. ' Maart J:o Lleeden, die meede in Extract dezen verzeld, geantwoord, dat deze nadere bezigtiging, door andere voorgevallene veele verrigtingen ten agteren gebleeven en niet ter uit„ „voer gebragt was. §437. Nopens de 8. dreggen, die de Equipagie„ meester Abo, onder een getal van 14. stux heeft meerder verantwoord; zegt de Equipagiemeester Aams bij zijn voorschreeve berigt, geene aanwijzing te kunnen doen of ze bequaam zijn of niet, om dat hij bij den overneem van de administratie, 23. onbequaeme dreggen had overgenoomen, en dus niet wist of deze meerdere overgave van 8. stuks, was geschied op de be„ „quaam „quaam of op de onbequame daegge dog bij de van Gale ontvangene Con faontatie van de administratie van Abo blijkt, dat hij meerder overge„ „geeven heeft 6. onbequaeme en 8. begu „me dreggen, als hebbende Abo, in stee van 34. bequame dreggen, die hij vol„ „gens de boeken per restant moest hebben, overgegeven 42. bequame dri „gen. §438. We neemen de vrijheid aan uwer Hoor Edelh: g'eerd goedvinden nedrigst te defereeren, de bepaaling in hoe vera alle de bij voorsz: twee Notitien vermelde meerder verandwoorde goederen, het zij door rescontreering of anderzints, aan Abo mogen gevalideerd worden, wijl gelijk reeds gezegd, een groot gedeelte daer van werkelijk in 'sComp:s dienst g'emploijeerd 557 g'emploijeerd, en de rest, excepto de twee swaare touwen, tot sComp:s dienst bruijkbaar bevonden zijn. §439. Nog hebben we de eere uwen Hoog Edelh: onder de Bijlagen aantebieden, eene me„ „morie ten voordeele van meerm: Abo groot ƒ3073:12. 8. , weegens dieversche verstrekkingen aan de scheepen, die door uwe Hoog Edelh: hem successive ter vergoeding opgelegd zijn dog waer van hoogst dezelven de goedheid ge„ „had hebben hem weder te ontheffen, volgens een aan ons toegezonden Ex= „trakt uit de Notulen van 't gere„ „solveerde in Raede van Jndia op den 12.:' aug: 1791. § 440. Ten vervolge van 't geen we, op de bij uwer Hoog Edelheeden zeer g'eerde Missive van den 1 ' November pass=o gevorderde verantwoording, wegens de ver- verstrekkingen aan de scheepen bod het geene te Batavia geschied, bij onzen eerbiedigen van den 27. Januar„ Jzeeden § 117. hebben aangemerkt, na men we de vrijheid. uwen Hoog Edel hiernevens nog aantebieden, een addr van den kolomboschen Equipagiem Andringa, waar bij hij betuigd, dat de verstrekkingen tot 't maaken van zeilen voor de scheepen, alh steeds gedaan zijn volgens de bepa „ling bij 't reglement van 't Jaer 177 en dat daarom ook deze zeilen „tijd grooter zijn geweest; dog dat de meerdere afschrijving van the voor de leijken, daar uit voortspac om dat telkens niet meer leij ka gestooft zijn, dan nodig waaren tot 't maaken van de zeilen, maar da zoo het hem vergund word, een gro „ter
English
a greater quantity of bolt-ropes, lines, and sail yarn together and in stock to be steeped, he would then be able to manage with just as much tar as is expended for that purpose in Batavia. Section 441. Having received from the chief of Batikaloa Burnant the report requested by Your High Mightinesses' esteemed missive of 23 August last, regarding the two newly established posts in the Batikaloa region, we take the liberty of submitting herewith a copy thereof to Your High Mightinesses, in the humble confidence that Your High Mightinesses will not only find therein the utility and necessity of the aforesaid two posts sufficiently demonstrated, but also that the revenues will amply outweigh the expenses incurred for them. We shall nevertheless make such reductions to the stipulated expenses as are indicated to be possible by Chief Burnant in the enclosure to his aforesaid report. Section 442. For the general collection of the collateral duty, the respective receivers of the Company's domains in this government have been appointed, and for the specific collection thereof, we have appointed, as far as Kolombo is concerned, the secretary of justice to do so inside the Castle and in the city, and the secretary of the Landraad to do so outside the city, within and outside the gravets; the appointment of the collectors at the subordinate stations we have deferred to the officials at each place. Section 443. For the receipt of the fiftieth penny, the members van Angelbeek and Reintous, together with the junior merchants Johnson and Papo, have been commissioned for Kolombo, and the appointment of commissioners for the subordinate stations we have left to the officials there. These commissioners shall serve on Wednesdays and Saturdays, from eight to twelve o'clock in the morning, in four terms, of which the first shall begin on the first of September of this year, and the last shall end with the ultimate of July 1793. Section 444. For the levying of the office tax, the aforesaid members van Angelbeek and Reintous have been commissioned at Kolombo, and the appointment of commissioners for the subordinate stations we have deferred to the officials at each place. These commissioners shall serve for that purpose every week on Mondays from 8 to 12 o'clock in the morning, beginning with the ultimate of August 1793. Section 445. We have somewhat altered the received proclamations concerning the aforesaid contributions, in accordance with local circumstances: and as some time has elapsed because of this and the printing of these placards, the secretary of justice has addressed himself to us and requested to be instructed whether the collection of the collateral duty must begin from the day that Your High Mightinesses' placard was received here, which was the 2nd of January last, or rather from the day of publication here; upon which we have ordered him, provisionally and until we shall have received Your High Mightinesses' pleasure thereon, to demand from the estates that have fallen in the meantime only declarations and appraisals of that on which the collateral duty must be paid, and to keep a record thereof, in order to be able to collect the collateral duty in due course thereafter, if necessary. Section 446. The ship the Indus arrived here from Koetsiem on 24 April last, with a cargo of 136 lasts of rice, 79 lasts of paddy, 4270 cans of lamp oil, and 297 lb of raw wax; but as it was not safe in the roadstead here owing to the turn of the monsoon, we had it proceed that same day to Gale, where it arrived on the 9th instant, having been driven off to Tutukorijn by adverse winds. Section 447. We have ordered the officials at Gale to have the Koetsiem cargo of that vessel unloaded quickly, and subsequently to have shipped on board the coir and ropes that still remain to be supplied on the Batavia requisition, together with the private linens on hand. Section 448. We have also, at the request of the Koetsiem ministers, written to the officials to have this ship provided with the usual ration of bacon, meat, butter, and olive oil, for 82 heads, for four months; and we have placed thereon a tindal and 15 ordinary Moorish sailors who were still at Gale. Section 449. With the said vessel there travels thither the eastern soldier Bapa Tamboer, to whom we have granted his discharge on account of his advanced age, and the Gale officials will have the honor of informing Your High Mightinesses until what date he enjoyed his salary there. Section 450. Also crossing on board is the former king of Koepang, Karel Bonie, with his family and servants, listed in more detail in the nominal roll enclosed among the annexes. Directly upon the receipt of Your High Mightinesses' esteemed missive of 27 November 1788, by which he was granted permission for his return journey to Batavia, he was notified to hold himself in readiness for that purpose; he has, however, continually protested that he could not do so without first paying off his debts incurred here, for which purpose he wished to borrow a sum of money from the Company. We initially refused to consent to this in the hope that he would be able to manage without it; but as nothing came of this, and the Company meanwhile remained burdened with the costs of his maintenance, we thought it best to have seven hundred rixdollars advanced to him as a loan, amounting to roughly what he would otherwise have enjoyed in maintenance for a year, the bond
Dutch transcription
5518 „ter quantiteit leijken, lijnen en zeil„ „gaaren te gelijk en in voorraad te moogen laaten stooven, hij dan het wel zoude kunnen stellen met even zoo veel theer als daar toe te Batavia word opgebragt. § 441. Door 't opperhoofd van Batikaloa Burnant aan ons bezorgd zijnde, het bij uwer Hoog Edelheeden zeer „g' eerde Missive van den 23. ' aug:o pass=o gevorderd berigt, nopens de twee nieu gelegde posten in 't Bati„ „kaloasch, neemen we de vrijheid een Copij daar van Uwen Hoog Edelh: hiernevens aantebieden, in nedrig vertrouwen dat hoogst dezelven, niet alleen daar bij de nuttigheid en noodzakelijkheid van de voorsz: twee posten voldoende betoogd zullen vinden, maar ook dat de inkomsten de de daar aan gedaane onkosten ru opweegen. we zullen niet temin de bepaalde onkosten zodanige ver„ „minderingen maaken, als door het opperhoofd Burnant bij de Bijle „ge van voorsz: zijn berigt worda „geweezen dat geschieden kan. § 442. Tot den Generaelen ontvangst van het kollateraal, zijn benoemd de respec „tive ontvangers van 's Comp:s Doma „nen in dit Gouvernement, en tot de bezondere invordering van 't zelv hebben we, voor zoo verre kolomb aangaat, benoemt den secretaris ver Justitie om dat binnen in 't Casteel in de stad, en den secretaris van de Landraad om 't buijten de stad, bi „nen en buiten de gravetten te doen; de benoeming van de in vorderaars de onderhoorige Cantooren, hebben we gedefereerd 589 gedefereerd aan de bedienden op elke plaats. § 443. Tot den ontvangst van den vijftigsten penning, zijn gecommitteerd de leeden van Angelbeek en Reintous, ne„ „vens de onderkooplieden Johnson en Papo voor Kolombo, en de benoeming van Commissarissen voor de onderhoo„ „rige kantooren, hebben we overgelaeten „aan de bedienden aldaar. Deeze Com„ missaaissen zullen fungeeren des woens„ „dags en zaturdags, van agt tot twaalf uure voor den middag, in vier termij„ „nen, waar van de eerste zal ingaan met den eersten september dezes Jaers, en de laatste eindigen met ult=o Julij 1793. §. 444. Tot 't heffen van het ampt geld, zijn gecommitteerd te kolombo de voorsz: Leeden van Angelbeek en Reintous, en en de benoeming van gecommitteerd voor de onderhoorige Cantooren, hebbe we gedefereerd aan de bedienden op plaats. Deze Commissarissen zullen daar toe alle weeken des Maandags agt tot 12. uur voor den middag, „ceeren beginnende met ult:o aug:os 1793 § 445. De ontvangene publicatien tot de voorsz: contributien hebben we eenigzints ver „anderd, overeenkomstig met de plaats „ke omstandigheeden: en wijl daar door en met 't drukken van deeze placaten eenigen tijd verloopen is, heeft de sekre „taris van de Justitie zig aan ons geadd „seert en verzogt te weezen geinstrueerd of de invordering van het collateraal moet beginnen met den dag dat hier on „fangen is uw Hoog Edelheden plakaat dat geweest is den 2. ' Januarij Jongstleede dan wel met den dag van de publikatie hier 560 hier, waar op we hem hebben gelast bij provisie en tot dat we daer op uw Hoog Edelheeden goetvinden zullen hebben ontfangen, van de boedels die in die tusschen tijd zijn gevallen alleen opgae„ „vens en taxatie te vorderen van het geen waar van het Collateraal moet worden betaeld, en daar van aanteekening te houden, ten einde de invordering van het Collateraal zoo het noodig is in der tijd daar na te kunnen doen §. 446. 'T schip de Jndus is den 24. April JLeeden van koetsiem alhier aangekomen, met eene laeding van 136. lasten rijst 79. lasten Nelij 4270. kann: lampolij en 297. lb: ruw wax, dog wijl het zelve hier ter rheede mits 't verloop van de mousson, niet veijlig was, hebben we 't ten zelven dage doen verstrekken na Gale, alwaar 't zelve den 9:' dezer gearriveerd is, als zijnde zijnde door teegenwinden vervallen ge „weest op Tutukorijn § 447: We hebben den bedienden te Gale gelast de koetsiemsche lading van dien bode spoedig te laaten lossen, en vervolgens daar in te doen afscheepen de kaijer en touwen die nog op den Bataviase Eijsch moeten worden voldaan, neven de aanhanden zijnde partikuliere lijwaaten §. 448. ook hebben we, op 't verzoek van de koelsiemsche Ministers, den bediend aangeschreeven aan dit schip te laaten verstrekken het gewoon randzoen van spek, vleesch, boter en olijven olij, voor 82. koppen, voor vier maanden; en hebben we daar op doen plaatzen een tandel en 15. gemeene moorsche zeevaarenden, d zich nog te Gale bevonden. § 449. Met gem: bodem gaat na derwaards tean de 561 de oostersche zoldaat Bapa Tam„ „boer aan wien we, wegens zijn ouderdom zijne demissie gegeeven hebben, en zullen de Gaalsche bedien„ „den de eere hebben aan uwe Hoog Edelheeden te bedeelen, tot hoe lange hij zijn tractement aldaar genoo„ „ten heeft. §450. Ook vaart daarmeede over de gew: koning van koepang Karel Bo„ „nie, met zijne familie en bedien„ „den, breeder vermeld bij de onder de Bijlaagen overgaande naamlijst direkt op den ontvang van uwer Hoog Edelheeden zeer g'eerde missi„ „ve van den 27.' November 1788. , waar bij hem verlof gegeeven is tot de terug rijze na Batavia, is hem aangezegd aangezegd zich daer toe vaardig te houden, doch heeft hij steeds be „tuigd dat niet te kunnen doen, zonder alvoorens zijne alhier ge„ maakte schulden te hebben afbe„ „taald waar toe hij eene somme gelds van de Comp: wilde geleent hebben. we hebben dit eerst niet willen bewilligen op hoop dat hij zich buijten dien zoude kunnen red: „den; dog wijl daar van niets kwam, en de Comp: intusschen met de kosten van zijn onderhoud belast bleef, heb„ „ben we best gedagt, aan hem zeven Honderd rijksd:s ter leen te laaten ver„ „strekken, uitmaakende na genoegh „geen hij anders, aan onderhoud voor een Jaar zoude genooten hebben de obligatie
English
The bond which he and his wife have granted to reimburse the aforesaid sum to the Company in Batavia is enclosed among the Annexes; moreover, he has enjoyed his usual salary here until the last day of this current month. Section 451. We have not yet received the findings regarding the delivered Cochin cargo of this vessel; wherefore we have qualified the servants at Gale to report thereon directly to Your High Nobilities. Section 452. In order to promote the sale of horses from the Jaffna stud farm, we have—because horses from abroad, particularly those from Atjeh, were imported here now and then—resolved to forbid for the time being the import of foreign horses into this island. Section 453. We take the liberty of sending herewith to Your High Nobilities a draft for a new regulation for Ceylon drawn up by the first undersigned Governor, concerning only the Civil Department at Colombo, with a comparison of the same against the Regulation of the year 1757, and against resolutions passed from time to time since then and approved by Your High Nobilities. Section 454. In this manner, we believe that the unavoidable expenses of this Department are very clearly indicated and can be judged most competently. Section 455. We shall proceed in the same manner with the native Department, the military Department, and the Marine department, and in the same manner we shall draw up the regulations for the subordinate stations, so that as soon as they have been approved by Your High Nobilities, they may be introduced everywhere. Section 456. Under the aforesaid draft, not only is a stuiver amount paid in cash to the heads of the offices for the allowances of the majority of the clerks—an arrangement which we shall cause to be introduced immediately both here and at the subordinate offices—but several other items, such as writing materials, are also thereby discharged in cash. Section 457. For the rest, we take the liberty of referring to the draft itself, and regarding the proposal appearing therein to have an annual distribution of 1500 rijksdaalders made to the schoolmasters, we merely observe further here that if the schoolmasters in the country are not better instructed and do not apply themselves more to the duties of their office than has generally happened hitherto, one can expect little fruit from the expenses which the Company incurs annually to propagate the Christian religion among the inhabitants; and that it will notably encourage those who conduct themselves dutifully to be distinguished in this manner from others who do less well. Section 458. We therefore hope that this our humble proposal, which has pretty much been found from the reduced burdens of the seminary, may be favorably approved by Your High Nobilities. Section 459. From of old, the eastern Companies here have run in the pay books, and for keeping these eastern pay books, according to a resolution of the 10th of November 1772, twenty rijksdaalders have been paid annually to the pay officials for each Company, which amounts to an expense item of 160 rijksdaalders per year for 8 Companies of the old eastern troops that currently still run in the pay books. But as the reasons one might have for keeping pay books of the European servants cannot apply to the eastern troops, and as neither the Sumanap Madurese who have been taken into service since the recent English war, nor the sepoys and Moors who were in service formerly and are currently still in service, have ever been known in the pay books, we take the liberty humbly to propose to Your High Nobilities to have the aforesaid 8 old eastern Companies written off from the pay books as well, and thus to abolish the keeping of pay books for native troops forever. Section 460. Since our entire stock of pepper was dispatched with the latest return ship, and we have nothing to expect from Cochin before the coming month of January, we take the liberty of presenting herewith to Your High Nobilities a requisition for two hundred thousand pounds of pepper, with the humble request that the same may be sent to us with the first shipping opportunity for use in the return consignment; we request all the more that this full quantity may be sent to us because there will probably be cargo for two ships. Section 461. The Persian merchant Bouwmandje Mandchergie, having been ordered by us to pay the sum of 10542. 3. – rupees into the Company's treasury in gold or silver specie—which sum, according to what was communicated in our respectful letter of the 20th of July last, he had undertaken to settle with the Company on account of the debt of his adoptive father, the late Broker Mandchergie Gorseedjen—has demonstrated to us by a petition, which is enclosed in copy among the Annexes, that he is unable to do so at present without suffering a very great loss of at least 50 percent if he the said sum
Dutch transcription
563 obligatie die hij en zijne vrouw ver„ „leend hebben, om de voorsz: somma te Batavia weder aan de Comp te restitueeren, gaat onder de Bijlae„ „gen over, en heeft hij alhier buijten des, zijn gewoon Tractement genooten tot ult:o deezer § 451. De bevinding van de uitgeleeverde koetsiemsche lading dezes bodems, heb„ „ben we nog niet ontvangen; weshal„ „ven we den bedienden te Gale gequa„ „lificeerd hebben, daar van direct aan uwe Hoog Edelheeden verslag te doen. § 452. Ter bevordering van den verkoop van Paar„ „den uit de Jaffenasche stoeterij, hebben we„ wijl hier nu en dan Paarden van buuiten slands, in zonderheid die van Atssien wierden ingevoerd, besloten den uitvolk uitvoer van buiten landsche Paarden op dit Eiland, voor den aanstaende te verbieden. §453. 18b gebruiken de vrijmoedigheid he nevens aan uw Hoog Edelheeden te zenden, een door den eerst onderg „teekende Gouverneur opgemaakte ontwerp tot een nieuw reglement op Ceilon, alleen zoo veel het Cie„ „viel Departement te kolombo aan „gaat, met een vergelijk van het zelv tegens het Reglement van het Jaer 1757. , ende zeedert, van tijd tot tijd genomene en bij uw Hoog Edel„ „heeden g'approbeerde Resolutien. §454. Op deeze wijze denken we dat de onvermijdelijke onkosten van dit Departement heel duidelijk worden aangeweezen 563 aangeweezen en bekwaamst kun„ „nen worden beoordeeld. § 455. We zullen op dezelfde wijze voort„ „gaan met het inlands Depar„ „tement, het militair Departement en het departement van de Maai„ „ne, en op dezelfde wijze zullen we de reglementen voor de bui„ „ten kantooren opmaeken, om zoo daa ze door uw Hoog Edelheeden zijn geapprobeerd, over al te wor„ „den ingevoerd. § 456. Bij het voorsz: ontwerp, word niet alleen voor de appointementen van het grootste gedeelte der pennisten aan aan de baazen van de kantoore een stuiver geld in kontant be„ „taald, welke schikking we zoo hier als op de onderhoorige kan tooren ten eersten zullen doen invoeren, maar worden ook do bij verscheijde andere dingen gelijk bij voorbeeld de schrijfge„ „reedschappen in kontant voldaan §. 457. We neemen de vrijheid ons voor het overige aan het ontwerp zelve te gedraagen, en merken over het daer bij voorkomend voorstel, om aan de schoolmeesters, Jaarlijks een uitdeeling. 5. 64 uitdeeling te laeten doen van 1500. rijksd:s hier nog alleen aan, dat wanneer de schoolmeesters in het Land niet beter onderweesen worden en zig meer op de pligten van hun ampt toeleggen dan tot hier toe over het algemeen geschied is, men wijnig vrugt verwagten kan van de ongel„ „den die de komp: Jaarlijks doet, om de Christelijke Gods- „dienst onder de ingezeetenen uit te brijden en dat het de geenen die die zig pligt maatig gedraa¬ „gen merkelijk aanmoedigen zal op deeze wijze teworden onderscheijden van andere die minder weldoen §458: We hoopen mids dien dat dit ons nedrig voorstel, dat na genoeg gevonden is uit de mindere Lasten van het seminarium, door uwe Hoog Edelheeden gun„ „stig mag worden goed ge„ „keuad: § 459. 565 5459. Van ouds af hebben de oostersche Compenien alhier bij de zoldij boeken voortgeloopen, en aan de zoldij bedienden is voor t houden van deeze oostersche zoldij boeken, volgens een besluit van den 10. ' November 1772. „ voor elke Comp: Jaarlijks twintig rijksd: betaald, het welk voor 8. Compenien die tans nog van de oude oostensche troupen bij de zoldij boeken loopen, een last post uitmaakt van 160. rd:s sJaars. Doch wijl de reedenen, die men mogte hebben om van de Europeesche Dienaaren zoldij boeken te houden, niet betreklijk kunnen zijn op de oostersche troupes, en wijl ook de sumanappers Madureeschen, die zedert den Jongsten Engelschen oorlog in dienst genoomen zijn, nog ook de sipais en mooren die zoo wel voor heenen in dienst gewaest geweest en tans nog in dienst zijn, i „mer bij de zoldij boeken bekend hebbe gestaan, neemen we de vrijheid uwen Hoog Edelh: nedrig voorte stellen, om ook de voorsz: 8. oude oostersche Comp: bij de zoldij boeken te laaten af schrijven, en dus het houden van zoldij boeken van inlandsche troupes. voor altoos afteschaffen. e § 460. Vermits onze geheele: voorraad van peepe met 't Jongste retourschip verzonden is, wij daar van voor de aanstaande maer Januarij, niets van koetsiem te verwagt hebben, zoo neemen we de vrijheid ur Hoog Edelheeden hiernevens aantebiedi„ een Eijsch van twee Honderd duijzend ponden peeper, met nedrig verzoek dat dezelve ons met de eerste scheeps geleegendheid mag worden toegezont tot gebruik voor de retour Bezending we 566 we verzoeken te meer dat ons deeze volle quantiteid mag worden gezonden, om dat er waarschijnlijk laading zal zijn voor twee scheepen. §461. De persiaansche koopman Bouwmandje Mandchergie door ons gelast zijnde, om 't bedraagen van ropias 10542. 3. –, het welk hij volgens het bedeelde bij onzen eerbiedigen van den 20. ' Julij pass=o, aan„ „genoomen heeft gehad, wegens de schuld van zijnen geadopteerden vader, den over„ leeden Makelaar Mandchergie Gor„ „seedjen, aan de Comp: te voldoen, in sComp:s Cas te tellen in goude of zilvere speetsien, heeft bij een request, het welk in Copia onder de Bijlagen overgaat, aan ons vertoond, zulks voort teegen „woordige niet te kunnen doen, zonder te leijden een zeer groot verlies van ten minsten 50: p:r C: wanneer hij gem: Lom
English
sum of rop:s 10542. 3, which he holds in credit letters, wished to exchange for gold or silver money; with the request that it be granted to him to count the aforementioned sum into the treasury in copper coin and credit letters, or if that cannot be granted, provisionally to accept this sum from him in copper coin or credit letters until he shall have the opportunity, either here or at souratta, to make this payment in silver money, and subsequently to receive back the money counted by him into the treasury here: and because the man is genuinely unable to furnish the aforementioned sum in gold or silver money without a loss of at least 50. pC=o, we have decided to accept the same provisionally from him in copper coin or credit letters, provided that he shall be obliged, if your High Excellencies should deem it proper, subsequently to provide gold or silver money to the Comp: in place thereof, which decision we hope that your High Excellencies will favorably approve. §. 462. On the occasion that our first clerk Fijbrands was at Gale to attend, as customary, to our letters and papers to your High Excellencies and to the Netherlands for the ships of the second shipment, Commander Sluijcken caused our general description to your High Excellencies to be demanded from him by a sworn clerk. § 463. Upon the answer of Fijbrands that he, not being instructed on this matter, requested the Commander to address himself to us regarding it, the Commander had a notarial protest recorded against him, which accompanies the annexes together with the letter written to us about it on 3 February. § 464. We subsequently received a further letter concerning this matter written on 2 March, which likewise accompanies the annexes, wherein the Commander reiterated his request for satisfaction, or else that the matter might be brought to the attention of your High Excellencies. § 465. In the aforementioned protest, the Commander states that the refusal of Fijbrands to give him our General description for perusal is contrary to the orders. We asked him for that order by letter of 7 March, as appears from the accompanying extract, and in reply thereto received the letter of 14 March, which accompanies this in original. § 466. The Commander states therein that he is not in a position to point out this order, but that he holds for certain that it would be found if we had it looked up among the incoming letters from your High Excellencies, and as if this already all too improper answer were not yet enough, he added somewhat lower down that if he had wished to make use of his authority at Gale, as he could well have done upon the refusal of Fijbrands, especially since Fijbrands declared that he had no order to refuse, he would then indeed have obtained the perusal of the said letter. § 467. According to a resolution taken by us by a majority of votes, the Commander Sluijsken, in consideration of the fact that he who appeals to an order must be able to point it out or at least be able to state more or less the time when it was established or the occasion upon which it was given, was further granted a term of 14 days by a letter of 3 April, which also accompanies the annexes, to still provide proof of the aforementioned order cited by him. § 468. By the same letter, we requested from him a clear and satisfactory explanation of how we were to understand his statement in the aforementioned letter, that if he had immediately wished to make use of his authority at that place, he, the Commander, would certainly have obtained the perusal of our General letter. § 469. Likewise, as a matter of precaution, we decided to have it checked here at the secretariat whether there was truly such an order as that to which Commander Sluijtken appeals, namely that the Commander of Gale should have the right to peruse our letters that are brought unsealed to Gale; however, no such order was found here. § 470. Commander Sluijsken, in the Gale letter of 6 April last, which also accompanies this in copy, reiterated the declaration of being unable to point out the order cited by him, and further requested that if this order could not be found here either, and we doubted the reality thereof, your High Excellencies might then be conferred with concerning it. § 471. Regarding his statement that if he had wished to make use of his authority he would indeed have obtained perusal of our refused letter, he states in this letter to be of the opinion that after Fijbrands had declared that he would not give him the perusal of the Comp:s letter, with the statement that he had no order to refuse it; he, the Commander, who at Gale represents in the first place the supreme authority and the Government from which Fijbrands had been sent, and since Fijbrands declared that he had no order, could have ordered Fijbrands to hand over the said Comp:s letter to him, which Fijbrands certainly ought to have obeyed, or he would have exposed himself to disobedience and the consequences thereof. § 472. It may well be that our first clerks, out of politeness and when the Commanders at Gale requested it of them in a friendly manner, have now and then given our general description to them for reading. § 473. But apart from the fact that such an order as that to which Commander Sluijsken appeals has been sought in vain, we can also scarcely imagine that an order ever existed that would authorize the Commanders of Gale to demand for perusal our letters to the Gentlemen Majors or to your High Excellencies, which we entrust to one of our officials to be taken along to Gale, in order to be sealed and dispatched after the entries have been made. § 474.
Dutch transcription
som van rop:s 10542. 3, die hij aan Credit brieven bezit, wilde verwisselen tot goud of zilver geld; met verzoek hem tewil accordeeren, voorm somma in kopere munt en Credit brieven in kas te moogen tellen, of zoo dat niet kan worden ingewilligd, deze somma bi provisie in kopere munt of kredit brieven van hem te willen accepteeren tot dat hij geleegendheid zal hebben het zij hier, het zij te souratta, deze betaaling te doen in zilver geld, en ver„ „volgens het door hem hier in kas getel„ „de geld terug te ontvangen: en wijl de Man weezendlijk buijten staat is voorm: somma zonder een verlies van ten minsten 50. pC=o, in goud of zilver geld te fourneeren, hebben we beslooten dezelve bij provisie, in kopere munt of Credit brieven van hem te accepteere„ mits 567 mits dat hij verpligt zal zijn, om zoo uwe Hoog Edelh:s dat mogten goedvinden, daar voor naderhand goud of zilver geld aan de Comp: te bezorgen, welk besluit we hoopen dat uw Hoog Edelheeden gunstig zullen goedkeuren. §. 462. Ter geleegentheid dat onze eerste klerk Fijbrands te Gale was om naar gewoon„ „te onze brieven en papieren aan uw Hoog Edelheden en na Nederland voor de scheepen van de tweede bezending, te be„ „zorgen, deed de kommandeur sluijcken hem door een gezwoore klerk afeisschen onze generaale beschrewving aan uw Hoog Edelheden. §463. Op het antwoord van Fijbrands dat Wij op dit stuk niet geinstrueerd zijnde, de kommandeur zig derwegens aan ons wilde addresseeren, liet de kommandeur een Notarieel protest teegens hem aantee„ „kenen „kenen, dat met de brief den 3:' februari daarover aan ons geschreeven onder de b „laagen overgaat. § 464. We ontfingen over dit geval vervolgens n een nadere brief geschreeven den 2. Maart die insgelijks onder de bijlaegen ove „gaat, waar bij de kommandeur herh „de zijn verzoek om satisfaktie, of anders dat de zaak mogte worden gebragt onder het oog van uw Hoog Edelheden. §465. Bij het voorsz: protest zegt de kom „mandeua, dat de wijgering van Fij„ brands om aan hem onze Generaale beschrijving ter lektuur te geeven, is strijdig met de orders. we vroege hem die ordre bij brief van den 7' Maart, blijkens het overgaende Ex„ „trakt, en ontfingen daer op in ant„ „woord de brief van den 14: ' Maart die 9 568 die in origineel hier nevens gaet. § 466. De kommandeur zegt daer bij dat Wij niet is in de gelegentheid om deze ordre aantewijzen, dog dat wij zig zeeker houd dat ze zoude worden gevonden, indien weze deeden opzoeken bij de aankomende brieven van uw Hoog Edelheden en of dit reeds niet alte gepast antwoord nog niet genoeg was voegd hij er wat laagen bij, dat als wij zig van zijn gezag te Gale hadde willen bedienen, gelijk hij op de wijgering van Fijbrands doen, voor al wijl wel hadde kunnen Fijbrands betuigde geen ordre tot de wijgering te hebben, wij dan de lek„ turia van gem: brief wel zoude ge„ „kreegen hebben. 5467. Volgens een besluit door ons bij meerder„ „heid van stemmen genoomen is den kom„ „mandeur sluijsken uit aanmerking, dat die die zich op een order beroept dezelv moet kunnen aanwijzen of ten minste kunnen opgeeven min of meer den tijd wanneer ze is gesteld, dan wel de gelee „gendheid waar bij ze is gegeeven bij e brief van den 3. April die ook onder de bi „laagen overgaat, naader gesteld een ter „mein van 14. dagen, om als nog aan „zing te doen van de voorsz: door het geciteerde order §468. Bij den zelfden brief hebben we van he een duidelijke en voldoende explicatie gevraagd, hoe wij verstaan moeste zijn gezegde bij voorsz: brief, dat . indien hij zich van zijn gezag da ter plaatse dadelijk had willen bedienen, hij Commandeur dan zeeker de lectura van onze Ge neraale brief wel zoude gekree „gen hebben. § 469. 56 §469. Insgelijks hebben we ten overvloede be„ „slooten alhier ter secretarij te laaten nagaan, of er werkelijk zodanig eene order was, als waar op de Com„ mandeur sluijtken zich beroept, dat namelijk de Commandeur van Gale het regt zoude hebben, van onze brie„ „ven die ongecachitteerd te Gale worden gebragt, lectura te neemen; dog dier„ „gelijk een order is hier niet gevonden §. 470. De Commandeur sluijsken heeft bij Gaalsche brief van den 6: April Hleede„ die nog in kopij hiernevens gaat her„ „haald de betuijging, van niet in staat te weezen de door hem geciteerde order aantewijzen, en nader verzogt, dat zoo ook deeze order hier niet mogte te vinden zijn, en wij aan de weezend lijkheid derzelve twijffelden als dan uwe Hoog Edelh: daar over mogten onderhouden onderhouden worden. § 471. Nopens, zijn gezegde, dat indien hij zich van zijn gezag hadde willen bedienen bij dan wel lectura van onzen gewei „gerden brief zoude gekreegen hebben zegt hij bij deezen brief van be„ „gaip te zijn, dat na dat bijbrands verklaard had, hem de lectura van sComp:s brief niet te zullen geeven, m verklaaring dat hij geen order had„ die te wijgeren; hij Commandeur, die te Gale in de eerste plaats het opper „gezag en de Regeering representeerd, waar van hij fijbrands gezonden was, en daar van betuigde geen orde te hebben, hem fijbrands had kunnen ordonneeren, om hem de gem sComp: brief overtegeeven, het welk Fijbrand zeekerlijk gehoorzamen moest, of zig aan disobedientie en de gevolgen van de zoude 570 zoude geexponneerd hebben. § 472. Het kan wel zijn, dat onze eersten klerken beleefdsheids halven, en wanneer de kom„ mandeurs te Gale hun dat op één vrien„ „delijke wijze hebben verzogt, nu en dan aan dezelve onze generaale beschrijving ter leezing gegeeven hebben. § 473. Dog behalven dat er te vergeefs gezogt is, na zulk een order als waar op den kom„ „mandeur sluijsken zig beroept, kunnen wij ons ook naauwelijks verbeelden, dat er ooit een order zoude hebben bestaen die de kommandeurs van Gale zoude autoriseeren om ter liktura op te eisschen. onze brieven aan de Heeren Majooes of aan uwe Hoog Edelh:, die wij aan een van onze bampten toevertrouwen, om na Gale te worden meede genoomen, ten einde naar gedaane invullingen, te worden gecachetteerd en voortgeschikt. § 474.
English
Section 474: It is also solely to comply with the repeated insistence of Commander Sluijsken that we have decided to bring before Your High Nobilities his aforesaid pretension that we allegedly were entitled to demand the aforementioned letters of ours, as well as his complaints regarding this matter made against Fubrands. Section 475. At the same time, we have resolved earnestly to recommend to the Galle servants that henceforth in their letters they carefully guard against all offensive and disrespectful remarks and expressions, and furthermore to warn the Members of the Council of Galle that we will hold the signatories of such letters accountable on that account, unless it should appear that they had their objection recorded against it. Section 476. The first undersigned Governor has, concerning this matter, in particular concerning what we have cited above from the Commander's letter of 14 March last, namely what we allegedly could have done according to him had he wished to use his authority, provided his opinion in writing, which is forwarded among the appendices; and the Senior Merchant van Angelbeek has requested to be excused from casting his vote in this matter. Section 477. As Commander Sluijsken, notwithstanding our repeated recommendations, had not yet delivered the report concerning the commission entrusted to him regarding the district of Diewetoere, and perhaps no further opportunity will present itself this year to deliver the same to Your High Nobilities, we pointed out to him by letter of the 12th of this month, an extract of which accompanies this, that to comply with Your High Nobilities' order concerning this district, given by letter of 30 September 1790, at least no measurements whatsoever are necessary as far as the following points are concerned, namely: 1. Whether the contractor has fulfilled his engagement mentioned in our humble letter to Your High Nobilities of 31 January 1785. 2. How far the work has advanced or been completed, or what is still lacking therein. 3. How and wherefore the expenses already incurred have been spent, disbursed, and accounted for. And we have therefore recommended to him that, even if he should still consider himself unable to answer the last or fourth question appearing in Your High Nobilities' aforesaid esteemed missive, according to what he says he believes to be Your High Nobilities' intention, he at least send his report concerning the aforesaid first three questions to Your High Nobilities with the ship de Indus. However, Commander Sluijsken replied by letter of the 18th of this month that he is as yet unable to comply with this, as appears from the extract from the said letter, which is forwarded among the appendices. Section 478. Concerning the accusation by Commander Sluijsken appearing in his letter of 27 November 1791, mentioned in our respectful secret letter of 27 January last, Section 194, against the Maha Mudaliyar of the Governor's Gate, the latter presented the petition that is forwarded among the appendices, and the requests he makes therein we have granted to him. Section 479. The Ministers of Souratta have sent back here with the ship Zuiderburg 411 3/4 lb of red minium, with a notice that the same could not be sold there for the charged price. This minium was sent here from Batavia in the year 1788 with the ship Hinloopen for transshipment to Souratta. Because minium is a commodity that must be disposed of on this side of the Indies, we thought it best to retain it here until Your High Nobilities' further orders, in case there should sometimes be an opportunity to dispose of it, even if it were at purchase cost, should it not fetch more. Section 480. In order to encourage foreign weavers to come and settle in Ceylon, it will certainly contribute much if they see that the weavers who are in Ceylon are treated with kindness. For this reason, and in order to be better able to consider what could be done in favor of these people, we have requested from Jaffanapatnam and Mannaar: 1. How many weavers there presently are in the Jaffanapatnam and Mannaar districts, none excepted. 2. What sorts of linens are manufactured there, indicating their length and width, and of how many cales or feet they are. 3. What the ordinary first-hand prices of these currently are. 4. How much of each sort is manufactured annually, according to an accurate calculation. 5. What could be done to encourage these weaveries, and if there should presently be any obstacles that impede the progress and expansion of this work, what could and should be done to remove them and thereby place the weavers in such a state that they can practice their trade freely and entirely unhindered. 6. Whether it might be useful to enter into a contract with these people for the annual supply of a quantity of linens to the Company, provided that a portion of the amount thereof were advanced to them, in order thereby to relieve them of the necessity of borrowing money at high interest on delivery to private individuals. Section 481. The former Trade Bookkeeper of Jaffanapatnam, Louis Maartensz, to whom Your High Nobilities denied the retention of his salary by missive of 27 June 1791, has since requested us to favor him with a pension from the day his salary was written off, in consideration of his long-standing, arduous service which he performed and through which he lost his sight.
Dutch transcription
§ 474: Ook is het alleen om te voldoen aan de herhaalde instantie van den komma „deur sluijsken dat we, beslooten hebben onder het oog van uw Hoog Edelheden te brengen voorsz: zijn pretensie dat Wij zoude geregtigd zijn tot het opeis„ „schen van evengem: onze brieven e zijn klagten over dit geval tegens Fu „brands gedaan 5475. Hier bij hebben we ter zelvertijd besloot de Gaalsche bedienden ernstig te recoi „mandeeren, zich voortaan bij hunne brieven zoogvuldig te wagten, voor al aanstootelijke en oneerbiedige aanm „kingen en uitdrukkingen, en daar bij de Leden van den Gaalschen Raad te waarschouwen, dat we de teekenaa van diergelijke brieven derweegens aanspreekelijk zullen houden, ten zi het blijke, dat ze daar teegen hun bezwaar 57 571 bezwaar hebben doen aanteekenen. § 476 De eerst ondergeteekende Gouverneur heeft noopens deeze zaak, in zonder„ „heid noopens het geene we hier boven uit skommandeurs brief van den 14:' Maart VLeeden hebben aangehaald, wat Wij namentlijk naar zijn zeggen zoude hebben kunnen doen zoo hij zijn gezag hadde willen gebruiken, zijn advies „schriftelijk gegeeven, dat onder de bijlaagen overgaat, en de opperkoopman van Angelbeek heeft verzogt, om van het geeven van zijn stem in deezzen te weezen g'excuseerd. §. 477. Jerwijl de Commandeur sluijsken nietegenstaande onze herhaalde aanbevelingen het rapport, wegens de aan hem opgedraagene Commissie omtrent 't Landschap Diewetoere, nog niet had bezaagd, en zig in dit Jaer Jaar misschien geen nader geleegen„ „heid zal opdoen, om 't zelve aan uw Hoog Edelh: te kunnen bezorgen, hebben we hem bij brieve van den 12:' deeze waar van extract deezen verzeld, voorgehouden, dat 'er om te voldoen aan uw Hoog Edelheden ordre nopen dit landschap gegeeven bij brief van de 30:' 7ber: 1790. ten minsten geene meeten „gen hoe genaamt noodige zijn, zoo veel aangaat de volgende pointen, te„ weeten: 1. of door den aanneemen aan zijne vo bintenis aangehaalt bij onzen nedrige brief aan uw Hoog Edelheden van den 31. Januarij 1785. voldaan is geworden 2. tot hoe verre het werk geavanceert op geabsolveerd is, dan wel wat daar aan nog mankeerd 3. Hoe en waar toe de reeds g' impende „de 572 „de ongelden besteed, uitgegeeven en verantwoord zijn. En we hebben hem mids dien gerekom„ „mandeerd om zoo hij zig ook tot nog toe niet mogte agten te zijn in staat, de laatste of vierde vrage voorkoomende bij voorsz: uw Hoog Edelheeden zeer g'eerde missive te beantwoorden, volgens het geene hij „zegt te vermeenen de intentie van uwe Hoog Edelh te zijn, ten minsten zijn berigt nopens de voorsz: drie eerste vragen, aan uwe Hoog Edelh: te zenden met 't schip de Jndus: dog heeft de Commandeur sluijsken bij brieve, van den 18. ' dezer geantwoord, daar aan voor als nog niet te kunnen voldoen, blijkens 't Extrakt uit gem: brief, het welk onder de Bijlagen over„ „gaat. 5: 478. § 478. Over de beschuldiging van den komman deur sluijsken die voorkomen bij zyn brief van den 27. ' November 1791. verme bij onzen eerbiedigen sekreeten brief van den 27. Januarij Jongstleden § 194: tegen„ den Maha Modliaar van 's Gouverneur porta, is door dezen gepresenteerd het re „quest dat onder de Bijlagen overgaa„ en de verzoeken die hij daar bij doet hebb we aan hem geakkordeert. §479. De Ministers van souratta hebben met ½ schip Zuiderburg herwaards terug gezonden 411¾. lb: roode menij, met aanschrijvens dat dezelve aldaar voo de aangereekende prijs niet konde wo „den verkogt. Deeze menij is in het Jaar 1788 met 't schip Hinloopen van Batavia herwaards gezonden ter verzending na souratta. wijl de menie eene whaere is die aan deeze kant 573 kant van Jndien moet worden gedemanu„ „eerd, hebben we best gedagt om ze hier tot uw Hoog Edelh: nadere ordre aan te houden, of er zomtijds geleegentheid zijn zoude om ze van de hand tezetten, al was het ook teegens het inkoops kostende, zoo ze niet meer gelden kan §480. Het zal ter aanmoediging van buijten„ landsche weevers om zich op Ceilon tekomen nederzetten, zeekerlijk veel contribueeren, dat ze zien dat de weevers, die zich op Ceilon bevinden, met goed„ „heid behandeld worden. Hierom en ten einde te beeter in overweeging te kunnen neemen wat men ter gunste van deeze Menschen zoude kunnen doen; hebben we van Jaffenapatnam en Mannaar ge vraagd: 1. Hoe veel weevers er tans in 't Jaffena„ „patnamsche en Mannaarsche zijn, geene uitgezonderd uitgezonderd. 2. Wat zoorten van lijwaten aldaar word aangemaakt, met aantooning van der „zelver lengte en breedte, en van hoe ver kalen of voeten ze zijn. 3. Wat tans de gewoone prijzen daer van zijn uit de eerste hand. 4. Hoe veel na een auwe kalkulatie, van elk zoort Jaarlijks word aangemaak 5. Wat men zoude kunnen doen om deeze weverijen aantemoedigen, en zoo er tan eenige beletzelen mogten bestaan, die de den voortgang en uitbrijding van dit werk, hinderlijk zijn, wat men zoud kunnen en behoren tedoen, om die weg te neemen en de weevers daar door te stellen in dien staat, dat ze vrij en te eenemaal ongehinderd hun ambag„ doen kunnen. 6. of 't van dienst zoude kunnen zijn ee kontrakt 574 kontrakt met deeze luiden aantegaan, tot 't leveren Jaarlijks van een parthij lijwaaten aan de Comp:, mits hun een gedeelte van het bedraagen daar van voor uit wierde verstrekt, ten einde dezelve daer door te ontslaan van de noodzakelijkheid, om teegens hoogen intrest gelden op leverantie van partikulieren opteneemen. §481. De gew: Negotie overdrager van Jaffe„ napatnam Louis Maartensz:, aan wien uwe Hoog Edelh: bij Missive van den 27:' Junij 1791:, het behoud zij„ „ner gagie hebben ontzegd, heeft ons zedert verzogt, hem, van den dag af dat zijne gagie was afgeschreeven, te willen begunstigen met de rustga„ „gie, uit aanmerking van zijn lang„ „jaarigen swaaren dienst, dien hij bekleed, en waar door hij zijn gezigt verlooren
English
has lost: but because he is a Native, and the regulations allocate the pension only to Europeans, we have not been able to grant his request, however highly equitable it appears to us, and we therefore take the liberty of presenting his petition herewith for Your High Excellencies' disposition. §. 902. To fill the vacant officer posts in the garrisons, and to provide the newly arrived eastern companies with commanders, we have, subject to Your High Excellencies' favorable approval, promoted to ensigns the cadet Johan Carel Christiaan von Drieberg, and the sergeants Christiaan Heijden, Johannes Vogel, Nathanael Langwald, and Bernardus van der Gicht. We humbly request Your High Excellencies that this promotion may be honored with Your High Excellencies' favorable approbation, and to that end we present herewith their submitted petitions. § 483. Upon the request made to us by the senior merchant and Dissave of the Colombo environs, Dieterich Thomas Fretz, who is a zealous, faithful, and capable servant having all the qualifications for a high post, we take the liberty to send to Your High Excellencies his accompanying petition to Your High Excellencies, whereby he solicits that, in the event of a vacancy, he may be favored with the Command of the Malabar, or the Directorate of Souratta, or with any other advancement and governance to the west of India. § 484. The Tomogon Panje Diningaat, who has returned thither on the ship the Gouverneur Generaal Maatzuijker, has requested of us by a petition, of which a copy accompanies this, that while one of his daughters is married to the Pangerang Boeminatang and remains behind here, the said Boeminatang might be provided monthly with 10. rds. and 8 parras of rice, to be reimbursed by him, the petitioner, at Batavia to the Company; but because we do not know whether the said Tomogon will be in a position to make the offered restitution, we have resolved provisionally to allow the aforesaid provision to be made for only one year, and we humbly request Your High Excellencies to deign to instruct us by order whether it may be further continued therewith. We commend Your High Excellencies and the interests of the Company to God's safe keeping and remain with all respect and fidelity, underwritten, High Noble, Greatly Esteemed, Widely Ruling Lord, and Right Noble, Stern Sirs, Your High Excellencies' humble and very obedient servants, was signed, W: I: van de Graaff, M: P: Raket, D: C: von Driberg, D: T: Fretz, C: van Angelbeek, J: Reintous, and B: L: van Zitter; in the margin: Colombo, the 24th of May 1792. Lower: P. S. Upon the request of the previously mentioned former King of Koepang, and upon his declaration that owing to the shortness of time, and that he must make the journey from here to Gale overland, he had not been able to provide himself with the necessary provisions, we have written to the servants at Gale to let him and his retinue be supplied with the necessary rations for the journey, and to have an account thereof handed to him, in order to pay the amount thereof to the Company upon his arrival at Batavia, as we have also made known to him here. Addressed as above. § 485. We have the honor to present herewith to Your High Excellencies the duplicate of our respectful letter of the 24th of May last, of which the original was dispatched with the ship the Indus, which departed from Gale thither on the 31st thereafter. § 486. Pursuant to what was communicated in our humble letter of the 9th of April last, the ship the Meeuwtje departed on the 21st thereafter for Trinkonomaale, in order subsequently to bring hither a second cargo of paddy from Batikaloa; but having since resolved to let this ship depart directly from Trinconomaale for Batavia to convey our secret advices, we have the honor to let this serve as an accompaniment to the same. § 487. The provisions made to this vessel for the voyage to the Netherlands have been withdrawn again, and on the contrary, at the request of Captain de Boer commanding thereon at Gale, such equipage and other goods have been supplied to the same as appears from the servants' resolutions of the 11th and 21st of February last, extracts of which accompany this. § 488. The finding regarding the Batikaloa paddy cargo delivered here has been inserted in our resolution of the 5th of this month, an extract of which goes herewith; on this paddy a shortage was found here of 1050. paaras, or around 6¼. per cent, of which, due to a discovered difference between the Batikaloa and Colombo parras, the latter being found larger, we have validated to the authorities 183 7/128. parras. § 489. The remaining shortage of 866. 17/20. parras, amounting to fully 5 1/8. per cent, we have, upon the demonstration by Captain de Boer that during the loading of the paddy at Batikaloa much was spilled into the sea because a very high sea was running and the vessels that brought the paddy alongside could not keep to the side of the ship; and because the Chief of Batikaloa has also communicated to us, in his letter of the 16th of March, that the shipping of this paddy could not have taken place without difficulty and loss, allowed to be written off, subject to Your High Excellencies' honored approval, and have caused the cost of that which this shortage amounts to above the 3. per cent to be charged to the lot delivered here. An extract of the aforesaid Batikaloa letter, and a copy of the petition of Captain de Boer, we present herewith to Your High Excellencies for Your very honored examination. § 490. Regarding the finding on the cargo delivered at Trinconomale, the servants
Dutch transcription
verlooren heeft: dan wijl hij een Jnlan „der is, en 't reglement de rustgagie alleen aan Europeeschen toelegt, „ben we in zijn verzoek hoe zeer het ons ten hoogsten billijk voorkomt niet kunnen bewilligen, en neemen derhalven de vrijheid, zijn request uwen Hoog Edelheeden hiernevens ter dispositie aantebieden. §. 902. Tot vervulling van de ontbreekende officiers plaatsen in de guarni zoe„ „nen, en om de nieu aangekomene oostersche Compenien van Comman„ „danten te voorzien, hebben we op uwer Hoog Edelheeden gunstige af „batie, tot vaandrigs bevorderd de Cadet Johan Carel Christiaan von Drieberg, en de Zergeants Christia Heijden, Johannes vogel, Natha= „nael Langwald en Bernardus van 575 van der Gicht. Wij verzoeken uwe Hoog Edelh: nedrig, dat deeze bevorde„ „ring met uwer Hoog Edelh: gunstige approbatie vereerd mag worden, en bieden ten dien einde hunne ingediende requesten hiernevens aan. §483. Op het verzoek aan ons gedaan door den opperkoopman en Dessave der kolombo„ „sche ommelanden Dieterich Thomas Fretz, welke is een ijverig getrouw en kundig dienaer, die alle de geschikthee„ „den heeft tot een hoogen post, neemen we de vrijmoedigheid aan uw Hoog Edelheeden te zenden zijn hiernevens gaande rekwest aan uw Hoog Edelheeden waar bij hij solliciteerd, bij vacatura te mogen worden begunstigd met het Commandement van de Mallabaar, ofte de Directie van Souratta, dan wel met eenig ander avancement en bestier om om de west van Jndia. §484. De Tomnmogon Panje Diningaat, die m 't schip de Gouverneur Generaal Maatzuijker na derwaards terug ge „keerd is, heeft ons bij een request, wa van Copij dezen verzeld, verzogt de terwijl een van zijne dogters met de Pangerang Boeminatang getrouw is, en hier terug blijft, aan gem: Bo „minatang maandelijks 10. rd:s en 8 parras rijst mogten verstrekt worden, om door hem supp=t te Ba „tavia aan de Comp: gerestitueerd teworden dan wijl we niet weeten of gem: Tomogon in de geleegend„ „heid zal zijn, tot 't doen van de aa „geboodene restitutie, hebben we be„ „slooten de voorsz: verstrekking bij provisie alleen voor een Jaer te laaten doen, en verzoeken uwe Hoog 576 Hoog Edelheeden nedrig ons met or„ „der te willen minueeren, of daar meede verder zoude mogen worden geconti„ „nueerd. Wij beveelen uw Hoog Edelheeden en de belangens der maatschappij in Godes veilige hoede en blijven met alle Eer„ „bied en trouwe /:onderstond:/ Hoog Edele Groot Achtbaare wijd Gebiedende Heer, en wel Edele Gestrenge Heeren uwer Hoog Edelhedens onderdanige en zeer gehoorzaemen Dienaaren /:was geteekend:/ W: I: van de Graaff M: P: Raket, D: C: von Driberg, D: T: Fretz, C: van Angelbeek J: Reintous en B: L: van Zitter /:in margine:/ kolombo Den 24. ' Maij 1792. /:lager:/ P: S: op het verzoek van den hier vooren genoemden gew: koning van koepang en op zijne betuiging dat hij mids mits kortheijd des tijds, en dat hij rijse van hier na Gale moet doen over =land zig van de nodige provisien nist had kunnen voorzien, hebben we den bedienden te Gale aangeschreeven, aan hem en zijn gevolg telaaten verstrek „ken het nodig randzoen voor de rijze en daar van eene reekening aan hem telaeten terhand stellen, om bij zijne kom te Batavia, het bedraegen daar van aan de Comp: te voldoen, zoo als we ook hem dat hier hebben doen aankondigen Aan als vooren § 485. Wij hebben de eere uwen Hoog Edelheede hiernevens aantebieden, het duplicat van onzen eerbiedigen van den 24:' Ma Jzeeden, waar van het orgineel afg „zonden is met 't schip de Indus, het 677 het welk den 31. ' daar aan van Gale na derwaards vertrokken is. §486. Jngevolge het bedeelde bij onzen nedrigen van den 9. ' April HLeeden, is 't schip het Meeuwtje den 21. ' daar aan na Trinkonomaale vertrokken, om vervol„ „gens eene tweede lading nelij van Ba„ „tikaloa herwaards te brengen; doch zedert beslooten hebbende dit schip, ter „overbreng van onze secreete adviesen, direct van Trinconomaale na Bata„ „via te laaten vertrekken, hebben we de eere deezen ten geleijde van 't zelve te laaten dienen. §487. De gedaane verstrekkingen aan deezen bodem, voor de rijze na Nederland, zijn weder ingetrokken, en daar en teegen aen het zelve, op 't verzoek van den daer op Commandeerenden Capitain de Boer te Gale zodanige equipagie en andere goederen goederen verstrekt, als blijkt bij de bedienden resolutien van den 11. en 21. „bruarij Jleeden, waar van Extracten deezen verzellen. §488. De bevinding van de alhier uitgeleever Batikaloasche nelij lading, is g' ins reerd bij onze resolutie van den 5: deezer, die in extract hiernevens gaat op deeze nelij is alhier eene minder „heid bevonden van 1050. paaras, of an 6¼. prC=o, waar van we, wegens een dekte verschil tusschen de Batikaloa„ en kolombosche parras, welke laats grooter bevonden is, aan de overheeden gevalideerd hebben. 183 7/128. parras §489. De overige minderheid van 86. 17/20. pa „ras, bedraagende ruim 5 1/8. prC=o, hebbe we, op de vertooning van Capitain de Boer, dat bij 't inlaaden van de Nel te Batikaloa, veel in zee was gestod door 578 door dien er een zeer hooge zee liep en de vaartuigen, die de Nelij aan boord bragten, niet op de zeide van 't schip kon„ „den houden; en wijl ook het opperhoofd van Batikaloa, bij zijn brief van den 16. ' maart, ons bedeeld heeft, dat de afscheep van deeze Nelij, niet zonder moeite en verlies had„ „de kunnen geschieden, op uwer. Hoog Edelheeden g'eerde approbatie laaten afschrij„ „ven, en 't kostende van 't geen deeze minderheid, boven de 3. p=rC=to bedraagd, op de alhier uitgeleeverde parthij doen bezwaaren. Een extract van voorsz: Batikaloasche brief, en een Copij van 't request van den Capitain de Boer, bie„ „den wij uwen Hoog Edelheeden hierne„ „vens aan, tot hoogst derzelver g'eerde speculatie. § 490. Op de Bevinding van de uitgeleeverde lading te Triiconomale, hebben de be„ „dienden
English
served to be disposed of by their resolution of 5 June last, which was approved by us; and we take the liberty to add a copy of the said resolution and finding among the appendices hereto. Paragraph 491. The officers of this ship have, on the wheat that was brought with it from the Cape of Good Hope, over and above the granted 2 percent for spillage, accounted for 4585 3/4 lb. less here, for which we have charged them compensation, as appears from our resolution of 26 January last, an extract of which was presented to Your High Nobilities together with our letter of the 27th following. Captain de Boer has since demonstrated by a petition, which accompanies this in copy, that this deficit was caused by the stormy weather, as on 14, 15, and 16 October they had to heave to during a heavy storm, and due to the frequent seas washing over the ship they had to keep the pumps going continuously, at which time it was discovered that much grain was being pumped out, which continued during the entire voyage, and that upon arrival here it was found that the wheat bulkheads at the bottom had shifted as much as 4 inches. And as Captain de Boer thereby refers in this matter to the testimony of his officers, we have ordered the officials at Trincomalee to have a sworn statement made thereof by the said officers, and to present the same to Your High Nobilities. We therefore take the liberty to most humbly request from Your High Nobilities a favorable decision in favor of the aforementioned ship's officers. Paragraph 492. Upon the clarification requested by us, in accordance with the communication in our respectful letter of 27 January last, from the ministers at Paliacatta regarding the deficit of the late Chief Administrator of Nagapatnam, Mossel, the ministers, together with their letter of 25 May last, an extract of which accompanies this, have sent to us the papers which we have the honor to present herewith to Your High Nobilities in copy; and as, according to the same, the deficits of the main treasury are caused by open debit entries long before the time that the said Mossel had assumed the Chief Administration, for which he, in the understanding of the ministers, could not be liable, we have decided to give notice thereof to Your High Nobilities, as we take the liberty of doing hereby. We shall nevertheless cause the attachment placed upon the property of the widow Mossel to continue until the further orders of Your High Nobilities. Paragraph 493. The Dissave Fretz has, regarding the collection from the native population of the taxes recommended by Your High Nobilities—namely the collateral duty, the fiftieth penny, and the office money—submitted the advice that accompanies this in copy. He maintains therein that the contribution of the collateral duty and the 50th penny ought for the present not to be extended further than to the inhabitants within the gravets, and that the office money could only be collected from certain headmen in the Colombo Dissavany. The same difficulties which the said Dissave finds in extending these contributions over all the inhabitants in the countryside are also raised by the officials at Jaffanapatnam, Galle, Tuticorin, and Batticaloa, as appears from the extracts from their letters which we enclose herewith for Your High Nobilities' consideration. And as formerly the 50th penny was not levied from the country's inhabitants, but only from the Company's servants, burghers, and their widows, we have decided to order none of the aforementioned contributions to be collected, not only not from those whom the Dissave Fretz excludes therefrom in his advice, but also not at all from any native, until the further orders of Your High Nobilities, which we very respectfully request hereby. Paragraph 494. And as we think that the capitulated regiments are not included under the order to contribute to the aforementioned taxes, we have also decided to exempt the officers and other men of the Regiments of De Meuron and Württemberg therefrom, until we shall have received Your High Nobilities' further orders in that regard, which we likewise most humbly urge hereby. Paragraph 495. The Captain in the Regiment of Württemberg, von Winckelmann, has, by an address which is transmitted in copy among the appendices, on behalf of and for the Colonel Commandant of the said regiment, De Hügel, requested of us that to Second Lieutenant von Heldritts, who was appointed thereto at the Cape on 15 September 1791, but had received the salary pertaining thereto only since the first of February of this year, the supplement thereof amounting to 132 rixdollars 14 stivers might be paid, because the said von Heldritts, through promotions that occurred at Batavia, had obtained the right under the first of September 1791 to receive officer's salary; but as we have no knowledge of those promotions, we have granted the requested supplement only under the condition of restitution in the contrary case; wherefore we have deemed it necessary to give Your High Nobilities most humble notice thereof hereby. We commend Your High Nobilities and the interests of the Company to God's safe keeping, and remain with all respect and fidelity. Below stood: High and Noble, Great, Honorable, Widely Ruling Lord and Right Honorable, Stern Lords, Your High Nobilities' humble and very obedient servants. Was signed: W. J. van de Graaff, M. P. Raket, D. C. von Drieberg, C. van Angelbeek, J. Reintous, B. L. van Zitter, and A. Samlant. In the margin: Colombo, 24 July 1792. Agrees: Hijbrand Hegewijk Examined: W. van Geizel
Dutch transcription
dienden gedisponeerd bij hunne resolut van den 5. ' Junij Ileeden, die door om g'approbeerd is; en wij neemen de vrijhe Copij van gem: resolutie en bevinding onder de Bijlaagen deezes te voegen § 491. De overheeden van dit schip hebben op de to „we die daarmeede van de kaab de Goed Hoop aangebragt is, boven de toegelegd 2. prC:o voor spillagie alhier nog mind verantwoord 4585¾. lb:, die we hun vergoeding hebben opgelegd, blijkens on resolutie van den 26:' Januarij Jzeede waar van extract uwen Hoog Edel aangebooden is nevens onzen brief van den 27: daar aan. Capitain de Bo heeft 't zedert bij een Request, dat in Copia deezen verzeld, vertoond, dat deeze minderheid veroorzaakt was 't onstuimig weer, als hebbende den 14. 15. en 16. october met een zwaere stork moeten 579 moeten bijleggen, en wegens de meenig„ „vuldige stortings, die 't schip overkreeg„ bij Continuatie de pompen moeten gaande houden, wanneer er ontdekt wierd dat veel koorn gepompt wierd, het welk de geheele rijs door Continu„ „eerde, en dat bij arrive alhier bevonden was, dat de taawe schotten van de on„ „derkant wel 4: d=m uitgeweeken waeren. En wijl Capitain de Boer daar bij zig derwegens beroept op 't getuigenis van zijne officieren, hebben we den bedienden te Tain konomale gelast, door gem: officieren daar van te laaten beleg„ „gen eene verklaaring onder eede, en dezelve uwen Hoog Edelheeden aan„ „tebieden. We neemen mitsdien de vrijheid, daar op van Uwe Hoog Edelh: nedrigst te verzoeken eene gunstige dispositie, ten faveure van voorm: scheeps over„ „heeden § 492. § 492. Op de door ons, volgens 't bedeelde onzen eerbiedigen van den 27. ' Janua„ 7a Jzeeden, gevraagde elucidaatsie van Ministers te Paliacatta, nopen tekort koming van wijlen den Nag „patnamschen Hoofd administrateur Mossel, hebben de Ministers, neven derzelver brief van den 25. ' Mai „den, waar van Extract deezen ve „zeld, aan ons toegezonden de Papi „ven, die wij de eere hebben uwen Hoog Edelh: in Copia hiernevens aantebieden; en wijl volgens de „zelve, de tekortkominge van de groo cas veroorzaakt zijn uit debet loopende posten, lang voor den tij dat gem: Mossel de Hoofdadminist tie had aanvaard, waar voor hij de naar 't begrip van de Ministers n aanspreekelijk konde zijn: hebben beslooten 580. beslooten daar van uwe Hoog Edelhee„ „den kennis te geeven, zoo als we de vrijheid neemen te doen door deezen. wij zullen nochtans, het gelegde aa„ „rest op de goederen van de weduwe Mossel, doen Continueeren tot uwer Hoog Edelheeden nader onder § 493. De Dessave Faetz heeft nopens de in„ „vordering van den inlander, van de door uwe Hoog Edelheeden aanbevoolene be„ „lastingen van 't Colleteraal regt, van den vijftigsten penning en van 't ampt geld ingediend het advies, dat in Copia dee„ zen verzeld. Hij sustineerd daer bij, dat de Contributie van 't Collateraal en den sten 50=ten penning, voor eerst niet verder dient uitgestrekt te worden, dan over de ingezeetenen binnen de gravetten, en dat 't ampt geld alleen van zeekere hoofden in de kolombosche Dessavonij konde konde ingevorderd worden Dezelfde swaarigheeden, die gem: Dessave vin om deze Contributien uittestrekken over alle de ingezeetenen ten plat lande, worden ook geopperd door de bedienden te Jaffenapatnam, Gale, T „kooijn en Batikaloa, blijkens de Extracten uit hunne brieven, die we tot uwer Hoog Edelheeden speculatie hiernevens voegen. En wijl ook ee „tijds, de 50=te penning van slands in „zeetenen niet is geheeven, maar alleen van sComp:s Dienaaren, burgers derzelver weduwen hebben we besloo geene van de voorsz: Contributien te doen vorderen, niet alleen niet van de zulken, die de Dessave Fretz bij zijn advies daer van uitsonderd, maar ze ook in het geheel van geen inlander tot uwer Hoog Edelheeden nader ord die 581. die wij door deezen zeer eerbiedig ver„ „zoeken. § 494. En wijl we denken, dat de gecapituleerde regimenten niet zijn begreepen onder de order, tot 't Contribueeren van de voorsz: belastingen, hebben we ook beslooten, de officieren en verdere manschappen van de Regimenten van Meuron en Wuk„ „tenberg daer van te eximeeren, tot dat re daar omtrent uwer Hoog Edelhee„ „den nader order zullen hebben ontvan„ „gen, die we insgelijks door deezen nedrigst insteeren. § 495. De Capitain bij 't regiment van Wuaten„ „berg von winckelman, heeft ons bij een addres, dat in Copia onder de Bijlaagen overgaat, uit naam en van weegen den Colonel Commandant van gem: regiment de Hugel verzogt, dat aan den seconde Luitenant van Heldritts, die den 15.' Iber 7ber: 1791. aan de kaab daar toe was aangesteld, doch de gagie daar toe staen eerst zedert primo februarij deezes Jaer genooten had, mogte worden goedge „daan het supplement daer van, be„ draagende rd:s 132. 14. - wijl gem: voor Heldritts, door voorgevallene avance„ „menten te Batavia, onder p=mo Ie 1791. het regt had verkreegen om ofte „ciers gagie te genieten; dan wijl we van die avancementen geen kennis draagen, hebben we het verzogte sup „plement niet anders toegestaan, da onder beding van restitutie ingevalle van 't teegendeel: weshalven wij nod geoordeeld hebben, uwer Hoog Edel heeden daar van door deezen ne„ „drigst kennis te geeven. Wij beveelen uw Hoog Edelheeden en de belangens der maatschappij in Godes vijlige 582 vijlige hoede, en blijven met alle eer= „bied en trouwe. /:onderstond:/ Hoog Edele Groot Achtbaare wijd Gebieden„ „de Heer in Wel Edele Gestrenge Heeren Uwer Hoog Edelheedens onderdanige en zeer gehoorsaame Dienaaren /:was geteekend:/ W: J: van de Graaff, M: P: Raket, D: C: von Drieberg, C: van Angelbeek, J: Reintous, B: L: van Zit„ „ter en A: Samlant /:in margine:/ Kolombo den 24. ' Julij 1792. — Akkordeert Hijbrand Hegewijk Nagezien W„ van geizel ƒ
English
Batavia To His High Excellency The High Noble, Right Honorable, Wide-Ruling Lord Mr. Willem Arnold Alting On behalf of the State of the United Netherlands and the General Dutch Chartered East India Company, Governor-General, and The Right Noble, Honorable Lords Councilors of the Dutch Indies High Noble, Right Honorable, Wide-Ruling Lord and Right Noble, Honorable Lords, What was written by the Noble High Honorable Lords Directors on the subject of Ceylon in their Highest very respected missive of 11 December 1790, section 339, prompts me, in accordance with what was humbly answered thereto, to take the liberty to respectfully submit to Your High Excellencies for consideration whether Your High Excellencies, if in further reflection Your Highest might approve that there shall be only a separate Council of Justice at Colombo, might at times be more inclined in such a case to have the Council of Justice at Jaffanapatnam and at Gale in civil legal matters replaced by the Civil Councils that exist in each of these places. As far as the pay ledgers are concerned, thus far no inconvenience has been observed since the abolition of keeping them at Jaffanapatnam and at Trinkonomale. At Jaffanapatnam, what remains to be done there in pay ledger work has been entrusted to the shopkeeper, and at Trinkonomale to the cashier. At Gale, it could likewise be entrusted to one of the employees, who could be granted the salary of an assistant for that purpose, in order to maintain a clerk out of it. Finally, to prevent the certainly very well-founded objection of Your High Excellencies that the youths at the offices, not being in permanent service, might sometimes leave their superiors in the lurch during the busiest work, one could give them a deed as assistant without salary, and without them thereby being paid directly by the Company. In this way, they will be just as bound as they are now bound by having a deed with salary. Concerning the disputes with the King of Koetsiem, I recently received from the Governor and Council of Madras the letter of which a copy is attached hereto, together with a copy of the answer written by me in response, which I hope may meet with Your High Excellencies' approval, and to which I request permission to refer here. As much as one may believe the reports that arrive from time to time, the activities of the Kandyan Dessaves in the lowlands are decreasing more and more. The guard posts that were located close to our borders have for the greater part been withdrawn, and others remain manned with only a few lascars. The batteries they constructed in various places, according to what is heard, are no longer maintained and are already beginning to fall into severe disrepair everywhere. According to these reports, the King has summoned the Dessave of the Seven Korles back to Court through two appochamijs sent to him, and the Dessaves of the Three and Four Korles and of Saffergam are also reportedly soon to return to the Court. On this side, little is thus heard of any movement, and neither on the other side of the Island, except that we have been informed from Trinkonomale that, according to the account of a spy recently captured there, the Kandyans had two magazines with nelij built, one on the borders of the Trinkonomale territory, and the other not far from the Baticalo borders, which Major Fornbauer proposes to have burned, which I also think will be necessary in order to thwart any intentions the Kandyans might have. While writing this, my Maha Modliar receives from the former Basnaik of Saffregam the unsigned ola, of which the translation is attached hereto. From the verbal account still attached hereto given by the bearers thereof, which I think should not be mistrusted since they are people attached to the aforementioned Basnaik who were formerly with me several times on errands from him, it appears that this is an order from the second Royal Adigaar, who was one of the greatest instigators of the present unrest, and who now, as it seems, would like to see a path opened to get out of it with some sort of decency. I shall instruct the Maha Modliaar to give only a verbal reply to the aforementioned bearers of this ola, that he is sorry that the Basnaik has been falsely accused by his enemies and thereby brought into such great difficulty, but that it is impossible for him to comply with his request that a letter be sent from here with a few saffermadoe appoehamus to the Court, requesting to send some court dignitaries as envoys.
Dutch transcription
Batavia Aan zijn Hoog Edelheijd Den Hoog Edelen Gestr: Groot Achtb: Wijd gebiedende Heer M:r Willem Arnold Alting Van weegens den staat der vereenigde Nederlanden en de Generaale Nederlandsche Geoktroijeerde Oost Jndische Kompenie Gouverneur Generaal en de De Wel Edele Gestr: Heeren Raaden van Neder„ =lands Jndiën Hoog Edele Gestr: Groot achtb: Wijd gebiedende Heer en Wel Edele Gestrenge Heeren Het geschreevene door de Edele Hoog Achtb: Heeren Be „windhebberen onder de materie van Ceijlon bij Hoogst derzelver zeer gerespecteerde Missive van den 11 december 1790. § 339, doed mij overeenkomstig met het daar op nedrig geantwoorde, de vrijmoedijheijd nemen Uw Hoog Edelheeden door deesen eerbiedig in overweging te geven, off uw Hoog Edelheeden indien Hoogst dezelve bij naadere reflectie mogten goedvinden dat er alleen appart een 583 „ een Justitieele Raad te kolomko zijn zal, zomtijd meer zouden inklineeren om in zulk een geval de Ra van Justitie te Jaffanapatnam en te Gale in borgerlij en Civile Regts zaaken te doen vervangen, door de Civie Raaden, welke zijn op een elk van deeze plaatzen Wat de zoldij boeken aangaat, tot hier toe heeft men t het afschaffen van het houden daar van te jaffan „patnam „ te Trinkonomale geene ongelegend heed bespeurt. Te Jaffanapatnam is het geen in het zo werk daar te doen is, opgedraagen aan den winkelier te Trinkonomale aan den kassier Te Gale zoude insgelijks kunnen worden opgedraagen aan een der „diendens, die daar voor zoude kunnen worden toege het appointement van een assistent, ten eijnde da uijt een klerk te kunnen onderhouden Om eijndelijk te voorkoomen de zekerlijk zeer gegronde objektie va uw hoog Edelheeden, dat de borsten op kandooren niet in vaste dienst zijnde, zomtijds de baazen in het drukste werk zouden kunnen laat zitten, zoude men dezelve een akte kunnen geven assistent zonder appointement, en zonder dat ze dien door de komp: direct worden betaalt. Hier do zullen ze even zoo verbonden zijn als ze nu verbon zijn door te hebben een akte met appointement Over de verschillen met den koning van koetsiem heb onlangs van den Gouverneur en Raad van Madras on =fangen 584 „fangen den brieff die in kopij hier nevens gaat met een kopij van het andwoord door mij daar op geschreeven, het geen ik hoop dat na uw Hoog Edelheede genoegen zijn mag, en waar aan ik verloff verzoek mij hier te mogen gedraagen zoo veel men de tijdingen die van tijd tot tijd in koomen gelooven mag, neemen de verrigtingen der kandiasche Dessaves in de beneden landen meer en meer aff. De wagt posten die kort aan onze limieten geleegen hebben zijn voor het grootere gedeelte gelijt, en andere blij„ „ven alleen met nog eenige laskorijns bezet. De patterijen die ze op verscheijde plaatsen gemaakt hebben, worden naar men hoort niet meer onderhou „den, en beginnen over al reeds sterk te vervallen, De Dessave van de zeven korles, zeggen deese berigten, heeft de koning door twee appochamijs aan hem ge„ „zonden aan het Hoff te rug ontbooden, en zouden ook de dessaves van de drie e vier korles en van de Saffergam eerlang na het Hoff staan te rug te keeren Aan deeze kant hoort men dus weijnig van eenige be„ „weging en ook niet aan de andere kant va het Eijland alleen is ons van Trinkonomale bericht, dat vol„ „gens het verhaal van een aldaar onlangs opgevatte spion, de kandiaanen twee Majazijnen met nelij hebben laaten aanleggen, het eene op de grensen van het Trinkonomaalse gebied, en het andere niet ver van de de Batikalose grensen, die de Majoor Fornbauer voorsteld om te doen verbranden, het geen ik ook den dat zal noodig zijn om te verijdelen de oogmerken die kandiaanen zoude kunnen hebben. onder het schrijven deeses ontfangt mijn maha modlir van de gewesene Basnaik van Saffregam de ongetek ola, waar van de vertaling hier nevens gaat uijt het nog hier nev ons gaande mondeling verhaal dat brengers daar van gedaan hebben, en het welk ik denke niet te moeten mistrouwen, wijl het luijden zijn gea „tacheerd aan de voorsz: Basnaik die eertijds verschi maalen met boodschappen van hem zijn bij mij gewe blijkt dat het een bestelling is van den tweeden Rij Adigaar, die geweest is en der grootste drijvers va de tegenswoordige onlusten, en nu zoo het scheijnt gaarne een weg zoude zien geopent om nog met ee zoort van fatzoen daar van aftekoomen. Jk zal de Maha Modliaar belasten om aan de voorsz brengers deezer ola alleen mondeling tot bescheijd te g „ven, dat het hem leed doet dat de Basnaik door zijne vijanden valschelijk is beschuldigt, en daar door in zoo een groote ongelegendheijd is gebragt, dog dat het hem onmogelijk is om te voldoen aan zij verzoek dat van hier een brieff zoude gezonden word met een paar saffermadoe appoehamus aan het Hof met verzoek om eenige Hoffs grooten als gezanten zenden
English
send to kolombo I commend Your High Nobilities to God's gracious protection and declare with all high esteem and true loyalty to be, was written beneath: Right Honourable, Valiant, Highly Esteemed, Far-ruling Lord, Honourable and Valiant Lords, Your High Nobilities' humble and obedient servant, was signed: W: I: van de Graaff. In the margin: kolombo the 2nd March 1792. To the same as before. It is my intention, with life and health, to go myself with the first troops that shall cross over into the King's country to take possession of Roeanelle, in order to be present at the first publication of the manifesto, and to ensure that it is spread and made known throughout the country as much as possible. In the meantime, I shall make a trip to kolombo, and as soon as the necessary troops for the main expedition have arrived at Roeanelle, I shall depart thither again to place myself at the head of the same. In my humble view, it would be best if authority remained, with Your High Nobilities' highly esteemed approval, with the Political Council at kolombo during my absence, and even if anything human should befall me during the campaign, until Your High Nobilities themselves shall have given further orders thereon, unless Governor van Angelbeek might arrive here upon his departure from koetsiem, and his circumstances could allow him to remain on Ceijlon during the campaign. I commend Your High Nobilities to God's gracious protection and declare with all high esteem and true loyalty to be, was written beneath: Right Honourable, Valiant, Highly Esteemed, Far-ruling Lord and Honourable and Valiant Lords; Your High Nobilities' humble and obedient servant, was signed: W: I: vande Graaff. In the margin: kolombo the 24th July 1792. Agreed. W: I: vande Graaff N 44 586 Batavia To His High Nobility The Right Honourable, Valiant, Highly Esteemed, Far-ruling Lord Mr. Willem Arnold Alting, Governor General on behalf of the state of the United Netherlands and the General Dutch Chartered East India Company and The Honourable and Valiant Lords Councillors of the Netherlands Indies. Right Honourable, Valiant, Highly Esteemed, Far-ruling Lord and Honourable and Valiant Lords § 1. I have had the honour to receive Your High Nobilities' very respected separate letters of the 4th May, 15th June, 20th July, and 21st September of the past year. § 2. That actions were taken in every respect in accordance with Your High Nobilities' recommendation in your very respected letter of the 4th May, to bring matters to an end as speedily as possible without the use of violence, Your High Nobilities will see in the most convincing manner from the secret letter from me and the Council, which is being dispatched at the same time as this one. § 3. In this regard, I humbly request permission to refer to that, and take the liberty, with respect to what Your High Nobilities further wrote therein concerning the ola of the former kangaan of the timber-hauling company at Gale, Hewetantrige Mattees, to observe humbly that Your High Nobilities, having written to me in your very respected separate letter of the 28th June 1791 § 4 that if I deemed it proper to assume that credit could be given to the matter, Your High Nobilities were then expecting that that accusation would still be investigated, without specially ordering me to question the Junior Merchant van Albedijhl thereon, I omitted the latter not out of timidity, but solely because I thought that what was available on this matter, without further proof, gave no grounds to address van Albedijhl about it, as I had the honour to remark in my respectful separate letter of the 15th January of the past year. § 4. That the Junior Merchant van Albedijhl used this Hewetantrige Mattees for errands to Mature, he admitted upon the express questioning put to him by the secretary van Zitter by my order; and whether whatever else there may be in the accusations of Hewetantrige Mattees is so entirely without reason that I removed him from Gale, Your High Nobilities will be able to judge to some degree from a letter from the aforementioned Junior Merchant van Albedijhl written to me on the 6th April of the past year, which accompanies this in the original, in which he asks me in so many words to forgive and forget all that has passed, and somewhat further down says, if I have erred forgive me. Experience brings wisdom. I can say that I have experienced a great deal. § 5. Now, as for the question that appears on the subject of the aforementioned ola of the kangaan of the timber-hauling company Hewetantrige Mattees in Your High Nobilities' respected separate missive of the 20th July § 4, as to how it could be interpreted to the disadvantage and grievance of Sluijsken if he had given the assurance or passed his word during the uprising to come to Mature, to that I can only answer that if Commander Sluijsken had caused to be told to the Matara mutineers, as the frequently mentioned Mattees stated, that if they desired him to come to hear their grievances, he would come as quickly as possible, and would then grant them the posts for which the leaders of the mutineers might apply, and that therefore they should keep the mutiny reinforced until his arrival, and upon his arrival appear and only then quell it, Commander Sluijsken would then have acted
Dutch transcription
585 zenden na kolombo jk beveele Uw hoog Edelheeden in Gods genadige bescherming en betuijge met alle Hoog agting en waare trouwe te zijn /:on „derstond:/. Hoog Edele Gestr: Groot Achtb: wijd gebiedende Heer „ wel Edele Gestr Heeren uw hoog Edelheedens onderdanige en gehoorzame Dinaar /:was getekent. /. W: I: van de Graaff. /in margine/ kolombo den 2. ' Maart 1792 Aan als vooren Het is mijn voornemen bij leeven en gezontheijd, zelve meede te gaan met de eerste troupes die zullen overgaan in 's koningsland om possessie te nemen van Roeanelle ten eijnde present te weezen bij het doen der eersste pu„ „blikatie van het manifest, en te zorgen dat het zoo veel mogelijk in het land versprijt en bekent word. Tusschen bijde zal ik een keer doen na kolombo en zoo dra de nodige troupes tot de Hoofd expeditie te Roeanelle zullen zijn aangekoomen, zal ik wederom na derwaards vertrekken om mij aan het Hoofd van dezelve te stellen. Naar mijn nedrig inzien zoude het best zijn dat het gezag met Uw Hoog Edelheeden zeer geeerd goed vinden verbleeff aan den Politieken Raad te kolombo geduurende mijn absentie, en ook zelvs zoo mij gedu„ „rende de kampagne iets menschelijks overkomen mogt, tot dat uw hoog Edelheeden zelve daar op naader. naader ordre zullen hebben gesteld, ten zij de Heer Gouv neur van Angelbeek bij zijn vertrek van koetsiem hier mogte aankoomen, en het zijn Ed: gelegendheijd k toelaaten om geduurende de kampagne op Ceijlon overteblijven Jk beveele Uw hoog Edelheeden in Gods genaadige bescher „min en betuijge met alle hoog agting en waare trouw ae zijn /onderstond/: Hoog Edele Gestr Groot Achtb: wijd ge biedende Heer en wel Edele Gestr: Heeren; Uw Hoog Ede „heedens onderdanige en Gehoorzaame Dinaar, /was ge tekent:/ W: I: vande Graaff. in margine kolombo den 24. Julij 1792. —. Akkondeerd. Wr vande Grenalf N 44 586 Batavia Aan zijn Hoog Edelheid Den HoogEdelen Gestr: Groot achtb: wijdgeb: Heer M:r Willem Arnold Alling, van wegens den staat der vereenigde Nederlante en de Generaale Nederlandsche geoktroijeerde oost indische kompenie Gouverneur Generaal ende De wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Nederl: Jnten Hoog Edele Gestr: Groot achtb: wijdgebiedende Heer en Wel Edele Gestrenge Heeren §1. Uw Hoog Edelheden zeer g'eerbiedigde apparte brieven van den 4. Meij, 15. Junij 20. Julij en 21. zeptember j:o Leeden heb ik de eere gehad te ontfangen. § 2. Dat in allen opzigte gehandelt is overeen„ komstig met uwer Hoog Edelheden aan„ beveeling bij Hoogst derzelver zeer ge„ eerbiedigde brief van den 4. Meij, om zoo spoedig mogelijk een einde van Appart zaaken zaaken te maaken zonder ge bruik van geweld, zullen uw Hoog Edelheden op het overtuigen zien, bij den sekreeten brief van mij en den Raad, die met deeze tegelijk afgaat. § 3 Ik verzoeke huij dien aangaande hier daar aan nedrig te moogen gedraagen, en neeme de vrij mo# digheid op het verder door uw Hoo Edelheden daer bij geschreevene, b treffende de ola van den geweezen kangaan van de houtsleperij te Gale Hewetantrige Mattees, ne drig aantemerken, dat uw Hoog Edel mij bij zeer g'eerbiedigden apparten brief van den 28 Junij 1791 §4. heb bende geschreeven, dat zoo ik oorde de te moogen onderstellen, dat aan de zaak geloof konde worden gegee ven, uw Hoog Edelh: als dan waare verwagtende, dat die beschuldiging als nog zoude worden onderzogt, zoo der mij speciaal te beveelen om de onderkoopman van Albedijhl, dat op te hooren, ik dit laatste heb nag laaten niet uit beschroomtheid, maar alleen, om dat ik dagt d het 587 het geen op dit stuk voor handen was, zonder nader bewijs geen grond gaave om van Albedijht daar over aantespreeken, gelijk ik dat bij mijn eerbiedigen apparten brief van den 15. Januarij J:o Leeden de eere heb gehad aantemerken. §4. Dat de onderkoopman van Albedijel deeze Hewetantrige Mattees tot bootschappen na Mature gebruijkt heeft, heeft Hij op de expresse afvraa„ ge, hem door den sekretaris van zitter op mijn order gedaan, erkent, en of het wat ook voor het overi„ ge van het aanbrengen van He„ wetantrige Mattels zijn mag„ zoo geheel zonder reeden is, dat ik hem van Gale hebbe verplaatst, zullen uw Hoog Edelheden eenigen maa„ te kunnen beoordeelen, uit een brief van gem: onderkoopman van Albedijhl aan mij geschreeven den 6. April J:o Leeden, die in origineel hier nevens gaat, waer bij Hij mij n zoo veel woorden verzoekt al met het gepasseerde te vergeeven en te vergee„ ten, en wat laager zegt, heb ik ge„ dwaald vergeeft het mij. ondervinding geeft wijsheid. Ik kan zeggen dat ik ƒ tamnelijk - tamelijk veel ondervonden heb. § 5. Wat nu aangaat de vraage, die op het onderwerp van de voorsz: ola van den kangaan van de houtsleeperij Hewe tantrige Mattees, voorkomt bij uw Hoog Edelheeden gerespekteerde appart miissive van den 20. Julij 54. hoe het tot nadeel en grief van sluijsken zo de kunnen uitgelegd worden, indien„ Hij geduurende den opstand de verzee kering gedaan of zijn woord gepas„ seard mogt hebben van op Mature te komen, daer op kan ik niet an ders antwoorden, dan dat zoo den kommandeur sluijsken die de Mate kesche muijtelingen hadde laaten zeg„ gen, gelijk meermelte Mattees dat heeft opgegeeven, dat zoo ze verlan den dat hij kwam, om hunne klag ten te aanhooren, Wij ten spoedigsten koomen zoude, en als dan de bedienin gen die de voornaamste der muijtelin gen mogten solliciteeren hun geeven zoude, en dierhalven zij tot de komst van zijn E: de muijterij versterkt hou den, en met zijn E:s aarive verschijn en dan eerst stillen moesten, de kom mandeur sluijsken als dan zoude hebb gehandelt
English
acted as an instigator of the mutineers, even in public, and therefore as such would have been punishable. Paragraph 6. I even think that if Commander Sluysken, after the Colombo commission had been announced to him, and especially after it had arrived at Mature, had merely given an assurance or given his word to the mutineers that he would come to Mature, he would even then have committed a very irresponsible act, since that would directly serve to render the commission sent from here fruitless. Paragraph 7. Regarding the argument that follows thereupon to the decision of this question, concerning that of Van Angelbeek's worries, I request permission here only to make this single reflection: that I do not trust, yet dare to hope, that the intention thereof is not that Van Angelbeek, even merely according to the opinion of the public, would have had grievances against the people that could give rise to the suspicion that those things were tolerated by us. Nowhere does anything appear that could in the least bring the integrity of Van Angelbeek's character into suspicion; and however violent an accuser of Van Angelbeek Commander Sluysken has shown himself to be, he has not dared to risk venturing anything that could in the least blemish, or even merely render doubtful, Van Angelbeek's honesty, selflessness, and candor; whatever he has dared to permit himself against Van Angelbeek, he has not dared to touch this chord. Paragraph 8. I have brought Your High Nobilities' respected letter of June 15 regarding the Maha Mudaliyar Nicolaas Dias to the Council for deliberation. To the resolution taken thereupon on November 9 last, and to the report thereof made to Your High Nobilities by the aforementioned secret letter from me and the Council, I humbly request leave to refer myself, and only observe further in addition that the Maha Mudaliyar, who besides is advanced in years, will request his dismissal from this post as soon as the Kandyan Embassy has been here, and that after he has been discharged he will submit himself to clearance before the court and publicly summon all his accusers; which, according to the turn that various incidental circumstances arising without his fault or doing have given to affairs, has now become the only suitable way to purge himself of the foul and shameless slanders that have been brought against him, and to cause those who have burdened him to bear their well-deserved punishments. He would have taken that course long ago, had I not deemed it expedient for the Company's interests that it should not happen until the troubles with the Kandyans are ended. Paragraph 9. In taking all possible measures to prevent the Kandyans from encroaching upon the Company's lands, so that they have not even dared to venture anywhere to violate the Company's territory in any way, I have certainly done nothing beyond my duty; yet after having fulfilled it faithfully and with all possible zeal and goodwill, I neither can nor may conceal from Your High Nobilities that it has been very bitter to me what appears concerning the policy maintained by us in Your High Nobilities' esteemed secret letters to me and the Council, and what further appears in that regard in the aforementioned highly respected separate letter from Your High Nobilities of July 20, paragraphs 1 and 2. Paragraph 10. As regards what was observed therein by Your High Nobilities, that the entire conduct of the Kandyans proves most clearly that it was not their intention to make any incursions into our lands before they were attacked with force of arms, and that if it had been their decided intention to invade the Company's lands, the Mature uprising and the movements in the Colombo Dessavony would certainly have given them a favorable opportunity to do so; regarding that, I think I can with great composure let it rest upon the above-mentioned secret letter from me and the Council, and consequently request permission to refer myself humbly thereto. Paragraph 11. For as to the fact that the Kandyans made no use of the Mature uprising, that proves, according to my humble opinion, with regard to their deeds committed since, nothing other nor anything more than that the King at that time had not yet lent his ear so much to the evil counsel of some of his courtiers as he has done since. Paragraph 12. Therefore I take the liberty, only concerning the application made by Your High Nobilities of the events in the year 1760, namely, that the Kandyans just as well now as then could very well have found means to invade the Company's lands, and that Your High Nobilities therefore by no means attribute the fact that this invasion did not occur to the timely and vigorous measures deployed by us against it, to note here with deep respect: Paragraph 13. That in the year 1760 not the least precautions were taken, whether because Governor Schreuder did not have good intelligence, or that he did not think that the matter was so
Dutch transcription
588 gehandelt als een opstooker van de muite lingen, zelfs in het oppenbaar, en mids dien als zodanig zoude zijn strafbaar geweest. 16. Jk deske zelfs dat de kommandeur sluijs„ ken, zoo hij na dat hem de kolombose kommissie was aangekondigt, en inzou„ derheid na dat dezelve te Mature was aangekoomen, ook maar alleen aan de muijtelingen verzeekering hadde gedaan of zijn woord gepasseerd mogte hebben, van op Mature te zullen koomen, wij ook dan nog een zeer onverantwoordelijke zaak zoude hebben bestaan, wijl dat rechtstreeks strrkken moest, om de van hier gezondene kommissie, vrugteloos temaaken. 57. Over het argument dat tot affiei van deze vraage, daar op volgt, betrekkelijk daar toe, dat van Angelbeek wijn zargen is, verzoek ik mij hiet alleen deze enkelde reflexie te moogen per„ miteeren, dat ik niet vertrouwe durf hoopen, dat de intentie daar van niet is, dat van Angelbeek, zelfs alleen maar volgens de opinie van het publiek, ongelijken teegens het volk zoude gehad hebben die liet konde doen vermoeden, dat die dingen door wij wierden geduld. Net„ „gens „gens komt iets voor dat de braafheid van van Angelbeek zijn kaarakter in het alderminst in verdenking zoude kunnen brengen, en hoe violente beschud diger van van Angelbeek, zig ook de kommandeur sluijsken heeft geloon te zijn, heeft wij het niet durven wa gen iets te hazardeeren, dat van An gelbeek zijn eerlijkheid, onbaatzugd heid, en kandeua in het alderminst zoude kunnen bevlekken, of ook zeg maar twijffelagtig maaken wat zig ook tegens van Angelbrek teg durven permiteeren, deeze koord heef hij niet durven roeken §8. Uw: Hoog Edelheden g'eerbiedigde brief van den 15. Junij over de Maha Mo deliaan Nicolaas Dias heb ik ge„ bragt ter deliberatie van den Raad. N de daar op genomene Resolutie of den 9. Novemb: J: L: en aan het verslag Co daar van aan uw HoogEdelheden geda word bij voorsz: sekreten brief van en den Raad; verzoek ik mij hier drig te moogen gedraagen, en merke daer bij nog alleen aan, dat de Ma Modliaat, die buijten dien hoog be Jaard is, zijn ontslag uit deeze post vraagen 589 vraagen zal, zoo dra de kandiasche Ambassade zal zijn hier geweest, en dat Hij na dat hij zal zijn ontslaagen zig zal stellen ter purge voor het ge„ recht, en publiek alle zijne beschul„ digers doen indaagen, het geen, naar den plooij waar in verschijde toeval„ lige ingetreedene omstandigheeden buiten zijn toedoen of schuld ontstaan, de zaaken gebragt hebben, nu de eenig ste bekwaame weg geworden is, om zig te zuijveren van de vuijle en on„ beschaamde lasteringen die teegens hem zijn uitgebragt, en om de geenen die hem belastend hebben; te doen wegdraagen de bij hun wel verdiende straffen. Hij zoude reeds lange dien weg zijn ingeslaagen, zoo ik het niet voor 'skomp:s belangens oirbaat geagt hadde, dat het niet geschied voor dat de strubbelen met de kandianen zullen zijn g'eindigt. §9. Met al het mogelijke te werk te stellen ter voorkooming, dat de kandianen niet indrongen in stcomp:s landen, zoo dat ze het zelfs nelgens hebben durven waagen, sscomp„s grond gebied op eenigerhande wijze te schenden heb ik zeekerlijk niets gedaan van mijn pligt, doch na die getrouw en met alle mogelijken wen en welmenentheid te hebben volbragt, kan nog mag ik het voor 1110 uw Hoog Edelheden niet verbergen, dat i zeer bitter gevallen is het geene nopen het bij ons gehouden belijd voorkomt bi uw Hoog Edelheden zeer g'eerde sekreete brieven aan wij en den Raad, en het geene derweegens naadel voorkomt, bij voorsz: uw Hoog Edelheden zeer gerespekteerde apparte brief van den 20. Julij 51. en 2. § 10. Wat aangaat het door uw Hoog Edelhe den daer bij aangemerkte dat het gant sche gedrag der kandianen ten klaarsten bewijst. dat het hun voorneemen niet ge„ weest is eenige invallen in onze landen te doen, voor dat men hun gewapender hand attakeert, en dat indien het h gedecideert voorneemen geweest was om skomp:s landen te invadeeren, hun un mers den Materschen opstand en de beweegingen in de kolombosche Desse vorre daar toe eene gunstige okkas gegeeven zoude hebben, daaromtrent denke ik het met groote gerustheid te kunnen laaten berusten bij de hier bovengemelden sekreeten brief van mij en den Raad, en verzoeke dien„ volgens verlof mij hier, daar aan nedrig te moogen gedragen. § 11. Want wat betreft dat de kandian geen 590 geen gebruik gemaakt hebben van den Matereskeil opstand, dat bewijst naer mijn nedrig inzien ten aanzien van hunne zeedert gepleegde daaden niets anders noch niets meer, dan dat de koning ter dier tijd nog niet zoo zeer hiet oor geleend had aan den kwaaden raad van zommige zijner Hofsgrooten, als Wij zeedert heeft gedaan § 12. Mids dien neem ik de vijmoedigheid, alleen nopens de door uw Hoog Edelheden gemaakte applikatie van het voorge„ vallene in het Jaar 1760, dat nament„ lijk de kandiaanen even zoo wel nu„ als toen zeer wel middel zouden heb„ ben kunnen vinden om 'skomp:s landen te invadeeren, en dat uw HoogEdelheden dierhalven, dat die invasie niet ge„ schied is, geenzints toeschrijven aan de tijdige en vigoureuse maatregelen door ons daar teegen te werk gesteld, hier met diepe eerbied aantentecken: §13. Dat 'er in het Jaar 1760 geen de minste voorzorgen genoomen waaren, het zij dan dat de Heer Gouverneur Schreuder geene goede berigten gehad heeft, dat wij niet gedagt heeft, dat de zaak zoo
English
...would turn out so badly. Our borders were then everywhere open and unguarded. Everything was neglected, so that the Kandians were left every possible opportunity to penetrate into our lands wherever they wished, just as they have done. § 14. When one began to take measures against it, it was too late. Our inhabitants had by then already defected from us everywhere and had joined the Kandians against us. Nowhere in the country were the Company's orders respected any longer. All resources that our rich lands and inhabitants provided us were already lost, and matters had risen to such a height thereby that it was no longer possible to prevent all the unfortunate consequences that have arisen therefrom since. § 15. Major Bisschop, who was sent with a fairly strong corps to Polgodde, no more than fully two hours above Hangewelle, could maintain himself there for only a few days, although he was encamped along the river that discharges near Kolombo and covered him on one side, and thereby was also in a position—if all our inhabitants had not already defected from us—to be provisioned in a very easy manner. § 16. By having had to retreat from there and pull back again to Kolombo, the country became a prey to the Kandians. This case therefore has not the least application to what has happened in this present time, and it cannot be cited except solely as a warning never again to follow the measures that were followed then. § 17. As for what concerns the rest of our resolution regarding Silauw, mentioned in our respectful letter of 18 June 1791 § 108 to 114, even if the same had had to be carried out, Silauw could immediately have been retaken from Putelang and Nigombo, and the Kandians driven out of the Silauw region, in case they had meanwhile come down with a large force from the Seven Korles, and that as soon as the troops that were summoned from Trinkouomneele for the better reinforcement of Putelang should have arrived. § 18. Regarding the correspondence begun by the English Government mentioned in § 3, to entangle us in questions touching the nature of our privileges on the Madura coast, it has at least already become apparent so far that, upon our answer sent on this subject, it has since left the matter unpursued. § 19. While in the secret letter from me and the Council mentioned above, our humble answer to Your High Mightinesses' respected rescript to our submitted complaint, and in particular mine regarding Commander Sluijsken, among others, has had to remain postponed until a further opportunity, I request to be allowed to keep my humble reply to what appears relative thereto in above-mentioned Your High Mightinesses' honored separate Missive 54 likewise postponed until such time; meanwhile I cannot conceal from Your High Mightinesses that I had entirely not expected that, whereas Your High Mightinesses took a single remark—which the Extraordinary Councillor De Lij, at the time he was Commander at Gale, had permitted himself in his letter of 20 February 1768, and which, although it was certainly not decorous, nevertheless can in no respect bear comparison with what Commander Sluijsken has dared to permit himself against me and the Council—so seriously upon the complaint of the late Governor Falck that Your High Mightinesses declared by letter of 18 July 1768 that, although it was left this time at a verbal reproach, Your High Mightinesses nevertheless were in the expectation that this assembly, and in particular Mr. Falck, in all such and similar punishable cases, would indeed make use of the power granted to all the respective Governors together with their Councils in order to keep the so necessary subordination in its full force, Your High Mightinesses would have dismissed me and the Council on our very reasonable complaints against Commander Sluijsken in such a manner as has occurred, and with which I certainly cannot be satisfied. § 20. In particular, it has seemed to me extremely harsh what Your High Mightinesses state in Your High Mightinesses' most respected secret letter of 30 May § 33, that Your High Mightinesses, upon the request made to be relieved of Commander Sluijsken, had relieved us of that Commander, described so unfavorably as a refractory, unmanageable, and quarrelsome subject, by entrusting him with the authority in the vacant Directorate of Surat. Without permitting myself for the present any reflections here upon the matter itself, I nevertheless think we may reasonably complain to Your High Mightinesses about this very harsh and offensive remark. § 21. The spitefulness, recalcitrance, and far-reaching opposition shown to me by Commander Sluijsken, and God knows what else, make my case with him virtually the same as the case in which the late Mr. van Eck found himself in the previous war with Chief Administrator De Lij, when this worthy man wrote to the late, most blessed Governor-General, His High Mightiness van der Parra, in his letter of 9 April 1764, only with this difference, that I, among the members actually having a seat...
Dutch transcription
zoo erg zoude afloopen. Onze grensen wa ren toen over al open en ongedeset. Alle was onverzorgd, zoo dat aan de kandia tien alle mogelijke geleegentheid gelaaten is; om waar ze wilden in onze landen en te dringen, zoo als ze dat hebben gedaan. §14. Joen mnca daar teegen maatregelen begon te neemen, was het telaat. Onze ingezeet nen waaren ons toen reeds over al afgeva len en hadden zig gevoegd bij de Handian teegens ons. Nergens wierden 'skomp:s o drat meer in het land gerespekteerd. All resources die onze rijge landen en inge zeetenen ons gaaven, waaren reeds ver looven, en waaren de dingen daar door zoo een hoogte geklommen, dat het niet meer mogelijk was alle de ong lukkige gevolgen die daar uit zeeder zijn ontslaan, te voorkoomen. § 15. De Majoor Bisschop die met een wij sterk korps, gezonden wierd naar Pol godde, niet meer van ruim twee uure boven Hangewelle, kende zig daer ma wijnige dagen maintineeren, schoon Wij gelegerd was aan de rivier, die bij kolem bo uitloopt, en hem aan eene kant dekle en daar door tevens was in de gelegent heid, om zoo alle onze ingezeetenen ons tot niet 591 niet reeds waaren afgevallen geweest, op een zeer gemakkelijke wijze te kunnen worden geproviandeert. § 16. Dorr zig van daal te hebben moeten retureeren, en weder te rug te trekken na kolombo, wierd het land een prooij der kandianen. Dit geval heeft mids dien geen de minste applikatie tot het ge„ beurde in deeze tijd, en het kan niet worden geciteerd, dan alleen ter waar„ schouwing, om nimmermeer te volgen de maatregelen die toen gevolgd zijn. § 17. wat voor het overige onze rezolutie no„ fens silauw aangaat, vermeld bij onze eerbiedigen brief van den 18. Junij 1791 § 108 tot 114. , zoo ook dezelve hadde moe„ ten worden uitgevoerd, konde silauw van Putelang en Nigombo aanstonds worden hernomen, en de kandianen uit het si„ lauwse worden verjaagt, ingevalle ze mid„ delerwijl met een groote magt uit de Ze„ ven korles waaren afgekoomen, en zulks zoo dra de troupes die ter betere verster„ king van Putelang van Trinkouomneele zijn opontbooden, zouden zijn aangekoo„ men. § 18. Noopens de bij § 3. vermelde begonnene korrespondentie door het Engelsch Gouver„ nement nement, om ons intewikkelen in questi wel de natuur onzer priveligien op de Maduresche kust, is ten tinsten reeds zoo veel gebleeken, dat het op om antwoord op dit onderwerp gezonden, de zaak zeedert invervolgd gelaaten heef § 19. Wijl bij den sekreeten brief van mij en den Raad hier boven gemeld tot nader gelegentheid heeft moeten uitgesteld blijven, onder anderen ons nedrig au woord op uw Hoog Edelheden g'eerbie digde rescriptie op onze gedaane klagte, en inzonderheid van mij over den kommandeur sluijsken verzoek ik mijne nedrige beant„ woording op het geene daar toe al„ latief voorkomt bij bovengem: uw Hoog Edelheden g'eerde apparte Mis sive 54. ook tot zoo lange temoogen laaten uitgesteld intusschen kan ik het voor uw HoogEdelheden niet ontveinden, dat ik geheel niet ver wagt hadde, dat daar uw Hoog Edelh eene enkelde aanmerking, die de Heer Raad Extra ordinair De Lij, ten tijde Wij kommandeur te Gale was zig bij zijn brief den 20. febr: 1768 heb de veroorloofd, en die schoon Te zeekerlijk 9 592 zeekerlijk niet welvoeglijk was, nog tans in geen opzigt in vergelijk koomen kan, met het geen de kommandeur sluijsken zig teegens mij en den Raad heeft durven veroorlooven, op de klagte van wij„ len den Heer Gouverneur Falck zoo hoog naamen, dat Hoogst dezelve bij brief van den 18. Julij 1768 verklaarden dat schoon het ditmaal gelaaten wierd, bij een ver„ baale reproche, uw HoogEdelheden niet te min waaren in de verwagting, dat deeze vergaadering en inzonderheid de Heer Talok„ in al zulke en diergelijke strafbaare gevallen zig wel zoude willen bedienren van de magt aan alle de respective Gou„ vernieurs nevens derzelver Raaden ver„ leend, ten einde de zes noodige subordi„ natie te houden in zijn volle kragt uw HoogEdelheden mij met den Raad op onze zeer blllijke klagten teegens de kommandeur fluijsken zoude hebben afgezet op zulk eene wijze als is geschied, en waar in ik zeekerlijk geen genoegen neemen kan § 20. Inszonderheid is het mij ten uitter sten hard voorgekoomen, het geen uw Hoog Edelheden zeggen bij Hoogst deszel„ ver zeer g'eerbiedigden sekreeten brief van van den 30. Meij §33 dat uw Hoog Edel op het gedaane verzoek om te zijn ontsla gen van den kommandeur sluijsken wij hadden ontslaagen van dien, zoo on„ gunstig als een weerbarstig, onhandelbaa en twift gierig subjekt, beschreeven kom mandeur, door hem optedraagen het ge zag in de vakante Diretctie van Ju„ aatte. zonder mij voor het teegenswoo dige hier over de zaak zelve eenige t flektien te permitteeren; denk ik nog tans, wij over deeze zeer harde en gr vende aanmerking bij uw Hoog Edelhe billijk te moogen beklaagen. § 21. De aan mij door den kommandeur sluijsken betoonde wrevelmoed, wede hoorigheid en vertegaande teegenkanti gen, en God weet wat meer maaken mijn geval met hem na genoeg het zelfde, als het geval waar in zig wij len den Heer van Eck in den voorgaende oorlog, met den Hoofdadministrateur de zij bevond, toen deeze waardige Man, aan wijlen den Hoog Zaligen Heer Gouverneur Generaal, zijn HoogEdelheid van der Parra schreef, zijn brief van den 9. April 1764, alleen met die veran dering, dat ik in de leeden, werkelijk zitting -
English
593 having a seat in the Council, have met with none other than honest and honor-loving servants, who together with me have cooperated in the most faithful manner for the promotion of the Company's interests. I most humbly request Your High Nobility, says Mr. van Eck in the aforesaid letter of his, by no means to give credence to that which de Lij or others might present to Your High Nobility or to any other Gentlemen of the High Government to the contrary, since this proceeds solely from a desire to oppose, if possible, the consequence of that which was so happily executed through my good management in the past year, as well as from a pent-up hatred which he has conceived against me because I have not been willing in all cases to comply with his wishes and what intrigues: so that I find myself obliged to prevent Your High Nobility in that regard, in order that his private writing might make no impression on people's minds; Your High Nobility can consider how how distressing it must be for me, who, as true as God lives, has no other thoughts, nor aims at any private interest, than to promote the Company's true interests and to place them on a secure footing, to see myself opposed by a man who takes counsel only from his passion; and God knows whether there might not be fellow men found who would not be glad to see our undertakings against Kandia have the desired outcome; and finally: He pretends that I am not to remain here long, and that he shall soon become Governor. Section 22. That which the worthy Mr. van Eck swore, that as true as God lived, he had no other thoughts nor aimed at anything else than to promote the Company's true interests, I can likewise swear with the greatest peace of mind. Section 23. What treatment might have been done to Captain Lecler, whereon 594 whereon Your High Nobilities observe in Section 5, that therein perhaps the reason is to be found that he did not remain within the bounds of a proper modesty, I declare I do not know. I have never treated the man ill; I have even done him good, as several letters which he has written to me can testify. But even if it were that an officer might think that injustice is done to him, he may indeed complain about it, yet therein I think that in no respect can a reason be found for so excessive a step as Captain Le Cler has permitted himself. Section 24. The question whether the Courts of Justice at Jaffenapatnam and at Gale can be abolished was, as Your High Nobilities know, not brought forward by me. I have only, upon Your High Nobilities' order, advised on the proposal that was made to that end by the late Councillor Ordinary Radermacher. Nor did I intend to make any further proposal to Your High Nobilities to that end in my respectful separate letter of the 2nd of March last. Regarding that which appears on that subject in the Right Honorable High and Mighty Lords Masters' respected General Missive of of the 11th of December 1790, I have, if this subject might at any time become a further point of deliberation with Your High Nobilities, only suggested to the same, in such a case at Jaffenapatnam and at Gale to have the civil and private lawsuits handled by the Civil Councils. What damages novelties might have produced in my time, and what might further be feared therefrom, I declare I do not know. If Your High Nobilities would be so good as to state them to me, I think I shall be very well able to clear up those things to the satisfaction of Your High Nobilities. Section 25. By giving the clerks commissions without pay, they are, by accepting those commissions, no less the Company's servants and bound to the service of the Company than if they were on actual salaries, and they may withdraw themselves therefrom just as little as an officer with a commission without pay, as is not unusual in Europe, would be allowed to neglect his military obligations solely because he does not enjoy the pay 595 attached to his rank. Moreover, this arrangement was introduced by me solely on account of the remark made by Your High Nobilities yourselves, and which is certainly very well founded, namely that people writing for monthly wages without any engagement might sometimes leave the Company in the lurch in the busiest part of the work. Section 26. Regarding the remark that Your High Nobilities make in Section 11 concerning the letter from the Governor and Council of Madras, Governor van Angelbeek will undoubtedly have informed Your High Nobilities what consequences that matter has already had, or is yet to have. Section 27. Regarding that which Your High Nobilities remark in Section 12 concerning the emissaries of the former Basnaike of Saffergam, I request to be allowed to refer to the secret letter of myself and the Council repeatedly mentioned in this matter. Section 28. As it appears to me, the proposal of the Gentlemen of the Military Commission extends, according to their own considerations, from which Your High
Dutch transcription
593 zitting hebbende in den Raad, niet an„ ders ontmoet heb dan braave en eerlieven„ de dienaaren, die met mij op de getrouw„ ste wijze hebben meede gewerkt ter bevordering van skomp:s belangens. Jk verzoek uw Hoog Edelheid onder„ danigst zegt de Heer van Eck bij voorsz: zijn brief, van tog geen geloof„ te willen geeven aan het geene de Lij of anderen uw Hoog Edelheid of eenige andere Heeren: van de Hooge Regeering daar omtrent ter kontharie kant voor te draagen, dewijl zulks alleen voortkomt om te kontrarieeren, zoo het moogelijk is, het gevolg van het geen door mijn goed beleijd in het ver„ gangen Jael zoo gelukkig is uitge voerd, zoo meede uit een opgekropte haat die wij teegens wij heeft op„ gevat om dat ik hem in alle ge„ valle niet heb willen te wille zijn en wat laagen: zoo dat ik mij genoodzaakt vin de uw HoogEdelheid daar om„ trent te prevenieeren op dat zijn partikulier schrijve geen impres sie op de gemoederen maaken mog¬ uw HoogEdelheid kan nagaan hoe hoe verdrietelijk het voor mij vant die zoo waar als God leeft, geen andere gedagten heeft; nog eenig partikuliere intrest beooge als skomp: waare belange te bevor„ deren, en op een zekeren voet te brengen, mij gekontrarieerd zie, door een Man, die niet als met zijn passie te raade gaat„ en God weet, of die wel geen mee Menschen gevonden werden; die niet gaarne zouden zien, dat onze onderneeminge teegens kan die den gewenschten uitslag hebb 211 eindelijk: Hij geeft voor dat ik hier nie lange staa te blijven, en dat Hi wel haast Gouverneur zal worden. § 22. Het geen den braaven Heer van Eck zwoer, dat wij zoo waer als God„ leefde, geene andere gedagten hadden nog iets anders beoogde, dan om skomt waare belangens te bevorderen, kan ik insgelijks met de grootste gerust heid zweeren § 23. Welke behandeling den kaplijn Lecle„ aangedaan zoude kunnen zijn, waar op 594 op uw HoogEdelheden 55. aanmerken, dat daat in misschien den grond te vinden is, dat wij niet is gebleeven binnen de paalen eener behoorlijke beschijdentheid, betuige ik niet te weeten. Jk het den Man noort kwa„ lijk behandelt, ik heb hem zelfs wel ge„ daan, zoo als verschijde brieven die Hij mij geschreeven heeft dat kunnen getuigen. Maar al was het ook, dat een officier mogte den„ ken dat hem ongelijk geschied, zoo mag hij wel daer over steldagen, dog daer in denk ik dat in geen opzigt zijn grond vin„ den mag, een zoo verbegaande stap als kapitijn de Cler zig heeft gepermiteerd. § 24. De vraage of de Raaden van Justitie te Jaffenapatnam en te Gale kunnen worden afgeschaft, is zoo als uw Hoog Edelheden dat weeten, niet door mij ter baan ge„ bragt. Jk heb alleen op uw Hoog Edelheden ordre geadviseert op het voorstel dat daer toe gedaan is door wijlen den Heer Raad ordinair Radermacher. Ook heb ik uw Hoog Edelheden daer toe geen nader voorstel meenen te doen, bij mijn eerbie„ digen apparten brief van den 2. Maart J:o Leeden. Op het geene derwegens voor„ komt bij der wel Edele Hoog Agtb: Heeren Meesteren gerespekteerde generaale Missive van van den 11. December 1790, heb ik of dit onderwerp zomtijds een nader point va deliberatie bij uw Hoog Edelheeden worden k de, Hoogt dezelve alleen in gedagten gege ven, om in zulk een geval te Jaffen ap=mm en te Jale de borgerlijke en Civiele Regts zaaken te doen verhandelen door de Co viele Raaden. welke schaadens, nieu wigheeden in mijn tijd zoude hebben voortgebragt, en daar uit verder zoud te bugten zijn, verklaare ik niet te weeten. zoo uw Hoog Edelheden zoo goed mogten willen zijn, ze mij tedoe opgeeven, denk ik zeer in staat te zul zijn, die dingen ten genoegen van uw HoogEdelheden op te kelderen. § 25. Door aan de pennisten attens te geeven zonder appointement, zijn ze door het aanneemen van die aktens niet mun der 'skomp:s dienaaren, en tot den dien van de kump: verpligt, dan of ze in werkelijke zoldijen stonden, en moogen zig daar van even zoo min onttrekken als een officier met akte zonder trak„ tement, zoo als dat in Europa niet ongewoon is, zijne militaire verplig„ tingen zoude moogen nalaaten al lien daarom, dat hij het traktemen tot 55 595 tot zijn graad staande niet geniet. Boven dien is deze schikking door mij alleen ingevoerd uit hoofde van de aanmer„ king door uw Hoog Edelheden zelve ge maakt, en die zelker zeer gegrond is, dat namentlijk luiden, schrijvende voor maandgeld zonder eenig engage, ment, zontijds de komp: in het druk„ ste van het week zouden kunnen laaten zitten. § 26. op de aanmerking die uw Hoog Edel heden bij 511. maaken, noopens den brief van de Gouverneur en Raad van Madras, zal de Heer Gouverneur van Angelbeek uw Hoog Edelheden ongetwijffeld hebben geinformeerd, wat „gevolgen die zaak bereeds gehad heeft, of nog staat te krijgen. Op het geene uw Hoog Edelheden §12. aanmerken, nopens de zendelin„ gen van den geweezen Basnaike van saffergam, verzoek ik mij te mogen gedraagen aan de in deezen meermel de sekreeten brief van mij en den Raed„ § 28. Naar het wij voorkomt, strekt zig het voorstel van de Heeren van de Mi„ litaire kommissie bij Hoogst der zel„ ven bedenkingen, waer uit uw Hoog § 27. 12 g