VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3975

Ceylon · 1,668 pages · 213 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3975_0616 view scan ↗

English

oppressed his subjects too much, had already on his part caused the gravets to be reopened, and proposed to the Governor that the same might also be done on the Company's side. § 13. The Governor had them answered in response, that this request had also been made by the two emissaries of the First Adigar who had recently been here, and that it had been notified to them that such proposals were customarily made in writing to the Colombo Dissave, which they acknowledged to be the truth, and said that the First Adigar had also given notice thereof to the King, but that the King had said thereupon that, as the Governor was the first here, it would therefore be best that the request be made directly to him himself, as Your High Mightinesses will see from the note kept thereof by the Secretary and inserted into our secret resolutions of the 21st of September. § 14. By granting this request, affairs would entirely change their appearance, because the Kandyans, who were now in great straits through the salt shortage and through the lack of many things which they are accustomed to draw from our lands, being hereby delivered from this inconvenience, the Court, which was now very pressed, would likely cool down noticeably in its solicitations. § 15. For this reason we decided by our aforementioned resolution of the 21st of September not to grant for the present the aforementioned request of the Court for the opening of the gravets, and that the First Adigar would be answered in writing that before the aforementioned request could be granted, consent must first be given on the part of the Court to the request made to it long ago, that the King would be pleased to issue the necessary orders in his lands so that the Company's cinnamon peelers could do their work in the King's lands. § 16. But two days thereafter we deliberated further on this matter, and having further examined Your High Mightinesses' highly respected secret letters of the 4th of May and 15th of June, the following, among other things, was taken into consideration by us: That Your High Mightinesses have disapproved in a high degree of the plan of containment, on account of the expenses that the Company must incur for it, and many other inconveniences associated therewith, both for the Company and for its inhabitants, observing that in this matter nothing can outweigh the inconveniences in which the Court finds itself thereby, since nothing can flow from those inconveniences to the advantage of the Company; That we were recommended with great emphasis by Your High Mightinesses in the just-mentioned highly respected letter of the 4th of May to make every effort, by all possible means and ways, to cause the correspondence to become active again; That, although from the granting of the request to reopen the Company's borders it would undoubtedly follow that the Court would noticeably cool down thereby, as has already been noted in our secret resolution of the 14th of August last, this observation nevertheless lost much of its force in the present state of affairs, because from the opening of the borders, now that one has nothing to demand nor to stipulate from the Court, essentially no other inconvenience was to be expected than that it might somewhat delay the solemn restoration of affairs to the state they were in before the troubles, by means of an embassy, unless affairs should take a turn that one could not foresee at all; That what one could now still do in a somewhat decent manner in order to comply with Your High Mightinesses' aforementioned very emphatic recommendations, one might sometimes, in order to comply therewith then, be forced to do with less grace, in proportion as the Court catches wind more and more of the changed measures; Finally and primarily, that events might arise which one cannot foresee and could be of such a nature that not making use of the opportunity which now presents itself to reopen the correspondence, might expose this assembly to very great accountability, notwithstanding the good and faithful intentions with which the resolution was taken by the same on the 21st of this month. § 17. And on account of all the foregoing, we found ourselves too burdened by the aforementioned decision taken by us on the 21st of September to dare carry it out, and thought that we should retract it, as we have done. § 18. We have consequently on the same day unanimously resolved, instead of the brief letter that we had decided to send to the First Adigar, to have his emissaries answered that, whereas the First Adigar of the Realm had made known that the King had already caused the borders to be opened and desired that the same might also be done on the Company's side, this was consented to, and that consequently the necessary orders would be issued to have the borders opened in the Company's territory as well. § 19. The orders thereto were also immediately issued by a circular letter of the 26th of September, of which the copy is forwarded among the annexes. § 20.

Dutch transcription

zijdsche onderdaenen te veel drukte, reeds van zijn kant weder de qua¬ vetten hadde doen openen, en aan den Gouverneur liet voorstellen, dat zulks van 's komp: zijde ook mogte geschie„ den. §13. De Gouverneur deed hun hierop ant„ woonden, dat ook dit verzoek was gedaen, door de twee zendelingen van den Eersten adigaen, die Jongst hier geweest waeran en dat aan deeze was aangezegt, dat dien„ gelijke voorstellen schriftelijk pleegen ge„ daan te worden aan den kolomboschen dessave het geen ze erkenden de waerheid te zijn en zijden dat ook de Eerste adigaer daer van aan den Koning kennis gegeven heed dog dat de Koning daerop hadde gezegd, dat dewijl de Gouverneur hier de eerste was, het daarom best waere, dat het verzoek nader aan hem zelve gedaan wierd, zoo als uw Hoog Edelheden dat zien zullen bij de aante„ kening die daer van gehouden is— door den sekretaris en geinsereert in onze sekreete resolutien van den 21=e September. § 14. Met te bewilligen in dit verzoek moesten de 264 de zaaken ten eenemael van gedaante veran„ deren, wijl de kandiaenen, die tans zeer in engte waeren, door het zout gebade en door het ontbeenen van veele dingen die ze uit onze landen gewoon zijn te trekken, hier door uit deeze ongelegendheid gered zijnde, het stof dat nu zeer gepresseert was, waerschijn„ lijk in desselfs aanzoeken merkelijk zoude verkoelen. § 15. Hierom beslooten we bij voorsz: onze rescl: van den 21. 7ber:, voor als nog in het voorsz: verzoek van het stof tot het openen van de gravetten niet te bewilligen, en dat aan den eersten adigaer schriftelijk zoude worden geantwoord, dat voor dat in het voorsz: verzoek konde worden bewilligt eerst van de zijde van het Hof moeste worden bewilligt, in het verzoek dat reeds lange geleden aan hetzelve gedaen is, dat de koning in zijne landen wilde stellen de nodige ouders op dat 'skomp=s kaneel schillens in 's koning landen hun wert konden doen. §16. Doch twee dagen daer aan hebben we op dit stuk nader gedelibereerd, en nader nagezien heb- bende uw Hoog Edelh: zeer gerespekteerde sekreete brieven van den 4. Meij en 15. Junij is bij ons onder anderen in agtinge genomen. Dat Dat uw Hoog Edelh: het plan van insluiting in een hoogen graed hebben afgekeurd, om de onkosten, die de Comp: daertoe doen moet, en veele andere ongemakken die daer meede verbonden zijn, zoo voor de mede komp: als voor haere ingezetenen, onder aanmerking, dat in deeze niets peneren kan de onge„ legendheeden waerin het toot zig daer door bevind, nadien uit die ongelegendheeden niets kan voortvloeijen ten voordeele van de sComp: Dat we door uw Hoog Edelheden bij even„ gem: zeer g'eerbiedigden brief van den 4. Meij met groote naduuk zijn aanbevolen, om door alle mogelijke middelen en weegen de betragting te maken om de konrespon„ dentie reder levendig te doen worden. Dat wel uit het inwilligen van het ver„ zoek, tot het weder openen van 'sComp:s gren„ sen, ongetwijffeld voortvloeijen zoude, dat het tot doen door merkelijk zoude ver„ koelen, zoo als dat reeds is aangementet bij onzen sekreete resol: van den 14. aug:s J:o L:, dog dat deeze aanmerking veel van haer knagt verloor in de tegenwoor„ van dige gesteldheid der dingen, wijl het openen, den grensen nu dat nien van het tof niets te eijsschen nog te bedin„ gen 265 gen heeft, hoofdzokelijk geen andere onge„ legendheid te wagten was, dan dat het de plegtige herstelling der dingan in den plooij als te waaren voor de strubbelen, door een ambassade, wat vertraegen konde, ten zij de zaken een keer mog„ ten nemen, die men geheel niet konde voorzien. Dat het geen men nu nog al op een eeniger maete fatzoenlijke wijze doen konde om te voldoen aan voorsz: uw Hoog Edelh: zeer nadrukkelijke recomman„ datien, men somtijds om daer dan te vol- doen zoude kunnen genoodzaekt zijn te moeten doen met minder gratie, na mate dat het Hof meer en meer de lugt vat van de veranderde moet„ negelen. Eindelijk en voornamentlijk dat en ge„ beurtenissen zoude kunnen ontstaan, die men niet kan voorzien en zoude kunnen weezen van dien aert, dat 't geen gebruik maken van de gelegentheid die zig tans opdoet tot het weder openen van de konrespondentie deeze ver„ gadering, met hoe goede en getrouwe oogmerken ook bij dezelve genomen op den 21. dezer, is de resolutie zoude zoude kunnen bloodstellen aan zeer groote verandwoordingen. En uit hoofde van al het voorenstaande hebben we ons over het voorsz: door ons §: 17: genomen besluit op den 21. 7ber: te veel bezwaert gevonden, om het te dunven uit voeren en gemeend daer van te moeten resilieeren zoo als we hebben gedaan. §18. we hebben mits dien tenzelve daege met eenpaerigheid van stemmen beslooten om in stede van het briefje, dat we beslooten hadden aan den eersten adigaer te laeten afgaan, aan zijne zendelingen te doen ant woorden, dat terwijl de eerste Rijks adigaer hadde laeten weeten, dat de Koning de grensen reeds hadde doen openen, en verlangde dat zulks ook van skomp: zijde mogte geschieden, daerin wierd bewilligt, en dat mits dien de nodige ouders zouden worden uitge vaendigt om de grensen in 'skomp:s gebied meede te doen openen. §79. De ouders zijn ook daer toe ten eersten uitgevaerdigt bij een Cinculaire brief van den 26: 7ber: waer van de Hopij onder de bijlaegen overgaet. § 20

NL-HaNA_1.04.02_3975_0621 view scan ↗

English

Paragraph 20. But the orders given by us from time to time regarding the beaches and correspondence outside this island, and especially the orders in which it is commanded to allow no suspicious persons to come to this island nor to let them depart from there to the outside, we have not only maintained, but we have even reconfirmed and ratified them in this circular letter, as well as the orders established by us to see to it that no prohibited goods are imported, and especially no sulphur. Paragraph 21. In addition, to prevent the court from sometimes taking bad-faith advantage of the opportunity to provide itself with a large supply of salt, we wrote on the same day by a secret circular letter, which is also transmitted among the appendices, to all subordinate places, that we could well allow the Kandiyans to be accommodated with as much salt as they more or less need for themselves and their household for a month, but that no more should be given to them, under the pretext that our own supply of salt was not large. Paragraph 22. Since then, the inhabitants move about and trade as before undisturbed in each other's lands, and the King's Dessaves who resided during the unrest in the Dessavonies of the Seven Korales, the Three and Four Korales, and the Sabaragamuwa, have also returned to Kandy shortly after the opening of the mutual gravets with all their equipment and war preparations, so that in so far matters everywhere are back in the usual routine. Paragraph 23. Some notes exchanged between the well-known court dignitary and the Maha Mudaliyar are recorded in our resolutions of 9, 10, and 21 November of the past year, or are transmitted among the appendices, with some accounts and notes more fully mentioned in the register, and we only remark here regarding the note that is recorded in our resolution of 21 November, that because he says therein that the Governor should not think that the postponement of the embassy's arrival occurred with sinister intentions, adding that if it were agreeable that it should come earlier, one should have a short official note written about it by the Colombo Dessave to him, who is also Dessave of the Three and Four Korales, we did so, and had this note, which is inserted in our aforementioned resolution of 21 November, drawn up in accordance with his thoughts communicated about it in his aforementioned note. Together with this official letter, which was written by the Dessave, we had the Maha Mudaliyar write him a separate note, which is also inserted in the aforementioned resolution. Paragraph 24. To this last note, no answer has been received to date; but to the letter written by the Dessave, the answer, which is transmitted among the appendices, was brought here on the 26th of this month by two envoys. Therein it is stated that the King, for his part, had also been obliged to incur many expenses, and that because we, and not they, are the cause of the unrest, writing about the expenses had not been necessary; and that when the time for the departure of the embassy should be fixed, it would be communicated early. Paragraph 25. One of these envoys, who was Kanauwliadde Mohandiram, mentioned in the above-mentioned note of 30 August, and who seems to be a very cunning person, asked the Maha Mudaliyar on this occasion whether the money for the areca supplied by the court in the year 1790, which due to the resulting troubles has remained unpaid to date, and according to a new calculation will amount to more or less 7000 rixdollars, could now be paid. And when the Maha Mudaliyar pretended to be somewhat surprised that this was already being asked now, it appeared from his answer that the reminder made in our letter regarding the war expenses had caused some anxiety as to whether we might sometimes wish to withhold this money in deduction thereof. Paragraph 26. To remove this anxiety, the Governor ordered him to be answered that the Company considered a trifle such as this too small not to pay immediately, and that as soon as he brought a written authorization to receive it, it would be satisfied; with which answer, which he did not seem to have expected, he departed back quite satisfied. Paragraph 27. The letter from Mr. de Fresne, mentioned in our aforementioned respectful letter of 24 July last, we have left unanswered, because around the time that we intended to do so, the aforementioned requests from the King of Kandy were made. We have therefore let it rest on his repeated assurances, and because we furthermore heard nothing that made it necessary, we have for that reason refrained from executing our warning given to Mr. de Fresne regarding the closure of our harbours. Paragraph 28. The new French Governor-General, Mr. Malartic, who recently arrived on the island of Mauritius, informed the Governor by a letter written on 12 August of the past year, which accompanies this in copy with the translation thereof, of his arrival there, and that he had assumed authority in place of Mr. de Cossigny. Paragraph 29. As this is not customary, it is not impossible that this more than usual politeness could have some relation to the conduct pursued by Governor Mr. de Fresne, in order that, through the announcement made therein that according to the news received from Europe of 8 May a good understanding existed between France and the Republic, to reassure us if possible and remove the doubts that the conduct of Mr. de Fresne could have inspired in us. Paragraph 30. This letter was brought to Trincomalee by a French Captain named Rosily, who is a brother of the Vicomte de

Dutch transcription

266 §20. Dog de ouders door ons van tijd, tot tijd gegeven betrekkelijk tot de stranden en de korrespondentie buiten dit Eiland, en speciael de ouders waer bij bevoolen is geen verdagte perzoonen op dit hi„ land te laeten komen nog van daer na buiten te laeten vertrekken, hebben we niet alleen laeten stand houden maer we hebben ze zelfs bij deezen Cinculair brief op nieuw bevestigd en bekragtigt, zoo wel als de ouders door ons ge„ steld, om toetezien dat geen verbooden; goederen worden ingevoerd en vooral geen Zwavel. § 21: Hierbij hebben we ter voorkoming dat het sof niet somtijds ter kiader trouw mogte misbruik maken van de gelegendheid om zig van een goeden voorraed van zout te voor- zien, ten zelven daege bij een sekreete Circulaire brief die ook onder de bijlaegen overgaet, naer alle onderhoorige plaetsen geschreeven, dat we wel mogten leijden dat de kandiaenen wierden gerieft niet met zoo veel zout, als ze voor haer en haere huijshouding min of meer voor een maend nodig hebben, doch dat hun niet meer moest worden gegeven, on„ den voorwend zal dat ons eige voor- raed van zout niet groot was. §22. zedert verkeeren en handelen de ingeze„ tenen even als voor heen ongestoond in de wederzijdsche landen, en de dessaves van den koning die zig geduurende de onlusten in de dessavonijen van de zeven Koules de drie en vier koules en de sal„ bergam hebben opgehouden zijn ook kont na het openen van de wederzijdse gravetten met al hun toestel en oorlogs toebereijdselen na Kandia te rug gekeerd, zoo dat in zoo verre de zae„ ken over al zijn in den gemeenen plooij 123. Eenige gewisselde briefjes tussen de bekenden Hofsgroote en de Mara Modliaen zijn ingeschreeven in onze Resol: van den 9. 10. en 21. 9ber: J:oL: of gaan onder de bijlaegen over, met eenige relasen en aanteekeningen bree„ der bij het register vermeld, en merken we 267 we omtrent het briefje dat bij onze resol: van den 21. 9ber: ingeschreeven is, hier alleen aan, dat wijl hij daer bij zegt dat de Gouverneur niet moeste denken dat het verschuijven van het afkomen der Ambassade met twaede oogmerken geschiedde, met bijvoeging dat zoo het welgevallig was, dat ze vroegen kwam, men daer over een kort officieel briefje door den kolomboschen Dessave aan hem, die tevens is des¬ save van de drie en vier Koules, Hou¬ de doen schrijven, we dat hebben ge„ daan, en dit briefje dat geinsen„ neerd is in onze voorsch: resol: van den 21. 9ber: doen instellen, over eenkomstig met zijne gedagten daer over bij voorsch: zijn briefje bedeelt. Met deezen officieelen brief te zamen die door den Dessave geschreeven is, heb- ben we hem door de Maha modliaen nog een appart briefje doen schrij„ ven dat ook in de voorsch: resol: is geinseneerd. §24: op dit laatste is tot nog toe geen antwoord ontfangen „ dog op de brief door door de dessave geschreeven is het antwoord dat onder de bijlaegen overgaet; door twee zendelingen den 26. dezer hier aangebragt daer bij word gezegt, dat ook de Koning van zijn kant veele kosten hadde moeten doen, en dat wijl wij en niet zij, de oorzal„ ken zijn van de onlusten, het schrijven over de onkosten niet nodig geweest was, Dat wanneer de tijd tot het vertrek van de Ambassade zoude zijn vastge„ steld, het vroeg tijdig zoude worden be„ §25. Een dezer zendelingen, die geweest is deelt. Kanauwliadde Mohandinam vermeld bij de hier boven gemelde aantekening van den 30: aug:s en een heel gesleepen Niensch schijnt, heeft bij deeze gelegendheid aan den Maha Modliaen gevraagd of niet, het geld voor de anneek door het Ha geleverd in het Jaer 1790. dat door de ontstaane strubbelen tot nog toe onbe„ taald gebleeven is, en na een nuwe reek: min of meer 7000 rd:s zal bedragen, nu zoude kunnen worden betaalt, en toen de Maha Modliaer zig eenigzints verwondend hield, dat dit nu reeds gevraagd wierd, scheen het uit zijn antwoord, dat de herinnening bij onzen brief gedaan over de oorlogs onkoste 268 onkosten wat ongerustheid gemaekt hadde, of we ook dit geld somtijds in mindering daer van zouden willen inhouden. §26. om deze ongerustheid weg te nemen heeft de Gouverneur belast hem te antwoorden, dat de komp: een klijnig„ heid als dit was, te gering reekende, om het niet aanstonds te betaelen, en dat zoo daa hij een schriftelijke kwali„ fikatie bragt om het te ontfangen, het zoude worden voldaan, met welk antwoord, het geen hij niet scheen te heb- ban verwagt, hij heel wel te vreeden te rug vertrokken is. § 27. Den brief van den Heer de Frene ver- meld bij voorsch: onzen eerbiedigen brief van den 24. Julij 11. heben we onbe„ antwoord gelaaten, wijl omstreeks den tijd dat we dat dogten te doen, de voorsz: verzoeken van de Koning van kandia zijn geschied. wij hebben het dus bij zijn herhaalde onthonte nns laeten berusten, en wijl we ook verder niets vernamen dat het noodig maekten, hebben we daerom buiten uit„ vooring gelaeten onze waenschouwing aan aan de Heer de prene gedaen nopens het sluiten onzen ravenen. § 28. De onlangs op het Eiland Mauritius aangekomenen nieuwe fransche Gou„ verneur Generael de Heer Malantic heeft bij een brief geschreeven den 12. aug:s I:o Leden, die in kopij hiernevens gaat met de fraductie daer van, aan de Gouverneur kennis gegeven van zijn aankomtt aldaer, en dat hij in stede van de Heer de Cossignij het 6 gezag hadde aanvaerd. §. 29. wijl dit geen gewoonte is, is het niet on„ mogelijk dat deeze meer dan gewoone beleefdheid, wel eenig rapport konde, heb„ ben, tot het gehoudene gedrag van den Gouver„ neur de Heer de prene, ten eijnde door de be„ kendmaking die daer bij geschied dat volgens de ontfangene tijding uit Eunopa van den 8. Meij tusschen Faankrijk, en de Republiek bestond isn goede verstandhouding, ons was het mogelijk gerust te stellen, en te benemen de twijffelingen die de konduites van de Heer de poene ons konde hebben geins„ § 30: Deeze brief is te Tumkonomale, aange„ „pineerd. bragt door een faansche kap: gen: Rosillie welke een broeder is van de vicoite ƒ de ƒ

NL-HaNA_1.04.02_3975_0627 view scan ↗

English

de Rosillie, who once commanded the French frigate the Venus, with which he was in Ceylon in the year 1783 at the time of Mr. de Suffren, and the Chief of Trincomalee, Major Tornbauer, reported in his letter written as an accompaniment to this letter, as appears from the extract thereof accompanying this, that the said Captain Rosillie frankly confessed to him that the plan was forged to drive the English and the Dutch out of the East Indies, and that the attack of Tipu Sahib /: Tipu Sultan / on the land of Travancore and the preparations of the Court of Kandy on the island of Ceylon were branches thereof. Section 31. That Tipu Sultan did not proceed to attack Travancore, from which necessarily had to arise the war that he has since had with the English, other than by consultation with the French and upon the assurance that they would assist him, has already long been thought by all who do not consider Tipu Sultan to be such a very reckless prince that he would deliberately have brought this war upon himself, of which he could calculate all the unfortunate outcomes it has had for him if he were not assisted therein by the French. Section 32. On the 8th of November of last year we received a separate missive from the Commander Raket accompanying an extract from a letter from the bookkeeper Loumieux written to the said Commander and Council at Jaffnapatnam on the 22nd of October of the same year, stating: that the English Resident at Nagapatnam, Mr. Michel, had communicated to him, Loumieux, that according to authentic news received by him the evening before, a packet had recently been brought overland from England to Madras from the 20th of July of last year with very important news, which was to be published in the Courier of Madras, among others that Prussia, Holland, and Sweden had also declared war against France, that their armies had marched into France, and that hostilities had already begun, as well as that England and Spain were equipping large fleets. Furthermore, that at Nagapatnam for some days a strong rumor was circulating that the French warships or frigates which are in this region or at Pondicherry, where recently 400 men have landed from the Islands and a commissioner has arrived, were about to sail to Trincomalee to winter there, as they pretended. Section 33. This news was certainly not very probable, yet it was nevertheless related so positively in this letter from Loumieux that we thought prudence required at least taking such provisional measures as are described in our secret resolution of the 9th of November. Section 34. To avoid too great verbosity, we take the liberty of referring humbly to the resolution which is transmitted among the appendices, and merely remark in that respect that with regard to the ship the Sibella Antonetta, which was almost fully laden, we decided to proceed with the further loading in order to be able to let it depart on the appointed sailing day if other news should arrive in the meantime; but otherwise to hold the ship until further disposition, as it appeared to us that the risk that this ship might sometimes become a prey to the French off Mauritius had to be considered much greater than the inconvenience it would cause the Company if the aforementioned ship arrived in Europe six weeks or a couple of months later. Section 35. This news was not only not contradicted until it was now too late to let the aforementioned ship depart, but it was even further confirmed by Loumieux in a subsequent letter of the 27th of October, which also accompanies this in copy, with the Madras Courier of the 18th previously sent therewith speaking of this news, and consequently the aforementioned ship, which we shall allow to depart on the 10th of January according to the current orders, had to remain lying. Section 36. The aforementioned news also caused us on the aforementioned day to deliberate with much emphasis on the present situation with the Court of Kandy, especially with regard to the quiet correspondence between the well-known court dignitary and the Maha Mudaliyar of the Governor's Gate, as a matter that, if the aforementioned news were confirmed by further reports, would thereby gain a double weight, and concerning which correspondence very many doubts appear in Your High Excellencies' successively received secret letters, which cause Your High Excellencies to consider this correspondence harmful or at least very suspicious, and with regard to this subject it was taken into consideration by us: what one can think with the most reason of the aforementioned court dignitary, and what one must consider the other party to be with whom one, wishing to make a change in this matter, would have to try, unless one wished to abandon that kind of correspondence entirely, which in our view was not advisable, because in the present

Dutch transcription

260 de Rosillie die eentijds gekommandeert heeft het fransch fregat de venus, waer„ meede hij in het Jaer 1783. ten tijde van de Heer de susfren, op Ceilon geweest is, en de Ched van Jai konomale de Majoor Tornbauer bedeeld bij zijn brief ten ge„ leijde van deezen brief geschreeven, blij„ kens het Extrakt daeruit dat hier nevens gaat, dat gem: kap: Rosillie hem openhartig heeft bekend. dat het ontwerp gesmeld was, de En„ gelschen en de Hollanders uit de west van Jndien te verdrijven, en dat den aanval van sipoe sail /: Jipoe, sulten / op het land van Jaevankoor en de toerustingen van het stot van kandia op het hiland Ceilon, tat„ „ken daen van zijn. § 31. Dat Jipoe sultan niet getreeden is om Trevankoor aantelasten waer uit noodwendig moeste ontstaan met den oorlog die hij zedert de Engelschen gehad heeft, dan met overleg der faanschen en op de verrekering dat deeze hem zoude bijstaan, is reeds lange door alle zulke gedagt, die Jipoe „„ Jipae sultan niet houden voor zoo een zeen roekeloos vorst, dat hij zig zouden dat, deezen oorlog moedwillig zoude hebben op den hals gehaald, waer van hij alle de ongelukkige uit„ komsten die dezelve voor hem gehad heeft, berekenen konde, zoo hij daer in niet wierde bijgestaan door de faan- § 32. Den 8. 9ber: J:o L: ontfingen we een apparte schen. Missive van den kommandeur Raket ten geleijde van een Extrakt uit een brief van den boekhouder Loumieux aan gem: Kommandeur en Raed te Jaffanap: geschreeven den 22. ctber: J:Z: houdende: dat de Engelsche Resident te Nagapatnam, de heer Michel hem Domiieux hadde gecommuniceert dat volgens egt be„ nicht bij hem 'savonds te vooren ont- fangen, er onlangs een pakes overland uit Engeland te Madras was aan- gebragt van den 20. Julij J:o Leden, met zeer importante tijding, die in de kounier van Madaas stond gepubliceerd 270 gepubliceerd te worden, onder anderen dat ook pruijssen Holland en zweeden den oorlog tee„ gens mrankrijk verklaerd hadden, dat hunne legens in faankuijke getrokken waeren, en dat de vijandelijkheeden reeds woeren begonnen, mits„ gaders dat halseland en spanje groote vloo„ ten intuusteden. Voorts dat te Nagapatnam zedert eenige daegen een steuk gerucht ging dat de faansche oorlog scheepen of fregatten, die zig in dit gewest of te Pondicherij be„ vinden, alwaer onlangs 400. Man van de Eilanden aangeland zijn, en een kommis- saris aangekomen is, naer Juinhonomale stonden te slevenen, om aldaer te overwinte„ nen, gelijk te voorgaven. 133. Deeze tijding was zekerlijk niet zeer waerschijwijk, doch dezelve wierd nog„ tans bij deezen brief van Domieux, zoo stellig verhaald, dat we gemeende hebben, dat de voorzigtigheid vereischte ten minsten te nemen zoodanige voorloo„ pende maatnegelen als bij onze sekreete Resol: van den 9. 9ber: beschrevven zijn. §34. we gebruiken de vrijheid ter voorkoming van al te groote wijdlopigheid ons der- wegens aan de resol: die onder de bij„ laegen overgaat, nediig te gedragen, en merken daerint alleen aan, dat we met betrekking betrekking tot het schip de Sibella Antonetta dat bij na vollaeden was, beslooten hebben, wel met het verder belaeden te laeten voortgaan, ten eijnde het te kunnen laaten vertrekken op den bepaalden Zijldag, zoo er intusschen andere tijding in kwam; dog anders het schip aantehouden tot nader dispositie, wijl het ons voorkwam dat de resico, dat dit schip somtijds op de hoogte van Maunitius een prooij der franschen konde worden moeste geagt wouden veel grooter te zijn, dan de ongelegendheid. die het voor de Comp: zoude hebben, wanneer het voorsch: schip ses weeken of een paer maanden laaten in Europa kant. §35. Deeze tijding is niet alleen niet weder sprooken tot dat het nu te laat was om laaten het voorsch: schip te kunnen vertrek- ken, maer ze is zelvs nader gecontir„ neerd door Domieux bij een volgende brief van den 27. 8bbr: die ook in kopij hier nevens gaat, met de daernevens gezonden konner van Madaas van den 18. daer te vooren van deeze tijding spree„ kende, en heeft mids dien het voorsch: schip 273 schip, dat we den 10. Janu: volgens de leggende onders zullen laaten vertrekken, moeten blij„ ven leggen. §36. De voorsch: tijding deed ons ook ten voorsz: daege met veel nadruk raed pleegen over de teegenswoordigen toestand met het Hof„ van Kandia, speciael met betrekking tot de stille korrespondentie, tusschen den beken„ de hofsgroote, en de Maha modliaer van 's Gouverneurs ponta, als een point dat zoo de voorsz: tijding door nadere berigten wierd bevestigt, daer door zoude verkrijgen een dubbeld gewigt, en omtrent welke kon„ respondentie bij uwe Hoog Edelh: sukces„ sive ontfangene sekniete brieven zeer veele twijffelingen voorkomen, die hoogst dezelve deeze korrespondentie doen houden voor schadelijk of ten minsten voor zeer verdagt, en is met betrekking tot dit onderwerp door ons in overweging genomen / het geen nen met de meeste grond den- ken kan, van voorsch: hofsgroote, en waer voor men te houden heeft de an„ dere partij waermede men, in dit stuk„ verandering willende maeken, het zoude moeten probeeren, ten zij men dat slag van korrespondentie geheel wilde laeten vaeren, het geen naer ons inzien niet aan„ teraeden was, wijl die in het tegenswoor„ dige

NL-HaNA_1.04.02_3975_0632 view scan ↗

English

present weight of time, even independently of the aforementioned news, could have great utility; 2ndly: by whom this correspondence should be conducted! §37. Concerning the first point, we have taken into consideration: 1st that the aforementioned court grandee is even publicly known and regarded as a man of moderate sentiments, who, by virtue of the equity he shows in all his dealings, generally enjoys a very established and good reputation. 2nd that during the several years that one has had to deal with him, and during which time almost all transactions had with the Court of Kandia, not only the private ones, but also, so long as he was Dessave of the Three Korles, the official ones, have passed through his hands, one has never been able to perceive anything other than that he has constantly sought to maintain the harmony and good understanding between the Court and the Company, and that on all occasions he has sought to give proof of his goodwill toward the Company. 3rd that it is probably largely to be attributed to his prudence that, notwithstanding the machinations of a party of other court grandees who think entirely differently, matters with the Court have remained for a long time on fairly good terms. 4th that one may assume with great confidence that it is especially to be attributed to him that the King, during the recent Maturese disturbances, gave no ear to a party of hot-headed and ill-disposed court grandees who at that time advised the King to favor the petitions of Don Simon and other leaders of the Maturese revolt; it even being related on that subject that, on the occasion when the King asked the opinions of his court grandees concerning this, he first let each state his opinion, which mostly amounted to this: that the King ought to encourage the Maturese revolt in order to turn it to his advantage, for the furtherance of his prospects of regaining the coastal beaches; and that when finally the King also desired to know his particular opinion, he pointed out to him how the previous king had plunged his country into the greatest misfortunes by listening to imprudent and evil counsel; that he subsequently reminded him of the outcomes of that war, and how destructive it had been for the people and the entire Kingdom; and that the King thereupon said that he was right, and ordered the Maturese chiefs to be turned away. 5th that it is well known that it is through his management that a certain priest of Dorwake, who during the Maturese revolt attempted first to incite the fishermen of Nigombo and afterwards the people of the Hina Korle to rebellion, pretending to have orders from the Court to do so, and of which notification had been given to him by the Maha Modliaar by a short letter, was sought out by order of the King; and that when he was not to be found, his brother and a servant of his were seized, and kept under arrest for a considerable time in Kandia, or as other reports state, were even in chains for a period. 6th that upon yet another letter from the Maha Modliaar reporting that a party of rebels from the Hina Korle, having among others enticed an aratchy from the same korle with deceit to the Temple at Algamme situated in the Four Korles on the borders of the Hina Korle, had subsequently caused him to be arrested, he immediately sent a Mohandiram from the Court, who caused this aratchy and those who were arrested with him in the aforementioned Temple to be released; which two very well-known instances, and other tokens of this man's goodwill toward the Company, recorded among the papers of that time, have had a very favorable influence upon the circumstances then prevailing. 7th that as soon as he perceived that the King began to lean toward other measures, and that something was afoot along the coast, he gave notice thereof from time to time to the Maha Modliaar in order to report it to the first-undersigned Governor, first in a covert manner and more clearly thereafter as those matters increased; and that when, in the beginning of Febr: 1791, several Court grandees stood ready to come down to the lowlands, he gave notice to the Governor of this, with everything else that was of importance in this matter, first by a verbal message and afterwards by a short letter sent to the Maha Modliaar, as has been communicated by the first-undersigned Governor to your High Nobilities in his separate letters, and was also communicated by him to the council at the beginning of the troubles. 8th that since that time until the present day he has shown himself well-disposed toward the Company, and that among all these available proofs of his sincerity, nothing has been perceived of him to this day that could in any respect cause one to doubt the good faith with which these things were done by him. 9th that, on the contrary, it is well known that the Second Adigar is a very crafty and malicious man, of entirely opposite principles, who, along with the Court grandees of his party, among others Doembere and Leewke, has long agitated to upset matters between the Court and the Company; and that, moreover, from the intercepted correspondence with the French, it has become apparent that he is one of the principal ringleaders thereof. §38. And by virtue of all these considerations, it was resolved by us on the day aforesaid by unanimous vote that it is in every respect advisable to maintain the quiet correspondence with the known court grandee, and to adhere to him as has been done hitherto. 39.

Dutch transcription

dige tijds gewrigt, zelvs onafhankelijk de voorsch: tijding, zeer zijn nuttigheid 2:) door wie pmen deeze correspondentie zoude laaten voeren! hebben konde. §37. omtrent het eerste poinkt hebben we in agting genomen dat de hofs groote voormeld, zelfs in het publiek bekend is, en gehouden word, voor een man van gematigde ge„ voelens, die uit hoofde van de billijk„ heid, die hij in alle zijne handelin„ gen toond, in het algemeen een zeer ge„ vestigde en goede reputatie heeft. r/ dat geduurende nu verscheide Jaeren dat men met hem te doen gehad heeft, en geduurende welke tijd meest alle handelingen die men met het hof van kandia gehad heeft, niet alleen de bijzondere, maer ook zoo lange hij dessave der drie koules was, de officieele door zijne handen gegaan Ht zijn, men nimmer iets anders heeft kunnen bespeuren, dan dat hij de eens gezintheid en goede verstandhou„ ding, tussen het Hof en de Comp: steeds heeft 272 heeft zoeken te mainteneeren, en dat hij daer bij bij alle gelegendheden blijken heeft zoeken te geven van zijn welgezintheid tegens de sComp: 3/ dat men het waarschijnlijk aan zijn beleijd voor een groot gedeelte heeft toeteschrijven, dat niet tegenstaande de woelingen van een partij andere hofs grooten die geheel an„ dens denken, de dingen met het Hot een tijd lang gebleeven zijn, nog al op tamelijke goede termen. „ dat men het met heel veel gerustheid daer voor houden mag, dat het inzonderheid aan hem is toeteschrijven, dat de koning ge„ duurende de Jongste Maturesche onlusten geen gehoor heeft gegeven aan een partij reet hoofdige en kwalijk gezinde hof groo„ ten, die den Koning in dien tijd genaden hebben, om de aanzoeken van Don simon en andere hoofden van den Matureschen opstand te begunstigen, wordende zelfs op dat stuk verhaald, dat bij gelegend= heid dat de koning de gevoelen van zijne hofs grooten daer over hadde ge„ vraagt, hij eerst elk zijn gevoelen heeft laeten laeten zeggen, meest daarop uitlopende dat de Koning den Matureschen opstand behoorde aantemoedigen, ten eijnde daer mede voordeel te doen, ter bevondering van zijne uitzigten tot het te rug hebben der stranden, en dat toen eijndelijk den koning ook zijn bezondere gevoelen verlangde te weeten, hij hem heeft voorge houden, hoe den vorigen koning zijn land hadde gedompeld in de grootste onge„ lukken, door gehoor te geven aan onvoor- zigtige en kwaede naed, dat hij hem ver- volgens hadde reninent de uitkomsten van dien oorlog, en hoe verderffelijk ze was geweest voor het volk, en het geheele Rijk en dat de koning daerop hadde gezegd, dat hij gelijk hadde, en gelast de Matie„ reesche hoofden aftewijzen. 5/ dat het zeer bekend is, dat het door zijn beleid is, dat zeekere priester van Dor= wake, die geduurende den naturee„ schen opstand getragt heeft, eerst de vissers van Nigombo en naderhand het volk van de stina Koule tot opnoen 273 op noen te brengen, voorgeevende daertoe ordre te hebben van het Htof, en waer van door den Mara Modliaer bij een klijn briefje aan hem was kennis gegeven, uit ordre van den koning is opgezogt, en dat toen hij niet te vinden was, zijn broeder en een dienaer van hem opgevat, en een geruij men tijd in kandia in arrest gehouden zijn, of zoo andere berigten zeggen; zelfs een tijd lang zijn in de ketting geweest. 5 dat hij op noch een ander briefje van den Maha modliaen, dat een partij op noermakers uit de stina Coul, onder anderen een araetje uit dezelve koul met bedrag na den Tempel te Algamme in de vier koules op de grensen van de stina Korl gelegen, gelikt hebbende, doen hadden doen arresteeren, ten eersten een Mohandinam van het Hof gezonden heeft, die deeze anroetje en die met hem in voorsch: Tempel gearresteerd waeren, heeft doen ontslaan, en welke twee zeer bekende gevallen en andere blijken van dezen Man zijn welgezind„ 9 heid teegens de komp:, aangetekend bij bij de papieren van dien tijd, van een heel gunstige invloed geweest zijn, op de toenma¬ lige omstandigheden. 7 dat zoo dra hij bespeurd heeft, dat de koning tot andere maatregelen begon over te hellen, en dat er iets gaande was op de kist, hij van tijd tot tijd daer van aan des Mara Modliaen heeft kennis gegeven, om het aan den eerst ondergetekende Gouverneur te berichten, eerst op een bedekt wijze en meer verstaan daer na moete dat die dingen toenamen, en dat toen, in het begin van febr: 1791. verscheide Hof- grooten klaer stonden om na de beneden landen aftekomen, hij daer van net alles wat verder in dezen van aangelegend„ heid was, den Gouverneur heeft kennis gegeven, eerst door een mondeling bood= schap en naderhand door een briefje gezon den aan den Mara-Modliaen, zoo als dat door den eerst ondergetekende Jou verneur aan uw Hoog Edelh: bij zijne apparte brieven is bedeeld, en door hem in het begin van de stuubbelen ook ter ver gadering 'is gecommuniceert. o dat hij zig zedert dien tijd tot heeden toe — 274. toe welgezint tegens de Comp: heeft getoond, en dat men bij alle deeze voor handen zijnde blijken van zijn welmenendheid, tot hiertoe niets van hem heeft bespeurt, dat de goede trouw waermede dee„ te dingen door hem zijn gedaan, in eenig op zigt zoude kunnen doen in twijffel trekken. o/ dat het daer en tegen zeer bekend is, dat den tweden adigaen is een zeer listig en kwoedaendig man, van geheel teegen ge¬ stelde principes, welke met de Hofs grooten die van zijn, partij onder anderen Doem„ bere en Leeuwke, zedert lange heeft ge woeld om het stof met de Comp: over hoop te helpen, en dat het boven dien uit de gein„ ter cepteerde konnespondentie met de franschen, gebleeken is, dat hij is een der voornaamste hoofd belijdenen daer van- §38. En uit hoofde van alle dese Consideratien is ten dage voorsz: door ons met algemeene stemmen beslooten, dat het in allen opzigte aanteraeden is, om de stille kornespon dentie met den bekenden hofsgroote te konserveeren, en zig aan hem te houden gelijk tot hiertoe geschied is. 39.

NL-HaNA_1.04.02_3975_0638 view scan ↗

English

139 Having subsequently proceeded to taking a decision on the second point, namely by whom the correspondence should be conducted, the Governor had the secretary place on the table of the meeting Your Right Excellencies' very respected separate letter written to him on 15 June last, and after this was done, communicated to the meeting: 1. That with regard to the accusation brought against the Maha Mudaliyar, that he was said to have behaved disloyally towards the Company, he, the Governor, considers this accusation to be pure fiction and foul slander; and this declaration was made by the Governor at the meeting in a manner that, as Your Right Excellencies are requested to see in the resolution itself, could not be done more solemnly. 2. That the Governor nevertheless, even though he is also in conscience convinced that Your Right Excellencies, not being accustomed to arrive at such decisions lightly, have been visibly misled in this matter, would nonetheless have felt obliged to comply with the order contained in Your Right Excellencies' aforesaid separate letter, had he not been in conscience and fully convinced that this would have caused so great a sensation with the well-known court dignitary, who has long maintained an unbroken and very confidential correspondence with the Maha Mudaliyar, and with the entire Court where this is not unknown, that in all probability it would have caused an entire revolution of systems to arise, and that he therefore had until now left unexecuted the order that appears in Your Right Excellencies' above-mentioned separate letter. 3. But that he, the Lord Governor, on account of the received news of Dormieux mentioned above, and out of consideration that the same, being true, could have consequences that cannot be determined and which might sometimes be attributed to wrong causes, was thereby moved to bring the aforesaid separate letter from Your Right Excellencies to the deliberation of the Council, with the very kind request that the members in this matter would vote as they, in accordance with their oath, duty, and as men of honour, should in conscience find to belong to the defence and maintenance of the true interests of the Company. 140 During our deliberations thereon, it was taken into consideration by us that even independently of the further communications made by the Governor, it was very obvious and each of the members felt convinced in conscience that the execution of the order contained in Your Right Excellencies' repeatedly mentioned, very respected separate letter of 15 June this year would have created so great a sensation with the well-known court dignitary and with the entire Court that it might have brought about a complete revolution of affairs, as was observed with much ground by the Governor; and seeing that this order could therefore not be executed without the interests of the Company suffering in a high degree, it was resolved by us with unanimity of votes to bring this our humble consideration to the notice of Your Right Excellencies, and to leave the same unexecuted until your highest further orders, in the hope that Your Right Excellencies, seeing the well-meaning and faithful intentions that have guided the sentiments of this meeting and of each member thereof in particular in this matter, will favourably approve of this. §4 Furthermore, on the same day it was also resolved by us to let the aforesaid secret correspondence with the well-known court dignitary be conducted by the Maha Mudaliyar, as has been done until now, in which not the slightest change could be made without interrupting the same and causing it to cease immediately. 142 The elected Commander of Jaffnapatnam and outgoing Chief Administrator Raket was, on the contrary, of the opinion that this secret correspondence with the well-known court dignitary ought to be conducted by the Honourable Dessave, who conducts the official correspondence; and the Secretary van Zutter and Fiscal Vollenhoven that it ought to be conducted not by the Maha Mudaliyar, but by another native chief who should be deemed most capable for it. §43 Now proceeding to the respectful answering of Your Right Excellencies' above-mentioned, very respected letters, we request, for greater clarity and in the hope that Your Right Excellencies will be so good as to grant this to us favourably, permission to first insert the main points, or rather only the first words, and then to let our respectful answer follow thereon. In this humble confidence we take the liberty to begin with Your Right Excellencies' very respected letter of 10 May last: "Since we, however, perceive from your aforementioned secret advices of 12 January 83 that matters with the Court then still stood on virtually the same footing as they were on 28 July 1781, so that the hostile attack then feared had not taken place." 144 The attack, then feared with much reason, was averted solely by our vigorous preparations, for otherwise not only would the Candians have invaded our lands, but they would also have dragged along our own inhabitants, both those who might have been inclined thereto of their own accord and those who were not, to take sides with them against us. 145 The Court, as often as it wished to undertake anything against the Company, has thereby

Dutch transcription

139 vervolgens getreeden zynde tot het neemen van een besluijt op het tweede point door wien men namentlyk de korrespondentie zoude laaten voeren, heeft de Gouvaneur door de secretaris ter vergadering alden op legen uwe Hoog Edelheeden heer gerespec teerde apporte missive den 15 Juny Hr aan hem geschreeven, en na dat dit gedaan wert ter vergadering gecommuniceerd 1 Dat wat Aangaat de beschuldiginge teegen den Malia Modhaar uijtgebragt, dat hij zug trouwloos teegens de kompe zoude gedraagen hebben. Hy Goeverneur. deeze beschuldiging houd voor loutere verdicht zelv. en vuile lanteringe, en deeze verklaaring is door de Gouverneur ter vergaedering gedaen op eene wyze die zoo als Uw Hoog Edelh: dat bij de resol: zelve verzogt worden te hien niet plegtiger geschieden kan. 8Dat de Goeverneur des niet teegenstaande en lide heer Hij ook in gemoede overtuigd is dat Uw Hoog Edelh: niet gewoon ligtelyk tot zulke besluijten te koomen in deese rigtbaar zijn misleyd, zig nogtans verschicht zoude hebben gevonden, aan de order vervat bij voorsz: Uwer Hoog Edelh: appoite Missiven te voldoen, zoo hy niet in gemoede en 275 e op het volkoment overtuijgd was, dat dit bij de bekende Hofsgroote, die met de Ma= ha modliaas zeedert lange onderhouden heeft een onafgebrooke heer vertrouwlijke korrespondentie, en bij het geheele Hof daar dat niet onbekent is, een zoo groote susatie zoude hebben gemaakt, dat ze na de hoogite waarschijnlykheid een geheele omwenteling van Tijstemad zoude hebben doen ontstaan en dat hij daar om de ordre die voor komt bij Uw Hoog Edelh: hier bovengem apparte missive tot hier toe hadde gelaaten buijten exekutie. 3/ doeh, dat Hij Heer Gouverneur mits: de ontvangene tijding van Dormieur hier booven vermeld, en uyt konsideratie dat de zelve waar zijnde gevolge zoude kunnen hebben die niet te bestemmen zijn, en men zomtydt aan verkeerde oorzaaken houden kunnen toeschrijven, daar door wat leemoogen de voorsz: affacte brief van Uw Hoog. Edelh: te brengen ter deliberatie van den Raad, met heer vriendelyk verzoek dat de leeden in deeze wilde stemmen zoo als dezelve volgens Eeden plicht en als luijden van rere in gemoede zoude bevinden dat te behooren tot voorstand en handhaving van de waare belangens van de kompenie 1, 40 140 By onze deliberatien daar over is by ons in Achtinge genoomen dat zelve: onafhankelyk de verdere kommunikaalsien door de Gou= verneur gedaen Het heer rigt baar was en en elk van de Leeden zig daarvan in gemoet= hield overtuigd, dat de executie der ordre vervat bij meerm uw Hoog Edelh Zeer gerespecteerde apporte missive van de 15e Junyj dh:r: by den bekende Hofsgroot en bij het geheele Hof, zoude gemaakt heb =ben een hoo groote fonsatie dat het eene geheele omwenteling van zaaken hadden kunnen voortbrengen, zoo als dat door den Gouverneur niet veel gronds was Aangemerkt, en aangezien deeze oodke mids dien niet monde worden g'executeerd zoude de belangens van de komp in een hoo„ graad te resonneeren, is door ons net eenpaarigheid van Stemmen beslooten deeze onze needrige monsideratie te brengen onder het oog van Uw Hoog Edelh:en tot hoogst derzelver verdere beveele. dezelve te laaten buijten exetutie in Hoope dat uw Hoog Edelh: inziende de wel= =meenende en getrouwe inzigten die de gevoe lens van deese vergaedering en van een elk lid derzelve in 't bijzonder, in deese 276 deeze hebben geleyd, dat gunstig zullen passeeren. §4 Voorts is ten zelve daege by ons nog lee¬ sooten, de voorsz: stille korrespondentie met de bekende Hofsgroote door de Malia Modliaas te laaten voeren, gelyk tot hier toe is geschied, waarin zeldt geen de minste verandering zoude kunnen worden gemaakt, zouder dezelve te in terrumpeeren, en aanstonds te dloe ophouden. 142: De G' Eligeerd Kommandeur van Jaffe napatnam en afgaande Hoofd administra= teur Rahet; was daer teegen van gevoelen dat deeze stille korrespondentie met de bekende Hofsgroote moest worden gevoerd door den E dessende, die de officieele kortespon= =dentie voerd en de Secretaris van Zutter en Fiscaal Vollenhoven dat he moeite worden gevoerd, niet door de maha modlaar, maar door een ander Inlandseh Hoofd die daar toe bekwaemst zoude worde geoordeelt. tot de §43 Jan treedende Eerbiedige beandwoorting van bovengem Uw Hoog Edelh: heer gerespecteerde brieven verzoeken wde tot meerder duydelykheid, en in hoope dat uw Hoog Edelh: zoo goed zullen zijn. ons dit gunsteg in te schikken, verlof, de voornaamste posti dan wel, alleen de eerste woorden eerst te moogen inschrijven, en dan ons eerbiedig Antwoord daar= op te laaten volgen. . In dit needrik vertrouwen gebruiken we de vrijmoedigheid te begin „nen met Uw Hoog Edelh: heer Gerespecteerde Missive van den 10 Meij Jongst: Dan daar wij uw uyt voorn en E se= advissen kireete Rede van de 12: Jannuarij 83 ontwaaren, dat de zaaken met let Hof toen noch na genoeg op de helvde voet stonden, als he waaren op den 28' July 1791. gevosglyk dat de toengevreesde vijandlyke aanval geen plaats had gehad. 144 De toen met veel heeden gevreesde Aanval is alleen, door onze vigoreuse aanstalten afgekeerd, want anders zoude niet alleen de mandiaanen in onze landen gevallen zijn, maar ook onse eige ingezeetenen hebben g'antraineerd zoo die daar toe uyt eyge beweeging mogt zyn geneigt geweest, als die het niet waaren om met hun teegen ons partij te neemen 165 Het Hof heeft Roo dikwils als het iets teegens de kompe onderneemen wilde, daar meede

NL-HaNA_1.04.02_3975_0643 view scan ↗

English

also begun, which compelled the Company's subjects to a rebellion, of which the last war furnished a proof still fresh in memory, for then both the Dessavony and the Galle Korale were in open revolt within 14 days, and it then cost much more effort to bring our subjects back to obedience than it has since cost to compel the Court to peace. Section 46. By sending out strong detachments, especially to the Dessavony of Matara, and reinforcing the garrisons of Putulang and Calpentyn, the inhabitants were restrained, the ill-disposed deterred, and the well-meaning encouraged. Section 47. The Kandians were thereby kept from undertaking anything against our possessions, and all the more so because the further measures taken by us left them in no doubt that at the first violation of the Company's territory, the war was about to be carried into their own island. Thus we might well have wished that Your Honours had temporized with the giving of those strict orders for the prohibition of all import and export to and from the Kandian lands, not only because we consider that consider, that we would allow ourselves on such unacceptable grounds to be persuaded that one has to regard the Court as the aggressor or the attacking party, and that upon this basis could be founded the position maintained by Your Honours, that the Company thereby acquired the right and was obliged to do all that has been performed by Your Honours; and Your Honours may consider this, among others, as one of the principal motives of our resolution to reopen the way to an amicable accommodation as soon as possible by the means mentioned in our secret missive of the 4th of May last. and finally in Your Honourable High Mightiness's respected secret letter of the 27th of September, that up to now, despite so many insults from our side, not a single step of hostility has been committed by the Kandians. Section 51. The Court of Kandy has furthermore initially declared by two letters that the hostile movements it was making had the recovery of the shores as their objective; and in the last of these two letters it says in so many words that, at the Governor's request that to prevent misunderstanding no large body of armed men should come too close under our forts, heed would be paid to this whenever the ceded lands and shores were placed at the King's disposal and returned. Section 52. The Court has declared by these same letters that it would dispatch its Dissavas, as it indeed subsequently did, with orders to employ the Lascorins for military service, which certainly means nothing other than that it intended to pursue its unjust demand for the recovery of the shores with actual force, and not to cover the borders, which the Court, well knowing that we did not seek war, had no need to do. Section 53. The Court has virtually at the same time caused the borders to be closed and, contrary to the treaty, prevented the Company's inhabitants from trading and conversing in the lands of the King, and thereby broken off all correspondence. Section 54. The Court has refused the peeling of cinnamon in the King's lands, to which the Company is entitled by virtue of the treaty of the year 1766. Section 55. The Court has likewise, contrary to the clear contents of the treaty, refused the surrender of a deserter from the Regiment of Wurttemberg, notwithstanding our having reclaimed him twice, in the most insolent and harmful manner, adding thereto that it was employing our deserter whom we reclaimed to train the Lascorins in the use of arms. Section 56. And if all these things do not justify, and indeed more than justify, our taken measures and conducted policy, we do not know in what sense one must understand the 25th Article of the Treaty, which says in so many words: "Yet if in the one or the other case within six weeks after the demand thereto shall have been made, no satisfaction should follow, or if the same were refused, then the party who remains in default in the manner aforesaid shall be considered to have violated the treaty, and the offended party shall have the right to challenge it over this with arms." Section 57. Strictly speaking, the Company has therefore been entitled by virtue of this Article to challenge the King with arms merely because, contrary to the clear meaning of the treaty, he has prevented the free peeling of cinnamon in his lands, and has refused the surrender of a deserter, to which it is likewise obliged according to the treaty. Section 58. The Court did not leave it at that. With this refusal of things that are clearly stipulated by the treaty, it openly declared its hostile intentions, which the Court also put into execution as far as it dared to risk. The King's Dissavas have for a considerable time been stationed close on our borders with a body of armed men and other war preparations, occupying themselves there with making all kinds of threatening movements. Section 59. All these are certainly so many more reasons that most fully justified the Company in doing itself justice by force of arms, and in taking from the Court as the aggressor all such lands and possessions as could be captured, for it cannot be denied that he is the aggressor who gives legitimate cause for the resort to arms. And that the Court has done this is so obvious that we do not see on what grounds it could be denied. Section 60. We therefore dare to think with confidence

Dutch transcription

277 meede begonnen, dat het tkomp onderdaanen tot een opstand noopte, waar van de laatste oorlog een nog in versels gebreugen zijnde bewys iitleeverde, want toen stonden bijde de Desano= ris en de Gale korle binnen 14 daagen in hepen hoer en het kostede toe veel meer moeijte om onze onderdaanen weederom tot ge= hoorzaamheid te brengen, dan het Zee dert gekort heeft, het Hof tot de vreede te dwingen. §46 Door het uijtzende van sterke det ache„ menten, hoonarde voornaamite morles ^ als na de Dess avonng van deeze Depawonie van maturen en het versterken der Guarnizoenen van Putulang e silauw, zijn de ingezeetenen leetengeld de hwalyk gezinden afgeschrikt en de welmeenende aangemoedigt 177 De Kandiaanen zijn daar door afgehouden. om iets teegens onze bezittinge te onder= neemen, en zulks te meer, wyl de verdere by ons genomge maatzegelen hun met buyten zorg gelaaten hebben, dat by de eerste schending van skomp grond gebied, de oorlog eijge in hun eyland stond te worden overgebragt. hoo hadde wy wel moogen wenschen, dat UudE hadden getemporiseerd met het geven van die scherpe beveelen tot verbod, van alle in e uitvoer, na en uijt de kampaseh landen niet alleen, om dat wij vermeens dat beschoude beschouwen, dat wij ons op zulke on aanneemelyke gronden houder laaten beduijden dat men het nof aan te merken heeft als agresseur off de aanvallende partyn, en dat op deese basit zoude kon nen worden gefundeerd de door UwE gevoerde sustenue, dat de komp daer door het hegt heeft verkreegen; en versligt is geweest, om al dat geene te aden wat door UdE is verrigten en UwE mogen dit onder andere beschouwen als eene der voornaamste motiven van ons besluijt; om zoo vas mogelyk de weg tot een min= welyke vergelijk weder te dpenen door de middelen; vermeld by onse sehreele missive van den 4=e may Jongst leeden. en eijndelyk bij UwE Hoog Edelh: heer gerespec= teerde secreete Brieff van den 27 September Dat 'er tot hier toe door de kandiaan en ondankt zoo veele beleediginge van onze hijde geen enkelde stap van vijande lijkheid gepleegd is §51. Het Hof van Kandia heeft voorts in den beginne bij twee brieven verklaard, dat de Hortile beweegingen die het maakte het te rug hebben der strande ten oogmerk had= =den; en bij de laatste dezes twee brieven zegt het met zoo veel woorde, dat op 's Gouveneurs verzoek, dat ter voorkooming van mivver =stand geen veel gewapend volk. mogte komen te te digt onder onzer footen houde worden gelet wanneer de afgestaane landen en strande aan 's konings dispent wierd en tenug gegeeven. §52 Het Hof heeft bij deeze zelvde brieven ver= klaard, dat het zijne Depaves hoo als het dat ook zeeders met er daad. heeft gedaan zoude afzenden met order om de lasterijns tot de krijgs dienst te gebruijken, het geen zeeker niets anders gezegt is, dan dat het desselvs. onbillijken hiser tot het terug hebben. der stranden met bijtelijk geweld dagt te Contineeren en niet om de limieten te dekken het geen Het Hof. dat wel wiste dat ale de oorlog niet zogten niet noodig hadde te doen. 153 Het Hof heeft genoegsaam ter zelver tyd de grenten doen sluijten en teegens het Wae= taat 's komp ingezeetenen= belet in de londen van de koning te handelen en te verheeren: en daar door alle her respondentie verbroeken. 854 Het hof heeft geweigert het hanneel schillen in 's konings lande; waar toe de kompe uijt hoofde van het wactaat van het Jaar 1766 geregtigt is. 155. Het hof heeft insgelyks teegens de duidelyke in houd van het nactaat geweigert het uijtleveren van een deperteur van het Regiment van Noemren niet teegenstaande we den zelven twee nonalen hebben gereklameerd, op de toolste, en hwadelijkste wyze wijze daar by voegende dat het onze deserteur die we reklameerden gebruikte om de Vaseoryns in den wapenhandel te oeffenen. 856. En zoo alle deeze dingen niet billijken en zelvs meer dan billijken, onze genoome maatzegelsn en gehouden beleyd weeten we niet in wat hin men houden moeten verstaen. het 25 Artikel van het Fractaat het welk met zoo veele woorden zegt. Dog bij aldien in het een of ander geval binnen ses weeken na dat de aanmaaning daar toe zal weezen gedaan, geene satisfac tie mogte volgen, of dat dezelve geweigert wierde, zoo zal de partyj die in voegen voorsz: in gebreeken blijft gehouden worden het tractaat overtreeden te hebben; en de beleedigde partij hal het hegt hebben. haar daar over met de wapens aan te opweeken: §57. De kompe is dus striet gesprooken uijt hoofde van dit Artikel geregtigt geweest, de koning met de wapenen aan tespreeken alleen daar= om dat hij teegens de duidelijken zin van het tractaat, het vrij schillen van manneel in zyne landen heeft betek, en geweigert heeft, het uijtleeveren. van een desertens waar toe het insgelyks volgens 280. 4 volgens het wact aat verpligt is. 858 Het hof heeft. het daar bij niet gelaaten Het heeft bij deeze weigering van dingen die bij het waet aat duijdelijk zijn bepaald. opentlijk verklaard, desselvs. vijandlyke voor= neemens die het Hof ook in uijtvoering ge= bragt heeft voor hot verse het dat helft. Juwen waagen, t konings Depades, hebben een geruijm en tijd Fort op onze liednieten geleegen met een party gewasend volk. en andere oorlogs toebee= reijdselen. zig daar beezig houdende met het maaken van alleshande dreigende beweee= gingh §59. Tit allen zijn zeekerlijk zoo veel reedenen te meer die de momp=e op het volkomenste wettigde om zig regt te doen met de wapene. en om mids die het Hof. als de Agressent afte- nemen alle zodanige lande en bezittingen als men konde bemagtigen, want het niet te ontkennen is, dat die geene is de agresseur die wettig oorzaak geeft, tot het dswatte der Wapens. en dat het Hof dit heeft gedaan. is zoo blijkbaar. dat we niet gien op wat gronden. dat zoude kunnen worden ontkend. 860 wij durven mids die met vertrouws denken

NL-HaNA_1.04.02_3975_0648 view scan ↗

English

think, that everyone must agree with us, that the Company, through the sustained hostile conduct of the Court of Kandy, has not only acquired the right to do everything that has been performed by us, but that it was even obliged to do so for its own security, for that the Kandyans had the intention this time to follow the very same measures again which they followed in the year 1761 is beyond all doubt. § 61. That these are no conjectures or loose reasoning appears from all their actions. Especially this appears among many things most clearly from the ola which the Court last year wrote to the head of the Matara district, whereby the same was enticed to rebellion, which ola was delivered by the Mudaliyar Ilangakoon with the deliverer to the Company, and this appears even more clearly from the attempts made at the same time by the notorious Don Simon, who in the first uprising acted as head of the rebels, and now again did everything possible to set the Matara district in motion anew, and who, as soon as he saw that his attempt had failed, fled and returned back to the King's country. § 62. Humanly speaking, it is to be attributed to the measures taken by us against it that the Court found itself disappointed everywhere in its attempts; if we had not guarded against it in time, and if the Court had been able to find the means, as in the year 1761, to penetrate into the Company's lands from many sides at once, we would soon have been able to find ourselves in the same unhappy circumstances that had such fatal outcomes in the first three years of the preceding war, and this time could have been all the more fatal, in proportion to the greater extent of lands that we have to protect than in the year 1761. And upon consideration of the dangerous and serious consequences of the war; that the same can be kept lingering year and day; that we are not capable of sending the required force; that one cannot find or bear the war expenses; that the costs will exhaust and consume us; that one does not know what one will gain and profit with an acquisition of more lands; that by desiring and demanding too much, one will alienate the Kandyans from us forever and embitter them in such a way that sooner or later, upon a change of the constitution on the mainland, they will attempt to expel us by foreign power. § 63. Nothing with the Court can outweigh, whatever one might put to work, the urge to have the beaches back, and after the steps which the Court has repeatedly taken now to have them back, one may safely assume that there is no other means against its attempts to expel us than that we deprive it of the power to do so. A lingering war from the Kandyans is only to be feared when one cannot push through. § 64. What serious and well-directed means can do to bring them speedily to reason, the Honorable Mr. van Eck showed in his second campaign. § 65. The Honorable Mr. Falck showed this further by maintaining Major Duflo with even only a very small army. § 66. As regards what you mention in particular, that one does not know what one will gain and profit with an acquisition of more lands, if one considers it of no importance that every acquisition from the Court at the same time reinforces the Company's state in proportion as it weakens the Court, and when, moreover, one has nothing else in view on Ceylon than only the cinnamon, then the Company certainly has lands enough. § 67. But if one considers that Ceylon, so to speak, apart from cinnamon also produces everything that India gives, that Ceylon can produce pepper, coffee, sugar, cardamom, indigo, and many other things of less importance in such a large quantity that the quantities that one desires thereof, so to speak, depend only on the means that are applied thereto; that one can now no longer doubt the possibility that Ceylon can produce its own grains, and that because cotton also grows very luxuriantly on Ceylon and can be produced in a large quantity, one can thereby establish a good number of linen factories on this island, then this truly alters the state of the question. § 68. Then one will easily see how very interesting an acquisition of more lands can be for the Company; then and then only does one appreciate Ceylon according to its true value, and one must remain convinced that this happy and very advantageous island can become more and more a source of prosperity for the Company. And for these and other motives that flow from the nature of the matters and their natural consequences, we believe that Your Honors would have done better and more prudently not to take this first step toward hostilities, and to leave the matter unresolved, since it is absolutely necessary to desist from all further open hostilities and to make the effort by all possible means to revive the correspondence again and to facilitate the occasion for the restoration of peace and tranquility. § 69. Besides the closing of the borders belonging to those means that are solely defensive, the King had also already closed his gravets by circular letter of 11 October long before the order given by us, as we have shown above. § 70. By the closing of the borders, also from our side, nothing has consequently been done that, even in the matter of correspondence, could produce anything that did not already exist. That we, for the rest, [illegible] Your High Honor's emphatic recommendation to make the effort by all possible means to revive the correspondence again

Dutch transcription

denken, dat een elk het niet ons daar voor houden moet, dat de kompe door het gehoude hortiel gedrag van het Hof van Kandia niet alleen het hegt verkregen heeft om alles te doen, wat door ons is verrigt, maer dat ze zelve tot eigen veijligheid daar toe is verplicht geweest, want dat de kandira nen het oogmerk gehad hebben, om dit= maal weederom dezelvde maategelen te volgen die te gevolgd hebben in het Jaar. 1761. is buijten alle twijffel 861. Dat dit geene Gissingen df losse Raiso mementen zijn blijkt uit alle hoemne be¬ blijkt drijven. Intzonderheid bi dit onder veele op het klaarst, uijt de dla die het Hof voor= leede Jaar: aan de Hoofde van de Motureesche De pavong schreeff, waar bij dezelve tot opraer aangelokt wierden, welke dla door de modliaast Pllangakoon met de Besteller aan de Kompe overgeleeverd is, en dit blykt nog naader door de ten zelve tijd te werk ge„ stelde pogingen van de beruatten Den simon die in den eerste opstand als Hoofd der nebells. geageert heeft, en nu weederom al het mogelijke deed. om de Matureese Depadori op nieuw in dsiveer te brengen, en die noo dra hij zag dat zijn aanslag was mislutit ds 2806. is gevlugt, en rug begeeven heeft na 'tkonings land. §62 Menschelyk gesprooken is het aan de door ons daar teegens genoomene maatwegel toe te schrijven, dat het Hof zig in desselds aan= =slaagen over al heeft gevonden gedisappointeerd zoo we daar teegens niet in tijds hadden ge =waakt, en dat het Hof middel hadde kunnen vinden om gelijk in het Jaar 1761 van veele kanten te gelijk in 'tkomp landen in te dringen zoude me rig spoedig hebben kunnen hie, in de zelvde ongelukkige omstandigheeden =die in de eerste drie Jaaren van de voorgaande oorlog zulke noodlottige uijtkomsten ge had hebben. en dit maal te noodlottigen zoude hebben kunnen zijn, na maute van de grootere uijtgestrektheid van vanden die we te beschermen hebben dan in het Jaar 1761. en bij overweging van de gevaarlyjke en nadenkelijke gevolgen van den oorlog; dat dezelve Jaar en dag sleepende gehouden kan worden dat wij niet in staat zijn de vereischte magt te zenden, dat men de oorlogs kosten niet kan vinden of draagen, Dat de onsen ons zelven zullen uijtsuutten en verteeren. Dat men niet weet wat men met een Acquisitie van meer landen 2 zal winnen e profiteere. Dat men door te veel te begeeren ente Eisschen, de Mandiaans voor voor altoos van ons zal verwijderen en zoodanig verbitteren, dat hij ons vroeg of laat bij vevande ring der Constitutie op het Vente land door vreemde magt zullen tregte te verdrijven. §63: Niets kan bij het Hof ofwegen wat men ook zoude moogen te werk stellen, den trek tot het terug hebben der strande, en na de stappen die het nof uw te meermaale gedaan heeft, tot het terug hebben daar van, mag men het gerust daer voor houden, dat 'er geene andere middel is teegens desselvs pogingen, om ons te verdrijven, dan dat we het zelve, het vermogen daartoe beneemen. Een sleepend oorlog heeft men van de kandiaanen alleen te vreesen; wanneer men niet kan door= tarflen. 864 wat ernstige en wel aangelegde middelen: &dan om hun spoedig tot heeden te brengen; heeft de Edele Heer van Eck in zijn tweede kampagne getoond. § 65 De Edele Heer Falck heeft dit nader getoond door het honden van den Majoor Duflo met zelds maar een heel klein leegestje. § 66. Wat uw in het bezonder aangaat, dat men niet weet, wat men met eene Aequisitie van meer landen zal winnen en profiteeren zoo me het van geen belang reekent, dat elk aequisi„ tie op liet Hof te gelyker tijd dat he tkomp staat te meer bevestigd na maate van dien het hof verswakt en wanneer men daar bij op beilon 281 beilon niets anders op het oog heeft dan alleen de kanneel, dan heeft de komp. e zeekerlyk landen genoeg. 167. Doch als men bedenkt dat beilon buiten de kanneel om hoo te spreeken ook alles voortbrengt wat Indie geeft, dat beilon Peeper, Keffy, zuiker, bardemom Jndigo en veele andere dingen van minder belang, in zulk een groote hoeveelheid kan voortbrengen dat de quantiteijten die men daar van begeerd; om zoo te spreeken. alleen Dependeeren van de middelen die daar toe worden aangewend; dat men tans niet meer twijffelen kan, aan de mogelijkheid dat Ceilon zijne eyge graanen kan voort= brengen, en dat wijl het kattoen op beilon ook heel weeldrig groeijt en in een groote hoeveelheid kan worden voortgebregt me mits dien één goede pont, lijwaats fabrieke op dit riland kan aanleggen, dan verandert dit werkelyk den staat der quertie. Dan ziet 868 Zak men ligtelijk hde heer een Acquisitie van meer lande voor de kromp interressant zijn kan, dan en dan alleen appregieert men beilon naa zijn werkelijke waarde, en moet men zig overtuigd houden, dat dit gelukkig „ en heer voordeelig riland voor de Komp ma en meer worden man een bron van welvanrt. en om deeze en andere motioen die uijt de Aard der Zaaken en der zelver natuurlyke ge volgen. voortvloeijen, vermen wij dat uEE bete en voorzigtigen zoude hebben gedaan deeze eerste stap tot Vijandlykheeden niet te doen. en de zaak. buijten haar geheel te brengen, alzoo het volstrekt noodzaakelyk is, van alle verdere dpentlyke vijandlyk= heeden aftezien, en door alle mogelyke middelen de betragting te maaken, om de korrespondentie weeder leevendig te doen worden, en de okkasie tot herstel der Rust en vreede te faciliteeren. 169. Behalven dat het sluijten der grensent behoord dat die middelen die alleen Deffensief zijn, hadde ook de koning lange voor de ordre door ons gegeeven bij Circulairen brieff van den 11e October tijne Gravette reeds geslooten Zoo als we dat hier boven hebben getoond. 879 Door het sluijten der grensen, ook van onze zijde is bij gevolg niets gedaan, dat ook zelvs, in het stuk van de morrespondentie iets konde voortbrengen, dat niet reeds bestond. Dat wde voor het overige Uw Hoog Edelh: nadrukkelyk Rekommandatie om door alle mogelijke middelen de betragting te maaken, om de korrespondentie weeder leevendig te doen worden

NL-HaNA_1.04.02_3975_0653 view scan ↗

English

have been literally obeyed, I have had the honor to point out above. Because contrary to Your Honors' opinion, we are of the view that the Kandyans do not need the textiles so badly, or can manage for the time being with the domestic fabric. §71 In order to be able to prevent the export of salt, it mainly happened that they also prohibited all import and export of other goods, and thus also of the textiles. But that the Kandyan also cannot do without the textiles, and that not only the textile made in the King's country is nothing but very coarse and bad material, serving only for the use of the common people, but that even the quantity they produce of it is very small in comparison to what they need, we can assure Your High Noble with much confidence. And regarding the salt, one must assume that they will have provided themselves amply for several years as soon as they harbored any designs to the detriment of the Company, as the previous five-year war has shown how long they were able to hold out. §72 The Court and the primary courtiers will indeed have provided themselves with salt for the time being, but that cannot be expected of the common man. That the Kandyans were not at a loss for salt in the preceding war, the reason for this is easy to understand. The salt pans are situated in those lands that were ceded to us by the peace treaty and only came completely into our hands not long before the end of the war; nor could any well-regulated arrangements on that matter be made then, as can be done now. §73 Against the fetching of salt, so little guard was kept that as late as the year 1764 a detachment of ours under Captain Tournooij intercepted an entire caravan of pack animals loaded with salt from Puttalam and brought it into the camp at Wissenaie. In the Magampattoo, where the largest salt pans lie and everything was still in confusion, it was even much worse. To which is added that, according to the excerpt of the letter sent to us by Your Honors, written by the Commandant of Kalutara on the 10th of November 1791 to the Dessave of Colombo, the Chalias go to the lewayas to fetch salt without him being able to prevent it, and he has therefore declared it impossible to counter the salt trade with the Kandyans. §74 That the export of salt can be prevented when sufficient measures are taken has this time become apparent in the clearest manner. Everywhere in the King's country the salt shortage has been so great that it was beginning to become utterly unbearable for the inhabitants. To what a height this had already risen appears, among many other proofs available of this, from a letter from the Dessave of Matara of the 25th of October last, which is included among the appendices, in which Your High Noble will find that when we had the borders opened, the King's inhabitants fell upon the salt like wild cattle. §75 What has been feasible in the Magampattoo, where the salt pans lie—known by the name of the great and small Lewayas, lying at a distance of many hours from each other in a land that is still almost wild—Your High Noble will easily understand that it has been all the more feasible in the Colombo Dessavony, where posts are stationed from place to place, and we moreover had several new posts placed on the borders; and without allowing ourselves for the rest any reflection on the distinction between our official reports to Your High Noble and the reports of a subaltern officer, we only note here that the writing of the Commandant of Kalutara, Rudolph, should not be taken for anything more than that he alone at Kalutara could not prevent the excessive sale of salt to the Company's inhabitants, which he had been recommended to watch and to which his aforesaid letter served as a reply, because the Chalias, over whom he is not the master, also sold salt there from the salt that is customarily permitted to them, once they have fulfilled their obligations, to fetch from the lewayas. But the Head of the Mahabadda, under whom the Chalias stand, has also been recommended to watch against this, and we rest assured that he and the chiefs subordinate to him have properly fulfilled their duty in this matter. And if one further considers that on the one hand one must incur excessive expenses and on the other hand loses the benefits derived from the country, we judge that the plan formed by you to compel the Court merely by closing correspondence and reciprocal trade is not, as Your Honors say, of little consequence, but rather very harmful, especially since Your Honors yourselves cite that the revenue farms will be considerably depressed and the inhabitants deprived of provisions. §76 The extraordinary arrangements that had to be made upon closing the borders consist, besides the stationing of some military detachments on the borders, mainly in paying a rixdollar and a parra of rice monthly to the lascorins, and to the kanganyas and aratchies pro rata, who have been stationed at the posts established on the borders to prevent salt from being exported. Excessive expenses have not been incurred for this purpose. §77 The products that the Company draws from the King's country, besides cinnamon, are pepper, coffee, and cardamom. The King was unwilling to permit the peeling of the cinnamon, and the export of the other products he had also prohibited long before the borders were closed on our side, and thus the Company, by having our borders closed as well, has suffered no loss in that respect. §78 That the loss on the revenue farms has also not been very great will appear to Your High Noble from the report that is to be made on this in its proper place among the ordinary papers. §79

Dutch transcription

282 worden. letterlyk zijn opgevolgd hebben ide de Eere gehad hier boven aan te wijzen. Want Contrarie UEE gevoelen zyn we van begrip, dat de kandiaanen de lijwaaten hoo zeer niet noodig hebben, of te konnen zig met inlands gewees voor eerst behelpen. 871 om te beeler den uijtvaer van hout te kunnen beletten is het Hoofd zakelyk geschied, dat de ook alle in en uitvoer van andere goederen verbooden hebben, en dus ook van de lijwaaten. Doch dat de kandiaan en ook de lijwaats niet missen kunnen, en dat niet alleen het lijwaat dat in skonings land word aangemaakt, niet dan heer Gros en slegt goed is, strekkende alleen tot gebruik van het geen een volk, maer dat ook zelfs de hoeveelheid die he daar van Aanmaaken heer gering is, in vergelyk van het geen te behoeven kunne we Uw Hoog Edelhe met veel vertrouwe verzekeren. en van het hout moet men vant stellen dat ze zig voor eenige Jaaren ruijm voorzien zullen hebben zoo draa zie eenige oogmerken gekoestert hebben ten nadeele van de kompe gelyk de voorige vijfjaarige oorlog heeft getoond, lide lange he het hebben kunnen uijt houden„ 872. Het Hof en de eerste Hofsgrooten zullen zig wel voor eerst van hout voorzien hebben dog dat kan men niet verwagten, van de gemeenen man. Dat de de mandiaanen in den voorgaande oorlog niet om hout verleegen zijn geweest daar van is denken. de heeden ligt te begen De houtpannen leg„ =gen in die landen die ons bij het vredens tracta zijn afgestaan en niet lang voor het eijndigen van de oorlog eerst geheel in onze handen ge =koomen zijn; dan ook toe konden geen Noo gezegelde schikkingen op dat stuk gemaakt,d dan tans geschieden kan. 173 Teegens het hout haale, wierd zoo weinig ge „waakt dat nog in het Jaar 1764 een kommand van ons onder Capitain Tournooij een heele baravane van draag beesten met hout van Pututeng belaeden opligtede en in het kamp te Wissenaie bragt, In de magenpalti daar de grootste hout pannen leggen en alles nog was in verwarring, ging het nog veel slimmer. waar bij nog komt, dat volgens het door UEE ons toegezondene Extract brief door den Commandant van Kaliture den 10e 9ber 1791: aan de Depade van kolombo geschreeven, dat de Chaliassen na de lewaijt gaan om hout te haalen, houder dat hij hulks konde beletten, en mits die heeft verklaard het oimogelyk te zijn om de hout handel met de Randiaang teegen te gaan. 174 Dat der uijtnoer van hout kan worden belet wanneer daar toe toerijkende maat= regelen 283 Maatregelen genoome worden is ditmaal op 't klaarste gebleeken, Overal in 't konings landen. is het hout gebrek zoo groot geweest dat het uw voor de ingezeetenen verder ondragelyk begon te worden. Tot wat een hoogte dit reeds. geklommen was, blykt onder veele andere beweisen, die daar van voor handen zyn, uijt een brief van de Depave van mature van den 25' October &h. n die onder de bijlaagen over= =gaat waar bij Uw Hoog Edelh: zullen vinde, dat toen we de grensen hadde doen openen, Wko= nings ingezeekene als het wilde vee op het hout zijn aangevallen 875 Het geen doenlyk geweest is in de Ma= gempattoe, daar de houtpannen leggen, be =kent onder de naam van de groote e kleine Lewayt legger op een Uijtgestraktheid van veele Uuren van malkanderen in een land dat nog bij na woest is, zullen uw Hoog Edelh: ligtelyk begrijpen, dat te meer doenlijk geweest is in de kolombosche Depavoneij daar van plaats tot plaats posten leggen swij nog boven dien verschyde nieuwe porten hadde doen leggen aan de grante, en zonder ons voor het overige liver eenige reflectie te permitteeren, over het onderscheijd tusschen onze offigieele berichten aan Uw Hoog Edelh= en de berichten van een subalters officier merken hier merken wo alleen aan, dat het schrijve van de kommandant van Kaltere Rudolph. voor niet hooger op te neemen is, dan dat hij alleen te Kaltere het te veel verkoopen van houd aan 's komp ingezeetenen waarop Hij ge¬ rekommandeert was te moeten letten, en waar op voorz: zijn brief te andwoord. heeft verstrekt niet beletten kon, wijl de bhaliassen waar over hij geen meester is, ook daar hout verkogten. van het hout dat hun na gewoonte gepermit teerd: word, wanneer he hun verpligting hebben afgedaan uijt de lewaijs te haalen doch ook het Hoofd van de Malabade onder wien de Chaliassen staan is Gerecom= =mandeerd, om daar teegen te waaken en wij houden ons verzekert, dat hij en de aan hem onderge¬ schikte Hoofden in deeze aan hun pligt be„ hoorlijk hebben voldaan. En indien nie verder aanmerkt, dat men aan de eene hant excessive ongelde moet maaken en aan de andere kant mist de voordeelen die men uijt het land geniet zoo ordeelen wij d het door nudh geformeerde plan om nieuelyk do het fluijten der korrespondentie en wederzydsche handel het Nof te disingen, met zoo als UwE zeggen wat maar wel seer schadelyk is, leijgo der daar UEE zelvs aanhaalen, dat de pagten merkelyk gedrukt en de ingtzeetenen van leevens mid len zullen ontriefd wordden. 176 De buite gewoone bestellingen welke by het sluyten der grensen hebbe moeten worden gedaan bestaan 284 buyten het leggen van eenige militairen dctechementen aan de grense Hoofd= zaakelyk in het betaalen van een Rosig en een parra Rijst maands aan de lasçoryns, en aan de kangaans en Ar= vaatjes na nato, die gestaen hebben op de porten, op de grensen aangelegel, om te beletten, dat er geen hout wierd uijtgevoerd Excessuve ongelden zijn, mids die daar toe niet gemaakt. §77 De Producten die de kompe in't wonings land trekt, behalven de kanneel zijn Peeper Koffey en Kardamond, Het schillen van de kanneel heeft de koning niet willen 'toe= staan en het uitvoeren van de andere produc= te hadde hij ook reeds lange voor dat van onze zijde de grenten geslooten zyn beelet, en heeft dus de kompe door dat we ook onse grensen hebben laaten sluiten, in dat stuk geen schaade geleeden 178 Dat het verlies op de pagten, ook niet hoo heel groot geweest is, hal Uw Hoog Edelh: blijken uit het verslag dat daar van op zijn plaats bij de gewoone papieren staat te wordengedaan 179

NL-HaNA_1.04.02_3975_0658 view scan ↗

English

179 The export of provisions and other necessities which the Company’s inhabitants draw from the King’s lands had also already been prohibited by the King, and all that the closing of the borders from our side has brought about in that respect consists only in this: that our orders prohibiting the import from the King’s lands of all such things have also been better enforced than those of the King likely would have been complied with, had it remained solely at that. Which we cannot so readily agree to, that the Company must resign itself to, as not being convinced that there would be absolutely no other means than that of arms to bring the Court to peace. 180 Besides the fact that the closing of the borders does not belong to the means of arms, one cannot desire the end without at the same time desiring the means without which the proposed end cannot be achieved. We think therefore, be it said with deep respect, that the Company in such circumstances must resign itself to the inconveniences which, both for it and for its inhabitants, are connected with the prohibition against import and export to and from the Kandyan country, even were these actually much greater than they are in reality. 181 For if the Company, when the Kandyans violate the treaty and moreover even commit open hostilities against it, cannot obtain justice by force of arms, or at least does not see fit to do so, and should also be deemed unable to bear the inconveniences connected solely with the means of enclosure, then we do not see what further could be employed from the Company’s side to restrain the Kandyans, and what in the end things must turn into. We believe, on the contrary, that political means can be devised for this purpose, which cannot fail in any way, if one assumes, as we believe we may do with good reason, that the Kandyans, seeing our resoluteness to await them and even to attack, are inclined to peace. To which Your Right Honourables, in your highly esteemed missive of 15 June 17[illegible], further add: and we must conclude from all circumstances that if Your Honour had continued with them, namely the means employed by us to inspire peace-loving sentiments in the Court, while observing the necessary caution, the Court would before long have cooled down noticeably in its dissatisfaction and the transport of passion over the disappointed hope of recovering the coast, and subsequently, little by little, by some flattery of its pride, would have come round and would have facilitated the opportunity to settle the disputes. 182 In limiting ourselves to the defensive, we had at the same time to take measures in order to be able to act otherwise if necessary. We had to begin, as we have done, by showing the Kandyans that we were not afraid and that we were not only ready to await them, but even to attack them. 183 As long as we did not do the latter, there was no fitter means to restrain the Court than a complete enclosure, and in the meantime, if that means did not work as required, to prepare ourselves, as we have also done, for active means, for which the way was prepared by the plan of enclosure itself. 184 And to these means employed by us and measures taken, it is humanly speaking to be attributed that the Court, notwithstanding it had begun in so haughty a tone, humbled itself at least so far as to have requested of us twice that we would have our borders reopened. 185 What other measures could have effected to the contrary, and whether the Court, after some flattery of its pride, would have come round even only as far as has occurred, can be deduced with great certainty from the examples provided by the former war and even the most recent troubles, showing what the way of friendliness is capable of achieving with the Court. 186 After the late Governor van Eck assumed the government, he wrote, in order to notify the Court thereof shortly after the departure of the Honourable Mr Schreuder, the letter which is inserted into the Ceylon resolution of 20 March 1762. By this letter, the said Mr van Eck stated that he had taken over the government; that the Court had pretended that the cause of the recent unrest was that Mr Schreuder had committed injustices against the inhabitants which had become known to the Court; but that His Honour requested that what the Honourable Mr Schreuder had done wrong might not be imputed to him, and therefore prayed the King to cause the unrest to cease and to permit that the Company’s ambassadors, who were appointed to bring to the Court a letter from Your Right Honourables accompanied by gifts to His Majesty, might arrive. More flattering and with more submission could hardly have been written. The Court answered thereto that the Court’s grandees and their people had been sent into the Company’s territory because the Honourable Mr Schreuder had committed injustices against the inhabitants and had sent detachments to the Hina Korle, Hewagam, Hapitigam, and Alutkuru Korles and into the Matara Dessavony, and because His Honour had refused the request often made by the Court to be allowed to send two or three dhonies with areca nut from Calpentyn to the opposite coast; but that if the Honourable Mr van Eck sent no people into the aforesaid Korles and Dessavony, and would allow some dhonies with areca nut to be sent yearly from Calpentyn to the opposite coast, then ambassadors could be sent back and forth, and the Company [illegible] the products

Dutch transcription

179 Den uitvoer van leevensmiddelen en andere be hoeftens die tkomp ingezeelene uit kkonings landen trekken, had de koning: ook reeds verbooden, en al het geen het fluijten der grenven ook van onze zij de zelvs ook in dat stuk heeft voortgebragt bestaat midt dien alleen hier in, dat onze orders ver= biedende den invoer uit 'tkonings landen ook helds van alle diergelyke dingen beeter zijn in gevoerd dan die van de koning waarschijnlyk zoude zijn nagekoomen, zoo het daar bij alleen gebleeven was het welk we zoo gereedlijk niet kunnen toesten men, dat de komp zig moet getroosten, als nie overtuigd zynde dat er volsticht geen ander middel als dat der wepenen zoude weesen, o het Hof tot heede te brengen. 83 Behalven dat het sluijten der grensen niet behoord tot het middel der wapens, zoo kan men ook het einde niet willen zonder tevens te willen de middelen houder dewelke het voorgestelde eijnde niet kan worden bereiht, we denke daarom het rij met diepe Eerbied gezegt, dat de kompe in zulke geleegentheeden rig getroosten moet de ongemak =ken die zoo voor haar als voor baare ingezeetene verbonden zijn met het verbod teegens den in en uitvoer na en uijt het Randeasche lande, alwaar die ook werkelijk veel grooter dan he met er daad zij §80 Want zoo de komp wanneer de kandjaan en het Tractaat overtreeden, en daar bij zelds openbaare vy andlijkheeds teegens haar bedrijven, zig met de wapens geen regt doen kan, of ten minste goed vind dat te doen ook zoude moeten geagt worden niet te kunnen draagen de ongemakken ver= bonden met hiet middel alleen van insluijting die 285 hier we niet wat van 'tkomp zijde verder zoude kunnen worde te werk gesteld om de kandaanen te beteugelen, en waar op niets dien de dingen eijndelyk zoude moeten uitloopen. waar vermeenen ter Contrarie dat daartoe politieke middelen uijt te denken zyn, die geen= zints konnen ontbreeken, indien men ondersteld. gelyk wy vermeenen met grond te mogen doen, dat de kandiaanen Thiende onse resoluitheid om hun aftewagten en zelds om aan te vallen geneigd zijn tot steede waar bij uw Hoog Edelh: bij Hoogst derzelver heer ge eerde missive van den 15 Juny 14 nog voegen. en wij moeten uit alle omstandigheeden besluiten dat indien UEE daar meede /: de door ons te werk ge= stelde middelen om het Hof vreede lievende ge„ voelens in te boesemen, hadde gecontinueerd onder het in acht neemen van de noodige beehoedzaam- heid het Hof eerlang merkelyk zoude zijn ver= koeld, in de onvernoegtheid, en vervoering van de drift over de te deur gestelde lioaft op de terug bekooming der stranden en vervolgens lang na= =merhand bij indan eenige vleijery van desselvs wotsheid aan de hand zijn gekoomen en de Aanleijding tot vereevering der verschillen gefaaliteerd zoude hebben. 182 Met ons tot het defensive te bepaalen moeiten wij teffens maatzeegelen neemen om des noods anders te kunnen handelen. we moesten beginnen gelijk we hebben gedaan, met de kandiaane te doen zien dat de ze niet schroomde en dat we niet alleen gereed waaren he aftenagten maar he zelvs aan tevallen. 883 zoo lange we dit laatste niet deeden water geen bekwamer middel om het hof te beteugelen dan eene Rompleete insluiting, en om ons, gelijk ide dat nog hebben gedaan, in tusschen Roo dat middel niet na vereisch werkten toetebereijds tot aktive middelen waar toe door het het pland van insluijting zelv de weg wierd geprepareerd. 886 En aan deeze bij ons te werk gestelde midde„ len, en genoomen maatzegelen heeft men het Menschelijk gesprooken toeteschrijven, dat het Hof niet teegenstaande het op zoo een trolde too„ begonnen was zig te minsten in zoo verre heeft voornedert dat het ons tot twee maalen toe heeft laaten verzoeken, dat de onse grensen weederom wilde doen openen. 185 Wat daar en teege andere maatzeegels konde hebben uitgewerkt en of het Hof niet maar eenige Vleijerij van depelds trokslieid aan de hand zoude zyn gekoomen ook zelvs maar in hoo verre als is geschied, is met veel zeekerheid af leijden uijt de voorbeelde die de voorgeemde oorlog en ook zields de Jongste strubbelingen uit= =leveren van het geene de weg van vriendelyk heid op het Hob vermag„ 486 Na dat de Hooghalige Heer Flk Gouverneu van Eck het leestier laad aanvaart tetweeff hij om het not daarvan kennis te geeven kort ne het vertrek van de Edele Heer Schreuder, den brief die geinsereerd is bij de Peilonse resolutie van den 20 e Maart 1762: By deeze brieff hegt gem Heer van Eck. dat hij het Bertier hadde overgenoomen. Dat het Hof hadde voorgewend, dat de oorzaak van de gerevene onluiten was, dat de Heer Schrender onrechtvaardigheeden aan de ingezeeting hadde gedaan, die aan het hof waaren bekend geeaakt dog 286 dog dat zijn Ed verzogt dat hem niet mogte worden toegerekend, het geen de Edele Heer schreuder misdaan had, en mitsdien de ko= =ning bad om de onluiten te doen ophouden en toetestaan, dat 't komp Ambassadeurs. die benoemd waaren om na het Hof te brengen een brief van Uw Hoog Edelh: ver= zelt van geschenken tot zijn majesteit mogte koomen, vleijender en met meer onder= =wersing konde wel niet geschreeve werden. Het Uo andwoorde daarop, dat de Uofsgroote en denzelver volk in 'tkomp gebied gezonden waaren. om dat de Edele Heer Schreuder onrectit= vaardigheeden der ingezeetene hadde aan= gedaan, en detachementen gezonde had, na de Hina koors Hewegam, Hapitigam & Allaet boer borles en in de Maturesche Depsa= vonre en om dat zyn Ede afgestaagen had, het door het Hof dikwals gedaane verzoek, om twee a drie tonijs met Arreek van Kalpetten na de overwal te mogen kenden, dog dat indien de Edele Heer van Eck geen volk in de voorsz: korles en Depavony Tond, en toestaan. wilde dat eenige toonies met arreek sjaars van Kalfietty na de overwal ge= zouden wierden, als dan Ambassadeurs over en weder konden gezonden worden, en de komp de prodachten

NL-HaNA_1.04.02_3975_0662 view scan ↗

English

could enjoy the products as before, but that otherwise the remaining korles would also be brought into rebellion. The Lord Governor van Eck went so far concerning this letter that he ordered the detachments in the aforementioned rebellious korles and in the Matara Dissavony to break camp, with orders not to venture further inland, and only to defend themselves at their posts whenever they might be hostilely attacked; and notice of this arrangement was given by our Dessave to the Kandyan Dessave of the Three and Four Korles, with the further announcement that our ambassador was ready to come to the Court in order to deliver the letter of Your High Nobility. Upon this, the Court adopted an even higher tone. It had the Dessave of the Three and Four Korles write to our Dessave that before our ambassadors could be received and the disturbances quelled, it had to be declared in writing that no detachments could be sent into the aforementioned korles and Dissavony, and that the Court would be permitted to send some thonies with areca nut from Kalpitiya to the opposite coast, and that if this did not happen, the disturbances would still continue. In this manner the correspondence was conducted for some time longer. Finally it went so far that the Court showed very clearly that, by demanding that no more detachments be sent into the aforementioned korles and Dissavony, it meant nothing less than that these korles and Dissavony had to be considered as having been annexed for the King. However, when the Lord van Eck, seeing that nothing else could help, caused the Kandyans to be driven out of the Matara Dissavony, had Chilaw and Puttalam captured, and also took possession of a parcel of lands on the east side of the island, the Court immediately changed its tone. It wrote that it would now be very good if our ambassadors were sent. The sending of ambassadors was now refused by the Lord van Eck. He wrote that it was the duty of the Court to compliment a newly arrived Governor by an embassy, and added to this, making use of the very same expression of which the Court had made use, that it would now be very good for the Court to do this, to release the Company's imprisoned servants, and that the courtiers who were still roaming about here and there in the Company's lands should withdraw from them rather quickly. And when the Lord van Eck added to this in a further letter that he set a deadline of 14 days for this, adding that if his demands were not met within that time, it was best to write back and forth no longer, the Court sent an embassy which escorted the Dessave Leembruggen and Captain Dias with much courtesy, along with a party of other prisoners. The Court now no longer spoke of free thonies at Kalpitiya, much less did it speak of the annexation of the Matara Dissavony with the Siyane, Hapitigam, the Alutkuru and Hewagam Korles for the King's provisions, as the Kandyans are accustomed to speak. All these ridiculous demands the Court abandoned at once, and it would have been very pleased if it could now have made peace by simply restoring things to the old footing; but the Lord van Eck saw all too well what was continuously to be expected from the Court of Kandy, and therefore turned down all requests tending thereto, as all of that is described in detail in the papers of that time. Section 87: It went just the same with the late Lord Governor Falck. Upon His Nobility's arrival in Colombo, he wrote a letter to the Court to give it notice that he had assumed the government. The letter bearers were driven back with insults, as appears from the report of Major Medeler of 31 December 1765; but as soon as the Lord Governor Falck sent Major Duflo with only a very modest little army through the Seven Korles and the Dissavony of Matale, so to speak right up to the gates of Kandy, the Court, which had not had the courage to have a single shot fired at these people, immediately sent ambassadors to Colombo, who came to beg the Company for peace in a cowardly manner. To our first two letters, whereby we asked the Court in a serious manner for the reasons for its strange conduct, and gave notice

Dutch transcription

producten gelyk bevoorens genieten konde maar dat anders de overige barles ook in opstand zoude gebragt worden. De Heer Gouvaneur van Reh ging op deeze brief hir verre dat hij detachementen in de voorsz: opvoerige borles en in de Matunesche Depsavoni deed opbreeken met last om zuch met landwaards in te begeeven, en zig alleen te defendeeren of haare porten, wanneer ze vijandlyk mogte worden Aangetart, en van deese schikking wierd door onze Dehave ken uis gegeeven aan de kandiasch Dessave van de drie en vier korles onder nader bedeeling, dat onze ambassadeurs klaas stond om na het kof te koomen, om de brief van Uw Hoog Edelh: op te brengen Het Hof nam hier op nog een hoogere toon aan Het liet door de Desave van de drie en vier borts aan onze Desade schrijven, dat al voorens onze Ambassadeurs konden worden ontfangen en de onluiten gestilt worden men schriftelyk moest verklaaren, dat 'er geene detachementen in de voorsz: kools en Depavony koude gezonden worden en dat aan het Hof zoude worden toegestaan om eenige toonies met arreek van Kalpetty na de overwal te kenden, en dat zoo dat niet ge =schiedde de onluiten nog zoude voortduuren op deeze wijze wierd de Correspondantie nog een tijd lang gevoerd. rindelyk ging het zoo verre, dat het Hofs heer klaarlyk deed blyken. dat 287 dat het door te Eisschen dat geene detaelie menten, in de voorz: Mools en Dessavong meer zoude worden gezonden, niets minder verstond dan dat deese korld en. Dessavong moesten gehouden worden te zijn ingetrokken voor de koning Doch toen de Heer van Eck Ziende dat niets anders helpen konde de kandiaanen uijt de Maturesche Depavony deed verjaagen Pilauw en Patelang deed inneemen, en ook aan de oost kant van het Uiland deed in begit neemen, een parly lande, veranderde het Hof aanstonds van toon, Het schreeff dat het heer goed zoude zyn her nu onse Ambassadeurs gezonde wierden Het zenden van Ambassadeurs wierd nu door de Heer van Eck. gewijgert. Hij schreef dat liet de pligt was van het Hoff een nieuw Aangekomene Gou„ vanens door een ambassade te doen komplimenteere en voegde daarbij, zig bedienende van de helvden uit= druk waar van het Hof Zich haad bediend, dat het voor het Nof uu zeer goed zonde zijn dat het dit deed, 'skomp gevangene Dienaaren ontsloeg; en dat de Hofsgrooten die nog hier en daar in 's Comps landen omsworven, zig wat spoedig uijt deselve retireerd een En toen de Heer van Eck bij een naderen brief nog daar bij voegde dat hy daar toe stelde een Eer= myn van 14 daagen, met bijvoeging dat wanneer binnen die tyd aan zyne Eisschen niet wierde voldaan, het bert was ookr en weeder niet meer te schrijven. hond het Hof een Ambassade die de Dessave Leembruggen en den kapitein Dias met veel Hof= telijkheid afbragt, met een partyj andere gevangen, Het Het Hof sprak uw niet meer van vrye toonies op Kalpetty, veel minder oprak liet van het uitrekken van de Matuheese Dessavony met de Rina Hapitigam, de Alloet Coes en Hewagain Cortes. voor 's konings dispens gelijk de kandiaan en gewoon zijn te spreeken. Alle deeze nedicule Eijsschen liet het Hof op eenmaal vaaren, en het zoude heer bleijde ge„ weest zyn, noo het uw vreede had kunnen maaken met de dingen eenvoudig te herstellen op den oude voet- dog de Heer van Eck Zag altewel wat men van het hof van kandie bij voortduuring te wagten had, en wees daarom alle aanzoeken daar toe strekkende, van de hand, brede zoo als dat alles in het beschreeven is, bij de papieren van dien tijd. §: 87: Even hoo ging liet met de Hoog zalige Heer Gou= verneem kalch. Bij zyn Edelens komst te kolom & schreef hij een brief aan het Hof, om het zelve kenni te geeven dat hij de Regeering hadde aanvaart. De Brieff draagers wierden met smaad terrug gejaagt, ro als dat blijkt uit het Rapport van de Majoor Me= deler van den 31 December 17615 doch noo drade Heer Gouvernuur Falck de Majoor Duflo houd met maar een heel maatig leegertje door de Zes en kooles en de Depavonij van Matele om ko te spreeken tot voor de Poorten van Kandea, houd het Hof dat de moed niet gehad had, om op dit volk een enkeld schoot te laaten doen, inmediaat Ambassadeurs, na Kolombo, die de komp op een lafhartige wijze om de vreede kwamen derzaek 188 dp onze twee eerste brieve, waar bij ne aan het Hof op een ernstige wijze heeden vroegen van desselvs vreemd gedrag, en het kennis gneen

NL-HaNA_1.04.02_3975_0665 view scan ↗

English

statements of our provisional measures taken, as well as to our other letters written in the same style, the Court immediately sent an answer. On the other hand, the Court did not deign to send any answer to the two very friendly letters that we ventured to write to it, in order to see whether they might perhaps serve some good purpose: the one to inform the Court that, being informed that the presence of our troops on the borders had, contrary to our intention, instilled some uneasiness in the King's subjects, we had recalled them; and the other to make a further offer to the Court in a friendly manner regarding the revenues of the beaches, both for the past and for the present and future time, since it was said that the loss of the revenues thereof was too detrimental to the King's pantry. Paragraph 89. We testify not knowing what more we could or should have done, consistent with the Company's dignity, beyond what has been employed by us to instill peaceful and moderate sentiments in the Court. Paragraph 90. That the Court's complaints about what allegedly happened to a Buddhist priest—and which Your High Excellencies, in Your High Excellencies' most respected dispatch of 15 June 1785, remark as an example in which we could and should have acted differently—is a fiction brought forward by the Court solely because it was seeking a quarrel, is already evident from the fact that the Court, upon our express inquiry, did not indicate wherein that mistreatment consisted, as it ought to have done had it desired satisfaction from us. This appears further from the letters from Jaffanapatnam, Manaar, and Kalpetty enclosed herewith, from which Your High Excellencies will see that this priest was not only nowhere mistreated, but that he was even treated with much more courtesy than one is customary to show to that sort of people. Paragraph 91. What indeed would it have availed to further engage with the Court, which was even too proud to present the complaints to us anew regarding that matter, and this at the very time that the Court was treating us with such shameless insolence, as it did, among other things, regarding our reclamation of the soldier who had deserted from the Regiment de Meuron? Paragraph 92. If one could or should attribute the actions of the Court—of which it openly declared that they had the recovery of the beaches as their objective—to a transport of passion over the disappointed hope of recovering the beaches, it is hard to understand why the Court did not show that passion in the year 1784, and thus very shortly after, among many other things that occurred on that matter, it was given the writing mentioned in our respectful letter of 7 February 1783; for it is quite certain that the message delivered at that time by the Company's envoy, the first clerk Fonscha, did not flatter the Court at all. The offer he made, that if the Court would now please send some fine elephants to Jaffanapatnam, it could gain great profits from the sale, was rejected with a good deal of indignation. Paragraph 93. It may therefore, in our humble opinion, be far more likely assumed that it is not a transport of passion that has caused the Court this time to take steps that are an open breach of the treaty, and of which the Court itself has stated the hostile intentions, but that it was a premeditated plan, and that those who advised the King to take these steps brought him to the opinion that the circumstances were now more favorable for it than formerly. Particularly since you believe to have been able to perceive that the Court already repents the step taken, especially through the failure of the widely vaunted foreign assistance, from which one might indeed firmly conclude that easy means of accommodation are then to be found, provided they are not attached to such conditions very detrimental to the Court, as you have proposed to yourselves in Paragraph 38 to stipulate in case of a request by the Kandyans for an agreement, notwithstanding that it is indisputably certain that the more one wishes to stipulate, the more unstable the peace will be. Paragraph 94. If the Court had not repented of the steps taken, or rather had not begun to realize the danger thereof, still having fresh in memory how severely it was punished in the previous war, it would not have even made the requests it has now made. Paragraph 95. Whether the peace will subsequently be more durable because the same

Dutch transcription

288 gaven van onse provisioneele genoomene maatregelen, zoo wel als op onse andere brieven in de zelvde stijl geschreeven, heeft het Hof aanstonds antwoord ge zouden. Daar en teegen heeft het Hofzug niet verwaardigt eenig Antwoord te zenden op de twee zeer vriendelyke brieven die we gelragardeert hebben aan het zelve te schrijven, om te beproeven, of zie zomtyds tot iets goeds strekken konden de eene om het Hof kennis te geeven daor we g'informeerd zijnde dat de presentie van onse woupes op de grenten, teegens ons oogmerk eenig onge= huitheid hadde ingeboesemt aan Konings inge zeetenen, we dezelve hadde terug ontbooden, en de. ander om het Hof op een vriendelyke wijze nader Aantebieden de inkomsten der strande, zoo voor de voorleedene als teegenswoordige en toekoomende tijd, wijl het zijde dat het verlies der inkomsten daar van te schadelyk was voor 'tkonings dispens. 889 wed betuigen niet te weeten wat we behoudens 's komps Agting meer zoude hebben kunnen of behooren te doen, dan het geen door ons is te werk gesteld om het Uof. vreedsaam en, gematigde gevoelens inteboezenen. 190. Dat de klagten van het Hob over het geene een boeddoese priester zoude zijn weedervaars, en welk Uw Hoog Edelh: bij meenw Hoogst derzelver heer gerespecteerde missive van den 15 Juny D5. remarkeeren als een voorbeeld, waar in de anders zoude hebben munnen en behooren te handelen een verdichtsel is door het Hof ter baan gebragt alleen om dat het husie zogt, blijkt heeds daar uijt. dat het Nof op onge expresse vraege niet heeft Aangeweezen, waarin die mishandeling zoude hebben bestaan, zoo als liet hadde behooren te doen zoe het van ons voldoening verlangde, Nader blykt dit Uijt de brieve van Jaffanapatnam Maninaen e 3 Kalpetty die hier nevens leggen, en waaruijt uw Hoog Edelh: zullen hier dat deeze priester met alleen nergens is mishandelt, maar dat liij keldn met veel meer Hoffelykheid is behandelt, dan me met dat sag van volk gewoon is te doen. §91. wat toch zoude het gebaalt hebben, om het Hof, dat zelvs te toots was, om ons de klagte oplegen op nieu over dat geval verder te onderhouden, en dot ter zelver tyd, dat het Hof ons met zulk een schaam: teloose troisheid behandelde, als het onder andere gedaan heeft op onse reksame van hen zoldaat die van het regiment van Meuren gedesserteerd was 892. Zoo men de bedrijven van het Hof waarvan het opent: lijk heeft verklaard, dat zie het terug hebben, der strande, ten oogmerk hadden zoude kunnen of moogen stellen op reekening van vervoering van drift over de te leur gestelde koop op de tenug bekoming der strande, is het kwalyk te begrijpen, dat het Hof die drift niet getoond heeft in het Jaar 1784 en dus heel kort na dat onder veele andere dingen op dat stuk voorgevallen aan het zelve was gegeeven het geschrift vermeld bij onsen Eerbiedige schreete triev van den 7 februarij 1783: want het heel zeeker is dat de boodschap die tkomp ge¬ zant de eerste klerk Fonscha ter vier tyd deed, het Hof geheel niet heeft gevleijd. De Aanbieding die hij deed, dat als het Hof nu eenige fraaije Elephanten na Jaffenapatnam geliefde te zenden het uijt de verkoop groote voordeele zon= =de kunnen behaalen, wierd met vrij wast der ontwaardiging van de hand geweesen § 93 289 §: 93: Men mag het dus naar ons needrig indien veel meer daar voor houden, dat het niet is vervoering van drift, die het Hof ditmaal heeft doen koomen tot stappen, die een opentlijke verbreeking zijn van het traxtaat, en waarvan het Hof zelve de vijandelijke oogmerken heeft opgegeeven, maar dat het is geweest een overlegd plan, en dat de geene die de koning tot deeze stappan gesaaden hebben, hem het beugen „bragt in het gevoelen, dat de omstandigheeden daartoe nu gunstiger waeren dan eertijds. voornaamentlijk daar UE: vermeanen te hebben konnen baspeuren, dat het Hof reeds berouw heeft van den ge„ „daanen stap, voor al door 't missen der breed opgegeeven vreemde hulp, waaruijt men immers zoude moogen vast stellen, dat 'er dan gemakkelijk middelen tot assopiatie te vinden zijn, mits die niet verbonden worden aan zulke voor 't Hof zeer naadeelige Con„ „ditien, als UE: zig bij §: 38, hebben voorgesteld, in geval van aanzoek door de Kandiaanen tot vergelijk van dezelve te bedingen, ongeagt het onbetwiftbaar zeeker is, dat hoe meer men wil bedingen hoe on„ „bestendiger de vreede zal zijn. §: 94: zoo het Hof geen berouw had gehad van de gedaane stappen, of liever het gevaar daarvan had beginnen intezien, noch in versch geheugen hebbende, hoe dugtig het in den voorgaanden oorlog is gestraft, zoude het ook zelfs de ni gedaane aanzoaken niet hebben gedaan. §:o 95: Of de vreede vervolgens bestendiger zal zijn daardoor, dat dezelve N

NL-HaNA_1.04.02_3975_0668 view scan ↗

English

that it not be tied to conditions disadvantageous to the Court, is something uncertain, and belongs in our humble opinion to the class of things that are merely possible; meanwhile it is certain that the Company only approaches the certainty thereof to the degree that the Court of Kandy is rendered incapable of breaking the peace with impunity. Since then, as has been cited here before, the expedition to be undertaken to the Court etc. etc. etc. Section 96: Because the undertaking of an expedition has been explicitly forbidden by Your High Excellencies until all other means shall have been tried in vain, and because Your High Excellencies believe moreover that it is better not to desire any conditions from the Court that might be disagreeable to it, things will, as we think, for the present fold back into the same crease as they were before the troubles, without an expedition being necessary for that purpose; we only request permission, in order to show that our notions of how great the military force for such an expedition ought to be do not entirely differ from those of earlier times, to observe humbly here that we find in the Ceylon Resolution of 29 December 1761 only that for the expedition to Matara approximately 1000 men, and among them 530 Easterners, were deemed necessary and were also used for it. The entire military force on Ceylon at that time amounted to only 3314 heads of European and 3082 heads of native troops on the primary roster, according to the short state of the last day of December 1761. Section 97: 290 Section 97: We also humbly request to be permitted to observe that, if Your High Excellencies have understood the following words appearing in our respectful letter of 30 January 1792, Section 30, or properly speaking Section 31, "until one shall be better able to do so by a more sufficient number of well-trained native troops," to mean that we were requesting that Your High Excellencies would please send us well-trained Madurese, we have explained ourselves poorly and contrary to our intention. By this writing we understood nothing other than that, by postponing the campaign, all the new native troops, both the Madurese who were then still to be expected and the newly recruited sepoys, could meanwhile be better trained in the handling of weapons. Section 98: For the transport money of the sepoys with the English ship Severn Castle, twelve thousand rupees were paid at Cochin, although it appears to us that the decision taken by Your Excellencies on 9 November for the assistance of Cochin with two companies of Europeans and two companies of Easterners also partly formed the cause of that delay. Section 99: The Governor, Mr. van Angelbeek, had expressly pledged to us to send those troops back so timely that they could be used in the expedition. We were therefore completely certain that His Honour would comply with that. The barks that were to transport them back were also lying ready when Mr. van Angelbeek received a letter from the first-undersigned Governor stating that the expedition could not proceed this time. And And since we cannot foresee that we shall be able to place Your Excellencies in a position completely capable of undertaking that expedition etc. etc. Section 100: That we have conducted ourselves in accordance with Your High Excellencies' recommendation to bring about the accommodation by all possible means has already appeared from the foregoing, and we shall let the same further serve for our dutiful guidance, so that nothing transpires in this regard concerning what was asserted by Your Excellencies under 33 and 34 on account of the inconveniences in which the Court found itself, and that these are still considerably greater than those of the Company, since nothing can flow from those inconveniences to the advantage of the Company, which meanwhile also wastes away and is drained. Section 101: The inconveniences into which the Court has been brought by our plan of containment are, in our humble opinion, so many advantages resulting therefrom for the Company. For which reason we believe we may rightfully ask Your Excellencies from what source so many expenses, among others the construction of six more cruising boats, will be recouped. Section 102: Cruising, especially of the northern and eastern parts of Ceylon, is, as the Governor had the honour to demonstrate in detail in his respectful separate letter of 1 April 1787, in the highest degree necessary. In the previous war, some pantchiallangs were expressly requested for this purpose and were also sent by Your High Excellencies. That kind of vessel does not incur large expenses; but even if these expenses were greater than they are, [illegible]

Dutch transcription

dezelve niet word verbonden aan voor het Hof nadeelige Conditiee, is iets onzeeker, en behoord naar ons needrig intien tot de klasse van die dingen, die alleen moogelijk zijn, vast gaat het intusschen, dat de Komp=e de zeekerheid daarvan alleen naadert, naamaate dat het Hof van Mandia word gesteld buijten het vermoogen, om den vreede ongestraft te kunnen verbreeken. Daar dan gelijk hier voorwaards is aangehaald de te doene expeditie naar het Hof etc: etc: atc: §:o 96: Wijl het doen van een expeditie door uw Hoog Edelheeden uitdrukkelijk is verbooden, tot dat alle andere middelen vrug„ „teloos zullen zijn beproeft, en dat uw Hoog Edelheeden daarbij meenen, dat het beeter zij geene konditieu van het Hof te begeeren die het zoude kunnen onaangenaam zijn, zullen zig de dingen naar we denken voor eerst wel laaten plooijen, in dien vouw als te waeren voor de strubbelen, zonder dat daartoe een expeditie zal noodig zijn, alleen verzoekenwe ver„ „lof, om ten blijke dat onze begrippen hoe groot het militair vermoogen tot zulk een expeditie zoude behooren te zijn, niet zoo ten eenemaal verschillen van die van vroegere tijden, hier needrig aantemerken, dat wa bij de Ceilonsche Resolutie van den 29: December 1761: alleen vinden, dat tot de expeditie naa Mature noodig geoordeelt zijn, en ook daartoe zijn ge„ „bruikt ongevaar 1000: Man en daaronder 530: Oosterlingen. Het geheele militair vermoogen op Zeilon bedroeg te dier — tijd maar 3314: koppen Europeesen en 3082: koppen inland„ „sche troupen primo plan, volgens de korte stackte van den laatsten December 1761. §: 97: 290 §: 97: Nog verzoeken we needrig te moogen aanmarken, dat indiene uw Hoog Edelhd de ondervolgende woorden die voorkoomen bij onter eerbiedigen brief van den 30: Januarij 1792: §: 30: of eijgent„ 6 „lijk 3: 31: tot dat men daartoe door een moer toerijkend getal van wel geoeffende inlandsche troupen bater in staat zal zijn, dus hebben verstaan, dat wa verzogten, dat uw Hoog Edelh: ons wel geoeffeerde Madureesen wilden toezenden, we ons quaalijk en tee„ „gens onze intentie hebben geexpliceert. Wa hebben door dit schrijven niets anders verstaan, dan dat door het verschuiven van de Kampagne alle de nieuwe inlandsche troupen zoo de Man „dureesen die toen nog te verwagten waeren, als de nieuw aangeworvene sipaijen, intusschen te beeter in den waapenhan„ „del konden worden geoeffend. §: 98: voor 't transport geld der Sipaijen met 't engelsch schip sivert Castle, zijn te koetsiem twaalf duijsen ropijen betaald. hoewel het ons voorkomt dat het door UE: op den 9: Nov=br genoomen besluit ter assistentie van Roetsiem met twee kompenien Puropeesen en twee Komp=n oosterlingen meede voor een gedeelte de oorzaak van dat surgeeren heeft uitgemaakt. §: 99: De Heer Gouverneur van Angelbeek had zig bij ons ex„ „pres verbonden die troupes terug te zenden zoo tijdig dat ze bij de expeditie konden worden gebruikt. We waeren dus volkoomen zeeker dat zijn Edele daaraan zoude voldoen. Ook lijden de barken die te moesten terug voeren klaar, toen de Heer van Angelbeek ontfing een brief van de eerst onderge„ „tekende Gouverneur, dat de expeditie ditmaal geen voort„ „gang konde hebben. En En vermits wa niet voor zien kunnen UE: tot 't doen dier expaditie volkoomen in staat zullen kunnen stallenak: atc„ §: 100: Dat we ons gedraagen hebben overeenkomstig met uw Hoog Edelheeden recommandatie om door alle moogelijke middelen de assopiatie uijt tewerken, is uit het voorgaande reeds gebleeken, en we zullen ons dezelve varder tot schuldig naarigt laaten verstrekken. zoo dat in deeze niets tanspereeren het door UE: sub 33: en 34: beweerde weegens de ongeleegendheeden, waarin het Hof zig be„ „vond, en dat die nog vrij grooter zijn als van de Comp:e nadien uit die ongeleegendheeden niets kan voortvloeijen ten voordeele van de Kompenie die intusschen meede uijt„ „teert en uijtdvoogd §: 101: De ongeleegendheeden waarin 't Hof door ons plan van inslui„ „ting is gebragt, zijn naar ons needrig inzien zoo veele daar„ ruit voortgevloeijde voordeelen voor de Kompenie. Waarom wij vermeenen UE: met regt te moogen vrae„ „gen waaruijt zoo veele kosten, onder anderen het aan„ „timmeran van nog ses kruijs boots zullen goad gemaakt worden, §: 102: Het bekruijsen inzonderheid van het noordelijke en oosten „lijke gedeelte van Ceilon, is zoo als de Gouverneur deeere heeft gehad, dat omstandig aantewijsen bij zijn eerbiedigen aparten brief van den 1: April 1787: ten hoogsten noodzaakelijk. Jn de voorgaande oorlog zijn daartoe expres eenige Pint„ rijallings gevraagd, en ook door uw Hoog Edelheeden gezonden. Groote ongelden maaken dat slag van vaartuijgen niet doch zoo deeze ongelden ook grooter waeren dan ze zijn, Nin

NL-HaNA_1.04.02_3975_0671 view scan ↗

English

are, they cannot be avoided, unless, in order to save them, one would wish to expose interests that bear no comparison to the importance of these expenditures. If Your Right Honourables nevertheless should think that the cruising in such circumstances can be omitted, it will no longer be done. Just as we can hardly understand the contradiction in the resolution first taken by Your Honour according to § 47, to send all the Württemberg troops hither, except for the riflemen, when they have been summoned from the Cape in such an unusual manner, and the reasons adduced, that they could in any case be sent back to Ceylon, does not at all agree well with the prudent management that one must exercise in the employment of the ships, since Ceylon continually needs so much rice, despite all the progress that Your Honour reports to us is being made there in its cultivation. § 103: That we, notwithstanding our resolution mentioned in § 47 of our respectful letter of 12 January of this year, have kept all the Württemberg troops here, occurred on account of the correspondence intercepted at Trincomalee between the Kandyans and Governor de Fresne. The certainty we thereby obtained of the negotiations of the French with the Kandyans to wage war against us jointly, markedly changed the state of the matter, and it thereby became highly necessary to take the most serious measures against these far-reaching designs. § 104: From these reflections have flowed the considerations concerning the objectives that one ought to propose to oneself in the coming campaign, which the Governor brought before the deliberation of the Council on 5 July last, and from this has also since flowed the plan that we have had the honour to submit for approval to Your Right Honourables by the ship 't Meeuwtje. All the aforesaid then being combined together, and the proposed expedition regarding the razing of the defenses erected against an enemy attack being presently entirely disapproved by us, etc., etc. § 105: Upon the receipt of this very respected letter from Your Right Honourables, and immediately after it was read in the meeting, the Governor, as appears from what is recorded in our secret Resolution of 6 August, put to the question: 1: The manner in which the Meeting judged that the aforesaid letter from Your Right Honourables to the King of Kandy ought to be dispatched at that juncture, and if it might be judged that it should take place, as seemed proper, by a solemn Embassy, just as was likewise judged necessary at the beginning of the previous war when delivering the letter written at that time by Your Right Honourables to the King of Kandy, whether the aforesaid letter ought not to be accompanied by gifts, just as was also the intention then. 2: By whom one could have a translation made of this letter from Your Right Honourables to the King, with the greatest confidence that it would be done well and literally, in order to be able to have this work taken in hand as quickly as possible, in compliance with the order given to that end by Your Right Honourables. § 106: But all the Members of the Meeting judged the matter to be of the very greatest importance, because sending this letter under the circumstances in which things then were might sometimes produce an effect completely contrary to the good intentions that caused Your Right Honourables to decide upon this measure, and considered that the matter well deserved to be maturely deliberated first, before a final decision was taken thereon. § 107: For this reason, and because in the view of the Meeting Your Right Honourables proceeded to the writing of this letter mainly in order to revive the correspondence thereby, and that through the mission of the first Chief Adigar to inquire after the Governor's health, the same could be considered to have already been started to some extent by the Kandyans of their own accord, all the Members found all the more reason that they might take it upon themselves to take some time for deliberation in this matter, and it was accordingly approved and agreed with unanimity of votes to postpone the final decision thereon until it should have been further deliberated upon at the next meeting. § 108: At the further deliberation held thereon on 14 August, as appears from what is recorded in the resolution of that day, it was mainly taken into consideration by us: 1: That the Court of Kandy furthermore in the beginning declared that the hostile movements it made had the objective of recovering the shores, as has been set forth in detail above. 2: That if one left the Court somewhat to its own devices, until it took the first steps from its side toward settling the disputes, as was at that time not without hope, it would at least be in a kind of embarrassment to revive the requests for recovering the shores by way of a petition, after they failed to take them from us by actual force. 3: That the Court, rescued from that embarrassment by this letter

Dutch transcription

293 zijn, zijn ze niet te ontwijken, ten zij men om die uijt te spaan „ren, interesten zoude willen exponeeren, die met het belang, van deeze uitgaevens in geen vergelijk staan. Wanneer uw Hoog Edelh: nochtans mogten deuken dat mene de bekruijsing in zulke geleegendheeden kan naalaaten, zal het niet meer worden gedaan. Gelijk wij naauwlijks kunnen begrijpen, het teegen„ „strijdige van het door UE: volgens §: 47: eerst genoomen besluit, om de Weirtenburgsche troupen, uitgenoomen de jaegers alle herwaards te zenden, dan die op zulk een ongewoone wijze van de Caas ontbooden zijn, ende bijgebragte reedenen, dat ze in allen gevallen weeder naar Ceilon konden gezonden worden, gantsch niet wel over„ „eenkomt met het overleg, dat men in het emplooij der scheepen moet gebruijken, daar Ceilon steeds zoo veel rijft noodig heeft, in weerwil van alle vorderingen die U:E: ons melden, dat ne dies cucture ginter gemaakt worden §: 103: Dat wa niet teegenstaande ons besluut vermeld bij S: 47„ van onten eerbiedigen brief van den 12: Januarij dee zes jaars, alle de Wursenburgsche troupen hebben hier gehouden is geschied, uit hoofde van de te Trinkonomale geintercepteerde dor„ „respondentie tusschen de Kandiaanen en de Gouverneur de Frene. De zeekerheid die we daardoor verkreegen van de onder„ „handelingen der fransen met de Randiaanen om ons ge„ „zaementlijker hand te beoorloogen, veranderde merkelijk den staat der kwastie, en het wierd daardoor ten hoogstane noodig om teegens deeze verregaande dessainen, de aller„ „ernstigste P ernstigste maatveegelen te neemen. §: 104: uit deeze overdenkingen zijn voortgevloeijd de consede„ „ratien, die den Gouverneur over de oogmerken die men zig in de aanstaande campagne behoorde voortestel„ „len den 5: Julij jongsten ter deliberatie van den Raad gebragt heeft, en ook daariit is zeedert voortgevloeijd het plan, dat wa de eere hebben gehad uw Hoog Edelh: met 't schip 't Meeuwtje ter goedkeuring aantebieden. al het voormelde dan bij den anderen gecombineerd Zijnde, en de voorgestelde expeditie weegens het rasseeren der ontstaane weete voor een vijandelijken aanval„ tans bij ons volstrekt afgekeurt wordende etc=a etca: §: 105: Op den ontfangst van deezen uw Hoog Edelheeden zeer g'eerbiedigden brief, en inmediaat na dat dezelve in de vergaedering geleeten was, heeft de Gouverneur blij„ „kens het aangeteekende bij onze secreete Resolutie van den 6: Aug=s in omvraege gelegd: 1: de wijse op de welke de Vergaedering oordeelde dat de voorsz: brief van uwe Hoog Edelh: aan deze koning van Kandia in dat tijds gewricht, behoorde te worden verzonden, en dat zoo geoordeeld mogte worden dat het geschieden moet gelijk dat betaamelijk scheen, door een plegtige Ambas„ „sade, zoo als dat in den begin van den voorgaanden oorlog insgelijks noodig geoordeeld is, bij het bestellen van den brief door uw Hoog Edelheeden ter dier tijd aan den Koning 292 koning van Randia geschreevene, of meer den voorm: brief niet zoude behooren te doen verteld gaan met gescheeeken, zoo als toen ook het voorneemen was. 2:) Door wien men van deeten brief van Uw Hoog Edelheeden aan den koning, met het meeste vertrouwen dat het wel en letterlijk geschiede, een vertaaling zoude kun„ „nen laaten maaken, ten einde dit werk ten spoedigsten te kunnen laaten onder handen neemen, ter voldoening aan de ordre door Uw Hoog Edelh: ten dien einde gegeeven. §: 106: Dan alle de Leeden van de Vergaedering oordeelden de zaak te weeten van een aldergrootst belang, wijl het zeiden van deezen brief in de omstandigheeden— waarin de dengeer toen waeren, zomtijds een uitwar„ „king zoude hebben kunnen doen geheel strijdig met de goede oogmerken, die uw Hoog Edelh: tot dit middel hebben doen besluiten, en meender dat de zaak wel verdiende eerst rijpelijk te worden overwoo„ gen, alvoorens daarop genoomen wierd een finaal besluits §: 107: Hierom en wijl naar het inzien van de Vergaadering— uwe Hoog Edelheeden tot het schrijven van deezen brief hoofdzaakelijk getreeden zijn, om daar door de Gorres„ „pondantie weederom leevendig te maaken, en dat door de bezending van den eersten Rijks Adigaar om naa 's Gou„ „verneurs gezontheid te verneemen, dezelve kongeagt, worden worden, door de kandiaanen uit eijge beweeging, raads eeniger maate te zijn begonnen vonden alle de Leeden daar „om te meer, dat ze het mogten over zeg neemen om in deeten te neemen eenigen tijd van beraad, en is dienvolgens met eenpaarigheid van stemmen goedgevonden en verstaan, het finaal besluit daarover uit te stellen tot dat daarover bij de eerstvolgende vergoedering naader Zou „de zijn gedelibereerd. §:o 108: Bij de naadere deliberatie daarover gehouden op den 14: Augs: is blijkens het aangeteekende ter resolutie van dien dog bij ons hoofdzaakelijk in agting genoomen: 1: Dat het Hof van Randia voorts in den beginne heeft verklaerd, dat de hoftele bewoegingen die het maakte het terughebber der stranden ten oogmerk hadden, zoo als dat hier boven omstandig is aangeweezen. 2:) Dat wanneer meer het Hof wat in zijn weeten liet, tot dat het van zijn kant de eerste stappen deed, tot het bijleggen der verschillen, zoo als dat ter dier tijd niet was buijten hoop, het ten minsten in eene zoort van verleegendheid zijn zoude, om de aanzoeken tot het tenig hebben der stranden weederom op te haalen- bij weege van verzoek, na dat het hun misluikt is ons die met feitelijk geweld afteneemen. 3:) Dat het Hof door dee zeer brief uit die ongeleegentheid gered

NL-HaNA_1.04.02_3975_0675 view scan ↗

English

293 having been given, would undoubtedly take advantage of the opportunity afforded by the said letter to bring forward the matter of the restitution of the coastlands anew with redoubled impudence. 4: That it was thus to be expected that the Court would have countered us in an arrogant manner, stating that it had furthermore declared at the beginning in two letters that its hostile movements had the restitution of the coastlands as their objective, and that it now further explained this upon the letter received from Your High Excellencies. 5: That it would be a dangerous self-deception to imagine even the mere possibility that the Court—which would soon catch wind from this letter that we consider ourselves incapable of forcing it to reasonable terms—would, through the employment of this expedient, be diverted from its aims of regaining the coastlands. 6: That if the sending of this letter were to have this outcome, as was to be expected according to the highest probability, one would, instead of having advanced thereby, have taken a great step backward. 7: And for these and further such reasons as are set forth at large in our aforesaid resolution, we—considering that all orders, especially those given to far-distant places, presume the possibility of carrying them out, or that there are no tangible reasons advising against their execution—felt that we would fall short of the trust Your High Excellencies have placed in us by entrusting us with the administration of this Government, and thereby fall short of our oath and duty, if we were to send the aforesaid letter of Your High Excellencies to the King of Kandia without first having brought all the aforesaid considerations to the attention of Your High Excellencies, who cannot well know the true situation of affairs as well as we who observe them from close at hand; and we have consequently resolved not to dispatch the letter, but to hold it pending Your High Excellencies' further orders, in the hope that Your High Excellencies will favorably approve this decision of ours, to which we have proceeded, albeit not without great hesitation, solely to fulfill our oath and duty. Meanwhile, we do not, along with you, hold it impossible that the sending etc. etc. § 109: The second Adigar of the realm is the greatest enemy the Company has at the Court, and is moreover known as a cunning man. He is one of the principal supporters of the correspondence between the French Governor de Grene and the Court of Kandia, to which correspondence, according to the highest probability, the plan that Kandia had this time owes its origin for a large part. From a man of such a disposition as he has shown himself to be especially in this matter, one may justly mistrust all proposals, under whatever guise they may be made. § 110: Concerning the well-known grandee of the Court, on the other hand, it is known with fairly great certainty that he is a man of entirely different principles, and one whom one cannot suspect at all of having participated in this plan. It is known that he has always advised the King toward moderation and concord with the Company, and that his advice was not followed in this must be attributed not to a lack of his good will, but to the machinations of the ill-disposed party; and to that alone, as far as we perceive matters, must it also be attributed if the outcome of present affairs should not justify the good confidence we have in this man's goodwill toward the Company. § 111: That he, on account of his known goodwill toward the Company, was for a long time under very great suspicion with the King, and that in the beginning of the troubles he was kept out of all administration, at least in matters relating thereto, and was even in those moments not out of danger, we can assure Your High Excellencies with great confidence; and one may, in our view, consider it a very great piece of good fortune, especially now that affairs have had to take their present turn, that the reports—which were quite widespread—that he was about to be dismissed, have not been verified by the outcome. § 112: We take the liberty hereby to proceed to the further answering of Your High Excellencies' respected letter of June 15. § 2. To this end, we confine ourselves in the first place to the disturbances that have arisen with the Kandian Court, and remark with respect to Sri Sanka Sarie, who was sent hither. § 113: We know of no reasons that ought to prevent the sending back of Sri Sanka Sarie. He can be set ashore on the Madura coast, or otherwise at Koetsiem. § 3: For the sake of the consequences, we could have wished that the arrival of Governor van Angelbeek, communicated by you in § 27 of the aforementioned letter, had not taken place. § 114: We are very sorry that at Koetsiem, during the absence of Governor van Angelbeek, there arose the unpleasantries which the Company experienced there; yet, because the interests of the Company on Ceilon are so very different in weight from its interests at Koetsiem, we humbly hope that Your High Excellencies will, on that account, have judged the more favorably our taken resolution to request His Honour to come over to our assistance. The faithful and wise counsel of this worthy minister, and His Honour's amicable cooperation with us for the honor and prestige of the Company

Dutch transcription

293 geved zijnde, de geleegentheid die het deaten brief daartoe fourneerde, ongetwijffeld zoude te baat neemen, om het stuk van de terug gaeve der stranden met dubbelde onbeschaamtheid op nieuw voor den dag te haalen. 4: Dat het dus te weeten was dat het Hof ons op een trotse wijze zoude hebben te gemoed gevoerd, dat het voorts in den beginne bij twee brieven hadde verklaard, dat dessalfs hoftiele beweegingen de terug gaave der stranden ten oogmerk had„ „den, en dat het op den van Uw Hoog Edelheeden ontfangene brief dit nu naader verklaarde. 5: Dat het een gevaarlijk zelfs bedrog zoude zijn, zig te verbeelden zelfs alleen de mogelijkheid, dat het Hof„ dat uit deezen brief spoedig de lugt zoude vatten, dat we ons buiten staat oordeelen het zelve tot reedelijke voorwaarde te dwingen, door het amplooij van dit expediant zoude worden afgelijd van desselfs uitzigten tot het terug hebben der stranden. 6: Dat zoo het zender van dee ten brief deeze uitkomst hadde, zoo als dat naar de hoogste waarschijnlijkheid daarvan te veeten was, men in steede van daar meede te zijn gevordert, een groote stap zoude hebben agter uit gedaan. 7: En om deeze en verdere zodaanige reedenen als bij voorsz: onze repolutie in het breede zijn vermeld, hebben we uit aanmerking, dat alle orders intonderheid die gegee„ „veer g wen worden naa verre afgpleegene plaatzen, veronderstellen die moogelijkheid om die uittevoeren, of dat 'er geene zegtbaare reedenen zijn die de uitvoering ontraaden, gemeend, dat we aan het vertrouwen dat uw Hoog Edelh:s in ons gessteld hebben, met ons het beleid in dit Gouvernemeert op te draagen, en midsdien aan onzen eed en pligt zouden, te kort doen, zoo we de voorsz: brief van Uw Hoog Edelhs aan de Koning van Mandia zonden, zonder alvoorens uw Hoog Edelh:, die niet wel de waare situatie der dingen zoo goed Kunner kennen dan wij, die ze van naabij beschouwen, alle de voorsz: consideratien te hebben onder het ooggebragt, en we hebben midsdien beslooten den brief niet te verteeden, maar die tot uw Hoog Edelheedens nader ordre aante„ „houden, in hoope dat Uw Hoog Edelh: dit ons besluit waartoe eve schoon niet dan, met veel schroom, alleen getreeden zijn om te voldoen aan ontereed en pleijt, gunstig zullen goedkeuren. Jntusschen houden wij het met UE: niet voor onmoogelijk, dat het zenden atc: etc: §: 109: De tweede Rijks Adigaar is de grootste vijand die de komp:s aan het Hofheaft, en daarbij bekend voor een liftig man„ Wij is aen der hoofd belijders van de Correspondentie tusschen de fransche Gouverneur de Grene, en het Hof van Randia, aan welke correspondantie naar de hoogsste waar„ 294 waar schijnlijkheid het plan dat kandia ditmaal gehad heeft, voor een groot deel zijn geboorte schuldig is. Van een Man van zulke gezintheid als Wij inzonderheid in deeten heeft getoond te zijn, mag men alle aantoeken onder wat schijn ze ook geschieden billijk mistrouwen. §: 110: van den bekenden Hofsgrooten daar en teegen weet men met vrij veel zeekerheid, dat Wij is een man van heele andere principes, en welke men geheel niet verdagt kan houden dat Wij in dit plan heeft geparticipeerd. Men weet dat Wij de koning altijd geraeden heeft tot gemaatigheid en eensgetintheid met de Komp=e, en dat zijn raad daarin niet is gevolgd, heeft men toete schrijven, niet aan gebrek van zijn goede wil, maar aan de woelinge van de kwaalijk gezinde partij, en daaraan zal men het ook, zoo veel wij de zaaken inzien, alleen hebben toeteschrijven, zoo de uit„ „komst der teegenswoordige dingen niet mogten justifideeren, het goed vertrouwen dat we hebben van deeze man zijn welgezintheid teegens de Kompenie. §: 111: Dat Wij om zijn bekende welgetuitheid teegens de Komp:ee bij den koning een tijd lang is geweest in heele groote verdenking, en dat Wij in het begin der strubbelen gehou„ „den is buiten alle bewind, ten minsten in dingen die daar„ „toe betrekking hadden, en zelfs in die oogenblikken ge„ „weest is niet buiten gevaar, den keuwe uw Hoog Edelheeden men met veel vertrouwen te kunnen verzeekeren, en mag het het naar ons intien houden voor een heel groot geluk, inton„ „derheid nu de dingen den presentene keer hebben moeten nee„ „men, dat de tijdingen die vrij algemeen zijn geweest, dat Wij stond te worden afgezet, door de uitkomst niet zijn geverifieerd. §: 112: We neemen de vrijheid hiermeede overtegaan tot het verder be„ „antwoorden van uw Hoog Edelheeden gerespecteerde missive van den 15: Junij. §: 2. Hiertoe bepaalen we ons in de eerste plaats tot de ont„ „staane onhusten met 't Kandiasche Hof, en remarqueeren ten opzigte van de herwaards gezondene Trie Sanka Sarie. §: 113: We weeten geen reedenen die het terug zenden van Srie Sanka sarie zoude behooren te beletten. Men kan hem op de Madureesche kust laaten aan de wal zetten, of anders te koetsiem S: 3: om der gevolgen wille, hadden we wel moogen wen„ „schen dat de door UE: S: 27: van voorm: missive be„ „deelde overkomst van den Heer Gouverneur van Angel „beek agter weege was gebleeven. §: 114: Het doet ons heel leed dat te Roetsiem, geduurende de ab„ „centie van de Heer Gouverneur vaer Angelbeek, ontstaan zijn de onaangenaamheeden die de Komp=e daar gehad heeft, dan wijl de belangens van de komp=e op Ceilon zoo zeer onder„ „scheijden zijn in gewigt, van haare belangens te koetsiem, hoopen we needrig dat uw Hoog Edelh: uit dien hoofde ons genoomen be„ „sluit om zijn Edele te verzoeken, tot onter assistentie overtekoo„ „men, te gunstiger zullen hebben beoordeelt. De trouwe en wijze raad van deezen waardigen minister en zijn E=s vriendelijk „ke meede warking met ons, om de eere en het aantiei van de Romp

NL-HaNA_1.04.02_3975_0679 view scan ↗

English

to maintain the Company, has been to us a service of invaluable merit, which we acknowledge here with gratitude. Section 115: That His Honour was not able to return sooner to his Government happened because navigation from here to Tuticorin does not open earlier, and a very difficult accident meanwhile prevented His Honour from making the return journey by land. Section 6: What resolution your Honours took on 14 May 1791 to make use of cinnamon peeling in the Company's lands. Section 116: The measures that we had announced to the Court in the letter mentioned in our resolution of 14 May 1791, which we would devise ourselves if our repeated request in this letter was not met—namely, that the King might issue the necessary orders so that the Company's cinnamon peelers could proceed unhindered with cinnamon peeling—could consist of nothing other than sending military detachments to such places where the cinnamon peelers were mistreated. Section 117: That a copy of the Manifesto was sent to the Court was done out of consideration on our part for the Court, to inform it that whenever it might be necessary to send some military detachments into the King's lands, it was only to take place to shield the Company's cinnamon peelers against all molestation. Section 8: We have thus seen with very great surprise that your Honours, having once arrived at the idea, regard the Court as the aggressor on account of that dispatch of armed men to the borders. Section 118: The aggression of the Court has been discussed in great detail above, and we therefore take the liberty here only to remark: That Colonel Meuron undertook nothing in the Saffergam that did not fall within the terms of the aforesaid publication. He conducted himself at Kendengamme with such great discretion that he even left untouched a paddy barn belonging to the Dessave of Saffergam, and neither on his march there, nor during his stay there, nor on his march back to Sittawaka, was any harm done to anyone. He, while he was at Kendengamme in the Saffergam, only awaited the outcome of the offer made to bring the Saffergam under the Company's obedience by way of a revolt, without giving any publicity to his commission on that matter, and without having employed in any respect the military power he had under him, for which no order had been given to him either, not because our right to do so could be called into question, but because if we had had to act offensively, our plan of operations would not have had to be directed toward that side. Had it meanwhile succeeded that the Saffergam had joined us by way of a revolt, that would immediately have given us a great superiority over the Court, and one more opportunity to subdue the Court, which would not have been slight, for this district covers all our borders, from Sittawaka up to against the Magampattoe. The matter therefore well deserved to be probed, and no more was done. Section 9: This enterprise therefore being by no means justified by necessity. Section 119: That the rainy season on the west side of Ceylon begins in the latter half of May and sometimes earlier is very well known, and it is thus a very ordinary matter that Colonel Meuron had a great deal of rain in the month of June. The heavy rains even prevented him from protecting the cinnamon peelers further than at the place where he found himself; since consequently the presence of our troops there could be of no further use, he was recalled solely for that reason and for no other, and this could even have taken place earlier without compromising the reputation of the Company, since in public he had only been sent upon the received complaint that the cinnamon peelers in the King's land were mistreated. Section 120: The march back of Colonel Meuron did not take place in haste; it took place in the greatest order, and during the same, as well as during his stay at Kendengamme, nothing occurred in the King's land other than that which does honour to Colonel Meuron and the troops under his command, who were kept by him in strict discipline. Section 10: Meanwhile, the account that your Honours give us of what befell that detachment in the King's land strikes us. Section 121: If the Dessave of Saffergam, who stood with a party of armed men in the Roeroewitte Korle, had dared to risk attacking Colonel Meuron, he certainly would have done so. He was sent to attack us wherever he found opportunity for it, and that he did not do so must be attributed to the fact that he did not dare to attempt it. Section 11: We thought we had grounds regarding the aforementioned retreat to doubt the report given of it by your Honours. Section 122: Our humble reports to your High Mightinesses are made upon the oath taken to the country, and we cannot conceal that this remark grieves us greatly. We do not know that we have ever given cause for calling our reports into doubt, for as regards the report concerning the detachment under Colonel van Drieberg, which appears in our humble letter of 18 June 1791:

Dutch transcription

295 komp:s te maintineeren, is ons, het geen wa hier met dank erkan„ „neie van een onwaardeerde dienst geweest. §: 115: Dat zijn Ed: niet eerder heeft kunnen tenig keeren naa zijn Gouvernement, is toegekoomen, wijl de vaart van hier naa Roetsiem niet vroeger opengaat, en een zeer moeije„ „lijk accidens zijn Edele intusschen belettede, om de tenug rijze te doen over land. §: 6: Wat besluijt dat UE: den 14: Maij 1791: genoomen hebben, om nopens het kanneel schillen in 's komp=s land gebruijk te maaken. §: 116: De middelen die we het Hof bij den brief vermeld bij onze resolutie van den 14: Maij 1791: hadden aangekondigt, dat we zelve zouden beraamen, zoo niet voldaan wierd aan ons herhaald verzoek bij deezen brief, dat de Koning de noodige orders wilde doen uijtvaardigen, op dat 's komp=s Kanneel schilders onverhuindert in 't kanneel schillen konden voortgaan, konden in niets anders bestaan, dan in het zeiden van militaire detachementen naa zulke plaatzen, daar de kanneel schillers kwaalijk behandeld wierden. §: 117: Dat er een exemplaar van het Manifest gezonden is aan het Hof, is geschied als een menagement van onze kant voor het Hof, om het te informeeren, dat wanneer het noodig mogte zijn eenige militaire de tachementen in 's konings landen te zenden, het alleen stond te geschieden om 's komp=s kanneel schillers teegens alle m alle overlast te dekkan. §: 8: We hebben dus met zeer veel verwondering gezien, dat UE: eenmaal tot het idée gekoomen zijnde, om het Hof weegens die afzending van gewaepend volk naa de limie„ „ten te beschouwen als de aggresseur. „§: 118: Over de agressie van het Hof is hierboven heel omstandig ge„ „sprooken, en we neemen dus de vrijheid hier alleen aantemerken: Dat de Collonel Meuron in de Saffergam niets heeft bestaan„ dat niet viel ie de termen van de voorsz: publicatie. Wij heeft zig te kendengamme met zoo groote beschijdentheid gedraegen, dat hij zelfs onaangevoerd gelaaten heeft een nelie schuur toebehoorende aan de Dessave van Satfergam, en noch op zijn heenmarsch, noch geduurende zijn verblijf aldaar, noch op zijn terug marsch naa Sitiuwake is aan niemand eenig leed geschied. Wij heeft geduurende dat hij te Rendengamme in de Saffer„ agam geweast is, alleen afgewagt, de uitkomst van de ge„ „daane aanbieding, om de satfergam bij weege van een revolte te brengen onder 's: Comp=s gehoorzaamheid, zonder eenige publici„ „teit te geeven aan zijn Commissie op dat stuk, en zonder daar= „toe in eenig opzigt te hebben geamploijeert zijn onder zig ge„ „had hebbende militair vermoogen, waartoe hem ook geen order gegeeven was, niet om dat ons regt daartoe konde worden in twijffel getrokken, maar om dat zoo we offensief had„ „den 296 „den moeten ageeren, ons plan van operatie niet naa dien kant zou„ „de hebben moeten zijn gedirigeerd. Hadde het intusschee kunner lukken dat de saffergam ons was bijgevallen bij weege van een revolte, zoude ons dat aanstonds een groote supenioriteit boven het Hof gegeeven hebben, en een ge„ „leegendheid te meer om het Hof te bedwingen, die niet gering zoude zijn geweest, want dit Landschap alle onte grensen dekt, van Tituwake af, tot teegens de Magampattoe. De Zaak verdiende midsdien wel dat ze wierde ondertaft, en meer is niet gedaan. §: 9: Deeze onverneeming dierhalven geenzints door de nood„ „zaakelijkheid te wettigen zijnde. §: 119: Dat de veegentijd aan de westkant van Ceijlon begind in de laatste helft van meij en zomtijds vroeger, is zeer bekend, een het is dus een zeer ordinair zaak dat Kollonel Meuron in de maand Junij heel veel veegen gehad heeft. De sterke veegen balettede hem zelfs om de kanneel schillers, verder, dan op de plaats daar hij zig bevond te kunnen protegeeren, de wijl mitsdien de presentie van onze troupes daar verder van geen dienst konde zijn, is Wij alleen daarom en om geen andere reedere terug ontbooden, en dit hadde zelfs vroeger kunnen geschieden, zonder de reputatie van de Kompenie te compromitteeren, wijl hij in het publiek alleen gezonden was, op de ingekoomene klagte dat de kanneel schillers in 'Jko„ „nings land Mwaalijk waeren behandeld. §: 120: De terug marsch van Collonel Meuron is niet geschied bij ver„ verhaafting, ze is geschied in de grootste ordre, en geduurende den „zelve, zoo wel als geduurende zijn verblijf te kendengamme„ is er in 's konings land niets voorgevallen dan het geene eere doet aan Collonel Meuron, en de troupes staande onder zijn bevel, die door hem zijn gehouden in een strikte discipline„ §: 10: Ondertusschee komt ons het verhaal dat UE: ons geeven van het geene dat detachement in 's Konings land is weedervaeren. §: 121: zoo de Dessave van saffergam die met een partij gewaepend vol„ stond in de Roeroewitte Korle, het hadde durvere waagen om Gollonal Meuron aante tasten, zoude hij dat zeeker hebben gedaan. Om ons aante lasten overal waar Wij daartoe gelee„ „geertheid vond, was hij gezonden, en dat hij het niet gedaan heeft, heeft men daaraan toeteschrijven, dat hij het niet heef't durven bestaan. S: 11: Meende wij omtrend de voornoemde retraite, grond te hebben, om te twijffelen aan UE: daarvan gegeeven berigt. §: 122: Onte needrige berigten aan uw Hoog Edelh: geschieden op dereéd aan den lande gedaan, en wij kunnen het niet ontveinsen, dat ons deeze aanmerking zeer bedroeft. we weeten niet tot het in twijffel trekken van onze berichten ooijt aanlijding te hebben gegeeven, want wat aangaat het berigt nopens het detachement onder Tollonel van Drieberg„ dat voorkomt bij onzen needrigen brief van den 18: Junij 1791:

NL-HaNA_1.04.02_3975_0683 view scan ↗

English

297 1791: 3: 92: to 95:, although we readily acknowledge that it could have been more extensive, we had so much to write at that time that it did not occur to us that it might be useful to clarify this report somewhat. §: 123: This clarification is now provided in a report from Colonel van Drieberg, which is transmitted among the appendices. He points out therein that solely the smallpox disease, which was strongly prevalent when he arrived in Mature, and of which it is known that the Sinhalese have an extraordinary dread, was the reason that the Maturese Chiefs excused themselves on the morning of 1: June, upon the summons of the Dessave, from coming across the river into the fort. However, upon the further summons to come in the afternoon to the garden of the then Lieutenant Dessave van Schuler, situated on the other side of the river, they all came and showed the greatest willingness to fulfill their duties, and that they also actually did so; just as he also wrote to Commander Sluijsken in his letter of 9: June and several subsequent letters, and that it is solely through inadvertence that he did not verify his earlier reports sooner. §: 124: Fully grounded is Your High Right Honourables' statement in the letter of 30: June S:o 125: that we are no less convinced than Your High Right Honourables that the surrender of the coasts to the Kandians: §: 124: §: 124: The first-undersigned Governor declares that he did not reply to what Your High Right Honourables wrote regarding the coasts, in Your High Right Honourables' very respected separate dispatch of 28: June 1791: S: 8: and following, solely out of respect, so as not to repeat what was written by us in our further secret letter of 31: January 1788:, in which this matter was treated in great detail. §: 125: But since Your High Right Honourables nevertheless desire his further answer to this, he requests permission to occupy Your High Right Honourables' attention for a moment by briefly reiterating what was shown in detail in our aforesaid letter of 31: January 1788:, and to demonstrate further from that: That the requests of the Court for the retrieval of the coasts already began before the English war, the Court having sent a solemn embassy to Your High Right Honourables concerning this shortly after the peace of the year 1766:. That until the outbreak of this war, the Court made the proposals thereto by way of request, but that when the war had broken out, the matter notably changed its appearance, and the Court now demanded the coasts back in such a tone that the late Governor Falck, at this critical juncture, found the matter so precarious that he deemed himself unable to dispense with authorizing the Company's envoy, the merchant Billing, finally and when it could not be otherwise, to declare that 298 that the Governor, very grateful for the adherence of the King to the Company's interests, would allow himself to be persuaded to leave the King undisturbed in the possession of the lands of Tambalgam and Mattoe Kolompattoe, and even of Roetjaar and Jambankaddewe, provided that the sovereignty of the Company over these places remained recognized. That although the aforesaid Company's envoy avoided making such an explicit declaration, it nevertheless appears very clearly from his report of 10: April 1782: that he had to express himself somewhat intricately now and then with regard to the coasts, and without daring to refuse the matter clearly, availed himself of the argument that as long as the French were still at Trincomalee, one could make no change in this matter out of consideration for them. That the Kandians, who had seemed to let themselves be persuaded of this for a time, would no longer allow themselves to be placated by it. That the Kandian Ambassadors who were here in the spring of 1783:, notwithstanding that the Dessave De Cock and the Secretary Billing made every possible effort to persuade them in several conferences held on the subject that the dispute regarding the coasts ought not to be pursued at a time when the French were still masters of Trincomalee, would no longer allow themselves to be put off with that. That That the matter finally became so precarious that the late Falck found himself compelled to have our Dessave deliver in writing to the Kandian Dessave of the Four Korles the declaration which is inserted in the Colombo secret letter of 7: February 1783:, and in which declaration it is stated in so many words: that Falck would further demonstrate to Your High Right Honourables, as had already been done, that the Court had conducted itself faithfully toward the Dutch during the English war, and that His Honour would therefore urge that we, for our part, might show our gratitude by paying some heed to the requests of the Court, and that His Honour did not doubt that Your High Right Honourables would make some decision thereon that would serve as a token of gratitude, but that His Honour requested in the meantime to keep this writing secret, so that the French would not conceive any ill thoughts about it. That subsequently, in the year 1785:, Governor Falck, in order not to make the estrangement that existed at that time—on account of the declaration that the Company's Envoy had been obliged to make in the year 1784:—even greater than it already was, replied to the Kandian envoys regarding the repeated demands of the Court for the retrieval of the sea coasts, that Van Braam, Commander of

Dutch transcription

297 1791: 3: 92: tot 95:, schoon wagarne bakennen, dat het uitgebrijden hadde kunnen zijn, zoo hadden wa ter dier tijd zoo veel te schrijven dat het ons niet is ingeschooten, dat het zijne nuttigheid konde hebben dit verslag wat op te helderen. §: 123: Deate opheldering word tans gedaan bij een berigt van Gollo„ „nel van Drieberg dat onder de bijlaegen overgaat. Hij wijft daarbij aan; dat alleen de Minder ziekte die toen hij te mature kwam, daar sterk haerschte, en waarvoor men weet dat de Zingaleeseer een buiten gewoone vreete hebben, oorzaak geweest is, dat de matureesche Hoofden 's voormiddaagh op den 1: Junij, op het ontbod van den Dassave, zig hebben laaten verschoonen, om te koomen over de revier binnen het fort- Doch dat ze op het naader ontbod om 's naamiddag te koomen in de thuijn van den toenmaaligen Luijtenant Dessave van schules, geleegen aan de andere kant van de vevier, alle gekoomen zijn, en de grootste bereijdwilligheid hebben ge„ „toond om hunne pligten te vervullen, en dat ze dat ook met 'er daad hebben gedaan; zoo als Wij dat ook geschree„ „ven heeft aan den kommandeur sluijskene bij zijn brief van den 9: Junij, en verscheijde volgende brieven, en dat het alleen is bij inadvertentie dat hij zijne vroegere berichten niet eerder heeft gevertificeerd. §: 12: Volkoomen gegrond is UE: zeggen bij brief van den 30:— Junij S:o 125: dat wij niet minder dan UEE: overtuigd zijn, dat de afstand der stranden aan de Kandiaaneie: §: 124: §: 124: Den eerst ondergeteek: Gouverneur betuigd, dat Wij alleen eer„ „bieds halven niet geantwoord heeft op het door uw Hoog Edelh: geschreevene nopens de stranden, bij Hoogst derzelver zeer gere„ „specteerde aparte missive van den 28: Junij 1791: S: 8: en vervolgens om niet te repeteeren het door ons geschreevene bij onten naedrigen Cerreeten brief van den 31: Januarij 1788:, waarbij dit stuk heel omstandig is behandeld. §: 125: Dan wijl uw Hoog Edelh: nogtans verlangen zijn naader amst„ „woord daarop, verzoekt Wij de attentie van uw Hoog Edelh: een oogenblik te moogen beezig houden met kortelijk te herhaalen het geen bij voorsz: onzer brief vaer den 31: Janu„ „arij 1788: maar omstandig is getoond, en daaruit hier naader aantewijten: Dat de aanzoeken van het Hof tot het tenighebben van de stranden reeds voor den Engelschen oorlog zijn begin genoomen heeft, hebbende het Hof kort naa de vreede van 't jaar 1766: daarover zelfs een plegtige Ambassade aan uw Hoog Edel„ „heeden gezonden. Dat tot het uijtbreeken van dee tan oorlog toan het Hof de voor„ „stellen daartoe deed bij weege van verzoek, doch dat toen den oorlog uitgebrooken was, de zaak merkelijk veranderde van gedaante, en het Hof nu de strandere terug eischte op zulk een toon, dat den Hoogzaaligen Heer Gouverneur falck in dit tijds gewrigt de zaak zoo bedenkelijk vond, dat hij meerde zig niet te kunnen dispenseeren, 's komp=s getant deze koopman Billing te authoriseeren, om eijnde„ „lijk en wanneer het niet anders konde, te moogen werklaeren, dat d 298 dat de Gouverneur zeer dankbaar weegens de aankleeving van den koning aan s: komp=s belangens, zig daartoe zoude laaten overhaalen; om de koning ongemoend te laaten inde bezitting waar de landen van Jamblegam en Mattoe kolompattoe en zalfs van Roetjaar en Jambankaddewe, mits de oppermagt van de komp=e over deeta plaatzen eerkend bleef. Dat schoon wel voorsz: 's komp=s getant het heeft ontweeken„ om zoo een duijdelijke verklaaring te doen, het nogtans uit zijn beright van den 10: April 1782: zeer duidelijk blijkt, dat Wij zig nu en dan ten aanzien van de stranden vrij wat ingewikkeld heeft moeten verklaaren, en zonder de zaak duijdelijk te durven wijgeren, zig heeft beholpen met het argumeet, dat zoo lange de franschen nog op Prin„ „konomale waeren, men uijt menagement voor dezelve, in dit stuk geen verandering maaken konde. Dat de Randiaanen die gescheenen hadden zig dat een tijd lang te laaten beduijden, zig daarmeede verder niet wilden laaten paaijen. Dat de Randiasche Ambassadeurs die in 't vroegjaar 1783: zijn hier geweest, niet teegenstaande de Dessave De Goch en den secretaris Billing alle moogelijke moeite deeden, om hun in verschijde conferentien daarover gehouden te beduij„ „den, dat het verschil nopens de stranden in een tijd dat - de franschen nog meesters van Trinkonomale waeren, niet behoorde te worden gevoerd, zig verder daarmeede niet heb„ „ben willen laaten afzetten. . Dat Dat de zaak eijndelijk zoo naatelig wierd, dat de Waar falijk zig genoodzaakt heeft gevonden, door onten Dassave aan den Kandiascheer Dessave van de vier Korles schriftelijk te laaten overgeeven de verklaaring, die geinsereerd is bij de Kolombosche seireete brief van den 7. februarij 1783:, en bij welke verklaar „ring met zoo veel woorden staat: dat de Heer falck aan uw Hoog Edelh: naader zoude vertoonene zoo als reeds was geschied, dat het Hof Zig in den Engelschen oorlog getrouw gedraagen hadde, omtrent de Hollanders, en dat zijn Edele daarom zoude aandringen, dat wij van onze zijde onze erkantelijkheid bewijzene konden door eenige agt te slaan op de verzoeken van het Hof, en dat zijn Ed: niet twijffelde, of uw Hoog Edelh: zouden daarop eenig besluijt neemen, dat tot een blijk van dankbaarheid zoude strekken, dog dat zijn Ed: intusschene verzogt om dit geschrift geheim te houden, op dat de franschen daarvan geen kwaade gedagten kraegen. Dat vervolgens in het jaar 1785: de Heer Gouverneur falsk om de verwijdering die er ter dier tijd bestond, uijt hoofde van de verklaaring die 's Komp=s Ge„ „zant in het jaar 1784: hadde moeten doen, niet- nog grooter te doen worden dan ze bereeds was, aan de Randiasche getanten op de herhaalde eijsschene van het Hof tot het terug hebben der zee stranden heeft ge„ „antwoord, dat de Heer van Braam, Commandeur van

NL-HaNA_1.04.02_3975_0687 view scan ↗

English

of a national fleet, was expected to arrive here, who had been sent by the States General to act as a mediator in all disputes, and that when this gentleman arrived, matters concerning the disputes in which the Court was engaged with the Company regarding the sea shores would be further discussed with him. That the Governor, in his letter written in reply to the Kandyan letter, which was brought by the just mentioned embassy during the lifetime of the Noble Lord Falck, and in which the matter of the shores was again treated with great earnestness, explicitly stated in so many words: That it was not in his power to do anything regarding the proposal that appeared in the latest received letter, that Your High Excellencies had recommended to his predecessor in the Government, the Noble Lord Falck, a strict observance of the peace treaty with the greatest emphasis, and that he also hoped that the King himself would realize how much the mutual interest, as well as the interest of the inhabitants on both sides, made a precise observance of the same treaty strictly necessary. § 126: That the matter regarding which Your High Excellencies remark that, since we were convinced of the weight of the matter of the shores, Your High Excellencies could have and should have expected so much the less that the Governor would have dared to allow himself such a far-reaching promise on his own authority, as Your High Excellencies say occurred in the third place; and whereby Your High Excellencies in the following paragraph still added that Your High Excellencies in the above-mentioned separate very respected letter had already stated what would be the natural consequence of the exasperation of the Court over that double-tongued promise and disappointment; and finally, in Your High Excellencies' highly respected letter of 27 December, still say: without proceeding with such duplicity as was done by the Governor in the promise made or hope given for the recovery of a part of the shores, over which deception the Court has with reason become embittered, and from which these disturbances, so detrimental to the Company, have taken their origin, consists merely in this: that he authorized the envoys who departed for Kandia in the year 1785, for such reasons as are mentioned in our aforementioned respectful secret letter of 5 April 1788, in their instructions whereby they were ordered to treat the matter of the cinnamon in public with great coolness, so that if they should find that the cinnamon work would otherwise stall, they might act somewhat privately, as if it were not entirely hopeless that We, if further request were made thereto, might possibly allow ourselves to be moved perhaps to direct the matter so that the requests of the Court would once more be taken into further consideration in Europe, with express recommendation, however, to treat this matter with the greatest circumspection. § 127: That according to his humble view, such an opening made by the Company's Envoy of his personal opinion in a private conversation, at the same time that he delivered a letter that spoke an entirely different language on that matter, even leaving aside all that has been pointed out above regarding what occurred concerning the shores up to the year 1784 from our aforementioned humble secret letter, cannot in any respect be compared simply with the promise made by the Noble Lord Governor Falck in his own person, shortly before His Honour's death, to the Kandyan envoys in the ordinary audience, and thus in his public capacity, that when Mr. van Braam arrived, the matters concerning the disputes in which the Court was engaged with the Company regarding the sea shores would be further discussed with them. § 128: For that this was done to raise a kind of hope among the Kandyans that the arrival of Mr. van Braam might perhaps in some measure serve to favor the request of the Court, and thereby to prevent the alienation from becoming greater than it already was then, and not to make an untimely threat to the envoys, is too obvious for it to be necessary to repeat here, and yet Your High Excellencies, as far as is known to the Governor, have never made any remark upon that. § 14: As it appears to us, the statement that you make in § 137, 138, and 139 of the sums that the Court would have to demand on account of the revenues of the shores, is arranged rather exaggeratingly. § 129: The Court understands very clearly that by settling this matter, it puts the final touch to it, and one may be certain that this is the only true reason why the Court, however covetous of money it may be, has thus left it dragging on, and has never even wished to settle finally the matter of the limits, and that rather than doing that, it permits us to possess in various places much more land than belongs to us by virtue of the treaty. § 130: Whether the Court will think differently about this in the future, one will have to await from time; in this uncertainty meanwhile, and since Your High Excellencies remark that it appears to Your High Excellencies that what we have said regarding the revenues of the shores is arranged rather exaggeratingly, we very humbly request that Your High Excellencies be pleased to send us a specific authorization, as to how far one

Dutch transcription

299 van een 'slands vloot, stond hier te koomen, die door de Heeren Staaten gezonden was, om in alle verschillen als middelaar te werk te gaan, en dat wanneer deezen Heer kwam, omtrant de geschillen waarin het Hof met de Komp=s was, aangaande de zee stranden, de zaaken naa„ „der met hem zoude worden overlegd. Dat de Gouverneur bij zijn brief geschreeven in antwoord van den Mandiasche brief, die door de zoo evengem: ambassade nog bij het leeden van den Edelen Heer falck is aangebragt, en waarbij het stuk der stranden op nieuw met grooten ernst behandeld word, met zoo veel woorden heeft gezegd. Dat het niet in zijn vermoogen was, om iets te kunnen doen nopens het voorstel dat bij deen jongsten ontfangenen brief voor„ kwam, dat uw Hoog Edelh: aan zijn voorzaat in het Gouvernement, de Edele Heer Jalck eene stipte op vol„ „ging van het vreedens tractaat met de grootste naar „drek hadden aanbevoolen, en dat hij ook hoopte dat de koning zelve zoude inzien, hoe zeer het weederzijdsch belang als meede het belangder wee„ „derZijdsche ingeteetenen eene naauwkeurige opvol„ „ging van 't zelve tractaat volstrakt noodig maakte. §: 126: Dat het geene waarover uw Hoog Edelh: aanmerken, dat daar we overtuigd waeren van het gewigt van het stuk der stranden Hoogst dezelve zoo veel te minder hadden kunnen en moogen verwagten, dat de Gouverneur zig zulk een uitzigtelijke toezegging op eijgen gezag zoude zoude hebben durven veroorlooven, als zeggen uw Hoog Edelheeden in derten is geschied: en waarbij uw Hoog Edelhe in de volgende paragraaf, nog vroegen, dat Hoogt dezelve bij bovengem: aparten zeer eerbiedigden brief reeds hadden gezegt, wat het natuurlijk gevolg zoude zijn van de verbittering van het Hof over die dubbelhartige belofte en ter leur stelling: en eijndelijk bij Hoogst der„ „zelver zeer geeerbiedigden brief van den 27: 2=ber nog zeggen: zonder met zulk een dubbelhartigheid te werk te gaan als door den Gouverneur is geschied, in de gedaane belofte ofte gegeevene hoop tot tenug erlanging van een gedeelte der stranden, over welke mislijding het Hof met reeden is verbitterd geworden, en waaruijt dus deeze voor de Kompenie zoo naadeelige onlusten haaren oorsprong hebben genoomen, alleen hierin bestaat, dat hij de gezanten die in het jaar 1785: naa Kandia ver„ „trokken, om zodaanige reedenen als bij voorsz: onzen eerbiedigen serveaten brief van den 5: April 1788: zijn vermeld, bij hun instructie waarbij te bevoolen zijn, om het stuk van de kanneel in het publiek met groote koelte te behandelen, heeft gequalificeerd, om zoo ze mogten bevinden dat het kanneel werk buijten dien haperen zoude, zig in het particulieer eenig zints te moogen houden, als of het niet ten eenemaal kopeloos was, dat Wij indien daartoe naader aanzoek gedaan wierd 300 wierd, mogelijk zich zoude laaten beweegen om misschien de zaak daarheen te dinigeeren, dat de verzoeken van het Hof nog eens naader in overweeging wierden genoo„ „meer in Europa, met expresse recommandatie nogtans, om dit stuk met de grootste omzigtigheid te behandelen. §: 127: Dat naa zijn needrig intien zulk een opening gedaan door 's komp=s Extant van zijn bezondere opinie in een par„ „ticulieer gesprek, te gelijker tijd dat hij een brief overbragt, die op dat stuk een heel ander taal sprak„ zelfs ongeteekend al het geen hier boven nopens het voorgevallene omtrent de serranden tot het jaar 1784: uijt voorsz: onten needrigen secreeten brief is aange„ „weeten, in geen opzigte te vergelijken is, alleen met de toe„ „zegging van den Edelen Heer Gouverneur falck in eijgen per„ „zoon, kort voor zijn Ed=s overlijden aan de kandiasche getax„ „ten gedaan, in de gewoone audientie, en dus in, zijn publieke kwaliteit, dat wanneer de Heer van Braam, omtrent de ge„ „schillen waarin het Hof met de Komp„=e was aangaande de zee stranden, de zaeken naader met hun zoude wor„ „den overlegd. §: 128: Want dat dit geschied is om in de kandiaanen te doen ontstaan een zoort van hoop, dat de komst van de Heer van Braam zomtijds eeniger maate konde strekken ter begunstiging van het aanzoek van het Hof, en midsdien ter voorkooming dat de ver„ verwijdering niet grooter wierd, dan ze toen bereeds was, een niet om aan de getanten te doen een ontijdige bedrijging, is te zigtbaar, dan dat het noodig zij, dat hier te herhaalen, en nochtans hebben uw Hoog Edelh: zoo veel het den Gou„ „verneur bekend is, daarop nooijt eenige aanmerking gemaakt §: 14: Naa het ons toeschijnt is de opgaeve die UE: §: 137. 138: en 139: doen van de sommen die het Hof weegens de inkomsten der stranden zoude te eijsschen hebben, vrij ver„ „grootend ingeright. §: 129: Het Hof begrijpt zeer klaar, dat het met dit stuk te regelen, daaraan de laatste hand legt, en men mog zig zee„ „ker houden, dat dit de eenigste waare verder is, waarom het Hof hoegeldgierig het ook is, het zelve dus sleepende heeft gelaaten, en zelfs het stuk van de limieten nooit fi„ „naal heeft willen vegelen, en dat het liever dan dat te doen, toelaat, dat we op verscheide plaatzen veel meer landen bezitten dan ons uijt hoofde van 't tractaat toekoomen §:. 130: Of het Hof daarover in den aanstaande anders zal den haer, zal men van den tijd moeten afwagten, in deete onzeekerheid- intusschen en wijl uw Hoog Edelh: aanmerken, dat het Hoogst dezelve toeschijnt, dat het geen we weegens de inkomsten der stranden gezegt hebben, vrij vergrootand is ingerigt, var„ „zoeken we zeer needrig, dat uw Hoog Edelheeden ons gelie„ „ven te zenden een bepaalde qualificatie, tot hoe verre — men

NL-HaNA_1.04.02_3975_0691 view scan ↗

English

301 one may go in determining the revenues of the beaches, both for the past years and for the future, so that if the opportunity presents itself, this matter can be settled without delay, in order to prevent it in time from giving rise to questions that could become thorny, and why it would have been doubly desirable that the treaty had at least on this occasion been cleared of this Article, just as we have stated above that it was our intention to do, not because we desired to draw from this Article a pretext for a war, but because the Court, by waging an unjust war against the Company, has given their Honors reasonable cause to do so. Paragraph 15. In our provisional rescript of the 4th of May we have already made known to Your Honor what our thoughts are regarding the loyalty of the well-known grandee of the Court. Paragraph 131. Regarding this man's goodwill and favorable disposition toward the Company, there is in our opinion too much evidence at hand to doubt it, and had it depended upon him, the Court would certainly not have adopted the measures that it has taken this time on the advice of other, less well-disposed grandees of the Court. grandees of the Court. Paragraph 16. Without, then, making any further doubtful reflections on the ample report brought by the messenger of that Court grandee. Paragraph 132. The Nayakkars and Malabars, and all others who belong to that sort of people at the Court, are those who have the greatest interest in foreign trade, as the late former Governor Schreuder demonstrated in detail in his advice inserted in Your Right Honorable's secret resolution of the 4th of June 1764. Paragraph 133. The matter of the ceding of the beaches is consequently more in their way than in that of others. Furthermore, we take the liberty humbly to remark that the messenger mentioned hereinabove did not say that the matter of the beaches had for a long time been handled with delay by us, or to speak more accurately, by the Governor, as if that matter had only recently been brought up, but that he said that the Nayakkars and others who are partial to them had represented to the King that the Company, which had at first handled this matter with delay for a long time, had for the past couple of years written about it so firmly that the King had to decide either to abandon it or to do himself justice. 302 to do himself justice. Paragraph 134. We also take the liberty, regarding what was noted by Your Right Honorable that we previously attempted to reassure the same by pretending that the requests to have the beaches back would surely die a natural death, humbly to point out here that in our aforesaid respectful letter of the 31st of January 1788 we said in so many words: what effect the measures maintained for some time will continually have in the meantime cannot certainly be foreseen with such certainty that one would dare rely upon it. It is consequently also not possible to determine to what extent the Court, in the manner currently maintained with it, can continually be kept on the terms on which we currently stand with it; however, we think that one cannot do better than to let it stand as it is, as long as it can to some extent be maintained on that footing. In the meantime, more time elapses as we proceed, and the matter of the beaches is thereby at least not made worse than it formerly was. Paragraph 17. While we speak here of the well-known grandee of the Court, it will be fitting for us at the same time to explain in what light we have regarded the note. Paragraph 135. We have not attempted to deduce anything from what appears in the note mentioned in our respectful missive of the 12th of January, Paragraph 45, regarding Commander Sluysken, nor do we desire to do so as yet; in the meantime, we consider it our duty humbly to inform Your Right Honorable of what has further come before us on the subject of the correspondence with the Kandians, without wishing in any other respect to decide what the truth of the matter is, in particular whether the ola of which mention is to be made below is truly from the Dissava Leuke, or rather from another who has misused his name. Paragraph 136. A schoolmaster of Mapalagama, Simon de Zilva, has stated, according to his declaration of the 14th of January which is annexed hereto, that he, among others, had seen one of the relatives of the Chetti Vytinatha Mudaliyar and Malabar interpreter to the Commander at Galle, by the name of Habarakada Appu, residing in the King's country, passing by about two months ago, and consequently at a time when correspondence with the Kandians was forbidden, coming from the direction of Galle and returning to the King's country. Paragraph 137.

Dutch transcription

301 men gaan mag in het bepalee van de inkomsteir der stranden, zoo voor de gepasseerde jaaren, als voor het toekoomende, op dat zoo es geleegentheid toe voorkomt, dit stuek onverwijlt kan worden afgedaan, ter voorkooming dat het inder tijd niet voortbrengt questien, die epineus zouden kunnen worden, en waarom het dubbeld te wenschen geweest waare, dat het tractaat ten minsten van dit Artikel ter deezes geleegeerd„ „heid was getuiverd geworden, zoo als eve opgegeeven hebben dat het onze intentie was dat te doen, niet om dat we uijt dit Artikel een consequentie hebben begeeren te trekken tot een oorlog, maar om dat het Hof door de Komp: een onvaltigen oorlog aante doen, aan haar Ed: daartoe bil„ „lijke reeden gegeeven heeft. §: 15: Bij onze voorloopande rescriptie van den 4: Maij hebben wa UE: reeds te kennen gegeeven, welke onte gedagten zijn, ten opzigte van de getrouwheid van den bekenden Hofsgroote. §: 131: van deaze man zijn welgetindheid en goede gevoelens teegens de komp:e:, zijn naar we den kan te veele be„ rwijsen voor handen, om die in twijffel te trekken, en zoo het van hem hadde afgehangen zoude het Hof zeekerlijk niet gevolgd hebben de maatveegelen, die het ditmaal op deze raad van andere min welgezinde Hofs Hofs grooten, gevolgd heeft. §: 16: zonder dan verder eenige twijffelende raflegtien te maakene over het ampel bericht dat den boodschappoon van dien Hofsgroote. §: 132: De naijkars en Mallebaaren, en al wat verder tot dat slag van volk aan het Hof behoord, zijn die geenene die het meeste belang hebben in den buiten landschen handel, zoo als wijlen den Hoogzaaligen Waer schrouder dat bij zijn advies g'insereerd bij uwe Hoog Edelh:s secreete resolutie van den 4: Junij 1764: haal omstandig heeft getoond. §: 133: Het stuk van den afstand der stranden is hur bij gevolg maar dan anderen in de weg. Voorts neemen wedervrij„ „moedigheijd needrig aantemerken, dat dene boodschapper„ hier boven vermeld, niet heeft gezegt, dat het stuk der stranden door ons, of om meer regt uit te spreeken, door de Gouverneur, een tijd lang delaijeerend is behan„ „deld, even als of dat stuk eerst in den jongsten tijd was ter baan gekoomen, maar dat hij heeft getegt, dat de Naijkers en anderen die hun zijn toegedaan, den koning hadden vertoond, dat de Komp:e-:, die dit stuk eerst een tijd lang delaijeereerd behandeld had, zeedert eene paar jaaren daarover zoo stellig hadde geschreeven, dat de koning zig moeste decideeren, om daarvan aftezien, of zig 302 zig zelven regt te doen. §: 134: Nog neemen wa vrijmoedigheid op het door uw Hoog Edelh„ aangemerkte, dat we Hoogst dezelve eertijds hebben tragten geruft te stellen, door het voorgeeven dat de aanzoeken tot het terug hebben der stranden wal zouden dood bloeden, hier needrig aantewijten, dat we bij voorsz: onzen eerbiedigen van den 31: Januarij 1788: met zoo veel woorden heb„ „den gezegt: wat uitwerking middelerwijl de maatveen „gelen nu een tijd lang gehouden bij voortduuring hebben zullen, is zeekerlijk niet te voorzien, met zoo veel gronds, dat men daarop zoude durven aangaan. Wet is mitsdien ook niet moogelijk om te bestemmen, hoe verre het Hof naar den voet die tans daarmeede gehouden word, bij voort„ „duuring zal kunnen worden gehouden op de termen; waarop wa tans met het zelve zijn, dogeve denken dat men niet beeter doen kan dan het zoo te laaten doorstaan, zoo lange het eeniger maaten op dien voet te houden is. Jntusschen verloopt er gaande weg meer tijd, en word midsdien het stuk van de stranden daar door ten minsten niet erger dan het eertijds was. §: 17: Terwijl wa hiervan den bekenden Hofs„ „groote spreeken zal het gepasst zijn ons teffens te ver„ verklaaren, in welk leigt we hebben beschouwd het briefje §: 135: We hebben uit het geene voorkomt bij het briefje ver„ „meld bij onze eerbiedige missive van den 12: Januarij P:o 45: niets getragt aftelijden, nopens den Commandeur sluijs„ „ken, en begeeren, dat ook als nog niet te doen, intusschen ag„ „ten we het van onten pligt uw Hoog Edelh: hier needrig kennis te geeven, van het geene ons verder op het onderwerp van de Porrespondantie met de Randiaenen, is voorgekoomen zonder dat we voor het overige in eenig opzigt willen be„ „slessen wat daarvan zij, inzonderheid of de ola, waarvan hieronder staat gesprooken te worden, werkelijk is van den Dassave Leeuwke, dan wel van een ander die zijn naam heeft misbruijkt. P:o 136: Een schoolmeester van Mapalegam Simon de Zilva heef opgegeeven blijkens zijn verklaering van den 14: Janu „arij die hiernevens gaat, dat hij onder anderen een der namaagene van de Chittij Waijtenade Modliaar en Mallabaarse tolk van de Commandeur te Gale, in naame Haberekadde Appoe, woonende in 's Konings land, toenom„ „trend twee maanden geleeden, en mitsdien in een tijd dat de correspondentie met de Randiaanene verbooden was, hadde zeen passeeren, koomende van de kant van Gale en terug keerende na 's Konings land. §: 137:

NL-HaNA_1.04.02_3975_0695 view scan ↗

English

363 § 137: A considerable time thereafter, a Moor named Sikander Mira Lebbe came here and related, as appears from the note kept thereof on 10 September last, which is included among the appendices, that one Roemare Welen Welaaijden had told him that, while at Gale, Waijtenaaden Modliaar had given him an ola, which he said he had received from the Commandeur of Gale, and which ola Waijtenaaden had requested him to deliver with great circumspection to a certain Kandyan Dissave. That some time thereafter, while at Winadoeme, he had seen two Kandyans going to the house of the youngest son of Waijtenaaden's sister, and that he had since heard from one of the relatives of Waijtenaaden that these Kandyans had come to deliver an ola to Waijtenaaden Modliaar in reply to a certain ola sent by him some time ago to Kandia, but that, having heard from him that this Modliaar was deceased, they had returned. § 138: This relative of Waijtenaaden, named Witte Appoehamie, and his aforesaid brother having subsequently been questioned, the first declared that, having been summoned to Gale by his cousin Waijtenaaden fully a year ago, he had betaken himself thither, and when he came to him, the latter had requested him to take an ola to Wabrekadde, and subsequently, with one Wabrekadde Appoehamie, who has since died, to deliver the same to Jknelligodde Ralehamij, former Basnaijke of Saffergam. That he, having expressed his willingness to do so, was called by Waijtenaaden and taken along to the town up to the stoop of the residence of the Commandeur. That Waijtenaaden had been inside the house there, and coming outside onto the stoop thereafter, handed over a folded and sealed ola to him, to go and deliver it as aforesaid. That on account of high water he had had to stay at Gale for about eight days, after which, having betaken himself to Wabrekadde, he went from there accompanied by the aforesaid Wabrekadde Appoehamij to Jknelligodde and delivered the ola to the aforesaid Raalehamie, who was then still functioning as Basnaijke. That the latter, having opened and read the ola, told him to go away, and that he would send the answer later, whereupon he returned to his home village Wabrekadde. The second declared that, then estimated fully five months ago, he was summoned to Gale by his uncle Waijtenaaden, who was Modliaar and Malabar interpreter at the gate of the Commandeur of Gale. That upon his arrival at Gale he was called by Waijtenaaden and brought before the Commandeur, in whose presence Waijtenaaden had handed him a folded and sealed ola, with the request to take it to Barriwelle, and from there, accompanied by the Lekamme or writer of Barriwelle, to take the same to Ellepahate and to deliver it to the Attepattoe Basnaike, who had become Basnaike in place of the aforesaid former Jknelligodde Basnaike. That he, having undertaken this, directly betook himself to Barriwelle, and from there, accompanied by the aforesaid Lekamme, brought the ola to Ellepahate, and delivered it to the aforesaid Attepattoe Basnaike. That the latter, having opened and read the ola, said he would send an answer thereto, whereupon he returned to his home village. That then, about 2½ months ago, two Kandyans came to his village, who said that they were going to Gale to bring an ola from a Kandyan dignitary to Waijtenaaden, but that they, learning that Waijtenaaden was already dead, had not continued their journey, but had returned directly, taking the ola with them. § 139: According to a resolution adopted by us to that end, the declarations of these two persons have been sent to Commandeur Sluijsken, to see whether he had any remarks to make thereon, and in reply to his letter of 9 October last, which is also transmitted among the appendices, the note of the Moor Sikander Mira Lebbe was also sent to him. § 140: Yet another letter from Commandeur Sluijsken since received from him on this subject, written 2 November last, is also transmitted among the appendices, and without in any way calling into question the solemn assurance which he unprompted gives therein that, apart from a few occasions stated by him therein, he had never written to the Kandyans, it might nevertheless well be true that the deceased Modliaar Waijtenaaden conducted himself improperly in that matter. § 141: The note to be found at the foot of the aforesaid letter was placed there by the Governor himself, not to bring Commandeur Sluijsken into suspicion with Your High Mightinesses, but to make known that man of whom this letter speaks, because the nomination under which he appears therein is not a proper name, and we furthermore only remark here that the Governor, with regard to what appears in the declaration of

Dutch transcription

363 §: 137: Een geruimen tijd daarnaa kwam hier een moor in naame Sikan„ „der Mira Lebbe, en verhaalde, blijkens de aanteekening daarvan gehouden den 10: September jongsten, welke onder de bij„ „laegen legt, dat eenen Roemare Welen Welaaijden hem hadde verhaald, dat hij te Gale zijnde, Waijtenaaden mod„ „liaar hem een ola hadde gegeeven, die Hij zeijde gekreegen te hebben van den Gaalsch Commandeur, en welke ola Waijtenaaden hem hadde verzogt met groote omzigtigheid te bestellen aan zeekeren Mandiaschen Dassave . Dat hij eenige tijd daarnaa, zijnde te Winadoeme had getien twee kandiaa„ „nen, gaande naa het huijs van den jongsten zoon van Waijte„ „naaden zijne zuster, en dat hij zeedert van een van de naa„ „maagen van Waijtenaaden hadde gehoort, dat deeze Mandi„ „aanen gekoomen waeren, om aan Waijstenaaden Modliaar een ola overtebrengen, in antwoord op zeekeren ola door hem eenige tijd geleeden na Kandia gezonden, dog dat ze van hem gehoort hebbende dat deete Modliaar overleeden was, zijn terug gekeert. §: 138: Deeze naamaag van Waijtenaaden genaamd Witte Appoa„ „hamie en voorsz: zijn broeder daarnaa gevraagt zijnde, heeft den eersten verklaerd, dat hij nu ruijm een jaar gelee„ „den door zijn neef Waijtenaaden naar Gale ontbooden zijnde, zig naa derwaards begeeven hadde, en toen hij bij hem is ge„ „koomen, deeze hem hadde verzogt, eene ola te brengene naar Wabsekadde, en dezelve vervolgens, met eener Wabre kadde Appoehamie, die zeedert gestorven is, te bestollen aan Jk„ „nelligodde „nelligod de Ralehamij, geweeten Barnaijke van Jafforgam Dat hij zijne bevendwilligheid daartoe betuijd hebbende, door Waijtenaaden geroepen en meede genoomen was naar de stad tot voor de schoap van de wooning van den Haer Kommacdeur: Dat Waijtenaaden aldaar binnen het huijs geweast is, eie daarnaa buiten op de stoep koomende eene toe„ „gevolde en verzeegelde ola aan hem heeft overgegeeven, om als hier vooren gezagt te gaan bestellen. Dat hij zig wee„ „gens hoogwaater omtrent een agt daagen te Gale had moeten ophouden, waarnaar hij zig naar Waebre kadde begeeven hebbende, van daar verteld van voorm: Habre„ „kadde Appoehamij naar Jknelligedde gegaan was, en de ola aan voorm: Raalehamie die toen nog als Basnaij„ „ke fungeerde, besteld had. Dat deet de ola geopendeu geleesen hebbende, hem gezegd had heenen te gaven, in dat hij het antwoord naader zoude zenden, waarop hij naar zijn woondorp Wabrekadde terug gekeerd was. De tweede heeft verklaerd, dat hij, toen naar gissing ruim vijf maanden geleeden, door zijn Oom Waijtenaadere, die Modliaar en Mallabaarse tolk was aan de porta van den Heer Gaalsch Commandeur, naar Gale ontbooden was. Dat hij bij zijne komst te Gale door Waijtenaaden was geroe„ „pen en gebragt bij den Heer Commacdeur, in wiens pra„ „fantie 7. 304 „sentie Waijtenaaden een toegevolde e en verzeegelde ola aan hem had ter hand gesteld, met verzoek om ze te brengen naar Barriwelle, en van daar verteld van den Le kamme of schrijver van Barnivelle, dezelve te brengen naar Ellepahate en te bestellen aan den Attepattoe Parnaike, die Barnaike geworden is in plaats van voorm: geweeten Jknelligodde Barnaike. Dat hij dit aangenoomen hebbende, zig direct naar Barnewille begeven, en van daar verzald van voorm: Le kamme de ola naar Ellepahate gebragt, en aan voorsz: attepattoe Barnaike basteld had. Dat deeze de ola geopend en geleeten hebbende gezegd. had, daarop antwoord te zullen zenden, waarop hij naar zijn woondorp was terug gegaan. Dat toen omtrent 2½: maanden geleeden, twee kaniaanen in zijn dorp waaren gekoomen, die zeiden, dat ze naar Gale gingeir, om een ola van een Randiasche groote aan Waijtenaaden te brengen, dog dat zij — verneemende dat Waijtenaaden veets gestorven was, hunne raijs niet vervolgd hailden, maar divect teniggekeerd 7„ zijn, en de ola meede genoomen hadden. §„: 139: §:o 139: Volgens eene daartoe door ons genoomen resol: zijn de ver„ „klaeringen van deeze twee menschen gezonden aan den Commandeur Sluijpken, of hij daarop iets aantemerken hadde, en op zijn brief van deen 9: October jongst: die ook onder de bijlaegen overgaat, is nog aan hem gezonden de aantee„ „kening van de moor: Sikander Mira Lebbe. §: 140: Nog een andere brief van dan kommandeur sluijsken Zeo„ „dent van hem op dit onderwerp ontfangen, geschreeven den 2: Nov=s: joc:, gaat ook onder de bijlaegen over, en zonder in eenig opzigt in twijffel te trekken de plegtige verteekening, die hij ongevergd daarbij doed, dat hij buiten eenige keeren door hem daarbij opgegeeven, nooijt aan de Kandiaanen geschreeven hadde, zoude het nogtans wel kunnen waar zijn, dat de overleedene modliaar Waijtenaad en zig op dat stuk kwaalijk gedraagen heeft. §: 141: De nota, aan de voet van het voorsz: briefje te vinden is er door den Gouverneur zelve opgetat, niet om den Gom„ „mandeur sluijsken bij uw Hoog Edelh: in verdenking te brangen, maar om kanbaar te maaken dene man, waar„ „van bij dit briefje, gesprooken word, wijl de nominatiece- waaronder Wij daarbij voorkomt geen eijgen naam is, en merken we hier voorts nog alleen aan, dat de Gouverneur met betrakking tot het geene voorkomt bij de verklaering van

NL-HaNA_1.04.02_3975_0699 view scan ↗

English

305 from the abovementioned Wittie Appoehamie, that more than a year ago an ola handed to him by Waijtenaaden, which he delivered to the former Basnaike Eknelligodde Ralehamij, who, when he gave him the ola, was still in office, communicated to the meeting that while he was at Sitawaka last year, the said Basnaike, not long before he was dismissed from his service, sent him an original ola, which he let him know had been brought to him from the Company's territory, of which the translation made on 7 October 1791 is forwarded among the annexes, and which, if truly written by the Bandare Galgodde Appoe, the same man who appears in the abovementioned note from the notorious Court grandee, is certainly of a very suspicious content. Section 142: A cinnamon peeler came to report, as appears from a note of 6 October kept thereof by the secretary, which is forwarded among the annexes, that a Marckande Korale had instructed him to deliver an ola from the Dessave of Saffergam to the Commandeur of Gale, and having thereupon been ordered to return to the said Marckande Korale and to show himself willing to do so, he, as appears from a further note of 22 October, returned here with an ola, of which the translation is inserted in our secret resolution of 23 October, and regarding which we request permission to refer here to our aforementioned resolution. Section 18: By Your High Excellencies' missive of 20 June we find noted. Section 143: The act is evident from the exchanged letters. It appears from them that the order to recall the detachment from the Magampattoe was sent by Commandeur Sluijsken to the acting Dessave Berghuijs, and that Berghuijs, and not Colonel Drieberg, had the order executed. Section 19: Among the reports which Your High Excellencies sent us regarding the movements of the Kandians alongside Your High Excellencies' missive of 20 July. Section 144: We had an extract of this paragraph given to the present Commandeur of Gale and former Dessave of Colombo, Fretz, in order to have his report on it. He complied with this by letter of the 10th of this month, which is attached hereto in copy, which we hope will 306 will serve to remove all alarming thoughts that the letter of Resident Sinning of 5 July 1791 caused to arise in Your High Excellencies. Your High Excellencies will see from it that, apart from extraordinary circumstances with which everyone ought to comply, proper care is taken that no one is burdened with anything beyond his obligation, and for the further reassurance of Your High Excellencies we think we can add with great confidence that we do not believe that the inhabitants were ever treated with more equity and justice than in recent years. But even if what Resident Sinning writes had existed in the fullest sense, we would still, to the question that Your High Excellencies put to us whether such inhabitants ought not with great right to become rebellious, humbly be of the opinion according to our simple notions that this gives them no right to do so, and that they would thereby make themselves guilty of the severest punishment. The subjects ought, after all, to understand to some extent that in such circumstances not everything can always be handled according to strict custom, as the inhabitants of the Hapitigam Korale have also done; they have continuously remained quiet and obedient. Section 20: Since matters have once gotten into that state through what has happened. Section 145: We request permission to refer here to what was remarked in detail above, both regarding our actions, which to our humble view contain neither extensive nor hazardous projects, and regarding the expenses that had to be incurred and were unavoidable. Section 21: Regarding the further constructed six patrol boats. Section 146: Circumstances required that the patrol boats be prepared without delay; otherwise we would not have done so without first requesting Your High Excellencies' authorization. Meanwhile, of the six patrol boats no more than 2 have been prepared, and no more will be prepared either. Section 147: As for the rest concerning the number of our sloops and boats, it is far less than it formerly was, as appears from the comparison thereof that accompanies this. Section 22: And although we the authenticity of the correspondence between the King of Kandy and the Governor of Pondicherry, etc. Section 148: The original documents prove the matter, and for the rest it is very uncertain to what extent the

Dutch transcription

305 van de hierboven gem: Wittie Appoehamie, dat hij toen ruim een jaar geleeden een ola hem door Waijtenaaden ter hand gesteld, heeft besteld aan den geweezene Basnaike Eknelligodde Ralehamij, die, toen hij hem de ola gaf nog in functie was, ter vergaedering heeft gecommuni„ „ceert, dat terwijl hij voorleede jaar te Sitawaka was, gem: Basnaike hem niet lang voor dat hij van zijn dienst verlaaten is, gezonden heeft een origi„ nneela ola, die hij liet weeten dat hem uijt 's komp=s gebied was toegebragt, waarvan het translaat op— den 7e October 1791: gemaakt onder de bijlaegen over„ „gaat, en die, zoo te werkelijk door den Bandare Galgodde Appoe, dezelfde man, die bij het hier boven gemelde briefje van den bakanden Hofs groote voorkomt, geschreeven is, zeekerlijk is van een zeer bedenkelijken inhoud. §:o 142: Een kanneel schiller is koomen aangeeven blijkens een aanteekening van den 6: October, door den secretaris daar„ „van gehouden, die onder de bijlaegen overgaat, dat eenan Marckande Koraal hem hadde aangezegt, om een ola van den Dessave van saffergam aan den Commandeur van r van Gale te brengen, en daarop gelast zijnde om naa dee tan marckande koraal terug te gaan, en zig daartoe berijd„ „vaardig te toonen, is hij blijkens een naaders aantreke„ „ning van den 22: October hier tenug gekoomen met een ola, waarvan het tracslaat geinsereerd is in onze secreete resol: van den 23: October i0c:, en omtrent de welke we ons hier aan voorsz: onze resolutie verzoeken te moogen gedraegen §: 18: Bij UE: missive van den 20:' Junij I: 66: win„ „den we wel genoteerd. ƒ §: 143: Dde daad blijkt uit de gewisselde brieven. Daaruijt blijkt, dat de order tot terug roeping van 't detachement uit de Magampattoe door den Commandeur Sluijs Keu„ aan den waarneemend Dessave Berghuijs is gezonden, en dat Berghuijs, en niet Collonel Drieberg, de order heeft doen executeeren. §: 19: Onder de berichten die UE: ons omtreent de bewee„ „gingen der Mandiaanen nevens U:E: missive van den 20: Julij hebben toegezonden. §: 144: Wij hebben aan de teegenwoordige Commandeur van Gale en geweeten Dassave van Kolombo Jretz laaten geeven een axtract van deeze P:, om daarop te hebben zijn bericht. Wij heeft daaraan voldaan bij brief van den 10: deezer die in copij hiernevens gaat, welke we hoopen dat zal 306 zal moogen itprekken om weg te neemen alle ontrustende gedagten, die de brief van den Residant Sinning van den 5: Julij 1791: bij uw Hoog Edelhe heeft doen ontstaan. Uw Hoog Edelheeden zullen daarbij zien, dat buijten extra ordinaire geleegendheeden die zig een elk behoord te laaten welge„ „vallen, 'er behoorlijk word zorg gedraagen, dat niemans iets word opgelegd boven zijn verpligting, en we deuken er tot verdere gerustheid van uw Hoog Edelh:s met veel vertrouwen te kunnen bijvoegen, dat we niet geloven, dat de ingeteetenen ooit met meer billijkheid en regtvaardig„ „heid zijn behandeld dan in de jongste jaaren. Maar al hadde ook het geen de Resident Sinning schrijft in den volsten zin bestaan, dan zouden we nog op de vraege die uw Hoog Edelheeden ons doen, of zulke ingetee„ „tenen niet met groot regt opvoerig moeten worden naar onze eenvoudige begrippen needrig van gevoelen zijn; dat hun dit daartoe geen regt geeft, en dat ze zig daardoor aan de zwaarste straffe zouden schuldig maaken. De Onderdaanen dienen toch ook eenigermaate intezien, dat in zulke omstandigheeden, niet altijd alles naa de stijofte gewoonte kan worden behaudeld, zoo als de inge„ „zeetenen van de Happittigam Korle dat ook hebben ge„ „daan, ze zijn bij voortduuring stilen gehoorzaam gebleeven. §: 20: Daar de zaaken nu eenmaal door het geen'er ge„ gebeurt is in dien staat zijn geraakt. §: 145: We verzoeken ons hier te moogen refereeren aan het geen hierboven breedvoerig is aangemerkt, zoo omtwreest onte verrigtingen die naar ons needrig inzien geen uit„ „gestrekte noch hatardeuse projecten bevatten, als om„ „trent de ongelden die gedaan hebben moeten worden, en niet te vermijden zijn geweest §: 21: Omtrent de vardere aangebouwde ses kruijs boots. §: 146: De omstandigheeden vorderde dat de kruijsboots zonder uitstel wierden aangemaakt, buiten dien zouden we dat niet hebben gedaan zonder daartoe alvoorens Uw Hoog Edelh: qualificatie te vertoeken van de ses— kruijsboots zijn es intusschen niet meer dan 2: aange„ „maakt, en zullen er ook geen meer aangemaakt worden. §: 147: Wat voor het overige het getal onzes sloepen en boots aangaat . Het zelve is veel minder dan het eertijds was, zoo als dat blijkt uijt het vergelijk daarvan dat hiernevens gaat. §: 22: En ofschoon wede echtheid der corres„ rpondentie tusschen de Koning van Kandia en de Gouverneur van Pondicherij etca §: 148: De oorspronkelijke stukken wijzen de zaak uijt, en is het voor het overige heel onteeker, in hoe verre de

← previousnext →