VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 4318

Cape · 396 pages · 244 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_4318_0226 view scan ↗

English

says no of no others. says that it was presented to him as a gift by Kion the Chinese, who has now departed for Batavia. says to have bought the same from a Frenchman who goes around with goods, for four schellingen. says the same not to be his, having to belong to someone of his housemates. lays: Yes, such being stolen, whether he named prisoner must now not confess to know well that the two silver knives, the green case with silver, the box of Mocha stone, the silver corkscrew with the agate handle, the gold neck buckles, the hand adornment of small gold pearls, as well as the four agate plaques, all are stolen from the house of monsieur de Bonnaire, by Daniel and Leyd of the gentleman Johannes van Echten and a boy of the late Jan Eckhart named Job having brought the same to him the slaves Leyd and Daniel and Zeyd had told him that the three of them had stolen those goods from the house of monsieur de Bonnaire. also the box with the silver and other small buttons inside, in what manner he prisoner obtained that. as well as from where he has the silver knee buckle, marked with the letters I: H: L:d and whether he does not know that the same was stolen from the burgher Jan Hendrik Ludolph. Item 2. From where he prisoner has the satin bedspread that is now shown to him. Dropped. says not to have been along to steal; having paid the slaves Zaayd and Daniel for it four Rxs in silver money; having handed that money into the hands of Leijd; no more goods having been brought to him; and also of more goods, 8: whether he named prisoner does not know that at the same time still other goods were stolen from the house of monsieur de Bonnaire beyond those found with him named prisoner. underneath stood. Thus interrogated and answered in the irons or torture chamber at Cabo de Goede Hoop the 28 January 1785: and this in the presence of the gentlemen Pieter Hacker, Adriaan van Schoor, Lodewijk Christoph Warneck, if the prisoner says not to have committed the theft itself nor with the help of others, then to ask him: By whom the aforementioned goods were brought to him prisoner and how much he prisoner paid for the same. Item 6. whether he prisoner committed that theft himself, or whether others committed the same with or without him named prisoner. Item 6. Item Item 4: not to know. to know no more. says Daniel of the Caab, Tobias Christiaan Bonnenkamp, Oloff Godlieb de Wet, Gerhardus Hendrik Cruijwaagen, Salomon van Echten, Iohann Hendrik Munnik, Johannes Smuts and Ian Coenraad Gie, members from the Honorable Worshipful Council of Justice aforementioned who have duly signed the minute hereof along with the interpreter Hendrik Matthijszen and the prisoner as well as me Secretary. lower down: which I testify: was signed: C: L: Neethling Secretary. Re-examination. Appeared before us undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government the slave Gree belonging to the military Captain the honorable van Hijde, who, this his preceding question articles and answers given thereto having been read aloud clearly and plainly word for word, declared to persist therein, not desiring that anything more shall be added or taken away therefrom, testifying such to be the pure truth. underneath stood: Thus done re-examined at Cabo aged by estimate 26 years, Item 1: the prisoner's name, age, place of birth and whose chattel slave of the former merchant he is: Articles drawn up and handed over to the Commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, in order thereon at the requisition of the Independent Fiscal Mr. Jan Jacob Serrurier to interrogate the slave Daniel of the Caab, chattel of the former merchant the honorable Johannes van Echten, presently the Lord's prisoner, whose answers to be given will have to be duly recorded in the margin hereof. Appeared before us undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government aforementioned: Daniel of the Caab, who to the accompanying question articles answered in such manner as stands noted beside the same. de Goede Hoop the 29 January 1785. lower: two dashes. in the description: this is the mark of Gree. even lower: in my presence: was signed: C: L: Neethling Secretary. in the margin: as commissioners: and signed: C: G: dewet and J: C: Gie. ditto: the honorable

Dutch transcription

zegt neen van geene andere zegt: dat door Kion den Chinees die thans na Batavia vertrokken is hem deselve is verEerd. - zegt: deselve van een Fransman die met goederen rond loopt gekogt te hebben voor vier schellingen zegt: 't zelve 't zijne niet te weesen, moetende zijn van iemand van zijn maats uijt den huijze. — Legt: Ia zijnde zulx gestoolen of hij gen: nu niet bekennen moet wel te weeten dat de silvere uijt het huis van mons„r twee messen, het groene Etui de Bonnaire, door Daniel met zilver, het doosje van mochase en Leyd vande heer steen, de silvere kurketrekker Iohannes van Echten en met het agaate handvattel, een Jongen van wijlen de goude hals gespen, het Hand Ian Eckhart in naame Cieraad van goude paareltjes Job hebbende 't zelve bij hem gebracht de slaanen als meede de vier agaate Leyd en Daniel en Plaatjes alle gestoolen zyn zeyd had hem gezegt dat zy uijt het huis van mons„r do met hun driën die goederen Bonnaire gestooten hadden zo ook 't doosje met de daar in zijnde zilvere en andere knoopjes op welke wijze hij gev: dat heeft bekoomen als meede van waar hij de Silvere kniegesp heeft; gem„t met de Letters I: H: L:d en of hij niet weet dat deselve van de burger Jan Hendrik Ludolph gestoolen is. A„o 2 van waar hij Gev: de Satijne Spreij heeft die hem thans vertoond wood„ Vervalt. zegt om te steelen niet meede geweest te zijn; hebbende aan de slaaven zaayd en Daniel daar voor betaald vier Rxs in zilver geld„ „hebbende dat geld aan Leijd inhandigt gegeeven zijnde bij hem geen meer goederen gebracht; en ook van meerdere goederen 8: off hij gen: niet weet dat op deselve tijd nog meer andere goederen uijt het huis van Mons„r de Bonnaire gestoolen zijn als bij hem gen: zijn gevonden //:onderstond./ Aldus Gevraagd en beantwoord in de boeijen of pijn kaamer aan Cabo de goede Hoop den 28 Januarij 1785: ende zulx ten overstaan van de heeren Pieter Hacker, Adriaan van Schoor, Lodewijk Christoph Warneck, zo den gew: zegt den diefstal zelve nog met behulp van anderen niet gepleegd te hebben, hem dan af te vraagen. Door wien de voorm: goederen bij hem gev: zijn gebracht en hoeveel hij gev: voor deselve heeft betaald. A„o 6 of hij gev: zelve en dien diefstal heeft gepleegd, dan wel of anderen deselve hebben gepleegd met of zonder hem gen. A:o 6 Ate A „ 4: niet te weeten meer te weeten. — zegt Daniel van de Caab Tobias Christiaan Bonnenkamp, Oloff Godlieb de Wet, Gerhardus Hendrik Cruijwaagen, Salomon van Echten, Iohann Hendrik Munnik, Johannes Smuts en Ian Coenraad Gie, Leeden uijt den E: Agtb: Raad van Justitie voorm die de minute deeses benevens den Vertolker Hendrik Matthijszen en de gevangen mitsgd:s mij Secretaris meede behoorlijk hebben onderteekend /:laager :/ 't welk ik getuijge /:was geteekend:/ C: L: Neethling Secretaris. Recollement Compareerde voor ons ondergeteekende ge„ Committeerdens uyt den E Agtb: Raad van Justitie deeses gouvernements den Slaaf Gree= toebehoorende den Capitain militair d' E van Hijde, dewelke deese zijne voorenstaande vraag articulen en daar op gegeevene antwoorden van woorde tot woorde klaar en duijdelijk voor„ geleesen zijnde verklaarde denselven daar bij te blijven persisteeren, niet begeerende dat daar iets meer bijgevoegt ofte van Gedaan werden zal, betuijgende zulx de zuijvere waarheid te zyn /:onder stond:/ Aldus Gedaan Gerecolleert aan Cabo oud na gissing 26 Jaaren A„o 1: des gev„s naam, ouderdom, geboorte plaats en wiens Lijf slaaf van den oud Coopman eigen hij is: Articulen gedaan maaken Compareerde voor ons en aan H H gecomm: ondergeteekende gecomm: uijt den E: Agtb: Raade uijt den E Agtb: Raade van Iustitie deeses Gouver„ van Iustitie deeses Gouver„ „nements overgegeeven, omme: „nements voorsz: Daniel daar op ter requisitie van den van de Caab, dewelke op Independent fiscaal M„r de nevensgaande vraag articulen, zodanig geant Jan Jacob Serrurier woord heeft als bezijden gehoord te worden den slaaf deselve aangeteekend staat Daniel vande Caab, Leijf eigen van den oud Coopman d' E Johannes van Echten thans 'S Heeren gen., zullende desselfs te geevene responsiveu„ in margine deeses behoorlijk moeten worden bekend gesteld. - de goede Hoop den 29 Januarij 1785. /: lager / twee streepjes. /: in daar omschreeven:/ dit is de naam teekening van Gree /:nog lager:/ mij praesent /:was geteekend C: L: Neethling Secretaris. /:in margine:/ als gecommitteerdens /en geteekend:/ C: G: dewet en J: C: Gie. — do: dE

NL-HaNA_1.04.02_4318_0228 view scan ↗

English

The Honorable Johannes van Echten. Further articles drawn up and delivered to the gentlemen commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, in order that the slave Daniel of the Cape, currently the Lord's prisoner, may be heard thereon at the requisition of the Independent Fiscal here, Mr. Jan Jacob Serrurier; his responses to be given shall be noted in the margin of this document. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this aforesaid government, Daniel of the Cape, who answered the adjacent questions as noted alongside them. Article 1: Whether the named prisoner has long been acquainted with the slave Gree, belonging to the Lord of Lyden, and on what occasion he made his acquaintance? Answers: Yes, at his master's in the garden, while the same often came to see his wife, the fellow slave of the prisoner named Constantia. Article 2: Whether the prisoner did not recently sell a quantity of goods to the same Gree? Answers: Yes. Article 3: What goods they were? Answers: Some cut stones, four agate plaques, an etui, a gold neck buckle, for which buckle Gree had given him, the prisoner, and Zeijd two Ducatons; furthermore a small strand of gold beads or pearls, a small sort of trunk, two knives with silver handles, though there had been more, but they had taken two of them; the boy of the late Ekkert, named Job, having taken a piece of betilles and wound the same around his body, without the prisoner knowing anything of any further goods. Article 4: In what manner he, the named prisoner, had obtained the same? States: That he, the prisoner, and Zeijd had agreed with Job the evening before in front of the gate that they would go steal together at Monsieur de Bonnaire's, and that Job would come in the night to fetch him; that Job came to them in the night, estimated at around three o'clock, in the slave quarters and fetched them; to that end knocked at the boys' quarters and then said to him, the prisoner, and Zeijd, come on, let us go now, none of the other slave boys knowing anything about it; that he, the prisoner, then went with Zeijd and Job through the gate that can be opened from the inside, whereupon they climbed over the wall in front of the garden of Monsieur de Bonnaire, Job going first; that Job then broke open a window with an iron tool he had with him, while the prisoner, wishing to help Job, fell down with the flower box; Zeijd and Job had climbed inside the house and subsequently he, the prisoner, as well. That Job furthermore, having opened a desk standing there with the key sticking in the keyhole, had found nothing in it, and thus wishing to open a second drawer with that key, the key had broken, and Job had then pulled open the door of the desk, whereupon out of that desk, by the light of a small wick which they had brought along from the slave quarters and had kept hidden under the prisoner's coat—which wick belonged to Gree, who occasionally came upstairs to him and had left it there—some goods were stolen, mentioned under Number 4, saying he knew of no others. Article 5: Confirms that the goods were stolen by him at Monsieur de Bonnaire's. Answers: As before. Article 6: Whether the same goods belonged to him, the named prisoner, alone, and were also sold to Gree by him alone? Article 7: If not, who else had a share in those goods? Answers: As to Article 6, they had belonged to all three of them, Gree having paid two Ducatons for the neck buckle, the other goods being given to Gree for safekeeping, and subsequently left with Gree, as they could do nothing with them; that Zeijd, having received the money from Gree, had given him one Ducaton, not knowing what Job received, Job having taken a piece of betilles and wound it around his body. Article 8: How much money Gree had given for those goods? Answers: As before. Article 9: To whom Gree paid that money? Answers: To Zeijd. Article 10: Whether he, the prisoner, must not now confess to having deserved severe punishment for the crime he committed? Answers: Yes, it happened through temptation. Article 11: Whether he also knows anything to put forward in his defense? Answers: As before. Thus questioned and answered, and the same having been read back to the prisoner, he declared that he persisted therein, at the Cape of Good Hope, the 29th of January 1785, before the Honorable Oloff Godlieb de Wet and Jan Coenraad Gie, members of the Honorable Council of Justice aforesaid, who duly signed the original minute of this together with the prisoner and me, the Secretary. Which I witness, Was signed, C. L. Neethling, Secretary.

Dutch transcription

d' E: Iohannes van Echten. zegt Ia„ zegt: eenige gesleepene Steentjes, vier agaate plaatjes, een Etui, een goude hals gesp, voor welke gesp Gree aan hem gen: en zeyl twee Ducatonnen had gegeeven, voorts een Strengetje goude Craalen of peerlen, een klijn zoort van Coffertje, Twee messen met zilvere hegten dog daar waaren meer geweest, maar twee hadden zij daar van genoomen; hebbende de Jonge van wylen Ekkert in naame Tob, een stuk betielis genoomen en zulx om zijn lijf gewonden zonder dat den gev: van meer andere goederen iets weet. — op welke wijze hij gen. deselve Legt dat hij gev: en zeijt bekoomen had 's avonds bevoorens voor 't hek met Job hadden afgesprooken dat zijl: te zaamen bij mons„r de Bonnaire zouden gaan steeten, en dat zob s' nagts zoude koomen om hem af te haalen, dat Iob in de nacht de klokke zegt dat de goederen door hem bij mons„r de bonnaire gestoolen off deselve goederen van hem genr alleen waaren, en ook door hem gen:d alleen aan Gree zijn verkogt Artb: 6: na Gissing om drie uuren bij hun was gekoomen; in 't slaaven huis en hun had afgehaald; ten dien einde aan 't Iongens huis geklopt en toen tot hem gen: en zeijt ge„ „zegt had, toe, kom laat ons nu gaan, hebbende van de andere slaaven Jongers niemand daar van geweeten: dat hij gen: toen met Leijd en Job, door 't hek dat van binnen kan worden geopend, waaren gegaan, w'anneer zij over de muur voor de Thuin van mons„r de Bonnaire waaren geklommen, en wel Iob eerst, dat zob toen met een bij hem hebbende ijzer een venster had opengebrooken termijl den gew: hem Job helpen willende, met de bloem bak na beneeden was gevallen, was zeijd en Job binnen in 't huijs geklommen en vervolgens hij ged: ook. — Dat Tob voorts een aldaar staande Comptoir met de in 't sleutel gat steekende Sleutel geoopend hebbende daar niets in gevonden had, en dus een tweede Schuijf met die sleutel hebbende willen openen, de sleutel gebrooten was, en Job toen de deur van 't Comptoir opengetrokken had, wanneer uijt dat Comptoir bij 't Ligt van een Slontje die zil uijt het slaave huis hadden meede genoomen en onder zijn gew: Jas was verborgen gehouden; welk Flonsse Gree, die nu en dan wel booven bij hem kwam en aldaar gelaaten was, toebehoorde, waren gestoolen eenige goederen, op N:o 4: genoemt, zeggende, van geene andere meer te weeten. — Welke goederen het zijn geweest off hij gev: niet onlangs aan densele Gree een aantal goederen heeft verkogt. A„o 2: Off hij gev: niet wel kend den Slaaf Gree, toebehoorende den Heer van Lijden. hun: verte: Legt La zegt als vooren zegt als op Artl: 6: zegt aan zeijd. - zegt Ia, 't is door verlijding geschied zegt als vooren hun alle drie hadden toebehoord, hebbende Gree voorde hals gesp twee Ducatons betaald, zijnde het andere goed aan Gree ter bewaring gegeeven, en deselve vervolgens aan Gree gelaaten, dewijl Ze daar meede niets doen konden; dat zeijd het geld van Gree bekoomen hebbende, dezelve aan hem een ducaton had gegeeven, weetende niet wat Iob ge„ kreegen heeft, hebbende Job een Stuk Batielies genoomen en om zijn Lijf gewonden. — hoe veel geld Gree voor die goederen had gegeeven. aan wie Gree dat geld heeft betaald off hij ged: nu niet bekennen moet over zijne bedreevene misdaad zwaare Straffe verdiend te hebben. „ 11. off hij ook iets tot zijn verschoo¬ „ning weet in te brengen. /onderstond:/ Aldus Gevraagd en beantwoord mitsgd„s den gew: weederom voorgeleesen zijnde, heeft A„o 7. zo neen! wie dan meer portie in die goederen had! Compareerde voor ons onderget: gecommitteerdens uijt den E: Agtb: raad van Iustitie deeses Gouvernements voorsz: Daniel vande Caab dewelke op de neevensstaande vraagen zodaanig g'antwoord heeft als bezeijden deselve aangeteekend staat. off hij gen: al zeedert lang zegt. Ia: bij zijn Lijfheer kennis aan den slaaf Gree in de thuijn terwijl denselven heeft gehad, en bij welke dikwils bij zyn vrouw des gen meede slaven geleegendheid hy gen. met Constantia gekomen was. - Naadere Articulen gedaan maaken en aan Heeren gecomm: uijt den E: Agtb: Raad van Justitie deeses Gouvernements overgegeeven omme daar op ter requisitie van den Independent fiscaal alhier m„r Jan Iacob Serrurier gehoord te worden, den slaaf Daniel van de Kaap thans S Heeren gevangen, zullende desselfs te geevene responsiven in margine deeses moeten worden bekend gesteld denselven betuijgd daar bij te persisteeren aan Caba de goede Hoop den 29 January 1785: voor d' EE Oloff Godlieb de wet en Jan Coenraad Gie Leeden uijt den E: Agtb: Raad van Iustitie voorm:, die de minute deeses benevens de gev: ende mij Secretaris meede behoorlijk hebben onderteekend. /:lager 'T welk ik getuige /:was geteekend/ C: L: Heethting Secretaris. denzelven te ƒ 8: „ 10 Al /.

NL-HaNA_1.04.02_4318_0230 view scan ↗

English

To the interrogation regarding De Bonnaire. Answer 6. States: to have come there now and then to pray. States: seen. Whether besides the aforementioned slaves Job and Zeijd anyone else was present when the prisoner broke open the room window at monsieur De Bornaire's, out of which he, the prisoner, stole so many goods. States: that no one else was present there, and that while he climbed upon a flower box to help break open the window as well, and fell to the ground with that flower box, the window being broken open in the meantime by Job, he only remained standing with a rag in his hand. States: no one else but Job, Zaijd, and he. 5. Who else was present there. States: Gree gave the money to Zaaijd, who also immediately gave him a ducaton. States: yes, with Zaaijd, having brought the goods to Gree, the latter had at first refused to take them, but finally proceeded to do so, and for which he received only a ducaton for his, the prisoner's, share. 8. Whether he brought those goods alone to Gree. 5. Whether Gree paid him, the prisoner, immediately. How he acted with the stolen goods. And reading to the named individual the inventory of the goods stolen from monsieur De Bonnaire, as well as interrogating him: Whether these are all the goods which he, the prisoner, stole from the named De Bonnaire, or whether there were others besides those read to him, which stolen goods being shown, he testified that no other goods were brought by him to Gree than the four agate plates, the two knives with silver handles, a gold neck buckle, a green etui with silver, and a small box of mocha stone in which were a quantity of small stones, and further an ivory tube, which is not found among the goods shown and specified. Whether the same Gree had no prior knowledge of the theft which he with the slaves Job and Zeijd was to commit at De Bonnaire's. What the mentioned Gree did now and then at night so far upstairs near his, the prisoner's, master's dwelling house and near him, the prisoner. How he came into acquaintance with the same Gree. Answer 6. There. Answer 2. 1. 1. He. 7. What he gave off from that. States: no, to have kept back nothing. Falls away. To have brought to Grie. States: that Gree paid Zaayd, and he received a ducaton from that. Answer 10. How much Gree had paid in total for the stolen goods, and what he received for his share. Whether he brought all the stolen goods of monsieur De Bonnaire to the mentioned Gree, or whether he also kept back something of them. What he, the prisoner, still kept back from the stolen goods, besides that which he had brought to Gree. Whether he had not stolen goods several times before and brought them to Gree. States: no, nor to have stolen from anyone previously. 13. And also to have brought no other goods. Thus interrogated and answered, and the same having been read aloud again to him, he testified to persist therein, at the Cape of Good Hope, the 4th of February 1785. Underneath stood: Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the slave Daniel of the Cape, to whom his preceding questions and the answers given thereto having been clearly and distinctly read aloud, testified to continue to persist therein, not desiring that anything more shall be added thereto. Underneath stood: Thus re-examined at the Cape of Good Hope, the 9th of April 1785. Lower: a mark, and written around it: this mark was set by Daniel. Still lower: in my presence, signed: H L:d Neethling, secretary. In the margin: As commissioners, and signed: I: C: Ronnenkamp and Jan Coenraad Gie. Re-examination Before the Honorable Salomon van Echten and Ian Coenraad Gie, members of the Honorable Worshipful Council of Justice aforesaid, who have also duly signed the minute of this together with the prisoner and me, the sworn clerk. Lower: which I witness, was signed: H. L. Bletterman, sworn clerk. Before 11. 12.

Dutch transcription

Den gev: de bij de bonnaire Ao 6. zegt: nu en dan aldaar ge„ koomen te zijn om te bidden. — Zegt Seen. off er behalven voormelde Slaven zegt daar niemand meer bij praesent geweest te Job en zeijd ook nog iemand anders is prasent geweest zijn en dat, terwijl hij gen: toen hij gev: de kamer Vengster Legt: de voorsz: goederen bij op een bloem bak was bij mons„r de bornaire heeft geklommen om soo meede opengebrooken, uijt dewelke het vengster te helpen overbreeken, en met die hij gew: zo veel goed heeft bloembak op de grond gestoolen. gevallen was, door Job ondertusschen 't vengster opengebrooken zijnde hij gen: alleen met een slonsje in zijn hand was blijven staan Legd: niemand meer als Job, zaijd en 5 „ Wie daar bij almeer is teegenswoor„ dig geweest zegd: Gree heeft t geld aan zaaijd gegeeven die hem ook daadelijk een ducaton zegd Ia met zaaijd. — Gree gebracht hebbende denselven die goederen in 't eerst niet had willen „neemen, dog eindelijk daar toe te zijn overgegaan, en daar voor maar voor zijn gev: aandeel een ducaton te hebben gekreegen. — 8: Op hij gen: die goederen alleen 5 bij Gree heeft gebracht. off gree hem gev aanstonds heeft betaald Hoedanig hij ged met de ge„ „stoolene goederen heeft ge„ „handelt en gen. den Inventaris der bij mons„r de bonnaire gestoolene goederen voor te leeden mitsgd„s denselven af te vraagen— Off dit alle de goederen zijn welke hij gew: bij gem: de bonnaire heeft gestoolen dan wel of 'er ook behalven de hem voorgeleesene nog an„ „dere geweest zyn, in welke gestoolene goederen /:zijnde vertoond, heeft den„ „selven betuijgd geene andere goederen door hem gen. bij Gree te zijn gebracht als de vier agaate plaaten de twee messen met zilvere heften, Een goude hals gesp een groen Etui met zilver en een klijn koffertje van mochase steen, waar in een parthij steentjes en voorts een ijvoore kooker die zig onder de vertoonde en opgegeevene goederen niet bevind. - off denselven Gree te vooren geen kennis heeft gehad van de diefstal welke hij gen: met de slaaven Job en zeijd bij de bonnaire zouden pleegenz Wat gem: Gree nu en dan des nagts zo verre na booven bij zijn gew: Lijfheers woonhuijs en bij hem gev: heeft gedaan denselven Gree in kennis is ge„ „raakt A:o 6 daar A„o 2 1 1 hij gen:. — „ 7: daar van heeft afgegeeven zegt: neen niets te hebben uijtgehouden Vervalt bij grie te hebben gebracht. — zegt dat Greezaayd be„ „taald heeft en hij gen: een Ducaton daar van. heeft ontfangen. — A„o 10 Hoe veel Gree in 't geheel voor de gestoole goederen had betaald en wat hij ged: voor zijn aandeel heeft gekreegen off hij gen: alle de gestoolene goederen van mons„r de bon„ „naire bij gem Gree gebracht dan wel of hij ook daar van nog iets heeft uijtgehouden wat hij gev: van de gestoolene goederen nog heeft uijtgehouden behalven het geen hij gen: bij Gree had gebracht off hij gen: te vooren niet meermaalen zegt neen, ook bij niemand goederen gestoolen en bij bevoorens gestoolen te hebben Gree gebracht heeft . „ 13: en ook geene andere goederen Aldus Gevraagd en beantwoord mitsgd„s den gen: weederom voorgeleesen weezende, heeft denselven betuijgd daar bij te persisteeren aan Cabo de goede Hoop den 4: Februarij 1785: /.onderstond:/ Compareerde voor de ondergeteekende geconm: uijt den E Agtb: Raad van Iustitie deeses Gouvernements, de slaaf Daniel vande Caab, denwelken zijne voorenstaande vraagen en daar op gegeevene antwoorden klaar en duijdelijk voorgeleesen zijnde, betuijgde daar bij te blijven persisteeren niet begeerende dat 'er iets meer bijgevoegt werden zal. — /:onder stond:/ Aldus Gerecolleert aan Cabo de goede Hoop den 9 April 1785: /laager:/ een merk /.en daar om schreeven/ dit merk heeft Daniel gesteld /:nog laager:/ mij praesent /:geteekend:/ H L:d Neethling secret.:s /:in margine/ Als gecomm„t en geteekend:/ I: C: Ronnenkamp en Jan Coenraad Gie.- Recollement voor d' EE: Salomon van Echten en Ian Coenraad Gie, Leeden uijt den E: Agtb: raad van Iustitie voorm: die de minute deeses beneevens de gevangen ende mij gezwoore Clercq meede behoorlijk hebben onderteekend /:laager:/ 't welk ik getuige /:was geteekend:/ H. L. Bletterman Gpzioore Clercq. — voor „ 11. „ 12:

NL-HaNA_1.04.02_4318_0232 view scan ↗

English

Articles drawn up and delivered to the gentleman commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, in order that the slave Zeijd of Java, currently a prisoner of the authorities, be heard thereon at the requisition of the Independent Fiscal Mr. Jan Jacob Serrurier, whose responses to be given shall be noted in the margin hereof. Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government the slave Leijd of Java, who answered the adjacent questions as noted beside the same. Article 1. The respondent's name, age, birthplace, and whose bondsman he is. Answers: Leijd of Java, aged about 25 years, slave of the former merchant the Honorable van Echten. 2. Whether the prisoner does not well know the slave Gree, belonging to Mr. van Heijden. Answers: Yes. 3. Whether the prisoner did not recently sell a number of goods to the said Gree. Answers: Not he, but Daniel brought the goods to Gree. 4. In what manner the prisoner obtained the same. Answers: Says to have indeed helped steal the goods, having been called by Daniel and Job to go along and to watch in front of the window, believing that they, namely Job and Daniel, broke open the window with a chisel while the prisoner remained keeping watch before the window; that the aforesaid Daniel and Job handed over the stolen goods tied in a bundle to the prisoner, without him knowing what those goods consisted of. 5. What goods they were. Answers: Not to know this, since the goods had been in the hands of Job. 6. Whether the same goods belonged to the prisoner alone, and were also sold to Gree by the prisoner alone. Answers: No, but they belonged to Daniel and the prisoner together. 7. If not, who else had a share in those goods. Answers: The prisoner says Daniel and Job. 8. How much money Gree gave for those goods. Answers: Three ducatons for everything. 9. Whether they kept anything back besides what they sold to Gree. Answers: No. 10. To whom Gree paid that money. Answers: The money was not immediately paid by Gree, but three days after the goods were brought to Gree, Gree gave the money, being three ducatons, to the prisoner, and the prisoner thus gave to each his share, which is one ducaton each. 11. How much the prisoner received for his share. Answers: Each one ducaton. 12. Whether the prisoner has not more often brought stolen goods to Gree to sell. Answers: No, never to have stolen anywhere else except at Debonnaire's, and also to have brought nothing to Gree to sell except the aforesaid goods. 13. Whether the prisoner must not confess to having done great evil thereby, and thus to have deserved punishment. Answers: Says to request that the gentlemen would be merciful to him, and will never do it again. 14. Whether he also knows anything to bring forward in his excuse. Answers: Nothing, except to ask for grace. Further articles drawn up and delivered to the gentleman commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, in order that the slave Seijd of Java, currently a prisoner of the authorities, be heard thereon at the requisition of the Independent Fiscal here, Mr. Jan Jacob Serrurier, whose responses to be given shall be noted in the margin hereof. Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government the slave Leijd of Java, whose answers to be given shall be noted in the margin of the same. Article 1. Whether the prisoner on a certain evening had not agreed with the slaves Daniel and Job to go steal at Mr. de Bonnaire's. Answers: Yes. 2. Whether the prisoner then that same night did not go to the house of the aforesaid Monsieur de Bonnaire. Answers: Yes. 3. Whether the prisoner did not break open the room window of that house. Answers: That Job, having broken open the window, entered therein. 4. In what manner the prisoner obtained the same. Answers: As in Number 4, the stolen goods having been brought to Gree the following morning by Daniel alone. Thus questioned and answered, and the same having been read out again to the prisoner, he declared to persist therein. At Cape of Good Hope, the 29th of January 1785. Interpreted by the First Provost of the authorities, Hendrik Matthijzen, before the Honorable Oloff Godlieb de Wet and Johan Coenraad Gie, members of the Honorable Council of Justice aforesaid, who have duly signed the original minute hereof together with the prisoner, the interpreter, and me, the Secretary. Which I witness, Signed: C. L. Neethling, Secretary.

Dutch transcription

Compareerde voor de onder„ Articulen gedaan maaken Legd Leyd van Iava, oud na gissing 25 jaaren slaaf van den oud koopman zegt: niet hij maar Daniel heeft het goed bij Gree gebracht. — zegt het goed wel te hebben helpen geteekende gecommitteerdens uijt den E: Agtb: Raad van Justitie deeses gouvernements den slaaf zeijd van Java, dewelke op de neevenstaande vraagen zodanig geantwoord heeft d' E: van Echten. — steelen, zijnde door Daniel en Welke goederen het zijn geweest. Legt: zulx niet te weeten dewijl de of hij gen: niet onlangs aan den goederen in handen van Job „selven gree een aantal goederen waaren geweest heeft verkogt. „ 2 of hij gev: niet wel kend den slaap„ Gree toebehoorende den Heer van Heijden Des ged:e naam, ouderdom zegt hij gev: Daniel en Iob. geboorte plaats en wiens Lyf „eigen hij is. zegt drie ducatons voor alles zegt ieder een ducaton. — aan wien Gree dat geld heeft zegt het geld is niet opstonds door betaald Gree betaald, maar drie daagen na dat het goed bij Gree was gebracht, zo neen: wie dan meer portie in die goederen had hoe veel geld Gree voor die goederen heeft gegeeven! hoe veel hij gen: voor zijn portie heeft bekoomen of zijl buijten het geen zil: aan Gree hebben verkogt niets uijtge„ 9: houden hebben of deselve goederen van hem gev: alleen waaren en ook daar hem ged: alleen aan Gree zijn verkogt. Iob geroepen om meede te gaan, en voor 't venster op te passen geloovende dat zij het venster, te weeten Sob en daniel met een bijtel hebben opengebrooken, terwijl hij gew: voor 't venster bleef oppassen: dat voorsz Daniel en Job het gestoolen goed, gebonden in een bondel aan hem geE overgegeeven hadden, zonder dat hij weet waar in die goederen bestaan hebben. — en aan Heeren gecomm: uijt den E: Agtb: Raade van Iustite deeses Gouver„ nements overgegeeven, omme H op welke wijze hij gen: deselve daar op ter requisitie van zegt zo als op N„o 4: zijnde het bekoomen had den Indepensent Fiscaal gestoolen goed t volgenden 's morgens alleen door Daniel gehoord te worden den slaaf bij Gree gebracht geworden Leijd van Iava, thans 1 Heeren gevangenen, zullende zegt neen maar behoorden desselfs te geevene responsiven aan Daniel en hem gen„ te zaamen in margine deeses moeten werden bekend gesteld. — als bezijden deselve aangeteekend m„r Jan Jacob Serruvier Jo6 A:o 5 heeft staat. — zegt La 4. A„o 1: „ „7 zegt Legt Ia zegt dat Job 't vengster open„ heeft Gree het geld, zijnde geweest drie Ducatons aan hem gen: ge„ „geeven, en had hij gev: dus aan ieder zijne portie dat is een Ducaton ieder gegeeven N„o 12 of hij gev: niet al te meermaalen zigt neen: nergens ooit meer ge„ gestoolene goederen aan Gree te „stoolen te hebben als bij Debonnaire, en ook niets bij verkoopen, gebracht heeft. Gree te verkoopen gebracht te hebben als de voorsz: goederen 13: off hij gew: niet moet bekennen daar zegt te verzoeken dat de Heeren door groot quaad gedaan en hem genaadig zijn wilden, dus straffe verdiend te hebben het nooit meer te zullen doen zegt niets als om Gratie te Aldus Gevraagd en beantwoord mitsgdrs den gev: weederom voorgeleesen zijnde heeft den„ „zelven betuijgd daar bij te blijven persisteeren aan Cabo de goede Hoop den 29 Iann 1785. bij vertolking van S' Heeren eerste geweldiger Hendrik Matthijzen, voor d' E E:s Oloff Godlieb de wet en Iohan Coenraad Gie Leeden uijt den E: Agtb: Raad van Iustitie voormd: die de minute deeses beneevens den gevangenen, den vertolker ende mij Secretaris meede behoorlijk hebben onderteekend /:lager:/ 'T welk ik getuige /:was geteekend:/ C: L: Neethling gebrooken hebbende daar in of hij gen het kamer vengster van dat huijs niet heeft opengebrooken off hij gen: als toen deselve nagt daar op niet is geweest aan t huijs van voorsz: monsr. de bonnaire art„l 1. of hij gew: op zeekeren avond met de Slaaven Daniel en Job niet had afgesproken om te gaan steelen bij Mr de Bonnaire Naadere Articulen gedaan maaken en aan Heeren gecomm„s uijt den Ed: Agtb. raade van Justitie deeses Gouvernements overgegeeven omme daar op ter requisitie van den Independent fiscaal alhier m„r Jan Jacob Ser„ „ruvier gehoord te worden den slaaf Seijd van Javee thans 's heeren gen: zullende desselfs te geevene responsiven in mar„ „gine deeses moeten worden bekend gesteld. Compareerde voor des ondergeteekende gecommitteerdens uijt den E Agtb: Raad van Iustitie deeses Gouver„ „nements dens Slaafs Leijd van Iava, zullende zijne te geevene antwoorden in margine derselver moeten worden bekend gesteld. — „ 14: of ook iets ter ziner verschooning weet in te brengen /:onderstond:/ was: verte verzoeken. — Secretaris. — 2

NL-HaNA_1.04.02_4318_0234 view scan ↗

English

because he, with his states: that he from time to time, both at night and by day, had climbed into the garden to Constantia, and after he, the prisoner, having climbed in and out of it again, the aforesaid Daniel had also climbed into it. states that he himself did not steal any goods, handed him the stolen goods out of the room, which he then also had accepted. To read to the prisoner the statement of the stolen The stolen goods having been read to the prisoner goods at the house of Monsieur according to the deposition made thereof de Bonnaire, as well as by Monsieur Debonnaire; he affirmed to ask him that the goods stolen from the aforesaid Monsieur whether these are the goods which de Bonnaire had been rolled together in a cloth he, the prisoner, had stolen from the house of the said de Bonnaire; by Job and Daniel, or whether there were also, besides those read without him being able to say positively concerning to him, still others, and each piece which goods those were. Explains further: that he himself stole from Debonnaire the corkscrew with agate handle, a gold hair ornament of angularly cut gold beads, as he had seen those goods lying on the table, and also brought them himself to Gree. How he, the prisoner, dealt with the stolen states: after they were stolen at night, they were goods and to whom found together, and subsequently the following day he, the prisoner, brought them. brought to Gree by the said Daniel. states: Yes, had known Gree Whether he, the prisoner, previously had states: Daniel brought all the stolen goods to Gree, without him, the prisoner, having withheld anything thereof. states having received in total three Ducatons from Gree, and from that, for his, the prisoner's, share having taken one ducaton, and Job and Daniel also having received one each. states: that Daniel brought the stolen goods to Gree, and he, the prisoner, received the money for it the following day. And remained namely the female slave named fellow slave Constantia and climbed inside, and who was helpful to him, the prisoner, in everything! Article 4: Whether he, the prisoner, subsequently stole from that room, stolen, but that Job and Daniel not stolen many goods. Whether the slave Gree, before he, the prisoner, had committed this theft, had not indeed in the evening or at night been up in the garden at his master's dwelling house in the slave house. What the aforesaid slave boy Gree did in the night so far up at his, the prisoner's, master's dwelling house and in the slave house. Whether the often-mentioned Gree bought the stolen goods from him, the prisoner, and how much he paid for them. How much he, the prisoner, received for his share of the money which Gree had paid for the stolen goods. Whether he, the prisoner, brought all the stolen goods to Gree, or whether he also withheld anything. 12: knowledge of the slave Gree, and on what occasion he, the prisoner, became acquainted with the same Gree. acquaintance had. 5: States yes, to have had knowledge. — Article 8: 10: 11: 6: states: to have withheld nothing thereof for himself. Thus questioned and answered, as well as read over again to the prisoner, he affirmed to persist therein at the Cape of Good Hope the 4 February 1785: with interpretation from the Malay language by Hendrik Matthijzen, before the Honorable Salomon van Echten and Jan Coenraad Gie, members from the Honorable Court of Justice aforesaid, who properly signed the minute hereof along with the prisoner, the interpreter, and me, sworn clerk. /:lower Which I witness /:was signed:/ H. L: Bletterman sworn Clerk. — Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, the slave Zeijd of Java, to whom his preceding questions and the answers given thereto having been read clearly and distinctly, declared to persist therein, not desiring that anything more shall be added or taken away. /:stood below:/ Thus re-examined at the Cape of Good Hope the 9 April 1785: /:lower:/ a cross / and written around it:/ this is the mark Re-examination /:stood below:/ Article 13: Which goods he, the prisoner, has still withheld. Whereas Daniel of the Cape, aged by estimation twenty-six, and Saijd of Java, aged by estimation twenty-five years, both slaves of the former merchant of the Honorable Company, the Honorable Johannes van Echten, as well as Gree of Sumbawa, slave of the Military Captain the Honorable Philip van Heijden, aged by estimation forty years, now the lord's prisoners, without torture or irons have confessed, and to the Honorable Court of Justice from the other documents joined to the trial it has appeared evident: That the first-mentioned Daniel and Saijd, on the 8th of the last-passed month of September, at about eight o'clock in the evening, with a certain slave of the late Citizen Lieutenant Jan Hendrik Ekkert, by name Job, who since and now a considerable time ago has absconded, having agreed to go steal together that night in the garden lying in this Table Valley next to their masters' gardens, belonging to Monsieur de Bonnaire; the said Job, pursuant to their made agreement, picked up the two first-mentioned around midnight; the said Job having brought along a small lantern, which, when they had departed from his master's garden, was carried by the first-mentioned with a burning candle in it, keeping it hidden under his coat that he was wearing; it has appeared — That the first-mentioned prisoners, alongside the still-fugitive Job, having climbed over the wall of the garden of the said Monsieur Debonnaire, they mark of Zeijd. /:even lower:/ present to me /:was signed C: L: Neethling Secretary /:in margin:/ as commissioners /:and signed:/ T: C: Ronnenkamp and J: C: Gie. — mark turn over 5.

Dutch transcription

door dien denzelven met zijn zegt: dat denselven zo nu als dan zo des nagts als bij dag in de thuijn bij Constantia gekoomen was geklommen, en daar na hij gen: daar in en weeder uijt geklommen zijnde, was voorsz: Daniel ook daar in geklommen zegt wel geene goederen te hebben hem van de gestoolene goederen uijt de kaamer hebben toegereikt de„ welke hij dan ook aangenoomen had. Den gev: de opgaaf der gestoolene den gen: de gestoole goederen volgens goederen ten huijze van mons„r daar van door mons„r de Con„ de bonnaire voor te leezen, mitsgd=s „naire verleedene Dispositie denselven af te vraagen voorgeleesen zijnde; betuijgden den„ Of dit met de goederen zijn welke „selven de bij voorsz: mons„r de bonnaire gestootene goederen hij gew: bij gem: de bonnaire door Lob en Daniel bij elkanderen uijt 't huijs had gestoolen; dan in een doek te zyn gerold geworden wel of 'er ook behalven de hem zonder dat hij 't positivelijk om„ voorgeleesene nog andere geweest „trend ieder stuk kan zeggen welke goederen die geweest zijn. Ligt nader: dat hij de kurketrekker met agaate handvat, een goude hogs Cieraad van kantig gesleepen goude paarltjes zelve bij de Bonnaire gestoolen, als die goederen op de tavel had zien leggen, en ook zelfs bij zijn en welke Gree gebracht te hebben hoedaanig hij gev: met de gestootene zegt: na dat des nagts gestoolen goederen heeft gehandelt en bij wien was, bij elkanderen te zijn hij gev: deselve heeft gebracht gevonden, en zo voorts daags daaraan door den gen: Daniel bij Gree gebracht te zijn zegt: Ja, reeds lange met Gree of hij gen: te vooren al kennis zegt: Daniel de gestoolene goederen alle bij Gree te hebben gebracht, zonder dat hij gev: iets daar van heeft uijtgehouden. zegt in 't geheel drie Ducatons van Gree te hebben ontfangen en daar van voor zijn gen: aandeel een ducaton genoomen te hebben en Job en Daniel ook ieder een te hebben ontfangen zegt: dat Daniel de gestoolene goederen bij Gree gebracht en hij gen. 's daags daar aan 't geld daar voor heeft ontfangen En gebleeven is :als vrouw leeude gen:t meede slavin Constantia en na binnen is geklommen en wie hem gen in alles behulpzaam is geweest! A„o 4: Off hij ged vervolgens uijt die kamer gesloolen dog dat Sob en Daniel niet veele goederen heeft gestoolen off den Slaaf Gree voor dat hij. gen deese diefstal had gepleegd niet wel des avonds of des nagts boven in den thuijn bij zijn Lijheers woonhuijze in 't slaane huis is geweest. Wat voorw: slaaven Iongen Gree in de nagt zo verre na booven bij zijn gen. Lijfheers woonhuijs en in 't slaavenhuis heeft gedaan of meerm: Gree de gestoole goederen van hem gew: heeft gekogt en hoe veel denselven daar voor heeft betaald Hoe veel hij gen: van 't geld 't welk Gree voor de gestoole goederen had betaald voor zijn aandeel heeft gekreegen off hij gen: alle de gestoolene goederen bij Gree heeft gebracht, dan wel of hij ook nog iets heeft uijtge„ houden „ 12: heeft gehad aan den Slaaf Gree, en bij welke geleegendheid hij gen: met denselve Gree in kennis is geraakt. kennis heeft „5: Legt La kennis te hebben gehad — Art:l 8: „10: 11: 6: zegt: niets daar van voorzich te hebben uijtgehouden. — Aldus Gevraagd en beantwoord, mitsgd:s den gen: weederom voorgeleesen zijnde heeft denselven betuijgd daar bij te persisteeren aan Cabo de goede Hoop den 4 Februarij 1785: bij vertolking uijt de maleijdsche taal door Hendrik Matthijzen, voor d' E E: Salomon van Echten en Jan Coenraad Gie Leeden uijt den E: Agtb: Raad van Justite voormeld die de minute deeses beneevens den gen: den vertolker ende mij gezwore Clercq meede behoorlijk hebben onderteekend. /: lager 'T welk ik getuijge /:was geteekend:/ H. L: Bletterman gezw Clercq. — Compareerde voor de onderget: geconm. uijt den E: Agtb, raade van Justitie deeses Gouvernements den slaaf zeijd van Iava, denwelken zijne vooren„ „staande vraagen en daar op gegeevene antwoorden klaar en duijdelijk voorgeleezen zijnde, verklaarde daar bij te blijven persisteeren, niet begeerende dat er iets meer bijgevoegt ofte van gedaan werden zal. /:onderstond:/ Aldus Gerecolleert aan Cabo de goede Hoop den g Arne 1785: /:lager:/ een kruis. / en daar omschreeven:/ dit is 't hand Recollement /:onder stond:/ A„o 13: Welke goederen hij gen. nog heeft uijtgehouden Aangezien Daniel van de Caab, out na gissing ses en twintig en Saijd van Iava, na gissing oud vijf en twintig Iaaren beijde slaaven van den oud koopman der E Comp„e d E Iohannes van Echten, mitsgd„s Gree van Sambawa Slaaf van den Capitain Militair dE Philip van Heijden oud na gissing veertig Iaaren thans T heeren gev: buijten pijn of banden beleeden hebben, en den E Agtb: Raade van Iustitie uit de verders ten processe gevoegde stukken widens Dat de bij de eerste gen:s Daniel en Saijd op den 8: der laatst afgeweekene maand september 's avonds wel agt uuren met zeekeren slaaf van wijlen den Burger Lieutenant Ian Hendrik Ekkert, in naame Sob, die zeedert en nu een geruimen tijd geleeden opgedrost is, afgesproo„ „ken hebbende, om dien nagt te zaamen in den in deese tafelvalleij, naast hunner Lijffheeren tuijnen leggende thuijn van mons„r de Bonnaire te gaan steelen, gemelde Tob de beijde eerste ges: ingevolge hunne genoomene afspraak omtrent midder nogt afgehaald heeft; hebbende denselven Pob een klein slonsje meede gebracht, 't welk door den eersten gen wanneer uit zijn lijfheers Thuijn vertrokken waaren, met een brandende kaars daar in onder zijn aanhebbenden rok verborgen houdende was gedragen geworden gebleeken is — Dat de bij de eerste ged„ neevens den nog vlugton„ „den Pob, de muur van den thuijn van gem: Mono„ Debonnaire overgeklommen zijnde, zyl: merk van zeijd. /:nog laager:/ mij present /:was geteekend C: L: Neethling secret. s /:in margine:/ als gecommitt:s /:en geteekend:/ T: C: Bonnenkamp en I: C: Gre. — merk verte ƒ 5.

NL-HaNA_1.04.02_4318_0236 view scan ↗

English

had broken open one of the wooden windows with an iron tool and entered the room through the same, where according to the statement of both the first mentioned defendants the aforesaid Job opened a cabinet, in which the key was said to have been left, and from it, as well as what they had seen lying on the table by the light of the wick lamp and which was easy to carry off, according to the declaration of both the first prisoners, stole the following goods, namely some cut stones and agate plaques, a case, a gold neck buckle, a string of gold beads or pearls, a small trunk, two knives with silver handles, an ivory case, and a piece of betilles; while according to the declaration of the repeatedly mentioned Monsieur de Bonnaire there were moreover also stolen two enamelled buttons, a pair of ear buckles, a tortoiseshell snuffbox mounted in gold, a silver corkscrew, an emerald ring set in gold, and some other small items. That the first mentioned brought the stolen goods stated above by the prisoners, except for a piece of betilles which the absconded Job had kept for himself, the following day to the third mentioned, Gree, and sold them to the same for three ducatoons, the two first prisoners and the mentioned Job each having obtained one ducatoon from this. That the aforesaid perpetrated burglary and theft being discovered the following morning, the perpetrators thereof were nevertheless not discovered earlier than by chance, after the theft had been committed at the house of the fire warden Jan Casper Loots, whereupon the two first defendants also, together with the third prisoner Gree as buyer and receiver of the stolen goods, came into the hands of justice; the aforesaid Job being as yet a fugitive. Yet since such burglary and theft committed in a country where justice is properly maintained can by no means be left unpunished, but must be punished according to the findings of the cases as an example and deterrent to other such evildoers. Thus it is that the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, serving on this day, having emphatically read and considered the written criminal claim and conclusion made and taken by the Independent Fiscal here, Mr. Ian Iacob Serrurier, in his official capacity, upon and against the prisoners, and having noted the prisoners' voluntary and recollected confessions, as well as everything further serving the case and that could move their Honorable Worships, administering justice in the name and on behalf of the High and Mighty Lords States General of the United Netherlands, have condemned all three prisoners Daniel, Saijd, and Gree, as their Honorable Worships condemn the same hereby, to be taken to the place where criminal sentences are customary to be executed here, and being delivered there to the executioner, to be exposed under the gallows with the rope around the neck, further each tied to a post, severely flogged on the bare back with rods, and thereupon branded, to remain banished on Robben Island for the duration of their lives, in order to labor at the Honorable Company's public works without wages, with condemnation of all three prisoners in the costs and expenses of justice. Thus done and sentenced at Cabo de Goede Hoop the 6th of May 1785; as well as pronounced in the Castle of Good Hope on the following day and executed on the same day. Was signed: P: Hacker, R: T: Gordon, A: V Schoor, C: Konnenkamp, Cruijwagen, C: G: de Wet, I: S: Munnik, Iohannes Smuts, J: C: Gie. Lower: In my presence, signed, C: L: Neethling, secretary. In the margin: Fiat Executie, and signed, J: van de Graaf. Agrees. and stated that the defendant, having been placed as second lieutenant on the aforementioned Honorable East India Company ship de Paerl, far from showing the behavior, command, and subordination which are attached to his capacity on that vessel conferred upon him by the Honorable Grand Worshipful Lords Directors, to the contrary, in more than one respect made himself guilty of far-reaching excesses and brutalities; that the defendant from the beginning of the voyage daily indulged to excess in drink, such that he, the defendant, was himself unfit to perform his duty; that the defendant therefore, by the friendly reprimands and admonitions used and daily repeated by his captain and commander out of consideration for the defendant's father, was helped so little, that he, the defendant, much rather continued therein and went so far that on the night of the 2nd and 3rd of March last, at which time the ship was about to depart from the roads of Porto Praya, and everyone ought at that time especially to be present for the necessary work, he was found on his watch so intoxicated, that he was not in a state to hand it over in the usual manner, whereupon he had to remain lying on the deck as a spectacle; whereupon it was approved by the ship's council, to avoid all disorder and misfortunes that could arise from such conduct, provisionally to relieve the defendant from performing his duty, yet to let him remain in his capacity, to see if such a measure would not rather bring him, the defendant, to improvement. Appeared before the Honorable Worshipful Council of Justice of this government the interim Fiscal Gabriel Exter, in his official capacity, claimant on the one part, against George Lourens Carves, commissioned as second lieutenant on the Honorable Company's ship de Paerl lying in the roads in Simons Bay, defendant on the other part. H. D. Rieb, sworn clerk. Article 18. Article 1. 2.

Dutch transcription

met een ijzer een der houte vensteren openge„ brooken en zig door hetzelve in de kamer begeeven hadden, alwaar volgens 't zeggen der beijde eerste ged: voorsz: Tob een Cabinet waar in de sleutel zoude hebben gestooken, geopent, en daar uit zoo wel als 't geene zij bij 't ligt van 't slonsje op de Favel hadden zien leggen, en gemakkelijk te bergen geweest was, volgens d' opgaave vande beijde eerste gev: gestoolen hebben, de volgende goederen, als eenige gesleepene Steentjes en agaate plaatjes, Een Etui een Goude hals Gesp een snoer goude kraalen of paarlen een klijn kofertje, Twee messen, met zilver hegten, een ivoore kooker en een stuk betieljes; terwijl vol„ „gens het Declaratoir van meerm: mons„r de Bonnaire bovendien nog gestoolen waaren twee geEminailleerde knoopen, een paar oor boucles, Een schildpadde Snuijtdoos met Goud beslaagen, Een zilveren kurkentrekker, Een ring van Smaragt in Goud gezet, en eenige klijnig„ reeden meer— Dat den 1: gen: de door voorsz: door de gev: op gegeevene gestoolen goederen behalven een stuk be„ „ thiljes, dat den geaufugeerden Sob voor zig gehou„ „den had 's volgenden daags bij den derden gen Gree gebragt en aan denselven voor drie duca„ „tons verkogt hebbende de bij de eerste gev„e en gem: Job daar van ieder een duraton bekomen Dat de voorsz: geperpetreerde braake en diefte 'S morgens daar aan ontwaard zijnde, de daaders daar van egter niet eerder zijn ontdekt, als by geval na dat de diefte ten huijze van den brand meester Jan Casper Loots was gepleegd wanneer de twee eerste ged:e dan ook met ende beneevens den derden gev: Gree als opkooper en heelder der gestoolene goederen in handen van susttie zijn koomen te geraaken; zijnde voorsz: Sob als nog fugatief. — Dan overmits diergelijke braake en diefte /:onder stond:/ Aldus Gedaan en Gesententieerd aan Cabo de goede Hoop den 6: Maij 1785: mitsgd„s gepronuntieerd In 't Casteel de goede hoopden daar aan volgende ende geExecuteerd ten zelven daage — /: was geteekend/ gepleegd in een land alwaar de Iustitie behoorlijk ge „handhaafd word geenzints ongepunieerd gelaaten werden kan maar ten Spiegel en afschrik, van andere zulke boosdoenders na bevinding van zaaken gestraft werden moeten. — Soo is 't dat den E Agtb: Raad van Justitie deeses gouvernements ten daage dienende met nadruk Geleesen en overwoogen hebbende den Schriftelijken Crimineelen Eijsch en Conclusie door den heer Independent fiscaal alhier M„r Ian Iacob Serrurier nomine officii op ende Ieegens de gev„e gedaan en genoomen, mitsgd„s gelet op der gev:t vrijwillige en gerecolleerde Confessien zo wel als op 't geene verder terzaake dienende was en haar E Agtb: konde doen moveeren Regt, doende uit,naame ende van Weegens de Hoog Hoogende Heeren Staaten Generaal der verEnigde Neederlanden alle drie de gev„ Daniel, Saijd en Gree, hebben gecondemneert, zoo als hun E Agtb: deselve Condem„ „neeren mits deesen, omme gebracht te werden ter plaatze alwaar men alhier gewoon is. Crimineele Sententien ter Executie te brengen, aldaar den Scherf„ regter overgeleevert zijnde met den strap om den hal onder den gaeg te pronk gesteld, voorts ieder aan een paal gebonden met roeden op den blooten rugge strengelijk gegeesselt en daar op gebrand„ „merkt, zijnde, den tijd hunne Leevens op 't Rob„ „den Eijland gebannen te blijven, ten einde aan S E Comp„s gemeene werken zonder Loon te arbeijden met Condemnatie van alle drie de gev: in de kosten en misen van Iustitie gepleegd hag. P: Hacker, R: T: Gordon, A: VSchoor, C Konnenkamp J: Warneck Cruijwagen, C G: dewet, I: S: Munnik, Ioh„s Smuts, J: C: Gie /:lager:/ mij praesent /:geteekend:/, C: L„s Neethling secrets /:in margine:/ fiat Executie /: en geteekend:/ J: van de Graaf.— O Accordeert en dede zeggen dat den ged=e als sou Lieutenant geplaatst zijnde op '2 voorm: E: Oost Jndisch Comp:e schip de Poeal, wel verre van 't Comportement, Commando en Subordinatie te betonen dewelke met deselve zijn qualiteijt op dien bodem dour d' E: Groot Agtb: Heeren Bewindhebberen hem gedfereerd verknogt zyn, 4 zig ter Contrarie in meer dan een opzigt heeft schuldig gemaakt aan verregaande Excessen e Brutaliteyten 5 dat den ged: van begin der Rheijse aan zig in den drank dagelijks heeft te buijten gegaan 1 6 Zodanig, dat hij ged:e zelve tot 't presteeren van zyn dienst onbequaam is geweest dat hij ged: de dierhalven door desselfs Capitain en gezaghebber uijt Consideratie voor des ged. e vader aangewenden en dagelijks herhaalden vrundschappen lijke beripingen en vermaningen zo wijnig hulp dat hij ged:e veel meer daar in gecontinueert en zo verre is gegaan, dat hij in den nagt van den 2 en 3 maart laatstleeden 0 9 als wanneer 't schip van de Rheede van ports preego stond te vertrekken. 10 en ijder een tot 't nodig werk in dien tyd meede voorna„ mentlyk behooren preesent te zyn „ 11 op zyn wagt dusdanig beschonken is gevonden geworden „ 12 dat hij niet in staat was deselve op de gewone wijze over„ te geeven „ 13 waar op 't dik tot een spectadul moest leggen blijven „14 wanneer dan door den scheepsraad tot vermyding aller uijt een, diergelyk gedrag voortspruijten kunnende deser drie en ongelukken 15 is goedgevonden geworden den ged=e vijf presteeren van zin dienst bij provisie te ontslaan „ 16 egter hem is zyn qualiteyt te laten, verblijven i4 om te zien of zulk middel hem ged=e niet eer tot beterschap zoude brengen Compareerde voor den E. Agtbaaren Raaden van Justitie deses gouvernement den pro Interim Fiscaal Gabriel Exter R. O. Eysscher ter eenre George Lourens Carves, als sout Lieu¬ tinant bescheyden op 't ter Rheede in de Simons baaij leggenden E. Comp. e schip de Paerl gedagten ter andere zyde HD Rieh gem Clercq Artl 18. Art l 1. 2 gragt Contra

NL-HaNA_1.04.02_4318_0238 view scan ↗

English

Article 18 that the defendant nevertheless continued, as long as he was still provided with drink, to go his ordinary way. 19 so that he finally abandoned himself to such irregularities and excesses 20 that no restraint or supervision could be exercised over him any longer 21 for the defendant, not being satisfied with 22 having taken bottles of wine from fellow Second Lieutenant Erasmus Helander on the 13th of the aforementioned month of March 23 of which the further investigation by the Captain, to whom this was pointed out by the aforementioned Helander, was not immediately undertaken because it was Sunday 24 found fit that same evening to order his boy Lambertus van Veldhoven 25 to take out another 6 bottles of wine from the aforementioned Helander, with a large knife 26 in order to take leave of him, Helander 27 that this having been heard by another boy named Lourens van Oeken and reported to the Captain Lieutenant as officer of the watch 28 the same Captain Lieutenant sent word to the defendant that he should come upstairs 29 which order he respected as little as the command given by the Captain, after a report was made to him, to appear before him without delay 30 that the Captain, noticing his obstinate disobedience, in the most natural manner to preserve his authority and avoid unpleasant consequences 31 thus saw himself forced to have the defendant taken into arrest by the Commander with some crew members 32 and to secure his person by a watch appointed for that purpose 33 which resulted in the defendant taking the opportunity to abandon himself entirely to his uncontrolled passions 34 thus going so far that he reviled his Captain in the most disrespectful and shameful manner with great noise and clamor 35 and even verbally and physically attacked the sentry posted before his cabin Article 36 thus the Captain was forced by this most insolent behavior 37 to have the defendant placed in irons 38 which was not only approved the next day by the entire ship's council 39 but it was also deemed fit to let the defendant remain therein until their arrival at this place 40 in order to be handed over here in such manner. 41 That all these facts and circumstances will further appear from the attached depositions obtained before the gentlemen commissioners from this Honorable Council 42 wherefore the Prosecutor takes the liberty, for the sake of brevity, to refer thereto 43 but that he believes, under correction, that he cannot leave unnoticed and pursuant to the aforementioned attestations must assume 44 that the defendant has made himself guilty of various misdeeds 45 which principally consist of the following 46 In the first place: that he daily indulged in drink, and went so far 47 that he became a general spectacle and nuisance and unfit for his service. 48 In the second place, that the defendant did not shrink 49 from not only stealing 6 bottles of wine himself from fellow Second Lieutenant Helander 50 but moreover commissioning his boy to commit a similar theft for him 51 and also having him carry a knife to settle his business with the aforementioned Helander. 52 In the third place, that the defendant, in contempt and in violation of all respect, subordination, and discipline 53 was not only disobedient towards his superiors 54 but went so far as to direct all kinds of improper, offensive, abusive, and insulting words at his chief commanding officer 55 and even wronged and assaulted the watch ordered by him 56 that the Prosecutor, relying on the validity of the aforementioned attestations, assumes all this to be the certain truth. 57 he will therefore only briefly examine what punishment the defendant has merited on account of the aforementioned matter Article 58

Dutch transcription

Art:s 18 dat den ged. e dies niet te min gecontinueert heeft, zo langen hij nog met drank voorsien was zin ordinairen gang te gaan. 19 so zig eyndelijk wel aan disdanige ongeregeld heeden en buytensporigheiden heeft overgelaten §20 dat geen menagement, oft nazigt bij denselven meer kost gebruijkt worden „21 want den ged„e daar meede niet te vreeden zynde 22 dat hij op den 13 van gem: baand maart als bottels wijn van den mede sour Liutenant Erasmus Helander had weggenomen 23 waar van de nadere onderzoeking van den Capitain, aan dewelke zulx door gem. bilander aangetoond wierd, om dat het Zondag was, niet dadelijk is voorgenomen geworden 24 vind denzelven avond nog goed aan Zyn Iongen Lambertus van Veldhoven te belasten. 25 nog 6. andere bottels wijn van evengem: Belander uijt te halen, met een groot mas 26 om van hem Melander afscheijd te kunnen neemen „ 27 dat dit van een andere Iongen en naamen Lourens van oeken gehoord en aan den Capitain Liutenant als wagthebbend officier gerapporteerd zynde geworden „ 28 denselven Capitain Luytenant hem ged:e liet zeggen dat hij na boven zoude komen 29 welke ordre hij zo min respecteerden als den, naar ge„ daan rapport aan den Capitain, van denselven gegeven bevel, zonder vertoeven voor hem te verschijnen 30 dat den Capitain zyn obstinaten ongehoorsaamheyd ontwaarende, op de natuurlykste wijze ter bewaring van zijn authoriteijt en vermyding van onaangenamene gevolgen 31 zig dus genoodzaakt zag, den ged:e door den Commandeur met eenige Ranschappen en arriel te neemen 32 en zig door een daar toe bestelde wags van zyn persoon te doen verzekeren 33 dat van dien gevolgen is geweest, dat de gede daar door gelegentheijd heeft genomen zig geheel en al aan zyn ongebonden driften overtelaten 34 „ dus verre te gaan, dat hij zin Capitain op de disrec pertunuste en Schandelykste wijzen met een groot ge„ naas„ getier uytscheldende 35. en zelve de voor zijn hut geplaatste schildwagt woer delijk en dadelijk attasqueerende Art:o 36 dus den Capitain door dit aller bantaalste gedrag hagt gedwongen 37 den ged=e in de boeijen te laten sluyten 38 'T geen niet alleen des anderen daags van den geheelen scheeps raad is g'approbeert 9 maar ook goedgevonden geworden den ged=e tot hun arrivement ten deeser plaatse daar in te laten verblijven 40 om zodanig alhier overgelevert te worden. 41 Dat alle deese Teijlen en omstandig heeden uijt de ge„ „annexeerde voor Heeren gecommitteerdens uijt deesen Ede agtb: Raade ingewonnen verklaringen nog nader zullen komen te Consteeren 42 weshalven den 2/8. d. Eysscher de vrijhyd neemt, zig korte heyds halven daar aan te refereeren §43 maar dat denselven vermeend /:onder Correctie:/ niet mogen oonaangemerkt laten en ingevolgen van voorm: Attestaaten te moeten aanneemen Ik dat zy den ged=e heeft schuldig gemaakt aen divers„ mit daden §45 dewelke voornamentlijk daar in komen te bestaan „416. Ten eersten plaatse: dat hij zig in den drank dagelijk heeft te buijten gegaan, en zetie zo verre rist dat hij tot een algemeen spectavul en ergernis en tot zyn dienst onbequaam geweest is. „4en ten anderen, dat hij Ged:e zig niet heeft ontsien „49 den mede Sout Lieutenant Belander 6. bottels wijn niet alleen zelven te ontsteelen. 50 maar boven dien nog zyn Iongen te Committeeren om een gelyke duefstal voor hem te begaan. - § 57 en mede hem ken mes te doen hebben om zyn zaaken met gem: Aelander aftemaken.— 52 dat ten derden, den ged:e in vilipendie en met vertreding van alle respect, subordinatie, discipline 53 niet alleen tegens zyn gesag hebbens is ongehoorsaam geweest 8 54 maar nog zo verre is gegaan, dat hij zyn eerste Ge„ saghebber allerleij onbetamentlijke, ladeerende schild= en Schempwoorden toegevoegt 55 en wel gar de van denzelven geordonneerde wagt veron„ „gelijkz en aangetast heeft 56 dat den R. O. Eijsscher en 't vertrouwen op de gegrond= heijd van voorsz: Attestaaten dit alles voor zekere waarheijd aannemende. „57 hij dus alleenlijk nog zeen hortelijks zal nagaan, welk straffe den ged=e ter zaaken voorm: hugt geme„ Art=o 36. riteerd

NL-HaNA_1.04.02_4318_0239 view scan ↗

English

irritated. Article 58 That according to the 22nd article of the Instructions for the First Commanders it is established §9 that persons who indulge excessively in drink, being officers, 60 shall be dismissed from their office for some time, and upon persistence, deported. 61 That although in the 2nd article of the Articles of War it is commanded: §62 that all non-commissioned officers and common seamen shall be faithful and obedient to their superior officers, and these in turn to their Captain, skipper, or whoever may hold authority, each in the service in which he is placed, without departing therefrom in any way. 63 And in the 21st article of the first-mentioned Instruction it is ordained: 64 that the lesser officers must treat the First Commander and those placed above them with all respect, on pain of the penalty established thereto. 65 The prosecutor ex officio, however, has not been able to discover, neither from the Articles of War nor from the aforesaid Instructions for the first commanders, 66 where in case of demonstrated disrespect shown to his superior officers or chief commander, of which the defendant has made himself guilty in a very far-reaching manner, 67 any definite punishment has been established. 68 That he, the prosecutor ex officio, subject to your Honors' better judgment, believes to find the same deficiency 69 with respect to the purloining of things or goods of his fellow shipmates. 70 And that according to the general conception in such cases the punishments are left to the discretion of the Judge, 71 to be applied more rigorously or more leniently according to the measure and quality of the circumstances and matters. § 72 That the said prosecutor therefore takes the liberty here briefly to note further 73 that the acts of the defendant are not of one and the same nature, but several crimes coincide, 74 and such have not been committed by him on a single occasion or by accident, but repeatedly, and even with all premeditation and malice. § 75 Furthermore, the same are of such a nature and accompanied by such far-reaching insolence and brutalities 76 that the defendant seems to disregard all bonds of subordination, good order, Report given before the honorable commissioners of the Honorable Council of Justice and at the requisition of Sr Gabriel Exter, acting pro interim in the Fiscal's office, by the Captain at Sea, the Honorable Cornelis in 't Anker, commanding the Zeeland Chamber ship de Paerl, of competent age, reading as follows: That when the relator had departed from Zeeland with his assigned vessel de Paerl and had undertaken and continued the voyage hither, the assigned... yea, all duties imposed upon him by oath and conscience. Article 77 Having not been able to be brought to amendment by any means used, 78 he must be regarded as a very dangerous subject in human society, and even more so on a ship's deck. 79 While the prosecutor ex officio leaves this and whatever else might be taken into consideration to the penetrating and equitable judgment of Your Honors. For which and other reasons and means to be further deduced in due time and place, if necessary, the prosecutor ex officio, making his claim, concludes: That the aforesaid defendant, by definitive sentence of Your Honors, shall be dismissed from any capacity in the service of the Honorable Company, with confiscation of all wages which he, the defendant, might be considered to have earned, and condemned to be sent back to Europe as such, with condemnation in all costs, or to such other penalties and punishments as Your Honors in equitable justice shall find proper. Signed: G. Exter. In the margin: Exhibited in Court the 14th of July 1786.

Dutch transcription

riteerd. Artol 58 Dat naar den 22e artl der Instructie van d' eerst Ge= „Zagvoerders is gestatueerd §9 dat personen, dewelk zig in den drank te buijten gaan„ officiers zynde 60 voor eenigen tyd van hun ampt zullen worden ontsct en bij volherding, gedeperteerd. 61 dat hoewel in 't 2=de Iat:l van den articul brief is be„ volen: §62 dat alle onderofficieren en gemeenen, haare opperofficieren, en dees, wederom haare Capitain, schipper ofte wil ook het gezag mogte voeren, getrouw en onderdanig zul= len moeten zijn, een ieder en den dienst, waar in hy is ge„ steld, zonder daar van te wijken in eenige manieren.- 63 en in den 21=en art=l van eerstgem: Instructie is geor= „donneert: 64 dat de mindere officieren den Eersten gezagvoerder en die boven hun gesteld zijn met alle respect zullen moeten besegenen, op peer daar toe gesteld. — 65 den R. O. Eijsscher egter niet heeft kunnen ontwaren nog uijt d'articul brief, nog uijt de voorsz: Instructie voor d'eerste gesag voerders. 66 waar is Cas van betoonde disrespect aan Zin opperoffi„ „vieren of opperhoofd waar aan den ged„e op eene zeer verre „gaande wijze heeft schuldig gemaakt. 67 eenige bepaalde straffe is gestatueerd geworden „ 68 dat hij R: O. Eijsscher /:onder uwel Ed:e agtb: beter oordeel :/ vermeend, 't zelve gebrek te vinden „ 69 ten opzigte van 't ontwenden van zaken ofte goederen van zyne mede schepelingen „ 70. en dat volgens 't algemeen begrip in diergelyken gevalle de straffe aan 'Harbetrium Iudicis overgelaten zyn 71 om naar maate en qualiteyt der omstandigheeden en zaaken regoureuser of Lagten te werden geappliteerd § 72 dat den 38. d=o Eysscher daarom de vrijheijd neemt alhier kortelyks nog aan te merken 73 dat de feyten van den ged. niet van eenerlig notuur zyn maar verscheydenen misdaden t zamen lopen „74 en zulke niet voor een enkelde reijde of bijgeval van hem begaan zijn, maar bij repetitie, en zelven, met alle op zet en kwaadaartigheyd. §75 voorts desselven zodanig gequalificeerd en met zo verre gaande Insolentien, Brutaliteyten vergeselschap zyn 76 dat den ged=e alle banden van suboadinatie, goede ordren Relaas gegeeven ten overstaan van E. E=s gecommitteerdens van den E Agtb: Raad van Iustitie en ter requisitie van den het Fnsdaals amp pro Interim waarnemende Sr Gu= briel Exter door den Capitain ter Zee d' E. Cornelis in 't Anker Com„ mandeerend het Leeuws Camer Schip de Paere van Competenten ouderdom Luydende als volgt Dat wanneer den Rel„k met zin bescheijden bovem de Paerl uijt Zeeland vertrokken was en de rheijse her- waards ondernomen en voortgedel had, de op zijne bescheij„ Ia alle pligten door Eed en Consirentie hem opgelegt schijnt te miskennen. Art:l 77 door geene gebruijkte middelen tot beterschap hebbende kunnen gebragt worden 78 als een zeer dangereuse subject in de Henschelijke geselschep en nog meer op een scheepsbodem, moet aangesien worden. J9 Terwijl den R. O. Eijsscher Zeen en ander, dat nog in aanmerking zoude kunnen werden genomen, aan 't penstrant en billijke oordeel van Uw E. agtb: overlaat Mits welke en andere redenen en middelen in tyd en wijlen /:is 't nood:/ nader te deducteeren, den R. de Eijdscher Eysch doende Concludeerd, Dat hi get: en ged:e bi definitieren vonnis van Uw E Agtb: zal worden gesteld buiten eenige qualiteyd in dienst der ECompie met verbeurt verklaringe van alle gagie welke hij ged zouden kunnen worden ge„ Considereert verdient te hebben, en gecondemneert, omme zodanig wederom naar Europa versonden te worden met Condemnatie in alle kosten, ofte tot zodanig andere pienen en Straffen, als uw E. Agtb: naar billijken regten zullen vinden, t behoren /:getekend/ G. Exter /:in margine/ Exhibiteur in Indicio den 14 Iulij 1786. — ceene 1

NL-HaNA_1.04.02_4318_0240 view scan ↗

English

the said vessel, Sous-Lieutenant George Lourens Caroes had, from the beginning of the voyage, gone to excess in drink daily, and was thereby, through that vice, entirely unfit for his service; the appearer having, out of consideration, daily admonished and urged the aforementioned Caroes to better conduct, without the same having had any effect, all of which, however, out of respect for his father, had been overlooked until they arrived at St Jago. That when the appearer with his vessel, after repairing his lost rigging in the roadstead of Porto Praya, had intended to depart from there in the night between the 2nd and 3rd of March, the aforementioned Caroes had the watch that evening, while the appearer had allowed the crew, who until then had been forced to work late, to sleep for about four hours before his departure; but that the same Caroes, when the appearer came on deck at night and departed from there with the ship at two o'clock, was lying heavily intoxicated on the deck, and thus was incapable of performing his duty. That the aforesaid Caroes had then, as best he could and crawling, made his way from the deck to the gallery and had remained sitting there until the following morning at ten o'clock; wherefore the appearer, in order to remove that spectacle, had thought fit to convene the ship's council and proposed therein to provisionally suspend the aforementioned Caroes from his duty, and thus not to have him perform any duty, yet for the rest to leave him in his further capacity, to see whether that might lead him to improvement; to which proposal the ship's council also consented. That the aforesaid Caroes, however, instead of improvement, continued in his way of life as long as he still had drink, and furthermore had not hesitated to proceed to the forward cabin where the bunk of another Sous-Lieutenant named Erasmus Melander was located, out of which bunk the same Caroes fetched six bottles of wine and drank them with a hold worker named Clement Verelst; about which the aforementioned Melander, having complained to the appearer, the appearer, because it was a Sunday, did not wish to speak with the aforementioned Caroes then. That on that very same evening, as the appearer maintains, the aforesaid Caroes had ordered his boy to go above and fetch six bottles of wine from his bunk and also a knife, and that they should bring those six bottles of wine to him, Caroes, as well as the knife, adding that he would want to finish off the aforesaid mate Melander with the knife; which order having been heard by one of the other boys, that boy had given notice thereof to the chief mate, whereupon the aforementioned chief mate, who just then had the watch, had ordered the aforesaid Caroes to come above, but the aforesaid Caroes had refused to obey that order, so that the chief mate reported this to the appearer, and the appearer likewise had the aforesaid Caroes ordered, without the same, however, being willing to comply with that order, and thus he did not come above. That the appearer, seeing the disobedience and stubbornness of the aforesaid Caroes, therefore ordered the commander of the soldiers to go below with two soldiers and bring the aforementioned Caroes above, as well as to place him under arrest in his bunk; which, being during the night, was also carried out, whereupon the appearer, in order to sleep, retired to his cabin, having, however, beforehand ordered the chief mate, in addition to the two sentries placed in front of the door, to also station a quartermaster and four men by a stairway, so that when the aforesaid Caroes came out of his cabin and wanted to go below, they could then hold him back. That while the appearer lay asleep in his bunk, the aforesaid Caroes made a great noise and uproar in his cabin, not only attacking and provoking the sentries standing before his cabin in every manner, but also reviling in general as well as specifically against the appearer with all kinds of insolent words, by which the appearer was awakened, and the appearer was forced to order that the aforementioned Sous-Lieutenant Caroes must be put in irons, which was also done that same night. That as soon as it was day, the appearer, having convened the ship's council, gave notice therein of what had occurred that night and of the placing in irons of the aforesaid Caroes, and the ship's council approved the measures taken by the appearer, and at the same time resolved, because of his bad conduct and insolence, to let the aforesaid Caroes remain in irons until above

Dutch transcription

denen bodem mede bescheijding sous Lieutenant George Lourens Caroes zig van 't begin der rheijse en zo dagelijk in de drank te buyten gegaan, en dies door dat Laster voor zyn dienst, ten eenemaal onbequaam geweest was, hebbend den Comp s gem: Caroes, uyt Consideratie wel dagelyks bere en tot een beter Comportement aangemaand, zonder dat hetselve egter van eenig Effect was geweest, zulx alles egten uyt agting voor desselfs vader door de vingeren had gedien tot dat op St Jago g'arriveert waaren Dat wanneer den Comp:e met zyn bescheyden bodem na ter rheden van porte pruijs zyn verloren tuijg hersteld had en van sints geweest was in den nagt tusschen den 2 en 3en muurd van daar te vertrekken gem: Caroes die avond de wagt gehad hadde, terwijl den Comp e het volk dat tot dus verre Laat had moeten arbeijden, voor zyn ver„ „trek en uur of vier had laten slapen, dog dat denselven Carres wanneer den Comp:e 'snagte op 't dek was gekom„ „ook de klocke twee uuren met 't schip van daar ver„ „trocken was, swaar beschonken op dik gelegen haden dus buyten staat was geweest om zyn dienst te prees„ teeren. Dat voorsz: Caroes zig als doen zo goedkonen en als al kruijpende van Bdek na de galdery begeeven had en op deseeen was blijven zitten tot 's volgenden morgens de klocke wel thien uuren, weshalven den Rel=t om dat spictacul weg te neemen goed had gevonden scheepe raad te beleggen en in denselven had voorgedragen om gem: Carves bij provisie van zyn dienst te ontstuu „ hem dus geen dienst te doen presteeren, egter voor 'z overigen in zyn verdere qualiteyt te laten verblijven ten eynde te zien of zulx hem tot beterschap konde brengen in welke propositie de scheepsraad ook har toegesteurt. - Dat voorsz: Jurvis vervolgens egter en steede van beterschap in zynen Leven swij en gecontinueert Cus„ bende immers 2o lange denselven nog drinkt gehad had een voorts niets geschroemd hadden om zig te be„ geeven na de voorcajuijl alwaar de Rooij van een ander Sous Lieutenant en naam Erasmus Melander stond, uijt welke kooij denselve Caroes ses bodceels wijn gehaald hebbende deselve met een ruijmwerker in naamen Clement Verelst had uijtgedronken waar„ over gem: Melander aan den Ret„t klagtig gevallen zynde had de zelt, terwijl het Juist Zondag weet daar voor met gem: Carver niet willen spreeken. Dat nog de eygentsten avond soo den vel= sustinuerd voorsz: Caroes an zyn Jongen gelast hebbende, omm boven te gaan en ses boddels mijn uijt zijn Rooij te halen en ook een mes, mitsg:s diezes bodaels wyn by hem Caroes brengen zouden; zo wel als het nes met bijvoeging dat hij het mes voorsz: stuurman belander zoude willen afdoen„ welke ordre door een der andere Iongens gehoord zynde had dien Jongen daar van aan den opperstuurman kennis gegeeven, wanneer meerm: opperstuurman, die Juijst de wagt was hebbende voorsc: Carves hed laten or= donneeren dat boven komen moest, dog dat voorsz: Ca„ „roes aan die ordre niet had willen obediceren, sulx den opperstuurman daar van aan den reh=t rapport ge„ daan hebbende de rel„s voorsz: Caroes zulx meede had laten ordonneeren sonder dat denselven egter aan die ordre had willen voldoen en dus niet boven gekomen was. — Dat den Rel„t ziende de ongehoorsaamheid en halstarrigheid van voorsz: Jaroes, dierhalven den Commandeur der soldaten had g'ordonneert zig met twee soldaten na beneden te begeeven en gem: Caroes boven te halen, mitsg=s na zyne niel in arreet te brengen het geen als in de nagt geweest zynde, ook geschied wat waarop den Rel=t om te slopen zig na zynen heer be„ geeven had, hebbende egter alvorens den opperstuurman gelast om behalven de twee voor de deur geplaatze schildwagten nog by een trap te stellen en quartierm=r „ vier mannen om wanneer voorsz: Carves uijt zyn heet kwam en na beneden gaan wilden als dan tegen te kunnen houden. — Dat zo als de rel=t in zijne kooij had geleegen en „geslappen voorsz: Caroes in zynen hul een groot geraas en getur gemaakt had niet alleen de schildwagten die voor zijn heel stonden g'attacqueert en op aller hande myde getergt maar in 't generaal zo wel als speciaal op den rel=t met alderhande brutale woorden gescholden had, waardoor den Rel=t ontwaakt zynde was de relk genoodzaakt geweest om te belasten dat gem: sout Lieutenant Caroes en de ijaers gesloten werden moest, het geen ook nog in den nagt was geschied. Dat den Rel= zo ras het dag was geworden scheepe raad hebbende doen beleggen daar in van 't voorgevallen in dien Nagt en t setten in de borien van voorsz: Caroes kennis gegeeven hebbende, den Scheepsraad des rel=k genomen maatregulen had g'approbeerd, en teffens besloten voorsz: Caroes om Zyne slegte Conduite en bataadigheijd in de ijeers te laten verblijven tot dat boven - aan

NL-HaNA_1.04.02_4318_0241 view scan ↗

English

had arrived at this government. Declaring nothing further, the deponent gives as reasons for his knowledge as stated in the text, offering always to confirm the same on oath. Below stood: Thus related at Cabo de goeden Hoop, the 30 Junij 1785, before the Honorable Lodewyk Christoph Warnek and Salomon van Echten, members of the Honorable Council of Justice aforementioned, who duly signed the minute hereof along with the deponent and me, the secretary. Lower: Which I witness. Was signed: C. L. Neethling, Secretary. Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the Captain Lieutenant appointed to the ship de Paere, the Honorable Alman Dirksen van Canger, of competent age, who, at the requisition of the Fiscal pro interim, Sr. Gabriel [illegible], declared it to be true: That whereas the Sous Lieutenant also appointed to his vessel de Paere, by the name of Caroes, native of Middelburg, from the beginning of the roadstead had daily indulged in excess of drink, even to such an extent that he had been intoxicated on his watch, the Captain of their vessel, the Honorable Cornelis in 't Anker, since all admonitions had no effect, was forced, with the consent of the Ship's Council, to suspend him from duty; yet, out of consideration and in the hope that this would produce some amendment, allowed him to remain decently in the aft quarters. That when the said Sous Lieutenant Caroes, while their ship was staying in the roadstead of Porto Praya and he was to resume his watch again, during the night when their ship was to depart from there again, had been lying on the deck heavily intoxicated, and was thus unable to perform his duty, the said Caroes was ordered by the deponent, as the officer on watch, to go below from above; which having done as best he could, the deponent reported thereof to the Captain, and the said Caroes remained suspended from duty until two days after the departure from Porto Praya, when he had not only behaved very insolently, but had also taken six bottles of red wine below from the bunk of the Sous Lieutenant Bendig Erasmus Belander, and furthermore ordered his servant boy to fetch a knife from above, to bring it down to him now, saying that he wanted to settle his business with Lieutenant Belander; which given order having been heard by another boy, this boy came to inform the deponent, who just then had the watch, whereupon the deponent had the aforementioned Caroes summoned to come above, but he would not come above. That the deponent having given notice of both these matters to the Captain, the Captain, in order to prevent all disorders, sent the Commander of the soldiers below with four soldiers, and had him placed under arrest in his cabin, having stationed two sentries before the door; however, the aforementioned Sous Lieutenant, then sitting under arrest, had not only lashed out against the deponent and others in the aft quarters with abusive words, raving, and raging, on which account the Captain had ordered four more sailors to be placed on the stairs in order to help restrain the said Caroes whenever he wanted to come out of his cabin; but since this Sous Lieutenant would not remain in his cabin, but wanted to go out of it by force, the Captain, who had heard that noise and had been awakened from his sleep, because it was in the night, immediately had him put in irons, and furthermore in the morning, as soon as it was daylight, held a Ship's Council concerning this, and gave notice of his taken measures to the Ship's Council, which, having approved the same as having been done for the best of the vessel, also deemed it proper to have the said Sous Lieutenant remain in irons until they should have arrived at this Government, and then to hand him over here in such manner. Declaring nothing further, the deponent gives as reasons for his knowledge as stated in the text, and therefore, in confirmation of the truth thereof, spoke the solemn words: So help me God Almighty. Thus reviewed and sworn at Cabo de goede Hoop, the 20 Junij 1785, before the Honorable Lodewijk Christoph Warnek, Gerrit Hendrik Cruijwagen, Below stood: further Members

Dutch transcription

aan dit gouvernement waren g'arriveerd Niets meer verclarende geeft den relt voor redenen van we„ tenschap als in de Text praesenteerende hetselve altoos met Eede te staven /:onderstond./ Aldus gerelateerd aan Cabo de goeden Hoop den 30 Junij 1785 voor d' EE: Lodewyk Christoph wan nerk, Salomon van Echten, Leeden uijl de E Agtb. raad van Justitie voorm: die de minute deezes benevens den reekende mij secretaris mede behoorlyk hebben on„ dertekend /: Lager:/ T welk ik Getuijgen / was getekend:/ C. L. Neethling Secretaris. Compareerde voor de ondergetekende gecommitt=s uijt den E: agtb: Raad van Justitie deese gouvernements den op 't schip de Poere bescheijdenen Capitain Luijtenant d' E. Aiman Dirksen van Ceranger van Competenten ouderdom, dewelke ter requisitie van den pro Interius Frstaal S=r Gabriel lster verklaarden hoe waar is. Dat vermits den op zyn bescheyden bodem de Paere meede bescheydenen Sout Lieutenant in Naamen Coroes geboortig van Middelburg van 't begin der Rheijde of zig daggelijx in den drink te buijten gegaan hebbende, zelfs Zodanig dat op zyn wagt beschonken was geweest is, den Capitain hunner keel d' E. Cornelis in 't anker, Vermits alle vermaningen niet Effictueerden, met toe= stemming van den Scheepsraad genoodzaakt geweest was, denselven buijten dienst te stellen, egter uijt Con„ „sideratie en in hoop dat zulx eenige beterschap geeven zoude hem in zyn fatsoen agter op heeft laten verblijven Dat wanneer gem: sour Lieutenant Carves, hun schip op de rhede van porto praijs vertoevende en den selven toen weder zijn wagt waarnemen moest, in den nagt wanneer hun schip weder van daar vertrekken zoude, op 't dik zwaar beschonken gelegen had, en dus buyten staat was zyn dienst te preesteeren, denselven Caroes door den Comp als wagthebbende deceir van boven na om laag was gelost te gaan, 't gunt denzelven zo goed konde gedaan hebbende, had den Comp„e daar van aan den Capitain rapport gedaan, en was gem: Carves voorts buijten dienst blyven loppen tot dat twee dagen na 't vertrek van porto praije denselven zig zeer brutaal had gedragen, niet alleen, maar ook beneden uijt de Kooij van den Lous Liuitenans Bendig Eras„ „mul Belander ses boddels zoo, wijn genomen en voorts aan Zynen Jongen gelast had en mes van boven te halen, om hem 't selve nu beneden te brengen onder het zeggen dat hij zijn zaaken met den Luijtenant Belander wild, afmaken, welke gegeeven laat een den andere Iongen hebbende gehoord, dien Iongen zulx aan den Comp„s die toen Juijst de wagt hadde, was komen bekend maken, als wanneer den Comp. s meerm: Caroes had laten boven koopen, dog dat denselven net had willen boven komen. - Dat den Comp=t van het een en anders voorm: aan den Capitain kennis hebbende gegeeven den Capn om alle on„ geregeltheden voorte komen den Commandeur der soldaten met vier soldaten, nu beneden gezonden en hem in zijn hat en arreat had laten brengen, twel schietwagten voor de deur geplaatst hebbende dog had meerm: toen in arrest geseeten hebbende Sout Lui„ tinant niet alleen tegens den Comp=t en verdere agter op zynd, metscheldwoorden, raasen e tienen te hier gegaan, weehalven den Capitain had geordonneert om nog vier mattroosen op de trap te plaatsen ten Eynde gem: Caroes, wanneer uijt zyn het wilde komen; te helpen tegenhouden, dan vermits dien sous Liitenant niet in zyn heet wild, verblijven, maar met geweld daar uijt gaan, heeft den Capitain die dat genaas gehoond en uijt zyn sloap ontwaakt was, denselven, vermits het in den Nagt was, opstonds in de boeijen Laten zetten, en voorts 's morgens zo drie het dag was, daar over schupsraad gehouden, en van zyn genomen maatregulen, aen de Scheepsraad kennis gegeeven, denwelken denselven als tot bedt van den bodem geschied zynde goedgekeurt hebbende, en tef„ fens goed gevonden, gem Sous Luiytenant en de boeijen te doen verblijven tot dat aan dit Gouvernement zouden zyn gearriveert, als dan alhier zodanig over te geeven. — Niets meer verklarende geeft den Compt. voor redenen van wetenschap als in den Text en sprak dierhalven ter bevestiging der waarheyd van dien de Solem„ neelen woorden, soo waarlijk helfte mij Godt almagtig. Aldus gerecolleerd en beeedigt aan Cabo de goede Hoop, den 20 Junij 1785. voor d' E E Lodewijk Christoph Wannick, Gerrit Hendrik Cruijwagen /:onderstond:/ voorts Leeden

NL-HaNA_1.04.02_4318_0242 view scan ↗

English

Members from the Honorable Council of Justice aforesaid who properly signed the original minute of this along with the appearer, the clerk, and me, sworn clerk. Lower down: Which I witness. Was signed: H. L. Bletterman, sworn clerk. Appeared before the undersigned delegates from the Honorable Council of Justice of this government, the Second Lieutenant stationed on the Honorable East India Company ship de Paerl, Benedix Erasmus Belander, of competent age, who, at the requisition of the interim Fiscal Sieur Gabriel Exter, declared to be true: That after the appearer's assigned vessel, de Paerl, at the roads of Saint Jago, having repaired the damages sustained to rigging and ward, being able to continue the voyage from there, during the night between the second and third of March of this year, fellow Second Lieutenant George Laurens Caroes had been lying asleep on the deck in front of the binnacle, so that he was not even able properly to hand over the watch to the officer relieving him; That the same Caroes subsequently, having been dismissed from service by the ship's council, did not hesitate, on the 13th of the aforementioned month of March, when the appearer and other officers were having their midday meal, to proceed to the forward cabin, to sit down there in the cabin where the appearer and Commander of soldiers Steven Stolpe lodge together, and subsequently to take from beneath the appearer's bedstead six bottles of wine, which wine he, Caroes, together with a hold-worker named Verelst, drank up in the presence of the aforementioned Steven Stolpe; The appearer attesting to have found the aforementioned Caroes drunken on various occasions. Declaring nothing further, the appearer gives as reasons for his knowledge as in the text, and therefore spoke in confirmation of the truth thereof the solemn words: So help me God Almighty. Underneath stood: Thus passed, re-read, and sworn to at Cape of Good Hope the 20th of June 1785, before the Honorable Lodewijk Christoph Warnecke and Gerhardus Hendrik Cruijwagen, members from the Honorable Council of Justice aforesaid, who properly signed the original minute of this along with the appearer and me, sworn clerk. Appeared before us, undersigned delegates from the Honorable Council of Justice of this government, the Commander of soldiers stationed on the Honorable East India Company ship de Paerl, Botve Eloff Steven Stolpe, of competent age, who, at the requisition of the interim Fiscal Sieur Gabriel Exter, declared to be true: That since he departed from Europe with his assigned vessel, the appearer, having now and then observed that Second Lieutenant George Laurens Caroes was drunken, subsequently learned that he had gone so far in his drinking that on the night between the 2nd and 3rd of March he had remained lying on the deck; That the said Caroes subsequently on the 13th, in the sight of the appearer who, after the midday meal had been held, had gone to his cabin and the cabin, drank six bottles of wine in the appearer's cabin with a certain other hold-worker by the name of Verelst, whereupon the appearer, at that time out of regard for the said Caroes as being a fellow officer, not only refrained from speaking out about it, but even remained outside the cabin, the said Caroes having stolen those six bottles of wine from the chest under the bedsteads of Second Lieutenant Belander, who lodges in the same cabin; That, as the appearer presumes, on the following night the said Caroes, while under arrest in his cabin, raged so terribly and attacked the sentries, that the Captain was compelled that night to have the same Second Lieutenant Caroes locked in irons, after which he remained confined until reaching the roads of Simon's Bay. Declaring nothing further, the appearer gives as reasons for his knowledge as in the text, and therefore spoke in confirmation of the truth thereof the solemn words: So help me God Almighty. Underneath stood: Thus passed, re-read, and sworn to at Cape of Good Hope the 20th of June 1785, before the Honorable Lodewijk Christoph Warnecke and Gerhardus Hendrik Cruijwagen, members from the Honorable Council of Justice aforesaid, who properly signed the original minute of this along with the appearer and me, sworn clerk. Lower down: Which I witness. Was signed: H. L. Bletterman, sworn clerk.

Dutch transcription

Leeden uijt den 8 agtb. Raad van Justitie voorm: de de minute deeses benevens den get Clercq ende mij gew: Clercq meede behoorlijk hebben ondertekend /: Lager:/ Twelk ik Getuijgen /:was getekend/ H. L. Bletterman Geow: Clercq. Compareerden voor de ondergetekenden gecommitt= uijt den E. agtb: raad van Justitie deeser gouvernemente de Sous Lieutenant op 't E. Oost Indisch Comp=e schip de Iaere beschydenen Benedix Erasmus Belander van Competenten ouderdom dewelke ter requisitie van den pro Jnterim fiscaal Sr. Gabriel Elter verklaarde hoe waar is Dat des Comp=te bescheijden bodem de Paere her rheeden van Sint Jugo. van de bekomen schadens aan Tuijg en ward zynde hersteld, de rheijde te kunnen voortsetten aldaar tusschen den tweeden en derden Maart deeses Iaars des nagte den mede sou Liutenant Georgen Louren Caroets voor 't nagthuijs op 2 dik te slapen gelegen had, zo dat hij zelfs de wagt niet behoorlijk aan den hem vervangenden officier heeft kunnen overgeven- Dat denselven Caroes vervolgens door den scheepsraad uijt den dienst ontslagen zynde, denselve zig niet heeft ontsien, gehad, op den 13 der voorsz: maand Maart, wanneer den Comp„t en verdere officieren 't middag maa hielden, zig te begeeven na de voorcajuijt, aldaar in de Slut waar in de Comp=t en Commandeur der soldaten Steven stolpen te zamen logeeren, ten neder te setten, vervolgens van onder uijt des Comp. s bedsteden te neemen ses boddels wijn, welke wijn hij Caroes nevens een ruijmwerker Verelst genaamt ten aanzien van voorsz: Steven stolpe uytgedronken had— Betuygende den Comp„t voorsz: Carves differente rheyser Zien beschonken te hebben aangetroffen Niets meer verklarende geeft den Comp:s voor redenen van wetenschap als in den text En sprak dierhalven ter be„ vee teging der waarheyd van dien de solemneelen woorden zo waarlyk help mij Godt Almagtig /:onderstond:/ Aldus gepasseert, Gerecolleerd en b'edigt aan Cabo de goede Hoop den 20 Junij 1785. voor d' EE: Lodewijk Christoph warneck „n Gerhardus Hende Cruijwager Leeden uyt den E. Agtb: raad van Justitie voorm: dif de minute deeses benevens den Compt ende mij gesw: Cleriq mede behoorlyk Compareerde voor ons ondergetekend „ gecommitteerdens uijt den E. agtb: raad van Iustitie deeser gouvernements den op 'S. EComp:e schip de Paerl bescheyden Commandeur der soldaten Botme Eloff Steeen stolpe van Competenten ouderdom dewelke ter requisitie van den pre Interin Iievaal S=r Gabriel Exter verklaarden hoe waar is. Dat den Comp. t zedert dat met zyn bescheyden bodem uyt Europa was vertrokken nu en dan eens hebbende bespuurd gehad dat den Sour Lieutenant George Laurens Caroes beschonken was, vervolgens vernomen dat denselven zy in den drank zo verre zou zyn te buijten gegaan, dat op den 3 maart op tusschen den 2 en 3 maart des nagts op t dik was blyven leggen Dat gem: Caroes op den 13 daar aan voorts ten aan„ „sien van den Comp:s die na het gehoudene middagmaal, zig na zyn hut en de Casuijt begeeven had, ses flessen wij in met zekeren anderen ruijm werker met naamen Ve„ „relst, in des Comp=tse het had uijtgedronken zulx den Comp: als toen uijt regart van gem: Carves als meede officier Zijnde niet alleen zig daar over niet uijtgelaten, maar zetfe buijten de heet gebleeven was, hebbende gem: Carves die ses flessen wijn uijt de kas onder den bedsteeden van den in deselve met logeerenden Sous Lieutenant Belander gestolen— Dat zo den Comp: s vermand den daarop volgenden nag t gem: Caroes als gearresteerde en zyn het zodanig wal te keer gegaan en de schildwagten geattaoqueerd had, zo dat de Capitain dien nagt genoodzaakt was denselven sous Lieutenant Carves en de boeijen te doen sluijten waar na denselven dan ook tot ten rheeds van bewijfals was blijven zitten. - 1 Niets meer verklarende geeft den Comp„e voor redenen van wetenschap als in den text, En sprak dierhalven ten bevesti„ „ging der waarheyd van dien de solemneelen woorden soo waarlyk helpe mij Godt Almagtig. gepasseert (:onderstond:/ 1 Aldus gerecolleerd, Bezedigt aen Cabo de Goede Hoop den 20 Junij 1785: voor d' EE Lodewijk Christoph war„ neeke Gerlardus Hendrik Cruijwagen Lad, uijt den E. Agtb: raad van Justitie voorm, dat de minute deeses be„ bevest den Comp=t inde mij gran: Clercq mede behoorlyk hebben ondertekend /: Lager:/ T welk ik getuijgen /:was getekend:/ H. L. Bletterman gesw: Cleneq. - hebben ondertekend /:Lager :/ T: welk ik getuijgen /was gete„ Kend:/ H. L. Blestraman Gem: Clercq. - hebben Cormpa„ -

NL-HaNA_1.04.02_4318_0243 view scan ↗

English

declared to be the truth. — Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the soldier Laurens van Oeken, aged sixteen years, stationed on the Company ship de Paerl, who, at the requisition of the interim fiscal Sr Gabriel Exter, declared it to be true: That during the voyage here, on a certain evening without the appearer being able to determine the exact time, day, or date, having been asked by the Sub-Lieutenant stationed on the said vessel, named George Lourens Croese, whether he, the appearer, did not know where the fellow Sub-Lieutenant of the said vessel, Benedictus Erasmus Helander, was sleeping, the appearer had answered him: in his cabin on a chest; whereupon the said Croese subsequently asked the young sailor Lambertus van Veldhoven, who serves him as a boy, for a large knife and a bowl of wine; for which boy a bowl of wine was indeed brought, but not the knife. That the appearer subsequently also heard that the said Croese told his aforementioned boy Van Veldhoven to fetch six bottles of red wine from under the bed of the aforesaid Helander and to place them in the cabin behind the door, in order to be able to take leave of each other that night; which was made known by the appearer, as he became fearful of the consequences, to the watch officer, the Captain-Lieutenant of the aforementioned vessel, Armand Dircx. — Declaring nothing more, the appearer gives as reasons for his knowledge as stated in the text, being prepared to confirm the same by oath. - It stood below: Thus passed, recollected at Cape of Good Hope on the 20th of June 1785, before the Honorable Lodewijk Christoph Warnecke and Gerrit Hendrik Cruijwagen, members of the Honorable Worshipful Council of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof along with the appearer and me, the sworn clerk. Lower: Which I attest. Was signed: J. L. Bletterman, sworn clerk. Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the young sailor Lambertus van Veldhoven, aged sixteen years, stationed on the outward-bound ship de Paerl, who, at the requisition of the interim fiscal Sr Gabriel Exter, Agrees. Thus passed and recollected at Cape of Good Hope on the 20th of June 1785, before the Honorable Lodewijk Christoph Warnecke and Gerrit Hendrik Cruijwagen, members of the Honorable Worshipful Council of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof along with the appearer and me, the sworn clerk. Lower: Which I attest. Was signed: J. L. Bletterman, sworn clerk. That the appearer, having served as a boy to the Sub-Lieutenant stationed on the aforesaid vessel de Paerl, named George Laurens Kroese, was ordered by the said Kroese during the voyage here on a certain evening, without knowing the exact day or date or wishing to be bound thereby, to fetch six bottles of red wine from under the bed of the fellow Sub-Lieutenant Benedictus Erasmus Hilander and to place the same in the cabin of the said Kroese, as well as to fetch a large knife [illegible] but the same was made known by his, the appearer's, fellow comrade Laurens van Oeken. — Declaring nothing more, the appearer gives as reasons for his knowledge as stated in the text, being prepared to confirm the same by oath. It stood below: W. D. Kiel, declared. Sworn Clerk. bondman of the said Jan Andries Bam, passed before the gentleman commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice. A statement by David van Mosambicque. 2 A ditto of his fellow slave Adam van de Caab. 3 A ditto of Leboe van Bougies, bondman as before. 4 Inquest report of the gentleman commissioners. 5 Deposition of the two surgeons from the Honorable Company Hospital, Blisaforij and Spendelin. - Passed as above. Register of documents pertaining to the criminal trial to be instituted against the burgher Jan Andries Bam.

Dutch transcription

verklaarden hoe waar is. — Compareerde voor ons ondergetekend, t den Ed: agtb: Raad van JJustitie deeser gouvernement den op 's CComp:s schip de Paerl bescheydenen soldaat Laurens van Oeken oud ses thien Jaaren, denwelken ter requisitie van den proeuterim poccaal S=r Gabriel egter verklaarden hoe waar is. Dat op de herwaards rheyse op zeveren avond zonder dat den Comp=te die netten tijd, dag of datum weel te bepalen door den Sous Lieutenant op gem: Bodem bescheijden in naamen George Lourens Croese aan den Compts gevraagt geworden zijnde, of hy Comp„t niet wist waarof den meede sous Luitinant van gem: bodem Benedictus Erasmus Aebander Sliep, den Comp. s daarop g'antwoord had in zyn heer op een kist, op 't welk gem Croese vervolgens an den sing mattroos Lambertus van veldoven dewelk bij hem als Ionge dienst doet gevraagt had, om een groot mes en een kom wijn, voor gem: Iongen wel een kom wyn maar niet t mis is gebragt geworden. Dat den Compt. vervolgens nog gehoord heeft dat door gem: Groede aan zijn voorm: Jongen van Veld Over is gesegt om ses brutelles rode wijn van onder de bedsteden, van voorsz: Helander uijtte haalen en dezelve in de hul op zig de deur te plaatsen ten eijende dien nagt van elkander afscheijd t kunnen nemen, t' geen door den Compt als zynde bevreest geworden voor gevolgen aan de wagthebbende officier der Capitaij Luytenant van voorm: bodem Arman Dirkde is bekent gemaakt. — Niets meer Verklarende geelt den Comp=ts voor rede„ nen van wetenschap als in den text bereyd zijnde 't zelve met Eede te bevestigen. - /:onderstond./ Aldus gepasseert, gerecolleert aan Cabo de goede Hoop den 20. Iuny 1715. voor d' EE Lodewijk huistoph wanneer en Gerrit Hendrik Cruijwagen Leeden uijt den Ed=e Agtb: Raad van Justitie voorm: dit de minute deezes benevens den Comparant ende mij geswoore Cleriq meed behoorlijk hebben ondertekend /:Lager: / T welk ik Getuijgen /:was getekend/ Jb. L Blettermen gem: Curig. Compareerde voor de ondergetekende gecommitteerdens uijt den E Agtb: Raar van Iustitie deeses gouvernements den op 't uytkomend schip de Paerl bescheyding Iong mot= tron Lambertus van Veld oven oud seathien Iaaren dewelke ten requisitie van den projuterens fiscaal S:r Gabriel Exter Accordeert Aldus gepasseerd en gerecolleerd aan Cabo de goede Hoop den 20 Iunij 1785. voor d' EE: Lo„ dewijk Christoph Wannick en Gerrit Hendrik Cruijwagen Leeden uit den E. Agtb: raad van Justitie voorm: die de minute deese benevens den Comp=t ende mij geswr: Clercq meede behoorlijk hebben ondertekend. /:Lager:/ Dwelk ik Getuijgen /:was getekend:/ J: L Bletterman Gesw: Clercq: Dat den Comp„t die als Jongen bij den Lius Lieutenant meeden op voorm: bodem de Paerl bescheijden en Naume Georgen Laurens Kroese dienst gedaan hebbende door gem: Kroese op de herwaards Rheijde op en Zeveren abond zonder den netten dag of datum te weeten of daar in bepaald te willen zyn, gelaat geworden wal om Ses boutelles rooden mynn van onder de bedsteden van den meeden sout Lieutenant benedictus Erasmus Hilander te halen en deselve in de hiel van gem: Mi- ik zetten als mede en gaar te boorgammng mes bij oge ofgelujd te kann veng in den vrelanden maar 't zelve door zyn Comp=s meede Canneraat Lau- „rens van deken is bekend gewaackt geworden. - Niets meer verklarende geeft den Compt voor redenen van wetenschap als in den text bereid zijnde het zelve met Eede te bevestigen. /:onderstond:/ WD Kiel verklaardn gem Clercy Luyfeijgen van gem: Jan Andries Bam gepasseerd voor Heeren gecommitteerdens uijt den Ed: Achtb: raade van Iustchien 2 Een _o van desselfs meeden slaaf Adam van de Caab Eene verklaring van David van Mosambicque 3 Een do van Leboe van Bougies Lijfeijgen als voren 4 Schouw acte van Heeren gecommitteerdens 5 declaratoir van de twee Chirurgijns uijt 's EComp. s Haspitaal Blisaforij en Spendelin. - gepasseerd als even Register van stukken behorende tot 't Crimineelen proce Cm den Burger Jan Andries Baas te institueeren

NL-HaNA_1.04.02_4318_0247 view scan ↗

English

Shows with due respect the undersigned, pro interim fiscal Gabriel Exter, that on Thursday the 16th of June last, it was brought to the knowledge of the aforementioned remonstrant by the slave of the burgher Jan Andries Bam, residing at the Tijgerberg, named David of Mosambique, that one of his fellow slaves named Fortuijn of Bengal, who used to round up the horses of his aforesaid master Bam, because one of those horses had gone missing, turned up and was subsequently brought home to his master by a pass-rider. That his master, having had the aforesaid Fortuijn tied up that very evening by two other slaves, subsequently had him beaten with a piece of rope with intervals; and the following night had him left lying bound in this manner, and when the same Fortuijn was found untied in the morning, his master had caused him to be tied up again in the manner aforesaid, and beaten anew, as well as immediately making him run in front of the horses of a plow, of which the consequence had been that the mentioned Fortuijn remained lying down the next day and finally, on the ninth or tenth day after receiving the blows, came to die, and was buried the following day on the 13th. That hereupon the delegated gentlemen, having proceeded to the residence of the mentioned Bam, had the body of the same Fortuyn exhumed there and, in the presence of their Honors, examined by two surgeons from the Honorable Company's Hospital, whereupon the same was found to be such that not only did the marks thereof provide the clearest proof of an excessively impermissible maltreatment, but that through the cruelty of neglecting such a maltreated and punished body, gangrene had set in, as appears from the post-mortem report and further inquests annexed hereto. That the said remonstrant, in order to check such Honorable and Worshipful Lord and Gentlemen, To the Honorable and Worshipful Lord President and Council of Justice of the Castle of Good Hope ƒ 1

Dutch transcription

Vertoond met schuldigen Eerbied den ondergetekende pro Interims fistaal Gabriel Exter, dat op donder= dag den 16 Junij Iongstz: door den Leijf Eijgen van den aan de Sijgerberg wonende Burger Jan Andries Bam„ met naamen David van Mosambucque aan den R d ver„ toonden ten kennisse gebragt zijnde, dat een zyner meeden slaven genaamt Fortuijn van Bengalen, dewelke de Paarden van zijn voorn: zijfheer Bhans plueyde op te pagen, vermits een dior paarden was abdent geraakt, opgedrook en vervolgens door eenen rosseri aan zijn Lijfheer wederom was te Huijs gebragt. — Dat desselfs Lijcheer den voorm: Fortuijn nag den„ selven avond door twee andere slaven hebbende doen vostbinden, vervolgens met Endje Louw bij Tusschen zoring heeft laten slaan; en daarop volgende nagt dusdanig gebonden laten leggen, en wanneer den zelven Fortuijn des morgens ongebonden was aangetroffen, had zyn zijlheer denselven invoegen voorsz: doen we„ „derom binden, en op nieuw laten slaan, mitzg=d den„ selven terstonds voor de Paarden van een Ploeg laten „lopen, dat van dit gevalg was geweest, dat gem: Fortuge daags daar aan was blijven leggen en eyndelijk den Negenden of Thienden dag na de bekoming slagen komen te sterven en den daar aen volgende dag op den 13 begraven geworden. — Dat hier op Heeren gecommitteerdens zig ver „voegt hebbende naar de woonplaats van gem: Bam aldaar het Lighaam van denselven Fortuyn doen op= graven en ten overstaan van hun EE. door twee Chirurgijns uijt 'S EComp:s Hoapitaal doen schouwen, als wanneer 't zelve zodanig wal bevonden, dat niet alleen de teeke„ „nen daar van het klaarsten bewijs eenen buiten maten ongepermitteerde mishandeling opleevenden, maar dat door den wreedheijd van een diergelijk mishandelden en ge„ tigstead Lighaam te vernegligeeren, 't konden vaur daar by gekomen was, zo als zulx uijt de deeser gean„ „nexeerde schouwcedullen en verdere Enquisten komt te Consteeren. Dat den B8. d: o vertoonder tot stuijting van dierge„ WelEdele Agtbaare Heer en Heeren, Aan den welEdele Achtb: Heer Praesident in Raade van Justitie des Casteele de goede Hoop - ƒ 1 lijke

NL-HaNA_1.04.02_4318_0248 view scan ↗

English

prevailing crimes, and for the maintenance of the laws in force in that respect, considered it his official duty to initiate the requisite criminal proceedings against the said Jan Andries Bam. Since the authorization of your Honorable Worships is required for this purpose, the undersigned Official Prosecutor takes the liberty to turn to your Honorable Worships, respectfully requesting that by virtue thereof he may be authorized to summon the aforementioned Jan Andries Bam to appear in person before your Honorable Worships on a certain appointed day, in order to hear such criminal demand and conclusion, or request or requests, as the Official Prosecutor, serving on that day, shall be advised to make and take against the said Bam. Below stood: Which doing etc. Signed: G Exter. In the margin: Exhibited in Court on 14 July 1785. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, David of Mozambique, slave of the Burgher Jan Andries Bam, who, at the requisition of the acting fiscal Monsieur Gabriel Exter, declared it to be true: That the appearer's fellow slave Fortuijn of Bengal, who had to look after and tend the horses for his master, having run away over the loss of a horse and having been away for fully fourteen days, was brought home on a Sunday evening around eight o'clock by a Khoikhoi woman; that he was tied up by order of his master, in the manner customary before the prison, after which the slave boys Leboe and Adam had to beat him with pieces of rope, each by turns, twice or two times; the hands of the said Fortuijn being tied together with a rope afterwards, and he was left in such a state that night. That since the appearer's master discovered the next morning that the said Fortuijn had cut to pieces the rope with which his hands had been tied, and suspected that he intended to run away again, the aforementioned Fortuijn was tied up again by order of their master, and was beaten anew with pieces of rope by the slaves Leboe and Adam, the boy being made to walk before the plowing horses immediately thereafter, but being unable to work anymore the following day, he remained lying down, and after a week and a half, he came to die. Declaring nothing further, the appearer gives as reasons for his knowledge as stated in the text, testifying the same to be the truth. Below stood: Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, Adam of the Cape, slave of the Burgher Jan Andries Bam, who, at the requisition of the acting fiscal Monsieur Gabriel Exter, declared it to be true: That at the beginning of this month of June on a certain day, without the appearer being able to determine the exact date, the appearer's fellow slave Fortuijn of Bengal, who had been run away for some time, having been brought home by a certain person unknown to the appearer, the appearer's master, after the slaves together had eaten in the evening, ordered him, the appearer, and his fellow slave Libo to tie the aforementioned Fortuijn hand and foot, and subsequently a stick having been placed through the opening of that boy's arms and legs, just as is customary here at the prison to punish the slaves, the appearer and the said Libo had to beat the said Fortuijn with pieces of rope on his trousers for a while by turns, his hands being tied during the night. That the said Fortuijn having cut loose during the night the ropes with which he had been tied that night, the appearer's master early the next morning again had him tied by the appearer and the said Libo in the aforementioned manner and punished with pieces of rope, subsequently. Thus done at the Cape of Good Hope, 23 June 1785, before the Honorable Salomon van Echten and Jan Coenraad Gie, members of the Honorable Court of Justice aforementioned, who duly signed the original minute hereof together with the appearer and me, the sworn clerk. Lower: Which I witness. Signed: H. L. Bletterman, sworn clerk.

Dutch transcription

lijke „n zwang gaanden misdaden, en tot maintig der ten dien opzigte vigeerende wetten hot van zyn inde open sabelen pligjt heeft vermeend te zin, de novign proceduren in Cas Crimineel tegens denselven Ian Andries Bom te moeten entameeren. — Dan vermits hier toe verEijscht word uwel Ede Achtb: qualificatie zo neemt den ondergetekende R. O. vertoondende vrijheyd zig h keeren tot UwelEde Agtb. versoekende dierect uijt kragte van 't welk van . d. worde gequalificeert, den voorsz: Ian Andries Bam te mogen dagvaarden, omme te zekeren gepreefigeerd, dagen voor UwelEd: Agtb: te Compareeren en persoon, ten eijnde om aantehoren, zodanigen Crimineelen Eijden „ Conclusie, dan wel versoek oft versoeken als den RO. Eysscher ten dagen dienende te rade zal worden op ende Jegens denselven Bar te doen ende te neemen. /:onderstond:/ T welk doende & /:was getekend:/ G Exter /:in margen:/ Exhititum, Judicio de 14 Julij 1785. Compareerden voor ons ondergetekend, gecommitteerdens uijt den E Agtb: Raad van Justitie deeses gouverne„ mente David van Masambicque Legfeijgen van den Burger Jan Andries Bam, dewelk ter requisite van den proepterius fiscaal S.:r Gabriel Exter ver„ klaarden hoe waar is Dat des Comps meede slaap Fortuijn van Bengalen, die bij zyn Lyfhier op de paarder passen en dezelve hoeden moest, over 't verlies van een paard opgedrook en wel veerthien dagen weggeweest zijnde, op een Zondag avond de klocke omtrent agt uuren door eene Roojouw, te huijs gebragt zijnde, denselven op ordre van zyn Lyf„ hier was vastgebonden, indiervoegen als 't zelve voor den tronk gebruykelik is, waarna de slaven Iongens Leboe en Adam denselven met Endjes hadden moeten slaan, ieder bij beurten, twee rheysen ofte twee maal; zynde gemelde Dortuijn daar na de handen met een touw aan malkanderen gebonden, en dien nagt in zulken staat gelaten geworden. — Dat dewijl des Comp:s Lijverzee 's volgende Morgens had ontwoord dat gem: Fortuijn het Touw waarmeede zyeen Compareerde voor ons ondergetekende gecommitt=s uijt den E. agtb: Raad van Justitie deezes gouvernemente Adam van de Caub Leijfeijgen van den Burger Ian Andries Bam dewelke ter requisitie van den pro jnterin fiscaal Sr Gabriel Exter verklaarden hoe waar is. Dat met 't begin deeser Maand Iunij op en zekeren dag; zonder dat den Comp:t dezelve poschief be palen kan, dis Comp=s meede slaap Fortuijn van Bengalen dewelke eenigen tijd opgedroak was geweest, door sekeren den Comp„ onbekenden persoon te huijs gebragt zijnde, had der Comp=s Lijfheer na dat de gesamentlijke slaven, des avonds gegeeten hadden, hem Comp:t en zyn meede Slaat Libo gelast voorm: Fortuijn aan handen en voeten te binden, en vervolgens een stok door de openning van dies Iongens armen en beunren, gelijk men hier den het gevangenhuijs gewoon is de slaven te doen straffen, geatoken zijne, den Comp=t en gem: Fortuijn denselven b0 Portuijn met Endj op zijn Broek een poosje beurt wijzen te moeten slaan, zynde denzelven des Ragts den handen vastgebonden geworden. — Dat gem: Fortuijn de touwen waarmeede hij dien nagt vastgebonden was geworden, des nogte los gesneden hebbende had des Compt Lyfheer hem de morgens vroeg wederom door den Comp:e en gem: Libo op de voorsz: wijze doen binden en met Endjes afstraffen, vervolgens Aldus Gepasseert aan Culio de goede Hoop, den 23 Iunij 1785. voor d' E. E. Salomon van Echten en Ian Coenraad Gil, Leeden uijt den E Agtb: Raad van Justitie voorm: die de minute deeses benevens den Comp:t ende mij gesw: Clercq meede behoorlijk hebben on„ dertekend. /Lager:/ Twelk ik getuijgen /:was getekend) H. L. Bletterman gesw: Clercq:- handen waren vastgebonden geweest, stuckend gesneeden was, en vermeynde dat denselven van sints zij, weeder weg te loopen, voorsz: Fortuijn ter ordre van hun Lijfheer weder welg belopen, vastgebonden zynde, door de Slaven Lebere en Adam met Endjes op nieuw was geslagen, hebbende dien Iongen opstonds daarna voor de ploegende waarden moeten lopen, dan 's volgenden daage niet meer hebbende kunnen werken, was denselven blijven leggen,, daarna net een sondag en een halve, komen te sterven. — Niets meer verklarende geeft den Comp:s voor redenen van wetenschap als in den Text, betuijgende hetzelve de waar= heijd te zijn, /:onderstond:/ handen Denselven .

NL-HaNA_1.04.02_4318_0249 view scan ↗

English

the same Fortuijn made to run before the horses of the plow which were driven by the appearer. That said Fortuijn, having remained lying down sick the next morning, died on the tenth day after he had received the blows, or actually one and a half weeks thereafter, and his master had caused the said Fortuijn to be buried the following day. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons for his knowledge as is in the text, testifying that the foregoing is the pure truth. Was written below: Thus done at Cabo de goede Hoop on 23 Iunij 1785, before the Honorable Salomon van Echten and Jan Coenraad Gie, members of the Honorable Worshipful Council of Justice aforesaid, who have duly signed the minute of this along with the appearer and me, the sworn clerk. Lower down: Which I witness. Was signed: H. L. Bletterman, sworn clerk. The same day. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, Leboe of Bougies, bondman of the burgher Jan Andries Bam, who, at the requisition of the pro interim fiscal, Monsieur Gabriel Exter, declared it to be true: That on a certain day, being one and a half weeks before the slave boy Fortuijn of Bengalen died, and without the appearer being able to determine the exact time, day, or date, it being however a few days after the beginning of this current month of Iunij, the appearer and his fellow slave Adam were ordered by their master to beat with ends of rope the said slave Fortuijn, who, having been on watch, had lost a horse and on that account had run away for fully two weeks and had been brought home in the evening at about half past seven; the appearer and said Adam had also done so, the said Fortuijn having been tied fast for that purpose by order of the master and secured as if in a Spanish block, after which the appearer and said Adam had to beat the aforesaid Fortuijn on two occasions by turns and a whole portion upon his trousers, and after that punishment said Fortuijn had his hands tied together with a rope and remained so that night. That since their master saw the next morning that said Fortuijn had cut to pieces the rope with which his hands had been tied, the aforesaid master, because he supposed that the boy would run away again, had him secured again as on the evening before, and had him beaten again by the appearer and aforesaid Adam, though less than the previous evening, the said Fortuijn having thereafter to go to work with the other slaves. That the aforementioned Fortuijn the next day, because according to his statements he could work no longer, had remained lying down, and came to die on the tenth day thereafter. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons for his knowledge as in the text, testifying that the same is the pure truth. Friday the 17 Iunij 1785. Upon complaints received that the burgher and agriculturist Jan Andries Bam, on his place situated in the Tygerbergen, had excessively chastised one of his slave boys, so that having died therefrom, he had subsequently caused the boy to be buried, the Honorable Tobias Christiaan Rönnenkamp and Jan Coenraad Gie, members, as well as myself, secretary of the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, along with Monsieur Gabriel Exter, acting pro interim fiscal exercising the fiscal's office, set out on horseback thither this forenoon, and having arrived there in the afternoon, had the buried body exhumed again and inspected the same; Whereupon it appeared in abundance that the aforesaid slave had been brutally chastised, having by order of said Bam been beaten on two successive days, without any means having subsequently been applied for the healing of that creature, whose buttocks and thighs were entirely beaten so blood-streaked that complete furrows were found therein, in which, according to the indication of the two surgeons, Blesecsky and Spendelin, sent thither on account of the indisposition of the second head surgeon, gangrene having set in, the boy had thus died from that chastisement. Done at Cabo de goede Hoop, the day and year aforesaid. Lower down: In my presence. Signed: C. L. Neethling. Thus done at Cabo de goede Hoop on 23 Iuni 1785, before the Honorable Salomon van Echten and Jan Coenraad Gie, members of the Honorable Worshipful Council of Justice aforesaid, who have duly signed the minute of this along with the appearer and me, the sworn clerk. Lower down: Which I witness. Was signed: H. L. Bletterman, sworn clerk. Was written below: We, the undersigned, as assistant surgeons of the Honorable Company's Hospital here, certify that on Friday the 17th of this month, we were ordered to inspect a male slave at the house of Jan Bam, at the Tygerberg, who was already deceased and buried. We could not judge from the blows given to the aforesaid slave whether the same would have been fatal, as the body of the deceased had already been consigned to the earth for about three days, so that the external parts had complete sphacelus, but we presumed the death to have been caused by neglect and lack of assistance for the healing. Was written below: Cabo de goede Hoop, the 30th Junij 1785. Was signed: A. Bliesefki, C. L. Spendelin. By order of the Honorable Monsieur Gabriel Exter, pro interim fiscal of this government. Agrees: W. D. Reel, sworn clerk.

Dutch transcription

derselven Fortuijn voor de paarden van den ploey dewelke door den Comp=s gedreeven wierden doen lopen. — Dat gem: Fortuijn des anderen daars 'Smorgens zak zijnde blijven leggen, den thienden dag na dat hij de slagen bekomen had, of Eijgentlijk een en een halve week daar na was komen te sterven en had zyn Lijfhier den gem: Fortuijn den daarop volgenden dag doen begraven. Nietsmeer verklarende geeft de Compte voor ree¬ denen van Wetenschap als is den Text betuijgende het vorenstaande de zuyvere waarheyd te zyn. - /:onderstond:/ Aldus gepasseert aan Cabo de goede Hoop den 23 Iunij 1785. voor d' EE„s Salomon van Echten en Jan Coenraad Que, Leeden uijt den E. agtb: raad van Justitie voorm: die de minute deeses benevens den Comp=e enden my gesw: Cleriq meed, behoorlijk hebben ondertekend: /:Lagen:/ T welk ik Getuijgen /:was getekend:/ H. L: Bletterman geww: Clercq do Compareerde voor ons ondergetekend, gecommitteerd. Uijt den E. Agtb: Raad van Justitie deser gouverne= ments Leboe van Bougies Luyfeijgen van den burger Jan Andries Bai denwelke ter requisitie van den pro Interim fiscaal S=r Gabriel Exten verclaarde de waar is Dat op zeekeren dag zynde geweest een en een halve werk eer de Slaven Jongen Fortuijn van Bengalen gestorden, & sonder dat den Compts den netten tyd dag of datum bepaalen kan, zynd, het egter geweest eenige dagen na het begin van deese lopende Maand Iunij, den Comp=e en zyn meede slaaf Adam, door zij Lijfheir was gelaat geworden om gem: slaaf Fortuijn die als staande wagten zynde, een paard verloren had dis„ „wegens wel twee weeken opgedroot geweest en 'savonds omtrent te half agt ten Huijs gebragt zijnde met Endjes te slaan, den Comp:e en gem: Adam zulx ook gedaen hadden zynde gem: Fortuijn ten dien eijnden ter ordre van het lyfheer vastgebonden en als in een spaanse ook geapannen geworden, waarna den Comp: en gem: Adam voorsz: Fortuijn en der twee rheijsen bij beurten en geheel poor had moeten slaan op zyn broek en was gem: Forteijn na die afstraffing de Vrijdag den 17 Iunij 1785. — Op ingekomen klagten dat den burger „ Landbouwer Jan Andries Baas, op zyn in de Pijgerbergen gelegene Ptaals, en zyner slave Iongens Vermaten buytenporcg gekastyde had, dat daar door overleden zijnde, hy die Iongen voorts had laten begraven d EE„ Tobias Christiaan Ronnenkampe Jan Coenraad Gie„ Leeden in, mitsg=s mij secretaris van den Ede Agtb: raad, van Iustitie deezer gouvernements benevens den het Fisiaals ampt waarnemende pro Interun fiscaal S=r Gabriel Exter hun deesen voormiddag derwaards op rhijde begeeven, en 'S nademiddags al„ daar aangekomen zouden, hebben dezelve 't begraven Lighaam weder dan ontgraven, en 't zelve inschouwt Aldus gepasseert aen Cabo de goede Hoop den 23 Iuni 1785. voor d' EE: Salomon van Echten „ Ian Coenraad Goe Lieden uijl den E Agtb: raad van Justityen voorm: die de minute deese benevens den Compt. ende mij gesw: Clercq meede behoorlijk hebben ondertekend /Lager/ T welk ik Getuijgen /:was getekend:/ H. L. Bletterman gemw: Clercq. handen met een touw te zamen gebonden geworden en dien nogt te gebleeven. Dat vermits hun Lyfhier den volgende morgen rrad gezien dat gem: Fortuijn het touw waarmeede zijn handen gebonden gewest waaren, slucken gesneeden had, dies gev=e Lijfheer dewijl vermeynde dat dien Iongen het wederontlopen zoude, denzelven weder als involgen 's avonds bevorens had vaat doen maken, en door den Compt. en voorsz: Adam denselven weder slaan laten dog minder als den vorigen avond, hebbende gem: Fertuije voorts met de andere slaven aan 't werk moeten gaan. - Dat meerw: Fortuijn 's' volgende daags, dewijl na zyn Leggen niet meer werken konden was blyven leggen, e op den TTienden dag daarna komen te overlyden. — Pietsmeer verklaarende geeft den Compt: voor redenen van wetenschap als in den tyxt betuijgende het zelve den suyvere waarheyd t zyn. /:onderstond:/ houden als als wanneer overboeden bleek dat voorsz: slaaf dier„ lijk gekastyd was, als zynde door ordre van gem: Bam op twee agten een volgende dagen geslagen geworden, zonder dat vervolgens middelen daarwaren geappliceert om de geneeven van dat schepdel, wier billen en lieden ten eenemaal zodanig bloedritsig ge= slagen waaren, dat en zig geheelen groeven en bevonden waar in volgens de aanwijsing van de /:vermits de Jndis= positie van de tweede opperchirurgijn: derwaarde ge„ „sondens twee Chirurgijns Blesecsky, Spendelin 't konde vuur gekomen zijnde, dien Jongen dus daar die kostyding was komen te overlyden 6n op de goede Hoop ten dagenn Iaare vooren: /Luger:/ mij praesent:/ / getekend/ C L Neethlingn a /:Onderstond:/ Certificeeren wij ondertetekende als onder chirurgijn van s Ed Comp:e Hospitaal alhier, dat op vrydag den 17: deeser, gelast zyn geworden te visitatie van eene mansslaaf„ ten Huijze van Jan Bam, aan den Tygerberg /: dewelke reeds was overleden en begraven) Wij kinden van de slagen aan voorn: Slaaff gegeeven, niet oordeelen of dezelven soude dodelijk Zyn geweest, terwyl het Lighaam der overledene reds Circa drie dagen ten aande besteld was, dus de uytterlyke deelen ten eenemaal spacilus hadde maar wij presumeerden de dood veroorzaakt te zyn door versuim en verwaarloosing van Hulp tot de ge neesing /:onderstond:/ Calio de goede Hoop den 30:' Junij 1785. /: was getekend:/ A: Bliesefki C: L. Spendelin Op ordre van den wel Edele Heer P„r Gabriel Exter, Prointerim fis„ vaal deses gouvernements Accordeert WD Reel gem Clerry

NL-HaNA_1.04.02_4318_0251 view scan ↗

English

Appeared before the Noble and Honorable Council of Justice of this Government the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Daniel van Rijneveld, by virtue of his office Plaintiff in a Criminal Case on the one part, against Scipio of Mauritius, bondsman of the burgher Jan de Villiers, prisoner and defendant in the aforesaid case on the other part. And declared: That the prisoner and defendant, having run away from his master more than two months ago, and finding himself on 4 February last in the vicinity of the farm of the farmer Adriaan van Jaarsveld at the Berg River, met two horse herds there, one being a bastard Hottentot named Anthonij and in the service of the burgher Stephanus Walters, and the other a slave boy of the burgher Paulus van Jaarsveld named Fortuin. That the said Anthonij and Fortuin, having found themselves too weak to be able to catch and overpower the prisoner and defendant, one of them, named Fortuin, upon the advice of the said Anthonij, had gone from there in order to call for help from the slave of the burgher Adriaan van Jaarsveld, named Philip, who was herding his master's cattle not far from them. That the said Philip, having also arrived there, took the prisoner and defendant captive and ordered him to go with him to the farm of his aforementioned master. However, the prisoner and defendant, having gone some distance with the aforesaid Philip, requested of him to be allowed to turn back in order to be able to retrieve from there some goods that he, the prisoner, had left lying in his hiding place. Which request having been granted by the aforesaid Philip, he had immediately returned with the prisoner and defendant to the river or the hiding place of the prisoner and defendant. And no sooner had the prisoner and defendant, with the aforesaid Philip, arrived in the river and out of sight of the aforesaid Anthonij and Fortuin, than he gave the said Philip, with a heavy knobkerrie, five violent blows to the head, and furthermore several to the arm and the calf of the right leg, with the consequence that the said Philip immediately fell to the ground and a short time thereafter came to pass away from this world. As all of this further appears from the answered interrogatories of the prisoner and defendant, also submitted herewith, and a post-mortem report from the Surgeon Saret, together with the further documents, to the contents of which the Plaintiff by virtue of his office takes the liberty, for the sake of brevity, to refer. That now, both the act itself and the perpetrator having been sufficiently proven, and this being corroborated by the prisoner and defendant's own confession, it goes without saying, subject to respectful correction, that the prisoner and defendant has made himself completely guilty of a homicide, and has thereby incurred the punishment enacted against manslaughter by the Lex Cornelia de Sicariis. That although the said law always intends the application of the punishment to be measured according to the mitigating or aggravating circumstances, and the prisoner and defendant has indeed principally alleged in his defense: that the said Philip was carrying on with the prisoner and defendant's so-called wife, the slave woman of his master named Philida, as appears from Article 18 of his answered interrogatories; that he, Philip, coming to the said river, taunted him, the prisoner and defendant, with this, according to Article 22; and upon Article 20, that the said Philip had pushed him, the prisoner, into the water when he was busy drinking in the river; he has thus sought to make it appear as if a justifiable jealousy over the infidelity of his so-called wife, added to a suddenly rising passion over the provocation and physical insult of the said Philip, would have given very much cause thereto. One will therefore have to examine somewhat more closely: Firstly, whether these circumstances can be presumed, with any semblance of truth, to have taken place in this case; Secondly, what one is compelled to advance in aggravation from the entire course of the matter; And finally, thirdly, whether in the whole case anything could also be argued with any mercy in favor of the prisoner and defendant. With regard, then, to the first, may Your Noble Honors be pleased to consider with a little attention the circumstances of the case itself, and Your Noble Honors will very quickly be convinced of the contrary thereof. It was, therefore, not with premeditation, or to do the prisoner any harm, that the aforesaid Philip went to the prisoner and defendant; no, it was upon the denunciation of the slave Fortuin that a runaway slave was situated at the river, whom he and Anthonij did not dare to capture. The conduct of the aforesaid Philip in arresting the prisoner and defendant shows not the slightest animosity in this Philip toward the prisoner: he does not violently attack the prisoner, but tells him kindly to go home with him. He assents to the request of the defendant and returns with him, after having gone some distance, back again in order to have the prisoner properly retrieve his abandoned goods. He goes, acting in good faith, with the prisoner into the river and to the prisoner and defendant's [illegible]

Dutch transcription

A„o 1: Ende deede zeggen 2: dat den gen: en ged: voor nu ruim 2 maanden geleeden van zijnen Lijfhier zijnde gedrost 3: en zig op den 4 februarij tl bevonden hebbende omstreeks de plaats van den Landbouwer Adriaan van Iaarsveld aan de berg rivier 4: aldaar heeft ontmoet 2 paarden wagters zijnde de eene een bastert hollentot Anthonij genaamt en in huur bij den burger Stephanus Walters 5: en d' andere een slaave Iongen van den burger Paulus van Jaarsveld genaamd fortum Scipio van mauritius lijfeijgen vanden burger Jaar de Villiers gen: en ged: in 't voorsz: Cas ter andere zyde op ende jeegens Compareerde voor den Edelen Agtb: Raade van Justitie deezes Gouver„ „nements den Land drost van Stellenbosch en Drakenstein Daniel van Rijneveld Ration officio Eijsscher in Cas Cri„ „mineel ter eenre rte . : Al. 6: Dat deselve Anthonij en fortuin zig te zwak bevonden hebbende om den gen: en ged: te kunnen vangen en overmeesteren eene van hun in naame fortuin op aan„ raading van denselven Anthonij van daar was gegaan omme den niet verre van hun de beesten van zijnen Lijfheer hoedenden slaaf van den burger Adriaan van Iaarsveld in naame Philip tot hulp te roepen dat denselven Philip aldaar meede gekoo„ men zijnde, den gen: en ged: heeft gevangen genoomen en gelast met hem naar de plaats van zijnen voorn:e baas te moeten gaan. — 10: dan dat de gew: en ged: met voorsz: Philip eene end weegs gegaan zijnde aan denselven had verzogt om weederom terug te moogen keeren ten einde eenige goederen welke hij gen: in zyn schuijlplaats had laaten leggen van daar meede te kunnen neemen 11: Welk verzoek door voorsz: Philip geaccordeert geworden zijnde was denselven met den gew: en ged: ook daadelijk na de rivier ofte de schuijl„ „plaats van de gev: en ged: te rug gekeerd. — 12: en zo ras komt den gew: en ged: met voorsz: Philip niet in de rivier en buijten 't gezigt van de voorsz: Anthonij en fortuin of hij geefft gerepten Philip met een suffisante kirrij 5: gewelidige slaagen op 't hoofd voorts eenige op de arm en 't dikke van 't regter been, met dat gevolg. 13. - dat denselven Philip terstond ter aarde gevallen en korten tijd daar na deezer wereld is komen te overlijden gelijk zulx alles nader blijkt uijt de deezen 14 meede overgelegde beantwoorde Interrogatorien van dee gen: en ged: en een brief der Schou„ „wing van den Chirurgijn Saret mitsgd„s de verdere documenten aan welkers in„ houde de r: O: Eysscher de vrijheid neemt zig korthijds halven te refereeren 15: Dat nu zo wel van de daad zelve als van den daader voldoende gebleeken 16: en zulx door de eigene bekentenis van den gev: en ged: gecorroboreert zijnde 17: het ook onder eerbiedige Correctie van zelve spreekt 18: dat de gen: en ged: zig Complaetelijk aan een homicidium heevt schuldig gemaakt. — 19: en daar door heeft geincurreerd de straffe bij de wet Cornelia de Sicarius op den doodtslag gestatueerd. 20: Dat hoe zeer nu deselve wet de applicatie van 1 - - .. N„o 21 van de straff altoas na de verligtende of verzwaarende omstandighoeden wil afgemeesten hebben en de gev: en ged: tot zijn verschooning wel prin„ „cipaal heeft geallegeerd 22: dat denselven Philip het met des gev, en ged: zogenaamde vrouw, de slavinne van zijnen lijfheer Philida genaamd, zoude hebben gehouden, blijkens A„o 18: zijner b'antwoorde vraagpoincten 2:3: dat hij Philip hem gev: en ged: aan deselve rivier koomende daar meede heeft getergt volgens a„o. 22 24: en op A„o 20: dat denselven Philip hem gev: wanneer hij in de rivier beezig was te drinken in 't water gestooten had. — 25: het zo heeft getracht te doen voorkoomen 2 6: als of eene regtmaatige Salousie over de ontrouwigheid van zijne zogenaamde vrouwe 27: gevoegd bij eene schielijk opkoomende drift over de irritatie en daadelijke hoon van denzelven Philip daar toe zeer veel aanleiding zoude hebben gegeeven gehad. — 28: men dierhalven wat naader zal dienen in te zien 29: l=o of dese omstandigheeden met eenige schijn van waarheid kunnen worden geprosumeert bij t geval te hebben plaats gehad 30: 11: wat men uijt den geheelen toedragt der zaake tot verzwaring genoodzaakt is te moeten avanceeren A„o 31. - en eindelijk ten derden of in 't gantsche geval ook met eenige gratie iets ten voordeele van den ged en ged„e zoude kunnen worden geargumenteerd 32: met betrekking dan tot het eerste zo gelieven UWEd Agtb: maat met een weinige attentie de omstandigheeden van 't geval zelve te beschouwen 33. . en UwEd: Agtb: zullen daar uijt zeer ras over dan van tt Contrarie van dien worden overtuigd. 34: het is dan niet geweest met opzet, of om den gen eenig leet te doen dat voorsz: Philip zig na den gen: en ged: begeeven heeft 35: neen het was op de demuinciatie van den Slaaf„ Fortum dat zig namentlijk een gedroste slaaf aan de rivier bevond die hij en Anthonij niet durfde vangen 36. Het gedrag van voorsz: Philip in het arresteeren van den gen: en ged: toond geene de minste animositeit in deesen Philip teegen den ger: hy vald den gen: niet geweldadig aan, maar zegd hem in 't vriendelijke om met hem naar huijs te gaan 38: in 't verzoek van den ged: bewilligt hij en keert met denselven, na een end weegs gegaan te hebben weederom te rug om de gew: zijne agtergelaatene goederen behoorlijk te doen meede neemen 39: hij gaat, in een goet vertrouwen verseerende met de gev„ in de rivier en na des gev„e en ged: — No. 31 te: 37.

NL-HaNA_1.04.02_4318_0254 view scan ↗

English

so-called Hiding Place No 40: and immediately thereafter, being in the river, one hears him saying Anthonij, fortum, help help! as a clear sign that so much time was not remaining for the said Philip in the river — 42: In order still, according to articles 20 and 22 of the prisoner's answered Interrogatories, to shock the prisoner and defendant concerning the unfaithfulness of the female slave Philida, 43: nor to make the prisoner and defendant drink water and then push him into the water further, 44: just as this appears from the prisoner's voluntary Confession to the articles presented to him before the Honorable Commissioners. 45: No, Noble Honorable Gentlemen, the concurrence of the case seems rather to transform the matter in this manner: 46: namely, that the reflection of the prisoner and defendant on his imminent punishment caused him to devise the pretense to the said Philip of having left some goods behind, 47: in order thereby to lure him into the river and along that way to find an opportunity to return to his fugitive state; 48: That he, the prisoner, was by no means provoked by the said Philip, nor thrown into the water, 49: but rather that he, the prisoner, immediately in the river attempted to wrestle free from the hands of the aforesaid Philip. — Article 50: and not being consented thereto by him, immediately resisted with his kerrie and thus must have deprived the said Philip of life; 51: so that the pretense of the prisoner and defendant, which he sought to elicit as a certain cause for this manslaughter, having been destroyed, one shall now in the second place briefly deduce that which therein must be argued to the aggravation of the deed. And then in this regard comes into consideration: 53: — the sinister practice of the prisoner and defendant, namely to pretext a lie whereby he could find opportunity to get alone with the said Philip and into his hiding place; 54: the manner of striking in which, and the weapon with which the prisoner and defendant went to work, having been shown to the Gentlemen Commissioners, operate very strongly to his aggravation; 55: the prisoner does not content himself with only one blow, but repeatedly gives the said Philip various violent blows; 56: by no means with a thin stick or light tool, but with a sufficient kerrie; 57: not on the fleshy and less dangerous parts of the body, 58: but indeed on the most dangerous of all, the Head, and further on the right arm and the right leg. No 59: of which Mr. Moorman, treatise on crimes and their punishments in his 2nd book 1st Chapter there §9 says "wood is also a capable weapon to kill someone, and also included under the designation of the Latin word telum, which is why those must also be punished with the sword who have killed another with a large and heavy wood, just as there are rulings of those who had committed manslaughter with a post or stick, with a threshing flail, with a shepherd's crook, and with a stick or spade." 60: and in §10 very notably lets follow, "concerning a rattan or walking stick there is doubt, and because someone very seldom happens to die from a stick-blow, one would have to judge that he who has killed another with a stick-blow, if his evil intent nowhere appears from anything, is not to be held for a willful killer, especially if it was only a common walking stick; but if the stick was thick and heavy, and the blow inflicted upon the head, a presumption of willful manslaughter would arise from this to the detriment of the striker." 61: And now finally, in the third place, still to consider whether anything can also be argued from the whole case in favor of the prisoner and defendant, Article 62: the Officer of Justice as Plaintiff shall briefly reflect: 63: — that however much throughout the whole course, both before and in the case, the circumstances are very aggravating for the prisoner and defendant, 64: it is nevertheless no less certain 65: that it was a rather imprudent and reckless act on the part of the said Philip, 66: namely, to betake himself into and to a hidden hiding place of a captured slave, 67: without considering that out of fear of his well-deserved punishment, he might well attempt to employ everything to become free again and get out of the hands; 68: That further, the prisoner and defendant cannot so clearly be understood to have engaged in such a malicious and premeditated, murderous intention as is required in a homicidium dolosum, 69: but rather to have committed this manslaughter in an indirect desire to reclaim his former freedom, 70: and to evade his imminent correction as much as possible for a time; 71: the Officer of Justice as Plaintiff is also, under correction, of the opinion 72: that consequently, in punishing the prisoner

Dutch transcription

zogenaamde Schuijlplaats N„o 40: en even daar na in de rivier zijnde hoord men hem zeggen Anthonij, fortum, help help! ten klaaren blijke, dat 'er zooveel tijd voor denselven Philip in de rivier niet is overig geweest — 42 Omme nog volgens a„o 20 in 22: van des gev„e be„ „antwoorde Interrogatorien de gev: en ged: over de ontrouwe vande Slavinne Philida te Chocqueeren 43: nogte den gen: en ged te doen waater drinken en hem dan nog in 't waater te stooten 44: zo als zulx uijt des gen: vrywillige Confessie op de hem voor H: H: Gecommitt:s voorgehou„ „dene articulen komt te consteeren 45: neer Edele Agtb: Heeren de Concurrentie van 't geval schijnt de zaak veel eer in deeser voegen te transformeeren 46: dat namentlijk de overdenking van des gev. en ged. t kort op handen zijnde straffe, hem het voorgeeven aan denselven Philip van eenige goederen agter„ gelaaten te hebben, heeft doen practiseeren 47: omme denselven daar door in de rivier te lokken en langs die weg geleegendheid te vinden om weederom tot zijnen vlugtenden staat te geraaken 48: Dat hij gen: door denselven Philip geenzints getergd nog in 't water gesmeeten is geworden „49: maar wel dat hij gev: terstond in de rivier heeft gepoogd de handen van voorsz: Philip te ontworstelen. — A„o 50: en door denselven daar inne niet bewilligt zijnde zig aanstonds met zijne kirrij te wees gesteld en gem Philip dus van 't leeven beroovd zal hebben 51: zo dat het voorgeeven van den gev: en ged: en welke hij, tot eene zeekere aanleiding van deesen doodslag heeft willen elicieeren gedestrueerd zijnde men als nog in de tweede plaatze kortelijk zal Dedureeren dat geene 't welk daar int tot verzwaring van 't faict diend geargumenteerd te worden En dan komt ten deesen in aanmerking 53: - de Simstre praetijcq van den gev: en ged„e om namentlijk een Leugen te protexteeren, waar door hij geleegentheid konde vinden om met denselven philip alleen en in sijn schuijlhoek te geraaken 54 de manier van Slaan op welke en 't waapen„ „ting waar meede den gev: en ged: is te werk gegaan aan Heeren gecomm„s vertoond zijnde, opereeren zeer sterk tot zijne verzwaring de gen vergenoegd zig niet slegts met eene slag, maar geeft denselven Philip bij herhaaling diffe„ „rente geweldige slaagen geenzints met eene dunne stok of ligte verktuig 56: maar met een suffisante kirrij 57. niet op 't vleeschagtige en min gevaarlijke deelen des Lighaams 58: maats wel op 't allergevaarlijkste, het Hoofd 55 A 50 se: 41: 52 en voorts op de regter arm en het regter been N=o 59: van welke de Heer Moorman, verhandeling over de misdaaden en derzelver straffen in zijn 2: boeks t„e Hoofddeel aldaar §9 zegd „ ook is „hout een bekwaam wapentuig om iemand te bboden „en onder de benaaming van 't Lateinsche woord „ telum meede begreepen, waarom ook de zulke „ met den zwaarde moeten gestraft worden die „ met een groot en zwaar hout een ander hebben „ doodgeslaagen, gelijk daar van gewijsdens „zijn die een doodslag hadden gedaan met „ een paal ofte stok, met een dorschvliegel „ met een Herdersstaf en met een stok off „ spade„ 66: en es 510: zeer notabel oplaat volgen, „ omtrend „ een rotting ofte wandelstok word getwyffelt, en „ dewijl iemand van een stokslag zeer zelden komt „ te sterven, zo zoude men moeten oordeelen „ dat rijs, die een ander met een stokslag „ gedoodt heeft, zo van zijn kwaad op zet „nergen door blijke voor geen moedwillige doodslager zij te houden, voornamentlijk „ zo 't maar een gemeen wandelstok geweest is, maar is de stok dit en zwaar geweest en de slag op 't hoofd toegebracht zo zoude hier uijt ten nadeele vanden slaager een „vermoedern van moedwillige doodslag spruiten. 61: En om nu eindelijk in de derde plaatse nog te betrachten of uit het gantsche geval ook iets ten voordeele van den gen: en ged: kan worden geargumenteerd A„o 62: zal de r: O: Eijsscher kortelijk reflerteeren 63. — dat hoe zeer ook in 't geheele beloop zo voor als in 't geval de omstandigheeden zeer aggraveerende zijn voor den gev: en ged= 64: het egter niet minderzeeker is 65: dat het van denselven Philip is geweest een vrij onvoorzigtig en reukeloos bestaan 66: omme namentlijk zig te begeevenen, in en na een verborgen schuijlhoek van een gevangen slaaf 67, zonder te bedenken, dat die uit vreese voor zijne welverdiende straffe wel alles zoo tragten aan „te wenden om weederom Los en uijt de handen te geraaken Dat voorts de gen: en ged niet zo zier kan worden 68 begreepen geverseerd te hebben in eenen zodanigen dolense en gepramediteerden, moordadige intentie als wel in een homicidium dolasum word gerequirand 69: maar wel deesen doodslag gecommitteerd te hebben in eene indirecte wil om zyne voorige vrijheid te reclameeren en zijne kort op handen zijnde Correctie zo veel mogelijk voor een tijd te ontwijken 71: de r: O: Eijsscher ook /ouder verbeeteringe/ van gevoelen is §2: dat mitsdien in 't straffen van den gev be verte „ „ 70:

NL-HaNA_1.04.02_4318_0256 view scan ↗

English

and the accused, preferring a moderate clemency to the strictest execution of the law. Wherefore and for other reasons, to be alleged if necessary, the Crown prosecutor concluded that the prisoner and accused named in the heading hereof shall, by definitive sentence of Your Honorable Worships, be condemned to be brought to the place where criminal sentences are customarily carried into execution here, and there being delivered to the executioner, shall be punished with the rope at the gallows until death ensues, and furthermore his dead body shall be dragged to the outside place of execution to be hanged there again on the gallows, in order to remain there until it shall be consumed by the air and birds of the sky, with condemnation in the costs and misen of justice, or to such other punishment as Your Honorable Worships in proper justice shall deem appropriate. That the deponent, having been requested on the 3rd of the past month of February of this year by the burgher Adriaan van Jaarsveld to inspect the dead body of a certain slave boy belonging to him, van Jaarsveld, who according to reports was killed by runaways, and which had been found the evening before by the son of the said van Jaarsveld in a shallow pit with water along the Berg River, he, the deponent, went thither to the place where the body lay, and upon performing an examination, discovered externally on the same only a contusion and swelling on the right arm, which according to his thoughts was caused by a blow with a stick. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, the burgher-cadet Fredrik Saret of competent age, who, at the requisition of the Junior Merchant and Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Mr. Daniel van Rijneveld, declared it to be true: was signed: D: Rijneveld. In the margin: Exhibited in court on the [illegible] of March 1785. To the Honorable Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Daniel van Rijneveld. Sir! That the deponent, having wished to lift the head of the said deceased slave to investigate whether any mortal wounds perhaps presented themselves thereon, noticed that the same, notwithstanding the whole body was already stiffened, moved loosely in all directions, so that the deponent could conclude nothing else therefrom than that the cervical vertebrae were fractured; subsequently, having separated the common integuments, he found much black, coagulated, extravasated blood between the skin and muscles of the neck, and furthermore all the external muscles of the cervical vertebrae severely contused; and that furthermore some of the same vertebrae were not only fractured, but even entirely displaced from their position, so that therefrom a violent rupture in the spinal cord must necessarily have ensued, which thus caused a sudden death to the said boy, and as the deponent certainly supposes, by heavy blows inflicted with thick sticks. The deponent lastly testified that three thick short sticks were shown to him, which were found at the place where the dead body of the aforesaid slave had lain, and the deponent, in confirmation of the truth thereof, spoke the solemn words: So help me God Almighty. Since I was requested on the 5th of this month of February 1785 on a commission to the burgher Adriaan van Jaarsveld to inspect a deceased boy belonging to the said van Jaarsveld, who allegedly had been murdered the day before by some runaways, as he also that Thus passed, reviewed, and sworn at the Cape of Good Hope on the 6th of August 1785 before the Honorable Salomon van Echten and Johannes Smuts, members of the Honorable Worshipful Council of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof together with the deponent and me, the secretary. Below: Which I witness. was signed: C. L. Neethling, Secretary.

Dutch transcription

en ged: eene gemodereerde zagtheid voor de Strengste uijtvoering des regts te prafereeren Mits welke en andere reedenen /: is 't nood/ nader te allegeeren, den r: O: Eijssche Concludeerde, dat den gev: en ged: in den hoofde deeses geneed bij definitive vonnisse van Uw Ed: Agtb: zal werden gecondemneert omme gebracht te werden ter plaatze alwaar men alhier ge„ „woon is Crimineele gewijsdens ter Executie te leggen en aldaar aan den scherpregter overgeleevert zijnde zodanig met de koorde aan de galg zal werden gestraft dat 'er de dood na volgt, mitsgd„s desselfs doode Lighaam naar het buijten geregt gesleept om aldaar weederom aan de galge opgehangen te werden, ten einde zo lange te verblijven tot dat door de lugt en voogelen des heemels zal zijn verteerd, met Condemnatie in de kosten en missne van Justitie, ofte tot zodanige andere Straffe als UwEd: Agtb: in goede Iustitie zullen bevinden te behooren Dat den Comp„t op den 3: der Iongstl: maand Februarij deeses Iaars bij den burger Adriaan van Jaarsveld verzogt geworden zynde, omme te bezigtigen het doode Lighaam van zeekeren hem van Jaarsveld toebehoorende slaven Iongen die volgens voorgeeven door Drossers zoude zijn om 't leeven gebracht, en t welk door den zoon van gem: van Iaarsveld des avonds te vooren in een ondiepe kuijl met waater langs de berg rivier gevonden was geworden hij Comp„te zig dan ook derwaards ter plaatze alwaar het Lighaamlag begeeveren en na gedaane schouwing uijtterlijk aan het zelve alleen eene Contusie en zwilling aan de regter arm, dat na zijne ge„ Compareerde voor ons ondergeteekende ge„ Committ„s uit den Ed: Agtb: Raad van Justitie deeses Gouvernements den burgerCaddel fredrik Saret van Competenten ouderdom dewelke ter requisitie vanden onderkoopman en Landdrost van Stellenbosch en Draken„ „stein S„r Daniel van Rijneveld verklaarde hoe waar is /:was geteekend:/ D: Rijneveld. /:in margine:/ Exhibitum in Judicio de Maars 1785. — Javas 1 verte: zij Aan de E E Heer en Drakenstein d „dagten door een slag met een stok veroorzaakt was, ontdekt had. — Dat den Comp:t het Hoofd van gem: om het Leeven geraakte slaaf hebbende willen opligten, om te onderzoeken, of niet mogelijk eenige doodelijke wonden daar aan zig vertoonden ontwaard had, dat hetzelve, niet teegenstaande het geheele Lighaam reeds verslijft was, Los naar alle kanten zig bemeegde, invoegen den Comp„s daar uijt niet anders konde besluijten als dat de wervel peenderen vande hals /:vertebra Colli:/ gefractureerd waaren, vervolgens de algemeene bekleedselen /:inte„ „gumentie Communa:/ gesepareerd hebbende, veel zwart geronnen geëxtravaceerd bloed tusschen de huijt en spieren van de Nek, mitsgd:s de muscu„ „lae Externi der hals wervel beenderen /: vertebree Col„ lif alle sterk gecontuseert bevonden had; en dat nog wijders eenige derzelver wervelbeenderen niet alleen gefractureerd, maar zelfs geheel uit haar plaatse geweeken waaren, zo dat daar uit noodwendig eene geweldige scheuring in het medulla Spinalus heeft moeten volgen, hetwelk dus aan gem: Jongen eene plotzelijke dood heeft veroorzaakt /: en zo hij Comp„t zeeker verondersteld:/ door toegebrachte sterke slaagen met dikke Stokken Betuijgende den Comp„t laatstelijk dat aan hem vertoond zijn drie dikke korte stokken, de heer Daniel van Hyneveld Land= Drost van Stellenbosch Mijn Heer! Nadien ik de 5:e deeses maands februarij 1785 by den burger Adriaan van Iaarsveld op een Commissie verzogt binn om een doodgevondene Jonge van gemelte van Iaarsveld te bezigtigen, welke bij voorgeeven de dag van te vooren van eenige drossers zoude vermoord zijn, gelijk hij ook dien Aldus Gepasseerd, Gerecolleert en beEdigt aan Cabo de goede Hoop den 6 Augustus 1785: voor d' E E: Salomon van Echten en Iohannes Smuts Leeden uijt den E: Agtb: Raad van Iustitie voorm:, die de minute deeses benevens den Comp„t ende mij secretaris meede behoorlijk hebben onderteekend /:lager:/ 'T welk ik getuijge p /:was geteekend:/ C L: Neethting Secret„s dewelke ter plaatze alwaar het dorde Lighaam van voorsz: slaaf geleegen had, gevonden zijn, en sprak den Comp„t ter bevestiging der waarheid van dien de solemneele woorden, so waar„ „lijk helpe mij God Almachtig /:onderstond:/ dewelke

NL-HaNA_1.04.02_4318_0258 view scan ↗

English

the evening before was found dead by a son of the said van Jaarsveld, in a shallow pit with water along the Berg River. Thus I also make known to Your Honour in an official capacity that when I arrived at the place where the dead youth lay, I immediately had him undressed from head to foot, to see whether any wounds or bruises were to be found on his body, but could at first glance notice nothing except a contusion and swelling on his right arm, in all likelihood caused by a blow with a stick, finding further his body entirely thin and without any swelling. But when I lifted his head to see whether he might not be injured in any way on the head, I found that the head was completely loose, so that one could move it loosely in all directions as one pleased, although otherwise the remainder of the body was completely stiff. This made me conclude that the vertebrae of the neck, vertebrae colli, must be fractured. After I had separated the common integuments, integumenta communa, I first found much black, clotted, extravasated blood between the skin and the muscles of the neck, finding further, after separation of the external muscles of the neck vertebrae, vertebrae colli, that they were all heavily contused; then coming upon the vertebrae of the neck, I found that some of the same were not only fractured, but also completely displaced, so that a violent rupture in the spinal cord must have ensued, which indisputably causes a sudden death. And such an event can only occur in a forceful and violent manner, which according to secure presumption occurred through heavy blows with thick sticks, in which connection three thick short sticks were even shown to me, which were found at the place where the dead man had lain. How the further case stands with that youth, the son of Adriaan van Jaarsveld will himself relate orally to Your Honour, and also that two private witnesses were present at the examination. I remain further with tokens of all high esteem. Below stood: Right Honourable Sir; lower: Your Honour's obedient servant; was signed: C. F. Paret. In the margin: Vleesbaai, the 6th of February 1785. Sir, Today, the fourth of this current month of February, in the afternoon at about two o'clock, a youth named Fortuyn came from my father to announce to me that the three of them, namely with the aforementioned youth, another two named Vilip and Antonij, had noticed a youth, namely a deserter, which youth was named Schiebeon, whom they had apprehended to transport home; but the deserter requested to go back to the water to fetch some more goods, whereupon this Vilip and Antonij went back with him. I thereupon, having taken my horse, rode over there; found the little Hottentot Antonij far from the river; asked him where Vilip with the youth was, whereupon he told me that they had gone in there, which place he pointed out to me. I followed their tracks, but not being provided with a firearm, I did not find it advisable to follow further. Hereupon I asked this Hottentot whether he had heard anything further; he told me that he had heard Vilip calling for help, whereupon I started to shout, but received no answer. Hereupon I had two of my brothers called, who, when they had come, went into the river with me, and we followed the tracks far into the bushes, where we found the youth named Vilip lying dead in a pool of water; then we searched there, but found nothing more. This is what I testify to have heard and seen; I have therefore signed it in my own hand. Was signed: Stephanus A. van Jaarsveld. In the margin: the 8th of February 1785. Articles drawn up and delivered to the Honourable Commissioners from the Esteemed and Worshipful Council of Justice of this Government, in order to examine and interrogate, at the requisition of the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Daniel van Ryneveld, the slave Scipio of Mauritius, his answers to be given being required to be noted down in the margin hereof. Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Esteemed and Worshipful Council of Justice of this Government, the aforesaid Scipio, who to the adjacent points of interrogation gave such answers as stand noted next to the same. Article 1. His name, age, and place of birth. States: Scipio of Mauritius, aged by estimation thirty years. Whose bondman he is. States: Isaac de Villiers. For what reasons he ran away and how long ago that was. States: to have run away about a month ago, because his master gave him, the deponent, neither food nor clothes. Article 4. Where he, the deponent, stayed. States: around the Berg River.

Dutch transcription

avond te vooren door een zoon van gemelte van Iaarsveld doot gevonden is, in een ondiepe kuijl met waater langs de bergrivier Zoo maake hier meede aan zijn Ed: Amts halve bekent, als dat toen ik ter plaatze kwam waar de doote Iong lag, ik hem aanstonds van de kop tot de voeten toe liet ontkleeden, om te zien of keen wonden of kneusingen aan zijn Lijf te vinden maar konde in het eerst op het uijtterlijke oog niets gewaar worden, als een Contusie en Zwelling aan zijn regter anm, na alle gedagten door een slag met een stok veroorzaakt, bevindende verders zijn lijf geheel dun en zonder eenige zwelling. maar toen ik hem het Hoofd opligte, om te zien of hij niet te niets aan het hoofd mogte gekwetst zijn, zo bevond ik dat het hoofd geheel los was zo dat men het op alle kanten los konde beweegen zo als men wilte, hoe wel anters het overige gedeelte van het Lighaam geheel stijf was. dit deete mijn besluiten, als dat de wervel beenderen van de hals /:vertebrae Colle :/ moesten gefractureerd zijn, Nadien ik altoos de algemeene bekleedzelen /:integumenta Communa:/ hadde gesepareerd, zo vond ik ten eersten veel zwart geronnen geextra„ „vaseerd bloed tusschen de huijt en Spieren vande Nek, bevindende verters na Separatie van de muschulae Externi der hals wervel beenteren /:vertibri Colli, dat zij alle sterk gecontuseerd waren, vervolgens op de wervel beenderen, van de hals koomende, zo bevond ik dat eenige van Mijn Heer Huijden den vierden deezer Loopende maand februarij namiddag omtrend twee uuren kwam van mijn vader een Ionge genaamt fortuim mij aanzeggen als dat zij met haare drie zijnde, namentlijk met de Ionge voornoemt nog twee genaamt Vilip en Antonij een dezzelve niet alleen gefractureert, maar ook geheel uijt haar plaats geweeken, zo dat 'er een gewel„ dige scheuring in het medulla Spinalis moet er„ „volgt zijn, het geen zonder teegenspreeken een plotzelijke dodd aanbrengt. en kan zulk een geval niet anders als op een kragtige en geweldadige wijze geschieden, het welk na secuure praesumate door sterke slaagen met dikke stokken geschied is, waar bij mij zelfs drie dikke korte stokken getoond zin, die op die plaats waar de doote heeft geleegen gevonden zijn. Hoe het vertere geval met dien Jonge is, zal die zoon van Adriaan van Iaarsveld aan zijn Ed=e zelfs mondelings verhaalen, en ook dat bij visen„ „tatie twee particuliere getuijgen zijn daar bij geweest. Verblijve verters met teeken van alle hoogachting. /:onder stond:/ Wel Edle Heer /:lager:/ UEd„e VW Dienaar /:was geteekend C: F: Paret. /:in margine:/ Vleesbaaij den 6:'e februarij 1785. — dezelve te : Ionge hadde vernoomen namelijk een dissertueer welke jonge genaamt was Schiebeon, dewelke zij hadde gegreepen, om na huijs te transporteeren, dog disserteur verzogt om weer te rug te gaan na het waater om nog eenige goederen, te haalen waarop deese vilip en Antonij met hem weer is meede gegaan, ik hier op mijn paard genoomen hebbende is daar heer gereeden vond de klijne hotten tot Antonij verre van het rivier, vrieg hem waar of vilip met de Ionge was waar op hij mij seide, dat zij daar was ingegaan, welke plaatse hij mij aanwees diver volgde haar voetspoor, maar van geweer niet voorzien zijnde, vont ik niet raadzaam verders te volgen, hier op vroeg ik aan deese Hottentot of hij verders niet vernoomen had zijde hij mij als dat hij vilip om hulp hadde hooren roepen, waar op ik begost te roefden maar kreeg geen antwoord, hier op heb ik twee van broeders laaten roepen welke als zijluij gekoomen was met mij in 't rivier is gegaan en wij hebben de spoor gevolgt tot verre in de struijken alwaar wij de Ionge genaamt vilip dood vont leggen in een plas met waater, doe hebben wij daar gezogt maar niets meer gevonden, dit is het geene ik getuijg gehoort en gezien te hebben hebbe het dierhalven eigenhandig onderteekend /:was geteekend:/. Stephanus A„k van Jaarsveld / in zegt: gedrost te zyn voor mijn een maand, om dat zijn Lijfheer hem ged: geen kost nog kleederen heeft gegeeven zegt: omtrend de bergrivier van zegt: Supio van mauritius oud na gissing dertig Jaaren zegt Isaac de Villiers wiens lijfeigen hij is om welke reedenen hij gen: is gaan opdrossen en hoe lange zulx nu wel geleeden is „ 4 waar hij gen, zig heeft opgehouden Art l 1. zijn gen: naam, ouderdom en geboorte plaats Articulen gedaan maaken ende aan Heeren gecommitt: uijt den E Agtb Raade van Iustitie deeses gouvernements over„ „gegeeven, omme ter requisitie van den Land Drost van Stellenbosch en Drakenstein Daniel en ondervragge van Rijneveld, gehoorde te worden den slaaf Scipio van Mauritius, zullende zijne te geevene antwoorden in margine deezes bekend gesteld. behooren te worden Compareerde voor ons ondergeteekende gecommitt uijt den E: Agtb: Raad van Iustitie deezes gouvernements voorsz Scipco, dewelke op de neevensstaande vraag poincten zodanige antwoorden gegeeven heeft als naast deselve aangeteekend staan. — margine:/ den 8: februarij 1885. margine deese: Ite:

NL-HaNA_1.04.02_4318_0260 view scan ↗

English

Whether he, the named, on the 4th of February last was not at the Berg River. Says yes. And how he obtained food. Says to have received food from the slaves of the ferryman and various slaves, among others from the slave named Fortuin. Whether he, the named, coming out of the river, did not meet a Bastert Hottentot and a slave boy minding the horses. Says yes. How that Bastert and slave boy are named, together with who their masters are. Says not to know the name of the Hottentot, however that the slave boy is named Fortuin, of Jacob de Villiers, says yes. Whether he, the named, spoke with the same horse minders. Says yes. Whether any other runaway slaves were also present there, if so, which ones. Says yes, a certain Batjoe of Jacob de Villiers. Whether the boy Fortuin did not then depart from there. Says Philip remained with him, but Fortuin departed to mind the cattle. Whether he, the named, also knows Philip, slave of Adriaan van Jaarsveld. Says yes. Whether the same Philip did not come to him, the named, with the aforesaid Fortuin. Says yes. Whether the aforementioned Philip took him, the prisoner, captive and said he must go home with him. Says yes. Whether he, the prisoner, went along with him. Says yes. Whether he, the named, and the aforesaid Philip, having gone a distance, did not return back to the river. Says yes. Whether he, the prisoner, among other things did not pretend to the same Philip to have left some goods at the river in his, the prisoner's, hiding place. Says yes. Whether the aforementioned Philip then went thither with him, the named. Says yes. Whether in the meantime any dispute or quarrel also occurred between them. Says yes, about the maid Thilida with whom he, the prisoner, lived as a wife, while Philip had slept with her for some nights, and he, the prisoner, had caught him, the mentioned Philip over that already having waited for him, the prisoner, along the road for some evenings to beat him, the named, up. Whether it was not because the named struck him, Philip, with a knobkerrie. Says that Philip first, while he, the named, was standing at the river to drink, threw him into the water, he, the named, having helped himself out of there, and that he, the named, having given Philip a blow on the head with his, the prisoner's, knobkerrie, he fell against the ground. Whether the same Philip shortly thereafter did not cry out from the river: Fortuin, Anthonij, Help, Help. Says yes. What the reason is that moved him to this striking with the knobkerrie. Says because Philip had provoked him by saying that he had taken his, the named's, wife from him. To show the knobkerrie to the named and to ask whether this is not the same knobkerrie with which he, the named, struck the mentioned Philip. Says yes. How many blows he, the prisoner, inflicted on the aforesaid Philip, and where he struck him the most. Says to have given the boy Philip five blows with the knobkerrie, the fifth blow the right side of the head of that boy was broken to pieces and the blood sprang from it, furthermore some blows on the arm and the thick of the right leg. Whether he, the named, struck the aforesaid Philip in such a manner that he fell down dead to the ground. Says he fell to the ground so that he, the prisoner, thought that he was dead, but that he, Philip, was not yet dead then. Where he, the named, left the dead body. Says to have left the same lying there at the place where he, the named, had inflicted the blows upon him, Philip. Whether he did not throw the same into a waterhole. Says that Philip with his fall to the ground partly landed in the water. Who were present thereat. Says Batjoe. If the prisoner names someone, whether this person or someone else also helped him, the named, in the beating to death of Philip. Says that Batjoe beforehand had indeed given Philip a blow, but had then run away. Whether he, the prisoner, had not already beforehand formed the intention to kill Philip. Says no, but that Philip on up to two occasions, such as once in the wine cellar and once in the grain house, had sought to kill him.

Dutch transcription

zegt: Ia zeekere Batjoe van Jacob de villiers. zegt Ia zegt: den Hotten tot zijn naam niet te weeten egter die zegt La zegt Ia zegt Ia van de slaaven van de pontman kost te hebben gekreegen deeze en geene slaaven, onder andere is en hoedanig hij aan de kost gekomen zegt: Ia zonder den positiven hoe die bastert en slave Iongen genaamt mitsgd„s wie hunne van den slaaf te zijn fortuin. - baasen zijn 9: of hij gen: met deselve paarden wagters heeft gesprooken 10: off den Iongen fortuin zig als toen niet van daar begeeven heeft. off hij gen: ook kend Philip Slaaf van Adriaan van Jaarsveld zegt: Ia: over de meid Thilida waar meede hij gew: als vrouw leefde, terwijl Philip eenige nagten bij deselve geslaapen zegt Sa zegt Ia zegt La off hij gen: uijt de rivier komende net keert ontmoet een basterd hottentot en Slaveren Jong en de zegt Ia paarden oppassende! off zig als toen ook meer drossende slaaven aldaar bevonden hebben, zo Za: welke! zegt Ja. zegt Philip bij hem te zijn gebleeven, dog fortuijn van af gegaan te zijn om de beesten op te passen of hij get. op den 4: februarij Iongstt niet is geweest aande berg rivier 13 of gem: Philip hem gev: heeft gevangen genoomen en gezegt met hem naar huis te moeten gaan 14 of hij gew: met denselven is meede gegaan of hij gen: en voorsz: Philip een end weegs gegaan zijnde niet weederom na de rivier zijn te rug gekeert of hij gew: aan denselven Philip onder anderen niet heeft voorgegee„ ven eenige goederen aan de rivier in zijn gev:e schuijl„ „plaats te hebben laaten leggen. of voorm: Thilp zig als toen met hem gen: derwaards begeeren heeft 18 off tusschen hen inmiddels ook eenige twist of rusie is voor„ „gevallen A„o 12 off denselveren Philip niet met voorsz: fortuijn bij hem gen: is gekoomen. A„o 12. en te dag te weeten. 6 8: 3 „ 17: zegt: dat Philip eerst hem gen: terwijl aan de rivier te drinken zegt: om dat Philip hem getergt had zegt: de Ionge Philip vijf en hij ger: hem geattrapeerd had, gem: Philip daar over reeds eenige aavonden op den weg op hem gew: gepast had om hem gen: af te klopden uijt geholpen, en dat hij gen. Philip een slag op het hoofd met zijn gev: kirreij hebbende gegeeven stond, in het waater had ge„ „worpen, hij gen: zig daar had met te zeggen dat hij zijn gen:e vrouw hem afgenomen Slaagen met de kirrij te hebben gegeeven, de vijffde slag de regter zeide hoe veele slaagen hij gev: voorsz: Philip toegebracht en waar hij denselven meest getroffen heeft wat de reede is die hem tot dit slaan met de kirrij bewogen de gen: de kirrij te vertoonen en af te vraagen of deese niet is deselfde kirrij waar meede hij gen, meerm: Philip heeft geslaagen zegt Batjoe zegt: dat Batjoe wel te voren Philip een klap had gegeeven dog als toen weg„ „geloopen was. zegt: neen, maar dat Philip hem tot twee reisen toe als eens in de mijnkelder en eens in het koornhuijs gezogt had te willen dooden of hij gew: het voorneemen om Philip te dooden net al bevoorens heeft genoomen „ 29 zo den gev: ijmand komt te noemen of deesen of ijmand anders ha gen in 't doodslaan van Philip ook heeft geholpen 27: wie daar bij zijn present geweest of hij 't zelve niet in een kuijl 7 met waater gesmeeten heeft 26: 25 waar hij gen: het doode Lighaam heeft gelaaten A„o 24: of hij gen: voorsz: Philip zodanig geslaagen heeft dat hij dood „ter aarde is needer gevallen. zegt denselve daar ter plaatze te hebben laaten leggen waar hij gen: hem Philip de slaagen toegebracht had. - zegt: dat Philip met zyn val op de aarde gedeeltelijk in 't waater is geraakt zegt: ter aarde gevallen te zijn so dat hij gev: dagt dat hij dood was, dog dat hij philip als toen nog niet dood was. - van 't hoofd van die Ionge in stukken was geraakt en het bloed daar uijt sprong voorts eenige slaagen op de arm en het dikke van de regter been off deselve Philip eeven daar na uijt de rivier niet heeft geroefseen fortuin, Anthonij, Help Help. 20: of het niet is geweest om dat den gen: hem Philip met een kirrij heeft geslaagen van N=o 24. dag verte zegt Ja. denselve teegens den grond was gevallen zegt Ia G. heeft 23: 22 „21 A„o 19 28:

← previousnext →