VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 4324

Cape · 441 pages · 139 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_4324_0237 view scan ↗

English

as appears from the muster rolls and the statement made in that regard by Christiaan Ruur, who was placed on that ship as commanding officer, he having also served as sergeant since his arrival here. Having thus noted this regarding the two principal points, the undersigned shall proceed further to submit to Your High Nobilities his findings regarding the further accusations of bad treatment, withholding of proper victuals, etc. No one other than the Commander and a few soldiers who came forward as witnesses on the principal points complained about the meager supply of food. Yet those same soldiers, having been further questioned on this by the undersigned, all declare fully that they had enough pork and meat, as well as drams and water, but that the bread and the groats were somewhat scarce, as is also testified by some of the ship's crew further heard by the undersigned. However, the Captain and the other officers, also being questioned on this, state that after the storm endured in the Bay of Biscay, some barrels of bread and groats were spoiled; that they had had a disastrous voyage from the beginning, and that it was possible that still more spoiled barrels could be found, for which reason, out of prudence and in order not to suffer a shortage of these articles thereafter, they had supplied as much as was sufficient, and avoided all superfluous consumption thereof. Nor does any person of the ship's crew, outside of the Commander and the aforementioned soldiers, together with the junior merchant Iddekinge and the surveyor van Hasselt, complain about the harsh and brusque treatment by Captain Zwart. Although, High Noble Lords, a declaration delivered upon requisition of the undersigned by the junior merchant Iddekinge in explanation of his petition presented at the Cape, and annexed hereto under Letter E, shows quite clearly that a great deal of animosity prevailed among some to the detriment of Captain Swart, and what base means have been employed to bring about his total ruin. The signing of the paper at the Cape and the public declaration on board by all the ship's crew at a time when they were beyond all fear of the Captain are incontrovertible testimonies of this. And this has furthermore appeared to the undersigned from the declaration made to him by Captain Lieutenant Mulder, Lieutenant van den Bogaart, Second Lieutenant Niels, boatswain Gerrit van Osch, boatswain's mate Hend: Goggel, boatswain's mate Ian Meeuwes, gunner's mate Iaco Pieterse, quartermaster Ian Pieterse, steward Pieter Wordelok, the sailors Frans van Alphen, Ian Bos, and others, who testify with one voice that the treatment of the ship's crew by the Captain was no different from what they, having already been once and several times to the Indies with the Company's ships, have experienced on those vessels; that it is indeed true that on board ship words cannot be measured out as in devout company, but that they did not go to extremes in this regard on board the Zeepaard. The undersigned, considering that he has hereby dealt with what occurred on board the ship during its voyage from Europe to Africa's corner, therefore takes the liberty to submit to the highly wise judgment of Your High Nobilities whether and to what extent the Cape Ministry has done well or ill in removing the Captain from on board the vessel entrusted to his command by the Most Honorable Lords Directors, because the Captain, while still at Texel, had called the deck officers aft into his cabin and made known to them there that they should carefully refrain from all brutal treatment of the crew; Lieutenant Paulus van den Bogaart furthermore declaring that the Captain had spoken with him in private because, in the opinion of the Captain, he had shown a little too much license in maintaining discipline, although he said he was accustomed to this having sailed in the national service, and ordered him to refrain from this in the future, and about this van den Bogaart there were nevertheless no complaints whatsoever.

Dutch transcription

2255 blijkens de Monsterrollen en zet daaromtrend gedeclareerde van den op dat schip als gezag 't hebber geplaatsten Christiaan Ruur hebbende dezelve ook zeedert sijn arrivement alhier als serjeant dienst gedaan dit dan omtrend de twee principalen poincten genoteert hebbende zal donderget: verder overgaan van Uwe hoog Edelheedens te advanceeren, Syne bevinding omtrend den verdere accusatiën van slegte behandeling onttrekking van behoorlijke Victuatie enz Niemand dan den Commandeur en eenige wynige Militairen welke zig als getuigen in de principale poincten hebben voorgedaan zijn klagtig gevallen over het bekrompen verstrek, „king van de kost. dog die zelven militairen nader door den onderget: nader hierop ondervraagt zijnde declareeren alle volmondig dat zij spek en vleesch mitsg: soopjes en water genoeg gehad hadden, maar dat het brood en de gont wat schramper om kwamen, gelijk dit mede getuigt word door eenige des nader door den onderget: gehoorde scheepelingen, Maar de Cap: en verdere officieren mede hierop ondervraagd zijnde geeven op dat na ook word er door geen Mensch van de scheepelingen buiten den Commandeur en de hiervoren gen:e militairen benevens den onder Coopman Iddekinge en den Landmeeter van Hasselt over de nonschen en brusque behandeling van den Cap: zwart geklaagd Schoon Hoog Edele Heeren eene op requisitie van den onderget: doorden ondercoopman Jddekinge tot Explicatie van desselfs aan de Caab gepreesenteert request afgegeeven en hierbij sub L=a E: geannexeert declaratoir niet ondui„ „delijk toond heel veel aan annimositeit 'er leij sommige geheersch heeft ter benadeeling van den Cap:n swart en welke lage middelen men in't werk gesteld heeft ter bewerking syner totale ruin. den doorgestanen storm in de bogt van frankrijk eenige vaten brood en gordt bedorven waren dat men van den beginne af een rampspoedige reize gehad hadden, en dat het mogelijk was, dat 'er nog meer bedorven vaten konden gevonden worden, weshalieen zij voorzigtigheids halven en om daarna geen gebrek aan deze articul te hebben, zo veel hadden verstrekt als voldoende was; en alle overtolligen gebruik hier van veer„ „meiden den 226 Het teekenen van het papier aan de Caap en de opentlijke declaratie aan boord door alle de scheepelingen op een tijd dat zij buiten alle vrees voor den Cap:n waren, zijn hiervan onwaichtbare getuigenissen En is zulx bovendien den ondergeteek: gebleeken uit de declaratie, aan hem gedaan door den Cap:n Lieut: Mulder, den Lieut: van den Bogaart Sous Lieut: Niels bootsman Gerrit Van Osch Schieman, Hend: Goggel bootsmansmaat Ian Meeuwes Constapels maat Iaco Pieterse quartiermeester Ian Pieterse bottelier Pieter wordelok de Mattrosen Frans van Alphen, Ian Bos en anderen welke uit eenen mond getuigen, dat de behandeling van den Cap: omtrend het scheepsvolk. geen andere is geweest dan die zij als reeds eens en meermalen met Comp:s scheepen in Indiën geweest zynde op die kielen hebben ondervonden. dat het wel waar is, dat aan scheeps boord de woorden zo niet kunnen afgemeeten worden als in devoten gezelschappen maar dat men hierin aan boord van 't Zeepaard niet geextravageerd heeft d'onderget: hier mede afgehandeld hou„ „dende het geene aanboord van't schip gedurende desselfs reize uit Europa na Africaas uithoek is voorgevallen, neemd dus de vreiheid aan het hoog wijs oordeel van uwe hoog Edelheedens te submitteeren of en in hoe verre het Caabsche Ministerie wel dan kwalijk gedaan heeft, en het van boordligten van den Cap:n vanden aan hem door de Groot Agtb: Heeren bewindhebberen ter Commando opgedragen bodem ter oorzake dat den Cap:n zelfs nog in Texel zijnde de deks officieren hadden agterop doen komen in desselfs kamer en renl: aldaar te kennen gegeeven dat zij zig zorgvuldig voor alle brutale bejeegeningen vand' Equipagie zoude hebben te menageeren verklarende den Lieut: Paulus van den Bogaart bovensdien, dat den Cap: hem in't particulier hadde onderhouden op dat hij na de opinie van den Eap: zig in het houden der dicipline /:schoon hij zeide hieraan als bij't Land gevaren hebbende gewoon te zijn :/ een wijnig hebben g'emancipeert en gelast van zig in't ver„ „volg hiervoor te wagten, en over deze van den bogaart sijn nochtans hoegenaamd geene klagten gevallen van

NL-HaNA_1.04.02_4324_0239 view scan ↗

English

227 of the complaints received, as well as to what extent the conduct pursued in this matter by the pro-interim Fiscal Ecter ought to be animadverted, and what are the best means to prevent all informalities for the future. And would therefore be able to conclude this his report, had it not also appeared to him in the Cape Missive that the conduct of the Captain on the occasion when Christiaan Stuur was placed in command and he out of command, as well as the behavior of the Lieutenant van den Bogaart, boatswain Gerrit van Osch, and assistant boatswain Hendrik Poggel were taken so seriously, and he finds himself on that account indispensably obliged also to bring this matter to the attention of Your High Noble Honors: that to him, upon the careful reading both of that Missive and of the Resolution, together with the reports of the Commissioners in False Bay and further documents, it has become apparent that after the Ministry there had already on 13 July 1785 resolved, merely on the documents sent over by the same, without any interrogation of the accused or other crew members (which can at least nowhere be presumed), to place the Captain out of command, and for that purpose granted a commission to the Master of Equipage van Gennep and post-holder Brandt, these commissioners on the 16th following caused Captain Swart to come ashore from on board, and disclosed to him their commission and at the same time notified him that they would execute it the following day on board the Zeepaard and place the Commander Christiaan Stuur in command thereof, with the notice (NB:) that he, Captain Zwart, might therefore keep himself withdrawn for that time; that he is said to have answered this notice by saying that notwithstanding he would be present at the execution of the commission. Anyone whose heart is not entirely unfeeling can very easily conceive the emotion which such an announcement must have caused to Captain Zwart: he is not only placed out of command of a vessel that was entrusted to him in the Fatherland, but even deprived of his entire property, and must therefore leave to the care of strangers 228 all those goods which he had on board, and which were purchased by him with the money of his creditors. In this state of mind he writes a letter to the Cape government and complains that, without having been heard, for which he believed a time of fourteen days would have been more than sufficient, he had been condemned; a letter written by a sailor from whom one cannot expect that fluency in writing as from someone who has been raised with the pen, but which nevertheless contains no words that are per se offensive, or at least can be considered as such when they proceed from the pen of a person who has grown up at sea. This letter he wrote on the 16th and kept himself withdrawn the following morning until the commission of presenting Commander Stuur was completed, and then came forward, addressing the crew in these words: "Men, have I ever mistreated you, have I not given you everything that is due to you, and do you know anything further to say against me?" This question was answered unanimously with "No." Some added thereto that they did not want to sail without the Captain. Which latter was even disapproved of by him, Zwart, he having, as often as there was occasion for it, exhorted the crew to be obedient to the orders of the Cape Government and to the Commander appointed by the same; as is to be seen from his report annexed hereto, just as the senior officers, after it had been put to them whether they were inclined and prepared to recognize Commander Stuur as such and to show him proper respect, unanimously answered that they would and also must obey the orders of the Noble Lord Governor and Council, though (NB:) with regret. The Cape Ministers view this conduct pursued by Captain Zwart in by no means a favorable light, and find the same completely contrary to the obedience that he owed to their orders, and that moreover the calling out to the crew for his conduct

Dutch transcription

227 van de ingekomene klagten Als mede hoe verre het in deesen gehouden gedrag van den prointerim Fiscaal Ecter behoord te worden geanimadverteert en welke de beste middelen zijn om alle informa „liteiten voor het toekomende te praevenieeren En zoude dierhalven dit syn berigt kunnen sluiten, was niet aan hem meede in de Caabse Missive voorgekomen, dat het gedrag van den Cap:n bij geleegendheid dat Christiaan stuur in en hij buiten Commando gesteld wierd als mede de Conduites van den Lieut: van den bogaart, bootsman Gerrit van Osch en Lte Schieman Hendrik Poggel zo hoog waren opgenomen en vind zig diendweegen indispen„ „sabel verpligt omme mede des aangaande aan uw E hoog Edelheedens onder het oog ten brengen, dat hem bij de attente lecture zo van die Missive als de Resolutie mitsg:s de rapporten van de Gecommitteerdens in de baaij fals en verdere stukken is gebleeken dat na dat het Ministerie aldaar reeds op den 13: Julij 1785 enkel op de door hetzelve over„ gezondene stukken, zonder eenig verhoor van den beklaagden of andere scheeppelingen /: kunnen Iemand wiens hant niet ten eenemalen gevoelloos is, kan zeer ligt bezeffen, de aandoening welke een diergelijke aankondiging aan den Cap: zwart moet veroorzaakt hebben: hij word niet alleen niet gesteld buiten Commando van een bodem die hem in't Vaderland was aanver„ „trouwd: maar zelfs buiten syne geheele bezitting en moet dus aan de zorg van vreemde overlaten dat die gecomm: den 16 daaraan den Cap: Swart van Boord aan de wal deeden komen, en gaven hem opening hunner Commissie en tevens kennis dat zij die den volgende dag aan boord van 't zeepaard zouden executeeren en den Gezaghebber Christiaan Stuur in Commando van hetzelve te stellen, met aanzegging NB: dat hij Cap:n zwart zig dier, „halven voor dien tijd zoude kunnen geretireert houden dat denzelven deze aanzegging zoude beantwoord hebben met te zeggen dat hij des ongeacht bij 't uitvoeren der Commissie zoude praesent zijn „de zulx ten minsten nergens uit gepresumeert worden:/ besloten had, den Cap: buiten Commando te stellen, en daartoe eene Commissie verleend op den Equipagiemeester van gennepen post, „houder Brandt de alle 228 alle die goederen welke hij aan boord hadde, en welke door hem voor het geld syner Crediteuren gekogt waren. — In deze gemoeds omstandigheeden schrijft hij een brieff aan de Caabse regeering en beklaagd zig, dat zonder verhoort te zijn waartoe hij vermeende dat een tijd van veer„ „thien dagen meer dan sufficient was geweest veroordeelt was; - Eene brieff geschreeven door een Zeeman van wien men niet dat vloeiende in't schrijven kan verwagten als van ijmand welke bij de pen is opgebragt, maar die nogthans geene woorden bevat welke per zo aanstotelijk zijn off ten minsten alzo geconsidereert kunnen worden, wanneer deselve voortkomen uit de pen van een Mensch die bij de zee is groot geworden dezen brieff schreeff hij op den 16 en houd zig den volgenden morgen geretireert tot dat de Commissie der voorstelling van den Gezaghebber Stuur was afgelopen en komt vervolgens te voorschijn, d'Equipagie in dese woorden aanspreekende Mannen heb ik u ooijt mishandelt, heb ik u niet alles gegeeven, wat uwe toekomt en weet gijl: verders iets op mij te zeggen. volkomen aan te lopen tegen de gehoor„ „zaamheid die hij aan derzelver ordre verschuldigt was, en dat bovensdien het toeroepen aan 't scheepsvolk om sijn als te zien uit syn hier bij gevoegd relaas gelijk ook de opperofficieren na dat hun voorgehouden was of zij geneegen en bereid waren, den Gezaghebber Stuur als zo danigten erkennen, en hem behoorlijk respect te bewijzen eenstemmig antwoorden, de ordres van den Edelen Heer gouverneur en Raad te zullen en ook te moeten naarkomen; Schoon NB: met leedweesen. de Caabse Ministers beschouwen dit door den Cap:n Zwart gehouden gedragen in gantsch geen favorabel gedr dagligt, en vinden hetzelve deeze Vraag werd eenparig met Neen beantwoord zommige voegen daarbij niet te willen varen zonder den Cap:n Aan welk laatsten door hem zwart zelfs is gelaakt, hebbende hij zo dikwils daartoe geleegendheid was, het volk daartoe aangemaand om aan de ordres van de Caabse Regeering en den door dezelve gestelde Gezaghebber gehoor„ zaam te zijn: deze gedrag

NL-HaNA_1.04.02_4324_0241 view scan ↗

English

229 conduct, as it were by having it justified according to the tenor of the report, as well as by having a declaration signed by a part of the crew, were matters that not only demonstrated to what outrages he was inclined to drive the ship's company, but also that thereby indeed a principle of mutiny was instilled into the same, not only very presumably by the preparation of minds preceding thereto upon the calling out, during the execution of the commission, whether they had anything to bring against him, the Captain, on those questions, but also subsequently by having the declaration itself signed, as if put into the mouth of the ship's company, that they would not sail with the ship without the command of him, Zwart, and by which actions he, Zwart, had thus sought to forge an opposing faction among the people, just as the above-mentioned letter addressed to this Government is further to be regarded as an effect of the passion to which he had surrendered himself, containing a brusque reproach as if he had already been condemned without being heard, whereas, however, the measures taken by the undersigned demonstrate, etc. While those same Ministers, after having given some reasons that moved them to this, let follow that they had immediately written to the postholder in False Bay to summon Captain Zwart to him and on their behalf to keep him under close arrest under the officer of the detachment of soldiers, etc. Yet, Right Honorable Sirs, when one inspects the missive from the equipage master and postholder Brandt to the Cape government, it is apparent therefrom that the Captain had kept himself retired until those Commissioners had executed the commission assigned to them, and thus did not interrupt the same by calling out whether anyone had anything against him during the execution of the commission; and upon inspection of the same missive, according to the opinion of the undersigned, subject to respectful correction, it will appear that that notification to have to be absent during the execution of the commission was not so positive and commanding, and those Commissioners therefore had no reasons to consider the appearance of Zwart as conflicting with positive orders given to him, and consequently as a violation, because, after making the opening of their charge to Zwart, they had let follow that he would be able to keep himself retired during the presentation of the provisions of the Cape Government of that time, NB. It was therefore left to his choice whether he wished to be present, yes or no; what other interpretation could one possibly give to the words! For had it been the intention of the Cape Ministry not to allow Zwart's presence as long as that commission was on board, then the commissioners acted wrongly in leaving it to the choice of him, Zwart. The report of Zwart, more often cited here, also clearly states that he had no knowledge of the petition signed by some of the ship's company and presented to the aforementioned Commissioners; just as all those of the signatories who were heard by the undersigned declare with one voice that they signed this paper without any inducement or persuasion from the Captain or anyone on his behalf. The undersigned submits the judgment, both regarding this aforementioned premise and regarding the removal from on board and transferring with a detachment of soldiers of Lieutenant Paulus van den Boogaard on account of using some expressions against the commissioners, although he explicitly denies being intoxicated, as well as of the boatswain Gerrit van Osch and quartermaster Hend=k Goggel, for reasons very amply contained in the Cape missive, and placing the first mentioned under arrest for the period of eighteen days with a sentry at the door, and if any disorders occurred thereby, they are to be imputed to their Commissioners, and without any access, and of the two last mentioned in irons on board the Sluijs te Spijk, circumstances stated orally by them to the undersigned, to the most wise and enlightened judgment of Your Right Worships. While the undersigned, hoping hereby to have fulfilled Your Right Worships' revered order, has the honor to call himself with all respect, below stood: Right Honorable, highly Respected Sir and most Noble, Stern Sirs, lower: Your Right Worships' humble and obedient servant, signed: G: C: I: van Massau, in the margin: Batavia, the 28 March 1786. Below stood: Agrees, was signed: D: D: van Haak, first clerk AhHlorak Co Clercq

Dutch transcription

229 gedrag, als het ware door hetzelve te doen justificeeren na den teneur van het rapport zo wel als het doen teekenen eener verklaring door een gedeelte der Equipagie zaken waren die niet alleen aantoonden tot welke buitensporigheeden denzelven wel inclineerden, het scheepsvolk te vervoeren maar dat ook daar door in der daad een beginzel van muitinatie aan het zelvee was ingeboezemd door niet alleen zeer vermoedelijk met de ten dien einde voor afgegane preparatien der gemoederen bij het uitroepen, onder de verrigting der„ Commissie of zijl: iets tegen hem Cap:n inte brengen hadden, op die afvragen maar ook vervolgens door het doen teekenen der verklaring zelve, even als inden mond van't scheeps volk, dat zij met het schip niet wilden mede varen zonder Commando van hem zwart en door welke bedrijven hij zwart dus eenen oposenten aan „hang onder het volk had zoeken te smeden, zo als nog nader voor een uitwerkzel der passie waaraan hij zig overgegeeven had te houden is, de bovengem: aan deze Regeering gerigten brieff behelzende een brusque verwijt als of men hem zonder ver„ hoord te worden reeds veroordeeld had, daar evenwel de maatreegulen die bij de onder get: genomen waren aantoonen enz Terwijl die zelfde Ministers na nog eenige reedenen op gegeeven te hebben welke hun hier toe bewogen laten volgen. dat dadelijk den polthouder in de baaij fals aangeschreeven hadden den Cap:n zwart bij zig te ontbieden en van harentweegen onder den officier van het detachement Militairen te houden in nauw arrest enz: Dan hoog Edele Heeren wanneer men de Missive door den Equipagiemeester en post„ houder brandt aan de Caabse regeering inziet zo is daaruit apert, dat den Cap:n zig hadde geretireert gehouden tot dat die Commissarissen de aan hun opgedragene Commissie hadden g'Executeert, en dus niet deselve door het uitroepen of 'er iemand iels teegen hem hadde, gedurende de verrigting der Commissie g'interrumpeert en zal bij inspectie derselve Missivee volgens d' opinie vanden onderget:/: schoon brusgus onder 230 onder eerbiedige Correctie :/ blijken dat die aanzegging van zig te moeten absenteeren geduurende het verrigten der Commissie niet zo positif en beveelender wijze is geweest en die Commissarissen dus geene reedenen gehad hebben, om het te voorschijn komen van zwart als teegens hem gegeevene positive ordres aanlopende en gevolglijk als een overteeding te doen beschouwen want dezelve hadden na de opening van hunnen last aan zwart gedaan te hebben er op laten volgen, dat hij zig geduurende het het voorhouden van de dispositiven des Caabse Regeering van die tijd NB zoude kunnen Geretireert houden Het wierd dierhalven aan syne keuse gelaten, of hij wilde praesent zijn, Ia dan Neen; - welke andere interpretatiën zal men dog anders aan de woorden zouden kunnen geeven! want was het dintentie van't Caabsche Ministerie geweest, om Zwarts praesentie niet toe te laten, zo lange die Commissie aan boord was, dan hebben de gecomm: qualijk gedaan van het aan de keuse van hem zwart over te laten, Het hier bij meer geciteerde relaas van zwart geeft ook duidelijk op, dat hij geene kennis gehad heeft van het addres, door eenige van 't Scheepsvolk geteekend en gepraesenteerd aan meerm: Gecomm: gelyk ook alle de geene der Teekenaren welke door den onderget gehoord zijn, uit eenen mond verklaren, dat zij zonder eenige inductie of persuatie van den Cap:n of iemand van sijnentweegen dit papier geteekend hebben. submitteerende den onderget: het jugement zo over dit hiervoren geposeerde als van het van boord ralen en met een Commando soldaten overbrengen van den Lieut: Paulus van den Boogaard weegens het beezigen van eenige expressiën teegens de gecomm: schoon hij wel expresselijk negeert beschonken te zijn, als mede van den bootsman Gerrit van Osch en Schieman Hend=k Goggel, om reedenen zeer ampel in de Caabse Missive vervat, en het in arrest zetten van eerst gem: voor den tijd van agthien dagen met een schildwagt voor de deur en en zyn er dan eenige desondres daar door voorgevallen, zo zijn die aan hun Gecomm: ten imputeeren en zonder zonder eenig acces en vande twee laatstgem: in de boeijen aan boord van't sluijs te spijk /:omstandigheeden door hen L: aan den onderges: mondeling op gegeeven:/ aan het hoog wijze en verligt oordeel uwer hoog Edelheedens Terwijl hij onderget: verhopende hier mede aan Uwer hoog Edelheedens gevenereerde ordre voldaan te hebben d' Eere heeft zig met alle respect te noemen. /:onderstond:/ hoog Edele groot Agtb: Heere en wel Edele Gestr Heeren /:lager:/ Uw Hoog Edelens onderdanige en gehoorzamen dienaar /:get:/ G: C: I: van Massau /:in margine/ Batavia den 28 Maart 1786. /:onderstond:/ Accordeert /:was get:/ D: D: van Haak E: g:k AhHlorak Co Clercq

NL-HaNA_1.04.02_4324_0244 view scan ↗

English

231 The undersigned was removed from his ship 'T Zeepaard at the Cape by the administration there and sent on to batavia on the ship de Paarl on accusations that he had gone too far in the punishment of the crew and had practiced cruelties. All occurrences that took place on that vessel could impossibly have given rise to those accusations, other than through the omission of true circumstances or the addition of false ones, and this misrepresentation of the matter and said accusations must certainly have taken place to a very high degree, because they were able at the first instance to cause enlightened Ministers to make a decision for the aforementioned removal and sending away. The undersigned therefore presumes, not without reason, that it will be difficult for anyone who did not witness the events themselves to untangle the truth in this matter from the added false appearance and to bring the same, as a collection of circumstances belonging together, to its entirety. Consequently, in order to facilitate this investigation and the judgment of his case depending thereon, of which he eagerly awaits the restoration of his good Name and his command of his ship, the undersigned found it useful to provide an account of said occurrences at sea, a few arrests excepted, just as they occurred. Report made by Captain Hendrik Zwart concerning the punishments practiced by him and his further conduct during his command of the ship Zeepaard. No 4 232 The first corporal punishment was inflicted on 8 February 1785 on four sailors who were found absent during a heavy storm while the standing rigging was in danger of breaking, the upper works had parted, the water poured between decks through the deadlights during the violent rolling so that sea chests floated there, and the crew, having become disheartened by pumping and baling, already made themselves heard saying that pumping and baling could no longer help here, but that they would have to drown. To which danger was added that everything possible had to be done to stay out of the Bay of Biscay and not become embayed there. Under these circumstances, the undersigned deemed it necessary, both to give the ship somewhat more support and to keep the ship head to sea, to make some change in the sails, but could get hold of no experienced sailors who could perform the work, of which the aforementioned four, in whom the greatest trust had been placed, had to be searched for between decks with lanterns, so that a considerable amount of time elapsed before said necessary change could be carried out, and in the meantime the opportunity for an irreparable loss of ship, cargo, and all souls could have slipped away. Such a dereliction of duty in an apparent danger and of such a nature that the ship and everything with it was put in peril thereby could not in the beginning of the voyage be left unpunished, and they were thus punished by being tied to a cannon and made to receive a number of lashes, whereas according to the Ordinances the forfeiture of life, and according to the Articles of War running the yardarm and a flogging before the capstan are stipulated for this. The aforementioned ill-disposed men were consequently indeed punished, yet with a lesser punishment than that stipulated by law, and thus not severely and even less so cruelly. And although it is true that one of them, named Martin Axir, died on 15 February, or on the seventh day after receiving said punishments, it can nevertheless not be said for that reason that any excess or cruelty took place regarding him, for he had earned as many lashes and received no more than the other three, who were not even disabled from it and are still alive, while it also appears from the declaration of the chief surgeon that the death of said Axir was caused by fits. The second case occurred on 9 February 1785, when the quartermaster Hendrik Scheffer was corporally punished for his conduct in the aforementioned storm: The same, being required to make a report concerning the pump, said that there was no water in it, although upon closer examination so much was found that the entire sounding rod was not long enough to sound it, after which he was not ashamed, moreover, to be insolent toward the officer of the watch and not

Dutch transcription

231 De onderget: is aan de baat door het ministerie aldaar van syn schip 'T Zeepaard geligt en met het schip de Paarl naar batavia opgezonden op beschuldigingen dat hij in't shaffen van het volk was te verregegaan, en wreedheeden had geoessend. Alle voorvallen die op dien bodem zijn gebeurd zouden onmogelijk tot die beschuldiginge hebben kunnen aanleiding geeven, anders dan door omissie van ware omstandigheeden of bij „voeging van valsche en deese ontstelling van de zaak moet en ged: beschuldigingen gewis tot een zeer hoge graadplaats gehad hebben, om dat dezelve al ten eersten bij verligting Ministers een besluit tot de voorm: ligting en opzending hebben kunnen veroorzaken. De onderget: ondersteld dus niet zonder grond dat het aan elk die de gevallen niet zelfs heeft bijgewoond, zwaar zal vallen om de waarheid in dezen uit den bijgevoegden valschen schijn te ontzwagtelen en dezelve een verzameling van de bij elkanderen horende omstandigheeden tot haar geheel te brengen. Mits dien heeft dezelve tot faciliteering van dit onderzoek en het daarvan afhangend oordeel over sijne zaak /:waarvan hij de herstelling in sijn goede Naam en op sijn schip reikhalzend is verwagtend dienstig gevonden van ged: voorvallen ter zee Hendrik Zwart aangaande de straffen door hem geoessend en syn verder gedrag gedurend het door hem gevoerd Commando op 't schip Zeepaard Relaas gedaan door den Cap:n . enkelde No 4 232 enkelde arresten uitgezondert een vertaal te doen zo als dezelve zijn geschied de eerste Lyfstrasfe wierd geoesfend op den 8 febr: 1785. aan vier mattrosen die absent„ bevonden wierden, in een zware storm terwijl het staande Tuig ingevaar was van te breeken, het bovenschip het uit elkanderen was geweeken, het water tusschen deks door de Lijfraden bij het geweldig overhalen instroomde zo dat afkisten aldaar dreeven en het volk door pompen en balien moedeloos geworden zijnde zig reeds liet horen pompen en baliën hier meer te kunnen helpen maar toe te zullen moeten verdrinken Bij welk gevaar nog kaam dat men alles wat mogelijk was moeste doen, om uit den Bogt van Frankrijk te blijven en daar niet bezet teraken. In deze omstandigheeden oordeelde de onderget: nodig, zo om aan het schip eenige meerdere steun te geeven, als om de loep te kippen en't schip met de kop in zeete houden eenige verandering inde zeilen te maken, dog kon geen bevare mattrosen magtig worden die het werk verrigte den waarvan de gem: vier daar men het meeste vertrouwen op had gesteld met Lantaarnen tusschen deks moesten op ge„ „zogt worden, zo dat 'er een geruimen tijd ver„ „liep eer ged: nodige verandering korten uitvoer gebragt worden, en intusschen de geleegendheid tot een onherstelbaar verlies van schip goed en alle zielen had kunnen voorbij gaan. — zulk een onttrekking van den dienst in een baar blijkelijk gevaar en van dien aart dat daar door het schip en alles met hetzelve in perijkel was gesteld kon in't begin van de reizen Het tweede geval gebeurde op den 9 febr: 1785 Wanneer de quantiermeester Hendrik Scheffer aan den Lyve gestraft wierd over Aangedrag in den voorm: Storm: Dezelve nopens de pomp moetende rapport doen, zeide, dat geen water bij deselve was, schoon bij nader onderzoek, zo veel gevon„ „den wierd dat de geheele pijlstok niet lang genoeg was, om hetzelve te peilen, waarna hij zig niet ontzag nog daar en boventeegen den wagthebbenden officier te brutaliseeren en zulx niet ongestraft gelaten worden, en wierd dus gestreft met het vastbinden op een Canon en her doen ontfangen van een partij slagen, terwijl bij de Placcaten de verbeurten van het Lijf en bij den Art: brieff het vande Rhalopen en een bilslag voor 't spil daarop gesteld zijn. — de gem: kwaadwilligers wierden gevolg, „lijk welgestraft dog met een mindere dan de bij de wet bepaalde Straff en dus niet gestreng en nog minder wreed. En schoon het waar is dat een van dezelve genaamd Martin Asir den 15 febr: of op den seevenden dag na het ontfangen van ged: straffen is overleeden zo kan echter daarom niet gezegt worden dat omtrend hem eenige buiten sporigheid off wreedheid heeft plaats gehad, want hij had zo veel slagen verdiend en niet meer ontfangen dan de overige drie die daarvan niet eens impotent geweest en nog in't leeven zijn terwijl ook uit den declaratoir vanden oppermeester blijkt dat de dood van ged: Axir is veroorzaakt door toevallen. niet

NL-HaNA_1.04.02_4324_0246 view scan ↗

English

233 in the aforementioned dire circumstances where, on account of the poor condition of the ship, the despondency of the crew, and the danger of becoming embayed, one had one's hands full on all sides, and thus the further investigation that had been conducted could easily have been neglected, leading to an irreparable consequence. Thus his crime was also of the same nature as that of the aforementioned four Sailors, and he had therefore deserved with them at least an equal punishment, and even, because he was a petty officer, a heavier one, as was also awarded to him by the ship's council: a demotion to ordinary sailor with Neegen gulden. He has therefore also been punished below the law and even with mitigation of the sentence once passed, thus also not severely and even less cruelly! The third case occurred on 30 Ap:l 1785, when a beating was given to a soldier because, according to the report of the Head Surgeon, he had struck a Young Sailor on the head with the edge of a scrubbing brush, causing a wound three fingers wide. Anyone who has ever been on an outward-bound ship must notoriously have observed the animosity that always exists between the sailors and soldiers, and will thus easily be able to conceive what dangerous consequences quarrels between both can bring in their wake if they were not countered with earnestness and self-revenge prevented, especially on a ship where the soldiers number 152 and the seafarers 172 heads, so that the former, if one discounts the boys, were easily as strong as the latter. The aforementioned incident had stirred up the attention of all seafarers and soldiers on board, and one could presume much partiality in both; therefore, the one who was most evidently in the wrong had to be punished, and this was the soldier, who, as appeared upon investigation, in the presence of the officer of the watch on the forecastle, over a slight insult to which he himself had even given rise, had in that aforementioned extreme manner been his own judge. The soldier was thus punished by two Corporals; but after they had given some strokes, the Commander of the soldiers dared to order the said Corporals to strike no more, and thus the undersigned, lest he acknowledge the said Commander with all the soldiers as independent of him in front of all the crew, was compelled to place the Commander under arrest and to oblige the Corporals to carry out his orders by giving the said soldier some more strokes, so that the said Soldier was punished indeed for the prevention of mischief, but not unjustly, and even less pitiably, for having received the strokes at half past four o'clock, he came to drink his dram at five o'clock and went at six o'clock to perform his duty on the forecastle, notwithstanding that the Commander had wished that he should remain incapacitated, the second surgeon, who was ordered by the undersigned to examine his back, having declared that immediately after the execution virtually no sign of it was to be seen thereon. 234 these are all the instances of corporal punishments administered, and I may reasonably expect that every impartial person will have to acknowledge that therein I proceeded not improperly, but as required, and not with severity, but with leniency. I therefore also had no need to shrink from showing myself before the crew, but was not only present when the resolution of the Cape Government to remove me from the ship was read out on board, since this was not forbidden to me, but left to my choice, but also, after the completion of that reading, asked the crew what reason they had to complain of disorders and ill treatment by me; which question, had those in the waist had anything against me, now that the command had been taken from me, would certainly not have failed to bring down upon me all the reproaches that remained in memory, but in this case was answered with an assurance that they had nothing against me, and that they regretted losing me, although this latter declaration was framed by some with the blunt words that they did not want to sail without me, which excess has since been acknowledged by the crew itself and, as often as I have had opportunity, has been deplored by me, with an admonition to be obedient to the orders of the Cape Government and the Commander appointed by the same. From this, as well as from a declaration drawn up, signed, and delivered to the Master Attendant van Gennep without my intervention or knowledge after the command had already been taken from me, it having appeared that the crew had not complained against me, and it being also declared by the joint Naval Officers that it was not they who had accused me, I do not know who, besides the Commander of the Soldiers, could otherwise have given adverse testimony against me, other than the Junior Merchant and Land Surveyor, concerning which three persons it must be taken into consideration at first sight that they cannot be experienced in what ought to occur at sea, and that they are therefore by no means those from whom one can expect a fair judgment regarding my actions, although I will otherwise readily admit that I may have given them privately some reasons for displeasure through my retired way of life, to the extent that I did not permit myself during the entire Voyage to drink a single extra glass of wine or otherwise to sleep in fair weather, to which the disasters encountered immediately at the beginning of my voyage gave reason, along with other circumstances which I shall prefer to pass over in silence. /:below was written:/ Agreed /:was signed:/ D D: van Zaak E: gk. Agreed /:below was written:/ Batavia, 3 October 1785 /:was signed:/ N=r Zwart.

Dutch transcription

233 in de voorsz: nare omstandigheeden daarmen weegens de slegte gesteldheid vant schip de moedeloosheid van het volkent gevaar van bezet te raken alle randen vold had, en dus het gedaan nader onderzoek tot een onherstelbaar gevolg ligtelijk had kunnen nagelaten worden. Dirs was sijn misdrijf mede van dien aant als dat voorafgem vief Mattrosen en hij had dus met hen ten minsten een gelijke en zelfs om dat hij een onder officier was, een meer, „dere straffe verdiend. gelijk hem dan ook door den scheeps raad toegekend was, een deportement tot mattroos met Neegen gulden Hij is derhalven mede gestraft beneeden de wet en zelfs met verzagting van het eens gestreeken vonnis dus ook niet gestreng en nog minder wreed! Het derde geval kwam voor den 30 Ap:l 1785 wanneer aan een zoldaat een pak wierd gegeeven, om dat hij volgens rapport van den Oppermeester aan een Iong Mattroos met de kant van een schuijer een gat in't hoofd had geslagen, dat drie vingers breea was. — Elk die ooit op een uitkomend schip is geweest moet notoir aangemerkt hebben de animositeit die 'er altoos is tusschen de mattrosen en zoldaten en zal dus ligtelyk kunnen nagaan hoe gevaarlijke gevolgen, de querellen tusschen beiden konnen na zig sleepen indien die niet met ernst wierden teegengegaan en het zelfs rereeken belet vooral op een schip daar de soldaten 152 en de zeevarende 172 koppen uitmaken, dus de eerstgem: als men de jongens afreekend ruim zo sterk waren als de laatst gem. Het voorm: geval had de optellendheid van alle zeevarende en zoldaten aan boord gaande ge„ „maakt en men mogin beide veel partijdigheid on„ „derstellen, dus moet de geene gestraft worden die het blijkbaarste ongelijk had, en dit was de zoldaat die zo als bij onderzoek bleek in het bijweesen van de wagthebbende officier op de bak over eene geringe beleediging waartoe hij zelfs had aanleiding gegeeven op die voorafgem: verregaande wijze sijneigen regter was geweest„ De zoldaat wierd dus gestraft door twee Corporaals dog na dat deze eenige slagen gegeeven hadden, onderstond de Commandeurn van de soldaten aan ged: Corporaals t' ordonneeren niet meer te slaan, en dus was de onderges: wilde, hij niet voor al het volk ged: Commandeur met sal de zoldaten voor onafhankelijk van hem en kennen, genoodzaakt den Commandeur in arrest te zetten en de Corporaals te noodzaken dat zij sijne ordres uitvoerden, met aan ged: soldaat nog eenige slagen te geeven zo dat de gem: Soldaat wel tot voorko„ „ming van onheilen, maar niet onrechtvaardig is gestraft en nog minder meedelijk want te„ half vijf uuren de slagen ontfangen hebbende kwam hij ten vijf uuren sijn Loopje drinken en gingten ses uuren sijn dienst op de bak verrigten niet teegenstaande den Commandeur gewild had, dat hij zou impotent blijven hebbende de ondermeester die door den onderget. gelast was syn rug te visiteeren verklaard, dat daarop ten eersten nade Executie genoegzaam geen teeken daarvan te zien was- ruim 234 dit zijn alle voorvallen van geoeffende Lyfstraffen, en ik mag billijk verwagten, dat elk onpartijdige zal moeten bekennen, dat ik daarin, niet onbehoorlijk maar na vereisch en niet nagestrengheid, maar met zagtheid heb te werk gegaan ik heb derhalven ook niet behoeven te schromen mij voor't volk te vertonen, maar ben niet alleen praesent geweest toen het besluit der Caabsche Regeering om mij van't schip te ligten aan boord wierd voorgeleesen vermits mij dit niet verboden, maar in mijnen keuse gelaten was, maar heb ook na het vol„ „brengen dier Lecture aan het volk gevraagd wat reeden het had voor disordres en kwade behandeling van mij te klagen, welke vrage„ had men in de Kuil iets teegen mijnen lasten zeekerlijk nu mij het Commando ontnomen was niet zoude gemanqueert hebben mij alle ver„ wijtingen die 'er in geheugen waren op den hals te halen, maar in dit geval beantwoord wierd met een betuiging dat men niets teegen mij had, en dat men mij ongaarne misten schoon deze laatste verklaring door zommigen bekleed is, met de lompe woorden, dat men zonder mij niet wilde varen, wanneer de buitensporigheid zeedert door het volk zelfs is erkend en zo dikwils ik daartoe geleegend, heid heb gehad, door mij is gelaakt, met aan„ „maning om aan de ordres der Caabse Regeering en den door dezelve gestelde Gezaghebber te gehoorzaam te zijn. — Hier uit zo wel als uit eene buiten mijn toedoen off mede weeten nadat mij het Commando /:onderstond:/ Accordeert /:was get:/ D D: van Zaak E: gk. Accordeert reeds ontnomen was, gemaakte, geteekende en aan den Equipagiemeester van gennep ter hand gestelde verklaring gebleeken zijnde, dat het volk mij niet verklaagd had, en teffens door de ge„ zamentlijke Zee officieren ook verklaard zijnde, dat zij het niet waren die mij beschuldigd hadden zo tweet ik niet wie buiten den Commandeur der Soldaten mij anders een nadeelig getuigeni kan hebben gegeeven, dan de onderkoopman en Landmeeter, omtrend welke drie perzonen in den eersten opslag moet in Consideratie genamen komen dat ze niet ervaren kunnen zijn van het geen op zee behoord te geschieden en dat zij dus ook geenzints de geenen zijn van welke men een regtmatig oordeel kan verwagten over mijnen handelingen, schoon ik anders wel wil toestaan dat ik hen in hun privé eenige reedenen tot ongenoegen kan hebben gegeeven, door mijne geretireerde leevenswijze, tot zo verre ik mij mij niet veroorloofd geduurend de geheele Heize een enkeld glas wijn Extra ordinair te drinken of anders aan bij mooij weer te slapen, waartoe de aanstonds in het begin mijner reize ontmoette desasters, hebben reeden gegeeven, met andere omstandigheeden, die ik liever zal verzuijgen /:onderstond:/ Batavia den 3 October 1785 /:was get:/ N=r Zwart. reeds HAlorak e En Cleveq ƒ

NL-HaNA_1.04.02_4324_0248 view scan ↗

English

235 I, the undersigned, B: I: Engelbert, as chief surgeon in the service of the Honourable East India Company, having arrived with the ship 'T Zeepaard, declare upon the requisition of Mr G: C: J: van Massau, Water Fiscal and Advocate Fiscal pro interim of the Indies, that when we departed from Plymouth with the said vessel, and had been at sea for some days, a severe storm overtook us; after the end of which some sailors and other persons, the same Marten Axel, were called to the quarterdeck and there bound to a cannon and punished; that I, the undersigned, was present at the said execution, and when the said Marten Axel—being the same who died seven or eight days thereafter—was beaten; and when, in my opinion, he could not endure many more blows, I pulled the Captain from behind or from the side by the coat, with the intention of thereby indicating that the beating ought to stop. And that the Captain thereafter still had some blows administered, and thereafter ceased the execution of the punishment upon the repeatedly mentioned sailor Marten Axel. Being ready at all times to confirm this my statement by oath. Beneath was written: Batavia, the 25th of March 1786. Signed: B: I: Engelbert. Beneath was written: Agrees. Was signed: D: D: Van der Zaak, sworn clerk. Agrees. AFlbreek Egllerg 236 I, the undersigned, A: W: C: van Iddekinge, junior merchant in the service of the Honourable Company, declare, having been summoned by the Water Fiscal and Advocate Fiscal pro interim of the Indies, Mr Gerlag Cornelis Johannes van Massau, as qualified by resolution of their High Excellencies the High Government of these Lands dated 26 September 1785 for the examination concerning the documents charged against Hendrik Zwart as Captain, having arrived with the ship 'T Zeepaard and sent hither from that corner by the Cape Administration with the ship De Paarl, to give explanation of the contents of a certain petition presented by me to the Right Honourable Lord Governor of the Cape of Good Hope, that the unpleasantries mentioned in my petition consisted mainly in this: that the Captain, Captain-Lieutenant, and doctor took me as a subject of mockery, concerning which I, the undersigned, also spoke to the Captain during the voyage, and settled it amicably with him; that, nevertheless, the conversation of him, the Captain, and the other officers was not as friendly and harmonious as one would wish in such close living quarters; it being impossible to specify the trivialities that caused those unpleasantries, as no real hostilities occurred; that for the rest, the undersigned, having been brought up and having conversed only among civilized, well-bred people, was repeatedly struck by the expressions which he later found to be more or less peculiar to seamen, and which he certainly believed would have discouraged anyone who had received an education like his. No 4 237 That concerning the detection of that displeasure, I know nothing particular to state, other than that occasionally, when there was something to be done at the helm, I heard the crew complain that they could not manage. The undersigned not having intended, by the use of the words that the dissatisfaction was increasing, that the crew as a whole was more displeased than before, but only that the alienation between the soldiers and sailors, on account of a punishment applied to one of the former, became greater than it had been before, and wishing it to be relative only to this. That the better coexistence which the undersigned hoped to have on another vessel prompted him to request the Lord Governor of the Cape of Good Hope to have him transferred to another ship. That this request, made orally, having to be put in writing by order of the aforesaid Lord Governor, haste caused some unmeasured expressions to flow from the pen, which the undersigned later wished he had never committed to paper, and that he was especially urged to this by the strong intrigues and instigations of the surveyor Van Hasselt, who bore the Captain no goodwill at all. That concerning the agitation of minds against the Captain, which among other things is mentioned in my petition, and from which the most disadvantageous consequences were drawn by me there, I know nothing else or more particular to state than that such came to my ears through rumours at the Cape. I, the undersigned, not having had the slightest intention to bring accusations against Captain Zwart, but only to find some compelling reasons to be transferred. I being furthermore able to testify with a clear conscience that I would never have signed or presented such a paper had I been able to foresee that it would serve as a public instrument. Beneath was written: Batavia, the 20th of October 1785. Was signed: A: W: C: van Iddekinge. Beneath was written: Agrees. Was signed: D: D: van der Zaak, sworn clerk. Inventory of documents drawn up and delivered to the Honourable Respected Lord Pieter Backer, President, and other Members of the Honourable Respected Council of Justice of this Government, by the Junior Merchant and Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Daniel van Ryneveld, ratione officii, Prosecutor in a Criminal Case, of the one part, against The Field-Sergeant Jacobus Fourie, together with the burghers Louis Fourie, Coenraad Johannes Groenewald, Burgert van Dijk, Mattheus Guillaume Marais, and Christoffel Groenewald, Lucas Marthinus, Margaretha Radyn, widow of the late burgher Wessel Wessels, of the other part. Inventory marked with the letter A.

Dutch transcription

235 Verklare ik: onderget: / B: I: Engelbert als op „permeester in dienst der EO: sComp: met het schip T Zeepaard uitgekomen ter requisitie van den Heer M:r G: C: J: van Massau water Fiscaal en pro interim advocaat Fiscaal van India dat wanneer wij met gem: bodem uit Palmoukh vertrokken, en eenige dagen in zee geweest waren, ons een zwaren starm heeft over„ „vallen na het eindigen van deselve eenige mattro„ „sen en andere deselve Marten Axel op 't halve dek geroepen en aldaar op een stuk gebonden en afgestraft, dat ik onderget: bij gem: Executie praesent geweest en toen den ged: Marten Axcel zijnde deselve welke zeeven of dagen daarna /is overleeden / geslagen wierd; en deselve na mijne opinie niet veel meer slagen konde verdragen ik den Cap:n van agteren of ter zijde bij de rok getrokken hebben, met intentie om hier mede te kennen te geeven dat men met slaan moest En dat de Cap: daarna nog eenige slagen heeft laten geeven, en daarna de straf=oeffening gestaakt aan meerm: mattroos Marten Akel Bereid zijnde deze mijne verklaring ten allen tijde met Eede te bevestigen /:onderstond:/ Batavia den 25 Maart 1786 /:geteekend:/ B: I: Engelbert. /:onderstond:/ Accordeert /:was get:/ D: D: Van de zaak E: g: H. Accordeert AFlbreek Egllerg ophouden. 236 Verklare ik onderget: A WC: van Idaekinge ondercoopman in dien ik der E Comp: gerequireert zijnde door den water Fiscaal en pro interim advocaat Fiscaal van Indie M:r Gerlag 1 Cornelis Iohannes van Massau als bij resolutie van hunne hoog Edelheedens de Hoge Regeering dezer Landen in dato 26 sept: 1785 gequalifficeert ter Examinatie ten Lasten van den stukken ten lasten van Hendrik Zwart als Cap: met het schip 'T Zeepaard uitgekomen en door het Caalse Ministerie met het schip de paaren van dien uithoek na herwaards opgezonden om te geeven explicatie van de contenue van zeeker door mij dan wel Ed: gestr: Heer Gouverneur van Cabo de goede Hoop gepraesenteerde request dat de bij mijn request gerepte onaangenaamheden hierin vooral hebben bestaan, dat den Cap:n Cap:n Lieub„ en doctor mij tot een sujet van rallerie namen, waaromtrend ik onderget: den Cap: ook gedurende de reize heb aangesproken, en hetzelve met hem en der minnen heb afgehandeld, dat dat des niet, teegenstaande de Convensatie van hem Cap: ende verdere officieren niet zo vriendelijk en harmonien geweest is, als men in een zo beknopte zamen, „woning zouden wenschen zijnde het niet mogelijk de klijnigheeden welke die onaangenaamheeden causeerden te specifiseeren, wijl 'er geen reabiliteite zijn voorgevallen dat voor het overige den onderget: als niet dan onder beschaafde welleeende Lieden grootgebragt en geconverseert hebbende telkens gefrappeerd geweest over de uitdrukkingen welke hij nader hand bevonden heeft dat aan het Zeelen en min of meer eigen zijn, dan wel hij zeeker vermeende van eene educatie als de sijne gexoccisseert hebben zouden mismoedig gemaakt hebben. N:o 4 237 Dat omtrend die bespeuring van het mis„ „noegen iets particuliers weet op tegeeven, anders dan dat wel eens bij geleegendheid dat 'er iets aan 't Roer te doen was, gehoord heb dat het volk zig beklaagde dat niet voldoen konden. Hebbende den ondergez: niet bedoeld met het gebruik der woorden dat die onvergenoegdheid toenam, dat de Equipagie over het geheel mis„ „noegder was dan te voren, maar alleen dat de verwijdering tusschen de militairen en mattrosen ter oorzake van eene straffe aan een der eersten geappliceert, groter wierd dan die te voren geweest was, en het hiertoe ook alleen willen relatif dat de beetere zamenleeving welke den onderget: verhoopten op eene andere bodem te zullen hebben, hem hebben aangezet om aan den Heer gouverneur van Cabo de Goede Hoop te verzoe„ „ken, hem van schip te doen veranderen. — dat dit mondeling gedaan versoek op ordre van voorm: heer Gouverneur in scriptis zullende vervatten, de haast, wel eenigen onge„ „mesureerde expressien uit depen heeft doen vloeijen welke den onderget: van agteren wel wenschten nimmer op het papier gebragt te hebben, en dat inzonderheid hiertoe is gedrongen door de sterke intrigatiën en aansporingen van den Landmeeter van Hasselt welke den Capitain gantsch geen goed hart was toedragende Dat van de agitairen der gemoederen tee„ „gens den Cap: waarvan onder anderen in mijn request gewaagd word, en waaruit de nadeeligsten gevolgen door mij aldaar getrokken waren niets anders nog meer particulier weet op te geeven als dat zulx door gerugten aan de Caab ter mijnen Eglerer kunnende ik wyders gerustelyk betuigen van nimmer een zodanig papier te zullen geteekend gepraesenteerd hebben zo ik had kunnen voorzien dat het tot een publicq instrument zoude dienen /:onderstond:/ Batavia, den 20 October 1785 /:was get:/ A W C: van Iddekinge /:onderstond./ Accordeert /:was get:/ D D: van zaak E: g: M: ooren gekomen is Hebbende ik onderges: geene de minste intentie gehad, om beschuldigingen tegen den Cap:n zwart in te brengen maar alleen eenige stringente reedenen te vinden om varplaatst te worden — Blovak Accordeert Vooren maken. Jnventaris van Stucken gedaan maken en aan den Edelen Achtbaaren Heere Pieter Backer praesident en verdere Leeden uyt den E. achtb: Raade van Iustitie deezes gouvernements overge geeven door den ondercoopman en Landarost van Stellenbosch en drakensteijn Daniel van Reijneveld rat: aff: Eijsscher in Cas Crimineel ten eenre. op ende Teegens. Den veldwagtmeester Jacobus Fourie nevens de burgers. Louis Fourie Coenraad Johannes groenewald. Burgert van Dijk Mattheus Guilliaumé Christoffel groenewald Lucas Marthinus Margaretha Radijn wede, wylen den burger Wessel wessels ter andere zeijde Inventaris gequoteerd met La„ A. 4 Marais en

NL-HaNA_1.04.02_4324_0253 view scan ↗

English

Criminal Claim and Conclusion drafted and quoted by the Ex Officio Plaintiff on and against the defendants, with: Re-examined account of the Orphan Master, Sr. Hendrik Justinus de Wet. Account of the Substitute of Stellenbosch, Christiaan Godhelp Rudolphi. Sworn account of the Chief Mate, Christoffel Schultz. Sworn statement of the Boatswain, Cornelis Pieterden. Of the Boatswain's Mate, Jens Olsen. Of Quartermaster Jan Hermis. Of Sailor Jens Christense, re-examined. Of Sailor Johannes Koningsveld. Interrogatories upon which the first defendant, Jacobus Fourie, was heard before Commissioners from this Honorable Court, with the responses given by him thereto. Interrogatories upon which the second defendant, Louis Fourie, was likewise examined, together with his given responses. With the responses of the third defendant, Coenraad Joh. Groenewald. Answered by the fourth defendant, Burgert van Dijk, having been examined thereon in the manner as for B. Answered by the fifth defendant, Mattheus Guilliaume. Upon which the sixth defendant, Christoffel Groenewald, was examined, with the responses. Upon which the seventh defendant, Lucas Marth.s Marais, was heard, with the answers given by him. 8. Interrogatories answered by the eighth defendant, Margaretha Radijn, widow of Wessel Wessels, having been examined thereon in the manner as above, quoted with: Copy of vendue roll quoted M. Authentic copy of the placart issued on 21 September 1773. Serving for justification of the facts charged against the defendants by the Ex Officio Plaintiff in the aforesaid Criminal Claim, and consequently for verification of the aforementioned Claim and Conclusion from Articles 2 to 156 inclusive. The remaining articles of the same Claim are introductory, notorium juris, or in confesso, and consequently need no more specific proof. Memorial of law (if necessary) to be drawn up and then to be quoted with the Letter: L. 2. 9, 2, 345, 6, 7, 8. was signed: D. V. Reyneveld in the margin: Exhibited in Court on 11 March 1784. Agrees. Criminal Claim and Conclusion drawn up and submitted to the Honorable Pieter Hacker, President, together with the further Honorable Members of the Council of Justice of this Government, by and on behalf of the Junior Merchant and Landdrost of Stellenbosch and Drakensteijn, Daniel van Reyneveld, Ex Officio Plaintiff in a criminal case, on the one part; On and against: The Field Cornet Jacobus Fourie, together with the burghers: Louis Fourie, Coenraad Johannes Groenewald, Burgert van Dijk, Mattheus Guillaume, Christoffel Groenewald, Lucas Marthinus Marais, and Margaretha Radijn, widow of the late burgher Wessel Wessels, on the other part. 1. And saying with reason conformable to the truth: 2. That the Ex Officio Plaintiff, having received verbal information on 17 June of the aforesaid year; 3. That at the so-called Ratel Rivier near the Zoetendaalsvallei, the Danish Asiatic Company ship named Nicobar had stranded; 4. The Ex Officio Plaintiff, as soon as it had ever been possible for him; 5. Had sent a letter or order to the Field Cornet there, the first defendant in this case; 6. Containing how to act with the shipwrecked persons who had come ashore and the washed-up goods; 7. And on the following day, or 18 of the frequently mentioned month of June, had officially dispatched his Substitute C. G. Rudolphi and orderly mounted rider J. Cremer; 8. For the assistance of the Orphan Master, Sr. H. J. de Wet; 9. Who had been properly qualified by the Honorable Governor for the salvage and administration of the frequently mentioned washed-up goods, etc., to the benefit of the interested parties of the aforementioned ship Nicobar; 10. That the Ex Officio Plaintiff, having been informed both by the said Jr. de Wet and his Substitute upon their return; 11. That, in riding thither, they had not only already encountered and detained on the road some wagons of the defendants in this matter, loaded with: 12. Hogsheads of brandy, 13. Casks of beer, 14. Empty leagers, 15. Planks, 16. Cordage, etc., 17. But that also upon their arrival at the beach, all the goods had already been removed from there; 18. And that they had still found about thirty wagons there on the beach; 19. Which were all already laden with washed-up goods; 20. That they, pursuant to their authorization, having sought to dispose both some of the defendants in this matter and the persons there on the beach; 21. To surrender back; 22. All the same goods, which they had appropriated contrary to all law and had already caused to be loaded onto their wagons; 23. To them as being authorized and entitled thereto, in order to sell the same publicly; 24. Finally, after many debates and insolent treatments; 25. Succeeded therein so far; 26. That the same goods were sold for a very low price, as appears from the copy of the vendue roll under Letter M annexed hereto; 27. For the reason (as the said Sr. de Wet and the Substitute could very quickly understand after the sale of those goods) that they had all conspired with one another; 28. That none of them should presume; 29. To bid one stuiver on the goods which were not loaded on his own wagon; 30. So that no one made an offer on any goods; 31. Except those on whose wagons the goods being auctioned were located; 32. That the Ex Officio Plaintiff, to his utmost indignation, from the aforesaid Sr. de Wet and Substitute Rudolphi, the requisite...

Dutch transcription

Crimineele Eysch en Conclusie door den E. O. Eysscher op ende Teegens de ged=e, geformeerd en gequoteerd met Gerecolleerde Relaas vande weesmeester S„r Hendrik Justinus de wet Relaas van den Substituut van Stellenbosch Christiaan godhelp Rudolphi„ BeEedigde Relaas van den opperstuurman Christoffel Schultz. BeEedigde verclaring van de bootsman Cornelis Pieterden.„ van de bootsmansmaat Jens olsen . _o quartiermeester Jan Hermis _o mattroosJens Christense gerecolleerde - _o mattroos Johannes Koningsveld Interrogatorien waarop de eerste ged, Jacobus Fourie R. H. G E. door de vierde gede, Burgert van Dijk beantwoord, zijnde daarop invoegen voor B. ondervraagd. door de vijfde gede, Mattheus guilliaume beantwoord. — o waarop de Sesde gede Christoffel groenewald is ondervraagd met de respontiven waarop de Sevende gede, Lucas marth„s Marais is gehoord met des selvs gegeevene antwoorden. 6 met de responsiven van den derde gede, Coenraad Joh, groenewald. — Interrogatorien waarop de tweede gede, Louis fourie op geleijke wijze is ondervraagd neffens desselvs gegeevene antwoorden voor Heeren gecommitt, uijt deesen E. achtb: raade is gehoord met de door hem daarop gegee vene responsiven voor va„ B. - . . - . „ - . „ „ O C 4. 6. 2. _o 3 F. 239 240 8. Interrogatorien door de agtste ged=ten Margaretha Radijn wede, wessel wessels beant woord zijnde daarop in maniere als vooren ondervraagd ge¬ quoteerd met Copia vendu rolle gequoteerd. „ M. _o Authenticq van het op den 21 Septbr: 1773. g'Emaneerd placcaat Dienende tot Iustificatie van de faiten aan den gede, bij de voorsz: Crimineele Eysch door de R. O. Eijsscher ten lasten gelegd en mitsdien tot verificatie van eevengem: Eijsch en Conclusie van AC: 2. tot 156. inclusive De overige articulen van denzelven Eysch zijn intro„ auctief notoir Juris of in Confesso en hebben mits dien geen Speciaalder bewijs nodig. Memorie van rechten /:is't nood:/ te formeeren en als N L„ 2. 9, 2, 345, 6, 7, 8. /:was geteekend:/ D. V RBeyneveld /:in margine:/ Exhibitum in Iudicio den 11. Maart. 1784. dan te quoteeren met de Letter Mies H gemClercq Accordeert dan 241 Crimineele Eisch ende Conclusie gedaan maken en, aan den welEdelen achtb deere Pieter Hacker praesident beneevens de verdere E. achtb. raade van Iustitie deeses gouvernements overgegeeven door ende van wegens den ondercoopman en landdrost van Stellenbosch en Drakensteijn, Daniel van Reyneveld Ratione officio Eijsscher in Cas Crimi „neel ter eenre. op ende Ieegens Den veldwagtmeester Jacobus Fourie neevens de Burgers Louis Fourie„ Coenraad Johannes groenewald Burgert van Dijk Mattheus Guillaume Christoffel groenewald. Lucas Marthinus Marais en Margaretha Radijn wed=e wijlen den burger wessel wessels ter andere zeijde 1. En reede Conform de waarheijd zeggen. dat den E. O. Eijsscher op den 17. Junij des voorz: jaars mondelings kennisse hebbende bekoomen. 5 L:: A: 2. Arl: 242 Art: 3. dat aande zoogenaamde Ratel Rivier omtrend de Zoegendaals valleij was gestrand het deensch asiatisch Comp: schip genaamd Nicobar 4. de R. O. Eijscher zoo spoedig hem maar immer doenlyk was geweest. 5. aan de aldaar zijnde veldwagtmeester den eersten ged=e in deesen had toegesonden, een brief of ordre. 6. Contineerende hoedanig met de aan land gekoomene Schipbreukelingen en opgespoelde goederen moeste handelen - 7. en des anderendaags ofte den 18. der meerm: maand Iunij zijnen Substitunt C. 9. Rudolphi en ordonnantie ruijter J. Cremer in officie had afgezonden. 6 8. ter adsistentie van den weesmeester P=r H: J. de wet 9. die tot het bergen en administreeren der meerm: opgespoelde goederen, &„a ten voordeelen der g'interesseerdens van voorm: schip Nicobar door den welE. gestr. heer gouver neur behoorlijk was gequalificeerd 10. dat de R. O. Eijsscher zoo door gem: J„r de wet als zijnen substituut bij hunne te rugkomst g' informeerd geworden zynde 11. dat zijl: in't derwaards reijden niet alleen op sweg reeds hadden gerencontreerd en aangehouden eenige wagens van de ged„e in deesen, beladen met. 12. oxhoofden brandewijn 13. vaten bier 14. Ledige Leggers. 15. planken. 16. touwwerk & 17. maar dat ook by hun arrivement aanstrand reeds alle de goederen, bereijds vandaar waren vervoerd — Art 18 en dat zyt: aldaar aanstrand nog hadden gevonden wel Circa dertig wagens. 19. dewelke reeds alle met opgespoelde goederen waren bevragt 20. dat zijt zoo wel zommige der ged„e in deesen als de perzoonen aldaar aan 't Strand in gevolge hunne qualificatie 21. hebbende zoeken te disponeeren 22. Omme alle dezelve goederen, welke zy zig tegens alle regt hadden toegeeijgend en reeds op hunne wagens doen laden 23. aan hun als daartoe bevoegd en geregtigd weder af te geeven, ten eijnde dezelve publicquelijk te doen verkoopen 24. eijndelijk na veele debatten en brutaale bejegeningen 25. daarinne zoo verre zijn gereusseerd 26. dat dezelve goederen voor een zeer geringe prijs zyn verkogt geworden blykens Copia vendu rolle onder La M. hierannex 27. uyt oorzaak /(zoo als gem: P=r dewet en Substituut na't vercoopen dier goederen zeer ras konden begrijpen :/ dat zyt alle met elkanderen hadden zamengespannen 28. dat zig niemand hunner zouden mogen onderstaan 29. omme op de goederen dewelke niet op zijn eijgen wagen waren geladen een stuijver te bieden 30. zoo dat niemand op eenige goederen bot gedaan hadden 31. als die geenen op wiens wegen de opgeveijld wordende goederen zig bevonden 32. dat de R. O. Eijsscher van dit een en ander van voorsz: S=r de wet en substituut Rudolphi tot zijn uijterste indignatie de vereijschten

NL-HaNA_1.04.02_4324_0257 view scan ↗

English

243 having obtained knowledge. Article 32. immediately gathered both from the said Sieur de Wet and the substitute, as well as from the saved shipwrecked persons who had come ashore, 33. the necessary accounts and statements, 34. and having judged himself obliged, regarding the aforesaid matter, as Plaintiff ex officio against the defendants in this case, to initiate the appropriate procedures in a criminal matter; 35. having addressed himself to that end, both by petition and orally, to your worships; 36. and having requested and also obtained from them a decree by virtue of which the said Plaintiff ex officio was qualified 37. to have the defendants in this case summoned to appear in person before this honorable Council, 38. and to hear such claim, demand, or demands 39. as the honorable Plaintiff ex officio in his official capacity will wish to make and take against them; 40. to reply thereto and to proceed further as by law; 41. that the first seven defendants in this case having appeared at the appointed time, 42. and after the last defendants were summoned by a further citation, also appeared thereupon and purged their first default; 43. they all, at the request of the honorable Plaintiff ex officio, were ordered by your worships by interlocutory rulings; 44b. they all, at the request of the Plaintiff ex officio, were ordered by your worships by interlocutory judgments, 45. to answer each in person to such articles Article 46. as were drawn up for that purpose by the Plaintiff ex officio and were to be presented to them; 47. that from the answers given by the defendants as well as from the matching documents and concurring circumstances, 48. it appeared to the honorable Plaintiff ex officio 49. that they, according to the opinion of the foremost learned Doctors, 50. as well as in conformity with our local laws, had absolutely deserved 51. to be punished corporally, 52. and that one should therefore immediately secure their persons; 53. that the Plaintiff ex officio for that reason having requested bodily apprehension against the defendants from your worships, 54. that request of the honorable Plaintiff ex officio was nevertheless rejected, 55. and it was subsequently approved, under security and promise 56. to appear before this honorable Council at all times whenever summoned by the honorable Plaintiff ex officio, 57. to permit the defendants to depart again to their places; 58. the honorable Plaintiff ex officio, having now premised the entire course and setup of this proceeding, 59. trusts that it is fully evident herein that he has acted in conformity with the strictest rules of that which the purest duties attached to his post prescribed to him, 60. and that he has employed all prudence 244 Article 61. to prevent for the future such a scandalous evil, which alas here in this country is practiced to excess upon the stranding of ships; 63. he will now take the liberty to review with all possible brevity the crimes committed by the defendants, each individually, 64. in order to be thereby all the better able to conclude to the deserved punishment in proportion to the gravity of what was committed by the defendants; 65. and he refers in this regard to the respective answers that were given by the defendants to the questions, 66. which were put to them in the presence of the commissioners from this honorable Council; 67. and as it is, according to the humble understanding of the Plaintiff ex officio, admitted and sufficiently evident to your worships: 68. that the first defendant in this case, in his capacity as field sergeant, having had the command there on the beach, 69. he, the defendant, ought immediately to have used that authority to prevent the looting of others, 70. the more so since he had received a certain letter or written order from the honorable Plaintiff ex officio, 71. that he, the defendant, not only had to render all help and assistance to the ship's people who had come ashore, 72. but also to salvage the goods as much as possible, and immediately send a list thereof to the honorable Plaintiff ex officio; 73. the defendant, however, notwithstanding all this, in such a shameless manner, Article 74. instead of giving notice to the Plaintiff ex officio as quickly as possible 75. that, as he says in articles 8, 9, and 12 of his answered interrogatories, he could no longer keep order nor prevent the stealing and plundering of those goods, 76. that (says the Plaintiff ex officio) he, instead of all that, rather chose to make himself guilty, among the same crowd, of the stealing and plundering of those goods, 77. so that (as he, the defendant, fully admits in articles 16 and 18) there had already been transported from the beach by him, the defendant, before the arrival of Sieur de Wet and the substitute: 78. three barrels of tar, one of which was not full; 79. two hogsheads of brandy, one of which was likewise not full; 80. and further a lot of planks, together one load; 81. and, in article 16, that a load of planks had also been detained at the place of Monsieur Tesselaar by Sieur de Wet and the substitute; 82. from which all it is then evident 83. that the defendant, in the first place, has made himself guilty of stealing and plundering washed up and stranded goods, 84. and secondly, of not observing that order which had been sent to him by his lawful officer placed over him; 85. that furthermore the second defendant, Louis Fourie, according to his answered interrogatories on article 7, likewise fully admits that before the arrival of Sieur de Wet and the substitute, there had been transported by him from the beach: 86. one hogshead of brandy, 87. one barrel of tar.

Dutch transcription

243 kennisse hebbende bekoomen. Art: 32. terstond zoo van deselve I=r de wet en substitunt als ook van de behoudene aan Land gekomene schipbrenkelingen had ingewonnen 33. de nodige relaasen en verclaringen 34. en zig verpligt hebbende g'oordeeld omme ter zaake voorsz: R. O. tegens de ged, in deesen de gepaste proceduures in Cas Crimineel te entaieeren 35. tot dat eijnde zig zoo bij requeste als bij monde hebbende g'addresseerd aan uwelE. achtb. 36. en van hoogstdeselve hebbende versogt en ook g'obtineerd decreet uijt kragte van't welke de & r. O. Eysscher wierde gequalificeerd 37. omme de ged„e in deesen te doen dagvaarden omme in perzoon voor deesen E. achtb raade te Compareeren 38. en aantehooren zodanigen Eijsch verzoek ofte verzoeken 39. als de E. O. Eysscher amptshalven tegens hunk: zal willen doen en neemen 40. daarop te antwoorde en voorts te procedeeren als na rechten 41 dat de zeeven eerste ged„s in deesen op de gepraefi geerde tijd verscheene zijnde 42. en na dat de laatste ged„e bij eene naderecitatie gedagvaard mitsg„s ook daarop gecompareerd en haar eerste default gepurgeerd hadden 43. zijt: alle op verzoek van de E: O. Eijsscher door uw E: achtb. bij interlocutoire geweijsden zyn g'ordonneerd 44b. zijt: alle op verzoek van de R. O. byther door uwelE: achtb: bij interlocutoire vonnissen zijn g'ordonneerd 45 omme een ijder in perzoon te antwoorde op zodanige articulen Art: 46. als door den R. O. Eijsscher ten dien eynde waren geformeerd en hunz: zoude worden voorgehouden 47. dat zoo uijt de ged„: gegeevene resp„e als de daar meede quadveerende documenten ende Concur reerende omstandigheeden 48. aande E. O. Eysscher zijnde voorgekomen 49. dat zyt: zoo volgens het gevoelen der voor naamste D. D. 50. als in Conformiteid van onse Loeaale wetten, absolutelijk hadden gemeriteerd 51. aan den Lyve gestraft te worden 52. en men zig daaromtrend terstond van hunne perzoonen diende te verzeekeren 53 dat den R. O. Eijsscher uyt dien hoofde van uw E. achtb. hebbende versogt apprehentie Corporeel tegens de ged, 54. was echter dat verzoek van den E. O. Eykk geweesen vande hand 55. en vervolgens goedgevonden, de ged, en der handlastinge en belofte 56. van ten allen teijde wanneer door de E. 3. Eyk, wierde ontbooden voor deesen E. achtb. raade te verscheynen 57. te permitteeren om wederom na hunz: plaatze te vertrecken 58. de E. O. Eysscher als nu hebbende vooraflaaten gaan den geheele loop en aanleg deeser proceduure 59. vertrouwd dat het in deesen ten vollen blijkt dat hy heeft gehandeld Conform de Stipste reguls vant geene de Suyverste pligten aan zyn post verknogt hem quamen voor te schrijven 60. en dat hy ons alle voorzigtigheyd heeft g'emploijeerd 6. 244 Art: 61. om een zoo schandelyk quaad het welk helaas alhier te lande, met het Stranden van Scheepen tot in exces werd gepractiseerd. 62. voor't vervolg te prevenieere 63. zal als nu de vrijheijd neemen met alle mogelijke kortheijt de misdaden door de ged, ieder in't bijsonder gepleegd nategaan 64. ten eijnde daardoor des te beter in staat te zijn omme na mate der graviteijd van het gepleegde door de ged„t tot de verdiende straffe te kunnen Concludeeren 65. en refereerd zich hier omtrend tot de respontive welke door de gede zijn gegeeven op den vraagpoincten 6:6 dewelke aan hun ten overstaan van heere gecommitt„s uyt deesen E: achtb. raade zijn voorgehouden 67: En gelijk aan E. achtb. Heeren vaar het gering begrip van den R. O. Eijsscher in Confesso is en op een voldoende wijze blijkt. — 68. dat de Eerste ged, in deesen in zijne qualiteijd als veldwagtmeester het Commando aldaar aanstrand hebbende gehad. 69 hy ged=e van dat gezag terstond gebruijk had moeten maken, om de roofzuit van anderen te beletten 70. te meer daar hy van den E: O: Eysshher hadde ontfangen zeekere brief of schriftelijke ordre 71. dat hij gede, de aan land gekoomene Scheepe lingen, alle hulpe en adsistentie moeste toebrengen niet alleen. 72. maar om ook zoo veel mogelik de goederen te bergen, en daarvan terstond een Leyst aan den E. O. Eisscher toetesenden 73. de ged=e, echter des alles niet tegenstaande op eene zoo schaamteloose wijze zig. Ars. 74. in plaatze van aan den Z. O. Eijsscher ten spoedigste kennis te geeven. 75. dat gelyk hij op art: 8. 9: en 12. zyner beant woorde Interrogatorien zegt geene ordre meer houden nog het steelen en rooven dier goederen konde beletten 76. dat /zeyd de R. O. Eysscher :/ hy in plaatze van uit alles liever hebbende verkooden onder deselve hoop zig meede aan 't steelen en rove dier goederen schuldig te maaken 77. zoo dat /gelijk hij gev=e op art: 16 en 18. volmondi erkend :/ door hem ged=e voor de komst van S=t dewet en substituut van Strand reeds waren vervoerd 78. drie vaten teer waarvan een niet vol. 79. twee oxhoofde brandewijn waarvan almeede eene niet vol is geweest 80. en voorts een parthij planken te zamen een vragt 81. mitsg„s, op art: 16. dat nog op de plaats van mons: Tesselaar een vragt planken door S=r de wet en substituut was aangehouden 82. uijt welk een en ander dan evident Consteerd. 83. dat de ged„e, zig in de Eerste plaatze heeft Schuldig gemaakt aan 't Steelen en rooven van opgespoelde en gestrande goederen 84. en aan ten tweeden aan 't niet observeeren, van die ordre dewelke hem door zyn wettige over hem gestelde officier was toegesonden 85. dat voorts de tweede ged„e Louis fourie volgens desselvs beantwoorde interrogatirien op art: 7. almeede volmondig bekend dat voor dekomst van S=r de wet en substituut door hem van strand was vervoerd. 86. ben oxhoofd brandemyn 87. Een vat theer. 74

NL-HaNA_1.04.02_4324_0259 view scan ↗

English

245 Article 88. two small barrels, one full of brandy and the other with saltwater 89. fourteen bottles of wine, and 90. two planks. 91. as well as to article 8, that by Pieter de Wet and substitute was detained from them 92. a load of planks. 93. In like manner the fourth defendant, C. 's Groenewald, admits on articles 14 and 15 of the question articles put to him, that by him had been transported 94. three barrels of tar 95. two barrels of brandy 96. one barrel of beer 97. a piece of sailcloth 98. a piece of Flemish linen 99. some cable yarn, and 100. that furthermore the 4th, 5th, and 6th defendants also fully avow, and specifically the 4th defendant Burgert van Dijk on article 8, that from him was detained 101. a wagon loaded with 102. some old woodwork 103. cable yarn 104. two small barrels of brandy 105. a case with some full and empty bottles. 106. The fifth defendant Matthijs Guillaume on articles 7 and 10, that from him was detained 107. a wagon with 108. a quantity of planks 109. some cordage 110. some empty bottles 111. some paper 112. an hourglass, and 113. some playing cards. Article 114. And finally the 6th defendant C. Groenewald on article 7, that before the arrival of Sieur de Wet and substitute, he had transported from the beach 115. a tar barrel 116. an empty half-leaguer 117. four pieces of sailcloth which he, the defendant, had cut off from a cross-sail. 118. As well as on article 18, that Sieur de Wet and substitute had detained from him 119. a wagon freighted with 120. a small barrel of brandy 121. a quantity of planks 122. a quantity of empty chests 123. an empty barrel, and 124. some ironwork. 125. Regarding now the 7th defendant Lucas Marthinus Marais, it has appeared to the Honorable Officer Plaintiff, under correction, 126. that however much he, the defendant, it is true, can by no means be considered to have made himself guilty to such an extreme degree as the other defendants, 127. he nevertheless can never be declared entirely innocent. 128. For on articles 9 and 10 of his answered interrogatory he says that by him only was transported from the beach 129. some pieces of baize and bunting. 130. two barrels or hogsheads of brandy. 131. And in the report hereto annexed, marked C, the relator François Hendrik de Wet says 132. that, note, by the wife of him, the defendant, was pointed out to the said de Wet 133. some pieces of red baize 134. red bunting 135. two hogsheads of brandy 246 Article 136. as well as, note, a barrel of beer 137. two cellarets of gin, and furthermore 138. a wagon with planks and ropes, which she said had been driven from the beach by her husband. 139. So that it appears very suspicious to the Officer Plaintiff 140. that by the said wife of the defendant, and indeed in his, the defendant's, absence, 141. a barrel of beer, two cellarets of gin, and a wagon with planks and ropes, were pointed out to Pieter de Wet in addition 142. to what the defendant, in his answers given before the Commissioners from this Council, specified had been transported by him from the beach. 143. If one, Right Honorable Gentlemen, examines the further respective answers given by the defendants with the required attention, 144. one will find 145. that from not a single answer does it appear 146. that the defendant took away the said goods out of a true and pure concern for the interests of his fellow man, 147. namely to protect them from decay caused by sea and air, 148. and to give notice thereof immediately; 149. no, on the contrary, out of mere covetousness, and as can be clearly gathered from article 12 of his answered interrogatories, as it were as a compensation for the great trouble which he, the defendant, had taken for them, namely those crew members. 150. Regarding now the conduct of the 8th or last defendant in this matter, the widow Wessel Wessels, 151. the Officer Plaintiff will, as briefly as possible for him, have the honor to say 152. that according to the 5th and 6th articles of her given responses, 153. before the arrival of Sieur de Wet and substitute, there was brought to her, the defendant's, farm by her own wagon 154. two tar barrels, and 155. two broken barrels; 156. as well as that another wagon belonging to her, the defendant, carrying washed-ashore goods was detained by the same de Wet. 157. There you have it, Right Honorable Gentlemen, according to the defendants' voluntary confessions, their crimes having been presented individually to the penetrating eye of Your Right Honorable; 158. thus it is, in the humble opinion of the Officer Plaintiff, beyond the slightest dispute 159. that both the last defendant and the first six defendants in this matter, along with the 7th defendant, although in a lesser degree, have made themselves guilty in an inexcusable manner 160. of taking away and transporting stranded goods that did not belong to them, without declaring the same. 161. Wherefore the Officer Plaintiff will now proceed further to investigate briefly what punishments the defendants have incurred. 162. Remarkable commentary is made on this subject by Moorman in his treatise on crimes and their punishments, 3rd chapter on the different kinds of thefts, and there section 12, page 363, where he says: "The stealing which occurs in the misfortune of shipwreck was, among the Romans, punished with an arbitrary punishment according to the nature of the thing that

Dutch transcription

245 Art: 88. twee kleyne vatjes eene vol brandewijn ende andere met zoutwater 89 veerthien boddels wijn en 90. twee planken. 91. mitsg:s op art: 8. dat door P„r tewet en sub„ stituit van hun was aangehouden 92. Een vragt planken ƒ 93 Even alzo erkend de verde gede, C. 's groene wald op art: 14. en 15. zyner voorgehoudene vraagart: dat door hem was vervoerd geworden 94. drie vaten theer 95. twee vaten brandewijn 96. Een vat bier 97. Een lap zeijldoek 98. Een lap flaamsh Linnen 99. wat Cabelgaarn en 100. dat wijders de 4, 5. en 6. ged, meede volmondig avoneeren, en wel de 4e ged=e Burgert van Dijk op art: 8. dat van hem was aangehouden 101. Een wagen beladen met 102. wat oud houtwerk. 103. Cabelgaarn 104. twee vatjes brandewyn 105. Een kas met eenige volle en leedige boddels 106. de vijfde ged=e M s guillaume op art:7en 10. dat van hem was aangehoude 107. Een wagen met 108. Een parthij planke 109 wat touwwerk 110. Eenige ledige boddels 111. wat papier 112. Een zandlopper en 113 eenige spullen kaarte Art: 114. en eyndelijk den 6. ged=e C. groenenald op art: 7. dat voor de komat van S=r de wet en substituut had van Strand vervoerd. 115. Een theervat 116. Een ledige halve Legger 117. vier lappen zeijldoek die hy ged:e van een warszeijl had afgesneeden. 118. mitsgs op art: 18. dat S=r dewet en sub stituit van hem hadde aangehouden 119. Een wagen bevragt met. 120. Een vatje brandewijn 121. Een parthij planken 122. Een parthij leedige kisten 123. Een ledig vat en 124. wat Eijserwerk 125. nopende nu den Te, gev=e Lucas Marthinus Marais is 't de E. O. Eijsscher /:onder Correctie, voorgekoomen 126. dat hoe zeer hy ged=e wel is waar geendints kan worden geconsidereerd, zig in zoo een uyterste graad als de andere ged, te hebben Schuldig gemaakt. 127: Evenwel nimmer voor geheel onschuldig kan worden verclaard. 128. want op art: 9en 10: zijner beantwoorde interrogatorie zeyd hij dat door hem alleen lijk van strand was vervoerd. 189. Eenige lappen baaij en vlaggedoek. 730. twee vaten of oxhoofden brandewijn 131. en in't relaas hier La; C. g'annexeerd zeyt de relt, F=n H. I. dewet 132. dat NB. door de huijsvrouw van hem ged=e aandenzelven de wet was aangeweesen 133. Eenige lappen roode baaij 134. roode vlaggedoek. ƒ 135. twee oxhoofden brandewijn 114 246 Art: 136. mitsg:s NB. een vat bier 137. twee kelders genever en voorts 138. Een wagen met planken en touwen die zij zeijde door haren man van Strand te zyn gereeden 139 zoo dat het de R. O. kysscher zeer Speculatier voorkomt— 140. dat door dezelve huijsvrouw van den ged=e en wel in zijn ged: absentie 148. Een vat bier, twee kelders genever en een wagen met: planken en touwen, meer aan P=r de wet is aangeweesen. 142. als den gede in zyne voor Deeren gecommitt, uijt deesen raade gegeevene antwoorde heeft opgegeeven door hem van strand te zyn vervoerd 143: gaat men welE: achtb. heeren de verdere respe„ antwoorden door de ged=e, gegeeven, met den vereijschte attentie na. 144. zoo zal men bevinden 145. dat uijt geen een Enkeld antwoord Consteerd 146. dat de gede, deselve goederen heeft weggenome uyt een waare en zuyvere zugt voor de belangen van zyn Evenmensch. 147. om namentlyk dezelve voor't bederf van zee en Lugt te beveijligen 148. en daarvan terstond kennisse te geeven 149 neen ter Contrarie uyt enkele begeerlijkheijd en gelijk uijt art: 12. zijner beantwoorde interrogatorien zeer klaar is op te maake als 't waare tot een recompens voor de veele moeyte dewelke hij ged=e voor hun namentlijk die scheepelingen, had gedaan 150. aangaande nu het gedrag vande 8„o, of laatste ged=m in deesen de wed=e wessels wessels. 154. zal de R. O. Eijsscher zoo kort hem doenlijk zij d' Eer hebben te zeggen A 152. dat ingevolge het 5en 6. ', artf harer gegeevene respondiven 153. voorde komst van S=r de wet en substitunt door haar eijgen wagen, op haar ged„e plaats is gebragt. 154. twee theer vaten en 155. twee stukkende vaten 156. mitsg„s dat nog door dezelve de met een wagen van haar ged=mns met opgespoelde goederen is aangehouden 57. Sie daar welE: achtb. Heeren volgens de ged„s, liebere Confessien derzelver misdaden elk afzonderlijk aan't penetrant oog van uwelE: achtb: zijnde voorgedragen 158. zoo leijd het dan na het gering begrip van den E: O: Eysscher geene de minste tegenspraat 159. dat zoo wel de laatste ged=m als de Zes eerste ged„e in deesen, zig neevens de 7. 7 gede Schoon in een mindere maate, op een onver„ „antwoordelijke wijze hebben schuldig gemaakt 760: aan het wegneemen en vervoeren van gestrande goederen die hun niet toequaamen zonder dezelve aantegeeven 161. weshalven de R. O. Eijsscher nu verder zal overgaan omkortelijk natespeuren welk straffen de ged, hebben g'incurreerd 162. remarquabel word over dit Sujet gecommen tarieerd bij Moorman in zijne verhandeling over de misdaden en derzelver straften 3„e hoofd deel over de verschillende zoorten der diefstallen en aldaar dit: 12. pag: 363: alwaar hij zeyd „ het steelen het welk bij ongeluk van schip „breuk geschied wierd bij de romeynen met „een willekeurige Strafte na dat de zaak die e

NL-HaNA_1.04.02_4324_0261 view scan ↗

English

247 " which had been stolen, and the persons who had undertaken such acts were punished, the Z. 4. 81 D: de incend: ruin: naufrag: according to our laws those who on the occasion of a shipwreck steal anything are very severely punished, for if the skippers or ship's crew do such things, the same are burned alive and others are punished with the rope for it, and in general in the province of Holland and Zeeland those who plunder anything either at a shipwreck, ruin, or fire are punished with death and their goods declared forfeited. 163. and the edict of King Philips on the Maritime Laws of 31 October 1563. title 4. on Shipwrecks Article 13. to be found in A. Verwer on the Netherlands Maritime Laws, and if anyone presumed to take and withhold any shipwrecked goods he shall be punished, if he is a skipper or seaman, with fire, if he is another with the gallows and nonetheless be held to the restitution of the withheld goods. 164. in Groenewegen ad L. 28. 8 12. de poenis one finds principally that those who make themselves guilty of wrecking must be strangled, scorched with flaming fire in the face and the body laid upon a wheel 165. likewise in I. Damhouder Chapter 114. on Criminal Matters, where it is said that they must be hanged who have made themselves guilty of the above-mentioned robbery 166. Simon van Leeuwen in Roman-Dutch Law in the third part treating of the acquiring of another's property through possession and management title 9 folio 114. adding hereto: those who seize any stranded goods without making the same known or turning them over to the bailiff or his overseers holding orders upon their reasonable salvage fee, are punished for it as thieves and others who take and withhold people's property, see the edicts enacted in that regard of 10 March 1529, 13 September 1549. renewed on 27 July 1556. 8 July 1559. 12 July 1563. 9 March 1569. 17 May 1574. 29 February 1579, 4 November 1606. 4 May 1613. 20 April 1620. and 31 October 1663. 167. the Prosecutor in the discharge of his duty, so as not to fatigue Your Honorable Court's precious attention with extensive details, shall now only briefly cite 168. that which has been enacted by our local laws in casu subjecti: 169. in that respect one finds the edicts published on 18 June and 29 September 1722. on 3 July 1728. and 21 May 1737. 170. it being expressly said, among other things, in their renewal dated 1 June 1773. in its third period, that the punishment for the robbing of stranded goods shall also extend so far that, although one might apprehend the perpetrators only a year and a day after the date, they nevertheless, if they can be convicted of robbing Company's or other stranded goods, shall be punished with the rope at the gallows so that death follows, etc. 171. And in the prevailing general edict article 31. whoever finds and keeps any goods of stranded ships without making the same known to the Noble Lord Governor, shall be punished in life and limb tit 248 172. likewise in article 32. none of these inhabitants, or their slaves, or Honorable Company servants not expressly qualified thereto, shall be permitted in the event of any shipwreck of the Honorable Company's and other ships to venture outside the dwellings of this Tafel Valley, and especially not onto the seashore, on pain of being apprehended immediately and, having any stolen goods on their person, punished as public thieves. 173. and finally the edict also emanated by this government on 21 September 1773, which, for its complete application to the present case, 174. the Prosecutor in the discharge of his duty takes the liberty to append hereto under Letter N. in authentic copy. 175. Meanwhile, may it be permitted to the Prosecutor in the discharge of his duty to submit to Your Honorable Court with respectful deference: 176. that however much wrecking, such as the defendants have made themselves guilty of in this matter, 177. according to the strict interpretation of the laws of our country, is punishable in life and limb, 178. and the Prosecutor in the discharge of his duty is bound to the strict execution thereof, 179. he nevertheless, in the handling of criminal justice, has mostly sought to follow the dictates of his own heart, 180. namely to be able to operate always with a clean conscience, 181. that he has never sought to advance solely the aggravating circumstances of a delinquent, 182. without thereby also presenting all the mitigating circumstances to the judge, 183. and on that account also, whenever such could properly occur without the slightest reduction of justice, has preferred leniency to rigor, 184. the Prosecutor in the discharge of his duty now also deems himself inevitably bound, 185. in accordance with his embraced system, 186. just as he has laid open the aggravating circumstances of the defendants before Your Honorable Court, 187. likewise to submit to Your Honorable Court all that may in any way come into consideration to the advantage of the defendants, 188. and that in the first place: 190. that it nowhere appears with sound reason that the defendants went out with the intention to steal, 191. since those goods lay in abundance on the beach for several days without anything thereof having been alienated, 192. and the said goods were not taken away and transported 193. until after the Commandant of the Invalids Jacob van Reenen had come onto the beach and had given the defendants the greatest inducement thereto with the recommendation of plausible reasons, according to the defendants' unanimous answers to their interrogatories, corresponding with the re-examined and so far as necessary sworn inquests annexed hereto and quoted from Letter C to K; 194. and that they, out of cupidity, which in a human being and especially in this country never

Dutch transcription

247 „ die gestoolen was en de perzoonen die zulx onder „noomen hadden waren, gestrafd, de Z. 4. 81 D: „de incend: ruin: naufrag: volgens onse wetten „ worden de geenen dewelke bij geleegentheijd „ van eene Schipbreuk iets steelen zeer sware „gestraft, want indien de schippers of scheeps „volk zulks doet, werden dezelve Leevendig „verbrand en andere daarover met de koorde „gestraft, en in't generaal werden in de provincie „ van Holland en Zeeland die geene dewelke „ of by een schipbreuk, ruine of brand iets „rooven met de dood gestraft en hunne goeder„ „verbeurd verclaard. M 163. en't placcaat van koning: Philips van pie Zeeregten van den 31 octbr: 1563. tet: 4. van Schipbreekingen Art: 13. te vinden A. Verwer over de nederland sche zeeregten, en of iemand hem vervorderden eenige genaufrageerde goederen te neemen en agter te houden zal gepunieerd worden indien het een schipper of Schipman is, met veijren, indien het een ander is met ter gaege en des niet te min gehouden zijn tot de restitutie der agtergehoudene goederen. 164. by groeneweegen ad L. 28. 8 12. p de paenis vind men hoofd zakelyk dat de geenen die zig aanstrand roof Schuldig maaken, geworgd met vlammend vijer in't aangezigt geblakend en't '2 lighaam op een rad geleyd moet worden 165. mitsg:s bi I. Damhouder Cap: 114. in Crimineele zaaken, alwaar gezeyd word dat zy moeten werden opgehangen die zig aan bovengem: roov hebben, schuldig gemaakt 166. voegende Simon van Leeuwen R. H. regt in't derde deel handelende van't bekoomen van oneigen goed door aanvaarding en beheering dit: 9 fol: 114. hier nog bij, die eenige gestrande goederen „aanslaan zonder dezelve bekend te maken of „aan den rentmeester of zijn ordre hebbende „toezienders op haar reedelijk bergloon over te „geeven, werden daarover als dieven en andere „die der Luijden haar goed neemen en onthouden „gestraft, zie de placcaten deswegens gestatu „eerd van 10 maart 1529, 13 Septb: 1549. vernieuwd den 27. Julij 1556. 8. Julij 1559. 12 Julij 1563. 9 maart 1569. 17. meij 1574. 29 febr: 1579, 4. novbr 1606. 4 mey 1613. 20 april 1620. en 31. octbr: 1663. — N: 167. de R. O. Eysscher zal aan om uwE. agtb: pretiensen attentie met geen breedvoerige aetaillen te fatiqueeren als nu nog maar kortelyk aanhaalen 168. 't geen door onze Locaale wetten in Cas Subject is gestatueerd: 169. ten dien opzigte vind men de placcaten gepubliceerd den 18. Junij en 29 Septbr: 1722. den 3. Julij 1728. en 21. meij 1737. — 170. wordende bij derzelver nenovatie in dato 1. Junij 1773. in desselvs derde periode onder anderen wel uijtdrukkelijk gezegd, ook zal zig de Strafte over rooven van gestrande goederen zoo verkoomen uijttestrecken, dat Schoon„ wen de vaders eerst jaar en dag na dato mogte koomen te agterhaalen dezelve eevenwel bij aldien zij van rooven van Comp„s of andere E gestrande goederen, kunnen werden over„ tuijgd met de koorde aande gaege zullen werden gestraft dat er de dood na volgt. &a 171. Enbyt vigeerend generaal placcaart art: 31. die eenig goed van gestrande scheepen vinden behoud zonder hetzelve aan den Edelen heer gouverneur bekend te maken, zal aan lyf en Leeven gestraft worde tit 248 AC: 172. mitsg„s op art: 32. niemand deezer ingeseetenen, ofte wel derzelver slaven of 's' E. Comp: dienaaren niet expresselijk daartoe gequalificeerd zullen vermogen ingevalle van eenig Schipbreuk van s' E. Comp: en andere scheepen zig begeeven buijten de huijzinge van deeze Iavel valleij en vooral niet op de Zeestrande, op paere van aanstonds te werden g'apprehendeerd en eenige gestoolene goederen bij zig hebbende als publicque dieven gestraft. 173. en eijndelijk het op den 21. Septbr: 1773. almeede door deese regeering g'Emaneerd placcaat 't welk om de volkoome applicatie in't praesente geval. 174. de E. O. Eysscher de vrijheijd neemd onder La, N. in Conia authenticq hier nevens te leggen. 175. Ondertusschen zy het de R. O. Eysscher gepermit teerd uw E. achtb. onder Eerbiedige revenentie voortedragen. 176. dat hoe zeer nu ook een strand roop als waaraan de gedes, in deeze zig hebben schuldig gemaakt. 177. volgens de Strikate interpretatie, der wetten van ons land aan lijt en leeven Strafbaar 178. ende R. O. Eisscher aande Stipete Executie daar van verschuldigt is. 179. hij eevenwel in't behandelen der Crimineele Iustitie meest heeft zoeke te volgen het voorschrift van zijn eijgen harl. — 180. om namentlijk met een reijn geweeten altoos te kunnen verseeren 181. dat hy nimmer de verswarende omstandig heeden alleen van een delinquent heeft zoeken „te avanceeren A: 182. zonder daarbij ook alle de verligte omstandig heeden aan de regter voortedragen 183. en deswegens ook wanneer zulks gevoegelijk buijten de gerengste verkorting in't regt konde geschieden de zogtheijd voor rigueur geprefe „reerd 184. de E. O. Eysschen zig als nu ook onvermeydelijk verpligt reekend. — 185. om ingevolge zijn g'amplecteerd Sijpthema. 186. zoo wel als hij de aggraveerende omstandig„ „heeden der ged, voor uwelE: achtb: heeft opengelegd 187. ook eeven het zelve zoo wel 't geene maar eenigzints tot den ged, avantage in Conside „ratie kan koomen. 188. almeede aan uu E: achtb: te moeten voordragen 189. en wel in de eerste plaats. §90. dat nergens met grond komt te blijken dat de ged„e met intentie om te steelen zyn uytge „gaan 191. dewijl die goederen in meenigte ettelyke dage op 't strand hebben geleegen zonder dat daar van iets was vervreemd. 192. en deselve goederen niet eerder zyn weggenomen en vervoerd. 193. als na dat de Commandant der Invalides Iacob van Reenen op het Strand gekoome en hun ged: daartoe met aanrading van aanneemlyke reedenen, de grootste aanleijding had gegeeven, volgens der ged:e eenpaarige responsiven op derselver vraagpoincten, overeenstemmende met de deesen g'annexeerd gerecolleerde en zoo verre nodig bebedigde enquesten gequoteerd van L„ C: tot K - 194. en dat zi ons door de begeerlijkheijd, dewelke in een mensch en vooral in dit land nimmer

NL-HaNA_1.04.02_4324_0263 view scan ↗

English

249 is to be satisfied, tickled 195. and urged on by the advice of him, van Reenen, have resolved upon this desperate extreme 196. to which is added in the second place the extreme ignorance of the defendants, which is confirmed even more clearly when one pays close attention to the composure the defendants maintained during the candid answering of their interrogatories 197. the Officer, Demandant, having thus briefly presented that which he believes deserves the principal attention of your Honorable Worships for the mitigation of the defendants 198. finally considers himself obliged to remark with a single word 199. that the above-cited mitigation brings about a proportional fairness in the execution of punishment of the defendants 200. since the intention of the lawmaker in punishing crimes now has a threefold aim: 201. of which the first is: 202. that the criminal, by feeling the severity of the punishments, is not only reformed, but also gains an intention to desist from evil; 203. the second aim is: 204. to deter others from evil; 205. and finally, thirdly, that thereby peace in the commonwealth remains preserved; 206. and therefore the ordinary punishment of death, which was previously decreed against the beachcombers, would not be executed upon the defendants without notable hardship, 207. but that in their regard a lighter punishment, suited to the nature of the matter and in accordance with the political interests of this Colony, ought to be inflicted at the discretion of the judge. For which and other reasons if necessary to be further reduced the Honorable Officer, Demandant, delivering his claim, concluded that the first six defendants, by name Jacobus Fourie, Louit Fourie, Coenraad Johannes Groenewald, Burgert van dijk, Mattheus Guillaume, and Christoffel groenewald C. Z., as well as the last defendant, the widow of Wessel Wessels, shall by definitive sentence of your Honorable Worships be condemned to be brought to the place where criminal sentences are customary to be executed here, and the first six defendants there being delivered to the executioner and tied to a post, shall be severely scourged with rods upon the bare back, and the first defendant thereupon branded, and thus collectively banished for the term of their lives out of this country and the jurisdiction thereof; furthermore, the last defendant, after having witnessed the same execution, to remain confined in the Honorable Company's Slave Lodge for the term of twenty-five years; and that your Honorable Worships may please to dispose regarding the 7th defendant, Lucas Marthinus Marais, as you shall deem necessary according to your usual prudence; with condemnation of all the defendants in the costs and expenses of justice incurred in this matter; or to such other punishments as your Honorable Worships shall find appropriate according to the exigency of matters. Signed: D. van Ryneveld. Agrees: H. Kiel, sworn clerk. 250 This is the list concerning the persons who were at the ship Nicobaar, whom I know: Iacob van Reenen Hermanus van der Schijf Christoffel Roch Cornelis Uijs Hendrik gildenhuijs Hb. Zoon Pieter Gildenhuijze H. Zoon Hans Groblaar Hendrik Odendaal Adriaan adendaal Ian de Lange, servant of Otman Wolf, servant of David Beijer Petrus Kemp Jan Blom Jan Blom Janz Dirk Cornelis Uijs Ian Hendrik de greijs Pieter Swart the elder Jan Swart Pietz. Jacobus Joh.s Swart pz. Daniel Swart Pz Joh.s Sacharius Thoolman Hermanus Bedelinghuijs Hans Jure Lende Wessel Wessels Hendrik wesfels Mattheus Gerhardus Benkis Barend Adriaan Beukis Wessel Beukis Hendrik Beukis Jacobus Linde L. B. 251 Willem Odendaal Jan Swart Hendksz Iuri Human Matthijs Human Loures Tailjard Iacobus Odendaal Gert Kemp Gert Kemp Gertz. Jacobus Nicolaas Swart Jacobusz Joh.s Paulus Swart Matthijs Appel Matthijs Lourens Dirk Cornelis Lourens Hendrik Iacobus Lourens Iacobus Swart the elder Pieter Swart Jacobusz Pieter van wijngaard Joh. Albertus Guldenhuijs Dirk Mattee Joh.s Jochemis Swart Lucas Marthinus Tharee Ian Gertze Jochemis Mattee Ian de wegen Michiel Matthe Daniel Bester Joh.s Jac.o Tesselaar Philip Fourie Joh. Bernardus Swart Sac.o Iurgen Fock Gernardus Odendaal Pieter Swart Janz. Cornelis Swart Daniel Swart Janz. Elias Matthe Loh. Marthinus Hatting Hans Jacob Brits Abram Matthé Johan Urbanis Smal Michiel Sleijn Christoffel Beijer Mattheus Guillaume Andries Niemand Andrz Hendrik Flock Christiaan Flock Burger van Dijk Piet van Dijk Mattheus Willemse the elder Mattheus Willemse The widow of Wessel Wessels Wijnand Wessels Durri Joh.s van Dijk Pieter Lavras Thoolman Christoffel Groenewald Christoffelz Louies Fourie Christiaan Coenze Andries Beijer Ian Maree Luijkerz Casper Badenhorst Ian Eerve Daniel Jacobus de Kock Thomis Knoetse Niclaas Swart Niclaasz Jacobus Michiel Swart Hans Jacob Zwart Niclaasz Hendrik Swart Pieterz.

Dutch transcription

249 te verzadigen is, gekitteld H 195. en door de aanrading van hem van Reenen aangespoord tot dit disperaat uyterste zijn geresolveerd 1/96. waarbij nog in de tweede plaatze komt de verregaande onzunde vande ged werdende zulx nog klaarder geconfirmeerd als men met nauwkeurigheijd Let, op de Contenance die de ged„e bij de gulhartige beantwoording hunner vraag articulen hebben gehouden 197. de R. O. Eijsscher dus kortelijks hebbende voorgedragen 't geene dat hy vermeend tot verligting der ged„ de voornaamste attentie van uwE. achtb. te meriteeren 198. agt zig laatstelyk nog verpligt met een enkeld woord te remarqueeren 199. dat de bovenaangehaalde miligatie eene evenreedige proportie in de Strafoeffening der gedt te weege brengt 200. Overmits nu het oogmerk van de wetgeever in't Straffen der misdaden een drievoudig doelwit heeft. — 201. waarvan het eerste is. — 202. dat de misdadiger door het gevoelen vande Swerte denstraffen niet alleen gebeeterd worden, maar ook een voorneemen verkrijgen het quaade te laten. 203. '½ tweede oogmerk is. 204: om andere van't quaad afteschrikken 205. en eijndelijk ten derden dat daardoor de rust in't gemeene best bewaard blijve 206. en dierhalven de ordinaire strafte des doods welke hier vooren tegens de strand rovers is gestatueerd niet zonder notabele hardigheijd aande ged, zoude worden g'executeerd. AC: 207. maar dat ten hunnen opzigten eene ligtere straffe geschikt naar den aard der zaake en overeen komstig met de Politicque belangens van deese Colonie naar het arbitrium van den regter behoord g'infligeerd te worden. Mits welke en andere reedenen /: is 't nood vader te reduceeren den E: O. Eijsscher Eijsch eoenden Concludeerde dat de Ses eerste ged,e in naame Jacobus Fourie, Louit Fourie Coenraad Johannes Groene „wald, Burgert van dijk Mattheus Guillaume en Christoffel groenewald C. Z. mitsg„s die laatste ged=m der wede wessel wessels. bij diffinitive vonnisse van uwelE: achtb. zullen worden gecondemneerd, omme gebragt te worden ter plaatze, waar men alhier gewoon is: Crimineele Sententien te Executeeren, en de Ses eerste ged„t aldaar aan den scherp regter overgeleeverd, en aan een paal gebonden zijnde met roeden op de bloote rugge strengelijk zullen worden gegeesfeld mitsg„s de eerste ged=e daarop gebrand merkt en dus gezamentlijk voor den tyd hunnes Leevens uuyt deesen Lande, en den 207 Een „ ressorte van dien gebannen te werden, wijders de laatste ged=e omme na dezelve Executie te hebben aanschouwd voor de tyd van vijf en twintig jaaren in s'E. Comp: Slaven Loge geconfireerd te blijven en dat uwelE: achtb: omtrend de 7e gede Lucas Marthinus Marais, zodanig gelieve te disponeeren als na derzelven gewoone paudentie zullen nodig oordeelen met Condem„ „natie van alle de get: in de ten deesen gevallene kosten en misen van Iustitie ofte tot zulke andere Straffen als uw E. achtb: na Exigentie van zaaken zullen vinden te behooren /:was geteekend :/ D: van Ryneveld. Accordeert H Kiel gem Clereq 250 Deese is de Leijdt aangaande de perzoonen die by het schip Nicobaar is geweest die ik ken Iacob van Reenen Hermanus van der Schijf Christoffel Roch Cornelis Uijs Hendrik gildenhuijs Hb. Zoon Pieter Gildenhuijze H. Zoon Hans Groblaar Hendrik Odendaal Adriaan adendaal Ian de Lange knegt van otman Wolf Knegt van david Beijer Petrus Kemp Jan Blom Jan Blom Janz Dirk Cornelis Uijs Ian Hendrik de greijs Pieter Swart de oude Jan Swart Pietz. Jacobus Joh„s Swart pz. Daniel Swart Pz Johs, Sacharius Thoolman Hermanus Bedelinghuijs Hans Jure Lende wessel wessels. Hendrik wesfels. Mattheus gerhardus Benkis. Barend adriaan Beukis wessel Beukis. Hendrik Beukis Jacobus Linde L: B 251 Willem Odendaal Jan Swart Hendksz Iuri Human Matthijs Human. Loures Tailjard Iacobus Odendaal. gert Kemp gert Kempgertz: Jacobus Nicolaas Swart Jacobusz Johs, paulus Swart. Matthijs Appel Matthijs Lourens. Dirk Cornelis Lourens Hendrik Iacobus Lourens Iacobus Swart de oude Pieter Swart Jacobusz Pieter van wijngaard Joh, albertus Guldenhuijs Dirk Mattee Johs Jochemis Swart Lucas Marthinus Tharee Ian gertze Jochemis Mattee Ian de wegen Michiel Matthe Daniel Bester Johs, Jac„o tesselaar Philip Fourie Joh, Bernardus Swart Sac„o Iurgen Fock gernardus Odendaal Pieter Swart Janz. Cornelis Swart. — Daniel Swart Janz. Elias Matthe Loh, marthinus Hatting Hans Jacob Brits Abram Matthé Johan Urbanis Smal Michiel Sleijn. Christoffel Beijer Mattheus guillaume Andries Niemand andrz Hendrik Flock Christiaan Flock Burger van Dijk Piet van Dijk Mattheus willemse d'oude Mattheus Willemse de wede wessel wessels. wijnand wessels. Durri Joh„s, van Dijk Pieter Lavras Thoolman Christoffel groenewald Christoffelz Louies Fourie Christiaan Coenze Andries Beijer Ian Maree Luijkerz Casper Badenhorst. Ian Eerve Daniel Jacobus de Kock Thomis Knoetse Niclaas Swart Niclaasz Jacobus Michiel Swart Hans Jacob Zwart Niclaasz Hendrik Swart Pieterz.

NL-HaNA_1.04.02_4324_0267 view scan ↗

English

252 Albert Meyerin Jan Nieuwenhuijse Barend Pieterse Gert Swart Johs Hendricus Krans Willem Bester Hendrik Groenewald Christoffel's son Coenraad Johannis Groenewald Jacobus Fourie aforesaid clerk Report given before the Honorable Commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, and at the requisition of the Junior Merchant and Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, the Honorable Daniel van Ryneveld, by and on behalf of the Orphan Master here, Sieur Hendrik Justinus de Wet, reading as follows: Agrees. H. Heel That after the relator, on Friday the 18th of July 1783, being provided with a written authorization from the Right Honorable and Most Worshipful Lord Governor in loco, had departed from here in order to act with the goods of the wrecked Danish Asiatic Company ship Nicobar, commanded by Captain Andries Kristi, according to the relator's discretion, which vessel was stranded on the 11th of this month near the Ratel River, situated at the Soetendaalsvallei. That the relator, having arrived on Monday late in the afternoon near the place of the Burger Cornet Monsr Jacobus Johannes Tesselaar named the Groote Hagel Kraal, the relator was met by a wagon belonging to a Groenewald, which was driven by a bastard Hottentot, and which wagon was loaded with two hogsheads of brandy, along with some planks and cordage, etc., the relator having immediately made that wagon turn back to the aforementioned place 253 of the aforesaid Monsr Tesselaar and unloaded there, while the relator himself was just proceeding on the way to the aforementioned place. That upon the relator's arrival there, the aforesaid Monsr Tesselaar informed the relator that he had already written a letter to the relator, giving notice therein of salvaging the washed-up goods and awaiting the further order of the relator, and since the said Tesselaar had seen that the goods were being carried off by the farmers present there on the beach, he had also already provisionally had a quantity of goods carted from the beach to his place in order to hand them over to the relator, as indeed happened upon the relator's arrival there, which goods consisted of: A lot of pine planks Boats' oars Half a barrel of butter An empty trunk Three empty casks A hogshead of brandy A cask of beer. That after staying a short time at the aforementioned place, there arrived four wagons loaded with planks, boats' oars, a cask of brandy, two anchors of the same, furthermore some small empty casks, small boxes and chests, along with a quantity of ironwork, the said wagons being driven by the owners, and as the road passed across the yard of the said place of the aforesaid Tesselaar, the relator had the said wagons stopped and showed to the people who were with them, consisting of eight to ten persons, the relator's aforesaid act of qualification, by virtue of which the relator judged that these wagons ought to be unloaded immediately, but that the relator's words found little acceptance, as the said persons believed that carting away the said goods was completely permitted, while they essentially testified that it had been told to them by the burger Jacob van Reenen that it was a foreign ship and thus everyone was free to scavenge, to which they, along with the others, had then proceeded. That nevertheless, after much argument back and forth, the said persons finally decided, though in a brutal manner, to throw the goods from the wagons, whereby not only the cask of brandy fell to the ground in pieces and ran empty, but at the same time the other goods were also scattered here and there on the ground. However, since there was no storage for the goods there, and apart from the aforesaid two anchors of brandy there were also no goods of value to be found among them, the relator had them loaded up on the spot by the substitute of Stellenbosch, who had traveled thither with the relator, and this in the presence of the aforementioned persons; subsequently, in the evening, the Field Corporal Fourie also arrived there on horseback, of whom the relator having asked how it was that no better order had been maintained regarding the stranded and washed-up goods, the same people

Dutch transcription

252 Albert Meyerin Jan Nieuwenhuijse Barend Pieterde gert Swart Johs Hendricus Krans Willem Bester Hendrik groenwald Christoffel zoon Coenraad Iohannis groenewald. Iacobus Fourie gem Clerei Dat na dat den zel=t op vrydag den 18 Julij 1783. voorsien zynde met een schriftelijke qua„ „lificatie van den wel Edele Gestr: Heere Gouverneur in Loco van hier vertrocken was ten eijnde met de goederen van het verongelukte diens Asia„ „tesch Comp=e schip Nicobar, waarop gecomman„ „deerd heeft, Capitain Andries kristi te handelen na zijn rel„s goeddunken, welke bodem op den 11 deeser bij de ratelrivier, geleegen aan de Soetendaals vallig was gestrand. dat den relt of maandag laat in den na de middag nabij de plaats van den Burger Cornet monsr Jacobus Johannes Tesselaar genaamt de groote hagel kraal gekomen zijnde, den relk aldaar te gemoed was komen ryden, een wagen van eene groenewald die door een bastaart Stottentot wierd voortgereeden, en welke wagen belaaden was, met twee oxhoofden Bran„ „dewijn, beneevens eenige planken en Touwerk &„a hebbende den rel=t dien wagen terstond doen te rug keeren, naa de bovengem: plaats„ Relaas gegeeven ten overstaan van EE Gecommitteerdens uyt den E: Agtb: raad van Justitie dezes gouvernements: ende ten requi„ „sitie van den onderkoopman en Landdrost van stellenbosch en drakensteijn d' E: daniel van Ryneveld door ende van weegens den weesmeester alhier S„r Hendrik Justinus de Wet Luydende als volgts H Heel Accordeert van 253 van voorsz: Mons r Tesselaar en aldaar ontlaasen, terwijl den relt zelve Juijst op de weg en na de bovengemelde plaats zig quam te begeeven. dat bij des zelts aankomst aldaar voorsz: Monsr. Tesselaar aan den relt. hebbende gecommu„ „niceerd, dat hij reeds een brief aan den relk geschreeven, en daar bij kennisse had gegeeven de opgespoelde goederen te bergen, en de verdere ordre van den rel„k te blyven afwagten, en terwyl gem: Tesselaar gesien had, dat de goederen door de aldaar aanstrand zig bevindende boeren weg genomen wierd, had hij by voor„ „raad ook reeds een parthij goederen laaten van strand naar zin plaats overijden om deselve aan den te overhandigen, gelyk sulx ook geschied is bij des rel„ts komst aldaar en welke goederen bestaan hebben in Een parthij greene planken —„ boots riemen „ half vat booter „Leedige koffer drie Leedige vaaten Een ox hoofd Brandewijn Een vat Bier. dat na een wynige tijds vertoeven of meer¬ „gem: plaats aldaar aangekoomen zynde vier wagens belaaden met planken, bootsziemen, Een vat Brandewijn, Twee ankers dito voorts eenige Leedige vaatjes kasjes en kisten, be„ „neevens een gedeelte ijserwerk, werdende deselve wagens door d'Eygenaars voortgedreeven terwijl de weg over de werf van gem: plaats van voorsz: Tesselaar henen ging, had den rel=k deselve wagens door stilhouden en aan de Lieden die of deselve waaren, bestaande uijt Agt â tien persoonen des den rel=k voorsz: acte van qualificatie vertoond uyt welkers kragt den rel„t oordeelde dat deese wagens direct moesten werden ontlaaden, dat des rel=ts reeden wynig ingang gevonden hebbende, alsoo deselve persoonen hadden gemeijnd het opzeiden van deselve goederen volkoomen ge„ „permitteerd te zin, terwyl zyl: substantieelyk betuijgden dat door den burger Jacob van Reenen aan hun was gesegt, dat het een vreemd schip was en dus een yder vrijstond om te raapen waartoe zy dan neevens de andere waaren overgegaan. - dat egter door veele over ende weder reedenen deselve persoonen eijndelijk beslooten hadden, dog of een brutale manier de goederen van de wagens te smijten, waar door niet alleen het vat Brandewyn in stucken ter aarden viel en ledig liep, maar teffens ook de andere goederen hier en daarop de aarde verspreijd zaakte. — dan terwijl aldaar geen berging voor de goederen was, en buyten de voorsz: twee ankers Brandewyn ook geene goederen van waarde zig onder quam te bevinden, had den rel„t deselve aldaar ter plaatse door den substituut van stellenbosch die zig met den rel„t derwaards had begeeven doen opreyden en wel in het bijweesen van de voorgem. persoonen zynde vervolgens des avonds almeede te paard aldaar aangekoomen den veldwagt„ „meester: Fourie aan den welken den zelt gevraagt hebbende hoe het quam dat omtrend de gestrande en opgespoelde goederen geen betere ordre was gehouden. denselven Lieden den

NL-HaNA_1.04.02_4324_0269 view scan ↗

English

the deponent had substantially answered: that he had strictly forbidden anyone and everyone who had appeared near the stranded ship from picking up the goods, which had also been properly observed, and he had also prevented this with his guard, indeed everything had remained in fairly good order until the arrival of the burgher Jacob van Reenen, who had given everyone the freedom to take away whatever they could, as he, van Reenen, had said he would take full responsibility for whatever came of it, whereupon everyone had managed to take possession of the washed-up goods, which it was then impossible for him, the field cornet, to prevent. That on Tuesday the 22nd of the same month, very early in the morning, having gone to the place of Marthinus marais to speak with the chief mate of the wrecked ship, who was lodging with the said marais, the deponent had discovered that many wagons had crossed the road, which the deponent presumes came from the beach the previous night, while a person from the unloaded wagons at the aforesaid monsieur Tesselaar had ridden back to the beach, whom the deponent also encountered upon his arrival at the beach, and whom the deponent believes to be named a Fourie; that the deponent, upon his subsequent arrival at the place of the said marais, having learned that the aforesaid chief mate along with the other persons from the wrecked ship had already departed for the Cape, the wife of the aforesaid marais had shown the deponent several pieces of red baize, red flag cloth, as well as two oxhoofds of brandy, a barrel of beer, two cases of geneva, and further a wagon with planks and ropes, which she said had been ridden from the beach by her husband. That the deponent subsequently, having proceeded to the beach, had there presented to the aforesaid marais, for the housing, food, and drink provided by him to the ship's crew, all the aforesaid goods reported by his wife, except the two barrels of brandy, after which the deponent, having read his commission to the present persons who had gathered together, declared to them his intention to publicly auction to the highest bidder the few goods that lay there on the beach as well as were on the wagons, along with the one oxhoofd of brandy and one barrel of beer ridden by the aforesaid monsieur Tesselaar himself to his house, together with the two ankers of brandy brought to the aforesaid place by the burgher Burgert van dijk, as the deponent then also did, and at the end of which sale it was also clearly evident that they had agreed among themselves not to bid more for the goods than what each would set for his portion that he had gathered up, as the aforesaid Burgert van dijk also bought in the two ankers of brandy on that occasion, which the deponent presumes were brought by them to the place of the aforesaid monsieur Tesselaar. That the deponent, before the public sale had commenced, having asked all the present persons who had given them the right to deal so arbitrarily with the same goods and take them with them, they had answered unanimously as if from one mouth, Jacob van Reenen, since he had said to them that they had complete freedom to take whatever they could get, as it was a foreign ship, and whatever came of it he would take upon himself, and notwithstanding that the deponent pointed out to them the groundlessness of the statements of the aforesaid van reenen, this nevertheless found little acceptance among some insolent and reckless ones among them, whereas the deponent had nevertheless succeeded in bringing the largest part to a halt. Declaring nothing further, the deponent gives as reasons for his knowledge as stated in the text, being prepared to confirm the same under oath if required. Was signed below: Thus related and reviewed at Cabo de goede Hoop on 7 August 1783, before the Honorable Gerrit Hendrik Cruywagen and Hendrik Le Sueur, members of the Honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the original minute hereof together with the deponent and me, the sworn clerk. Lower: Which I witness, was signed: P: L: Bletterman, sworn clerk. Review of testimony Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice aforesaid, Pieter Hendrik Justinus de wet, who, having this his foregoing account read aloud word for word, clearly and distinctly, declared to persist therein, with the desire that nothing more shall be added thereto or removed therefrom, and therefore, in confirmation of the truth thereof, in the presence of the burgher daniel verwij as the authorized representative of monsieur Jacob van reene, spoke the solemn words: So help me God Almighty. Agrees. Thus reviewed and sworn at Cabo de Goede Hoop, on 16 June 1784. Was signed: P: H: de Wet. Lower: In my presence, signed: P: L: Bletterman, sworn clerk. In the margin: As commissioners, and signed: G: H: Cruywagen and J: Karnspek.

Dutch transcription

254 den rel„t substantieelijk geantwoord had: dat door hem volstrekt aan alle ende een ygelijk die zig omtrend het gestrande schip vertoond had verbooden geworden het opraapen den goederen sulx ook behoorlyk was g'observeerd, en hy ook met zyn wagt sulx had teegen ge„ „gaan, Ja alles din een tamelijke goede ordre was gebleeven tot de komst van den burger Jacob van Reenen die aan een yder de vrylyd had gegeeven van weg te neemen alles wat zy konden, also hij van Reenen gesegt had alles op zig te willen neemen, wat daarvan quam waarop zig dan ook een yder van de opgespoelde goederen had weeten meester te maaken, het welk hem veldwagtmeester als toen onmoogelyk geweest was te kunnen beletten. dat op dingsdag den 22 den zel: t des mor„ „gens zeer vroeglydig zig na de plaats van Marthinus marais begeeven hebbende, om den opperstuurman van het verongelukte schip, die bij gem: marais Logeerde te spreeken, den rel„t had ontdekt, dat er veele wagers dwars over de weg waaren gepasseert, denwelke den rel„t praesumeerd dien gepasseerden nagt van strand te zyn gekoomen, terwil een per„ „soon van de afgelaadene wagens bi voorsz: mons r Tesselaar te rug naar het strand was gereeden denwelken den zelks bij zyne komst aan het strand ook aangetroffen had, en die den rel„t meend eene Fourie te zyn genaamd dat den rel„t vervolgens bij zyne komst ter plaatse van gemelde marais vernoomen hebbende, dat den voorsz: opperstuurman nevens de overige persoonen van het verongelukte schif„ reeds naar de Caab vertrocken waaren, had de huysvrouw van voorsz: marais aan den rel:t aangeweesen eenige lappen roode baay roode vlagge doek als meede twee oxhoofden „Brandewijn, een vat Bier, twee kelders gene„ „ven, en voorts een wagen met planken en touwen die zy zeyde door haaren man van strand te zyn gereeden. dat den rel„t vervolgens zig na het strand begeeven hebbende, aldaar aan voorsz: marais voor huysvesting eeten en drinken aan het scheeps volk door hem gegeeven alle de voorsz: door zyne huysvrouws aangegeevene goederen prosent had gedaan, except de twee vaten Brandewijn, waarna den rel„t vervolgens aan de aanweesende persoonen die by elkanderen gekoomen waaren zyne acte van qualificatie hebben„ „de voorgeleesen, hun gedeclareerd had, zijne intentie te zyn van de weynige goederen die aldaar zo op het strand lagen als op de wagers zig bevonden, nevens de door voorsz. monsr Pesselaar zelve na zyn huijs gereedene Een oxhoofd Brandewijn en Een vat Bier, mitsgaders de twee of de voorsz: plaats door den burger Burgert van dijk aangebragte ankers bran„ „dewijn, aan de meestbiedende publicq te willen ovvijlen, zo als den rel„k sulx dan ook had verrigt, en bij het uijteijnde van welke verkooping het dan ook klaar bleek, dat zijlieden het overeengekomen waaren voor de goederen niet meerder te geeven, als waarvoor een yder zyn portie die hij opgeraaft had instellen zoude, alsoo voorsz: Burgert van dijk ook de twee ankers Brandewyn by die geleegendheid heeft inge„ „kogt, denwelken den rel:t: praesumeerd, door hun op de plaats van voorsz: mons: r Tesselaar te zyn aangebracht. dat de zel=t alvoorens de publicquen ver„ roode „kooping 255 „kooping een aarvang had genoomen hij rel=t aan alle de aanweesende persoonen gevraagd hebbende, wie hun regt gegeeven had met de„ „selve goederen, zo willekeurig te handelen en na hem te neemen, zylieden als uijt eenen mond eenparig geantwoord hadden Iacob van Reenen, alsoo denselven aan hun gesegd had, dat zy volkomen vryheijd hadden na hun te neemen wat zij krijgen konden, terwijl het een vreemd schip was, en wat er van quam hij of zig wilde neemen, en niet teegenstaande den zel„t hun de ongegrondheyd van de ge„ „segdens van de voorsz: van reenen voor oogen stelde, vond sulx egter wynig ingang by een brutaale en onbesonnene van hun, daarenteegen het egter den zelt had gelikt de grootste partie tot stilstand te kregen. Niets meer verklaarende geeft den relt voor reedenen van weetenschap als in den text beryd zynde, het zelve des gerequireerd werdende met Eeden te bevestigen. /:onderstond: Aldus gerelateerd en gerecolleerd aan Cabo de goede Hoof den 7 augustus 1783, voor d' EE: gerrit Hendrik Cruywagen en Hendrik Le Sueur Leeden uyt den E: Agtb: raad van sus„ „titie voormeld, die de minute dezes benevens den rel„t, ende my geswCleroq meede behoorlyk hebben onderteekend. /:lager:/ T welk ik getuygen /:was geteekend:/ P: L: Bletterman gesw Clercq. — Recollement Compareerde voor ons onderget: gecommitts uyt den E: Agtb: Raad van Justitie voormeld, P=r Hendrik Justinus de wet, dewelke deese Kiel R gemCleren Accordeert. Aldus gerecolleerd en B'Eedigt aan Cabo de Goede Horp, den 16 Juni 1784. /:was getekend: H: C: de Wet /:lager:/ mij praesent /:getekend: A: L: Bletterman gesw Clercq /:in margine:/ als gecommitt„s /:en getekend:/ G: H: Cruywagen en J: Karnspek. — zyne voorenstaande relaas van wonrde tot woorde klaar en duydelyk voorgeleesen weesende, verklaarde daar bij te blyven persisteeren, met begeerte dat er niets meer bygevoegt ofte van gedaan werden zal, en sprak dierhalven ter bevestiging der waarheyd van dien ter prae„ „sentie van den burger daniel verwij als gemag„ „tigde van mons=r Jacob van reene de Solemneele woorden zo waarlyk helf my god almagtig /:onderstond: zyne

NL-HaNA_1.04.02_4324_0271 view scan ↗

English

Given before the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government and at the requisition of the Junior Merchant and Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Mr. Daniel van Ryneveld, by and on behalf of the substitute of the Stellenbosch drostdy, Christiaan Godhelf Rudolphi, of competent age, reading as follows: That the deponent, on the 18th of the past month of July, had obtained from the requester a written order, shown at the passing of this document, to proceed to the assistance of the Orphan Master, Mr. Hendrik Justinus de Wet, who acts as correspondent here in this country to look after the affairs of the Danish Asiatic Company, to the so-called Soetendaals Valley situated across the Hottentots Holland mountains, and there to make and devise such arrangements and measures as should be required and would be deemed best for the conservation and salvage of such goods as might have washed ashore from the Danish ship stranded there a few days previously, which, as the deponent was afterwards informed, was named Nicobar, and also to prevent all irregularities that might occur in that regard. That the deponent thereupon, on the following day, being Saturday the 19th of the said month, departed from Stellenbosch with and together with the aforesaid Mr. de Wet, and on Monday the 21st of that month had arrived at the farm of the burgher Johannes Jacobus Tesselaar, named De Hagel Kraal, situated about three hours from the place where the aforesaid Danish ship was stranded; at which farm of the said Tesselaar, as they arrived there, five wagons had come driving from the beach belonging to Jacobus Fourie, the Field Cornet Louis Fourie, Coenraad Johannes Groenewald being field corporal, and Burgert van Dijk, having been laden with brandy, beer, and planks, spars, and some empty leaguers, which the deponent had immediately seized, whereupon the goods laden on those wagons were unloaded, while the wagons subsequently departed from there, and the unloaded stranded goods were de facto sold by public auction by the aforesaid Mr. de Wet to the highest bidder. That at the aforesaid farm De Hagel Kraal there was also present the Field Cornet Jacobus Fourie, who had held the command on the beach over the burghers who had been commanded there in order to prevent all irregularities and beach theft or robberies; the deponent had asked that man why he, in accordance with his duty, had not maintained better order on the beach and had not prevented the taking away and transport of the stranded goods; to which that man had essentially said that he had maintained good order on the beach, but that subsequently the burgher Jacob van Reenen the Younger had arrived there on the beach and had said to the gathered people that it was free for the picking, that everyone might freely take away on his responsibility the goods washed ashore there from the ship, and that whatever might come of it was for his account and responsibility; upon which statement made by Jacob van Reenen, he, the Field Cornet, had no longer been able to maintain order, seeing that no one wished to listen to him any longer, but everyone did and took whatever they could lay hands on. That the deponent, riding the following day, being Tuesday the 22nd of July, with the aforesaid Mr. de Wet to the beach at the place where the wreck of the ship lay, riding beforehand past the farm of the farmer Marthinus Marais, had found lying there a lot of stranded goods, consisting of brandy, gin, about twelve pieces of red and white flag bunting, together with eight pieces of red baize; and since the said Marais had housed the people saved from the stranded ship, the aforesaid Mr. de Wet made a present of flag bunting and red baize to that man, while the brandy and gin were also sold at the auction held on the beach; that when they arrived on the beach on that same day, they had found there about thirty wagons and many people, all of which wagons were laden with goods from the stranded ship, to which people present there both the deponent and the said Mr. de Wet, having asked how they had dared to presume to take away the aforesaid goods on their wagons, that

Dutch transcription

256 Dat den rel=k op den 18 der Iongst: maand Julij door den reqt een schriftelyke ordre bij het verleiden deezer vertoond, bekomen hebbende omzig ter adsistentie van den weesmeester S=r Hendrik Justinus de Wet die als Correspondent de affaire hier te lande van de deensche asia„ „tische Comp=es komt waar te neemen te begeeven, na de sogenaamde Soetendaals valley geleegen over het hottentots Hollands gebergte en aldaar zodanige schickingen en maatregulen te neemen en beramen als vereyscht werden zoude, en het best zoude worden g'oordeeld ter Constervatie en berging zodanigen goederen, als van het voor wynige dagen bevoorens aldaar gestrande deens schip, het welk zo den Comp=ts daarna verstendigt wierd, Nicobas genoemd geweest was, opgespoeld zyn zoude teffens om alle ongeregeltheeden die dien aan„ „gaande voorvallen konden voor te komen. dat den Comp„t daarop des volgenden daags, afte of saturdag den 19 der gemelde bebaas gegeeven ten overstaan van de ondergeteekende ge„ „committ:s uyt den E: Agtb: raad van Justitie deezes gou„ „vernements en ter requisitie van den onderkoopman en Landdrost van Stellenbosch en drakensteijn St. Daniel van Ryneveld door ende van we„ „gers den substituut der stellenbosche drost dije Chris„ „tiaan godhelf Rudolphi van Competenten ouderdom, Luy„ „dende als volgt. maand L:a 257 maand met ende benevens voorsz: S=r de wet van stellenbosch vertrocken, en of maandag den 21 dier maand gekomen waaren of de plaats van den burger Fecier Johannes Jacobus Tesselaar, genaamd de hagel Craal geleegen Circa drie uuren van de plaats alwaar het voorsz: deensch schip gestrand was of welke plaats van gereste Aesselaar, zo als aldaar, waaren g'arriveerd van het strand waaren komen rijden vyf wagens toebehoorende aan Jacobus Fourie, den veldwagtmeester Louis Toirie Coenraad Iohannes Groenewald zynde veldcorporaal en Burgert van dijk, belaaden geweest zijnde met Brandewijn Bier en planken, rondhouster in eenige „leedige leggers welke wegens den rel=t op stonds hadde g'arresteerd, invoegende of die wagers gelaaden geweest zynde goederen waaren af„ „gelaaden, terwijl de wagers vervolgens daar van daar vertrocken en de afgelaadene strand goederen defacto door voorsz: Sr de wet by opveijling zyn verkogt geworden, aan de meestbiedende. dat op voorsz: plaats de hagel craal meede praesent geweest zynde den veldwagtmeester Jacobus Fourie die het Commando aan het strand over de aldaar gecommandeert geweest zynde Burgeren gehad hadde, ten eynde alle ongezeegeldheeden en strand dief of roverijen te beletten den Comp=ts aan dier manhad ge„ „vraagd waarom hij ingevolge van zyne pligt geene beetere ordre aan strand. gehouden en het wegneemen en vervoeren der strand goederen niet belet had! dien man daarop substantieelijk had gesegd, dat hy goede ordre aan strand had gehouden, dog dat vervolgens den burger Iacob van Reenen de Jonge; aldaar aan strand was gekomen en tot het te zamen gevloeyde volk had gesegt. dat het vry raapen was, dat elk het aldaar van het schip opgespoelde goed of zyne ver „antwoordinge vry weg zyden mogte, en dat het geen daarvan komen mogte sulx voor zyne reekening en verantwoording was, of welk door Jacob van Reenen gedaane Leggen hy veldwagtmeester geene ordre meer had kunnen houden, gemerkt niemand meer na hem had willen luijsteren, maar elk gedaan en genomen had wat maar had kunnen magtig worden. dat den Comp„t met voorsz: S:r de wet 's vol„ genden daags of of dingsdag den 22 July naar het strand ter plaatse alwaar het wrak van het schip lag zydende, zy in het zyden bevoorens hadden aangeweest over de plaats van den Landbouwer Marthinus Marais Zyl: aldaar hadden vinden leggen een partij strand goederen, bestaan hebbende in Brandewyn, ge„ „neever Circa twaalf stukken rood en wit vlagge doek mitsgaders agt stucken roode baay, en dewyl gem: marais de van het gestrande schip gesalveerde menschen gehuysvest hadden gehad, voorsz: S. r de wet aan die man vlagge doek en roode baay praesent gedaan, Terwyl de Bran„ „dewyn en goneever op de aan strand gehoudene vendutie meede verkogt geworden is, dat zij als toen ten zelven dage nog aan strand ge„ „koomen zijnde, aldaar hadden gevonden circa dertig wagens en veele menschen alle welke wagens belaaden waaren met goederen van het gestrande schip, aan welke daar bij zijnde menschen zo wel den relt als gem: P. r de Wet gevraagd hebbende hoe zijlieden zig hadden durven onderstaan, de voorsz: goederen weg te neemen of hunne wagens dat te

NL-HaNA_1.04.02_4324_0273 view scan ↗

English

to load the goods in order to transport them from there, whereupon those people had appealed to the aforementioned statement of the aforesaid Iacob van Reenen, so that the deponent as well as the said Monsieur de wet presented to those people their unlawful and unfair conduct, though it had cost much effort to convince them of their improper behavior, there having even been among those people some who had asked Monsieur deWet whether he had a letter of credentials from the government, to which the said Monsieur de wet in turn had said to them, you ask me for a letter of credentials, but why did you not also ask van Reenen whether he had a letter of credentials, and there were among those people some who thereupon replied, Yes! that is also true, we might well have done that too, the aforesaid goods subsequently being put up for auction and sold just as they were loaded on the wagons, and that they fetched such a low price at the auction had resulted from the country people having mutually agreed and determined among themselves that none of them should be allowed to bid on the goods loaded on someone else's wagon, without the aforesaid Monsieur de wet or the deponent being able to prevent this, since no one had made a bid on those goods except the one on whose wagon the goods being auctioned were located. The deponent testifying that the aforesaid Pieter de wet had offered to the country people, as the deponent best remembers, fifty rix-dollars if they would bring the two hogsheads of brandy to the Cape, but that they had refused this, the deponent lastly stating that the aforesaid Pieter de wet had read aloud on the beach to the country people present his act of qualification or letter of credentials obtained from the Right Honorable Governor and held with him. Relating nothing more, the deponent gives as reasons for his knowledge as in the text, being prepared to confirm the same on oath. Thus re-examined and sworn at Cape of Good Hope on the 24th of June 1784. Was signed: Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the aforementioned Christiaan godhelp Rudolphi, who, this preceding statement of his having been read out clearly and distinctly word for word, declared to persist therein, with the desire that nothing more shall be added thereto or removed therefrom. And therefore, in confirmation of the truth thereof, in the presence of the burgher daniel verwey as proxy of Monsieur Jacob van Reenen, he spoke the solemn words So help me God Almighty. Re-examination. Underneath: Thus related at Cape of Good Hope, the 7th of August 1783, before the Honorable Gerrit Hendrik Cruywagen and Hendrik Lesueur, members of the Honorable Worshipful Council of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof together with the deponent and me, the sworn clerk. Lower down: Which I witness. Was signed: H: L: Bletterman, sworn clerk. C: G: Rudolphi. Lower down: in my presence, signed: A: L: Bletterman, sworn clerk. In the margin: as commissioners, and signed: G: H: Cruywagen and J: Karnspek. Agrees. H D Kiet Statement given in the presence of the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government and at the requisition of the junior merchant and landdrost of stellenbosch and drakensteyn, Monsieur daniel van Ryneveld, by and on behalf of Christoffel Schultz, of competent age, formerly chief mate stationed on the Danish Asiatic Company ship Nicobar stranded near the Soetendaals valley, reading as follows: That the deponent, having arrived on the 11th of July 1783 in the evening after sunset from the wreck Nicobar with injured arms and legs upon the rocks on the beach, and having spent the night on the ground, the deponent had arrived the following day in the evening at a house about three miles from the beach, belonging to a man named marthinus Marais, who, having on the 13th thereafter fetched with his wagon the injured crew lying on the beach, showed both to the deponent and to all the others every serviceability and assistance as far as was within his power; the deponent having asked him for paper to write here to the orphan master Monsieur Hendrik Justinus de Wet, the said marais testified to having no paper, and that he would go to the beach to

Dutch transcription

258 te laaden om deselve van daar te vervoeren als wanneer die menschen hun beroepen hadden op het bovengemelde zeggen van voorsz: Iacob van Reenen invoegen den Eel„t zo wel als gem: S=r de wet die men„ „schen voor oogen gesteld hadden hun onwettig en onbillijk gedoente, dog dat het veel moeijte gekost hadde, om deselve van hun onbetamelijk bedrijf te overtuijgen, hebbende onder die menschen zelfs geweest die aan Sr deWet hadden gevraagd of hy een geloofs briefje van de regeering hadde. dog waarop gem: S. r de wet aan herl: weder had gesegd gijlieden vaagt mij om een geloofs brief maar waarom hebt gij aan van Reenen, ook niet gevraagt, of hij een geloofs brief hadde, en onder die menschen geweest waaren, die daarop hadden hervat, Ja! dat is ook waar dat hadden wij ook wel mogen doen, zynde vervolgens de voorsz: goederen zo als deselve of de wagens gelaaden waaren opgeveijlt en verkogt geworden, dan dat deselve zo een lage prijs by de vendutie gehaald hebben, was daarvan daar gekomen, dat de buyten lieden onderling hadden afgesprooken en bestemd dat zig niemand hunner zoude mogen om op de goederen op imands anderen wagen gelaaden te mogen bieden, zonder dat voorsz: S„r de wet of den rel„k het zelve beletten konde, over„ „mits niemand op die goederen bod gedaan hadden, als den geenen of wienswagen de op„ „geveijlt werdende goederen zig bevonden Betuijgende den relt dat voorsz: P:r de wet aan de buyten lieden had gepresenteerd, zo hem rel=t het best geheugd vijftig ryxdaald„s zo wanneer de twee oxhoofden brandewijn naar de Caab wilde brengen, dog dat deselve sulx geweygert hadden, zeggende den zelk laatstelijk dat voorsz: P. r de wet zyne van den wel Edelen Gestrenge Heere /:onderstond:/ Aldus gerecolleerd en B'Eedigt aan Cabo de goede Hoop den 24. Junij 1784. /:was getekend:/ Compareerde voor ons ondergeteekende Gecom„ mitteerdens uijt den E: Agtb: raad van Justitie deezes gouvernements, voormelde Christiaan godhelp Rudolphi, dewelke deeze zyne voorenstaan„ „de Relaas van woorde tot woorde klaar en duydelyk voorgeleesen weesende, verklaarde daarbij te blyven persisteeren met begeerte dat en niets meer bygevoegt ofte van gedaan werden zal. En sprak dierhalve ter bevestiging der waarheijd van dien ter praesentie van den burger daniel verweij als gemagtigde van Mons r. Jacob van Reenen de solemneele woorden zo waarlyk helb my god almagtig. Recollement. /:onderstond:/ Aldus gerelateerd aan Cabo de Goede Hoop, den 7 augustus 1783. voor d' E E Gerrit Hendrik Cruywagen en Hendrik Lefueur, leeden uyt den E: Agtb: raad van Justitie voormeld die de minute dezes beneevens den rel„k ende my gesw: Clercx meede behoorlijk hebben onderteekend. /:lager„ T welk ik getuijge /:was getekend:/ H: L: Bletterman gesw Clercq. — gouverneur verkreegene, en by zig gehad hebbende acte van qualificatie of geloofs brief aan het strand aan de aanweesende Landlieden is voorgeleesen. geworden. Niets meer relateerende geeft den rel„t voor reedenen van weetenschap als in den text bereid zynde het zelve met Eede te staven Gouverneur 6 C: G: Rudolphi /:lager:/ mij praesent /:getekend:/ A: L: Bletterman gesw Clercq. /: in margine:/ als gecommitteerdens /:en geteekend:/ G: H: Cruywager en J: Harnspek. — gem Cleren Accordeert. HD Kiet 259 Dat den rel„t op den 11 Julij 1783. 's avonds na zons ondergang van het wrak Nicobar met geschondene armen en beenen op de klippen aan het strand aangeland zijnde en of de aarde doornagt hebbende was den relt 's daags daarna des avonds in een huijs omtrend drie mylen van het strand bij een man genaamd marthinus Marais aan„ „gekomen, denwelken den 13 daaraan het beschadigde volk het welk op het strand lag met zyn wagen afgehaald hebbende, zo wel hem rel„t als de andere overige alle dienstvaardighijd en hulfe beweesen, zoo veel maar immers in zijn vermogen was den rel„t hem om papier, om aan den weesmeester S:t Hendrik Justinus de Wet na herwaards te schrijven gevraagd hebben„ „de, had gem: marais betuigd geen papier te hebben, en dat hi naar strand zou gaan, Relaas gegeeven ten over¬ „staan van de ondergeteekende gecommitteerdens uyt den Edele Agtb: raad van Justitie deezes gouvernements en ter requisitie van den onder„ „koopman en Landdrost van stellenbosch en drakenstijn S=t daniel van Ryneveld door ende van weegens den op het omtrent de Soetendaals valley gestrande deens asiatisch Comp. e schip Nicobar beschey„ „den geweest zynde opperstuur„ „man Christoffel Schultz van Competenten ouderdom, Luyden „de als volgd. om 5 L: L: E

NL-HaNA_1.04.02_4324_0276 view scan ↗

English

to see if any paper had washed ashore, as the same marais had indeed done, while the relator in the meantime had gone to another house, and having arrived there, a certain person who stated that he was a servant of the veldwagtmeester, the relator recounted to him the misfortune that had befallen him and his fellow shipwrecked crewmen, which person told the relator that it was a matter for the veldwagtmeester, and the relator having followed that person to his house, upon the relator's arrival there gave notice of the incident to the veldwagtmeester and requested proper assistance, asking him to have a guard kept over the washed-up goods and to deliver a letter for him, the relator, to the aforementioned Sr. de Wet, to which he immediately showed his willingness. That the following morning the aforementioned veldwagtmeester, having proceeded to the beach with some men and the relator, and having arrived there, had a proper guard posted over the goods already washed ashore consisting of a quantity of chests and casks of wine, brandy, beer, and some other goods, and at the same time established such good order that little or nothing of value could be lost, just as the relator, when he had gone home the following day to have the wounds on his legs dressed, upon his return to the beach found everything in just as good condition and order as he, the relator, had left it, at which time the same veldwagtmeester, having also come to the relator, handed over to him, the relator, a small glass with gold dust, as well as a set of pinchbeck buckles and other trifles, besides some pieces of cloth, about thirty ells, which goods he, the veldwagtmeester, had caused to be taken from a Hottentot, whereupon the same relator went back to his lodging at the aforementioned marrais'. That the next day two persons who called themselves Iacob van Reenen and Kok, having come into the house of the aforementioned marais, the aforementioned Iacob van Reenen substantially said to the said marais in the presence of him, the relator, and the boatswain Cornelis Peterssen, the boatswain's mate Iensoelsen, and the quartermaster Ian Kermis present there: you can take what you can get of the goods from the ship that has stranded, but what belongs to the crew and they say is theirs, that you must give to them, but all the remaining goods are fair prize and belong to those who salvage them; after which the frequently mentioned van Reenen, Kok, and marais, having proceeded to the beach with the relator and having arrived there, the said van Reenen, in the presence of the aforementioned Kok and marais, substantially said to the countryfolk present there: take what has washed up there, it is fair prize, and whatever accountability is to be rendered for it, or whatever comes of it, I will take upon myself, for it is a custom in the entire world that when a foreign ship strands, the goods are prize; substantially adding further to this: I have been in England and have seen a Dutch ship strand there, where they acted just as I have said, over and above the fact that they even stripped the salvaged crew of their clothes there. That the countryfolk present there, having thereupon come to the frequently mentioned van Reenen, complained that because of the veldwagtmeester they were not allowed to take anything from the washed-up goods, the same van Reenen substantially said to them that it was not the business of the veldwagtmeester, as his business was only to commit the washed-up dead to the earth and to report to the landdrost on what occurred in his district, but to forbid people from taking anything away was not at all the business of him, the veldwagtmeester. That before and prior to the aforementioned van Reenen arriving there, the relator does not know that anything, at least of any importance, was taken away, but indeed since the arrival of the same van Reenen, as the countryfolk who were present there, immediately upon the declaration made by the aforementioned van Reenen, took away everything they could master; whereupon the relator, having ridden home with the aforementioned persons, the aforementioned van Reenen in the evening, in the hearing of the aforementioned persons, resumed his arguments made at the beach, with the substantial addition: I would certainly like to live here, and then I would know what I had to do. That the relator, having proceeded back to the beach the following morning, upon his arrival there found everything in the greatest disorder, as everyone was loading up whatever of the washed-up goods he could master, for the same countryfolk had come to blows with one another over the aforementioned goods, and whichever of them was the strongest appropriated the most. That the relator, finding his coat lying on one of the bushes and wishing to take it from there, one of those countryfolk came up to the relator, substantially asking: who gave you permission for that? To which the relator replied that this coat belonged to him, the relator, himself; whereupon that countryman, whom the relator knows well by sight but not by name, replied: I laid it out there to dry, and therefore it is mine; at the same time giving the relator several blows with the sjambok across the back, substantially adding thereto in Dutch: walk on now, [with respect], you damned bugger. That on the 19th following, the relator for the last time went to the beach and to the aforementioned

Dutch transcription

260 om te zien of 'er papier opgespoeld was, gelyk denselven marais dan ook gedaan had, terwijl den rel„t in dien tusschen tijd naar een andere huijs zig begeeven had, en alwaar meede gekomen zynde, zekere persoon dewelke ge „segd hebbende een knegt van den veldwagt „meester te zyn, den rel„t het ongeluk hem en zyne meede schipbreuk geleedene scheepe „lingen aan denselven had verhaald, welke perzoon aan den rel„t gesegd had, het een zaak van den veldwagtmeester te zyn, en welken persoon den rel t na zyn huysgevolgd zijnde, bij zyn relts komst aldaar aan den veldwagtmeester van het geval kennisse gegeeven en om de behoorlyke adsistentie had versogt, met bij de opgespoelde goederen de wagt te willen laaten houden en voor hem rel„t een brief aan bovengem: S=r de Wet te besorgen waartoe denzelven direct zyn bereidwilligheijd getoond had. dat 's anderen daags desmorgens de voorsz: veldwagtmeester met eenige man„ „schappen en den rel„t na het strand zig be„ „geeven hebbende en aldaar gekomen zijnde bi de reets opgespoelde goederen bestaande in een partij kassen en vaten met wijn, brandewijn, Bier en eenige andele goederen meer een behoorlijke wagt had doen stellen en teffens eene zodanige goede ordre dat er weijnig of niet van belang konde verlooren gaan, gelijk den rel„t dan ook, wanneer daags daar aan om de wonden van zyne beenen te doen ver¬ „binden naar huijs geweest was, bij zyn te rug komst aan het strand alles in even dien goedenen staat en ordre bevonden, als hij rel„t het verlaaten had, als wanneer denselven veldwagtmeester ook tot den rel„k gekoomen zynde, aan hem relt over„ „handigd had, een glaasje met stof goud „beneevens een guarnituur spinsbekke gespen, en andere kleynigheeden neevens eenige lappen laken, omtrend dertig Ellen welke goederen hij veldwagtmeester van een hottentot had doen afneemen, waarop den zelfk zig wederom naar zyn Logement tot voorsz: marrais had begeeven dat 's volgenden daags twee persoonen die zig noemden Iacob van Reenen en kok in het huijs van voorsz: marais gekomen zynde den voorsz: Iacob van reenen aan gemelde marais ter praesentie van hem rel„t en de aldaar zig bevindende boots„ „man Cornelis Peterssen den bootsmans„ „maat Iensoelsen, en den quartiermeester Ian kermis substantieelijk gesegd had gij kunt neemen wat gy krygen kunt van de goederen van het schip dat ge„ „strand is, maar wat het volk toekomt en zij zeggen wat hun behoord dat moet gij hun geeven, maar alle de overige goederen zyn goede prijs, en behooren aan die geenen die deselve bergen, waar„ „na meerm: van reenen, kok en marais met den zel„t hun naar het strand begeeven hebbende en aldaar gekoomen zijnde, had gemelde van reenen in praesentie van voorsz: kok en marais aan de aldaar aanweesende Landlieden substantieelijk gesegd neemt wat daar opgespoelt is, het is goede prijs en die verantwoording als die 261 die er van te doen is, of die er van komt wil ik of my neemen, want het is in de geheele waareld een gebruyk, dat wanneer een vreemd schip strand de goederen brijs zyn, voegende substantieelyk nog daarby bik ben in Engeland geweest en heb daar een hollands schip zien stranden waar„ „meede men gelyk ik gesegd heb, heeft gehandelt boven en behalven dat zij aldaar nog het geborgene volk de klee„ „deren hebben uytgetrocken. dat de aldaar aanweesende Landlieden daarop bij meerm: van Reenen gekomen zynde, zig beklaagd hadden, dat zy voor den veldwagtmeester niets mogte wegneemen van de opgespoelde goederen, denselven van Reenen substantieelijk aan deselve gesegt had, het niet de zaak van den veldwagtmeester te zijn alsoo zyn zaak alleen was, om de opgespoelde dooden ter aarde te bestellen en aan den Landdrost rapport te doen van het geene in zyn district passeerde, maar menschen te verbieden iets weg te neemen was in het geheel de zaak van hem voldwagt „meester niet. dat voor ende al eer de voorsz: van reenen aldaar gekoomen was, den rel„k. niet weet dat er iets ten minsten van eenig belang zoude zijn weg genoomen maar wel zedert den komst van den„ „selven van reenen, also de Landlieden die aldaar praesent waaren, direct op de declaratie door voorsz: van reenen gedaan, al het geene weg geno„ „men hebben wat zi meester konde worden, waarop de rel„k met de voorsz: persoonen na huijs gereeden zijnde voorsz: van Reenen 's avonds ten aanhooren van de voorsz: persoonen zyne reedenen aan het strand gedaan had hervat: met substan„ „tieele byvoeging, ik wenschte wel hier te woo„ „nen, en dan zou ik weeten wat ik te doen had. dat den rel t des anderen daags 's morgens zig wederom naar het strand begeeven hebbende bij zyn komst aldaar alles in de grootste dis ordre had aangetroffen, alsoo een yder van de opgespoelde goederen oplade het geen hy meester konde worden, want deselve Landlieden met elkanderen hand„ „gemeen geworden waaren, om de voorsz: goe„ „deren, en die van hun het sterkst was het meeste naasten dat de relt zyn rok of een der bosschen vinden leggen het zelve daaraf willende neemen, een dier landlieden bi den relk. gekoomen was, substantieelyk vraagende wie heeft uw permissie daar toe gegeeven! of het welk den reht g'antwoord had, dat die rok hem rel„t zelve behoorde, waarop die Landman die den relt wel van persoon, dog niet van naam kent gerepliceerd had, ik heb het daar te drooge gelegt, en daarom is het mijn, teffens den rel„t eenige slagen met de sjambok over de rugge gegeeven, voegende substantieelijk op zyn hollandsch daarby loot nou /: S: V: / Jbu ver„ „dom de moesneuker. dat den rel„t den 19 daaraanvolgende voor de laatste rheyse zig naar strand en by voorsz: het

NL-HaNA_1.04.02_4324_0278 view scan ↗

English

262 having gone to the wreck, had found there on the beach a party of people with their wagons, who, just as before, took possession of what they found, as the same persons even took the pieces of the wreck and other small articles for themselves as quickly as they could, whereupon the relator left the beach. That the same subsequently departed from the aforesaid Marais on 21 July with his wagon, and finally arrived safely here with the rest of the people in a wagon hired by the aforesaid Sr de Wet. The relator testifies that the day before yesterday, having been requested by the Lieutenant of the Burgher Infantry, Monsieur Johannes van Reenen, to come here, the relator also went there, and upon his arrival was asked about the whole aforesaid event by the aforesaid Monsieur van Reenen, where his brother, the mentioned Jacob van Reenen, had meanwhile also arrived. And the same having been related to him by the relator, the mentioned Jacob van Reenen had substantially said: That is not how I said it, and even if I had said it, they should not do what I said, for if I had said to jump into the fire, they would surely not need to do it or have done it, and in any case no one dares nor can do anything to me regarding this; I may give twenty-five rixdollars, and that will be all; and then he, Jacob van Reenen, would also well know what his father would write to the relator's principals in Europe. Declaring nothing further, the relator gives as reasons of knowledge what is in the text, and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, the solemn words: So help me God Almighty. Agrees Kiet H mentioned Clerk. Thus related, reviewed, and sworn to at the Cape of Good Hope on 7 August 1783 before the Honorable Gerhardus Hendrik Cruijwagen and Hendrik Le Sueur, Members of the Honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof along with the relator and me, the sworn clerk. Below: Which I witness. Signed: L: Bletterman, sworn Clerk. Below stood: Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, the former Boatswain Cornelis Pieterssen, of competent age, stationed on the Danish Asiatic Company ship Nicobar that was stranded near the Soetendaals valley, who, at the requisition of the Junior Merchant and Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, the Honorable Daniel van Ryneveld, declared it to be true: That the deponent, when on 10 July the stern of the ship gave way forwards, having ended up in the sea on the spar-timbers lashed together with the Captain of the Company's vessel Andreas Christi, the Cooper, and several others, had again reached the mizzen-top, on which six more men were present, on which mizzen-top the seven of them had sheltered for nearly two hours, when suddenly a heavy sea washed them all off it again; yet he, the deponent, reached the aforesaid mizzen-top anew and remained thereon until sunset, when he, the deponent, was again washed off the same top and was struck in his groin by a piece of spar, just as he, the deponent, at the same time being thrown onto the top once again by a second sea, was thus finally driven ashore around midnight. That the deponent, in that condition of much pain and misery, remained lying on the beach until the morning, when the Chief Mate Schultz came to the deponent, and having seen the deponent, walked along the beach away from the deponent, and upon his return covered the deponent with some washed-up pieces of woolen cloth that 5 L: E. F 263 the

Dutch transcription

262 het wrak begeeven hebbende, aldaar aan strand aangetroffen had, een parthij volk met hunne wagens die zeg gelyk bevoorens meester maakt van het geene zy vonden gelyk de„ „selve persoonen zelfs de stukken van het wrak en andere kleijnigheeden na hun namen zo spoedig zij konde waarop de rel=t het strand heeft verlaaten. dat den zel„k vervolgens den 21 Julij met de wagen van voorsz: marais van denselven vertrocken zynde, eyndelyk met een door voorsz: S:r de Wet afgehuurde wagen alhier met het overige volk behouden is g'arri„ „veerd. Betuygende den zelt of voor gisteren bij den Lieutenant der Burger Invanterij Mons r. Johannes van Reenen alhier versogt geworden zijnde, hij relt zig ook dezwaards had begeeven, en bij zyn komst door voorsz: monsieur van Reenen, alwaar desselvs broeder gem: Jacob van Reenen intusschen meede ge„ „komen was, na het geheel voorsz: geval gevraagd geworden zynde, en door hem rel„t het zelve aan hem verhaald zijnde, had gem: Jacob van Reenen, substantieelijk gesegd, zo heb ik het niet gesegt, en al had ik het ook gesegd, dan moeten zy niet doen, wat ik zeijde, want zo ik gesegt had in het vuur te springen, dan zouden zy het immers niet behoeven te doen of gedaan hebben, en in alle gevallen durf nog kan men mij desweegens niets doen, ik mag een vijf en twintig rijxdaalders geeven, en dat zal het alzijn; en dan zoude hij Iacob Eccordeert Kiet H gem Clercq. Aldus Gerelateerd gerecolleerd en B'Ee„ „digt aan Cabo de goede Hoop den 7. Augus„ „lus 1783. voor d' EE: gerhardus Hendrik Cruijwagen en Hendrik Le Sueur Leeden uyt den E: Agtb: raad van Justitie voorm: die de minute dezes benevens den relt ende my gesw Clercq meede behoorlyk hebben onderteekend /:lager:/ 'T welk ik getuij„ „gen /: was getekend:/ : L: Bletterman gesw: Clercq. /:onderstond:/ van Reenen, ook wel weeten wat zyn vader aan zyn rel„ts principalen naar Europa zoude schrijven. Niets meer verklaarende geeft den rel„t voor reedenen van weetenschap als in den text, en sprak dierhalven ter be„ „vestiging der waarheijd van dien, de solem„ „neele woorden, zoo waarlijk helf mij god almagtig van Compareerde voor ons ondergeteekende ge„ committ:s uijt den E agtb: Raad van Jus„ titie deeses gouvernements den op het omtrent de Soetendaals valley gestrande deens asiatisch Comp: schip Nicobar bescheydenen geweest zynde Bootsman Cornelis Pieterssen van Competenten ou„ derdom, dewelke ter requisitie van den onderkoopman en Landdrost van stellenbosch en drakenstein d'E Daniel van Ryneveld verklaarde hoe waar is. Dat den Comp„t wanneer op den 10 July de agtersteeven van het schip voor„ waards sweg met den Capitain van 's Compte Bodem Andreas Christi, den Kuyper en meer andere in Zee op de te zamen gesorde rondhouten aangekomen zynde wederom daaraf op de kruys„ mars waarop nog zes mannen zig bevonden was ter houw gekomen, op swel„ ke kruysmars zylieden met hun seven zig byna twee uuren hadden geborgen als wanneer eens klaps een stort Zee hun alle wederom daaraf geslagen had; dog was hy Comp„t op de voorsz: kruysmars op nieuws aangekoomen en zig daarop onthouden tot nu zons ondergang wanneer hy Compt. wederom van deselve mars afgeslaagen en door een stuk rond„ hout in zyn kruys was getroffen, ge„ lyk hy CComp„t ter zelver tyd door een tweede Zee al wederom op de mars geworpen zynde dusdanig eyndelyk omtrent middernagt aan Land is gedreeven. — dat den Comp„t in dien toestand veel pyn en Elende op het strand zynde blyven leg¬ gen, tot des morgens wanneer den opper„ stuurman schultz by hem Comp„s gekomen en hem Comp„s gesien had, zig van den Comp„s langs het strand begeeven had, Een by zin te rug komst den Comp„s met eenige opgespoelde lappen laken die 5 L: E. F 263 het

NL-HaNA_1.04.02_4324_0280 view scan ↗

English

he had found on the beach, and had also given a bottle of wine found there to the Appearer, after which the aforesaid First Mate had taken leave of the Appearer in order to see if he could find any house or dwelling. That on the same day in the afternoon, two persons came to the Appearer there on the beach, whom he, the Appearer, took to be countrymen, and of whom one, who was named Marthinus Marais, promised the Appearer that he would come to fetch him with the wagon the next day; as he had also done, the Appearer having been brought along with him, together with the Boatswain's Mate and Quartermaster alongside the sailor Jens Christense, riding to the house of the aforesaid Marais. That the Appearer having arrived there at the house of the aforesaid Marais, the Appearer alongside his unfortunate fellow shipmates and the First Mate Schultz, whom he, the Appearer, found there in the house, were very well received by the people of the house, as they also took such good care of him, the Appearer, while he could not help himself at all, that he, the Appearer, improved day by day from his sustained wound. That during the time the Appearer had been there, a person had arrived at that place, who he was told was named Jacob van Reenen, having with him another person who was called Cook; that the Appearer had heard the said Jacob van Reenen say to Marthinus Marais that he should take from the stranded goods whatever he could get, but whatever belonged to the crew should be handed over to them, for all the remaining goods were prize, and belonged to those who happened to salvage them. That thereupon the said Marthinus Marais sent his wagon to the beach, and having had some stranded goods brought to his house therewith, the Appearer had seen lying there in the house two hogsheads, an empty leaguer, and a water cask, together with some planks from the ship, as well as two ankers of brandy and two cases of gin, as well as some firearms; after which the Appearer, on 23 July, had ridden Capewards with one Christiaan Vlok alongside the Mate Schultz and the Boatswain's Mate Jens Olsen; that they had then also encountered on the road the Quartermaster Johannes Kermis, the sailor Jacob Christense, and a French sailor who had come aboard with them in False Bay, as well as a black man and a black woman who had gone ahead on foot a few days before the Appearer had departed from Marthinus Marais; and after they had been on the way for a day, four wagons came toward them, which said they wanted to ride to the wreck, since they had heard that an auction of the stranded goods would be held there, so that the Mate Schultz returned again with the said wagons, while the Appearer with the other castaways departed Capewards and arrived here on the 29th of the said month of July. Declaring nothing more, the Appearer gives as reasons of knowledge as in the text and therefore, in confirmation of the truth thereof, spoke the solemn words: So help me God Almighty. underneath stood: passed Thus re-examined and sworn at the Cape of Good Hope on 27 August 1783, through the translation of the sailor Axel Edward Ziervogel, before the Honorable Gerrit Hendrik Cruywagen and Hendrik Le Sueur, members of the Honorable Council of Justice aforesaid, who duly signed the original of this alongside the Appearer and the interpreter, as well as me, the Sworn Clerk. lower: Which I witness. was signed: H: L: Bletterman, Sworn Clerk. Agrees. H. Kier, appointed Clerk. That after the Appearer's appointed vessel had run aground on 10 July of this year at the so-called Soetendaals Valley, the Appearer, with the Quartermaster Johan Kermis, had reached land the following day in the afternoon around four o'clock, and having proceeded further inland, had discovered a house in the evening at, according to his estimation, well past ten o'clock, whither they having betaken themselves, thus came to one Marthinus Marais, living a good three miles from the beach, where the day thereafter toward evening the Mate Schultz also arrived, who had said to him that of their crew four white and four black men were still saved, alongside a woman, who all lay on the beach without being able to go any further; so the aforesaid Marthinus Marais fetched those persons the following day with his wagon, the Appearer going along with the same Marais to the beach. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the Boatswain's Mate Jens Olsen of competent age, having been appointed to the Danish Asiatic Company's ship Nicobar stranded near the Soetendaals Valley, who, at the requisition of the Junior Merchant and Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, the Honorable Daniel van Ryneveld, declared it to be true:

Dutch transcription

264 hy aan strand had gevonden bedekt, en ook een aldaar gevondene Bouteille win aan den Comp„t gegeeven, waarna voorsz: opperstuurman van den Comp„s zig begeeven had, ten eynde te zien of geen huys of wooning vinden konde. dat denselven daags 's nademid¬ dags by den Comp„t aldaar aan strand gekomen zijnde twee persoonen die hi Comp„t voor Landlieden aansag, en waarvan de eene die Marthinus Marais genaamd wierd den Comp„ be„ loofde des anderen daags met de wagen te zullen komen afhalen, gelyk denselven ook gedaan had, was den Comp„e met denselven meede brengen, de den Bootsmansmaat en quartier„ meester nevens den mattroos tens Christense naar het huys van voorsz: Marais gereeden. dat den Compt. aldaar ten huyse van voorsz: Marais gekomen zynde was den Compt. neevens zyne ongeluk¬ kige meede scheepelingen en den opperstuurman schultz die hy Compt aldaar in huys aantrof, van de huyslieden zeer wel ontfangen, ge„ lyk deselve ook zo goede zorge voor hem Comp„t terwyl zig in het geheel niet zelve konde helpen droegen, dat hy Compt. dag aan dag met zyne bekomene wonde beterde. dat geduurende den tyd dat den Comp„t aldaar was geweest daar ter plaatse was gekomen, een persoon die hem was gesegt Jacob van ree¬ nen genaamd te zyn, by hem hebbende nog een persoon die kok genaamd wierd den Compt. gemelde Jacob van reenen tot Marthinus Marais had horen zeggen, dat hy van de gestrande goederen moest nemen wat hy maar krygen konde; dog wat het volk toequam, het zelve aan hem moest overgegeeven worden, want dat alle de overige goederen prys waar¬ ren, en die geene toebehoorden die de„ selve quamen te bergen. dat daarop gem: Marthinus marais zyne wagen naar het strand gesonden, en daarmeede eenige gestran„ de goederen na zyn huys hebben de doen brengen had den Compt. aldaar in huys zien leggen, twee oxhoofden Een ledige legger en een water vat beneevens eenige planken van het schip, mitsgaders twee ankers bran¬ duin en twee kelders geneever, als meede eenige geweeren, waarna den Compt. op den 23 July met eenen Christiaan Vlok beneevens den Stuurman Schultz en den Boots„ mansmaat Jens olsen Caab„ waards gereeden waaren, zi toen op den weg ook hadden aangetrof¬ len den quartiermeester Johannes Kermis, den mattroos Jacob Chris¬ tense, en een Fransche mattroos die in de Baay Fals by hun aan Boord was gekomen, mitsgaders een swarte man en een swarte vrouw die eenige dagen voor dat den Compt¬ van Marthinus Marais was vertrocken te voet vooruyt gegaan waaren, zynde hun na dat een dag onderweegs geweest waaren, vier wagens te gemoed gekoomen, die na het wrak zeyden te willen reyden, vermits gehaord hadden dat aldaar van de gestrande goederen vendutie zoude werden ge„ houden, sulx den stuurman Schultz met gemelde wagens weder was te rug gekeert, terwyl den Compt. met de andere Strendelingen Caabwaards ver„ trocken en op den 62 9 der gem: maand July alhier g'arriveert was. hem Niets 263 Niets meer verklaarende geeft den Comp„ voor reedenen van weten¬ schap als in den Text en sprak dier„ halven ter bevestiging der waarheid van dien de solemneele woorden, zoo waarlyk help my god almagtig. /:onderstond:/ ^gepasseert Aldus gerecolleert en B'Eedigt aan Cabo de goede Hoop den 27 au„ gustres 1783 by vertolking van den mattroos Caxel Edward Ziervogel voor d' E E E Gerrit Hendrik Cruywager en Hendrik Lesueur leeden uyt den E agtb: raad van Justitie voor„ meld die de minute deeses beneevens den Comp„t ende den vertolker mits„ gaders my gesw: Clercq meede behoor¬ lyk hebben onderteekend. — /:lager:) 'T welk ik getuijge. /: was getekend:) H: L: Bletterman gesw: Clercq. — Accordeert. - H Kier gem: Clercq Dat na dat des Compts bescheyden Bodem op den 10 July deeses Jaars aan de Cogenaamde soetendaals valley ge¬ strand was, den Compt met den quar¬ tiermeester Iohan Kermis 's lande„ rendaags na de middags omtrent vier uuren aan Land waaren geraakt, en voorts Landwaards ingegaan zynde, 's avonds de Clocke na yn gissing ruym Thien uuren een huys ontdekt had„ den, werwaards zy hun begeeven hebbende, dus by eenen Marthinus Marais gekoomen waaren, woonende wel drie my¬ len van het strand, alwaar 's daags daar„ aan tegen den avond meede gekoomen was den Stuurman Schultz, die tot hem had gesegd dat van hun volk nog waaren ge„ borgen, vier witte en vier swarte mans„ persoonen beneevens een vrouws Persoon die alle aan strand lagen, zonder verder te kunnen gaan dus voorsz: Marthinus Marais 'Is volgenden daags die persoonen met zyne wagen gehaald den Comp„t met denselven Marais meede na het Compareerde voor ons ondergeteekenden gecommitt„s uijt den E agtb: Raad van Justitie deezes gouvernements, den op het omtrent de Coetendaals valley gestrande deensche asiatisch Cimp: schip Nicobar beschey„ den geweest zynde Bootsmansmaat Jens olsen van Competenten ouderdom, dewelke ter requisitie van den onderkoopman en Jan darost van Stellenbosch en Ara„ kensteyn d' E Daniel van Ryneveld verklaarde hoe waar is. Strand — e

NL-HaNA_1.04.02_4324_0282 view scan ↗

English

Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, quartermaster Ian Kermis, of competent age, who was stationed on the Danish Asiatic Company ship Nicobar, which ran aground around the Soetendaals Valley. At the requisition of the junior merchant and Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Mr. Daniel van Ryneveld, he declared it to be true: That when the deponent's assigned vessel Nicobar, after having departed from False Bay on the 10th of the past month of July, ran aground the following day, the 11th of that month, at the so-called Soetendaals Valley; the deponent, together with boatswain's mate Iensoelsen, pushed off toward the land in the boat from the wreck, in which he had been with eight other men; but that boat meanwhile also being smashed to pieces, only the deponent and the said boatswain's mate came ashore, and all the others perished, this having occurred in the afternoon at about four o'clock. That having proceeded further inland to search for a house, they found a house at what they guessed to be about ten o'clock in the evening and went there; the man of that house, whose name they later heard was Marthinus Marais, had taken them for deserters, but they having told him of their misfortune, the same had told them that they could remain there that night. Rode to the beach and had remained that night on the beach together with the same Marais, but had sent the above-mentioned persons to his farm, whither the deponent followed the said Marais the next morning, having taken along some washed-up clothes, both for himself and the other castaways. That the deponent having subsequently gone to the beach daily, had seen the field sergeant watching over the washed-up goods; the deponent, returning on a certain day, having met the mate Schultz, together with the said Marais, and in addition two strangers or persons unknown to the deponent, who were riding to the beach; the deponent, however, not knowing that anything of importance from the washed-up goods went missing during that time, but indeed that after that time the farmers took away all the washed-up goods and transported them from there, which had consisted of barrels of tar, pipes, planks, hogsheads, leagers, cases of gin, and the like. That when the deponent had been to the beach for the last time, he had seen nothing else there but the pieces of the shattered ship, along with some woodwork and some old planks. Declaring nothing more, the deponent gave as reasons for his knowledge as in the text, and therefore, in confirmation of the truth thereof, spoke the solemn words: So truly help me God Almighty. Thus passed, reviewed, and sworn to at the Cape of Good Hope on 7 August 1783, through the interpretation of the sailor Carel Edwald Ziervogel, before the Honorable Gerhardus Hendrik Cruywagen and Hendrik Le Sueur, members of the aforementioned Honorable Court of Justice, who duly signed the minute hereof along with the deponent and the interpreter, as well as me, the sworn clerk. Lower down: Which I witness. Was signed: H. L. Bletterman, sworn clerk. Agrees. H. M. Kier, sworn clerk.

Dutch transcription

26. Strand gereeden en beneevens denselven Marais dien nagt aan het Strand verbleeven was, dog de bovengem: persoo„ nen na zyn plaats gesonden had, wer¬ waards den Comp„t gem: Marais 's vol„ genden morgens gevolgt en eenige op¬ gespoelde kleederen, zo voor hem als de andere Strandelingen meede genoomen hebbende. — dat den Compt vervolgens dagelix naar het strand gegaan zynde den veld¬ wagtmeester op de opgespoelde goeden ren had zien passen, hebbende den Compt. op zeekere dog te rug keerende ontmoet den stuurman Schultz, benevens gem: Marais, en nog daar by twee vreem¬ den of hem sComp„ts onbekende persoonen, dewelke na het strand reeden, weetende den Compt. egter niet, dat in dien tyd eets van belang van de opgespoelde goederen weg geraakt zyn maar wel dat na dien tijd de boeren alle de opgespoelde goederen weg genomen en van daar vervoerd hebben, dewelke bestaan hadden, in Tonnen Peer, pipen, planken, oxhoofden, leggers, kel„ ders met geneever en diergelike meer. — dat wanneer den Compte de Laatstemaal aan het strand was geweest hy niets anders aldaar had gesien, als de stuc¬ ken van het verbryselde schip, benevens ont houtwerk en wat oude planken- Niets meer verklaarende geeft HM Kier gem Clerq Accordeert. Aldus gepasseerd en Gerecolleerd en B'eedigt aan Cabo de goede Hoop den 7 Augustus 183 by vertolking van den mattroos Carel Edwald Zier„ vogel voor d' E E Gerhardus Hen¬ drik Cruywagen en Hendrik Le saaar Leeden uyt den E agtb: Raad van Justitie voorm:, die de minute deeses beneevens den Comp„t ende den vertolker mitsgaders my gesm: Clercq meede behoorlyk hebben on¬ derteekend — /: lager:/ 'T welk ik getuyge //:was geteekend:/ H: L: Bletterman gew: Clercq. den Compt. voor reedenen van weten¬ schap als in den Text en sprak dier halven ter bevestiging der waarheyd van dien de solemneele woorden Zoo waarlyk help my god almagtig. /:onderstond:/ de „ ƒ Compareerde voor ons ondergeteekende gecommitt„s uyt den E: Agtb: Raad van Justitie deezes gouvernements, den of 't omtrend de soetendaals valleij gestrande deensel asia„ „tiser Comp: schip Nicobar beschyden ge„ „weest zynde quartiermeester Ian Kermis van Competenten ouderdom dewelke ter tequi„ „sitie van den onderkoopman en Landdrost aan stellenbosch en drakenstyn S. r Daniel van Ryneveld verklaarde hoe waar is. — dat wanneer des Compts beschyden Bodem Nicobas na dat op den 10 dit afgeweekene maand Julij uyt de baaij fals, vertrocken was, het zelve of den volgenden dag ofte den 11 dier maand aan de sogenaamde soeten„ „daals valleyj gestrand is, zynde den Comp=t met ende beneevens den Bootsmansmaat Iensoelsen met de boot naar het wrak, waarin hij met nog agt mannen geweest was, na het land afgestooken, dog dat die boot intusschen meede aan stucken geslagen zynde den Comp. e en gem: Bootsmansmaat alleen alleen aan de wal gekoomen, en alle de an„ „dere verongelukt waaren, zynde zulx ge„ „weest in den namiddag omtrent vier dat zijlieden voorts Landwaards inge„ „gaan zynde, om een huijs of te zaeken, zyl: de klocke na gissing 's avonds wel thien uuren een huijs gevonden en zig derwaards begeeven hadden, hebbende de man van dat huijs wiens naam zy vervolgens loorde Marthinus Marais was hun aangesien voor deserteurs, dog dat zijlieden denzelven hun totgeval verhaald hebbende denselven tot hun had gesegd, dat zyl: dien nagt aldaar verblyven uuren. 20.

NL-HaNA_1.04.02_4324_0284 view scan ↗

English

could stay, but that he would ride to the beach the following day and see whether it was as they said, which he had also done the following day, having that man nevertheless received the appearer and the aforementioned Velsen kindly and, according to his ability, as it appeared to them, shown every human kindness. That the appearer does not know that anything of the goods washed ashore from the wreck had gone missing, until a man who, as the appearer heard, was named Jacob van Reenen came to the house of the aforementioned Marais with another person and substantially said: that the goods that had washed up on the beach belonged to the farmers according to the laws of the land, and they could take them away, unless they were goods belonging to the crew; to whom, if they said that they belonged to them, the same had to be given back again: with the further addition, but the other goods are prize, for it is not a Dutch Company ship, you can take what you wish, for it is good prize. That after the aforementioned Van Reenen had said this at the house of the aforementioned Marais to the people present there, the appearer had gone to the beach and seen standing there several wagons, onto which some of the stranded goods were loaded, without the appearer knowing to whom those wagons belonged, the appearer also having noticed that the stranded goods had already for the most part been carted away from there, and the aforementioned Martinus Marais had likewise, before the aforementioned Van Reenen had been there, taken to his house some salvaged clothes, which he had given to the appearer and his fellow castaways who were there, and also some red and yellow cloth upon which they had slept at night, as well as some muskets, the mentioned Marais having thereafter fetched from the beach with two wagons two hogsheads of brandy, an empty leaguer, and seven casks, together with two ankers of French brandy and two cellars of gin, as well as some ship's planks. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons of knowledge as in the text, and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, the solemn words: So help me God Almighty. Underneath stood: Agrees M Kier Thus transacted, re-examined, and sworn at Cape of Good Hope, on the 7th of August 1783, through the interpretation of the sailor of the Honorable Company Carel Edwald Zeervogel, before the Honorable Gerhardus Hendrik Cruywagen and Hendrik Le Sueur, members of the Honorable Worshipful Council of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof along with the appearer and me, the sworn clerk. Lower: Which I witness: was signed: I. L. Bletterman, sworn clerk. There appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, Jens Christense, of competent age, having been stationed as a sailor on the stranded Danish Asiatic Company ship Nicobar, who, at the requisition of the Junior Merchant and Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Sieur Daniel van Ryneveld, declared how true it is: That after the wrecking of his, the appearer's, aforesaid vessel Nicobar near the Soetendaals Valley, the captain of that keel, the cooper, one Johannes Koningsfeld, and he, the appearer, had taken to the spars and attempted to reach land with them, but that the cooper was washed off by the surf, yet the appearer came ashore alive with the others, the clock then being about six o'clock in the evening. That the appearer and the aforesaid Johannes Koningsfeld, having subsequently gone inland to look for a house, without having discovered a house that night, so that the appearer the next morning had separated from the mentioned Koningsfeld, because he could walk no more, the appearer having returned to the beach and found there the boatswain, who through severe bruising and hurting of his feet could not help himself, and likewise a French sailor and First Mate Schultz. That the appearer, having remained that day and night on the beach with the boatswain

Dutch transcription

268 verblyven konden maar dat hij 'I volgenden daags na het strand ryden, en zien zoude of het zo was als zy zeyden het gunt den„ „selven 's volgenden daags ook gedaan had, hebbende dien man den Compt en voorsz velsen egter vriendelijk ontfangen, en na zyn ver„ „mogen zo het hun toescheen alle menschlie„ „vendheid betoond. dat den Compt niet weet dat het van het wrak ofgespoelde goed iets weggeraakt zyn, zoude voor en aleer een man die zo den Comp t hoorde genaamd was Jacob van reenen ten huijze van voorsz: Marais met een ander persoon gekomen was en substantieelijk gesagd had: dat de goederen die op het strand opgespoeld waaren, volgens 's Lands regten de boezen toekwamen, en deselven zulx wer„ „neemen konden, ten waare het goederen van het scheepvolk waaren; aan het welke zo zij zeyden dat hun sulx toebehoorden, het zelve wederom gegeeven werden moest: met verdere byvoeging, maar de andere goederen zyn prijs, want het is geen hollands Comp: schip gij kunt neemen dat gij wilt want het is goed prijs. dat na dat voorsz: van Reenen sulx ten huijze van voorsz: Marais tot de hun aldaar bevindende menschen gesegt had, had den Compte. zig na het strand begeeven, en aldaar zien staan verschyde wagens, waarop van de gestrande goederen gelaaden waaren, sonder dat den Comp:t weet, wien die wagens toe„ „behoorden, hebbende den Comp„s teffens ont„ „waard dat de gestrande goederen, reeds meest alleen van daar weg gereeden waaren en had voorsz: Martinus Mardis voor dat gem: van Beenen aldaar was geweest insgelijx na zyn huijs genomen eenige geborgene klee„ gem Clerq„ Aldus gepasseert gerecolleerd en B'Ee„ „digt aan Cabo de goede Hoof, den 7 augustus 1783. bij vertolking van den mattroos der E: Comp=e Carel Edwald zeervogel voor d' EE: gerhardus Hendrik Cruywagen en Hendrik Lesueur Leeden uyt den E: Agtb: raad van Justitie voormeld, die de minute dezes beneevens den Comp. e ende mij gesuclerop meede behoorlijk hebben onderteekend. - /: lager:/ 'T welk ik getuigen /:was getekend:/ I: L: Bletterman. . gesw Clercq. — kleederen die denselven aan den Compt. en zyn aldaar geweest zynde meede Strande„ „lingen had gegeeven, en zo ook wat rood en geel laken of het welke zijlieden 's nagts hadden geleegen, als meede eenige geweeren, hebbende gemelde marais daarna met twee wagens nog van het strand gehaald twee ox„ „hoofden Brandewyn, Een Ledige Legger, en seven vaten, beneevens twee ankers Fransche Brandewyn en twee kelders geneever, mitsg=s ook eenige scheepsplanken. — Niets meer verklaarende geeft den Compts. voor reedenen van wetenschap, als in den text, en sprak dierhalven ter bevestiging der waarheijd van dien de solemneele woorden zoo waarlijk hebt mij god almagtig /:onderstond: Accordeert M Kier dezen G Compareerde voor ons ondergeteekende gecommitt„s uyt den E agtb: raad van Justitie deeses gouvernements den als mattroos op het gestrande deensch asiatisch Comp:s schip Nicobar be„ scheyden geweest zynde Jens Christen¬ se van Competenten ouderdom dewelke ter requisitie van den onderkoopman en Landdrost van stellen bosch en drakensteijn Sr daniel van Ryneveld verklaarde hoe waar is. Dat na het omtrent, de Soeten¬ daals valley verongelukken van zyn Comp„ts voorsz: Bodem Nicobas den Capiteijn van dien Kiel, de Kuy„ Der eenen Johannes Koningsfeld en hy Compt zig op de rondhouten begeeven en getragt hadden daar„ meede het land te bereyken, dog dat den Kuyper door de brandingen daar„ af gespoeld, maar den Comp„t met de andere levendig aan Land gekomen was, de klocke toen wel omtrent ses uuren in den avond geweest zynde dat den Compt en voorsz: Johannes Koningsfeld voorts Landwaards ingegaan weesende om een huys op te zoeken, zonder egter dien nagt een huys ontdekt te hebben, zulx den Comp„s den volgenden morgen van gem: Koningsfeld afgeschey„ den was, dewyl denselven niet meer gaan konde hebbende den Compt zig weder na het strand begeeven en aldaar den Bootsman gevonden, die door het sterk stooten en besee„ ren zyner voeten zig zelfs niet heb„ pen konde en zo ook een frans mat„ troos en stuurman Schultz. dat den Comp„t dien dag en nagt op het strand verbleeven zynde by den bootsman S: H: D 269

← previousnext →