Inventory 4329
Cape · 582 pages · 352 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
Article 17 Whether the aforementioned Hottentots were not with the six aforementioned slaughterers' servants together from the place of his prisoner's mother went away, and whether he, the prisoner, did not immediately go inside and fill the bags, subsequently packed with those bags on the pack horses he had with him, rode back to his place? Answers: No! Such a thing never happened, and that he would rather die than speak the untruth. The prisoner Heijntje de Plooy, Thijs Albregt, and Piet Biekeur say to the prisoner's face that he helped fill the bags. The prisoner persists in the negative. Whether he, the prisoner, did not participate in the murder? Answers: No! Never committed murder. What time he, the prisoner, arrived at the place of the aforementioned Hottentots at his place? Answers: Never to have been out at night. Whether he, the prisoner, did not come home on horseback with his cousin Hendrik? Answers: No! Never to have ridden along with Thijs Albregt. The Hottentot Thijs Albregt says to the prisoner's face that it was around daybreak when Thijs Albregt the Younger, who on that very evening had ridden with three horses to the place of Sebastiaan Rotman, had come there after the committing of the murders. The prisoner persists in the negative. The prisoner Thijs Albregt says to the prisoner's face that he rode along with him, and specifically that he, Hendrik, took him, Thijs, away from the cows he was busy with. What orders those Hottentots had received? Answers: To know of no orders. Piet Piekeur and Slijntje de Plooy also say to the prisoner's face that they arrived at Rotman's place with Thijs on three horses at night while the murders had already been committed. What his prisoner's mother said at the sight of those goods? Answers: Knows nothing about that. Thijs Albregt says that his mother was rejoiced at the sight of those goods. Where those goods were then placed? Answers: To have had no goods in his hands. How he, the prisoner, upon arriving at the place found everything, to state the same distinctly? Answers: Never to have been at the place of Rotman except only when he was commandeered by Fredrik Botha. Article 15 What time he, the prisoner, arrived at the place of Rotman? Answers: No! Never to have been at the place of Rotman at night. The prisoner persists in the negative. If yes, where to and for what reasons? Thijs Albregt and Piet Piekeur tell him, the prisoner, the truth to his face. Whether those goods were not buried, and where? Answers: Knows of no goods. Piet Piekeur, Thijs Albregt, and Slijntje de Plooy say to the prisoner's face that the goods were buried and that he, the prisoner, assisted in the burial. The prisoner persists in the negative. Who assisted in the burial of those goods? Answers: Knows of no burial. Article 14 Answers: Was not there. The prisoner persists in the negative. Answers: Knows nothing about that. Article 20 Answers: As before. Article 22 Piet Piekeur and Thijs Albregt say to the prisoner's face that he also buried the goods with Willem de Plooy, Thijs Albregt the elder, Willem, and Claas. The prisoner persists in the negative. Article 23 To know. Article 24 Whether those goods were not dug up again for the second time and hidden in another place? Answers: No, never to have heard of that. Thijs Albregt tells the prisoner to his face that the goods were re-excavated and stored in another place, without knowing now where. The Hottentot woman Sara said to the prisoner's face that the goods were re-excavated. Article 25 If so, where, to state the same? Article 26 Whether he, the prisoner, answered truthfully and whether he, the prisoner, is aware of anything else concerning this affair? Answers: Yes, to have answered truthfully. Thijs Albregt, Piet Piekeur, and Heijntje de Plooy say to his prisoner's face that he lies abominably and spares the truth. The prisoner persists in the negative. Article 27 Whether he, the prisoner, does not know that he did evil by stealing the goods and offering a helping hand to committing the gruesome murders at the place of Rotman and is thus punishable? Answers: Did no evil and deserved no punishment. Answers: Not to be guilty. Article 28 What he can bring forward in his excuse? Thus questioned and answered before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, the aforementioned Hendrik Willem Plooy, who gave to these preceding question articles such answers as are recorded alongside each of them, read aloud word for word clearly and distinctly, desiring that nothing more shall be added to or taken from it. Thus done and recollemented at Cape of Good Hope, the 26 May 1787. Was signed and described there, this mark made by the prisoner's own hand, lower down: In my presence, signed R: I: v: d: Riet, sworn clerk. In the margin as commissioners was signed: C: L: Neethling and J: M: Bletterman. Recollement Cape of Good Hope, the 16 March 1787, before the gentlemen Salomon van Echten and Jan Coenraad Gie, members from the Honorable Court of Justice aforesaid, who have also duly signed the minute of this along with the prisoner and me, sworn clerk. Below stood: Which I witness, was signed B: I: v: d: Riet, sworn clerk.
Dutch transcription
wet 17 zegt seen: de Jongens en het of de voorm: hottentotten niet zegt Neen! nooijt zulx geschied off niet hij gev: direct na bin„ aan zegt van geen ordres te weeten wat die hotten tot voor ordres hebben gehad zegt Nooijt in de nagt uijtge sloe laat hij gev: te rug op zijn weest te zijn de hotten tot thijs albragt zegtplaats gekoomen is zogt Neen. Nooijt met thijs of hij gev„, niet met zijn Neef met hendrik te paard is thuijs gekoomen in facie van de gev=e dat, 't omtrend dag is geweest toen hij albregt meede gereeden te zijn thijs albregt de Ionge die eigende gev: blijft bij de negative de gev„e thijs Albregt zegt de ste avond met drie paarden gev„e in facie aan dat hij met zijn gereede na de plaats van zogt daar niets van te weete wat zijn gev=e moeder gezegt hem is meede gereeden en wel Sebastiaan Rotman dat hij hendrik hem thijs van thijs albregt dat zijn moe heeft op 't gesigt van die goede der verheugt was op t gesigt, ren de koeijen die hij bezig was met van die goederen welke heeft meede genoomen en dat zil: na 't pleegen der moorde gev: blijft bij de Nogative den daar gekoomen zijn piet Piekeur en Slijntje de Plooij zeggen mede in facie van zegt geen goederen in zijn han waar die goederen toen geplaats de gev=e dat zij met thijs op drie paarde 's nagts op de plaats de gehad te hebben. van Rotman gekoomen is terwijl de moorden reeds volbrag„ waaren zegt Niets op de plaats van Rot hoe hij gev: op de Plaats aan„ „man geweest te zijn als alleen komende alles gevonden heeft toen hij door Fredrik Botha dezelve distinct op te geeven gecommandeerd is! 15 zegt Neen! nooijt op de Plaats van Rotman 'snagts geweest aan gekoomen is: de gev„e blijft bij de Negative! zo Ja waar na toe en om welke reedenen albregt en piet Piekeur zegge gaan ? hem gev„e de waarheid in facie de gev„e Heijntje de Glooij thijs van zij gw=e moeder zijn afge Eentotten zij bij hem op de plaats „gens te samen van de plaats ten ondergaan als de onwaar gevuld vervolgens met die sak heid te spreeken ke op de bij zig hebbende draag Teijntje de Plooij thijs albregt paarden gepakt weeder te rug en piet Biekeur zeggen in face na zijn plaats gereeden is van de gev=e dat hij de sakken heeft helpen vullen de ged: blijft bij de Negative met de ses voorm: slagters Jon te zijn en de dood Liever te wil ne heeft begeeven en de sakke zegt Neens Nooijt gemoord te ofs: hij gev=e niet meede gemoord heeft segt van geen goederen te we off die goederen niet begra „ve zijn en waar piet Piekeur, thijs Albregt en hoelaat hij gev: op de plaats slijntje de Plooij zegge in facie van de gev„e, dat de goederen begraven zijn en dat hij ge: bij de begraving heeft geadsisteerd de gev„s blijft bij de Negative ten zegt van geen begraving wie geadsisteerd heeft bij de niet geweest de gev„e blijft bij de negative zogt daar niets van te weeten „ 14 hebbe G: 11 20 zijn.. „22 23 te te zijn. Aldus gevraagd en Beantwoord aan te weeten. piet Piekeur thijs Albregt zegge in facie van de gev, dat hij meede de goederen be„ „grave heeft met willem de Plooij thijs albregt de oude wil„ lem en Claas de gev=e blijft bij de Negative. art 24 zogt Neen Nooijt daar van ge of die goederen niet voor de hoord te hebben tweede rijse weeder zijn ont thijs albregt zegt de gev=e in graaven en op een ander facie aan dat de goederen plaats verborgen her graaven en op een ander plaats geborgen zonder nu te weeten waar de hottentottin Sara zogt in facie van de gev=e dat de goederen hergraven zijn 25 zo sa: waar, deselve op te geven „86 zogt Ja na waarhijd geant off hij geve na waarheid ge woord te hebben- thijs albregt antwoord heeft en of hem gev: nog iets bewust is deese ,en Piet Piekeur, en hijntje de Plooij zeggen in facie affaire betrekkelijk! van hem gev=e dat hij gui welijk legt en de waarhijd spaard de geve, blijft bij de negative zogt geen kwaad gedaan en straff verdiend te hebben zegt geen schuld te hebben! „ 28 wat hij tot zijn verschoning weet bij te brengen ofs hij geve, niet weet dat hij kwaad gedaan heeft met de goedere te steelen en een behulpzame hand te bie „den tot 't pleegen der gruwe„ lijke moorden ter plaatse van Rotman en dus Staaf baar te zijn Compareerde voor ons on„ Nadere Articulen gedaan Compareerde voor ons onder get: gecomm: uijt den Ed agtb: Raad van Justitie deeses gouvernements voorsz: Hendrik Willem Plooij dewelke deese voorenstande vraag articulen zodanige antwoorden gegeeven heeft als bezijden een ijder derzelve staan aangeteekend van woorde tot woorde klaar en duidelijk voorgeleesen begeerende dat er niets meer bij of van gedaan werden zal Aldus Gedaan en gerecolleerd aan Cabo de goede Hoop den 26 Maij 1787 /was geteekend/ & en daar omschree ven dit merk steld de gev: eigen han „dig lager mij praesent geteekend R: I: V: D: Riet gesw=e Clercq, in margine als gecomm: was geteekend C: L: Neeth„ „ling en J: M Bletterman Recollement Cabo de Goede Hoop den 16 maart 1787 voor de heeren Salomon van Echten en Jan Coenraad gie leeden uijt den E: agtb: Raad van Justitie voorm: die de minute deeser beneevens de gev: en mij gesw=e Clercq meede behoorlijk hebben onderteekend / onderstond T welk ik Getuige was geteekend B: I: v: D: Riet gesw:e Clercq de begraving dier goederen zegt als vooren! der get: maken 27
English
has given, as noted alongside each of them. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, the person Hendrik Willem de Plooij, who, at the requisition of the sworn clerk of the said Court, Rijno Johannes van der Riet, acting in his official capacity to represent the affairs of the Merchant and Landdrost of Swellendam, the Honorable Constant van Nuld Onkruijd, being qualified to interrogate him, the responses to be given by him, Hendrik de Plooij, shall be recorded in the margin. Article 1. Whether he, the prisoner, still persists in the answers which he gave to the articles of interrogation presented to him, having said the truth and concealed nothing therein, and whether he is now inclined to answer more in accordance with the same. Says yes, that he still persists therein, since he has spoken the truth, denying that he has concealed anything. Article 2. Whether their stay was at the house of the prisoner, or rather that of Regina, his mother. Says, that I do not know, I did not see the boys. Article 3. If so, how long those slaves remained there before the murder at Rotman's occurred. Says, of those boys I know nothing. The Hottentots Heijntje de Plooij, Thijs Albregt, and Piet Piekeur say to the prisoner's face that the boys were on the farm for several days, namely that the boys hid in the field by day and were all inside the house at night. The prisoner persists in his denial. Article 4. Whether the prisoner must not testify that in the month of October, six butcher's boys were on the farm where the prisoner's mother resides. Says no. Heijntje de Plooij and Thijs Albregt say to the prisoner's face that the boys were on the farm and that he, the prisoner, was at home when the boys were in the house. The prisoner persists in his denial. Article 5. Whether the prisoner must not confess that with the help of several Hottentots, he came to the farm of Rotman on pack horses during the night while the murder was underway, and that after the committing of the murders, he rode home with the bags upon the horses. Says no, never, I have plundered no goods. The Hottentots Piet Piekeur, Heijntje de Plooij say to the face of the prisoner that he arrived with horses at the farm of Rotman, and that the goods plundered by the aforesaid six boys from the farm of Rotman were transported on pack horses to the farm of his mother. The Hottentot Thijs Albregt says that he rode along with the prisoner. The prisoner persists in his denial. Article 6. Whether the prisoner must not confess that he rode with the boy Thijs Albregt from his place to that of Rotman. The prisoner persists in his denial. Thijs Albregt affirms the truth of the question to the prisoner's face, as do the Hottentots Piet Piekeur and Heijntje de Plooij. The prisoner persists in his denial. Article 7. And whether he did not take Thijs Albregt along by force while that boy was busy milking his father's cows. Says no, I did not take him along, nor was I on the farm. Thijs Albregt, appearing, says to the prisoner's face the truth of the question. The prisoner persists in his denial. Article 8. Whether the prisoner did not have a chest standing in his house in which his, the prisoner's, principal goods were usually kept. Says yes. Article 9. To accurately state the goods contained in that chest. Says nothing but my clothes and those of my wife. Article 10. Whether among other things in that chest there were not also found 3 pieces of chintz lining, which bear a very strong resemblance to the clothes that the wife of Rotman mostly wore, 1 tin saffron box, 2 newspapers in which there was some cinnamon, 1 pair of blue stockings, and a parcel of yarn of which some skeins are very tangled together. Says that there was nothing in it but 2 pieces of chintz lining, a tin saffron box, and a piece of paper in which there was a little cinnamon; stating further that the saffron box was sent to him by Hendrik Hofmeester, and the cinnamon obtained from the cabinetmaker Mulder. Article 11. In what manner he, the prisoner, came by these goods. Says as before. Article 12. Whether on that occasion the prisoner's wife did not say to him, the prisoner: you will be flogged, branded, and banished in chains to the island. Says no, my wife never said such things to me. Willem Albregt and Jacomijn affirm the truth of the question to the prisoner's face. The prisoner persists in his denial. Article 13. Whether on that occasion the wife of the prisoner said to the prisoner's mother: you will end up in the Slave Lodge and carry baskets there. Says, my wife never said such things to my mother. Jacomijn affirmed the truth of the question to the face of the prisoner. The prisoner persists in his denial. Article 14. Whether, and for what reasons, he then beat his wife. Says because a certain tailor, Christiaan Gunter, had spoken of the prisoner's friends, and that his wife could not tolerate it, wherefore he gave her a slap. Article 15. Whether, shortly before the prisoner's departure from the countryside, an altercation did not occur between the prisoner, his mother, and his wife. Says no, had no quarrel with his wife, nor beat her. Willem Albregt and Jacomijn affirm to the prisoner's face that he had a quarrel with his wife. The prisoner now says that he had no quarrel with his wife, but did give her a slap in good temper.
Dutch transcription
gegeeven heeft als bezijden een ijder derzelve staan aan geteekend. zogt Ia: nog daar bij te blij „ven persisteeren vermits hij de waarhijd heeft gesegd versweegen te hebben zegt Neen de Jongens zijn op de plaats niet geweest Piet Piekeur, „weest toen de Jongens in huijs waaren maken en overgegeeven aan get: gecomm=es uijt den E: agtb: heeren gecomm: uijt den E: Agtb: de gev„e blijft bij de negotive Raad van Justitie deeses gouRaad van Justitie deeses vernements den persoon sten gouvernements omme daar op ten zeijt van di Iongens niet te wee zo ja hoe lange die slaaven drik willem de Plooij de wel de hottentotten Heijntje de zig voor dat de moord bij Rote ter zijner Requisitie van den „ke op de neevenstaande vraag Plooij Thijs albregt en Piet man heeft geexteerd aldaar„ gesw=e Clercq bij wel gem: raade articulen zodanige antwoorden Piekeur zeggen de gev, in fa hebben opgehouden Rijno Joh=s van der Biet als. „cie van dat de Iongens eenige in officio ter waarneeming dagen op de plaats geweest zijn en wel dat de Iongens hun der zaaken van den Coopman overdag en 't veld schuijl hielden en 's nagts alle in huijs en Landdrost van Swellendam waren de Heer Constand van Nuld de gev,„e blijft bij de negative onkruid gequalificeerd te van Hendrik de Plooij Zuel lende desselvs te geevene resp: in margine worden bekend Compareerde voor ons onder gesteld of hij geve. niet moet betuijgen dat in de maand october op de zogt Ns een plaats van des gev. e moeder woonagtig is zijn geweest Thijs albregt zeggen de geve ses slagters Jongens in facie aan dat de Iongens op de plaats geweest zijn en dat hij geve. te huijs is ge¬ Heijntje de Plooij en zegt &een nooijt ik heb geen of hij gev. e niet moets bekennen goederen geroofd de hotter dat hij met hulp van verschei arts tot ten Piet Piekeur Hlijnsje de Slottentotter 't door voorsz off hij gev, nog blijft persistee de Plooij zeggen in facie van „ren bij de antwoorden welke de gev„e, dat hij met paarden ses Jongens van de plaats hij op de hem voorgehoudene van Rotman geroofde goed op de plaats van Rotman vraag articulen gegeeven heeft op pakpaarden naar de gekoomen is des nagts toen de moord aan de gang was plaats van zijn moeder zogt de waarhijd gesegt en niets of hij gev„e niet moet bekennen en dat hij na 't pleegjen der vervoerd! daar bij de waarhijd te hebben moorden met de sakken op de versweegen en of hij tans ge Paarden na huijs gereeden is neegen is meer over eenkoms de hotsentot Thijs albregt zegt dat hij met de gev„e is „tig dezelve te antwoorden meede gereeden de gev„e blijft bij de Negative of hij gev e niet moet bekennen, Thijs albregt zegt de waar dat hij met de Jonge Thijs al hijd van de vraag den gev„e bregt van zijn plaats na die in facie aan en zo meede de van Rotman gereeden is hottentotten Piet Piekeur en Hijntje de Plooij den gev, blijft bij de Negative worden gehoord den Persoon zogt dat weet ik niet ik heb of hun verblyf geweest is aan 't huijs van den gev, e dan wel de Jongens niet gesien van Regina Syn Moeder weest wit 8 „ „2 3 4. zegt Als vooren! zegt Neev ik heb hem niet Zegt Niets als mijn kleederen en die van mijn vrouw aan de waarheid van de vraag ik op de plaats niet geweest genoomen Terwijl die Jonge„ meede genoomen en ook ben zegt Ja de geve, blijft bij de Negative Thijs albregt albregt Comparling met melken van zin „reerende zogt de geve, in facie vaders koeijen bezig was nog met geweld heeft meede of de geve in zijn huijs niet heeft staan gehad een kist waar in gewoonlijk zijn geve voornaamste goederen gebor gen wierden de goederen zig in die kist bevonden hebbende Nauw keu zig op te geeven zegt dat er niets in geweest of zig in die kist onder aen„ is als 2 lappen voering Chitsderen ook niet hebben be „ „ blikke saffraan doosje vonden zegt Neer mijn vrouw heeft of des gev=e huijsvrouw hem en een papiertje waar in mij nooijd zulke dingenje gev„e bij die geleegendhijd 3 Lappen voerChits welke een wijnig Caneel zogt zeer veel gelijkenis hebben zeggende Nader dat 't salfraan met de kleederen die de niet heeft toe gevoegt. Willem albregt en Jacomijn doosje aan hem gesonden is zeggen de gev„e, de waarhijd gij guld gegeeseld gebrand vrouw van Botman meest door Hendrik Hofmeester van de vraag in facie aan „merkt en in de ketting op heeft gedraagen en de caneel gekreegen te heb de gev„e blijft bij de negatie 't eiland gebannen worden ben van den schrijnwerker 1 blikke satfraan doosje 2 Couranten waar in wat zogt mijn vrouw heeft nooyd of de huijsvrouw van den Caneel zulke dingen tegen mijn gev„ bij die geleegendhijd 1 paar blauwe kousen en een moeder gesegd — tegens des gev=e moeder heeft partij gaaren waar van Jacomijn zogt in facie van gesegt eenige strengen zeer door el den gev„e de waarhijd van gij zult in de Logie komen kanderen verward zijn! de vraag aan en daar mandjes draagen de gev,„e blijft bij de Nogative zogt om dat zeekere snijder of en om welke reedenen hij Christiaan gunter van de gev: zijn huisvrouw als toen vrienden gesprooken had en geslaagen heeft en dat zijn vrouw niet veelen kon daarom haar een Clap gegeeven te hebben. zegt Neen, geen rusie met of er niet kort voor des geze zijn vrouw gehad nog die ge vertrek van buijten woorden slagen te hebben! wisseling is voorgevallen tus Willem Albregt en Iacomijn schen de gev=e zijne moeder en zeggende gev„e in facie aan huisvrouw dat hij rusie gehad heeft met zijn vrouw de gev„e zegt tans dat hij met zijn vrouw geen rusie gehad maar wel een klap gegeeven te hebben goedsmoeds H: 12 hoedanig hij geve. aan deese goederen gekoomen is! art 12 art: 17 en of hij Thijs Albregt niet art 8 10 mulder * . . 15. 14 13 16
English
Article 17 Whether the prisoner had ever had words or lived in enmity with the said Hottentots or brother and niece or anyone among his accusers, why they might falsely accuse him out of hatred. Says he thought not, never, but believes it because he never committed such a deed as they accuse him of. 18 Why the said wife of his used such expressions, and whether the prisoner did not beat her for that reason. Says his wife never said such a thing, and that he only struck his wife once. 19 Whether the prisoner will still persist with his usual obstinacy in denying that not only the six aforesaid boys were at his mother's place, but that he, the prisoner, together with his mother, were previously aware of the murder and robbery that occurred at the place of Rotman. Says he has spoken the truth and has nothing more to say, and that the boys falsely accuse him and that it was a concerted plot. 20 If the prisoner should confess one thing and another, then to have him state distinctly in what manner the goods were transported and where they have ended up. Lapses. Thus re-examined at the Cape of Good Hope on the 28th of May 1787. Was signed: x, and described around it: this mark was made by the prisoner's own hand. Below: in my presence, signed: R: I: v: D: Riet, sworn clerk. Signed in the margin as commissioners: F: C: Matthiesen and C: G: Maasdorp. First Re-examination Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honourable Court of Justice of this government, the aforementioned person Hendrik de Plooij, who, having had these preceding interrogation articles read out to him word for word clearly and plainly, declared that he adhered to them and persisted with them, desiring that nothing more be added or removed. Thus interrogated and answered at the Cape of Good Hope on the 26th of May 1787, before the Gentlemen Christiaan Ludolph Neethling and Johannes Mattheus Blitterman, members from the Honourable Court of Justice aforesaid, who, together with the prisoner and me, the sworn clerk, have duly signed the minutes hereof. Below stood: Which I witness, was signed: R: I: v: D: Riet, sworn clerk. Articles drawn up and submitted to the Gentlemen commissioners from the Honourable Court of Justice of this government by the sworn clerk of the said Court, Ryno Johannes van der Riet, as qualified in office to attend to the matters of the Landdrost of Swellendam, Constant van Nuld Onkruyd; wherefore the Hottentot Willem was heard at his requisition, the answers to be given by him to be duly noted in the margin hereof. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honourable Court of Justice of this government, the Hottentot Willem Bierwerk, who gave such answers to the adjacent interrogation articles as are recorded beside each of them. Article 1 The prisoner's name, birthplace, and age. Says Willem Bierwerk, aged about 30 years. 2 Whether the prisoner lived in the month of October last on the farm of the widow de Plooij, situated in the Old Niqualand. Says yes. 3 Where and with whom the same lived. Says he lived with the widow de Plooij on her farm situated across the Gaurits River, called the Riet Valley. 4 Whether at that time there were also strange slaves and Hottentots, and what the prisoner knows thereof. If so, how many, what were their names, and to whom they belonged, to be stated distinctly. Says no. The Hottentots Piet Piekeur, Heijntje de Plooij, and Thijs Albregt state to the prisoner's face that he was at the farm when the six butcher's boys were there, and so must have seen them. The prisoner persists in the negative. 5 Whether the prisoner also went with those slaves and Hottentots on a certain day from the farm of the widow de Plooij, and whither. Says that he did not go with them. The prisoners Heijntje de Plooij, Piet Piekeur, and Thijs Albregt state to the prisoner's face that he also went to the place of Rotman by order of the widow de Plooij, and that Willem also did everything, just as he, the prisoner, did. The prisoner persists in the negative. 6 Whether the prisoner also knew the reasons why he was to go with the other Hottentots and slaves to the farm of Rotman. Says he knows nothing about it. The Hottentots Piet Piekeur, Heijntje de Plooij, and Thijs Albregt, stating to the prisoner's face that the order was to take away goods from the farm of Rotman. The prisoner persists in the negative. 7 On what days and at what time the prisoner then departed from the farm of the widow de Plooij, and with whom. Says as before. 8 Whether they went directly to the farm of Rotman, or whether they stayed somewhere, and where. Says that he was not at the farm. The Hottentot Piet Piekeur, Heijntje de Plooij, and Thijs Albregt stating to the prisoner's face—
Dutch transcription
geeven. Dogt Neen Nooyd maar zo een daad heeft gepleegd digen. vervald. zegt mijn vrouw heeft zulx waar omme des ged: huijsvrouw nooijt gesegt en ik heb mijn zig van diergelijke uit druk vrouw maar een slagge ge kingen bedient en of hij gev=e haar niet om die reeden ge slagen heeft. zegt de waarhijd gesegt of hij gev„e als nog met zijn te hebben en niets meet te gewoone halstarrigheid zal zijn geweest maar dat hij geve beneevens zijn moeder zelve bevoorens van de moord en roof op de plaats van rot„ man voorgevallen geweest hebben kunnen zeggen en dat de blijven ontkennen dat niet Jongens hem valsch beschul alleen de ses voorsz: Jongens „digen en dat een afgesproken op de Plaats van zijn moeder of hij gev=e dan ooijt woorden gem: hottentotten of broeder zijne beschuldigers geleeft heeft waarom zij hem val„ schelijk uijt een haat zou de kunnen beschuldigen zulx te gelooven wijl hij nooyd gehad of in vijandschap met waar meede zij hem beschue en nigter of ijmand van zo de gev„ , 't een en ander moegt Confesseeren hem als dan distinct te doen op geeven op hoedanige wijze de goe deren vervoerd en waar de „zelven gebleeven zijn Aldus gerecolleerd aan Cabo de goe de Hoop den 28 meij 1787 was getee kend: x en daar omschreeven dit kruip heeft de gev„e eijgenhandig gesteld lager/ mij praesent geteekend R: I: v: D: Riet gesw=e Clercq: in margine als gecomm: geteekend/ F: C: Matthiesen, en C: G: maasdorp. — — 1 Recollement Compareerde voor ons onderget: gecomm: uijt den E: agtb: Raad van Justitie deeses gou„ „vernements voorm: persoon van Hendrik de Plooij dewelke deese zijne voorenstaan¬ de vraagarticulen van woorde tot woor de klaar en duidelijk voorgeleesen weesen de verclaarde daar bij te blijven persis teeren begeerende dat er niets meer bij of van gedaan werden zal Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de goede Hoop den 26 meij 1787 voor de Heeren Christiaan Ludolph Neethling en Ioh:s Matth=s Blitterman Leeden uijt den E: agtb: Raad van Justitie voorm: die de minute deeser beneevens de geve„ en mij gesw=e Clercq, meede behoorlijk hebben onderteekend /onderstond:/ 'T welk ik getuige was geteekend/ R: I: v: D: Riet geswe Clercq Art: 17 Aldus „ werk was 19 20 18 Compareerde voor ons on„ Articulen gedaan maken zegt willem Bierwerk oud na gissing 30 Jaaren de overzijde van de gaurito Zegt Neen facie aan dat hij op de plaats van bewust is geweest is toen de ses slagters der get: gecomm:s uijt den E: en overgegeeven aan heeren Jongens daar geweest zin dus hun daar moeten gesien agtb: Raad van Justitie. gecomm: uijt den E: agtb Raad hebben deeses gouvernements den van Iustitie deeses gouverne hotten, tot willem Bierwerk, ments door den gesw=e Clerce„ zo Ja? hoe veel hoe genaamd dewelke op de neevenstaande van welgem: raade Rijno Ioh=s en wie toebehoorende dezelve vraagarticulen zodanige van der Riet als in officio distinct op te geeven antwoorden gegeeven heeft gequalificeerd ter waarne als bezijden een ijder derzel zegt dat hij niet mede is minge der saaken van den of hij gev„e ook niet met die geweest! Landdrost van Swellendam slaaven en hottentotten op de gev=e Hijntje de Plooij Piet een seekeren dag van de Plaat„ Constant van Nuld onkruid Piekeur en thijs albregt zeg„ van de weed=e de Plooij en waar omme daar op ter sijner re„ gen in facie van de gev„e dat na toe quisitie gehoord den slotten hij meede na de plaats van tot Willem zullende desselve Rotman is ggaan uijt de or„ te geevene responsiven in dre van de weed=e de Plooij en dat willem alles meede gedaan heeft zo als hij gev=e ook margine deeses behoorlijk worden Bekend gesteld de gev„e blijft bij de Negotive ve staan aangeteekend Riveer de Riet vallij genaamd gewoond te hebben haar plaats geleegen aan gewoond heeft 3 off hij geve, ook in de maand oftbr: LL: ter Plaatse van de weede. de Plooij gelegen in 't oude Niqua Land gewoond heeft off er ter dier tijd ook vreemde slaven en hottentotten geweest zin en wat hem gev„e, daar de hottentot piet Piekeur heijntsse de Plooij en thijs des gev„e naam geboorte plaats en ouderdom zegt dat hij op de plaats niet of hij geve. ook geweeten heeft geweest is de reedenen waarom hij met de Hottentotten Piet Prekeur de andere hottentotten en sla heijntje de Blooij en thijs al„ ven na de plaats van Rotman „bregt zeggende gev=e in facie „deren van de Plaats van Rot„ „man meede te neemen de geve blijft bij de Negative! zegt bij de weed=e de Plooij op waar en bij wien dezelve sam aan dat de ordre was om gae gaan moesten zigt nergens van te weeten! zigt als vooren! of zijl: direct na de plaats van Rotman zijn gegaan, dan wel of zijl ergens verbleeven zijn en waar op wat dagen op welke tijd hij gev„e dan op de Plaats van de weede. de Plooij is afgegaan en met wien! zegt als vooren facie van lC: 1 zogt Ja: albregt zeggenden gev„e, in „ 6
English
have seen. 2. Says as before! Says as mentioned. Says as above! Says he knows of no order! Says: I know nothing. Says he knows nothing about that! Whether any children of the widow de Plooij also went along, and namely which ones. Says he saw nothing! Says he knows nothing about it! What occurred upon their arrival at and in the dwelling house of Botman, to state everything distinctly. Says: I have not been there. What that woman said to that. Goods stolen from there. Says: I know nothing about it, I can say nothing that I have not seen. Whether after committing the murders everything was not chopped open and the goods stolen from there. Whether he, the prisoner, also knows who among the Hottentots present there also murdered or plundered. 23. Says: I was not present there. Who buried those goods. The prisoners Thijs Albregt, Piet Piekeur state to the face of the prisoner that he was present when the goods were buried. Whom he, the prisoner, murdered or stabbed, and what he, the prisoner, plundered! The prisoner persists in the negative. Says: I know nothing! Who transported the stolen goods to the farm of the widow de Plooij, and in what. 18. Says not to have been at the farm at all. What time of day they went back to the farm, and which path the boys took. Whether they had pack horses or oxen, and how many. What orders they received when they went to the farm of Botman. Whether he, the prisoner, along with the other Hottentots, upon their arrival at the farm of the widow de Plooij, did not give a full account of everything to that woman, as well as of the murders committed! 19. Where the goods were hidden. Says he saw nothing! What he, the prisoner, received for his share of the stolen goods! Says: I do not know! Says: I do not know that! 25. Whether he also knows that Hendrik de Plooij also murdered. Whether he, the prisoner, does not know that the Hottentot Piet Piekeur handed over a bag of money to the widow Plooij, which he also brought from the farm. Whether that woman was not delighted upon seeing the bag. Whether he, the prisoner, is also not aware that the woman said to the boys who murdered, upon their departure from her farm: You must go to the farm of Botman and murder and steal there, for there is much property; I will send the Hottentots along in order also to get a part thereof! Whether he, the prisoner, also knows anything concerning this affair. 28. Whether he, the prisoner, was not aware that when he went to the farm to murder or to steal by order of the widow de Plooij, he would be doing evil by carrying out that order. Says: No one came to me to say you must steal. Why he, the prisoner, then executed that order so completely! Says he carried out nothing. Whether he, the prisoner, does not know that those who murder and rob, as well as those who lend a helping hand thereto, are punishable! Says: If I had been present, I would say so. Further Articles. 26. 27. 29. 30. 32. Says: I know nothing. Says: I do not know that. Says to know nothing. What he, the prisoner, can put forward for his defense. Says to be innocent! Thus interrogated and answered at the Cape of Good Hope on 15 March 1787, before the gentlemen Salomon van Echten and Jan Coenraad Gie, members of the Honourable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the minutes hereof together with the prisoner and me, the sworn Clerk. Below stood: Which I testify, was signed: R: I: v: D: Riet, sworn Clerk. Re-examination. Appeared before us, the undersigned commissioned members from the Honourable Court of Justice of this government, the person of Willem Bierwerd, who, having had these his preceding interrogatories read aloud to him word for word, declared to persist therein, desiring that nothing more be added to or removed from them. Thus done and re-examined at the Cape of Good Hope on 26 May 1787. Was signed and there described: this mark the prisoner made with his own hand. In the margin, as commissioners was signed: W: F: v: Reede van Oudtshoorn and I: M: Bletterman. Lower: In my presence, signed: R: I: v: D: Riet, sworn Clerk.
Dutch transcription
gesien heb 2 zgt als voren! zogt als gemeld. zegt als boven! zogt van geen ordre te weten! zegt ik weet Niets. zegt daar niets van te weten! of er ook kinderen van de weede. de Plooij zijn meede ge gaan en met name zegt niets gesien te hebben! zegt Nergens van te weeten! wat bij hun aankomst bij en zegt ik ben daar niet geweest wat of die vrouw daar op ge in 't woonhuijs van Botman als toen voorgevallen is alles distinct op te geeven „zegd heeft. goederen daar uijt gestolen zegt ik weet Nergens van ik off na 't pleegen den moorden kan niets zeggen dat ik niet niet alles is opgehakt en de off hij gev:e ook weet wie van 23 de daar geweest zijnde hot„ zegt ik ben daar niet bij ge wie die goederen begraven tentotten meede gemoord weest hebben of geroofd hebben. de gev= thijs albreet piet Pie keur zeggen in facie van de gev=e dat hij er bij is geweest toen de goederen begraven wie hij gev„e gemoord of gesto„ zijn ken heeft en wat hij geve, al de gev e blijft bij de Negative. geroofd heeft! zogt ik weet Niets! wie de gestolene goederen na de plaats van de weed=e de Ploot„ vervoerd hebben en waarin 18 zegt in 't geheel op de plaats Hoelaat op de dag zyl: we off zijl draagpaarden of os„ sen hebben gehad en hoe veel wat ordre zijl: ontfangen hebben toen zijl: na de plaats van Rotman zijn gegaan ul 10 niet geweest te zijn. der te rug naar de plaats zijn gegaan en wat weg de Iongens hebben ingeslagen. off hij gev: nevens de andere hottentotten bij haar komst ter plaatse van de weed=e de Clooij aan die vrouw niet van alles te hebben verslag gedaan en zo meede van de geplaegde aCo 19 waar de goederen geborgen zijn 82 zegt Niets gesien te hebben! wat of hij geve voor zijn aan deel bekoomen heeft van de gestoolene goederen! zegt ik weet niet! zegt dat weet ik Niet! 25 off hij ook weet dat den off hij gev„e niet weet dat Hendrik de Plooij meede gemoord heeft der hotten „. 13 15 16 . 4 24 21 20 moorden! zogt ik weet Niets. zegt dat weet ik Niet. Zogt Niets te weeten. zegt Niemand is bij mij ge steolen ben. hotten tot piet Piekeur, een zak met geld aan de weede. Plooij heeft overgegeeven die hij me„ de van de plaats gebragt heeft off die vrouw op 't zien van de sak niet verheugt is geweest: of hij gev„e ook niet bewust is dat de vrouw tegens de Iongens die gemoord hebben bij hun vertrek van haar plaats ge„ segd heeft gijl: moet na de plaats van Rotman gaan en moorden en steelen daar want daar is veel goed ik zal de hottentotten meede senden om ook een pard daar van te krijgen! off hij geve ook iets weet be„ trekkelijk deese affaire 28 of hij gev„e niet bewust is de plaats ging om te moor„ den of te steelen uijt ordre van de weede. de Plooij hij die ordre uijtvoerende kwaad zoude doen. weest om te zeggen gij moet geweest dat wanneer hij na waarom hij gev„e dan die or zogt Niets uijtgevoerd te heb dre soo Compleet heeft ge executeerd:! ofs hij gev=e niet weet dat zegt als ik meede was ge„ Aldus Gedaan en gerecolleerd aan Cabo de goede Hoop den 26 maij 1787 was getee„ „kend/ & en daar omschreeven dit kruijs heeft de gev„e eijgenhandig gesteld in margine als gecommitteerdens /was geteekend/ W: F: v: Reede van oudtshoorn en I: M: Bletterman /lager/ mij praesent ge „teekend/ R: I: V: D: Riet gesw=e Clercq wat hij gev. e tot zijn verscho „ning weet bij te brengen Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de goede Hoop den 15 maart 1787. voor dehe ren Salomon van Echten en Jan Coenraad Gie leeden uit den E: Agtb: Raad van Iustitie voorm: die de minute deeser beneevens de gev„e en mij geswe Clercq meede behoorlijk heb den onderteekend onderstond 'T welk ik getui „ge was geteekend R: I: v: D: Riet ges w=e Clercq Recollement Compareerde voor ons onderget: gecomm: leeden uijt den E: agtb: Raad van Iustitie de ses gouvernements den Persoon van Willem Bierwerd dewelke deese sijne voorenstaande Interogatoria van woord tot woorde voorgeleesen verclaarde daar bij te blijven persisteeren begee „rende dat er niets meer bij of van gedaan wer den zal zogt onschuldig te zijn! weest zou ik zulx zeggen die geene die moorden en Ro „ven, zo wel als die geenen en die daar toe behulpzame hand bieden strafbaar zijn! weest die Nader Articu 26 27 29 30 32
English
Further interrogatory articles drawn up and submitted to the gentlemen commissioners from the Honorable Court of Justice of this government by and on behalf of the sworn clerk of the said Court, as well as qualified in office by the high government of this place for the handling of the affairs of the Landdrost of Swellendam, Constant van Nule Onkruidt, in order that the Hottentot Willem Bierwerk be heard and interrogated thereon upon his requisition, the answers to be given by him hereupon will be noted in the margin. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, the Hottentot Willem Bierwerk, who gave such answers to the adjacent interrogatory articles as stand recorded opposite each of them. 1 Whether the prisoner was present at the committing of the murders at the farm of Botman? Says: He sought to have spoken the truth. 2 Piet Pikeur, Hijntje de Plooij, and Thijs Albregt say in the face of the prisoner that he was also at the farm of Botman, and indeed inside the house when the murder was committed. Says: No! 3 Whether the prisoner must not confess that he also helped to transport and conceal the goods stolen from Botman, and likewise had knowledge of the murder or took part in it? Says: No. 4 If not, whether he can then also name anyone who made themselves guilty of the burying or concealing of the goods? Says: I know nothing about that. 5 Piet Piekeur and Thijs Albregt say they cannot rightly say whether he was also present to bury the goods, but indeed at the murder. The prisoner persists in the negative. Says: That I do not know. 6 Whether the prisoner does not understand for himself that, however much he seeks to excuse himself with the negative, his guilt and complicity in everything can nevertheless be deduced very clearly? Says: I am not guilty. 7 Whether the prisoner also knows where those goods are currently concealed? Says: I know nothing. 8 Whether the prisoner also knows in what manner various goods belonging to the aforesaid Botman came to be both in the chest of Hendrik Plooij and in the room where Thijs Albregt keeps house? Says: He cannot say such. 9 How long these boys who were at the farm of the widow De Plooij in the month of October last stayed there? Says: No. 10 Whether the prisoner did not also assist at the burial of the stolen goods? The prisoner persists in the negative. Says: If I knew that, I would gladly say so. 11 Whether the prisoner still persists in his previous lying answers, or whether he is now inclined to confess the truth? Says: No. 12 Whether the prisoner does not understand that by his frequent lying he makes himself punishable? Says: No. Thus questioned and answered at the Cape of Good Hope on the 26th of May 1787, before the gentlemen Willem Ferdinand van Reede van Oudtshoorn and Johannes Mattheus Bletterman, members from the Honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof along with the prisoner and me, the sworn clerk. Below was written: To which I bear witness, was signed R: J: v: D: Riet, sworn clerk. Re-examination: Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government aforesaid, the Hottentot Willem Bierwerk, to whom these his preceding interrogatory articles with his answers given thereto having been clearly and distinctly read aloud, declared that he persists therein, desiring that nothing more be added thereto or taken away therefrom, except only that the prisoner declares he now repents of what he has lied about, and says: That, by order of old Regina and her son Hendrik Plooij, the evening before the murder at the farm of Botman, he went to the farm of the said Botman with Hendrik Plooij, little Thijs Albregt, Piet Piekeur, Hijntje, Claas, Coert, Pantje, Boom, Takhals, saying the others have slipped his mind. That the prisoner stayed close to the house of Botman in a ravine with the other Hottentots, while the boys went to the house. That the prisoner with the remaining Hottentots was subsequently called inside long after dark, when the murder was begun, without the prisoner having seen anyone wounded, while he had been outside the house. That afterwards Hendrik Plooij packed the goods in sacks brought with him, and loaded them onto his horses and rode home, whereupon the appearer, with the others, only returned to the farm of old Regina the following morning. That after the goods had been brought into the house, the same goods beside in the house [illegible].
Dutch transcription
Compareerde voor ons onder Nadere articulen gedaan zogt de waarhyd gesproken te hebben Zegt Neen! get: gecomm: uit den E: agtb: maken en overgegeeven aan raad van Justitie deses gou heeren gecomm: uit den E: Agtb: vernements den hotten tot wil Raade van Iustitie deeses gou zegt Neen lem Bierwerk dewelke op de vernements door ende van we nevenstaande vraag articulen gens den gesw=e Clercq van zodanige antwoorden gegeeven wel gem: Raade als door de heeft als bezijden een ijder der hoge overigheid deeser van de in officio gequalificeerd ter zogt ik weet daar niets van waarneminge der zaken van den Landdrost van Swellen dam Constant van Nule on kruidt omme daar op ter zij ner requisitie gehoord en on zogt dat weet ik niet dervraagd te worden den Potten tot willem Bierwerk zullen de zijne hier op te geevene zes „p=e in margine worden bekend zelve staan aangeteekend gesteld of hij gev„e niet moet bekennen piet pikeur hijntje de Plooij dat hij de bij Botman gestolene goederen meede heeft helpen en thijs albregt zeggen in facie van de geve, dat hij me vervoeren en verdonkeren en zo de op de plaats van Rotman meede van de moord te wee is geweest en wel binnen in 't ten of mede gedaan te hebben huijs toen de moord begaan is de gev„e blijft bij de Negative zegt ik weet Niets. zo Neen of hij dan ook iemand zogt ik ben niet schuldig. of hij gev. . niet zelve begrijpt weet op te geeven die zig aeen zogt zulx niet te kunnen Zegt Neen of hij gev. e niet meede geadsis Piet Piekeur thijs Albregt teerd heeft bij de begraving zeggen niet rogt te kunnen der gestoolene goederen! zeggen of hij meede is geweest om te begraven maar wel bij de moord de geve, blijft bij de Negative of hij gev, ook weet waar die goederen thans verborgen zijn ? of hij gev e ook weet op wat wijze zo in de kist van Hon„ drik plooij als in vertrek daar thijs albregt huis houd ver„ scheide goederen voorsz: Rot„ man toebehoorende gekoomen hoe lange deese Iongens wel ke in de maand octbr: H op de Plaats van de weede. de Plooij geweest zijn zig aldaar hebben opgehouden. 4C: 4 of hij gev e bij 't pleegen der moor den ter plaatse van Rotman is praesent geweest 't begraven of verbergen der goede ren heeft schuldig gemaakt of hij geve. als nog bij zijne voorige Leugenagtige antwoor den blijft persisteeren dan wel of hij nu genegen is de waarhijd te bekennen af1 't & zeggen. zijn 6 5 zegt zo ik dat wist zoude ik dat graag zegger of hij gev„e niet begrijpt dat hij door het menigvuldig liegen zig strafbaar ma„ „ken! Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de Goede Hoop den 26 Meij 1787 voor de heeren willem Ferdinand van Reede van oudtshoorn en Ioh=s Matth=s Bletterman leeden uijt den E agtb: Raad van Justitie voorm: die de minute deeser beneevens de Gev„e en mij gesw„e Clercq meede behoorlijk hebben onderteekend onderstond 'T welk ik getuige was geteekend R: I: v: D: Riet gesw=e Clercq Compareerde voor ons onder get: gecomm: uijt den E: agtb: raad van Iustitie deeses gouvernements voorm: hottentot willem Bierwerk denwelken deese sijne vooren staande vraag articulen met zijne daar Recollement Dat vervolgens Hendrik Plooij in Zak ken door hem meede gebragt de goederen gepakt en zoop zijn paarden gelaaden en na huis gereeden was wanneer hij Compt met de overige dien anderen dag morgen eerst op de plaats van oude Regina is te rug gekoomen. Dat Na dat de goederen in huijs waaren gebragd dezelve goederen bezijden in 't huijs Dat hij gev=e met de overige hottentotten vervolgens lang na den donkeren zijn binnen geroepen waneer de moord begonnen is, zonder dat hij geve iemand heeft zien wonde terwijl hij buiten 't huijs was geweest. Als alleenlijk dat hij geve betuigt thans berouw te hebben over 't geen hij geloogen heeft en zegt dat hij ter ordre van de oudee rogina en haar zoon Hendrik Olooij den avond voor de moord ter plaatse van Rot man na de Plaats van gem: Rotman ge„ gaan is met Hendrik Plooij de klijne thijs albregt Piet Piekeur Hijntje Claas Coert Pantje Boom Takhals zeggende hem doar dere ontschoten te zijn. Dat hij geve. digt aan 't huijs van Rotman in een Cloof met de andere hottentotten ver bleeven is terwijl de Jongens na 't huijs ge gaan zijn op gegeevene Rosp=e klaar en duidelijk voorge leesen weesende verclaarde daar bij te blijven persisteeren met begeerte dat er niets meer bij of van gedaan werden zal hoe zeer hij zig met de Nega „tive zoekt te verschoonen zijn schuld en mede weetenschap van alles eevenwel zeer Claar is op te maaken Fo in -
English
were buried in a kloof, having assisted at that burial Hendrik Plooij, he the prisoner, Thijs Albregt the younger, Claas Coert and Piet Piekour. That the aforesaid goods were afterwards dug up and hidden again, he the prisoner not rightly knowing where they are currently hidden. The prisoner declaring that the old Regina strictly commanded him to go to the place of Rotman, as well as that the six boys were at the place for six days and kept in hiding in the field during the day, while at night they came to the place near and into the house of the old Regina and Hendrik Plooij. Furthermore, the prisoner declared that he did not know upon departure from the place of the old Regina that murder was to be committed at the place of Rotman, and also that he enjoyed nothing for his share. Saying further that he the prisoner had persisted in the negative because he does not know where the goods are currently hidden, and thus had kept silent out of fear. Requesting finally that this confession might be read out in the presence of his accomplice. The prisoner confessing further that he, with one of the yellow boys, laid out ready the black coat, waistcoat, breeches, and the rest. This confession having been read out in the presence of the fellow prisoners Regina, widow of Hendrik Plooij, Hendrik de Plooij, and Thijs Albregt, as well as Daniel Paul, and also in that of Claas Coert, while the last-mentioned Claas Coert likewise came to confess, and the others persisted in the negative, the deponent saying that the foregoing is the truth. Articles drawn up and submitted to the honorable commissioners from the honorable Court of Justice of this government by the sworn clerk of the well-mentioned Court, Johannes van der Riet, as qualified in office to attend to the matters of the Landdrost of Swellendam, in order that there upon his requisition the Hottentot Claas Coert shall be heard, his answers to be given thereto to be duly recorded in the margin of this, to wit: Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, the Hottentot Claas Coert, who to the adjoining question-articles has given such answers as are noted beside each of the same. The prisoner's name, birthplace, and age. Says Claas Coert, aged by estimation 30 years. Where and with whom the same resided most recently. Says to have lived with the widow de Plooij at the Rietvallei on the other side of the Gous River. Whether he the prisoner also lived in the month of October last at the place of the widow de Plooij situated in the old Siqua land. Says now for three years. Says yes. Whether at that time there were also strange slaves and Hottentots, and what he the prisoner is aware of concerning that. Says not to have seen any boys and to know nothing of it. Thijs Albregt, Hijntje de Plooij, and Piet Piekeur state in facie of the prisoner the truth of the question. The prisoner persists in the negative. If yes, how many, what named, and to whom belonging, to state each distinctly. Says to know nothing of it. Thijs Albregt, Piet Piekeur, and Stijntje de Plooij state in facie of the prisoner that there were six boys at the place. The prisoner persists in the negative. Whether there were also children of the widow. Says no. Whether he the prisoner also went with those slaves and Hottentots on a certain day from the place of the widow de Plooij, and whither. The Hottentot and Hijntje de Plooij and Thijs Albregt state in facie of the prisoner that he Claas Coert was also with them. Piet Piekeur said that because he came home a bit late that evening, he followed behind and saw Claas Coert with the boys and Hottentots. The prisoner persists in the negative. The reasons why he had to go with the other Hottentots and slaves to the place of Rotman. Says as before, to know nothing of it. Whether he the prisoner also knew on what day and at what time he the deponent then departed from the place of the widow de Plooij, and with whom. Says that he did not go to the place of Rotman. Whether they went directly to the place of Rotman, or whether they stayed somewhere, and where. Says as before. What orders they received when they went to the place of Rotman. Says no, to know of no orders. Says not to know such. Thus reviewed at Cape of Good Hope, the 30th of May 1787. Was signed there and then as described, this cross the prisoner placed with his own hand. Below, in my presence, signed R. J. v. D. Riet, sworn clerk. In the margin as commissioners was signed: C. Matthiesen and C. G. Maasdorp.
Dutch transcription
in een Cloof zijn begraven geworden hebben de bij die begraving geadsisteerd Hendrik Plooij hij geve. thijs albregt de Jonge Claas Coert en Piet Piekour Dat de voorsz: goederen naderhand opge graven en weder verborgen zijnde hij gev¬ niet te regten weet waartans verborgen Logt betuigende den gev„e dat de oijde Regina hem ernstlijk heeft geconmandeerd om na de Plaats van Rotman te gaan als mee de dat de ses Jongens ses dagen op de Plaats geweest zijn en over dag in 't veld hun schuijd hielden terwijl zijl: des nagts op de Plaats zijn gekomen bij en in 't huijs van de oude Regina en Hendrik Plooij. voorts betuigde den gev„e dat hij niet ge weeten heeft bij 't vertrek van de plaats van de oude Regina dat er op de Plaats van Rotman gemoort zoude worden en ook niets genooten te hebben voor zijn aandeel.- zeggende wijders, dat hij ge e bij de Ne „gative gebleeven is om dat hij niet wet Articulen gedaan ma Compareerde voor ons onder waar de goederen thans verborgen zijn ken en overgegeeven aan get: gecomm uijt den E agtb: en dus door vrees versweegen te hebben. Heeren gecomm: uijt den E. Raad van Iustitie deeses versoekende eijndelijk dat deese Confes gouvernements den hotten agtb Raad van Justitie sie in praesentie van zin meede Compli tot Claas Coert dewelke op deeses gouvernements door ce mogte werden voorgeleesen. de Nevenstaande vraag den gesw:e Clercq van welgem: ƒ — articul en zodanige ant Arde Iohs van der Riet Confesseerende de geve, nog dat hij met woorden gegeven heeft als in officio gequalificeerd een der geele Iongens de swarte rok Ca als bezijden een ijder der ter waarneminge der za misool broek en 't verdere heeft klaar zelve staan aangeteekend ken van den Landdrost Aldus gerecolleerd aan Cabo de goede Hoop den 30 maij 1787 was geteekend te en daar omschreeven dit kruis heeft de ge „ve eigenhandig gesteld lager mij prae„ sent geteekend R Iv: D Riet gesw=e Clercq in margine als gecomm: was geteekend:d C: Matthiesen en C: G: Maas„ dorp gelegt. zijnde deese Confessie in praesentie van de meede gev=e Regina weed=e Hendrik Plooi„ Hendrik de Plooij en thijs Albregt mitsgds. Daniel Paul voorgeleesen als mede in die van Claas Coert terwijl de Laats gem: Claas Coert meede tot Confessie is gekoo¬ men en de andere bij Negative zeggende den Compt. dat 't voorenstaande de waar hijd is do van van Swellendam Constand zegt Claas Coert oud na ges: sing 30 Jaaren te weeten. van Nul & onkruidt omme zogt Neen. of hij gev„, ook met die slaven daar op ter sijner requisitie de Hottentoft en Hijntje de en Hottentotten op Seekeren dag gehoord te worden den hot Plooij en Thijs albregt zeggen van de plaats van de weede, de in facie van de gev„, dat hij Claas Plooij is gegaan en waar na ten tot Claas Coert zullen Coert meede geweest is met hun toe de desselvs te geevene respe. Piet Piekeur zogt dat hij ver„ in margine dees behoorlijk mits hij dien avond wat laat te huijs kwam agter aan gekomen is en hem Claas Coert meede met de Jongens en hotten worden bekend gesteld totten de gev„e, blijft bij de Nogative de reedenen waarom hij met de anderen Hottentotten en slaven na de plaats van Rotman gaan moesten zegt als vooren nergen van of hij geve ook geweeten heeft hij gete. dan van de Plaats van de weed=e. de plooij is afgegaan en met wien zegt dat hij niet na de plaats op wat dag en op welke tijd of zyl: direct na de Plaats van Rotman zijn gegaan dan wel of zyl: ergens verblee ven zijn en waar! zogt Neen van geen ordre te wat ordre zijl: ontfangen hebben toen zijl na de plaats van Rotman zijn gegaan weeten.! zogt zulx niet te weten! zegt als vooren van rotman gegaan is. te weeten waar en bij wien dezelve 't bij de weld=e de Plooij aan de laatste gewoond heeft! Riet vallij aan de overside van de gous Rivier gewoond te hebben. Zogt Nu zedert drie Jaaren zogt Ia. zegt geen Jongens gesien of er tet dier tid ook vreem te hebben en daar niets van de slaaven en hottentotten geweest zijn en wat hem Thijs Albregt hijntje de geve daar van bewust is Plooij en Piet Piekeur zeg gen in facie van de geve, de waarhijt van de vraag aan. de gev„e blijft bij de Negative zegt Nergens van te weten; zo Ja hoe veel hoegenaamd Thijs Albregt Piet Piekeur en wie toebehoorende dezelve en Stijntje de Plooij zeggen distinct op te geeven in facie van de gev„e dat er of hij geve, ook in de maand octbr: st: ter plaatse van de weedwe de Plooij geleegen in 't oude siqua land gewoond heeft des gev„e naam geboorte plaatshouderdom ses Jongens op de Plaats geweest zijn de gev,e, blijft bij de Negatives of er ook kinderen van de ses weede. 4 5 t 10
English
says also to know nothing about it. whether they had packhorses or oxen, and how many. says not to know such. says as above. to specify distinctly everything that happened upon their arrival at and inside the house of Botman. says to know nothing about it. whether, after the committing of the murders, everything was not chopped open and the goods stolen therefrom. says as above. says to have received nothing. what he, the prisoner, received as his share of the stolen goods. says: No, I was not there; how could I then know such, and I can say nothing if I know nothing. whether he, the prisoner, also knows who among the Hottentots present there also murdered or robbed. says: I know of all that nothing. says: I know of nothing. whether he, the prisoner, also knows that the Hottentot Piet Piekeur handed over a bag of money to the widow de Plooij, which he also brought from the place of Botman to carry home. Piet Piekeur said that he carried a bag of money that was given to him by Hendrik de Plooij in the house of Botman to carry home. says: No, he must know such if he says that; I was not there. The prisoner stands by his statements. at what time of day they went back to the place and what road the boys took. who transported the stolen goods to the place of the widow de Plooij, and in what. whom he, the prisoner, murdered or stabbed, and what he, the prisoner, robbed. where the goods were hidden. says: I was not there. says: I did not go there. says: I know nothing of that. who buried the goods. Thijs Albregt and Hijntje de Plooij say in the presence of the prisoner that he was also present to bury the goods. The prisoner says that those who say that are lying. what that woman said to that. says: I do not know that. whether he, the prisoner, along with the other Hottentots upon their arrival at the place of the widow de Plooij, did not give that woman a full report of everything, and likewise of the murders committed. says: Nothing. whether that woman was not joyful at the sight of that affair. says: I cannot say that. Says: No. says: I know nothing of that. whether he, the prisoner, is also not aware that the woman, upon the departure from her place of the boys who murdered, said to them: you must go to the place of Botman and murder and steal there, for there are many goods; I will also send the Hottentots along so that they may also get a part thereof. what he, the prisoner, knows to bring forward for his excuse. says to have no guilt. The prisoners Piet Piekeur, Hijntje de Plooij, and Thijs Albregt say that the prisoner Claas Coert, in all that he has answered here before the gentlemen commissioners, has spoken completely falsely and deceitfully, and that he lies obstinately. The prisoner says to have no guilt in anything. whether he, the prisoner, also knows anything concerning this affair. whether he, the prisoner, was not aware that when he went to the place to murder or to steal by order of that widow, he, executing that order, would do evil. says: I executed nothing. why he, the prisoner, executed that order so completely. says: Not to have been along. whether he, the prisoner, does not know that those who murder and steal, as well as those who lend a helping hand thereto, are punishable. whether he, the prisoner, therefore does not understand that he is punishable. Re-examination Appeared before me, the undersigned commissioner from the Honorable Court of Justice, the Hottentot Claas Coert, who, having had these his preceding interrogatories, with the respective answers given thereto, clearly and distinctly read to him word for word, declares... Thus questioned and answered at the Cape of Good Hope, the 13th of March, 1787, before the gentlemen Salomon van Echten and Johannes Gielee from the Honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof together with the prisoner and me, the sworn clerk. Below stood: Which I witness, signed: R: J: van der Riet, sworn clerk.
Dutch transcription
zegt mede Nergens van te we„ geweest is zegt zulx niet te weten. of zijl draagpaarden of zegt als boven. ossen hebben gehad en hoe wat bij hun aankomst bij en in 't huis van Rotman als toen voorgevallen is al „es distinct op te geeven zegt Nergens van te weeten of na 't pleegen der moorden zogt als boven. niet alles is opengehakt en de goederen daar uit gesto„ zogt Niets te hebben verkre wat of hij gev„e, voor zijn aan zogt Neen ik heb daar niet of hij gev„: ook weet wie van gen. „deel heeft bekomen van de geweest hoe kan ik zulx de daar geweest zynde slot gestolene goederen dan weeten en ik kan niets tentotten meede gemoord zeggen als ik niet en weet of geroofd hebben! zogt ik weet van dat alles zogt ik weet Nergens van zegt Neen! hij moet zulx of hij geve ook weet dat den weeten als hij dat zegt hotten tot piet Piekeur een hoe laat op den dag zijl wee liet Piekeur zogt dat hij een sak met geld aan de weed=e zegt ik ben daar niet geweest der te rug na de Plaats zijn Lak met geld gedraagen heeft de Plooij heeft overgegeeven, die hem door hendrik de Plooij die hij meede van de Plaats wie de gestolene goederen na de plaats van de weede de Plooij vervoerd hebben en waar in wie hij gev„e vermoord of ge stooken heeft en wat hij geve„ al geroofd heeft waar de goederen geborgen zijn! 23 e zegt daar weet ik Niets van wie de goederen begraven Thijs Albregt en hijntje de hebben Plooij ziinen in facie van de gev, dat hij meede is geweest om de goederen te begraven den gev e zogt dat de geenen die dat zeggen liegen! zegt dat weet ik niet. wat of die vrouw daar op gezegt heeft of hi geve. nevens de andere Hlottentotter bij hun komst: ter plaatse van de wel d=e de„ Plooij aan die vrouw niet van alles hebben verslagt gedaan en zo meede van de gepleegde moorden gegaan en wat weg de son gens hebben ingeslaagen weede de Plooij zijn meede zogt ik ben daar niet geweest geweest en met name zogt dat hij daar niet gegaan 5 in gebragt „ten veel! 4 15 len 16 17 18 niets 22 21 20 24 Zegt Niets. zijn. in 't huis van Rotman gogee gebragt heeft ven is om na huis te dragen de gev, blijft bij zijn gesegden. aC: 25 zegt dat kan ik niet zeggen of die vrouw niet op 't zien van die zaak verheugt is Zegt Neen. geweest! zegt daar weet ik niets van of hij gev, ook niet bewust is wat hij geve tot zijn verscho zegt geen schuld te hebben. dat de vrouw tegen de Jongens ning weet bij te brengen de gev:e piet Piekeur Hijntje die gemoord hebben bij hun de Plooij en Thijs albregt zeggen dat de gev, Claas Coert: al vertrek van haar plaats gesogt 't geen hij hier voren voor heeren gecomm: geantwoord heeft heeft gijt moet na de plaats ten eenemaal valsch en leugenagtig heeft gesegd en dat van Botman gaan en moorden hij halstarrig liegt en steelen daar want daar de geve zigt geen schuld ergens in te hebben is veel goed ik zal de hotten „totten meede senden om ook een part daar van kreigen of hij gev, ook iets weet be trekkelijk deese affaire of hij geve niet bewust is ge weest dat wanneer hij na de plaats ging om te moor „den of te steelen uijt ordre van die weed=e hij die ordre uijt voerende kwaad zoude doen waarom hij gev, die or zogt ik heb niets uijtgevoerd dre zo Compleet heeft geex„ ecuteerd. zogt Niet meede geweest te of hij geve, niet weet dat die geenen die moorden en zoo Recollement Compareerde voor mij ondergeteek: gecomm: uijt den E: agtb: Raad van Iustitie den hotten tot Claas Coert dewelke deese zijne voorenstaande interog: met de daar, op gegeevene Respe. van woorde tot woorde klaar en duidelijk voorgeleesen verclaar¬ Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de goede Hoop den 13 Maart 1787 voor de Heeren Salomon van Echten en Ioh=s Gieleeden uijt den E: agtb: raad van Iustitie voorm: die de minute deeser be neevens de iev„e en mij geswe Clercq mee de behoorlijk hebben onderteekend onder „stond 'T welk ik Getuige was geteekend Rr: I: v: D: Boet gesw Clercq of hij gw . dus niet begrijpt Strafbaar te weesen „ven zo wel als die geenen, die daar toe de behulpsame hand bieden Strafbaar zijn ven de 0 26 27 28 29 30 - 32
English
Thus done and reviewed at Cabo de Goede Hoop the 26 meij 1787, was signed x and circumscribed this cross the prisoner set with his own hand, lower in my presence signed R I: V: D: Riet sworn clerk, in the margin as commissioners signed W: F: v: Reede van oudtshoorn and J: M: Bletterman. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the Hottentot Claas Coert, who to the following questions has given such answers as are noted down beside each of them. Further articles drawn up and delivered to the gentlemen commissioners from the Honorable Council of Justice of this government by and on behalf of the sworn clerk of the said Council, as qualified in office by the High Authority of this country to attend to the affairs of the Landdrost of Swellendam, the Lord Constand van Nuld Onkruidt, in order that upon his requisition the Hottentot Claas Coert may be heard and interrogated thereon, and his answers to be given shall be properly recorded in the margin hereof, desiring to persist therein and that nothing more shall be added or taken away. Article 1 Whether the prisoner must not confess that he also helped to transport and conceal the goods stolen from Rotman, the pots to Piet Piekeur, and likewise to know of the murder. Says, I was not there. Thijs Albregt and Hijntje de Plooij say to the face of the prisoner that he was on the farm and helped to conceal the goods. The prisoner persists in the negative. Article 2 Whether the prisoner was not present at the commission of the murders at the place of Rotman. Says, No. Piet Piekeur, Thijs Albregt, and Hijntje de Plooij say to the face of the prisoner that he was also present. The prisoner persists in the negative. Article 3 Whether the prisoner still persists in such lying answers to his previous articles, or whether he is now inclined to confess the truth. Says, to have spoken the truth. Article 4 If so, whether he knows to name anyone who made themselves guilty of burying or concealing those goods. Says, That I do not know, who is guilty. Article 5 How long these slaughterer's boys, who in the month of October were at the place of the widow de Plooij, stayed there. Says, That I do not know. Article 6 Whether the prisoner also did not assist at the burial. Says, If I lied, I would have deserved punishment. Article 7 Whether the prisoner does not know where those goods are hidden at present. Says, I know nothing of that. Thijs Albregt and Piet Peekeur say to the face of the prisoner that he was also present. Article 8 Whether the prisoner does not know in what manner various aforesaid goods belonging to the late Rotman came both into the chest of Hendrik Plooij and the apartment where Thijs Albregt keeps house. Says, If I knew that, I would tell it. Article 9 Whether the prisoner does not understand himself how much, however he seeks to excuse himself with the negative, his guilt and complicity in everything is nevertheless very clear to be inferred from the circumstances. Says, If I lied, I would be guilty, but I spoke the truth. Article 10 Whether the prisoner does not understand that by multiple lying he makes himself punishable. Says, If I lied, I would be guilty, but I spoke the truth. Thus interrogated and answered at Cabo de Goede Hoop the 26 meij 1787 before the gentlemen Willem Ferdinand van Reede van Oudtshoorn and Jacobus Bletterman. Review Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the aforementioned Hottentot Claas Coert, to whom the foregoing articles together with the answers given thereto, having been read clearly and distinctly, declared to persist therein, desiring that nothing more shall be added or taken away, except only that the prisoner professes to have remorse over what he has lied, and now says also as the Hottentot Willem Bierwerd has confessed, and that in the presence of his accomplice. Thus reviewed at Cabo de Goede Hoop the 30 meij 1787, was signed x and circumscribed this cross the prisoner set with his own hand, lower in my presence signed R: I: V: D: Riet sworn clerk, in the margin as commissioners signed C: Matthiesen and C: G: Maasdorp. Appeared before us, the undersigned members from the Honorable Council of Justice aforesaid, who have also duly signed the minute hereof together with the prisoner and me, the sworn clerk. Below stood, Which I witness, was signed R: I: V: D: Riet sworn clerk.
Dutch transcription
Aldus gedaan en gerecolleerd aan Cabo de Goede Hoop den 26 meij 1787 was geteekend x en daar omschreeven dit kruw zegt ik bez daar niet bij ge„ off hij ged: niet moet bekennen heeft de gev„e eigenhandig gesteld lager weest dat hij bij Rotman gestolene mij Praesent geteekend R I: V: D: Riet de potten tot piet piekeur goederen meede heeft helpen, gesw: Clercq. — in margine als gecomm: Thijs Albregt en hijntje de vervoeren en verdonkeren en zo Plooij zeggen in facie van de geteekend W: F: v: Reede van oudtshoorn meede van de moord te weeten gev„ dat hij op de plaats is geweest en geholpen om de goe deren te verbergen. — de gev, blijft bij de Nogateren Compareerde voor ons onder Nadere Articulen ge get: gecomm: uijt den E: agtb: zegt dat weet ik niet wie daan maken en overgegee Raad van Justitie deeses gouvernements den hottentos en aan heeren gecomm: uit schuldig is! den E: Agtb: Raad van Justi Claas Coert dewelke op de ne venstaande vrager zodanigtie deeses gouvernements door antwoorden gegeeven heeft ende van wegens den geswe als bezijden een ijder derzelve Clercq. van welgemelde Ra„ zegt Neen. of hij gev„, niet bij 't pleegen de als door de Hooge overig piet piekeur Thijs Albregt der moorden ter plaatse van heid deeses lands in officie en hijntje de Plooij zeggen in Rotman is praesent geweest gequalificeerd ter waarne facie van de gev,„e dat hij mee minge der zaaken van den de is geweest Landdrost van Swellendam „de gev. e blijft bij de Negatiee de Heer Constand van Nuld onkruidt omme daar op zegt dat weet ik niet. ter sijner Requisitie gehoord en ondervraagd te worden den Gotten tot Claas Coerto zullen de zijne te geevene Respe in margine deeser behoorlijk moeten werden bekend gesteld: de daar bij te blijven persisteeren begeeren zogt de waarhijd gesprooken de dat er niets meer bij of van gedaan wer te hebben den zal off hij gev, nog bij zijne voo rige articulen zo leugenagtige antwoorden blift, persisteeren dan wel of hij nu geneegen„ is de waarhijd te bekennen zo Heer of hij iemand weet op te geeven die zig aan 't be„ graaven of verbergen dier goe „deren heeft schuldig ge„ maakt Hoe lang deese slagters Iongens welke in de maand october op de plaats van de weede. de Plooij geweest zijn zig aldaar, hebben opgehou den. fs ƒ en J: M: Bletterman staan aangeteekend „ 5 af 1 zogt als ik Loog zou ik straf verdiend hebben zogt dat weet ik Niet. of hij gev: niet meede goad zegt daar weet ik niets van. sisteerd heeft bij de begra thijs Albregt piet peekeur ving zeggen in facie van de gev„e dat hij meede geweest is. of hij ievs, niet weet waar die goederen thans verborgen zijn zogt als ik dat wist zou ik of hij zee, niet zelve begrijpt zogt als ik Loog zou ik schul„ dig zijn maar ik zeede waar hoe zeer hij zig met de Nre gative zoekt te verschoonen zijn schuld en mede weten schap van alles eevenwel uit de omstandigheeden zeer klaar is optemaken. of hij gev„, niet begrijpt dat hij door 't menigvul dig siogen zig straf schul dig maakt Aldus gevraagt en beantwoord aan Calo de Goede Hoop den 26 meij 1786 voor de Heeren Willem Ferdinand van Reede van oudtshoorn en J=b M:s Bletkerman 't zegtjen 4 6 of hij geve. ook weet op wat wijze so in de kist van Hendrik Plooij als 't ver „trek daar thijs Albregt huijs houd verscheide goede „ren voorsz: gedn Rotman toebehoorende gekomen zijn Recollement Compareerde voor ons onder get: gecomm: uit den E: agtb: Raad van Iustitie deeses gouvernements voorm: Hottentot Claas Coert denwelken op de vorenstaande articulen beneevens de daar op gegeeve ne resp, klaar en duidelijk voor geleesen verclaarde daar bij te blijven persistee ren begeerende dat er niets meer bij of van gedaan worden zal als alleenlyk dat hij gev„e betuijgt berouw te hebben over 't geen hij geloogen heeft en segt tans mee de zo als de hotten tot willem Bierwerd heeft geconfesseerd ende sulx in praesentie van zijn meede Complice Aldus Gerecolleerd aan Cabo de Goede Hoop den 30 meij 1787 was get:/ x en daar omschreeven dit kruijs heeft de gev„', eigenhandig gesteld lager mij Praesent geteekend R: I: A: D: Riet gesw, Clercq / in margine als gecomm: geteekend C: Matthiesen en C: G: Maasdorp. Compareerde voor ons onder Articulen gedaan maken leeden uit den E Agtb: Raad van Iustitie voorm: die de minute deeser beneevens de gev. e en mij geswe Clercq meede behoor„ lijk hebben onderteekend onderstond T welk ik getuijge was geteekend R: I V: D: Riet gesw„, Clercq Leeden get en hijd -
English
The commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice, presented and delivered to the Honorable Commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government by and on behalf of the Landdrost of Swellendam, Constand van Nuld Onkruijd, in order to be heard and interrogated upon his requisition, the Hottentot Piet Piekeur, whose responses given in the margin are to be properly recorded: Question 1: Concerning the prisoner's name, birthplace, and age. Answer: Says he is a Hottentot named Piet Piekeur, aged approximately 40 years, living across the Gouritz River near the so-called Rietvallei with the widow of Hendrik de Plooij. Question 2: Where he last resided. Answer: States at Regina van de Caab, widow of Hendrik de Plooij. Question 3: Whether the prisoner in the month of October last resided at the place of the widow De Plooij situated in Old Nequaland. Answer: Says yes. Question 4: Whether the prisoner also knew the reason why he had to go with the other Hottentots and slaves to Rotman's place. Answer: Says that Regina said, "You must go get goods," and the prisoner initially said, "I do not want to go," but went later upon the order that the widow De Plooij gave him, saying, "You must go," without him knowing why. Question 5: On what day and at what time the prisoner left the place of the widow De Plooij, and with whom. Answer: Says the day has slipped the prisoner's mind, but he left the place with Willem and Claas Coert living at Regina's, Daniel Paul living with the so-called old Fijtje, Little Thijs and Hijntje de Plooij who are currently also in custody, Jantje Boom living with Jan Barnard, Willem Ruijterbos living with Regina, Andries Jantje with Piet Marcus, Abraham with Jan Marcus, Takhals living with Daniel Swart, after which came with three horses the son of Regina, namely Hendrik de Plooij. Question 6: Whether at that time there were also foreign slaves and Hottentots, and what he was doing for a few days at Lodewijk de Jager's. Answer: Says that the prisoner, six boys, without the prisoner knowing the names or to whom they belonged, those boys claimed to be butcher's boys. Question 7: Whether they went directly to Rotman's place, or whether they lingered anywhere. Answer: Says that the prisoner with the other boys and Hottentots went to Rotman's place without stopping anywhere. Question 8: What orders they received when they went to Rotman's place. Answer: Says that Regina said, "You must go along," without knowing why. Question 9: Whether any children of De Plooij went along, and if so, how many and by name. Answer: Says that Hendrik de Plooij came along. Question 10: Whether they had packhorses or oxen with them, and how many. Answer: Says with three packhorses. Question 11: What happened upon their arrival at and in the dwelling house of Rotman, distinctly stated. Answer: Says that the prisoner upon his arrival saw that the boys were killing, and that he stood outside, and he did so on the order of Hendrik de Plooij, who said, "You must stay outside and watch so that no one gets away." Question 12: Whether the prisoner or the other Hottentots also joined in the murdering or breaking in. Answer: Says no, he saw nothing since he stood outside, and that Willem and Claas Coert were inside. Little Thijs, entering, tells the prisoner to his face that he was also inside. The prisoner now says that this is the truth and that he was inside. Question 13: Whether after committing the murders everything was chopped open and the goods stolen from there. Answer: Says that the boys chopped everything open after committing the murders. Question 14: What all they stole. Answer: Says that the prisoner took along a bag of money which the prisoner handed over to the widow De Plooij, and that the bags of goods were buried, about which that woman was very glad and laughed. Question 15: In what the goods were transported. Answer: Says in bags. Question 16: Who transported those goods to the place of the widow De Plooij. Answer: Says that all the Hottentots carried them. Question 17: At what time of the day they returned to the place of the widow De Plooij. Answer: Says before daybreak, around midnight, he returned home, while the boys took another path. Regarding the prisoner's statement that he came home that afternoon when the boys and Hottentots had already left the place of old Regina, and that the prisoner was then sent after them by Regina to catch up with the boys and Hottentots in order to go along to Rotman's place, as the prisoner indeed went directly and met the boys and Hottentots near Rotman's place, where the prisoner stayed back with the Hottentots and was subsequently called by the boys around nine o'clock when it was time: The little Hottentot Thijs, entering, tells the prisoner to his face that he left home together with the other boys and did not follow afterward. The prisoner now says that he indeed went along together, and that it had slipped his mind due to the length of time.
Dutch transcription
get: gecomm: uijt den E: agtb: geweest was hij gev„e Juijst gev, daar van bewust is! den gegeeven heeft als bezij den een ijder derzelve staan aangeteekend: zegt Een hottentot te sijn genaamd Piet piekeur oud na gissing 40 Iaaren woonende aan de overzijde en overgegeeven aan heeren Raad van Justitie den gecomm: uijt den E: agtb: Raad dien middag was thuijs ge„ slottentot piet piekeur de van Justitie deeses gouverne koomen was toen de Iongens in hottentotten reeds van de welke op de neevenstaande ments door ende van wegens plaats van oude Regina afwaren en was hij gev„e toen, den landdrost van Swellen door Regina agter, aan gesonden om de Iongens en kotten dam Constand van Nuld totten agter, op te loopen ten einde meede na de plaats van Rotman te gaan gelijk hij gev, ook direct gegaan was onkruid omme daar op ter en de Iongens en de Hottenlotten omstreep de plaats van sijner requisitie gehoord rotman hebben ontmoet wanneer hij gev„e met de hotten en ondervraagd te worden, totten agter uijt gebleeven en vervolgens omtrend negen uu„ den hotten tot Piet Piekeur aen geroepen door de Iongens toen 't tid was zullende desselvs te geeve de klijne hotten tot Thijs binnen komende zegt de gev„e ne resp e in margine die in facie dat hij met de andere Iongens te samen van huijs ser behoorlijk moeten wer is gegaan en niet naderhand de gev„e zegt tans meede gegaan te sijn en hem zulx ont den bekend gesteld schoten is door de langduurigheid van tijd vraagen zodanige antwoor zegt bij Regina van de Caab waar deselve 't laatst ge van de gous rivier bij de sogenaamde riet vallij weede Hendrik de Clooi. woond heeft zogt dat Regina gesegt heeft off hij gev„e ook geweeten heeft gij moet gaan goed halen de reeden waarom hij met en had hij gev, in 't eerst ge de andere hottentotten en off hij gev„e ook in de maand segt ik wil niet gaan egter slaven naar de plaats van ofth: Laath: ter plaatse van naderhand gegaan te zijn Rotman gaan moesten de weede: de plooij geleegen op de ordre die de weed=e de in 't oud Nequaland gewoord plooij hem gegeeven had met te zeggen gij moet heeft! gaan zonder dat hij wist waarom zegt de dag hem gev„e ontgaan op wat dag en op welke eenige dagen bij Lodewijk de slaven en hottentotten te zijn egter is hij van de tijd hij geve. van de plaats de Iager om iets te doen, geweest sijn en wat hem plaats afgegaan met wil van de weed=e de Plooij is zegt dat hij geve, vermits off er toen ter tijd ook vreen„ des yz„e naam geboorte plaats zogt ses Jongens zonder dat zoo sal hoe veel hoe genaamd en ouderdom hij gev„e de namen weet of en wie toebehoorende desel bekend is wie ze toebehooren we distinct op te geeven die Iongens hen uijtgegeeven voor slagters Iongens geweest geve en afgegaan 741 aCs. B 4 Zegt. Ja lem en Claas Coert bij Re„ afgegaan en met wien wel op middernagt Hendrik de Plooij die gesegd gedaan heeft op ordre van gina woonende Daniel Paul O woonende bij de zogenaam de oude vijtje klijne thijs en hijntje de Plooij die tans meede in hegtenis Sitten Iantje boom woonende bij Ian Barnard willem reijter bos woonende bij Regina an zogt. dat de Iongens alles heb off na 't pleegen der moorden ben opengehakt na 't pleegen niet alles is opengehakt en de dries Jantje bij Piet marcus Abraham bij Jan marcus der moorden Takhals woonende bij daniel Swart zijnde daar na goederen, daar uijt gestolen gekomen met drie paarden de zoon van Regina in name Hendrik de Plooij zegt dat hij geve met de andere off zyl: direct na de plaats Coert binnen zijn geweest Iongens en hottentotten na de van Rotman zin gegaan plaats van rotman zijn ge gaan zonder ergens aan ge dan wel of zyl: daar ver bleeven is! zegt dat Regina gesegd heeft wat ordre zijl: ontfangen gij moet meede gaan zonder hebben toen zyl: na de Plaats van rotman zijn gegaan. te weeten waarom zegt dat Hendrik de plooij off er ook kinderen van de daar meede gekomen is en Plooij zijn mede geweest zo Ja hoe veel met name zegt met drie draag paar off zijl: draagpaarden of ossen hebben meede gehad en hoe veel! wat bij hun aankomst aankomst gesien heeft bij en in 't woonhuijs van zogt voor den dag al wel Hoelaat op den dag zil: dat de Iongens gewoord hebben en wel dat hij buijtotman als toen voorge der te huis te zijn gekoomen weeder te rug na de plaats vallen is alles distinct terwijl de Iongens eenen en van de weed„e de Plooij zijn zegt dat hij gev„e bij zijn ten gestaan en hij zulx deren weg hebben ingesla„ zegt in Sakken. zegt dat alle de Hotten totten gedragen hebben! zegt dat hij geven een sak met geld meede genoomen heeft die hij gev, aan de weed:e de plooij heeft afgegeeven en met die sakken met goede ren begraven is waar over die vrouw zeer verheugd was wie die goederen na de plaats van de weed„e de plooij vervoerd hebben waar in die goederen zijn vervoert! wat zijl: al gestolen hebben zogt Nteen niets gesien te hebben off hij gev„, of de andere hotten tot vermits hij buijten gestaan ten ook meede gemoord hebben heeft en dat willem en Claas of gebroken! Thijs Albregt zogt de geve, in facie aan dat hij meede bin nen is geweest de gev„e zegt tans dat zulx de waarheijd is en dat hij binnen is geweest op te geeven had gij moet buijten blijven oppassen dat er niemand weg komt gedaan 5 op gen gegaan 2 weest te zijn den. 12 10 AC: 8 7 en lagten. 16 15 14 al 13
English
Articles drawn up and handed over to the Commissioners from the Honorable Council of Justice by and on behalf of the sworn Clerk of the Secretariat of Justice, Rijno Johannes van der Riet, as qualified in office to attend to the affairs of the Landdrost of Swellendam, Constant van Nuld Onkruidt, in order that, upon his requisition, the Hottentot Hijntje de Plooij may be heard, whose answers are to be duly noted in the margin hereof. Appeared before the undersigned Commissioners of the Honorable Council of Justice of this government, the Hottentot Hijntje de Plooij, who gave to the opposite questions such answers as are noted beside each of them. 1. The prisoner's name, birthplace, and estimated age. Says a Hottentot named Heijntje de Plooij, aged approximately 20 years. 2. Where he last lived. Says with the widow Hendrik de Plooij on the other side of the Gourits River at the so-called Rietvallei. 3. Whether the prisoner, in the month of October last, went to the place of the free woman Regina van de Zaal, widow of Hendrik de Plooij, situated in the Outeniqualand, in order to live there with that widow as he, the prisoner, had previously lived there for some years, or whether the widow had him summoned, and for what reasons. Says that he came to the aforementioned place before the barley harvest to live there with that widow, as he had previously lived there for some years. 19. Who was present when the goods were buried. Says that the goods were first buried, and that he, the prisoner, also helped to bury the goods together with Hendrik de Plooij, Willem de Plooij, Thijs Albregt, Claas Coert, Willem Ruijter, Santje Boom, and Daniel Paul. However, the goods were afterwards taken out again and hidden in another place, without the prisoner knowing where they were hidden the second time. 20. Where the goods were then hidden. Says as before. 22. What the prisoner has to offer in his defense. Says that he did this, as previously mentioned, on the order of Regina, and that this did not occur of his own volition, and therefore requests a lenient punishment. 23. What the prisoner received as his share for keeping everything quiet. Says that the prisoner received nothing. 24. What that woman said upon hearing of these murders that had been committed. Says nothing, because he was afraid. 25. Whether, before they left Rotman's place, a black coat, waistcoat, and trousers, as well as a shirt for the woman and one for the man, along with five rixdollars in paper money, were made ready by them. Says no, that he did not see such things. 26. Why the witness kept everything so quiet and did not make it known. Says nothing, except that Regina was the principal cause of the murder, and that the said widow De Plooij said to the boys who committed the murder, in the presence of him, the prisoner: you must go to Rotman's place and murder and steal there, because there are many goods; I will send the Hottentots along to also get a horse. 28. Whether the prisoner does not know that he has done evil and deserved punishment both for hiding the bags and for assisting in the murder and robbery. Says that he went on the orders of Regina, and also remained silent because Regina said: you must keep quiet, and therefore is somewhat punishable. 37. Whether the prisoner knows anything further regarding this affair. Says that he knows nothing. Says now that Hendrik De Plooij also murdered, and specifically that he stabbed the slave Hector. Whether the prisoner was not present upon their return to the place of the widow De Plooij, when report was made to that woman of everything they experienced, as well as of the murders committed, and that the said widow De Plooij was rejoiced when she saw the bag of money. Says yes, that the prisoner and the others, upon their arrival, gave an account of their actions, and that the said widow De Plooij was rejoiced when she saw the bag with money. Thus questioned and answered at the Cape of Good Hope on March 3, 1787, before the Gentlemen Salomon van Echten and Coenraad Gie, members of the Honorable Council of Justice aforementioned, who have duly signed the minutes hereof together with the prisoner and me, the sworn Clerk. As witness: signed R. J. van der Riet, sworn Clerk. Re-examination. Thus re-examined at the Cape of Good Hope on May 28, 1787. Was signed, and as described there, this mark was made by the prisoner's own hand. Below, in my presence, signed R. J. van der Riet, sworn Clerk. In the margin signed as Commissioners: C. Matthiesen and C. G. Maasdorp. Appeared before us, the undersigned Commissioners of the Honorable Council of Justice, the Hottentot Hijntje de Plooij, to whom these his preceding interrogatories were read clearly and distinctly from word to word, desiring that nothing more be added to or taken from it, and saying further in the presence of the old Regina, Hendrik de Plooij, Thijs Albregt, Claas Coert, Willem Ruijter, and Daniel Paul that all the foregoing is the pure truth.
Dutch transcription
te hebben „zegt Neen zulx niet gesien „rige bij hun komst hebben kreegen heeft zegt dat hij gev:e niets ge wie er bij geweest is toen de zegt als vooren. off niet voor dat zij van goederen zijn begraven de plaats van Rotman zijn gegaan door hun een swar 25 te rok en Camisool en broek zegt Niets als dat regina off hij gev„e ook niets nader midsg=s een hemd voor de de voornaamste oorsaak is weet betrekkelijk dese affaire vrouw en een d=o voor de man geweest van de moord en hoof als meede vijf rxs aan pa en dat gem: weed„e de plooij gesegt heeft aan de Iongins die gemoord hebben in praesentie van hem geve gyt: moet piere munt zijn klaar ge na de plaats van Rotman gaan en moorden en steel en daar want daar is veel goed ik zal de hottentots me zegt Ia: dat hij gev„e en de over off hij geven niet bij hunne de stuuren om ook een pard van te krijgen te rug komst op de plaats verslag gedaan van hun we van de weed„e die plooij aan waarom hij get: alles zosti zogd om dat hij bevreesd was gehouden heeft en niet zulx zegd tans dat hendrik De bekend gemaakt Plooij meede gemoord heeft en wel dat hij de slaaf Hector gestoken heeft dervaaren en dat gem: weed, die vrouw van alles heeft de plooij verheugd is geweest verslag gedaan en zo meede toe zij de sak met geld ge van de gepleegde moorden wat of die vrouw gesegd heeft op t hooren dier gepleegde moorden wat hij geve, voor zijn aan deel heeft gekreegen om al les te stil te houden. 28 zegt dat de goederen eerst waar de goederen als toen zegt dat hij zulx gedaan wat of hij gev„s tot zijn ver„ begraven zijn en dat hij geborgen sijn! had gelijk voorm: op or schooning weet in te brengen gev„s meede de goederen heeft dre van Regina en zulx helpen begraven met Hendrik de plooij willem de niet uijt zijn eigen motief Flooij Thijs Albregt Claas Coert willem Ruijter geschied te sijn en daarom genardige straffe te ver„ bos Santje Boom en daniel Paul egter zijn de goe soeken deren naderhand weeder uitgehaald en op een ander plaats geborgen zonder dat hij gev,e weet waar, zulx voor gegaan en wat weg de son de tweede maal geborgen is gens hebben ingeslagen! zegt gegaan te zin op or„ off hij gev„e, niet weet zo wel dre van regina en zo mede over 't verbergen der sakken gesweegen te hebben om dat als adsisteeren bij de moord reginr gesegd heeft gij moet en roof quaat gedaan, en stil swijgen en dus straf straf verdiend te hebben! baar eenigsints te zijn plaats Aldus „gen. 19 legd 20 22 23 Zegt Niets sien had 37 26 M 24 Heijntje de plooij oud na gissing en ouderdom Aldus gevraagd en beantwoord aan Compareerde voor de onder¬ Articulen gedaan maken get: gecomm: Leeden uijt den en overgegeeven aan H H gecom= Cabo de goede Hoop den 3 maart 1787 uijt den E: agtb: raad van Iusti E: agtb: raad van Iustitie voor de Heeren Salomon van Echten den hoften tot Hijntje de tie deeses gouvernements door en Coenraad Gie leeden uit den E: agtb: ende van wegens den geswe plooij dewelke op de neeven Raad van Iustitie voorm: die de mi Clercq ter Secretarije van staande vraage sodanige nute deeser beneevens de gev„e, en mij gese antwoorden gegeeven heeft Justitie Rijno Johs van Clercq meede behoorlijk hebben onderteken als bezyden een ijder derzel der Riet als in Officie gequa ve staan aangeteekend onderstond 'T welk ik getuige was getee lificeert ter waarneeminge kend R S: V: D Rier gesw: Clercq der sake van den Landdrost van Swellendam Constand Recollement van Nuld onkruidt omme daar„ op ter sijner requisitie gehoord te worden, den hotten tot Hijn „tje de plooi zullende des„ selvs te geevene respe. in mar gine deeser behoorlijk worden bekend gesteld zegt een hottentot genaamd des gevs naam geboorte plaats Aldus Gerecolleerd aan Cabo de Goe„ zegt voor de garst oogst op de of hij geve. in de maand oft ober„ voorn: plaats gekoomen te sijn lE: ter plaatse van de vrij mijd de Hoop den 28 meij 1787 was geteekend) om aldaar bij die weede te Regina van de Zaal weede. Hen te en daar omschreeven dit kruijs heeft woone gelijk hij gevt, te vooren drik de Plooij geleegen, in 't de gev„e eigenhandig gesteld lager mij daar Effs Jaaren gewoond heeft oud Niqua Land bevonden heeft Praesent geteekend R: I: V: D: Riet gesw„ dan wel of de weet. hem geve Clercq in margine als gecomm: geteek: heeft laaten roepen, en om C: Matthiesen en C: G Maasdorp welke reedenen Compareerde voor ons onderget: gecomm: uijt den E Agtb: raad van Iustitie den Hotten tot Piet Beekeur dewelke deese zijne voorenstaande interogatoria van woorde tot woorde klaar en duidelijk voorgelee sen begeerende dat er niets meer bij of van gedaan werden zal en zijde voorts 20 Jaaren in praesentie van de oude Reginaten drik Blooij Thijs Albregt Claas Coert wil¬ zegt bij de weede. Hendrik de waar deselve 't laatst ge hem Bierwerk en Daniel Paul dat al 't plooij aan de overzijde van de woond heeft gous rivier aan de Sogenaam voorenstaande de suijvere waarhijd is De Rietvallij Prticulen af1
English
Lapses. States as before. States that on the road close to the Gourits River he met six boys who asked him where he was going, and upon being directed, those boys asked if the place of the widow Du Plooij was still far, whereupon the boys went along with him, the prisoner, and stayed with him, the prisoner, for some days at that place, and also that those boys then asked him, the prisoner, whether there were still many wethers for sale, to which he, the prisoner, had said that he did not know. States that as far as he, the prisoner, knows, the widow Du Plooij constantly spoke in the Malay language with two boys, without him, the prisoner, being able to understand anything of it, while the remaining four always kept themselves hidden during the day and in the evening came into the house again. States that there were six, without the prisoner knowing the names, however that there were, as it appeared to him, five yellow and one black boy among them, which black one indeed resembled a Malabar. States that he, the prisoner, with the six aforementioned boys and another eight Hottentots, by name Abraham Ruijter, Beesje, Daniel Dansmeester, Pakhals, Swarte Andries, Jan Bota, Marthinus Bierwerk and Pret, all residing in the Jantjeskraal situated about three hours from the dwelling place of the widow Du Plooij, who had expressly had them called from the kraal by the aforementioned widow to go along with those boys, departed from that widow around midday, without the prisoner having known why and for what reason they had to go to that place, except only that the woman had said to them together, and especially to him, the prisoner, and the Hottentots: you must go with the boys to bring my goods from Baas Bastiaan, as well as a bottle of brandy, for which purpose she, the widow Du Plooij, expressly gave four schellingen along with orders to bring back the remainder. States that no children of that widow Du Plooij went along, but around midnight a son of that widow named Hendrik came with three horses after the committing of the murders, who, as soon as he arrived there at the place, helped pack the stolen goods into four sacks brought along for that purpose. States that he, the prisoner, with the other boys and Hottentots went directly to the place of the place of Rotman without having stopped anywhere, as between those two places situated about two hours on foot from each other no other places and surroundings are located. States that those six boys had said that he, the prisoner, and the Hottentots had to remain there to wait until they should be called. States that as far as he, the prisoner, knows, not having heard that an order was given by the widow Du Plooij, it may well be that the six boys had orders, of which he however knows nothing, and further as to the previous articles. States that he, the prisoner, with the Hottentots remained about 2 to 3 hundred paces from the place beside a hill, while the six boys proceeded to the dwelling place of Rotman. Whether at that time there were also found strange slaves and Hottentots. Whether they went directly to the place of Sebastiaan Botman, or whether they had also stopped at one place or another in between. Whether he, the prisoner, also knows or is aware that there was any agreement or that one was made at that time between the strange slaves, Hottentots, and the widow Du Plooij. Why they had to remain there. What orders they received when they departed from the place of the widow Du Plooij. On what day and at what time he, the prisoner, departed from the place of the widow Du Plooij, and with whom. Whether any children of that widow Du Plooij also went along; if so, how many and by name. Whether he, the prisoner, also knew the reasons why and the place where they had to go. If so: how many, what were their names, and to whom did they belong, to specify the same. Whether they proceeded to the dwelling house of Botman, or whether they remained behind a ridge, and who remained there.
Dutch transcription
vervalt. zogt als vooren. zegt op weg digte bij de gous asser ter dier tijd ook vreem Rivier ses Iongens ontmoet de slaven en hottentotten bevon te hebben die hem gesz: gevraagt den hebben hadde waar hij na toe ging zogt dat hij gev„e met de ande en op gedaane aanwijsing hebbe die Iongens gevraagd of de plaats re Iongens en hottentotten na of zyl direct na de plaats van van de weed„e de plooij dan nog verre was gelijk dan de Iongen de plaats van Rotman gegaan Sebastiaan Botman zig hebben met hem geve, meede gegaan zijn en met hem gev„, eenige dagen zonder ergens aan geweest te zijn begeeven dan wel of zijl: nog in op die plaats verbleeven als mede dat die Iongens dan ook aan als leggende tusschen die twee plaatusschen op de een of ander plaat hem geven gevraagd hadden of er nog veel hamels te koop waren trend twee uuren te voet van el se geene andere plaatse en om„ se zijn aangeweest kanderen geleegen waar op hij gev, gesegt had sulx niet te weeten „zogt dat voor zo verre hij gev: e off hij gev„e ook weet of bewust is weet heeft de weed:e de plooij dat er eenige afspraak was ofte zogt dat die ses Jongens gesegd waarom zyl: daar moeste ver„ met twee Iongens geduurig in diertijd genoomen is tusschen hadde dat hij gev„e, en de hotten„ blijven de maleijdse taal gesprooken de vreemde slaven hotten totten totten daar blijve moeste om te zonder dat hij gev e daar van, en de weed„e de plooij wagten wanneer zij zoude geroepen worden iets heeft kunnen verstaan ter „wijl de overige vier over dag zig altoos verschoolen hielden en der zegt voor zo verre hij gev„e, weet wat ordre zijl: ontfangen hebben 13 niet gehoord te hebbe dat er or toen zyl: van de plaats van de zogt dat hij geve met de ses voorm: op wat dag en op welke tijd hij gev„e du plooij kunnende 't wel zijn dre gegeeven is door de weede. weed„e de plooij zijn afgegaan. Iongens en nog agt hottentotten van de plaats van de weed„e de dat de ses Jongens ordre hadde in name Abraham Ruijter Beesplooij is afgegaan en met wier je daniel Dansmeester, Pakhals waarvan hij egter niets weet en voorts als op de voorige articu swarte andries Jan Bota Mar„ thinus Bierwerk en Pret alle woonagtig in de Iantjeskraal ge„ leegen om drie uuren van de woonplaats van de weed:e de plooij zogt dat er geen kinderen van offer ook kinderen van die weede die gem: weedw=es om met die Iongens meede te gaan Expres uijt die weede de plooij meede gegaan de plooij zijn meede geweest zo Ja zijn maar omstreex middag„ hoe veel en met name! de Craal had laaten roepen om streev middag van die weed„e wa nagt is er een zoon van die weed„e re afgegaan zonder dat de gev e heeft geweeten waarom en om gekomen in name Hendrik met drie paarden na 't pleegen der welke reeden zyl: na die plaats gaan moeste als alleenlyk had moorden die zo dra hij daar ter plaatse kwam de gestolene goe die vrouw tegens hun gesamentlijk gesegd en wel voornamentderen in vier daar toe meede gebragte sakke heeft helpen pakken „lijk tegen hem gev„e en de hottentotten gyl: moet met de Jon avonds weeder in huis kwamen zo 't hem voorkwam vijf geele op te geeven! en een swarte Iongen bij was welke swarte wel na een malabaar geleekend. H 4 geroepen is „rende weeder te brengen gens meede gaan om mijn goederen van baas Bastiaan meede te brengen als meede een boddel Brandewijn waar toe zij weed,„e, de om welke reeden hij gev. s daar plooij Expres vier schellingen meede gaf met ordre om de restee off hij gev„, ook geweeten desre„ denen waarom en de plaats waar na toe zijl: gaan moesten van de plaats bezijde een heu of zyl: agter een rug zijn geblee„ vel zijn gebleeven terwijl de ses ven en wie daar verbleeven zijn Jongens hun na de woonplaats van Rotman hebben begeeven. zegt ses stux zonder dat de gev: zo Ia: hoe veel hoe genaamt en zegt dat hij gev„e met de hottentot off zijl: zig nat woonhuijs van de naamen weet egter dat er wie toebehoorende deselve distincten omtrend 2 a 3 hondert treede tot man hebben begeeven dan wel gens met 1 len 14 12
English
the moon shone brightly into the house and he, the deponent, stood before the door with a piece of burning wood that served as a candle, while the deponent remained standing with one of those six boys and the Hottentot Martinus Bierwerk, and the other Hottentots were in the house. Question: Who came to call them and in what words did that calling consist? Answer: That the two aforementioned boys had told them, come now to the house, the mistress will give each of you a drink, just as they directly found. Question: Whether he, the deponent, with the others went directly to the house. Answer: States as before. Question: To distinctly state everything that occurred upon their arrival at and in the house. Answer: That when they, according to estimate, had smoked two pipes after their arrival, the boys told him, the deponent, to watch by the door so that no one would approach. Subsequently the murders began, and indeed in such a manner that they first wounded the boy in the kitchen, thereafter the two maids in the front room, and then the servant, who after having received wounds, without him, the deponent, knowing how many, had retreated fleeing outside the door. Thereupon they immediately came outside and asked him, the deponent, where that man had gone, one of those boys and the aforementioned Hottentot Marthinus Bierwerk having further threatened him, the deponent, that if he did not watch better, they would run him through and through; that the boys and Hottentots afterward went to the room door where the woman was inside, and after having chopped it open, went inside; and further, when the woman had wanted to flee through the window, one of the boys, as he the deponent believes a blackish one, struck that woman on the head with a knobkerrie so that she fell inside; and when that woman had cried out, O God, rather take away all my property and leave me alive, it was shouted from inside by the boys, do you now cry O God, no, if they catch us they will also not leave us in peace; without him, the deponent, being able to say, since he had remained at the front door, what further occurred inside, though he did hear some knocking and chopping, which he believes must have been the chests that the boys chopped open. Question: Whether, after the committing of the murders, everything was not chopped open and the goods stolen therefrom. Question: Whether they also took pack horses or oxen with them; if yes, how many. Answer: And further that then the mentioned Hendrik de Plooij, the son of the mentioned widow, after the committing of the murders arrived at about twelve o'clock at night with three horses, and after he had packed those sacks as aforementioned with Marthinus Bierwerk and one of the boys, subsequently placed on one horse two sacks tied to each other, and on each of the other two horses one sack, and so with those horses rode directly home with a Hottentot named Piet, while he, the deponent, with the Hottentots returned to the farm of the widow de Plooij, and the six boys undertook their journey back to the Cape. Question: How long they had remained behind that ridge by the farm of Rotman. Answer: That they, the Hottentots, had stayed around eight o'clock in the evening until they were called by a black and a yellow boy to come to the house, just as he, the deponent, with those Hottentots then also directly went to the farm and remained in the kitchen, where he smoked a few pipes of tobacco with the others, while everyone in the house was already asleep. Question: And upon their arrival at the house the whole household was at rest. Answer: States as before. Thus far questioned and answered at the Cape of Good Hope, the 22nd of January 1787, before the gentlemen C. L. Neethling and C. J. Marsdorp, members of the Honorable Court of Justice aforementioned, who signed the minute. Hottentot of this 16 18 0
Dutch transcription
„dere Ligte maan in huis scheen en was hij Compte voor in de deur met een stuk brandendehout die tot een kaars diende terwijl 't hel„ met een van die ses Jongens en de Hotten tot Martinus Bierwerk blijven staan en de andere hottentotte in 't huis veel. zogt dat de twee voorm: Iongens wie hun is komen roepen en in hun gesegt hadde, komt nu na welke bewoordinge dat roepe be huis Iuffw zal uw ieder een soop staan heeft te geeven gelijk zil: direct ges„ hadde bevonden zegt als vooren. zogt dat toen zyl: na gissing wat bij hun aankomst bij en na hun aankomst twee pijpen in 't woonhuis als toen voor ge hadde gerookt hebben de Jongens vallen is alles distinct op te hem gev„e gesegd om bij de deur geeven op te passen dat er niemand aan kwam vervolgens de moorde begonne en wel indiervoegen dat zyl eerst de Iongen in de Combuis daar na de twee mijden in 't voorhuijs gewond en toen de knegt die na dat hij wonde zonder dat hij gev„e weet hoe veel ontfangen en buijten de deur met de vlugt zig had geretireerd zo zijn zil: direct na buiten gekomen en aan hem gev„e gevraagd waar die man gebleeven was hebbende een van die Jongens ende voorn: of hij gev. e met de andere bij direct na 't woonhuis zijn ge gaan zogt als vooren Tot dus verre gevraagd en beantwoord aan Cabo de goede Hoop den 22 Januarij 1787 voor de heeren C: L: Neethling en C: J: marsdorp leeden uit den E: agtb: raad van Justitie voorn: die de min ute off na 't pleegen der moorden niet alles opengehakt is en de goederen daar uit gestolen zijn. hij niet beeter oppaste dat zil: hem dan door en door zoude steeken dat de Iongens en kottentotten naderhand gegaan zijn naar de Camerdeur daar de vrouw haar in bevonden na die opengehakt te hebben na binnen gegaan waaren heb„ off zyl: ook draagpaarden of ofsebende nog wanneer de vrouw door 't vengster had willen hebben meede genoomen zo Ja hoe vlugten een der Jongens zo hij gev„e vermeent swartagtige die vrouw met een kirrij voor 't hoofd geslagen dat zij binnen gevallen was en wanneer die vrouw geroepen had o god neemt Hoe lang zyl: wel agter dien rug al mijn goed liever weg en laat mij in 't leeven was er van sij ons kreigen zullen zij ons ook niet met vreede laaten zon der dat hij gev„e weet te seggen vermits hij bij de voordeur verbleeven was wat er verder binnen voorgevallen is hebben de hij wel eenig geklopen gekapt gehoord dat hij vermeent de kassen zullen geweest zijn die de Iongens hebben open gehukt en voorts dat als toen gem: Hendrik de Plooij de soon van gem weed„e, na 't pleege der moorden omstreap twaalf uuren in de nagt gekoomen is met drie paarden en na dat hij die zaken die hij zo als voorm: met marthi nus Bierwerk en een der Iongens gepakt had vervolgens op 't eene paard twee aan elkanderen gebondene zakken, zaekke gelegt en op de twee overige paarden op ieder een een zak en zo met die paarden direct met een hottentot hem zijde stottentotten ook alle piet naar huis gereeden was terwijl hij gev,„e met de hol„ tentotten hun weeder na de plaats te rug van de weede„ de Plooij hebbe begeeven ende ses Jongens hunne rijse na hotten tot Marthinus Bierwerk hem ged:e nog gedreigd als door een swarte en Een geele Jon„ bij de plaats van Rotman zijnver binnen door de Jongens geroepen roept gij nu o god neen als „gaan zijn en bij hun komst in huis 't geheele huis gesin in rust de Caab weeder ondernomen. zogt dat zij l: kottentotten om„ streep agt uuren in de avond gen ware geroepen om na 't huis bleeven te koomen gelijk hij geve met die hottentotten dan ook direct na de plaats gegaan zijn en in de Combuis verbleeven alwaar hij met de overige een paar pijpe to bak heeft gerookt terwijl reeds alle in huijs sliepen. Hottentot deeser zegt als vooren. 16 18 0
English
these along with the prisoner and me, sworn clerk, have also duly signed, was written beneath, which I witnessed, signed R: J: V: D: Riet sworn clerk. Today, the 23rd of January, appeared again before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice, the aforesaid Hottentot Jantje du Plooij, and further answered the following questions as follows: Article 21 Question: Whether they went from the place of Botman that very same night. Answer: Said yes, that the slaves and Hottentots went from the place of Rotman that very same night. Article 22 Question: Whether the Hottentots who were with him, the prisoner, also took part in the murders, and also whether they all went to that place, and whether the prisoner also went from that place of Rotman to that of the widow du Plooij, or whether the six boys took another path. Answer: Said as in Article 22, says that he, the prisoner, thinks that those Hottentots will also have murdered, since they were continuously inside during the committing of the murders, although he, the prisoner, cannot say for certain, since he had the watch outside. Says that he, the prisoner, went with the Hottentots from that place of Rotman to that of the widow du Plooij, while the other boys remained there, and since that time he has not seen those boys anymore. Article 23 Question: Whether any breaking and stealing was also committed by the Hottentots and him, the prisoner. Answer: Said that he, the prisoner, can say nothing of the breaking, since he remained standing outside, but that four of the Hottentots, namely Andries, Marthinus Bierwerk, Daniel Dansmeester, and Black Andries, had their knapsacks full of goods when they went home together. Article 24 Question: What they stole in all, whether money was also placed with it. Answer: Said not to know what kind of goods, but thought they must have been linen goods; says no, no goods. Article 25 Question: Whether, before they went from the place of Botman, a black coat, waistcoat, and breeches, as well as a shirt for the woman and one ditto for the man, as well as five rixdollars paper money, were placed ready on a chair by them. If yes, by whom and with what purpose. Answer: Says yes, that he saw black clothes laid ready for the man as well as some white goods on a chair by the Hottentot Marthinus Bierwerk and one of the yellow boys, without the prisoner knowing whether paper money was also placed there, though it could well be so, since he saw a piece of paper, to say with what. Article 26 Question: How, and in what, those goods were placed and transported from the place of Rotman to that of the widow du Plooij. Answer: Said as before. Article 27 Question: Whether he, the prisoner, did not also assist in carrying the stolen goods. Answer: Said no. Article 28 Question: At what time of the night, or how early in the morning, they arrived again at the place of the widow du Plooij. Answer: Said the next morning at sunrise. Article 29 Question: Whether a division of those goods then took place inside the house. Answer: Said as before. Article 30 Question: Whether they did not, upon their return to the widow du Plooij, report to that woman about their experiences. Answer: Says yes, that they told the woman what happened at the place of Rotman, upon which the woman, while clapping her hands, in substance said, O God. Article 31 Question: What that woman said upon hearing of the murders committed. Answer: Said as before. Article 32 Question: Whether a division of the goods was then made by the woman, and what he, the prisoner, received for his share. Answer: Said that on the second day thereafter, sixteen rixdollars were given to him by the woman, among which a pair of silver buckles was also counted, saying, now see that you get out of the neighborhood and tell this to no human; and as he, the prisoner, believes, he received that money to keep silent about the matter and to reveal it to no one, although he, the prisoner, still had wage money due from her widow. Article 33 Question: What that widow said to him, the prisoner, upon his departure. Answer: Said as before. Article 34 Question: Whether he, the prisoner, along with the other Hottentots, remained long with the widow du Plooij, and whether they departed together, and where to. Answer: Says that he, the prisoner, left the place immediately upon receiving the money, while the other boys remained there, so he cannot say what they received for their share. Article 35 Question: Whether he, the prisoner, does not know that by watching the committed murders and the stealing and transporting of their stolen goods he has done wrong. Answer: Said that he could not get away from the place when the murders were being done there, and was on the way hither to disclose the murders. Article 36 Question: Whether he, the prisoner, does not understand that he has thereby made himself criminally guilty. Answer: Says to be innocent of the murder. Article 37 Question: What he, the prisoner, has to offer in his defense. Answer: Says to have known no evil upon his arrival at the place of Rotman, and not earlier than when it had been accomplished. Article 38 Question: Whether he, the prisoner, has been guilty of murder or theft on other occasions. Answer: Says no, never to have committed murders or stolen. Article 39 Question: Whether he, the prisoner, has answered truthfully, and whether anything else concerning this affair is known to him. Answer: Said to know nothing more of the case, and also to have answered truthfully, saying further that he had been questioned by one Adriaan Jonker whether he also belonged among that people who had been at the place of the widow du Plooij when the boys were there, upon which the prisoner, having told the matter to that man as related here before, the man had apprehended him and subsequently brought him in custody to Swellendam. Thus questioned and answered at the Cape of Good Hope, the 23rd of January 1787, before the gentlemen Christiaan Ludolph Neethling and Christiaan George Maasdorp, members from the Honorable Council of Justice, who, along with the prisoner and me, sworn clerk, have duly signed the minutes of this. Below stood: C. L. Neethling, C. G. Maasdorp. This is the X mark of the prisoner Jantje du Plooij. In my presence: R. J. v. d. Riet, sworn clerk.
Dutch transcription
deeser beneevens de gev„e en mij geswe Clercq meede behoorlijk hebben onderteekend / onderstond/ 't welk hebben maar wel zo als op voering der goederen van de ik Getuige was getekend R: J: V: D: Riet gesw: Clercq art: 22 Op heeden den 23 Iann: is voor ons onderget: zogt als op art 22 gocomm: uit den E: agtb: raad van Justitie weeder verscheenen de voorm: hottenkotten zijn je de Plooij en heeft op de navolgende vraage verder geantwoord als volgt zogt Ja dat de slaven, en hotten of zyl: nog die eigenste nagt „tosten nog die eigenste nagt van van de plaats van Botman de plaats van Rotman zijn gegpen zijn gegaan „zegt dat hij gev„e denkt dat of de bij hem geve geweest zijn die hottentotten meeden sullen de hottentotten ook meede ge„ gemoord hebben vermits zil. moord hebben en zo meede zegt dat hij gev„e met de hot off zijl- huer alle na die plaats „ onder 't pleegen der moorden hij gev„e ook te ptotten nog van die plaats van Rotman zijn gegaan dan geduurig binnen geweest zijn zijn gegaan na die van de weed e of de ses Jongens een andere hoe wel hij gev„e zulx niet te regte zeggen kan terwijl hij de de plooij terwijl de andere Jon weg hebben ingeslagen gens nog daar gebleeven zijn en zedert dien tijd die Iongens niet meer gesien te hebbe oppas buiten heeft gehad „zogt dat hij gev„e van 't breeke off er ook door de hottentotten, niets zeggen kan vermits hij en hem gev. e gebrooken en gesto buiten is blijven staan maar hen is.— dat vier der hottentotten als Andries, Marthinus Bierwerk Daniel Dansmeester en swarte andries hun knapsakken vol goed hebben gehad toen zijl: te samen na huis zijn gpgaan goederen maar te denken dat 't linnen goed geweest zijn zullen zogt niet te weeten wat voor wat zijl: al gestolen hebben: geld ook daar bij gelegt is kun y klaar gelegd zegt Neen geen goederen hoe laat in de nagt of hoe off hij gev„e niet meede ge zegt des anderen daags mor gen met 't opkoomen der zon hoe vroeg in den morgen zyl: off er toen binnen in 't huis een verdeeling is geschied van die goederen zegt als vooren. off niet voor dat zij van de plaats zegt Ia dat hij swarte klee van totman zijn gegaan door deren heeft zien klaar leggen hun Een swarte rok Camisool voor de man mitsgd=s eenig en broek mitsgd=s een hemd wit goed op een stoel door de voor de vrouw en een do voor hotten tot marthinus Bier werk en een der geele Iongens de man als meede vijf rijxd=s papiere mund op een stoel zonder dat de gev„e weet of er nende egter zulx wel zijn ver„ mits hij een stuk papier heeft gesien daar bij seggen zo Ja door wien en met wat oogmerk waar in die goederen geset en plaats van Rotman na die van de weede. de plooij gestolen nog meede vervoerd adsisteerd heeft bij de ver„ gestolen adsis weeder 21 22 23 24 23 zogt Neen G hoe vervoerd 26 28 29 30 31 „plooij gekomen zijn wat die vrouw gesegd heeft op 't hooren der gepleegde moorden op de plaats van de wed„e de zegt sa dat zyl: aan de vrouw off zyt: niet bij hun te rug komst gesegt hebben wat er op de plaats bij de weed:e de plooij die vrouw van Rotman gebeurd is waar verslag hebben gedaan van op de vrouw onder 't te samen hun wedervaaren klappen der hande in substan te zegt als vooren. „zogt dat de tweede dag daar aan schied is van de goederen door off er toen geene verdeeling ge zogt dat hij van de plaats niet de vrouw aan hem gee, gegeeven off hij gev„e niet weet dat hij door heeft kunnen weg koomen toende 't toesien den gepleegde moorden heeft sestien rijxd:s waar onder hun gestolen moorden daar gedaan werden en 't steele en vervoeren der goede een paar silvere gespen meede en op weg herwaards geweest gereekend was onder 't zeggen maakt nu dat gij uit de gebuur te komt en zegt zulx geen mensch en zo hij gev„e vermeent heeft „gen hij dat geld gekreegen om van 't geval te swijgen en zulx niemand te openbaaren hoe wel hij geve nog loon geld bij haar weed: te te zijn om de moorde uijt te bren ren kwaad gedaan te hebben! zogt als vooren. zegt dat hij gev„e direct bij off hij ya, beneevens de ande 't ontfange van 't geld van de re hottentotten nog lange bij de plaats is afgegaan terwijl weed, de plooij verbleeven zyn de andere Iongens daar nog en of zijl: te samen zijn vertrok kunnen zeggen wat die voor ken en waar na toe verbleeven zijn dus niet te hun aandeel bekoomen, hebben zogt als vooren wat die weede tegens hem gev„e gesegt heeft bij zijn ver„ wat hij gev, e voor zijn aandeel gekreegen heeft zegt geen kwaad geweeten te heb wat hij gev:e tot zijn verschoning ben bij zijn komst op de plaats weet in te brengen! van Rotman en niet eerder als toen 't volbragt is geworden. Aldus Gevraagt en Beantwoord aan Cabo de Goede Hoop den 23 Januarij 1787 voor de Heeren Christiaan Ludolph Neethling en Christiaan George maasdorp leeden uijt den E: agtb: raad van Iustitie die de minute deeser beneevens de gev„e en mij geswe Clercq mee„ de behoorlijk hebben onderteekend /:onderstond:/ off hij gev: niet begrijpt hier door Legt onschuldig aan de moord zig strafschuldig gemaakt te weeder ter plaatse van de weede¬ de plooij gekomen zijn. zogt van 't geval niets meer te off hij gev„:e naar waarhijd heeft weeten en ook naar waarhijd geantwoord en of hem nog iets no geantwoord te hebben zeggende pens die affaire bekend is! nog dat hij door eenen adriaan Ionker was ondervraagt of hij ook onder dat volksorteerde die op de plaats van de weede: de plooij geweest zijn toen de Jongens daar geweest waaren waar op de gev„e de saak zo als hier vooren ver haald is aan dien man gesegt hebbende den man hem had ge apprehendeerd en vervolgens na swellendam in hegtenis overge zigt N een nooijt moorde gepleegt off hij gev„e zig meer aan moord ofergestolen te hebben! of diverije heeft schuldig gemaakt „d: „ tie gesegt heeft ogod goed heeft. - 35 36 3 trek! tek sijn „bragt. 34 23. hebben. 42 41 40 38
English
says being Daniel Paul, a Hottentot, age estimated to be 30 years. Says on the farm of one Fredrik Besuijdenhout. Says No. The Hottentot Piet Piekeur says to the prisoner face to face that he was on the farm of Regina. The Hottentot Stijntje de Plooij and Thijs Albregt the younger also state the truth of the question face to face. The prisoner in person persists in the negative. Says he knows nothing about that. Says if I had spoken to them I would know it. Lapses. Says I know nothing. Says I was not at Regina's. Says I was not there. Lapses. Says I know nothing about that. Says I do not know that either. Says I do not know that either, but indeed that Jacomijn and Catrijn told him that horses went along to fetch goods. Says I know nothing about anything. Says I know nothing. Lapses. Lapses. Lapses. Says to have heard from his master Gerrit Bezuidenhout when he returned from the burial. Says I do not know that either. Lapses. Which I witness, signed, R: J: V: D: Riet, sworn clerk. Appeared before us the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice the aforesaid Hottentot Stijntje de Plooij, who, having had these preceding interrogatories read aloud to him clearly and distinctly from word to word, declared to persist therein, desiring that nothing more be added to or removed from them. Putting forth, and furthermore in the presence of the old Regina, Thijs Albregt, Hendrik Plooij, Marthinus Bierwerk, Claas Coert, that all of the foregoing is the pure truth. Thus confirmed at Cape of Good Hope the 28th of May 1787. Was signed X and written around it, this cross the prisoner set with his own hand. Lower, present with me, was signed R: J: V: D: Riet, sworn clerk, in the margin as commissioners signed C: Mathiesen and C: G: Maasdorp. Articles prepared and submitted to the gentleman commissioners from the Honorable Court of Justice of this government by the sworn clerk at the well-mentioned Judicial Secretariat, Rijno Johannes van der Riet, as qualified in office by the high authority of this land to observe the case of the Landdrost of Swellendam, the gentleman Constand van Nuld Onkruidt, in order that the Hottentot Daniel Paul be heard and interrogated thereon upon his requisition, the respective answers to be given by him to be properly recorded in the margin hereof. Reconfirmation of the case. Article 1. The prisoner's name, birthplace, and age. 2. Where and with whom he, the prisoner, last lived. 3. Whether he, the prisoner, also lived with the widow Plooij during the last corn or barley harvest. 4. Whether there were also foreign slaves at that time. 5. If yes, what those boys purported to be. 6. Whether he, the prisoner, also went with the Hottentots and the aforesaid slaves on a certain afternoon from the farm of the widow de Plooij, and where to. 7. Whether he, the prisoner, also knew the reasons why he went with the other Hottentots and slaves to the farm. 8. How late in the afternoon he departed with the others from the widow Plooij. 9. What orders the widow de Plooij gave them upon their departure. 10. Whether he, the prisoner, with the others did not stay in a ditch near the farm of Sebastiaan Rotman, and for what reasons. 11. Whether children of the widow de Blooij were also present or came along behind, and to name them. 12. How many horses were taken along. 13. What he, the prisoner, saw upon his arrival in the house of Rotman, to specify everything distinctly. 14. Who else took part in the murder. 15. How many wounds he, the prisoner, inflicted upon the murdered persons. 16. Whether, after the committing of the murders, everything was not chopped open and the goods stolen therefrom. 17. Who transported those goods and in what. 18. How late in the night or how early in the morning he, the prisoner, returned with the other Hottentots to the farm of the widow Plooij. 19. What the widow de Plooij said concerning the committed murders, and whether she was pleased with everything. 20. Whether money was also stolen, and carried by whom. 21. Whether it is also not known to him, the prisoner, that the widow de Plooij said to the boys and Hottentots, you must go to the farm of Rotman and murder and steal there, for there are many goods, I will send Hottentots along to also get a share thereof. 22. What he, the prisoner, received for his share. 23. Whether he, the prisoner, knows anything else relating to this affair.
Dutch transcription
zegt Daniel Paul zynde T welk ik Getuijge /was geteekend/ R: J: V: D Riet gesw, Clercq Compareerde voor ons onder get: gecomm uijt den E: agtb: Raad van Justitie den voorsz: hottentot Stijntje de Plooij dewelke deese sijne voorenstaan „de interogatoria van woorde tot woorde klaar en duidelijk voorgeleesen verclaarde daar bij te blijven persisteeren begeerende dat er niets meer bij of van gedaan werden zal. — Leggen„ een hottentot oud nagissing en ouderdom de en voorts in praesentie van de oude Regina 30 Iaaren thijs Albregt Hendrik Plooij Marthinus zegt op de plaats van een en Bierwerk Claas Coert dat al 't voorenstaan fredrik Besuijdenhout de de suijvere waarhijd is waar en bij wien hij gev, 't laatst gewoond heeft! Zegt Neen. of hij geve ook in de laatst koor de Pottentot Piet Piekeur Aldus Gerecolleerd aan Cabo de Goede Hoog„ zegt de gev„e in facie aan dat of garst oogst bij de weede: Plooij gewoond heeft den 28 Meij 1787 was geteekend X en daar om hij op de plaats van Regina ge„ „schreeven dit kruijs heeft de gev„e eigenhan weest is. „dig gesteld lager mij praesent was geteekend meede de waarhijd van de vraag in facie aan de Hottentot hijntje de Plooij en Thijs Albregt de Ionge Zeggen R: I: V: D: Riet gesw, Clercq in margine de gev„e in pacie blijft bij de Negative. als gecomm:s /geteekend/ C: Mathiesen en C: G: Maasdorp. — zegt daar niet van te weeten Articulen gedaan maken en overgegeeven aan Heeren ge zogt als ik hun gesprooken „Comm:s uijt den E: agtb: Raad had zou ik 't weeten van Iustitie deeses gouverne ments door den gesw, Clercqter vervalt welgem: Justitieele Secretaris Rijno Ioh=s van der Riet als door de hooge overigheid, dee ser lande in officio gequali „ficeerd ter waarneeminge der of er toen ook vreemde slaven waren zo Ja waar voor die Iongens zig hebben uitgegeeven of hij gev„e ook met de hotten totten en de voorsz slaven op een sekeren middag van de plaats van de weed:e de plooij is gegaan en waar na toe! des geve naam geboorte plaats zaake van den landdrost van Swellendam de heer Constand van Nuld onkruidt omme daar op ter sijner requisitie gehoord en ondervraagd te worden den Hottentot daniel Paul zullen de desselvs te geevene respe. in margine deeser behoorlijk wor den bekend gesteld" Recollement saake 2 2 2 Art1 Ab: 16 zegt ik weet Niets. geweest vervalt. zogt ik ben daar niet geweest vervald. zogt ik ben bij Regina niet & zegt ik weet daar niet van zegt dat weet ik ook niet. 12 Vervald. zogt dat weet ik ook niet maar hoe veel paarden er meede wel dat Jacomijn en Catrijn hem genoomen zijn dat geseid hebben dat er paar den meede geweest zijn om goed te haalen 3 wat hij gev. e bij zijn aankomst in 't huijs van Rotman heeft gesien alles distinct op te geven 14 wie al meede gemoord heeft zegt ik weetnergens van hoe veel wonden hij geve, aan de vermoordelijken heeft toe zogt ik weet niets. gebragt of er ook kinderen van de weede. vervald. de Blooij zijn meede geweest of agter aan gekoomen en die te noemen of hij gev„e met de andere niet omtrend de plaats van Sebasti „aan Rotman in een sloof is ver bleeven en om welke reedenen! wat ordre de weed:e de plooij hun vervald. gegeeven heeft bij hun vertrek hoe laat in den middag hij met de andere van de weede„ Plooij is afgegaan. of hij geve ook geweeten heeft de reedenen waarom hij met de andere hottentotten en sla ven na de plaats Vervald. zegt van zijn baas Gerrit ben toen hij van de begraven is daar uit gestolen kwam zogt dat weet ik ook niet of niet na 't pleegen der moorden Bezuidenhout gehoord te heb alles is opengehakt en de goederen wie die goederen hebben ver„ vooerd en waar in! Hoelaat in den nagt of hoe vroeg in den morgen hij gev„ met de andere hottentotten weeder op de plaats van de weede plooij gekoomen is! wat de weede de plovij gesegt heeft wegens de gepleegde moorden, en of zij in alles ge¬ noegen heeft genoomen of er ook geld gestolen is en door wien gedragen of hem gev„e, ook niet bewust is dat de weede: de Plooij tegens de Iongens en hottentotten ge segt heeft gij moet na d:=e plaats van tot man gaan en moorden en steelen daar want daar is veel goed ik zal hottentotten meede senden om ook een part daar van te kreegen, 22 wat hij geve voor zijn aandeel bekoomen heeft 23 off hij gev„e, nog iets weet be trekkelijk deese affaire! 16 24 lp 11 vervald. 21 20 19 18
English
says I have done nothing falls away. to be says Nothing. says I have done nothing says he was not there Thus interrogated and answered at Cape of Good Hope on the 15th of May 1787 before the gentlemen Christ: Ludolph Neethling and Joh:s Matth:s Bletterman members of the Honorable Court of Justice aforesaid who duly signed the minute hereof along with the prisoner and me sworn Clerk stood below To which I testify signed R: J: V: D: Riet sworn Clerk Recollement Appeared before me the Undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government aforesaid Hottentot Daniel Paul whether he prisoner thus does not understand that he has deserved punishment what he prisoner knows to bring forward in his excuse. why he prisoner then executed that order so completely whether he prisoner does not know that those who murder and rob as well as those who offer a helping hand are punishable whether he prisoner was not aware that when he went to the place of rotman to murder or steal by order of that widow he executing that order would do evil Thus recollected at Cape of Good Hope the 28th of May 1787 signed/ and described there that cross the prisoner made with his own hand in the margin signed as commissioners C: Matthiesen and C:g maasdorp lower, present with me signed R P: V: D: Riet sworn Clerk Further articles drawn up and delivered to the gentlemen commissioners from the Honorable Court of Justice of this government by and on behalf of the sworn Clerk of said Court as qualified in office by the high authority of this country to attend to the case of the Landdrost of swellendam Mr. Constand van Nuldt Onkruidt in order to hear and interrogate the Hottentot Daniel paul upon his requisition with his given responses to be recorded beside each of the same to whom these preceding interrogation articles with the responses given thereto which stand recorded in the margin of each were read aloud word for word clearly and distinctly desiring that nothing more be added to or taken from them the 24 25 26 27 set! Besuijdenhout was out says that I do not know. says No! how can I say anything whether he prisoner still persists in his previous lying answers or whether he is now inclined to confess the truth says No pret Piekeur and thijs Albregt say in facie of the prisoner that he was also present to bury the goods and the prisoner remains in the negative! whether he prisoner must not confess that he also helped to conceal the goods stolen from rotman and likewise knew of the murder or took part in it! says that I do not know the Hottentots Piet Piekeur thijs Albregt and Rijntje de Plooij say in facie of the prisoner that he was also present the prisoner remains in the Negative! A1 says No! I do not know it whether he prisoner was not present at the committing of the murders at the place of rotman the prisoners Piet Piekeur Thijs Albregt de Jonge and Stijntje de Plooij say in facie of the prisoner that he was also at the place when the murders occurred at rotman How long these butchers boys who in the month of octbr: were at the place of the widow de Plooij stayed there whether he prisoner also knows in what manner various goods belonging to the aforesaid rotman came into both the chest of Hendrik Plooij and the room where thijs albregt lives says I do not know. if not whether he can then also name someone who is guilty of burying or concealing he makes himself punishable through frequent lying Thus interrogated and answered at Cape of Good Hope the 28th of May 1787 before the gentlemen Clement Matthiesen, and Christiaan george maasdorp members of the Honorable Court of Justice aforesaid who duly signed the minute hereof along with the prisoner and me sworn Clerk / stood below:/ To which I testify signed R: J: v: D: Riet sworn Clerk says if I know nothing whether he prisoner does not understand that Recollement Appeared before us the undersigned commissioner members of the Honorable Court of Justice aforesaid the Hottentot Daniel Paul to whom these preceding interrogatories of his were read aloud word for word clearly and distinctly desiring that nothing more be added to or taken away present with Lies much he seeks to excuse himself with the negative his guilt and complicity in everything is nevertheless very clearly to be deduced from the circumstances says why shall I to the Gentlemen whether he prisoner does not understand how whether he witness also knows where the goods are presently concealed whether he prisoner did not also assist in the burial says to have spoken the truth and not to have been present but his little master Gerrit to be says No! make 10
Dutch transcription
zogt ik heb niets gedaan vervald. te zijn zegt Niets. ezegt ik heb niets gedaan zogt daar niet geweest Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de Goede Hoop den 15 Meij 1787 voor de ha „ren Christ: Ludolph Neethling en Ioh=s Matth=s Bletterman leeden uit den E: agtb: Raad van Justitie voorm: die de minute deeser benee vens de gev„e en mij gesw„e Clercq meede be „hoorlijk hebben onderteekend onderstond T welk ik Getuijge (was geteekend R: J: V: D: Riet gesw:e Clercq Recollement Compareerde voor mij Ondergeteekende gecom„ uit den E: agtb: Raad van Iustitie deeses gou „vernements voorm:r hotten tot Daniel Paul of hij gev„e dus niet begrijpt dat hij straf verdiend heeft wat hij geve tot zijn verscho„ „ning weet bij te brengen. waarom hij geve die ordre dan zo Compleet heeft geexecuteerd of hij geve, niet weet dat die geene die moorden en rooven zo wel als die de behulp za me handbieden strafbaar zijn of hij gev„e, niet bewust is geweest dat wanneer hij na de plaats van rotman ging om te moorden ofte steelen uit ordre van die weede hij die ordre uitvoerende kwaad zoude doen Aldus gerecolleerd aan Cabo de goede Hoop den 28 meij 1787 was geteekend/ en daar omschreeven die kruijs heeft de gev„e eigenhandig gesteld in margine als gecom=e geteekend C: Matthiesen en C:g maas dorp lager, mij praesent geteekend R P: V: D: Riet gesw: Clercq Nadere articulen gedaan maken en overgegeeven aan heeren gecomm=s uijt den E Agtb: raad van Iustitie de ses gouvernements door en de van weegens den geswe. Clercq van welgem: Raade als door de hoge overigheid deeses lands in officio gequalificeerd ter waarneming der saake van den Landdrost van swellen „dam de heer Constand van Nul& onkruidt omme daar„ op ter sijner requisitie gehoord en ondervraagte worden den hotten tot Daniel paul zullende desselvs te geevene resp„e, bezijden een ijder der zelven worden bekend ge denwelken deese voorenstaande vraagar ticulen met de daar op gegeevene respe die in margine van eijder bekend staan van woor de tot woorde klaar en duidelijk voorgeleesen begeerende dat er niets meer bij of van ge daar werden sal den 24 25 26 27 steld! Besuijdenhout uijt geweest zegt dat weet ik niet. zegt Neer! kan ik dan iets zeggen of hij geve nog bij zijne voorig zegt Neer reugenagtige antwoorden blijft pret Piekeur en thijs Albregt persisteeren dan wel of hij nu zeggen in facie van de gev„e dat geneegen is de waarhijd te hij meede geweest is om de goederen te begravenen bekennen de gev„, blijft bij de negative! of hij gev e niet moet bekennen zegt dat weet ik niet de hottentotsen Piet Piekeur thijs dat hij de bij rotman gestolene Albregt en Rijntje de Hlooij goederen meede heeft help in zeggen in facie van de gev„e verbergen en zo meede van de dat hij meede geweest is moord te weeten of meede ge de gev„e blijft bij de Negative! daan te hebben! A1 zegt Neen! ik weet 't niet of hij geve, niet bij 't pleegen; de gevs. Piet Piekeur Thijs Al¬ der woorden ter plaatse van bregt de Ionge en Stijntje de rotman praesent is geweest Plooij zeggen in facie van de gev dat hij meede op de plaats is geweest toen de moorden bij rotman geschied zijn Hoe lang deese slagters Ion gens welke in de maand octbr: op de plaats van de weed„e de Plooij geweest zijn zig aldaar hebben opgehouden of hij gev„e ook weet op wat wijze zo in de kist van Een drik Plooij als 't vertrek daar thijs albregt huis houd ver scheide goederen voorsz: rotman toebehoorende geko men zijn zogt ik weet Niet. zo neen of hij dan ook iemand weet op te geeven die zig aan 't begraven of verbergen heeft schuldig gemaakt hij door 't meenigvuldig logen zig strafwaardig maakt Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de goede Hoop den 28 meij 1787 voor de heer en Clement Matthiesen, en Christiaan george maasdorp leeden uijt den E: agtb: raad van Justitie voorm: die de minute deeser beneevens de gev„e en mij gesw: Clercq meede behoorlijk hebben onderteekend / onderstond:/ 'T welk ik Getuijge was geteekend R: I: v: D: Riet zegt als ik niets weet hoe of hij geve, niet begrijpt dat gesw: Clercq Recollement Compareerde voor ons onder get: gecomm=s leeden uit den E agtb: raad, van Iustitie voorm: den kotten tot Daniel Paul dewelke deese zijne voorenstaande interogatoria van woorde tot woorde klaar en duidelijk voorgeleesen begeert dat er niets meer bij of van gedaan met Leugens voorkomen zeer hij zig met de negatiee zoekt te verschonen zijn schuld en meede wetenschap van al les eeven wel uijt de omstandig heeden zeer klaar is optema zogt waarom zal ik de Heere of hij ged„e niet begrijpt hoe of hij get, ook weet waar de goe der en thans verborgen zijn of hij gev„:e niet meede gead sisteerd heeft bij de begraving zogt de waarhijd gesproken te hebben en daar niet bij geweest maar zijn klijn baas Gerrit te zijn zegt Neen! ken 10
English
Articles drawn up and submitted to the Gentlemen Commissioners from the Honorable Court of Justice of this government by and on behalf of the Landdrost of Swellendam, Constand van Nuld Onkruidt, in order that the bastard Hottentot Thijs Albregt the Younger may be heard and interrogated thereon at his requisition, whose answers to be given shall be properly recorded in the margin hereof. Article 1 The prisoner's name, birthplace, and age. Says Thijs Albregt the Younger, illegitimate son of the burgher Thijs Albregt, aged 15 years. Article 2 Where he last lived. Says with his father on the farm of the widow Hendrik de Plooij on the other side of the Gourits River, named the Rietvallei. Article 3 Who the grandmother of him, the prisoner, is. Says Regina of the Cape, who was last the widow of the late Hendrik de Plooij, is the prisoner's grandmother. Article 4 Whether the Hottentots who were then on the farm were there on the orders of the widow de Plooij, or whether that widow had summoned the other Hottentots who did not live on the farm from the Jantje Kraal. Says that the widow summoned them. Article 5 Whether strange slaves also came there at that time. Says that six butcher's boys stayed at that place for two or three days; however, those boys kept in the woods during the day and came to the house in the evening. Article 6 If yes, how many, what were they named, and to whom did they belong, to specify them distinctly. Says that the prisoner has forgotten the names, but knows well that six boys hid during the day and appeared in the evening. Article 7 Whether, when those boys left the farm, Hottentots also went along, to specify them distinctly and by name. Says that the following Hottentots went along when the prisoner went: Willem Claas, Coert, and Piet Piekeur living with Regina; Daniel Paul living with the so-named old Fijtje; Jantje Boom living with Jan Barnard; Willem Ruijterbos living with Regina; Andries Jantje living with Piet Markus; Abraham living with Jan Markus; Pakhals living with Daniel Swart; and finally Hendrik de Plooij, the son of the aforementioned Regina. Article 8 On what day and at what time the boys left the farm. Says he does not know the day, but that it was on a certain midday. Article 9 Whether this happened with or without his father's consent. Says that his father knew nothing of it and that his uncle Hendrik took him, the prisoner, by force while he was milking his father's cows. Article 10 When and with whom he, the prisoner, went. Says towards evening on horseback with his aforementioned uncle Hendrik de Plooij. Article 11 Whether he, the prisoner, when he went to Rotman's farm with Hendrik de Plooij, also knew the reason why. Says that he, the prisoner, did not know the reasons why or where he had to go, but that Hendrik had said, you must come along. Article 12 Whether they took packhorses or oxen with them, and how many. Says three packhorses. Article 13 At what time in the night the prisoner arrived at Rotman's farm. Says midnight. Article 14 How the prisoner found things there. Says that the prisoner found several dead bodies that were stabbed and had holes in the head, and the prisoner did not find those butcher's boys on the farm anymore, but indeed the Hottentots mentioned above, who were all inside the house. Article 15 Whether Hendrik de Plooij immediately placed the bags on the horses and rode off, or whether he lingered there a little. Says that the bags were only then packed by the Hottentots Willem de Plooij, Hendrik de Plooij, furthermore the Hottentots Willem Claas and Piet Piekeur. Article 16 How many bags and by whom they were taken along. Says three bags, among which was one large one. Article 17 Whether he, the prisoner, also knows if the Hottentots took part in the murders; if yes, to specify them by name. Says that as far as he, the prisoner, knows, three Hottentots mentioned above did not take part in the murders. Article 18 Whether he, the prisoner, left Rotman's farm that very same night. Says yes. Article 19 At what time the prisoner arrived home. Says midnight. Article 20 Whether he, the prisoner, also received anything for his share. Says no, that he received nothing. Article 21 Whether his father, the prisoner's father, also received goods for his share. Says early in the morning. Article 22 Whether upon the return of him, the prisoner, the aforementioned Hendrik de Plooij reported to the prisoner's grandmother what had happened to them. Says that the prisoner's uncle Hendrik upon his arrival home made a report of what had happened to the prisoner's grandmother, and his grandmother kept silent, and subsequently said: bury the goods and tell no one. Article 23 What that woman said upon hearing of those murders committed. Says as before that she was delighted with the goods she received. Article 24 Whether a division of those goods was not immediately made on the farm. Says that those goods were immediately buried. Article 25 Where the goods were hidden and whether he, the prisoner, did not assist both the first and the second time with the hiding of the bags. Says beside the house in a ravine, and that he was present there along with his aforementioned father Thijs Albregt. Article 26 Whether the widow de Plooij did not say to keep quiet about what he had seen. Says yes, adding: you will get a beating, and his father, the prisoner's father, had also said upon his departure from the farm: you must keep quiet and say nothing of what happened. Article 27 Why the prisoner kept so quiet about what was seen by him. Says as before, because he was promised a beating and therefore kept silent out of fear. Article 28 Whether the prisoner does not know that he has deserved punishment thereby. Says not to have known that he would do evil thereby. Article 29 Says not to know such. Thus verified at the Cape of Good Hope on May 30, 178. Was signed, and thereunder described: this cross was made by the prisoner's own hand. Below it signed: in my presence, R: J: v: D: Riet, Sworn Clerk.
Dutch transcription
zegt Thijs Albrogt de Ionge onegte zoon van den burger aan de overzijde van de gous op ordre van de weed„e de plooij op de plaats waaren daar werden zal de overige hottentotten die niet woonde dan of die weede hernl: Aldus gerecolleerd aan Cabo de Goede Hoop op de plaats waaren zijn gaan heeft laaten roepen den 30 meij 178 / was geteekend/ en daar roepen uijt de Iantje Craal omschreeven dit kruis heeft de gev, eigen„ handig gesteld lager mij praesent getee kend / R: J: v: D: Riet gesw, Clercq zegt dat ses slagters Jongens of er ter dier tijd ook vreemde daar ter plaatse twee a drie da slaven gekoomen zijn gen verbleeven zijn egter hebben die Iongens hun overdag in de bosschen opgehouden en 'savonds bij huis gekomen Articulen gedaan maken zegt dat de gev, de naamen ont zo Ja hoe veel hoe genaamt en en overgegeeven aan heeren schoten zijn egter wel te weeten, wie toebehoorende dezelve distinct gecomm: uit den E: agtb: Raad dat er ses Jongens over dag hun op te geeven verborg en 's avonds te voorschijn van Iustitie deeses gouverne kwaamen ments door ende van wegens den Landdrost van Swellendam zegt dat de volgende rotten tot off wanneer die Iongens van de Constand van Nuld onkruidt ten zijn meede gegaan als hij plaats gegaan zijn ook meede geve, met willem Claas Coert hottentotten gegaan zijn dezelve omme daar op ter zijner reque „sitie gehoord en ondervraagd en Piet Piekeur woonende bij distinct op te geeven en bij na Regina Daniel Paul woonen me te worden den bastaart holten de bij deso genaamde oude tot Thijs Albregt de Jonge vijtje Jantje Boom woonende bij Jan Barnard willem Ruij zullende desselvs te geevene terbos woonende bij Rogina, Andries Iantje woonende resp„e in margine deeser be„ hoorlijk worden bekend gesteld bij Piet Markus Abraham woonende bij Jan Markus Pakhals woonende bij Daniel Swart en eindelijk Hendrik Art des geve naam geboorte plaats de Plooij de soon van gem Beljina en ouderdom zegt bij zijn vader op de plaats waar dezelve 't laatst gewoond dag is geweest. van de weede Hendrik De Plooij heeft rivier den dezo genaam de Rietvallij. zegt Regina van de Caab die de grootmoeder van Laatst weed:e wijlen Hendrik hem gev,„e is de Plooij zijn geve, groot moe zogt dat willem Bastaart off de slottentotten die toen op der te zijn zegt dat zijn vader nergens off zulx met of zonder Consent van geweeten heeft en dat zijr van zijn vader is geschied oom Hendrik hem gev„e met ge weld heeft meede genoomen terwijl hij de koeije van zijn va hoelaat hij get, op de plaats van rotman gekoomen is zegt tegens de avond te paard wanneer en met wien hij ged„e met zijn gev„e oom Hendrik de gegaan is. Plooij zogt middernagt. zegt de dag niet te weeten maar op wat dag en op welke tijd de wel dat 't op een seekere mid Jongens van de plaats afgegaan op A 12 - Thijs Albregt oud 15 Jaaren - „ 4 de der melkte 10 zijn! zogt des morgens vroeg! zegt drie draagpaarden zegt voor zo verre hij gev e weet hebbe drie hotten totte zegt dat hij gee,e niet geweeten ot hij gev, toen hij na de plaats heeft de reedenen waaromen van Rotman met hen drik de waarha toe hij gaan moeste Plooij gegaan was ook gewee maar dat Hendrik gesegt ten heeft de reede waarom. had gij moet meede gaan hebben meede genomen en off zyl: draag paarden of osse hoe veel! hoe laat hij geve. in de nagt op de Plaats van Rotman ge komen is zogt dat hij gev:e verscheide Hoe off de gev„, 't daar gevon doode Lighaamen die zo gestoden heeft ken als gaate in 't hoofd had„ de en had hij gev„e dese slagters Iongens niet meer op de plaats gevonden maar wel de hottentotte hier bovengemeld dewelke zegt bezijden 't huis in een kloof waar de goederen verborgen zijn en was daar meede bij geweest en of hij geve, niet zo wel de Eerste 16 zogt dat de sakke toen eerst off hendrik de Plooij directde zijn gev:e vader thijs Albragt als tweede rijze heeft geadsisteerd gepakt zijn door de hottentotte sakke op de paarde gelegt willem de Plooij Hendrik de Plooij bij 't verbergen der zakken! voorts de hottentotte willem Claas en weg gereeden dan of hij daar en Piet Piekeur, een wijnig heeft vertoefd alle zig in huis bevonde zogt Ia: met bijvoeging gij zult off de weede de Plooij niet gesegt slaag krijgen en had zijn gev„e heeft stil te zyn van 't geen hij zogt drie zaken, waaronder Hoe veel sakken en wel door vader ook gesegd bij zijn weg gesien had hendrik meede genomen zijn gaan van de Plaats gij moet stilswijgen en zegge, niets van 't of hij geve. ook weet of de hos¬ voorgevallene tentotte meede gemoord heb zegd zulx niet te weeten ben zo Ja dezelve met name op te geeven of hij gev„e, nog dien eigenste nagt de Plaats van tot man hebbe verlaaten: zegt middernagt. zegt Neen dat hij niets gekreegen off hij gev„e ook iets voor zijn aandeel heeft! gekreegen heeft off zijn gev„e vader ook meede goe „deren voor zijn aandeel ontfangen heeft Waarom hij gev„e zo stil gehouden zegt als vooren om dat hem slaag belooft was en daarom heeft 't geen door hem gesien is uit vrees stil gesweegen te hebben zegd niet geweeten te hebben dat off hij geve, niet wiet dat hij daar hij daar aan kwaad zoude doen door straffe verdient heeft zogt dat des gev„e oom hen drik bij off niet bij de terug komst van zijn komst 't huis aan zijn gev„e, hem gev,e gem: hendrik de Plooij grootmoeder heeft verslag ge aan zijn gev„e grootmoeder heeft daan van t voorgevallene en was verslag gedaan van hun weder zijn groot moeder stil gesweegen, vaaren in vervolgens gesegt begraaft 't goed en zegt 't niemand segt als vooren dat zij verheugt wat die vrouw gesegd heeft op was over de goederen deeze kreeg 't hooren dier gepleegde moorden zegt dat die goederen direct begra off er niet direct op de plaats een verdeeling is geschied van die goe deren! 22 hoe laat en wanneer hij gev,e te huis gekomen is Art. 20 12 13 14 1n ven zijn 24 25 26 27 28 29 23 21 M 20 19 niet meede gemoord zo gt Ia. een grote was. hier bovengemeld
English
Articles drawn up and submitted to the honorable commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government by and on behalf of the sworn clerk at the Secretariat of Justice, Ryno Johannes van der Riet, as qualified in office to attend to the case of the Landdrost of Swellendam, Mr. Constant van Nuld Onkruydt, in order that the burgher Thijs Albregt be heard upon them at his requisition, the responses to be given by him to be duly noted in the margin hereof. 1. The prisoner’s name, birthplace, age, and status. Answers: says Thijs Albregt, from the Cape, age estimated at 40 years. 2. Where he has lived. Answers: says he lived at the Rietvallei located across the Gourits River, with his mother, the widow Hendrik du Plooij. 3. Whether he, the prisoner, also knew the six boys who were at his, the prisoner’s, mother's place in the month of October last under the name of the butcher J: A: van der Poel. Answers: said he knew no boys, let alone had seen them. Sijntje du Plooij, Thijs Albregt, and Pietsie Keur say to the face of the prisoner that the boys were there at that place and were seen by the prisoner. The prisoner persists in the negative. 4. If so: what their names were. Answers: says as before. 5. Whether he, the prisoner, also saw the butcher's note. Answers: says he knows nothing of that! 6. Whether those boys had been at the place of his, the prisoner’s, mother more often. Answers: says no. 7. How long those boys stayed at that place. Answers: says he knows nothing about that, but did not see them. The prisoner Hottentot Wijntje du Plooij and Thijs Albregt say to the face of the prisoner that the boys stayed there several days, though not in the house of Thijs Albregt, but in that of the widow du Plooij and Hendrik du Plooij. 8. What those boys came to do there at that place the last time. Answers: says he knows nothing about it. 9. Whether those boys did not hide in the field during the day and come back into the house in the evening. Answers: says as before. 10. Whether he, the prisoner, also knows the Hottentots Piet Diekeur, Willem Bierwerf, Claas Coert, Daniel Paul, Jantje Boom, Andries, Santje, Abraham, and Jakhals. Answers: says he knows them all well except Jakhals, having indeed heard of him, but knows nothing of him. 11. Whether the aforementioned Hottentots were not sent together with the six mentioned boys on a certain day by his mother to the place of Rotman. Answers: says no, I can know nothing about that. 12. Whether, on that very same day, his, the prisoner’s, brother Hendrik du Plooij did not ride along to the place of Rotman with his, the prisoner’s, son Thijs Albregt. Answers: says no, knows nothing about it. 13. What orders those Hottentots were given. Answers: says I know nothing about that at all. 14. What time in the morning those boys and Hottentots, and his, the prisoner’s, brother and son, came home. Answers: says as before, knows nothing of it. 15. Whether he, the prisoner, did not the next day, when his brother and son came home, reproach his son for having ridden along without the knowledge of him, the prisoner. Answers: says no, knows nothing about it. Thijs Albregt the Younger says to the face of his father with tears in his eyes that that morning when he came home with Hendrik Plooij from the place of Rotman, his father had beaten him because he had ridden along, and indeed in substance, "Father, how can Father say that Father did not beat me?" The prisoner persists in the negative and says the boy lies. 16. What his, the prisoner’s, mother said upon the display of those goods. Answers: says that he is not guilty. 17. Where those goods were hidden and whether he, the prisoner, did not also assist in the burying of those goods. Answers: says I do not know. Thijs Albregt says to the face of the prisoner that his father also assisted in the burying of those goods. The prisoner persists in the negative. 18. Whether he, the prisoner, has answered truthfully, or whether he, the prisoner, is not yet aware of anything else concerning this affair. Answers: says he has spoken the truth. Thijs Albregt says to the face of his father that he has lied. The prisoner persists as above. 19. Whether he, the prisoner, does not know that he is punishable because he not only knew of this atrocious plan, but helped to hide the goods that were stolen. Answers: says I know nothing of anything and am not punishable on that account! The prisoner persists in the negative! 20. What he, the prisoner, can put forward in his defense. Answers: said to know nothing! Can put forward nothing. Thus questioned and answered at the Cape of Good Hope on 3 March 1787 before the gentlemen Salomon van Echten and Johan Coenraad Gie, members from the Honorable Worshipful Council of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof along with the prisoner and me, the sworn clerk. Below stood: Which I witness, was signed: R: J: v: D: Riet, Sworn Clerk. Thus questioned and answered at the Cape of Good Hope on 15 March 1787 before the gentlemen Salomon van Echten and Jan Coenraad Gie, members from the Honorable Worshipful Council of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof along with the prisoner and me, the sworn clerk. Below stood: Which I witness, was signed: R: J: v: d Riet, Sworn Clerk. Re-examination Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the bastard Hottentot Thijs Albregt the Younger, to whom these preceding question articles with the responses given thereto, having been read out clearly and distinctly word for word, declared to persist therein, desiring that nothing more be added or taken away, except only that the six butcher boys were at the place of his grandmother for several days in the presence of his grandmother Regina, his father Thijs Albregt, his uncle Hendrik du Plooij, and the Hottentots Claas Coert, Willem Bierwerk, and Daniel Paul, he, the prisoner, declaring that all the foregoing is the pure truth. Thus re-examined at the Cape of Good Hope on 28 May 1787. Was signed, and written around it: this cross was made by the prisoner's own hand. Below, in my presence, signed: R: J: v: d: Riet, Sworn Clerk. Was signed: C: Matthiessen and C: G: Maasdorp.
Dutch transcription
zogt Niets te weeten! kan bijbrengen. Aldus gevraagd en Beantwoord aan Cabo de Goede Hoop den 3 Maart 1787 voor de Heeren Salomon van Echten en Iohan Coenraad Gie Leeden uit den E: agtb: raad van Iustitie voorm: die de minute deeser beneevens de gev„e en mij geswe Clercq meede behoorlijk hebben onderteekend onderstond 'T welk ik Getuijge was geteekend R: I: v: D: Riet gesw:e Clercqs Recollement Compareerde voor ons onderget: gecomm: uijt den E: agtb: Raad van Iustitie deeses gouvernements den bastaart hottentot Thijs Albregt de Ionge dewelke deese voorenstaande vraag articalen, zegt thijs Albregt van de Caab des geve, naam geboorte plaats on met de daar op te geevene resp e van woorde oud na gissing 40 Jaaren derdom en qualiteid tot woorde klaar en duidelijk voorgeleesen weesende verclaarde daar bij te blijven persis zegt aan de Rietvallij over de waar dezelve gewoond heeft „teeren begeerende dat er niets meer bij of van gaurits rivier geleegen bij zijn moeder de weed„e Hendrik de Plooij te woonen gedaan werden zal als alleenlijk dat de ses slagters Iongens eenige dagen ter plaatse zogt geen Iongens te kennen veel off hij gev„e ook gekend heeft de van zijn groot moeder geweest zijn in prae min gesien te hebben Sijntje de ses Iongens die bij zijn gev„e moeder sentie van zijn groot moeder Regina zijn plooij thijs Albregt en Pietsie in de maand octbr: ll onder de naam vader Thijs Albregt zijn oom Hendrik de keur zeggen in facie van de ga„s van den Slagter I: A: van der Poel Blooij en de hottentotten Claas Coert willem dat de Iongens daar ter plaatse zijn geweest Bierwerk en daniel Paul verclaard hij gev„e, geweest en door de gev„e gesien zijn dat al 't voorenstaande de suijvere waarhijd de gev„e blijft bij de Negative zegt als vooren. Aldus Gerecolleerd aan Cabo de goede Hoop zegt daar niets van te weten! den 28 meij 1787 was geteekent en daar om schreeven dit kruis heeft de gev„e eigenhandig gesteld lager mij praesent geteekend R: S: V: zegt Neen. D: Riet gesw:e Clercq /was geteekend/ C: Matthie„ „sen en C: G: Maasdorp zo Ja: hoe dezelve genaamd zijn geweest off hij gev„e ook 't slagters briefje gesien heeft off die Iongens meer ter plaatse van zijn gev„e moeder zijn geweest zegt Neen daar niets van te wat die Iongens 't laatst daar ter plaatse zijn komen doen weeten. wat hij gev„e tot zijn verschoning Articulen gedaan maken en overgegeeven aan heeren gecomm uijt den E: agtb: raad van Iustitie deeses gouvernements door ende van wegens den gesw„e Clercq ter secretarije van Iustitie Runo Ioh=s van der riet als in officio gequalificeerd ter waarneem in „ge der saake van den LanDrost van Swellendam de heer Con stand van Nuld onkruidt omme daar op ter sijner requisitie gehoord te worden den burger thijs Albregt zullende desselvs te geevene resp, in margine dee ser behoorlyk worden bekend ge Articulen 30 steld af1 4 is. maar niet gesien te hebben d zegt daar niets van te weeten niet van hoe lang die Iongens daar ter zegt daar niets van te weeten „de gev„e hotten tot Wijntjje de Plooij plaatse geweest zyn „ en thijs albregt zeggen in facie „van de geve dat de Iongens eenige dagen daar gebleeven zijn hoe „wel niet in 't huis van thijs Albregt maar wel in die van de weede„ zegt als vooren. de Plooij en Hendrik de Plooij zegt neen daar kan ik niets van off die Iongens niet overdag in 't veld hun hebben verscholen en 's avonds weeder in huis zijn ge waar die goederen zijn verbor zegt ik weet niet Thijs albregt zegt in facre van gen en of hij geve, niet meede de gev:e dat zijn vader meedige geadsisteerd heeft bij 't begraven zegt alle wel te kennen behalven off hij geve, ook kend de hotten tot adsisteerd heeft bij de begraving sakhals daar van wel gehoord, ten Piet Diekeur willem Bierwerd van die goederen de gev„, blijft bij de negative Claas Coert Daniel Paul Iantje Boom Andries Santje Abraham zegt de waarhijd gesegt te hebben off hij gev,e na waarhijd heeft en sakhals Thijs Albregt zegt in facie van geantwoord of hem gev e no giets zijn vader dat hij gelooegen heeft bewust is deese affaire off de voorm: hottentotten niet de gev e persisteerd als boven met de ses gem: Jongens op een seekeren dag te samen zijn geson zegt ik weet nergens van en daar of hij gev e niet weet dat hij „den door zijn moeder na de plaats over niet strafbaar te zijn! strafbaar is om dat hij van van Rotman dit gruwelijke voornemen niet alleen geweeten maar de goede ren die gestolen zijn heeft helpen verbergen! de gev„e blijft bij de negotive! komen zogt Neen daar niets van te zegt als vooren nergens van te weeten zegt ik weet daar in 't geheel off hij geve, niet de andere dag thijs albregt de Ionge zegt in wanneer zijn broeder, en zoon facie van zijn vader met tranen thuijs kwam nog zijn zoon heeft in zijn oogen dat die morgen toen gereprocheerd dat hij zonder hij te huis kwam met Hendrik weeten van hem gev„e was meede Plooij van De Plaats van rotman gereeden! zijn vader hem nog geslagen had om dat hij meede gereeden is en wel in substantie maar vader hoe kan vader zeggen dat vader mij niet geslagen heeft de geve, blijft bij de Negative en zegt de Iongesiegt off niet dien eigenste dag zijn gev„e zogt dat hij niet schuldig is wat hij gev„e tot zijn verschoning broeder Hendrik de Plooij mee„ weet bij te brengen de na de Plaats van Rotman, is gereeden met zijn gev„e zoon thijs Albregt wat die hottentotten voor ordre hebben gehad zogt daar weet ik niet van hoe laat in den morgen die Jon „gens en hottentotten zijn gev„e en broeder en zoon zijn thuis geko„ lb 15 wat zijn gev„e moeder heeft ge segt op 't vertoonen dier goederen Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de goede Hoop & 15 maart 1787 voor de heeren Salomon van Echten en Ian Coenraad gie leeden uit den Ed: agtb: raad van Iustitie voorm: die de minute deeser beneevens de gev„,e en mij geswe Clercq meede behoorlijk hebben onder teekend /onderstond:/ 'T welk ik Getuijge /was geteekend R: I: V: D Rut gesw:, Clercq a 15 Recollement Af 8 10 12 13 14 weeten 20 19 18 men " 16
English
Review says not to have lied! says no, not to have seen any boys with his eyes nor also anything of the murders says yes. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the aforementioned Thijs Albregt, to whom these his preceding interrogatories, having been read clearly and distinctly word for word, declared to persist therein, desiring that nothing more be added thereto or taken therefrom. Thus reviewed at the Cape of Good Hope, the 26th of March 1787. Was signed & and there circumscribed: this cross the prisoner made with his own hand. Below, in my presence, signed R: I: V: D: Riet, sworn clerk. In the margin signed as commissioners: W: F: V Reede van Oudtshoorn and J: M: Blesterman. says No! Further articles prepared and presented to the gentleman commissioners from the Honorable Council of Justice of this government by and on behalf of the sworn clerk at the secretariat of this year of this council, as qualified in his office to observe the case of the Landdrost of Swellendam, the gentleman Constand van Vuld Onkruidt, in order that the person of Thijs Albregt the elder be heard and interrogated upon his requisition, his responses to be given being duly recorded in the margin hereof. Question: Whether the prisoner does not still persist in that which he gave on his previous articles? Answer: says yes. Question: Whether the prisoner is not convinced that he spared the truth therein, and whether he is presently inclined to answer more in accordance with the same? Answer: says that is mendacious. Thijs Albregt the younger says to the face of his father that his father struck him because he rode along without his knowledge, but the prisoner persists in the negative. Question: Whether the prisoner must not confess to having seen and spoken to the six butcher boys who were in the month of October last on the farm of his, the prisoner's, mother? Answer: says no, to have seen no boys with his eyes. 4. Question: Whether the prisoner did not beat his son Thijs Albregt the younger that morning when he came home on horseback with his, the prisoner's, brother Hendrik de Plooij, because he had ridden without his, the prisoner's, knowledge? Answer: says that is mendacious. 5. Question: From where the prisoner obtained the piece of fine linen that was found in his house? Answer: says that he obtained that linen from the officer Abi who was in Mossel Bay, in order to have shirts made for him from it. 6. Question: Whether there was not found from the house of him, the prisoner, a shirt from which the embroidered name was cut out? Answer: says that is an old shirt from my brother Hendrik, which his wife sewed. 7. Question: For what reason they cut the name out of that shirt? Answer: says there is no name cut out of it as far as I know. 8. Question: Whether the prisoner did not see anything of those goods or have them at his house? Answer: says to have seen no goods with eyes. 9. Question: Whether the prisoner has not the least knowledge of the murders committed at Rotman's, as well as where the goods stolen from that place have gone! Answer: says no. 10. Question: Whether there were not also found in the room of the prisoner, besides the aforementioned: 3 pieces of linen 1 lot of thread of diverse colors 1 small piece of steel-linen, found by Jacomijn on the road in the month of August? Answer: says yes, to have bought that linen from Arij van Bentura for 8 rixdollars the piece in the month of August of the past year, as also that year also a piece of steel-linen. 11. Question: In what manner the prisoner came by those goods? Answer: says as on article 10. 12. Question: Whether it is not also a part of the goods stolen from Rotman? Answer: says No. 13. Question: Whether those goods were recognized by Totman in the presence of the Landdrost and Heemraden of Swellendam in the presence of the prisoner as his? Answer: says that Landdrost and Heemraden took those goods along without his knowing why; says further that Totman had said that it resembled his. 14. Question: For what reason he, the prisoner, being an unmarried and indigent person, then provided himself with such an abundance of linen and thread, more than was needed for clothes? Answer: says that his maidservant and children needed a supply of thread, therefore bought such, and obtained the red from the thatcher Piet Linde. 15. Question: Where those goods are presently hidden? Answer: says that I do not know. 16. Question: Whether he, the prisoner, also did not assist in the burial of the goods? Answer: says No. 17. Question: Whether the prisoner does not understand himself that however much he seeks to excuse himself with the negative, his guilt and complicity in everything will nevertheless come to light? Answer: says may my God preserve me from presenting the gentlemen with lies. 18. Question: Whether he does not understand that by his frequent lying he has made himself punishable? Answer: says why should I lie, I have spoken the truth! Thus questioned and answered at the Cape of Good Hope, the 26th of May 1787, before the gentlemen Willem Ferdinand van Reede van Oudtshoorn and Johannes Matthias Bletterman, members from the aforementioned Honorable Council of Justice, who duly signed the minute hereof together with the prisoner and me, the sworn clerk. Below stood: Which I witness, signed R: I: V: D: Riet, sworn clerk. Review Appeared before me, the undersigned commissioner from the Honorable Council of Justice of this government, the person of Thijs Albregt, to whom these his preceding interrogatory articles, with the responses given thereto, having been read clearly and distinctly word for word, declared to persist therein, desiring that nothing more be added thereto or taken therefrom. Thus reviewed at the Cape of Good Hope, the 30th of May 1787. Was signed / X and there circumscribed: this cross the prisoner made with his own hand. Below, in my presence, signed R: I: V: D: Riet, sworn clerk. In the margin signed as commissioners: C: Matthiesen and C: G: Maasdorp. Articles prepared and presented to the gentleman commissioners from the Honorable Council of Justice of this government by and on behalf of the sworn clerk at the secretariat of justice, as qualified in his office to observe the cases of the Landdrost of Swellendam, the gentleman Constand van Vuld Onkruidt.
Dutch transcription
Recollement zegt niet geloogen te hebben! zogt Neen geen Iongens met sien te hebben nog ook niet van zegt sa. Compareerde voor ons onderget: gecommt uit den E: agtb: raad van Justitie deeses gouverne ments voorsz thijs Albregt dewelke deese zijne voorenstaande interogatoria van wonoogen gesien te hebben de tot woorde klaar, en duidelijk voorgelee sen weesende verclaarde daar bij te blijven persisteeren begeerende dat er niets meer bij of van gedaan werden zal Aldus gerecolleerd aan Cabo de goede Hoop den 26 Maart 1787 was geteekend & en daar omschreeven dit kruis heeft de gev:e eigen han „dig gesteld lager mij praesent geteekend R: I: V: D: Riet geswe Clercq in margine als gecomm=s geteekend w: f: V Reede van oudts hoorn en J: M: Blesterman zegt Neen! de moorden Nadere articulen gedaan ma „ken en overgegeeven aan Heeren gecomm: uijt den E: agtb: Raad van zegt dat is leugenagtig Thijs Albregt off hij gev,„e niet zijn zoon thijs de Jonge zegt in facie van zyn Justitie deeses gouvernements vader dat zijn vader, hem ge„ door ende van wegens den gesw, slagen heeft om dat hij zonder Clercq ter secretarije deeses Jaars zijn weeten is meede gereeden deeses raads als in ossicio ge qua dogev, blijft bij de Negotive lificeerd ter waarneminge der Sake van den Landdrost van Swellendam de Heer Constand van vuld onkruidt omme daar zegt dat hij dat linnen van den van waar hij gev„, 't stuk fijn sin op ter zijner requisitie gehoord officier Abi die in de mossel „nen dat in zijn huis gevonden baaij is gekreegen te hebben is gekreegen heeft en ondervraagd te worden den om hem den van gemaakt te persoon van thijs albregt de worden oude zullende desselvs te geevene zogt dat is een oude hemd van off uit huis van hem geven resp. e in margine deeser be„ niet gevonden is een hembd mijn broeder Hendrik die zijn hoorlijk worden bekend gesteld vrouw genaaijdt heeft daar de geletterde naam uit gesneeden was of hij geve nog blijft persisteeren. bij 't geene hij op zijne voorige zigt daar is genaam uijt de om wat reeden men de naam uijt articulen heeft opgeeven gesneeden voor zo verre ik was dat hemd gesneeden heeft Albregt de Jonge dien morgen toen hij met zijn gev„e Broeder Hendrik de Plooij te paard te huis kwam heeft geslagen om dat hij zonder zijn iev„e weeten gereeden was off hij gev„e van die goederen, niets gesien of bij hem in huis gehad heeft zegt geen goederen met ogenge oft hij gev„e geen de minste weten schap heeft van de bij rotman gepleegde moorden zo wel als waar de op die plaats geroofde goederen gebleeven zijn! off hij gev„e niet is overtuigd daar bij de waarhijd te hebben gespaard en of hij tans geneegen is meer over een komstig dezelve te antwoorden of hij gev e niet moet bekennen de ses slagters Iongens welke zig in de maand october h op de plaats van zijn gev, e moeder hebben be vonden te hebben gesien en geapro ken 10 „6 5 4 Je Staal door Iacomijn op weg Linnen in de maand augustus gevon gen te hebben Zegt Neep komen zoude zegt waarom zou ik liogen ik zogt Ia dat linnen van arij of zig onder anderen ook niet in van bentura gekogt te hebben 't vertrek van den gev„e behalven voor 8 rijxd=s 't stuk in de maand 't voorgem: hebben bevonden augustus van 't gepasseerde Iaar 3 stukken als meede 't jaare ook en t stuk zogt dat landdrost en heem raa of die goederen door tot man in den die goederen meede genomen praesentie van Landdrost en hebben zonder dat hij geweeten heem raden van swellendam in tegens heeft waarom woordighijd van den gu e voor de zogt nader dat totman gesegt zijne erkend had dat lijkend na de mijne zegt als op artl: 10 zogt Neen zogt dat zijn mijde en kinderen zo Neer om wat reeden hij gev„e voorraad van gaarn en wel meer heeft voorsien kleeren hebben moest daarom als zijnde een oongetrouwde en zulx gekogt en 't rood van de behoeftig persoon zig dan van riet dekker pietlinde gekree zo een overvloed van linnen ofs hij gev„e ook niet meede ge adsisteerd heeft bij de begraving der goederen waar die goederen tans verbor gen zijn zegt daar bowaar mijn god voor off hij gev„e niet zelve begrijpt dat ik de heeren met leugens voor dat hoe zeer hij zig met de nega„ tive zoekt te verschonen zijn schuld en meede wetenschap van alles zogt dat weet ik niet op wat wijze hij gev, aan die goede ren gekoomen is 13 ofs 't niet meede een gedeelte is van 't bij rotman geroofde goed 1 partij gaaren van diverse Couleuren 1 stukse Staal Aldus gedraagd en beantwoord aan Cabo de Goede Hoop den 26 Meij 1737 voor de Heeren Wil¬ „lem Ferdinand van Reede van oudtshoorn en Ioh:s Matthias Bletterman leeden uijt den E: agtb: raad van Iustitie voorm: die de minu „te deeser, beneevens de gev„e en mij gesw:e Clercq meede behoorlijk hebben onderteekend /onderstond 'T welk ik Getuige was geteekend R: I: V: D Riet geswe, Clercq Compareerde voor mij Ondergeteekende gecomm: uit den Ed: agtb: raad van Iustitie deeses gouver„ nements den Persoon van thijs Albregt, dewelke deese sijne voorenstaande vraag articulen met de daar op gegeevene resp e. van woorde tot woorde klaar en duidelijk voorgeleesen verclaarde daar bij te blijven persisteeren begeerende dat er niets meer bij of van gedaan werden zal Aldus gerecolleerd aan Cabo de Goede hoop den 30 meij 1787 was geteekend/ X en daar omschreeven dit kruis heeft de geve eigen hans in gesteld lager, mij Praesent geteekend R: I: v: D: Riet geswe Clercq in margine als gecomm:d was geteekend C: Matthiesen en C: G Maasdorp Articulen gedaan maken en overgegeeven aan heeren gecom= uit den E agtb: Raad van Justi tie deeses gouvernements door ende van wegens den geswe Clercq ter secretarije van Iustitie als in officio gequalificeerd ter waar¬ neeminge der saaken van den landetrost van swellendam de Recollement off hij niet begrijpt dat hij door„ 't menigvuldig liegen sig straf schuldig gemaakt heeft! heb de waarhijd gesprooken! eevenwel - Heer te zijn af 10 14 15 18
English
Article 1 Question: What is the prisoner’s name, place of birth, age, and where he lived? Answer: Willem Albregt, aged about 34 years, born in this district, formerly of the widow Hendrik de Plooij, at the Gourits River. Article 2 Question: Whither and for what reasons had the prisoner gone? Answer: Says, I was not at home, but I came home that very same night when the Hottentots left the farm, as the prisoner had been summoned from the farm of Charel du Plessis by an old Hottentot woman. Article 3 Question: Whether the prisoner also knew these men who were with his mother during the last corn or barley harvest under the name of butcher’s boys? Answer: Says he knows nothing of this because he was not at home, but at a certain Carel Plessis living at the Gourits River. Article 4 Question: If so, what their names were? Answer: Says he does not know. Article 5 Question: Whether he also saw the butcher’s notes? Answer: Lapsed. Article 6 Question: Whether the prisoner knew all or any of those men before? Answer: Says he knows them all well, except Andries, Jantje, and Pakhals. Article 7 Question: What those boys came to do at the prisoner’s mother’s house? Answer: Says no, he had not been there. Article 8 Question: How long those boys were there? Answer: Lapsed. Article 9 Question: Whether those boys were continuously with the prisoner at his farm, or whether they hid during the day in the veld and returned to the house at night? Answer: Says that they were mounted. Article 10 Question: Whether the prisoner’s mother remained at home or whether she also went to Totman’s place? Answer: Says that his mother was also present. Article 11 Question: Whether the prisoner also knows the Hottentots Piet Piekeur, Claas Coert, Daniel Paul, Jantje Boom, Willem Ruijterbos, Andries Jantsse, Abraham, and Pakhals Jantse? Answer: Says as to Article 3. Article 12 Question: Whether those Hottentots, with some others and the aforementioned butcher’s boys, did not leave the prisoner’s mother's farm together? Answer: Says, I do not know that. Article 13 Question: What orders those boys and Hottentots had received? Answer: Says he knows nothing of that. Article 14 Question: Whether the prisoner’s brother, along with a certain Thijs Albregt the younger, did not ride shortly before the prisoner came home that very evening with three horses to the farm of Sebastiaan Totman, called the Koning Klip, with three horses among which was a dapple-grey named Spiegel? Answer: Says, I do not know that. Article 15 Question: Whether the prisoner was also at Totman’s place when the murder was committed there? Answer: Says no. Article 16 Question: If so, how he found things there? Answer: Says no. Article 17 Question: At what time in the morning his brother Hendrik De Plooij came home with the horses into the field? Answer: Says that his brother and the others, his mother included, came home the next morning, and that the prisoner indeed saw some goods on the horses in bags without knowing what it was, and the prisoner rode again that very same day to Charles du Plessis, where he first heard from a cook of the murder that had been committed at Totman’s. Article 18 Question: How many horses he had with him and whether the names of the horses are also known to the prisoner? Answer: Says that two horses were along, the one named Spiegel and the other Bruijntje. Article 19 Question: Where those bags of goods were brought? Answer: Says into the room, without knowing where they ended up. Article 20 Question: If the prisoner answers that they were buried, to ask who helped bury them, whereabout, and in what manner, and whether that hole was properly filled again and with what? Answer: Lapsed. Article 21 Question: Whether all those goods are still in that hole, or in another hole? Answer: Lapsed. Article 22 Question: Whether an agreement was made to keep everything quiet and to deny it if questioned about it? Answer: Says he knows of no agreement, but says now that he did hear that his brother with the wagons told Catrijn to keep everything quiet and to say nothing more because he was anxious. Article 23 Question: Whether the prisoner knows nothing more concerning this affair? Answer: Says he knows nothing more. Article 24 Question: Whether shortly before his mother Regina rode towards the Cape, a dispute arose between his aforementioned brother and his wife Martha? Answer: Says yes. Article 25 Question: What the cause of that dispute was? Answer: Says he does not know for what reasons. Article 26 Question: And whether Hendrik Plooij did not further ask the said Martha: why will I end up on the island? And that the said Martha replied: through insolent and roguish tricks? Answer: Says yes. Article 27 Question: Whether the said Martha did not say in substance to her husband: yes, you will be flogged, branded, and banished to Robben Island, and to the prisoner’s mother: you will come to the slave lodge and carry baskets there, but I will go free with my two children because the Hottentots will not know me? Answer: Says yes. Article 28 Question: Whether her husband, the said Hendrik, did not beat his wife over these statements? Answer: Says yes. Article 29 Question: Whether he, having rode to the forest without knowing who would be found there, did not calm his brother and thus settle the dispute? Answer: Says yes. Article 30 Question: Whether the prisoner does not know that stealing, robbing, and murdering, and indeed concealing the same if one knows of it, is evil, and that those who do evil anticipate punishment and are themselves deserving of punishment, and that he has acted thus and deserved punishment? Answer: Says yes, he understands that those who do evil deserve punishment and are themselves deserving of punishment. Article 31 Question: What he knows to put forward in his defense? Answer: Says nothing other than what has been said hereinbefore, and to request a merciful punishment. Article 32 Thus questioned and answered at the Cape of Good Hope on the 14th of May 1787 before the gentlemen Christiaan Ludolph Neethling and Johannes Mattheus Bletterman, members of the Honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the minutes hereof together with the prisoner and me, the sworn clerk. Underneath stood: Which I witness.
Dutch transcription
„sing 34 Iaaren van deesen uit derdom in hoek geboortig de weede. Hendrik de Plooij do gous rivier, geweest te zijn zegt alle wel te kennen Except andries Jantje en Pakhaes Heer Constand van Nuldon kruidt omme daar op ter Sij ner requisitie gehoord en onder vraagt te worden de persoon van willem Albregt zullende desselvs te geevene resp„e in mar„ gine deser behoorlijk worden bekend gesteld zegt Willem Albregt oud nagis des geve naam geboorte plaats ou zegt, ik ben niet te huis geweest, I zogt op de Plaats van zijn moeder waar deselve gewoond, heeft a waar na toe en om welke maar ik ben dien eigenste nagt te huis gekoomen toen de hottentot reedenen ten zijn van de plaats gegaan en was hij gev„s geroepen van de zogt daar niets van te weeten ter 't hij gev: ook gekend heeft deses Plaats van Charel du Plessis door een hotten tott ouwe kerre ter on wijl hij niet te huis is geweest maar Iongens die bij zijn moeder in bij een Carel Bessis woonende aan de laatste hoorn of garst oogst on der de naam van slagters Iongens zogt zulx niet te weeten. zijn geweest zo Ja hoe derselver namen zijn ge weest zegt Ia dat zij gereeden, zijn 5 of hu ook de slagters Briefjes gesien heeft gel of hij gev„e alle dan wel eenige dier Iongens te vooren gekend heeft wat die Iongens bij zijn gev„e mae zegt Neen daar niet geweest te der zijn kome doen 8 Joelany die Jongens daar ge vervald weest zijn dre van zijn broeder Hendrik p 12 of die Iongens geduurig bij hem gev„e op zijn plaats geweest zijn dan of zil: hun overdag in 't veld zogt dat zijn moeder ook meede of zijn geve, moeder te huis ge„ verscholen hielden en 's nagts wee geweest was bleeven is dan wel of zij meede der in huis gekoomen zijn. ter plaatse van totman geweest of hij gev„e ook kend de hottentotten Prot Piekeur Claas Coert Daniel Paul zogt als op artl: 3 zegt dat weet ik niet zegt daar niet van te weeten zogt dat weet ik niet of die hottentotten niet met nog eenige andere en deses voorm: slagters Iongens te zamen van de Plaats van zijn gev„e moeder zijn afgegaan wat die Iongens en hottentotten voor ord're hebben gehad op niet zijn gev„e broeder met kort voor dat hij gev„e te huis kwam eenen thijs Albrogt de Ionge dien, Sebastiaan Rotman, de koning klip genaamdn met drie paarden waar onder eigenste avond met drie paarden een schimmel was genaamd spie zijn gereeden na de plaats van of hij geve. ook ter plaatse van tot „man geweest is toen de moord daar is gepleegd geworden Zo Ia hoe hij 't aldaar, gevon den heeft Jantje Boom Willem Ruijterbos andries Jantsse & abraham en Pakhals Jantse 18 Vervald. zegt Neen. Zegt Neer! „ 2 zijn 15 14 13 is. zegt zulx niet te weeten wat de oorsaak van dat geschil is waar 't beland is na 't bosch gereeden is zonder te zig bevinden zegt thans dat houden en niets meer, zeggen om dat hij angstig was. die kwaad doen straf verwaend en zelvs strafwaardig is zogt dat zijn broeder en de ove Hoe laat en den morgen zijn broe rige zijne moeder daar onder der Hendrik De Plooij met de gereekendien anderen dagr mer paarden in't geld zijn te huis gen te huis gekomen zijn en dat gekoomen hij geve wel eenig goed op de paar„ den gesien heeft in zakken zonder te weeten wat 't was en was hij gev, dien eigenste dag nog weeder na Charles du Plessis geereeden alwaar hij van een kok eerst gehoord had de moord die er bij totman gepleegd was zegt dat er twee paarden mede hoe veel Paarden hij heeft mee geweest zijn de eene spiegel en de gehad en of de naamen daer paar„ „den hem gev:e ook bewust is zogt in de Camer zonder te weten waar die sakken met goederen zijn gebragt geworden. zo hij gev„e antwoord dat dezelve begraven zijn dan te vragen wie dezelve hebben helpen begraven waar omtrend en op welke manier of wat gat weder behoorlik is voorsien en waarmeede zegt dat hij wel gehoord heeft of alle dat goederen nog in dat dat zijn broeder met t wagens gat dan wel in een ander, gat wel aan Catrijn is om alles stil te houden en te neege gesegt heeft dat zij alles stil moetren indien er na gevraagd wierden. zegt van geen afspraak te weeten: ott er ook een afspraak genoomen 23 off hij gev„e niets meer weet betrek kelijk deese affaire of niet kort voor dat zijn moeder Regina Caabwaards is gereeden questi ontstaan is tusschen gem zijn broeder en desselvs wijf Martha zegt Niets meer te weeten! weeten om welke reedenen Af 18 zogt sa. En of Hendrik Plooij niet al verder aan gem: Martha gevraagd heeft waarom zal ik op 't eiland komen gem: Martha daar op geantwoord heeft door soudwen en schelmen streken 30— en of hij gev, e niet zijn broeder gestild en dus die quasti heeft bij gelegt ven en moorden Ja 't verbergen der zelven zo men zulx weet kwaat is en dat hij dus gedaan en straf verdiend heeft zegt Ja te begrijpen dat die geene 'f hij gev, niet weet dat steelen roo„ wat hij tot zijn verschoning weet ren gesegt is te weeten en om een in te brengen genadige straf te versoeken zegt Niets als 't geene hier voo Aldus gevraagd en Beantwoord van Ca„ b0 De Goede Hoop den 14 meij 1787 voor de heeren Christiaan Ludolph Neethling en Ioh=s Matth=s Bletterman leeden uit den E: Agtb=r raad van Justitie voorm: die de minute deeser beneevens de gev„e, en mij geswe Clercq meede behoorlijk of gem: Martha niet in substantie tegens haar man gesegt heeft Ia sulle Dult gegeeseld gebrandmerkt en op 't robben eijland gebannen worden en tegens zijn gev„e moeder gij Zult in de logie komen en daar mandjes dragen maar ik zal vrijkomen met mijne twee kinderen want de hot tentotten zullen mij niet kennen of gem: haaren man Hendrik Zijnvrouw niet daar op geslagen over die gesegdens geweest. 27. was hebben onderteekend /onderstond/ 'T welk ik Getuijge andere Bruijntje geheeten vervald. vervald. „zegt Ia. 26 24 27 19 zogt Ja. zegt Ia. zegt Ja. 1 ƒ 8 t 27. — 32
English
Was signed: R. J. v. d. Riet, Sworn Clerk. Interrogatories drawn up and delivered to the Honorable Commissioners from the Honorable Council of Justice of this Government by and on behalf of the Sworn Clerk at the Secretariat of Justice, Rijno Johannes van der Riet, acting officially to represent the case of the Landdrost of Swellendam, Constand van Nuld Onkruidt, in order to examine thereon, upon his requisition, Martha Maria van Nimweegen, wife of the detained burgher Hendrik Willem Plooij, whose respective answers shall be duly recorded in the margin. Article 1. The prisoner’s name, place of birth, and age. Answers: Martha Maria van Nimweegen, born in this outpost, aged approximately 25 years. Article 2. Who the prisoner's husband is, and where she has resided. Answers: Hendrik Willem Plooij is her husband, and she resided at the Rietvallei, situated across the Gourits River. Article 3. Whether the prisoner also knew the six butcher's boys who stayed with her mother in the month of October of last year under the name of the butcher J. A. van der Poel. Answers: Not to have seen the said boys. The prisoners Piet Biekeur, Trijntje de Plooij, and Thijs Albregt state to the face of the prisoner that she must have seen and known the boys, as those boys went in and out. The prisoner persists in the negative and says: No! Article 4. Whether those boys did not keep themselves in the veld during the day and stay in the house at night. The Hottentots Thijs Albregt, Trijntje de Plooij, and Piet Biekeur, stepping inside, state to the face of the prisoner that the boys were in the house, and that she, the prisoner, must therefore have seen those boys. The prisoner persists in the negative. Article 5. Whether the prisoner is not aware that these boys, together with some Hottentots, went to the Honingklip at the farm of Rotman at the end of the month of October of last year, and for what reasons. Answers: That this is not known to her, the prisoner. Article 6. Whether the prisoner is not aware that her husband, along with Thijs Albregt, rode along with the boys that very evening to the farm of Rotman. Answers: That this is not known to her, the prisoner. Article 7. Where those goods are hidden that were found at the farm of Rotman and were brought to her mother. Answers: Not to have seen any goods. Article 8. Whether the prisoner does not understand that by concealing the truth she has made herself liable to punishment. Answers: To know well that if she knew anything and did not reveal it, she would be liable to punishment. Article 9. What the prisoner knows to state in her defense. Answers: To be innocent. Thus questioned and answered at the Cape of Good Hope on 15 March 1787, before the Gentlemen Salomon van Echten and Jan Coenraad Gie, members of the Honorable Council of Justice aforesaid, who have duly signed the minutes hereof, together with the prisoner and me, the Sworn Clerk. Below stood: Which I attest, was signed: R. J. v. d. Riet, Sworn Clerk. Re-examination. Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Council of Justice aforesaid, the person of Willem Albregt, to whom these preceding interrogatories of his were read clearly and distinctly word for word, declaring that he persists thereby, wishing that nothing more or less shall be done thereto, and further said in the presence of his mother, the old Regina, his brothers Thijs Albregt and Hendrik Plooij, and the Hottentots Claas Coert, Willem Bierwerk, and Daniel Paul, that everything preceding is the pure truth. Thus re-examined at the Cape of Good Hope on 28 May 1787. Was signed, and around it written: This mark the prisoner made with his own hand. Below: In my presence, signed: R. J. v. d. Riet, Sworn Clerk. In the margin signed as Commissioners: C. Matthiessen and C. G. Maasdorp. Re-examination. Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Council of Justice aforesaid, Martha Maria van Nimweegen, to whom these preceding interrogatories of hers were read clearly and distinctly word for word, declaring that she persists thereby, wishing that nothing more or less shall be done thereto. Thus re-examined at the Cape of Good Hope on 31 July 1787. Was signed with a mark, and around it written: This cross the witness made with her own hand. Below: In my presence, signed: R. J. v. d. Riet, Sworn Clerk. In the margin signed as Commissioners: C. Matthiessen and C. G. Maasdorp. Interrogatories drawn up and delivered to the Honorable Commissioners from the Honorable Council of Justice of this Government by and on behalf of the Landdrost of Swellendam, Constand van Nuld Onkruidt, in order to examine thereon, upon his requisition, the Hottentot woman Sara, whose respective answers shall be duly recorded in the margin. Article 1. The prisoner’s name, place of birth, and age. Answers: To be a Hottentot woman named Sara, aged approximately 50 years. Article 2. Where she last resided. Answers: With Thijs Albregt, being a son of the widow Hendrik de Plooij, and living on the farm of his mother, on the other side of the Gourits River at the so-called Rietvallei, with her husband Piet Biekeur. Article 3. Who the prisoner's husband is. Answers: Piet Biekeur, who is also in prison with her. Article 4. Whether the prisoner was present in the month of October of last year at the farm of the free woman Regina of the Cape, widow of Hendrik de Plooij, situated in Old Outeniqualand, or whether the widow de Plooij sent for the prisoner, and where from there. Answers: Yes, that she lived there as stated before. Article 5. Whether there were also strange slaves and Hottentots at that time. Answers: That during the day she saw no boys, but did hear that at night there were some slaves at that time; and since she has a small straw hut, the prisoner concerned herself little with the main house.
Dutch transcription
was geteekend/ R: J: V: D: Riet gesw:e Clercq zegt Martha Maria van Nim„ der gev„e naam geboorte plaats en weegen van deesen uithoek geboot ouderd om tig oud na gissing 25 Iaaren zogt Hendrik willem Blooij wie haar gev, e man is en waar Compareerde voor ons onder get: gecomm: uijt den haar man te zijn en gewoond heb zij gewoont heeft E: agtb=r raad van Justitie deeses gouvernements ben aan de Rietvallij over de den Persoon van willem Albregt dewelke deese gourits rivier geleegen zijne voorenstaande interrogatoria van woorde off zij gev„e ook gekend heeft de tot woorde tot woorde kaar en duideelijk voorgegn steende Iongens niet gedien ses slayters Jongeno die bij haar te hebben leesen verclaarde daar bij te blijven persisteeren met begeerte dat er niets meer bij of van gedaan de gev: piet siekeur Peintse de gev„e moeder, in de maand of„ Plooij en thijs Albregt zeggen tober, lb onder de naam van den werden zal en zijde voorts in praesentie van zijn in facie van de gev„s dat zij de slagter, I: a: van der Poel zijn moeder de ou de Regina zun broeders thijs Albrag Iongens moet gesien en gekend geweest Hendrik Plooij en de hottentotten, Claas Coert hebben vermits die Jongens in en„ willem Bierwerk en Daniel Paul dat al t voor uit gegaan zyn Ant4 en staande de suijvere waarhijd is de gev„e blijft bij de Negative Aldus gerecolleerd aan Cabo de Goede Hoop zegt N een! off die Iongens niet overdag in't den 28 meij 1787 was geteekend/ en daar omschre de stottentotten thijs Albregt veld hun hebben onthouden en ven dit merk heeft de ge„e eigenhandig gesteld Tintje de Plooij en Piet Diekeur ' nagts in huis geweest zijn! binnen treed ende zeggen in facie lager mij Praesent geteekend R: I: v: D: Riet van de gev, aan dat de Iongens in huis zijn geweest en dat zij gev„e geswe Clercq in margine als gecomm: geteekend dus die Iongens moet gesien te hebben C: Mappa en C: G: Maasdorp de gev„e blijft bij de Negative zogt haar, gev„e zulx niet bekend of zij geve, niet bewust is, dat dese Articulen gedaan maaken en overgegeeven aan Heeren gecomm: Iongens met eenige hottentotten uit den E: agtb: Raad van Iu in 't laatst der maand october stitie deeses gouvernements door lb. na de honingklip op de plaats ende van wegens den gesw„e Clercq van Rotman gegaan zijn en ter Secretarije van Justitie Rijno om welke reedenen Joh:s van der Riet als in off: ge qualificeerd ter waarneminge der Sake van den Landdrost van Swellendam Constand van Nuld onkruidt omme daar op ter sijner reg: gehoord te worden Martha Maria van Nimweegen huisvrouw van zogt geene goederen gesien te hebben waar die goederen verborgen zijn den gedateneerden burger hen die daar ter plaatse van Rotman drik willem Plooij zullende des selvs te geevene respe in margine te zijn zijn gevonden en bij haar moe„ ow haar gev,e niet bewust is dat haar man met thijs albregt de Ionge die eigenste avond meede gereeden na de plaats van Hotman! zogt haar ze„e zulx niet be wast te zijn Recollement behoorlijk worden bekend gestelden arts der gebragt Articulen gedaan Maken Straf schuldig te zijn zegt onschuldig te zijn zogt een hottentottin te zijn ge„ naamd Sara oud na gissing 50 ouderdom! of zij gev„e niet begrijpt door 't ver„ swijgen der waarhijd haar straf„ schuldig te hebben gemaakt wist en zulx niet openbaar de zegt wel te weeten als zij iets wat zij gev„e tot haar verschoning weet in te brengen Aldus gevraagd en Beantwoord aan Cabo de Goede Hoop den 15 maart 1787 voor de Zee „ren Salomon van Echten en Jan Coenraad gie leeden uit den E: agtb raad van Justitie voorm: die de minute deeser, beneevens de gw,„e en mij geswe Clercq meede behoorlijk hebben ondertee„ kend onderstond 'T welk ik Getuijge was geteekend R: J: V: D: Riet gesw:e Clercq Jaaren zegt bij thijs albregt zijnde een waar dezelve 't laatst gewoond heeft soon van de weedt, Hendrik de Compareerde voor ons onderget: gecomm: uit Plooij en wonende op de plaats den E. agtb: raad van Justitie voorm: Martha van zijn moeder, aan de overzijde van de gous rivier aan de Maria van Nimweegen dewelke deese haar sogenaamde Riet valij met haar man Piet biekeur voorenstaande interogatoria van woorde tot woorde klaar en duidelijk voor gelees en verclaarde daar bij te blijven persisteeren begeerende dat er niets meer bij of van ge„ daan werden, zal Aldus Gerecolleerd aan Cabo de goede Hoop den 31 Julij 1787 (was geteekend/ & en daar omschreeven dit kruijs heeft de get eigen met haar ge„e, in de tronk zit handig gesteld lager mij praesent geteekend R I: V: D Riet gesw:e Clercq in margine als gecomm: geteekend /: Mappaen C: G: Maasdorp zegt dat zij over dag geen son off er ter dier tijd ook vreemde „gens gesien heeft maar, wel ge slaven en hottentotten geweest zijn hoord te hebben dat er 's nagts te dier tijd eenige slaven geweest zijn en vermits een stro huisje heeft wij nig haar gev„e met 't grote te bemoeijen wie haar gev„e man is zogt PietePiekeur die mede zogt Ja dat zij daar gewoond of zij gev„e in de maand october heeft als vooren lb ter plaatse van de vrij mijd Regina van de Caab weede Hen¬ drik de Plooij geleegen in 't oud Nigaaland bevonden heeft dan wel of de weede. de Plooij haar gev„e heeft laten roepen en waar van daar! des gev„s naam geboorte plaats en en overgegeeven aan heeren ge comm: uijt den E: agtb: Raad van Justitie deeses gouvernements door ende van wegens den Land drost van Swellendam Constand van Nuld onkruidt omme daar op gehoord te werden ter sijner requisitie de bottentottin Sara zullende desselvs te geevene resp„e in margine behoorlijk worden bekend gesteld Recollement Articulen