VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 4336

Cape · 410 pages · 215 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_4336_0151 view scan ↗

English

having stated at the time that he intended to send up a portion of the cattle, and that when they, the Hottentots, came upcountry and the Landdrost might ask them where he, Van Zijl, and the mentioned Wieser got all that cattle from, they were then to say that that cattle had been fairly bartered by them, but above all not to say that he, Van Zijl, his two sons, and the mentioned Wieser had shot the Hottentots dead, and that all of this was mere lies, for if they did make this known, he would shoot them dead just as he intended to do with the others who had already done so. That they, now more than two months ago, without being able to determine the time accurately, by order of the mentioned Van Zijl, along with another Bushman Hottentot, had to drive a large number of cattle hither, without being able to determine the number further, under the supervision of the aforesaid Jan Wieser and one of the sons of the aforementioned Van Zijl, named Andries van Zeijl; and having arrived at the place of the burgher Pieter Wieser, it was once again said to them by the aforesaid Jan Wieser that he would go with them to the Landdrost, and that when they arrived there, they had to say in his presence that everything that might have been reported by other Hottentots was a pack of lies, for they had done nothing on the journey other than merely barter; however, he, the appearer, had heard the aforesaid Wieser and the wife of the burgher Jan Smith, living at the Piquetbergen, in the presence of a certain burgher Tobias, without knowing his name further, as well as the mother of the aforementioned Jan and Pieter Weeser, say that it was already known to the Landdrost that Van Zeijl, his two sons, and the mentioned Jan Wieser were said to have shot the Hottentots dead, wherefore the mentioned Jan Wieser, directly because of that, had dispatched the aforementioned Bushman Hottentot with a letter to the Hantam to the aforementioned Adriaan van Zeijl to advise him, not as they had agreed, that instead of him, Van Zeijl, thinking that he, Jan Wieser, would be on the return journey to betake himself to the Cape, but to come directly to him, Jan Wieser, at the place of his brother Pieter Weeser, as he was now not intending to go to the Landdrost. That furthermore, the cattle having been divided, the portion of Jan Wieser was sent to his mother's place situated at the Jonge Heers Drift, while he, Andries, and Ruijter had to bring the portion of the aforesaid Van Zijl to the place of the burgher Jacobus Louw, living at the Vischwater, they being ordered to remain there at the place of the aforesaid Louw until the aforementioned Adriaan van Zeijl should have arrived there from the Hantam, and that they would have to help cut the barley and the corn for their keep. That they, having brought the cattle to the place of the aforesaid Jacobus Louw at the Vischwater, out of fear that Van Zeijl upon his arrival, or the aforementioned Wieser, in accordance with threats made to shoot dead with a bullet those who their committed course of action, certain

Dutch transcription

tijd gezegd hebbende van voorneemens te zijn, om een part hij zee op te zenden, en dat wanneer zij lieden „hottentotten boven in 't Land kwaamen en den LandDrost hun mogt vraagen, waar hij van Zijl af gem: Wieser, alen al dat wee kwam, als dan te moeten zeggen, dat dat zee door hun lieden mooij was gerueld, maar vooral„ niet te zeggen, dat hij van zijl zijne beide zoonen en gem: wieser de hottenkotten hadden dood ge schooten, en dat dit alles maar leugens waaren, want zoo zy deeden dit bekend maakten, zou hij hun Lieden eeren zoo dood schieten als hij voorneemens was met de andere te doen, die zulks reeds gedaan hadden. Dat zijl: voor nu ruim twee maanden geleeden zonder den tijd accuraat te kunnen bepaalen, ter Ordre van Gem: van Zijl met nog een bosjesmans, hottentot, een groot Aantal zee, zonder verde 't getal te kunnen bepaalen, onder 't opzicht van voorsz: Jan Wieser, en een der zoonen van Voorm: van Zijl met naame Andries van Zeijl herwaards hebbende moeten opdrijven, en gekomen zijnde ter plaatze van den Burger pieter Wieser, door voorsz: Jan wieser noch eens aan hun lieden was gezegd, dat hij met hun na den Land Drost, zoude gaan, en dat wanneer zijlieden daar kwaamen, in zijn praesentie moesten zeggen, dat al 't geen door andere de hottentotten mogte aangebragt zijn logentaal was, want dat zy op de togt niets gedaan hadden, als alleenlijk vergeruijld, doch had hij Compt: voorsz: Wieser en de Brouw van den Burger Jan Smith, woonende aan de piquet bergen in praesentie van zeekeren Burger Tobias, zonder verder zijn naam te weeten, mitsgaders de moeder van Voorm: Jan en Pieter Weeser hooren zeggen, dat 't al bij den LandDrost bekend was, dat van zeijl zijne beide zoonen en gem: Jan Wieser de Pottenhotten zouden hebben deadschieten, des gem: Jan Wieser, direct daarom voorm: bosjesmans hettentot met een brieff na den Bantam aan voorm: Adriaan van Zeijl had afge„ zonden om hem aante raaden, niet zoo als zijlieden afgespraoken hadden, om in steede dat hiy van zeijl dagt dat hij Jan Wieser op de te rug Reize zoude zijn, zich na de Caab te begeeven, maar direct by hem Jan Wieser op de plaats van zijn broeder Pieter Weeser te koomen alzoo hij thans niet van voorneemens was na den LandDrast te gaan. Dat voorts 't zee verdeeld geworden zijnde 't gedeelte van Jan Wieser na zijn moeders plaats tgeteegen aan de Jongaas drift, was gezonden, terwyl hij Andries en Ruijter 't gedeelte van voorsz: van Zijl na de plaats van den Burger Jacobus Louw, woonende aan 't Visch water, heeft moeten brengen, zinde Zijl¬ gelast, omme aldaar ter plaatse van voorsz zouw te blijven, tot dat voorm: Adriaan van Zeijl uijt de hantam aldaar zoude zijn aangekoomen, en dat zij lieden door de kost, zouden moeten helpen de garst en 't koorn afsnijden. Dat zijlieden 't veelgebragt hebbende op de plaats van voorsz: Jacobus Louw aan 't Visch water, uit vreeze, dat van zeijl bij zijn komst of voorm: wieser volgens gedaane dreisementen, om met een koogel die dood te Schieten die hun Lieden gepleegde Zeekeren handelwijze

NL-HaNA_1.04.02_4336_0152 view scan ↗

English

manner of acting might have made known, might keep them concealed and shoot them dead, they had departed at night from the place of the aforementioned Louw to Stellenbosch, in order to make everything known to the Landdrost with the request by no means to ever be sent back to that side of the Country, but rather wishing to serve here for their food for life, and also to be able to make known and maintain, in the presence of the aforementioned van Zeijl, all the evil which he, his sons, and Jan Wieser have done, for these people were wicked Germans. The Deponent declaring furthermore lastly, that since the wife and the children of the Hottentot Ruijter reside with Christiaan van den Heever, the child of the said Ruijter, by the name of Antje, having now and then come secretly to him, Ruijter, which vexed the aforesaid van Zijl, so that he finally first hanged the same child from a tree under the armpits, and while hanging thus beat her with a sjambok, subsequently hoisted her up by the arms backwards, and beat her in such a manner that that child no longer had the use of her arms, furthermore ordered his son Willem van Zeijl to shoot that child dead, just as Willem then also with two shots injured that child in the head, and finally was pelted to death with stones by the aforesaid Willem van Zeijl, the Deponents declaring indeed to have been present at the hoisting up and beating. Confirmation of testimony. Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice, the aforementioned Hottentot Andries, who, this his preceding declaration having been read out clearly and distinctly word for word, declared to have been present, but not at the shooting and stoning, since he was in the field that day, but to have heard such from the Hottentot women Catrijn and Griet, who were present at the shooting and stoning, the Deponent however having seen that corpse that evening, completely crushed at the head, and almost eaten up by the carrion birds. The Deponent testifying to have enjoyed nothing for his share, just as little as the other Hottentots, as also that he, the Deponent, had learned from the other Hottentots who were also present, that the aforesaid van Zeijl, his sons, and Jan Wieser acted in a murderous manner toward the Hottentots from whom that great multitude of cattle was stolen, without those people having spoken a single word to them or done any harm. Declaring nothing more, the Deponent gives as reasons of knowledge as in the text, being prepared to maintain this further. Thus done at Cabo de Goede Hoop, the 12th November 1787, before the Gentlemen Carel Maspa and Joh:s Smuts, Members from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, who together with the Deponent and me, Sworn Clerk, have also duly signed. Was written below: which I witness, was signed: AJV Kiet sworn clerk. Was written below: the same present.

Dutch transcription

handelwijze mogte hebben bekend gemaakt, hun verdoet mogten houden en dood schilten, zy lieden zig des nachts van de plaats van voorn: Louw hadden begeeven naar Stellenbosch, om aan den Land Drost uit alles bekend te maaken met versoek dog nooij't wederom aan die kant van 't Land te mogen worden gezonden, maar liever leevenslang alhier voor de kost te willen dienen, ook om in preesentie van Voorm: van zeijl te kunnen bekend maken en staande houden, al 't kwaad, 't welk hij zijne zoonen en Jan Wieser gedaan heeft, want dat deeze menschen kwaade duijtschers waaren. Verklaarende den Compt: noet laatstelijk, dat Rermits 't wijff en de kinderen van den hotten tot Ruijter bij Christiaan van den Heever woonagtig zijn, 't kind van hem Ruijter, met naame Antje nu en dan wel eens heemelijk by hem Ruijter gekomen zijnde, zulks voorsz: van zijl verdrao„ „ten hebbende zoo dat hij eindelijk 't zelve kindeerst aan een boom, onder de oxeelen opgehangen, en zoo hangende met een srambok geslaagen, vervolgens aan de Armen achterwaards opgeheeslen, en dus„ daanig geslaagen, dat dat kind 't gebruik haarer Armen niet meer had, wijders zijn zoon Willem van zeijl geordonneerd om dat kind dood te schieten, gelijk Willem dan ook met twee schooten, dat kind aan 't hoofd gequetst, en eindelyk met steenen door voorsz: Willem van zeijl dood gesmeeten, verklaarende de Comp:ts wel bij 't ophijszen en slaan Recollement. Compareerde voor ons Ondergeteekende Gecom„ mitteerdens uijt den E: Achtbaeren Raad van Justitie, den voorm: betten tot Andries, dewelke deeze zyne voorenstaande verklaaring van woorde tot waorde, klaar en duidelyk voorgeleezen zijnde, verklaarden preesent geweest te zijn maar niet bij 't schieten en er steenigen, vermits hij dien dag in't geld geweest is, maar zulks gehoord te hebben van de hottentottenne Catrijn en Griet, die bij 't schieten en steenigen zijn praesent geweest, hebbende den Comp:t echter, dat lyk dien avond gezien aan 't hoofd geheel vermorseld, en door de aas Loge„ len by na opgegeeten te zijn. Betuigende den Compt: niets door zyn aandeel, zoo min als de overige hottentotten te hebben genooten, als meede dat hy Compt: van de andere hottenpotten, die meede geweest zijn, vernoemen had, dat voorsz: van zeijl zyne zoonen, en Jan Wieser op eene moordadige wijze de hottentotten en doar die groote menigte keesten van geroofd zijn, gee„ handeld heeft, zonder dat die menschen huneen woord hadden toegesprooken ofte eenig leeds gedaan. Niets meer verklaarende, geeft de Comp:te voor redenen van wetenschap, als in den text, bereid zynde, zulks nader gestand te doen. Dat aldus passeerde aan Cabo de goede Hoop den 12:e November 1787. voor de Heeren Carel Maspa, en Joh:s Smuts Leeden uit den E: Achtb: Raad van Justitie dezes Gouvernements, benevens de Compt: ende my Gesw: Clercq, meede behoorlijk hebben onder teekend. /:onderstond:/ 't welk Ik getuige /:was oe geteekend:/ AJV Kiet gesw: Clercq. /onder stond:/ praesent dezelve -

NL-HaNA_1.04.02_4336_0153 view scan ↗

English

to persist therein, desiring that nothing more shall be added to or taken from it, stating that all the foregoing contains the pure truth. Thus done and reviewed at Cabo de Goede Hoop on 13 November 1787. /was signed/ This mark was made by the appearer with his own hand. /lower/ in my presence. /was signed/ R WA Kiet, sworn clerk /in the margin/ as commissioners /was signed/ C: Mappa Joh:s Smuts. There appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the Hottentot Ruijten of competent age, who, at the requisition of the Merchant and Landdrost of the colonies of Stellenbosch and Drakenstijn, the Honorable Hendrik Lodewijk Bletterman, declared to be true: That the appearer, to the best of his recollection, in the off-season, or according to the appearer's own words, at the beginning of the flower season of the past year, 1786 (being unable through ignorance to determine the precise month or day), together with the fellow Hottentots Groote Piet and Kleine Piet Eijland, Piet Hamacqua, Jas, and Andries, as well as the bastard Hottentots Paul, Gerrit, Stoffel, and Gerrit Beer, having been commanded by the Field-Sergeant Adriaan van Zeijl to pursue, with him Van Zeijl and his two sons Andries and Petrus van Zeijl, together with the burgher Jan Wieser, the Bushmen Hottentots who had stolen the greater part of the cattle from the farm of the burgher Paul Carstens, he, the appearer, with the aforesaid Hottentots, had duly complied with that order, and followed him, Van Zeijl, who had brought two wagons along. That the appearer, having arrived with the aforesaid persons all the way into the Namacqua Land, the said Van Zeijl had hired some pack-oxen from the Hottentots there, which were loaded by him, Van Zeijl, in the presence of him, the appearer, and the other Hottentots, with provisions and a quantity of beads and knives, while the said Van Zeijl then for the first time declared to him, the appearer, and the remaining Hottentots that it was not necessary to pursue the Bushmen, but that his intention was to go shoot elephants in order to deliver the tusks to the Honorable Company, and to give a share to each of the Hottentots, to which the appearer and the other Hottentots showed that they were not willing to do so, but were compelled to do so through threats by the said Van Zeijl, and thus continued their journey, except the Hottentots Andries and Jas, who had to remain by the wagons to guard them, for nearly one and a half months from the Hantam along the great river, where the aforesaid bastard Hottentots Paul, Gerrit, and Stoffel remained behind, stating that since the aforesaid Gerrit was ill and could go no further, both the said bastards would bring the aforesaid Gerrit back home. That thereupon the said Van Zeijl, having continued their way with his sons and Weeser, along with the other Hottentots, up to three shifts across the great river, the aforesaid Van Zeijl had then, from the first Hottentot kraal, hired and taken along a great multitude of Hottentots, without the appearer being able to tell the exact number since he cannot count, and continued the way with all the Hottentots, while he, Van Zeijl, occupied himself along the way with shooting hippopotamuses in order to make use of them during their journey. That after riding an estimated fifteen shifts further, on a certain morning at nearly eight o'clock, according to reckoning from sunrise, having approached a kraal of the Nunquinqua, a kind of Namaqua Hottentots who were on the other side of the Yellow River, a branch or part of the great river, he, the appearer, as well as his companions, had seen that all the Hottentots, both large and small, came out of the kraal, presumably to see what was going on, whereupon he, Van Zeijl, and his sons immediately dismounted from their horses and, without them having spoken a single word with the Hottentots or the Hottentots with them, fired upon those Hottentots with live ammunition. That the aforesaid Weeser, having waited with shooting until the aforesaid Van Zeijl and his sons had fired the third shot, then also discharged his gun like the others, and continuously shot at the same Hottentots. That the aforesaid Van Zeijl, having fired an estimated fourth or fifth shot and noticing that he, the appearer, and his companions were not shooting, directly went behind them with his loaded gun, of which he had pulled back the cock, and while violently prodding with the muzzle of the gun, from which the appearer still received a painful blow to his neck, said to them in substance: Damned lot, why do you not shoot? Do you not see that I am shooting? And if you do not shoot, you shall get from the same barrel. And the appearer and his companions then, out of fear, shot along with the aforesaid four Europeans that whole day, but they, the Hottentots, always fired into the air, while the said Van Zeijl, his two sons, and Wieser continuously shot those Hottentots dead, and that shooting lasted from around eight o'clock in the morning until late in the afternoon. That when the shooting had ceased that afternoon, he, the appearer, together with his companions, the other Hottentots, were sent across the river by the said Van Zeijl, since they had remained on this side of the river while shooting, in order to bring all the cattle of those mistreated Hottentots over to this side to him, Van Zeijl, just as they then also crossed the river pursuant to that order; but because the cattle had become wild from the continuous shooting, they had not brought them all, but only a large portion, without knowing the exact number, across the river, the appearer and his companions

Dutch transcription

dezelve daar bij te blijven persisteeren, met begeerte dat er niets meer bij ofte van gedaan worden zal, zeggende, dat al 't voorenstaande de zuivere waarheid behelst. Aldus Gedaan en Gerecolleerd aan Cabae de goede Hoop den 13 November 1787. /was geteekend/ dit kruijs heeft den Comp:t eijgenhandig gesteld„ /lager/ my praesent. / was geteekend/ R WA Kiet gesw: Clercq / in margine/ als Gecommitteerdens /Was geteekend/ C: Mappa Joh:s Smuts. Compareerde door ons ondergeteekende Gecommit„ „teerdens uijt den E: Achtb: Raad van Justitie dezes Gouvernements, den Hottentot Ruijten van Competenten Ouderdom, dewelke ter requisitie van den Koopman en LandDrost der Coloneën Stellenbosch en Drakenstijn, de Heer Hendrik Lodewijk Bletterman, verklaarde hoe waar is. Dat den Comp:t: na best onthoud in 't teegen saisoen of volgens des Comp„s eige gezegde, in 't begin der bloem tijd van den Gepasseerde Jaare, 1786, (zonder den pree„ „cisen maand of dag door onweetendheid te kunnen be„ „paalen, neevens den meede hottantotten Groote Piet en kleine Piet Eijland, piet Hamacqua, Jas en Andries, als meede de bestaard hottenlotten paul„ Gerrit Stoffel, en Gerrit Beer, door de Veld wacht meester Adriaan van Zeijl gecommandeerd ge„ „worden zijnde, om de bosjesmans hottentotten dewelke voor 't grootste gedeelte 't Zee van de plaats van den Burger Paul Carstens hadden geroofd, met hem van Zeijl en zijne twee Zoonen Andries en L:a M: Petrus van Zeijl, neevens den Burger Jan Wieser, te agtervolgen hy Comp:t met de voorsz: hottentotten, aan die ordre behoorlijk hadden voldaan, en hem van Zeijl, dewelke twee waagens meede genomen haed gevolgd. dat de Comp:t: met de voorsz: persoonen, alle tot en 't Namacqua Land gekomen zijnde, gem: van Zeijl eenige draag Ossen van de hottentotten aldaar gehuurd had, die door hem van zeijl ter praesentie van hem Compt: en de andere hotten votten, met provisien, en een parthyj Craalen en messen gelaaden geworden zyn, terwijl gem: van Zeijl, hem Comp:t en de overige holtentotten als toen eerst gedeclareerd had, niet nodig te zijn, om de bosjesmans te vervolgen, maar dat zijn in„ tentie was, om Oliphanten te gaan scheeten, ten einde de tanden aan d' E: Comp. e te leeveren, en aan ieder der zetten totten een portie te zullen afgeeven, 't geen den Compt: en de overige hettentotten getoond had, zulks niet gaerne te willen doen, doch door gem:t van Zeijl, met dreigementen daar toe ge„ noodsaakt was geworden, en dus hunne reize Except de hottentotten Andries en Jas, die bij de waagens moesten blijven oppassen, vervolgd tot bijna een en een halve maand van den Hantam langs de groote rivier, alwaar de voorsz: bastaard kottenlotten paul, Gerrit en Stoffel verbleeven zijn, voornondende dat Vermits voorsz: Gerrit ziek was, en niet verder meede konder, de beide gem:t bastaarden, voorsz: Gerrit te rug na huis zoude brengen. 's Dat daar op gem: van Zeijl, met zijne zoonen en weeser, neevens de andere kottentotten hun weg vervolgd hebbende, tot drie schoften over de groote „ritier, voorsz: van zeijl als toen uijt te eerde Petrus hottentots. hottentyts kraal, een groote menigte kattentotten zonder dat de Comp:t vermits hij niet tellen kan„ 't Juste getal weet te zeggen, gehuurd en meede ge„ noomen had, en de weg met alle de hottentotten ver„ volgd, terwijl hij van zeijl zich op weg beezig gehou„ „den had, met zee koeijen te schieten, om daar geduurende hunne reize gebruijk van te kunnen maaken. Dat zijn: na gissing vijftien schoften verder gereeden zijnde op een zeekere morgen byna agt„ uuren, volgens reekening van sons opgang bij een craal van de nunquinqua een soort van Namae„ „qua hottentotten, die aan de over zijde van de geele rivier zijnde, een spruijt of gedeelte der groote rivier genaderd waaren, hij Comp:t zoo wel als zijne makkers gezien had, dat alle de hittentotten, zoo groot als klein uit de kraal kwaamen, vermoedelyk om te zien wat er te doen was, wanneer hy van zeijl en zyne zoonen direct van hunne paarden„ waaren gesteegen, en zonder dat zijl: met de hetten„ totten of de hottentotten met hun, een enkeld woord gesprooken hadden, op die hottentotten met scherp geschooten hebben. Dat Voorsz Weeser met schieten gewagt hebbende tot dat voorm: van Zeijl en zyne zoonen, de derde schoot gedaan hadden, als toen zyn geweer meede gelyk de andere losgetrokken, en geduurig op dezelve het tentotten geschooten heden Dat voorsz: van zeijl na gissing de vierde of Vijfde Schoot gedaan hebbende, en gewaar geworden zijnde, dat hij Comp:t: en zijne makkers niet schooten„ en zich direct met zijn gelaaden geweer, waar van hij de haar overgehaald had, agter hun begeeren en onder 't oppoort stooten met de troms vvan 't geweer, waar van de Comp:t noch een gevoelige stomp en zyn nek gekreegen hun substantueel toegevoegd had / P: V Verdoemde goed, waarom schiet pijlluij niet, ziet Jijlluij niet, dat ik schiet, en als jijkluij niet schiet dan zal pijllin van dezelfde top krijgen, en had den Compt: en zijne makkers, als toen uit vrees, dien geheele dag met de voorm: vier Europeesen mede geschooten doch hadden zijlieden hottentotten altoos blind heen geschooten, terwijl gem: van zeijl, zijne twee zoonen en Wieser geduurig van die hottentotten dood geschoten hadden, en had dat geschied, geduurd van des morgens circa agt uuren tot laat in de namiddag. Dat wanneer dien nademiddag met vchieten uyt gescheiden was, hy Compt: neevens zyne makkers, de andere hottentotten, door gem: van zeijl aan de overzijde der rivier gezonden waaren, vermits zijl= met schieten aan deeze zijde van de rivier ver bleeven zijn, om alle de keesten van die mishan„ delde Bottentotten, aan deeze zijde bij hem van zeijl te brengen, gelijk zijl: dan ook ingevolge die ordre door de rivier gegaan zijn doch vermits de beesten door 't geduurig schieten verwilderd waaren hadden zylieden niet altemaal, maar alleen een groot gedeelte, zonder 't fouttreste getal te weeten, door de rivier gebragt zijnde, de Compt: en zijne makkers

NL-HaNA_1.04.02_4336_0155 view scan ↗

English

companions were sent back again the next day in the morning by van Zeijl to fetch the remaining cattle. That the Appearer with his accompanying companions, besides van Zeijl and the other persons, having stayed that night there, had departed from there the next day in the morning, and having continued on their way back home, had then arrived at the third kraal, whereupon the Hottentots hired by the mentioned van Zeijl from that kraal had departed from them to their kraal, without the Appearer being able to say whether those Hottentots had received anything as a reward from van Zeijl, except only a little tobacco. That the Appearer, along with the aforementioned companions with him, continuing their way hitherwards, had met again the aforementioned Stoffel, Paul, and Gerrit, the mentioned Stoffel being unable to walk anymore because he was sick then, while the mentioned Gerrit was completely recovered again. That the mentioned van Zeijl, having discovered that some cattle was nearby there, had asked the mentioned Paul at what place that kraal lay from which that cattle was running, which was then also pointed out by Paul to him, van Zeijl. That the aforementioned van Zeijl, having thereupon answered in substance to Paul, it is good that they know that, they must go there tomorrow with little Piet Eijlland, Gerrit, big Piet Eijland, Piet Namacqua, Ruijter, and Gerrit, and take away all the cattle of those Hottentots, and shoot those Hottentots all dead, for all those Hottentots who live in this region are scoundrels, they are like the Bushmen. That the mentioned Paul having thereupon answered in substance to the aforementioned van Zeijl, yes master, but will that go well, and I do not know what evil those Hottentots have done, the mentioned Paul, notwithstanding these words, nevertheless had to go, while van Zeijl had given his own gun along to Paul, saying in substance, go on, you people must do what I order you, and if you do not do that, then you will meet the same fate. That the Appearer with the aforementioned Hottentots, having proceeded to that kraal pursuant to the aforementioned order, while big Piet Eijland and the mentioned Stoffel remained with the cattle which was robbed by the aforementioned van Zeijl from the other Hottentots, and upon their arrival at those kraals had found all the Hottentots with their cattle. That when they had fired two shots, in his estimation with blank powder, the aforementioned Hottentots staying there had scattered from one another. That they, in order to satisfy the aforementioned van Zeijl, cut out and took along only a few cattle from the herd, but that when they had advanced a distance from the kraal, some of those same Hottentot women and children, weeping, followed him, the Appearer, and the others, and pleaded for the cattle robbed from them, whereupon the Appearer and their companions had returned to those Hottentots all the cattle robbed by them, and kept only fifteen head, because they were afraid that if they brought nothing along, they would then have to lose their lives, without them having dared to say anything of what had happened, except only to the question of the aforementioned van Zeijl why they had not complied with his order to bring along all the cattle, they had answered that those Hottentots had never done them any evil, while the mentioned van Zeijl both then and afterward often grumbled at and scolded them. The Appearer testifying that when he with the other Hottentots had to go to the other side of the river, where van Zeijl had shot at the Hottentots, to fetch the cattle, they had then found many Hottentots dead and had seen many wounded, while a Hottentot woman had spoken with big Piet Eijland, without the Appearer knowing what she actually said, because he, the Appearer, had not paid attention to it. The Appearer further testifying that when he with the other Hottentots came back over the river to van Zeijl, the mentioned big Piet Eijland had said to him, van Zeijl, master, there is plenty shot dead, the mentioned van Zeijl thereupon laughing had said something, without knowing what it was. The Appearer declaring that of the young cattle that was robbed by van Zeijl from those Hottentots, during their journey hitherwards, because of the hard driving, being unable to follow the herd, the throats were cut on order of van Zeijl and they were thrown beside the road, and also that he, the Appearer, just like his companions, had received nothing for his share, while van Zeijl and his two sons, besides Jan Wieser, had divided the mentioned cattle among themselves as soon as they came home, and the share of Jan Wieser was sent to his mother's place at the Sonquas drift, and that share of van Zeijl was driven by the Appearer and the Hottentot Andries to the place of the burgher Jacobus Louw, living at the Visch water, they being further ordered by van Zeijl to stay with the aforementioned Louw until the aforementioned Adriaan van Zeijl should have arrived there from the Bantam, and also that they would have to help cut the barley and the corn for their food. That they, having brought the cattle to the place of the aforementioned Jacobus Louw at the Visch water, out of fear that van Zeijl upon his arrival or the aforementioned Wieser, according to threats made to shoot dead with a bullet whoever might have made known the manner of their actions, might hold him, the Appearer, and Andries suspect and shoot them dead, they had departed at night from the place of the aforementioned Louw to Stellenbosch to make all this known to the Landdrost, with the request never again to be returned to van Zeijl.

Dutch transcription

makkers dien andere dag morgen door van zeijl weeder gezonden om 't resteerende vee te haalen. Dat de Comp:t met zijne bijhebbende makkers, beneevens van Zeijl en de overige persoonen, dien nacht aldaar verbleeven zynde, des anderen daags 's morgens van daar vertrokken waaren, en hun op weder na huys hebbende voortgezet, als toen aangekomen zijn aan de derde Craal, wanneer de door gem: van Zepjl van die Craal gehuurde hettentotten van hun af anma hun Craal vertrokken waaren, zonder dat de Comp„t weet, te zeggen of die hottentotten iets voor Belooning van van Zeijl gekreegen hebben, als alleenlyk een weinig tabak. Dat de Compt: neevens de voorsz: bij zig hebbende Mak kers hun weg na herwaerds vervolgende, weder aangetroffen hadden, de voorsz: stoffel, Saul en Gerrit, kunnende gem: stoffel, terwijl toen zeek was, niet meer gaan, terwijl gem: Gerrit weeders volkomen hersteld was. Dat gem. van Zeijl ontdekt hebbende, dat door omtrand eenig zee zig besond, aan gem: Paul gevraagd had, op wat plaats die Craalf leedde, daar 't zee van liep, zulks dan ook door Paul aan hem van zeijl was aangeweezen. Dat voorn: van Zeijl daar op in substantie aan Paul geantwoord hebbende, 't is goed dat zij dat neet zij moet morgen met kleine piet Eijlland Gerrit heer groote piet Eijland, piet Namacqua, Ruijter en Gerrit daar na toe gaan en neemen al 't voe van die hottentotten weg, en schieten die hotten„ „lotten altemaal dood want al die hottentotten, die in deeze streek woonend, zyn schelmen, zy zyn den bosjesmans gelijk. Dat gem: Paul daar op aan voorsz: van zeijl gs„ „antwoord hebbende, in substantie, ja baas maer zul dat goed gaan en ik weet niet wat kwaad die hott entotten gedaan hebben, gem: Paul niet teegen„ staande deeze reede echter had moeten gaan, terwyl van zeijl zijn eigen geweer aan Paul meede gegeeven had onder het substantieel zeggen, toe jy luij moet doen, wat ik uw ordonneer, en als zijling dat niet doed dan zal zijluij van 't zelfde verkoomen. Dat de Compt: met de voorsz: hotten tetten hun ingevolge voorm: ordre na die kraal hebbende begeeven, /:terwijl groote Piet Eijland en gem: stoffel bij 't Vee 't welk door voorsz: van Zeijl van de andere kottientotten geroofd, verbleeven was, /en bij hun komst aan die kraalen alle de hottentotten bij hun Vee aangetroffen hadden. Dat wanneer zijl: twee schooten, na gissing met loskruijt, gedaan hedden, de voorsz: daar onthou„ „dende bestenlatten hun van den andere verstrooijd hedden. Dat zijl: ten einde voorsz: van Zeijl te voldoen, slegts eenige beesten uit den troup gezaagd, en meede genooment, doch dat wanneer zijn een end weegs van de kraal gevorderd waaren, eenige van dezelve hat„ tentottinne en kinderen hem Compt. en de overige al huijlende agtervolgd en om't van hun gehoofde vee gesmeekt hadden, als wanneer de Compt: en hunne makkers aan die hottenkotten al't door hun geroofde zee te rug gegeeven hadden, en slechts vijftien stuks gehouden, omdat zij be vreesd waaren, indien zij niets mogten meede neemen, als dan hun lleven te zullen moeten verliezen, zonder dat zijl: rets hebben durven dat zeggen zeggen van 't voorgevallene, als alleenlijk op de affvraage van voorsz: van Zeijl, waarom zijl: niet aan zijne ordre hadden voldaan, met alle de beesten meede te brengen, zijl: hadden geantwoord, dat die hottentotten hun nooyt eenig kwaad hadden gedaan, terwijl gem: van zeijl hun zoo wel toen als naderhand dikwils geknord en gescholden had. Betuigende de Compt. dat wanneer hij met de andere hottentotten aan de overzijde der rivier, alwaar van zeijl op de hottentotten geschooten had, hun hadden moeten begeeven om het die te haalen, zijl: als toen veele hottenkotten dood gezonden en noch veele gequetsten hadden gezien, terwijl een hotten„ tottin met groote piet Eijland gesprooken had, zonder dat de Comp t weet, dat zij eigentlijk gezegd heeft, termits hij Comp:te daar geen agt op geslaagen had. Betuigende de Comp:t verder dat wanneer hij met de andere Pottentotten dan over de risier bij van zeijl te rug kwam, gem: groote piet Eijland aan hem van zeijl had gezegd, baas! daar ks. rijkelijk dood geschooten, gem: van Zeijl, gem:t van zeijl daar oplaggende iets gezegd had, zonder te weeten, waar in zulks heeft bestaan. Verklaarende de Compt: dat van 't Jonge zee, dat door van Zeijl van die chettent ten geroofd is, ge„ duurende hunne reize, na herwaards vermits het „sterk drijken, de troup niet kunnende volgen op ordre van zeijl de hals afgesneeden en bezijden de weg gesmeeten zijn, als meede, dat hij Comp:t zoo min als zyne makkers, niets voor zyn aandeel hadden genooten, terwijl van zeijl en zijne twee zoonen, neevens Jan Wieser, 't gem: stee, zoo draa te huis gekoomen waaren, onder hun verdeeld, in't gedeelte van Jan Wieser, na de plaats van zijn moeder aan de Sonquas drift gezonden is, en dat gedeelte van van zeijl door de Comp:t en de hetten tot Andries gedreeven zijn, na de plaats van den burger Jacobus Louw, woonende aan 't Visch water zynde zigjlieden nog door van zeijl gelast, om bij voorn: zouw te blijven, tot dat voorm: Adriaan van Zeijl. uijt de Bantam, aldaar zoude zijn aangekomen mitsgaders dat zij &: voor de kost zouden moeten helpen de garst en 't koorn afstijden. Dat zij l: het zee gebragt hebbende op de plaats van Voorsz: Jacobus Louw, aan 't Visch water, uit dreeze, dat van zeijl bij zijn komst of voorm: Wieser; volgens gedaane dreigementen, om met een kogel daad te schieten, die hun lieden gepleegde handelwijze mogte hebben bekend gemaakt, hem Compt: en Andries Mogte verdeegt houden, en dood schieten, zylieden zich des nachts van de plaats van voorsz: Louw hadden begeren naar Htellenbosch om aan den Land Drost dit alles bekend te maaken, met verzoek dog nooijt van wederom

NL-HaNA_1.04.02_4336_0157 view scan ↗

English

to be sent again to that side of the Country, but rather wishing to serve here for his keep for life, as well as to be able to make known and maintain, in the presence of the aforesaid van Zeijl, all the evil that he, his sons, and Ian Wieser have done and carried out, for these were wicked Dutchmen. The Appearer further declaring that after the cattle had been stolen from the Kraals situated nearest to the Christians by order of van Zeijl, his sons, and the said Wieser, and they had approached towards here, and having arrived near the place of the burgher Petrus Diemaar, named the harte beesten river, situated at the great river, where a small herd of the stolen cattle went missing in the night, the aforesaid van Zeijl then caused him, Andries, and also a certain Hottentot Jas to be laid down and beaten by the Basterd Hottentots, so that the welts can still be seen from it; subsequently, along with Jan Wieser, each having mounted a horse with a musket, they made him, Andries, and Jas run before the horses as fast as the horses could run to the kraal of the aforesaid Diemaar; and having arrived there, van Zeijl and Wieser dismounted immediately from their horses, and instantly beat the burgher Jan Blom, who held supervision there and who wanted to make known to them that the cattle had been found in the veld by his guards and taken into his custody, as they later testified to having done, in such a manner that that man remained lying on the ground; subsequently they drove the missing cattle out of the kraal and thereafter continued the journey into the Tantam. That the aforesaid van Zeijl, having now told them some time ago that he intended to send up a parcel of cattle, and that when they Hottentots arrived up in the Country and the Landdrost should ask them where he, van Zeijl, or the said Wieser had obtained all that cattle, to say then that that cattle had been properly bartered by them, but above all not to say that he, van Zeijl, his two sons, and the said Wieser had shot the Hottentots dead, and that all of this was merely lies, and if they were to make this known, he, van Zeijl, would shoot them dead just the same, as he intended to do with the others who had already done so. That more than two months ago, without being able to determine the time accurately, by order of the said van Zeijl, with another Bushman Hottentot, they had to drive a large number of cattle towards here, likewise without being able to determine the number, under the supervision of the aforesaid Jan Wieser and one of the sons of van Zeijl, named Andries van Zeijl, and having arrived at the place of the Burgher Pieter Wieser, it was once again said to them by the aforesaid Jan Wieser that he would go with them to the Landdrost, and that when they arrived there, they had to say in his presence that all that might have been reported by the other Hottentots was untruthful, for on the expedition they had done nothing other than barter cattle. The Appearer finally declaring further that whereas his, the Appearer's, wife resides with her children at the Burgher Christiaan van den Heever, a child of his, the Appearer, named Antje, having secretly come to him now and then, the aforesaid van Zeijl had resented this, so that he finally first hanged the same child by the armpits from a tree and, while so hanging, beat her with a sjambok, subsequently hauled her up by the arms backwards and beat her in such a manner that that child no longer had the use of her arms; furthermore he ordered his son Willem van Zeijl to shoot that child dead, as Willem then also wounded that child in the head with two different shots, subsequently pelted her to death with stones, to the profound grief of the Appearer; the Appearer declaring that he was not present there, but heard this from Andries and the other Hottentots, just as the Appearer later had seen the body of his child practically consumed by the carrion birds. Declaring nothing more, the Appearer gives as reasons of knowledge as in the text, being prepared to maintain the same further. below stood: Thus done and passed at the Cape of Good Hope, the 12th of November 1787, before the Gentlemen Carel Mappa and Johannes Smuts, Members from the Honorable Court of Justice of this Government, who, together with the Appearer and me, the sworn Clerk, have duly signed the original of this, of which I bear witness. was signed: B: W: D: Riet, sworn Clerk. Thus done and re-examined at the Cape of Good Hope, the 13 November 1787. lower: this mark below has been set by the Appearer with his own hand. lower: present before me, Was signed: W: W: V: Riet, sworn Clerk. Appeared before us, the Undersigned Commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, the aforesaid Hottentot Ruijter, who, this his preceding declaration having been read aloud to him clearly and distinctly word for word, declared to persist and abide by the same, with the desire that nothing more shall be added to or taken from it, saying that all the foregoing is the pure truth. below stood:

Dutch transcription

wederom aan dien kant van 't Land te mogen worden gezonden, maar liever leevenslang alhier voor de kost te willen dienen, als meede om in praesentie van voorsz: van zeijl te kunnen bekend maken en staande te houden al 't kwaad, 't welk hij zine zoonen en Ian wieser al gedaan en uitgevoerd heeft, want dat deeze kwaade duitschers naaren. Verklaarende de Compt: nog dog na dat ter ordre van van Zeijl zijne zooen, en gemelde Wieser uijt de naast by de Christenen geleegene Klaalen 't wee gerooft was, zylieden na herwaards genaderd waren, en gekomen zynde omtrend de plaats van den burger Petrus Diemaar, de harte beesten rivier genaamd geleegen aan de groote rivier, aldaar een kleine troup det geroefde beesten in den nacht waren vermists voorsz: van Zeijl, als doen hem Andries en noch zeekeren hattentot Jas hadden doen nederleggen, en door de bastaand hotten tatten laten slaan, dat er de Striemen noch van te zien zijn, vervolgens neebns Jan Wieser ieder met een snaphaanste paard gezeeken zijnde, hem Andries en Ias voor de paarden uijt hadden laten loopen, zoo snel als de paerden loopen konden na de klaal van voorschr: Sienaar, en aldaar gekomen zijnde, was van zeijl en wieser direct van hunne paerden gesteegen, en terstond den aldaar de toezicht hebbende burger Jan Blom, die hun wilde bekend maken t't zee in 't veld door zijne wachters aangetroffen te zijn, en by hem in bewaaring, zoo als zij daar na betuigden te hebben genoomen, zoodanig hadden geslagen, dat die man op de aarde was blijven leggen, vervolgens 't vermiste Vee uit de kraal gezaagd en daar na de reize tot in den Tantam voor't gezet. Dat voorsz: van zeijl hun lieden nu voor eenige tid gezegd hebbende van voorneemen te zijn om een perti Vee op te zenden, en dat wanneer zij lieden hottentietten boven in't Land-kwaamen en den Land Drost hun vraagen mogte, waar hy van zeijl off gem: wieder aan sal dat die kwam, als dan te moeten zeggen dat dat vee door hun Lieden mooy was ingehuijld, maar voor al niet te zeggen, dat hy van zeul zyne bijde zoonen en gem: Wieser de hotten potten hadden doadgeschoeten, en dat dit alles maar leugens waaren en zoo zylieden dit bekend mogten maken, zou hij van zeijl hun lieden even zoo daad schieten, als bij voorneemens was, met de andere te doen, die zulks reeds gedaan hadden. dat zijneden voor ruijm twee maanden zonder den tyd accuraat te kunnen bepaalen, ter ordre van gem: van Zeijl met noch een bosjesmans heeften tot een groot aan tal vee zonder meede 't getal te kunnen bepaalen, onder 't opzicht van voorsz: Jan Wieser en een der zoonen van van zeijl met naame Andries van Zeijl naar herwaards hebbende moeten opdrijven en gekomen zynde ter plaatse van den Burger Pieter Wieser door voorsz: Jan Wieser nog eens aan hun Lieden H was gezegd dat hy met hun na den LandeDrost gaan, en dat wanneer zylieden daar kwaemen, in zijn praesentie moesten zeggen, dat al tgeen door de andere hettentotten mogte aangebragt zijn, leugenagtig was, want dat zylieden op de togt niet of gedaan hadden, als vee geruijte. Verklaarende de Compt: eindelijk nog dat vermits zyn Compts. Wijf met haere Kinderen by den Burger Christiaan van den Helver Waanagtig is, verkind dat van Recollement. van hem Compt: met naame Antje nu en dan wel eens heimelijk bij hem gekomen zijnde, zulks voorsz: van zeijl derdrooten hebbende zoo dat bij eendelyk 't zelve kind eerst aan een boom onder de Oxelen opge„ „hangen en zoo hangende geslaagen met een sjambok, vervolgens aan de Armen agterwaards opgedeezen en dusdanig geslaagen, dat dat kind 't gebruik haarer Armen niet meer had, wyders zyn zoon Willem van zeijl geordonneerd om dat kind dood schieten, gelyk Willem dan ook met twee differente ischooten heet kind dat kind aan 't hoofd gequetst vervolgens met steenen dood gesmeeten tot innig leedweezen van de Comp„t, ter: klaarende de Comp:t J: daar niet bij geweest te zijn, maar zulks gehoord te hebben van Andries en de andere hottentotten, gelijk de Comp:t dan nader hand dat lighaam van zijn kind genoegsaam door de cas Vogelen verteerd had gezien. Niets meer verklaarende, geeft den Compt voor reedenen van wetenschap, als in den text, bereid zijnde zulks nader gestand te doen. /:onder stond:/ Aldus gedaan en Gepasseerd aan Cabo de Goede Hoop, den 12:e November 1787. voor de Heeren Carel Mappa en Joh:s Smuts, Leeden uit den E: Achtb: laad van Iustitie dezes Gouvernements, die de minute deezes, beneevens de Comp:t ende mij gesw: Clercq meede behoorlyk hebben onderteekend, bedeger 't welk ik getuige„ /was geteekend/ B WD Kiet gesw: Clercq. Aldus gedaan en gerecolleerd aan Cabo de goede Hoop, den 113 November 1787. /laager/ dit onderstaande merk heeft, de Comp: eigen¬ handig gesteeld / lager/ mij praesent, /Was geteekend. W WV DRiet gesw: Clercq. Compareerde voor ons Ondergeteekende Ge„ committeerdens uijt den E: Achtb: Raad van Justitie deezes Gouvernements den Voorm: holten tot Ruijter, dewelke deeze zijne voorenstaande verklaa„ „ring van woorde tot wierde klaar en duidelijk voor „geleezen weezende, verklaarde dezelve daar bij te blyken persisteeren, met begeerte dat er niets meer bij ofte van gedaan worden zal zeggende, dat val 't voorenstaande de zuivere waarheid is. /:onder stond:/ -

NL-HaNA_1.04.02_4336_0161 view scan ↗

English

Thursday the 7th of February 1788. Present all, except Mr. Christiaan George Maasdorp due to indisposition. The Landdrost of the Colonies Stellenbosch and Drakenstein, Mr. Hendrik Lodewijk Bletterman, in his official capacity Plaintiff in a criminal case on the one side, against The burghers Adriaan van Zijl, Andries van Zijl, and Jan Wieser, defendants in person in the aforementioned case on the other side, to hear such criminal demand and conclusion, or request or requests, as the Officer Plaintiff shall make and take regarding and against the violence committed by them against some Hottentots, to answer thereto and further to proceed according to law. The messenger, entering, reports that the defendant Andries van Zijl has not appeared. The sworn clerk Mr. Ryno van der Riet, appearing on behalf of the Officer Plaintiff, says, while presenting some statements, the following: The Officer Plaintiff, before making any demand, requests by virtue of the 4th Article of the Criminal Ordinance that the defendants may be incarcerated, and consequently ordered to go into closed criminal custody, and in such manner that they be deprived of all correspondence with one another by means of a separate prison, so that when this case is terminated by final judgment by Your Honorable Worships, the sentence to be rendered therein will not be made illusory by the absence of the defendants, since the punishment for such crimes as the defendants have committed cannot be executed upon anyone else, and this because there are available against the defendants more than half proof, indeed vehement and probable suspicion regarding their participation in the acts of violence committed against a large number of Hottentots, as was amply shown from the report exhibited by the Officer Plaintiff in Your Honorable Worships' assembly in the month of November last, and concerning which some more evidence has since been obtained, whereby the submission of the Officer Plaintiff has been most strongly corroborated; and further that the defendants may be ordered to answer such interrogatories as the Officer Plaintiff shall present to each of them separately before the Commissioners deputed from this Honorable Worshipful Council. And on account of the defendant in person and the defaulting Andries van Zijl, the Officer Plaintiff takes the liberty to request of Your Honorable Worships the default, and by virtue thereof according to the Criminal Ordinance, that the Officer Plaintiff may be granted prise de corps or apprehension of the person upon the aforementioned Andries van Zijl, and that for this and the other, the necessary authority may be granted to the Officer Plaintiff, and that if necessary and in all cases the necessary assistance for the apprehension shall be given; or else, in case Your Honorable Worships should unexpectedly not incline to the request, which is nevertheless made on the basis of the laws, that then the default and a second summons in person by letter under the Council's seal may be granted to the Officer Plaintiff against four months from today, upon penalty of corporal apprehension. The defendants in person request a copy of all the documents, in order to be able to answer thereto. The Officer Plaintiff maintains that no copies can be granted to the defendants in person, since the trial has been instituted extra-ordinarily, so that the request cannot be taken into consideration. The defendants persist with their request. The Council grants the Officer his request made with respect to the defendants Adriaan van Zijl, Petrus van Zijl, and Jan Wieser, and the same shall therefore be incarcerated in closed custody without access and correspondence, and orders the defendants in person to answer such articles as shall be presented to each of them separately by the Officer Plaintiff before the Commissioners of this Court; further, regarding Andries van Zijl, grants the Officer Plaintiff the default and a 2nd citation by letter against four months from today upon penalty of corporal apprehension. There appeared before the undersigned Commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, in the person of Adriaan van Zijl, who has given such answers to the adjacent interrogatories as are noted beside each of the same. Articles drawn up and submitted to the Commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, by and on behalf of the undersigned Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewijk Bletterman, in order that the former Field Cornet Adriaan van Zijl be heard and interrogated thereon at his official requisition. At Cape of Good Hope, the day and year as above. Lower: In my presence, signed: C. V. Aerssen, Secretary. Underneath was written: Agreed. Was signed: R. J. van der Riet, sworn clerk.

Dutch transcription

L: N: Den Land-Droot der Colonien den bode binnen treedende, rapporteerd, dat de gede Andries Stellenbosch en Drakenstijn de Heer„ van zeijl, niet is gecompareerd. Hendrik Lodewijk Bletterman rat: off: den gesw: Clercq Ss: Rijno Eisscher in cas caimineel ter eenre. van der Riet, voor de E: P: Eussr Compareerende, zigt, onder exhibitie van eenige Verklaaringen, 't volgende. De Burgers Adriaan van Zijl, Andries van Zijl en Jan Wieser Den R: O: Eisscher, alvorens eenige Ged: en persoon, in 't voorn: cas ter an„ Eisch te doen, verzoekt uit kragte van 't 4:o Art:e der Crimineele „dere zijde, omme te aanhooren zodanigen Crimineelen Eijsch en Conclusie, den Ordonnantie, dat de Ged:s mogen wel versoek ofte versoeken, als den r: O: worden Geincercereerd, en mits¬ Eisscher op ende Jeegens 't door hun L: dien geordonneerd te gaan in cri¬ den sommige Boftentotten gepleegd „mineele besloote hegtenisse, en wel indiervoegen, dat zij L: door geweld, zal komen te doen en te neemen, eene Aparte gevangenis alle daar op te antwoorden en voorts te pro¬ conrespondentie met den andere cedeeren als na rechten. werden benoomen, op dat wanneer deeze zaak bij uitterlijk gewijsde door uwelEd: Agtb: zal zyn getermineerd de daar in te vallene sentientie niet worden gemaakt illuseur door de Absentie van de ged:e vermits de straffe die diergelyke misdaaden, als de ged:e hebben bedreeven, aan niemand anders kunnen worden geexe„ cuteerd, ende zulks, dewijl er teegens de geds: voor handen zijn meer¬ dan halve preuve, Ja velemente en probabile suspicie weegens verreg aan de geweldenarijen aan een groot aantal hottentotten ge„ „pleegd, zoo als uit 't vvertrag door de R: d: Eisscher in de maand Horem„ „ber laatstleeden, in UwelEd Achtb: vergadering geExhibeerd breed„ „vaerig is betaagd, en waaromtrend zeederd nog eenige bewijzen zijn ingewonnen, waar meede 't geposeerde van den Z: O: Eisscher nogten sterksten is geconoboreerd, en voorts dat de Geds: mogen worden geordonneerd te antwoorden op zoodanige draagartieulen, als hun doen de E: O: Eisscher een ieder in 't bezonder voor Heeren Donderdag den 7=e Februarij 1788. praesentibus Omnibus, dempto den Heer, Christiaan George Maasdorp bij indispositie. Gecommitt:s: a Gecommitteerdens uit deezen Ed: Achtb: Raade zullen worden voorgehouden. en van weegens den ged e in persoon en de decail„ „lant Andries van Zeyl, neemd den H: O: Eisscher de vrijheid Uwel Edele Achtb: te verzoeken de fault en uit krachte van dien volgens de Crimineele or„ donnantie, dat aan de r: O: fisscher mag worden verleend price de Corps of aantastang van den Lyde op voorm: Andries van Zijl, en dat van dit een en ander, de nodige qualificatie aan den r: d: Eisscher mag worden verleend, en dat des noods en in allen ge„ „vallen de nodige adjude tot 't apprehendeeren zal worden gedaan, dan wel, in dien UwelEd: Achtb: onder„ hoopt tot 't verzoek, die echter op grond der Watten is gedaan, niet mogte inclineeren, dat als dan aan den E: O: Eisscher mag worden verleend de fault en een tweede dagraanding in persoon p. r missive onder raads segul, teegen heeden over vier maanden, op poëne van apprehensie corporeel. de ged:e in persoon versoeken Copije van alle de stukken, ten einde daar op te mogen antwoorden. Compareerde door de onder„ den r: O: Eisscher sustineerd, dat aan de ged:e in got: Gecommitt:st uit den E: Achtb: Raad van Justitie persoon geene copiaas kunnen worden verleend, dezes Gouvernements, ten persoon van Adriaan van Zeijl, dewelke vermits 't proces extra ordinair is belegt der op nevens staande vraagarti„ „zaekt dat 't verzoek in geen aanmerking komen culen, zodanige antwoorden ge„ „geeven heeft, als bezijden, een mogt. yder derzelver staat aange¬ de ged. s persisteeren bij hun versoek. teekend. — De Raad accordeerd den Officier zyn„ verzoek, ten aspecte van de gede. Adriaan van Zijl¬ Articulen gedaan maken en aan Heeren Gecommitts: uit den E: Achtb Raad Aan Justitie dezes Gouvernementss overgegeeven, door ende van weegens dens ondergeteekenden Land Drost Van Stellenbosch en Draakensteijn, en Dirk Lodewijk Bletterman omme daar op ter zyner requisitie R:O: gehoord en ondervraagd te worden den geweezen Aldwagtmeester Adriaan van Zeijl zullende desselfs /:onder stond:/ Aan Cabo de goede Hoop, die et anno ut supra /lager/ my preessent / geteekend/ C: V: Aerssen Secxt.s /: onder stond:/ Accordeerd. /was geteekend:/ RJ D Kiet. gesw: Clercq. Petrus van Zeijl, en Jan Wiesea gedaan, zullende dezelve over zulks geincorcereerd werden, in besloote hegtenis buiten acces en correspondentie, en ordon„ „neerd de ged:e in persoon om te antwoorden op zoo„ danigie Articulen, als hun door den E: O: Eisscher een ijder in 't bizonder voor Heeren Gecommitteerdens deezer Vierschaar zullen worden voorgehouden, wijder ten belange van Andries van Zeijl, verleend den r: O: Eisscher de fault en een 2e: Citatie per missive teegens heeden over vier maanden op peene van apprehensie Corporaal. — e Les O: Petrus. te

NL-HaNA_1.04.02_4336_0163 view scan ↗

English

The defendant in person, his name, age, birthplace and occupation. Says Adriaan van Zyl, aged 54 years, native of this corner, and former field sergeant. Where the defendant in person is residing, and how he currently makes his living. Says he lived at his farm located in the Bantam, and had lived from the breeding of livestock. Article 1. The answers to be given must be recorded beside each article. Whether he, the defendant in person, was appointed by the Burgher War Council of Stellenbosch as Field Sergeant over the district of the Bantam, and at the Doorn River. Says yes, to have been in the Bantam. 2. Whether he, the defendant in person, in his aforesaid capacity, in the month of July 1785 ordered the inhabitants of his district to send him a cart and horses in order to fetch powder and lead from the Cape, to be used for the commandos against the upper Bushmen. Says yes, but nothing came of it except guns without powder or lead. 3. Whether he, the defendant in person, then also went to the Cape with the same cart and horses in the month of August following. Says yes. 4. Whether he, the defendant in person, then also fetched the powder and lead with the same cart and horses, or for what purpose he, the defendant, used the said cart and horses. Says that he took 12 guns and a little powder and lead, says he now did not take any powder and lead into the countryside. 5. Whether he, the defendant in person, complied with that order. Article 7. Whether he, the defendant in person, subsequently, upon his repeated request made in that regard, was discharged from that post on 6 June 1786. Says yes. 8. To show and read to the defendant in person the letter sent by him to the Right Honorable and High-Ranking Lord Governor via the Burgher Barend Frederik Lubbe, dated 1786, and then to ask him, the defendant, what answer he, the defendant in person, received to that letter. Says yes, that he sent that letter to the Right Honorable and High-Ranking Lord Governor, and that aforesaid Lubbe brought back an answer from the said Lord Governor, from which he, the said person, could not perceive that it was granted, was, and also not that it had been forbidden. Whether the said Lubbe, upon his return from the Cape, brought to him, the defendant in person, a soldier and a small chest with beads and knives, bought by him, the defendant, from the burgher merchant Stadler. Says yes. Whether the same Lubbe then, in the presence of the burgher Pieter van Zijl and the wife of the burgher David Fredrik Strous, made known to him, the defendant in person, that the said Lord Governor did not wish to grant his, the defendant's, request to go elephant hunting. Says no, the man did not say that, and further as in the previous article. 11. Says yes.

Dutch transcription

in de Bantam geweest te zijn. zegt Adriaan van Zyl, dud zegt op zijn plaats geteegen in den Bantam gewoond en van 't aanteel van vee te zegt Ja. maar daar is niets van gekomen, als geweeren zonder Kruit of loots. zegt Ja: zegt dat hij 12 geweeren en een zegt, dat hij er zoo groot zegt neen, dat heeft den man met gezegt en voorts als op 't aaorig als op 't Haorig Articul. zegt sa. is geworden. was, en ook niet dat 't verbieden gezonden heeft aan den welEdelen des ged:e in perzoon zijn naam ou„ 54. Jaaren van deszen uithoek der dom, geboorte plaats en qualiteit. geboortig en oud veldwagtm:r naar hy Gede: in persoon wonagtig is, en maar meede zich thans komt te erneeren. off hij ged. e in persoon door den Bur„ Iger Krijgs raad van Stellenbosch is aangesteld tot Veld- op den Nachtmeester over 't district dan Bantam, en aan de doorn rivier: of hij Gede in persoon in zyn voorsz: Qualiteit in de maand July 1785 de Ingezeetenen van zijn district heeft geordonneerd, kar en paerden aan hem te laten toekomen om daar meede kruit en Loot van de Caab afte haalen, tot de Commandoos op de bovende boszen „mans te emploijeeren? of zij ged:te in persoon dan ook met dezelve kan en paerden in de maand Augustus daar aan, aan de Caab is geweest of tin ged:e in persoon dan ook met en loot heeft afgehaald, dan wel tot welken einde hy gede dezelve kar en paerden heeft geëemploieerd. weinig kruid en loot heeft genomen, dezelve kar en paerden het kruit naar buiten zegt thans geen kruijd en lood mede genomen te dogt Ja. hebben geleefd. Art: I. te geevene antwoorden bezyden ieder articul moeten worden be„ kend gesteld. Heer Gouverneur terug gebragt zegt za. dat hij die brieff Gestr. Heese Gouverneur, en dat hebbende, waaruit hij gem: niet den ged:e in persoon te vertoonen en voor te leezen den brieff door voorsz: Lubbe, antwoord van welgem: hem aan den WelEdelen gestrengen Heere Gouverneur met den Burger 1786. en hem gede gedateerd als dan af te vraagen, welk ant¬ woord hy gede in persoon op dien brieff heeft ontfangen? off gem: Lubbe by zyn te rug komst van de Caab aan hem gedaagden in persoon heeft gebragt een sal„ daat en kistje met toraalen en messen, door hem Ged. e van den burger negotiant Stadler gekogt kon bemerken, dat 't geaccordeerd Barend Frederik Lubbe gezonden, of dezelve Lubbe als toen in praesentie van den burger Part van Zijl, en de Huisvrouw van den Burger David Fredrik Strous aan hem gede in persoon heeft bee¬ kind gemaakt, dat welgem: Heere Gouverneur, zijn gedt verzoek om op de Olephanten Jagt te gaan, niet heeft willen toestaan. 11. off hij geed:e in persoon aan die ordre heeft voldaan off hij ged„e in persoon vervolgens op zijn deswegens herhaald gedaan versoek den 6 Junij 1786. van dien post is ontslaagen. Artl 7. off 2. 3 4. 5. verwaad niet kon in vinden, en 8. zegt Ja. hebben.

NL-HaNA_1.04.02_4336_0164 view scan ↗

English

Article 15. says yes, that happened previously. says Yes, at the great river, and says that this region is called Anniquas, being the Bastard Hottentots who migrate thither from time to time. says Yes, and whereto those Hottentots showed themselves immediately willing. says that he, deponent, had not hired the Hottentots. says that there is no Namaqualand there, but that he did cross the great river, and that he saw that more people went on that journey, and because his children were growing up, he wished to go seek a place for his children in that direction. says further that he had also gone to discover one or another rarity, and to bring such as a present to the Right Honourable Lord Governor. says no, that is not so, but when he, deponent, with his party had hunted for the cattle of Paul Karsten, they had lost the trail across a hard tract of ground, for which reason Paul Karsten had departed from them, and he, deponent, had then continued his journey to go shoot elephants, the deponent saying that the Hottentots who had been along already knew upon their departure from home that the project was to go shoot elephants, and furthermore as the question dictates. Whether he, defendant in person, in the month of July thereafter, with his two sons, Petrus and Andries van Zijl, together with the burgher Jan Wieser, set out on the journey to the Namaqualand and subsequently across the great river, and took along two wagons laden with various goods. Says no, that is untrue, but those Hottentots related to him, deponent, how matters lay in the field, and he, deponent, had then already asked those Hottentots upon departure from home to go along on that journey. Whether he, defendant in person, provided the Hottentots Piet Eijland, Little Piet Eiland, Piet Namaqua, Andries Ruijter and Jas, together with the Bastard Hottentots Paul, Gerrit Stoffel and Gerrit Beer, partly with flintlocks and ordered them to pursue the Bushmen together with him and his two sons, besides the aforementioned Wieser, who had for a large part robbed the cattle of the burgher Paul Karsten. 12. 14. Whether he, defendant in person, having arrived in the Namaqualand, hired some pack oxen from the Hottentots there and laden the same with some provisions and a quantity of beads and knives. 18. Whether he, defendant in person, with his two sons and the mentioned Jan Wieser. Whether he, defendant in person, having continued the journey with the aforementioned persons along the great river for about a month and a half, aforementioned Gerrit said that he was ill, and that Paul and Stoffel would remain with him to take him home. Whether the Hottentots refused to continue the journey further with him, defendant, and whether the Hottentot Piet Eijland in particular refused to do so, because his cattle and those of his people were thereby exposed to the Bushmen Hottentots in the Bantam, he, defendant in person, nevertheless compelled them thereto by threats. Whether he, defendant in person, did not then say to the Hottentots that it was not necessary to pursue the Bushmen, but that his intention was to shoot elephants in order to deliver the tusks thereof to the Honourable Company, and that he would then give a share thereof to each of them. Article 15. the 13. but 17. 16.

Dutch transcription

Art: 15. zegt za. dat is voorheen geschied. zegt Ja: aan de groote rivier„ en zegt dat die streek zich noemd anniquas, zynde de bas, „taard hottenletten, die daar van tijd tot tijd naar toe trekken. zeijt Ja en waar toe die hottentetten hun direct gewillig hebben getoond. zegt, dat hij Gesz: de hot„ tentatten niet gehuurd had zegt, dat daar geen namacqua Land en is, maar wel over de groote rivier gegaan te zijn, en dat hij zag dat er meer menschen op die togt gingen, en om dat zijn kinderen groot wierden voor zijn kinderen die kant heen een plaats te hebben willen gaan zaeken. zegt vader, dat hij ook was gegaan om 't een of ander ranteit op te speuren, en zulks tot een praesent aan den Wel Ed: gestrt Heer Gouverneur te brengen. zegt heen zoo is 't niet, maar tien hy getz: met zyn geselschap op de beesten van Saul Karsten Jagt gemaakt hadden, waaren zij over een harde streek gronds 't spoor mis geraakt, waarom Paul Korsten, van hun gegaan was, en had hy getr: theen zyn reis vervolgt om oliphantien te of hij Ged:e in persoon in de maand gaan schieten, zeggende de getre: Julij daar aan, met zijne beide dat de meede geweest zijnde hottenlatten bij hun vertrek van huijs„ Zoonen, Petrus en Andries van en voorts als de vraag dicteerd, Zijl mitsgaders den Burger Jan Wieser reeds geweeten hadden, dat 't project was, om oliphanten te gaan schieten. zig op de reize na 't namacqua Landen vervolgens over de groote rivier heeft begeeren en mede genoomen, twee met diverse goederen beladene waagens. Legt neen, dat is onwaar, maar die kottentotten hebben hem ges: ver„ of hij ged:e in persoon den hottento 't haald hoe dat 't in't veld geleegen was, en had hij Gesr: toen die hetten„ piet Eijland, kleine piet Eiland, piet Mamacqua, Andries Ruijter totten bij 't vertrek van huis reeds gevraagd, om die reis meede te doen, en Jas, mitsgaders de Bastaard„ hottentotten paul, Gerrit Stoffel en Gerrit Beer gedeeltelijk met Snaephaanen heeft voorzien en ge„ Ordonneerd om met hem en zyne beide zoonen, beneevens voormt Wieser de bosjesmans te agtervolgen, dewelke voor een groot gedeelte het Voe van den Burger paul Karsten geroofd hadden. 12. 14. of hy ged=e in persoon in 't Namacqua Land gekomen zynde, eenige draag. ossen van de holtentotten aldaar heeft gehuurd en dezelve met eenige provisie en een partij Coraalen en messen heeft telaaden. 18. of hy Gede. in persoon met zyne Eeede Zoonen en gem: Jan Wieter of hij ged:e in persoon de reize met de doorm: persoonen voortgezet hebbende langs de groote rivier omtrend een maand en een halff voorm: Gerrit heeft gezegt ziek te zijn, en dat Saul en stoffel by hem blijven zoude, om hem naar huis te brengen. of de hotten totten geweigerd hebben de reize verder met hem ged=e zoort. te zetten en of den hotten tot piet Eijland in 't bezonden zulks heeft ge„ „weegerd, terwijl zijn en der zijnen wee daar door voor de bosjes mans hottenlotten in den Bantam schoot gesteld wierden hy ged:e in persoon, hun door dreigementen egter daar toe heeft genoodzaakt. off hyj ged:e en persoon als toen niet ' aan de bottentotten heeft gezegt, niet nodig te zyn de bosjesmans te agter„ volgen, maar zin intentie te zijn, om Oliphanten te schieten ten einde de tanden daar van aan d' E. Compe: te leeveren, en aan ieder hunner als dan daar van een portie te zullen geeven Art: 15 de 13. maar 17. 16.

NL-HaNA_1.04.02_4336_0165 view scan ↗

English

this side took the cattle from those Nincquinqua, who on Says, Yes. Says that when he, the questioned, with his entourage, had approached that kraal, those Nunequinqua had Says, No! that such is untrue, Says that they had all shot with live ammunition. Says, Yes. But that they by a kraal to go to a certain nation, the Nunequinqua, to fetch back their cattle that was stolen from them by the Ninequinqua, and was he, the deponent, pressured enough to go along, as he, the deponent, coming out of fear, went along with those who were ready, named the Kaalkoppen. Says, Yes. Says that he, the questioned, with his entourage had already crossed the great river, and had then gone back through that river to this side, to take the cattle they had robbed from those Kaalkoppen driven that cattle onto an island whether from the aforesaid kraal a multitude of both large and small Hottentots came forth, and whether he, the deponent, in person or anyone of his, those Hottentots Says that most shots all fell much too short, and he, the questioned, had not shot continuously, although that shooting started at 9 o'clock in the morning. Saying further that they then whether the aforementioned Piet Eyland and his companions also then shot over the aforementioned Hottentots and whether he, the defendant, in person and his both aforementioned sons, alongside the mentioned Jan Wieser, as well as Piet Eyland and his fellow Hottentots and did not need to incite Piet Eiland, because the Hottentot himself was embittered, because that nation had robbed cattle from him, Piet Eiland himself. Says further that he, the questioned, not necessary whether he, the defendant, in person then discovered on the other side of the aforementioned stream a kraal of the Corinqua or Nunquinqua Hottentots. whether he, the defendant, in person having traveled further for some, and indeed by estimation fifteen shifts, had arrived in the morning around 1 o'clock on this side of a stream at the great river, named the Geele Rivier. Article 19. whether he, the defendant, in person shot hippopotamuses during the journey. having crossed the great river, from the third kraal of the Hottentots, hired the Hottentots to the number of 40 and took them with him and then went around above the river, where the river bends, while those Nuncquinqua had then scolded them in an extreme manner, without a single word having been spoken by him, the questioned, or anyone of his entourage. Article 23. whether he, the defendant, in person directly thereupon having dismounted from the horse alongside his sons and the aforementioned Jan Wieser, he, the defendant, in person with his both sons, shot with bullets among the same Hottentots. whether the aforementioned Jan Wieser, after the third shot was fired at the same Hottentots by him, the defendant, in person and his both sons, also shot with live ammunition among those Hottentots. whether he, the defendant, in person, noticing that Piet Eiland and his companions did not fire into the Hottentots, went behind them with cocked hammer, and substantially added to them, with respect: damned lot, why do you not shoot, do you not see that I shoot, and if you do not shoot, then you will get the same sauce. or whether the same addressed him or his people. or a bastards 20. 21. 22. and 26. 25. 24.

Dutch transcription

deeze zijde zijn 't Zee aftie¬ om die nincquinqua, die aan Legt Ja. zegt dat toen hy gesz: met zijn gevolg, die kraal genaderd wass, hadden die nun equinqua zegt neen! dat zulks onwaar is, zegt dat zij alle met scherp geschooten hadden. zegt, Ja. Maar dat zij by een kraal om naar zeekere natie, de nune, „quinqua te gaan, om hun zee te rug te haalen, dat door de ninequinqua van hun gestoolen was, en was hij getr: genoegsaam geprest om meede te gaan, zoo als hij getr: dan uit komen zijnde, die klaarwaren, genaamd de Kaalkoppen ge„ threes meede gegaan is. zegt Ja: zegt, dat hij Gesr: met zijn gevolg reeds over de groote riefier getrokken was, en toen wedert door die rievier aan deeze zijde gegaan waaren, „neemen, dat zij van die kaal„ „koppen geroofd hadden dat Zee op een Eijland gejaagd of uit de voorsz: kraal een me¬ nigte zoo groot als kleine hottentot, ten, ten voorschijn zijn gekomen, en of hij Getr: in persoon ofte iemand ter zynen die nottentotten zegt, dat de Meeste Schaoten alle veel te kort varen, en had hij gesz: niet al door geschooten hoewel dat Schieten 's morgens ten 9 Uuren begonnen is. zeggende verder, dat zij dan of voorm: Piet Eylanden zijne makkers als toen ook over de voorm: hottentetten heen heeft geschooken en of hij Gede: in persoon en zyn beide Horm: rZoonen, neevens gemelde Jan Wieser, mitsg:s Piet Eijland en desselfs meede hottentatten en had piet Eiland aantezetten, ver„ mits den hettentot zelvs verbit„ teid was, om dat die natie Aan hem Piet Eijland zelvs zee voor hem geraafd had. slegt verder dat hij gesz: niet nodig off hij Gedt: in persoon als toen aan de overzide van de voorm: spruijt heeft ontdekt een kraal van de Co„ rinqua of nunquinqua hottentathien. off hij ged: in persoon nog eenige en wel na gissing vijfftien schoften werden geweest zynde, des morgens circa 1 uuren gekomen was aan deeze zijde van een spruijt aan de groote rivier, de geele rietker genaamd. Art: 19. off hij ged:e in persoon geduurende de Reijse zeekoeijen heeft geschoeten. de groote rievier gepasseerd zynde uit de derde kraal der hollentots, de hottentetten ten getalle van 440 heeft gehuurd en met zig meede genomen en toen boven de rivier omge„ „gaan, daar de rivier met een bogt omloopt, terwijl, die nuncquinqua als toen hun uitgescholden hadden op een verregaande, zonder dat er door hem: gesr: of iemand van zijn gevolg een enkeld woord gesprooken was. Artt: 23. e of hij gede: in persoon direct daar op Meevens zyne zoenen en voorm: Jan wieser van 't paard gesteegen zijnde, hij gede in persoon met zijn beide zoonen, ondeer dezelve kottentotten met koogels heeft geschooten. of voorm: Jan Vlieser, nadat door hem ged:e in persoon en zijne beide zoonen, op dezelve hottentotten, de derde schoot was gedaan, meede met scherp d' onder die hottentotten heeft geschooten. of hij Gede: in persoon gewaar wordende, dat Siet Eiland en zyne makkers niet op de hottentotten inschooten, zich agter dezelve met gespanden haar heeft be„ „geeven, en dezelve substantieelijk toege„ „voegd /: S: V:/ verdoemde goed, waarom schiet Jijluij, niet, siet zijlunij niet, dat ik schiet, en als zyluij niet Schiet, dan zal zijluij Aan dezelfde zop krijgen. ofte dezelve hem ofte de zijnen heeft Aangesprooken. 2 ofte een bastaards 20. 21. 22. en 26. 25. 24.

NL-HaNA_1.04.02_4336_0166 view scan ↗

English

states further that he, deponent, never states no! states no, that I have never said. bastards, all had then continuously in the afternoon fired at the aforementioned Hottentots. that he, the deponent, with his company had fired at most 48 shots. Article 27. whether he, the defendant in person, thereupon ordered the said Piet Eijland and some of the other hired Hottentots and bastards to proceed to the kraal of the aforementioned Hottentots and to bring the cattle of the Hottentots across the river to this side. to hold off, saying also that they had crossed over, but how much the aforementioned had fired, one shot, then another couple of shots, in order to drive those Numequinqua away from those Kaalkoppen, and furthermore that Piet Eijland and some others had crossed over, and furthermore that what they had brought with them, he did not know. states no. That the cattle came across of their own accord, and that he, the deponent, gave no order to bring the cattle to him. Article 28. whether the said Piet Eijland and the Hottentots sent by him, the defendant in person, to the other side of the aforementioned spruit, brought from there to him, the defendant, 262 head of cattle, both large and small. states no! Article 29. whether the same Piet Eijland, then or thereafter, made known to him, the defendant in person, that several of the Hottentots from whom they had taken the cattle by his, the defendant's, order, had been shot dead, and even two Hottentot women had jumped into the water out of fear and drowned. states no, and that he, the deponent, had still asked whether any Hottentots were dead, but Piet Eijland had replied no; first Ruijter had said that he had heard from a Hottentot woman that one Hottentot had been wounded. Article 30. whether he, the defendant in person, in substance answered thereto: it is just as good to me as if I pull a leaf from a tree, and those gentlemen do not even ask after a Hottentot. states no! Such words were not spoken. Article 31. whether he, the defendant in person, together with his two sons and the aforementioned Jan Wieser, on the following day, with the hired Hottentots that he had with him, set out on the return journey and took along the stolen cattle. states that they had undertaken their journey back, and that he, the deponent, and the others took no more with them than what those Kaalkoppen had given them, amounting by estimation to quite 40 head of cattle each, which he and Wieser had received. Article 32. what reasons he, the defendant in person, his aforementioned two sons, and Jan Wieser had to attack violently the aforementioned Numequinqua or Corinqua Hottentots on the other side of the Geel River in such a manner and partly to deprive them of life. states as before that the Kaalkoppen had requested, yes even pressed them to do so, and that he had further learned from the Kaalkoppen that the Numequinqua receive the cattle that the Bushmen constantly steal from the Christians, and thus divide it among themselves, just as he, the deponent, had himself seen among those cattle some that clearly bore the mark of the Christians, and not as the Hottentots ordinarily mark their cattle. 33. whether he, the defendant in person, dismissed both the Hottentots hired by him upon arriving at their kraal. states that those Kaalkoppen, during the journey back, gradually stayed behind. Article 34. what he, the defendant in person, gave to the same as a reward. whether this did not merely consist of giving each a string of beads. states that he, the deponent, had indeed bartered some cattle from them for beads and knives, by estimation 80 head. Article 36. whether he, the defendant in person, continuing the journey back along the Great River, arrived at a Hottentot kraal situated nearest to the Christians, and there met the bastard Hottentots Paul, Gerrit, and Stoffel, whom they had left behind. states yes. Article 37. whether he, the defendant in person, then, by the rising dust, presumed that cattle must be located there, and therefore also asked the aforementioned Paul where the kraal was. states no, that those bastard Hottentots, on the journey there, had bartered cattle, which was given by them into the custody of that kraal. Article 38. whether this was pointed out by the aforementioned Paul, and whether he, the defendant in person, did not then substantially say to the said Paul: it is good that you know that; you must tomorrow go there with Little Piet Eijland, Gerrit Beer, Piet Naude, Ruijter, and Gerrit, and shoot all the Hottentots dead, and take the cattle away from them, for all those Hottentots who live in that region are mere rascals. states no! That is untrue. Article 39. whether the aforementioned Paul, to this, substantially said to him, the defendant in person: Yes Baas, that will not go well, for I do not know what evil those Hottentots have done. states no. Article 40. whether he, the defendant in person, compelled the same Paul and the aforementioned Hottentots to proceed to the kraal pointed out by the said Paul, saying: come, you must do what I command, and if you do not do that, then the same will happen to you, for I have brought you so far into the country. states that those bastard Hottentots had said to him that the cattle that had been bartered was stolen by that kraal, since they had heard that those Kaalkoppen were on the march, and that those Hottentots. Article 41. whether the aforementioned Paul and the aforementioned Hottentots then went to the kraal, fired among the Hottentots, and subsequently brought fifteen head of cattle from there to him, the defendant in person. states no.

Dutch transcription

zegt verder, dat hij Getr: geen zegt neen! zegt neen, dat heb ik nooijt bastaards, alle als toen in de na„ middag bij aanhoudenheid op de voorm: hottentotten hebben geschooten. dat hij gesz met zijn gevolg op zijn best 48 schooten gedaan hadden. Art:l 127. of hij ged:e in persoon daar op gem: Piet Eijland en eenige der overige gehuurde hottentetten en basvaards heeft gelast, zich naar de kraal van en 't zeedier hottentotten door de rivier aan deeze zijde te brengen. afte houden, zeggende meede overgegaan, zijn, dog hoeveel de voorm: hottentotten te begeeven een schoot, dan weder een paar geschooten hadden, om die nune „quinqua van die kaalkoppen overgekomen is, en voorts dat Diet Eijland en eenige andere zij meedegebragt hadden, zulks zegt neen. Dat 't zee van zelvs niet te weeten. ordre gegeeven heeft om 't zee by hem te brengen. of de gem: Piet Eijland en de Scherigf door hem ged:e in persoon aan de overzijde van de voorm: Spruijt gezondene hottentotten van daar bij hem Ged:e 262 beesten, zoo groot als klein heeft gebragt. of dezelve Piet Eiland, als toen of daar na aan hem ged:e in persoon heeft bekend gemaakt, dat er ver„ scheede van de hottentotten waar van zijl: 't zeeter zyner gede ordre hebben afgehaald, daadge „schooten waaren, en zelvs twee hettentottinnen uit dreeze in 't water gesprongen en verdronken zegt neen, en dat hij gesr: nog gevraagd had, of er nattenteets daad waaren, dog had Siet Eijland nog geantwoord had, van vernomen had, dat er een hot„ „tentot zoude gequetst zijn. dat hij van een hotten battin meen, eerster had ruijter gezegd, zegt, dat zij hunne reize weder te tug waards genoe„ „men hadden, en dat hij gesz: en de andere niet meer hebben meede genoomen, als dat die kaal, „koppen hun gegeeven hadden, bedragende zulks na gissing ieder wel 40 stuks beesten dat hij en Wieser gekreegen had. 33. of hij ged e in persoon beide door zegt, dat die kaalkoppen hem afgehuurde hotten tetten in 't trekken te riegwaards al of hij ged:e in persoon, neevens zijne beide Zoonen, en Voorm:e Jan wieser daags daar aan, met de bij hem gehad hebbende en afge„ „huurde hottentotten, de ter rug reize heeft aangenomen en 't ge„ „roofde zee meede genoomen. welke redenen hij ged:e in persoon zijne voorsz: beide zoonen en Jan Priesen heeft gehad, om voorsz: mine, „quinqua of Corinqua hottentotten aan de overzijde der geel rivier, dus„ „danig gewoldadig aantevallen en ge„ deeltelijk van 't leeven te beroeren. zegt als vooren, dat de kaal„ „koppen hun daar toe hadden verzogt Ja zelfs gapeetst, en dat hij van de kaalkoppen nog vernomen had, dat de nume„ quinqua, 't zee, dat de bosjes. Mans geduurig van de Christeenen hooren, bij hun ontfangen en zoo onderlung verdeelen, zoo als hij gesz: onder die beesten ook zelve gezien had, die volstrekt 't merk van de Christenen hadden, en niet zoo als de hottentotten ordinair hun zee merken. Art: 30. of hij ged:e in persoon in Substantie daar op geantwoord heeft, 't is voor mij even zoo goed, als of ik een blad van een boom trek, en die Heeren vraagen niet eens na een hottentot. waren. Art: 30. langzamer Kraal 1 28. 29. gezegt. 31. 92. Eijland, Gerrit Beer, Liet Na„ zegt neen! feesten van hun geruijld had door Coraalen en messen na gissing 80 Stúks. zegt Ja: zegt neen, dat die bestaand kottentotten, in't heen reizen, dee hadden geruijkd, dat door hun aan dat Holk in bewaaring is gegeeven. zegt neen! dat is onwaar. zegt, dat die bastaard hotten„ zegt neen zegt neen! zulke woorden zijn er niet gespraaken. gebleeven zijn. lang zamerhand agterwaards Art: 34. Wat hij Gede in persoon aan dezelve tot een beloning heeft gegeeven. of zulks niet slechts heeft be¬ Coraalen te geeven. zegt dat hij gesr: wel eenige staan, met aan ieder een streng 36. of hij ged:e in persoon langs de groote rivier de rug reize voort. „zettende, gekomen is, aan een 't naast bij de Christenen geleegen Bottentots Kraal, en aldaar aange¬ traffen heeft de door hun achter¬ „gelaatene bastaard kottentetten Paul, Gerrit en Stoffel de hij ged e in persoon als toen door 't opgaan de stoff, heeft vermeend, dat aldaar zich zee moest be¬ vinden, en daarom ook aan voorm: Paul gevraagd, waar of de kraal was. off door voorm: Taul zulks aange¬ Weezen is, en of hy Gede: in persoon als toen niet substantieelijk aan gem: Paul heeft gezegt 't is goed dat gij dat weet, gij moet morgen met kleine Piet 38. tetten aan hem gezegd hadden door die Kraat, vermits zij gehoord hadden, dat die Kaal, koppen op reis waren, geroofd of meer gem: Paul ende even„ gem: Kottentotten zich als toen dat 't zee, dat ingeruyld was, na de kraal begeeren, onder de hottentotken geschooten, en vervolgens vijftien stuks beesten van daar bij hem Ged:e in persoon hebben gebragt. of hij ged: in persoon denzelven Sout, en de ervengem: kottentotten met 't zeggen, toe zyluy moet doen, wat ik ordonneer, en als Juluij dat niet doed, dan zal zyluy van het zeilde overkomen want ik heb jy luij zoo verre in 't Land gebragt, heeft genoodzaakt, om na de door denzelven Paul aangeweezene kraal, zig te begeeren. of voorsz: Taul van hem ged:e in persoon, hier op substantieelijk heeft gezegt, Ja Baas, dat zal niet goed gaan, want ik weet niet wat kwaad die hettenlatten gedaan hebben. Macqua, Ruyter en Gerrit daar na tegaan, en schieten alle de Pottentotten daad, en 't zee van dezelve weg neemen, want al die hottentakten, die in die streek woonen zijn maar schelmen. Art: 39. Kraal gekomen zijnde, de gehuurde hottentotten heeft afgedankt. Eijland op 42 37. was, en dat die hettentattien 41. 40.

NL-HaNA_1.04.02_4336_0168 view scan ↗

English

says no! says Yes says no, that Jan Wieser, Andries only gave a running discharge at their bastard Hottentots had not yet shot, the Bastard Hottentots requesting him, the examined party, to be allowed to go to the kraal, as they had already suffered too much damage, to fetch their cattle back, to which the questioned party had agreed, however on the condition that they must not shoot, just as those bastard Hottentots then also went, and brought back their cattle that the kraal had raided. Article 42. Whether he, the defendant in person, was not displeased that the same Hottentots brought so little cattle to him, and therefore asked them why they had not better fulfilled his order to shoot dead all the Hottentots of the kraal and bring all their cattle to them. says that he, the examined party, had learned from other Hottentots that the people of Pieter or aforesaid Kraal and the servant, that they had stolen, and he, the examined party, then sent by the defendant in person to the aforesaid kraal, the Hottentots answered him, the defendant, that they could not have done so, because none of those Hottentots had ever done them any harm. rode, without having tied those Hottentots fast, but let them follow their horses loosely. 144. Whether he, the defendant in person, on his return journey, having arrived near the place of the burgher Petrus Pienaar, called Hartbeest River, on a certain morning missed a portion of the stolen cattle. says that Jan Wieser only gave Blom a few blows in the face here with the flat hand, just as Blom then also struck Wieser back. Whether he, the defendant in person and the mentioned Jan Wieser, directly upon their arrival there without wanting to hear the aforesaid Blom, beat him in such a manner that the man remained lying on the ground. Whether he, the defendant in person, along with the aforesaid Jan Wieser, having then mounted their horses, and made the aforesaid Hottentots Jas and Ruijter run so fast before the horses as the horses ran, to the place of the aforesaid Pienaar where the burgher Jan Blom is stationed as a knecht, with Pieter to Jan Blom. 46. Article 45. Whether he, the examined party, for the missing cattle, had the Hottentots Jas and Ruijter, whom he had left at both wagons before crossing the great river and who had kept watch over the stolen cattle, laid down and beaten in such a manner by the other bastard Hottentots that the welts from it could even be seen recently. says no! morning beaten and had. 1 43. 6 47. 1 1 says no! says Yes had divided. says, Yes. says Yes. says no, but that a certain Wittebooi, some time ago, had said to him, the examined party, that the spreading by those Hottentots that they would have wanted to pursue the questioned party was lies, and that Jan Blom never knew any Hottentots, but that such was a fabrication of his, because he was afraid that he, the examined party, might come to live in that district, because he commits so many roguish acts, and those Hottentots had told him that they longed for him to come to that district, because he, the questioned party, had promised them so. says that he, the examined party, and Wieser, each 80 cattle 51. Whether he, the defendant in person, gave 80 head of that stolen cattle to the aforesaid Jan Wieser. 50. Whether he, the defendant in person, after his arrival home, divided the cattle, and in what manner. Whether he, the defendant, further related that he consented to this, but that those Hottentots who had requested him for assistance had not dared to stand firm against their enemies, he, the defendant, Whether he in person further related to the magistrate that, having arrived at one of those Hottentot nations, he was requested by them to assist them against a roving nation. Whether he, the defendant in person, more than two months after his return, came to the magistrate at Stellenbosch and made known that, having been to the Namaqua Land, he had only bartered six or eight oxen there for himself. and divided the rest among himself and his sons. Article 52. Whether he, the examined party in person, during the return journey to the Bantam, had the throats cut of the young cattle that could not follow the herd and left them lying along the road. says no, that is a matter that speaks for itself, that if a cow gets a calf, that the throat of such a calf, because it cannot follow the herd, is cut, although he, the examined party, did not order such. Whether he, the defendant in person, having subsequently continued the journey and afterwards arrived at his place in the Bantam, learned that the Hottentots from whom he, the defendant in person, his two sons, and the mentioned Jan Wieser had stolen the cattle, had pursued them, but on the advice of the aforesaid Jan Blom, turned back. Article 48. Whether the aforesaid Jan Blom did not then testify that, the aforesaid cattle having been found in the field by his cattle herders, he had taken the same into custody for that long, and subsequently had the missing cattle driven out of the kraal, and and beaten 49. 1 says Yes 55. 52. 53. d

Dutch transcription

zegt neen! Legt Ja„ zegt neen, dat Jan Wieser, Andries allen maar een lopende loezing gegeeven op hun bastaard hotten totten nog geschooten hadden, verzoe„ kende de Bastaardhottentatten hem getr: om na drie kraal te mogen gaan, dewijl zij al te veel schaade reeds hadden geleeden, om hun zee te zug te haalen, waar in de gevr:tan toegestemd had, echter onder die mits, dat zij niet schieten moesten, gelijk die bastaard hottentotten dan ook gegaan zijn, en hun zee, dat die kraal geraafd had, te rug gebragt. Art: 42. of hy gede: in persoon, niet te on¬ heeden is geweest, dat dezelve hottentoften zoo weinig zee by hem hebben gebragt, en dezelve daarom gevraagd, waarom zijl: niet betier aan zijn ordre hadden voldaan met al de hattentatken van de Kraal deed te Schieten, en al hun zee bij hun te brengen. zegt, dat hij getr: vernomen had van andere kottentot„ ten, dat 't dalk van Pieter off voorm: Saal en de door Dienaar, dat die gestaalen hem ged:e in persoon, na de had, en was hij getr: toen Voorsz: Kraal gezondene hetten totten hem ged:e geantwoord gereeden, zonder die hotten, hebben, zulks niet te hebben totten vast gebonden te kunnen doen, om dat geen dier hebben, maar los hunne hatten taetken, hun oogt eenig paerden doer volgen. reed hadden gedaan. 144. of hij Gede: in persoon op zijne zegt, dat Jan Wieser hem Blom met de vlakke hand, te rug reize genaderd zijnde, alhier maar eenige slagen by de plaats van den burger in't gezigt gegeeven heeft, Petrus Sienaar die hartien zoo als Blom dan aok beest en rivier genaamd op zekeren hem Wieser heeft te rug of hij ged: e in persoon en gem: Jan Wieser, direct bij hun komst aldaar zonder voorm: Blom te willen hooren, denzelven zoodanig heeft geslagen, dat die man op de aarde is blijven leggen of hij ged:e in persoon, neevens Voorm: Jan Wieser, daar op te paerd gesteegen zijnde, en de voorm: hottentotten Jas en Ruijter voor de paerden zoo snel heeft liepen, tot aan de plaats van Voorm: Sienaar alwaar den Burger Jan Blom, als krecht bescheiden is. met Nieter na Jan Blom doen loopen, als de paerden 46. morgen een gedeelte van 't ge„ „roofde zee, heeft vermist. ƒ 45. — Art: of hiy gesr: de hottentotten Jasen Ruijter, dewelke hij gesr: voor het passeeren van de groote rivier beijde waagens heeft ge laaten, en dewelke den oppas bi het geroofde zee gehad hebben, om 't vermiste die heeft doen nederleggen en dermaatie door de andere bastaards hottenbotken doen slaan, dat de striemen er zelfs nu onlangs van te zien zijn geweest. zegt neen! morgeen geslagen en had. 1 43. 6 47. 1 1 zegt neen! zegt Ja ten gedeeld hadden. zegt, Ja: zegt Ja. zegt neen, maar dat zekere Witteboon, nog voor enige tyd geleeden, gezegt had aan hem getr: dat st uytstroo„ „pen van die kottentotten, dat zy den gevr: zouden hebben willen vervol¬ „gen, lagentaal was, en op dat Jan Blom, nimmer eenige hotten tetten ge¬ kend heeft, maar zulks een uytstreeijzel van hem was, omdat hij be„ vreest was, dat hij getr: misschien in dat district zoude komen woonen, om dat hy zao e veel schelm stukken pleegt, en had die hettentatten wy gezegt, dat zij verlangden, dat hij in dat district kwam, wil hij geves hun zulks beloofd heed. zegt dat hij get: en Meder, ieder 80 bees„ 51. of hij gede in persoon van dat geroofde Vee, 80 stuks aan voorms: Jan Wieser heeft gegeeven 50. of hij gede: in persoon na zin te huijs komst het dee heeft Verdeeld, en hoedanig. off hij ged:e al verder heeft ver„ haald dat hi zulks ingewikkigd, dog dat die hottentosten, die hem om adsistentie verzogt hadden, niet hadden durven stand houden tegens hunne vijanden, hij ged=e of hij in persoon al verder aan den regt: heeft verhaald, dat hij bij een dier hottendatten natien gekomen zijnde, door dezelve was verzogt om hun te adsisteeren, teegens eene roerende natie. of hij Gede: in persoon ruijm twee maanden na zijn te ruy„ komst bij den reqt. of Stellen bosch is gekomen en bekend gemaakt heeft, dat hij na 't Namacque Land geweest zynde, aldaar slegts zes aagt obden voor zig had operfijld. en de overige onder hem en zijne zoonen verdeeld. Art: 52. of hij getr: in persoon, geduurende zegt neen, dat is een zaak de testug reize, na den Bantam, die van zeeve spreekt, dat 't Jong zee, 't welk de troup niet indien en een koeij een konde volgen, de hals heeft doen Kalf krijgt, dat zoo een afsuijden en aan den weg laten half, om dat het de troup leggen. net volgen kan, de hals word afgesneeden, hoewel hij get: zulks niet gelast heeft. of hy gede in persoon vervolgens de rief deize voortgezet hebbende, en daar na op zijne plaats in den Bantam gekomen zinde, vernomen heeft dat de hottentotten, waar van hij gede in persoon zyne beide zoonen en gem: Jan Wieser 't ree heeft ge¬ roofd huns: waaren agterholfd, dog op aanraading van voorm: Jan Blom, zijn terug gekeerd. Art: 48 of evengem: Jan Blom als toen niet heeft betuigd, dat de voorsz: beesten, door zyne Zee wagters in het teld gevonden zijnde, hy dezelve zoo lange in bewaaring had genoomen. en vervolgens het vermiste vee uit de kraal heeft doen Jaagen, ende en geslaagen /49. 1 zegt Ja 55. 52. 53. d

NL-HaNA_1.04.02_4336_0170 view scan ↗

English

says yes. says no: that the Landdrost asked. says yes. says yes. says that when he, the examinee, came to the Cape, the Governor was injured by the bursting of the cannon, and he then gave the ores to the secretaries of the Honorable Governor. says yes. whether the petitioner did not then say to him in substance, Van Zijl! How did you dare undertake a journey when I believe that the Honorable Governor refused you permission to do so? To which the examinee said that he believed he had done no harm; Van Veen answered, but there has been a complaint made against you, and upon his arrival at the Cape he will hear it from the Governor himself. says, the Landdrost did not [illegible] me so. says no, but as to Article 57. whether the petitioner thereupon said to the defendant that it would be well, in case he, the defendant in person, were to account for himself to the Honorable Governor, provided he recounted everything truthfully to His Right Honorable worship. whether he, the defendant in person, thereupon replied to the petitioner in substance, Yes, Sir! to go shoot elephants, but not to barter for a little cattle! and whether he, the defendant in person, had for that reason also returned. Article 56. whether he, the defendant in person, further showed to the petitioner a kind of whitish-glassy substance and said that he found the said substance or ore among the Curacoose Hottentots, and whether he, the defendant in person, gave a little of it to him. whether he, the defendant in person, in the end of the month of August of the past year learned that the burgher Jan Wieser, along with some of the Hottentots who had been with him, the defendant, on their journey made inland, were summoned to the petitioner. 63. whether the said Jan Wieser, together with his, the defendant's, son Andries, set out on a journey hither for that purpose, and had a herd of cattle driven up by the Hottentots Andries and Ruijter, alongside a certain Bushman Hottentot. whether he, the defendant in person, fulfilled this promise made by him, and presented himself to the well-mentioned Governor, or whether he, the defendant, returned back again to the Bantam. whether he, the defendant in person, did not then again reply to the petitioner in substance, My Lord, I shall do that and bring the ore to the Honorable Lord, and I have indeed shot no elephants, but only bartered six to eight head of cattle for myself. Article 60. says that the cattle were indeed ordered to be driven up by him, the examinee, but that he knows nothing of all those sayings. says no; not to know that they lived with Van der Heeven, but indeed that the child was with him, the examinee. says that that girl came into the kraal one night, and his son Willem had then shot her dead. says no, not to have given orders thereto. Article 64. whether he, the defendant in person, a few days before the cattle were driven up by the aforementioned Hottentots Andries and Ruijter, told the same Andries and Ruijter that when they came upcountry and the Landdrost should ask them where he, the defendant in person, got all the cattle, they were then to say that the cattle had been fairly bartered by him, the defendant, his two sons, and the aforementioned Jan Wieser, but above all not to say that he, the defendant, his two sons, and Jan Wieser had shot the Hottentots dead, for all such things were lies; under the threat that if they, the Hottentots, made such known, he would shoot them dead just as he, the defendant, intended to do with the others who had already done so. 65. whether the child of the Hottentot Ruijter who had been in his, the defendant's, hire, named Antje, alongside her mother, the wife of the aforesaid Ruijter, lived with the burgher Christiaan van den Heever. says I know nothing of that. says not to have seen such, but to have heard of it. 70. whether his aforementioned son Willem subsequently pelted the very same Antje to death with stones. whether his, the defendant's, aforementioned son Willem thereupon also fired two shots with live ammunition at the aforementioned Antje, and she was thereby only wounded in the head. 68. whether he, the defendant in person, therefore subsequently ordered his son Willem van Zijl to just shoot the aforementioned Antje dead. says that he has not seen that child in four years. says no, but that she had indeed come home grown up. says that that child was so naughty that Ruijter, her father, had even wanted to bash her head in. Article 71. whether he, the defendant in person, on that account finally hung the same child Antje by the arms from a tree and subsequently beat her with a sjambok, so that she was thereby unable to use her arms. Article 66. whether the same aforementioned Antje now and then came to her father at his, the defendant's, dwelling place, and whether this vexed him, the defendant.

Dutch transcription

zegt Ja. zegt heen: dat de Land Drost gevraagd. zegt Ja. zegt za: zegt dat hij gevr: aan de Legt Ja. Caab kwam was de Gou„ of den req:t hem daar op niet in verneur geblesseerd door 't Substantie heeft gezegt, van zeijl! op't geen den gesr: zeidde, dat springen van 't Canon, hoe hebt gy duyren een togt doen hij vermeen de geen kwaad ge„ en had hij toen de Ertzen daar ik meen, dat den Edelen Heere daan te hebben, van veen aan de seer:s van den Ed: Gouverneur U zulks heeft geweigerd. Antwoorde maer daar is over Heer Gouverneur gegeeven. Jou geklaagd, en bij zou komst aan de Caas zal hij dat van de Gouverneur zelfs hooren. zegt, zoo der heeft de Land Droot mij niet zegt neen, maar als op Art: 57. of den reqt: tem gedaagde hier op heeft gezegt, dat het wel zou zijn, ingeval hij ged=e in of hij ged: in persoon even in diervoegen substantieelijk den reqt: hier op heeft geantwoord, Ja Mijnsteer! om Oliphanten te gaan schieten, maar niet om een weinig Zee in te tuijlen! of hij Ged: in persoon in het Haatst den maand Augustus des gepasseerden Jaars heeft ter noomen, dat den Burger Jan Wieser nevens eenige der met hem gede op de door hun gedaane zeize land„ waards in geweest zynde het ten¬ totten bij den req:t ontbooden zijn„ 63 of dezelve Jan Wieser met zijn ged:s zoon Andries tot dat beinde, zig ook op reize herwaards hebben begeeren, en een troup of hij Gede in persoon aan deeze zyne gedaane belofte heeft voldaan, en zig bij welgem: Heer Gouverneur heeft vervoegd, dan of hij Ged:e wederom na de Bantam is te rug gekeerd. of hij ged:e in persoon als toen niet den Reqt. wederom substantieelyk heeft gerepliceerd, mijn Heer ik zal dat doen¬ en den Edele Heer 't Ertz brengen, en ik heb immers geen Oliphanten geschooten, maar slegts zes aagt beesten voor mij t geruijld. persoon zig, bij welgem: Heere Gouverneur zou kunnen verant, woorden mits zyn Weledele Gestr. na waarheid alles te verhaalen. in persoon, daarom ook te rug was gekeerd. Art: 56. of hij ged:e in persoon verders aan den reqt: heeft vertoond een soort van Witagtig-glaa¬ zig stofen gezegt, 't zelve stoff off Extz bij de Curacoose hotten, totten gevonden te hebben en of hy ged:e in persoon daar van met een weinig heeft afgegeeven. persoon beesten 57 37 7. 58. 5.9. 9 62. 6:1: Art: 60. „ zegt dat 't zee wel door hem Getr: was doen op„ drijven, maar van al die gezegdens niets te weeten. zegt neen; niet te weeten, dat zijl: by van Dar Heeven genoond hebben, maar wel dat 't kind bij hem gesr: op Aan zegt, dat die meid op een naekt in de kraal gekomen is, en had zin zoon Willem, als toen doodgeschooten. zegt neen, geen last daar toe gegeeven te beesten doen opdrijven door de hottentotten Andries en Ruijter, neevens zeekere Bosjesmans hot„ tentot. Art: 64. of hij Gede en persoon eenige dagen voor dat het tee door voorm: hottentolten Andries en Ruijter, opgedreeven is geworden, aan dezelve Andries en Ruijter heeft gezegt, dat Wanneer zijl boven in 't Land kwaa„ men, en den Land- Drost hun mogte vraagen, waar of hij gede in persoon aan al het tee kwam, als dan te moeten zeggen, dat het dee door hem ged:e zine beide zoonen en voorm: Jan Weeser mooij was ingeruild, maar voor al niet te zeggen, dat hy Ged:e zijne beide zoonen, en Jan wieser, de hottentathen hebben daodgeschooten, want dat zulks alles teugens waaren, onder bedrei„ „ging, dat zoo zi lieden hottentitten zulks bekend maakten, hi humL: even zoo daad zou schieten, als hy Gede Voorneemens was, met de andere, die zulks reeds gedaan hadden, te doen. 65. of 't kind van den bi hem ged:e in huur geweest zijnde hetten tot Ruijter met naame antje neevens haer moeder, 't wijff zegt daar weet ik niets zegt zulks niet gezien maar gehaord, te hebben. 70. of voorm: zin zoon Willem Vervolgens eeven gem: Antje met steenen heeft dood gesmeeten. of zijn ged:s voorm: zoon Willem daar op ook twee schooten met scherp op Voorn: Antje heeft gedaan en zy daar door slegts aan 't hooffd is gequetst geworden. 68. of hij Ged:e in persoon daarom vervolgens zijn zoon Willem van Zijl heeft gelast voorme Antje maar dood te schieten. zegt dat hy dat kind in vier Jaaren niet gezien heeft. zegt heen maar wel gedroot gekomen te zijn. zegt dat dat kind zoo ondeugend was dat Ruyter haar vader haar zelvs de kop had willen of hij ged:e in persoon deswegens eiddelijk 't zelve kind Antje onder de armen aan een boom heeft op„ „gehangen en vervolgens met een Sjambok geslagen, dat het zelve ddaar door hare armen, niet heeft kunnen gebruiken van voorsz: Ruijter by den Burger Christiaan van den Hleever, heeft gewoond. Akt: 66. of dezelve voorm: Antjenuen dan eens by haaren vader op zijn ged:e Woonplaats is gekoomen en hem Ged.e zulks heeft verdroten zijn van Art: 71„ inslaan hebben. 69. 67.

NL-HaNA_1.04.02_4336_0172 view scan ↗

English

Article 71. Whether the corpse of that child was afterwards seen by the Hottentots, almost eaten up by the vultures. Answer: That it was dragged away by his son, as he said before, but that he did hear so. Question: Whether at the shooting and stabbing to death of the aforementioned Antje by his aforementioned son Willem, the Hottentot women Catrijn and Griet were present. Answer: Says no. Question: Whether he, defendant in person, does not understand that by his conduct observed in this matter, both in bartering cattle from the Hottentots, and in violently depriving them of life, he has rendered himself highly punishable. Answer: Says that to his knowledge he did no wrong to those nimble thieves, but imagines to have done well, that he came to the aid of the kaarlkoppen and returned their cattle to them, and further says to have done such with a good intention. Question: What he, defendant in person, knows to bring forward in his defense. Thus questioned and answered at Cabo de Goede Hoop the 9 Febr: 1788. before Messrs. William Ferdinand van Reede van Oudtshoorn and Jan Coenraad Gie, members of the Hon. Court of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof together with the deponent and me, sworn clerk. Which I witness: was signed R: J: van der Riet sworn clerk. Reconfirmation. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Hon. Court of Justice of this Government, the aforesaid former field-sergeant Adriaan van Zeijl, who, having had these his preceding interrogatory articles with his answers given thereto read out word for word, clearly and distinctly, declared to persist thereby, desiring that nothing more shall be added or taken away, saying that all the foregoing is the pure truth. Below was written: Thus done and reconfirmed at Cabo de goede Hoop the 22 Februarij 1788. Was signed: Adriaan van Zijl, lower: In my presence, was signed R: J: van der Riet sworn clerk. In the margin: As commissioners, was signed W F: van Reede van Oudtshoorn, J: C: Gie. Articles drawn up and submitted to Messrs. Commissioners from the Hon. Court of Justice of this Government by and on behalf of the undersigned Land Drost of Stellenbosch and Drakensteijn Hendrik Lodewijk Bletterman, in order that upon his requisition ex officio the burgher Petrus van Zeijl be heard thereon, his answers to be given having to be recorded beside each article. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Hon. Court of Justice of this Government, the burgher Petrus van Zeijl, who answered to the adjacent questions as is recorded beside each. Article 1. Question: The defendant in person's name, age, and place of birth. Answer: Says Petrus van Zeijl, native of this remote corner, burgher on Stellenbosch, doing military duty, sixteen years of age. Article 2. Question: Where he, defendant in person, resides, and how he maintains himself. Answer: Says on his father's farm named Akerendam situated in the Hantam, and that they subsist on what the farm yields. Article 3. Question: When he, defendant in person, knows his father, the former field-sergeant Adriaan van Zeijl, and his defendant's brother Andries van Zeijl, as well as the burgher Jan Wieser, to have traveled from the Hantam to the Namacqua Land. Answer: Says that according to his, deponent's, estimation, it will be two years coming next month that his father went on the journey. Article 4. Question: By whose order and for what reasons that journey was undertaken. Answer: Says that he, deponent, also had to go along by order of his father, and that he, deponent, even said to his father, Father! it will not go well, because Piet Eijland, the Hottentot, will bring us into trouble, just as he brought Engelbrecht into trouble, but his father had said, nothing will come of that, and why should he bring us into trouble, we are good friends after all, so the deponent also had to go along by order of his father, saying further that their intention was to travel through the Little Namaqua nation to the Caffers, and then to barter some cattle from the Caffers.

Dutch transcription

Dat 't door zin zoon is doen wegsleepen, zoo als zegt als vooren maar wel hij gehoord heeft. zegt neen, zegt, mag die gaaw dieven niet te weeten, daar kwaad aangedaan te hebben, maar zig te verbeelden welgedaan te hebben, dat hij de kaarl„ „koppen te hulp gekomen is, en hun hun Wee weer bezorgt. dan alses hoeren, en voorts zegt met een goede intentie zulks gedaan te hebben. Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de Goede Hoop den 9 Febr: 1788. voor de Heeren William Ferdinand van Reede van Oudtshoorn, en Jan Coenraad Gie, Leeden uit den E: Achtb: Raad van Justitie voorm: die de minute dezer Wat hij ged:e en persoon tot zyn Verschooning weet by te brengen. of hij gede in persoon niet be„ „gript door zijn in dezen gehou„ den gedrag, zoo met het ruijlen van Vee van de hottensetten, als met dezelve geweldadig van het leven te berooren, ten hoogsten strafwaardig te hebben gemaakt. of bij 't Scheeten en doodstee nieen van voorm: Antje door zijn voorm: zoon Willem, praesent geweest zynde hetten tottinne Catrijn en Griet. Art: 71. of 't lijk van dat kind daar na oor de aasvogelen bij na opge„ keeten, door de hottentotten is gezien. Compareerde voor ons ondergeteekende Gecommit„ „teerdens uit den E: Achtb: Raad van Justitie dee„ „zes Gouvernements de voorsz: Veldwagt meester Adriaan van Zeijl, dewelke deeze zyne voorenstaande Vraag articulen met zijne daar op gegeevene antwoorden van woorde tot woorde, klaar en vrindelijk voorge leezen weezende, verklaarde daar by tee blyken per„ „sisteeren, met begeerte, dat er niets meer bijgevoegd ofte van gedaan worden zal, zeggende, dat al't voo„ „renstaande de zuijvere waarheid is. /:onder stond:/ Aldus gedaan en gerecolleerd aan Cabo de goede Hoop den 22 Februarij 1788. /was geteekend:/ Adriaan van Zijl, lager / mij praesent /was ge„ „teekend (RWDKiet gezw: Clercq. /in margine:/ als Gecommitt:s /was geteekend/ W F: van Reede van Oudtshoorn. Jn C: Gie Recollement. beneevens den Gesr: en mij gesw: Clercq meede behoorlijk hebben onderteekend. (:onder ston:d 't welk ik getuige /was getekend / RJ:V D: Kiet gesw: Clercq. beneevens. 73. -. Compareerde voor ons onder gett: Gecommitteerdens uijt den E: Achtb: Raad van Justitie deezes Gouverne¬ ments ten burger Petrus van zeijl denwelken op de nevens staande drage, zoo. danig geantwoord heeft, als behyden een yder aange¬ teekend straat. Legt Petrus van Zeijl Aan deezen uijthoek ge„ vaortig burger op stellen, kosch dienst doende oud sestien Jaaren. zegt op zyn vaders plaats vaders. aats gen Akerendam gelegen in den Hantam en dat zij van 't geene de plaats oplederd, hun bestaan hebben. Wanneer of hij gede: in persoon be¬ segt, dat 't na zin gesr: gissing twee neekend zijn vader, den oud, veld wagt Jaaren nu de maand ontfken meester Adriaan van Zeijl en zyn ged s. aanstaande worden zal dat broeder Andries van Zeijl, mitsg=s zijn dader op de togt gegaan is. den burger Jan Wieser van uijt den hantam na 't Namacqua Landis ge„ reyst. 3. zegt dat hy getr: ter ordre aan Op wiens ordre en om welke ree„ zyn dade meede is moeten „denen, die reijze ondernomen is gaan en dat hij get: nog aan zijn vader gezegt heeft, vader! het zal niet noed gaan, want piet Eijland, de hottentot zal ons in 't verdrieff brengen, zoo als hij Engelbrecht in 't verdriet gebragt heeft, dog had zyn vader gezegt, daar zal niets aan komen, en waarom zal hy ons in 't verdrief brengen, wi zijn immers goede Vrienden, gelijk de gesr: dan ook ter ordre van zyn dader heeft moeten meede gaan zeg¬ „gende verder, dat hun intentie was, om door de kosten teets natie tot bij de Caffers te gaan, en als dan van de Coffers eenig Zee in te Waar hij gede: in persoon woonagtig is, en waer meede hy zig komt tefermeeren. des ged:e in persoon zyn naam, onder„ „dom en geboor te plaats. aan Heeren gecommitt:s uyt den E: Achtb: Raad van Justitie dezes Gouver„ „nements overgegeeven doar ende van weegens den onderget: Land Drost van Stellenbosch en Drakensteijn Hendrik Lodewijk Bletterman, om daar op ter ziner requi„ sitie R:O: te worden gehoord, den burger Petrus van Zeijl, zullende desselfs te geevene antwoorden, beziden ieder ar„ ticul moeten worden bekend gesteld. Articulen gedaan maken en Art: 1. ruijlen c 4 2.

NL-HaNA_1.04.02_4336_0174 view scan ↗

English

Article 5. Says yes. Says as he, the deponent, has heard from his brother Andries. to trade, the deponent further saying that during their journey they passed through several kraals; and in particular first at Swartland along the great river, then at the left-hand one, after that near the Kaalkoppen, and finally near the Houwsakken, meaning in Dutch as much as Christian-men Bushmen, to whom they went with a large number of Kaalkoppen, and at the request of the Kaalkoppen, because those Kaalkoppen pretended that those Houwsakken had stolen much cattle from them, and when he, the deponent, and C. S. had approached near those Houwsakken, Stoffel and Gert had become ill, who then also turned back, with Saul, the said C. S. then having traveled further, up to those Houwsakken, and after words had first been spoken amicably between those Houwsakken and Kaalkoppen, they subsequently shot at one another with arrows, so that he, the deponent, and C. S., for their protection, were also forced to shoot with live ammunition until those Houwsakken had taken flight, whereupon the Kaalkoppen with Piet Eeland went through that river, without knowing by whose order, and took back from there the cattle that had previously been stolen by the Houwsakken from the Kaalkoppen; the questioned person says finally to have found no dead Hottentots on the spot than what was said. is missing, Gertje, Master Paul Engelbrecht, and the Hottentots old Piet Eijland, little Piet Eijland, Ruijter, Andries, Jas, old Piet Namacqua, and Jan Swart, which latter remained behind among the Bushmen, while the others came along. Says the Basterd Hottentots, which Hottentots and Basterds traveled along. Basterds, Stoffel, Gert, Engelbrecht, Whether the mentioned Lubbe, upon his return, said that the Honorable Governor could not grant the request of his mentioned father, because thereby the Bushmen Hottentots would be given more opportunity for robbery and theft. Whether the questioned person did not hear that Barend Lubbe was sent by his father with a letter to the Honorable Governor, containing a request to make an expedition inland with some volunteers in order to shoot elephants. Article 3. Article 8. to have, 7. Says as before. Says, to carry the goods that his questioned father took along, to trade with the Hottentots, hired near the great river. Says yes: four pack oxen. Says yes, at a fountain named De Klakke. Says no, I know nothing about that. Says to estimate having taken ten guns along, Hottentots and to them, without knowing or being able to state the exact number. Says further that one gun remained at the wagons with Andries and Jan. Says Andries, Jas, Ruijter were in the service of his questioned father, while for Jan Wieser he named old Piet Namacqua. Which Hottentots and Basterds were in the service of Gerrit de Beer with his questioned father, and which were in the service of the burgher Jan Wieser. Says that those Hottentots already, when his father requested permission with Lubbe from the Honorable Governor to go on the expedition, had promised his father to go with him to the great river and show him the way; when in the meantime the cattle of Paul Karsten was stolen, his questioned father then having agreed with some others to lead a commando against those thieving Bushmen, as former field sergeant, but that not a person came to help carry out that commando. Whether his questioned father commanded the remaining Hottentots, who were in the service neither of him nor of the aforementioned Wieser, to go along with him to pursue the Bushmen Hottentots who had stolen a large part of the cattle of the burgher Paul Karsten. 10. Says no. to trade with the Kaffirs. For which purpose he, the questioned person, personally further hired those oxen. Whether his mentioned father loaded those oxen with a quantity of beads, knives, and provisions. Whether his mentioned father then said to the accompanying Hottentots that it was not necessary to pursue the Bushmen, because his intention was to shoot elephants in order to deliver the tusks thereof to the Company, and to give each Hottentot a share at that time. Whether upon these words the Basterd Hottentots Paul, Stoffel, and Gert remained behind there, since Gert had said he was ill. 15. 16. to Whether his mentioned father, subsequently having arrived at the third Hottentot kraal, hired from the same two hundred and forty-four Hottentots. are, but indeed that the Kaalkoppen went along. Whether those Hottentots were hired to retrieve cattle. Whether his mentioned father, having arrived in the Namaqualand, hired some pack oxen from the Hottentots there. Whether all the aforementioned Hottentots and Basterds, or which of those distributed among them, were provided with guns and weapons. Article 11. Article 18. to have. Article 11. 12. 13. 14. fountain.

Dutch transcription

Art: 5. Legt Ja. zegt zoo hij getz: gehoord heeft van zijn broeder Andries. ruijlen, zeggende de ged:e verder, dat zij geduurende hunne reijze, door verscheide kraalen gekoomen zijn; en wel enzon, „derheid het eerste bij swart Land langs de groote rivier, vervolgens bij de linkse, daar na na bij de haalkoppen, en eindelijk by de hoursakken, op 't Hollands, zoo veel betee„ kenende, als Christemenschen bosjesmans, waar na toe zij getrokken zijn met een groote quantiteit kaalkoppen, en op versoek van de kaalkoppen, wijl die kaal koppen voerwendden, dat die hounsakken veel zee van hun gestaolen hadden, en wanneer hij getr: E: S: omtrend die hoursakken genaderd waren, was stoffel en Gert ziek ge„ worden, die dan ook weeder te rug gekeerd zijn, met saul„ zijnde de gesz: C: S: als toen verder getrokken, tot bij die houwsakken, en na dat er tusschen die houwsakken en kaalkoppen eerst in 't vriendelijke gespraaken, ver„ volgens teegens malkanderen met pijlen geschoo„ „ten was, zoo dat hy get: C: S: tot beveeliging van hun, genoodzaakt geworden is, ook met scherp te schieten tot dat die bounsakken de vlugt genomen hadden, wanneer de kaalkoppen met piet Eeland, door die livier gegaan zijn, zonder te weeten, ten wens ordre en van daar de beesten te rug genomen, die door de houwsakken te vooren van de kaalkoppen geroofd waaren, zegt den gevr:e eindelijk geen doode hotten„ totten op de plaats dan 't gezegt gesonden te „breekt Gertje Heer paul Engelbreekt ende krattentitten oude piet Eijland, kleine Het Eijland Ruijter, Andries, Jas, oude piet Namacqua en Jan Swart, welk laatste bij de bosjesmans verkleeden is, terwijl de andere meede gekomen zijn. zegt de bastaard hottentots, welke hottentatten en bastaands, raards, Stoffel Gert, Engel meede gezeijst zijn off gem: Lubbe bij zijn te rug komst, heeft gezegt, dat welgem: Heer Gouverneur 't verzoek van zyn gem: Vader niet kon toestaan terwijl daar door aan de basjes mans hottentathen meer geleegenheid tot het rooren en steelen zou worden gegeeven off hij gene: niet gehoord heeft dat Barend Dubbe door zijn vader met een brieff na de Edele Heer Gouver„ neur gezonden is, (inhoudende versoek om met eenige vrijwilligers een togt Land, waardes in te doen, om oliphan„ „ten te gaan schieten. Art: 3: Art: 8. hebben, 7. zegt als vooren. legt, om de goederen te dragen, genomen had om het otce die zyn gev:e vader meede van de hotterpotten bij de groote rivier gehuurd zegt Ja: vier draagossen. legt za . , by een fonteijn, genaamd de klakke Legt neem daar weet ik niet aff zegt na gissing toen geweeren meede genomen te hebben, kottentatten en aan hun zonder 't Juijst getal te weeten of te kunnen opgeeven„ zegt verden dat Een geweer bij de waagens derbleeven is bij Andries en Jan zegjt Andries, Jas Ruijter Welke hottentots en bostaards bij Gerrit de Beer bij zijn get: zyn Ged=e Vader en welke by den burger Jan Wieser in dienst zijn geweest Vader in dienst geweest te zijn, terwijl by Jan Wieser genoende heeft oude piet Namacqua. zegt dat die hetten totten d' reeds toen zyn vader om permissie aan den WelEd: Gestr: Heer Gouverneur met Lubke verzogt had, om op de togt te gaan aan zijn lader beloofd had, om met hem na de groote rivier te hebben: gaan en hem de wegte wijzen, wanneer intusschen het ree van Paul Karsten geroofd was, zynde als toen zijn gevre vader met eenige andere overeengekoomen, om een Comman de op die roerende kosjesmans te doen, als oud teld Nagt meester maar dat ergeen mensch gekomen was, om die Commeando tot helpen bewerkstelligen. off zyn gev: vader de overige hatten, totten welke zoo min berhem als by den voorm: Wieser in dienst ge¬ weest zijn, heeft gecommandeerd, om met hem meede te gaan, de bosjes, mans hattentokken te agtervolgen dewelke een groot gedeelte Ra van den Burger Paul Karsten gezug 10: zegt neen. interuijlen van de Coffers. Waar toe hij gev:e in persoon nader die ossen heeft gehuurd. off zin ged. e vader, die ossen heeft beladen met een partij Coraalen, mes„ sen en provisie. off zyn ged. e vader als toen aan de meedegenoomene hottentotten heeft gezegt, het niet nodig te zijn, de boszes, mans te agtervolgen, want zyn intentie te zijn, om oliphanten te gaan schieten, ten einde de Landen daar van aan die Compte: te leeveren, en aan ader hotten, tot, als dan een portie te zullen geeren. off op dit gezegde de bastaard hot„ tentotten, paul, stoffel, en Geert Vermits Gert had gezegt, ziek te zijn, aldaar agtier gekleeven zijn. 15. 16. te of zijn gede Vader vervolgens ge komen zynde aan de derde hoffentots Craal uijt dezelve twee honderd Vier en veertig hottentetten heeft gehuurd. zijn, maar wel, dat de Caal; koppen meede gegaan zijn -of die hottentatken gehuwd om veer te zug te haalen. off zyn ged: vader in't Namacqua Land gekomen zijnde, aldaar eenige draag ossen van de hottentotken heeft gehuurd. off alle de voorsz: hattenletten en bastaards, dan wel welke van die verdeeld zijn aan de dezelve met geweer en wapenen zijn voorsien geweest. at: 11. Aat 18. te hebben. Art:t 11. 12. 13. 14. fonteijn.

NL-HaNA_1.04.02_4336_0176 view scan ↗

English

Article 17. Whether his mentioned father, having crossed the great river and traveled a few days further, arrived at the tributary of the same great river, called the yellow river. Answers that he went only along the great river, but knows of no tributary. 18. Answers, that Wieser made the second shot after his father. 19. How that nation of the mentioned Hottentots call themselves. Answers, called the Houwsakken, which in Dutch means Christian people Bushmen. 20. Whether his mentioned father dismounted from the horse with him and his mentioned brother and fired directly at the last mentioned Hottentots with live ammunition. Answers that when he, the person questioned, with his company and the Hottentots arrived there, the Kaalkoppen were already with those Houwsakken, and then the Kaalkoppen were already in a fierce dispute, and that he, the person questioned, and the others had left their horses a distance away from there, and having gone somewhat closer to see whether the Kaalkoppen were indeed in enmity with those Houwsakken, upon which they were shot at with arrows by those Houwsakken, and then by order of his father, just as his father and the others, fired upon the Houwsakken, he, the person questioned, stating that his gun was only loaded with powder, and to have shot with that, further stating that in the evening he had also fired a shot with a ball, which shot was much too short. Article 21. Whether he, the person questioned in person, his father, and his mentioned brother, together with the mentioned Jan Wieser and the aforesaid Hottentots, saw a multitude of Hottentots appear on the other side of the aforesaid stream. Answers that he did not see such a thing, nor heard it said. 22. Whether, after the third shot was fired by them, the mentioned Wieser also fired upon those Hottentots. Answers yes. 23. Whether his mentioned father in person, then having noticed that the Hottentot Piet Eijland and the other Hottentots provided with flintlocks did not shoot along. 24. Whether thereupon the mentioned father in person went behind the aforesaid Hottentots with his flintlock, of which the cock was cocked, and essentially said to the same: God damn you, why do you not shoot, do you not see that I shoot, and if you do not shoot, you shall receive the same soup. 25. Whether that shooting did not continue from about eight o'clock in the morning until late in the afternoon. Answers yes, from about 9 o'clock in the morning until late in the afternoon that shooting lasted. Article 26. Whether the aforementioned Hottentots out of fear then also shot at those being on the other side of the river. Answers yes, that the Hottentots also shot, without knowing by whose order, but indeed that his father had ordered him, the questioned, and his mentioned brother to shoot, and Wieser as well as his three Hottentots. 27. And in how many shots with balls were indeed fired by him, the questioned in person, his mentioned father, his mentioned brother, and the aforesaid Jan Wieser. Answers that he, the questioned, does not know how many shots the others fired, but that he fired only three shots, with loose powder and with a piece of wood and with a ball. 28. Whether of the Hottentots on the other side of the stream, some fell to the earth and the others took flight. Answers no. 29. Whether after that shooting, by his mentioned father, the Hottentot Piet Eijland and several of the others were sent to the other side to bring all the cattle of the same Hottentots to this side. Answers that Piet Eijland and the others indeed went to the other side of the river to drive the cattle there, but not by order of his father, and that those Hottentots also got some cattle across that evening, and while that livestock swam back to the other side that night, he, the questioned, his brother, and J. Wieser went through the river the next morning and fetched that cattle for them; states further that his mentioned father received about forty head of cattle as a present from the Kaalkoppen for his trouble. 30. How many cattle were brought to his mentioned father by those Hottentots. Answers about 20 head, by estimation. Article 31. Whether he, the questioned, then heard how many Hottentots were shot dead there. Answers not to know that any of those Houwsakken were shot dead. 32. Whether he, the questioned, had also heard from the aforesaid Piet Eyland to his mentioned father that several Hottentots were shot dead, and two women jumped into the water and were drowned. Answers no. 33. Whether his mentioned father in person answered thereto: It is considered by me as good as if I pull a leaf from a tree, and the Gentlemen do not ask about a Hottentot. Answers no. 34. Whether the return journey was undertaken the next day. Answers yes. 35. Whether he, the questioned in person, with his mentioned father and brother Andries, together with the aforementioned Jan Wieser, subsequently arriving at the third kraal, the Hottentots hired from that kraal were discharged by his mentioned father. Answers that his father did not discharge those Hottentots, but that those Hottentots departed from them, stating that his mentioned father and Jan Wieser together had for their share, both from what they received as a present and what they had bartered from those Kaalkoppen, about one hundred fifty head of cattle by estimation. 36. Whether by his mentioned father to each of the hired Hottentots a string of beads was given. Answers no, to those Kaalkoppen father gave nothing, but indeed to the other Hottentots.

Dutch transcription

zegt, dat Vlieser de tweede Art:t 21. zegt utel langs de groote livier gegaan te zijn, maar van geen sprugtien zegt toen hij geve met zijn geselschap en de haften„ tetken daar kwaamen, waaren de haalkoppen met die houwsakken toen reeds by hun en toen zegt theen, zulks niet gedien wag gehoerd te hebben. zegt Ja schoot na zyn gete. waaren de kaalkoopeen reeds in heerige wist. te zijn, 't geen in 't Hol: hendick beteekend Chris¬ tenmenschen bosjesmans. zegt, de houw sakken gen:d zegt dat hij gevr: en de overige hunne paarden een End„ weegs daar van daan ge: laten hadden, en wat nader bygegaan zijnde om te zien off de haalkoppen met die houw Jakken wel in vyand schap waaren, wanneeer zig door dien houn sakken met pilen geschoeten zijn, en toen tef ordre van zyn vader, gelyk zyn vader en de overige geschooten op de heursakken, zeggende hy gere dat zynn geieer maar niet tes kruyt gelaaden was, en daar meede geschooten te hebben, zeggende nog dat hij met den Avond nog een schaot met de kagel gedaan had, welke schaot veel te kort was. 19. Iae die natie der gem: hatten¬ totten zig noemen. off zijn gede vader met hem gede en zijn breeder van't paard ge¬ Steegen is en direct op Raetst hattentatken met scherp heeft geschooten. meede geschoten hebben, zonder te wiens ordre, maer wel dat zyn vader hem gece gede broeder geordonneert hadden om te schieten. en Wiesen neevens zijn deude hettentatten. zegt Ja. dat de zelken tothen 25. off dat schieten niet heeft aange„ zegt, Ian omtrend 9 uuren houden van des morgens omtren in de morgen tot laat agt uuren tot in de nademiddlagr in de rademiddag dat scheeten geduurd te hebben. off te atengem: Iottentotken uijt veese als toen meede geschooten hebben, of de aan de overzeijde der rivier zig bevin„ off daar op den geed:e in persoon vader zig agter de evengem: hat¬ tentotten met zijn slaphaan, waar van de haan was gespannen heeft begeeren, en tot dezelve substantieelyk gezegt J: O: Verdaamde goed naerom schiet tjalluij niet, ziet zwijllen, niet, dat ik schiet en als zullen niet schiet, dan zal Jalley van dezelfde sop krijgen off zyn ges. d en persoon vader als taen gewaar geworden zinde, dat de Pottentot Siet Eijland ende Overige met traphaanen voorziene Sestentotten, niet meede schaoten 22. off na dat door hun L: de derde schoot gedaan was door gem. Wieser meede op die Lattentetten is geschooten off hy gede in persoon zyn vader en zyn gede broeder meedens gem: Jan Wieser, en de voorm: haltensettien aan de overzeide van de voorsz: spruijten, meenigte hattentotken heeft zien te voorschijn koomen. Art: 17. of zin gev:e vader de groote rivier gepasseerd en eenige dagen verder gereijst zijnde gekomen is aan de spruijt van dezelve groote rivier, de geele rivier genaamd Art: 26. te weeken 18. vader gedaan heeft. - - 23. 24. ƒ1 7 11 20. Art: 31. zegt niet te weeten, dat er dan die hounsakken dood geschooten zijn. naar gisting. zegt omtrend 20 Stuks zegt Ja. . zegt neen. zegt neen, zegt„s dat hij gev:t niet weer en met een stuk hout en met een kogel. „deren gedaan hebben, maar hoe veer schooten de an„ gedaan had, met los kruijt dat hy maar drie schooten off van de battentotten aan de over„ Leijde der spruijt, zommigen ter aarde gevallen zijn ende overige de vlugt hebben genoomen. 28. off na dat schieten door zijn gede Vader den hottentot piet Eijland en verscheide van de andere na de overseijde gezonden zijn om alle het zee van dezelve hottenbetten aan deeze zegde te brengen. 29 Hoe veele beesten door die het ten tokken by zijn gete: vader zyn gebragt geworden. 30. off hij gede: als toen heeft gehoord haer deele hatten tetten dagrd aflsc hoten zijn zegt neem de andere wel na de overzeyde van de rivier gegaan zijn, om het zee daar tee drijven, maar niet ter ordre van zijn vader, en dat die het„ penvetten ook eenig zee die avond hebben doorgekreegen, en terwijl dat vee dien nagt weder na de overzeide gewwommen was, was hij gesre: zijn breeder en J¬ Nlieser, die andere dag morgen door de rivier gegaan, en dat zee voor hun gehaald, zegt nader dat zijn gesz rader van de Kaalkoppen omtrend Veertig heerten present gekregen had doen zijn moeijte zegt, dat piet Eijland en door hem ged:e in persoon zijn ged„e Vader, zijn ged:e broeder en voorsz: Jan Wieser welgedaan zijn. In toe veele schooten met koogels Arto 26. off tervolgens aan de derde kraal Legt dat zijn rader die hetten„ gekomen zijnde, door zijn ged: testien niet afgedankt heeft, Vader, de van die kraal gehuurde maar dat die Bettenbatten van hattentotten zijn afgedankt? hun zijn afgegaan, zeggende dat mijn Geve dader en Jan Wieser te zamen door hun aandeel hebben gehad, zoo van 't geen zy present gekreegen, als 't geen zij geruijld hadden van die Kaal koppen, omtrend Een honderd vyftig stuks beestien nagissing. zigt neen aan die kraekop. pen heeft vader niets ge andere hottenbetken zegt Ja. off hij gede in persoon met zijn ger:s vader en Broeder Andries nevens voorm: Jan Wieser 36. off door zijn ged. e Vader aan een Yder der gehuurde hottent Atren deeren, maar wel aan de een streng Coraalen is gegeeven. off zijn ged„e vader in persoon daar op geantwoord heeft, 't is door mij beken zoo goed, als of ik een blad van een boom trek en daar vragende Heeren niet na een hottentot off etes anderen daags de te rug reijze is aangenomen? off hij ged:e ook van voorm: Liet Eyland, aan zijn ged:s vader had hoo„ den zeggen, dat ter verscheyde zot, ten letten doodgeschooten zijn, en twee wijnen in 't water gespron¬ gen en Verdronken zijn Art 131. mitsgs 27. 32. 38. 34. 35.

NL-HaNA_1.04.02_4336_0178 view scan ↗

English

Article 37. Whether his incarcerated father in person had discovered any cattle in that vicinity, and had asked the aforementioned Paul where the kraal was from which the cattle had departed, and whether the said Paul had then pointed out the kraal. He says no, that his father did not ask Paul whose cattle that cattle was, but rather whether he, Paul, had his cattle from the kraal named the Luikse, whereupon Paul had answered no, that he dared not go there. Article 38. Whether his incarcerated father in person, on the following morning, by handing over his own musket to the mentioned Saul, while saying, come, you must do what I command you, and if you do not do that, the same will happen to you, forced all the aforementioned Hottentots and bastards to go to the said kraal. He says well knows that a gun was given by his father, whether such was his incarcerated father's own gun not knowing, furthermore that his incarcerated father said, you must go in friendship and not shoot, just as those Hottentots then also went. Article 39. Whether the mentioned Paul answered his incarcerated father, yes master, that will not go well, because I do not know what wrong those Hottentots have done. He says no, that his incarcerated father there did not say in substance to the mentioned Paul, it is good that you take all the cattle and shoot dead all the Hottentots, but rather that upon the complaints of the Paul, that the Luikse did not want to hand over their bartered cattle, his incarcerated father had said, you must go tomorrow with the other Hottentots and fetch the cattle. Article 40. Whether the prisoner in person, after the aforesaid Hottentots and bastard Hottentots arrived at the aforementioned kraal, heard any shots fired, and how many. He says no, that he knows nothing of that. Article 41. Whether the journey following upon that, they all approached near the place of the burgher Petrus Dienaar, named the Hartebeest River, and whether early the next day a portion of the stolen cattle was missed by his incarcerated father. He says yes. Article 42. Whether the same upon their return brought along fifteen head of cattle, and whether his incarcerated father was not very dissatisfied about that. He says he well knows that 15 head of cattle were brought along by those Hottentots, but not that his father was angry because they had not brought more, and further that his father had satisfied those Hottentots because they had shot people. Article 43. Together with the taken Hottentots and bastard Hottentots, undertaking the journey, they arrived at a Hottentot kraal situated nearest to the Christians, and there found again the left-behind bastards Klaas, Stoffel, and Gert. He says yes. Article 44. Whether the guard of the stolen cattle was held by the Hottentots Ruijter and Jas. He says yes, and that Andries also had the guard. Article 45. Whether the father of the prisoner in person caused the same Jas and Ruijter to be laid down by the bastard Hottentots and beaten to such an extent that the welts were still to be seen recently. He says that Jas and Andries were beaten by Wieser, and further, because he, the prisoner, was not present there, he does not know whether those Hottentots were laid down or received a severe beating. Article 46. Whether thereupon the mentioned prisoner's father and the aforementioned Jan Wieser, having mounted on horseback, had the aforementioned Jas and Ruijter run ahead of the horses up to the aforesaid place. He says no. Before the horses the Hottentots were not driven. Article 47. Whether the prisoner's father and the aforementioned Wieser, without wanting to hear the servant designated to the place, the burgher Jan Blom, beat him to such an extent that he remained lying on the ground. He says, that his incarcerated father did ride with Wieser to the aforesaid place of Dienaar, but that Jan Wieser beat Jan Blom, without more. Article 48. Whether he, the prisoner in person, also learned that the aforementioned Jan Blom said to his incarcerated father that the cattle missed by him, having been found in the field by the herdsmen, he had caused to be taken into custody in the kraal. He says he heard that Jan Blom said, he lives near Jan Wieser. Article 49. Whether his incarcerated father had the throats cut of the young and small cattle that could not go forward due to being driven fast, and left them lying along the road. He says no, but that they used one cow during the journey. Article 50. Whether he, the prisoner in person, and his, besides the mentioned Wieser and the Hottentots, subsequently arrived at the Bantam. He says yes. Article 60. How much cattle in general was taken from the Hottentots. He says, that his incarcerated father took for his share 80 cattle and so also Jan Wieser. Article 61. How, and how among them, the aforesaid cattle brought into the Bantam was divided, and how much each received for his share. He states as on article 60. Article 62. Whether he, the prisoner in person, also heard that the Hottentots from whom the cattle was taken pursued him, the prisoner, and the rest of the company, but when they had approached close to Jan Blom, turned back on his advice. He states no.

Dutch transcription

zegt neen daar weet ik niets van. zegt Ja. Vader niet gevraeegd heeft aan saut, wiens vee dat 't zee was, maar wel off hij Taal zijn veehad van de kraalt genaamd de luikse, waar op saal ge„ antwoord had van neen, dat hij niet daar na tre dorst gaan. zegt neen, dat zijn ged:e off zijn ged:s in persoon vader daar zegt neen, dat zyn vader op't tot gem: Paul in substantie niet gezegt heeft, om al heeft gezegt, het is goed dat Julluij het zee te haalen en alle de hattentetten daad schieten, dat weet zy meet morgen agtiende maar wel dat op de klagten met kleine Piet Esland, Gert den paul, dat de liukxe Heer Piet Namacqua, Ruijtier hun geruijld zee niet wilde en Gerrit daar na toe gaan, affgeeven, zyn gers: vader al het die weg neemen en die gezegd had, gy moet morgeen hottentekken altemaal doodschie¬ met de andere hottentotken „ten, want alle de kettentetten, gaan, en haalen nu vee aff die in deeze streek woonen„ zijn maar schelmen zegt wel te weeten dat er 15 stuks beestien meede gebragt zijn, door die hottentotten, maar niet dat zijn vader kwaad is geweest, om dat zij niet meer gebragt hebben en voorts, dat zyn vader nag die hettenletten te reede gesteld had om dat zi leeden geschooten hadden. of de te rug reijze daar op vervolgende zijl: alle genaeerd zyn omtrend de plaats van den Burger Petrus sienaar, de harte beest rivier ge„ naamd en of des anderen daags vroeg¬ tijdig door zijn get: vader een gedeelte van 't geroofde zee is vermist off dezelve by hun terug komst vyff, tien stuks beesten hebben mede gebragt, en of zijn Geve vader daar over niet zeer te onvreede is geweest 42: off hy ged. e en persoon nadat voorsz: haftentotten en bastaard hotten totten bij de voorm: kraal gekomen zijn, enige schooten heeft hooren doen, en hoe deel 2. zegt neen! zegt wel te weeten, dat door zijn vader een geweer is gegeeven, waarof zulks zyn gev=e vader eijgen geweer is geweest niet te weeten, voorts dat zijn gev„e vader gezegd heeft, gij moet gaan in'st Vriendelijke naar niet schieten, gelyk die hottentotten dan ook gegaan zijn. off zijn gev:e dader aldaar omtrend eenig wee heeft ontdekt, en aan Vaorm: Paul gevraagd, waar de Kraal, waar van het zee weg„ „trok, zig bevond en of denzelve Paul, als toen de kraal heeft aangeweezen. mitsg:s de meedegenomene hettien¬ totten en bastaard hottentotten, de reijze aanvaardende tot een 't naast by de Christenen geleegene hotten tot kraal gekomen en aldaar wederom aangetroffen zijn de agtergeleetene bastaarde, Idue, Stoffel en Gert: Art. 37. 40. off zijn ged:e in persoon vader als anderen daags morgen met zyn eygen snaphaan te overhandigen aan gem: Saul onder het zeggen, toe Julliij moet doen, wat ik Julliy ordonneer, en als Julluij dat niet doed, zal Jylluij van 't zelfde overkomen, alle de zelven evengem: Gottentotten en bastaards heeft gedwongen, hun na dezelve Kraal te begeeven. off evengem: Paul zijn ged:e vader heeft geantwoord Jabaas, dat zal niet goed gaan, want ik weet niet wat kwaad die hottentotten hebben gedaan. Art: 39. Art: 39. Art: 44. 38. 43. 41. Art: 44. zegt Ja: en dat Andries Voor de paerden zijn de hottentotten niet uijtgezaagd. zonder meer. Jan Blom geslagen heeft zegt neen! Legt, als op art: 60. zegt neen, die woond bij zegt, dat zijn get:s dader zegt neen, maar dat zy eene keeij geduurende de reijser tot gebruijk geplagt hebben. zegt, dat Jas en Andries door Wieser geslagen zijn, en vervolgens, door dien hy gesf: daar niet bij present geweest is, weet hij gev:e: niet off die het entotten zyn nedergelegt of een levende loesing gekreegen hebben. Jan Wieser, de voorsz: Legt, gehoord te hebben, dat plaats van Dienaar gereeden is, maar dat wel met Wieser na de zegt dat zijn ged:s vader off des geds vader en evengem: Wiesen den op de plaats bescheyden zynde Knegt, den Burger Jan Blom, zonder dezelve te willen hooren, dermate hebben geslagen, dat hij op de aerde is blijken leggen. 47. off hy ged:e in persoon ook heeft vernoomen dat voorn: Jan Blom aan zijn geds: vader heeft gezegt, dat 't door hem vverhiste toe door de Nagters in 't veld ge¬ vonden zijnde, hij dezelve in de mraal in bewaring had doen neemen N 48. ons hoewel tusschen off het Wijff en de kinderen van den bij zijn ged:s vader in dienst zoedanig het Voorst: in den Tantem gebragte Vee is ter deeld geworden, en hoe veel ijder voor zijn aandeel heeft bekoomen. 61. off hij ged:e in persoon ook heeft geroord, dat de hattenlatten, waar van het zee ontnomen is, hem gede en het overige van 't gevolg zijn agtervolgt dog wanneer dezelve dit bij Jan Blom genaderd waren, op desselfs aanraaden zijn te rug gekeerd door zijn aandeel ge„ nooten heeft 80 zeestien en zoo meede Jan Wieser zegt Ja. off zijn Ged:s Rader 't Jong en klein Zee 't welk door 't verterk, drijven niet voortgaan konde, de hals heeft latten afsnijden en langs de weg: laten leggen, off hy ged=e en persoon ende zijne nevens gem: Wieser en de kotten¬ „totten vervolgens in de Bantam zijn aangekomen. Hoe veel dee in 't generaal in t generaal van de Chottentotten wee zijn ontnoomenE 50. Art: 49. off den oppas van 't geroofde zee„ heeft gehad, de hostentotten Ruijter en Jas. " 45. off de dader van hem ged: in persoon denzelven Jasen Ruijter, waar op door de bastaard - pottentotten heeft doen nederleggen, en dermaate slaan, dat er de Streemen noch onlangs nog van te zien geweest off daar op gem: des ged:s vader en Voorm: Jan Wieser te paard ge„ steegen zijnde, voorm: Jasen Ruijter voor de paerden uyt heeft laaten loopen tot aan de voorsz: plaats. meede de oppas gehad Art: 49. beiden zijnde heeft. zijn. 46. 8 ook. Legt neen. 62. 60.

NL-HaNA_1.04.02_4336_0180 view scan ↗

English

Articles prepared and handed over to the Gentlemen Commissioners from the Honorable Council of Justice of this Government, by and on behalf of the undersigned Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewijk Bletterman, in order that the Burger Jan Wieser be heard thereon at his official request, with the answers to be given by him to be recorded alongside each of them. Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Council of Justice of this Government, the aforementioned Johannes Wieser, who gave such answers to the adjacent interrogatory articles as are recorded alongside each of them. Article 1. The deponent in person, his name, age, birthplace, and status. States: Johannes Wieser, native of this outer district, Burger at Stellenbosch, and 27 years of age. Article 2. Where the deponent resides. States: to reside in the Bantam, on the farm named Het Laate Water, situated at the Oorlogs Kloof. Article 3. Whether the deponent knows the former Field Corporal Adriaan van Zijl, together with his two sons Andries and Petrus van Zijl, as well as the Hottentots and Bastard Hottentots Piet Eyland, Little Piet Eyland, Piet Namaqua, Andries Ruyter, Paul, Gerrit Stoffel, and Gerrit Beer. States: Yes. Article 64. Whether the child of the aforementioned Ruyter, named Antje, having frequently come to his, the deponent’s, father's farm, his, the deponent’s, father was annoyed by this. States: No. Article 65. Whether his, the deponent’s in person, father on that account hung the aforementioned Antje, who had returned to the aforementioned perpetrator Ruyter, under the arms from a tree and personally beat her with a sjambok to such an extent that the said child could not use her arms. States: that his, the deponent's, father did not do so, but that the Hottentots Ruyter at the place of Christiaan van den Heever, as the deponent himself has seen, that those women in their straw huts had their backs and fronts injured by the lashes, just as his brother Willem had told him, the deponent; father had her when she was small, subsequently father gave her away to Christiaan van den Heever, and many a time she, Antje, had run away to his father's farm. Article 66. Whether Willem thereupon fired two shots at Antje, but only wounded her in the head. States: that his, the interrogatee's, father gave no order to his brother Willem, but after she, Antje, had stolen several times from the farm of Willem, Willem had heard the dogs barking one evening, and because he was under the impression that there must be a wolf in the kraal, he, Willem, had taken his gun and gone to the kraal, where, arriving at that kraal, he had recognized the aforementioned Antje; his brother, according to his own words to him, the deponent, had then shot the said girl Antje dead with a bullet. Article 68. Whether his, the deponent’s, aforementioned brother Willem subsequently stoned the same Antje to death. States: as above, and that his, the deponent's, aforementioned brother or his, the interrogatee's, father had subsequently repeated to his, the deponent's, brother Willem to just shoot the said Antje dead. Article 69. Whether his brother told him, the deponent, that he had dragged the aforementioned Antje along a mountain and left her lying like that. States: that his brother told him, the interrogatee, that he had dragged the aforementioned Antje along a mountain and left her lying in that manner. Article 70. Whether the same Hottentot women saw the corpse of the aforementioned Antje still lying there several days later, eaten by the carrion birds. States: that he does not know, and that it was on the order of his father, and he does not know that he ever shot a Hottentot dead. Article 71. Whether the Hottentot women Griet and Katrijn saw all this. States: [illegible] Article 72. Whether he, the deponent in person, understands that violently attacking the Hottentot nation, killing them, and depriving them of their livestock is a most punishable act. States: now to know well that it is wrong, but that he had to do so on orders from his father. What he, the deponent in person, can put forward in his defense. States: nothing in his defense. Thus interrogated and answered at the Cape of Good Hope on 8 February 1788 by Messrs. W. H. Rheede van Oudshoorn and Jan Coenraad Gie, members of the Honorable Council of Justice, who duly signed the original minute hereof, together with the witness and the sworn clerk. Below stood: Which I witness. Was signed: R. J. van der Riet, sworn clerk. Confirmation. There appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Council of Justice of this Government, the aforementioned Petrus van Zijl, who, having had these preceding interrogatory articles with the answers given thereto read aloud to him word for word, clearly and distinctly, declared to persist therein, wishing that nothing be added or removed. Below stood: Thus confirmed at the Cape of Good Hope on 22 February 1788. Was signed: Petrus van Zijl. Beneath: In my presence. Was signed: S. J. van der Riet, sworn clerk. In the margin: As Commissioners. Was signed: W. F. Rheede van Oudtshoorn, J. C. Gie.

Dutch transcription

zynde kottentotten Ruijter bij den zegt, dat die meijden in hunne stroohuijzen degrug en vooren door de haast zoo als zijn broeder Willem hem gesr: zelfs de schoot, gegaan was door zegt vader heeft haar gehad „toen zij kleijn was ver„ volgens heeft vader haar Weggegeeven aan Christiaan van den Heever en menig. maal was zij Antje nader plaats van zijn vader gedrost. Christiaan van den Heeren, zoo als hi get: zelfs gezien niet gedaan heeft, maar wel zegt, dat zijn Ged:s Pader zulks heeft met de Armen zegt, dat zyn geve Raden geen ordre aan zijn broeder Willem ge¬ geeren heeft, maar Met nadat zij Antje eenige reijze op de plaats van Willem gestoolen had, bij Willem op een Avond de honden had hooren aanslaan, en dewijl hij in de meening was, dat er een Walf in de kraal moest zijn, had hij Willem zijn geweer genomen en nadie kraal gegaan, wanneer hi bij die kraal komende, de voorm: Antje had verkend, hebbende zijn broeder, volgens zijn eigen zeggen aan hem geve: die meyd Anthe als toen met een kooel dood geschooten zeijt als vooren en dat of zijn Geds: Voorms: broeder of zyn gevr: vader vervolgens zijn geds: broeder Willem heeft herbalen om gem: Antje maar dood te schieten? kwaad is, maar dat hy zulks zegt, nu wel te weeten, dat 't heeft moeten doen op ordre te weeten, en dat het de Ordre van zijn vader is geweest, en niet te weeten, dat hij ooijt een hottentot dood geschooten heeft. /:onder stond:/ zegt niets tot zijn verschoning Aldus Gevraagd en beantwoord aan Cabo de Wat hij ged:e in persoon tot zijn verschooning weet in te brengen? off hij ged:e in persoon begrijpt, de hoften tots natie geweldadig aan te vallen dezelve om het leven te brengen en van hun reete beroven. een ten hoogsten strafwaardigen daad te zijn. of dezelve hottentottenne het lyk van voorm: Antje eenige daagen daar na door de aantogels opge„ keeten, nog hebben zien leggen off de hottentattinne Griet en katrijn dit alles hebben gezien. 69. Art: 68. off zijn ged:e voorm: broeder Willem daar na dezelve Antje heeft dood gesteenigd. hem geve gezegt had, dat hy de voorm: Antje langs een berg gesleept had, en zegt, dat zijn broeder aan dusdanig laten leggen. rt: 64: off het kind van voorm: Ruijter #Met naame Antje dikwils op zijn ged: vader plaats gekomen o zegt meen! zynde, zijn ged: vader zulks heeft of zijn ged:s in persoon vader des„ weegens voorm: Antje die wee¬ regom na voorm: dader Ruytergie¬ komen was, onder de armen aan een boom heeft opgehangen en dusdanig zelfs met een Tjambek geslagen, dat het zelve kind haare Armen niet heeft kunnen gebruijken 65. Woonen Krarger Christiaan van de Heerer Willem daar op twee schooten aan Antje heeft toegebragt, dog haar door dezelve slegts aan't hoofd gequetst. Willem goede Agtenlaards. 1 : verdrooten: 66. 8 van zin vader. waaren. verhaald heeft. „ 70. 77. 72. - - ken Legt Johannes Wieser van deezen uijt-haek ge„ Stellen boeck en oud 27. 7 zegt, in de Bantam, op de Goede Hoop den 8 febr: 1788. door de Heeren WH Rheede van Oudshoorn en Jan Coenraad Gie: Leeden uijt den E: Achtb: Raad van Justitie toorm: die de minute deezes, beneevens de gete, ende gesw: Clercq, meede behoorlyk hebben onderteekend. /lager / 't welk ik getuige /was getekend:/ RJ: VD: Riet gesw: Clercq. Compareerde door ons ondergeteekende gecommitts Uijt den E: Achtb: Raad van Justitie dezes Gouverne¬ Ments de Hoorn, Petrus van Zeijl, dewelke deeze zijne voorenstaande vraag-articulen met de daar op gegeevene antwoorden van woerde tot woorde klaar en duydelyk voorgeleezen zynde, verklaerde daar bij te blijven persisteeren, met begeerte, dat daar niet bij of afgedaan worden zal. /:onderstond:/ Aldus gerecelleerd aan Cabo de goede Hoop den 22. Februarij 1788. /was geteekend:/ Petrus van Zeijl. daar onder/ mij praesent. / was geteekend. ) S J Vd Niet gesw: Clercq (in margine:) als gecommittt. (was geteekend:/ WJHeede van Oudtshoorn, J: C:s Gie. plaats, genaamd het Laete Water geleegen aan de oorlogs Clooff woonagtig te zijn. baortig Burger aan Waar hij Gede. woonagtig is of hij gede kent den Oud- veld„ wagt meester Adriaan van Zijl, neevens zyne Eeide Zoonen Andries en Petrus van Zeijl, mitsgaders de hottentotten en bastaard Hottentotken, Piet Eyland, kleine Piet Eijland, Siet Namacqua, Andries Ruyter, Paul, Gerrit Stoffel en Gerrit Beer Arb: 1. des geds in persoon zijn naam Ouderdom, geboorte: plaats en qualiteit. Articulen gedaan maken en aan Heeren Gecommitt:s uijt den E: Achtb: Raade van Justitie deezes Gouvernements, overgegeeven doer ende van weegens den ondergetee„ kende Land Drost van Stellenbosch en Drakensteijn Hendrik Lodewijk Bletterman, omme daar op ter zijner requisitie R: O: te worden gehoord, den Burger Jan Wieser, zullende desselfs te geevene antwoorden, be¬ „sijden een ijder derzelver moeten worden bekend gesteld. Compareerde voor ons ondergeteekende Gecommitt„s Uyt den E: Achtb: Raad van Justitie dezes Gouvernements gem: Johannes Wieser, dewelke op de neevens, „staande vraag articulen soodanige antwoorden ge„ „geeren heeft, als bezyden een ider derzelver staan aangeteekend. Recollement. zegt Ja. Art: 4. Jaaren te zijn.

NL-HaNA_1.04.02_4336_0182 view scan ↗

English

Article 4. Question: Whether the respondent in the month of May or June 1786, with the aforementioned persons, all set out on a journey inland. Answer: Says yes, on a Commando. Question: Who gave the respondent permission in person for this, or on whose order he did so. Answer: Says that van Zijl wrote a letter to the Governor to go conduct a land-tribunal. Question: Whether the respondent does not know in person that no one is permitted to undertake a journey inland without previously having obtained permission for it from the Right Honourable Governor. Answer: Says yes. Question: Whether the respondent in person with all the aforesaid persons proceeded to the Namaqua Land, and so subsequently along the great river. Answer: Says yes, to the great river. Question: Whether any provisions were taken along for that journey, furthermore some merchandise, such as beads, knives, and a quantity of tobacco. Answer: Says yes. Question: By whom the aforesaid goods were taken along, or who purchased them all, or where they were purchased. Answer: Says that Barend Lubbe brought them along without knowing by whom they were purchased, or from whom. Goods from the Cape. Article 9. Question: Whether the respondent in person also had any share in the aforesaid purchased goods. Answer: Says yes, half. Question: Whether the aforesaid former field-sergeant van Zijl ordered the Hottentots and bastards to go with him to trace and pursue the Bushman Hottentots who had stolen the livestock of the burgher Paul Karsten. Answer: Says that van Zijl commanded a commando, but that no one came, and that he, the interrogated, then with van Zijl and his two bastard Hottentots undertook the journey to the great river. Question: Whether the aforesaid Adriaan van Zijl then made known to the aforesaid Hottentots taken along that it was not necessary to pursue the robbing Bushman Hottentots further, but that his intention was to go shoot elephants, and then to sell their teeth to the Honourable Company, and to give each of those Hottentots a portion of them. Answer: Says yes. Question: Whether the bastard Hottentots Paul, Gerrit, and Stoffel turned back under the pretext that Gerrit was sick and Paul and Stoffel would stay with him. Answer: Says no. Question: Whether the respondent in person with all the aforesaid persons continued the journey along the great river. Answer: Says yes. Article 14. Question: Whether some pack-oxen were subsequently hired by the aforesaid Adriaan van Zijl from one of the Hottentot kraals on this side of the great river and were loaded with a quantity of beads, knives, tobacco, and a portion of provisions. Answer: Says yes. Article 15. Question: Whether both wagons taken along by them were left behind there, under the supervision of the Hottentots Andries and Jas. Answer: Says yes. Article 16. Question: Whether 40 Hottentots were subsequently hired by the aforesaid van Zijl from the third kraal of the Namaqua Hottentots to make the journey further inland. Answer: Says that indeed a large number of Kaalkoppen went along, without them being hired. Article 17. Question: Whether the respondent in person then continued the journey further, subsequently crossed the great river and arrived at a tributary of the said great river called the Yellow River, and then directly there on the other side a multitude of Hottentots appeared. Answer: Says yes. Article 18. Question: Whether those Hottentots call themselves the Nunequinqua or Corinqua Hottentots. Answer: Says yes, and that he, the interrogated, heard that people call those Hottentots Nunequinqua. Article 19. Question: Whether the respondent in person together with the said Adriaan van Zijl and both sons of the said van Zijl named Petrus and Andries immediately dismounted from their horses, and whether live ammunition was fired into those Hottentots by the aforesaid van Zijl as well as both of his sons. Answer: Says that the Nunequinqua first insulted them and said that they were used to fighting with the Dutch, and that the Christians should just come out, whereupon those Nunequinqua were the first to shoot with arrows, after which this was answered with live ammunition by the interrogated, the aforesaid van Zijl, his both sons, and the Hottentots. Article 20. Question: Whether, after the third shot was fired by the aforesaid van Zijl and his aforesaid sons, the respondent in person also began to shoot with live ammunition into those Hottentots. Answer: Says as before. Article 21. Question: Whether the aforesaid van Zijl then went behind the Hottentots Piet Eyland, little Piet Eyland, and the bastards with his musket, the cock of which was pulled down, and thus forced those Hottentots to shoot into the aforementioned Hottentots, saying, Goddamned rabble, why do you not shoot, do you not see that I am shooting, and if you do not shoot, you will get the same from this head. Answer: Says that van Zijl shot first, and so forth, all of them; says that van Zijl did not force those Hottentots to shoot, but says that all shot together, and that they shot along of their own accord. Article 22. Question: Whether that shooting at the aforementioned Nunequinqua or Corinqua Hottentots did not continue from about eight o'clock in the morning until the afternoon. Answer: Says yes.

Dutch transcription

zegt za: op een Commando. Art: 4. zegt, dat van zijl een brieff aan de Gouverneur geschree„ „ren heeft om een sand- tregt te gaan doen: zegt ta. zegt Ja: nade groote revier. zegt Ja. zegt, dat Barend Lubbe die meede gebragt zonder te Heeten, door wie ingekogt of hij ged:e in de maand Meij of Junij 1786. met de vooren¬ persoonen, alle zig op eene togt landwaards in heeft begeeren. Wie hem in Ged:e in persoon hier toe heeft permissie gegeeven, off op wiens ordre hij rulks heeft gedaan. of hij gede in persoon niet weet dat niemand een togt Landwaards En vermag te onderneemen, zonder daar toe alvoorens permissie van den WelEdelen Gestrenge Heere Gou¬ verneur te hebben bekomen. of hy gede in persoon met de voorz: persoonen allen zig na het Namacqua-Land, en zoo ver¬ volgens de groote rivier langs heeft begeeven. of er tot die reijze meede genomen zijn eenige provisien, voorts eenige Koopmanschappen, als korgalen, messen, en een quantiteit tabak. door wien de voorsz: goederen zijn meede genomen, of wie dezelve zegt Ja. alle heeft ingekogt, of waar ter plaatze dezelve ingekogt zijn 8. goederen van de Caab heeft legt Ja. zegt neen. off voorm: Adriaan van Zeijl als toen aan de voorm: meedegenoe„ „mene hottentotken heeft bekend gemaakt niet nodig te zyn de roo„ vende bosjesmans hottentatten verder te vervolgen, maar zijn in„ tentie te zijn om Oliphantien te gaan schieten; en als dan de tanden daar van aan d' E Comp:e te verkoopen, en yjder dier hottentotten een portie daar van te zullen geeven. of de bastaard Mettentotten saul Gerrit en Stoffel, onder Voorwendse dat Gerrit ziek was en Paul en Stoffel bij denzelven zoude blijven te rug gekeerd zijn. of hij ged:e in persoon met de voorm: persoonen alle de rijze langs de groote rivier heeft voortggezet. . of Voorm: oud veldwagtmeester van Zijl aan de hottentotten en bastaards heeft gelast met hem meede te gaan om de bosjesmans hottentatten, dewelke het Zee van den Burger Paul Karsten geroofd hadden, na te spooren en te vervolgen. zegt, dat van zeijl een Com„ mando gecommandeerd heeft, maar dat 'er niemand gekomen is, en dat hij gevr: taen met van zeijl en zijne twee bas„ taard hottentotten de reijs na de groote rivier hebben aangenoomen. zegt Ja: de helft. of hij ged:e in persoon ook eenige portie in de voorsz: ingekogte goederen heeft gehad? Art: 9. Art: 14. ƒ 5½ O. 7. of bij wien. „ 8. 13. 12. 11. Art: 14. Legt Ja: Legt Ja. zegt, dat er wel een groot getal Kaalkoppen zijn meede gegaan ^ zonder dat die gehuurd zijn. zegt Ja en dat hij gev: gehoord heeft, dat man die kottentatten noemd Nunequinqua. eerst gescholden hadden Legt dat de huncquinqua en geegt dat zij geween zegt, dat alle te zamen geschooten hebben, en dat zij uit hun eigen Meede geschooten hebben. volgens alle. off door voorm: Adriaan van Zeijl Waar na eenige draag ossen van een der Hottentots kraalen aan deeze zyde der groote rivier zijn gehuurd en dezelv met een partij koraalen, messen, tabak en een bedeelte provisie zijn belaaden. of de beide waagens door hun meede genoomen, als staen aldaar zijn agter „gelaaten geworden, onder toezigt van de Bottentottan Andries en Jas. of door voorm: van Zeijl vervolgens Uijt de derde kraal der Namacqua Bottentotten 440 hottentlotten zijn gehuurd, om de reijze meede verder landwaards in te doen. of hij Gede in persoon daer op de Reyze meeder voortgezet heeft, Vervolgens de groote risier gepas¬ „seerd en gekomen is, aan een spruijt van dezelve groote rivier, de geele rivier genaamd, en als toen diract aldaar aan de overzeijde een me¬ nigtie hostentotten ten voorschijn zijn gekoomen. of hij gede: in persoon neevens gem: Adriaan van Zeijl en de bijde zoonen van denzelven van zeijl met namen had om te schieten, maar =lotten niet genoodzaakt dat Aan zeijl die hatten: geschooten had en zoo ver„ zegt dat dan zijl 't' eerst zegt als vooren. waaren met de Duijtschers te vegten, en dat de Christenen maar uijtkomen moesten, waarop die nunequinqua het eerste met pijlen Schooten, zynde ver¬ „volgens zulks door den gev:e voorsz: van zeijl zyne beyde zoonen en de hottentotten met scherp beantwoord Art: 19. off dezelve hettentatten zig noemen de nuncquinqúa of corinqua hot „tentotten. of, na dat door voorm: van Zeijl, en zijne voorm zoonen, de derde schoot gedaan zijnde, hij gede in persoon ook onder de¬ zelve nottentotten heeft beginnen met scherp te Schieten. of Voorm: Aan Zijl zig als toenagter de hottentotten, Piet Eyland, kleijne Piet Eijland en de bastaards heeft be„ „geeren met zijn snaphaan waar de haar dan neergehaald was, en de zelve hottentatten dusdanig tot het schieten onder de voormelde hottentotten heeft genoodsaakt met het zeggen I: V: Verdom de Goed, waarom schiet Jyluy niet, ziet zy luy niet dat ik schiet, en als zijluij niet schiet, dan zal Jijluij van deselfde Cop krijgen: of dat schieten op de voorm: nimequinque of Corinqua hottenlatten niet heeft aangehouden, van des Morgensciree act uuren tot in den namiddag. zegt Ja. Petrus en Andries terstond daerop van hunne paarden gesteegen en zoo door voorsz: van zeijl, als zijne reede zoonen onder dezelve hottentotten met scherp is geschooten geworden. waaren Petrus Art: 23. 15. 16. 17. 18. 22. 21. 20.

NL-HaNA_1.04.02_4336_0184 view scan ↗

English

Article 23 States no. Says that he did see the Hottentots take flight, but did not see any of them fall. Says that the Kaalkoppen did get 300 head of cattle, but the others not many. Says no. Says that the Hottentots Says no, that the Kaalkoppen were already across that river with Piet Eyland, but that Piet Eyland brought about six cattle with him through him alone. Says further that the following day he, the deponent, and the accomplice went across the river and then received forty-some head for his share from the Kaalkoppen. 26. Whether the number was not two hundred and sixty-two. Whether Piet Eijland recounted to the mentioned van Zeijl that eight Hottentots were shot dead by him, van Zeijl, his two sons, and the defendant in person, and two women jumped into the water out of fear and drowned. Says he does not know this. States yes. Says further, all the cattle that van Zeijl received for his share and he, the deponent, received amounts together to 860 head, of which he had half and van Zeijl enjoyed the remainder. Whether the so-called Kaalkoppen stayed behind because they had more cattle than the deponent and van Zeijl. 24. Whether thereupon by the aforesaid Adriaan van Zeijl, the Hottentot Piet Eijland along with some of the other Hottentots were sent through the aforesaid creek to take away the cattle of the Hottentots on the other side and bring them to them. How many cattle were then brought to this side of the creek by the dispatched Hottentots. Whether he, the defendant in person, saw the aforesaid Hottentots take flight and some of them fall down. Whether the aforesaid van Zeijl answered this by saying: that is just as well to me as if I pull a leaf from a tree, and the Gentlemen do not even ask about a Hottentot. Whether the day after that the return journey was started from there and they subsequently arrived at the kraal where the hired Hottentots belonged at home, and whether the same hired Hottentots were discharged there by van Zeijl. 38. What the aforesaid hired Hottentots received from van Zeijl as a reward. Whether he, the defendant, having subsequently continued the return journey with the mentioned van Zeijl, his two sons, and the remaining Hottentots, approached a kraal of the Hottentots situated nearest to the Christians, and there found again the aforesaid bastards left behind, Paul, Gerrit, and Stoffel. Whether, some cattle having gone missing from the aforesaid Adriaan van Zeijl, the mentioned Paul was asked whether he also knew where the kraal was situated. 33. Whether upon this it was said by the mentioned Paul that yes. 32. Article 28. Says no. 25. 27. are. Says nothing. 31. 29. Article 28. Says that those three bastards Article 34. Article 38. States, I know nothing of that. Says, I know nothing of that. Says he did see that fifteen cattle arrived with those bastard Hottentots, but heard no shots. Says no, after he had answered, am I to seek cattle? Says that he, the deponent, and van Zeijl rode on horseback to that place, but the Hottentots did not. Says that he, the mentioned Andries Says at the great river Says, I know nothing of that. Hottentots said to van Zeijl that some cattle of theirs were in a kraal situated close by and that those people did not want to return their cattle, thus requesting help from van Zeijl, whereupon van Zeijl had given them some Hottentots along and ordered them to do no harm. 35. Whether the aforesaid Paul substantially answered in this regard: Yes Master, but will that go well, I do not know what harm those Hottentots have done. Whether van Zeijl thereupon gave his musket to the aforesaid Paul and forced him as well as the aforementioned other Hottentots to go, under the threat: you must do what I order you, and if you do not do that, the same shall happen to you. Whether the aforesaid Hottentots then went to the kraal, fired some shots, and thereby put the Hottentots of the other kraal to flight, subsequently bringing 15 cattle of the same to van Zeijl. Whether by the aforesaid van Zeijl it was then substantially said: it is good that you know it, you must go there tomorrow with little Piet Eyland, Piet Namacqua, Gerrit Ruijter, Gerrit Heer, and shoot all the Hottentots there dead, and take all the cattle away, for all the Hottentots who live here are rascals, just like the Bushmen. had only struck with 14 to 15 lashes, without the rest being true. Whether the mentioned Adriaan van Zeijl, along with him, the defendant in person, having then mounted horses, made the aforesaid Jas and Ruijter run ahead of the horses as fast as the horses to the aforesaid place, the Hartebeesten River. Whether upon their arrival there, the servant stationed there, the citizen Jan Blom, wanted to explain to them how the cattle had come to them. he did not know where the missing cattle of his were, to which Blom answered. 42. Whether the aforesaid Adriaan van Zeijl then had the Hottentots Andries and Jas, who had the supervision of the cattle, laid down and had them beaten by the other bastard Hottentots to such an extent that the marks were still visible until recently. Whether he, the defendant in person, having arrived with the rest of his company at the place of the citizen Petrus Pienaar, called the Hartebeesten River, had missed some cattle in the morning. Whether the mentioned Adriaan van Zeijl, both then and afterwards, often scolded the Hottentots for having brought along so few cattle from that Hottentot kraal. Article 38. 36. 37. to have found cattle. guard 41. 40. 39.

Dutch transcription

Art: 23 Legt neen. zegt die hottentotten wel de vlugt te hebben zien nemen, maar niet te hebben gezien er eenigen zouden gevallen zijn. zegt dat de Caal koppen Wel 300 beesten gekreegen hebben maar de andere niet veel zegt neen. zigt dat de hottentatten zegt neen dat de Caalkoppen over die rivier reets waaren met piet Eyland, maar dat piet Eyland, alleen door hem omtrend zes beesten heeft meedegebragt. zegt verder, dat des anderen daags hy getre. en de meede complice over de rivier zijn gegaan en als toen in de veertig afder voor zijn aandeel ovan de Caalkoppen te hebben gekreegen. 26. of het getal niet is geweest twee honderd twee en sestig. of piet Eijland aangemelde van Zeijl heeft verhaald, dat er agt hottentetten door hem vn Zeil zijne beide zoonen en den gede in persoon zijn dood geschooten, en twee wijken uytangst in het water gesprongen en verdronken zegt zulks niet te weeten. Legt Ja. zegt werden, al het zee dat van zeijl voor zijn aandeel hebben ontfangen en hy getr: ontfangen heeft bedraagt te zamen 860 stuks waar van bij de helft, en van zeijl de resteerende heeft genooten off de zaagenaamde kaal, Koppen agter uyt gekleeven zijn, om dat zij meer vee hadden als de getr: en van Zeijl. 24. off daar op door voorm: Adriaan van Zeijl, de hottentotten Piet Eijland neevens nog eenige der andere hotten tothen, door de voorsz: spruijt zijn gezonden, om het zee van de hotten, totten aan de overzijde weg te neemen en bij hen te brengen. hoe deele beesten dan door de affge¬ zondene hattentotten aan deeze zyde 6der spruijt zijn gebragt of hy Ged:e en persoon de voorm hottentotten heeft zien de vlugt neemen en zommigen derzelver Nedervallen. off voorm: van zeijl zulks heeft beantwoord met het zeggen: dat is voor my evenzoo goed, als aff it een bleed van een boom trek en daar vreegen de Heeren niet eens na een hetten tot off daags daar aan van daar de te Rug reijze is begonnen en zil: vervolgens gekomen zijn aan die kraal, alwaar de gehuur de hottentatten te huijs be„ „hoorden en of dezelfde gehuurde hatten„ totten aldaar door van zeijl zijn afge„ dankt 38. Wat of de voorsz: gehuurde hotten, totten van van zeijl tot belooning of hij ged:t met gem: van Zeijl zyne beide zoonen en de overige hotten stotten vervolgens de terug reijle voortgezet hebbende, genaderd is by een het naast bij de Christenen geleegene craal den hottentotten en aldaar weder hebben aangetroffen de voorm: agtergelatene bastaards, Paul, Gerriten Stoffelz of door Voorm: Adriaan van Zeijl eenig vee ontrekt zijnde aan gem: Poeul is gevraagt, of hij ook wist waar de kraal geleegen was 33. 8 off hier op door gem: Saul is gezegt van Jafe 32. Art: 28. zigt neen 25. 27. zijn. zegt niets. 31. 29. Art: 28. zegt dat die drie bastaard Art: 34. Art: 38. Legt, daar weet ik niet van. zegt, daar weet ik niets van. zegt wel te hebben gezien dat er vyftien beesten gekomen zijn met die buwaard Zettentotten, maar geen Schaoten geekeerd te hebben. zegt neen, naar dat hij gere woord had ben ik zou beesten zegt, dat hy gesr: en Van zeijl te paard, na die zegt, dat hij gem: Andries zegt aan de groote rivier zegt, daar weet ik niets van. Battentotten aan van zeijl gezegt hebben, dat er eenig lee den buin in een daar digt by geleegene kraal bevonden en dat dat Volk hun zee niet wilde te rug geeven verzoekende dus van zeijl om hulp, waarop van Zeyl hun eenige kotten, tots meedegegeeven had en geordonneerd om geen knaad te doen 35. off doorm: Paul in diervregen substantieelyk heeft geant woond: Ja Baas maar zal dat goed gaan, ik niet niet wat kwaad die hatten tetten gedaan hebben off van zeijl daer op zijn snaphaan aan voorn: Paul gegeeven in den zelven zoo wel als de evengem: Andere hottenlatten gedwongen heeft om te gaan onder toeteguig¬ tie Jullen moet doen, wat H Jalliy Ordonneer, en als zullen dat niet daed, zal Jylluij van het zelfde verkomens off de Toorm: Fettentaken als toen naar de kraal zig begeeren, eenige schooten gedaan ende kosten tetten dan de heere kraal, daar door op de Vlugt gedreeken hebben, dervolgens van dezelfde 15 beesten by Jen zeijl hebben gebragt off doer voorm: van zeijl als toen In substantie is gezegt, 't is goed, dat gy het weet aij maet met kleine Piet Eyland, Siet Namacqua Gerrit Ruijter, Gerrit Heer morgen daar na toe gaan en schieten alde zetten totten daar daad, en neemen al het zee weg, want alle die het, tentots, die hier woonen, zyn Schel¬ men, zoo als de Bosjesmans alleen geslagen had, met 14 a 45 swagen, zonder dat het overige waar is. plaats gereeden zijn maar die hettentetken niet of gem: Adriaan van Zeijl neevens hem gede in persoon daar op te paard gesteegen zijnde, voorm: Jas en Ruijter, voor de paarden uijt zoo mel heeft doen loopen, als de paarden, naar de voorm: plaats, de harte beesten rivier of bij hun komst aldaar den aldaar bescheiden knegt, den hij niet wist, waarde ver¬ Burger Jan Blom hun heeft willen beduijen, hae het zee bij hun was gekoomen gevraagd had aan Blom, off miste beesten van hem getad 42. varen, waar op solom geant¬ off voorm: Adriaan van Zeijl als toen de Fettentotten Andries en Jas, dewelke de toezigt over het tee hadden, heeft daer nederleggen en van de andere bestaards hetten, totten dermaaten doen slaan, dat er de teekenen nu onlangs nog aan te zien geweest zijn off hy ged:e en persoon nevens de Overige van zijn gevolg gekomen zynde tot aan de plaats van den Burger Petrus Sienaar, de harteleesten tiveer genaamd des morgens eenig zee heeft termist gehad? off gem: Adriaan van Zeijl de zettien latten, zoo wel toen als daarna dikwils heeft beknord, dat zoe weinige beesten van die hottentotten kraal hadden meede gebragt. Art 38. 36. 37. veest gevonden te hebben. wagter 41. 40. 1 39.

NL-HaNA_1.04.02_4336_0186 view scan ↗

English

Article 43. Whether the defendant in person and the aforementioned van Zeijl climbed down from their horses and, without wishing to hear that man, beat the same Blom with a sjambok to such an extent that he crawled on the earth and remained lying there, and thereupon had the cattle driven out of the kraal. Answers that he only gave two slaps with the hand to Blom. Article 44. Whether the aforementioned Jan Blom did not testify that the cattle missing from Jan and their party had been found by his herdsmen in the veld, that they had brought the same to the kraal, and thus had taken it into his custody. Answers no. Article 45. Whether the defendant in person, upon his arrival home, obtained 80 head of the stolen cattle as his share. Answers yes. Article 46. Whether the defendant in person afterwards also learned that the Hottentots, from whom the cattle had been stolen, pursued their party, and having arrived at the aforementioned Blom, had turned back upon the advice of the same. Answers no. Article 47. Whether the present field-sergeant, Willem Adriaan Nel, at the end of the month of August of the past year 1787, gave notice to the defendant in person, as well as to the Hottentots who were residing with the defendant in person and with van Zeijl, that he and the same Hottentots would have to appear before the petitioner in the following month of September. Answers yes. Article 48. Whether the defendant in person thereupon conferred with the aforementioned Adriaan van Zeijl to have a parcel of cattle, both belonging to the defendant and to the same van Zeijl, driven hither by the Hottentots Andries and Ruijter, together with a Bushman-Hottentot, under his defendant's supervision and that of Andries van Zeijl. Answers yes, but to have arrived at the farm of his brother at the end of the month of October. Article 49. Whether the defendant in person, along with the aforementioned Andries van Zeijl, consequently had the cattle driven hither by the aforementioned Hottentots, Andries and Ruijter, together with the Bushman-Hottentot, and subsequently arrived at the beginning of the month of November of the past year at the farm of his brother, the burgher Pieter Benjamin Wieser. Answers yes, but to have arrived at the farm of his brother at the end of the month of October. Article 50. Whether the defendant in person, while there at the place, told the aforementioned Hottentots Andries and Ruijter that he intended to go with them to the Landdrost. Answers no. Article 51. Whether the defendant in person told them that they should say in his presence that everything that had been made known to the Landdrost by the other Hottentots who had been with the Landdrost was untrue, because they had done nothing on the expedition except bartered cattle. Answers no. Article 52. Whether there at the place, the wife of the burgher Jan Smith, as well as the aforementioned Pieter Wieser, in the presence of the defendant's mother, the widow Wieser, as well as his brother Tobias Wieser, said to the defendant in person that it was known to the Landdrost that the defendant in person, along with the aforementioned Adriaan van Zeijl and both sons of the aforementioned van Zeijl, named Petrus and Andries van Zeijl, had shot the Hottentots dead. Answers no, that such was not said to him. Article 53. Whether the defendant in person, immediately upon this report, sent off a Bushman-Hottentot to the aforementioned Adriaan van Zeijl in order to advise him not to proceed to the Cape according to the agreement, but to come directly to the defendant in person at the farm of his brother Pieter Wieser, since the defendant in person was now not intending to go to the Landdrost. Answers that he did indeed write a letter and requested van Zeijl to come towards the Cape, to put an end to the circulating rumors, and for the rest that everything is untrue. Article 54. For what reasons the defendant in person did not appear before the petitioner. Answers because his horse was lame. Article 55. Whether the defendant in person, at the farm of his aforementioned brother Pieter Wieser, divided the cattle driven up and sent his share of cattle to his mother's farm, the Jonkersdrif, and the share of the aforementioned van Zeijl to the farm of the burgher Jacobus Louw, at the Visrivier. Answers yes. Article 56. Whether the aforementioned Hottentots Andries and Ruijter have returned, or whether the defendant also knows whither they have gone. Answers no. Article 57. Whether, before the departure of the defendant in person from the Bantam hither, the aforementioned Hottentots Andries and Ruijter were instructed by the defendant and the aforementioned Adriaan van Zeijl that, upon their arrival at Stellenbosch, they must make known to the Landdrost that on the expedition of the defendant, the aforementioned van Zeijl, and his two sons, nothing was done except cattle bartered, and above all not to say that they had shot the Hottentots dead, for if they made this known, the defendant and van Zeijl would shoot them dead just as he intended to do with the other Hottentots who had already made such known. Answers no, having said nothing. Article 58. Whether the defendant in person has heard that the aforementioned Adriaan van Zeijl had the child of the Hottentot Ruijter, named Antje, hanged by the arms from a tree. Answers to know nothing of it, but to have heard that the child who previously was with them had to endure this.

Dutch transcription

Art: 43. zegt maar twee klappen met de hand door hem gev„ aan Blomgegee „ten te zijn. zegt neen! zegt Ja. Legt neen. Legt Ja zegt Ja, maar in 't laatst dder maand October op de plaats van zijn broeder gekomen te zijn. zegt Ja, maar in 't laatst der maand octoker op de plaats van zin broeder gekomen te zijn. off hij ged:e in persoon en gem: van zeijl van het paard afgeklom„ „men, zonder die man te willen hooren„ denzelven Blom, dusdanig met een Sjambok hebben geslaagen, dat hy op de aarde gekroopen en is bliven leggen en daar op het zee uit de Craaf hebben doen Jaagen of gem: Jan Blom niet heeft be„ „tuigd, dat het Jan hunl: vermiste zee door zijne wagters in het veld gevonden zijnde, dezelve het Heein pr de kraal gebragt hebben, en dusdanig bij hem in bewaaring genoomen! off hy ged e en persoon by zyn te huis komst van het geroefde see 80 stuks door zyn aandeel heeft bekomen. of hy ged:e in persoon daar na ook heeft vernoomen, dat de Hottentotten, waar van het dee was geraaft, hun lieden agtervolgd is en gekomen zynde bij voorsz: Blom, op aanraading van den zelven te rug waaren gekeerd! of den teegenswoordigen veld Wagt- Meester, Willem Adriaan Legt neen„ Nel in het laatst der maand Augustus des gepasseerden Jaars 887. hem ged. e in persoon, zoo wel als de kottentetten die by hem Ged:e in persoon en bij van zeijl woonagtig waaren heeft aangezeegt zegt neen. of zij ged:e in persoon, als daar ter plaatse aan de voorsz: hottentotten Andries en Ruijter heeft gezegt voor „neemens te zijn met hunlieden na de Land Drost te gaan 50: of hij ged:e in persoon aan hunl: zin heeft gezegt dat zilieden in pree¬ sentie zoude zeggen, dat alle het geene door de Oosige by hem Land Drost geweest zynde Fattenlotten aan hem tLand Drost beekend is gemaakt, tegentaal off hij ged:e in persoon neevens voorm: Andries van Zeijl, dienvolgens daor de voorsz: Pottentotten, Andries & Ruijter, mitsgaders den bosjesmanshottentot, het zee herwaards heeft doen opdrijven„ en vervolgens in het begin der maand November des gepasseerden Jaars ge„ „komen is tot de plaats van desselfs broeder den burger Pieter Benjamin Wieser. dat hij en dezelve hettentotten de daar op volgende maand september by den req:t zouden moeten verscheenen. Art: 48. off hij ged:e in persoon daar op met voorm: Adriaan van Zeijl heeft overlegd, om een parthij vee zoo van hem ged. e als van denzelven van zeijl door de Pottentotten Andries en Ruijter, mitsgaders een bos„ „jesmans hoffen tot onder zyn ged:se opzigt, en dat Aan Andries van Zeijl her„ waards op te doen drijken dat was 44 45. 46. 1 47. 51. 49. was want dat zijl: niets op de togt Art: 55 zegt neen, zulks hem niet door te staan. hebben. zegt neen, niets gezegt te zegt Ja:s zegt neen! zegt, daar niets dan te Weeten, maar welge¬ „hoord te hebben, dat zegt om dat zijn paard Kreupel twas. zegt stel een brieff geschree„ „ven te hebben en hem van zeijl verzogt om Caatwaards te komen, om de rouleerende praatjes te sluijten en Voor het overige alles on¬ hadden gedaan, als zee geruijld: Art:s 52. of aldaar ter plaatse door de huis Vrouw van den Burger Jan Smith, mitsgaders door voorm. Pieter Prieser, in praesentie van zijn ged: Moeder de Weduwe Wieser mitsgaders zijn broeder Tobias Wieser aan hem gede in persoon is gezegt, dat het by den Land Drost bekend was, dat hij ged=e en persoon, neevens voorm: Adriaan van zeijl en de beide zoonen van evengem: van Zeijl, met naamen Petrus en Andries van Zeijl, de hottentatken zouden hebben daad gescheten„ of hij Ged:e in persoon terstond op dit beriept een bosjesmanshotten tot naar voorm: Adriaan van Zeijl heeft afgezonden, ten einde hem af te raaden, niet volgens afspraak naar de Caab te begeeven, maar direct by hem gede in persoon op de plaats van zijn broeder Pieter Wieser te komen, terwijl hij ged:e in persoon op de plaats van zyn broeder Pieter Nieser te komen; terwijl hij gede in persoon thans niet van Voornee„ men was, na den LandDrost te gaan. 54. om welke redenen hij ged:e in persoon niet bij den reqt. genomen is het kind, die bevoorens of de Voorm: Pettentottan Andries en Ruijter te rug gekomen zijn, dan of hij gede: ook weet verwaerds zig begeeven hebben! 58. of hij ged:e in persoon heeft gehoord, dat voorm: Adriaan van Zeijl„ het kind van den Botten tot Ruijter met naame Antje, onder de armen aan een boom heeft doen ophangen of hij ged:e in persoon op de plaats van zine voorm: broeder Pieter Wieser het opgedreeven zee verdeeld en zijn gedeelte tee naar zijn moeders plaats, de Jonquas driff heeft gezonden, en het gedeelte van voorm: van zeijl na de plaats van den Burger Jacobus Louw, aan het Visch Watter. ofte reeds voor zijn gede in persoon vertrek uit den Bantam maar herwaards door hem ged:e en voorm: Adriaan van Zeijl, de voorm: hetten„ totten Andries en Ruijter is aangezegt bij hun komst aan stellenbosch, aan den Landdrost te moeten bekend maaken, dat op de togt van hem gede voorsz: van zeijl en zijne beide soonen niets is ge= daan als zee ingeruijld, en voor al niet te zeggen, dat zijl: de hottentotten hadden daafgeschooten, want, zoo zij l: dit be„ „kend maakten hy ged:e en van zeijl„ hun even zoo zoude doodschieten als hij voorneemens was met de andere holten„ totten te doen, die zulks reeds hadden bekend gemaakt. 55. bij en „ waar te zijn 53. 56: 57.

← previousnext →