VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 4336

Cape · 410 pages · 215 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_4336_0188 view scan ↗

English

had lived with van Zeijl R Jrd Riet, sworn Clerk. says he knows nothing earlier for his defense. and after that maid Antje, having wandered about for some time, was finally shot dead with a bullet by Willem van Zeijl at van den Heever's says that he, the prisoner, finds no harm in shooting Bushman Hottentots to death, nor in fencing and receiving stolen goods if they originate from Bushmen, but indeed if such is done to Christians or comes from Christians and is taken from good Hottentots. Thus questioned and answered at the Cape of Good Hope on 18 February 1788, before the Messrs. Willem Ferdinand van Rheede van Oudtshoorn and Johan Coenraad Gie, members of the Honorable Council of Justice aforesaid, who have duly signed the original of this, together with the appearer and me, the sworn Clerk. lower which I witness What he, the prisoner, in person knows to put forward for his defense 60. Whether he, the prisoner, understands that by violently taking from the said Hottentot nation and putting the said Hottentots to death, he has made himself punishable in the highest degree. Article 59. and even beaten with a sjambok, subsequently had shot to death by his son Willem van Zeijl, but that this child, having only been wounded in the head by the aforesaid Willem with two shots, the same subsequently stoned the child to death. Confirmation of Deposition Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this Government, the aforementioned Jan Wieser, who, these preceding interrogatory articles of his, with the answers given thereto, having been read aloud clearly and distinctly word for word, declared to persist therein, not desiring that anything more shall be added or removed, as being the pure truth. Thus done and confirmed at the Cape aforesaid, 22 February 1788. was signed: Js Jacobus Wiese lower in my presence was signed: RWW Riet, sworn Clerk. in the margin as commissioners was signed: WJ V Reede van Oudtshoorn, JC Gie was signed: is. E Respectfully shows the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewyk Bletterman, That on 19 May of the past year 1786, there having been sent to the petitioner by the Most Noble and Severe Lord Governor a letter addressed to his Honor and dated 13 April prior, written by the then Field-Commandant in the Hantam, Adriaan van Zeijl, containing a request to go shoot elephants and to be allowed to take some volunteers along, his Honor had told the bearer of that letter that he could not permit such, as his Honor considered that greater opportunity would be given to the marauding Bushmen to cause harm to the inhabitants there, and also did not know whether he, van Zeijl, would have to go out with the planned commandos; the petitioner thus expected of him, van Zeijl, not to act against the order of the aforementioned Lord Governor, all the more because a short time before, he had presented to the Council of War at Stellenbosch the necessity of undertaking a commando against the marauding Bushmen, and also to that end had demanded carts, horses, and provisions from the residents living there to fetch powder and lead, and had also received the cart and horses, yet did not employ them for that purpose, and only on 6 June following, upon To the Most Noble and Honorable Lord Johannes Isaak Rhenius, President, together with the other Honorable Members of the Honorable Council of Justice of this Government. his

Dutch transcription

bij van zeijl gewoond had R Jrd Riet gezw: Clercq. zegt niets tot zijn Verschooning Eerder te weeten. en na dat die meid Antje met rondsnerven eenigen tijd had rond geloopen, ein„ „delijk door Willem van Zeijl dervolgens bij van den Heerer met een koagel doodgeschoten zegt dat hij gev: geen kwaad Vind in het doodschieten van bosjesmans hotten, totten, noch ook niet in het heelen en ontfangen van geroofde goederen, als die van bosjesmans afkomstig zijn, maar wel als zulks aan Christenen gedaan off van de Christenen komen en van goede hottentots chaalen. Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de goede Hoop den 18 Februarij 1788. voor de Heeren William Ferdinand van Rheede van Oudshoorn & Johan Coenraad Gie, Leeden uit den E: Achtb Raad van Justitie voormeld, die de minute deezes, beneevens den Comp:t ende mij gesw: Clercq meede behoorlijk hebben onderteekend. /:lager / 't welk ik getuige Wat hij gede in persoon tot zijn verschooning weet bij te brengen 60. off hij ged:e begrijpt met het tee van dezelve hetten tots natie ge= Weldadig te ontneemen en dezelve hottentatten om het leven te brengen, zich ten hoogsten straffwaardig te hebben gemaakt. Art: 59. en zelfs met een sjambak geslagen, vervolgens door zijn soon Willem van Zeijl laten doodschieten doeh dat dat kind door voorm: Willem met twee schooten slechts aan het hoofd gequelst zijnde, denzelven het kind vervolgens heeft daad gesteenigd. Recollement Compareerde voor ons onderget:de gecommitt:s uijt den E: Achtb: Raad van Iustitie deezes Gouvernements de voorn: Jan Wieser, dewelke deeze zijne vorenstaande vraag articulen met de daar op gegeevene antwoorden, van waerde tot woorde klaar en duidelijk voorgelezen Weezende, verklaarde daar bij te blijven persisteeren, niet begeerende, dat er iets meer bij gevoegd of gedaan worden zal, als zynde de zuyvere Waarheid. Aldus gedaan en gerecolleerd aan Cabo voorm: den 22 febr: 1788. /was geteekend:/ J:s Jacobus Wiese /:lager/ mij present /was geteekend:/ RWW Riet gesw: Clercq. /in margine / als gecommitt:s /was geteekend:/ W: J: V: Reede van oudtshoorn Gt C: Gie /:was geteekend/ is. E Vertoond met verschuldigde Eerbied den Land Drost van Stellenbosch en Drasenstein, Hendrik Lodewyk Bletterman, Dat op den 19 May des gepasseerden Jaars 1786, door den Weledelen Gestrengen Heere Gouverneur, aan den Vert: gesonden zijnde een brief door den toenmaligen Veldmacht- meester in den Hantam Adriaan van Zeijl, aan zin WelEdele Gestrenge geaddresseerd, en gedateerd 13e. April daar bevoorens, enhoudende versoek om oliphanten te gaan Schieten, en eenige Vrijwilligers te moogen meede neemen, zijn WelEdele Gestrenge aan den vlager van dien brief had gezegt, zulks niet te kunnen per¬ mitteeren, terwijl zijn WelEdele Gestrenge verweende aan de roerende bosjermans meerder gelegenheid zou worden gegeeven, om de ingezeetenen aldaar nadeel toe te brengen, en ook niet wist of sij van Zeijl met de beraamde Commandoos zou moeten uitgaan, den Vertr dus van hem van Zeijl heeft verwagt, niet tegen de ordre van Welgem: Heere Gouverneur te zullen handelen, te meer daar hy korten tyd bevoorens, bij den krijgs raad te stellenbosch, de naadsakelykheid eener op de roorende bosjesmans te doen & Commando had voorgedraagen, ook ten dien einde van de aldaar Woonende opgeseetenen kar, paarden en provisie afgeëischt om kruit en loed aftehalen, ook de kar en paarden ontfangen, doch niet tot dat einde geëmploijeerd, en eerst op den 6 Junij daar aan op Aan den WelEdelen Acht„ baren Heere Johannes Isaak Khenius Praesident beneevens de verdere Heeren Leeden van den Edele Achtbaren Rade van Justitie dezes Gouvernements. zijn

NL-HaNA_1.04.02_4336_0190 view scan ↗

English

his request made in that regard and the reasons presented, he was discharged from his post. That the aforesaid van Zeijl, in the latter part of the month of November of the aforesaid year, brought to the knowledge of the narrator that he had made an expedition, but not to shoot elephants, but merely to barter or buy some oxen for himself, just as he declared to have bartered only 6 to 8 head of cattle for himself; and that he, van Zeijl, on that occasion having visited a nation of Hottentots called the Coracoose, was requested by them to assist them against a party of roaming, plundering Hottentots; but that the same having fled into the caves or clefts of the mountains, nothing could be undertaken against them with any success; and that he had found there, elsewhere on a height, some ore, resembling the substance of lead pencil, intending to give the same to the honorable Governor, leaving about an ounce with the narrator. And when the narrator expressed his surprise to him, van Zeijl, that he had made the expedition contrary to the order of the aforementioned Governor, he undertook to account properly for himself to His Right Honourable with a renewed declaration of not having shot any elephants. That subsequently the burgher Sebastiaan Valentijn van Rheenen, on the date 11 January of this year, made a complaint to the narrator that the aforementioned van Zeijl, having brought a large number of cattle from the Great Namaqua Land, had passed by his place there, and had caused the grass to be cut off before his cattle, with a request to forbid him, van Zeijl, from doing so and that he must carefully guard against it henceforth; while various inhabitants, both in the month of February and subsequently, indirectly informed the narrator that the rumor went as if the same Jan Zeijl had brought two hundred and eighty head of cattle, both large and small, into the Hantam, and that he, van Zeijl, for the expedition he had made, had commanded the Bastard Hottentots residing there and being present for the assistance of the Christians, without any of these reports being able to be confirmed by any proof. The narrator since spared no effort to obtain any sufficient proof of the true state of affairs, just as he finally became assured in the beginning of the month of August which person had brought the letter of the said van Zeijl to the honorable Governor, and what reply he had received, as well as that the same person had brought to the said van Zeijl a small soldier's chest with beads and knives received at the Cape from the burgher Stadeler. That the narrator, upon these reports obtained, having written on the dates 13 August and 26 September last to the present Field-Cornet in the Hantam, Willem Adriaan Nel, to send up the Hottentots and Bastard Hottentots who had been taken along by the aforesaid van Zeijl on that expedition; there came to the narrator on the 7th of the past month of October the Hottentot Piet Eland, together with the Bastard Hottentots Paul and Gerrit, saying that one of the Bastard Hottentots had been held back by the aforesaid Field-Cornet Nel, as he, Nel, happened to be a very close relative of the aforesaid van Zeijl; that they had also not been sent up by him, Nel, but had already long been of the intention, and had only waited for an opportunity, to come and make their complaint concerning the often-mentioned van Zeijl, while out of fear of the Dutch people some of the Hottentots who had been along on the expedition had already returned to the Namaqua Land; they making the following statement: That they, in the rainy season of the past year, without however being able to determine the exact day or month, alongside the Hottentots little Piet Eland, Piet Namaqua, the latter being in hire with the burgher Jan Wieser, the Hottentots Andries and Ruiter, together with the Bastard Hottentots Paul, Gerrit, Stoffel and Gerrit Beer, which last mentioned resided with the above-mentioned van Zeijl, but have now already departed to the Namaqua Land, while he, Piet Eland, and his people have their grazing places in the Hantam, and presently belonged under the command of the aforesaid Field-Cornet Nel; having been commanded by the aforesaid Field-Cornet van Zeijl to pursue the Bushmen Hottentots, who had stolen the cattle of the burgher Paul Karsten for the greatest part, with him, his two sons Petrus and Andries van Zeijl, alongside the burgher Jan Wieser; they, Hottentots and Bastard Hottentots, had obeyed that order and had followed him, van Zeijl, who had taken along two wagons. That they all having arrived in the Namaqua Land, the said van Zeijl had hired some pack-oxen from the Hottentots residing there, and had loaded them in the presence of him, Piet Eland, and the other Hottentots, with provisions and a quantity of beads and knives; only then declaring to them that it was not necessary to pursue the Bushmen, but that he was of the intention to go shoot elephants in order to deliver tusks thereof to the Honourable Company, and to give each of them a portion thereof at that time; which he, Piet Eland, did not willingly wish to do, while his cattle and that of his people in the Hantam were thereby exposed to the Bushmen; but through threats of

Dutch transcription

zijn desweegens gedaan versoek en bygebrachte reedenen, van zijn post ontslagen is geworden. Dat voorsz: van Zeijl in 't laatst der Maand November des voorsz: Jaars aan den Vert ter kennisse hebbende gebragt, dat hij een togt had gedaan, dog oms geene Oliphanten te gaan schieten maar alleen om eenige ossen voor hem in te ruilen, ofte koopen gelyk hy betuigde ook slechts 6a8 beesten voor hem te hebben ingeruijld, en dat hij van zeijl bij die gelegenheid bij eene natie der hottenlatten de Coracoose genaamd, geweest zynde, door dezelve was verzogt om hun lieden te adsisteeren teegens een partij roorende rovende hotten totterij doch dat dezelve in de haolen of klaeren der bergen gevlugt geweest zijnde, niets met eenig succes teegens dezelve heeft kunnen worden ondernoomen, en dat hy aldaar elders op eene hoogte eenig Ertz had gevonden, gelykende haer 't storff van patlood, van meening zynde 't zelve aan welgem: Heere Gouverneur te geeven, laatende omtrend eene once aan den vert:n den vert=s aan hem van zeijl zyne verwondering heeft te kennen gegeeven, dat hij de tagt teegens de ordre van opgem: Heere Gouverneur had gedaan, heeft hij aangenomen, zich behoorlijk bij zijn WelEdele Gestrenge te zullen verantwoorden, met nochwalige betuiging, geene Oliphanten te hebben geschooten. Dat vervolgens den Burger Sebastiaan Palentijn van Rheenen, in dato 11e: Januarij deezes Jaars bij den Vert klagtig gevallen zijnde, dat voormelde van zeijl een groot Aemtol beesten uit 't groot namacqua Land gebragt hebbende, denzelven zijn plaats aldaar was voor bij getrakken, en het gras voor zijn Zeehad doen afschijden, met versoek, hem van zeijd te interdi„ ceeren, zig voortaan daar voor sorgvuldig te moeten wagten, terwijl deeze en geene opgeseetenen, zoo inde maand Februarij, als in vervolg den ter: zijdelings hebben geinformeerd, dat het Gerucht ging als of dezelve Jan Zeijl, twee honderd en tachtig stuks beesten, zoo groot als klein in den Bantam, zou hebben aan„ „gebragt, en dat hij van zeijl tot zijn gedaane togt, de aldaar woonende en tot adsistentie der Christenen zich bevindende bastaards hettentotten zou hebben gecommandeerd, zonder dat een van dezelve berechten door eenig bewijs kon worden bevestigd; den vert. zeederd geen moeite gespaard heeft, om van denr waaren toedragt der zaake eenig voldoende bewijs te erlangen, gelyk hy dan eindelyk in 't begin der maand Augustus verzeekerd is geworden, welk persoons den brief aan gem: van Zeijl, aan Welgem: Heere Gouverneur heeft gebragt, en welk antwoord denzelven heeft ontfangen, mits„ „gaders dat denzelven een soldaaten kistje met Coraalen en Messen aan de Caab, by den Burger Stadeler ontfangen, aan denzelven van zeijl zou hebben toegebragt Dat den rerts. op deeze bekomene berichten, in dato 13 Augustus en 26 Septb:r Jongstl: aan den teegenwoordigen Veldwacht meester in den was Hantam „- Hantam Willem Adriaan Nel aangeschreeven hebbende de hottenleetten en bastaards thotten totten, dewelke door voorsz: van zeijl op dien togt meede genomen waaren, op te zenden; zijn op den 7:e der gepasseerde maand october bij den vert:r gekomen, den Kotten tot Piet Eland, mitsgaders de bastaard hottentotten Paul en Gerrit zeggende een der bastaards hottenlatten door voorsz: Veldwacht, Meester Nel te zijn te rug gehouden, alzoo hij Nel een zeer nabestaande van voorsz: van zeijl kwam te zijn, zijlieden ook niet door hem Nel waaren opgesonden, maar Reeds lange van voornee= men te zijn geweest, en alleenlijk na gelegenheid te hebben gewagt, om hun beklag weegens meerm: van zeijl te komen doen, terwijl, uit vreeze Voor het Duitsch volk, reeds eenige der op de togt meede geweest zijnde hettentatten te rug na 't Namacqua Land waaren gekeerd; — doende zijd: het volgende Verhaal. Dat zijlieden in 't regen saisoen van den gepasseerden Jaare, zonder echter den positeken dag of maand te kunnen bepaalen, neevens de Kottentotten, kleine Piet Eiland, Siet Namacqua, zijnde deeze laatste in huur bi den Burger Jan Wieser, de bottentotten Andries en Ruiter, mitsgaders de bastaardy hottentotten Paul, Gerrit, Stoffel en Gerrit Beer, welke laatstgem: bij bovengem: van zeijl, woonachtig waaren, echter nu reeds na 't Namacqua Land vertrokken zijn terwijl hij Piet Elanden de zijnen hunne legplaatsen in den Hantam hebben, en onder 't Commando van voorsz: Veldwachtmeester Nel, thans behoorden, door voorsz: Veldwacht-meester van zeijl gecommandeerd geworden zynde, om de bosjes mans hottentotten, dewelke voor 't grootste gedeelte het zee van den Burger Paul Karsten, hadelen geroaft met hem, zijne beide Zoonen, Petrus en Andries van Zeijl, neevens den Burger Ian Wieser te agter, „volgen, zijlieden hettentetten en bestaand hetten, lotten, aan die ordre hadden voldaan, en hem van zeijl, dewelke twee waagens meede genomen had, gevolgd waaren. Dat zij lieden alle gekomen zijnde in 't Na„ macqua-Land, gemelde van zeijl, van de aldaar zin de hottentatten, eenige draag ossen had gehuurd, en dezelve ter praesentie van hem Piet Eland, ende overige hottentotten, met provisie en een partij Coraalen en messen had beladen, als toen eerst aan hun Lieden gedeclareerd, niet nodig te zijn de boszermans te agtervolgen, maar dat hij van meeninge was, Oliphanten te gaan schieten, temeinde belanden daar van aan de E: Comp: te leeveren, en aan ieder hunner daar van als dan een portie te zullen geeven, het geen hij Piet Eland niet gaerne wilde doen, terwijl zyn en der zijner Zee in de Hantam voorde bosjes mens daar door blootgesteld wierd; dag daer dreigemanten woonagtig van

NL-HaNA_1.04.02_4336_0192 view scan ↗

English

that Van Zeijl having been compelled thereto, they had together continued the journey along the Great River for about one and a half months, where the aforementioned bastard Hottentots, Paul, Gerrit and Stoffel, had remained behind under the pretext that Gerrit was ill and could go no further, and that they, Paul and Stoffel, would take him home. That the aforementioned Van Zeijl, his two mentioned sons, the burgher Jan Wieser, with him Piet Eland, Kleine Piet Eland, Piet Namacqua, Andries Ruijter and Gerrit Beer, continuing their way, having first passed the Great River and thereafter two Hottentot kraals, had progressed three stages or three days' travel further, to a third kraal, where by the just-mentioned Van Zeijl Hottentots to the number of four hundred and thirty were hired and taken along, while he, Van Zeijl, had occupied himself along the way with shooting sea cows, in order to consume them on that journey. That having progressed, by estimation, fifteen stages or fifteen days' travel further, on this side of a tributary of the Great River called the Geel River, in the morning at about eight o'clock, they had discovered a kraal of the Nincquinqua, a kind of Namacqua Hottentots, just on the opposite side, and had seen almost all the Hottentots emerge from it, apparently to see what was happening, whereupon Van Zeijl and his sons dismounted their horses and, without these Hottentots having spoken a word to them or they to the Hottentots, fired live ammunition at those Hottentots, while the mentioned Wieser, after the first shot had been fired by Van Zeijl and his sons, had also fired at the Hottentots. That the aforementioned Van Zeijl, having fired the fourth shot and having noticed that he, Piet Eland, and his companions did not shoot, immediately went behind them with his loaded gun and cocked hammer, and while pushing them forward with the muzzle of the gun had said to them in substance, saving your reverence: damned lot, why do you not shoot, do you not see that I shoot, and if you do not shoot, then you will get a taste of the same sauce; whereupon they had also shot, but, while Van Zeijl, his two sons and the aforementioned Wieser continually shot those Hottentots dead, they had steadily shot over the Hottentots, the shooting having lasted from about eight o'clock in the morning until late in the afternoon. That, after they had ceased shooting, the aforementioned Van Zeijl had ordered him, Piet Eland, and the other Hottentots to cross through the river to the other side and bring all the cattle of the aforementioned Hottentots to this side, as they then also crossed through the river for that purpose; but since the cattle had run wild because of the continual shooting, they had not been able to gather together and bring through the river to this side more than two hundred sixty-two, both large and small, while they had found there on the other side eight Hottentots shot dead, and two small children, as well as two women whom they had seen floating, who had jumped into the water out of fear, and understood from a Hottentot woman that there were still more dead and wounded, and which Hottentot woman had asked them whether it was the custom of the Dutch people to shoot them dead so murderously, to which they had answered that not all Dutchmen were like that, but that Van Zeijl had done so and he was an evil man, and if they should return to the Cape, they would report it, so that they should only keep quiet. That the just-mentioned Piet Eland having said in substance to the aforementioned Van Zeijl: Master, there are richly enough Hottentots shot dead; Van Zeijl had answered: it is as indifferent to me as if I pull a leaf from a tree, and the Gentlemen do not even ask after a Hottentot; while he, Piet Eland, also testified that the Hottentots had in no way defended themselves, but during the shooting had dragged their dead and wounded into the woods. That Van Zeijl with all the other persons besides him, Piet Eland, remained the night there and having undertaken the return journey the next day, upon their arrival at the third kraal, the hired Hottentots departed from them, to each of whom, by the aforementioned Van Zeijl, a string of beads and a piece of tobacco was given as a reward. That they, continuing the journey and having approached one of the kraals situated closest to the Christians, had found there the aforementioned left-behind bastard Hottentots, Stoffel, Paul and Gerrit, as the aforementioned Stoffel had meanwhile become ill and they had not been able to go any further, where some cattle having been discovered by Van Zeijl, he had asked the aforementioned Paul at which place the kraal was located where the cattle of this region belonged, which was pointed out to him by the aforementioned Paul, whereupon he, Van Zeijl, said in substance: it is good that you know this, tomorrow you must go there with Kleine Piet Eland, Gerrit Beer, Piet Namacqua, Ruiter and Gerrit, take away all the cattle, and shoot all the Hottentots dead, for all the Hottentots who appear in this region are merely rogues; which was replied to by the aforementioned Paul by saying: yes Master, that will not go well, because I do not know what evil the

Dutch transcription

van van zeijl daar toe genoodsaakt geworden zynde, gesamentlijck omtrend Een en een haere maand, langs de groote rivier de reijze voortgezet hadden, alwaar de voorsz: bastaards hottentotten, Paul, Gerrit en stoffel, onder Voorwendsel, dat Gerrit ziek was, en niet verder konde, sy Paul en Stoffel denzelven na huijs zoude brengen, achtergebleeken waaren. Dat voorsz: van Zeijl, zyne beide gemelde zoonen, den Burger Jan Wieser, met hem Piet Eland Kleine Piet Cleind, Siet Namacqua, Andries Ruijter en Gerrit Beer hun weg Vervolgende, eerst de groote rivier en doar na twee hatten tots kraalen gepasseerd zijnde, drie schoften of drie dagreisens verder gekomen waaren, bij een derde Craal, alwaar door evengem: van zeijl ten getalle van Vier honderd en dertig hotten potten afgehuurd en meede genoomen wirden, terwijl hij van zeijl op weg met zee koe¬ „ijen te schieten, zig bezig had gehouden, om op die reize te consumeeren. Dat zijk :/ nagissing/ vyftien schoften off vijftien daagen reizens verder gekomen zijnde, aan deeze seyde dan een spruijt van de groote rivier de geef rivier genaamd, des morgens circa agt uuren, een kraal aan de nincquinqua, een soort van namacqua hottentotken, even aan de overzijde hadden ontdekt, en uit dezelve meest alle de hattentotten zien ten voorschijn koomen operentelyk om te zien, wat er te doen was, wanneer van zeijl en zijne zooren van't paard gesteegen en zonder dat dit hottentotken met hun of zijl: met de hottenlatten een woord gesprooken hadeen, op die kottentotken met scherp geschooten, terwijl gem: wieser, na dat door van zeijl en zijne zoonen de eerde schaot gedaan was, meede op de kotten totten had ge„ Schopten. Dat voorsz: van zeijl de veerde schoot hebbende gedaan, en gewaar geworden zijnde, dat hij Piet Eland en zyne meede makkers niet schaat hij terstond met zijn gelaade geweer, en gespanden haar, zig egter hun begeeven, en onder het voortstaaten met de tromp van het geweer hun lieden substantieelyk toegezoegd had, /S: V:/ verdomde goed, waarom schiet Jijluij niet 't ziet Jijluij niet, dat ik schiet, en als Jyluij niet schiet, dan zal zijluij van deselfde sop krijgen, waar op zijl: meede geschooten hadden, doek, terwijl van zeijl, zijne beid soonen en voorsz: Weser geduurig van die hettentotten daad schooten, hadden zijl: gestadig over de hot¬ tentelten heen geschoeken, hebbende het schieten totf van des morgens circa agt Auren laat in de namiddag aangehouden Dat, na dat man had opgehouden met scheeten voorm: van zeijl hem Piet E land en de overige hotten tetten had gelast, zig door de rivier na de Overzijde te begeeven, en alle de beesten van de voorsz: Lettenlatten aan deeze zyde te brengen, gelyk zil: zich den ook tot dat einde door de rivier begeeren; doch vermits vermits de beesten door 't geduurig schieten verwilderd waaren, hadden zijl, niet meer bij al „kanderen en door de rivier na deeze zijde kunnen brengen, als twee honderd twee en sestig, zoo groot als klein, terwijl zij L: aldaar aan de overzijde acht doodgeschootene hottentotten, en twee kleine kinderen hadden aangetroffen, mitsgaders twee Wijzen, dewelke uit tree in 't water gesprongen waaren, zijl: hadden zien drijven, en van eene hottenheettinne verstaan, dat er noch meer dooden en gequetsten waaren, en welke hattentattinne aan hunl: had gevraagd, of het de gewoonte van het Duitsch Volk was, om hun zoo moorddaedig dood te schieten, waarop zijl: geantwoord heedelen, dat al de Duitschers niet zoo waaren, maar dat van zeijl zulks had gedaan en hy een kwaad man was, en by aldien zijl: weder naar boven mogten komen, zulks zouden aan geeren, des zijl: zich maar zouden te vreede houden. Dat evengemelde Piet Eland aan voorsz: van zeijl substantieelyk gezegd hebbende Baas„ daar io rykelijk hotten tots doodgeschooten; by van zeyl geantwoord had, het is voor my exen koo gaed, als of ik een blad van een boom trek, en de Heeren vraagen net eens na een hettentit terwijl hij Piet Eland, teffens betuijgde, dat de hotten tetten zig in geenen deele hadden verweerd, maar geduurende het schieten hunne dooden en gequetsten in de bosschen gesleept. Dat van zeijl met alle de overige persoonen neevens hem Piet Eland, de naekt aldaar verbleeven en des anderen daags de te rug reize aangenomen hebbende, by hunlieden komst aan de derde kraal, de gehuurde hottenvotten aan hun af waaren gegaan, aan dewelke ieder hunner, door voorsz: van zeijl, een streng Co„ raalen en een stuk tabak tot een beloning was gegeeven. Dat zijL: de reize voortzettende, ende genaderd zijnde tot een der naast by de Christenen zich be„ vindende kraal, aldaar aangetroffen hadden, de voorsz: achtergelatene bavtaard hettentotten, stoffel, Paul en Gerrit, terwijl voorsz: stoffel en tusschen ziek geworden zinde, zij lieden niet verder hadden kunnen komen, alwaar door dan zeijl eenig zee ontdekt zijnde, had denzelve aan voorsz: Paul getraagd, op welke plaats de kraal zich bezond, door het vee van hem streek, zulks door voorsz: Paul hem wierd aangeweesen, als wanneer hij van zeijl daar op in substantie heeft gezegt, het is goed, dat jij dit weet, jij moet morgen met kleine siet Eland, Gerrit Beer, Phet Namacqua, Ruiter en Gerrit daar na toe gaan, al het zie weeh¬ neemen, en de hottenlatten altemaal dood schieten want al de hottentetten, die in deeze streek blijken, zijn maar schelmen, het geen door voorsz: Paul is gerepliceerd, met het zeggen, ja Baas, dat zae niet goed gaan, stant ik weet niet wat kwaad verweerd de

NL-HaNA_1.04.02_4336_0194 view scan ↗

English

the Hottentots had done, they nevertheless had to go to the kraal, while Van Zeijl had handed over his own gun to the said Paul, saying, "Go on, you people must do what I order you, and if you people do not do that, then you people will suffer the same fate, for I have brought you people thus into the field." That the aforesaid Paul, along with the aforementioned Hottentots, found the Hottentots of the said kraal near the cattle, and having fired two shots with loose powder among them, they immediately scattered and took flight, whereupon, in order to satisfy the aforesaid Van Zeijl, they had cut out only a few cattle from the herd and taken them along, but having advanced a distance along the way, some Hottentot women and children had followed him and had begged him for their cattle, so that they, except for fifteen which they brought to the said Van Zeijl, had returned all the stolen cattle, as they were afraid that if they brought nothing back, they would lose their lives, without having dared to make the least mention of what had happened to Van Zeijl; only, upon the question of Van Zeijl why they had not complied with his order to bring all the cattle along and shoot the Hottentots dead, to have answered, out of pity, since none of those Hottentots had ever done them any harm, they having been frequently scolded about this by the aforesaid Van Zeijl during the journey hither. That having arrived in the Hantam, the stolen cattle was divided between Van Zeijl and his sons, as well as the aforesaid Wieser, without the Hottentots having received the least of it, although Van Zeijl had indeed wanted to give three of the stolen cattle to the said Piet Eland and others, provided they kept everything secret, for which they, however, had declined, desiring to have three of his breeding cattle, which he had not wanted to do, and that the aforesaid Wieser had sold a portion of his stolen cattle to the burgher Paul Karsten and a cow to Christiaan Bok. And finally, the aforesaid Hottentots declared that Van Zeijl having kept his abducted Hottentots with him, two of them, however, had already departed for the Namaqualand; while they, on the other hand, had resolved to make all the foregoing known to the gentlemen, as they were afraid to remain any longer among the Dutch people. Just as the documents annexed hereto, quoted on the back from L: A: to K: inclusive, come to dictate with more detail, and all of which the petitioner respectfully requests that, after Your Honorable Worships shall have disposed thereof, they may be returned to him, the petitioner, in order to be delivered for the justification of his official action. That That the petitioner ratione officii under respectful correction believes that the acts of violence committed by the aforesaid former Field Sergeant Adriaan van Zeijl, as well as the burgher Jan Wieser, in general, and that of the aforesaid Van Zeijl in particular, are of such a nature that they are not only contrary to the natural freedom which all the Hottentots, and particularly those living in peace with the colonists here, have in common with other free peoples, but also especially to the repeated orders in that regard and the placards emanated thereon from the government of the country, and that the same acts of violence and the taking of the lives of so many innocents are therefore completely impermissible and punishable in the highest degree, while both the unavoidable consequences thereof and an infringement upon that same freedom were already found shortly after the establishment of this colony to be very ruinous and frequently irreparably harmful, so that on that account the High Governing Lords Majors have expressly written to the government here, and by the government through various placards it has been most strongly interdicted and forbidden to everyone to commit any violence or annoyance against any of the Hottentot nation, however named, upon penalty that those who make themselves guilty thereof shall be punished as disturbers of the common peace and violators of law and freedom. And it is on the grounds of those laws established against the aforesaid acts of violence that the petitioner under correction believes that the nature of the crimes committed by the aforesaid Van Zeijl, along with his two sons and the aforesaid Jan Wieser, in themselves, as well as the execution of the sentence to be passed in that regard, require that the petitioner ought to secure the aforesaid persons, finding himself therefore in the necessity to request the necessary qualification for this from Your Honorable Worships. Wherefore the petitioner ratione officii takes the liberty with the greatest respect to turn to Your Honorable Worships, requesting that Your Honorable Worships may be pleased to grant to him, the petitioner ratione officii, a decree by virtue of which the petitioner ratione officii may be qualified to take into apprehension the aforementioned former Field Sergeant, Adriaan van Zeijl, along with his two sons, the burghers Andries and Petrus van Zeijl, as well as the burgher Jan Wieser, in such manner and in such way as may be of Your Honorable Worships' pleasure, upon the granting of such a decree, to have the aforesaid persons summoned by writ per missive, in order to see executed or carried out a certain decree granted by Your Honorable Worships to the petitioner ratione officii, whereas such a decree according to the ordinary course, both by the situation and the distant remoteness of the dwellings of the aforementioned persons, could never be executed, Your Honorable Worships' decree would consequently be rendered illusory, and the crimes

Dutch transcription

de hottentotten gedaan hebben, zylieden zich echter na de Craal hadden moeten begeeren, terwijl van zeijl zijn eigengeweer aan denzelven Paul had over„ „gegeeven, onder het zeggen, toe, Jij luij moet doen, wat ik zijlung ordonneer, en als zyluy dat niet daed, dan zeel Jijluij van het zelfde overkoomen, want ik het vyluij zoo der in 't zeld gebracht. Dat voorsz: Paul, neevens de evengem: hottentotten, de hottentotten van de gem: kraal bij 't zee aange„ „troffen, en twee schoeken met tos Kruid onder dezelve gedaan hebbende, dezelve zich terstond verstraoijd, en de vlucht genoomen hadden, waar op, om voorsz: van zeijl te voldoen, zylieden slechts eenige beesten uit de troup gezaagd, en meede genomen hadden, doch een End weegs gesorderd zijnde, waaren eenige hallen tottumen en kinderen hem gevolgd, en hadden denselven om hun zee gesmeekt, des zislieden, op vijfftien na die zi lieden bij gem: van zeijl ge= bragt hebben, al 't geroofde zee terug hadden ge„ geeven, alzoo zij n: bekreerd waaren bij aldien zij niets mogten te rug brengen, hun leven te zullen moeten verliesen, zonder dat zij leeden van 't doorgevallene het geringste aan van zeijl hadden durven bekend maaken; als alleenlijk op de vraag dan van zeijl, waarom zij lieden aan zijn ordre niet voldaan hadden, om alle de beesten meede te brengen, en de kottentotten daad te schieten, te hebben geantwoord, uit meedelijden terwijl geen van die hottentotten hun ovit eenig kwaad had gedaan, zijnde zijl: geduurende den weg herwaards noch dikwils hier over daer gesz: van zeijl bekeeren. Dat zij lieden en den hantam aangekomen zijnde, het geraafde zee tusschen van zeijl en zyne zoonen, mitsgaders voorsz: Wieser is verdeeld geworden, zonder dat zij lieden hertenlatten het geringste daar van hadden bekomen, alzoo van zeijl wel aan gem: Piet Elanden andere, drie van de geroofde beesten haed willen geven, mits zylieden alles geheim moesten houden, waar voor zijl: echter hadden bedankt, begeerende drie van zijne aanteeld beesten te willen hebben, hetgeen hij niet had willen doen, en dat voorsz: wieser een gedeelte van zijn geroofde Vee aan den Burger Daul Karsten en een koe Aan Christiaan Bok had verkogt. Een hebben de voorsz: hottentotten eindelyk verklaard, dat van zeijl zijne meedegenomene hot„ tenlatten bij zig hebbende gehouden van dezelve echter reeds twee na 't Nanraequa Land waaren vertrokken; terwijl zijl: zig daarenteegen voorgenomen hadden, al 't vorenstaande aan de Heeren bekend te maaken, alzoo bevreest waaren, om nu langer onder 't Duitsch volk te blijven. zoo als de deezen geannexeerde documenten in dorso van L: A: tot K: inclusive gequoteerd met meerdere komen te dicteeren, en dewelke alle den tert: eerbiedig versoekt, dat, nadat door UwelEdele Achtbaaren daar op zal gedisponeerd zijn, aan hem vert: moage worden te rug gegeeven, ten einde tot ret: Justificatie van des ^ offici Rert. actie, te kunnen worden overgeleeverd. tbresgel Dat Dat den rat: off: Vert:n /:onder Eerbiedige cor„ „rectie:/ vermeend, dat dezelve door voorsz: gud-veld Wacht-meester Adriaan van Zeijl, mitsgaders den Burger Jan Wieser, gepleegde feitelijkheeden in 't generaal en dat van voorsz: van zeijl in't bisonder zijn van dien aard, dat dezelve niet alleen stridig zijn met de natturlijke vrijheid, welke de hottentotten allen, en bisonder die in vreede met de Colonisten alhier leeven, met andere vrije volkeren gemeen hebben, maar ook voornamentlijk met de ten dien opzichte herhaalde ordres en daar op geEmaneerde placaaten, van 's Lands overigheid, en dat dezelve dadelijkheeden en het om het lleeven brengen dan zoo deele onschuldigen, mitsdien ten eenemaal zijn ongepermitteerd, en ten hoogsten strafwaardig, terwijl zoo wel de onvermydelijke gevolgen daar van als een inbreuk op dezelve vrijheid, reeds kort na de Exectie deezer Colonie bevonden is zeer ruineus en dikwils onherstelbaar schaadelijk, als dat uit dien hoofde de Hoog gebiedende Heeren Ma„ „Jores aan de Regeeringe alhier uitdrukkelijk hebben aangeschreeven, en door de regeeringe bij diverse placaaten op 't sterkste aan een iegelijk geinterdiceerd en verbooden geworden is, om aan geene van de hottentots„ natie, hoe ook genaamd, eenig geweld off overlast aan te doen, op péne, dat de zoodanige, die zich daar aan schuldig maken, als stoorders der gemeene rust, en Schenders van recht en vrijgheid, zullen worden gestrafd. En 't is op gronden van die wetten gestatueerd teegen de voorsz: feitelijkheeden, dat den vert onder correctie:/ vermeend, dat den aard der mis„ raaden door voorsz: van zeijl, neevens zijne beide soonen en voorsz: Jan Wieser gepleegd, op zich zelve, zoo wel als de Executie der ten dien opzichte te vallene sententie gerequireerd, dat den vertoonder zich van de voorsz: persoonen behoord te verseekeren, zich mitsdien in de noodsakelijkheid bevind, hier toe van UwelEd: Achtbr: de nodige qualificatie te versoeken. Mits welke den vert: rat: officie de vryheid neemd, met de meeste Eerbied hem te keeren tot UwelEd. Achtbr: versoekende, dat UwelEd: Achtbre aan hem vertoonder rat: officii gelieven te verleenen Decreet decreet, uit krachte van 't welk den rat: officii rertrt worde gequalificeerd, de bovengem: Oud-Veld Wacht Meester, Adriaan van Zeijl, neevens zijne beide soonen, de Bourgeren, Andries en Petrus van Zeijl, mitsgaders den Burger Jan Wieser, te neemen in apprehensie, zoodanig en in diervoegen, dat van UwelEd: Achtb: Welbehagen zijn maage, bij 't verleenen van een dergelijk decreet, de voorsz: persoonen bij mandament p:l missive te doen aan: schrijven, omme op zeekere door UwelEd: Achtb: aan den rat: Officie Vert: Verleend, decreet te zeen, Executeeren, of ter uitvoer brengen, terwijl een dergelijk decreet volgens den ordinairen train„ zoo door de situatie, als verre afgelegenheid der woon plaatsen van de meergem: persoonen, nooijt zou kunnen worden geëxecuteerd UwelEd: Achtb: decreet gezalglijk illusoir worden gesteld, en de onder misdaaden

NL-HaNA_1.04.02_4336_0196 view scan ↗

English

crimes committed by the more-mentioned persons remain unpunished, or that Your Right Worships may be pleased in this matter to take such disposition, decree, or order as Your Right Worships, according to your prudence, shall find most suitable. Below stood: Doing which, etc. Was signed: H:k L: Bletterman. In the margin: Exhibited in Judicio on 6 November 1787. J Rijneveld, G Clercq. Agreed. 6 To the Right Honorable, Worshipful Lord, the Lord Johannes Isaak Rhenius, President, together with the further Honorable, Worshipful Lords, Members of the Council of Justice of this Government. Right Honorable, Worshipful Lord President, Honorable Worshipful Lords! The undersigned Arnoldus Castelijn de Keulenaar and Joseph Cornelis de Buissonzé, Sous-Lieutenant in service on the Dutch East India Company ship Oud Haarlem, currently lying at anchor here in the roadstead. Show with the requisite respect in the most humble manner how, during the voyage from the fatherland to this place, disagreements arose between the captain of the said vessel, the Valiant Cornelis Haringsman, and the petitioners, because the petitioners were not respected by their superior and were treated contrary to their rank, with very base conduct being brought to bear, too much to set down entirely here, which the petitioners, in their defense, hope to have the liberty to reveal more fully, intending for the present only to bring this single matter before the eyes of Your Worships with the requisite respect: that on the said vessel a slave girl was present as a passenger, who was seated at the table before the petitioners, against which the petitioner opposed himself, and as he trusts, with justifiable reason; the same slave girl, instead of being seated at the rear, was placed at table next to him by their said captain, but finally, due to the far-reaching disputes, was removed from the table by the more-mentioned captain and placed in his cabin; their said captain thereafter sought in every possible way to give the petitioners cause for displeasure and to demean them. That the petitioners subsequently had the misfortune of being intoxicated when they, at the changing of their watch, were present with the rest, for which reason they were placed under arrest; the petitioners, because of the frequently mentioned demeaning treatment inflicted upon them by their said superior, and added thereto, becoming too passionate from the effects of the drink, addressed some insolent and impertinent words to their said superior, of which the petitioner, as soon as he remembered it, repented in the highest degree, and had an apology requested for him through the Commander and the ship's minister, but their said captain was unwilling to accept this; the petitioners first verbally, thereafter in writing, requested an apology from the ship's council, to everyone whom they might have offended in the distraction of the drink, but all in vain; finally, for the complete satisfaction of their superior, they offered to beg for pardon before the mast in the presence of all the ship's crew, but a resolution already adopted by their superior to seek the ruin and destruction of the petitioners caused this to be completely rejected: That notwithstanding, the petitioners trust, quite far-reaching insolences occurred through the boatswain, boatswain's mate, and sailmaker, who likewise in drunkenness attacked one another with knives, and once the boatswain's mate struck the boatswain a hole in the head with a bottle, and likewise committed several insolences against their superior, which however, without much intervention, were tacitly forgiven them; on the contrary, the petitioners here have been handed over to the Fiscal as criminals and kept under arrest. The petitioners fear that the investigation of this matter and the examination of the petitioners might meanwhile be delayed so long that in the meantime the said vessel might depart, whereby the petitioners would be deprived of the necessary proofs for the defense of their case, and as the petitioners are held in house arrest, they are rendered unable to converse with the further deck officers to obtain their declarations, and the petitioners also preferred that it might please Your Worships to have the said deck officers answer to interrogatories; reasons why the petitioners in this matter take the liberty to take their refuge in Your Worships, humbly requesting that it may please Your Worships to order the Fiscal pro interim, as soon as practicable, to examine the petitioners, in order to be able

Dutch transcription

misdaaden, door de meergem: persoonen begaan opgestrafd blijven, dan wel, dat UwelEdele Acht„ „baarens in deezen gelieven te neemen, zodanige dispositie, decreet of appoinctement, als Uwel Edele Achtbaarens, na derselver Prudentie, het convenabelst zullen vinden. /onder stond:/ 't welk doende &c. a /was geteekend:/ H:k L: Bletterman / en margine/ Exhibitum en Judicio den 6 November. 1787. J Rijneveld G Clercen Accordeerd 6 Aan den WelEdelen Acht, baaren Heere den Heere Johannes Isaak Rhenius Preesident. beneevens de verdere Edele Acht„ baaren Heeren Raaden van Justitie deezes Gouvernements. WelEdele Achtbaaren Heer: Preesident. E: E: Achtbaare Heeren! De ondergesteekende Arnoldus Castelijn de Keulenaar en Joseph: Cornelis de Buissonzé Sous Lieutenant in dienst op het O: J: Comp:s schip, oud Haarlem, thans alhier ter Rhede geankerd leggende. Geeven met de vereischte Eerbied op het ootmaetigste te kennen, hoe geduurende de rijse uit 't patria na herwaards tusschen den Capitain van gem: bodem, den Manhafte Cornelis Haringsman, en de Supplten Oneenigheeden zijn ontstaan, door dien de supplt van hun opperhoofd niet zijn gerespecteerd geworden, en behandeld, volgens hun qualiteit en ten zeer gemeene directie word geroerd, te veel om sulks hier alles ter neder te stellen, welke de suppl:t bij hunne verantwoording, de vryheid hoopa te thebben, breeder te zullen openbaaren, zullende alleenig dit eenige voor het tegenwoordig met de Vereischte Eerbied UwE: Achtb: voor het oog brengen, dat op gem: bodem als passagier een slaven merd heeft bevonden, welke aan de tafel voor hun Suppltn wierd geplaatst, daar teegen den supplt hem, en zoo vertrouwe, met leede tegen verzet hebben, dezelve slaven meid, in te worden plaats achter aan geplaatst, door hun gemelde Capitein No: 4 Capitein neevens hem aan tafel wierd geset, edoek eindeling door de verrequande mneenigheeden door den meergem: Cap„n van de tafel wierd genomen en in zijn kamer geplaatst; hun gem: Capitein daar na op aller leg Wijze heeft getracht de Suppln: reede van misnoegen te geeven en hem te declineeren. Dat de suppl„n vervolgens het ongeluk hebben gehad van beschonken te zijn, wanneer hy by het over„ neemen van hun waeht, met de rest praesent waren, daarom in arrest zyn gezet geworden, de suppln. om dikwils aan gehaalde deeline, hun, door hem gemelde opperhoofd aangedaan, daar bij komende de vertelling van den drank te driftig wordende, hem gemelde opperhoofd eenige insolentien en inpertenente woorden hebben toegevoegd, welke hy supplt: zoo draa hij sulks her inner de, ten hoogste daar over berouw hadden, en door den Commandeur en scheeps domine voor hem excuus hebben laten versoeken, doch hun gem: Capitein, zulks niet heeft willen accepteeren, de suppl:n eerst mondeling, daar na schriftelijk aan de scheeps-raad excuus hebben verzocht, aan yder die zij in de versitting van den drank zouden mogen beeedigd hebben, doch alles vruchtelaas eindelijk tot volkoomen satisfactie van hem opperhoofd, heb„ ben gepreesenteerd, om excuus voor de mast in presentie van al het scheepsvolk te versoeken, edoch een reeds voorgenomen resolutie van hun opperhoofd om de suppl:n: hun ruine en ondergang te saeken, bleeff zulks volstrekt achterdeegen: Dat niet tegenstaande de suppel„n vertrouwen door de boetsman, schieman, en zijlemaken vrij verregaande insolentien zyn voorgevallen, welke meede in dronkenschap Elkunder met het mes hebben aangevallen, en eens heeft den Schieman met een bottel de bootsman een gat in de kop geslaagen, en meede verscheide in. „solentien aan hun opperhoofd gepleegd, doeh welke hun, zonder veel tusschen spraak, stilswygende is vergeeven geworden: integendeel de suppl„tn alhier aan de Fiscaal als crimineel zijn overgegeeven en in arrest gehouden. de suppl=t bedugt zijn, dat het ondersaek deezer saak en examineeren der suppl„en Tomwylen „zoo lang zouden kunnen worden gedilayeerd, dat intusschen gem: bodem zoude kunnen vertrekken, waar door de suppl=t van de nodige bewijzen ter verantwoording hunner zaak, zoude ver„ stooten worden en die supplt in huis arrest sitten, puiten staat zijn gesteld, om de verdere deks officieren tot het geeven der Verklaaringen, te kunnen onderhouden en de suppl=n ook pieter hadden dat 't uw E achtbaaren zoude mogen behaagen, genoemde deks officieren op articulen te laten antwoorden, reedenen, waarom de suppl„t in deezen de vrijheid neemen, hun toevlugt te neemen tot Uw E: Achtb:, dot moedig versoekende, dat 't Uw: E. Achtbaaren zal moogen behaagen, den prointerum Fiscaal te ordonneeren, ten spoedigsten doenlijk, de suppln. te Examineeren, ten einde in staat te de kunnen

NL-HaNA_1.04.02_4336_0199 view scan ↗

English

duty in the posts entrusted to them, to be able to render their proper account, and to be able to properly verify the same with those present, both officers and others of the ship's crew, and however reluctantly, also to bring to light the actions of the aforementioned Captain, whereto they have been brought in the highest necessity. /lower down was written:/ Which doing etc: /was signed/ A: C: De Keulenaar J: C: De Thussonje. Appeared before the Honorable President and Council of Justice of the Castle of Good Hope, the pro interim Fiscal G: Exter, prosecuting officer ex officio, plaintiff on the one side. Arnoldus Castelin de Keulenaar and Johs Cornelis de BruisLonze, the first as Lieutenant and the other as Junior Lieutenant appointed on the Honorable Company's Ship Oud Haarlem, lying in this roadstead, defendants on the other side. And did state: 2. that the defendants, being placed in the aforesaid capacity and on the aforesaid Honorable Company's ship, 3. instead of employing that conduct, subordination, and command which are fitting to their duty, 4. have, on the contrary, made themselves guilty of very far-reaching excesses and insolences. 5. that the defendants have, already from the beginning of the voyage, indulged in drink, and through their improper interaction with a certain Black woman appointed as a passenger on that vessel, have served as a scandal. 6. and having been reproached and admonished about this by the Captain to adopt a better conduct in order to avoid unpleasant consequences, 7. this admonition has, however, had so little effect, 8. that the defendants have not only continued in the aforesaid manner of conduct, but have gone so far, 9. that they have indeed refused service and through drink have rendered themselves altogether unfit for it; 10. that thus it has happened, 11. that the defendants, instead of observing the orders given by the Captain regarding the watch, 12. have betaken themselves to the hut of the said woman under the pretext that they were going to sleep, 13. and used that time rather for drinking and reveling. 14. that some days thereafter the defendants made a terrible noise and commotion during the watch of the Captain Lieutenant, and having rendered themselves by drunkenness incapable of keeping their watch in order, 15. the Captain was obliged to take it over again. 16. that, notwithstanding the defendants were placed under arrest on that account, and on the following day requested pardon under the most solemn assurances, promised improvement, and only on that condition were pardoned, 17. they nevertheless not only continued ordinarily to be intoxicated outside their watch, 18. which was always overlooked in order to avoid difficulties, 19. but finally did not hesitate 20. to go expressly into the hut of the aforesaid free woman and to continue drinking and carousing, 21. until both were so intoxicated 22. that the first defendant, at the changing of the watch, was found sleeping with a cap of the aforementioned woman on his head and vomited all around, 23. and the other remained lying somewhere, so that he could not be found, 24. which then had the consequence 25. that the Captain had to take over the watch again in their stead; 26. that the defendants, having awakened from sleep upon that, being in no way content, 27. by all kinds of insolences and the most scandalous expressions and taunts, both against the ship's authorities and the government here itself /as can be seen in further detail from the depositions/, forced the Captain 28. to place them under arrest again and to convene a ship's council to that effect. 29. that the defendants, having thus been brought here, were delivered over to the Fiscal's office. 30. that the prosecuting officer ex officio, referring to the aforesaid deposition and attestation, /under correction/ deems that pursuant thereto it must be assumed and established 31. that the defendants have made themselves guilty of various misdeeds and offenses, 32. which principally consist herein: 33. that the defendants very, very often, and nearly daily, have indulged to excess in drink, 34. and by their behavior have in multiple ways served as a scandal and spectacle, and furthermore were unfit for duty. 35. that the same, in vilification and contempt, and in violation of all respect, discipline, and subordination, have not only been disobedient to their authority, and negligent and refusing in duty, 36. but moreover have used against the same and the other authorities the greatest insolences and most improper abusive language, and have even used regarding the Right Honorable Lord Governor here the most scandalous and basest expressions; 37. that the prosecuting officer ex officio, trusting in the soundness of

Dutch transcription

plicht in de hunl: aanvertrouwde posten over een, te kunnen zijn, hun behoorlijke verantwoording te kunnen doen, en zulks met de preedent zynde zoo officieren, als verdere van het scheepsvolk deselve bekoorlijk te kunnen verefieeren, en hoe ongaan anders, de handelingen der meergeem Capitein, daar toe zij in de hoogste necessiciteit zijn gebracht geworden, meede aan het dag liht te brengen. /onder ston:/ 't welk doende etc: /was geteekend/ A: C: De Keulenaar J: C: De Thussonje. Compareerde door den E: Achtbaren Heere Praesident en raede van Justitie des Casteels de goede Hoop den pro interin Fiscaal G: Exter, r: O: Eisscher ter eenre. Arnoldus Castelin de Keulenaar en Johs Cornelis de BruisLonze d'eerste als Lieutenant en d'andere als Jous Lieutenant bescheiden op 't ter deezer Rhede leggende E: E: Comp: Schip Oud Haarlem, ged:e ter andere zijde En deede zeggen. 2. dat de ged:te in voorsz: qualiteit en op voorsz: E: O: Comp: schip geplaatst zijnde. 3 in steede Aen dat comportement, subordiratie en Commando te gebruijken, die met derselver 8 dat de ged:ens niet alleenig in voorsz: ledenwijze gecontinueerd, maar zoo verre zijn gegaan, g dat zij wel aan den dienst geweigerd en door den drank zieh geheel en al daar toe onbekwaam hebben gemaakt 10 dat dus is gebeurd. 11 dat de geld: in steede Aande perling, aaar de kan den Capitain gegevene ordre waar teneemen. 12. zich onder het voorgeeven ^ dat zij zouden gaan slaapen, naar de aut van gem: meed hebben begeeven 13 die de tijd liever tot suijper en brossen geemploijeerd. 1k. dat eenige dagen daar na de gede: een Treesselyk gatier en leeden geduurende de Wacht, van den Capitain Lieutenant gemaakt en zich doen „komstig zijn. vel ter contrarie zich hebben schuldig gemaakt aan zeer verregaande Excessen en brutaliteiten. 5. dat de ged: e zich reeds van 't begin der reize, aan den drank overgegeeven, en door hun gedragen omgang met zeekere, als passagier op dien bodem bescheidene Swartin, tot ergernis gestrekt hebbende. en van den Capttein daar over gereprocheerd en vermaand zynde, om onaangenaame gevolgen te vermijden een betere conduite aan te neemen. deeze vermaning echter dan zoo weinig effect is geweest. plicht bronkenschap a - dronkanschap buiten staat gesteld hebbende hunne wacht in de ordre te doen. 15 den Cap„n Verplicht is geweest, sulks over en weer te neemen. dat, niet tegenstaande de gede daarom in arrest 16. gekomen, en 's daags daar aan door hem L: onder de plechtigste verseekering excuus verzogt; betering beloofd en alleenig onder dien voorwaarde dezelve gefordonneerd zijnde. zijl: echter niet alleenig gecontinueerd hebben, 17: buiten hunne wachte ordinair beschonken te zijn. 't geen hun tot vermiding van moeijelykhedens, 18. altoos door de Vinger is gesien geworden. 19. Maar eindelijk zieh niet ontsien hebben 20 in de hut van voorsz: vrij meid expresselyk te gaan en met drunken en vrolyk te zijn voort te daaren 21. tot dat beide dusdanig beschonken zijn geweest. 22. dat d' eerst ged:e bij 't overneemen van de wacht met een muts htem meerg: meid op zijn hoofd slopende en rondzom bespaagen, is aangetroffen geworden. 23. en den andere orgens is blijven liggen, dat niet heeft kunnen gesonden worden, 24. 't geen dan van dat gevolg is geweest huar 25. dat den Capitain Wederom de Wacht, in ^ steede moest averneemen 26. dat de ged:e daar op uit den slaap ontwaakt op geenerlij wyze te vreeden zijnde 27. door allerleij brutaliteiten en de schandelijkste expressien en schimp redenen, zoo wel teegen de de overheeden van 't schip, als zelve de regeering alhier / uit de verklaaringen nader te zien /: den Capitain genoodsaakt hebben 28. hunl: wederom in arrest te doen gaan, en scheeps raad te beleggen met dies effect. 29. dat de ged:e dusdanig alhier aangebragt aan 't officie Fiscaal zijn overgegeven geworden 38. dat den E: O: Eisscher zich aan voorsz: te verklaring en Attestatie refereerende, /onder correctie / vernieend, ingevolge derselven te moeten aanneemen en vast stellen 31. dat de ged:e zich aan verscheidene wanbedrijken en missaaden hebben schuldig gemaakt. 32. die voornamentlijk daar in komen te bestaan. 33. dat de ged:te zeer zeer dikwils, en by na dagelijks, in den drank hebben te buiten gegaans. 34. en door humt. gedrag op meerdere manieren tot ergernis en spectakel gestrekt, voorts tot den dienst zijn onkekwaam geweest. 35. dat dezelve in vilipen die en Verachting, Jamet vertreeding van alle respect, discipline en subordinatie, niet alleenig teegen hun gezag hebben ongehoorsaam, in den dienst nalaatig en weigeragtig geweest zijn. 36. maar bovendien nog teegens denselven en d'overige overheedens de grootste brutaliteiten en onbetame¬ „lijkste scheldwoorden hebben geadhibeerd in zelve omtrend den WelEdele Gestr: Heer Gouverneur alhier de schandelijkste en lasitste expressien gebeesigd 37: dat den R: O: Eisscher, derhoopende op de gegrondheeid 27. Der

NL-HaNA_1.04.02_4336_0201 view scan ↗

English

of the aforesaid proofs, to be able to trust this all the more. 38. Because the defendants, in their petition to the ship's council, are convinced of their insolence. 39. Beg excuse for the same, committed both in general and in particular, and are thus in confession. 40. He will still very briefly examine the same. 41. What punishment the defendants shall have merited in the aforesaid matter, considering. 42. That in article 22 of the instruction of the First in command, it is established. 43. That officers who indulge excessively in drink shall be suspended from their office for some time, and in case of persistence, deported. 44. That in article 2 of the article letter it is expressly ordered. 45. That all petty officers and common seamen shall have to be faithful and submissive to their superior officers, and these in turn to their Captain, skipper, or whoever might hold the authority, each one in the service to which he has been appointed, without deviating from this in any manner. 46. And in article 21 of the said instruction it is ordered that the junior officers shall treat the first commanders and those placed above them with all respect, on pain of the penalty established thereto. 47. However, no specific punishment is established for those who act contrary to this or make themselves guilty in this regard. 48. And thus the same remains left to the arbitrium Judicis. Wherefore, and for other reasons and means to be deduced more fully in due time and place if necessary, the said Officer Plaintiff, making demand, concluded that by definitive sentence of Your Worships, the defendants shall be condemned to be dismissed from any capacity in the service of the Honorable Company, with forfeiture of all papers and premiums, and to be sent to Europe as such, to be explained more narrowly or more fully pro rerum circumstantiis. 50. Whereby then in caso substrati it will primarily still have to come into consideration. 51. That multiple facts coincide, which are not of one nature and occurred and were committed on various occasions and repeatedly with premeditation and the utmost intent and malice, further accompanied by the most far-reaching insolences, greatly augmenting the crimes of the defendants, and causing them to be regarded as persons 52. Who disregard the bonds of subordination and good order, as well as the duties of oath and conscience imposed upon them. 53. Who can be considered nothing other than dangerous subjects in human societies, and especially on board a ship. 54. While the said Officer Plaintiff will leave the excuse of the defendants, along with the statement of the gunner, and whatever else might be taken into consideration, to the penetrating and equitable judgment of Your Worships. Article 49. Article 49. To be condemned in all costs, or to such other ends as Your Worships shall deem proper was signed: G: Exter. Exhibited on 27 December 1787. Report given before the undersigned Commissioners from the Honorable Worshipful Court of Justice of this Government, by Captain Cornelis Haringman, commanding the outbound ship Oud Haarlem, and at the requisition of the Fiscal pro interim, the Honorable Gabriel Exter, reading verbatim as follows: That the appearer, having set sail into the sea from Vlissingen with his aforesaid vessel on the 5th of the past month of August, had already upon passing the Channel been under the necessity to bring to the attention of Lieutenant Arnoldus Castelijn de Keulenaar and Second Lieutenant Johannes Cornelis de Buissonje, stationed on the aforesaid vessel, their conduct, which was in every way bad and tended to everyone's vexation—as they did not shrink from indulging daily in drink in addition to very low behavior with a certain black woman named Rachel, who was on board as a passenger—with an earnest request to adopt a better conduct in an amicable manner to prevent all unpleasant consequences; but that this friendly admonition of the reporter had no other result than that the said Lieutenant and Second Lieutenant, having indeed restrained themselves a little for 2 to 3 days, nevertheless thereafter, notwithstanding all protestations of the reporter, had continued in this shameful way of life to such an extent that they had not shrunk from using the most insulting abusive words on several occasions against the reporter and the other superiors of his vessel, but even deliberately refusing their watches, and frequently rendering themselves unable, through excessive drunkenness, to attend to the Honorable Company's service on board, for: That on the 20th of the said month, Second Lieutenant Gilles Bruining Vlieger, having had the watch on deck at sunset, had reported to the reporter that, pursuant to previous orders given by the reporter containing that the officers who were present on deck and at hand at the time when the sun's azimuth had to be taken would have to assist therein, having requested the aforesaid Keulenaar and Buissonje to observe the sun's azimuth, they had refused to do so under the pretense of wanting to go to sleep, while they immediately went from there into the cabin with the aforesaid black woman and had then occupied themselves there with gorging and swilling, so that the reporter, having come on deck,

Dutch transcription

der voorsz: bewijsen, dies te meer te kunnen ver „trouwen. 38. om dat de ged:e in derselver addres aan den scheeps raad van hunne insolentie overtuigd. 39. weegens dezelve, zoo wel in 't generaal als particulier gepleegd excuus versoeken, en dus in corfesse zijn. 46. denzelve zeer kortelijk noch zal nagaan. 41. welke straffe de ged:e ter zaake voorsz: zullen hebben gemeriteerd, aanmerkende. 42. dat in 't v 22 artic: der instructie van den Eerste gezach hebben is gestatueerd. 43. dat officieren, dewelke in den drank zig te buiten gaan, eenige tyd van hun Ampt zullen worden ontzet, en bij volherding gedeporteerd. 44. dat wel in de 2 artie: van den articul brieff nadrukkelyk is bevaalen. 45 dat alle onder officieren en gemeenen, hunne opperofficieren en deeze weder hun Capitain schipper ofte wie ook het gezag mogten voeren, getrouwende onderdanig zullen moeten zijn, een ieder in den dienst, waar in hij is gesteld, zonder daar van te Wyjken in eenige manieren. 46. en in het 21 Art: van gem: instructie is geordonneerd, dat de mindere officieren, d'eerste gezagvoerders en die boven hun gesteld zijn, met alle respect zullen bezegenen, op poëne daar toe gesteld. 47. echter geen bepaalde Straffe gestatueerd is voor de geene, die daar tegen handelen of zich hier omtrend schuldig maaken 48. en dus dezelve aan 't arbitrium Judicis overge¬ „laaten blijft. Mits welke en andere reedenen en middelen, in tijd en wijlen / is 't noad:/ nader te deduceeren, den 2e: O: Eisscher Eisch doende coneludeerde, dat bij delenitive vonnis van UWlagtb: by den gede: zullen werden gecon¬ demneerd, om buiten alle qualiteit in den dienst der E: Compe gesteld te werden, met verbeurt verklaring van alle papieren en proemien en zodanig na Europa versonden om pro rerum circum stantus zich nuuwer of dachter te worden geëxpliceerd. 50. Waar bij dan in caso substrati voornamentlyk noch zal in consideratie moeten komen. 51. dat meerdere faiten te zamen loopen, die niet van een natuur en bij verscheidene gelegen heede en re¬ „petitie met doorbedagt en d'uisterste opzet, en kwaadaardigheid gepleegd, en geschied zynde, voorts met de verregaandste insolentien vergeselschapt de misdaaden der gede: zeer der grooten, en dezelve als menschen doen aanmerken 52. die de bender van subordinatie en goede ordre mitsg:s de plichten van hed en conserentie, hun L: opge¬ legt, miskennen. 53. dut niet anders als dangereude Subjecten in de menschelyke gezelschappen en voornamentlijk op een scheepsbodem, zullen maeken geconsidereerd worden. 54. terwijl de r: O: Eisscher de verschoning der ged:e met de verklaaring des constapels, en wat nog kender in aanmerking zoude kunnen komen, aan't penetrant en billijk oordeel van UwE: Agtb:t zal overlaten. Art: 49. Art: 49 te te worden met condemnatie in alle kosten, ofte tot al zulke andere fine, als uwEd: Achtb: zullen oor„ „deelen te behooren /was geteekend:) G: Exter. exhib: den 27 xber: 1787 Relaas gegeeven ten overstaan van de ondergeteekende Gecommitt: uit den E: Achtb: Reede van Justitie dezes Gouvernements, door den het Uitkomend schip Oud Haarlem commandeerende manh: Capitain Cornelis Haringman, en ter requi= „sitie van den pro interim Fiscaal d' E: Gabriel Exter, Laudende het „zelve, als volgt. Dat de Compt: met zijn Voorsz: bodem, op den 5 de gepasseerde maand Augustus van Vlissingen in zee Gezeild zynde, reeds by het passeeren van het Canaal in de noadsakelikheid geweest was, om aen op voorsz: bodem bescheidene Lautenant, Arnoldus Castelijn de Keulenaar en Sous Lieutenant Johannes Cornelis de Buissonze hunne allesints slegte en tot ergernis van een ieder strekkende levenswijse, als ontsiende zij zich niet om behalven een zeer laag gedrag, met zeeker Swartin in naame Rachel„ die zich als passagier aan Boord bezond, zich noch dagelijks aan den drank over te geeven, onder het aag te brengen met ernstig versoek om in der minne tot voorkoming van alle onaangenaame gevolgen, eene betere conduite aanteneemen, dan dat deese Vriendelijke vermaninge van den relatant geen ander gevolg gehad hal, dat gem: Lieutenant en Sous Lieutehant wel is waar zich 2 a 3 daagen een weinig gemenageerd hebbende, echter daar na, niet tegenstaande alle protestatien van den rel¬ in deeze hunne schandelyke levenswijze dermaaten waaren voortgegaan, dat zy zich niet hadden ontzien„ op verscheidene reisen zich van de hoonendste scheld„ woorden teegen den rel:t en de verdere Overheeden van zyn bodem te bedienen, maar zelfs ook op„ „zettelijk hunne wachten te weegeren, en zich dikwerf door overtollige dronkenschap buiten staat te stellen, om s'E: Comp: dienst aen Boord waar te neemen, want. Dat op den 20 der gem: maand, den sous lieute „nant Gilles Bruining Vlieger, met sonsorgang de wacht op het dek gehad hebbende, aan den relt gerapporteerd had, dat hij, ingevolge bevorens gegevene ordre van den relt: behalsende dat de officieren dewelke zich op den tijd, wanneer de sons peiling moest geschieden, op het dek en by der hand bevonden, daarbij zouden moeten adsisteeren, aan voorsz: Keulenaar en Brussenije versogt hebbende, de sons peiling waar te neemen, zijlieden zulks onder voorgeeven van te willen gaan slaapen, geweegerd hadden, terwijle zy terstond van daar in de hut by voorsz: swart in gegaan zinde, zich als toen aldaar met brassen en suipen hadden besig gehouden, inzoegen de relt op het dek gekomen brengen zynde

NL-HaNA_1.04.02_4336_0203 view scan ↗

English

having made the aforesaid sound himself, the aforesaid Keulenaar and Buissonje, who had afterwards gone to sleep, when this conduct was held before them by the declarant, brought forward nothing else in their defense than that they had been intending to go to sleep. That on the 27th of August following, when at night the watch from eight to twelve o'clock, which was kept by the Captain Lieutenant, Albert Tjerks, had ended, and this watch was to be taken over by the said Keulenaar, the said Keulenaar—who earlier that evening during the watch of the said Tjerks, together with Buissonje, both by drinking and carousing and suchlike, had made a terrible noise—had been entirely incapacitated by drunkenness from taking over his watch, as one had not been able to get him awake, notwithstanding he had also been prodded by the said Tjerks, the Second Lieutenant van Kakom, and Andriessen, which had had the consequence that the declarant, having also first made vain efforts to awaken the said Keulenaar and Buissonje, which latter also had to assist in the aforesaid watch, had therefore been necessitated to take over and keep the watch of the aforesaid Lieutenant Tjerks in his own person, which the declarant having done until half past two o'clock, and thus almost to the end, the aforesaid Keulenaar had then come onto the deck, requesting the declarant to hand over the watch to him now; but that the declarant, having already kept the most part of this watch, such that one needed only 3 glasses until the end of it, and moreover not being able to entrust the ship to persons who shortly before, through drunkenness, had been incapable of performing this duty of theirs, had consequently resolved, for greater safety, to continue keeping this entire watch himself, whereupon the declarant having told the aforesaid Keulenaar just to go and sleep it off, the said Keulenaar had replied thereto in substance: if I am not in a state to keep my watch, then I wish you a good night, and immediately went below the poop, but returning shortly thereafter, he had requested the declarant in a very earnest tone to take over the watch, or otherwise to have arrest, whereupon the declarant had placed him under arrest. That the aforesaid de Keulenaar and Buissonje having the following day sought an excuse from the declarant concerning what had happened, with expressions of the utmost regret, the declarant had then very sharply reprimanded them over these actions, and at the same time told them in the most serious terms to be careful that in the future nothing more of that nature should occur, or that the declarant, however much everything was forgiven thus far, would nevertheless seek to counter these and similar pranks with such powerful measures as he, the declarant, should judge necessary for the maintenance of good order on board the ship; upon which the aforesaid de Keulenaar and Buissonje had declared to the declarant under the most solemn assurances that in the remainder of their voyage they would behave in such a manner that the declarant would have not the slightest reason to complain either of their service or of their conduct, they thus having been pardoned again by the declarant for that time under this condition. That from that time, although outside their watch being almost always drunk—which the declarant, as it did not occur while on duty, had always turned a blind eye to in order to prevent trouble—the aforesaid Keulenaar and Buissonje had behaved in such a manner that one certainly had nothing to say against their performance of duty, until the 6th of the following month of October, when the aforesaid Buissonje in the afternoon, between 5 and 6 o'clock, being again drunk as usual, having jumped in a hurry onto one of the sea-chests, had called out aloud in substance to the said Keulenaar: Keulenaar, we have been quiet for so long, we must, God damn me, stir it through the groats again, for otherwise it will never go well; while the said Keulenaar and Buissonje, in the evening from 8 to 12 o'clock, being the watch of the aforesaid Captain Lieutenant Tjerks, had again occupied themselves during that time in the cabin of the aforesaid maid Rachel with drinking and being merry, until almost near the end of that watch, when Keulenaar went to his cabin to sleep and Buissonje went elsewhere. That at 12 o'clock of that night, being the time that the aforesaid watch was to be taken over by the said Keulenaar and Buissonje, the said Lieutenant Tjerks (according to his report made to the declarant) having sent the Second Lieutenant van Kakom to notify the aforesaid Keulenaar and Buissonje that, as his watch was finished, they could therefore take over theirs, the said van Kakom had come to warn the said Lieutenant Tjerks that he had found Keulenaar lying on the bed, being so drunk that, despite all trouble taken, he could not awaken him, and that Buissonje was wholly and entirely absent, whereupon the said Tjerks, after having first tried in person to wake up the aforesaid Keulenaar, and not having succeeded therein, gave notice of all this to the declarant.

Dutch transcription

zynde, zelve de voorsz: perling gedaan had, hebbende Voorsz: keulenaar en Buissonje, dewelke daar na zich te slaapen begeeren hadden, wanneer hun dit gedrag door den rel:t wierd voorgehouden niet anders tot der schooning ingebracht als dat zij waaren voor¬ neemens geweest om te gaan slaapen. Dat op den 27 Augustus daar aan volgende wan„ neer s' nachts de wacht van acht tot twaalff uuren door den Capitain Lieutenant, Albert Ferks, wordende Waargenoomen, was afgeloopen, en deeze Wacht door gem: Keulenaar moest worden overgenomen gerepten Keulenaar, die s'avonds beloorens geduu¬ rende de wacht van gem: Sjerks, met Buissonjen zoo met drinken als starijen en wesmeer, een Vreesselyk getien gemaakt had, door dronkenschap geheel onbekwaam was geweest, om zijne waekt over te neemen, als hebbende men hem, niet tegen¬ staande hij ook door gem: Tjerks, de Sous Leeutenant van Kakom en Andriessen, was geport geworden niet kunnen wakker krijgen, 't geen van dat gevolg geweest was, dat de zelt. meede eerst te tergeefs pogingen aangewend hebbende, omgem Keulenaar, en Buissonze, welke laatste in de voorsz: wacht meede meesten Adsisteeren op te wekken, derhalven genoodsaakt was geweest in eigener persoon de wacht van voorsz: Lieutenant Sjerks over en waar te neemen 't gunt de rel:t ook tot halff drie uuren en dus bij tans tot het einde toegedaan hebbende, was voorsz: Keulenaar, als toen op het dek gekomen aanden helt versoekende, om thans de wacht aan hem overte geeren 2 dan dat den rel:t: reeds den meesten tijd van deeze wagt waargenomen hebbende, zodanig dat men tot den einde van dien noch maar 3 glaazen nodig had, en teffens het schip niet kunnende toe hertrouwen; aan persoonen, die kort bevoorens, door dronkenschap, buiten staat waren geweest, deeze hunne dienst te presteeren, mitsdien beslooten had, om tot meerdere zekerheid, deeze geheele wacht zelve te blijven waarneemen, Weshalken de relt. aan voorsz Keulenaar gezegt hebbende, van maar te gaan uitslaapen had gem: Keulenaar daar op in substantie geantwoord: ben ik niet in staat om mijn naeht waar te neemen, dan wensch ik U een goede nacht, en zich terstond onder de Compagne begeeven, edoch kort daar op wederom te Rug komende, had denzelven op een zeer ernstige taar, van den zelt versogt de wacht over te nemen, off anders arrest te willen hebben, waarop den relt. derselven 't arrest had aangezegt. Dat voorsz: de Keulenaar en Fruissonje Slaags daar aan weegens het voorgevallene aan den relt. onder betuiging van het uiterste leed¬ Neesen, excuus versogt hebbende, den relt: hun toen zeer Scherpelijk over deeze Demarahes Lieutenant had C had gereprimendeerd en teekens in de Serieuste termen aangesegd van voorsichtig te zijn, dat er in 't vervolg van tyd niets meer van die natuur kwam doer te wallen, of dat de relt: hoe zeer alles tot dus verre vergeeven wierd, nochtans deeze en diergelijke Radrijzen met zodanige krachtige middelen zouden trachten te kier te gaan, als hij relt tor Maintien van de goade ordre binnen scheeps Boord zoude nodig oordeelen; op 't welke voersz: de Keulenaar en Buissonje aan den relt onder de plachtigste verzeekeringen, betuigd hadden, dan zich in 't vervolg van hunne reise zodanig te zullen gedraagen, dat de relt: noch over hunne dienst, noch over hunne conduite, de geringste reede van klaagen zoude hebben, zijnde zy dus onder deese Voorwaarde door den relt. voor die - „ reize wederom gepardonneerd geworden Dat voorsz: Keulenaar en Bussonje zich van die tijd, hoewel buiten hunne wacht schier altoos beschonken te zijn geweest, 't gunt de Compt als niet in hunne dienst geschiedende ter voer¬ „kominge van moeijelijkheeden, steeds had door de vingeren gesien, zoo gedraagen hadden, dat men zekerlijk op hunnen dienst verrichtinge niet te zeggen gehad had, tot op den 6 der aanvolgende mpaand october, wanneer voorsz: Buisdonje 's na„ „demiddags, tusschen 5 en 6 uuren wederom als na gewoonte beschonken in eener Yl opeen der gewees kisten gesprengen zijnde, overluid in substantie teegens gem: keulenaar uitgeroepen had: keulenaar Wij zijn zoo lang stil geweest wij moeten het S: Godverdom mij wederom doer de gort roeren want anders zal het nooijt goed gaan, terwijl gem: keulenaar en Prussonj, des avonds van 8 tot 12 uuren, zynde de Nocht van de voorschr Capitain Lieutenant Tjerks, zich al wederom geduurende die tijd, in de hut van Voorsz: meid Rachel met drinken en vrolijk te weezen, hadden bezig gehouden, tot bykans by het afloopen dier waert, wanneer keulenaar zoek naar zijn nut om te slaapen en Bussonje zig naar elders be „geeve had. Dat om 12 uuren van dien nacht zijnde den tijd dat de voorsz: wagt door gerepten Keulenaar en Bissonje moest worden overgenomen, gem Lieutenant Tjerks ( volgens zijn aan den relt: gedaan rapport den Sous Lieutenant Aan Kakom gesonden heb„ bende om voorschr: keulenaar en Bussonje aan te zeggen, dat, terwijl zijne wacht geendigd was, zylleden derhalven de hunne zoude kunnen overneemen, meergem: van Kakom, aan denzelven Lieutenant Tjerks was komen waarschouwen, dat hij Keulenaer op het bed had vinden legegen, zodanig beschonken zynde, dat hij ongeacht alle aangewende moeijte denzelve niet konde opwekken, en dat Muslonje geheel en al absent was, zulks gem: Tjerks, na eerst in persoon voorsz: Keulenaar te hebben willen wakker maken, en daar in wet geslaagd te zijn, de relt. van het een en ander het kennisse gegeeven tegens dat

NL-HaNA_1.04.02_4336_0205 view scan ↗

English

That the relator, having gone upon the deck and then into the cabin of the aforesaid Keulenaar, had found him drunk to the highest degree, having vomited all over himself and lying with a cap belonging to the aforesaid black Rachel on his head, so that the relator saw himself once again placed under the necessity of taking over this watch from the aforesaid Lieutenant Tjerks. That around half past one o'clock the aforesaid Bussonje, having come on deck, had asked the relator to take over the watch, to which the relator, having answered by saying: you are drunk now, rather go sleep it off, the aforesaid Bussonje had utterly refused, whereupon the relator placed the aforesaid Bussonje under arrest, and having first received from him as an answer, very well, my Lord, be it so, he nevertheless, while saying, no, damn me, came toward the relator again, immediately thereafter retiring to the cabin of the aforesaid Keulenaar. That a moment later the aforesaid Keulenaar, as if staggering, having come to the relator along with the just-mentioned Bussonje, had asked the helmsman: how is the course, and having received as an answer from the relator, Sir! that does not concern you, I have the watch, just go to sleep, this being answered by him with the words, damn me: the relator having reacted to this, then I order you under arrest! the mentioned Keulenaar had repeatedly replied to that substantially, damn me too, adding, you cannot place me under arrest, but that had to be done by the ship's council. Wherefore the relator, having immediately and that night convened the ship's council, the arrest provisionally ordered by the relator was then unanimously confirmed by the said ship's council, as most of its members had been eyewitnesses and earwitnesses to the incident. That the relator, having gone half an hour later from the watch to his room, and having approached the cabin of Keulenaar, which the relator had to pass to reach the aforesaid, the mentioned Keulenaar had immediately jumped out of his cabin, throwing down his hat at the relator's feet while saying, do I have to be under arrest for such a drunken scoundrel, damn me. That just after the relator had returned from his room, the mentioned Keulenaar and Buissonje, while uttering the vilest abusive words, had made such a screaming and clamor that the whole ship was thrown into confusion by it: calling out loudly among other injurious expressions, look at such stupid scoundrels, foolish boys, they let us sit here without a sentry with swords etc: they do not know what arrest is, we will be damned if we stay in such an arrest any longer, and we want to be placed in criminal arrest: upon which matters the relator, in order to prevent all further confusion in the ship and to put an end to such insolent conduct, had the ship's council convened for the second time that same night, by whom it was also immediately resolved not only to take away the aforesaid detainees' sidearms, but also to place a sentry before each of their doors, and to deliver them in that manner upon arrival at this place to the government here, in order to receive their well-deserved punishment. That shortly thereafter the aforesaid Bussonje, while swearing and cursing, had smashed the windowpanes of the door of the poop cabin, then in the presence of all the officers, among various other expressions, essentially shouting out, I don't give a damn about the arrest, I will make good friends at the Cape, never mind the governor, I care as little about him as about my own balls, and about all who are here on deck. That the mentioned Keulenaar and Bussonje, having been kept in the aforesaid criminal arrest for some 6 days, were nevertheless thereafter transferred into civil arrest by the ship's council upon the declaration of the doctor that, due to the cramped quarters of those detainees, he feared scurvy, and they were permitted to walk on the quarterdeck between the poop cabin and the gangway, and to eat at the regular table, while finally the mentioned Keulenaar and Bussonje at the end of the past month of November, close to this shore, by two petitions, had requested pardon from the ship's council with the assurance that everything that occurred was caused in anger and by the excessive use of drink, but that on account of the enormity of what was committed they were unable to enter into that, and consequently had decided to persist in the resolution cited here, and consequently to deliver the often-mentioned persons of Keulenaar and Bussonje at the Cape into the hands of the fiscal. Lastly, the relator testifies that the aforesaid slaves having sat at the table in the beginning had been done by him, the relator, by order of the Lords Directors and with the approval of all officers, however afterwards because he, the relator, on the voyage hither, since there ship's council disputes

Dutch transcription

Dat de relt: zich hier op zelve op het dek en ook vervolgens in de hut van Voorsz: Keulenaar begeeven hebbende, denzelven in den hoogsten graad beschonken gevonden had, hebbende zich van Rondsomme bespoogen en leggende met een Muts van Voorschr: Swarten Rachel op het hoofd zoo dat de relt: zich al wederom in de naad¬ zakelijkheid gebragt zeeg, om deeze waeht van voorsz: Lieutenant Tjerks over te neemen. Dat omstreeks van halff twee uuren voersz: Bussonje, op het dek gekomen zijnde, aan den rel t gevraagd had, om de wacht over te neemen, 't gunt de relt: met te zeggen: gyjzyt nu drenken, gaa liever uitslaapen, beantwoord hebbende, had Joersz: Buslonje zulks volstrekt geweegerd, op 't welk den relt: voorsz: Bussonje 't arrest aangezegt, en door denzelven eerst ten antwoord bekomen hebbende, zeer wel mijn Heer blijtoe) was denzelven echter onder het zeggen, neen, dat terdom ik! wederom na den relt: te zig gekomen, begeerende zich daar op terstond in de hut van voorsz: Keulenaar. Dat een ogenblik daar aan voorsz: Keulenaar als lingerende, beneevens evengem: Brissonje, bi den relt. gekomen zijnde, aan de roerganger geraagd had: het legt geaan, en door den reqt. had ten antwoord bekoomen, Mijnsteer! dat zaakt U niet, ik het de wacht, gaa maar slaapen, zynde dit doer denselven met het zeggen, dat terdom ik, be„ antwoord geworden: zulks den rel:t geregereerd hebbende, dan ordonneer ik U arrest! had meermaals gem: Kenlenaar daar op substantieelijk gerepliceerd, dat derdom ik ook, met bijvoeging, gij kunt wij geen arrest aanzeggen, maar dat maest door den scheeps-raad geschieden. Weshalven de rel:t terstond en die nacht scheeps-raad hebbende doen beleggen, het door de ral:t provisioneel aangezegt Arrest doer denzelven scheeps raad, als zynde de meeste Leeden derselven van het voorgevallene ooren oog getuigen geweest, als toen met Eenpaarigheid van Stemmen is geconfirmeerd. Dat de relt. een halff uur daar na van de wacht naar zyn kamer gegaan, ende hut van Keulenaar (welke den relt: tot voorsz: een de moest passeeren, genaderd zijnde, gem: Keulenaar terstond uit zijn hut was gesprongen, sruytende onder het deggen, moet ik voor zoo een dronkigen blixem in Arrest zitten, dat derdom ik, zynen haet voor de voeten van den zelt. needer dat eten na dat de relt. uit zyn kamer was te rug gekomen, gem: Keulenaar en Buissonze als toen onder het uitstooten van de veilaardigste scheldwoorden, een zoodanig geschreeuw en getier gemaakt hadden, dat het geheel schip ik daer daar door in confusie gebracht wierd: roepende onder meer andere laesive expressien ook noch overluijd uit„ kyk eens zulke domme blixems, malle Jongens, ze laaten ons hier sitten zonder schuldwagt met deegens etc: te weeten niet wat Arrest is, wy verdommen het om langer in zulk een arrest te blijven, en willen crimineel gezet zijn: op welk een en ander de relt: ter voorkominge van alle verdere verwerringe in het schip en tot Stuiting van een diergelyk brutaal bestaan, op diezelfde nacht voor de tweede reize had, den scheepsraad doen convoceeren, by dewelke dan ook terstond geresolveerd wierd om de voorsz ar¬ restanten niet alleen hunne zijdgeweeren te ontneemen, maar ook voor ieder sdeur een schild Wacht te stellen, en hun indiervoegen bij de komst aan deeze plaatse, ter erlanging hunner welverdiende straffe, aen de regeering alhier overtegeeven. Dat kort daar op voorsz: Bussonje onder het bloeken en Haasen, de ruiten van de deur der Compagne had ingeslaagen, als toen in 't bijzijn van alle de officieren, onder diverse andere uitdrukkingen, substantielijk uitroerende, ik donder wat in arrest maaki goede vrienden aan de kaap, Maski gouverneur, daar weeg ik J:V: mijn Leeuwsche Klooten wat aan, en aan alle die hier op het dek zijn. Dat gem: Keulenaar en Bussonje eenige 6 daagen in het voorschreeve crimipeel arrest gehouden zijnde, echter daer na daer den scheeps-raad op declaratie van den doctor dat hij om het beknopte verblijv dier arrestanten, voor korbuut bevreesd was, in civiel arrest zyn overgebracht, en aan hun is gepermitteerd om op het halff dek tusschen de Compagne en de valreep te moogen wandelen, en aan de gewoone tafel te egten, terwijl eindelyk gemelde keulenaar gem: Keulenaar en Bustonje in het laatst der ge¬ passeerde maand November Kort door deeze Wal, bij twee requesten, aan den scheeps-raad onder betuiging, dat al het voorgevallene in drift, en daer 't overnetig gebruik van drank, weer veroorzaakt, om verschooninge hadden verzocht, dan dat men om de enormiteit van het gepleegde daar inne niet hebbende kunnen treeden, mitsdien beslooten had, om, by de doezen aangehaalde resolutie te blijven persisteeren, en gevolglijk de dukgem: persoonen, van Keulenaar en Bussonje aan de kaap in hemden van den officier overteleveren. Getuijgende den relatant laatstelyk dat de Voorschreeve slaaven wel in 't begin aan de tafel geseeten hebbende; door hem relt: was gedaan, op ordre van de Heeren Bewindhebberen en met goed goedkeuring van alle officieren, echter naderhand daar hem relatent op de herwaards reize vermits er Scheeps-raad dispunitien

NL-HaNA_1.04.02_4336_0207 view scan ↗

English

disputes came on board, had sent the mentioned slaves to their cabin, and provided them with food there. Declaring nothing further, the deponent gives as reasons of knowledge as in the text, being prepared to confirm the same further under oath. Thus done at the Cape of Good Hope, the 18 December 1787, before the Messrs. Salomon van Echten and Christiaan George Maasdorp, members from the Honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof along with the deponent and me, the sworn clerk. Underneath stood: which I witness. Was signed: A. J. van Echten, sworn clerk. Review. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, the Honorable Captain, Cornelis Haringman, commanding the Honorable Company's outward-bound ship Oud Haarlem, lying anchored here in the roads. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, the junior merchant of the outward-bound ship Oud Haarlem lying here in the roads, the Honorable Adriaan Michiel Sterkots, of competent age, who at the requisition of the interim Fiscal here, the Honorable Gabriel Eksteen, declared it to be true: That the deponent during the voyage, and indeed since the beginning thereof, having seen with indignation the wicked way of life of a certain Lieutenant Buissonje stationed on the aforesaid vessel, who for the most part of the time continually stayed with a certain Rachel, a black woman being on board as a passenger, and indulging excessively in drink had caused very great unpleasantness on board; the captain also repeatedly related to the deponent that, notwithstanding he had taken every trouble in an amicable manner to... Who, this aforesaid report of his having been read out clearly and distinctly word for word, declared to persist and abide by it, desiring that nothing more be added to or taken from it, and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, the solemn words: So truly help me God Almighty. Thus reviewed at the Cape of Good Hope, the 29 February 1787. Was signed: P. Haringman. Lower: In my presence. Was signed: R. W. D. Riet, sworn clerk. In the margin: As commissioners. Was signed: J. van Echten, C. G. Maasdorp. who aforesaid to bring the aforesaid Keulenaar and Buissonje to their duty, this had not only been in vain, but that they had not even hesitated to surrender themselves to drink during their watch hours to such an extent that he, the captain, not being able to entrust the ship to drunken officers, had sometimes been compelled to keep their watches himself. That the deponent himself, during the night between the 6 and 7 of the past month of October last, being in the cabin at around 12 o'clock, having then gone on deck upon hearing a certain noise to inquire what might have occurred, whereupon the captain, who had the watch at that time, having said to the deponent, do you want to see a fine spectacle, pointed the deponent to the cabin of the aforesaid Keulenaar, in which the deponent then found the said Keulenaar lying completely drunk with a woman's cap on his head; so that the deponent, returning to the captain and having asked him what had been going on, was informed by the said captain that he once again had to keep the watch for the said Keulenaar and Buissonje, because, as the deponent had now seen for himself, the first-mentioned was now incapable through drunkenness, and the aforesaid Buissonje could not be found at all, the deponent subsequently having remained on deck during that watch for the company of the captain. That at about half past one in the middle watch, the aforesaid Buissonje having appeared, asked the captain directly to take over the watch, to which the captain having answered by saying: you are drunk now, please go sleep it off, the aforesaid Buissonje absolutely refused this, for which reason the said captain immediately placed him under arrest, but the said Buissonje having first answered thereto: very well, sir, I thank you, but subsequently after he had gone some distance and immediately turned back to the captain, in substance: no, I will be damned if I do, and thereupon went into the cabin of the aforesaid Keulenaar. That a moment later, the said Keulenaar having arrived staggering, and having asked the helmsman: how are you steering, or how is the helm, received as an answer from the captain: Sir! I have the watch, go to sleep; but that the said Keulenaar thereupon called back to the captain in a very obstinate manner: I will be damned if I do; the said captain thereupon continued: then I place you under arrest; to which the said Keulenaar answered by saying: I will be damned if you can place me under arrest, this must be done by the ship's council. That which

Dutch transcription

dispuniten aan boord kwam, de gem: slaven na haar hut had gezonden, en aldaar van eeten bezorgd. iets meer verklaarende geeft den relt ƒ voor reedenen van Wetenschap als in den text be reid zijnde, zulks nader met Eede gestand te doen. Aldus gepasseerd aan Cabo de Goede Hoop den 18 December 1787 voor de Heeren Salomon van Echten, en Christiaan George Maasdorp, Leeden, uit den E: Achtb. Raad van Justitie voorm: die de minuute deezes neevens den relt: en mij gesw: Clercq meede behoorlyk hebben onderteekend. (:onder stold:/ 't welk ik getuige /was geteekend) A J. VE niet gesw: Clercq. Recollement. Compareerde door ons onderget: gecom¬ ut: uyt den E: Achtb: Raad van Justitie dezes Gouvernements, den het alhier ter Rchede geankeerd leggende uitkomende E: Comp schip Oud Haarlem Commandeerende Mem¬ hafte Capitain, Cornelis Haringman Compareerde voor ons ondergeteekende Gecommitt:s Uijt den E: Achtb: Raad van Justitie dezes Gouvernements den onder koopman van het alhier ter schede leggend uijtkomend schip oud Haarlem, d' E: Adriaan Michiel ster klots, Aen Competenten ouderdom, dewelke ter requisitie van den pro interim Fiscaal alhier d E Gabriel Eaten verklaarde, hoe waar is. Dat de Compt: geduurende de reise en wel zederd het begin van dien met verontwoordiging gesien hebbende de slegte levenswijze van zeekere op voorsz: bodem bescheidene Luitenant de Brussenje dewelke den meester tyd door zig geduuren by zekre als passagien aan boord zynde Swart in Rachel zig op te houden, en zig in den drank te buiten te gaan aan boord zeer heele onaangenaamheeden hadden veroorsaakt, de Capitain ssuccessivelyk ook aan die Compt had verhaald, dat, niet tegenstaande hy ook alle moeijte in der minne had aangemend, om dewelke deeze zyne voorenstaande relaais, klaar en duidelijk woordelijks voorgeleesen wesende ver„ klaarde daar by te blyven persisteeren, met begeerte dat er niets meer bij ofte van gedaan worden zal, en sprak dierhalven ter bevestiging der waarheid van dien„ de solemneele woorden, soo waarlijk help mij God almagtig. Aldus gerecolleerd aan Cabo de goede Hoop den 29 Feebr: 1787. /was getekend/ P„s Haringman. /lager/ mi praesent. /was getekend/ R WD Riet gesw: Clercq. //: ten margine:/ als gecommitt:s /:was getekend: J: V Echten E: G: Maasdorp. dewelke voortz „ toorsz: Keulenaar en Rurssonje tot hunne pligt te brengen, sulks niet alleen te vergeefs was geweest, maar dat sij zieh zelfs niet hadden ontsien, om in hunne wagt uurese zig zodanig aan den drank over te geeven, dat hij Capitain het schip niet aan dronke officieren kunnende toevertrouwen wel eens haar door genoodsaakt was geweest hunne wagten zelve waar te neemen Dat de Compt. zieh ook zelve 's nagts tusschen den 6, en 7 der gepasseerde maand october laatsl: ven over 12 uuren in de Cajuyt bevonden hebbende, als toen op zeker gerugt, om te verneemen, wat er magt voorgevallen zijn naar boden was gegaan, Wanneer de Capitain, die op dien tyd de wagt had, aan de Compt: gezegd hebbende, wilt gij een mooij spee¬ takel zien de Comp:t naar de hut van voorsz: de Keulenaar geweesen had, in dewelke den Comp:t als toen gerepten Keulenaar geheel beschonken met een vrouwe muts, op het hoofd had vinden leggen: zulks de Comp.t zig wederom naar den Capitain begeeren en aan denzelven gevraagd hebbende, wat er gaande was geweest, van gem: Cap„n geinformeerd was geworden, dat wij alwederom voor gem: keulenaar en Buissontje, de wagt moest waarnemen vant dat gelyk de Compt: nu zelve gezien had, eerstgem: door dronkenschap nu buiten staat en voorsz: Buissenje geheel en al niet te vinden was, zynde de Compt. vervolgens dien wagt tot geselschap van den Capitain op het dek verbleeken Dat circa half twee uuren op het onderwagts voorsz: Buijssouje te voorschijn gekomen zijnde, direct aan den Capitain gevraagd had, om de wagt over te neemen, het geen de Capitain, met het zeggen: gij zijt nu dronken galieven uitslaapen, beantwoord, hebbende had voorsz: Buissonje zulks volstrekt geweegerd, waarom gem: Capitain denselven terstond arrest had aan„ gezegt, dan dat gem: Buissonje, daar op eerst geantwoord hebbende, zeer wel Mijnsteer blij tae¬ b edock vervolgens (:na dat denselven een eind neegs voortgegaan en terstond wederom naar den Capitain te rug gekeerd was; in substantie, neen: dat terdom ik daar op in de hut van Aaansz: Keulenaar gegaan was. Dat een ogen blik daar na geme: Keulenaar slingerende aangekomen zynde en van den haer¬ ganger gevraagd, hebbende, hoe legje aan, of wel hoe staat te roer van den Capitain had ten antwoord bekomen, Myn Heer! ik heb de wacht, aan maar slaepen, dan, dat gerepten Keulenaar den Capitain hier op in een zeer obsti¬ nate houding te gemoed geroerd hebbende dat terdom ik, het gem: Cap: daar op vervolgd, dan e ordonneer ik uw arrest, het geen daer gem: keulenaar met het zeggen, dat derdom ik ook gij kunt my geen arrest aanzeggen, dit moet door den scheeps raad geschieden, was beantwoord geworden, oms Dat welke

NL-HaNA_1.04.02_4336_0209 view scan ↗

English

for which reasons the Captain, having immediately convened a ship's council, the aforesaid arrest was then announced to the said person by the ship's council itself after deliberation on the matters. That the deponent, having thereupon gone elsewhere, upon his return to the deck learned from the Captain that, because the said Keulenaar and Buissonje, in the presence of almost all the officers, had insulted the entire ship's council as stupid scoundrels, foolish boys, etc., and had at the same time demanded to be placed under criminal arrest, he had therefore deemed it necessary to convene a ship's council once more, at which it was also resolved to provide the aforesaid officers, in accordance with their desire, with a sentry, to take away their sidearms, and in that situation to hand them over at the Cape into the hands of Justice. That shortly thereafter, the aforesaid Buissonje, having smashed the window panes of the door of the roundhouse to pieces, among various other expressions then also expressed himself in these words: I do not give a damn about arrest, never mind good friends at the Cape, never mind the Governor, I do not care a damn, by God, about my Zeeland balls, and everyone who is here on the deck. That furthermore, the said Keulenaar and Buissonje, after having spent several days in the aforesaid criminal arrest, were transferred to civil arrest by resolution of the ship's council, upon the declaration of the Doctor that, on account of their confined quarters, etc., he feared scurvy; just as they were furthermore permitted to eat at the regular table and to walk on the quarterdeck between the roundhouse and the gangway; while furthermore, at the end of the past month of November, the said Keulenaar and Buissonje, having submitted two petitions to the ship's council asking for pardon under the assertion that everything that had occurred was caused by the excessive use of liquor, the aforesaid ship's council nevertheless saw fit to persist in its previous resolution, for which reason the said persons were kept in custody for the reasons cited above, as the deponent learned, surrendered here into the hands of the officer. Finally, the deponent declares never to have seen the Captain intoxicated on the said vessel during the voyage, nor to know that he ever overindulged in drink, and that furthermore, regarding the treatment by the Captain of his officers and the common crew, it is as proper as one could ever desire; it being the deponent's opinion that an all too great leniency is rather to be noted as the only fault in his management on board the ship. The deponent lastly affirms that the aforesaid slave Rachel was initially placed at the table by the Captain with the approval of all officers; however, later, because disputes arose among the officers, she was placed below in her cabin by the Captain. Declaring nothing more, the deponent gives as reasons for his knowledge as stated in the text, being ready, if required, to confirm the same further under solemn oath. Thus done at Cabo de Goede Hoop, the 10th of December 1787, before the gentlemen Salomon van Echten and Christiaan George Maasdorp, members of the Honorable Council of Justice aforesaid, who have duly signed the original minute of this, along with the deponent and me, the secretary. Below stood: Which I witness. Was signed: U. W. D. Riet, sworn clerk. Review. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government aforesaid, the Junior Merchant the Honorable Adriaan Michiel Herklots, who, this his preceding declaration having been read aloud to him clearly and distinctly word for word, declared that he persisted by it, with the desire that nothing more be added to or taken from it, except only that the deponent affirms not to have heard the words regarding the Governor uttered by Keulenaar, but to have heard such from the officers afterwards. That a certain Lieutenant Arnoldus Castelein de Keulenaar and Sub-Lieutenant Johannes Cornelis de Buissonje, stationed on the Company's vessel, shortly after the departure of the aforesaid vessel from Vlissingen, and indeed since having sailed out of the Channel, continuously on a daily basis not only overindulged in drink, but also publicly maintained with a black woman on board as a passenger, named Rachel, such an abandoned way of life as caused absolute offence to both all officers and common sailors. Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this Government, the valiant Captain-Lieutenant Albert Sjerks, stationed on the ship Oud Haarlem, of competent age, who, at the requisition of the Fiscal pro interim, the Honorable Gabriel Exter, declared to be true: Thus reviewed and sworn at Cabo de Goede Hoop, the 20th of December 1787. Was signed: Adriaan Michiel Herklots. Lower: Present before me. Was signed: D. J. D. Riet, sworn clerk. In the margin, as commissioners: S. v. Echten, C. G. Maasdorp. And furthermore spoke, in confirmation of the truth thereof, the solemn words: So help me God Almighty.

Dutch transcription

welke reedenen den Capitain terstond scheeps-ver„ „gadering hebbende doen beleggen, het voorsz: arrest als taen door de scheeps-Raad zelve na overleg van zaaken, aan gem: persoon is aangezegt geworden. Dat de Comp:te zich hier op naar Elders begeeven hebbende by zyn te rtug komst op het dek, van den Capitain had vernoomen, dat vermits gem: keulenaar en Buissonje in tegenwoordigheid van meest alle Officieren, de geheele scheeps-raad voor domme blixems malle Jongens etc: gescholden en teffens gezorderd hadden, om crimineel geset te worden hy dus had nodig geoordeeld, andermaal scheeps vergadering te doen beleggen, bij dewelke den ook geresolveerd is, om de voorsz: officieren volgens hun begeerte van een schildwacht te voorsien, hunne zeyd geweeren t'ontneemen en in die situatie aan de Caab in handen der Justitie over te leveren= Dat kort daar op voorsz: Buissonje de ruijken van de deur der Compagne in stukken gestooten hebbende zig onder diverse andere expressien toen nog in deeze bewoerdingen heeft uitgelaaten, ik donder wat in arrest, maskie goede vrienden aan de Caab, Maskie Gouverneur, daar zeeg ik S: H: mijn Zeeuwsche klooten wat aan, en allen die hier op het dek zijn. Dat voorts gem: Keulenaar en Buissouje na eenige dagen in het voorsz: crimineel Arrest geseeten te hebben, by besluyt van de scheeps raad, op declaratie van den Doetor, dat hij namentlyk om derselver beknopt derblyff etc: voor seor but vreesde in civiel arrest waaren overgebragt: gelik ook al verder aan hou was gepermitteerd om aan de gewoone tafel te moegen eeten en op het halfdek tusschen de Campagne en valreep te Handelen, terwijl voorts in het laatst van de gepasseerde maand november door gem: keulenaar en Buissonje by twee requesten aan de scheeps raad, onder betuiging, dat al het voorgevallene, door het overmatig gebruik van drank was veroorsaakt extuus gevraagd hebbende, den scheepsraad voorm: echter had goedgevonden by desselfs voorig besluijt te blijven persisteeren, weshalven ge= melde persoeren dan ook om de vooren aange„ haalde reedenen zyn in verseekering gehouden, zoo als de Compt., heeft vernoomen / alhier in handen van den officier vergegeeven Eindelyk verklaard den Compt: den Capitain aan gem: bodem nooyt op de reize beschenken te hebben gezien, nog ook te weeten, dat hij zich immer in den drank zou hebben te buyten gegaan, en dat voorts aangaande de behan„ deling van den Capitain met zijne officieren en het gemeen volk, dezelve zoo geschikt is, als men immer zoude kunnen verlangen: zijnde volgens des Compts sustinue eene al te groote toegevendheid veele voor de eenigste fout in desselfs directie binnen scheepsboerd aante merken Betingende de Comp:t laatstelijk, dat de voorm: Stavin Rachel, wel in het eerst aan de tafel ieter met met goedkeuring van alle officieren door den Capitain geplaatst was, echter naderhand, vermits er dis„ prnten onder de officieren kwaamen, door de Capitain Neder in haar hut gevonden is geworden Niets meer verklaarende, geeft den Comp:t voor reedenen van Wetenschap, als in den text, bereed zijnde, het zelve, des gerequireerd wordende, met solemneele Eede nader gestand te doen. Aldus gepasseerd aan Caba de goede Hoop den 10 December 1787. voor de Heeren Salomon van Echten en Christiaan George Maasdorp, Leeden uit den E: Achtb: Raad Aan Justitie voorm: die de minute deezes, beneevens de Compt: en de mij se¬ cretaris meede behoorlyk hebben onderteekend. /:onder stond:/ 't welk ik getuige. /:was geteekend:/ UWD Riet gesw: Clercq. Recollement. Compareerde voor ons ondergeteekende gecommitt. s uijt den E: Achtb: Raad van Justitie dezes gouverne= ments voorm: onder koopman d' E: Adriaan Michiel Herklots, dewelke deeze zyne voorenstaande verklaring dan woorde tot woorde klaar en duidelijk voorgeleesen weesende, verklaarden daar bij te blyven persisteeren met begeerte, dat er niets meer bijgesoegd ofte van gedaan worden zal, als alleenlijk dat den Comp=t betuigd de woorden niet gehoord te hebben betrekkelyk de Gouverneur door de keulenaar geuit, maar zulks van de officieren naderhand gehaerd te hebben, Dat zeekere op des Comp„s bodem bescheidene Luitenant Arholdus Castelein de Meulenaar en Lous Lieutenant Johannes Cornelis de Buissonze, zich kort na het vertrek van voorsz: bodem uyt Vlissinge en wel zeederd dat men het Canaaf was uitgezeild, bij continuatie dagelyks niet alleen in den drank te buiten gegaan, maar ook publiekelijk met eene zich aan boord als passagier bevindende Swarten, Rachel genaemd eene zoodanige geabandon„ „neerde levenswijze gehouden hebbende, als volstrekt, zoo wel alle officieren als gemeenen betergernis Compareerde vaon de onderget: gecommitt. s uijt den E: Achtb: Raad van Justitie dezes Gou„ Vernements, den op het schip oud Haarlem beschei„ dene Manh: Capitain Lieutenant Albert Sjerks, aan Competente ouderdom, dewelke ter requisitie van den pro Interim Fiscaal d' E: Gabriel Exter Verklaarde, hoe waar is. Aldus gerecolleerd en beEedigd aan Cabo de goede Hoop den 20 December 1787. /was ge teekend:/ Adriaan Michiel Herklots, /lager/ mij praesent. /was geteekend/ D J D Riet gesw: Clercq. in Margine/ als gecommitts: J: V: Echten. E: G: Maurdorp. en spraek voorts ter bevestiging der waarheid van dien de solemneele woorden, zoo waarlyk help my God Almagtig. en en

NL-HaNA_1.04.02_4336_0211 view scan ↗

English

and must cause offense, the Captain of the deponent's vessel, named Cornelis Haringman, had expressed his utmost displeasure thereabout to the deponent, and repeatedly advertised his intention to seriously confront the aforesaid Keulenaar and Buissonje with their shameful way of life, and amicably advise them to adopt a conduct consistent with their character as officers and thus as leaders of the common crew if they wished to guard themselves against adverse consequences, which admonitions the deponent subsequently saw had had no other effects on the aforesaid Keulenaar and Buissonje than that, although they had behaved with a little restraint for a few days thereafter, they nevertheless on the 23rd of the past month of August had not hesitated to flatly refuse to take the sun's azimuth with Lieutenant Giles Bruijning according to the Captain's orders, while instead of that, having then amused themselves at the aforesaid black woman's with feasting and drinking, after the end of the aforesaid taking of bearings, which at that time was performed by the Captain himself, they had gone to sleep in their bunks, this unwillingness being overlooked by the Captain with only a reprimand. That subsequently on the 27th of the said month of August, the said Keulenaar and Buissonje, during the deponent's watch, being that from 8 in the evening until 12 at night, had carried on to such an extent, both with drinking and with romping with the common folk, that when the said watch had ended at 12 o'clock, and the deponent thus had to be relieved by them, instead of keeping their watch, they had gone to bed towards the beginning of it, and were then totally unable due to drunkenness to take over the same, so that the deponent, having first tried to stir them up himself and subsequently also having had them awakened by Second Lieutenant van Kakom, along with one Andriesen, yet also in vain, finally had been forced to give notice of this occurrence to the Captain, who then also first had tried to awaken the aforesaid officers, but seeing that they were incapable due to drunkenness, then took over the aforesaid watch from the deponent. That the aforesaid Keulenaar and Buissonje the following morning, on account of what had occurred during the past night, having asked forgiveness from the Captain under profession of feeling the utmost regret thereabout, were then also pardoned once again for that time, which the said Keulenaar and Buissonje had answered with the most solemn oaths and assurances that, the Captain having now excused them, they would also in the future not give him the least cause for complaint about their conduct and behavior. That the aforesaid Keulenaar and Buissonje certainly kept themselves sober in their duty from that time, although outside of it they were almost always intoxicated, until the 6th of the following month of October, when Buissonje in the afternoon between 5 and 6 o'clock, being drunk again, had gone to stand on one of the arms chests, and jumping up and down thereon had called out loudly to the said Keulenaar, Keulenaar we have been quiet for so long we must, God damn it, stir through the barley groats again, because otherwise it will never go well, while the said Keulenaar and Buissonje again during the deponent's watch in the evening from eight to 12 o'clock, in the cabin of the aforesaid maid Rachel, had occupied themselves with drinking and making merry until just near the end of that watch, when Keulenaar went to his bunk to sleep and Buissonje went elsewhere. That at 12 o'clock at night, being the time that the aforesaid watch had to be taken over by Keulenaar and Buissonje, the deponent, having sent the said Second Lieutenant van Kakom, who had been assigned to assist him, to warn the aforesaid officers that the deponent's watch had ended, and they should therefore come to take over theirs, it was then reported to the deponent by the frequently mentioned van Kakom that he had found Keulenaar so drunk on the bed that, despite all the effort expended, he had not been able to wake him, and that Buissonje was nowhere to be found, so that the deponent, after first having tried in vain to stir up the aforesaid Keulenaar in person, as he was lying completely powerless in a ridiculous situation with the bonnet of the aforesaid black woman Rachel on his head, had given the necessary notice of these matters to the Captain, who then also immediately came upon deck and having seen the aforesaid spectacle of Keulenaar, then took over the night watch from the deponent, requesting however that the deponent keep him company for a little while, which the deponent

Dutch transcription

en aanstoot verstrekken moest, den Capitain van des Compts: bodem in naame Cornelis Haringman over zulks aan den Compt: daar over zijn uiterste ongenoegen had te kennen gegeeven, en teekens geadverteerd voorneemens te zijn om voorsz: Keulenaar en Buissonze hunne schandelyke levenswijze ernstig onder het oog te brengen, en in der minne aante raaden om (zoo zy zieh voor uueelige gevolgen willen wagten eene conduite, overeenkomstig met hun Caracter als officieren en dus als voorgan¬ geren van het gemeen aante neenen, welke verma„ „ningen den Comp:t vervolgens had gezien, dat op Hoorsz: Keulenaar en Buissonje geene andere uitwerkingen hebben gehad, als dat dezelve zich wel is waar, eenige dagen daar na een weinig ge¬ merageerd hebbende, echter op den 23 der gepas„ seerde maand Augustus zieh niet hadden ontzien aan den Lieutenant Giles Bruijning vaeger volstrekt te veigeren, om met denzelve ingevolge de ordre van den Capitain, de zons peiling waar te neemen, terwijle zij zieh, insteede Aan dien, als toen bij voorsz: swartin, met brassen en suipen gedisenteerd hebbende na 't eindigen den voersz: peiling, 't geen op die tijd doer den Capitain zelve verrieht is, in hunne lutten waaren gaan leggen slaapen, zynde deeze onwil ligheid door den Capitain slegts met eene reprimende over het hoofd gesien. Dat vervolgens op den 27 der gem: maand Augustus gerepte Kenlenaar en Bunisforje, geduurende des Comp„ts wagt, zijnde die van 'savonds 8 tot 3. naehhts 12 uuren, zoo met drinken als met het gemeen Valk te stoeijen, dermaten hadden te heer gegaan, dat zij, wanneer de gem: wagt om 12 uuren was geeindigd, en den Comp:t dus daer hun moest werden vervangen, in steede van hun wagt waarteneemen, zich tegens het begin van dien naar hed hadden begeeren, en toen door dronkenschap ten eenemaale buiten staat geweest waren, om dezelve over te neemen, invoegen hij Compt: hun eerst noeh zelfs opgeport en vervolgens ook door de Sous Lieutenant van Kaken, beneevens eene Andriesen, tdoeh meede te vergeefs hebbende doen wakker maken, eindelijk genoodsaakt was geweest om den Capitain van dit voorgevallene kennis te geeven, dewelke dan ook eerst voorsz: Officieren had poogen wakker te maaken edoeh ziende, dat zy door drenkenschap buiten staat waaren, als toen die voorsz: Waekt van den Compt. heid overgenoomen Dat voorsz: keulenaar en Brussonje de volgende morgen weegens het in de gepasseerde nogt voorgevallene van den reprimende Capitain Capitain onder betuiging van 't uiterste leed„ weesen daar over te gevaelen, om vergiffenis verzogt hebbende, dan ook al wederom voor die leijke gepardonneerd, 't gunt gem: keulenaar en Buissonje met de duurste Eede en verseekering dat den Capitain hun thans geëx„ „cuseerd hebbende, zy hen ook in 't vervolg over hun gedrag en wandel geen de minste reede van klaagen zoude geeven, hadde beantwoord. Dat voorsz: Keullenaar en Buissonje ziek van die tijd zekerlijk in hunne dienst hoewel zy buiten dezelve meest altoos beschenken zijn geweest, nugteren gehouden hebbende tot op den 6:e der daar aanvolgende maand October, wanneer Pruissonje 's nademiddags tusschen 5 en 6 uuren, wederom beschonken zijnde, op eene der geweerkisten was gaan staan, en daar op en reder springende gem Keulenaar overluyd had toegeroepen, keulenaar Wy zijn zoo lang stil geweest wy moeten het J:d: Godverdomme wederom door de gort ƒ - raeren, want anders zal het nooijt goed gaan„ terwijl gem: Keulenaar en Buisouje zich al wederom geduurende des Comp s wagt des Avonds van agt tot 12 uuren, inde hut van voorsz: meid Rochel, niet drunkenen vralik te zijn, hadden bezig gehouden tot even by het endig en dier wagt, wanneer keulenaar zier na zijn hut om te slaapen en Buissonje ziek na elders begeeven had Dat 'skachts om 12 uuren, zynde den tyd, dat de Voorsz: wagt door Keulenaar en Buissonje maest worden overgenoomen, de Compt de hem ter assistentie toegevoegde sous Lieutenant gem: van Kakom gesonden hebbende, om de voorsz: officieren te waar se houwen, dat des Comp:ts wagt vendigd was, en zijl: derhalven de hunne zoude komen als toen overneemen, meerm: Aan Kakom gesonden heb van den compt was gerappporteerd dat hij beyde om de voorsz: Offcieren te waar te keen en Keulenaar dat des C zodanig beschonken op het bed omgeacht gevonden had, dat hij denzelve gesonden had, alle aangevende moeijte niet had kunnen Wakkerkrijgen, en dat Brussonje neegens te vinden was, zulks de Compt: na eerst in persoon voorsz: keulenaar edoch te ver„ geeft te hebben willen opporren als leggende denzelve geheel magteloos in eene bespottelyke situatie met de muts van Jaersz: Swart in Rachel op het hoofd, aan den Capitain van het en ander de nodige kennis had gegeeken, dewelke dan ook terstond op den gekomen zynde en het voorsz: spectaaul Hen keulenaar gezien hebbende, de nagt vanden Compt: als toen had overgenoomen, verzoekende echte aan den Compt. om van een wenrig te Willen gezelschap houden 't geen den om Compt:

NL-HaNA_1.04.02_4336_0213 view scan ↗

English

The appearer had indeed consented. That around half past one o'clock the aforementioned Buissonje, having come on deck, had asked the captain to take over the watch, to which the captain, answering by saying, you are drunk now, go rather sleep it off, the aforementioned Buissonje had refused this in an insolent manner, wherefore the mentioned captain immediately ordered him under arrest and upon that at first had received as an answer, very well, sir, so be it, but subsequently, after the mentioned Buissonje had walked away there and immediately returned to the captain, in substance, no, damn that, he moving directly after saying that into the cabin to the aforementioned Keulenaar. That shortly thereafter the just-mentioned Keulenaar, accompanied by the aforementioned Buissonje, having arrived staggering and having asked the helmsman, how does it go, had received as an answer from the captain, sir, this does not concern you, I have the watch, just go to sleep, but that the mentioned Keulenaar hereupon, having confronted the captain in a very obstinate attitude and with a strong voice, that I'll be damned too, you cannot place us under arrest, this must be done by the ship's council. Whereupon he was ordered under arrest, which was answered by the mentioned Keulenaar with the statement, I'll be damned too, you cannot place us under arrest, this must be done by the ship's council. That shortly thereafter the aforementioned Buissonje, while cursing and raging, having smashed the window panes of the door of the poop deck cabin, had then, in the presence and within earshot of all the officers, besides having used various other expressions, also uttered in substance, I care not a bit about being under arrest, despite good friends at the Cape, despite the Governor, there I say, with your permission, my Zeeland clothes on, and to all who are here on the deck. Finally, the appearer declares that the aforementioned Keulenaar had also used against the captain the expression: must I sit under arrest for such a drunken scoundrel, he the appearer must testify not being able to fathom on what grounds the mentioned Keulenaar could have used this expression, as the captain in any case, never on account of moderate use of drink, had exposed himself to the slightest reflection from anyone on board ship. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons for his knowledge as stated in the text, being prepared to confirm this further under oath. Thus done at Cabo de Goede Hoop, the 18th of December 1787, before the Gentlemen Salomon van Echten and Christiaan Georg Maasdorp, members of the Honourable Council of Justice aforementioned, who duly signed the minute hereof along with the appearer and me, the sworn clerk. Below stood: which I witness. Was signed: RJ Dkloet, sworn clerk. Review. Appeared before the undersigned commissioners from the Honourable Council of Justice of this Government aforementioned, Captain Lieutenant Albert Tjerks, who, this his preceding declaration having been read aloud to him word for word, clearly and distinctly, testified that he persisted therewith, wishing that nothing more or less shall be added thereto or taken therefrom, and therefore, in confirmation of the truth thereof, spoke the solemn words: So help me God Almighty. Thus reviewed and sworn at Cabo de Goede Hoop, the 20th of December 1787. Was signed: Albert Tjerks. Lower: in my presence, was signed: RJ Dkloet, sworn clerk. In the margin: as commissioners, was signed: S: V: Echten, C: G: Maasdorp.

Dutch transcription

Comp:t dan ook had inijewilligd Dat omstreeks van half twee uuren voorsz: Ams„ sonje op het dek gekomen zijnde, aan den Capitain gevraagd had, om de wagt ofter te neemen, 't geen den Capitain met 't zeggen, gyzyt nu dronken, gaa lieve uitslaapen, beantwoord hebbende had voorsz: Buis sonje zulks op een brutaale geweegerd, waaromme gem Capitain denzelven terstond arrest aangezegt en daar op eerst ten antwoord bekomen had, zeer Wel Mijn Heer blijtoe, edoch vervolgens, nadat gem: Buissonje Aan daar voortgegaan en terstond nade Capitain te rug gekeerd was, in substantie, neen, dat verdom ik begeerende hy zich op dat zeggen direct in de hut Aan voorsz: Keulenaar. Dat kort daar na evengem: Keulenaar verzeld. van voorsz: Prissonsje al slingerende aange„ koomen zijnde en aan den roergenget gevraagd hebbende, hoe hegt geaan, door den Capitain had ten antwoord, bekoomen, Myn Heer Deet zaakt Uw niet ik heb de wagt gaa maar slaapen, dan dat gerepte Keulehaar de Capitain hier op in de zeer obstinatie houding, en met een forsse stiern had te gemoed gevoerd hebbende, dat verdom ik ook gi muit uijt geen arreitarrest aanzeggen dit makt gerege daar op : nd arrest, 't geen doorgem: Klutenaar, met het door den scheeps raad geschieden zeggen, dat verdomik ook gij kunt wij geen Arrest aanzeggen dit moet door den scheeps¬ raad geeschieden, was beantwoord geworden Dat kort daar na voirst Buissour, onder het vrloeken en raasen de ruyten van de deur der Compagne ingeslagen hebbende, als toen in 't by zyn en ten aamhooren van alle de officieren, behalven diverse andere expressien gebeesigd te hebben, noch in substantie had geuit, ik sonder wat in arrest maskier goede Vrienden aande Caal Maskie Gouverneur, daar zeeg ik S. V: mijn om welke reedenen den Capitain noch en diezelfde nacht scheeps raad hebbende doen beleggen, de voorsz: persoonen als toen ook door den vollen raad het Arrest was aangezegt en geconfirmeerd geworden. Dat de Capitain een half uur daar na even in zyn kamer gegaan en van daar te zug gekomen zijnde, gem: Meulenaar en Buissonpe, onder een vreerlyk geschreeuw van vloeken en schelden, uyt hunne nuttien waren gekomen, roepende in substantie in deeze of dargelijke bewoordingen uijt, kijk eens, zulke domme blixems malle Jongens &=a zy laten ons hier zitten met teegens en zonder schildwaeht, zy weeten niet wat een arrest is, wij Verdommen het om langer in zoo een arrest te blijven en willen crimineel gezet zijn; op welk een en ander de Capitain diezelfde nagt door de tweede reize den scheeps raad had doen convoceeren, zynde als toen ook bij dezelve direct geresolveerd om de voorsz: officieren van een schilwagt te voerzien, hunne zegd geweeren of te neemen en in diervoegen naar de Caab over te brengen. om Seeuwsche Zeeuwsche kleeten aan, en aan alle die hier op het dek zijn Eendelik verklaard de Comparant, dat voorsz: Keulenaar zieh teegens de Capitain ook noch van die uitdrukking: moet ik voor zoo een dronkige blixem in arrest zitten, bediend heb„ bende, hij Compt. betuigen moet niet te kunnen besetten, op welke grond gem: keulenaar deeze expressie heeft kunnen gebruiken, daor den Capitain zich in allen gevallen, minmer wegens vermatig gebruik, van drank, aan de geringt te replectie van iemrand binnen scheeps-baord heeft geexponeerd gehad. Niets meer verklaarende geeft den Compt. voor reedenen van wetenschap als in den text bereid zynde zulks nader met Eede geestamd te doen Aldus gepasseerd aan Cabo de goede Hoop„ den 18 Deebr: 1787. voor de Heeren Salomon van Echter en Christiaan Georg Maasdorp Leeden uit den E: Achtb: Raad van Justitie voorm: die de minute deezer beneevens de Compt: ende mij gesw: Clercq, meede behoorlyk hebben onderteekend /onderstond:/ 't welk ik getinge. /: was geteekend:/ R JDKiet gesw: Clercq. Recollement. Compareerde voor ons ondergeteekende Compareerde voor de ondergeteekende ge„ Committ:s uit den E: Achtb: Rade van Justitie deezes Gouvernements, den op het uitkomend schip Oud Haarlem, bescheidenen Doctor Frans Bruijden, „hamer, van competenten ouderdom, dewelke ter requisitie van den pro interim Fiscaal alhier d' E: Gabriel Exter, verklaarde, hoe waar is. Dat wanneer voorsz: bodem ter Rhede dan ramme kens op vertrek geleegen en die Compt. zich in dien tijd op zeekeren dag in zijne Aldus gerecolleerd en beëdigd aan Cabo de Goede Hoop den 20 december 1787. /:was geteekend:/ Albert Tjerks. (lager) mij praesent (was geteekend) RJ Dhiet gesw: Clercq. /in margine/ als gecommittst ƒ /was geteekend/ J: VEchten. C: G: Maasdorp. gecommitt:s: uijt den E: Achtb: Raad van Justitie deezes Gouvernements voorm: Capitain Dieutenant Albert Tjerks, dewelke deeze zijne vorenstaande Verklaaring van waarde tot woorde klaar en duidelijk woordelijks voorgeleesen weesende, betuijgden daar bij te blyken persisteeren, met begeerte, dat er niets meer bij ofte van gedaan worden zal, en sprak derhalven ter bevestiging der waarheid van dien de solemneele waerden, zoo waarlijk help wij God almachtig. Gecommitts het

NL-HaNA_1.04.02_4336_0215 view scan ↗

English

had found, the appearer had already then heard the Lieutenant de Keulenaar and Second Lieutenant Buissonje assigned on board the aforesaid keel, on an occasion when they were under the poop deck, after having held a certain discourse which the appearer could not understand, say to each other: we must put things on a different footing here, for it cannot go on like this, without the appearer having paid close attention to what was further uttered by them at that time; the appearer however afterwards experienced the consequences of this saying, seeing that the aforesaid de Keulenaar and Buissonje, already upon sailing out of the Channel, had made a beginning with drinking and a familiar intercourse with a certain black woman Rachel, while they furthermore had not shrunk from frequently addressing not only the Captain, but also all further respectable people, with the most insolent abuses, consistent with their low way of life. That the appearer, having been on the deck on the 27th of the past month of August at night just after 12 o'clock, had then witnessed that, because of excessive drunkenness of the aforesaid Keulenaar and Buissonje, who were to relieve the Captain Lieutenant Tjerks from the watch at that time, the Captain had himself taken over the aforesaid watch from the said Tjerks, while the said Keulenaar, having come on deck between 4 and 5 bells or around half past two o'clock, had asked the Captain to take over the watch, but the Captain having answered the said Keulenaar to just go sleep it off, the said Keulenaar had thereupon gone under the poop deck, saying: if I am not capable of keeping my watch, then I wish you a good night; the said Keulenaar however having returned shortly thereafter, then very earnestly requesting the Captain to take over the watch or otherwise arrest, whereupon the Captain ordered him under arrest. That the appearer subsequently in the beginning of the past month of October, without remembering the exact date, having been in the cabin on a certain night around 12 o'clock, had then heard the aforesaid Keulenaar and Buissonje, together with the minister, make a terrible noise in the cabin of the aforesaid black woman Rachel, while the appearer subsequently having gone upstairs towards 12 o'clock, had then been present when the aforesaid Captain Lieutenant Tjerks had sent the Second Lieutenant van Karkom to notify Keulenaar and Buissonje that his watch had ended and they should therefore come to take over theirs; whereafter the aforesaid van Karkom having reported to the Captain Lieutenant that Keulenaar was lying drunk in his cabin and Buissonje was not to be found, the appearer had thereupon gone with the said Tjerks to the cabin of Keulenaar and had then found him intoxicated to such a high degree as the appearer had seldom seen, the same lying wholly motionless, the entire body vomited upon, and with a cap of the aforesaid black woman Rachel on the head, so that the aforesaid Captain Lieutenant Tjerks having reported the incident to the Captain, the Captain, after having also taken the necessary inspection of the matter, had then replaced the aforesaid Tjerks in his watch, the appearer together with the junior merchant and some other officers having remained on the deck at that time for the company of the Captain. That around half past 1 o'clock the aforesaid Buissonje unexpectedly came on deck, and being asked by him to the Captain to take over the watch, had received as an answer from the said Captain: you are drunk now, please go sleep it off; and upon the absolute refusal of the said Buissonje, the Captain had then also ordered him under arrest, which the said Buissonje first answered by saying: very well, sir, pleased to, but subsequently, after he thereupon went to the cabin of Keulenaar and immediately returned again to the Captain, in substance answered with: no, I will be damned if I do, he betaking himself immediately from there into the cabin of the aforesaid Keulenaar. That shortly thereafter the said Keulenaar, staggering, having come on deck together with the aforementioned Buissonje, had asked the helmsman: how are you steering?, and had then received as an answer from the Captain: sir, that does not concern you, I have the watch, just go to sleep, this being answered by him with the saying: I will be damned if I do, while the said Captain having continued: then I order you under arrest, the repeatedly mentioned Keulenaar thereupon substantially replied: I will be damned if I do that too, adding: you cannot order me under arrest, but this must be done by the ship's council, after which, a ship's meeting being convened that very same night, the aforesaid persons were then also, as the appearer has learned, arrested by ship's resolutions. That the appearer also shortly thereafter, when the Captain had gone to his quarters, had heard said against the said Captain by one of both persons, without however knowing by whom: must I sit in arrest for such a drunken rascal, I will be damned if I do. That just after the said Captain had returned from his quarters, the said Keulenaar and Buissonje, besides yet other far-reaching impertinent expressions, had in substance uttered: look at such stupid rascals, that foolish

Dutch transcription

hut bevonden had, hy Comp=t toen reeds de aan boord van voorsz: kiel bescheidene Lieutenant de Keulenaar en sous Lieutenant Buissonje /:bij gelegenheid, dat zij zig onder de Campagne bezondsen: na zeeker discours gehouden te hebben, 't geen de Compt. niet heeft kunnen verstaan, teegens elkanderen had hooren zeggen: wij moeten 't hier op een andere vaet stellen, want 't kan zoo niet gaan, zonder dat de Compt. op 't verder door hun als toen voortgebragte, naauw agt geslagen had: hebbende de CComp„se egter daar na de gevolgen van dit zeggen ondervouden: aangesien voorsz: de Keulenaar en Buissonje, al bij het uitzeilen van het Canaal met drinken en een familiapen ommegang niet zeekere Swartin Rachel een begin hadeen gemaakt, terwijl zij zich verder niet hadden ontzien om niet alleen den Capitain, maar oak alle verdere fatsoenlijke Lieden dikwerf de brutaalste bezegeningen, bvereenkomen de met hunne laage levenswijze toetevoegen Dat de Compt: zig op den 27 der gepasseerde maand augustus 's nagts evem na 12 uuren op het dek bevonden hebbende, als toen had bijgewoond, dat, vermits overtollige dronkenschap van voorsz: Keulenaar en Bulssonje /:die den Capitain Lieu„ tenant Tjerks op dien tyd van de wagt maerten aflossen, de Capitain de voorsz: wagt van gerepte Tjerks zelde had overgenomen, terwijle gene Keudenaar tusschen de 4 en 5 glaasen of wel omstreeks halff drie uuren op het dk gekomen zijnde, den Capitain versogt had om de wacht vverteneemen dan dat den Capitain gem: Keulenaar geantwoord hebbende, van maar te gaan uit„ slaapen, had gem: keulenaar zig daar op onder het zeggen, den ik niet in staat om mijn wacht waar teneemen, dan wensch ik Ueen goeden nacht onder de Compagne begeeven, zynde gem: Keulenaar echter kort daar na wederom te rug gekomen als toen zeer ernstig dan den Capitain verzoeken de om de wacht over teneemen of anders arrest, waar op de Capitain denzelven het Arrest had aangezegt. Dat den Comp:t vervolgens in het begin van de gepasseerde maand october, zonder den praeciese datum onthouden te hebben, zich opzeekenen nacht tusschen den 12 uuren in de Cajuijt be¬ vonden hebbende, als toen voorsz: keulenaar en Buissonze, beneefens den domine, die vraeg Swartis in de hut van voorsz: Rochel een Ysselijk geraas had hooren maaken, terwyl de Comp=t vervolgens teegens 12 uuren naar boven gegaan zijnde, als then was tegenwoordig geweest, dat Voorsz: Capitain Lieutenant, Gerks, den Sous Lieutenant van Karkom had gesonden om Keulenaar en Bruissonje aan te zeggen dat zyne wagt affgie¬ loopen was en zi derhalven de hunne zoude komen overneemen: waar na voorsz: van Kerkene aan den Capitain Lieutenant gerapporteerd hebbende, dat Keutenaar en zyn het beschookender lag en Bussonze niet te vinden was, hadden Compte. ziek daar op met gem: Tjerks naar de zijnde hut hut van Keulenaar begeeren en denzelven als toen en een zodanige shooge graad beschonken had, aangetroffen, als den Comp:t nog weinig gezien had: leggende denzelve ten eenemaal onbeweeglijk 't geheele lichaam bespaagen, en met een muts van voersz: swartin rachel op 't hoofd zoo dat de voorsz: Capitain Lieutenant Tjerks van het Hoer„ gevallene aan den Capitain beregt gedaan hebbende, den Capitain, na, van het een en ander meede de nodige inspectie te hebben genomen, voorsz: Tjerks toen in zine wagt had vervangen, zynde de Comp:t beneevens de onderkoopman en eenige andere officieren op dien tid tot geselschap van den Capitain op het dek versleeren. Dat circa half 2 Uuren voorsz: Buissonje onverwachts op het dek gekomen, en door denzelven aan den Capitain gevraagd zijnde om de wagt over te neemen, van gem: Capitain had ten antwoord bekomen, gij zyt nu dronken, galieven uijt„ slaapen: en had den Capitain op de volstrekste weigering van gerepte Buissonje, denzelven als toen meede arrest aangezegt, 't geen gem: Brussonje eerst met het zeggen zeer wel Mynsteer blij toe, edoch vervolgens (nadat hy daar op naar de lut van Keulenaar gegaan, en terstond wederom naar den Capitain terug gekeerd was:/ noch in substantie met neen dat verdomik beantwoord had, begeerende hy zich terstond van daar in de hut van voorsz: Keulenaar. Dat kort daar na gerepte keulenaar al slingerende beneevens evengem: Buissonje op het deke gekomen zijnde, aan de toerganger gevraagd had, hoe legd je aan ?. en door den Capitain als toen ten antwoord had bekomen, Mynstee„ dat zrakt n niet, ik heb de wacht gaa maar slapen, zijn de dit door denzelve met het zeggen, dat verdom ik, beantwoord geworden, tewwijl gem: Capitain vervolgd hebbende, dan ordonneer ik n arrest, hat meermaals gem: Keulenaar daar op substanti„ „eelijk gerepliceerd, dat werdom ik ook, met bijvoeging, gij kunt mij geen arrest aanzeggen, maar dit moet daer den scheeps raad geschieden, waar na noch die zelfde nacht scheeps vergadering belegt zijnde, de voorsz: persoonen dan ook /:zoo als die Comp:t vernomen heeft :/ by scheeps resolutien zijn gearresteerd geworden. Dat de Comp:t ook kort daar na, wanneer de Capitain zig naar zyn kamer begeeven had, door een van beide persoonen, zonder nochtans te weeten, door wien teegens gem: Capitain had hoeren zegeren, moet ik voor zoo een dronkigen ƒ blixem in arrest sitten, dat verdom ik Dat even na dat gem: Capitain uijt zijn kamer was te rug gekomen, gem: Keulenaar en Buissonze behalven noch andere verregaande in pertinente Uitdrukkingen meer, in substantie hadden uitgeraeken: kyk eens zulke domme blixems dat malle

NL-HaNA_1.04.02_4336_0217 view scan ↗

English

foolish fellows, they let us sit here without a sentry, with swords, etc.; they do not know what arrest is, we will be damned if we stay any longer in such an arrest, and want to be placed in criminal arrest; while the appearer subsequently also witnessed that the said persons, after a meeting held for the second time that same night, were stripped of their sidearms and sentries were placed in front of their cabins. That the appearer thereafter, upon a commotion near the windows of the door of the quarterdeck, very clearly and as the appearer believes, heard Buissonje say: I do not give a damn about arrest, maski good friends at the Cape, meski the Governor, I wipe my Zeeland balls on that, and on everyone who is here on this deck. That subsequently, after the aforesaid persons had sat for several days in the said criminal arrest, the appearer, having understood that since scurvy was raging so severely on board, they might easily be afflicted by that disease due to lack of movement combined with their cramped confinement, the appearer had therefore in good time given the necessary notice of this suspicion of his to the Captain, and the aforesaid detainees were thereupon immediately, at a ship's council meeting, transferred from said criminal into civil arrest, while they were then simultaneously granted permission to walk between the quarterdeck and the mainmast, and to eat at the regular table. The appearer declared lastly that he had already known the Captain for three years and had sailed with him for almost all that time, yet had never ever seen him intoxicated. The appearer affirmed finally that the aforesaid Rachel Plavis was at first seated at the table by the Captain with the satisfaction of all the officers, but was later sent back to the cabin by the Captain because disputes arose over this. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons for his knowledge as stated in the text, being prepared to confirm this further. Signed. signed. Below stood: Which I witness. Was signed: P J V D Riet, sworn Clerk. Reconfirmation. Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Council of Justice of this aforesaid Government, Frans Fruydenhamer, to whom this his preceding declaration having been read aloud verbatim, clearly and distinctly, word for word, testified that he persisted therein, desiring that nothing more be added to or taken from it, and spoke therefore, in confirmation of the truth thereof, the solemn words: So help me God Almighty. Thus done, reconfirmed, and sworn at Cabo de Goede Hoop, the 20 December 1787. Was signed: Fr: Fruydenhamer. Lower: In my presence. Was signed: P J V D Riet, sworn Clerk. In the margin as commissioners was signed: S. v. Echten, C G: Maasdorp. Appeared before the undersigned Commissioners from the Honorable Council of Justice of this Government, the Second Lieutenants Bastiaan van Kakom and Cornelis Andriessen, together with the Gunner's Mate Paulus Hendrik Nieman, all serving in the aforesaid capacities on the outward-bound ship Oud Haarlem lying here at anchor in the roadstead, and of competent age, who, at the requisition of the interim Fiscal here, the Honorable Gabriel Exter, declared it to be true: That they, the appearers, have been thorough witnesses to the altogether shameful conduct, serving to everyone's annoyance on board, of Lieutenant Keulenaar and Second Lieutenant Buissonje stationed on their ship, who not only, already since the beginning of the voyage, besides a most conspicuous familiarity both with a certain black woman Rachel and with the common crew, by constantly frolicking with them on their watches and making them drunk, also overindulged in drink themselves most of the time, but at the same time gave such free rein to their unbridled way of life that, breaking all bonds of subordination, they continuously engaged in far-reaching insolent acts, both

Dutch transcription

malle Jongens, ze laaten ons hier sitten zonder schildwagt, met deegens elc: ze weeten niet wat arrest is, wij verdommen het om langer in zulk een arrest te blijven, en willen cremineel gezet zijn, terwyle de Compt tervolgen, ook heeft bijgewoond, dat gem: persoonen na eene in die zelfde nacht voor de twee neaal ge houdene vergadering de zidgeweeren ontnoomen en voor hunne husten schildwagten geplaatst zijn geworden. Dat de Compt. daar na op een gerommel bij de glaasen van de deur der Campagne zeer duidelyks en zoo die Compt. vermeend:) door Brussonje heeft hooren zeggen, ik donder wat in arrest, maskie goede vrienden aan de Caab, Meeskie Gouverneur daar deeg ik mijn zeeuwsche klooten wat aan¬ en aan alle, die hier op het dek zijn„ Dat dervolgens na dat de voorsz: per„ soonen eenige dagen, in 't gem: crimineel arrest hadden gezeeten, de Compt. begreepen hebbende, dat vermits het korbut zoo sterk. aan baard grasseerde, zij dus ook door gebrek van bevoeging, gevoegd bij hun bekropt verblijk Aldus gepasseerd aan Cabo de goede Hoop den 18 December 1787. voor de Heeren Salomon van Echter en Christiaan George Maardorp, leeden uit den E: Achtb: raad van Justitie voorn: die de minute deezes beneevens den Compt. en de mij gesw: Clercq meede behoorlyk hebben door die ziekte ligtelik zoude kunnen aangetast worden, had den Comp:t dan ook van dit zyn vermoeden aan den Capitain in tijds de nodige kennisse gegeeven, en waaren de voorschreeve gearresteerdens daar op terstond by scheeps-Vergadering uit gem: crimineel in 't civele arrest overgebragt, tewijl men hier toen te gelyk had vergund om tusschen de Compagne ende zalreep te mogen wandelen, en aan de gewoone tafel te moogen eeten Verklaarende de Compt laatstelyk dat hy den Capitain nu reeds drie jaaren gekend en by tkans in aldien tyd met hem gevaaren had, edoch den zelven nooijt ofte nimmer beschonken gezien te hebben. Betuigende de Compt. eindelik, dat de voorsz: Plavis Rachel in 't eerst met genoegen van alle de officieren door den Capitain aan de tafel geplaatst, was, echter naderhand door den Capitain weder naar de hut was gezonden, vermits er daar over meenig„ heeden ontstonden. Niets meer verklaarende geeft den Compt. voor reeden van wetenschap als in den text bereid zinde zulks nader gestund te doen daer onderteekend 1 onderteekend. /onder stond:/ t welk ik getuige. /was geteekend:/ P J DKiet gesw: Clercq. — Recollement. Compareerde voor ons onderget: Gecommitt:s uit den E: Achtb: raade van Justitie deezes Gouvernements voorm: Frans Frindenkamer denwelken deeze zyne voorenstaande verklaaring van waorde tot woorde klaar en duidelyk woordelyks voorgeleezen weezende, betuyg die daar bij te blyven persisteeren, met begeerte, dat ter niets meer bij of van gedaan worden zal, en sprak dierhalven ter bevestiging der waarheid van dien de solemneele woorden, zoo waarlyk help mij God Almagtig. Aldus gepasseerd, gerecolleerd en beeedigd aan Sabo de goede Hoop den 20 debr: 1787. /was geteekend:/ Fr: fruijdenhamer, /lager/ my preesent. /was geteekend:/ RJ V D iet gesw: Elercq in margine als gecommitts /was geteekend/ W Ochten, CG: Maasdoop Compareerden voor de ondergeteekende ge Committ=s uit den E: Achtb: Rade van Justitie deezes Gouvernements, de Sous Lieutenants Bastiaan van Kakom, en Cornelis Andriessen, bereevens de Constapels maat Paulus Hendrik Nieman, alle in voersz: qualiteiten bescheiden op het hier ter Rhede legegend uitkomend schip oud Haarlem en van Competenten ouderdom, dewelke ter requisitie van den pro interim Fiscaal alhier d' E: Gabriel Exter, verklaarden hoe waar is. Dat zij Comparanten dog en dor getuigen geweest zijn, van de allesints schandelijke en tot een tieders ergernis aan band gestrekt hebbende, levenswyze van den op hunnen dadem bescheidenen Lieutenant Keulenaar en sous Lieutenant Buissonje, dewelke niet alleen reeds zeederd het begin der huize, behalven een ten hoogsten in 't oog loopende famcliarriteit, zoo met zeekere Swartin Rachel als met gemeene volk, daer met dezelve geduurig op hunne wachten te stoeijen en dezelve dronken te maken, zich ook den meester tyd zelfs in den drank hebben te buiten gegaan, maar teffens hunne tomeloose levens„ wijze, zoo verre den teugel gewierd te hebben, dat zy alle handen van subordiratie verbreekende, „brutagle zich bij continuatie van veere gaande de egeningen Compareerde zoo wel

NL-HaNA_1.04.02_4336_0219 view scan ↗

English

had used both against the commander of the ship and against the other officers, all of which the Appearers, on account of the multitude thereof, have not been able to remember, and therefore believe that it could be stated with greater accuracy by the said Commander. That, however, on the 27th of the past month of August, when the first watch, which was kept from 8 to 12 o'clock in the evening by Captain Lieutenant Tjerks with the assistance of the Appearers, the 2nd Appearer at that time still being a sailor, had ended, the first two Appearers, having then been sent by the aforesaid Tjerks to wake the said Keulenaar and Buissonje, who during the aforesaid night had lived very freely, they, the Appearers, then, notwithstanding all efforts made, were unable to get them awake; so that the Appearers, having reported what had happened to the said Captain Lieutenant and the Captain, and the said Captain having then taken over the watch from him, went to sleep with the third Appearer, as their watch had ended. That subsequently the first two Appearers were present on the 6th of the following month of October, when the aforesaid Buissonje, having jumped onto one of the gear chests in the afternoon between 5 and 6 o'clock, called out across to the said Keulenaar, Keulenaar, we have been quiet for so long, we must, God damn it, stir through the groats again, for otherwise things will never go well; while thereafter, when the Appearers' watch had begun at 8 o'clock in the evening as usual, the said Keulenaar and Buissonje had then again during that time amused themselves in the cabin of the aforesaid Rachel with drinking and being merry, until just near the end of the watch, when Keulenaar had gone to his cabin to sleep, and Buissonje had gone elsewhere, without the Appearers knowing where. That when at 12 o'clock at night the aforesaid watch was to be taken over by Keulenaar and Buissonje, the said Captain Lieutenant Tjerks having sent the first Appearer to warn the said Keulenaar and Buissonje that they should come to take over their watch, the Appearer had not [illegible], and together with the last two Appearers went to the cabin of the said Keulenaar, and then found him entirely incapable in every way of taking over his aforesaid watch, as he lay motionless, completely covered in vomit, and with a woman's cap on his head; so that the Appearers first went to the cabin of Buissonje, and not finding him there, went to that of the aforesaid Black woman Rachel to inquire after the said Buissonje; upon receiving the answer from the said Rachel that Buissonje was not there, they sought to trace him aft, further below in the cabins and elsewhere, though in vain; the Appearers having then given the necessary notice of what had happened to the said Captain Lieutenant Tjerks, who then also, after having personally inspected the matter, reported what had happened to the Captain, who in the meantime had come on deck, this watch was then also taken over by the Captain once again from the said Captain Lieutenant Tjerks, while thereupon the third Appearer went from there to go to sleep, and the first two Appearers remained on deck. That around half past 1 o'clock the aforesaid Buissonje, having come on deck, asked the Captain to take over the watch, which the Captain having answered by saying, you are now drunk, go rather sleep it off, the aforesaid Buissonje had refused this in an insolent manner, by saying, no, damn it, I am going to wake Keulenaar; so that the Captain immediately ordered him under arrest, and having at first received as an answer thereto, very well, sir, stay, yet subsequently, after the said Buissonje had gone to the cabin of Keulenaar and immediately turned back to the Captain, again in substance saying, no, damn it, he immediately upon that saying went from there into the cabin of the aforesaid Keulenaar. That

Dutch transcription

zoo wel teegens het opperhoofd van het schip, als teegens de overige officieren hebben bediend gehad, welk een en ander de Comp=ten om de werig suldeg„ heid van dien niet sunst hebbende kunnen onthouden, mitsdien vermeenen dat door gem: Opperhoofd met meerdere accuratesse zoude kunnen worden opgegeeven Dat echter op den 27 der gepasseerde maand Augustus, wanneer de eerste waeht die van 8 tot 12 uuren 's avonds door den Capitain Lieutenant Tjerks met adsistentie van den Comparanten zynde de 2e. Compt: te dier tyd noch matroos/ wierd waargenomen, was afgeloopen: de twee eerste Compten. als toen door voorsz: Tjerks gezonden zynde, omgem: Keulenaar en Brissonze dewelke geduurdende de voorsz: nagt vry kusten geleefd hadden, op te wekken, zij Compten als't oen, onaangesien alle aangewende moeijte dezelve niet hebben kunnen wakker krijgen, invoegende Compten. hier van aan gem: Cap„n Lieutenant van t' dan gevallene van den Capitain berecht ge¬ daar, en gem: Capitain de waeht als toee van denzelven overgenomen had, met den derden Compt: als zijnde hunne waekt geendigd, zijn gaan slaapen. Dat vervolgens de twee eerste Compten op den 6 der daar aanvolgende maand October hebben bijgewoond, dat voorsz: Buissonje 's nademiddags tusschen 5 en 6 uuren op een der geneer kisten gesprongen zijnde, gena: Keulenaar overmid heeft toegeroepen, ketulenaar wij zijn zoo lang stil geweest, wij moeten s: Grod derdomme wederom door de gort rtoeren, want anders zal het nooyt goed gaan, terwyl daarna, wanneer der Compten waakt 'savonds ten 8 uuren, als naar gewoen te een aanzang had genomen, gem: Keulenaar en Buissontje zig toen als wederom geduurende dien tyd in de hut van voorsz: Rachel met drinken en vrolyk te zijn, hebben gediverteerd, tot even bi het eindigen van de wacht„ Wanneer Keulenaar ziek naar zyn hut om te slopen, en Binssonje zig na elders, zonder dat de Comp=te weeten waar heen, begeeren, had. Dat, wanneer snachts om 12 uuren de voorsz: wacht door Keulenaar en Prnssonje meegt worden overgenomen, gem: Capitain Lieutenant Tjerks, den eersten Compt gezonden hebbende om gem: gaan Keulenaar keulenaar en Buissonsje te waarschouwen, dat zijl: hunne waekt zoude komen overneemen, had den Compt: niet en beneevens de twee laatste Comp=ten zig naar de hut van gem: Keulenaar begeeren, en den zelven als toen geheel buitien staat bevonden, om in alle gevallen zyne voorsz: wacht te kunnen overneemen, als leggende onbeweeglyk geheel bespoagen, en met een vrouwe muts op 't hoofd, zoo dat de Comp=ten eerst na de hut Aan Bruissonje, en denzelven aldaar niet Lindende, naer die van voorsz: swort in Rachel gegaan zijnde, om naer gem: Buissouze te verneemen, op het bekomen antwoord van gem: Rachel, dat Buissonje en niet was, naar achteren, voorts onder in de hutenelders, denzelven (:edoch te vergeefs, hebben zoeken op te spaeren: hebbende de Compten. als toen van hun wedervaaren aan gem: Capitain Lieuterant Tjerks, de nodige kennisse gegeeven, dewelke den ook, na zelve van het een en ander inspectie genomen te hebben, het gebeurde aan den Capitain /: die in tusschen op het dek gekomen was/ rapport gedaan hebbende, was dem oak deeze vacht door den Capitain alwederom van gemelde Capitain Lieutenant Tjerks overgenomen, terwyl daar op den derden Comp:t zig van daar om te gaan slaepen, begeeren heeft, ende twee eerste Compa„ „rantien noeh op het dek verkleeren zijn, Dat omstreeks van halff 2 uuren voorsz: Binssonje op het dek gekomen zinde, aan den Capitain gevraagd had, om de wagt over te neemen, 't geen den Capitain met het zeggen gy zyt nu dronken, naaliever ait¬ slaapen, keantwoord hebbende, had voorsz: Buissonje zulks op een brutaele manier, met het zeggen, neen! dat terdoen ik, ik gaa keulenaar wakker maken, geweigerd, invoegende Capitain denzelve terstond arrest aangezegt, en daar op eerst ten antwoord bekomen hebbende zeer wel Mijn Heer, blytte, edoch vervolgens (:nadat gem: Buissonje naar de shuit van Keulenaar gegaan, en terstond wederom naaer den Capitain te rug gekeerd was; / andermaal in substantie, neen, dat terdom ik, begeerende, hy zig op dat zeggen tersten van daar inde hut den voorsz: keulenaar rapport Dat

NL-HaNA_1.04.02_4336_0221 view scan ↗

English

That shortly thereafter the aforementioned Keulenaar, having arrived accompanied by the aforesaid Buissonje, had asked the watchman, how are we laying, and after the Captain had answered him in response, Sir, that is none of your concern, I am just going to sleep, the mentioned Keulenaar had thereupon also retorted to the Captain, I will be damned if I do, whereupon the Captain having continued, then I order you under arrest; this latter was then answered by the said Keulenaar by saying, I will be damned too, you cannot place me under arrest, this must be done by the ship's council, so that when the ship's council was convened by the Captain immediately that same night, the said persons were then also arrested by the ship's council itself: That the said first two appearers have also simultaneously seen and heard that when the Captain retired to his cabin, the said Keulenaar, before the door of his cabin, while saying, must I sit in arrest on account of such a drunken rascal, I will be damned if I do, threw his hat at his feet, whereupon the first appearer went below to go to sleep, while the second appearer, having remained on deck, perceived shortly thereafter that the said Keulenaar and Buissonje, among other insulting expressions, called out, just look at such stupid rascals, foolish boys etc., they leave us sitting here without a sentry, and do not know what arrest is, we will be damned if we remain any longer in such an arrest and are treated criminally, and that, the ship's council having been convened hereupon once again, the swords were thereafter taken from the said officers and sentries were placed before their cabins. Just as he, the second appearer, also simultaneously testifies to have seen that Buissonje thereafter, while cursing and raging, smashed the windowpanes of the door of the poop deck to pieces, without him, the second appearer, having been able to understand the expressions used by him at that time, as he, the second appearer, was at that time stationed by the compass. The two first appearers declaring that the day after the events recounted above, they heard the aforesaid Buissonje say, I do not care a damn about being under arrest, and furthermore, in these or similar words, never mind the Governor or good friends at the Cape, on that and on all those who are here in the ship I wipe my Zeeland balls, and more such similar expressions, which the appearers testify to have heard the said Buissonje repeat several times, both on that morning and the evening before. While finally all the appearers mentioned in the heading of this document declare never ever to have seen the Captain of their vessel drunk on board, nor do they know that the said Captain had ever indulged to excess in that respect. Declaring nothing more, the appearers give as their reasons of knowledge as in the text, being prepared to confirm this further. Thus done at Cabo de Goede Hoop on 18 December 1787, before the Gentlemen Salomon van Echten and Christiaan Georg Maasdorp, members of the Honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof together with the appearers and me, the sworn clerk. Underneath was written: Which I witness. Was signed: RJ VD Riet, said clerk. Verification. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice aforesaid, the Second Lieutenant Bastiaen van Kakom and Cornelis Andriessen, together with the gunner's mate Paulus Hendrik Dieman, who, this their preceding deposition having been read to them word for word clearly and plainly, declared that they persist therewith, desiring that nothing more shall be added thereto or taken therefrom, and therefore, in confirmation of the truth thereof, each in particular spoke the solemn words: So help me God Almighty. Thus verified and sworn at Cabo de Goede Hoop on 28 December 1787. Was signed: Bastiaen van Kakom, First Lieutenant; Cornelis Andriessen, Second Lieutenant; Paulus Hendrik Dieman, Gunner's Mate. Lower: In my presence. Was signed: RJ VD Riet, sworn clerk. In the margin: As commissioners. Was signed: S. v. Echten, C. G. Maasdorp. To the Honorable Valiant Gentleman Captain Cornelis Haringman, commanding the Honorable Company's ship Oud Haarlem, and the Honorable Gentleman

Dutch transcription

Dat kort daar na evengem: Keulenaar, verzeld van Voorsz: Buissonjja: aangekomen zinde, aan dien zaer „ganger gevraagd had, hoe legde aan, en daer den Capitain daar op ten antwoord bekomen hebbende Mijn H:eer dat raakt u niet, ik gaa maar slaapen, stad: gerepte keulenaar den Capitain als toen meede te gemoed gevoerd, dat verdom ik, zulks den Capitain hier op vervolgd hebbende, dan Ordonneer M Uarrest; was dit laatste doen gem: Keulenaar met het zeggen, dat derdom ik ook, gij kunt mij geen arrest aanzeggen, dit moet door den scheepsraad geschieden beantwoord geworden, zoo dat door den Capitain terstond nog in dieselfde naeht scheeps raad beleijd zijnde, de gem: persoonen des toen ook van weegens der scheeps raad zelve zijn gearresteerd geworden: Dat gemelde twee eerste Comparanten ook teffens gezien en gehoord hebben, dat wanneer den Capitain zich naer zijne kamer begaf, gemelde Keulenaar denzelven voor de deur van zyn nit onder het zeggen moet ik door zoo een dronkige blixem en arrest zitten, dat verdom ik, den hoed voor de vaeten gesmeeten heeft, hebbende den eersten Comparant zich hier op, om te gaan slaapen naar beneeden gespedcken, terwijl den 2e. Comparant op het dek verbleeven zijnde, verkoet daar na heeft bigegeevoend, dat gemelde Kanlenaar en Buissonje onder meer andere injuraeuse expressien, hebben uitgeroepen, kijk eens zulke domme blixems, Malle Jongens &ei ze laaten, ons hier zonder schildwagt te zitten, en weeten niet wat Arrest is, Wij Herdommen om langer in zulk een arrest te blijven, en crimineel gezet zijn. en dat hier op' wederom scheeps-raad belegd zijnde, daar na van gemelde officieren de deegens ont„ noomen en voor hunne hutten schildwachten geplaatst zijn geworden Gelijk hy 2de Comparant teffens betuigd ook gezien te hebben, dat Buissonje daer na order het vloeken en razen, de ruiten van de deurder Compagne heeft in stukken gestooten, zonder dat hij 2e Compt: de toen door t denzelve gebezigde expressien heeft kunnen verstaan, als hebbende hy 2e. Compt: zig op dien tyd by 't Compas bevonden Verklaerende de beide eerste Comparanten daags na het hier vooren derhaalde voorsz: Buis Jonje te hebben haren zeggen ik dorder wat in arrest en voorts in deeze of drergelijke bewoordingen, Maskie Gouverneur of goede vrienden aan de Caab, daar en aan alle die hier in het schip zijn veeg wat ik J: V: mijn Zeeuwsche Klooten aan, en Soort gelyke dat expressien expressien meer, dewelke de Comp„ten betuigen gem: Pmissouze verscheidene reisen, zoo wel op dien morgen, als 's avonds te voeren te hebben hooren ter haalen. Terwijl eindelyk alle de in den hoofde dezes gem: Compten verklaaren nooyt ofte nimmer den Capitain van hun bodem aan boerd beschonken gezien te hebben, nog ook niet te weeten dat gem: Capitain zich daar in ooijt zou hebben te buiten gegaan. Niets meer verklaarende geven de Comp„ten„ voor reedenen van wetenschap als in den text, bereid zynde zulks nader gestand te doen. Aldus gepasseerd aan Cabo de goede Hoop den 18 december 1787. voor de Heeren Salomon wan Echten en Christiaan Georg Maasdorp Leden uit den E: Achtb: Rade van Justitie voorm: die de minute dezes, benevens de Compten. en my gesw: Clercq E mede behoorlyk hebben onderteekend /onder stond:/ 't welk ik getuige /was geteekend/ AWVD Reet gem: Clencq. Recollement. Compareerde voor ons onderget: Gecommitt: s uijt den E: Achtb: Rade van Justitie voorm: de Sous Lieutenant Bastiaen van Kakom, en Cornelis Aan de WelEd: Manhafte Heer Capitain Cornelis Haring¬ man Commandeerd 't EdelComp¬ schip oud Haarlem, en den Wel Edele Aldus gerecolleerd en beedigt aan Cabo de goede Hoop den 28. december. 1787. /:was getekend:/ Bastraam wan Kakom I:s Luijt: Cornelis Andriessen S:t Luijt; Paulus Hendrik Dieman C: Maat. /lager / mij praesent. / was getekend. / RJ VD Riet. gesw: Clercq. /in margine/ als geecommitt:s /Was geteekend: / H Echten. C: G: Maatdorp. Antriessen, beneevens den Constapels maat Paulus Hendrik Fieman, dewelke deeze hunne vorenstaande verklaaring van woorde tot woerde klaar en duidelijk voorgeleezen weesende, ver„ klaarde daar bij te blyven persisteeren, met begeerte dat er niets meer bijgezoegd ofte van gedaan worden zal, en spreeken dierhalven ter bevestiging der waarheid van dien en ijder in 't bijsondder de solemneele woorden, soo waarlijk help mij God Almachtig. Andriessen Heer

NL-HaNA_1.04.02_4336_0223 view scan ↗

English

To the Noble Ship's Council, on board the Honorable Company's Ship Oud Haarlem, under the Command of the Noble, Valiant Gentleman, Captain Cornelis Haringman, Captain-Lieutenant Albert Tjerks, and the Honorable Gentleman Adriaan Michiel Herklots, Under-Merchant on the aforementioned vessel. The undersigned petitioners respectfully make known that they have made bold to address Your Honor and the further Ship's Council by petition, in order to ask pardon for the matter formally known, and whereas the petitioners have up to this day received not the least decision thereon, and it appears that the previously adopted consultative system is being persisted in, they therefore once again refer to the presented petition as stated above, and would flatter themselves with a favorable outcome, provided, however, that Your Honors should continue to persist to their grievance. The petitioners therefore take the liberty to politely request Your Honor to be allowed to receive copies of all such depositions as have been drawn up against them and of what happened in proper form, in order to be able to make use of them wherever it might serve them, trusting that Your Honor, with all due respect, will not refuse this in all fairness. The petitioners respectfully make known that it has been judged that some insolence occurred through them, either to the members or to each individually, to the aforementioned respected Head, yet never with any real intention to insult His Honor personally, but that such and similar words spoken by us arose either in passion or through the indiscretion of consuming too much liquor, and the petitioners were condemned by Your Honor's Ship's Council first to criminal, thereafter to civil arrest. Therefore, the petitioners once again dare to make bold and approach Your Honor to ask humble pardon from their respective head or other offended persons, and to declare what happened to be null and void, trusting that since that time, while the petitioners have been in civil arrest, nothing has been committed against any of the illustrious heads of the aforementioned vessel. Trusting likewise that in the capacity in which they were appointed nothing will be reproached, other than the preceding emotional impulses which are naturally human. Which doing. Was signed: M: C: De Keulenaar J: C: Du Buissonje In the margin: on Board the Honorable Company's ship Oud Haarlem, 28 November 1787. To the Noble, Honorable Gentleman, Mr. Johannes Isaac Rhenius, President, together with the further Honorable Members of the Council of Justice of this Government. The undersigned Arnoldus Castelijn de Keulenaer and Johannes Cornelis Buissonje show with the required respect in the most humble manner how the petitioners, on the report of the Captain stationed on the Honorable East India Company's ship Oud Haarlem, were summoned through the pro interim Fiscal G. Exter today a fortnight ago by Your Noble Honors, in order to hear such claim and conclusion as the Officer serving on that day should make. The petitioners having appeared, and the claim submitted by the Officer Claimant having been read aloud, they found themselves unable to answer on the spot to all that was charged against them, and requested of Your Noble Honors a copy and a term of 14 days, in order to be permitted to submit a written response to the same, which was favorably granted to the petitioners by Your Noble Honors, for which the petitioners express their dutiful thanks to Your Noble Honors. The petitioners, according to their dictate held last, ought to submit their response today; however, they have found that to the said claim submitted by the Officer Claimant, some depositions were annexed directly running contrary to the truth, whereby the petitioners find themselves placed in the utmost necessity to obtain counter-depositions against the same from some persons from the said vessel who have remained here, just as they have already obtained from the ship's minister and commander; but because of their varied activities due to this circumstance, in getting their goods off the said vessel, they have been unable to produce the further evidence as of yet, and thus are unable today to submit their response with the proper evidence. Reasons why the petitioners turn to Your Noble Honors, humbly requesting that it may please Your Noble Honors to kindly grant the petitioners, without further delay, a term and postponement for the period of another fourteen days. Which doing, etc. Was signed: A: C: De Keulenaar J: C: De Buissonje Answer made and most respectfully submitted to the Noble, Honorable Gentleman Johannes Isaac Rhenius, President, together with the further Honorable Members of the Council of Justice of this Government, in the name and on behalf of Arnoldus Castelein de Keulenaer and Johannes Cornelis Buissonje.

Dutch transcription

Geevende ondergeteekende supplianten reverentelyk te kennen, dat zy zyh verstout hebben aan UwelEdele en verdere scheeps-raad bij requeste te addresseeren, teminde excuus te vragen over het bewuste in formes bekend, doe &nadien zy supplianten hier op tot heeden geen de minste dispositie gewaar worden, en schynt bij de vorige genoome raadplegende sijstemaas te tolharden, zoo is 't dat zy nogmaals als Eminen te hoofde aan het gepraesenteerd request refereeren, en zich met een gunstige uit slag durden vleijen zoo nochtans on¬ derwoopt door UWeEEd: tot hunne grieve bleef worden gepersisteerd. zoo gebruiken de supplianten de vrijheid UWelEd: minsaam te versoeken te mogen genieten Copien van alle zulke verklaarings, als tegens hun zijn belegt en van 't gebeurde in forma ten eende zich hier van te kunnen bedienen, doar hun zulks te stade zoude kunnen komen, vertrouwende Geeven de supplianten reverentlijk te kennen dat het gekeurd is dat er eenige insolentien door hun aan het zij leeden of ijder afsonderlijk aan voornoemde respectent Hoofd zyn geschied dan nimmer met eenige waarlijke intentie om zijn welEd: personeel te beleedigen maar zulke en diergelijke gezegdens, door ons gedaan, het zij in driff het zij door onbescheidenheid van meerder genot van drank is geproflueerd, zij supplianten Eerste crimineel, daar na in cixiel Aan de WelEdele Scheeps Raad, aan boord aan 't Edel Comp:s Schip Oud Haarlem, onder Commando van den wel„ Edele Manhaften Heer Capitein Cornelis Haringman. UwelEd. zulks in alle Dillykheid onder reserentie gezegt, niet zult refuseeren /onderstond/ 't welk ik getuige /:was geteekend:/ M: C: De Keulenaar. J: E: D:e Bussouze /:in margine / aan Boord. van 'E Ed: Comp: schip Oud: Haarlem, 28 November 1787. Heer Capitain Lieutenant Albert Tjerks en den Ed: Heer Adriaan Michiel Herklots Onder Koopman opgemelde bodem. UwelEd. Arrest. arrest door UwelEd: scheeps-raad zyn gecondemneerd. Zoo is dat de supplianten zich nogmaals durven verstouten en tot UwelEd: toe treeden om aan hun respectiev hoofd of verdere belee„ digers, needrig excuus te vraagen, en het gebeurde van nul en geonder waarde te kenden, vertrouwende dat nadien tigd, terwijle zy suppli„ anten in civil arrest geweest zijn, niets is gepermoureerd teegens eenige der illustrae hoofden van die voornoemde bodem Vertrouwende ook te gelijk, dat in hun qualiteit aangesteld niets zal worden gereprocheerd, dan de voorgaande mousementen die natuurlijk menschelyk zijn. /onder stond:/ 't welk doende. /was geteekend / A: C: De Keulenaar C J: C: D: Buissontje. Aan den Wel Edelen Achtbaaren Heer Den Heer Johannes Isaac Thenius Den Ondergeteekende Arnoldus Castelijn de Keulenaer en Johannes Cornelis Buissonze¬ geeve met de vereischte Eerbied op het ootmoedigste te kennen, hoe den suppliant op aangeeven van den op 't O: J: Comp: schip oud Haarlem bescheidenen Capitain door den pro interim Fiiscaal G: Exter 7:O: heeden over veertien dagen door UWelEd: achtb: waaren geciteerd, omme aan te hooren zodanige Eisch en conclusie, als den R: O: ten dagen dienende, neemen zoude De Supplianten zynde gecompareerd, en van R:O: Eisscher ingedaende Gisch Voorgelesen zijnde, zy zich buiten staat bevonden, om alico op alle het ten lasten gelegde te kunnen antwoorden, van uwel Edele Achtbaare heeft verzagt copia WelEdelen Achtbaaren Heer Praesident en E: E: Achtbaaren Heeren! praesident. beneevens de verdere Ed: Achtbaaren Heeren Raaden van Justitie dezes Gouvernements. praesident. en en termijn van 14 dagen, om op deselve schriftelijk te mogen dienen van antwoord, het welk door uwlEd: Achtb: aan den suppten gunstig is geaccordeerd geworden, door welke de suppten plicht schuldig uwelEdele Achtbaaren dank betuigen. De suppten volgens hunne laatstleeden gehoudene dictamen heeden behoorde t dienen van antwoord, edoch bevonden hebben dat aan gemelde ingediende Eisch van den r:O: Eisscher, eenige verklaaringen waren geannexeerd, direct aanlopende teegen de waterheid, waar door de suppten in de hoogste necessiteit zig gebragt zien, om tegen dezelve van sommigen hier van gemelde bodem gebleeven persoonen contra verklaaringen en te winnen, gelyk zij reeds van de scheeps domine en commandeur hebben ingewonnen, doch hunne die wul¬ dige besigheeden door dit geval, om hunne goederen van gemelde bodem af te krijgen, buiten staat zijn geweest, om de Vordere bewijsen als noch te produceeren, en dus buiten staat zijn, om heeden met de behoorlijke Antwoord gedaan maken en zeer Eerbiedigst over¬ „gegeeven aan den WelEdelen Achtbaaren Heer Johannes Isaac Rhenius, Preesident, beneedens de verdere 2: Achtbare Heeren Raaden van Justitie dezes Gouver „nements, uit naam ende van neegens Arnoldus bewijsen te kunnen dienen van ant„ woord. reedenen, waaromme de supplianten zich keeren tot UwelEdelen Achtbaaren, ootmoedig versoekende, dat het UwelEdele Acht baaren moge behaagen, de supplianten, zonder verder dilaij:/ gelieven te verleenen termijn en attarminatie voor den tid dan noch veertien daagen. /onderstond:/ 't welk doende etc: /was geteekend:/ A. E: De Keulenaar. J: C: De Buissonje. bewijsen. Castelein 6

NL-HaNA_1.04.02_4336_0226 view scan ↗

English

Castelein de Keulenaar and Johannes Cornelis de Buissonje, the former having been appointed as Lieutenant and the latter as Second Lieutenant on the Honourable East India Company ship Oud Haarlem, defendants against the pro interim Fiscal Gabriel Exter, Plaintiff ex officio. Right Honourable Sir and Honourable Sirs, The defendants, about to reply pursuant to the favourable decision granted by Your Honours to the claim and conclusion submitted by the Plaintiff ex officio before Your Honours on the 27th of the past month of December, but first of all the defendants express their due thanks to Your Honours for the favourably granted copy and extension of time, and proceeding to answer, declare with the utmost astonishment to perceive, both in the claim and in the evidence produced therewith, how everything set forth therein is frivolous, impertinent, and diametrically opposed to the truth, as will appear most clearly to Your Honours from the attached declarations, to the reading of which the defendants most humbly implore Your Honours' attention, from which Your Honours will see in the first place that what is set forth in the claim from article 1 up to and including article 18 concerning the so frequently mentioned carousing and heavy drinking is entirely contrary to the truth, that they, the defendants, on the contrary, were never addicted to drink to such a degree, nor did they familiarise themselves to an offensive degree with the black woman found on the ship as a passenger, much less were they ever reprimanded for it by Captain Cornelis Haringsman, but that, on the contrary, the defendants performed their service and duty according to their capacity, but the excesses and the unheard-of favours and partialities shown by the said Captain Haringsman to the said black woman gave offence to the defendants, who did not wish that a person of colour should have greater privileges at the table and over the provisions that were purchased jointly for the officers' table aft than the defendants. Instead, the Captain lived and acted with these provisions, which were purchased jointly and supplied by the Honourable Company, as arbitrarily as if they belonged exclusively to him, the junior merchant, Captain Lieutenant, and Doctor, together with the aforementioned black woman, and were purchased and supplied solely for them, while the defendants and indeed all the other officers aft were served as if they had no share in them, but only after the said Captain and associates mentioned above had taken their portion, the remainder was handed over to them as if out of friendship; just as there were also several disputes between the defendants and the Captain regarding the water, because it was squandered uselessly by the Captain on dogs and birds, while they, as well as the common crew, had to suffer want as a result of that treatment by the Captain, where the defendants showed their displeasure and pointed out the unfairness thereof to the Captain. Yet, despite all reasonable representations for these and other reasons, to be seen more fully from the declaration, they were unable to obtain anything from their Captain, the result of which was that the Captain sought to thwart the defendants in everything, and this was the true source of the persecution and hatred that prompted the said Captain to accuse and deliver the defendants here to the Plaintiff ex officio, as Your Honours may be pleased to examine at length the conduct and actions of the Captain from the declaration, which are far more offensive and contrary to reason and duty than those of the defendants, for which reason the defendants deem it unnecessary to repeat everything here, as what is stated in the said declaration will merit greater credit than what the defendants say of themselves, and would make this document too laborious. The claim up to and including article 18 regarding the general accusation of drunkenness, boozing, and carousing will be held as answered, because the untruth thereof is most clearly established from all the declarations. Yet in article 10 something specific is mentioned, namely that the defendants, instead of attending to the morning sounding according to the Captain's orders, preferred to employ their time in boozing and carousing, against which the defendants find themselves compelled to inform Your Honours of the true circumstances thereof, since no mention of it is made in the declaration, whereupon it will fall away just like the other allegations, as also the allegation in articles 14 and 15 merits a specific defence. The Plaintiff ex officio asserts in article 11 that the defendants received orders from the Captain to attend to the sounding, and had refused to do so under the pretext of going to sleep. Upon this Your Honours may please be informed that at the beginning of the voyage, for the purpose of keeping watch, the sailor Andries Matthijsse was assigned to the defendants, who was taken away again from the defendants by the Captain after a few days, and subsequently placed with the Captain on the day watch; the defendants asked the Captain the reason for this, who thereupon said he had done so because the defendants then would not be needed in the morning at the sounding, but could remain asleep, with which the defendants were satisfied, and consequently did not perform the sounding any further in the morning. On the 20th of August, the Second Lieutenant Gillis Bruining Vlieger was requested to help take the sounding.

Dutch transcription

Castelein de Keulenaar en Johannes Cornelis de Buissonje, de eerste als Luitenant en de tweede als Sous Luitenant bescheiden geweest zijnde, op 't E: O: J„ Comp: t schip Oud Haarlem verweerders opende Jeegens len pre interum Fiscaal Gabriel Exter R: O: Eisscher WelEdele Achtbaare Heer en E: E: Achtbaare Heeren/ De verweerders zullende antwoorden volgens gunstig verleend besluit van UE: Achts op den genomene Eisch en conclusie door den R. O: Eisscher op den 27 der gepasseerde maand December voor UEd: Achtb: ingediend, dan alvoorens zoo betuigen de verweerders hunne verschuldigde dank aan UEd: Achtb: voor de gunstig verleende copia en atterminatie en tot antwoord overgaande, deede seggen met de uitterste ontvreemding, zoo in den Eisch als de daar bij overgelegde bewijsen, te ontwaaren, hoe alle 't daar in ter neder gestelde, frivaal, impertinent en rechtdraads teegens de waarheid aanloopende zij, zoo als UE: Achtb: uijt de annexe verklaaringen ten klaarste zal consteeren, aan welke lecture de verweerders UE: Achtb: attentie op het ootmoedigst un„ „ploreeren, daar uijt UE: Achtb: in de eerste plaats zullen zien, dat 't ter nedergestelde in den Eisch van art: 1. tot Artic: 18. in„ geslooten, weegens de zoo dikwerf gemeld wordende brasserijen en suyperejen gantsch teegens de waarheid is aanlopende, dat zij integendeel de verweerders nimmer :in die graad aan den drank of tot aan„ stotelyke ergernis met de op 't schip he„ vonden Wartin, als passagier zig hebben gemeen gemaakt, veel min daar over Copia ooijt Capitain Cornelis Haringsman, ooijt aan den zyn gereprimendeerd geworden, maar dat in tegendeel de verweerders hun Dienst en pligt hebben waargenoomen volgens hun qualiteit, maar de buitensporigheeden en de ongehoorde gunst bewijsen en favoriteiten van den Capitain gem: Haringsman, aan gem: swartin beweesen, de verweerders tot ergennis hebben verstrekt, niet wilde, dat een heid in meerder voorrecht aan de tafel en over de consumptie die in het gemeen agter op voor tafel onder de officieren waaren gekogt zouden hebben dan de verweerders. Maar den Capitain met die gemeene aan, „gekochte en door de E: Comp. e verstrekte vietualie„ zoo willekeurig leefden, en handelden, als off dezelve alleen voor hem, den onderkoopman Capit: Lieutenant en Doctor, beneevens die meer „gemelde swartin, waaren toebehoorende, en voor hun waaren aangekogt en verstrekt en de verweerders niet alleen, maar alle verdere Officieren achter op, die wierden toegediend, als off zy geen deel aan dezelve hadden, maar, na dat gem: Capitain C: S: hier vooren gemeld 't hunne daar van genomen had, hun als pr Vriendschap het overschot wierd overgereekt, zoo als over 't water meede verscheide maalen oneenigheeden zijn geweest tusschen den ver Reerders en den Capt: door dien 't nutteloos door den Capt:n voor houden en vogels word zerquadd, en zi zoo wel als den gemeenen man, daar by gebrek moest lyden om die behandeling van den Capt: doar de verweerders hun ongenoegen hebben getoond, en de onbillijkhuid daar van aan den Capitain hebben te kennen gegeeven doch niet tegenstaande alle billyke vertoagen om die en andere redenen, uijt de verklaaring breeder te zien, niets bij hun Capt: hebben kunnen obtineeren, waar van 't gevolg is geweest, dat den Cap:n den verweerders in alles heeft getragt te cohineeren en zulks de waare brouwer van de vervolging en haat zij, die den gem: Capt: hebben bewoogen om den verweerders alhier aan den Z: O: Eisscher aan te klaagen en over te geeven, zoo als uijt de verklaaring UEd: achtb: breedvaerig het gedrag en handelinge van den Capt: gelieve na te hunne zien zien, die vrij aanstotelijken en teegens reeden en plicht aanloopen, dan die van de herweerders, waarom de verweerders onnodig achten het alles bij repeteering hier te herhaalen, wyl het gezegde in gem: verklaaring meerder geloof zal meriteeren, dan 't geen de verweerders van zig zelven zeggen, en dit schriftuur te opereus maaken. Den Eisch: tot Artic: 18. ingeslooten Neegens de generale beschuldiging van dronkenschap, suijper en brassen, als ver antwoord houden zullen, wyl uyt alle de Verklaaringe de onwaarheid van 't zelve 0 ten klaarsten consteerd. doek van artie: 10 van iets speciaal word gesprooken, dat de verweerders in steede van de morgen pijling, volgens order van den Cap„n waar te neemen, zij liever tot suijpen en braessen hun tijd emploijeerde, waar teegens de verweerders — zig genaadsaakt vinden, UEd: Achtb: e van de toedragt derzelve naar waarheid te informeeren, wijl dan 't zelve, in de Verklaaring geen gewag gemaakt word, wanneer het zelve even als st derder geposeerde zullen vervallen, zoo als ook het geposeerde in art: 14 & 15 zyn speciale verantwoording meriteerd, den r: d: Eisscher in Art: 11. poseerd dat de verweerders van den Capit: order zoude gehad hebben, om de pijling te moeten waarnemen, en zulks onder het voorgeeven van te gaan slapen, hadde geweigerd, daar op UEd: Achtb: gelieven gein„ formeerd te weezen, dat met het begin vande reize tot het waarneemen van de wagt, de verweerders Waaren toegevoegd, den Matroos Andries Matthijsse, welke door den Cap„n van de verweerders, na eenige dagen weeder is afgenoomen, en vervolgens geplaatst bij den Capt: op de dag waegt, de verweerders aan den Cap:t de reede daar van hebben gevraagd, welke daar op zeidde zulks gedaan te hebben, omdat de verweerders dan des s'morgens by depijling niet nodig hadden, maar konde bliven slapen„ daar in de verweerders hun genoegen naamen, en vervolgens des s'morgens de pyling niet verder hebben gedaan, op den 20 Augustus den sout Lieutenant Gillis Bruiming Vlieger, zijn verzogt om de pyling te helpen neemen, Verklaaring de

NL-HaNA_1.04.02_4336_0229 view scan ↗

English

the defendants stated that the Captain had told them they were not needed there, but went to sleep, just as they, after having smoked a pipe in their cabin, went to sleep without even seeing the black woman, thus again contrary to the truth that the Captain had ordered them so, and that they had preferred to spend their time drinking and reveling rather than attending to their duties, since the Captain had discharged them therefrom; and further, Article 15, that a few days thereafter the defendant, in drunkenness during the watch of the Captain Lieutenant, had supposedly made a terrible disturbance, and had supposedly been unable to take over their watch, although the contrary is well established by the deposition, so the defendants will nevertheless take the liberty to further inform Your Honors hereof, namely that it occurred on the 27th of the said month without any disturbance having been made on the deck, or that the defendants had been in the least intoxicated; the defendant de Keulenaar had laid down to sleep on the bench under the quarterdeck in the evening at 9 o'clock, and thus slept during the watch of the Captain Lieutenant, just as the defendant Busonje had also gone to his berth; the defendant de Keulenaar, waking up and not knowing he had been roused, directly asked what time it was; the sentry told him that it was five bells, whereat the defendant was startled, went further to the Captain, who had the watch, and in good order asked to take over the watch; the Captain replied that he would not turn over the watch, that it was his watch; the defendant de Keulenaar thereupon went away again, saying, then it is well, but immediately returned and asked the Captain to take over the watch, imagining that the watch from 12 to 4 o'clock was his regular watch, asking the Captain whether he did not find him fit to perform his duty, that he did not leave his watch; the Captain nevertheless persisted and said that the defendant had no regular watch and he would not hand over the watch; the defendant De Keulenaar having been ordered under arrest for that, the same thereupon having gone into his cabin until the morning, when he spoke further with the Captain as to whether the Company did not assign him a regular watch from 12 to 4 o'clock, was convinced by the Captain that no, that he should keep such watch as the Captain ordered, with which the defendant De Keulenaar also was satisfied, and begged pardon for his mistake, without anything further having occurred concerning that matter; the defendant De Buissonje being entirely outside of it, as he had remained asleep until 4 o'clock in the morning, when he, the defendant de Buissonje, was first roused; coming on deck, he showed his surprise and asked the Captain what the reason was that he had let him sleep; the Captain answered him, the defendant De Buissonje, that he had not been able to wake the defendant de Keulenaar and had therefore kept the watch himself and let him, the defendant De Buissonje, sleep, whereupon he, the defendant, kept the morning watch with the Captain Lieutenant, without any displeasure having been shown to the defendant De Buissonje, much less that he should have been placed under arrest for that, as has been stated in the claim by the Officer Plaintiff; thus again, both the claim and the deposition produced by the Officer Plaintiff run contrary to the absolute truth, since the defendant De Buissonje was never under arrest before the 7th of October, nor ever gave reason for it. Further proceeding to Article 19, that this is the only misstep of which the defendants can be accused, yet the same is, like the preceding, very exaggerated and presented wide of the truth, as if the defendants belonged among the worst sort of mankind, which is better established by the deposition produced on this side, as

Dutch transcription

de herweerders hebben gezegd, dat den Cap„n hun gezegd had, daar bij niet nodig te hebben, maar gongen slaapen, gelyk zij, na een pijp in hun hut geroekt te hebben, zijn gaan slaapen, zonder de swartin eens te zien, dus Wederom teegens de waarheid dat den Cap:n hun zulks geordonneerd hadde, en zij liever hun tijd met suipen en prassen doerbragten dan hun zaaken waar teneemen, alsoo den Capit: hun daar van had ontslaagen en verder art:l 15 dat eenige dagen daar op de verweerder in dronkenschap in de waeht van den Cap¬ Lieuterant een vreeselijk leven zoude hebben gemaakt, en buiten staat zoude zyn geweest, om hun wagt over te neemen, schoon zulks uit de verklaaringe wel het tegendeel consteerd, zoe zullen; niet tegenstaande de verweerders de vrijheid neemen UEd: Achtb: hier van meede nader te informeeren, als dat op den 27 der gemelde maand is voorgevallen, zonder dat er eenig leven op het dek was gehouden, off dat de verweerders enigsints beschonken hadde geweest, den verweerder de Keulenaar op de bank onder de Compagne, des avonds om 9 uuren zich te slaapen hadde gelegd„ en dus geduurende de wagt van den Capt: Lieut: gesloepen, gelyk als ook de verweerder Busonje, na zijn koor was gegaan, den vervleerder de heulenaar wakker wordende, niet weetende geport te zijn, direct troeg, hoe laat het was, den roetganger teegen hem zeidde, dat het vijff glaasen was, daar den verweer der zich van veraltereerde, verder naar den Capit: ging, die de wagt hadde, en in goed Catsaen vraeg, om de wagt over te neemen, den Cap: antwoorde, dat hy de wagt niet over gaff, dat het zijn wagt was, de verweerder de Keulenaar daar op weder heen gong, met te zeggen, dan is het wel, maar op stond weeder te rug keer die, en teegens den Capit: Vraeg, om de wagt over te neemen, verbieldende dat de wagt dan 12 tot 40 uuren zijn vaste wagt was, teegens den Capitain vroeg, of hij hem dan niet in staat bevond, om zyn post waar te neemen, dat hy niet van zyn vaagtging, den Capitain evenuel bleef persisteelen en zeidde, dat den verweerder geen vaste weegt haden de wagt niet wilde overgeeven, den verweerder om. De De Keulenaar daar over arrest aan zeidde dezelve daar op in zijn hut gegaan zijn de¬ tot des s'morgens wanneer hij verder met den Capitain sprak, of de Compagnie hem dan geen vaste wagt derstrekte van 12 tot & uuren door den Capitain overtrugd wierd van neen, dat hy zoodanige wagt mogte waar neemen, als den Capitain ordonneerde, daar den verweerder De Keulenaar meede genoegen nam, en over desselfs misslag excuus verzogt, zonder dat iets verder daar over is voorgevallen zijnde de Vezweerder De Buissonse geheel daar buiten, alsoo die was blijken slapen, tot des s' morgens ten 4 uuren, wanneer hij ver„ Heerder de Buissonje eerst geport wierd, op het dek komende, zijn verwondering toonde teegens den Capitain vroeg, wat de reede waare dat hij hem had laten slapen, den Capitain hem Verweerder De Burssonje, antwoord, dat hij den verweerder de Keulenaar niet wakker had kunnen krijgen en daar om de wacht zelve had waargenomen en hem verweerd De Buishonsje, had laaten slaapen, wanneer hij verweerder de dagwagt met den Capitain Lieutenant heeft Naargenomen, zonder dat eenig misnoegen aan den verveerder De Buissonse is getoond geworden, deel min dat hy in arrest daarom zoude zijn geset, zoo als bij Eisch door den r: O: Eisschen is geposeert; dus wederom, zoo wel den Eisch als de ver„ klaaring door de R: O: Eisscher geproduceerd, teegen de volstrekte waarheid is aanlopende, alsoo de verweerder De Buissonje nimmer door den 7e October in Arrest is geweest, noch nimmer reedenen daar toe te hebben gegeeven. Verder overgaande tot art: 19. dat de eenige misstap zij daar in de verweerders kunnen beschuldigd worden, edoch het zelve is eren als het voorgaande zeer vergrootend, en bezyden de waarheid voorgedragen, even af de Verneerders onder 't slegtste sorteering van 't menschdom behoorde, dat uit dezer zijds geproduceerde verklaaring beeter consteerd De zoo

← previousnext →