Inventory 4336
Cape · 410 pages · 215 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
as also appears from the declaration, the exaggeration of what was posited by the Officer Prosecutor on the pretext of the Captain and on the grounds of the declaration given by him and his associates appears sufficiently, which falsehood the defendants, after having first presented this in all truth to Your Honors, will most humbly attempt to demonstrate further. May it please Your Honors to be further informed that on the 7th or in the night between the 7th and 8th of October it happened that they, the defendants, in the evening while smoking a pipe of tobacco, having sat with the aforementioned black woman in her hut, jested with her and drank a few glasses of wine until about eleven o'clock, when the defendants went to their hammocks, feeling indeed that they had been drinking, but were by no means intoxicated. The defendant de Keulenaar, being roused at 12 o'clock, being in his first sleep, did not wake up immediately; the defendant de Buissonje had sat down in the gallery, because it was already so late, in order to be immediately at hand, and having woken up at the sound he heard at 12 o'clock, having come onto the deck at one bell, thereupon first went directly to the hut of the defendant de Keulenaar to rouse him, but could not get him awake immediately, went to the Captain Lieutenant, who was still on watch, and asked him to take over the watch, saying that he would have his mate, the defendant de Keulenaar, roused, the Captain Lieutenant did not want to hand over the watch, saying that he had handed over the watch to the Captain, the defendant de Buissonje kept waiting for the Captain until he came, to request the Captain to take over the watch, as the defendant de Buissonje requested the Captain, but that the Captain refused, without giving any reason, only saying that he did not want to hand over the watch, that he, the defendant, was to go under arrest and just go to sleep; that he would keep the watch himself, the defendant Buissonje saying, it is fine, went again to the defendant de Keulenaar to rouse him and relate what had happened, who woke up, coming onto the deck to his predecessors, asked, how are you, Sir, the Captain said to that, that is none of your business, just go under arrest, the defendant de Keulenaar thereupon asked the Captain what he had done wrong to be placed under arrest, the Captain said, because you were roused and did not get up, repeatedly ordered the defendant de Keulenaar to go under arrest, which he refused except on order of the ship's council, as he did not know he had done anything wrong that merited arrest, thereupon a ship's council was immediately held and both defendants were then notified of criminal arrest. The defendant, seeing the daily persecution as well by the Captain as his associates, then in anger against the Captain broke out over the unreasonableness of their conduct toward them, the defendants, as far as they can recall reproached the Captain that he was a drunkard, and found his treatment all the more unjust, and reproached the Captain Lieutenant that he made use of the Company's timber to have everything made for himself, and that they, the defendants, were treated like boys, had several times asked merely to be improved in the ration of water, which could not even be obtained, which the defendants trust was indeed spoken with some anger, but the defendants are not conscious of having said any brutalities or having uttered any insolent expressions against the Captain and Captain Lieutenant, much less against the Right Honorable Severe Lord Governor or the government here, but the next day, being present, the passions having somewhat cooled, in order to prevent all further disputes, and as they might possibly have said too much in their anger, requested an apology for what had occurred from all whom they might have offended, but all in vain, as if the Captain and his associates now had it their way, to give free rein to the long-harbored hatred and lust for revenge.
Dutch transcription
zoo als uit de verklaaringe meede consteere de dergrooting van het geposeerde door den 7: O: Eisscher op het voorgeeven van den Capitain en op grond Aan de door hem en zijn mede soort ge„ „geeren verklaaringe gedaan, genoegsaam consteerd, dog welke valscheid den verweerders na dit alvoorens UE: achtbaarens na waarheid te hebben voorgesteld op 't ootmoedigst nader zullen tragten aan te toonen. UE: Achtbaarens gelieve dan verder geinfor meerd te zijn, dat op den 7:e of in den nagt tusschen den 7 8 8. e October is gebeurd, dat sij verweerders des avonds onder het rooken van een pijptabak bij meergemelde swartin in haar hut geseeten hebbende met deselve gebadineerd, eenige glasen Wijn gedronken hebben, tot omtrend Elff uuren, wanneer de verweerders na Kaoij zijn gegaan, wel zoelende gedronken te hebben, doch gantsch niet beschonken waaren den Verweerder de Keulenaar om 12 uuren ge¬ port wordende, in zijn eerste rust zijnde, niet direct wakker is geworden, den verweerder de Buissorge in de Galderij zig ter neder had geset om dat het reeds zoo laat was, om direct by de hand te zijn, op 't gerucht dat om 12 uuren hoorde wakker geworden zynde, om Een glas op het dek gekomen zijnde, vervolgens eerst direct naar de nut van den verweerder de keralenaar is gegaan, om dezelve te porren, edoct niet direct wakker konde krijgen, na den Capitain Lieutenant, die nog op de waert stond, ging, en deselve vraeg, om de wagt overtenemen ver dat hij zijn maat, den herweerder de keulenaar, wel zoude laten porren, den Capitain Lieutenant de wacht niet wilde overgeeven, zeggende, dat hij de wacht aan den Capitain had overgegeven, den verweerder de Buirsonje op den Capitain bleeff wachten, tot dat dezelve kwam om den Capitain te versoeken, de wacht over te neemen ¶ gelijk den verweerder de Buissonje, den Capitain versogt, doch dat den Capitain refuseerde, zonder eenige reede te geeven alleenig zijde dat hij de wacht niet overgeeven wilde dat hij verweerder in Arrest zoude gaan, en maar zoude gaan slaapen; dat hij de wagt door hem waar zoude neemen, den Herwaerder Buissonje met te zeggen 't is goed weeder, naar den verweerder de keulenaar niet is is gegaan om hem te porsen en 't toorgevallene te verhaalen, die op wakker is geworden op 't dek koomende teegens de voergangers, vroeg, hoe vaard u Heer, den Capitain daarop zeidde, dat raakt & niet, gaat maar in Arrest, den verweerder de Keulenaar daar op teegens den Capitain vroeg, wat hij dan misdaan had, om in arrest te gaan, den Capitain zeedele, om dat gij geport zyt, en niet opgestaan, by her haalde reise den verweerder de keulenaar in arrest ordonneerde te gaan, welke dezelve refuseerde als op order van den scheepsraad, alsoo hij niet wist iets misdaan te hebben, dat arrest meriteerde, daar op direct scheeps raad is gehouden en de bijde verweerders toen crimineel arrest zyn aangezegd, den verweerder daer de dagelykse revolging zao door den Capitain als zijn E: S: als toen in drift teegens den Capitain Uitwaer over de onredelykheid hunner gedrag met hun ver„ weerders, zoo veel zy hun kunnen zappelleeren den Capitain verkeet, dat hij een dronkaart was, en des te onbillijker zijn behandeling vonden, en den Capitain Lieutenant verweeten, dat dezelve van s' Comp. s hout gebruyk maakte om alles voor hem te laten maken, en dat zi verweerders als Jongens behandeld wierden, verscheide maalen gedraagd hadde, om maar in 't rantsoen van 't water verbeterd te worden, dat niet eens konde krijgen, welke de verweerders vertrouwen, dat wel met eenige drift is uitgespreoken geworden, edoeh zijn de donzeerders niet bewust eenige brutaliteiten te hebben gezegd, of eenige lacceuse uitdruk¬ kingen teegens den Capitain en Capitains Lieutenant te hebben geuit, deel min teegens den WelEdelen Gestrengen Heer Gouverneur of de regeering alhier edoek des anderen daags, praesent zynde, de driftenenigsints bedaart geworden, om doch alle verdere geschillen daer te komen, en zy mogelijk door hun drift iets te veel mogte gezegd hebben, over 't voorgevallene excuus hebben versogt, aan allen die by mogten beledigd hebben, doch alles drugteloos, als so den Capitain en zijn C: S: nu 't na hun sin hadden, om de lang opgevatte haat en wraaklust den was teugel
English
to give free rein, because they were now in their hands, so that now being considered again with a judicial, impartial eye, Your Honors will clearly ascertain the deliberate persecution of the defendants and the partisanship of the Captain and his associates, and therefore his given declaration cannot merit any belief in law, because in the first place according to law it is certain that a declaration given out of partisanship cannot stand in law, and in the 2nd place, it is a legal principle that if a witness testifies falsely in one matter of his declaration, his entire declaration is false, or at least no credit can be given to such a witness, and that such is the case here is clearly evident from the declaration produced on this side; finally, the witnesses are also reproachable, both because of their partisanship and because four of them, namely the Captain, Captain Lieutenant, Under-Merchant, and Doctor, together constitute that faction which sought the destruction and ruin of the defendants, and as for the remaining witnesses, they were also quite forced to give declarations in order to remain favorites of the Captain and thereby make their fortune or advancement, and thus can just as well be considered as having been bribed for that purpose, and such clearly appears sufficiently from their own declarations, for when they are all confronted against each other, they are identical, and thus at everything that occurred and was declared, all those witnesses must have been present together and their senses equally active, to have seen and heard everything precisely at one and the same moment all together, without a single word having escaped anyone, which may well be called a miracle, to find such among so many witnesses, and this, Honorable Gentlemen, being considered with Your Honors' customary attentiveness, Your Honors will clearly ascertain the conspiracy of the parties, and see from the same that it is a truly fabricated and concerted declaration, which can never merit belief in law, so that the Defendants trust to have demonstrated with the most well-founded evidence not only the groundlessness but the entire unlawful action of the Plaintiff ex officio, and with irreproachable witnesses have sufficiently proven to the judge that the Defendants have not made themselves guilty of such crimes as have been charged against them, whereby the laws on which the Plaintiff ex officio has founded his claim being removed, the said formulated claim and conclusion must fall away. That even if the Defendants might have made themselves guilty of a minor offense, the Defendants trust in the most generous sentiment which resides in the hearts of Your Honors, that Your Honors will find the punishment already suffered from such a long detention more than too severe for the committed fault, the more so when added thereto is the submission in the request for pardon offered to their commanders, of whom they already had so many signs that they sought to bring about their ruin, and on the basis of which and everything that occurred as mentioned hereinbefore, the Defendants, rejecting all the reasons and arguments set down in the claim and conclusion made by the Plaintiff ex officio, by express denial, frivolity, impertinence, and groundlessness, rejecting them, that Your Honors will make no difficulty in denying the claim and conclusion made and taken by the Plaintiff ex officio, with costs, and leaving reserved to the Defendants such action as they may bring against Captain Cornelis Haringsman for the insult, costs, damages, and interests suffered, as and where they shall find it proper, or otherwise to dispose as Your Honors shall find just and equitable /was signed:/ A: E: De Keulenaar. J: C: De Buissonjer /:in the margin: Exhibited in Judicio on 21 January 1788. Today the 5th of January 1788.
Dutch transcription
teugel te doen vieren, wijl zij, nu in hun handen waaren, dat nu wederom zoo beschouwd zijnde, met een regtelijk onpartigdig oog zullen UE: achtbaarens het opsettelik om de verweerders, te vervolgen, en de partij suyt van den Capitain en zyn C: S: ten Klaarsten consteeren en dus desselfs gegeeve verklaering in rechten geen geloof kunnen meriteeren, wijl in de eerste plaats na rechten zeker zij, dat een verklaaring gegeeven uit partij sugt, in regten niet kan bestaan, in de 2. e plaats, zoo is het een rechtelijk gevaalen, dat een getuigen in een saak van zyn verklaaringe valsch getuiggd, zyn gantsche Verklaaring valsch is, ten minsten geen geloof aan zoo een getuige kan gegeeven worden, en dat hier sulks plaats heeft, consteerd sonne klaar uijt de ten deezen sijds geproduceerde verklaering; eendeling zyn de getuigen ook re„ „prochabel, zoo uit haar pantijsschap, als omdat tier van dezelve den Capitain, Capitain Lieutenant onder koopman, en doctor, met den andere die factie uitmaaken, die des verkeerders verderf en ondergang hebben gezagd, en wat de verdere getuigen aangaan, zijn meede wel genoedsaakt geweest, verklaeringe te geeven, omdaar daer gunstelingen van den Capitain te blijven en daar door hen fortuin of avancement te maken, dus even kunnen gereekend worden, als daar toe omgekagt, en zulks zeel uit de eige verklaringe genoegsaam consteeren, want deselve alle teegens den andere ƒ ƒ6 0 geconfronteerd, zoo zyn dezelve eensluidend, en dus bij alle 't gepasseerde en verklaarde moeten alle die getuigen preesent zijn, by den anderen geweest, en hunne sintuigen gelyk werksaam zyn geweest, om Just alle op een en 't zelve tijdstip alles te „gelijk een en 't zelve te hebben gesien, en gehoord zonder dat by iemand een enkeld woord is ontsnapt, dat wel een wonder werk mag genoemd worden, in zoo deel getuigen zulks te vinden, en dit E: Achtb: Heeren door UE: Achtbaarens gewoene Attentie beschouwd wordende, zullen UE: Acht, baarens, de samenspanning van parthijen ten klaarsten consteeren, en uit dezelve zien dat een waare opgemaakte en zamen overleg de verklaaring zij, die nemmer in rechten geloof kan meriteeren, dus de Verweerders vertrouwen met de allen gefundeerds te bewijsen te hebben aangetoond de ongefundeerdheid niet alleen gunstelingen maar maar de gantsche weder rechtelyke actie van den E: O: Eisscher en met tryeproekabele ge„ tiigen den rechter genoeg beweesen, dat hij ver„ Heerders zich niet hebben schuldig gemaakt aan zoodanige crimen, welke hun ten lasten zijn gelegd, en waar door de wetten bij den 7: O. Eisscher zijn Eisch op heeft gefundeerd weg ge noomen zijnde, zoo maet dezelve genomen Eisch en conclusie vervallen. Dat of schoon de Verweerders zeek aan eene kleine misdaad mogte hebben schuldig gemaakt, zoo vertrouwen e verweerders op 't edelmoedigst gevoelen, welke in de harten van Uwel Ed: Achtb: huisvest, dat Uw EEd: Achtb: de reeds geleedene Straffe van zoo een langduurig arrest meer dan te swaar zullen bevinden door de begaane mitslag, te meer daar bij noch gevoegd de submissie by 't versoek van pxcuus aan de opperhoofden hunner booden beweeren, daar van zy reeds zoo veel blyken hadden, dat dezelve hun ondergang zogte te bewerken, en op grond van Huiden den 5 Januarij 1788. welke en alle 't gepasseerde hier vooren 144 gemeld de verweerders afslaande alle de redenen en middelen bij desr R: O: Eisschers genoomene Eisch en Conclusie ter nedergesteld, by expresse denegatie frivoliteit, impertinent en ongefundeerd, G: verheerpende, dat UEd: Achtb: geen swarigheid zullen maken, om des R: O: Eisschers zyne gedaane en genoomen t Eisch en conclusie te ontzeggen, met de kosten, mitsgaders aan de rerveerdders ge„ reserveerd te laten zoodaanige actie als dezelve weegens geleedene hoon, kosten, schaden en interessen aan den Capitain Cornelis Haringsman te terhaalen, zoo en daar zy zullen zulks zullen bevinden te behooren, offte zoodanig anders te disponeeren, als UE: Achtbaarens na recht en billijk zullen vinden /was geteekend:/ A: E: e De Keulenaar. J: C: De J Buissonjer /:in margine Exhubiteum in Judicio den 21. Janu: 1788. Welke Compareerden dde 1e e ber 17
English
Appeared before me, Ryno Johannes van der Riet, sworn clerk at the Secretariat of Justice of the Castle of Good Hope, present the hereinafter mentioned witnesses Jacob de Vroer, comforter of the sick, and Cornelis van Stel, commander of the soldiers, stationed on the outward-bound ship Oud Haarlem, and of competent age, who, at the requisition of Lieutenant Arnoldus Castelein de Keulenaar and Second Lieutenant Johannes Cornelis de Bussouze, having also been stationed on the aforesaid vessel, declared it to be true: That the requirants, having now and then at the beginning of the voyage had disputes on board with the captain of their vessel, by name Cornelis Haringman, on account of a certain black woman who had been on board as a passenger and had been placed by the captain at the table above the requirants, about which they, the requirants, had repeatedly and amicably requested the captain to make a different arrangement on board on that account, without this having had any effect, as the captain, instead of satisfying the requirants in this matter, on the contrary, first placed the same black woman next to his side at the table for several days merely to defy the requirants, and subsequently made her eat in his cabin, while she, however, was finally moved below after that; That, besides the captain having given various sharp remarks to the requirants about this, the appearers also noticed that since that time the captain continually treated the requirants very unamicably and regarded minor errors of the requirants as very great misdeeds, notwithstanding that he, continually wishing to exercise sovereign authority, chose to overlook very capital crimes committed by other persons on board upon whom he had cast a more favorable eye, for which, strictly speaking, the gallows might have been earned; which, besides having caused continuous confusion on board, had such consequences that the captain, having drawn the first lieutenant, the junior merchant, and the doctor into his interests and having, as it were, formed a faction with them, sought to manage everything on the ship according to their own arbitrary will; and having borne a bitter hatred toward the requirants—who now and then stood upon their rights, and on occasions when the captain with his flatterers were occupied with gambling in the evening until nine o'clock or half past nine, and therefore quite unconcernedly made all the other persons wait until that time, who were accustomed to eat at half past seven and then enjoy their rest, showed their displeasure about this—for those reasons, they let no opportunity pass to make the requirants experience the proofs thereof; That also on board, a dispute had arisen more than once between the captain and the requirants because the captain and his friends acted in such an arbitrary manner with the water and other provisions, considering that, notwithstanding the shortage of water had increased so much that they continually had to reduce the requirants and the crew in their rations, they, the captain and his associates, nevertheless always provided themselves with an abundant measure of those necessities, and notwithstanding this, even had a can of water supplied for each of their dogs on board, which then caused an even greater dissatisfaction, because the requirants, having insisted as officers on more relief for themselves, nevertheless had to endure a continuous refusal; That, however much it is true that during the voyage the requirants once had the misfortune of having been intoxicated on their watch and therefore placed under arrest, the appearers nevertheless must testify to have never seen the requirants intoxicated on board, except for this single time, but also to have always seen them faithfully perform their duties, notwithstanding the unpleasantries which they suffered from the aforesaid faction, and principally from the captain, and even so that they never wished to meddle with the said captain and his company; That they, the appearers, did witness that the requirant now and then bantered with the aforesaid black woman, but that they were not the only ones who made so familiar with the said black woman, since the captain, junior merchant, and doctor can by no means be declared innocent thereof, it having happened not infrequently that they jumped around in public on the deck arm in arm with the said black woman, and often, when the peas were laid out on the deck to dry, threw her down with her bare buttocks, with all respect, onto the same, and committed more such indecencies, too many to be named here by the appearers; That they, the appearers, it is true, saw the first requirant on the aforesaid night, when he had become overcome by drink, with the cap of the black woman on his head, without, however, having heard any lascivious expressions either from the first or the second requirant, the first requirant having only that night, in the presence of the second appearer, reproached the captain with being a drunkard, and Captain Lieutenant Tjeeks, that he had the right to have a desk made from Company wood, while he, the requirant, and others could not even obtain any water on board; The appearers further declaring that the boatswain and sailmaker also quarreled so violently in public on board that they severely beat each other, and even with sharp
Dutch transcription
Compareerden voor mij Rijne Joh:s van der Riet ge„ Hoore Clercq ter secretarije van Justitie des Casteels de goede Hoop, present de nagenoemde getuigen Jacob de Vroer, zieken troosten en Cornelis van stel, Commandeur der soldaaten op het uitkomend schip Oud Haarlem bescheiden, en van competentien Ouderdom, dewelken ter requisitie van den op voorsz: bodem meede bescheeden geweest zynde Lieutenant Arnoldus Castelein de Keulenaar, en Sous Lieutenant Johannes Cornelis de Bussouze verklaerden hoe waar is. Dat de reqten. in 't begin van de reise nu en dan aan boer d disputen gehad hebbende met den Capitain van hunnen bodem in naame Cornelis Haringman, weegens zeekere swartin, die zig als passagier aan boord bevonden had, en door den Capitain aan de tafel boven de requiranten was geplaatst geworden, waerover zij requiranten den Capitain bij continuatie in het vriendelijke hadden verzogt om dies weegens een andere schikking aan boord te maaken, zonder dat zulks van eenige uit¬ Merkinge geweest was, als hebbende den Capitain in steede de requiranten hier in genoegen te geeven ter contrarie dezelve swarten eerst eenige dagen aan de tafel, alleen om de requiranten te trotseeren naast zyn zyde geplaatst, en dezelve vervolgens in zyn kamer doen eeten, terwyl zij echter daar na eindelijk maar beneeden geraakt was, Dat behalven dat den Capitain den requiranten hier over diverse bitse bezeegeningen gegeeven heeft, de Comp„te ook opgemerkt hebben, dat de Capitain zeederd dien tyd by continuatie de requiranten zeer onvriendelijk heeft behandeld, en geringe beriselingen van de reqten voor zeer grote mis„ slaagen aangemerkt, niet tegenstaande hij ook en andere persoonen aan boord op wien hij een gunstiger oog gevestigd had, zeer Capitale misdaaden, daar ten striksten genomen 't schadet meede gemaeyt zoude kunnen zijn, steeds als een souverain gezag willende voeren, over 't hoofd heeft willen zien, 't geen dan aan boord behallen eene continueele verwarring deroot¬ zaakt te hebben, van die gevolgen geweest was, dat de Capitain den eerste Lieutenant, den onder koopman en doctor in zyn belangen gekreegen en met hun als 't waare eene factie uitgemaakt Capitain hebbende hebbende, op het schip alles naar hun eigen wille keur hebben zoeken te tracteeren, en de reqten dewelke nu en dan eens op hun regt stonden en bij geleegenheeden dat de Capitein met zijne vlijers 's avonds tot negen uuren of halftien met speelen bezig waren en dierhalven vrij ongegeneerd alle de overige persoonen die gewoon waren om half acht uuren te eeten en dan hun rust tege¬ nieten, tot dien tijd te laaten wagten, hun ongenoegen daar over betoonde, om die reedenen een bitteren haat hebben toege„ draagen, en geen gelegenteid laten voorbijgaan om de reqten de blijken daar van te doen ondertinden. Dat ook aan boord meer dan eens tusschen den Capitain en de reqten verschil was gereesen, dat de Capitein met zijne vrienden op eene zoo willekeurige wijze met het water ende andere provisien te Werk ginnen, gemerkt niet tegenstaande het gebrek aan water zoo zeer was toe„ genoomen, dat men de reqte en het volk geduurig in hunne raudsoenen maest verminderen, zij Captain C: S: zig egter 6d altoos in eene overvloedige maate van die behoeftens hebben voorzien, en zelfs voor iedere hond, die zig van hun aan boord, des niet tegenstaande een kan water doen verstrekken, 't geen dan eene te grootere misnoegen ver„ oorsaakte vermits de requiranten eenig als officieren voor hun op meerder soulaas geinsteerd hebbende, zig nagtans eene geduurige weigering Dat hebben hebben moeten getroosten. Dat hoe zeer de reqten. , wel is waar geduurende de reise eens het ongeluk hebben gehad van in hunne wagt beschonken en daarom in arrest gesteld geweest te zijn, de Compten. nogtans ber„ „tuigen moeten hun regten niet alleen /: behalven deeze enkele reise nooyt aan boord beschonken te hebben gesien, maar hun ook altoos, niet tegen„ „staande de onaangenaamheeden, welke zy vann de voorsz: factie en wel principaal van den Capitain hebben ondergaan derzelver diensten getrouw te hebben zien waarneemen, en zelfs zoo dat zij zig nimmer met gem: Capitain en zyn geselschap hebben willen 2 melleeren. Dat zij Compten. wel hebben bijgewoond, dat de reg„t nu en dan met de voorsz: swarten hebben gebadineerd, edog dat zij niet de eenigste zijn geweest die zig met gem: swarten zoo gemeen hebben gemaakt, nadien de Capitain, onder koopman, E en doetor, daar van in geenen deelen vry kunnen verklaard worden, als zijnde het niet zelden gebeurd, dat zy met de gem: swartin in het publiek op het dek onder de armen rond gesprongen en haar dikwerf, wanneer de P: erweten op het dek te draagen gelegt waren /:S: V: op het bloete gat in dezelve neder geflanst en dergelike Craagigheeden, te veel alle om door de Comp„ten alhier op genoemd te worden, meer bedreeven hebben. Dat zij Compten. wel is waar, de eerste regt: in de Voorsz: nagt, wanneer hy door den drank was bevangen geraakt, met de muts der swarten op het hoofd hebben gezien, zonder nogtans eenige laside uutdrukkingen zoo min van de eerste als tweede reqt: gehoord te hebben, hebbende de eerste reqt: talleenlijk dien nagt in des tweede Comp„tes teegenwoordigheid den Capitain verweeten, dat by een Dronken lap was, en den Cap:n Lieutenant voort Tjeeks, dat hy 't regt had om van Compagnies hout een bureau te laten maken, en daar hy req:t en andere niet eens wat water aan boerd bekomen konden. Verklarende de Compten voorts dat de bootsman en zeelmaker meede in 't publiek aan boord zoo heesig hebben getwist, dat zy elkanderen deerlyk afgeklopt, en zelfs met erweten scherp 51
English
had fiercely attacked, without this matter having had any consequence, just as little as the incident of the boatswain and boatswain's mate, who had beaten holes in each other's heads with a batlet, which likewise did not cause the slightest reflection on the part of the Captain, as the Appearers further declare that the Captain, having arrived at Robben Eiland, intentionally delayed there until he had delivered a barrel of Company's powder to the boat of the postholder of that Island, whereupon he subsequently resumed the voyage to this roadstead. Declaring nothing more, the Appearers give as reasons for their knowledge as in the text, being prepared to maintain the foregoing more closely under Oath, if required. Thus done at the aforementioned secretariat in the presence of the Clerks Willem Stephanus van Rijneveld and Nicolaas van Es as witnesses, who, alongside the Appearers and me, sworn Clerk, also duly signed the minute hereof. Beneath stood: Thus reviewed and sworn at Cabo de Goede Hoop on the 7th of January 1788. Was signed: Jacob de Vrae, Cornelis van Hel. Lower, in my presence, was signed: R. J. V. D. Riet, sworn Clerk. In the margin, as commissioners, was signed: J. W. Horak, G. H. Meijer. Review. There appeared before the undersigned commissioners from the Honorable and Worshipful Council of Justice of this Government, the comforter of the sick Jacob de Vrae and Commander of the soldiers, Cornelis van Hel, both assigned to the ship Oud Haarlem, who, having had this their foregoing declaration read out to them clearly and distinctly, word for word, declared that they abide by it and persist, with the desire that nothing more shall be added to or removed from it, and therefore each of them in particular spoke, in confirmation of the truth, the solemn words: So help me God Almighty. Signed. Beneath stood: which I witness. Was signed: R. J. D. Riet, sworn Clerk. Today, the 16th of January 1788. There appeared before me, Ryno Johannes van der Riet, sworn Clerk at the secretariat of Justice of the Castle of Good Hope, in the presence of the after-named witnesses, the sailors Nicolaas Verburg and Jan Obben, who were assigned to the ship Oud Haarlem, but remained here on account of indisposition, both of competent age, who, at the requisition of Lieutenant Arnoldus Castelijn de Keulenaar and Second Lieutenant Johannes Cornelis de Brissonne, who also served on the said vessel, declared it to be true: That they, the Appearers, having indeed heard from various people on board that the disputes and disagreements that had prevailed for some time during the voyage between Captain Cornelis Haringman and the requisitioners were said to have been caused by a certain black person who was on board, who had been placed at the table above the requisitioners by the Captain; they, the Appearers, have indeed, since those disputes, which had already begun at the start of the voyage, seen and witnessed that the Captain, together with the Captain Lieutenant, junior merchant, and doctor, conspiring together, have from time to time treated the requisitioners herein very unkindly, to such an extent that they, and principally that Captain, have always eagerly made use of all opportunities that could in any way serve to make the requisitioners feel the marks of their hatred and disfavor, notwithstanding also an incomprehensible indifference to the actions of those who shared in the Captain's favor, which often caused the greatest confusion and irregularities in the ship, such as the drunkenness of the boatswain, boatswain's mate, and sailmaker, who, in addition to having made a heated commotion of shouting and cursing, also beat each other in public, attacked with a knife, and beat holes in the head with a batlet, which was nevertheless passed over in silence by the Captain without keeping even the slightest record thereof, while in the meantime unforeseen slight actions of the requisitioners, who conducted themselves cautiously in all respects, were regarded as very gross deeds. That they, the Appearers, furthermore, concerning the conduct and way of life of the requisitioners during their stay on board the aforementioned ship, can declare nothing other than that everything was as befits every decent and proper man, the Appearers having always seen the requisitioners attend to their duties very faithfully and diligently, without, as far as the Appearers know, ever having been intoxicated; the Appearers being unable, however, to declare anything whatsoever about what happened on board with the requisitioners on the night of the 7th of October, as they, the Appearers, were sleeping at that time and therefore witnessed nothing of it. That the First Appearer, who wrote for the Captain during the voyage and therefore stayed in his cabin most of the time, saw the said Captain Haringman intoxicated during that time, by estimation, about 80 times, and sometimes to such a degree that, being entirely unable to find his own bed, he was helped onto it more than once by the Appearer; while the second Appearer, who, due to his illness, kept watch with the requisitioners, has not seldom witnessed that the Captain came onto the deck at night so intoxicated that he was barely able, as soon as he had come out of one door, to take refuge again in the other without delay; the First Appearer declaring that when the requisitioners were arrested, he addressed the Captain out of pity and requested that he be willing to release the requisitioners, to which the Captain answered in substance: I cannot do it, the Junior Merchant is against it, and insists that I shall charge them, and this must be done. Declaring nothing more, the Appearers gave
Dutch transcription
scherp geattacqueerd hadden, zonder dat deeze zaak van eenig gevolg was geweest even zeo min als het voorval van den bootsman en schieman, die elkander niet een baddel, gaaten in het hoofd hadeen geslaagen, 't welk meede geen de geruigste reflectie bi den Capitain veroorsaakt heeft gelyk de Comp=ten verder verklaaren, dat de Capi„ ttain aan het Robben Eiland gearriveerd zinde, aldaar met moedwil heeft vertraagd, tot dat hy een vat met Compagnies kruid aan de schuit van den posthouder van dat Eiland, had afgegeeven, wanneer hij vervolgens de reise naar deeze rheede wederom had aangenomen. Niets meer verklaarende, geeven de Compten voor reedenen van wetenschap als in den text, bereid zijnde 't voorenstaande, zoo 't vereischt Word, met Eede nader gestand te Doen. Dat aldus passeerde ter secretarije voormeld ten bijweesen der Clercquen Willem Stephanus van Rijneveld en Nicolaas van Es als getuigen, die de minute dezes, bereevens de Compten ende my gesw: Clercq meede behoorlijk /onder stond/ Aldus gerecolleerd en beeedigd aan Cabo de goede Hoop den 7:e Januarij 1788. . /was getekendd: Jacob de Vrae, Cornelis van Ael, lager ( mij praesent was geteekend:/ RJV Dhiet, gesw: Clercq (: in margine als gecommitt:s /was geteekend/ JW Horak, G: H: Meijer 6 Compareerde voor de ondergeteekende gecomm:s uit den E: Achtb: Rade van Justitie deezes Gou„ vernements den zeekentrooster Jacob de Vrae en Commandeur der soldaaten, Cornelis van Hel, beiden op het schip oud Haarlem bescheiden„ dewelke deeze hunne vorenstaande verklaring van woorde tot woorde klaar en duidelyk voor geleezen weesende, betuigden daar by te blyjken persisteeren, met begeerte, dat daar niets meer bij of afgedaan worden zal, en spraken dierhalven een ijder in 't bijsonder ter bevestiging der waarheid, de solemneele woorden, zoo, waarlijk help mij God almagtig Recollement. hebben onderteekend /:onder stond:/ 't welk ik getuige. /was geteekend:/ R J D Riet ge sw: Clercq. hebben Huiden 6. Op O huijden den 16 Januarij 1788. Compareerde voor my Ryne Johannes van der Riet, gesw: Clercq ter secretarije van Justitie des Casteels de goede Hoop, praesent de nagenaamde getuigens, de op het schip ond Haarlem bescheeden geweest, edoeh vermits infispositie alhier verblevene Matroosen Nicolaas derburg, en Jan Obben beide van Competenten ouderdom, dewelke ter requisitie van de meede op gemelde bodem gediend hebbende Lieutenant, Arnoldus Castelijn de Keulenaar, en fons Lieutenant Johannes Cornelis de Brissonze, verklaarden hoe waar is. Dat zij Compten wel van dezen en geenen aan boord„ vernomen hebbende, dat de zederd eenige tijd op de reise tusschen den Capitain Cornelis Haringman en de reqten. geheerscht hebbende twisten en meenieheeden zouden zijn veroorsaakt door zeekere aan boerd geweest zynde swarten die door den Capitain aan de tafel boven de req„ten geplaaatst was, zy Compten dan ook zederd die disputen, dewelke reeds in 't begin der zeise een aansang hadden genomen, hebben gezien en bijgewoond, dat de Capitain, beneevens den Capitain Lieutenant, onder koopman en doctor te zaamen spannende, de reqten in dezen van tijd tot tyd zeer onvriendelyk hebben behandeld„ in zao verre, dat zy en wel principaal dien Capitain van alle gelegenheden, die maar enig sints dienstig konden zijn, om de regten de blijken van hunne haat en ongunst te doen gevaelen altoos haar greetig hebben gebruik gemaakt, niet tegen„ „staande oak eene onkegrijpelijke onverschilligheid in de bedrijven van die geenen, dewelke in de gunst van den Capitain deelden, dikwerf de grootste verwarringe en ongeregeldheeden in het schip heeft te weege gebragt, als zynde het dronken drinken van den bootsman schiemen en zeelmaker, dewelken daar bij behalven een hetige Alarm van schelden en vloeken gemaakt te hebben, elkanderen nog in 't publicq hebben afgeklopt, met een mes geattacqueerd, en met een bedelel gaten in het hoofd geslaagen, nogtans bij den Capitain zonder, daar van zelfs de geringste aan tekeningen e te te houden, met stilswijgen gepasseerd, terwijl intusschen ontoersiene geringe bendelingen van de reqten„ die zig in allen opzichten voorzegtig hebben gedragen, voer zeer groeve daaden zyn opgenomen geworden. Dat zy Comparanten voorts van het gedrag en de levenswijze van de reqten geduurende hun verblijf aan boord in gemelde niet anders kunnen verklaaren, als dat 't een en ander is geweest, zoo als ieder fatsoenlyk en konnet man voegd, hebbende zy Compten de reqten altoos hunnen dienst zeer getroew en vlytig, zonder door zoo verre de Comp=ten weeken, oogt beschonken te zijn geweest, zien waarneemen, kunnende de Comp=ten nogtans van het in de nagt van den 7:e October met de reqten aan boord voor gevallene niets hoegenaamd ver¬ klaaren, als hebbende zy Compten. op dien tid geslaapen en dus niets daar van bijgewoond. Dat de Eerste Compt: die de duutende de reijse voor den Capitain heeft geschreven en zich dus den meesten tid in desselfs kamer op gehouden, gem: Capitain Heringman mat dien tid naar gissing wel circa 80 reisen beschonken heeft gezien, en somtyds in dien graad, dat hij geheel buiten staat zynde om zijn eigen bed te kunnen vinden, meer dan eens door den Comparant op het zelve is geholpen geworden, terwil de tweede Comp„t die door zyne ziekte de wagt met de regten heeft waargenoomen, niet relden heeft bijgewoond, dat de Capitain 's nagts zodanig beschonken op het dek is gekomen, dat hy nauwlijks bekwaam was om even zoo spoedig als hy de eene deur was uitgekomen, zonder vertref tot de andere wederom zijn toevlugt te neemen, verklaarende den Eerste Compt: dat hij wanneer de reqte. gearresteerd waaren, zig iit meedelyden aan den Capitain heeft geaderesseerd, en verzogt om de reqte. te willen ontslaan, op 't welke den Capitain in substantie heeft geantwoord, ik kan 't niet doen, Minsteen den Onder koopman is er teegen, en wil hebben dat ik ze zal aanklagen en dit moet geschieden. Niets meer verklaarende gesende dien Comp=ten
English
Today, 18 January 1788. Appeared before me, Rino Johannes van der Riet, sworn clerk at the Secretariat of Justice of the Castle of Good Hope, present the witnesses named below, the young sailor Anthonij Jan Eps, of competent age, who had been appointed to the ship Oud Haarlem, but remained behind here due to indisposition, who, at the requisition of Lieutenant Arnoldus Castelijn de Keulenaar and Second Lieutenant Johannes Cornelis de Kruissonje, who likewise served on the aforementioned vessel, declared it to be true: That at the beginning of the voyage a dispute arose between the captain of the aforementioned vessel, named Cornelis Haringman, and the requisitioners in this matter, concerning a certain black woman named Rachel who was on board as a passenger, who, contrary to all friendly solicitations, was placed above the requisitioners at the table by the captain. These disputes were furthermore of such consequence that the captain, together with his table friends, being the junior merchant, captain lieutenant, and doctor, continually persecuted the requisitioners and did everything possible (as the appearer, who was constantly on watch, witnessed daily) to make life on board unpleasant for them. That besides various trifles that occurred daily and served as proof of the hatred that the captain harbored against the requisitioners, the appearer was also present at the table more than once when the requisitioners, who had had the dog watch (being from twelve to four o'clock) and had gone to sleep in the morning, and consequently requested that the steward might provide them with food, nevertheless had to endure a continual and absolute refusal from the captain. This was notwithstanding that the captain also daily sent the frequently mentioned black woman the necessary food, and indeed the finest from the table, whenever she merely desired to eat in her cabin. It likewise repeatedly occurred that the second requisitioner, himself sitting at the table, solicited some food for his messmate, the first requisitioner, who was asleep as aforesaid, which the captain also directly refused and rejected. That the appearer furthermore was present at what occurred on the night of 7 October last, when the requisitioners were, it is true, slightly intoxicated, yet not such that they could be judged unfit for their duty, the requisitioners having then repeatedly requested the captain to take over the watch, without, however, receiving any other answer than "I will not surrender the watch, go to sleep." Meanwhile, the appearer furthermore heard no other expressions whatever during that night, except only that the first appearer reproached the captain that he acted arbitrarily with the rations, and shorted the requisitioners, as well as those whom he did not favor, in their land-portion. That the appearer furthermore, except for the aforesaid single occasion, never saw the requisitioners intoxicated and always saw them very diligent in their duty; whereas, however, the captain, more than once and especially when he played cards with the aforementioned junior merchant, captain lieutenant, and doctor often until 12, 1, or 2 o'clock at night, which happened daily, was intoxicated, and also appeared several times at night in that condition during the watch of the appearer and requisitioners. The appearer declares furthermore that the boatswain, boatswain's mate, and sailmaker on board, also being drunk, did not shrink from, besides making a terrible tumult, attacking one another publicly with a knife and beating holes in each other's heads with a bottle, without, so far as the appearer knows, any punishment corresponding to the nature of these deeds having followed upon it. Declaring nothing further, the appearer gives as reasons for his knowledge as stated in the text, being prepared always to maintain the foregoing by solemn oath. Thus passed at the Secretariat aforesaid in the presence of the clerks Willem Stephanus van Rijneveld and Nicolaas van Es as witnesses, who duly signed the minute hereof along with the appearer and me, the sworn clerk. Below stood: Which I attest. Was signed: R J V D Riet, sworn clerk. Confirmation. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this aforesaid government, the aforementioned Anthonij van Eps, who, having had this his preceding declaration read out to him word for word clearly and distinctly, declared that he persisted therein, desiring that nothing more shall be added or altered, and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, the solemn words: So truly help me God Almighty. Below stood: Thus confirmed and sworn at the Cape of Good Hope, 22 February 1788. Was signed: Jan Ebben. Lower: In my presence. Was signed: R V D Riet. In the margin: As commissioners. Was signed: D J van Reede van Oudtshoorn, C. Gie.
Dutch transcription
Compten voor reedenen van Weetenschap als in den text, bereed zynde, zulks nader gestand te doen. Dat aldus passeerde ter Secretarije voorm: ten bijweesen der Clercquen Willem Stephanus Aan Rijneveld en Nicolaas van Es als getuigen die de minute dezes benevens de Comptent en my gesw: Clercq miede behoorlyk hebben onderteekend. /onderstond/ 't welk ik getuige /was geteekend / P J D Riet rent: lereq Recollement. Compareerde voor ons ondergeteekende ge„ committeerdens uijt den E: Achtb: Raad Aan Justitie deezes Gouvernements voorsz: Jan Obbens, dewelke deeze zijne vorenstaande verklaaring van woorde tot woorde klaar En duijdelijk voorgeleesen weezende, ter klaerde daar bij te blijven persisteeren niet Huijden den 18 Januarij 1788. Compareerde voor mij Rino Johannes van der Riet Gesw: Clercq ter secretatice van Justitie des Casteels de goede Hoop, praesent de nagenoemde getuijgen den op het schip Oud Haarlem bescheiden geweest edoch vermits indispositie alhier verbleevene Jong mattroos Anthonij Jan Eps, van Competentien Ouderdom, dewelke ter requisitie van de meede op gem: bodem gediend hebbende Lieutenant Arnoldus Castelijn de Keulenaar en sous lieutenant Johannes Cornellis de Kruissonje verklaarde, hoe waar is. begeerte Dat er niets meer bygezaegd ofte Aan gedaan, worden zal, en sprak dierhalven ter bevestiging der waarheid van dien de solem¬ neele woorden, zoo waarlik help mij Godalmagtig. /onder stond Aldus gerecolleerd en beeedigd aan Cabo de goede Hoop, den 22. februarij 1788. /was ge„ „teekend /Jan Ebben /lager/ mij praesent. / was RW DRiet. /:in margine:/ als ge„ geteekend. gete tek DJr Reede van Oudtshoorn / C: Gie. commith: belistr te Dat Dat in het tegin van de reijze tusschen den Capitain van gem: bodem, in name Cornelis Haringman en de requiranten in deezen verschil gereesen zijnde, weegens zeekere zie aan boond als passagier bevonden hebbende Swartin, in name Rachel, dewelke door den Capitain, teegens alle vriendelyke sollicitatien aan boven de requiranten aan de tafel is geplaatst geworden: deeze dispunten dan ook van die gevolgen geweest waren, dat den Capitain met desselfs daelen vrienden, zynde den onderkoopman Capitain Lieutenant in Doctor, de requiranten by continuatie hadden agtervolgt en alle aange¬ wend om /:gelyk de Comp: die geduurig agte„ op geweest is, dagelijks heeft bijgewoond min het leven aan boord onaangenaam te maken. Dat behalven verscheide bagatellen, die dagelijks gebeurd zijn en gediend hebben ten bewijse van de hoat, die de compitain tegen de requiranten heeft gekoesterd, de Comp=st ook meer dan eens aan de tafel is tegenwoordig geweest; dat de requiranten, die vermits zij de honde wagt /: zijnde van twaalff tot vier uuren:/ gehad kadeten, in den morgen stond waren gaan slapen Dat de Compt: voorts is praesent geweest bij het gebeurde in den nagt van den 7 October Jongste wanneer de reqte wel is waar een weinig de „schonken, echter niet zoodanig geweest zijn, dat zy voor hunne dienst onbekwaam konde geoordeeld worden, hebbende de requiranten als tien byherhaling van den Capitain, verzogt, om de wagt over te neemen, zonder nochtuus iets anders als ik wil de wagt niet otergeeven. ga slapen, ten antwoord te hebben bekomen; terwijl de Compt: wijders in dien nagt geene en derhalven verzagten, dat de hofmeester hun eeten bezorgen mogt, zig nogtans een geduurige en volstrekte weegering van den Capitain hebben moeten getroosten, niet tegen¬ staande de Capitain ook dagelijks, wanneer de meergem: Swartin maar in haar het begeerde te eeten, haar de benodigde spijse, en wel de keurigste van den tafel, toesond; zijnde het teekens ook gebeurd, dat de tweede req t. zelve aan de tafel zittende, voor zijne maat, den eersten reqt: die als voren te slapen lag, om wat eeten solliciteerde, het geen den Capitain ook direct geweigerd, en van de hand geweezen had. en andere andere uitdrukkingen hoe ook genaamd, gehoord heeft, als alleen, dat de eerste Comparant den Capitain heeft verweeten, dat hij met de randsaenen willekeurig te werk ging, ende requiranten, beneevens die geenen daar hy geen goed dog op had, in hun Landeel ver„ kortte Dat de Compt. wyders de reqten. behallen de voorsz enkele reijze anders nooyt beschonken en hun altoos zeer vlytig in hunne dienst gezien heeft, terwyl nochtans de Capitain, meer van eens en voor al Wanneer hij het geen dagelijks gebeurde met gemelde onder koopman, Capitain Lieutenant en boetor tot dikwils 's nagts 12, 1 a 2 uuren, part hij in de kaart maakte, beschonken geweest is; en zig aok 'snagts verscheidene reijsen in die situatie en der Compte en reqten. wagt vertoond heeft; Verklarende de Comp:t: voorts dat de bootsman, schieman en zeijlemaker aan boord, meede verdronken zijnde, zig niet hadden ontzien, on, behalen een geweldig actien te maken, elkanderen in het publicq met een mes aan te tasten, en met een boddel gaten in het hoofd te slaan, zonder dat daar op, door zoo derre de Compt: weet, eenige correctie over een komstig met denaart deze Recollement Compareerde voor ons ondergetreekende gecom„ mitt:s uit den E: Achtb: Raad van Justitie deezes Gouvernements voorm: Anthonij van Eps, dewelke deeze zijne vorenstaande verklaaring van woorde tot woorde klaar en Omdelyk voorgeleesen wezende verklaarde, daar bij te bliken persisteeren, met begeerte, dat er Dat aldus passeerde ter secretarije voorna: ten biweest der Clercquen, Willem Stephanus van Rijneveld en Nicolaas van Es, als getuigen, die de minute deezes, beneevens den Comp:t en de mij gesw: Clercq meede behoorlijk hebben onderteekend. /onder stond:/ t welk ik getuige /was geteekend:/ AJVD Riet, gesw: Clercq. — bedrijven gevolgt is. Niets meer verklaarende geeft de Compt: voor reedenen van Wetenschap als in den text, bereid zynde het vorenstaande altoos met solemneele Eede gestand te doen. bedrijken niets
English
nothing more will be added to or taken from it, and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, the solemn words, so help me God Almighty. Underneath stood: Thus re-examined and sworn at Cabo de Goede Hoop, the 22 February 1788. Was signed: A: van Eps. Lower: in my presence. Was signed: R: J: v: d: Riet, sworn Clerk. In the margin: as commissioners, was signed: W J V Reede van Oudtshoorn. J: C: Gie. Today the 21 January 1788. Appeared before me, Ryno Johannes van der Riet, sworn Clerk at the Secretariat of Justice of the Castle of Good Hope, present the hereinafter mentioned witnesses, Jan Willem Rijlstom, Gunner's Mate, Hendrik Hendriks Postma, Pieter Valk, Hendrik Hamber, Jan Vergeest, Jan Maurits Kraa, Hendrik Krauter and Matthijs Verkerk, sailors, all stationed in the aforementioned capacities on the ship Oud Haarlem, but remained behind here on account of indisposition, and of competent age, who, at the requisition of the Lieutenant, Arnoldus Castelijn de Keulenaar, and Sub-Lieutenant Johannes Cornelis de Bussonje, having also served on the aforementioned vessel, declared it to be true and truthful: That they, the appearers, believe that the discords which took place between the Captain and some other officers on board and the requisitioners must largely be attributed to the special vigilance which the requisitioners demonstrated during the voyage in standing up for the rations and needs of the crew, in which they were short-changed by the Captain; the appearers having also seen, ever since the requisitioners took a stand for this, which happened early in the voyage, that the requisitioners were in all respects persecuted by the Captain, Junior Merchant, First Lieutenant, and Doctor, notwithstanding that the requisitioners observed and performed their duties truly and quite as well as the other officers, very faithfully and diligently, and conducted themselves toward everyone, from the greatest to the least on board, as befits every honorable officer, by which conduct the appearers unanimously declare that the requisitioners in all respects merited the love and esteem of all the crew; just as the appearers further declare never to have seen the requisitioners drunk, but indeed and very often the Lieutenant Jan Kakom and Sub-Lieutenant Vlieger, and likewise the Boatswain, Boatswain's Mate, and Sailmaker, who did not hesitate to draw the knife and strike holes in heads with bottles, without the appearers knowing, however, that any, even the slightest, correction followed thereupon. Declaring nothing more, the appearers give as reasons for their knowledge as stated in the text, being ready at all times, if required, to confirm the same further under oath. Thus passed at the aforementioned Secretariat in the presence of the clerks Willem Stephanus van Ryneveld and Nicolaas van Es, as witnesses, who duly signed the minute of this along with the appearers and me, the sworn Clerk. Underneath stood: to which I testify, was signed: R: J: v: d: Riet, sworn Clerk. Re-examination. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, the aforesaid Jan Willem Kaijlstum, Jan Vergeest, and Pieter Valk, while the appearers testify that the aforesaid Hendrik Hendrikse Postma and Hendrik Krauter have already departed from here, who, having had this their above-standing declaration read out clearly and distinctly word for word, declared that they persist and abide by it, desiring that nothing more shall be added to or taken from it, and therefore spoke, each in particular, in confirmation of the truth thereof, the solemn words: so help me God Almighty. Underneath stood: Thus re-examined and sworn at Cabo de Goede Hoop, 22 February 1788. Was signed: J: W: Kaylstuik; around which was written: this is the mark of Jan Vergeest; and around which was written: this is the cross of Pieter Valk. Lower: in my presence, was signed: R: J: v: d: Riet, sworn Clerk. In the margin: as commissioners, was signed: W J V Reede van Oudtshoorn, J: C: Gie. I, the undersigned Joseph Haaren, Gunner on the Honorable East India Company's ship Oud Haarlem, giving testimony of the truth, at the request of Arnoldus Castelijn de Keulenaar, Lieutenant, and Johannes Castelijn de Keulenaar, Sub-Lieutenant on the said vessel, and whoever else might need such, Declare it to be true and truthful that he, the deponent, has already sailed thirty-eight years in the service of the East India Company, and now this is the fourth ship whereon he has been placed in his aforementioned capacity, it has never occurred to him, as on this vessel, that disrespect is shown by the commanders toward their subordinate officers, and on the contrary, petty officers are wronged by boys or children, solely caused because by the Captain of the said vessel, the valiant Cornelis Haringman, poor direction and discipline are maintained, and together with his Captain-Lieutenant and Ship's Doctor, certain favorites chosen by them are improperly favored, whereby the same do not hesitate to degrade and mock petty officers and play the master over them, so much so that the deponent, while the said vessel was still lying in the Roads of Rammekens, was ordered by his Gunner's Mate Paulus Hendrik Niema to show his mess account, whereupon the deponent not only showed the account, but also sent a letter to the Captain
Dutch transcription
niets meer bij ofte van gedaan worden zal, en sprak dierhalven ter bevestiging der waarheid van dien de solemneele woorden, soo waarlijk help mij God Almagtig. /:onderstond:/ Aldus Gerecolleerd en beeedigd aan Cabo de goede Hoop, den 22 februarij 1788. /was ge„ teekend:/ A: van Eps. /lager/ mij preesent. /was geteekend:/ W WD Riet gem: Clercq. /in margine/ als gecommitt:s /was geteekend:/ W J V Reede ten Oudtshovrn. J: C: Gie Huijden den 21 Januarij 1788. Compareerde door mij Rijna Johannes Jan der Riet, gesw: Clercq ter Secretarije van Justitie des Casteels de Goede Hoop, praesent de naten: getuigen, Jan Willem Rijle stom Constapels Maarts, Hendrik Hendriks Postma Pieter Valk, Hendrik Hamber, Jan Vergeest Jan Maurits Kraa, Hendrik Krauter ten Matthijs verkerk, matraosen, alle in voorm: qualiteiten bescheiden geweest op het schip Oud Haarlem edoch vermits indispositie alhier verbleeven, en van Competenten ouderdom, dewelke ter requisitie van den oergem: bodem meede dienst gedaan hebbende, Lieutenant, Arnoldus Castelijn de Keulenaar, en Sous Lieutenant Johannes Cornelis de Bussonje verklaarden waar en waaragtig te zijn. Dat zij Comparanten vermeenen, dat de once¬ „nigheeden, welke er tusschen den Capitain en enige andere Officieren aan boord met de requiranten hebben plaats gehad, grooten deels moeten — worden toegeschreeven aan de bizondere Vigilantie welke de requiranten geduurende de reijse ge¬ toond hebben on voor de randsoene en be„ hoeftens van het volk, in dewelke zy door den Capitain wierden verkort, op te komen, hebbende de Comparanten ook zeederd dat de requiranten zig daar voor het geen reeds in het begin der reijse geschied is, hebben in de breede gesteld gezien, dat de requiranten in alle opzichten door den Capitain, onder koopman, eerste der Kerk Lieutenant Lieutenant en doeter, zijn vervolgd, niet tegen „staande de reqten aekeren en wel ruim zoo goed als de overige officieren hunnen dienst zeer getrouw en yverig hebben waargenomen, en zig teegens een ijder van de graetste tot de klemste aan Boord, zo gedragen, als yder braaf Officier betaamd, door welke handelwijze de Comparanten eenparig verklaaren, dat de regten in allen opzigten de Liefde en Achting van al het volk hebben gemeriteerd, gelijk de Compa„ zanten al verder Verklaaren de reqten. naoijt dronken te hebben gezien maar wel en zee dikwils de Lieutenant Jan Kakom, en sous Lieutenant Vlieger, en zoo meede den Boetsmiem schiemen en zeijlmaker, dewelke zig niet hebben ontzien 't mes te trekken en met boddels gaaten in het hoofd te slaan, zonder dat de daarop Comparanten nogtans weeten, dat de Compa¬ eenige de geringste Correctie gevolgd is. ranten nachtaus Niets meer verklaerende geeven de Compten voor redenen van Wetenschap als in den teijt, bereid zijnde het zelve altaos Recollement. Compareerde voor ons ondergeteekende gecommit„ „teerdens uijt den E: Achtb: Raad van Justitie deezes Gouvernements de voorsz: Jan Willem Kaijlstum, Jan Vergeest en Pieter Balk, terwil de Compten betuigen, dat de voorsz: Hendrik Hendrikse Sostma en Hendrik Krauter, reeds van hier zijn vertrokken, dewelke deeze hunne vorenstaande Verklaaring van woorde tot woorde klaar en duidelijk voorgeleesen weezende verklaarde daar by te blyven persisteeren, met begeerte dat er niets meer by gevoegd ofte van gedaan worden zal, en spraaken dierhalven ter bevestiging dier waarheid van dien een yder in 't bisonder zoo het vereischt word, met Eede nader gestand te doen. Dat aldus passeerde, ter secretarije voorm: ten bijweesen der Clercquen Willem Stephanus van Ryneveld en Nicolaas van Es, als getuigen, die de minute dezes, benevens de Compten en my gesw. Clercq meede behoorlyk hebben onderteekend. /:onder stond:/ 't welk ik getuige /was geteekend/ RW D Riet gesw: Clercq. zoo de „ de solemneele woorden, zoo waarlijk hulp mij God almagtig. /:onder stond:/ # Aldus gerecolleerd en beeedigd aan Cabo de goede Hoop den 22. februarij 1788. was geteekend/ J: W: Kaylstuik waarom schree den, dit is 't merk van Jan Vergeest, & waar omschreeven, dit is 't kruijs van Pieter Valk /lager/ mij praesent /was geteeekend/ DJ Dhiet gesw: Clercq. /in margine/ als gecommitt:s /Was geteekend/ WJ V Reede van Dudtshoern H: Gie Ik ondergeschreven Joseph Haaren & Con¬ „stapel op het E: O: J: Comp:s schip Oud Haarlem geevende getuigenis der waarheid, ten versoeke van Arnoldus Castelijn de Keulenaar, Luitenant en Johannes Castelijn de Keulenaar, fous Luite nant op gemelde bodem, en die zulks verders zoude mogen nodig hebben Verklaerd waar ende woragtig te weezen dat hy dept: reeds acht en dertig Jaaren in dienst der O: J: Comp: heeft gevaaren, en thans het vierde schip, daar hy in zijn gem: op is geplaetst, nimmer Operkoomen is, als op deezen bodem in mindehting van hun opper hoofden, omtrend hunne mindere officieren, en integendeel daer Jongens of kinderen, onder oficieren worden verongelijkt, alleenig veroorzaakt, door dien den Cap=n van gem: bodem den manhafte Cornelis Haringman een slechte directie en discipline word gehouden, en met zijn Capt: Lieutenant en scheeps doctor, eenige by hun uitgekoosen lietelingen onbehoorlyk worden gefavoriseerd, waar door dezelve niet ontsien onder officieren te declineeren, te bespotten en over hun de Meester te speelen, zoodanig dat de dept: met gem: bodem noch ter Reede van Rammekens leggende, van zijn Constapelsmaat Paulus Hendrik Niema, wierd geordonneerd om zyn baks reek:) te toonen, zoo als de dept: niet alleen de reeke maar ook een brief aan de dat Capn
English
Captain Lieutenant has shown, the aforementioned gunner's mate has dared to undertake to say that they were both false, and that the Captain Lieutenant had given orders to take supervision over the mess goods, just as he, throughout the entire voyage, played the master not only over the mess goods but over everything placed in the gunner's room, and acted according to his own whim, without the deponent having anything to say; and having gone further, he did not shrink from reproaching the deponent that he had been whipped and branded, which the deponent took most seriously to heart, giving notice thereof several times to his commanding officers and requesting to be maintained in his authority, but could never obtain it, but on the contrary the said deponent had to vacate his room and had to leave the entire management to his gunner's mate. The deponent could declare still more about how he was coerced by the withholding of his gunpowder accounts, yet hoping that a further accounting regarding this will have to come, when with the said book he will further demonstrate the entries that he was forced to record therein contrary to the truth. Declaring finally that the requirants, before they were placed under arrest, always properly performed their duty, That furthermore it happened that the said commanding officers ordered the steward to enter into his consumption book that which had never been issued, whereby the deponent refused two or three times to sign the said consumption book, but because the boatswain and boatswain's mate had signed it, he, the deponent, was also forced to sign it, whereby the proverb came to pass: A consumption book signed by a drunk Boatswain, a Boatswain's mate who cannot write, and a coerced and worn-out Gunner. That properly properly performed, and both before and after the arrest, always properly appeared, over which disputes occasionally arose concerning the distribution of the rations as well as the contempt shown to them by their said commander; the deponent declaring the above to be the pure truth, reasons of knowledge as in the text, presenting, if required, to confirm the same with solemn oaths. Below stood: Cape of Good Hope, 13 December 1787. Was signed: Joseph Haakers, Gunner. To the Right Honorable Sir, Mr. Johannes Isaac Rhenius, President, together with the further Honorable Members of the Council of Justice of this Government. The undersigned, Arnoldus Castelyn de Keulenaar and Johannes Cornelis Buissonnje, wish with the required respect most humbly to make known how the petitioner, upon information given to the Captain stationed on the Honorable East India Company's ship Oud Haarlem, was cited by the interim Fiscal, G. Eeter, ex officio, a fortnight ago today before your Honors, to hear such claim and conclusion as the ex officio prosecutor should take as serving the case. The petitioners having appeared and the claim submitted by the ex officio prosecutor having been read out, they found themselves unable to answer at once to all the charges laid against them, and requested of Your Honors a copy and a term of 14 days to be permitted to serve their answer in writing, which was favorably granted to the petitioners by Your Honors, for which the petitioners Right Honorable Sir President, Honorable Gentlemen! dutifully render their thanks to Your Honors. The petitioners, according to their last held order, were due to serve their answer today; however, they have found that to the said submitted claim of the ex officio prosecutor certain declarations were annexed that directly contradict the truth, whereby the petitioners find themselves placed in the greatest necessity to obtain counter-declarations against the same from some persons who were on board the said vessel, as they have already obtained from the Ship's Cleric and Commander; but their multiple occupations, through this number, to get their goods off the said vessel, have left them unable to produce the further evidence as yet, and thus unable to serve their answer today with the proper evidence. Reasons why the petitioners turn to Your Honors, humbly requesting that it may please Your Honors to grant the petitioners, without further delay, a term and postponement for the period of [illegible]teen days. Below stood: Which doing, etc. Was signed: A: C: De Keulenaar, J: C: Buissonnje. [illegible] Granted. J. R. van Ryneveld
Dutch transcription
Capn. Lieutenant heeft getoond, de gem: consta¬ „pels maat heeft durven onderneemen te zeggen, dat zij beide valsch waaren, en dat de Capn Lieutenant order had gegeeven het toezigt te neemen over de baks goederen, gelijk denzelve de gantsche reize niet alleen over het baksgoed maar over al wat in de Constapels kamer ge„ „plaatst was, de meester hebben gespeeld, en naar eigen sinnelijkheid hebben gehandeld, zonder dat de dep:t ijets te zeggen had, enzelve verder gegaan zijnde, niet heeft ontsien, den dep:t te verwijten, dat hij was gegeesseld en gebrand= merkt, daar de dep:t zich ten hoogsten aangeleegen lag, diversche maalen aan zijn opperehoofden kennis daar van heeft gegeeven, en verzogt gemuintineerd te worden, maar nimmer heeft kunnen bekomen, maar integendeel gem: dept: zyn kamer heeft moeten ontuijmen, en de gartsche directie aan zijn Constapels mant heeft moeten overlaaten De dep:t zoude nog meerder kunnen verklaaren, hoe zij gedwongen is, door on thou¬ den van zijn hruijd rekt, doch verhopende daar over een nader verantwoording zal moeten komen, wanneer met het zelve boek de posten waar hy toe gedwongen is geworden, teegen de waarheid daar in te moeten stellen, nader te zullen aantoonen. Verklaarende eindelijk, dat de requirante, bevorens dezelven in arrest zyn geworden, hun dienst altaoc Dat Verders is gebeurd, dat door gem: opperhoofden aan den Bottelier is gelast, in zyn consumptie boek te stellen, 't geen nimmer was verstrekt, waar door de despt: heeft geweigerd tot twee a drie keeren het gem: Consumptie boek te tekenen, doch door dien de Bootsman en Schieman het zelve onderteekend hadden, hy dept. meede genoodsaakt is geworden, het zelve te tekenen, waar door het spreekwaerd aan paerd is gekomen, Een geteekend consumptie boek door een bronke Boetsman, een Schieman, die nieyte schrijven kan en een gedwonge en versukkelde Constapel. Dat behoorlijk behoorlijk hebben waargenoomen, en zoo voor als na de arrest, altoos behoorlijk hebben gecom„ pareerd, waar over het uitdeelen der rantstaenen als over de minachting, die dezelve door hun gemelde opperhoofd wierden beweesen, weleens disputen zin ontstaan; Verklaarende de dept: het Hoien¬ staande de zuivere waarheid te zijn, reedenen van wetenschap, als in den text, praesenteerende des gerequireerd wordende, het zelve met solemneele Eeden te bevestigen. /onderstond:/ Cabo de goede Hoop 13 December 1787. /:was geteekend:/ Joseph Haakers, Constapel. Aan den WelEdelen Acht„ baaren Heer, den Heer Johannes Isaac Rhenius. Praesident. ƒ benevens de verdere Ed: Achtb: Heeren raaden van Iustitie dezes Gouvernements. Den Ondergeteekende Arnoldus Castelyn de Keulenaar en Johannes Cornelis Buissonze geeren met de vereischte Eerbied op het Ootmoe¬ „digste te kennen, hoe den suppliant op aangeeven Aan den op d' E: J: Comp:s schip Oud Haarlem/ beschei„ deren Capitein door den pro interim Fiscaal G: Eeter r: O: heeden over Veertien dagen voor uwe Edele Achtb: waaren geciteerd, omme aan te hooren zodanige Eisch en Conclusie, als de R: O: ten degen dienende neemen zouden De Supplianten zijnde gecompareerd en den 2e: O: Eisscher ingediende Eisch voor¬ geleezen zijnde, zij zig buiten staat te„ tonden, om ilico op alle het ten laste gelegde te kunnen antwoorden, van Uwel Edele Acht¬ baare heeft verzoeht Copia en termegn van 14 dagen om op dezelve schriftelik te mogen dienen aan antwoord, het welk door UwelEdele Achtb: aan den supplianten gunstig is ge¬ accordeerd geworden, voor welke de Supplianten WelEdelen Achtbaaren Heer Praesident. E: E: Achtbaaren Heeren! WelEdelen Op Achtschuldig plicht schuldig UWelEdele Achtbaaren dank betuigen. De supplianten volgens hunne laatsleeden gehoudene dictamen heeden behoorde te dienen Aan antwoord, edoch bevonden hebben dat aangemelde ingediende Eisch van den J: O: Eisscher eenige verklaaringen waren geannexeerd, direct aanlopende teegen de Waarheid, waar door de supplianten in de hoogste necestiteit zich gebragt zien, om tegen dezelve van zommige hier van gemelde bodem gebleeken persoonen contra verklaaringe in te winnen, gelyk zy reeds aan den Scheeps Domme en Com¬ mandeur hebben ingewonnen, doch hunne zeelvuldige bezigheeden, door dit getal, om hunne goederen van gemelde bodem afte krijgen, buiten staat zijn geweest om de verdere bewijsen als nog tte produceeren, en dus buiten staat zijn om heeden met de behoorlijke bewijzen te kunnen dienen van antwoord. Reedenen waarom de supplianten zich keeren tot Uweledele achtbaaren ootmoedig verzoekende, dat het UwelEdelen Achtbaren mogen behagen, de supplianten /:zonder verder dilaij:/ gelieven te vverleenen termijn en atterminutie voor den tijd van nagezeentien dagen /:onder stond:) 't welk doen de etc: /was geteekend/ A: C: De Keulenaar J: C: D: Buissonje e: Clercq Accordeerd. J RRijneveld mage G
English
No. 5 Appeared before the Honorable Council of Justice of this government, Rijno Johannes van der riet, sworn clerk at the aforementioned Secretariat of Justice, as qualified in office by the supreme authority of these lands to attend to the affairs of the Landdrost of the district of Graaff-Reinet, Mauritz Herman Otto Woeke, in his capacity as Officer Plaintiff on the one part, against the burgher Andries Burgert, defendant on the other part. 1. And the Officer Plaintiff did briefly state 2. that from the recollected and sworn statements annexed hereto 3. it most clearly appears that the defendant has made himself guilty 4. of dereliction of duty regarding a slave captured by him on the road, 5. and when the same went missing, without proper search, had left him lying in the field despite the incoming report that the boy had been found dead in the field just beside the road, 6. whereby on the following day that corpse was devoured by wild animals 7. and nothing was to be found but the remains of the skeleton alone, 8. so that one could not discover whether that boy had died from the inflicted wounds, or rather through cold and hardship; 9. thus the defendant in the first place has made himself guilty of the presumed ill-treatment of that slave, 10. and then in the second place of dereliction of duty in failing to properly guard that boy, or to have him tracked down in the beginning; 11. and if one would wish to reason on this subject by consequence, 12. with the greatest right, that consideration could fall, 13. that the defendant must have been well convinced, when that boy stayed away, 14. that such had its origin in the extreme ill-treatment, 15. because he did not cause any search to be made, 16. which the outcome further confirmed, 17. since the defendant did not perform an inspection in time when the corpse was found, 18. in order thereby to obscure the ill-treatment that would be perceived upon examining the body; 19. yet, although nowhere in the evidence can the defendant's intention to kill that boy 20. (and upon which a judge mostly reflects in deciding) 21. be found, and in him thus only an excess in the moderation of chastisement can be proven 22. on account of the unwillingness shown by that boy to come along, 23. and the failure to properly investigate where that boy remained or where the corpse was subsequently found, 24. from which alone the fault or the initial contributing cause of the death or the missing of that corpse 25. must be imputed to him, the defendant; 26. so it also goes without saying, under correction, that although according to the laws no ordinary punishment, but indeed an extraordinary discretionary punishment is established for such an excess committed through fault, the same is also always left to the judges; 27. and since special application to this case can be made of 28. the sentence in the advisory opinion, to be found in the Nederlandsch Advijsboek of Van den Bergh, volume 4, consultation 85, according to which in the year 1766 29. a master who had so far exceeded the measure of a master's correction regarding his apprentice or servant, 30. that that servant had come to die a few days thereafter, was banished forever from the city and the jurisdiction of Nimweegen; 31. which punishment is then also to be examined as to whether the same likewise in this case against the defendant, 32. in his relation as a Christian towards a slave, ought to come into consideration. 33. To avoid which and other prolixities the Officer Plaintiff has deemed it necessary 34. to leave these and similar reflections 35. to the greater knowledge of Your Honors. For which and other reasons and means, in due time if necessary to be further reduced, the Officer Plaintiff, making his claim, concluded that the defendant mentioned at the head of this document, by and according to Your Honors' prudent judgment, [illegible]
Dutch transcription
No. 5 Compareerde voor den E: agtbaaren raad van Justitie dezes gouvernements Rijno Johannes van der riet, gezw: Clerq ter opgem: Secertarije van Justitie als door de hooge overigheijd deezer landen in officie gequalificeerd ter waarneeming der zaaken van den Landdroot graaf Rainet, Mauritz Herman otto Woeke. ratt: Offij Eykcher 6 ter eenre, op ende Jegens„ Den burger Andries Burgert gedaagde ter andere zijde 1. Ende deeden den 7: O: Eijzcher kostelijks zeggen d 2. dat uijt de, deezen bijgevoegde gerecolleerde en Beedigden verklaaringen 3. ten klaarsten consteert, dat den ged: zig heeft schuldig gemaakt 4. aan pligt verzuijm weegens een door hem op weg gevangen genoomen slaaf. 5. en wanneer die was vermits, zonder behoorlijke nazoek, in 't veld niet tegenstaande, 't ingekomen raport, dat hem jongen even bijzijden de weg in 't veld was dood gevonden, had laten blijven leggen 6„ Waar door des anderen daags, dat Cadavir door 't wild gedierte vertlonden geworden van 't geraamte alleen. 8. Jnvoegen men dan niet heeft kunnen ontdekken of dien Jongen aan de blkome wonde, dan wil door kaude en ongemak is koomen te overlijden 9. dus den gel: zig in den eersten plaats heeft schuldig 7. en niets te vinden geweest is, dan de overblijfselen gemaakt aan 't presumtief mishandelen van dien slaaf en 10. en dan in de tweede plaats aan pligt versuijm om die Jonge behoorlijk te doen te houwen, dan wel in 't begin te doen opspeuren. 11. en indien men over dit sujct leij Consiquentie zouden willen redeneeren 12. met 't grootste regt, hin die bedenking zoude kunnen vallen 13. dat den gedh: wel overtuijgd zal zijn geweest, toen die Jonge absent bleef. 14. dat zulks door de verregaande mishandeling zijn oorsprong had 15. vermits hij geen nazaek liet doen. 16. 't geen de uijtkomst nader bevestigde 17. Wijl den gedl: geen schouwing bij tijds heeft gedaan tain 't Cadaver gevonden is 18. om daar door te verdequiteeren de mishandeling die men bij nazoek aan 't lighaam bespeuren zoude 19. dan, ven wil, daar norgens in de bewijzen des gedc: intentie om die Jonge te dooden 20. /. en waar 't meestendeels bij den regter in 't deci„ deeren op werd gereflegteerd./ 21. gevonden werd, en in hem dus alleen kan werden beweezen ern exces in 't modiram en der Castij„ 22: Weegens de door die Jonge betaonde onwilligheid om meede te gaan 23. en 't niet behoorlijk onderzoeken waardien Jon„ =gen gebleeven of naderhand 't Cadavir gevonden is. 24. Waaruijt alleen de schuld of de eerste aanlijdende oorzaak van de dood of 't vermissen van dat Lijk 25. aan hem ged moet werden geimputeerd 26. zo spreekt het ook onder Correctie van zelve dat hoewel na de wetten, op een zodanig, door schild gepleegde exces geen ordinaire, maar wil een Extra ordinaire willekeurige poine is gestatueerd dezelve ook altoos aan de regten werd geedefereert 27. en vermits op dit geval van bijzondere appligatie kan werden gemaakt. 28. de Sententie in 't geadviseerde, te vinden in 't neederlandsch advijs boek van van den bergh 4 deel Cons 85 volgens welke in den Jaar 1766. 29: een muster die de maate van eene meesterlijke Correctie omtrend zijn discepel of knegt zo verre was te buijten gegaan, dat dien knegt eenige daagen daaraan was koomen 30. te sterven, voor eeuwig is gebannen geworden uijt de stad en 't Schependom van Nimweegen 31. Welke straffe dan ook te onderzaeken staat, of dezelve meede in dit geval op den gedc: 32. in de betrekking van denzelven als Christen tegens een slaaf behoord te koomen in Consideratie 33. Om welke en andere prolitijten te eviteeren den r: O: Eijzcher nodigtit geoordeelt heeft 34. dien en diergelijken reflectie te laaten 35. aan de meerdere kunde van UWel Edele agtbaaren Mits welke en andere redenen en middelen in tijd en wijlen is 't nood nader te reduceeren den R: O: Eyzcher Eijsch doende Concludeerde dat den gedh: in den hoofde deezes gemeld door en in UwelEdele agtb: goedugte aan vier ƒ =ding 0 2
English
court will be sharply reprimanded, furthermore condemned to a fine of two hundred rijksd: for the benefit of the Officer Prosecutor, as well as all costs and expenses of Justice, or to such other punishment as Your Honourable Worships shall judge necessary and proper. Exhibited in Court the 1787. /:Was signed./ R: J: V: deriet Today, the 15th of December 1786. Appeared before me, Johan Jacob Frederik Wagener, Secretary of the Colony Graaffe Reinet, in the presence of the witnesses named below, the burgher Petrus Bernardus Jansz: Nieuwenhuijzen, who, at the requisition of the Landdrost of the aforesaid Colony, the Honourable Morits Herman Otto Woeke, declared it to be true that in the last-passed month of May, the appearer, with the burgher Andries Burgerd from the 24 Riviere, had undertaken the journey here to the Camdeboo; that when they had advanced to this side of the Wolwefonteijn, they had captured a slave boy who was probably a Malagasy, since he understood neither the Portuguese nor the Dutch language, but only knew how to say that his name was Hector, without being able to name his owner; that the same slave was carrying a musket loaded with a little powder and a small ball, which they took into custody; that having advanced to the Swarteberg, the aforesaid Andries Burgerd had wished to hand over the captured slave to the Field Corporal Johan Adam Raubenheimer, but that the said Raubenheimer had said that he did not like to have such rogues on his place, that he, Burgerd, should just take him along since it was apparent that his owner lived in the veld; that when they wished to depart from the said Raubenheimer, the aforesaid Hector did not want to leave the house, and that the often-mentioned Andries Burgerd first struck him with the hand and afterward gave him about sambok strokes in the presence of the aforesaid Raubenheimer. That proceeding further on their journey to about half an hour from the residence of the aforesaid Andries Burgerd, the said slave Hector stayed behind in the night and went missing; that the appearer the next day in the morning, having gone out with the Bastard Hottentot Claas, living with the burgher Andries Gobrechts, to search for the missing slave Hector, found him toward evening about half an hour from the house of the often-mentioned Andries Burgerd lying dead, just beside the road, without the appearer having discovered any wound or blood; that the appearer gave notice of this to the aforesaid Burgerd, and that the following day they rode again to where the corpse was without finding it, and then went to the then Field Commandant Adriaan van Jaarsveld to report what had occurred; that the just-mentioned Field Commandant ordered them to search once more, and if they found the corpse to give notice thereof to him, but in case it had been torn apart or devoured by the wild beasts, that it was then not necessary; that pursuant to this order they again engaged in searching and found that the dead body had been dragged away by the wolves, and that they found nothing but the skeleton in the bones. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons for his knowledge as set forth in the text, being ready to confirm the foregoing further with a solemn oath. Thus done at the secretariat of Graaffe Reinet in the presence of the substitute landdrost Adolph Jurgensen and the burgher Abraham Duvinnage, who duly signed the minute hereof along with the appearer and me, the Secretary. To which I testify. /:Was signed:/ J: H: Wagener, Secretary. Verification: Appeared before us, Adriaan van Jaarsveld and Jozua Joubert, commissioned heemraden of Graaff-Reinet, being qualified hereto by the Right Honourable Rigorous Lord Governor and the Honourable Worshipful Council of Policy at Cabo de Goede Hoop, the burgher Petrus Bernardus Janz: Nieuwenhuijzen, to whom this his foregoing declaration having been read aloud clearly and distinctly word for word, testified that he persisted therewith, desiring that nothing be added or taken away therefrom, and therefore, in confirmation of the truth thereof, spoke the solemn words: So help me God Almighty. Thus verified and sworn at Graaffe Reinet the 2nd of March 1787. This cross mark was made by Petrus Bernardus Janz: Nieuwenhuijzen with his own hand. /:Underneath was written:/ In my presence, J: H: Wagenaar, Secretary. As commissioners /:Was signed:/ A: V: Jaarsveld and J: Joubert. Today, the 5th of December 1786. Appeared before me, Johan Jacob Fredrik Wagener, Secretary of the Colony Graaffe Reinet, in the presence of the witnesses named below, the Heemraad of the aforesaid Colony, the Honourable Adriaan van Jaarsveld, who, at the requisition of the Landdrost of the aforesaid Colony, the Honourable Mourits Herman Otto Woeke, declared it to be true that, to his best recollection, in the past month of May there had come to the appearer the burgher Andries Burgerd, reporting to the appearer that he, Burgerd, on his return journey from the Cape, had captured a slave boy carrying a musket, but being unable to speak Dutch he did not know how to state whose bondman he was; that the said Burgerd, having taken the aforesaid slave along with him, had discovered that the said slave had stolen some food from him on the way and had punished him for it; furthermore, that the often-mentioned slave, in the night about half an hour from the residence of him, Burgerd, had gone missing; that
Dutch transcription
viertchaar scherpelijk zal werden gereprimendeert voorts in een boete gecondemneert van tweehondert rijksd: ten behoeve van den R: O: Eijscher, mitsgaders in alle korten en misen van Justitie ofte tot sodanige andere straffe als Uwel Edele agtb: nodig oordeelen zullen te behooren, Exhibitum in Juditio den 1787. /:Was getekend./ R: J: V: der niet Huijden den 15 december 1786. Compareerde voor mij Johan Jacob Frederik Wagenar Secretaris der Colonie grasse renct prezent de natem: getuijgen de burger Petrus Bernardus Jansz: Nieuwenhuijzen, den welken ter requisitie van den Landrost der voorm: Colonie dheer Morits herman otto woeke verklaarde hoe waar is, dan den Compt in den laast gepasseerde Maand maij met den burger andries Burgerd van de 24 riviere de rijze aangenomen had hier na de Camdebo, dat wanneer zij gevorderd waren, tot aan deeze zijde der wolwe fonteijn, zij hadden gevangen genomen een zlave jongen die waarschijnlijk een Madagascar was, dewijl denzelve de portugeesche nog duijtze taal niet verstond, maar alleen wist o te seggen dat zijn naam Hector was zonder zijn Lijfhier te kunnen opnoemen, dat denselven slaaf had bij zig gevoerd een snaphaan geladen met een wijnig kruijd en een klijne klijs die zijlied: in bewaring genomen hadden, dat gevordert zijnde tot aan de swarte berg voorm: Andries Burgerd den gevangenen slaaf had willen afgeeven aan den veldwagtmeester Johan Adam Raubenheimer, dog dat denzelven raubenhemer had gezegd zulke schilme niet gaarne op zijn plaats te willen hebben dat hij Burgerd denselven maar moest meede neemen dewijl 't aparent was, dat zijn Lijfheer in 't veld woonagtig was, Dat wanneer zij van gerepten raubenheimer hadden willen vertrekken voorn: Hector het huijs niet had willen uijtgaan en dat meerm: andries Burgerd, denzelve eerst een slag met de hand en naderhand zo omtrend sambokslagen in presentie van opgem: raubenheimer had gegeeven. Dat voorts met hunne rise gevordert zijnde tot omtrend een half Uur van den Woonplaats van voorm: Andries Burgerd, den gem: slaaf hy tor in de nagt was agtergebleeven en absint geraakt dat den Com„t v'anderen daags in den morgen met den Bastaart hottentot Claas, Woonagtig bij den burger Andries Gobregts uijtgegaan zijnde om den abzinte slaaf hicter op te zoeken denzelven tegens den avond omtrend een halve uur van 't huijs van meergem: andries Burgerd had vinden dood leggen, even bijziden de weg, zonder dat de Comp„t eenige wonde of bloed had ontdekt: dat den Compt hier van kennis had gegeeven aan voorsz: Burgerd, en dat zij den volgende dag weder„ =om waar 't lijk waaren gereeden zonder 't zelven te vinden en voorts naden toenwaligen veld Commandant Adriaan van Jaarsveld om van 't voorgevallen Raport te doen, dat evengemelde andries vild veld Commandant hen had geordonneert nogmaals te zoeken, en zo zij 't lijk vonden heen daar van kennis te geeven, dog ingeval het door de ongedierte mogt verzcheurd of verteerd zijn, dat 't als dan niet nodig was, dat zij zig ingevolge deeze ordre wee„ =derom aan 't zoeken hadden begeeven en bevonden hadden dat 't doode Lighaam door de wolke was weggesleept, en dat zijlied: niets als 't geraamte in 't gebeente hadden gevonden. Niets meer verklaarende geeft den Compte voor reedenen van Wetenschap als in den text berijd zijnde het voorenstaande met solemneele Eede nader te bevestigen, Dat aldus passeerde ter secertarije van Graaffe Renet in 't bijweezen van den substi„ =truit drort Adolph Jurgensen in den burger Abraham Duvinnage, die de minute deeses beneevens de Comt: en mij Secretaris behoorlijk hebben onderteekend T welk ik getuijge /.Was getekend:/ J: H: Wagener, Secretaris Rejollement, Compareerde voor ons Adriaan van Jaartveld en Jozua Joubert gecommitteerden humraden van Graaferenct als hier toe ge„ „qualificeert zijnde door de Wel Edele Geestrenge heer Gouverneur en VEd: Agtb: politique rade aan Calio de goede hoop de burger Petrus bernardus Janz: Nieuwenhuijzen, denwelke deeze zijne voorenstaande verklaaring van woorde tot woorden klaar en duijdelijk voorgeleezen zijnde betuijgde daar bij te blijven persisteeren met begeerte dat daar van niets by of afgedaan zal werden en sprak dierhalven tot bevestiging der waarheid van dien de solemneele woorden, zoo waarlijk helpe mij God Almagtig, aldus gerecolleerd en beedigt Huijden den 5 december 1786 Compareerde voor mij Johan Jacob Fredrik Wagener Secretaris der Colonie Graafe Renet present de natem: ge„ =tuijgen den Heemraad der voorm: Colonie d'E: Adriaan van Jaartveld dewelke ter requisitie van den Landrort der Colonie voorm: dheer Mourits herman otto Woeke verklaarde hoe waar is, dat na zijn bestgehuigen in de gepasseerde maand Maij bij den Comp„t gekomen was, den burger Andries Burgerd aan de Comp„te verslag doende, dat hij burgerd op zijne te rug rijze van de Caab had gevangen genomen een slave Jonge bij zig voerende een snaphaan, dog geen duijtsch kunnende niet wist op te geeven wiens lijf eeijgen hij was, dat denzelve Burgard voorn: slaaf met zig mede gevoerd hebbende ontwaard had dat gem: slaaf eenige kost van hem op de weg gestolen had, in denzelven daar over had Gestraft, voorts dat meerm: slaaf in de Nagt omtrent een half Uur van den Woonplaats van hem Burgerd was absent geraakt op Graafe renet den 2 Maart 1787. dit kruijs t merk is door petrus bernardus Janz: Nieuwen„ =huijzen eijgenhandig gesteld, /.onderstond:/ Mij present J: H: Wagenaar Secretaris, als gecom„ =mitteerde /:Was getekend:/ A: V: Jaarsveld. en J: Joubert. — op Dat
English
that the aforementioned Burger the following day had sent out his servant, the citizen Petrus Nieuwenhuijzen, to look for the slave who had stayed behind, and that the same Nieuwenhuijzen had returned and brought him, Burger, report that he had found the aforementioned slave lying dead near the road. Furthermore, that he, Burger, the next day—being the second day after the slave had been left behind—had gone in person to the corpse of the deceased slave and found that the same had been dragged away and torn to pieces by vermin. Knowing nothing more, the deponent gives as reasons for his knowledge as stated in the text, being prepared to confirm the foregoing with a solemn oath. Thus passed at the Secretariat of Graaf Renit in the presence of the Colony's Surgeon Carel Philip Lastroi and court messenger Johan Christiaan Helm, who have properly signed the original minute hereof along with the deponent and me, the Secretary. Which I testify. Was signed: J. H. Wagenaar, Secretary. Re-examination: Appeared before us, David de Villiers, son of David, and Jozua Joubert, commissioned heemraden of Graaf Rijnet, being authorized hereto by the Honorable, Valiant Lord Governor and the Honorable, Worshipful Political Council at Cabo de Goede Hoop, the heemraad of the aforesaid colony: Answer prepared and most respectfully submitted to the Honorable, Worshipful Lord Johannes Isaak Rhenius, President, together with the further Honorable, Worshipful Lords Councillors of Justice of this Government, by and on behalf of Jacobus Verjueil, assistant of the Honorable Company on the payroll below, as general proxy of the citizen Andries Burger, son of Andries, defendant on the one part, upon and against the Landdrost of Graaf Rijnet, the Lord Mourits Heinrich Otto Woeke, prosecutor ex officio on the other part. Adriaan van Jaarsveld, to whom this his foregoing declaration was read clearly and distinctly word for word, testified that he persisted in the same, wishing that nothing more should be added thereto or taken therefrom, and therefore pronounced, for confirmation of the truth thereof, the solemn words: So help me God Almighty. Thus re-examined and sworn at Graaf Rijnet on 6 March 1787. Was signed: A. V. Jaarsveld. Below was written: In my presence, J. H. Wagener, Secretary. As commissioners: Was signed: D. D. Villiers the elder, J. Joubert. Honorable, Worshipful Lord, Honorable, Worshipful Lords, The defendant in said capacity, having first dutifully acknowledged his gratitude to Your Honorable Worships for the copy of the claim granted today a fortnight ago, submitted before Your Honorable Worships by the prosecutor ex officio, proceeding to answer the same and to state in support of this writing—provided that he needs all the declarations exhibited by the prosecutor ex officio with his submitted claim, to which reading the defendant in said capacity humbly implores Your Honorable Worships' usual attention—from the same Your Honorable Worships will be most clearly convinced that the principal defendant has not been guilty of the least neglect of duty; on the contrary, it is trusted, he acted as every right-thinking Christian can and ought to do. Considering, in the first place, on the road from the Vier en twintig Rivier to the Candeboo on this side of the Wolvefontijn, a slave boy was discovered by the principal defendant and the deponent, carrying a musket, who was not provided with any pass or certificate. The principal defendant captures the same boy, takes his weapon away from him, and brings him to the field cornet Johan Adam Baubenkrimer. That field cornet refuses to keep that boy, on the pretext of not wanting to have such scoundrels on his farm, but rather exposes the principal defendant to this danger. The defendant in said capacity will not enter into an investigation here as to whether that field cornet attended to his duty properly, leaving such to the wise and equitable judgment of Your Honorable Worships. The principal defendant was thus compelled to take that slave further along and to expose himself to such a scoundrel. But that captive slave opposed going along any further and was reluctant to do so, whereby the principal defendant had to use the necessary means to compel that slave with sjambok lashes, as he gave the same a few sjambok lashes. But can mistreatment be presumed from this, much less that the lashes caused the death of the said slave? For the field cornet and the deponent Nieuwenhuijsen were present there, and they surely would never have consented to mistreatment. Now the question would be what other means were at hand here, than by blows
Dutch transcription
dat meerm: Burgerd d'andere daags zijn knegt den burger Petrus Nieuwenhuijzen had uijtge„ zonden om den agtergeblevenen slaaf op te zoeken, en dat dezelve Nieuwenhuijzen was retour gekomen en hemburgerd had berigt gebragt dat hiij de meerm: slaaf omtrend den weg had vinden dood leggen, Wijders dat hij burgerd sig den volgende dag /:zijnde de tweeden dag na dat de klaaf was alegerent ge„ zaakt zig in perzoon na 't lijk van den omgekomenen slaaf had begeeven en bevonden dat dezelve door 't ongedierte was weggesleept Verscheurd, Niets meer wetende geeft den Comp„t voor redenen van Wetenschap als in den text berijd zijnde 't voorenstaande met Salim„ =neele Eede te bevestigen, dat aldus passeerde ter Scertarije van graaf renit in 't bijweezen van T' Calonies Chirugijn Carel Philip Lastroi ende geregts boden Johan Christiaan Helm die de minute deezes beneevens de Comp„t en mij Secertaris behoorlijk hebben onderteekend 't welk ik getuijge /:Was Getekend:/ J: H: Wagenaar, Secretaris, Rejollement Com„ pareerde voor ons David de Villiers davidz: en Jozua Joubert gecommitteeerde Leemrade van graaf zijnet als hier toe gequalificeert zijnde door de WelEd: Gestr: heer Gouverneur Ed: agtb: Politique rade aan Cabo de goede hoop de hiemraad der Colonie voorz: d: L: Antwoord gedaan maaken en zeer eerbiedigts overgegeven Aan den Wel Edelen Achtbaren Heer Johannes Isaak Rhenius President beneevens de Verdere Edele agtb: heeren raaden van Justitie deezes gouver„ =nements door ende van wegens den onder afgeschreven gagie Gestelde adsistent der E: Comp: Jacobus Verjueil, als generale gemagtigde van den burger Andries Burger andz: Verweerder Aariaan van Jaarsveld denwelke deeze zijne voorenstaande verklaaring van woorde tot woorden klaar en duijdelijk voorgeleesen zijnde betuijgde daar bij te blijven persisteeren met begeerte dat daar van niets meer bij of af gedaan zal werden en opzak dierhalven tot bevesting der Waarheid van dien de solemneele woorden zoo Waarlijk help mij God Al¬ =magtig, Aldus gerecolleerd en beedigt op Graaf rijnet den 6 Maart 1787. /. Was getekend./ A: V: Jaarsveld /. onderstond:/ mij present J: H: Wagener Sepretaris, als Gecommitteerde /. Was getekend / D: D: villiers d'oude, J: Joubert —. Adriaan ter Wel Edele agtb: heer E:E: Achtbaare Heeren Den q9 gedaagden UWelEd: Achtb: alvoorens pligt schuldig zijne dank Erkent te hebben voor verleende Copia van Eijzch heden over veertien dagen, voor UWel Ede Agtb: door den R: O: Eijscher ingediend zullende op het selve antwoorden en seggen ter adstructie van dit schrifttuur mits nodig te hebben als de verclaringen door den 7: O:o Eyscher aan sijn ingediende Eijzch g'Exhibeert, tot welke lictuure den qq gedaagde oodmoedigtet imploreerende UWel Ed: Agtb: gewoone attentie, uijt dezelven zullen Uwel Ed: agtb: ten klaarsten overtuijgd worden dat den principaale gedaagden sig aan geene de minste pligtversuijm heeft schuldig gemaakt inte„ =gendeel so vertrouwd word gehandelt heeft als ijder weldenkend Christen kan en behoort te doen, in de eerste plaats beschouwende werd door den principalen gedaagde en den deposant op den Weg van de Vier en twintig Rivier naa de Candeboo aan deeze zijde de wolve fontijn, een slaave Jonge ontdekt, met een Snaphaan bij sig, die zonder eenig bewijs off: Cas ter eenre op ende Jegens den Land drost van Graaf rijnet de Heer Mourits Heinrich Otto Woeke R: O: Eijscher ter andere sijde. voorsien was, den principaalen gedaagden vangt denzelve jongen ontweldigt hem zijn geweer en brengt hem bij den veldwagtmeester Johan Adam Baubenkrimer, die veldwagtmeester refureert die Jongen te houden, onder voorgeven sulke schelmen niet gaarne op sijn plaats te willen hebben, maar waagd den principalen gedaagden liever aan dit gevaar, den 94 gedaagden zal hier in geen onderzoek treeden, off die wagtmeerter zijn pligt wel heeft behartigd zulks aan 't wijs en Equitabel oordeel van Uwel Ed: Agtb: overlaatende, den principalen gedaagde was dus genoodsaakt die slaaf verder meede te neemen en sig aan zoo een schelm te Exponeeren, dog die gevangene slaaf teegens het verder meede gaan tig oponeerde en daar toe weijgerig was, waar door den pp=le gedaagde de nodige middelen heeft moeten gebruijken van dien slaaf met Sjambok slaagen, te noodsaaken, gelijk hij dezelve eenige Sjambok slaagen heeft gegeeven, maar kan daar door een Mishandeling werden gepresumeert veel minder dat de slaagen de dood van gemelde slaaf soude hebben veroorsaakt, want den veld wagtmeester in den deposant Nieuwenhuijsen waaren daar bij de present, bij, en die souden im„ =mers nooijt eene mishandeling hebben geconsenteerd, nu soude de vraag sijn wat midde„ =len anders hier door de hand waren, als met voor slaagen
English
to compel that captured slave to come along with blows, for the defendant after all had no liberty to allow someone who was most likely a runaway and provided with a gun to walk free, and the field sergeant did not want such scoundrels on his place, thus that slave might be compelled by a proper chastisement to go further along, just as, having happened, the defendant took the said slave along, and close to the principal defendant's place it was discovered that the said captured slave had run away or remained behind, and at the moment of that discovery it was not possible because of the darkness of the night to track him down and search for him directly, yet in the morning the deponent Nieuwenhuijsen with a Hottentot were sent out by the principal defendant to search for that slave, being under the impression that he had run away again; once more the question here must be, could the principal defendants indeed have done otherwise? The deponent Nieuwenhuijsen, having spent the day searching with the Hottentot who was with him, having found towards evening the said captured slave lying dead about half an hour from the place of the principal defendant, beside the road, of which, coming home in the evening, they gave notice to the principal defendant. The principal defendant, since the night was at hand, resolved to go and see there the next day in the morning with his servant, the deponent Nieuwenhuijzen, just as the principal defendant and the deponent rode to that place to see the corpse, but having not been able to find it, the defendant immediately gave notice thereof to the then Field Commandant Adriaan Van Jaarsveld, who ordered the principal defendant to search once more, and upon finding the corpse to give notice thereof, but in case it might have been torn apart or consumed by vermin, that it was not necessary then. Can it now in everything be presumed that the principal defendant was any cause thereof? Is it also to be imputed to the principal defendant that the inquest was not held in time? For, Honorable sirs, in the night that slave became absent; could he indeed be sought out directly in the dark, the more so because one believed that he had run away again, and thus seeking him out directly was not neglected out of a conviction of ill-treatment, as the Prosecutor says from Article 13 to 16 of his writ, for the principal defendant was completely unaware of any ill-treatment. The next day, coming again towards the evening, the principal defendant was first informed of the death of the said slave; was the approaching night then suitable to hold that inspection, and thus it cannot be said of the principal defendant that he neglected any time, and thus from that also not the least presumption against the principal defendant can be drawn. All this now having proved that no ill-treatments took place in any respect, nor is any presumption thereto to be found in anything, as well as no neglect regarding the inquest since the night is not suitable for it; since all this now falls away, this notable advice or sentence cited in the Claim in Articles 28 to 31 is completely inapplicable, for Van den Bergh in his advice book, 4th volume, Consultation 85, speaks of an absolute ill-treatment from which that servant had died, but here the exact opposite appears, it having to appear most clearly to Your Honors from the evidence produced by the Prosecutor that here no ill-treatment, indeed not even the least presumption of ill-treatment takes place, as I have argued extensively above, on the basis of which the defendant rejects the arguments submitted by the Prosecutor as sub- and obreptitious, and concludes that the principal defendant shall be acquitted by Your Honors of the claim and conclusion made and taken against him by the Prosecutor, with expenses. Exhibited in Judicio, the 10th of January 1788. Was signed: J: Vercueil. Thursday the 24th of January 1788, in the forenoon. Present: the Honorable Johannes Isaak Rhenius, president, and all the members. Sr. Van der Riet, in his said capacity, renounces further productions, since nothing was brought forward by the defendant for defense in the answer from which the claim could in any way be considered unfounded, the more so because no evidence was produced by the defendant that contradicts the declarations exhibited at the claim for the Prosecutor, and therefore requested swift and fair justice. The defendant also renounces. The sworn clerk at the Secretariat of Justice, Sr. Ryno Johannes van der Riet, as qualified ex officio to attend to the affairs of the Landdrost of the Colony of Graaff-Reinet, Mr. Maurits Herman Otto Woeke, in law against the burgher Andries Burger, requested to hear renunciation or publication regarding his submitted written response. The Council holds this matter for consideration.
Dutch transcription
slaagen die gevangen slaaf tot mede gaan te noodsaaken, Want den ged: hadde immers geen vrijheid omme een dewelke allerwaarschijn„ =lijkst een drosser was en met een geweer voor„ =sien te laten loopen, en den veldwagtmeester wilde sulke schelmen op zijn plaats niet hebben dus die slaaf door eene behoorlijke kartijding mogt werden genoodsaakt verder meede te gaan, gelijk dan ook geschied sijnde den gedaagde de gemelde slaaf heeft mede genomen en kort bij des pp=l gedaagdes plaats ontdekt wierd dat gemelde gevangenen slaas gedrort dan wel agtergebleven was, op 't oogenblik van die ontdekking het niet mogelijk was weegens de donkrhijd van de nagt denselven direct na te spooren en op te zoeken, dog des smorgens den deposant Nieuwenhuijsen met een hotten tot door den principalen gedaagten zijn uijtge„ =stuurd geworden om dezelve klaaf op te zoeken in 't denkbeeld zijnde dat den selven weeder gedrokt was, weederom moet hier de vraag sijn konden principaalen gedaagden wel anders gedaan hebben, den deposant Nieuwenhuijsen met de bij hem sijnde Hottentot, den dag met soeken doorgebragt hebbende tegens den avond den gemelde gevangenen slaaf een half uur om„ =trend van de plaats van den principalen ge„ =daagde, bezijden den weg hebbende gevonden doodliggen, waar van sij des avonds 't huijs koomende, aan den principaalen gedaagde ken„ =nis hebben gegeven, den principalen gedaagden vermits de nagt op handen was, resolveerde om des anderen daags smorgens met sijn knegt den deposant Nieuwenhuijzen, daar na te gaan zien, gelijk den Principaalen gedaagde in den deposant naa die plaats gereeden sijn om het Cadaver te sien, dog 't selve niet hebben kunnen vinden den gedaagden daar van direct kennis heeft gegeeven aan den toenmaligen veld Commandant Adriaan Van Jaarsveld die den principalen gedaagde heeft geordoneert nog„ =maals te maelen zoeken en het Cadaver vinden„ de van daar van kennis te geeven, Edog in gevalle het door het ongedierte mogte verscheurd oft verteerd zijn dat het als dan niet nodig was, kan nu in alles gepresumeert worden dat den principalen gedaagden Eenige oorsaak daar van is geweest, is het ook aan den principalen gedaag„ =den te imputeeren dat de schouwing bij tijds niet is geschied want Ed: agtb: heeren in de nagt geraakte die slaaf absent, konde dezelve wel di¬ =rect in 't donker opgezogt werden, te meer daar men vertrouwden dat dezelve weder gedroot was en dus is 't direct na zaeken niet nagelaaten uijt overtuijging der mishandeling, so als den 7: O: Eijscher van 't 13 tot 't 16 Arty: van desselfs schriftuur segt want de pp=lo gedaagde geheel van eenige mishandeling onbewust was, des anderen komende daags daags weder tegens den avond wierd den principalen gedaagde eerst van de dood dergemelde slaaf onderrigt was toen de aannaderende nagt ge„ =schikt om die behouwing te doen endus die principalen gedaagden niet kan gezegt worden eenige tijd versuijmd te hebben en dus daar uijt meede geene de minste presumptie tegens den principalen gedaagden kan werden getrokken, dit nu alles te hebben bewierd dat er geene mis„ =handelingen in eenige deelen heeft plaats gehad ook geene presumptie tot deeze in alles te vinden is, als ook geen verzuijm tot de schouwing alzo de nagt daar toe niet geschikt is, daar nu dit alles vervalt sal dit notabel adries oft sen„ =tentie bij den Eijsch in Artiq„ 28 tot 31 aange„ =haald geheel niet te pas komt, Want van den Bergh in zijn advijs baek 4=de deel Consultatie 85. spreekt van eene volstrekte mishandeling daar die knigt van gestorven was, maar dit blijkt hier net Contrarie zullende 't Uwel Edele agtb: uijt de bewijsen door den r: O: Eijscher ge„ =produceert ten klaarsten Consteeren, dat hier geen mishandeling Ja selve geene de minste presumptie van mishandeling plaats heeft soo als hier voorn: breedvoerig hebbe beresoneert op grond van welke den qq gedaagde afslaat de middelen door den r: O: Eijscher ter needer gesteld als zub en obriptieff en Concludeerd Donderdag den 24 Januarij 1788 's Voormiddags prezent d'E: agtb: heer Johannes Jesaak Thinius prezident en alle de leden, S:r Van der niet in zijne gemelde qualitijt renun„ =tieerd van verdere prodectien, vermids door den ged: niets tot defenzie bij antwoord is voortgebragt waaruijt de Eysch eenigsints zoude kunnen worden geconsidereerd ongegrond te zijn, te meer daar ook door den gedh: geene bewijzen zijn ge„ =produceerd, die de verklaringen bij Eijsch voor den R: O: Eijscher g'exhibeerd wederspreeken en verzogt dier halven om korten goed regt, de gedC: renuncieert mede, den gezw: Clerq ter Secertarije van Justitie S=r Rijno Johannes van der riet als in Exofficie gequalificeert ter waarnemingen der zaaker van den Landrort der Colonie Grarfe Reinet de heer Maurits hirman otto Woeken regt Contra den burger Andries Burgerd gereq=dte omme op zijn ingeleverd; schriftuur van antwoord te horen renuntieeren dan wel te pupligceeren, De raad houd deeze zaak ter dat den P: S:=le gedaagde door UWel Edele agtb: zal werden geabsolveert van den door den 7: O: Eijscher tegen hem gedaane en genomene Eijsch en Conclusie Cum Expensis, Exhibitum in Judicio, den 10 Januarij 1788 /. Was Getekend. / J: Vercueil —. dat rond„
English
circular consultation in advice, was written below, at Cape of Good Hope, date as above, lower down, in my presence, signed C: van Herzen, Secretary. Agreed. M Rineveld G v:Clercq 6 Register of the lawsuit of the Landdrost of the Colony of Graaff-Reinet, against Andries Burger, defendant: 2. Deposition of Petrus Nieuwenhuijzen, properly re-examined and sworn. 3. — Adriaan van Jaarsveld, sworn as before. 4. Response of the defendant. Copy of the Minutes in which the parties have renounced. Claim. 5. Article 1. And the Prosecutor ex officio briefly stated in accordance with the truth: That the prisoner and defendant, who lives with his father, the burgher Charles du Plessis, on the farm situated around the Gourits River, before the last ploughing season of the year 1785, on a certain day towards the evening, rode together with his brother, the burgher Jacobus Ludovicus du Plessis, to the sea farm situated two hours from there, also belonging to his father, named 't Groote Bosch, in order to see whether there was enough water on that farm to graze his father's sheep there. 2. Appeared before the Honorable Council of Justice of the Castle of Good Hope, the undersigned, qualified ex officio by the High Government of this country to handle the case of the Merchant and Landdrost of the Colony of Swellendam, the Honorable Constant van Nult Onkruijt, and thus by virtue of his office the Prosecutor in this criminal case, on the one side, Against The detained burgher Pieter Johannes du Plessis, defendant in person in the aforesaid case, on the other side. Articles 6, 3, 4. Article 6. That the prisoner and defendant, having approached the aforementioned farm 't Groote Bosch, 7. had then discovered, not far from the said place, a herd of cattle. 8. That the defendant had therefore ordered his brother to ride thither and chase those cattle off the land, and then meet up again with him, the prisoner and defendant, on the other side of the farm. 10. That he, the prisoner and defendant, having ridden alone to the farm, had also noticed a herd of cattle there, with a Hottentot belonging to the burgher Daniel Sienaar, named Fredrik. 11. Whom he, the prisoner and defendant, according to his statement, had first asked in a friendly manner, in substance: 12. Why he was grazing the cattle there at that place. 13. That that Hottentot is said to have been insolent toward him, the prisoner and defendant. 14. That he, the defendant, had therefore been prompted to give that Hottentot a blow with the sjambok he had in his hands. 15. That that Hottentot, upon receiving that blow, aimed to strike him, the defendant, with the knobkerrie he was holding, which was about the thickness of an arm, according to the defendant's statement. 16. That by dodging, that blow had missed him, the prisoner and defendant. 17. That that Hottentot wishing to repeat that blow, the defendant had first said to him, in substance: Hottentot, you must not do that. 18. And subsequently, when that Hottentot would not desist, with the gun, according to the alleged statement of the prisoner and defendant, he first aimed at the legs, and because the horse on which he, the prisoner and defendant, was sitting would not stand still, Article 19. the shot, upon pulling back the cock, instead of going to the legs, struck the chest. 20. With the result that that Hottentot suddenly fell to the earth, and within a few minutes succumbed to the wounds he received. 21. That the prisoner and defendant, having first ridden to the Field Cornet living in that district, and not finding him at home, subsequently proceeded to the Landdrost to give the necessary notification of this incident. 22. That the Landdrost thereupon gave him, the defendant, a letter to a Heemraad, Pieter Sienaar, 23. and ordered him to properly inspect that deceased Hottentot with two of the nearest neighbours. 24. That the said Heemraad Sienaar, upon receiving that order, rode with two persons, named Cobus Oosthuijzen and Tobias Mijnhard, to the place that was pointed out to them by the prisoner and defendant. 25. But finding nothing of the corpse, because it had already been buried by a certain Jesaias Meijer and Fredrik Botha, and several other persons who happened to arrive there, they had returned with their business unaccomplished, the
Dutch transcription
rondleering in advijs /:onderstond:/ aan Cabo de goede hoop datum ut supra /:lager./ mij present /:getekend:/ C: van Herzen Seretaris Accordeerd. M Rineveld G v:Clercq 6 Register op het propes van den Landrost der Colonie Graafe Reinet, Cu Andries Burgerd gedc: 2. Verklaring van Petrus Nieuwenhuijzen behoor„ lijk gerecoll: en Beedigt 3. — Adriaan van Jaarsveld als voren Beedift 4. Antwoord van den gedaagde Copia Notul waar bij partien hebben gerenuntieerd J. Eijsch 5. Art: 1. Ende deede den rat: offic: Eisscher kortelijks conform de waarheid zeggen. dat den gev: en ged. e die bij zyn vader den burger Charles du Plessis, op de plaats geleegen omtrend de Gourits Rivier woonagtig is. voor de laatste plaegtijd dan t' Jaar 1785 op een zeekeren dog omtrend teegens den avond gereeden is. met en beneevens zyn broeder, den burger Jacobus Ludovicus du Plessis, naar de van de daar twee Uuren geleegene zee plaats, meede zijn vader toebehoorende genaamd t' groote bosch. ten einde te gaan zien, of er op die plaats water genoeg was om zyn Vaders Schaepen ter wyding aldaar te leggen. 2. Compareerde voor den WelEdelen Achtbaaren Raade van Iustitie des basteels de goede Hoop, den ondergeteekende als an officio door de Hooge Overheid deezer Lande gequalificeerd ter waarneeming ter zaake van den Coopman en Land Drost der Colonie Swellendam de Heer Constant van Nult onkruijt en dus rateene officii Eysscher in cas crimineel ter Eenre Op ende Jeegens. Den gedetineerden Burger Pieter Johannes du Plessis gedaagde in perzoon in 't voorsz: cas ter andere zijde. Arta. 6. V 3. 4. Art: 6. dat den gev:e en ged:e bi de voorm: plaats t' groote Bosch genaderd zijnde. 7. als toen niet verre van gerepte plaats, een troup beesten had ontdekt. 8. dus den ged. e zijn broeder geordonneerd had, om derwaards te rijden, en die leesten van 't Land te verzaagen. en dan op de andere zijde van de plaats weeder bij hem gev: en ged:e te koomen. 10. dat hij gev:e en ged:e alleen na de plaats gereeden zijnde, aldaar meede een troup beesten had bespeurd, met hotten tot van den burger Daniel Sienaar in naame Fredrik. 11. welke hij gev. e en ged:e /volgens zijn voorgeeven / eerst in t' vrundelijke gevraagd had, in substantie. 12. Waarom of hij daar ter plaatze met het wee wijdde 13. dien hetten tot hem gev:e en ged=e daar op gebruta„ „liseerd hebben zoude. 14. dus hij ged:e te hade geworden was, dien hotten tot met zijn in handen hebbende sjambok een slag te geeden. 15. dat dien hotten tot op 't bekomen van dien slag hem ged=e met zijn in houden hebbende kerrij ter dikte dan omtrend een aam volgens voorgeelden van hem ged:e een slag willende geeven. 16. door t' ontduiken, dien slag hem geve en gede was voor bij gegaan. 17. dat dien kottentot dien slag hebbende willen herhaalen, hy ged:e eerst aan hem gezegd had, in substantie, hotten tot gij moet dat niet doen„ 18. en vervolgens wanneer dien hotten tot zulks niet wilde nalaaten, met t geweer /:volgens zijn geve: en gede quesi voorgeeven / eerst na beenen gehouwen, en door dien te paard, waar op hy gev:e en ged=e zat niet stil wilde staan. Art: 19. was de schoot by t' lostrekken van den haan in steede dan na de beenen te gaan, voor de borst geraakt. 20. met dat gevalg, dat dien hosten tot plitseling ter aarde is gevallen, en binnen weinige minuutien aan zijne bekoomene worden, is komen te overlyden 21. dat den gev: e en ged„e eerst na den in dat district Woonende Veldmagt meester gereeden zijnde en dezelve niet t' huijs vindende vervolgens nader Land Drost zig begeeren, om van dit geval de nodige kennis te geeven. 22. dat den Land Drost hem ged:e daar op een brieff meede gegeeven heeft na eenen Heemraad Pieter Sienaar. 23. en denzelve aangeschreeven om dien ontzielden hottentot behoorlijk te schouwen met twee der naaste buuren. 24. dat gemelde Heemraad Sienaar op 't bekoomen van die ordre met twee perzoonen in naame Cobus Oosthuijzen en Tobias Mijnhard, na de plaats die door den gev:e en gedt: hun is aangeweezen, gereeden zijnde 25. doch niets dan 't cadaver vindende (vermits 't zelve reeds door eenen Jesaias Meijer en Fredrik Botha, en nog eenige andere perzoonen die toevallig daal bij gekoomen zijn /was begraaven geworden) waaren zy onverregten zaaken terug gereeden, de
English
Article 26. This being now the thread of the matter or the species facti of the occurrence, according to the assertion made by the prisoner and defendant during his interrogation. 27. It must now be examined to what extent that assertion could be reconciled with the touchstone of truth. 28. Firstly, the assertion of the prisoner and defendant, according to the contention of the prosecutor ex officio ratione officii, that he rode to the place t' groote bosch with his brother, is admissible. 29. But secondly, the meeting with the Hottentot and the conduct displayed in that regard appears very suspicious to the prosecutor ex officio. 30. Because it is very apparent that since the prisoner and defendant is the aggressor in this case, he will also not have hesitated for a single moment to chase away that Hottentot in a brutal manner, very typical of country people. 31. Subsequently, upon perhaps receiving a refusing answer, 32. immediately took his sjambok and struck that Hottentot with it. 33. And upon a simple threat, the firearm, which he, the prisoner and defendant, very well knew was loaded with shot the size of a peppercorn, according to the 17th article of his answered interrogatories, 34. very brutally and murderously fired, and mortally wounded that Hottentot in a dangerous place. Article 35. That the prosecutor ex officio ratione officii was somewhat delayed in instituting this action because the evidence, which he could not obtain quickly enough due to the far remoteness of the place of residence, was in the beginning very simple. 36. That when the evidence became more complete, the prosecutor ex officio ratione officii did not hesitate for a moment, after a preceding decree, to summon the defendant in person to appear. 37. And having appeared, by an interlocutory disposition, he was finally heard on such interrogatories as were drawn up for that purpose by the prosecutor ex officio ratione officii. 38. And which were put to him by the Gentleman Commissioners from your Honorable Assembly. 39. And to the contents of which, as well as the annexes attached thereto, the prosecutor ex officio ratione officii takes the liberty of referring. 40. That the aforementioned act having been fully confessed by the defendant in his respective answers, 41. the prosecutor ex officio ratione officii consequently no longer needed to remain in uncertainty to proceed to a claim on the main issue, 42. and to the determination of the punishment which the defendant, according to the letter of the law, would have deserved. Article 43. But whereas the prosecutor ex officio was in uncertainty whether your Honors considered the aforementioned evidence that was at hand, 44. and which he at the same time took the liberty to present to your Honors, 45. complete enough to prove that a corpus delicti existed. 46. Although he, for his part, on the grounds of the statement given under oath by the brother of the prisoner and defendant, 47. was entirely convinced of the truth of the act. 48. Yet, in order to be free from and clear of all reflections in any case, 49. deemed it necessary, some weeks ago now, to address your Honors and to request to be informed 50. whether the evidence at hand was complete enough to proceed to the claim on the main issue, 51. or whether the prosecutor ex officio ratione officii ought to await further evidence. 52. Whereupon your Honors, no matter how strongly the lengthy detention in which the prisoner and defendant would have to remain due to the far remoteness of the place of residence of those persons who could depose in this matter was presented by the prosecutor ex officio, were pleased to think fit to enjoin the prosecutor ex officio to supersede the presentation of his claim until such time as those persons should have come Capewards. Article 53. And at the same time, upon the request of the prosecutor ex officio for the criminal apprehension of the prisoner and defendant, saw fit to have him civilly arrested. 54. That meanwhile, upon the petition presented by the father of the prisoner and defendant and the interests brought in last Tuesday a week ago at an extraordinary meeting by the prosecutor ex officio, 55. having been taken into consideration by your Honors, the lengthy detention of the prisoner and defendant and the time that must elapse before those persons who have been appointed could come Capewards, 56. it was thus, after ripe deliberation, thought fit to further enjoin the prosecutor ex officio to proceed as soon as possible to a claim on the main issue. 57. The prosecutor ex officio will thus, in dutiful compliance, take the liberty of occupying your Honors' attention for a short while 58. with a clear demonstration of the crimes committed by
Dutch transcription
Art:o 26. dit nu den draad der zaake ofte de species facti van t' gesal zijnde, volgens t' voorgeeven van den gev:e en ged„e bij zijn verhoor. 27. zoo staat nu te onderzoeken, in hoe verre dat voorgeeven, met den toetsteen der waarheid zoude kunnen worden overeengebragt. 28:' ten eersten zoo is 't voorgeeven van den gev„e en ged:e, volgens sustenue van den rat: off: Eijsscher van na de plaats t' groote bosch met zijn broeder gereeden te zijn, admissikel. 29. doch ten tweeden de ontraeting van den hattentot en t' gehouden gedrag dient weegen, komt den lac: off Eysscher zeer verdagt te vooren. 30. Wijl 't zeer aparent is, dat daar den geve en ged:e de aggresseur van 't geval is, hy ook geen ogenblik zal verzuijmd hebben, dien hotten tot op een brutaale manier de buytien Lieden zeer eigen/ zal hebben weggezaagd. 31 vervolgens op 't misschien wygerend antwoord 32. direct zijn sjambok genoomen en dien hottentot daar meede geslaagen. 33. en op 't Simpel drijgen, 't geweer, dat hij geve„ en ged:e zeer niel wist, dat met hagel ter groote van een peeper korrel, volgens t' 17 articul van zijne beantwoorde vraag articulen gelaaden was. 34. zeer brutaal en moorddadig losgetrokken 39. en aan welkers inhoude, zoo wel als de daar neevensgevoegde bijlangen, den rat: off: Eijsscher de vlyheid neemd zig te refereeren. 40. dat 't doorsz: fait door den ged:e bij dezelve zijne responsivien, volmondig zijnde geadvoneerd. 41. De lat: off: Eijsscher mitsdien ook niet langer in t' onzeekere had behoeve te verseeren, om tot een Eijsch ten principaale overtegaan. 42. en tot de bepaaling der straffe, welke den gede: volgens den Letter der wet zoude hebben gemeriteerd. en dien hetten tot op een gevaarlyke plaats doodelijk gewond heeft. dat den lat: off: Eysscher met t' entameeren dezer Acto: 35. actie een weenig geretordeerd hebbende, om dat de bewijzen, die hij door de verre afgelegenheid der woonplaatze niet spoedig genoeg aan handen heeft kunnen krijgen, in't begin zeer eenvoudig waaren 36. dat wanneer de bewijzen compleeten zijn geworden den rat: off. Eijsscher, dan ook geen ogenblik verzuigmd heeft, om den geed:e, na doorafgaande decreet in perzoon te Ueen dagvaarden. 37. en gecompareerd zinde, eindelyk interlocutoire dispositie, is gehoord geworden, op zoodanige vraager„ „ticulien, als door den rat: off: Eysscher tot dat einde waaren geformeerd. 38. en hem doer Heeren Gecommitteerde Leeden uijt UwelEdele Achtb. Vergadering is voergehouden geworden. en Art: 43. Art: 43 Dan daar den rat: off: Eysscher in 't onzeekere was, of uwelEdele Achtb: melde bewijzen die aan handen waaren 44. en die hij teffens de vryheid genomen heeft, aan UwelEd: achtb, te praesenteeren. 45. volleedig genoeg agte tot staaving dat er een corpus de loete consteerde. 46. hoewel hy van zyne zyde op grond der Ver klaaring, onder Eede door de broeder van den gede en ged:e gegeeven. 47. ten eenemaal geconvinceerd was van de waarheid dan 't fait. 8 48 doeh om in alle gevallen dan reflexcien besryd te zijn en te blijken. 49. nodig geacht heeft, om voor nu eenige weeken aan uwelEdele Achtb: zig te addresseeren en te verzoeken han te willen informeeren 50 of de aan handen zynde bewijzen, volleedig genoeg waaren om tot den Eysch ten principaale overtegaan. 51 den wel of den r: O: Eijsscher moeste in„ wachten nadere bewijzen. 52 Waar op UwelEdele Achtb: (: hoe zeer door den rat: off: Eysscher ook is voorgedraagen, de lang¬ duurige retensie, waar in hij get: en gede zoude moeten verblijken, door de verre afge¬ leegenheid der woonplaatze van die perzoonen die hier omtrend zouden kunnen Deposeeren, hebben gelieven goed te vinden den rat: off Eijspr te injungeeren met 't exhibeeren van zyn Eysch te superzedeeren tot tijd en wijlen die perzoonen zouden Caabwaards gekoomen zijn. Arb„s 53 ente gelijker tijd /: op 't verzoek van den rat: off Eijsscher van crimineele apprehensie op 0 den gev„e en ged:e heeft goedgevonden denzelven cinelijk te doen arresteeren 54. dat intusschen op 't' door de vader van den geven en ged e geëxhibeerd request ende belangens op laatsleeden dingsdag voor agt daagen, bij een extra ordinaire vergadering, door den rat of„ Eijsscher, ingebragt. 55. bij UwelEdele Achtb:s in overweeging genomen zijnde die langduurige detensie van de gev„e en ged:te en de tyd, die er noet verloopen kan, een die perzoonen, die geappoincteerd zijn, konde Caabwaards komen. 56. dus na rijpe delikeratie goedegevonden is, den rat: off: Eijsschen nader te prejungeeren orime ten spoedigsten tot een Eijsch ten principaale overte gaan. 57. de rat: off: Eysscher zal dus ten plichtschul¬ dige obtemperatie de vryheid neemen de attentie van Uwel Edele Achtbaar heedens een weinig te oecupeeren. 58. met een liquide betoag van de misdaaden door
English
committed by the prisoner and defendant. Article 59. as well as to consider it his indispensable duty to let nothing pass unnoticed or improperly examined that could, according to law, reason, and equity, procure the prisoner the least mitigation of punishment. 60. So that, the severity of the law being thereby moderated, the execution thereof might not seem to incline toward cruelty, but the punishment may always be proportioned to the crime. 61. and consequently has also deemed it utterly necessary to examine to what extent the plea of self-defense can avail the defendant, and what is required for such a plea. 62. In the first place, then, three principal requisites are required for self-defense, which must be proven by a perpetrator with sound evidence to have been observed by him: namely, the cause why he used self-defense; the proportion, whether it was proportionate to the assault; and the time, whether the self-defense took place immediately, and whether any moments elapsed in between. 63. First: the cause is when the defender is unlawfully injured, in a treacherous attack or ambush. 64. Which in this case cannot be proven, because the defendant, acting as the attacker, initiated the offense by dealing the first blow to the one who was struck down. Article 65. And even if the prisoner and defendant had not been a match for the felled Hottentot in courage and strength, 66. the defendant surely had this to his advantage: 67. that being mounted on a horse while the Hottentot was on foot, he had ample opportunity 68. to evade such mistreatment, 69. and thereafter to implore judicial assistance against the aforementioned Hottentot, 70. rather than violently taking the life of a Hottentot, who—being a lawful native of this land, whom we have brought under our power only by superior force, has equal rights according to the strict orders of the Lords Majors in the Fatherland. 71. Whereas he, the prisoner and defendant, knew beforehand according to his own confession that the firearm was loaded with hail-shot the size of a peppercorn. 72. Second: the proportion comes into consideration here as the second requisite, consisting in this: 73. that the defense must be proportionate to the assault, or rather to the imminent danger of death. 74. For not every assault serves to warrant it, nor does every assault entail danger of death; 75. but only such an assault from which danger of death is to be expected, which the person attacked cannot evade other than by killing his attacker. Article 76. Has now, Noble and Honorable Lords, in the present case, the proportion been taken into consideration? 77. Does it appear from both the depositions and the confession to be anything other than that the Hottentot was equipped with one thick and one thin kierie? 78. Did not the prisoner and defendant equip himself with a firearm, which, according to the doctrine of Moorman and van Hasselt in Book 2, Chapter 1, Section 11, is considered among those weapons of which a bearer could and should have foreseen the fatal consequence? 79. And that such a person can never be acquitted of the death penalty, even if he had no intent to kill, according to the doctrine of Mr. D. van Hogendorp in his translated Carpzovius, Chapter 29. 80. And did not the defendant, sitting on horseback as just mentioned, have the opportunity to flee? 81. Most certainly, yes: and that now being established, must not the malicious intent and ill will of the defendant be presumed therefrom? Article 82. Third: while in the last place, time is required for self-defense, as it must take place immediately, so that after the lapse of a short time, and after the quarrel has already subsided, no further offense takes place. 83. this last point being the only one that could plead in the defendant's excuse, 84. since that Hottentot, according to the prisoner and defendant's own confession, was shot dead immediately. 86. Which, as there is no evidence to the contrary, could be accepted. 87. The prisoner and defendant further advancing for his excuse that this Hottentot was known as a brutal creature, 88. which, however, is quickly contradicted again by the prisoner and defendant in that very same article. 88. Because the prisoner and defendant explicitly states there that he never knew that Hottentot, but only heard such things afterward. 90. Furthermore, it must be considered here, and no less to the aggravation of the prisoner and defendant, 91. that he still seems to boast of the aforementioned crime committed by him, 92. on the occasion when he, with a certain burgher, Christoffel
Dutch transcription
den gev:e en ged:e gepleegd. Art: 59. als meede van zijn indispensabelen pligt aan„ merken, om niets van 't geen aan een misdadiger volgens recht, reede en billykheid, de minste straff= verlichting, zoude kunnen procureeren, ongemerkt off niet behoorlijk onderzogt laaten passeeren 60. Op dat dus de sereriteit des rechts gemaatigd wordende, de uitvoering van 't zelve niet tot wreedheid schijne overtehellen maar de straffe steeds na evenredigheid des misdaads geschikt zijn mooge. 61. mitsdien ook ten uytersten noodzakelijk heeft geoordeeld om te onderzoeken, in hoe verre 't voor wenden van noodweer, den ged:e kan te staade koo„ „men, en wat al tot dies voorwending word gerequireerd 62. in de eerste plaats dan, zoo word tot noodweer gerequireerd drie voornaame requisiten, die door een misdadiger met vatabele bewyzen moet worden beweezen, dat door hem is in acht genomen, als de oorzaak, waarom hy noodweer heeft gebruykt, de maate, of die geeevenreedigd zy geweest aan de aanstoot en de tyd of de naadweer op staande voet is geschied, en of daar tusschen eenige ogen blikken verloopen zijn 63 T: de oorzaak is, als de trumpheerende op een onrechttaerdige wijze, beleedigd word, in 't verra¬ „delijk bespringen of overvallen 64. 't geen in dit geval niet kan beweezen worden, wyl den gede als truumpheerende, geeffenreerd, heeft, met aan den needergevelde de Eerste slag te geeven. Art: 65. En al was den gev:e en ged:e niet bestand geweest teegen den nedergevelde hottentot in moeden in krachte. 66. zoo had hy ged.e immers dat ten zynen voordeele. 67. dat daar by te paerd zal, en den hottentot te voet, hij genoegzaame geleegenheid had gehad. 68 om diergelijke mishandelinge te ontwijken. 69. en daar na teegen den verwoorden hotten tot de rechterlyke hulpe te imploreeren 70. dan op eene geweldadige wyze een hottentot C: dat met hem, als zynde een wettig inboorling van dit land / en die mij niet dan door de overmagt, onder onze magt hebben doen bukken; / gelyk regt heeft volgens de zoo strekte ordre der Heeren Majores in t ' patria) om 't leeven te brengen. 71. daar hy get: en gede bevoorens volgens zijn eige confessie wist, dat t' gewier met hagel korrelen ter groote van een peeper korrel gelaaden was. 72. ll:/ zoo komt hier de maat als 't tweede re„ „quisit in aanmerking bestaande hier in. 73. dat de afveering geevenreedigd zy aan de aan„ staet, of wel na t' voor handen zijnde doods gevaar. 74. wyl aller bij aanstaat Just niet tot raad„ Heer geschikt, of doods gevaar onderhevig zij. 75. maar alleenlyk zulk een, waaruyt doodsgezaam heeft te te wachten is, 't welk de besprongene niet anders, dan door 't daaden van zyn bespringer kan ontwijken Art: 76 is nu Edele Achtb. Heeren in't praesentie gesal, de maat in aanmerking genoomen 77. blijkt t zoo uyt de dispositien als confessie anders, dan, dat den hottentot waar van een dikke en een dunne kerrij is voorzien geweest. 78. heeft den gev:e en ged. e zig niet van een schiet geweer voorzien, dat volgens de Leere van Moorman en van Hasselt in't 2 boek 1:e hoofddeel §. 1.1. gehouden word, onder die Wape„ nen waar van een voerder van 't zelve 't doe„ „delijk gevolg had kunnen en moeten voor uijtzien. 79. en die geene nimmer van de straffe des doods kan worden vrygespraoken, alhad de zoodanige de wil niet gehad om te dooden volgens de Leere van de Heer en M:r D: van Hogendorp in zijn vertaalde Carpzorius en aldaar in 't 29:e hoofdstuk. 80. en heeft den ged:e niet daar hij zoo als even gemeld, op 't paeerd zat, gelegenheid gehad om te kunnen ontvluchten! Immers Ja: en dat nu vastgesteld zijnde moet dan niet daar uijt verondersteld worden 't boas opzet en de kwaade wil van den ged„e 81. 83. zinde dit laatste poinct 't eenigste dat ten zijner ged:e verschooning zoude kunnen plijten. 84. als zynde dien hottentot op staande voet volgens zijn gev: en ged:e confessie doodgeschrotan„ 86. 't welk vermits er geene contrarie bewijzen zijn, zoude kunnen worden aangenoomen. 87. advanceerende den gev:e en ged=e voorts tot zijn verontschuldiging, dat die hottentat bekend was door een brutaal schep zee. 88. 't geen echter weeder ras door hem gev:e en ged:e by dat zelfde articul word tegengespraoken. 88. Wijl hij Geve. en ged:e aldaar wel uytdrukkelyk zegt, die hotten tot nimmer gekend, maar zulks naderhand eerst gehoord te hebben. 96 voorts komt hier noch in aanmerking en niet minder tot verzwaaring vanden gev=e en ged:e 91e. dat hij zyn roem noch schynt te draagen over de voorm: door hem gegaane misdaad 92. by geleegenheid, dat hy met zeekere burger, Art: 82. 111: terwijl in de laatste plaatze tot nood„ neer word gerequireerd de tyd, als moetende 't zelve op staande voet geschieden, op dat na 't derloop van korten tijd, en na dat 't gereekt reeds aan 't bedaaren gebragt is, geen aanstoot geschiede Art: 82. Christoffel 6 .
English
Christoffel Botha, also over the throwing of a roe, had gotten into a dispute. Article 93. while he, the prisoner and defendant, to the said Botha in the presence of the fellow burgher Johannes Boshoff, upon the inquiry of him, Botha, since they had met each other in the field, as to what he would then do to him, 95. in substance answered, 96. that you would goddamn well see, and I would treat you just the same as the Hottentot of Daniel Tienaar, 97. which statement, although denied by the prisoner and defendant, yet this can in no way operate to his advantage, 98. since this is declared under oath by two irreproachable witnesses, and in law provides sufficient proof 99. to proceed outside of a confession to condemnation. 100. And as then, in the opinion of the acting prosecuting officer, in conformity with what has been deduced here, the acts committed by the prisoner and defendant can hereby be considered sufficiently justified, 101. yet the acting prosecuting officer will still briefly proceed to the examination of the evidence that militates against the prisoner and defendant in the present case, Article 102. in order to subsequently infer therefrom 103. whether and to what extent the same can operate, 104. to make the prisoner and defendant, on the basis thereof, undergo that punishment 105. which a manslaughter of such nature and qualification as that committed here seems to merit according to law. 106. It is a truth, Honorable and Worshipful Sirs, that nowhere in the entire trial is it proven in a satisfactory manner, not by a single piece of evidence, that anyone saw that the defendant inflicted the shot upon the Hottentot. 107. But if one reviews all the circumstances that took place with an unbiased eye, 108. then the acting prosecuting officer trusts that the same are sufficiently complete 109. to assure Your Honorable and Worshipful Sirs of the infallible certainty 110. that the prisoner and defendant fired the shot not out of self-defense, but indeed out of malice. 111. Therefore the acting prosecuting officer trusts that Your Honorable and Worshipful Sirs will also make not the slightest difficulty 112. in causing the defendant to be punished in accordance with the nature of the committed crimes. Article 113. For it is clear from the evidence that a corpus delicti is established. 114. It is no less certain, both from the declaration of the brother of the defendant and from the confession itself, that the wounds found on the dead body were per se absolutely fatal, because death followed thereon as an immediate consequence. 115. Furthermore, it is fully confessed by the defendant himself 116. that he, the prisoner and defendant, gave the Hottentot the first blow; 117. that that Hottentot had thereupon attempted to give him, the prisoner and defendant, a blow, but did not do so; 118. but that that blow was allegedly dodged by him, the prisoner and defendant; 119. and that upon the intention to repeat that blow, he, the prisoner and defendant, had discharged his gun, with the intention, as the prisoner and defendant alleges, though the outcome has shown otherwise, to shoot at the legs; 120. and that, because his horse would not stand still, the shot struck through the chest. 121. It appears still further, according to the two sworn declarations of the aforementioned Botha and Boshoff, 122. that the prisoner and defendant threatened them that he would treat them just as he did the Hottentot of Daniel Dienaar, 123. although he, the prisoner and defendant, denies this. Article 124. Yet, according to the contention of the acting prosecuting officer, under correction, this provides full proof, as being confirmed under oath by two irreproachable witnesses. 125. Since now, Honorable and Worshipful Sirs, all these so manifold indications and presumptions, both from the prisoner and defendant's own confession and from the depositions added to the case, are undeniably established, 126. and the defendant at the end of his defense alleges nothing else than to have acted in self-defense, 127. which he was required by well-known law to prove, 128. the acting prosecuting officer flatters himself that it will be unnecessary to fatigue Your Honorable and Worshipful Sirs' precious attention with a broad, detailed argument on the one and the other, 129. because the circumstances of the fact denote this more clearly, 130. and the malicious expressions against Botha in the presence of Boshoff corroborate this even more strongly, 131. in order to make him, the prisoner and defendant, undergo the punishment established against such crimes; 132. as also, besides Moorman van Hasselt, as well as Carpzovius and several other jurists who have commented on this matter, clearly
Dutch transcription
Christoffel Botha meede over 't werden van ree, was in dispuut geraakt. Art:t 93. terwijl hij gev:e en ged:e aan gem: Botha in prae„ sentie van den meede burger Johannes Boshuff. op de afvraage van hem Botha, wijl zij L: malkanderen in 't veld hadden ontmoet, wat hy hem dan doen zoude. 95. in substantie heeft geantwoord. 96. dat zoude gij godome wel zien, en ik zoude met U net zes handelen, als met den kotten tot van Daniel Tienaar, 97. welk gezegde wel door den gev:e en ged:e word tegen„ gespreoken, zoo kan zulks echter niets ten zijnen voerdeele coopereeren. 98. wijl zulks verklaard word onder Eede daer twee ikreprochabele getuigen. en in rechten genoegzaame preuve uytbeekeren 99 omme buiten confessie ad condemnandum te treeden. 94 100. en gelyk dan na naar 't begrip van den ratk: off: Eysscher, in conformite van 't hier lairen gededuceerde, hier meede doer geroeg¬ 1 zaam kan gejustificeerd gehouden worden Ge e de faiten door den gev: en ged:e gepleegd. 101. zoo zal de rat: off: Eijsscher echter noch een Weinig overgaen ter Examinatie vande bewizen die in 't voer handen zynde gesal teegenden gev:d en ged:e zijn militeerende. Art: 102. ten einde daar uijt vervolgens te kunnen opmaken. 103. of en in hoe veerre dezelve kunnen opereeren, 104. omme den gev. e en ged=e op fundement derzelver te kunnen ondergaan doen die straffe. 105. welk een doodslag van die natuur en qualificatie als die hier is gepleegd, na rechten schynt te meriteeren. 106 't is eene waarheid Edele Achtbaare Heeren dat er nergens in 't gantsche proces, op een vol= doende wijze word beweezen, niet door een eenig bewijs, dat men gezien heeft, dat den ged:e de schoot heeft toegebragt aan den hottentot. 107. Maar als men alle de omstandigheeden, die en plaats hebben gehad, met een onbevooroordeeld oog ragaat. 188. zoo vertrouwd de rat: off: Eijsscher dat dezelve volleedig genoeg zijn. 109. omme uwel Edele Achtb: te verzeekeren van de inmanquabele zeekerheid 110. dat de gev. e en ged:e niet de schoot uyt naadweer maar wel in wreevelen meede zal hebben gedaan 118. dierhalven vertrouwd den rat: off: Eijsscher dat uwelEdele Achtb: ook geene de minste zwarigheid zullen maaken. 112. Omme den ged. e conform de qualiteit der geeven gepleegde gepleegde misdaaden te doen straffen. Art: 113. t' is immers uit de bewijzen kleer dat er een Corpus delictie consteerd. 114. t' is niet minder zeeker, zoo uit de verklaaring van de broeder dan den ged:e, als uit de confessie zelke dat de wonde, die aan 't doode lichaam zijn be„ „vonden, perse volstrekt daadelijk zijn geweest, door dien de dood als een onmiddelyk gevolg, daar op is gevolgd. 115. t is voorts door den ged:e zelve volmondig geconferseerd. 116. dat hy gev:e en ged:e den hottenter de eerste slag heeft gegeeven. 117. dat dien hettentot hem gev:e en ged:te daar op een slag had poagen te geeven, dus niet gedaan. 118. doeh dat dien slag door hem gev:e en ged=e zonde zijn ontweeken. 119. En dat op 't willen herhaalen van dien sleg, hy geve en ged:e met zyn geweer had los getrocken, met intentie /zoo als de gev„e en ged=e voorgeeft, doch dat de uitkomst anders geleerd heeft fomma de beenen te schieten. 120 dag dat, om dat zyn paard niet wilde srtrest aan de schoot door de borst is geraakt. 121 't blykt al verder blykens de twee beEedigde verklaaringen van voorm: Batha en Boshoff 122. dat den geve en ged:e hun gedreygt heeft, om met hun ret zoo te handelen, als met den hattentot van Daniel Dienaar. 123 hoe wel hy get: en ged: zulks negeerd, Art:s 124. Echter volgens sustenue van den rat: off: Eisscher /:onder cerrectie:/ een volledige preecu uytleeverd, als zynde zulks met Eede bekragtigd door twee irreprachabele getuijgen. 1 125 Daar dan nu Edele Achtbaere Heeren alle deeze zoo meenigvuldige indicenen preteccip„ tien, zoo uit den gete: en ged:e eygen onfessie als uyt de depositien ter processe gevoegd dateegenzeggelijk consteerd. 126. En den ged:e op 't slet twe zijn verkoor niets anders voorwend dan noodweer te hebben gebruykt 127. die hij notoir Juris had behooren te bewijzen. 128. zoo flatteerd zich den rat: off: tisscher, dat 't onnadig zal zijn UWelEd: Achtb: praeteeuse at¬ tentie kompen te fatiquieren met een breed, voerig betaag van 't een en ander. 129 dewyl de omstandigheeden van 't fort zulks kleerder deneteuren 130. en de kwaadaordige uitdrukkingen teegens Botha in praesentie van Boshoff zulks noeh sterken corroboreeren. 0 131 om hem gev: en ged: e te doen ondergaan die streffe teegens diergelyke mitdraden gestatueerd. 132. gelyk ook buiten Maerman van Hasselt als meede Capsorius en meer andere rechtsd: die over die materie hebben gecommentarieerd deusief
English
decisive is that which is found in L: 6. C: ad L: Jul: de vi publ: vel priv: where it is expressly taught: Article 133: Because many acts are understood under the single name of violence, and these persons, applying themselves with all diligence to the infliction of violence, encountering none who resist with fury, and thus many beatings and murders are discovered to have been committed, we desire that, if possible, someone—whether on the side of the possessor or on the side of him who has undertaken to dispute the possession on a tenuous footing—has acted, punishment shall be executed against him who undertook to commit the violence and caused harm and suffering to one of both parties; and that he shall no longer be punished with relegation or banishment to an island, but shall receive a capital punishment, nor shall the execution of the sentence pronounced against him be suspended by the lodging of an appeal. 134. From which it clearly appears that he who has undertaken to commit violence 135. can no longer fall under the terms of having used self-defense, if he has deprived the aggrieved party of life, 136. as is evident in this case, 137. and whereas the pretext of self-defense has not in the least been substantiated by the prisoner and defendant; Article 138. And the indications and presumptions are very well-founded that the prisoner and defendant, instead of self-defense, used violence; 139. so the prosecutor ex officio believes that in some cases, although no direct decisive proof can be found, many and strong presumptions and indications may be joined together, 140. and that the same, though each yielding an entirely imperfect proof on its own, when thus joined together, may be accepted as complete proof, 141. so that one may safely decree a criminal conviction thereon. 142. And as if it were not enough that these presumptions and indications are justified by the authority of almost all criminalists, 143. one could, moreover, if necessary, find the same corroborated by various decisions of the principal courts of justice; 144. but in order not to be too prolix in this matter, 145. the prosecutor ex officio will consider the same as concluded, 146. since in rendering a decision, the judge mostly pays regard to the circumstances that accompanied the commission of the act. Article 147. In proportion thereto, therefore, 148. the greater or lesser punishment ought to be proportioned, 149. such that the different circumstances may aggravate or mitigate the death penalty; 150. in respect of which this is mostly left deferred to the discretion or prudence of the judge. For which and other reasons and means to be further produced in due time and place if necessary, the prosecutor ratione officii, making his demand, concluded that the prisoner and defendant, Pieter Johannes du Plessis, shall be taken to the place where criminal sentences are customary to be executed here, and there delivered to the executioner, tied to a post, and severely flogged with rods upon his bare back, and after being branded thereon, subsequently remain confined on Robben Island for the term of his life, with condemnation of the prisoner and defendant in the costs and expenses of justice, or to such other punishment as your Honors shall judge to be appropriate according to the nature of the crimes. Was signed: PJ: VDhict. In the margin: exhibited in Judicio the 15th of May 1788. There appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, the Hottentot, Jan, of competent age, who, at the requisition of the Landdrost of the District of Swellendam, S. Constant van Nult Onkruydt, declared to be true: That the deponent, residing with the farmer Daniel Pienaar, living in the District of Swellendam near the Gourits River, found himself in the field with the cows toward evening before the last ploughing season, without being able to determine the exact time, while the Hottentot also residing with his aforesaid master was tending the dry cattle not far from him, the deponent; the deponent had then seen that two sons of the farmer Charel du Plessis, namely Pieter and Jacobus du Plessis, a good distance away from the deponent, [approached] the Hottentot named Frerik, who [was herding] a herd of cattle
Dutch transcription
deciseef is, 't geen men vind: in de L: 6. C: ad L: Jul: de vi publ: vel priv: alwaar uijt. drukkelyk geleerd word Art: 133 „ dewil er veele faiten onder de enkelde naam „ van geweld begreepen word, deeze met allen ijver „ zich op 't toebrengen van geweld toeleggende geene „ met vergrimming weerstand biedende, en dies „ veele slaagen en moorden gepleegd te zijn, ont„ „dekt worden, begeeren wij, dat, zoo mogelijk ie„ „mand, 't zy aan den kant des bezitters off wel aan den kant des geenen, die 't bezit op een „ losse vaet onderstaan heeft, gedaad zij, teegen „ hem die 't geweld te pleegen ondernoomen en aan een van bijde de parthijen tot radeel aan lyding gegeeven heeft, straf geoeffend, en „ hy niet meer met kennissement ofte ver banning op een Eijland gestraft worden, maar „ „ een hoofd straffelijke straf ontfange, nog 't „ teegen tens uitgespreeke vonnis daer 't „ doen van heroeping opsckorte. 134. Waar uit klaar blijkt, dat hij die 't geweld te pleegen ondernoomen heeft. 135. niet meer in de termen kan vallen van naadizeer te hebben gebruykt, zoo indien by den beleedigden heeft ontzield. 136. zoo als in dit geval esident is. 137. en daar 't voorwenden van naodweer niet 't minste door den gev:e en ged:e is gedenificeerd Art: 138. En de indicien en preesumptien zeer gegrond zijn, dat den Gev: en ged:te in steede van noodneer geweld heeft geebruijkt. 139. zoo vermeend den r: O: Eijsscher, dat in zommige gevallen, alschoon er geen direct decisier bewijs gevonden kan worden, veele en sterke praesump, „tien en indicien kunnen by den anderen worden te zamen gezoegd. 140. en dat dezelve schoon op zich zelven ieder eene gantsch onvolmaakte probatie aitleeverende, alzoo bij den anderen gevoegd, voor een volleedige probatie kunnen werden aangenoomen. 141. zoo dat men gerustelijk daar op eene crimineele condemnatie kan decerneeren. 142. En off 't niet genoeg waare, dat deeze prae¬ „sumptien en indirien door de autoritieit van by na alle de niminalisten word gejustificeerd 143. zoo zoude men dezelve ook nog bovendien /:des noods:) met verscheide decisien van de voornaamste gerichtshaeken bekragt kunnen venden. 144. dach om ten deezen niet al te prekt te zijn 145 zal den rat: off Eisscher besst dezelve voer aff gehendeld houden. 146. nadien in 't decideeren bij den rechter meest al word gelet, op de omstandigheeden, die 't niet pleegen pleegen van 't fait, is derzeld gegaan. Art:t 147. na mate van 't zelve dan ook 148. de meerdere of mindere straffe behoord te worden geproportioneerd. 149. zulks dat de verschullende omstandigheeden de doodstraffe kunnen verzwaaren of verlichten. 150. in opzichte ten welke zulks veel al aan de Discretie of bescheidenheid van den rechter word gedefereerd gelaaten. Mits welke en andere reedenen en middelen in tid en wijle /:des naads nader te Preduceeren den ratione Officii Eijsscher Eijsch daende con„ scludeerde, dat de gevangen en gee„ „daagde Pieter Johannes du Plessis, zal worden gebragt ter plaatze, alwaar men alhier gersoon is, cri„ mineele sententien ter Executie te brengen, en aldaar den scherp¬ rechter overgeleeverd, aan een paal gebonden, en met roeden op de kleede rugge strengelijk gegeerseld, en daar op gebrandmerkt zijnde, vervolgens den tyd zijns leekens ten hobben Eilandt geconfineerd te blijken, met condemnatie van den gav. e en ged:e in de kosten en wilen dan Iustitie, ofte Compareerde door ons ondergeteekende Ge„ committeerdens uyt den E: Achtb: Raad van Justitie deezer gouvernementt, den battentiet, Jan, van competenten ouderdom, dewelke, ter requisitie kan den LandDrost des Districts Swellendam S. e Constant Aan Nult onkruijt, verklaarde, hae waar is. Dat den Comp:t woonagtig zynde by den onder het District Swellenhum van de Gourett Rievier Woonende Landbouwer Daniel Sienaar, zig veeer den laatsten plaeg tijd, zonder den netten tyd te kunnen bepaalen, teegens den avond in't veld by de keeijen bevonden hebbende, terwyl den meede bij zijn voorsz: baas woonende kotten tot niet verre hem hem Compt: af, de draage heesten oppaste, den Compt als toen gezien had, dat twee Loont van den Landbouwer Charel du Plessies in naame Pieter en Jacobus du Plessies, een goed Endweegs kan den Comp:t af, den hotten tot Frerik genaamd, die een troup tot zoodanige andere straffe, als uwelEdele Achtbaar overeenkomstig den aard der misdaaden oordeelen zullen te behooren /: was geteekend/ PJ: VDhiet /in margine / exhebituur in Judicio. den 15 Maij 1788. tot beesten G
English
cattle that his master had to tend, had been driven away from the pasture of the aforementioned Plessies, or rather from between the aforementioned Plessies and the deponent's master, both of those sons having been on horseback, without the deponent, because it had been too far away from him, the deponent, having seen, or knowing how to say, whether they or one of them had had a musket in hand, or not; just as the deponent had also been unable to see the driving away of the cattle any further than up to a kloof located there, at which point those cattle, as well as the Hottentot Frederik and both sons of the aforementioned Plessies, had passed out of the deponent's sight, without the deponent having heard a shot fired, nor knowing what further occurred between those two sons of the cited Plessies and the aforesaid Frederik, having only heard the following day that the aforementioned Hottentot Frederik had been found lying dead in the veld. Declaring nothing more, the deponent gives as reasons for his knowledge as stated in the text, offering to confirm the same further. Thus done at the Cape of Good Hope, the 7th of October 1785, before the Honorable Salomon van Echten and Johan Coenraad Gie, Members of the Honorable Council of Justice aforesaid, who have duly signed the original of this together with the deponent and me, sworn clerk. Below stood: which I witness. Was signed: A.W.D. Riet, sworn clerk. Today, the 19th of March 1780. Appeared before me, Mr. Cornelis van Aerssen, Secretary of the Honorable Council of Justice of the Castle of Good Hope, present the after-named witnesses, the burgher Jacobus Ludovicus du Plessies, of competent age, who, at the requisition of the Merchant and Landdrost of Swellendam, Mr. Constant van Nult Onkruijt, declared it to be true: That he, the deponent, about three years ago now by estimate, without however being able to determine the precise time, having ridden with his brother Petrus Johannes du Plessies from his father's place, situated on the Gourits River, to the cattle farm situated two hours from there called Het Groote Bosch, in order to see whether, since the deponent's father wished to keep his sheep there for some time, that place was sufficiently provided with water for the watering of the cattle, he, the deponent, then saw a herd of cattle not far from the cited place Het Groote Bosch; and upon the statement of his aforementioned brother that he, the deponent, had to drive away those cattle, which were close to his father's land, he rode thither, while the deponent's aforementioned brother would proceed to the farm, look at the water there, and subsequently join the deponent again from the other side. That while the deponent was still busy driving away the said cattle, his, the deponent's, aforementioned brother Petrus Johannes du Plessies came back to him, the deponent, and related that he had shot dead a Hottentot of Daniel Pienaar on the farm; that the deponent, having asked his aforementioned brother for what reasons he had done this, received the answer from him that, having encountered the aforesaid Hottentot on his father's farm with the cattle of the aforementioned Pienaar grazing on the land of that farm, he had first warned the aforementioned Hottentot in a friendly manner to depart with the cattle, but subsequently, upon the insolent treatment by the cited Hottentot, namely that he did not want to leave because his master had sent him there, he had given him a stroke with his sjambok, upon which the aforementioned Hottentot had immediately assaulted him with the knobkerrie he held in his hands and struck at him; that the first blow of the cited Hottentot having missed, the same, notwithstanding he was also warned to desist from such actions, had nevertheless continued in the utmost rage to strike at him with his kerrie, and that because of that striking his horse had jumped aside, whereafter he had discharged his gun, loaded with birdshot, whereby the cited Hottentot was struck in the chest and fell to the ground. That he, the deponent, having thereupon ridden to that place with his aforementioned brother, found the cited Hottentot lying dead backwards on the ground with a hole in the chest the size of nearly half a ducaton, and a knobkerrie lying beside him; the deponent having ridden home from there immediately, while his aforementioned brother proceeded to Christoffel Botha, their nearest neighbor, and gave him notice of what had occurred, as well as having made a proper report thereof further to the requisitionist.
Dutch transcription
beesten dan zijn baas moest oppassen, oan uijt de weijde van gem: Plessies, dan wel tusschen gem: Flessier en des Compts. baas weggedreeken hadden, zynde beide die soons te paard geweest, zonder dat den Comp:t dewijl het te verre van hem Compt: afgeweest was, had gezien, of te zeggen weet of dezelve of een van dien, een snaphaan in handen gehad hebben, ofte niet gelijk den Comp:t dan ook het wegdrijven van t 0 het dee niet verder had kunnen zien, als tot eene aldaar zynde Claef, wanneer die beesten, zoo wel als den hattentot Frederik en de beede zooren ven gemelde Plessies, uijt des Compts gezeekt waaren geraakt, zonder dat den Compt: een schoot heeft hooren doen, noch weet wat Verder tusschen die twee zoonen van gecepten Plessies en voorsz: Fredrik voorgevallen is, als hebbende eerst den volgende dag gehoord, dat gem: zottentot Fredrik in 't veld daad leggende, gevonden was. Niets meer verklaarende geeft den Compt: voor reedenen van wetenschap, als in den text, praesenteerende 't zelve nader gestand te doen. Aldus gepasseerd aan Cabo de goede Hoop, den 7:e October 1785 voor d' E: E: Salomon van Echten, Johan Coenraad Gie, Leeden uijt den E: Achtb: Raad van Huiden den 19e: Maart 1780. Compareerde voor mij Mr: Cornelis van Aerssen, Secretaris van den E: Achtb: Rade van Justitie, des Casteels de goede Hoop, praesent de nage„ noemde getuigen, den Burger Jacobus Ludosicur du Plessies, van competenten Ouderdom, dewelke ter requisitie van den Koopman en Land Drost van Zwellendam de Heer Constant van Nult onkruijt verklaarde, hoe waar is. Dat hy Compt. door nu naar gissing wel drie Jaaren geleeden, zonder nochtans de praeciere tijd te kunnen bepaalen, met zijn broeder Setaur Johannes du Plessies van zijn Vaders plaats, leggende aan de Gouwris rievier, gereeden zynde naar de twee uuren dan daar geleegene veeplaats genaamd het groote bosch, ten einde te zien of, terwyl des Comptes. vader gaerne voor eenige tid zyne schaapen aldaar leggen wilde, die plaatse wel genoegzaam van water tot Justitie voorm:, die de minuute deezes be„ neevens den Comp:t ende mij gezw: Clercq meede behaerlijk hebben onderteekend. /onder stond/ e 't welk ik getuijge /was geteekend/ AWD Riet gezw: Clercq. Juurtitie drenking drenking voor het zee voorzien was, hy Compt als toen niet verre van gerepte plaats het groote bosch een troup beesten heeft geziem„ en op het zeggen van gem: zijnen broeder, dat hy Compt. die beesten welke digt by het Land van zijnen vader waaren, moeste weg Jaagen, derwaards gereeden is, terwijldes Comp=te gemelde broeder zich naar de plaats begeeren, aldaar naar het water zien, en zich vervolgens wederom van de andere kant om e bij den Comp:t vervoegen zoude. Dat terwijl de Comp:t noch bezig was, gemelde beesten te verdrijken; zijn Compts geme: broeder Petrus Johannes du Plessies, wederom bij hem Compt: is gekomen, en verhaald heeft, dat hij een hottentot van Daniel Pienaar, op de plaats had dood geschooten; dat de Comp„te zynen gem: broeder gevraagd hebbende, om welke redenen hij dit gedaan had, van denzelven tien Antwoord heeft bekoomen, dat hij op de plaats ƒ van zijn vader voorsz: hattentot met het 9 in dat Land van die plaats wijdend zee, van geme. Sienaar, ontmoet hebbende, gem: hotten tot eerst in het vriendelyke had ge¬ waarschouwd, om met het zee te vertrekken, doch vervolgens op de brutaale bejeegening van gerepte hotten tot eerst in het vriendelijke had gewaarschouwd, om met het zee te vertrekken„ dat hij namentlijk niet wilde weggaan, want dat zijn baar hem daar gezonden had, denzelven een streek met zijn sjambok gegeeven, op het welke gem:e hotten tot hem terstond niet zijne in handen hebbende knopkiaij aange„ rand, en na hem geslaagen had; dat de eerste slag van gerepte halten tot gemest hebbende, denzelven, (niet tegenstaande hy ook gewaar„ schouwd wierd, van zulks agter weegen te laaten„ echter in de uiterste waede was voortgevaaren, om met zijne kirrij naar hem te slaan, en dat door dat slaan, zijn paard ter zyde ge„ sprongen zynde, hy als toen zijn met Vegel hagel gelaaden geweer, had las geschooken, waar den gerepte hattentot voor de borst getroffen, en ter aarde gevallen was¬ Dat hij Compt: daar op met zijn gem: braeder haar die plaatze gereeden zijnde, gereptie hottentot hebbende in de borst een gat, ter groote van bijkans een halve ducaton, achter over dood op den grond, en eene knapkerrij naast aan denzelven had Linden leggen; zynde de Compt: van daar terstond naar huijs gereeden, terwijl zijn gem: broeder zich by Christoffel Batha, hun naaste buur vervoegd, en hem van het voorgevallene kennis gegeeven, mits, „gaders daar van verder aan den req:t: behoorlijk had raport
English
has made a report. Declaring nothing more, the Appearer gives as reasons for his knowledge as stated in the text, being prepared to confirm the foregoing at all times by oath. Thus passed at the aforementioned secretariat in the presence of the Clerks Willem Staphanus van Rijneveld and Nicolaas van Es as witnesses, who have duly signed the minute hereof together with the Appearer and me, the Secretary. Beneath stood: which I witness. Was signed: C: van Aerssen, Secretary. Review. Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Council of Justice, the aforementioned Jacobus Ludovicus du Plessis, who, having this his foregoing declaration read out clearly and distinctly word for word, declared to persist therein, wishing that nothing more be added thereto or taken therefrom, except only that the Hottentot had up to two kirris with him, the one the thickness of an arm, lying next to him on the ground, and the other the thickness of an ordinary walking stick, on which there was a hook, and also that he, the Appearer, as much as his brother, only later learned that the Hottentot was a brutal creature, and therefore spoke, in the presence of his brother Petrus Johannes du Plessis, the solemn words: So truly help me God Almighty. Thus done and reviewed at the Cape of Good Hope on 22 March 1788. Was signed: Jacobus Ludovicus du Plessies. Lower: present before me. Was signed: RJVD Riet. In the margin: as commissioners was signed: Mappa, H. De Wet. Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Council of Justice of this Government, the burgher Christoffel Botha, of competent age, who, at the requisition of the Merchant and Landdrost of Swellendam, Mr. Constant van Nult Onkruijt, declared it to be true: That at the end of the past year 1785, on a certain evening without however being able to specify it, upon the Appearer's herdsmen coming home from the pasture with the cattle, it was related to the Appearer that on that day the son of the Appearer's neighbor Charles du Plessis, named Pieter Johannes du Plessis, had driven them out of the field, and had said that he wished to speak with their master or the Appearer, and that they must tell the Appearer to come with his cattle into the field; but that the Appearer, aware of the quarrelsome way of life of the said Plessis, did not heed this nor go to the said Plessis. That the Appearer, meanwhile, meeting the said Pieter Johannes du Plessis on the road in the beginning of the month of January, asked him, in the presence of the burgher Johannes Boshoff, for what reason he had summoned the Appearer; and upon the said Plessis answering him substantially thereto: that you would goddamned well see; the Appearer, asking again what he would then do to him, received from the aforementioned Plessis, while repeating the term goddamn, again for an answer: I have long known that you are scheming with Jan Bernhard and Daniel Sienaar to trap me, but I will help you all into it before you think of it. That the Appearer, following up on this by asking once again what he, Plessis, would then do to him, the said Plessis substantially added thereto to the Appearer: then I would drive your cattle into the field, and to all those who then came too close to me, I would do just as with the Hottentot of Daniel Sienaar. Declaring nothing more, the Appearer gives as reasons for his knowledge as stated in the text, being prepared to confirm the same at all times with a solemn oath, whenever it might be required. Review. Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Council of Justice of this Government, the aforementioned Christoffel Botha, who, having this above declaration read out clearly and distinctly word for word, declared to persist therein, not wishing that anything more be added thereto or taken therefrom, and therefore, in confirmation of the truth thereof, spoke the solemn words: So truly help me God Almighty. Thus reviewed and sworn at the Cape of Good Hope, 6 October 1786. Was signed: Christoffel Botha, I: son. Lower: present before me. Was signed: C: van Aerssen, Secretary. In the margin, as Commissioners: was signed: Johannes Marthinus Horak, H: De Wet. Thus passed at the Cape of Good Hope, 5 October 1786, before Messrs. Johannes Marthinus Horak and Hendrick Justinus de Wet, members of the Honorable Council of Justice of this Government, who have also duly signed the minute hereof together with the Appearer and me, the Secretary. Beneath stood: which I witness. Was signed: C: van Aerssen, Secretary. Thus Today
Dutch transcription
raport gedaan heeft. Niets meer verklaarende geeft de Compt Voor reedenen van wetenschap, als in den text, bereid zijnde, het voorenstaande altoos met Eede te staaken. Dat aldus passeerde ter secretarige voormd ten bijweezen der Clercquen Willem Staphanus van Rijneveld, en Nicolaas van Es, als getuigen, die de minuute deezes, beneevens den Comp:t en mij Secretaris behoorlyk hebben onderteekend. /onder stond / 't welk ik getuige /was geteekend/ C: van Aerssen Secrts: Recollement. Compareerde voor ons ondergeteekende Gecommitteerdens uit de E: Achtb: Rtaad van Justitie voorn: Jacobus Ludosicus du Plessis, dewelke deeze zyne vorenstaande verklaaring van waerde tot woorde klaar en duidelijk voorgeleezen weezende, verklaarde daar bij te blijken persisteeren, met begeerte dat daar niets meer bijgevoegd ofte van gedaan worden zal, als alleenlyk dat dien hebten tot twee Kirrijs bij zig gehad heeft, de eene ter dikte van een arm, naast hem ter Compareerde voor ons ondergeteekende Gecommitteerdens uit den E: Achtb: Raad van Justitie deezes Gouvernements den burger Christoffe Botha van Competenten ouderdom, dewelke ter re„ „quisitie van den Coopman en LandDrost van Zwellendam, de Heer Constant van Nult onkruijt, verklaarde, hoe waar is. Dat in 't laatste van 't gepasseerde Jaar 1785. op zeekere avond, zonder die echter te kunnen bepaalen, door des Compts. Veewachters met het Vee uijt de weijde 't huijs gekoomen zijnde, aan den Comp:t is verhaald, dat op dien dag den zoon van des Compts. Buurman Charles du Plessies in naame Pieter Johannes du Plessies, aan de leggende en de andere ter dikte van een ordi„ naire wandelstok, waar aan een haak zich bevond, als meede dat hij Comp:t: zoo veel als zijn broeder naderhand eerst vernoemen heeft, dat die hotten tot een brutaal schepzel was en sprak dierhalven ter praesentie van zijn broeder Petrus Johannes du Plessis, de solemneele woorden, zoo waarlijk help mij Gad Almachtig. Aldus gedaan en gerecolleerd aan Cabo de goede Hoop op den 22 Maart 1788. /was geteekend:/ Jacobus Ludoricus du Plessies (:lager) mij praesent /was geteekend / RJVD Riet. in margine/ als gecom: „mitt:s was geteekend/ Mappa, H. De Wet. aarde hun hun uit 't veld gejaagd, en gezegt had, dat hij hun baas ofte den Compt: spreeken wilde, en dat zij hem Comp:te dies moesten zeggen, om met zijn zee in 't veld te koomen; dan dat den Comp:t bewust van de worst„ zieke leevenswijze van gem: Plessies, zich daar aan niet gestoord noch naar denzelven Plessies begee„ „ven, heeft. Dat den Comp:t middelerwijl in 't begin der maand Januarij gem: Pieter Johannes du Plessies op weg ontmoetende aan denzelven in praesentie van den burger Johannes Boshoff, getraagd heeft, om wat reede hij den Comp:t had laaten roepen ? en door denzelven sles„ „sies, daar op substantieelijk geantwoord zijnde, dat zoud gij Goddome welzien; heeft den Comp:t herkhaa„ „gende, wat hij hem dan doen zoude van voorsz: Plessies, onder herhoeling der terme goddome om dermaal ten antwoord bekoome, ik heb al lang gewee„ ten, dat Jij met Jan Bernherd en Daniel Sienaar konkeld om my in den strik te brengen, maar ik zal Je allen daar in helpen eer gij er om denkt. Dat den Comp:t hier op vervolgd hebbende met noch„ „maals te straagen, wat hij Plessies hem dan doch zoude doen ? heeft gem:t Plessies den Comp:t daar op in substantie toegevoegd: dan zoude ik jouw zee in 't veld Jaagen en met alle de geene die mij dan te naa kwam, zoude ik net zoo handelen als met den kotten tot van Daniel Sienaar. Niets meer verklaarende geeft de Compt. voor reer„ „denen van weetenschap als in den text, bereid zijnde 't zelve, wanneer gerequireerd mogt worden, ten allen tijde met solemneele Eede te bevestigen Recollement. Compareerde voor ons Ondergeteekende Gecommitteerdens uit den E: Achtb: Raad van Justitie deezes Gouvernements voormelde Christoffel Botha, dewelke deeze bovenstaande verklaaring van woorde tot woorde klaar en duidelijk voorgeleezen zijnde, verklaarde dezelve daar by te persisteeren, niet begeerende, dat er iets meer bijgevoegd of te van gedaan worden zal, en spreek derhalven ter bevestiging der waarheid van dien, de solemneele woorden: zoo waarlijk helpe my God Almagtig. Aldus gerecolleerd en beeedigd aan Cabo de Goede Hoop, den 6:e October 1786. /was geteekend/ Christoffel Botha, I: zoen, /loger/ mij praesent /was geteekend/ C: van Aerssen secrets: in Margine als Gecoms: (was geteekend:) Johannes Martinus Horak, M: De Wet. Aldus gepasseerd aan Caba de goede Hoop den 5:e October 1786, voor de Heeren Johannes Marthinus Horak en Hendrick Justinus de Wet Leeden uit den E: Achtb: Raad van Iustitie deezes Gouvernements, die de minuute deezes beree„ „tens de Comp:t ende my Secretaris meede behoorlyk hebben onderteekend. /onder stond/ 't welk ik getuijge (was geteekend/ C: van Aerssen, Secrets: Aldus Huijden
English
On this day the 15th of October 1787. Appeared before me, Mr. Cornelis van Aerssen, Secretary of the Honorable Court of Justice of the Castle of Good Hope, present the witnesses named below, the burgher Johannes Boshof, of competent age, who, at the requisition of the merchant and Landdrost of Swellendam, Mr. Constant van Nuld Onkruydt, declared it to be true and truthful: That around the end of the past year 1785, without being able to determine the exact date, the appearer, who resides with his mother in the district of Swellendam, having been requested by the burgher Christoffel Botha, Theunis' son, to take a load of grain with him, Botha, to the mill of the Heemraad in Swellendam, the Honorable Helgert Mulder, to be ground, the appearer had agreed thereto; That pursuant to this, the appearer, being on the way to the aforementioned mill with the aforementioned Botha at the beginning of the month of January 1786, met the burgher Pieter Johannes du Plessies, whom the aforementioned Botha asked, in the hearing of the appearer, for what reason he had had him called; to which the same Plessies answered substantially: that you shall goddamn well see; the frequently mentioned Botha, asking again what he would do to him then, received once more in reply from the aforementioned Plessies, repeating the word goddamn: I have known for a long time that you are colluding with Jan Bernhard and Daniel Dienaar to trap me, but I shall help you all into it before you think of it; That the aforementioned Botha, having continued upon this by asking once again what he, Plessies, would do to him then, the aforementioned Plessies added thereto in substance to the aforementioned Botha: then I would drive your cattle into the field, and to anyone who then came too close to me, I would do just the same as with the Hottentot of Daniel Dienaar. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons for knowledge as in the text, being prepared, if required, to confirm the same under oath. Thus done at the Cape of Good Hope, in the presence of the clerks Coenraad Nelson and Nicolaas van Es, as witnesses, who, together with the appearer and me, the Secretary, have duly signed the original minute hereof. Below stood: which I attest, was signed: C. van Aerssen, Secretary. Confirmation. Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, the burgher Johannes Boshof, who, this his preceding declaration having been read aloud to him verbatim, clearly and distinctly, word for word, testified to persist therewith, desiring that nothing more shall be added or removed, and therefore spoke in truth thereof the solemn words: So help me God Almighty. + Thus confirmed and sworn at the Cape of Good Hope, the 17th of October 1787. Was signed: cross, and written around it: this mark was made by the appearer's own hand. Lower: In my presence, was signed: C. van Aerssen, Secretary. In the margin, as Commissioners, was signed: W. H. van Reede van Oudtshoorn, H: De Wet. Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, the alongside mentioned Pieter Johannes du Plessies, who has given to the following interrogatory articles such answers as are noted beside each of them. Says Pieter Johannes du Plessies, of this colony, aged 23 years, and burgher. Says on his father's place in the district of Swellendam, situated on the Gourits River. Says yes. Says the place Het Groote Bosch also belongs to his father, and which place is situated about two hours by ox wagon from his father's dwelling place. Says yes. Says to go see whether there was water on that place, in order then to graze his father's sheep there. Interrogatories drawn up and delivered to the gentlemen Commissioners from the Honorable Court of Justice of the Castle of Good Hope, in order that thereupon, at the requisition of the sworn clerk at the judicial Secretariat, Rijno Johannes van der Riet, acting ex officio for the Merchant and Landdrost at Swellendam, may be heard the burgher Pieter Johannes du Plessies, his answers to be given having to be duly noted in the margin hereof. Article 1. The respondent's name, birthplace, age, and what status. 2. Where the respondent resides. 3. Whether the respondent does not reside with his brother Jacobus du Plessies with his father Charles du Plessis. 4. Whether the place Het Groote Bosch does not belong to the respondent's father, and how far that place is situated from his father's dwelling place. 5. Whether the respondent did not in the beginning of the year 1785 ride with and alongside his aforementioned brother to the aforementioned place Het Groote Bosch. 6. If yes, for what reasons or to what end; whether it was not to see.
Dutch transcription
OH huijden den 15:e October 1787. Compareerde voor mij Mr: Cornelis van Aerssen, Secretaris van den E: Achtb: Raade van Justitie des Casteels de goede Hoop, preesent de naten: getuigen, den burger Iohannes Boshof, van Com„ „petenten ouderdom dewelke ter requisitie van den koopman en Land-Drost van Zwellendam de Heer Constant van Nuld onkruidt, verklaarde waar en waarachtig te zijn. dat omtrend het einde van het gepasseerde Jaar 1785, zonder den Justen datum te kunnen bepaalen, den Comp:t die by zijnen moeder onder 't district zwel„ lendam inwoond, door den burger Christoffel Batha Th„r verzogt geworden zijnde, om met hem Batha een vracht koorn naar den maalen van den Heemraad te Zwellendam d'E: Helgert Mulder te brengen, om gemaalen te worden, den Comp:t daar in bewilligd haid dat ingevolge hier van den Comp„t in 't begin der maand Januarij 1786 met gem: Batha na gem: malen op weg zijnde, ontmoet had den Burger Pieter Johannes du Plessies, aan wien voorsz: Botha ten aan haoren van den Comp:t: gevraagd heeft, om wat heeden hij hem had laaten roepen, den door den„ zelven Plessies daar op substantieelijk geantwoerd zijnde: dat zoud gij goddone welzien, heeft meerm: Botha hervragende, wat hy hem dan doen zoude van Voorschr: Plessies, onder herhaaling der terwel goddome andermaal ten antwoord bekoome ik heb al lang geweeten, dat Jyj met Jan Bernhard en Daniel Dienaar Konkeld, om mij in den strik Recollement. Compareerde voor ons ondergeteekende Gecom:s uit den E: Achtb: Rade van Justitie deezes Gouvernements, den Burger Johannes Pooshof, dewelke deeze zijne voorenstaande Verklaaring van woorde tot woorde klaar en duijdelijk, woordelijks voorgeleezen zijnde, betuijgde daarbij te brengen, maar ik zal je allen daar in helpen, eer gij er om denkt dat duk gem: Botha hier op vervolgd hebbende, met nochmaals te vraagen, wat hij Plessies hem dan doch zoude doen, heeft gem: flessies, daarop in substantie aan voorsz: Botha toegevoegd, dan zoude ik jouw die in 't veld Jaagen, en met alle de geene, die mij dan te naa kwam, zoude ik net zoo handelen, als met den hottentat van Daniel Dienaar Niets meer verklaarende geeft de Compt: voor reedenen van wetenschap, als in den text bereid zijnde des gerequireerd wordende, het zelve met Eede gestand te doen. Aldus gepasseerd aan Cabo de goede Hoop, ten bijweezen der Clercquen Coenraad Nelson, en Nicolaas van Es, als getuigen, die de minute deezes, neevens den Comp:t en mij secretaris meede behoorlijk hebben onderteekend. /:onder stond:/ 't welk ik getuige /was geteekend:/ C: van Aerssen Secrets: te te W zegt Ja. zegt, om te gaan zien of zegt op zijn vaders plaats onder het district van zwel= oud 23 Jaaren en Burger te blijven persisteeren met begeerte, dat er niets meer bij ofte van gedaan worden zal, en sprak dierhalven ter waarheid van dien, de solemneele woorden zoo waarlijk helpe mij God Almachtig. + Aldus gerecolleerd en beeedigd aan Cabo de Goede Hoop. den 17 Oct: 1787. /:was geteekend:/ kruijs en daar om schreeven, dit merk heeft de Comp:t: eigenhandig gesteld. /lager/ mij praesent/ /was geteekend/ C: van Aerssen Secret:s /in Mar„ „gine (als gecomm:s /was geteekend/ W: H: van Reede van Oudtshoorn, H: De Wet. Compareerde voor ons on¬ „dergeteekende Gecommitts: Uijt den E: Achtb: Raad van Justitie deezes Gouvernement neevensgem: Pieter Johannes du Plessies, dewelke op de on„ „derstaande vraag articulen zoodanige antwoorden ge„ „geeren heeft als beziden een ijder derzelver staan aan„ ^geteekend. Zegt Pieter Johannes du Plessies van deezen Interrogatorien gedaan maaken en aan Heeren Ge committ:s uit den E: Achtb: Raad Van Iustitie des Casteels de Goede Hoop, omme daar op ter re„ „quisitie van den gezw: Clercq ter Justitieele Secretarije Rijno Johannes van der Riet, als ex officie door den Koopman en Land. Drost te Zwellendam ageerende, gehoord te worden, den Burger Pieter Johannes du Plessies, zul lende desselfs te geevene antwoer „den in margine deezer behoorlyk moeten worden bekend gesteld. Art:t: 1. des geve: naam, geboorte plaats zegt als vooren. „6. zo Ja:! om welke reedenen of tot wat eijnde? ten einde als dan zijn vaders schaapen ter wijding aldaar en op die plaats water was of het niet is geweest om te 3. of hij Gev: niet in het begin des Jaars 1785. met en beneedens zijn gem: broeder is gereeden naar de voorsz: plaats, het groote bosch. zegt het groote bosch of de plaats, het groote ook zijn vader toe te bosch, niet zijn gev:e vader behooren, en welke, plaats toekomt en hoe verre die plaats omtrend twee uuren met van zijn vaders woonplaats de Ossen waagen van zijn vaders woonplaats geteegen is. geleegen is. zegt Ja. geleegen aan de gourits ouderdom en wat qualiteit L Waar hij gev: woonagtig is. of hij gete: niet met zijn broeder Jacobus du Plessies bij zijn 0 Vader Charles du Plessis enwoond. Ouderdom zien lendam te zijn. rivier. 4. a te leggeen Uit heek.
English
Article 8. Whether he, the prisoner, and his said mother were also provided with guns at the time. States that he, the prisoner, only had the shotgun with him. Article 9. Whether he, the prisoner, on his journey to that place saw any strange cattle near or in the pasture of his father, and whether his father sent his brother to drive the same away. States as before. Article 10. Why he, the prisoner, having his hands free while he was riding, Jan Daniel Sienaar, his brother, should go thither, and he, the prisoner, went to the place to see whether, if his, the prisoner's, father sent his sheep thither, they would have no lack of water there. States as before. States that Jan rode to the cattle. Article 11. Whether, while his, the prisoner's, brother was performing this, he, the prisoner, did not then proceed with his gun to the place itself, and what happened to him, the prisoner, there. States that when he, the prisoner, had ridden to the place, he discovered there near or around the farmstead also a herd of cattle with a Hottentot belonging to Jan Daniel Pienaar, named Frederik, which Hottentot he had first asked in a friendly manner why he was grazing the cattle there at that place, whereupon that Hottentot insulted him, the prisoner, and had given him a blow with a sjambok. That that Hottentot, upon dealing that blow, intended to strike him, the prisoner, with his knobkerrie which he had in his hands, about the thickness of an arm, which by the dodging of that blow had missed him, the prisoner; however, this being repeated again by that Hottentot, he, the prisoner, had first said, "Hottentot, you must not do that," and thereupon fired the gun at his legs; and because the horse on which he, the prisoner, sat would not stand still, the shot, instead of going to the legs, hit him in the chest. States further that he did indeed cock and discharge the gun in order to defend himself. States further that that Hottentot had two knobkerries with him, one with which he had struck, of the thickness of an arm, and the other having the thickness of an ordinary cane, on the front of which was a hook. Article 12. Whether he, the prisoner, did not find at that place a Hottentot tending the cattle of the burgher Daniel Sienaar, etc., what that Hottentot was named, and whether he, the prisoner, did not order said Hottentot to leave with the cattle. States as before. Article 13. What said Hottentot answered him, the prisoner, thereto, and how he, the prisoner, further conducted himself toward the aforesaid Hottentot. States as before. Article 14. If so, why and in what manner. States because that Hottentot attacked him, the prisoner. Article 15. Whether this Hottentot was not shot dead on the spot by the prisoner. States yes. Article 16. Whether his, the prisoner's, gun was loaded with a ball or loaded with shot. States that his gun was loaded with fine bird shot. States further that the shot was about the size of a small peppercorn. Article 17. In what place he, the prisoner, struck said Hottentot, and whether the same died immediately, or remained alive for a time. States that that Hottentot was struck in the left breast, without knowing whether he died immediately. States further that after firing that shot he rode directly to his brother, and upon returning found that Hottentot already dead. Article 18. Whether and to whom he, the prisoner, made a report of what happened, and how the corpse of the aforesaid Hottentot was subsequently dealt with. States that he, the prisoner, rode to a certain Botha to give notice thereof, but not finding that man at home, he, the prisoner, had ridden to the Landdrost to give notice of the foregoing. States further that he heard that the body was inspected by Jesaias Meijer and Fredrik Botha, and several other persons, without knowing who else, which people also buried that Hottentot. States further that when he had spoken to the Landdrost, the Landdrost had given him a letter to a certain Heemraad Pieter Pienaar, whereby that man was requested to inspect that body with a couple of neighbors; that said Sienaar had ridden with a Cobus Oosthuijzen and Tobias Mynhard to the said place where that Hottentot lay shot dead, but having found nothing upon their arrival, they had ridden back without further investigation. States further to have been able to see the place where that Hottentot was buried, and he, the prisoner, had given notice thereof to the Landdrost, whereupon the Landdrost had told him that he could just ride home. Article 19. If the prisoner should pretend that this Hottentot had intended to assault him, to ask him then: whether he, the prisoner, had no opportunity to defend himself with something else. States that he was too severely perturbed to defend himself with something else. Article 20. Whether said Hottentot had ever before or at that time done him, the prisoner, any harm. States no, not having known that Hottentot before. Article 21.
Dutch transcription
Waarom hij gev:e dien hottentot met zijn en handen hebbende zegt dat hij gev:e alleen den scheet geweer bij zich gehad heeft. terwijl hi gete: zijn. zegt Jan de beesten gereeden was. zegt als vooren. zegt als vooren. en by gete: nade plaats Jan Daniel Sienaar, broeder derwaands zoud 11. zegt, dat toen hij gese: na wat hem geve: aldaar is weeder¬ de plaats gereeden zijnde vaaren. had hij aldaar bij ofte omtrend de werf meede een troup heest en ontdekt met een hottentot dan Daniel Preriaan in naame Frederik, welke hetten tot hij eerst in het vriende¬ lijke gehraagd had, waarom of hij daar ter plaatze met het zee veijdele, dien hotten tot hem geve daar op brutaliseerde of zijn geve. broeder dit verrech¬ tende hij gete. zich toen niet met zijn geweer naar de plaats zelve heeft begeeren! Art: 12. of hij gets: op die plaats niet gevonden heeft een hettentot de beesten van den Burger Daniel Sienaar haedende. etc hoe die hettentot genaamd is geweest, en of hij gete: gem: hotten tot niet heeft gelast om met de beesten te vertrekken. „13. Wat gem: hottentot hem gev:e daar op heeft geantwoord en hoedanig hij ges:e zieh al verder met voorsz. 14. zegt als vooren. zegt als Vooren. „ 9. of hij geve: in zijne reijze naar 6 die plaatse net eenig vreemd Vee omtrend of in de Weijde dan zijn vader gezien en zijn breeder gezonden heeft om het zelve weg te Jaagen Art: 8. of hij Gev:e en zijn gem: moeder doen ook van geweeren zijn voor„ „zien geweest. zien of wanneer zijn gev„e vader desselfs schaapen derwaards zond, zij aldaar geen gebrek aan water hebben zoude. Spambok een slag gegeeven had. dat dien hottendot, op het bekomen van dien slag, hem geve met zijn kirrij, die hij in handen had, ter dikte van omtrend een arm, een slag willende geeven, door het ontduiken van dien sleeg, hem gev:e was voorbigaan, echter zulks weeder door dien hottentot herhaald zijnde, had hij gev: eerst gezegt, hatten tot gij moet dat niet doen, en vervolgens met het geweer na de heenen geschooten, en daar dien het paard, waerop hij Ger: zat, niet stil wilde staan, was de schoot, in steede van ne de beenen te gaan, voor de borst geraakt. zeg nader, dat hij het geweer wel los getrocken heeft, om 8 zich te verweeren. zegt verder dat dien halken tot twee kurijs bijzeeh had, een daar bij meede geslaagen heeft ter dekte van een Arm en de andere de dikte hebbende van een ordinaire rotting waar aan van vooren zig een haak aan bevond. waaren hotten tot „10. hottentot gedraagen heeft. zegt Ja. zegt om dat die hatten tot hem gev:e aangerand heeft. zegt dat zijn geweer met fijne zegt nader dat de hagel omtrend de groote gehad heeft van een off zijn gev:e geweer met een kogel Vagel fagel is geladen geweest. off met hagel is gelaaden geweest 't 17. kleine peeper korrel. op welke plaats hy gev:e gem: zogt dat dien hottentot voor de linker borst is geraakt, zonder hotten tot heeft getroffen en off te weeten of hij direct gestorven is. denzelven terstond gestorven, dan wel zegt terder, dat hij over het doen noch wat in het leeven gebleeven is. dan die schoot direct naar zijn broeder is gereeden en by het te rug komen dien hotten tot reeds dood gevonden te hebben. of en aan wien hij get: van het zegt, dat hij gev:e na eenen gebeurde rapport heeft gedaan Batha gereeden is om daar van kennis te geeven doch die en hoe vervolgens niet het lik man niet te huijs vindende van voorszd: hotten tot gehandeld is „ 16. zoo Ja: waarom en op wat wijze! kennis te geeven. zegt nader, dat hij gehoord heeft, dat dat lichaam geschouwd is, Haer Jesacas Maijer en Fredrik Batha, en noch eenige andere perzoonen, zonder te weeten wie meer, welke menschen die het„ „tentat ook begraaven hebben. zegt verder dat wanneer hij den Land Drost gesprooken had, de Land, Drost hem een brieff meede gegeeven had, na eenen Heemraad Pieter Pienaar, waar by die man verzocht wierd, dat lichaam met een paar buuren te schouwen, dat gem: Sienaar met eenen Cobus Oosthuijzen, Tobias Mynhard, nade gemelde plaats alwaar dien battentot dood geschooten lag, gereeden was, doch by hun komst niet gevonden hebbende, waaren zij terug gereeden, zonder verder onderzoek. zegt verders de plaats te hebben kunnen zien, daar die hot„ „ten tot begraaven was, en had hij gev:e daar van aan den Land, Drost kennisse gegeeven, waar op den Land Drost aangezegd had, van maar naar huijs te kunnen rijden. Art: 20. of gem: hotten tot hem gev„e ook ooyt te vooren of over dien tyd eenig leed heeft aangedaan was hy gev: na den Land Drost gereeden om dan het voorenstaande zegt neen, dien kettentot te vooren niet gekend te hebben. zoo de geve: mogt voorwenden dat hem deeze kottentot had willen aanranden; hem dan aftervragen: steld is geweest, om op iets heeft gehad, om zig niet iets zegt dat hy te sterk ont of hij geve: geene geleegenheid „ 21 Artl: 15. of deezen kotten tot niet door den gud„te aldaar ter plaatze is dood ge „schooten geworden. was aenders e anders 18. „19