Inventory 4336
Cape · 410 pages · 215 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
Augert Jonas of Philadelphia, Jacob Christiaan of Baltmar, Thomas Morisse of Gottenburg, Simon van Leen of Dordrecht, Joseph Stempers, Hans Pieter Smit of Christiania, Joseph Herreras of Surinam, Pieter Smit of Ostend, Jan Fredrik of Stockholm, Barend Harmse Wenning of Laestig Winster, Andries Janssen of Balin, Dirk Koning of Amstijn, Sailors; Jan Possel of the Island of Funen, Jan Brands of Dordum, Hendrik Philip van Snevelie of Ophemert, Hendrik Harms of Suijderbroek, Ordinary Seaman; Olle Theunissen of Ransbach, Boy; Andries Janssen of Hadersteder Holstein, Blacksmith; Arij Engels of Bremen, Sailmaker; All in the aforementioned capacities falling under this government, have not hesitated during the past year successively to willfully abandon their assigned posts in the service of the Honorable Company and to make themselves fugitives, such that notwithstanding all applied diligence they could not be discovered. The said Fiscal pro interim requesting on that account that the abovementioned fugitive persons may be summoned peremptorily in person by public ringing of the bell and third citation, in order to appear within a certain appointed day before us or delegates from our college, in order to answer for their willful desertion and abandonment of service, upon penalty that in case of non-appearance proceedings shall be instituted against them by default according to law; So it is, that the Council, having considered the request of the said Fiscal in compliance with the circular orders framed by their High Mightinesses, the Lords of the Supreme Government of the Indies, for the maintenance of justice, has thought fit to have the abovementioned fugitive persons summoned by public edict and ringing of the bell, as we do summon and cite them hereby to appear peremptorily in person at this Castle within the space of the next coming four weeks, in order to purge and answer before our court of justice, or delegates from the same, for their abovementioned willful desertion and abandonment of service, upon penalty that in case of neglect thereof proceedings shall be instituted against them by default according to law. Without delay. Thus done and granted in the Castle of Good Hope, the 15th of January 1788. Was signed: J: J: Rhenius. In the margin stood the seal of justice pressed in red lacquer. Underneath: By order of the Honorable Worshipful Council of Justice. Was signed: C: Van Aerssen, Secretary. A. Ryneveld, Clerk. Appeared before the Right Honorable Worshipful Lord President and Council of Justice of the Castle of Good Hope, the Fiscal pro interim, G: Exter, official plaintiff of the one part, and the Burgher Jan Theunis Mulder, defendant of the other part. Agreed. And made known: That some months ago, three pieces of carsey and one piece of baftas were, according to his statement, embezzled by the battalion tailor Jan Klipson from the goods delivered to him for making the uniform, and sold to the defendant Jan Theunis Mulder. That the defendant, during the examination held, did not indeed deny having bought from him, the tailor, two pieces of carsey and the piece of baftas, yet has persisted in absolutely denying: 5. that the third piece of carsey was received by him; 6. and that, not having known the said battalion tailor, 7. he, the defendant, had neither given cause for the theft, 8. nor could have known whether the seller was the legitimate owner of the goods, or not; 9. while almost all soldiers and sailors traded, and the defendant had not dared to ask whether the goods might be stolen and the seller a rogue; Article 10. just as he, the interrogated, had also not bought them below value, but paid such as they were sold for shortly before at the Honorable Company's auction; 11. which had also caused him to refuse the return of those goods, because he had paid money for them; 12. that these reasons cited by the interrogated mainly give some presumption in his favor, 13. because there is no other proof to the contrary than the seller's single, free, and unconstrained deposition; 14. yet I, the official plaintiff, subject to correction, believe 15. that the same will not be sufficient for justification and complete exoneration; 16. for supposing that the defendant had bought the aforementioned goods in good faith, 17. then, having acted in ignorance, he ought to have been excused or very lightly punished, nam vel in universum excusandi vel tantum leviter puniendi sunt qui inscii et sine dolo malo delictorum reos aut res subreptas susceperunt, says Digest 47, title 16, law 1, no. 3; Article 18. but then the defendant should also have continued in good faith, 19. and have restored the goods as a stolen thing, as soon as he obtained knowledge thereof; 20. furthermore, not wishing to profit to the detriment of a third party, 21. which greatly diminishes the good presumption; 22. he having moreover disregarded the orders given in a competent manner, and said that he would not mind them; 23. and even less will the defendant's excuse that the soldiers and sailors trade be able to help him; 24. since by reiteration and extension it has very frequently been forbidden to all inhabitants under fines and penalties 25. not to provide the sailors, soldiers, and craftsmen the means to indulge in drink or other irregularities, 26. by buying or bartering from them uniform pieces or other clothing items; 27. just as also on the buying of Company and other entrusted
Dutch transcription
Augert Jonas van Philadelphia Jacob Christiaan van Baltmar. Thomas Morisse van Gottenburg. Simon van Leen van Dordrecht. Joseph Stempers. Hans Pieter Smit Jan Christeania. Joseph Herreras van Surinamen. Pieter Smit van Ostende. Jan Fredrik van Stokholm. Barend Harmse Wenning van Laestiig Winster Andries Janssen van Balin Dirk Koning van Amstijn Matroosen. Jan Possel van 't Eyland Iunen. Jan Brands van Dordum. Hendrik Philip van Snevelie van Opheme„ Hendrik Harms van Suijderbroek, Jong Matroase Olle Theunissen van Ransbach hooplooper Andries Janssen van Hadersteder Holstein Grof Smit. Arij Engels van Breemen Zeijlmaker, Alle in voorm: qualiteiten onder dit gou„ vernement sorteerende, hun niet hebben ontsien geduurende het voorl: Jaar successivelijk hunne bescheidene posten ten den dienst der E: Compagnie moedwillig te verlaaten en hun zelven sugatief Verzoekende gem: pro interum fiscaal dies weegens, dat bovengem: vlugtige persoonen by openhaare kloeke geslag en tietale citutie peremptoir in persoon mag worden ingedaagd, om binnen zeekeren bepaalden dage voor ons ofte gecom„ mitteerdens uyt ons collegie te comparteeren ten einde hun weegens moedwillige desertie en dienst verlaating te komen verantwoorden op poene dat bi nan comparitie teegens dezelve by continuatie zal worden geprocedeerd als na rechten; Soo is 't, dat de Raad gelet hebbende op het versoek van gem: Heer Fiscaal in opvolging der beraamde Circulaire ordres van hun Hoog Edelens de Heeren der Hooge Indiasche regeering tot hand„ having der Justite, goed gevonden heeft de bovengem: vlugtige persoonen bi openbaare Ediete en klokke geslag te doen dage aar den, gelyk wy hun Lieden dagwaarden en indragen bij deesen omme binnen den tid van de Eerst koomende vier weeken pe„ remptoir in persoon ten deezen Casteele te te stellen zoodanig dat niet tegenstaande alle aangevende moeijte niet hebben kunnen worden ontdekt. te Compareeren compareeren, omme hun weegens hunne bovengem: moedwillige desertie en dienst verlaating voor onse regtbank dan wel gecommitteerdens uit denzelven te koomen purgeeren, en verantwoorden, op parre dat bij nalatigheid van dien tegens dezelve bij conttnuacie zal worden geproeedeerd als na rechten /sonder stond:/ Aldus Gedaan en verleend in 't Casteel de Goede Hoop, den 15 Januarij 1788. (:was geteekend:/ J: J: Rhenius /:in margine:) stond het segel der Justitie in raade lacque gedrukt (:daar onder:) ter ordonnantie van den E. Achtb: Raad van Justitie /:Was geteekend:/ C: Van Aerssen secretaris. A Ryneveld gleerie En deede zeggen. dat voor eenige maanden door den Bataillons snijder Jan Klipson drie stukken kertaaij en een stuk bastes van denzelve tot 't maken der mon„ teering overgegeevene goederen afhendigen naar zijn zeggen, aan den gede Jan Theunis Mulder verkogt zijnde geworden. den geed=e bij de gedaane Examinatie wel niet heeft ontkend daar van wedentlik twee stukken kezzaaij en 't suk kastas geekogt te hebben. egter volstrekt is blyven negueren 5 dat 't derde stuk versuaij door hem ontfangen was 6. en dat den gem: Natuellons suijder niet gekend hebbende. 7. hy ged=e nog gelegenheid tot de ontvreemding had geegeeven. nog ook kunnen weeten of den verkooper legitime eigenaar der goederen geweest is, den niet¬ 9. terwyl by na alle saldaaten en matroosen Compareerde voor den WelEd: Achtbr: Heer Preesident en Raade van Justitie des Casteels de goede Hoop, den pro interim Fiscaal G: Exter, r: O: Eisscher ter eenre. C„ den Burger Jan Theunis Mulder ged:e ter andere zide. Accordeerd. negotieerden No 2 2 ƒ 8. negotieerden, en den ged:e niet had dursen vraagen, off de goederen ook wel gestoolen en den Verkooper een Ishelm was. Art: 10 gelyk hy gevr: ook dezelve niet onder de waarde had gekogt, maar zoodanig betaald als zij kort te deeren op s' E: Comps: vendutie zijn verkogt geworden. 't geen denzelve dan ook de te ruggaave dier goederen had doen weigeren, door dat uijt geld daar voor ontfang. 12. dat deeze van den getr: aangehaalde reedenen Voornamentlijk eenige preesumptie vaor denzelve geeten 1 1B. omdat voor 't tegendeel geen ander bewijs is, als des Verkoopers eenige doek vrije en onge¬ dwonge depositie ik den r: O: Eisscher sonder Correctie echter vermeend 15 dat dezelve tot legitimatie en volkomen verschoening niet sufficient zullen zijn 16 want verondersteld, dat den gede: de voorsz: wijze goederen de goederen in beneffide had gekogt. 17. dan zoude hy buiten weeten gelenen te verschoenen ofte zeer gering te Streffen geweest zijn, nam vel in amisertum excuseudum Vel tautum leviter princendi sunt qui ins eui det sine dale malo de lictorum reosant zes subreptur suteeperunt doet L: 47. tit & 1 no. 3. Art 18. maer dan hadden ged:e ook in bone fide moeten continueeren. 19 en de goederen als eene res furtita, zoo drier hij daar van kennis heeft gekreegen restitueeren. zo voorts niet ten schaade van een derde willen profiteeren. 21. 't geen de goede preesumptie grootelijks verminderd. 22. hebbende den zelve nog de op een competente wyze geegeevene ordres beragt en gezegd, dat hy zig daar aan niet zoude stoonen. 23. en nog minder zal den ged:' execeuse dat de soldaat en en matroozen negotieeren, kunnen helpen. 22 terwyl by reiteratie en ampliatie zeer dekwils aan alle ingeseetenen onder boetens en Straffen verboeden is. 25 om de matroosen, soldaaten en Ambagts Lieden niet de midetelen van zig in de drank ofte andere ongeregeldheeden te buijten te gaan, te behorgen. 26. Monteerings ofte andere kleedings stukken &en dezelve te koopen ofte in te zuijlen. 27 gelijk oak op 't kooper van Compe en andere Art: 18. aan vertrouwde
English
the most rigorous punishments are stipulated for entrusted goods. Note 28. So that in this respect the guilt falls more upon the interrogated person, who still ought reasonably to have doubted 29 whether the seller, having to provide the mountings of the battalion, might not sometimes embezzle from it, 30 and thus in no way, to avoid grief and damage, buy such goods from the same; 31 that furthermore the Officer Prosecutor therefore maintains that the value of the goods cannot be determined so much according to the public sale and at where also shopworn goods, where also partly spoiled goods are sold, 32 as much more according to the established price of the Honorable Company, or for which the goods are ordinarily delivered to private individuals. 33 the same therefore, under Your Honorable and Worshipful better judgment, thinks it must be established 34 that the goods purchased from the defendant in question were also paid for below the usual price; Article 35. and that the defendant taken in all cases, if not entirely, 36 yet according to the deduced reasons has in one way or another made himself guilty and subject to punishment; 37 the same remaining no less bound to purge himself under oath that the third piece of kersey was not received by him, the defendant. Wherefore, and for other reasons and means in due time (if necessary) to be further deduced, the Officer Prosecutor, making demand, concluded that the defendant by definitive sentence of Your Honorable and Worshipful Court shall be condemned to pay, for the benefit of the diaconate poor, a fine of 75 rixdollars; as well as to return the questioned goods bought by him, without claiming any compensation, or to such other ends as Your Honorable and Worshipful Court shall judge to be required according to law and equity. (was signed) G: Exter Extract from the Criminal Court Roll Thursday, the 29th of November 1787. The Prosecutor in Criminal Matters of the one part, The Officer Prosecutor delivers his demand in writing. against the Citizen Theunis Mulder, The defendant in person says he has already answered in his interrogatories, and persists fully in doing so. defendant in person, to hear such demand and conclusion, request or requests as the Officer Prosecutor shall come to make against the defendant, to answer thereto, and further to proceed as according to law and The Court holds this case under advisement. The parties renounce further productions. says yes. says so, a number of thirteen pieces of kersey, but will not have received the accessories. Whether there was handed over to him, the interrogated, for that purpose a number of pieces of kersey that did not belong to him, and how many? Whether he, the defendant, was not also commanded to make the mounting of the battalion and further to cut? Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable and Worshipful Council of Justice of this Government, Corporal Jan Klipzon, handed over at the requisition of the interim Fiscal G: Exter to be heard thereupon, who gave to these following question points such answers as are duly set down in the margin of this beside each of the same. Article 1. The interrogated person's name, birthplace, age, and capacity. says Jan Klipzon of The Hague, 30 years old, and Corporal here with the battalion. Articles drawn up and noted. Article 2. Article 3. Article 4. kerseys, you must sell that to me. says yes. says to a certain baker, Theunis Mulder, to have sold three pieces of kersey and one piece of blue coating. What and how much he, the interrogated, actually sold, and to whom? What he, the interrogated, received for it. says to have received for each piece of kersey 15½ rixdollars and for the coating 4 rixdollars. says that he kept the money solely for himself, and did not share that money with others. In what manner he, the interrogated, came to the aforementioned Mulder and became acquainted with him? says that he did not know that Mulder beforehand, but that that man came to him in his room and said to him, the named, in substance, if you have any left over, piece by piece, of the Whether he, the interrogated, enjoyed this money alone, or who had a portion of it? says that he believed that if he gave that property back again, he would not be punishable, and would see to it to provide that property again. says as before. What he, the interrogated, will still add for his excuse. 13. Whether he, the interrogated, will not confess to have made himself highly punishable by this deed. What could have motivated him, the interrogated, thus to embezzle the mounting goods and to sell them below value. 10. Whether he, the interrogated, sold the mentioned pieces all at once or piece by piece? says piece by piece, and indeed some time after the other, and the second piece certainly 3 to 4 weeks after the first piece. says because he was in need of money, and that he had believed he could buy other kerseys again for it. Article 9. Whether he, the interrogated, has sold more to the same, and what? says to him, never before. Whether he, the interrogated, has not likewise purloined and sold of the one and the other. kerseys (underneath was written) 11. 12.
Dutch transcription
aan vertrouwde goederen de rigoureurte straffen gestipuleerd zijn. Not: 28. Zoo dat ten dien opzigte de schuld meer op den gesr: valt, die nog billyk had zullen twyffelen 29 of den Verkoopen de monteerings van't bataellon te bezorgen hebbende niet somtijds daar van zoude kunnen ontvreemden 30. en dus op geenderlij wyze, om ser driet en Schaade te termijden, diergelijke goederen Aan denzelve koopen 31. dat voorts den r: O: Eisscher daar door houdende, dat niet zoo wel na de rendutie en ten Waar ook verleegene waar ook gedeelte verdorvene waaren verkogt worden, de waarde der goederen zal kunnen besteemd Worden. 32. als veel meer naar de gestelde prijs der E: Compe: ofte voor welke de goederen ordinair pleegen aan particulieren ge¬ leeverd te worden. 33. denzelven dan ook /onder UwelEd. Achtb: beeter aordeel vermeenen te moeten vast stellen. 34. dat de van den gede in quastie in gekagte goederen, meede onder de gewoonlyke prijs zijn betaald Art: 38. en dat den gede in allen gevalle genoomen Wanneer niet geheel- e 36 doek naar de gededuceerde Reedenen op d' eene ofte d'andere wijze zig heeft schuldig en aan straffe onderheevig gemaakt. 37. zullende denzelven niet minder gehouden blijven, zig met Eede te pargeeren, dat 't derde stuk kertaaij door hem ged:e niet is ontfangen geworden. Mits welke en andere rederen en middelen in tijden wijle (is 't nood / nader te dediceeren den re: O: Eisscker, lisch doende concludeerde, dat den gede by defuntive vennis van Uw Ed. Achtb: zal worden gecondem¬ neerd ten behoeven der die¬ conie armen te betaalen een geld boete van rds: 75; zodeet de quaestioneer de door hem ge¬ kogte goederen, zonder eenige Vergaeding te praetendeeren goederen te restitueeren, cunne pent is ofte tot al zulke andere fine als UEd: Achtb: naar regt en billijkheid zullen oordeelen te behoeven. (was geteekend G: Exter Extract uit de Crimineele Jan reehts rolle Donderdag den 29 November 1787. de pro interim Fiscaal d' E de R: O: Eisscher dient G: Exter rat: off: Eisscher in Van Eisch prout in screptes. las crimineel ter eenre de gede in persoon zegt zig reeds te hebben ver¬ op ende Jeegens antwoord bij zijne inter den Burger Theunis Mulder ragatoria En daar bij ged:e in persoon, omme aan te haaren volkomen te blijven per¬ zoodanigen lisch en conclusie sisteeren. versoek of versoeken als den renuntieerende partijen R:O: Esscher teegens den gede. den verdere productien zal komen te daemen neemen, daar op te antwoorden en voorts te procedeeren als na recht en De Raad houd deeze zaak in adtigs. zegt Jar zegt zo, een getal van d' dertien stukken karsaaij, maar niet 't toebehooren zal koomen te hebben ontfangen. of hem gesr: ten dien einde een getal van Stukken karstaan niet toebehoorden is overgegeeven geworden en hoe veel e off hij geda niet meede is ge¬ commandeerd geweest om de monteering van 't betaellr te maaken en voorts suijden Compareerde voor ons en aan Heeren Gecommitteerdens Ondergeteekende gecommitt uyt den E. Achtbb: Raade van Justitie uyt den E. Achtb. hande dem Justitie dezer Gouvernements overgegeeven, omme ter requisitie den Corporaae Jan Klipzon, Aan den pro interim fiscaal G: Exster daar op gehoord te dewelke op deeze onder staande vraag poincten worden den Corporaal Jan zoodanige antwoorden Klipson van 'S Gravenhage, gegeeven heeft, als bezyde. zullende desselfs te geevene een ieder derzelve staan respontiven in margine deeser behoorrlijk worden ter needer gesteld. Art: 1. des gesr: naam, geboorte plaats, zegt Jan Klipzon van D Gravenhage oud 30 Ouderdom en qualiteit Jaaren en Corporaal alhier bij 't bataillen te zijn. Articulen gedaan maken aengetreekend. Art: t ge 2 3. Art: 4. kersaaijen, moet gij dat aan mij verkoopen zegt Ja. zegt aen zeekeren Bakges Wat en hoeveel hy gevr: eigentlijk heeft verkogt en Theunis Mulder, drie aan wier stukken Kersaaijemeen stuk blaauw kasten verkogt te hebben. Wat hy getr: daar voor heeft zegt daer ieder stuk ontfangen. . hersaaij 15½ rd:s en doer de besta t rijksds: ontfangen te hebben. zegt dat hij het geld alleen voor hem ge¬ houden heeft en niet anderen dat geld ten teerd te hebben op hoedanige wyze hy geta¬ zegt dat hy dien Mulder niet te tooren gekend by voenst: Mulder is gekomen heeft maar dat dien een in kennis geraakt man bij hem in zijn kamer is gekomen en aan hem gen: gezegt had, in substantie, als gyj wat overhoud stuks gewe van de off hij gesr: dit geld alleenig heeft genooten, dan wie portie daar aan heeft gehad zegt, te vermeenen, als Ddat hy dat goed weeder terrug gaff, dan niet straf baar te zijn en keurs te zien, dat goed weeder te besorgen. zegt als Voeren. Wat hij getr: nog tot Versekoning zal beloegen 13. of hij getr: niet zal bekennen zig door deeze daad ten hoogst en Strafbaar te hebben gemaakt. Wat hem gesr: heeft kunnen moteeren om den Monteerings goederen zoodanig te ontkende en onder de waarde te verkoopen. 110. off hy getr: de gemelde zegt stuks gewijs en wel stukken op eene reijs dan wel eenige tijd na den au„ Stukswijze heeft verkogt deren en 't tweede stuk wel 3aa weeken na het eerste stuk. zegt, om dat hij verleegen was om geld en dat hy vermeend had wederon„ dere hersaaijen daar daer te kunnen inkoopen Artl: 9. off hy gesr: wel meer aan den: zegt hem, naaijt te voeren. zelven heeft verkogt en wat t. off hij getr: niet zoo wel van zeen en ander ontwend en verkogt heeft. kersaaijen /:onderstond:) - 11. 12.
English
Below was written: States as before. Thus questioned and answered at Cape of Good Hope on the 12th of September 1787. Was signed: Klipson. Lower: In my presence, signed: R: J: van der Riet, sworn clerk. In the margin: As commissioners, was signed: J: M: Horak and J: C: Gie. Lower: Agrees, signed: P: J: Truter, sworn clerk. There appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Court of Justice of this Government, the burgher Theunis Mulder, who answered the following articles of interrogation in such manner as is noted alongside each. Articles drawn up and submitted to the Gentlemen Commissioners from the Honorable Worshipful Court of Justice by the Fiscal pro interim, in order that, pursuant to the decree thereof, the burgher Theunis Mulder may be heard thereon, his responses to be given being duly recorded in the margin of this document opposite each article: Article 1. The respondent's name, birthplace, age, and status? Answers: Jan Theunis Mulder, born in the County of Lippe, in Oerlinghausen, aged 48 years, burgher here. Article 2. Whether the respondent knows the corporal of the battalion, Jan Klipson? Answers that the said Klipson came to him, the respondent, without his ever having known him beforehand, asking him, the respondent, whether he also had white kersey for sale; that he, the respondent, had answered thereto: I do have white cloth, but no kersey; whereupon the said Klipson departed. Article 3. Whether the respondent does not know that the same, as the battalion's tailor, had to cut and make the uniforms of the battalion, as much as was necessary? Answers that Klipson had told him, the respondent, that he had a note from the Colonel to buy up kersey; which note Klipson did not show him, the respondent, just as he also did not ask for it. Article 4. Whether the respondent did not go to the dwelling of the aforesaid Klipson and speak to him, saying: if you have anything left over, by way of kerseys, you must sell it to me? Answers never to have asked such of Klipson, since he had no acquaintance with that man, and thus did not know what opportunity he, the said Klipson, could have had, or whether he traded, testifying not to know up to this hour where that Klipson has resided. Article 5. Whether the respondent furthermore did not receive from the same Klipson on several occasions 3 pieces of kersey and one piece of baftas? Answers that the said Klipson came to him, the respondent, eight or ten days later and asked him whether he wanted to buy a piece of blue kersey from him, Klipson, asking 20 rixdollars for the same; whereupon he, the respondent, told him that he had bought from the Honorable Company at the auction for 13, 14, up to 15 rixdollars, and thus could give no more than 15½ rixdollars; and that he, the respondent, did not dare to ask Klipson whether he had stolen it, as all soldiers here trade, and some time before he had likewise bought 10 pieces of kersey from a military man, who told him, the respondent, that even if he wanted to have 60 to 70 pieces from him, he could get them, just as several people also trade with that man; that furthermore Klipson, having come to him, the respondent, again after the lapse of several days, sold him another piece of blue kersey at 15½ rixdollars and 1 piece of baftas for 5 rixdollars. Article 6. Whether the respondent did not pay 15 for the piece of kersey and 5 rixdollars for the baftas, thus less than the Company's price? Answers not to know what the Company's price is, and to regulate himself only according to the auction. Article 7. How the respondent could buy and pay for these goods, well knowing that they were Company's goods and stolen from the Corporal? Answers not to have been able to ask such, and further as to Article 6. Article 8. Why the respondent, the goods having thus been requisitioned, did not immediately return them? Answers not to have wanted to surrender those goods before he received money back for them, since he, the respondent, had bought and paid for that property. Article 9. Whether the respondent does not thereby acknowledge himself to be guilty and punishable? Answers not to know that he made himself guilty of any offense, as he thought that he was dealing with an honest man, and did not know that Klipson was a rogue, which he could not ask him, as every soldier and sailor trades. Article 10. What more he can say by way of excuse? Answers to have nothing else to say by way of excuse than to speak the truth. Below was written: Thus questioned and answered at Cape of Good Hope on the 8th of November 1787, before the Gentlemen C: Matthiessen and Joh:s Smuts, members of the Honorable Worshipful Court of Justice, who have duly signed the minute of this together with the appearer and me, sworn clerk. Lower: To which I testify. Was signed: C: Pieterzen, sworn clerk. Agrees: W: J: v: Rijneveld The Plaintiff ex officio, his inventory quoted on the back thereof with the sign P. Criminal demand and conclusion taken by the Plaintiff ex officio on and against the prisoner and defendant, quoted... J. The letter written by the first prisoner and defendant to the Honorable Valiant Governor here, dated the 16th of April 1786... B. A letter by the burgher David... The former field-commandant in the Hantam, Adriaan van Zijl and Jan Wieser, currently prisoners and defendants in the aforesaid case on the other side. Inventory of documents drawn up and delivered to the Honorable Worshipful Johannes Isaac Rhenius, President, and the further Gentlemen Members of the Honorable Worshipful Court of Justice, by the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewijk Bletterman, Plaintiff ex officio in a criminal case on the one side. Against Fred:k... A:
Dutch transcription
/:onder stond:/ zegt als vooren. Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de goede Hoop den 12 september 1787. /was ge„ teekend / klipson /laager/ my praesent /geteekend/ R: JD Riet. gesw: Clercq /: in Margingn / als Gecommittt /:was geteekend:/ J: M: Htorak en J: C: Gie. /lager/ Accordeerd / geteekend:/ PJ Dniet gesw: Clercq. Compareerde door ons ondergeteekende ge Committ:s uyt den E: Achtb: raad Aan Justitie deezer Gouvernement den Burgher Theunis Mulder dewelke op de neerens„ staande vraag articulen zoodanig geantwoord heeft als beziden een aengeteekend. zegt zulks nooyt aen Klipzen getraagd te des gevr: naam, gehoorte plaats„ zegt Jan Theunis Mulder hebben, vermits bij dat het graafschap ouderdonnen qualiteit hy wat gelegenheid hy getr: gem: Klipzon heeft kunne geleend. of hy gesr: niet ter wooninge den voorsz: Keizon is gekomen en denzelven heeft aangesproken, indien u iets overhoud, stuks off hij getr: ook weet dat sen„ zegt dat Klipson hem, zelve als batailtons suijder de gesr: had gezegt, dat hij een brieffje van den Overste monteering van 't bafaillon heeft te snijden en te maken had, Cansaaij op te koopen; zoo veel als nodig was, gehad. — Kelk briefje Klipson hem gesr: niet vertoond heeft, alsoo hij er ook niet na gevraagd heeft. — Articulen gedaan maken en aan Heeren Gecommitts uyt den E: Achtb: Rade van Justitie door den pro hiterim Ffiscaal overgegeeten, omme ingevolge wel dezelve decreet de deeze daar op gehoord te worden den Burter Theunis Muller, zzullende desselfs te geevene responsiken in Margine deezes behoorlyk teder derzelven staat worden bekend gesteld: zegt dag gem: klipzen bi hem getr: gekomen was, zonder dat hij hem ooyt van te boeren gekend had, hem getr: vragende, of hij ook wit karsaaij te koop had, dat hij gesa: daar op geantwoord had, ik heb wel Wit laaken, maar geen Cansaay, waar op gem: klipzen vertrokken was gt burger alhier. Loppe van Erlinghouse geboortig oud t8 Jaaren of hij getr: den Corporaal van 't bataellon Jan Klipson kend. Not: 2. Lippe geen gewijs Ntss. 3. Comp:s prijs betaald heeft. geen kennis aan die man had, en dus niet wist, maar te reguleeren naar de Rendutie. Legt zulks niet te of hij negotieerde, be„ tuigende tot deezer Uurl nog niet te weeten Naar die klipzon woon, agtig is geweest. zegt dat gem: klipzon agt off off hy getr: voorts niet tot Verscheidene reijsen 3 stukken tien daagen naderhand by hem Carsaaij en een stuk baftes heeft ged:t is gekomen en hem ge„ naay heeft of hy een stuk Aan denselve Klipzen ontfangen blaauw forsaaij van hem Klipzon wilde koopen, door 't zelve vraegende 20 rykst: waar op hy get: hem zeidele, dat hy soy de E: Comp: op de vendutie tegens 13. 14. tot 15. rijkd: had gekogt, en dus niet meer te kunnen geeven, als 15½ Rijksd en dat hiy gesr: Klipson niet dorst te vrageeren off hy het gestaalen had, alzoo alhier alle soldaaten bynee negotieeren en hij eenigen tijd te vooren uisgelijks 10 stukken Carsaay had gekogt, van een militair, dewelke hem get zudde, dat al wilde hij ook 60, a 70 stukken van hem hebben, hy dezelve krijgen Konde, gelyk dan ook verscheide menschen met dien man handelen. dat voorts klipzou weder na verloop van eenige daagen by hem gen: gekomen zijnde, hem nog een Stuk blaauw farsaaij a 15½ rijksd: en 1 Stuk baste tegens Stijked: verkogt heeft. Art: 6. zegt niet te weeken wat de Comps. prijs is, en zig of hij gesr: niet voor 't stuk Cartarij 15 en door de bastaan —5 ryke d dus minder van den zegt niet anders Legt niet te weeten zig aan Streeffe schuldig te hebben gemaakt twijl hy degt, dat hy met een eerlijk man te doen had, en niet te weeten, dat klipsoo een schurk was„ 't welk hij hem niet kon vraagen, alsoo een ieder soldaat en matraas negotieerd. wat hij nog meer tot of hy geta: zig niet daer t'eeren tt ander bekend schuldig en strafbaar te hebben gemaakt. Waarom hy geta: de goederen zegt die goederen niet dus gereguireerd zijnde niet te hebben willen af, geeren voor dat lyker directelijk wederom heeft geld er voor ontfing: gegeeven. alsoo hy gen: dat goed gekugt en betaald had. hebben kunnen vraagen en voorts als op aat: 6. gewijs van de Cartaaijen moet gij 't aan mij verkoopen. Art: 8. Hoe hij getr: deeze goederen heeft mogen koopen en betaalen, wel weetende, dat 't Comps goederen en van den Corporaal ontvreemt waaren man Compt. ziek Verschooning 7 10 zich te kunnen ver„ Schoonen, als met de Waarheid te spreeken. /:onser stond:/ Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de goede Hoop den 8 Nov: 1787. voor de Heeren C: Mappa en Johs. Smits Leeden uijt den E: Achtb: Raad Aan Justitie, die de minute deezes, beneevens de Compt. en mij gesw: Clercq. meede behoorlijk hebben onderteekend. / lager 't welk ik getuijge. /was geteekend/ C: Vieterssen Eheret e Clercq Verschooning kan zeggen. Accordeert W: J: V: Rijneveld De ratione officie Eyssr zynen inventaris op de rugge van dien gequoteerd cum signo P. Crimineelen Eisch en conclusie door de rat: officii Eiscr: op ende Jeegens de gev:e en ged:e genoomen gequoteerd. . . . J. De brieff door den eersten gevr: en ged:e aan den WelEdelen Gestrengen Heere Gouverneur alhier geschreeven gedateerd den 16 April 1786. Een brieff door den Burger David B: Den oud-steldmagt Meester ie den Hantam Adriaan van Zijl en Jan Wieser, tans gev: en ged:e in 't voorsz: cas ter andere zyde. Inventaris van Stucken gedaan maken en aan den Wel„ Edelen Achtbaare Heere Johannes Isaac Rhenius, Praesident en de Verdere Heeren Leeden van den Edelen Achtbaaren Rade van Iustitie overgeleeverd door den Land Drost tan Stellenbosch en Drakensteijn, Hendrik Lodewijk Bletterman ratione officie Eyss. r in cas Crimeneel ter eenre. Contra. Fredk o 6 ƒ A:
English
Fredrik Strous, written under date of 8 August 1785. One ditto by the first prisoner and defendant dated 15 December 1785. One ditto written by the aforesaid Strous to the plaintiff ex officio under date of 15 January 1786. One ditto likewise written and dated by the first prisoner and defendant to the aforesaid Strous. Extract from the Council of War resolution of Stellenbosch taken on 6 June 1786. Account given and sworn before the Gentlemen Commissioners from this Noble Honorable Council and at the requisition of the plaintiff ex officio by the aforesaid burgher David Fredrik Strous. H. Notarial declaration executed at the requisition of the plaintiff ex officio by the burgher Barend Fredrik Lubbe and sworn before the well-mentioned Gentlemen Commissioners. Declaration by the Hottentot Siet Eiland, also before the Gentlemen Commissioners and at the requisition, Articles upon which the first prisoner and defendant Adriaan van Zijl was heard at the requisition of the plaintiff ex officio, with the replies given thereto by him before the Gentlemen Commissioners. Articles upon which the second prisoner and defendant, proving therewith also the contents of the articles from 184 to 190 inclusive. Copy of the minutes of the pleadings held on 7 February of this year, marked on the back with the letter N. All these documents serving as justification of the facts charged against the prisoners and defendants in the aforesaid criminal claim by the plaintiff ex officio, and consequently for the verification of the aforesaid claim and conclusion of the plaintiff ex officio from Article 2 to 183 inclusive. M. executed and recollected as before. Declaration of the Hottentot Andries executed and recollected as before. Declaration of the Hottentot Ruijter, also executed and recollected as stated, marked on the back with the letters A, B, C, D, E, F, G, H, I, K, L and M. Petrus N. G. 1. 2. L. Petrus van Zijl, was heard as before, with the replies given thereto by him. Articles upon which the third prisoner and defendant Jan Vieser was likewise heard as stated, with the replies given thereto by him, marked on the back with the letter d. 1. 2. 3. serving as demonstration of the facts of the prisoners and defendants posed in the claim of the plaintiff ex officio from Article 191 to 245 inclusive. The remaining articles of the same criminal claim are introductory, matters of public notoriety in law, or admitted, and consequently need no more specific proof. Memorial of law to be drawn up, if necessary, and then marked with the letter P. Signed: H. Bletterman. Article 1. And the plaintiff ex officio had it said: 2. That on 19 May of the year 1786, there being sent by the Honorable Governor to the plaintiff ex officio a letter addressed to His Honor by the first prisoner and defendant as the then Field Cornet in the Hantam and dated 13 April prior thereto, 3. containing a request to go shoot elephants and to take some volunteers along, 4. His Honor had told the bearer of that letter that he could not permit such, 5. because it was believed thereby to the stirring up of the Bushmen, on and against the former Field Cornet in the Hantam, Adriaan van Zijl, and his son the burgher Petrus van Zijl, as well as the burgher Jan Wieser, prisoners and defendants in the aforesaid case, on the other side, appeared before the Honorable Johannes Isaac Rhenius, President, together with the other members of the Noble Honorable Council of Justice of this Government, the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewijk Bletterman, plaintiff ex officio in a criminal case, on the one side.
Dutch transcription
Fred„k Strous, geschreeven in dato 8 Aug:s 1785. Een dito door de eerste gevr: en ged:e de dato 15 December 1785. Een dito door voorn: Strous aan den ratione off: Eijss:r geschreeven in dato 15 Jann: 1786. Een dito door den eerste gesre: en ged:e aan voorm: strous meede geschree„ ren en gedateerd Extract uit de krigsraads resolutie S van Stellenbosch genomen den 6 Junij 1786. Relaas ten overstaan van Heeren Gecommitteerdens uit deezen Edelen Achtbaaren Raade en ter requisitie van den rat: Off: Eyss:r gegeeven en be„ „Eedigd door voorm: Burger David Fredrik trous. H Secretarieele verklaering ter requisitie van den rat: off: Eiss:r gepasseerd, door den Burger Barend Fredrik Lubbe en ten overstaan van welgem: Heere Gecomms behedigd. Verklaaring door den hottentot Siet Eiland, meede ten overstaan van Hee¬ ren Gecmmitteerdens ende ter requisitie Articulen waarop de eerste getre: en ged:e Adriaan van Zijl ter requisitie van den rat: off: Eiss:r is gehoord met de door denzelven daar op ten overstaan van Heeren Gecomm:es: gegeevene responsiven. Arthculen, waar op den tweede gesr: en ged:e bewijzende daar meede den inhoud der articu„ „len van. . . . . . . . „ 184. tot 190 inclusive. Copia notul der dingtaalen gehouden op den 7 Februarij deezes Jaars in dorso gequoteerd. . . . . . - - - - - - L. N: dienende alle deeze documenten tot Justificatie van de faiten aan den gevre en ged:e bij den voorsz: crimineelen Eisch door den rat: off: Eisc:r ten lasten gelegd en mitsdien tot derificatie van des rat: off: Eiss„r voorsz: Eisch en conclusie van Art:l 2. tot 183 inclusive. M: als vooren gepasseerd en gerecolleerd. Verklaaring van den hottentot Andries als vooren gepasseerd en gerecolleerd. Verklaaring van den hotten tot Ruijter meede als gezegd, gepasseerd en gerecolleerd, in dorso gequoteerd met de Letteren A. B: E. D. E. F. G. H. I. K. L. & M. als Petrus N G: 1. 2. L: Petrus van Zijl, als vooren is gehoord met de res¬ „ponsiven door hem daar op gegeeven Articulen, waar op den derden geva:e: en ged:e Jan Vieser insgelijks als gezegd is, gehoord met de responsiven, door denzelven daarop gegeeven in dorso gequoteerd. L„a d. 1. 2. 3. dienende tot demonstratie der faiten van de geve: en ged:e bij des rat: off: Eijsfr: Eisch geposeerd van Art: 191. tot 245. inclusike. de overige Articulen van denzelven crimineelen Eisch zijn introduetie, notoir Juris of in confesso en hebben mitsdien geen speciaalder bewijs nodig. Memorie van rechten ( is 't nood) te formeeren en als dan te quoteeren met Letter P: (was ge¬ „teekend / H: Bletterman. Art: 1 Ende deedde de R: O: Eijss:r zeggen. 2. Dat op den 19 Maij des Jaars 1786, door den WelEdelen Gestrengen & Heere Gouverneur aan den Ratione officii Eiss:r gezonden zijnde een brieff door den Eersten gesr: en gedt als toenmaalige Veldwacht meester in den Hantam van zijn Wel„ Edele Gestrenge geaddresseerd en gedateerd 13 April daar t bevoorens. inhoudende verzoek om oliphanten te gaan schieten en eenige vrijwilligers meede te neemen. zijn WelEdele Gestrenge aan den brenger van dien brieff had gezegt, zulks niet te kunnen permitteeren. 5. terwijl vermeende daar door aan de roorende op ende Jeegens. den oudveldmagtmeester en den Hantam, Adriaan van Zijl, en desselfs Zoon den Burger Petrus van Zijl mitsg:s Jden Burger Jan Wieser gevr: en ged:t in 't voorsz: Cas ter andere zijde Compareerde voor den WelEdelen Achtbaaren Heere Johannes Isaac Khenius Praesident benee„ vens de verdere Leeden van den Edelen Achtbaaren Raade van Iustitie deezes Gouvernements, den Land Drost van Stellenbosch en Draakensteijn, Hendrik Lodewijk Bletterman Rat: of: Eijss:r in cas crimineel ter Eenre. besjesmans 3 3. 4.
English
bosjesmans would be given more of an opportunity to cause detriment to the inhabitants there, and also not first whether he, first questioned and defendant, would have to go out with the planned Commandos. The Prosecutor ratione officii thus also expected of him, first questioned and defendant, not to act against the order of the well-mentioned Lord Governor. All the more so, since he, first questioned and defendant, at that time was not yet discharged from his post as Veldwachtmeester. And even a short time before, had presented to the Council of War at Stellenbosch the necessity of making a Commando against the rebellious bosjesmans, Also, to that end, had demanded cart, horses, and provisions from the inhabitants living there, in order to collect gunpowder and lead. 11. Also received cart and horses, yet did not employ them to that end. 12. While he, first questioned and defendant, was then also only on the 6th of June following discharged from his post as Veldwachtmeester upon his request made in that regard. 13. That he, first questioned and defendant, in the latter part of the month of October of the same year, brought to the knowledge of the Prosecutor ratione officii, 14. That he, questioned and defendant, had made an expedition inland, though not to go shoot elephants, 15. But solely to barter for or buy some oxen for himself. 16. As he also testified to having bartered only six or eight cattle for himself. 17. And that he, questioned and defendant, having on that occasion been with a nation of Hottentots called the Caraccose, 18. Was requested by them to assist them against a party of roving Hottentots. 19. Yet that they, having been unable to stand their ground against their enemies, 20. The questioned and defendant had therefore also turned back. 21. That he, first questioned and defendant, having found there elsewhere upon a certain height some ore, the same resembling the substance of graphite, 22. Was of the intention, after delivering about one ounce to the Prosecutor ratione officii, to give the same to the well-mentioned Lord Governor. 23. The Prosecutor ratione officii having thereupon expressed his surprise that he, mentioned and defendant, had made an expedition against the order of the well-mentioned Lord Governor. 24. He, questioned and defendant, thereupon once again testified to the Prosecutor ratione officii not to have shot any elephants, 25. But only to have bartered six or eight cattle for himself, with the assurance that he would account for himself to the well-abovementioned Lord Governor. Article 26. That on the 11th of January of the past year, the Burgher Sebastiaan Valentijn van Reenen, having complained in writing to the Prosecutor ratione officii 27. That a large herd of cattle having been brought out of the Namacqua Land by him, first questioned and defendant, he had caused the same to pass by the place of him, Van Reenen, 28. And graze off the grass with his cattle. 29. With the request to prohibit him, first questioned and defendant, henceforth from this, and that he must carefully avoid it. 30. That the Prosecutor ratione officii, having been informed indirectly both in the month of February following and subsequently, 31. That two hundred and eighty head of cattle, both large and small, were brought out of the Namacqua Land into the Hantam by the first questioned and defendant. 32. And that he, first questioned and defendant, for his made expedition, commanded the Hottentots and bastard Hottentots living there in the Hantam and present for the assistance of the Christians. 33. Without the Prosecutor ratione officii having been able at that time to obtain any sufficient proof of all these reports. Article 34. The Prosecutor ratione officii, however, has since spared no effort in order to be able to attain this. 35. Just as the Prosecutor ratione officii then also finally, in the month of August of the year most recently past, was first informed with certainty, 36. Which person brought the letter from him, first questioned and defendant, to the well-abovementioned Lord Governor, 37. And what answer the same received to it. 38. As well as that that same person, having received a chest of beads and knives from the Burgher Stadeler at the Cape, conveyed it to him, first questioned and defendant. 39. That the Prosecutor ratione officii, upon the information obtained on the 13th of August aforesaid and the 26th of September following, having written to the current Veldwachtmeester there, Willem Adriaan Nel, 40. To send hither the Hottentots and bastard Hottentots who were taken along on that expedition by the first questioned and defendant. 41. And while the Prosecutor ratione officii at that time had not yet obtained the least information 42. That the third questioned and defendant had made himself guilty of any crime, yet would have knowledge of the conduct of the first questioned, 43. To notify the same, also as speedily as possible at
Dutch transcription
bosjesmans meer der geleegenheid zoude worden ge„ „geeren, om de ingezeetenen aldaar nadeel toetebrengen Art: en ook niet eerst of hij eerste getr: en ged:e met de beraamde Commandos zou moeten uitgaan. de ratione officii Eijss:r, dus ook van denselven Eersten gevr: en ged:e heeft verwagt niet teegens de ordre van welgem: Heere Gouverneur te zullen Man¬ „delen. te meer, daar hij eerste gesr: en ged:e toenmaals noch niet van zijn post als Veldwacht meester was ontslagen. En zelfs korten tijd bevoorens bij de krijgsraad te stellen bosch de noodzakelykheid eenen op de hoo„ rende bosjesmans te doene Commando had soorgedragen, Ook, ten dien einde van de aldaar woonende opgezee„ tenen kar, paarden en provisie afgeëscht, omkruijt en loot af te haalen. 11. ook kar en paarden ontfangen, doch niet tot dat einde geemploijeerd. 12. terwijl hy eerste gevr: en ged. e dan ook eerst op den 6 Junij daar aan op zijne desweegens gedaan verzoek van zijn post als Veldwachtmeester is ontslaagen geworden. 13 Dat hij eerste gesr: en ged. e ein 't laatst der maand October desselvigen Jaars aan den rat: off Eysscher ter kennisse hebbende gebragt. 14. dat hij Gesz: en ged: e en tocht landwaards in had gedaan, dag om geene blyphantien te gaan schieten: 19. Ant:s 15. Maar alleenlyk om voor hem eenige ossen in te ruilen ofte in te koopen. gelijk hij ook betuigde, slechts ses aacht beesten voor hem zelve te hebben ingeruild. en dat hij gesz: en ged:e bij die gelegenheid bij eene natie der bottentotten, de Caraccose ge„ „naamd, geweest zijnde. door dezelve was verzogt, om hun Lieden te ad„ sisteeren teegens een party roozende hattentotten. doch dat dezelve teegens hunne vijanden geen stand hebbende kunnen houden. den Gev: en ged:e daarom ook was te rug gekeerd. 20. 21. dat hij eerste Getr: en ged:e aldaar elders op eene zeekere hoogte eenig Ertz, gelijkende 't zelve na 't stoff van potloot, gevonden hebbende. 22. van meening was het zelve nade afgave van omtrend eene once aan den rat: off. Eijssr aan wel gem: Heere Gouverneur te geeven. 23 de lat: off: Eijss:r hier op zijne verwondering hebbende te kennen gegeeven, dat hy gemr: en ged:e een togt teegens de ordre van welgem: Heere Gou„ „verneur had gedaan. 24. hij gesz: en ged:e daar op nochmaals aan den rat. off: Eijss:r heeft betuigd geene olyphanten te hebben geschooten. 25. Maar slechts ses a acht leesten voor hem te Acta: 15. hebben 8 10. 18. 17. 16. hebben ingeruild met verzeekering zich bij welop„ gem: Heere Gouverneur te zullen verantwoorden. Art: 26. dat op den 11 Januarij des gepasseerden Jaars den Burger Sebastiaan Valentijn van Reenen bij den rat: off: Eijss:r schriftelyk hebbende geklaagd 27. ' dat door hem Eerste gevr: en Ged:e een groote troup beesten uyt 't Namacqua Land aangebragt weren¬ hy dezelve de plaats van hem van Rheenen had doen voorbij trekken. 28. en 't gras door zijn zee afwijden. met verzoek hem eerste gesz: en gede te inter 29. diceeren voortaan zich daar voor zoogvuldig te moeten wachten. dat de rat, off: Eijss:r, zoo in de maand Februarij 30. daar aan als in 't vervolg zijdelings geinformeerd geworden zijnde. dat door den Eerste geszr: en ged:e twee honderd 31. en tachtig stuks beesten, zoo groot als klein uyt 't Namacqua Land in den Hantam zou aangebragt zijn. en dat hij eerste gesr: en gede tot zyne gedaane 32. togt de aldaar in den Zentam woonende en ter adsistentie der Christenen zich bevindende het¬ tentotten en bastaard hottentotten, zou hebben gecommandeerd. zonder dat de rats off: Eyssr van alle Deeze 33. berichten, als toen een eenig voldoende bewijs heeft kunnen erlangen. Art: 34. de Rat: off: Eessr: echter zeederd geen moey te heeft gespaard, omme daar toe te kunnen geraaken. 35. gelijk de E: O: Eyss:r dan ook eindelyk in de maand van Augustus des Jongst gepasseerden Jaarseerst met zeekerheid is geinformeerd geworden. 36. welk persoon de brieff van hem eerste gev„e en gede aan welopgem: Heere Gouverneur over¬ gebragt. 37. en welk antwoord denzelven daar op heeft ontfangen. mitsg:s dat diezelfde persoon een kist met Coraalen en messen bij den Burger Stadeler aan de Caab ontfangen, aan hem eerste Gesz: en ged. e zou hebben overgebragt. dat de rat: Off. Eiss:s op de bekoomene informatien den 13 Aug„s voorsz: en 26 septb:s daar aan, den teegenwoordigen delwachtmeester aldaar, Willem Adriaan Nel, hebbende Aangeschreeven de hottentatten en bastaard hottentotten, dewelke door den eersten gesz: en Ged:e op dien togt zijn meede genoomen, herwaards op te moeten zenden. en terwijl de R:O: Eyssr: als toen noch geen de minste informatien had bekoomen. dat de derde ges: en ged:e zig aan eenig misdaad schuldig gemaakt, echter van 't gedrag van den eersten Gesr: Weetenschap zou hebben. 43 denzelven Aan tezeggen, meede ten speedigesteen Art: 34. bij 38. 39: 40. 41. 42.
English
to appear before the Officer of the Court, the Prosecutor. Article 144. intending also to inform themselves from him regarding the conduct of the first prisoner and defendant. 45. after which on the 7th of the following month of October, there came only to the Officer of the Court, the Prosecutor, 46. the Hottentot Piet Eland, as well as the bastard Hottentots Paul and Gerrit. 47. they saying that one of the bastard Hottentots had been held back by the aforementioned Nel, 48. while they know Nel to be a very close relative of the first prisoner and defendant. 49. they had also not been sent by him, Nel, 50. but had already long been of the intention, and had only waited for the opportunity, 51. to come and lodge their complaint about the first prisoner and defendant. and that already out of fear of the Dutch people, some of the Hottentots who had been on the expedition had returned back to the Namaqua Land. 52. that he, Piet Eland, as well as his people, having their settlements in the Hantam and currently belonging under the command of the aforementioned Nel, 53. alongside the aforementioned bastards Paul and Gerrit, Article 54. furthermore the Hottentots little Piet Eland, Piet Namaqua, which last-mentioned resides with the second prisoner and defendant, the Hottentot Andries de Ruiter, as well as the bastard Hottentots Stoffel and Gerrit Beer, of whom this last-mentioned has lived with the first prisoner and defendant, but had already departed to the Namaqua Land, in the rainy season of the aforementioned year 1786, without however being able to determine the exact month or day, 55. having been commandeered by the first prisoner and defendant to pursue the Bushmen Hottentots who had stolen the cattle for the most part of the burgher Paul Karsten, together with him, the first prisoner and defendant, his son Petrus van Zijl, the second prisoner and defendant in this matter, and son Andries van Zijl, alongside the third prisoner and defendant, 56. they, Hottentots and bastards, had complied with that order, 57. and had followed him, the first prisoner and defendant, who had taken two wagons with him. 58. that they all, having arrived in the Namaqua Land, 59. some pack oxen were hired by the first prisoner and defendant from the Hottentots there, 60. and the same, in their presence, were loaded with some provisions and a quantity of beads and knives, 61. and only then was it declared to them that it was not necessary to pursue the Bushmen Hottentots, Article 62. but that the intention of him, the first prisoner and defendant, was to go shoot elephants, 63. in order to deliver the tusks thereof to the Honorable Company, 64. and to then give each of them a portion thereof. 65. into which the mentioned Piet Eland did not wish to enter, 66. but on the contrary declared that his and his people's cattle were thereby left exposed to the Bushmen. 67. to which, however, he had been compelled by threats from the first prisoner and defendant. 68. so that, they having continued that journey for about one and a half months along the great river, 69. the bastard Hottentots Paul, Gerrit, and Stoffel then, 70. under the pretext that Gerrit was ill and could not go further, 71. and he, Paul, and Stoffel would take the same Gerrit home, had stayed behind. 72. that the first, second, and third prisoner and defendant, alongside the aforementioned Andries van Zijl as well as the Hottentots Piet Eland, little Piet Eland, Piet Namaqua, Andries Ruiter, and Gerrit Beer, continuing the journey, Article 73. having first passed the great river and after that two Hottentot kraals, 74. had arrived three days' travel further at a third kraal of the Hottentots, 75. where Hottentots to the number of four hundred forty-four were hired and taken along by the first prisoner and defendant, 76. while hippopotamuses were shot by him during the journey, in order to consume on the journey. 77. that the aforementioned persons collectively, by estimate having traveled fifteen stages or fifteen days further, 78. had arrived in the morning around eight o'clock at this side of a branch of the great river, called the Yellow River, 79. and just on the other side had discovered a kraal of the Nunequinqua, a kind of Namaqua Hottentots, 80. which Hottentots had nearly all come into view, 81. apparently to see what was going on. 82. whereupon the first and second prisoner, alongside the repeatedly mentioned Andries van Zijl, dismounted from their horses and approached those Hottentots, and immediately thereupon, without those Hottentots having with them or they with those Hottentots a
Dutch transcription
bij de R: O: Eijsscher te verschijnen. Art: 144. van voorneemens zijnde zich meede bij den zelven omtrend 't gedrag aan den eersten gesr: en ged:e te willen informeeren. waar na den 7=den der aanvolgende maand October, dan ook by den R: O: Rijss:r alleenlyk gekoomen zijn. 46. den hottentot Piet Eland mitsg„s de bastaard Lottentotten Paul en Gerrit. zeggende zijlieden een der pastaard hotten„ „tolten door voorm: Nel te rug gehouden te zijn 48. terwijl zij Nel een zeer nabestaande van den eerste gev: en ged:e weet. 49. zijlieden ook niet door hem Nel waren opgee„ „zonden. maar reeds lange van voorneemen te zijn geweest„ en alleenlijk na gelegenheid te hebben gewagt de om hun beklag over den eersten gesr: en ged:e te komen doen. en dat reeds uit vreeze voor 't duijtsch volk eenige der op de tocht meede geweest zynde het tentatten te rug na 't Numacqua Land waaren gekeerd. 52. dat hij siet Eland, zoo wel als de zijnen, hun legplaatzen in den Hantane hebbende en thans onder 't Commando van voorm: Nel behooren: 53. neevens de voorm: bastaards Paul en Gerrit 51. 50„ 47. 45. Art: 54. Voorts de hottentotten kleine Piet Eland, Piet Namacqua, welke laatstgem: bij den tweede gesr: en Ged:e woonagtig is „ de Pottentokten Andries de Ruiter, mitsg:s de bastaard hottenhotten Stoffel en Gerrit Beer, waar van deeze laatste „ by de eerste Gesre: en Ged:e heeft gewoond, dog reeds na 't Namaequa Land was vertrokken, in't reegen Laisoen des voorsz: Jaars 1786. zonder echter den posititen maand off dag te kunnen bepaalen. door den eersten gev: en ged:e gecommandeerd, geworden zijnde om de bosjesmans kottentotten dewelke voor 't grootste gedeelte 't zee van den Burger Paul Karsten, hadden geroofd te agter, volgen met hem eerste Gesr: en ged:e zijn soon Petrus van Zijl, den tweeden Gesr: en ged:e in deezen en zoon Andries van Ziil, neevens den derden gesr: en Ged:e ziglieden hottentotten en bastaands aan die 57. ordre hadden voldaan. en hem eerste gesze. en ged:e welke twee wagens 58. met zich genoomen had, gevolgd waaren. dat zij lieden alle gekomen zynde in't Namacqnen Land. 60. door de eerste Gest: en Gede van de aldaar zijnde hottentetten eenige draagossen afgehuurd. 61 en dezelve ter hunner praesentie met wat pro„ „visie en een partij Coraalen en messen waaren 59. 56. Art„ 54. belaaden 55. belaaden geworden, en als toen eerst aan hun„ „lieden is gedeclareerd niet nodig te zijn de bos„ „jesmans hottentotten te achterzolgen. Art:t 62. Maar dat de intentie van hem eerste gevre: en Ged:e was, Oliphanten te gaan schieten. 63. ten einde de tanden daar van aan de E: Comp e te leeveren. 64. en aan ieder hunnen als dan daar van een portie te zullen afgeeven. 65. Haar in Gem: Piet Eland niet heeft willen treeden. „ 66. maar ter contrarie verklaard, dat zijn in der zijnen vee, hier door voor de bosjesmans blootgesteld wierd. 67. waar toe hij echter door dreigementen van den eersten gevr: en ged:e was genaadsaakt geworden. 68. zoo dat zijlieden omtrend een en een halve maand langs de groote rivier die reize zoortgezet hebbende. 69. als toen de bastaard hottentotten Paul, Gerrit en stoffel. onder voorwendzel, dat Gerrit ziek was en 70. niet verder konde 71. en hij Paul en Stoffel denzelven Gerrit na huis zouden brengen, agtergebleeven waaren. 72. dat de eerste, tweede en derde gesr: en ged:e neevens voorm: Andries van Zijl mitsgs: de hattentotten, Piet Eland kleine Siet Eland, Piet Namacqua, Andries, Ruiter en Gerrit Beer de reize Voortzettende. eerst de graate rivier en daar na twee hot„ Antl: 73. „tentots kraalen gepasseerd zijnde. 74. drie daagen rijzens verder gekoomen waaren by een derde kraal der tottentotten. 75. alwaar door den eersten gemr: en gede ten getalle van vier honderd vier en veertig nottenkotten zijn afgehuurt en meede genoomen, 76. terwijl door hem geduurende de reize zeekoeijen geschooten zijn, om op de reize te consumeeren. 77. dat de evengem: persoonen gezamentlijk na gissing Vijfftien schoften off vyfftien daagen verder gerijst zijnde. 78. „ des morgens circa agt uuren aan deeze zijde van een spruijt der groote rivier, de geel rivier genaamd, gekoomen waaren. en even aan de overzijde een kraal van de Nunequinqua een soort van Namacqua hot„ tenteetten hadden ontdekt. welke hattenlatten meest alle ten voorschijn gekoomen waaren. 81. apparentelijk om te zien, water te doen was. 82. als wanneer de Eerste en tweede gesa: neevens meergem: Andries van Zijl van hunne peerden gesteegen en die hottentatten genaderd zijn. en terstond daar op, zonder dat die hottentitten 80 met hun of zijlieden met die hottentotten 79. 80. Art 73. een
English
had spoken a single word, fired with live ammunition at those Hottentots. Article 84. While the third interrogated and defendant, after the third shot had been fired by the first and second defendants and the aforementioned Andries van Zijl, had also fired at those Hottentots. 86. That the first interrogated and defendant, having fired the fourth shot and noticed 87. that the said Piet Eland and his comrades did not shoot, 88. immediately with his loaded gun and cocked hammer went behind them, 89. and while pushing them forward with the muzzle of his gun, substantially called out to them: [illegible] Damned lot, why do you not shoot? 90. Do you not see that I am shooting? 91. And if you do not shoot, you will get the same treatment from the same mop. 92. Whereupon they had also shot. 93. But while the first, second, and third defendants, together with the often-mentioned Andries van Zijl, continually shot those Hottentots dead, 94. they had shot over the heads of those Hottentots. 95. As the shooting had continued from around eight o'clock in the morning until late in the afternoon. 103. While the said Piet Eland and the Hottentots who had been with him on the other side of the river near those Hottentots, had found eight large and two small children of those Hottentots lying shot dead, 104. as well as two women, whom they had seen floating, having jumped into the water out of fear, 105. and understood from a Hottentot woman that even more Hottentots were dead and wounded. Article 96. That, after the shooting was stopped, the first interrogated and defendant ordered the said Piet Eland and the remaining Hottentots to go across the river, 97. and to bring all the cattle of the aforementioned Nuncquanqua Hottentots to this side. 98. 99. The said Piet Eland and the often-mentioned Hottentots then also crossed the river for that purpose. 100. But since the cattle had run wild because of the continuous shooting, 101. they had not been able to gather and bring to this side across the river any more 102. than two hundred and sixty-two, both large and small. Article 106. As the said Hottentot woman had also asked them 107. whether it was the custom of the Dutch people to shoot them dead so murderously, 108. they had answered that not all the Dutch were like that, but that Van Zijl, the first interrogated and defendant, had done this and that he was an evil man, 109. and if they came up into the country, they would report this, 110. so they should just keep calm. 111. That the often-mentioned Piet Eland had said in substance to the first interrogated and defendant: 112. Master, very many Hottentots have been shot dead there. 113. He, the first interrogated and defendant, had answered thereto: It is just as good to me as if I pluck a leaf from a tree, 114. and the Gentlemen do not even ask after a Hottentot. 115. As, according to the story of the said Piet Eland, the aforementioned Nuncquanqua Hottentots did not resist in any way whatever, 116. but during the shooting had dragged their dead and wounded into the woods. 117. That the first, second, and third interrogated and defendants, together with the Hottentots they had with them, having remained there that night, the next day commenced the return journey. Number 118. Having subsequently arrived at the aforementioned third kraal, 119. the Hottentots hired by the first interrogated and defendant from that kraal had left them, 120. and to each of the Hottentots hired by the first interrogated and defendant a string of beads and a piece of tobacco was given as a reward. 121. That, continuing their journey hither, and having arrived at one of the Hottentot kraals situated closest to the Christians, 122. they found there the left-behind Bastert Hottentots Stoffel, Paul, and Griet, 123. while in the meantime the aforementioned Stoffel having become reasonably sick, 124. they had not been able to come. 125. At which place, some cattle being discovered by the first interrogated and defendant, 126. he, the first interrogated and defendant, had asked the aforementioned Paul 127. whether he also knew where the kraal was located whereto the cattle were heading. 128. This had been pointed out by the aforementioned Paul, 129. whereupon the first interrogated and defendant said in substance to the said Paul: 130. It is good that you know that; tomorrow you must with that
Dutch transcription
een enkeld woord hadden gespraaken. op die hottentotten met scherp geschooten. Art. 84. terwijl de derde gev: en ged:e na dat door de eerste en tweede gede en evengem: Andries van Zijl, de derde schoot was gedaan, meede op die hottentatten had geschooten. 86. Dat de eerste gemr: en ged:e de vierde Schoot gedaan en bespeurd hebbende. 87. dat dezelve Piet Eland en zijne meede makkers niet schooten. „terstond met zijn gelaaden geweer en g 88. spanden haar zich achter hunlieden begeeren. en onder 't voortstaoten met de tromp van 89. zijn geweer, hunlieden substantieelijk toege¬ valged:/ S: V: Verdoemde goed waarom schiet jij luij niet. 90. ziet jij luij niet, dat ik schiet. 91. en als zij luij niet schiet, dan zal zij luij 1 van dezelfde Jop krijgen. 92. des zijlieden daar op meede geschooten hadeen. 93. doch terwijl de eerste tweede en derde gesa: neevens meergem: Andries van Zijl geduurig van die hottentatten doodschooten. 94. zoo hadden zij lieden over die hettentetten heen geschooten. 95. gelijk het schieten van des morgens eircr 85 103. terwijl dezelve Piet Eland en de met hem aan de Overzijde der rivier bij die hetten¬ tothen geweest zijnde hetten totken, agt groote en twee kleine Kinderen van die hattentothen doodgeschooken hadden vinden leggen. 104. mitsg:s twee wijzen, dewelke uit vreeze in 't water gesprongen waaren, zilieden hadden zien drijvens 105. en van eene hotten tot tinne verstaan dat er noch meerdere hottentatten dood en gequest waren¬ acht uuren, tot laat in den, nademiddag aangehouden had. Art196. Dat, na dat men 't fehieten had opgehouden. de Eerste gevr:e en ged:e gem: Piet Eland en de overige hottentotten gelast had, zig door de rivier te begeeren. en alle de heesten van de voorsz: nuncquanqua hettenkotten van deeze zijde te brengen. 99. dezelve Piet Eland en de meergem: hottentotten zich dan ook tot dat einde door de rivier begeeren. 100. doch vermits de heesten door 't gestadig schieten verwelderd waaren. 401. zijlieden niet meer bij elkanderen en door de rivier aan deeze zijde hadden kunnen brengen. 102. als twee honderd twee en sestig, zoo graot als Klein. acht Art: 106. 97. 98. Art: 106. gelijk dezelve hottentottinne ook aan hun lieden gevraagd hebbende 107. Off 't de gewoonte van 't duitsch valk was, om hun zoo woordeladig dood te schieten 108. zijlieden geantwoord hadden, dat alle de duit„ „schers niet zoo waaren, maer dat kan zijl de eerste gesze: en gede: zulks had gedaan en hij een kwaad man was. 409. en bij aldien zij leeden boven in 't Land knaamen zulks zouden aangeeven. 110. des zijlieden zig maar zouden te vreeden houden 111. dat meergem: a iet Eland aan den eersten gevr: en gede: substantieelijk hebbende gezegt. 112. Baas, daar zijn rykelijk hottent attien dood¬ geschooten. 113. hij eerste geste: en gede: daar op geantwoord had 't is door mij even zoo goed, als of ik een blad Aem een boom trek 114. en de Heeren haagen niet eens na een hattenlot. 115. gelijk volgens 't verhaal van denzelven Piet Eland de voorsz: Nunequinqua Hottentotten zich in geenen deele ter waereld gesteld. 116. maar geduurende 't schieten hunne dooden en gequetsten in de bosschen zouden hebben ge¬ sleept. 117. dat de Eerste tweede en derde gevr:e en ged:e neevens de bij zich gehad hebbende hottentottien dien nacht aldaar verbleeven zijnde, desanderen daags de te rug reize hadden aangenoomen. N.:o 118. Vervolgens by de voorsz: derde kraal gekomen zijnde. 119. de door de Eerste gesz:e en ged„e uyt die kraal gehuurde hetten lotten van hun waaren afgegaan. 120. en aan welk ieder der door den Eerstgekz:e en ged. e gehuude hottentotken een streng coraalen en een stuk tabak tot belooning was gegeeven. 121. dat zijlieden de herwaards reize vervolgende, en tot een der naast bij de Christenen geleegen hetten teets kraal gekomen zijnde. 122. door hun lieden aldaar de agtergelaatene bas„ taard hottenbotten Stoffel, Paul en Griet, waren aangetroffen. 123. terwijl intusschen voorm: stoffel reëëlijk ziek geworden zijnde. 124. zuylieden niet hadden kunnen koomen. 125. alwaar ter plaatze door de eerste gesr:e en ged:e eenig zee ontdekt zijnde. 126. hij eerste gevr:e en ged:e aan voorm: Paul had gevraagd. 127. off hij ook wist, waar de kraal zich bevond, Waar van het tee heenen Streek. 128. zulks door voorm: Paul was aangewezen geworden 129. als wanneer de eerste gesre. en gede in substantie aan evengem: Paul had gezegt. 130. 't is goed, dat zij dat weet, jij moet morgen Dien met
English
with little Piet Eland, Gerrit Beer, Piet Namacqua, Ruiter, and Gerrit, go there and take away all the cattle, and shoot all the Hottentots dead, No 131, because all the Hottentots who remain in this region are nothing but rogues. 132. 133. Whereupon the said Paul had asked, "Master Jan! That will not go well, because I do not know what evil those Hottentots have done." 134. Nevertheless, the same Paul, alongside the aforesaid Hottentots appointed to that end by the first-named and defendant, had to proceed to the kraal. 135. While he, the first-named and defendant, had handed over his own musket to the same Paul, 136. while saying, "You must do what I order you, and if you do not do that, you will suffer for it, 137. for I have brought you this far into the field." 138. That the aforementioned Paul, alongside the frequently mentioned Little Piet Eland, Gerrit Beer, Piet Namacqua, Ruiter, and Gerrit, having arrived at the aforesaid kraal and having found the Hottentots of that kraal there, had fired two shots with loose powder among them, 139. 140. Article 141. whereby the same were immediately scattered and took to flight. 142. That the said Paul and his companions, in order to somewhat satisfy the first-named and defendant, had merely driven a few cattle from the herd. 143. 144. But that, they having advanced a short distance, some Hottentot women and children of that kraal had followed them and pleaded for their cattle. 145. Whereupon they, except for fifteen which they brought to the first-named and defendant, had returned all the cattle, 146. as they were afraid that if they brought nothing back to the first-named and defendant, 147. they would have to lose their lives, 148. without their having dared to make the least mention of what had happened to him, the first-named and defendant, 149. other than solely that, upon the question of the first-named and defendant 150. 151. why they had not complied with his order 152. to shoot all the Hottentots dead and bring all the cattle along, 153. they had answered, "Out of pity, 154. as none of those Hottentots had ever done them any harm." Article 155. Just as they, on that account, during the remainder of the return journey, were still frequently scolded by the first-named and defendant. 156. That they, Hottentots and bastard Hottentots who had arrived in the Hantam with the first, second, and third prisoners alongside the frequently mentioned Andries van Zijl, 157. the stolen cattle was divided between the first, second, and third named and defendants, together with the aforementioned Andries van Zijl, 158. 159. without them having received the least part thereof, although the first-named and defendant indeed wanted to give three of the stolen cattle to the aforementioned Piet Eland and some of them, 160. provided they kept everything secret. 161. However, the same Piet Eland and the others declined that 162. and in return desired three of his own breeding cattle, 163. which the first-named and defendant had refused to do. 164. Just as the aforementioned Piet Eland, alongside the bastard Hottentots Paul and Gerrit, also testified 165. that two of the Hottentots taken along by the first-named and defendant had already departed for the Namacqualand, 166. while they, on the contrary, had resolved 167. to make all that had happened known to the gentlemen (as they explained it), 168. as they were afraid to remain any longer among the Dutch folk. 169. That the plaintiff ratione officii, being thus reliably informed both of the expedition made inland by the prisoners and defendants alongside the abovementioned Andries van Zijl contrary to the express order of the Right Honorable Lord Governor, 170. as well as the acts of violence committed by the same against the Namaqua Hottentots and even the killing of some of the same caused thereby, has, for further elucidation, taken in two reports and two statements, 171. and from which it has appeared to him, subject to respectful correction, 172. 173. that the crimes committed by the prisoners and defendants alongside the frequently mentioned Andries van Zijl ought to be punished and opposed with the utmost rigor. But that the nature of the crimes considered in themselves, as well as the execution of the sentence to be pronounced in that regard, required 174. that he ought to secure the persons of the prisoners and defendants. 175. To that end, on November 6 of the recently passed year, he also addressed himself by petition to this Noble Honorable Court of Justice, and thereby requested a decree 176. by virtue of which the plaintiff ratione officii is qualified. 177. Article 178.
Dutch transcription
met kleine Piet Eland, Gerrit Beer, Piet Namacqua, Ruiter en Gerrit, daar na toegaan, en al 't vee weg neemen. en de hottentottien altemaal doodschieten. No 131. want alle de hothentotten, die in deeze streek 132. blijven, zijn maar schelmen. 133. waar op gem: Paul had gevraagd. Jan baas! dat zal niet goedgaan, want ik 134. weet niet, wat kwaad die hottentetken gedaan hebben. dezelve Paul neevens de voorsz: door de 1351. Eerste gevre: en gede: ten dien einde benoemde hottentotten zich egter na de kraal hadden moeten begeeren. 136. Terwijl hy Eerste gesze. en gede zijn eige snaphaan aan denzelven Paul had over„ handigd. 137. onder 't zeggen toe juluij moet doen wat ik zijluij ordonneer, en als Jijluij dat niet deed, dae rijluij van 't zelve verkoomen. 138. Want ik heb Jijluij zoo ter in 't veld gebragt. 139. Dat voorm: Paul neevens de meergem: Kleine Piet Eland, Gerrit Beer, Piet Numacqua, Ruiter en Gerrit bij de Voersz: Kraal gekoomen, en de hottenlotten van die kraal aldaar aangetroffen hebbende, Twee schooten met los kruijt, onder dezelve 140. hadden gedaan. 144. doch dat zijlieden een endweegs gevorderd zijnde, eenige hatten tottinnen en kinderen van die kraal hun gevolgd waaren, en om hun zee hadden gesmeekt. 145. des zijlieden op vijftien na, die zij lieden bij den eersten gene en ged. e hebben gebragt. 146:„ al het vee te rug hadden gegeeven. 147. alzoo zylieden bevreesd waaren, dat by aldien niets by den eersten gesr: en ged:e mogten terug brengen. 148 hun leeven te zullen moeten verliezen. zonder dat zylieden van 't voorgevallene 't minste 149 aan hem Eerste getr: en ged:e hadden durven bekend maaken. als alleenlijk, dat op de vraag van den eersten gesz: 150. en ged:e 151. Waarom zylieden niet aan zyn ordre hadden voldaan. 152. met alle de hostentetten dood te schieten en alle de beesten meede te brengen. 153 zylieden geantwoord hadden, uit meedelijden. 154. terwyl geene van die hottentotten hun ooyt eenig deed had gedaan. Art: 141. waar door dezelve terstond verstrooyd waaren en de vlucht hadden genoomen. 142. Dat gem: Paul en de zijnen om den eerstien gestt en ged:e enigzints genoegen te geeven. 148. slecht eenige beesten uit de troup hadden gevzaagd. Art: 141. Art: 155. No. 169. Art: 155. gelijk zijlieden desweegens geduurende de verdere Herug deize noch dikwils door den eersten gese en ged:e zijn bekeesen. dat zij lieden hottentatten en bastaard hottentotten. 156. dewelke met den Eersten tweeden en Derden gevangen„ 157. neevens de meergem: Andries van Zijl in den Mantam aangekomen zynde. 't geroofde zee tusschen den Eersten tweeden 158. en derden gesr:e: en Ged:e mitsg:s voorm: Andries van zijl, was verdeeld geworden. 159. zonder dat zi lieden 't geringste daar van hadden of schaon den Eersten gesz.: en ged:e wel aan voorm: 160. Piet Eland, en eenige van hun, drie van de geraaste beesten had willen geeven. mits zijlieden alles moesten geheim houden. 161. Regter 162. dezelve Piet Eland en de anderen ^ daar voor hadden bedankt. 163 en daar en tegen drie van zyne eigen aanteel beesten begeerd. 164. 't geen den Eersten gesr:e en ged:e niet had willen doen 165. gelijk voorm: Piet Eland, neevens de bastaard hotttentotten Paul en Gerrit ook betuigden. 166. dat twee van de door den Eersten genr:e en ged:e meedegenoomen Mottentotten reeds na 't Namacqua Land waaren vertrokken. 167. terwijl zijlieden zich daar en teegen hadden Voorgenoemen. 168. al 't voorgevallene /gelyk zij Lieden zich expliceerden, aan de Heeren bekend te willen bekoomen. als dan de door dezelve gepleegde faitelykheeden aan de nunequinqua hettentotten en het zelfs daar door om 't leeven brengen van zomingen derzelven tot meerdere elucidatie heeft ingenoomen twee 171. relaalen en twee verklaaringen. en waar uit aan hem onder Eerbiedige conrectie is voorgekomen. 173. dat de misdaaden door de getr:e en ged:e neevens meergem: Andries van Zijl gepleegd op 't regou¬ reurte behoorde gestreefd en tegengegaan te worden. Dan dat de aard der misdaaden op zich zelven 174. beschouwd, zoo wel als de Executie der ten dien opzichte te vallene sententie, requireerde. 175. dat hij zich van de persoonen van de gevr: en Ged:e behoorde te verzeekeren. 176. zich ten dien einde ook op den 6 November des Jongst gepasseerde Jaars bij requeste aan deezen Edelen Achtbaaren Raade van Justitie heeft geaddresseerd en daar bij verzogt decreet. - Uit krachte van 't welk de R: O: Eissr: gequa¬ 177. lificeerd word. maaken, alzoo bevreesd waaren, nu langer onder 't duitschzalk te blijven. Dat de ratione officii Eijss. r in diervoegen ten zeekeren geinformeerd zijnde, zoo van de Landwaards in door de Gedre: en ged:e neevens de bovengem: Andries Jan Zijl, teegens de uitdrukkelijke ordre van den WelEdelen Gestrengen Heere Gouverneur gedanen togt. maken Art: 178. 170. 172.
English
Article 178. to be allowed to apprehend the interrogated and detained persons together with the frequently mentioned Andries van Zijl, 179. and that it may please your Honorable Worships. 180. upon granting such a decree, to summon the interrogated and detained persons together with the said Andries van Zijl by mandate per missive, to appear in person before this Honorable Court on a certain day to be determined, in order to see the aforesaid then granted decree executed. 181. while such a decree, according to the ordinary course, 182. both due to the situation and the distant remoteness of the dwellings of the named and detained persons and the frequently mentioned Andries van Zijl, could never be executed. 183. upon which request made in that manner, your Honorable Worships have been pleased to grant to the ratione officii Plaintiff a decree of summons in person per missive against the interrogated and detained persons for the 7th of the month of February just passed, and enjoined the ratione officii Plaintiff to obtain further inquiries in support of that case. 184. That the interrogated and detained persons appeared on the aforesaid day, Andries van Zijl however not having appeared; 185. the ratione officii Plaintiff, based both on the evidence attached to his petition and two further obtained proofs, Article 186. before taking any claim or conclusion, has requested 187. that the first, second, and third interrogated and detained persons may go into close custody, 188. while against the non-appearing Andries van Zijl, default might be granted, 189. and for the benefit thereof a second summons per missive on pain of apprehension; 190. which requests have been granted to the ratione officii Plaintiff by your Honorable Worships. 191. That thereupon, before Commissioners from this Honorable Court, the ratione officii Plaintiff had the interrogated and detained persons questioned on such articles as had been drafted and submitted to that end by the ratione officii Plaintiff. 192. The first interrogated and detained person, in his answers, seems to wish to call into doubt, entirely contrary to his own conviction: 193. the reply communicated to him, the interrogated and detained person, in person by the burgher Barend Fredrik Lubbe, who had been tasked with delivering the letter from him, the first interrogated and detained person, to the Right Honorable Valiant Lord Governor, and receiving the reply thereto, Article 194. by pretending that he, the interrogated and detained person, could not well discern from it 195. whether his request made therein to undertake an expedition into the interior and go shoot elephants, and to be allowed to take some volunteers along, had been granted, 196. nor whether it had been prohibited; 197. he, the first interrogated and detained person, nevertheless confirms the opposite 198. with the answer given by him, the interrogated and detained person, to the 11th Article of his interrogation in response to the question: whether he complied with that order, stating there 199. that he could find no such great harm in it, 200. and seems to wish to palliate it again by further adding that he had gone on a journey to discover new land, 201. and because he saw that more people went on that journey, 202. and because his children were growing up, to go look for a farm for his children in that direction; 203. which palliative addition 204. is completely unmasked by his, the first interrogated and detained person's, own son, the second interrogated and detained person in this matter, Article 205. by his answer given to the 4th Article of his interrogation, 206. where the same, speaking of all the interrogated and detained persons, says their intention had been to go through the Hottentot nation up to the Caffers, and then to barter cattle from the Caffers. 207. That he, the first interrogated and detained person, may indeed have previously commanded the Hottentots and bastard Hottentots who were neither in his service nor in the service of the third named person, to pursue the Bushman Hottentots who had stolen the cattle of the burgher Paul Karsten, 208. but that he did not make them accompany the journey under that pretext, the contrary can be deduced both from his own confession to Articles 14, 15, and 17, 209. and from the answer given by the third interrogated and detained person to Article 4 of his interrogation, 210. wherein the same, being questioned, 211. answers categorically: Yes, on a commando. 212. That the first, second, and third interrogated and detained persons, on the journey undertaken by them and the aforementioned Andries van Zijl, as well as the abovementioned Hottentots and bastard Hottentots into the interior, at the
Dutch transcription
Art: 178. de gevr:e en ged:e neevens meergem: Andries van zijl, te moogen in apprehendie, 179. en dat 't van uwel Edele Achtbaarens welbe„ haagen mooge zijn. 180. bij 't verleenen dan een dergelijk decreet de gev: en ged. e neevens denzelven Andries van zijl„ by meudament pr missive te doen aanschrijven, op zeekere te bepaalene daage in deeze Edelen Achtb: Raade in perzoon te compareeren, ten einde het voorsz: als dan verleende decreet te zien ere cuteeren. terwijl een dergelijk decreet volgens den ordinaireu train. zoo door de situatie, als verre afgeleegenheid 182. der woonplaatzen, van de gen:t en ged:e in meer„ „gem: Andries van Zijl nooyt zou kunnen worden g'ëexecuteerd. 183 op welk indiervoegen gedaan verzoek uwelEd: Achthaarens van den rat: off: Eijss:r hebben ge: lieren te verleenen decreet, van dagvaarding in perzoon p. r missive op de gesr. e in ged: e teegen den 7. e der eeren afgeweekene maand, Februarij en den rat: off: Eyjss. r geinjungeerd nadere een„ questen tot adstructie van die zaake te meeten inwinnen. Dat de gedr:e en ged:e ten voorsz: daage ver„ 184. Scheenen, Andries van Ziel echter niet ge compareerd zijnde 185. de ratione off: Eijss. r zoo op fundament der 181 bij zijn request gezoegde als twee nadere in„ gewonne bewijzen. Art: 186. alvoorens eenigen Eisch ofte conclusie te neemen, heeft verzogt. 187. dat de Eerste, tweede en derde gesr:e en gede magt en gaan in beslooten hegtenisse 188. terwyl teegens de non comparant Andrias van zijl, mogten worden verleend default. 189. en voor 't profijt van dien eene tweede dag„ vaarding per missive op peene van apprehensie„ 190. welk eén en ander verzoek door UwelEd: Achtb: aan den Rat: off Eijssr is geaccordeerd geworden. 191. Dat daar op ten overstaan van Heeren Gecom¬ mit„s uijt deezen Edelen Achtbaaren Raade de rat: off: Eijss:r de gevr. e en ged:e heeft doen hooren op zoodanige articulen, als door de rat. off: Eijss:r tot dat eende waaren geformeerd en overgeleeverd geworden. 192. de Eerste gesre. en ged.e by zyne responsiven 't antwoord hem ges. e en ged:e in perzoon ge communiceerd door den Burger Barend Fredrik Lubbe. 193. die met de bezorging van de brieff van hem Eerste gevr:e en ged:e aan, en 't antwoord daar op van den ver WelEdelen Gestrengen Heere Gouverneur te ontfangen, was gelast, wel teegen zijne eijge overtuiging aan in bij twyffel twijffel schijnt te willen trekken: Art: 194. door dien hij voorgeeft, als off hij gesr: en ged:e daar uijt niet wel heeft kunnen bemerken. 195. off zijn gest. e en ged: e daar bij gedaan verzoek om een landtogt te doen en oliphanten te gaan schieten, en eenige vrijwilligers meede te moogen neemen, geaccordeerd was. 196. ook niet of 't verbooden was. 197. hij Eerste gevr: en ged:e echter 't tegendeel bevestigd. 198. met 't antwoord door hem gesk:e en ged:e bij 't 11e. Articul van zijn verhoor gegeeven op de Vraag „ off hij gesr:e aan die ordre heeft voldaan aldaar zegt. dat hij er zoo groot koaad niet in kon vonden. en het wederom schijnt te willen pallieeren door verdere bijvoeging. dat hij op rijs was gegaan om nieuw veld te ontdekken. 201. en om dat hij zag, dat er meer menschen op die togt gingen. 202. en om dat zyne kinderen groot wierden daer zyne Kinderen, die kant heen een plaats te hebben willen gaan zaeken. 203. welke paliatese bijvoeging 284. door zijn eerste gesr: en gede: eijgen zoon 200. 199. den tweeden gevze: en ged=e in deezen ten eene C maal word gedemasqueerd 2rt: 205. door desselfs op 't 4: art: van zyn verhoor gegeeven antwoord. 206. alwaar denzelven van alle de get:e en ged=e spreekende, zegt. „ hun intentie geweest te zijn om daer de „ kottentots natie tot bij de Caffers te gaan „ en als dan van de Cafers zee in te ruijlen. 207. Dat hy Eerste gevr:e en ged:e de Lottenletten en bastaard hottentotten dewelke nog en zijn dienst, nog in des derden gen:d dienst zijn„ wel bevoorens zou hebben gecommendeerd om de boszermans hotten totpen, dewelke het dee burger van den ^ Paul Karsten geroofd hadden, te agtervolgen. 208. dog niet onder dat preetext dezelve op de togt heeft doen meede gaan, kan het tegendeel, zoo uit zijne eijge confessie op art: 14, 15 en 17 worden gededuceerd. als uijt het antwoord door den derden gevre: en 209. ged:e op art:l 4. van desselfs terhoor gegeeven. 210. waar bij dezelven gevraagd zijnde. Cathegorisch antwoord Ja op een Commando. 211. 212. dat de Eerste, tweede en derde gesr:e: en ged. e op de reijze door hunlieden en voorm: Andries van Zijl, mitsg:s de bovengem: hattentotten en bestands hetten totten landwaards in. gedaan. den Bij
English
having arrived at a nation of the Hottentots who call themselves Kaalkoppen. The first prisoner and defendant claims to have been pressed by the same, and out of fear to have had to go along, in order to take away the cattle from the Nuncquinqua Hottentots, which they had robbed from those Kaalkoppen. Whereas the second and third prisoners and defendants only say that those Kaalkoppen had gone along to retrieve their cattle, without mentioning that they or anyone of theirs was pressed by the same. That the prisoners and defendants having subsequently approached the aforesaid Nunquinqua Hottentots, the prisoners and defendants, together with the often-mentioned Andries van Zijl and the Hottentots and bastard Hottentots who were provided with snaphaunces, had fired upon the same. Because, according to the claim of the first and third prisoners and defendants, the Nuncquinqua Hottentots had insulted them. And according to the statement of the second prisoner and defendant, because when they had approached those Hottentots to see if the Kaalkoppen were at enmity with them, they were shot at with arrows by those Houwsakken or Nunquinqua Hottentots. And that the shooting at those Nunquinqua Hottentots had indeed continued from around nine o'clock in the morning until late in the afternoon. Yet that those shots had fallen short. While the first prisoner and defendant nevertheless adds thereto to have understood from one of the Hottentots, that one of those Nunquinqua Hottentots was said to have been wounded. Which pretexts and excuses the first prisoner and defendant totally contradicted in his answers given to the 54th and 55th articles of his interrogation. Because at the 54th article he was asked whether he, the prisoner and defendant, had furthermore related to the petitioner that having arrived at one of those Hottentot nations, he was requested by the same to assist them against a roving nation, and at the 55th article, whether he, the prisoner, had furthermore related to the petitioner that he had consented to such, but that those Hottentots who had requested him for assistance had not dared to stand their ground against their enemies, and he, the prisoner and defendant, had therefore also returned. He, the first prisoner and defendant, also categorically answers Yes thereto, and even through the answer to the preceding 53rd article confirmed the contrary of the 12th article of his interrogation. The prisoners and defendants furthermore themselves frankly declare to have made an expedition inland, taken some merchandise along, and bartered some cattle, as well as to have fired at the Nuncquinqua Hottentots with bullets. While the prisoners and defendants seem to wish to deny the rest laid to their charge with that same kind of countenance, as they maintained throughout their entire interrogation, in order, were it possible, thereby to evade their well-deserved punishment. Just as they, the prisoners and defendants, with those same prospects finally indicate: namely, the first prisoner and defendant, that he imagines to have done well in having procured their cattle back for the Kaalkoppen; the third prisoner and defendant, that he finds no wrong in shooting dead Bushman Hottentots, nor in concealing and receiving stolen goods when they originate from Bushmen, but indeed when such is done to Christians or comes from Christians. While the second prisoner and defendant testifies to know well that it is wrong to violently attack the Hottentot nations and to put the same to death, as well as to rob the same of their cattle. But that he had to do so by order of his father, adding for his excuse once again thereto that it was the order of his father, and not to know ever to have shot a Hottentot dead. The officer acting as plaintiff, having demonstrated as briefly as possible the confession from the own mouths of the prisoners and defendants, now also reasonably trusts that the same demonstration being examined with the required attention, and reflection being made each time upon the countenance maintained by the prisoners and defendants both therein and in the further matter laid to their charge, and moreover the contents of the declarations being verified with the required accuracy, which have their relation both to the one and the other, and have been obtained by the officer acting as plaintiff, one will then very quickly be convinced.
Dutch transcription
bij eene natie der hottentotten, die zich kaal„ koppen noemen, gekoomen zijnde. de Eerste gevr:e en ged„e zoorgeeft door de Actt: 213 zelve geprest te zijn. en uit Vreeze te hebben moeten meede, 214. gaan. ten einde van de nuncquinqua hottentotten 215. het tee afteneemen. 216. 't welk zijlieden van die kaalkoppen had„ den geraefd. 217. daar de tweede en derde gesz:e en ged:e alleen lijk zeggen 218. dat die kaalkoppen meede gegaan waaren om hun zee te rug te haalen, 219. zonder te gewaagen dat zij lieden ofte iemand hunnen door dezelve geprest zijn. 220. dat de getr. e en ged:e vervolgens genaderd zijnde, bij de voorsz: nunquinqua hotten totten. 221. de gesr:e en Ged:e neevens meergem: Andries van zijl en de met snaphaanen voorzien geweest zijnde hottentotten en bastaard hottentotten op dezelve hadden geschoten. 222. om dat volgens 't voorgeeven van den eersten en derden gedr:e en ged:e de nuncquinqua hottentotten hun uitgescholden hadden. 223. en volgens 't zeggen van den tweeden gevre en ged:e om dat toen zy die hottentotten 232. genaderd waaren. Art: 224. om te zien of de kaalkoppen met dezelven in vijandschap waaren. zylieden door die houwsakken oft nun quinqua hottentotten met pylen geschooten zijn. 22. 6. En dat het scheeten op die nunquenqua hettentotten wel van des morgens omtrend neegen uuren tot laat en den nademiddag had aangehouden. 227. doch dat die schooten te kort waaren. geweest. 228. terwijl de Eerste gesr:e en ged:e echter daar bij voegd, van een der bottenhotten te hebben Berstaan, 229. dat een dier nunquinqua hotten totten zou gekwetst zijn. 230. Welke praetexten en Voorwendsels de eerste Gesze: en gede: bij zijne respensiven op 't 54. en 55. Artl: van zijn verhoor gegeeven, ten eenemaal heeft teegengespraaken. 231. door dien bij 't 54. articul hem gevraagd zijnde „ of hij Gesr:e en ged:te al verder aan den „ req:t heeft verhaald, dat hij bij eene dier „ hotten totten natien gekomen zijnde, door denzelven was verzogt, om hun te adsis¬ „teeren, teegen eene revende natie. en bij 't 55e: Articul. off hij Gesre: al verder aan den reqt: heeft 225 genaderd verhaald verhaald, dat hij zulks had ingewilligd „doeh dat die hottentotten, die hem om adsis„ „tentie verzogt hadden, niet hadden durven „stand houden, teegen hunne vijanden, hij „ Gesr:e en ged:e daarom ook was te rug gekeerd. 0 hij eerste genr:e en ged:e daar op meede Cathe„ gerisch antwoord Ja. en zelfs door 't antwoord op 't voorgaande 53. Articul 't teegendeel van 't 12e. Articul van zijn verhoer bevestigd. 235. de Gevr e en ged:e voorts zelve rondborstig ver„ klaaren, een togt landwaards in gedaan, eenige koopmanschappen meede genoomen en eenig zee ingeruild te hebben, mitsgaders op de nunequim¬ qua hottentotken met koogels te hebben ge¬ schooten. terwijl de gev:e en ged. e 't overige ten hunnen lasten gelegde met eeven die zoort van contenance schynen te willen ontkennen. als deselve bij hun Lied:n geheel verhoor hebben 237. gehouden. om waare 't mogelijk hun welverdiende straffe 238 daar door te ontduiken. gelijk zij get:e en ged:e met diezelfde vooruit„ 239. zichten eindelijk te kennen geeven. 240. en wel de Eerste getr:e en ged:e 241. zig te verbeelden wel gedaan te hebben, dat hy de Kaalkoppen hun zee wederom had bezorgd 242. den derden getr:e en ged:e 236. No. 233. Art: 243. dat hij geen kwaad vind in 't doodschieten van Bosjesmans hottenlotten, noch ook niet in 't heelen en ontfangen van geroofde goederen, als die van bosjesmans afkomstig zijn, maar wel als zulks aan Christenen gedaan off van Christenen koomen. 244. terwijl de tweede gev:e en ged:e betrugd wel te weeten, dat het kwaad is de hottentots natien geweldadig aan te vallen, en dezelve om 't leeven te brengen, mitsgaders dezelve van hun zee te berooren. 245. Maar dat hij zulks heeft moeten doen op ordre van zijn vader, voegende tot zijn verschooning, nogmaals daar bij, dat 't de ordre van zijn vader is geweest, en niet te weeten ooijt een hetten tot te hebben doodgeschooten. 246. De rat: off: Eijss.:r zoo kort doenelijk hebbende betaagd de eijgenmondige confessie van de gev:s en ged:s 247. vertrouwd ook nu billijk 248. dat 't zelve betoog met de vereischte attentie wordende geëxamineerd. 249. en telkens gereflecteerd op de contenance door de gevre en ged:e zoo daar in, als in het verdere ten hunnen lasten gelegde, gehouden. 250. en boovensdien met de gerequireerde accura„ „tesse wordende nagegaan den inhoud der ver„ klaaringen 251e. welke zoo tot 't een als 't ander haare relatie hebbende, en door de rat: off: Eiss:r zijn ingewon¬ nen, men als dan zeer spredig zal worden over, thugd. Art: 243. Art: 252. 234.
English
Article 252. That the posture adopted by the prisoners and defendants in general, and by the first and third prisoner and defendant in particular in that respect during their interrogation, 253. is confined solely to a concatenation of concocted disguises, 254. which contradict themselves, 255. and have not the slightest semblance of apparent truth in their favor. 256. That the Officer Ratu and Prosecutor, on the foundation of this and the undeniable truths arising therefrom, will consequently not take the trouble 257. to occupy the precious attention of Your Honorable Worships uselessly with a more extensive and detailed demonstration thereof, 258. but on the contrary will accept as a truth, established partly from the oral confession of the prisoners and defendants and partly from the obtained depositions, 259. that the crimes of the prisoners and defendants consist in the first place in this: 260. that the prisoners and defendants undertook a journey inland and took with them a quantity of merchandise, and exchanged the same for a quantity of cattle; 261. and furthermore, in the second place, that the prisoners and defendants violently attacked a Hottentot nation called the Nuncquinqua Hottentots and fired at them with bullets, in such manner that some of them were shot dead and others again were wounded. Article 262. That both of these crimes having undeniably been committed by the prisoners and defendants, 263. and the first being not only contrary to the statutory laws, 264. but also in particular against the express order of the Honorable Governor, 265. the Officer Ratu and Prosecutor will subsequently briefly examine 266. what punishment the prisoners and defendants have merited, 267. and which of those punishments ought to be inflicted upon the prisoners and defendants. 268. With respect then to the punishment which the prisoners and defendants have merited on account of the first crime committed by them, the prisoners and defendants, 269. the Officer Ratu and Prosecutor believes, subject to correction, that he may suffice by merely confining himself to the placarts repeatedly issued by the High Authorities of this country, 270. of which, in the latest published and everywhere posted on the 16th of June 1774, it is very expressly enacted: Article 271. that no one shall presume to carry on any, even the least, cattle trade with the Hottentots or Caffres, however insignificant it may be, 272. nor to this end proceed inland in person or with wagons or merchandise, 273. nor employ anyone else for that purpose, 274. upon pain that, in case they are hereafter apprehended for this, 275. even though they had exchanged the cattle merely amicably and without violence, 276. all the more so then 277. if any molest shall have been caused to the said Hottentots or Caffres on that account, 288. besides confiscation of their own cattle taken with them, as well as the traded cattle, wagons, and merchandise, 289. as disturbers of the public peace and violators of law and liberty, 290. according to the exigency and circumstance of the matters, 291. without any connivance, they shall be punished corporally at discretion, 292. yea, even with death. 293. Indeed, if one considers the true meaning of the aforesaid alleged statutory law, 294. and all that has been committed by the prisoners and defendants, 295. then one will immediately find in this same law the punishment 296. which the prisoners and defendants have merited on account of the second crime. 297. For by that same law it is expressly determined 298. that so much the more then, 299. if on that account, that is at the exchange or for the exchange of the cattle, any molest shall have been caused to the said Hottentots or Caffres, 300. such persons, as disturbers of the public peace and violators of law and liberty, according to the exigency and circumstance of the matters, 301. without any connivance, corporally at discretion, 302. yea, even with death shall be punished. 303. And the law speaks of Hottentots or Caffres, 304. and the prisoners and defendants themselves have acknowledged those Hottentots to be Nuncquinqua Hottentots; 305. then, in order to find the proportion of the punishment which the prisoners and defendants have merited on account of their crimes 306. and which ought to be inflicted upon them, 307. one only needs to examine what molest the prisoners and defendants have caused those Nuncquinqua Hottentots. 308. And then one will find that the prisoners and defendants themselves have fully confessed 309. that they not merely caused the aforesaid Nuncquinqua Hottentots some molest or trouble, 310. no, Honorable Worships, the prisoners and defendants, without any reason of crime, [illegible]
Dutch transcription
Art: 252. Dat de contenance, dewelke door de gesr=e en Ged:e in 't generaal en door de eerste en derde gev:e en ged:e in 't bezonder ten dien opzichte by derzelver Verhoor is gehouden 253= zich eenelijk bepaalen tot eene aan eenschaa„ keling van geëxcogiteerde dequisementen. 254. welke zich zelve teegenspreeken. 255 en geen de minste schijn van aparente waar„ heid voor zich hebben. 256: dat de rat: off: Eess:r op fundament van dit een en ander en van de onteegenspreekelijke waar heeden, daar uit voortvloeijende, zich dan ook„ vervolgens de moeijte niet zal geeven 257. om de kostbaare attentie van UWelEd: Achtb: nutteloos te decupeeren, met een breedvaariger en gedetailleerder betoog van dien. 258. maar ter contrarie als eene waarheid, welke gedeeltelijk uit de eigenmondige confessie der gete: en ged:e en gedeeltelijk uijt de ingewonne attestatien geconstateerd. aanneemen 25.9. dat de misdaaden der gev:s en ged:s bestaan in de eerste plaatze daar in 260. dat de Gev:d en Ged:e een togt landwaards in hebben gedaan sen met zig hebben genoomen een quantiteit koopmanschappen en daar voor een quantiteit zee geruijld. 261. en voorts in de tweede plaatse, dat de gev:t en ged:e eene hottentots natie de nunc„ „quinqua hottentotte genaamd, geweldaadig aangevallen en met koogels op dezelve geschoo„ ten hebben, zoodanig dat door eenige van de zelve doodgeschooten en andere wederom gequest zijn geworden. Art. l 262. dat deeze bijde misdaaden onteegenzeggelijk door de gev:d en ged:e gepleegd zijnde. 263: en wel de Eerste niet alleen strijdig met de Statutaire wetten. 264. maar noch in 't bizonder teegens de uitdrukke „lijke Ordre van den WelEdelen Gestrengen Heere Gouverneur. 265. de Rat: off Eijss:r tervolgens kortelijk na zal gaan. 266. welke straffe de ger:s en ged:e hebben geme„ „riteerd. 267. in welke dier straffe aan de gev:t en ged:s behooren geinfligeerd te worden. 268. ten opzichte dan van de Straffe, dewelke de Gess: en Ged:se uit hoofde van de eerste misdaad, door hun gev:s en ged:s gepleegd, gemeriteerd hebben. 269. Vermeend de r: O: Eijss:r /onder Correctie/ te kunnen volstaan met zich slechts te bepaalen tot de bij herhaaling door de Hooge overigheid deezer landen gemaneerde placcaaten. 270. Waar van bij de Jongste op den 16:e Junij 1774. gepubliceerd en alomme geaffigeerd, zeer uit¬ drukkelijk is gestatueerd. aangevallen Art: 271. Art: 271. Art: 297. dat niemand zich zal verstouten, eenige „de minste zee ruijling met de hottentotten off taffers, hoe gering zulks ook weezen mogte meer „ te doen. nog zig ten dien einde in persoon off met waagens off koopmanschappen landwaards in te begeeren. H 273: dan wel iemand anders daar toe te gebruiken. op peene, dat bij aldien dezelve na deezen daarop 274. agterhaald worden. 2750. off schoon zy 't zee ook maar in der minne en zonder geweld hadden geruijld. 276: zoo veel te meer dan. 277. Wanneer de gezegde hottentotten off laffers des, weegens eenige Overlast zal weezen aangedaan, buiten confiscatie van haar eigen meede genoomen 288. mitsgaders 't ingeruilde zee, waagens en koop„ „manschappen. 289. als stoorders van de gemeene rust en Schenders van regt en vrijheid. na exigentie en omstandigheid van zaaken. 290. 291. zonder eenige oogluikinge arbitralijk aan den lijke. 292. Ja zelfs met de dood zullen worden gestraft. 293 trouwens het men op den eigentlijken zin, van de voorsz: geallegueerde stalutaire net. 294. En op al 't geen door de gev:e en ged:e is gepleegd. 295. dan zal men terstond in deezelfde wet de Straffe vinden 296. die de gest:e en ged:e ant hoofde van de tweede misdaad hebben gemeriteerd want bij diezelvde wet uitdrukkelijk bepaald word. dat om zoo veel te meer dan. 298. wanneer diesweegens, dat is by de ruijling off om de ruijling van het zeef de gezegde hot„ „tentotten off Caffers eenige overlast zal weezen aangedaan. de zoodanige als stoorders der gemeene rust 300. en schenders van regt en vrijheid na exigentie en omstandigheid van zaaken. 30. 1. zonder eenige oogluiking arbitralijk aan den lijve. 302. Ja zelfs met de dood zullen worden gestreefd 303. en spreekt de wet van hettentotten, off Caffers. 304. en hebben de gev:e en ged:de zelve die hottentotten voor nuncquinqua hottentatten erkend: dan behoeft men om de proportie te vinden 305 van de straffe, die de gev:s en ged:s uijt hoofde van derzelver misdaaden gemeritteerd hebben, 386. en aan hun behoord geinsligeerd te worden. 307. slegts nategaan welken overlast de gev:e en ged:te die nuncquinqua hottentatten hebben aangedaan. 308. En dan zal men bevinden, dat de gev:e en ged:e zelvs volmondig hebben beleeden. 309. dat zylieden de voorsz: nuncquinqua hotten, titten niet slegts eenigen overlast off moeij te hebben aangedaan 310. neen Edele Achtbaare Heeren de gev:e en ged: hebben zonder door een eenige reede van misdaad eigen 272. 299.
English
No: 311. 312: having been forced in self-defense, shot with bullets at the aforesaid Hottentots from around nine o'clock in the morning until late in the afternoon. And did not the very person to whom the first accused and defendant appeals, having related 313. that a Hottentot was allegedly wounded, testify 314. that he had found many Hottentots dead, 315. and had seen many more wounded, 316. as well as that he had seen a Hottentot woman speaking with the Hottentot Groote Piet Eijland? 317. And did not this Piet Eijland himself testify in turn 318. that he found eight dead and many wounded Hottentots, 319. also saw two women floating who had jumped into the water out of fear, 320. and that the aforesaid Hottentot woman related to him 321. that there were still more dead and wounded? 322. Is it not the own son of the first accused and defendant, the second accused and defendant herein, who fully declared 323. that, after the cattle brought to this side of the river by the Hottentots had swum back through the river during the night, 324. he, together with his brother Andries van Zijl and 325. and the third defendant herein, having crossed the river the next day, retrieved the cattle for them, 326. and that around twenty head were delivered by the Hottentots to his, the defendant's father? 327. And of this kind of breach of the public peace is it, 328. which according to general statutory laws ought therefore to be punished more severely. 329. Sufficit enim, says the famous Carpzovius in Practica Criminalis part 1 question XXXV No: 28. reg: 2., ad poenam irrogandam ob violatam publicam pacem invadentem cum armis et coadunatis hominibus venisse, 330. licet actualis operatio et usus armorum non fuerit subsecutus. 331. That is: 332. for it is sufficient for the imposition of the punishment for breach of the public peace that the attacks were carried out with an armed force and assembled men, 333. even though the actual action and use of weapons did not follow, 334. after he had dealt with the three principal requisites, which must concur in the crime of breached peace, 335. from No. 14 to No. 22, 336. and thereafter for the clarification of No. 28 and for the 337. corroboration of what is set down therein, adduces a sentence handed down in the princely episcopal city of Verden in the month of December 1594, reading, translated from High German, as follows: 338. Although both prisoners D. a B. and D. b. do not wish to confess that the shot into Leijsten's house, by which he was shot through the arm and his pregnant wife was shot dead, was done by them, yet both have confessed that they came before Leisten's house at night armed, and committed violence against him etc., so shall they both, on account of such exercised and by them confessed public violence and the injury and murder inflicted thereby, regardless of which of them might have fired the shot, if they voluntarily persist in their previous confession made before the court, justly be punished with death by the sword. 339. And from this it follows, without respectful reverence, of itself 340. that according to the general principles of law and those of the statutory laws in particular, 341. the punishment of death ought to be inflicted upon the first and third prisoner and defendant, 342. the second prisoner and defendant however, by reason of his minority 343. and that he has consistently maintained having done everything by order of his father, ought to be dismissed with an extraordinary lesser punishment. By which and other reasons in due time, if necessary, to be further alleged, the ratione officii prosecutor, making his demand, concluded that the accused and defendants mentioned in the heading of this document shall be condemned by sentence of this Noble and Honorable Council to be brought to the place where it is customary here to execute criminal sentences, and there being delivered to the executioner, the first and third prisoner and defendants Adriaan van Zijl and Jan Wieser, having their eyes blindfolded and kneeling down before a heap of sand, are to be beheaded; to the end that their dead bodies may further be brought to the outer court, to be buried there under the gallows; further, that the second prisoner and defendant Petrus van Zijl be severely scourged with rods on the bare back, subsequently to be banished to Robben Eiland for the period of twenty-five years, with confiscation of the cattle declared by the prisoners and defendants to the number of one hundred and sixty head, or if they should have already been sold, the proceeds thereof for the benefit of the Honorable Company, and further condemnation of all the prisoners and defendants in the costs and expenses of justice, or to such other punishments as Your Right Noblenesses and Honors shall find and deem appropriate. Signed: H: Bletterman. In the margin: Exhibited in court on the 6th of March 1788.
Dutch transcription
No: 311. 312: eigen defensie genoodzaakt geweest te zijn. van des morgens omtrend neegen uuren tot laat in de nademiddag met koogels op de voorsz: hottenlotten geschooten. en heeft niet zelves die geen waar op den eerste gesr: en ged:e hem beraapt verhaald te hebben 313. dat er een hottentot gequetst zou zijn, getuijgd. 314. dat hij veele bottentotten doodgevonden had. 313. en nog veele gequetsten had gezien. 316: mitsgaders dat hij eene hetten tottinne met den hetten tot groote piet Eijland had zien spreeken. 317. en heeft deeze piet Eijland zelve niet wederom getuigd 318. dat hij agt dooden en veele gequetste hotten„ „tetten heeft gevonden. 319. ook twee wijzen die uijt vreeze in 't water gesprongen waaren, zien drijven. 320. en dat de voorsz: hottentottinne hem heeft verhaald. 321. dat er noch meerdere dooden en gequetsten waaren. 322. Js 't niet de eige zoon van den eersten gesz: en ged:e den tweeden geste: en ged=e in deezen die volmondig heeft verklaard 323: dat, nadat de door de hottentotten aan deeze zijde der rivier gebragte, tee des nagts wederom door de rikier gesconmen waaren. 324. hij neevens zijn broeder Andries van Zijl en 333. 332 want 't is voldoende ter oplegginge der straffe weegens openbaar rust ver¬ „breekinge, ^ dat tde aanvallen gewaapende „hand en met bij een vergaderde menschen afgekoomen zig. „ of schoon de dadelijke werking en gebruijk „der wapenen niet gevolgd zij. 8 334. na dat hij de drie voornaamste requisitien, dewelke in misdaad van verbrooken ruste moeten te zamen loopen 335: van n:o 14. tot n:o 22. had af gehandeld. 336. en daar na tot opheldering van n„o 28 en tot 328. dewelke na de algemeene beschreevene regten mitsdien swaarder behoorde gestraft te worden. 329. Stuifficit enim zegt den beroem den Carpzovius in Traxi Criminali pars 1 quast: XXXV N:o 28. reg: 2. ad peenam irrogandam obviolatam publicam pacem invadentem cum armis et coadunatis hominibus denisse. 330. licet actualis operatio et usus Armorum non suerit subsecutus. 331. dat is. en den derden ged:e in deezen Art: 325. des anderen daags door de rizier gegaan zijnde 't dee voor hun had gehaald. 326. en dat omtrend twintig stuks door de hottentotten bij zijn ged:s dader aangebragt zijn. 327. en van deeze soort van openbaare rust verbree„ kinge is 't den staaring Art: 337. staaving van het daar by nedergestelde, eene in de vorstelijke Bisschoppelyke stad Verden in de maand december 1594. geslaagen, sententie bijbrengt, luijdende uijt het hoogduitsch vertaald, aldus. of schoon beide gevangenen D: a B: en D: b: niet willen bekennen, dat door hun de schoot in Leijstens heijze, waar van hy door de arm en zyn zwangere vrouw doodgeschooten is geworden, zij gedaan, maar nochtans beide beleeden hebben, dat zijlieden in den nagt gewopender hand voor Leistens Huize gekoomen, en hem geweld aangedaan hebben &a zoo zullen zij beide, van weegens zoo danig uitgeoeffende en door hun beleede open. baar geweld en daar door toegebragte quetzing en moord, niettegenstaande welke van hun ook de schoot mogte hebben gedaan, zo wanneer zij op haare voorige gedaane bekentenisse voor tgerecht, vrijwillig blijven persisteeren, billijk met 't swaard ter dood gestrafd worden. En hier uit vloeijt dan sonder Eerbiedige 339. reverentie/ van zelve voort. 340: dat vervolgens de generale gronden van rechten en die der statutaire wetten in 't bijzonder 341. de Straffe des doods aan de eerste en derde gev: en ged:e behoord geïnfligeerd te worden. 342. den tweede gev: en ged e echter uit hoofde zijner minderjarigheid. 343. en dat hij by continuatie heeft staande gehouden alles ter ordre van zyne vader te hebben gedaan met eene extraordinaire mindere straffe behoord vrygelaaten te worden. Mits welke en andere reedenen in tyd en wijlen / is 't nood nader te allegueeren, de rat: off: Eijsschen Eysch doende, concludeerde, dat de gerre: en gede: in den hoofde deezes gemeld, by sententie van deezen Edelen Achtbaaren Rtade zullen worden gecondemneerd, gebragt te worden ter plaatze alwaar men alhier gewoon is crimineele sen, tentien ter Executie te leggen, en aldaar aan den Scheeprechten overgeleeverd, de eerste en derde gevangene en gedaagden Adriaan van Zijl en Jan Wieser hunne oogen geblend en voor een koap sand nedergeknield zynde, onthoofd te worden; ten einde voorts hunne doode lichaamen naar 't buiten gerecht gebragt, aldaar onder de galg begraaven te worden, wijders den tweeden gevangene en gedaagde Petrus van Zijl met roeden op de bloote rugge strengelijk gegeesteld, vervolgens voor den tyd van vyff en twintig Jaaren op 't robben Eiland gebannen te worden, met verbeurt verklaaring van 't door de gevs. en alles ged:s 338. ged:ts opgegeeven zee ten getalle van Een honderd en sestig stuks dan wel bij aldien reeds verkogt mogte zijn 't provenue daar van ten voordeele der E Compagnie en verdere Condemnatie van de gevangene en gedaagdens alle en de kosten en misen van Justitie ofte tot alzulken andere straffen als UwelEdele Achtbaerens zullen vinden en oordeelen te behooren /was geteekend/ H: Bletterman /in margine/. Exhibitum in Judicio den 6e Maart 1788.
English
Right Honourable and Stern Sir Governor Your undersigned servant. Requests with all humility and respect to be allowed to make an expedition inland to shoot elephants for the Honourable Company, while with my post as watchman I have fallen so far behind financially that I cannot decently raise the recognition money annually, and also if it should happen that I fall short in draught oxen, that I might trade a leading ox from the Hottentot women or purchase one, as I can best agree with them. Also my request is for some volunteers who intend to ride along, for assistance. As for the murderous and predatory Bushmen and Hottentots, it has been quiet until now, since the last time they were defeated. I very kindly request that you consent to and permit me the abovementioned matters. I very kindly request an answer to this letter, upon which I rely, and remain with all esteem and respect. Your Honour's humble and service-offering servant, former watchman (signed) A. Van Zijl (in margin) Akkerendam, the 28 April 1788. Monsieur Adriaan van Zijl writes to me that Willem Nel is preparing his horse wagon, says that the one who broke it and Christiaan Bok have a complete wagon, and Christiaan Keijzer also has a complete horse wagon, and Jan Zwart has a good horse cart, onto which you can load enough powder and lead, just as I had to do alone with Pouwel Karze the previous year. Pouwel Karze had to provide the cart, and I had to provide six horses and three oxen with the full gear and pay all expenses, and fetch the powder and lead myself. It seems to me that you are truly seeking to pick on me, for I am burdened in all things more heavily than another, but let it be, you will receive two wagon horses, and I remain after greetings your humble servant (was signed) David Frederik Strous the 8 August: Anno: 1788. Good Friend David Strous You are ordered to ride around and command all these mentioned persons, namely Christiaan Keijzer, Poulis Carse, Magiel Bok, Johannes Mostert and Evert Mostert, Daniel Rossou, Albertus Nel, Koert Rijk, Matijs Montsinger, Jacobus Adriaan Louw, a capable Baster Martinus Vos, Dirk van Neel, Bart Koopman and Cornelis Koopman, Adriaan van Wijk, Christiaan Mourits of the Gentlemen, Rudolf Rijk. All the persons who are not mentioned here must provide a capable Hottentot or Baster with a pack ox for the Commando. If anyone has a good pack ox, he must not neglect to provide it for the Commando. You are also ordered to command all the surrounding Hottentots and Basters who can be found there. Claus Heijnig and Jacob van Neil must ride with you or help you with horses, as you have the best means to command. If you can catch Dikkeep and Kobus Schaapwagter and Cornelis Hermanus, have them laid down and give each of them a good flogging, because they have not been obedient to my order, and command them again on Commando. On the 26 December, the commandeered persons must be present at Johannes Mattias Strous, with the slaughter cattle previously commandeered that were sent home again. Whoever did not give the previous time must now also each give five slaughter sheep. Trusting herein that these my orders may be observed for Your Honour's own preservation; being negligent herein, I shall make a proper report, not again to the Lord Landdrost, but to the Noble Lord Governor at Cabo de Goede Hoop, because until now I have received no answer from the Lord Landdrost to the previous report. Koopman
Dutch transcription
Wel Edele Gestrenge Heer Gouverneur 1 U ondergeteekende dienaar. Verzoek met alle ootmoed en eerbied om een Landtocht te mogen doen om oliphanten te schieten voor de Edele Compagnie, terwijl ik met mijn wachtmeesters baantje zoo veragteruyt¬ geraakt aen, dat ik recegnitie penningen met fatzoen Jaarlijks niet kan opbrenger, ook als het mogte komen gebeuren, dat ik in 't gebreeke blijff van weegens mijn trekbeesten, dat ik dan een voorspenning mogte ruijlen van de hattentottinne of koopen, zoo als ik best met haar luy accordee¬ ren kan, ook is mijn verzoek, om eenige vrywilligers die kan intentie is om mee te megen riden, tot bystand, wat de moordende en hoorende bosjer, mans hebbent otten aangaat, is tot nog toe stil, sint de laatstemaal, dat ze verslagen zijn, verzoeke zeer vriendelijk om mi de bovengemelde zaaken te consenteeren en toetestaan, verzoeke zeer vriendelyk niet toonder deezer brief om antwoord, Waar op ik mij verlaaten, en blyve met alle estime en eerbied. UE: onderdanige en dienst praesenteerende dienaar, geweesene Nagt meester /geteekend) A. Van Zijl/ (in margine/ Akkerendam den 28 April 1788. Monsieur Aderjan van Zijl schrijft my dat Willem Nel zyn paarden weegen in strekken is is, zegt dat die geene die hem gebrooken heeft en Christiaan Bok het een heelewagen en Christiaan Keijzer het ook een heele paarde waagen en Jan Zwart het een goeje paarde kar, daar gy kruijt en lood genoeg op laaden kan, zoo als ik voorgaande Jaar het met pouwel kerze alleen het moeten doen pouwel karze heeft de karre moeten geeven, en ik zes paerden en drie ossen met de volle toekehaeren en alle alle onkosten moeten doen, en zelfs kruyt en loot gehaald, het komt my te voeren, dat gy my regt zoekt uijttekeppen want ik worde met alle dingen waer beswaard, als een ander, maar gaat de gang, u bekomt twee waagen paarden, & en verblyve na groete uonderdanige dienaar (was geteekend) David Frederik Hrous den 8 August: Anno: 1788. Goede Vriend David Strous Gij word gelast om rond te tijden en al deeze gemelde persoonen te commandeeren, namentlyk Christiaan Keijzer Joulis Carse, Magiel Bok, Johannes Mostert en Evert Mestert Zamel Rossou, Albertus Nel, koert Rijk, Matijs Montsinger Jacobus Adriaan Lou, een be¬ „kwaame basterd Martinus Vas, Dirk van Neelbart Koopman en Cornelis Koopman Adriaan van Wijk, Christiaan Mourits van de Heeren Radalf Rijk al de perzoonen, die hier niet gemeld zijn, maet een bekwaame hattentot off bastert met een draag os tot de Commando geeven, als er iemand een goede draag os heeft, moet niet nalatig weezen, die tot de Commando te geeven, gy word ook gelest om alde omleggende hattendats en basterts, die er te winden zijn, te commandeeren, Elous heijnig en Jacob Aan Neil meet met u mee Riden of met paarden u helpen, zoo als u het best van maaden heeft om te commandeeren als gij dikkeep en Kobus Schawagter en Cornel is Hermanus Kan bekoomen, laat te neerleggen en geeft ze elk een goede loesing, om dat zij luiden mijn order met gehoorzaam geweest zijn en commandeerd te weer op Commando. den 26 December moeten de gecommenideerde persoonen by Johannes Mattias Strous, praesent zijn met de voor heen gecommandeerde slagt zee, die weer te huijs gestuurd is, die voorgaande keer niet gegeeven heeft, moet nu ook elk vijff slagt schaepen geeven, hier op vertrouwende, dat deeze mijne orders mogten opserveerd werden tot UE: eigen behoudenis hier in nalatig zijnde, zal ik behooelijk rapport doen, niet weer aan de Heer Land Drost, maer aan de Edele Heer Gouverneur tot Cabo de goede Hoop, om dat ik tot noch toe geen antwoord van de Heer LandDrost op de vorige aangemene gekreegen Koopman heb
English
may prove after greetings your friend. Signed Adriaan vanT Zijl in the margin Akrendam the 15 December Anno 1785. lower postscript we receive help from the raggeveld. Sir Landdrost Bletterman. Having received your letter dated the 6th September, I saw with astonishment from it that our negligent and derelict field cornet Adriaan van Zijl dares to say that we do not fulfill our duty, which is nevertheless without foundation, he did nothing for the commandos, as can be seen, and adjoining commando letters, he wants to fetch the gunpowder himself, has commandeered and received horses and harness, but my wagon I could impossibly give, nor are we obligated to give wagons to bring provisions for his household, and there was still enough gunpowder and lead for a large commando, but his delays perhaps aimed more at obtaining a salt pan in order thereby to seek his advantage to our detriment, rather than riding out to our benefit, orders are indeed given, but in 6 years time the commandos have not been further than the Visrivier at Jacobus Mouton, that is the turning point, there are 2 commanders, and still mostly a provision is made, how much trouble he has and takes to commandeer. Dear Cousin David Frederik Strous. You are ordered and requested by me to commandeer these below-mentioned persons in the strictest manner, and if anyone is negligent or stays behind in this and does not appear on commando in time, he may beware of damage, I shall summon him before the Council of War, and the discharged one who is not commandeered on commando must provide two capable Hottentots you can see from the adjoining letters, since he nevertheless has three grown sons and a house, I have never approached my government with lies, but have always sought the common good, and when I wrote to the Honorable Lord Governor, also wrote a petition to the Lord Landdrost for help, I have now written to the field cornet for assistance, or else I must flee, to which he replies to me, if I want to flee, I can do so, thus I am forced to depart tomorrow, in 6 years one commando was conducted by Jacobus Adriaan Louw, and Jan van Zijl, Your humble servant. Was signed: David Frederik Strous in the margin Hantam the 15th January 1786. Hannes Bota, Johannes Matthys Straus, and Willem Adriaan Nel have already fled from their places. or bastards in their place, and the surrounding Hottentots must also be present without fail, each with his pack ox, and every person must give five slaughter sheep for the commando, Christiaan Keyzer, Paulus Karsen, Hendrik Beukens, Coenraad Beukens, Jan Mosterd, Jacobus Rijk, Claas Heijning, Coert Rijk, Samuel Rosseuw, Roelof Lubbe, Lodewik Maneveld, the commandeered persons must be present without fail on the 28 May at Willem Nel behind the Hantam in expectation without fail below stood your friend was signed Adriaan van Zijl. Field cornet. Extract Resolution taken at the meeting of the Lord Landdrost and Council of War of Stellenbosch. Tuesday the 6th June 1786. The Field Watcher of the district across the Doornrivier and the Hantam, Adriaan That as the relator as holding a loan farm situated in the Hantam from the Honorable Company, deems, Account given in the presence of the undersigned commissioners at the requisition of the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein Hendrik Lodewijk Bletterman, by and on behalf of the Burgher David Frederik Strous of competent age, reading as follows. van Zijl, Pieter's son, having on account of his long-lasting service and advancing years, upon his request made in that regard, been discharged from the performance of his aforementioned function, in his place was again promoted to Field Cornet of the aforesaid district the Field Corporal there, Johannes van Zijl, Pieter's son; the said van Zijl shall at the same time be written to that he should as soon as possible submit a capable person who could be appointed in his place as Field Corporal. Below stood: agrees, A. A. Faure, Secretary.
Dutch transcription
heb blyke na groete UE: Vriend. /geteekend. Adriaan vanT Zijl /in margine/ Akrendam den 15 December Anno 1785. /lager/ post schipt um ( wij krijgen hulp van de raggeveld. Mijn Heer Land Drost Bletterman. UE: brief gedateerd den 6:e september ontfan„ „gen heb, met verwondering daar uijt gezien, dat onze nalaatige en verzuimende veldwagtmeester Adriaan van Zijl durst zeggen, dat wij onze pligt niet nakoomen, het welk dog zonder grond is, hij daed niets tot de Commandes, gelyk te zien, en bykomende Com: brieven, het kruyt haalen wan hij zelfs doen, heeft paarden en tuijgen gecomd: en gekreegen, dog mijn wagen konde on¬ mogelijk geeven, ook zijn wij niet verplicht om waagens tot previand voor zyne huyshouding te brengen, te geeven en daar was noch kruijt en loot genoeg door eene groote Commando, maar zijn opzyden heeft, misschien meer beoogt op een sout panne te verkrijgen om daar meede tot van ons nadeel zijn voordeel te zaeken, als tot verdeel van voor ons op te rijden, daar word welgecomman¬ deerd, doch in 6 Jaar tyds zyn de Command: niet verder geweest, als aan de Visrievier by Jacobus Mouton, daar is de Keerom, daer zijn 2 Commandantien, E en nog word en meest een provisie gesteld, hoe veel moeijte hij heeft en zieh daed om te comman deeren Waar de Neeff D Ik Strous. UE: word door mij gelast en verzogt om deeze onderstaande persoonen op zijn ernstigste te Commandeeren, en zoo er eenigen hier in nalatig of achter blijft en op Commando niet en tijd, die kan zich voor schaade wachten, ik zal hem dogvaarden voor den Krijgsraad en de afgeschreevene, die niet gecommandeerd is, op Commando, die moet twee bekwame hottentats kunt UE: aan bijkomende brieven zien, daar hy dog drie groote soons en huis heeft, ik ben nooyt mijne regeering met teugens voorgekomen, maar heb altyd het gemeene best gezocht, en als ik den WelEd: Heer Gouverneur geschreeven heb, ook een Smeekbrief aan den Heer Land Drost geschreeven om hulp, ik heb nu aan den wacht„ „meester geschreeven om bystand, of ik moet slugten, waar op hij mij antwoord, als ik vlugten wil, kan ik doen, alsoo ben ik genoodsaakt morgen te O vertrekken, in 6 Jaar is er een Commando gedaan door Jacobus Adriaan Louw, en Jan van Zijl, UE: onderdanige dienaar. /was geteekend:/ David Fred:k Strous /in margine/ Hantom den 15e Jan: 1786. Hannes Bota Johannes Matth: Sraus, en Willem Adriaan Nel zijn reeds van hunne plaatzen gevlugt. kunt off of basbaards in de plaats geeven, en de om„ „leggende hotten tots moet ook zonder fauten praesent zijn, elk met zijn draag os en ieder persoon moet tot de Commando geven vyff slagt Schaapen, Christiaan Keyzer, (Paulus Karsen Hendrik Beukens, Coenraad Beukens, Jan Mosterd, Jacobus Rijk, Clous Heijning, Coert Rijk, Samuel Rosseuw, roelof Lubbe, Lodewik Maneveld, de gecommandeerde persoonen moeten den 28 Maij by Willem Nel agter den Hantam zonder fouten present zijn in ver¬ wachting zonder fauten /onder stond/ UEtind /was / geteekend/ A„m V:n Zijl. Veld wagt meester Extract Resolutie genomen ter vergadering van den Heere Land Drast en Krijgs raade van stellen, „bosch. Dingsdag den 6. e Junij 1786. Den Veldwagter van 't district over de doornzivier en den Hartam, Adriaan Dat zoo den rel:t als bezittende eene plaats in leening van d' E: Comp:e in den Hantam geleegen, vermeend, Relaas gegeeven ten overstaan van de onderget: gecommitt:s ter requisitie van den Land Drost van Stellenbosch en Drakensteijn Hendrik Lodewijk Bletterman, door ende van weegens den Burger David Frederik Strous van Com, „petenten ouderdom, luidende als volgt. van Zijl PL: uit hoofde van zynen lang duurige dienst en klunmende Jaaren, op deswegens gedaan verzoek van 't waarneemen zyner voormelde Funche ontslagen geworden zijnde, wierd in des„ selfs plaatse wederom tot Veldwagtmeester van e 't voorsz: district bevorderd den veld Corporaal aldaar Johannes van Zijl Pietersz: zullende denzelven van zijl teffens worden aangeschreven dat hij ten spoedigsten een bekwaam persoon zoude hebben op te geeven, die als veld Cor„ „poraal in desselfs plaatse zoude kunnen worden aangesteld. — /onderstond/ accordeerd A: A: Faure Secret:s van in op.
English
In the month of April or May of the past year 1786, without being able to determine the exact day, his brother-in-law, the cooper Barend Fredrik Lubbe Andriesz, having come to the deponent, recounted to the deponent that he had been at the Cape with the Right Honorable Lord Governor with a letter from the former Field Veldwagtmeester in the Hantam, Adriaan van Zijl, containing a request that he, van Zijl, together with the aforementioned Lubbe and some other persons, might go on an expedition to shoot some elephants, and had on that occasion also brought along from the Cape a small box of beads for the said van Zijl, which Lord Governor had said he could not permit this, because shortly before there had been complaints about the looting and spearing by the Bosjesmans, and the men were therefore more needed in the district; but that he, van Zijl, had said to him, Lubbe, that he would undertake an expedition notwithstanding, adding at the same time that the father of him, Lubbe, had forbidden him to join that expedition, for he did not want his children to act contrary to the order of their lawful government, just as the deponent had then sent his wife with his aforementioned brother-in-law to the said van Zijl, in order to advise him against his intention. That the deponent in person, on the 6th of July following, saw the aforementioned van Zijl depart with two wagons, together with his two sons Petrus and Andries, as well as the burgher Jan Wieser, taking with them the bastard Hottentots Paul, Gerrit, and Stoffel, as well as the Hottentots Piet Eijland, Little Piet Eiland, Andries, and Ruijter, all of which Hottentots are usually employed in pursuit of the marauding Bosjesmans Hottentots, to the assistance of the residents there. That the aforementioned van Zijl, together with the aforementioned persons, having returned to the Hantam in the beginning of the month of November, the aforementioned Jan Wieser, a few days thereafter upon the question of the deponent how that expedition had turned out, said, very well, and we have brought back two hundred and sixty head of breeding cattle, of which I received eighty for my share. That late in the month of April, the burgher Jan Blom, residing on a certain farm of the burgher Petrus Pienaar situated on the Hartebeeste River, having come to the house of the deponent, had related to the deponent that about four hundred Namaqua Hottentots had been on the way to pursue the aforementioned van Zijl and his retinue, but that they, upon his advice that the said van Zijl lived too far inland, and they would thus ruin and overrun the farms of many other inhabitants, and would not be able to overtake him, van Zijl, had turned back. Relating nothing more, the deponent gives as reasons of knowledge as in the text, being prepared to confirm this further. Thus done and related at the Cape of Good Hope, the 15th of August 1787, before the Gentlemen Salomon van Echten and Gerrit Hendrik Meijer, members of the Honorable Council of Justice aforementioned, who have also duly signed the minute hereof, together with the deponent and me, the sworn clerk. Below stood: Which I witness. Was signed: R: J: v: D: Riet, sworn clerk. Confirmation. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice aforementioned, David Fredrik Straus, who, his preceding statement having been clearly and plainly read out, declared to persist therein, desiring that nothing more be added thereto or taken therefrom, and therefore, in confirmation of the truth thereof, spoke the solemn words: So help me God Almighty. Thus done, confirmed, and sworn at the Cape of Good Hope, the 16th of August 1787. Was signed: David Fredrik Straus. Lower: In my presence. Was signed: R: J: v: D: Riet, sworn clerk. In the margin: As commissioners. Was signed: S: v: Echten, G: H: Meijer. Today, the 22nd of September 1787. Appeared before me, Mr. Cornelis van Aerssen, Secretary of the Honorable Council of Justice of the Castle of Good Hope, in the presence of the after-named witnesses, the burgher Barend Fredrik Lubbe, of competent age, who, at the requisition of the merchant and Landdrost at Stellenbosch, Mr. Hendrik Lodewijk Bletterman, declared it to be true: That when he, the deponent, right at the beginning of the past year 1786, was at the farm of the Field Veldwagtmeester Adriaan van Zeijl, situated in the Hantam, the aforementioned van Zeijl having indicated to the deponent that he intended to make an elephant hunting expedition, then handed to the deponent a letter addressed to the Honorable Lord Governor, requesting whether, as this letter would serve to ask permission from the Honorable Lord aforementioned to undertake the aforementioned expedition, the deponent would thus deliver it to His Right Honorable upon his ride up to the Cape, which the deponent then also undertook to do, at the same time requesting of the aforementioned van Zijl that, if he should obtain permission thereto from the Honorable Lord Governor, he might then also join the aforementioned elephant hunt. That he, the deponent, then also pursuant to the aforementioned request of van Zeijl, when he, the deponent, to the best of his memory, in the month of April or May of the said year, from his father's farm, situated on the Oliphants River, to
Dutch transcription
in de maand April of May des gepasseerden Jaars 1706, zonder echter den positiven dag te kunnen be„ paalen, by den relt: gekomen zynde, desselfs zwager den Kuiper Barend Fredrik Lubbe Andriesz: aan den rect: heeft derhaald, dat hy aan de Caab, by den Weledelen Gestr: Heer Gouverneur, met een brief van den oud Veldwagt meester in den Hantam, Adriaan van Zijl geweest zijnde, behelzende een verzoek, dat hij van zijl, neevens voorsz: Lubbe en eenige andere perzoonen, op een tagt om eenige oliphanten te schieten, zig, mogten begeven, ook by die gelegenheid een kistje koraalen voor gem: van zijl van de Caab had meede gebragt, welgen Heer Gouverneur gezegt had, zulks niet te kunnen permitteeren, tewijl men kort bevoorens over het rooren en Steeken der bosjesmans geklaagd had, de manschappen dus nodiger in het district waaren, doch dat zij van zijl aan hem Lubbe had gezegt, des niet tegenstaande een togt te zullen doen, teevens daar bij voegende dat den rader van hem Lubben hem verbooden had, die togt niet meede te moeten doen, want hy niet wilde hebben, dat zijne kinderen teegen de ordre van hunne wettige overheid zoude handelen, gelyk den relt: zyn huisvrouw met desselfs Toorn: zwager, als toen naar gem: van Zijl hadden gezonden, ten einde hem zijn voorneemen af te raaden. Dat den rel:t in perzoon op den 6:e Julij daar aan voorsz: van zijl, neevens desselfs beide zoonen Petrus en Andries mitsgs: den Burger Jan Wieser, met twee waagens heeft zien vertrekken, meedenee„ mende de bastaard hottentotten, Paul, Gerrit en Stoffel, mitsg=rs de hottentotten Piet Eijland, kleine Piet Eiland, Andries en Ruijter, alle welke Hottenlotten gewoonlijk ter agtervolging dder roovende Bosjesmans hottentotten, ter adsistentie van de Opgezeetenen aldaar, zijn g'eëmploijeerd. Dat voorsz: van Zijl, neevens de evengemelde persoonen in het begin der maand November te rug in den Hantam gekomen zijnde, voorn: Jan Wieser, eenige daagen daar na op de vraage van den rel. t hoe het met die togt afgelopen was, gezegd had, heel wel, en wy hebben twee honderd en zestig stuks aanteel beesten meede gebragt, daar van ik voor mijn aandeel tachtig heb bekoomen. dat in het laatst der maand April, den Burger Jan Blom, woonagtig zijnde op zeekere plaats van & den Burger Petrus Tienaar geleegen aan de harte „beeste rivier, ten huize van den rel:t gekomen zijnde, aan den rel:t had verhaald, dat er wel omtrend vier honderd namacqua hottentotten op weg waren geweest om voorn: van zijl en zijn gevolg te vervolgen, doch dat dezelve op zijn Raad dat gem: van zijl te verre binnenwaards het Land woonagtig, en zy lieden dus veele andere ingezeetenen hunne plaatzen zouden ruineeren en afloopen; en met agt hem van zyl kunnen achterhaalen, te rug waaren gekeerd. dat niets Niets meer relateerende geeft den relt voor ree„ „denens van wetenschap, als in den text, bereid: zynde zulks nader gestand te doen. Aldus gedaan en gerelateerd aan Cabo de goede Hoop den 15 Augustus 1787 voor de Heeren Salomon van Echten en Gerrit Hendrik Meijer, Leeden uijt de E: Achtb: Raade van Iustitie voorm: die de minute deezes, beneevens den relt ende my gesw: Clercq meede behoorlijk hebben onderteekend. /:onder stond:/ 't welk ik getuige. /was geteekend/ R: JvD Kiet gesw: Clercq. Recollement. Compareerde voor ons onderget: gecommitt Uijt den E: Agtb: Raade van Iustitie voorm: David Fredrik Straus, dewelke zijn vorenstaande relaas, klaar en duidelyk voorgeleezen wezende, ver„ klaarde en by te persisteeren, met begeerte dat er niets meer by ofte van gedaan worden zal en sprek dierhalven ter bevestiging der waar „heid van dien de solemneele woorden, zoo waarlyk help mij God Almachtig. Aldus gedaan, gerecolleerd en beeedigd aan Cabo de goede Hoop den 16 Augustus 1787. /was geteekend/ David Fredrik Straus /lager my praesent /was getekend:/ RJ DRiet gem: Clercq /en margine/ als gecommitt /: was getekend / lehter G: H: Meijer. Huijden den 22 september 1787. Compareerde voor mij Mr: Cornelis van Aerssen, secretaris van den E: Agtb: Raade van Iustitie des Casteels de goede Hoop, praesent de nagenoemde getuigen, den Burger Barend Fredrik Lubbe van Competentien Ouderdom, dewelke, ter requisitie van den koopman en Land Drost te stellenbosch de Heer Hendrik Lodewijk Bletterman, ver„ „klaarde, hoe waar is. dat wanneer hij Compt: even in het begin des gepasseerde Jaars 1786. zich bevonden heeft op de plaats van den Reldwagtmeester Adriaan van Zeijl, ge= „legen in den Hantam, voorsz: van zeijl den Comp:s te kennen gegeeven hebbende, dat hy voorneemens was een togt op de oliphanten jagt te doen, den Comp. t als toen heeft ter hand gesteld eene missive aan den Edelen Heer Gouverneur geaddresseerd, met verzoek of, terwijl dezelve missive zoude dienen om by den Edelen Heer voorm: tot het aangaan van voorsz: togt verlof te vragen, de Comp:s dezelve mitsdien by zyn oprid naer de Caap aan hoogstgedagte zin welEd. Gestr: wilde overbrengen, het gunt den Comp:t dan ook heeft aangenomen, te gelyk aan voorsz: van zijl verzoekende, om by aldien hy van den Edelen Heer Gouverneur daar toe permissie mogt verkrijgen, als dan zig mede op de voorsz: bliphanten Jagt te mogen begeeren. Dat hij Comp:t dan ook ingevolge het voorsz: verzoek van van zeijl, wanneer hy Compt. na zijn best geheugen in de maand April of Maij des gem: Jaars van zyn vaders plaats, zynde aan de oliphants zikier geleegen, naar 1
English
rode to this main place, took with him the aforementioned letter from van Zeijl, and upon his arrival at the Cape handed it over to the Secretary of his more mentioned Honorable Sir. That he, the appearer, subsequently appeared in person before the Honorable Lord Governor, and having been immediately asked by his Honor, Are you that man who brought the letter from the field sergeant van Zeijl, to which he answered Yes, and then learned from his Honor that the aforementioned van Zeijl could not be permitted to go on the hunt to shoot elephants, since the aforementioned Honorable Lord was afraid that thereby more opportunity would be given to the Bushmen to come from behind and cause harm to the inhabitants in those fields; wherefore he, the appearer, having then also departed from the Cape, told the aforementioned Field Sergeant van Zeijl in the presence of Bart van Zeijl and the wife of David Kruijs, in the name of the well-mentioned Noble Lord, that his Honor was unwilling to grant the request to go on the elephant hunt, but that notwithstanding the appearer having made known the so clear order of the Lord Governor to the aforementioned van Zeijl, he, van Zeijl, as the appearer later learned, nevertheless went on the aforementioned expedition or elephant hunt with his two sons, namely Andries and Petrus van Zeijl, together with the burgher Jan Wiese, while he, the appearer, in order not to act against the commands of his authority, remained at home. Lastly, the appearer declares that during his aforementioned presence here, he received from a certain merchant Stadeler a soldier's chest in which there were glass beads and knives, for the mentioned van Zeijl. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons for his knowledge as in the text, being prepared, if required, to confirm the same with a solemn oath. Below stood: That this thus passed at the aforementioned secretariat in the presence of the clerks Willem Stephanus van Ryneveld and Johannes Henricus Fischer as witnesses, who duly signed the minute of this together with the appearer and me, the secretary. Below stood: Which I witness. Was signed: C. Jan Aerssen, Secretary. Re-examination. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, the aforementioned Barend Fredrik Lubbe, who, this his preceding declaration having been read aloud to him clearly and distinctly word for word, testified to persist by it, requesting that nothing more be added to or taken from it, and spoke therefore, in confirmation of the truth thereof, the solemn words: So truly help me God Almighty. Below stood: Thus re-examined and sworn at Cabo de Goede Hoop on the 24th of September 1787. Was signed: Barent Fredrik Lubbe. Lower: In my presence. Was signed: R. J. van der Riet, sworn clerk. In the margin: As commissioners: J. M. Horak, J. C. Gie. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, the Hottentot Piet Eyland, of competent age, who, at the requisition of the merchant and Landdrost of Stellenbosch and Drakensteijn, Mr. Hendrik Lodewijk Bletterman, declared how true it is. That the appearer, according to his best recollection in the rainy season of the past year 1786, without being able to specify the exact month or day, together with the fellow Hottentots, little Piet Eijland, Piet Namacqua belonging to the burgher Jan Wieser, Andries, and Ruiter, as well as the bastard Hottentots Paul, Gerrit, Stoffel, and Gerrit Beer, which last-mentioned were then residing with the Field Sergeant Adriaan van Zeijl, though now already departed in part to the Namaqua Land, while the appearer and his people now have their kraals in the Hantam, belonging under the command of the Field Sergeant Willem Adriaan Nel, having been commanded by the Field Sergeant Adriaan van Zijl to pursue the Bushmen Hottentots, who had stolen for the largest part the livestock from the place of the burgher Paul Carstens, with him, van Zeijl, and his two sons, Andries and Petrus van Zeijl, alongside the burgher Jan Wieser, he, the appearer, together with the aforementioned Hottentots, had duly complied with the order, and had followed him, van Zeijl, who had taken two wagons along. That the appearer, having arrived with the aforementioned persons all the way into the Namaqua Land, the mentioned van Zeijl had hired some pack-oxen from the Hottentots there, which had been loaded by him in the presence of him, the appearer, and the other Hottentots, with provisions and a quantity of beads and knives, while the mentioned van Zeijl only then declared to him, the appearer, and the other Hottentots that it was not necessary to pursue the Bushmen, but that his intention was to go shoot elephants, in order to deliver those tusks to the Honorable Company, and that he would give a portion to each of the Hottentots, which the appearer had indicated he was not willing to do, since his and his people's livestock in the Hantam were exposed to the Bushmen; but that by mentioned van Zeijl he had been forced to it with threats, and thus continued the journey with him, van Zeijl, and the accompanying company for up to nearly one and a half months from the Hantam along the great river, where the aforementioned bastard Hottentots Paul, Gerrit, and Stoffel remained behind, pretending that, since Andries
Dutch transcription
naar deeze hooftplaatze is gereeden, de vooren aangehaalde missave van van zeijl heeft medegenomen, en by zijne komst aan de Caap aan den Secretaris van meergem: zijn WelEd: Gestr: overhandigd. Dat hy Compt daar na in perzoon voor den Wel: Ed Get Heere Gouverneur verscheenen, en terstond door zyn Weled: Gestr: gevraagd zijnde, bent gij dien man, die de brieff van den wildnagtmeester tan zeijl gebragt heeft daar op Ja geantwoord en als toen van zyn welEd: Gestr: verkomen heeft, dat aan voorsz: van zeijl niet kon worden toegestaen, om zig op de kagt tot het schieten van oliphanten, te mogen begeeren aangezien den WelEd: Gestr: Heere voorm: bevreesd was, dat hier door aan de bosjermans meerder gelegenheid zoude worden gegeeven, om van agterende te komen en de ingezeetenen in die Velden nadeel te doen lijden; weshalven hij Comp: dan ook van de Caab vertrokken kijnden aan Voorsz: Veldwagtmeester van zeijl in tegenwoordigheid van Bart van Zzeijl, en de buisvrouw van David Kruijs„ uijt naam van Welgem: Edelen Heer heeft beteeld, dat zin Edele Gestr: het verzoek, om op de oligehan„ ten Jagt te gaan, niet heeft willen toestaan, dan dat niet tegenstaande de Comp:t: de voorsz: van zeijl, de zoo duidelijke ordre des Heere Gouverneurs heeft bekend gemaakt, hi van zeijl zig /: zoo als de Comp:t naderhand heeft vernomen, met zyne twee zoons, in name, Andries en Petrus van Zeijl, be„ neevens den Burger Jan Wiesen, echter op de voorsz togt of Oliphanten Jagt begeeven heeft, zynde hy Comp:t om niet teegens de beveelen van zyn overheid te handelen, te thuijs gebleeven. Laatstelyk verklaard de Compt. dat hy by zyn voorsz: aanweezen alhier van zeekeren negitiant Compareerde voor ons ondergeeke Gecommitts uijt den E: Achtb: Raad van Justitie dezes Gouver„ nements, voorm:/ Barend Fredrik Lubke, dewelke deeze zyne voorenstaande verklaaring van waer de tot woorde klaar en duidelik voorgeleezen zijnde, betuigde daar by te blyven persisteeren, met be¬ „geerte dat 'er niets meer bij ofte van gedaan worden zal, en sprak dierhalven ter bevestiging der waarheid van dien, de solemneele woorden zoo waarlijk help mij Rod Almagtig /onder stond:/ Aldus gerecolleerd en beeedigd aan Cabo de Goede Hoop den 24 september 1787. (:Was geteekend:) Barent Fredrik Lubbe (:lager:) my praekent (was geteekend:) R JV D Rriet, getw: Clercq. in margine /als gecommitt: I: M: Horak J: C. Gee. Stadeler een soldaate kistje, waar in zig glaase Coraalen en messen hebben bevonden, voor gem„ van zeijl ontfangen heeft. Niets meer verklaarende, geeft de Compt. voor reedenen van Wetenschap, als in den text, bereid zynde het zelve, des gerequireerd wordende, met solemneele Eede te staten. /:onder stond:/ Dat aldus passeerde ter secretarije voorm: ten bijweezen der Clercquen Willem Stephanus van ijneveld en Johannes Henricus Rischer als getuigen, die de minute dezes, benevens den Compt: en my secretaris meede behoorlyk hebben onder „teekend. /:onder stond:/ 't welk ik getuige /:was geteekend:/: C=s Jan Aerssen Seeret:— Recollement. Hadeler Compareerde voor ons ondergeteekende ge Committ:s uijt den E: Achtb: Raad van Iustitie deezes Gouvernements den Lottentot Piet Eyland, van Competenten ouderdom, dewelke ter requisitie @ van den koopman en Landdrost van Stellenbosch en Drakensteijn, de Heer Hendrik Lodewijk Bletterman, verklaarde, hoe waar is. Dat den Comp:t: volgens best onthoud in 't regen Saisoen van den gepasseerden Jaare 1786, zonder den positiese maand, of dag te kunnen bepalen, neevens de meede hettenkotten, kleine Piet Eijland, Piet Namacqua, behoorende aan den Burger Jan Wieser, Andries en Ruiter mits¬ „gaders de bastaard hottentotten, Paul, Gerrit Stoffel en Gerrit Beer, welke laat stgem: als taen by den Velmagt Meester Adriaan van Zeijl wonagtig waren, egter nu reeds voor een gedeelte na 't namacque Land vertrekken zijn, terwijl den Comp:t en de zyne hunne legplaatzen thans En den Hantam hebben, behoorende onder het Commando van den Veld wagt Meester Willem Adriaan Nel, door den Velde wagtmeester Adriaan van Zijl gecommandeerd geworden zijnde, om de bostermans zettenkotten, dewelke door 't groot ste gedeelte 't zee van de plaats van den Burger Paul Carsten hadde geroofd, met hem van zeijl en zijne twee zoonen, Andries en Petrus van Zeijl neevens den burger Jan Wieser te agtervolgen, hy Comp:t: nevens de voorsz: hattentotten, aan de ordre behoorlijk hadde voldaan, en hem van zeijl, dewelke twee wagens meede genomen had, gevolgd waaren. Dat de Comp:t met de voorsz: perzoonen, alle tot in 't diamacqua Land gekomen zijnde, gem: van zeijl eenige draag ossen van de hattentotten aldaar gehuurd had, die door hem ter praesentie van hem Compt: ende andere hottentatten met provi„ sien en een parthij Craalen en messen gelaaden geworden waaren, terwijl gem: van Zeijl, hem Comp:t en de overige Pottentotten, als toen eerst gede„ clareerd had, niet nodig te zijn, om de bosjes mans te vervolgen, maar dat zijn intentie was om oli„ phanten te gaan schieten, ten einde die tanden aan de E: EComp:e te leeveren, en aanieder der het tentatten een portie te zullen afgeven, 't geen de Compt: getoond had, zulks niet gaerne te willen doen, vermits zijn en der zijnen zee in den kantam voor de bosjesmans bloot gesteld waren. doeh daer gem: van zeijl met dreigementien daar toe genoodsaakt was geworden, en dus de reize met hem van zeijl en bij hebbend gezelschap ver„ volgd tot by na een en een halke maand van de Bantam langs de groote rivier, alwaar de voorsz: bastaard Nottentetten, Paul, Gerrit en Stoffel, verbleeven zijn, voorwendende, Dat, Andries vermits
English
Since the aforesaid Gerrit was sick and could go no further, the two aforementioned bastards were to bring the aforesaid Gerrit back home. That thereupon the aforementioned Van Zeijl, having continued their way with his aforesaid sons and Pieter Wieser alongside the Hottentots Kleine Piet Eijland, Piet Namacqua, Andries Ruiter, Gerrit Beer, and the deponent, up to three shifts across the Graafe River, the aforesaid Van Zeijl had then hired and taken along from the third Hottentot kraal some Hottentots to the number of four hundred forty-four, and continued the way with the Hottentots, while he, Van Zeijl, had occupied himself along the way with shooting sea-cows, to make use of them during the journey. That they, having ridden approximately fifteen shifts further, on a certain morning around eight o'clock, having approached a branch or part of the Great River near a kraal of the Nunquinqua, a kind of Namacqua Hottentots, who were on the other side of the Yellow River, the deponent had then seen that all the Hottentots, both big and small, came out of that kraal, presumably to see what was going on, whereupon he, Van Zeijl, and his sons had directly mounted their horses, and without them having spoken a single word with the Hottentots or those Hottentots with them, shot at those Hottentots with live ammunition. That the aforementioned Wieser, having waited to shoot until the aforementioned Van Zeijl and his sons had fired the third shot, had then also pulled the trigger of the gun like the others and continuously shot at the same Hottentots. That the aforesaid Van Zeijl, having fired the fourth shot and having noticed that the deponent and his comrades did not shoot, directly went behind them with his loaded gun, of which he had cocked the hammer; and while prodding them with the muzzle of his gun, had told them in substance, with respect, "Damned rabble, why do you not shoot, do you not see that I shoot, and if you do not shoot, then you will get the same sauce," and the deponent and his comrades, out of fear, had then shot along with the aforementioned four Europeans that entire day, but they, although the aforementioned Van Zeijl, his two sons, and Wieser continuously shot dead those same Hottentots, had always shot blindly over those same Hottentots, while that shooting had lasted from approximately eight o'clock in the morning until late in the afternoon. That when the shooting was finished that afternoon, the deponent alongside his comrades and the other Hottentots had been sent to the other side of the river by the aforementioned Van Zeijl (since they were dressed with skins on this side of the river), to bring all the cattle of those mistreated Hottentots to this side of the river to him, Van Zeijl, as they then also crossed the river pursuant to that order, but since the cattle were spooked by the shooting that had occurred, they had not been able to get more than two hundred sixty-two, both big and small, across that river. That the deponent with his accompanying comrades, besides Van Zeijl and the other persons, having remained that night on this side of the river, had departed from there the next day in the morning, and having continued on their way back home, had then arrived at the third kraal, whereupon the Hottentots hired by the aforementioned Van Zeijl from that kraal departed from them and went to their kraal, the aforementioned Van Zeijl having given each of those Hottentots a strand of beads and a piece of tobacco as a reward. That the deponent, continuing their way hither alongside the aforesaid accompanying comrades, having arrived near the closest kraal of the Hottentots on this side of the Christians, had then encountered along the road the aforementioned bastard Hottentots Stoffel, Paul, and Gerrit who had parted from them, the aforementioned Stoffel, being sick then, no longer being able to walk, while the aforementioned Gerrit was fully recovered again. That the aforementioned Van Zeijl, having discovered that some cattle were around there, had asked the aforementioned Paul at what place that kraal lay from which the cattle wandered, which was then also pointed out to him, Van Zeijl, by Paul. That the aforesaid Van Zeijl, having answered thereto in substance, "It is good that he knows that, you must go there tomorrow with Kleine Piet Eijland, Gerrit Beer, Piet Namacqua, Ruijter, and Gerrit and take away all the cattle of those Hottentots, and shoot all those Hottentots dead, for all those Hottentots who stay in this region are merely scoundrels." That the aforementioned Paul, having answered thereto to the aforesaid Van Zeijl in substance, "Yes master, that will not go well, and I do not know what evil those Hottentots have done," the aforementioned Paul, notwithstanding these reasons, had nevertheless been obliged to go, while Van Zeijl had given his own gun along to Paul, saying to them in substance, "You must do what I order, and if you do not do that, then the same will happen to you, for I have brought you this far into the country." That the aforesaid Hottentots having proceeded to that kraal pursuant to the aforementioned order (while the deponent and the aforementioned Stoffel remained with the cattle that had been robbed by the aforesaid Van Zeijl from the other Hottentots), and as the deponent had learned, upon their arrival at those kraals, had found all the Hottentots with their cattle. That when they, bastard Hottentots, had fired two shots with blank powder, the aforesaid Hottentots staying there had scattered from one another. That the aforementioned bastards, in order to satisfy Van Zeijl, took some cattle from the herd and brought them along.
Dutch transcription
Vermits Voorsz: Gerrit ziek was, en niet verder meede konde de beide gem: bastaarde voorsz: Gerrit te rug na huis zoude brengen Dat daar op gem: van zeijl zyne voorsz: zonen en Pieter Wieser neevens de hottentotten kleine Piet Eijland, Piet Namacqua, Andries Ruiter, Gerrit Beer en de Compt: hun weg vervolgd hebbende, tot drie schaften over de graafe rivier voorsz: van zeijl, als toen uit de derde Pattentots kraal eenigt hottentotten ten getalle van vier honderd vier en veertig gehuurd en meede genomen had, en de weg met de hottentatten vervolgd, terwijl hij van zeijl zig op weg bezig gehouden had, met zee koeijen te schieten, om daar geduurende de reijs gebruijk van te maken. Dat zijl: vijftien schoften na gissing verder ge„ reeden zynde op een zeekere morgen circa agt uuren bij een Craal van de nunquinqua een zoort van namacqua hottentatten, die aan de overzyde van de geele revier zynde, een spruijt of gedeelte van de groote rivier genaaderd waren hij Comp:t: als toen gezien had, dat alle de hottentot„ „ten, zoo groot als klein, uit die Craal kwamen, vermae¬ „delijk om te zien, wat er te doen was, wanneer hy van Zeijl, en zyne zoonen direct na hunne paerden waren gesteegen, en zonder dat zij l: met de hottentatten of die hottentotten met hun, een enkeld woord ge¬ „sprooken hadden op die hottentotten met schrp ge„ „schooten hebben. Dat voorn: Wieser met schieten gewagt hebbende, tot dat voorm: van zeijl en zyne zoonen, de derde schoot gedaan hadden, als toen zij 't geweer meede gelijk de andere los getrokken en geduurig op dezelve hetten¬ „totten geschooten had. Dat voorsz: van zeijl de vierde schoot gedaan hebbende, en gewaar geworden zynde, dat hy Compt: en zijne makters niet schooten, zig direct met zijn geleeden geweer, waar van hy de haar overgehaald heed, agter hun begeeven; en onder het voortstooten met de tromp van zijn geweer, hun substantieel toegevoegd had / S: V: Verdomde goed, waarom schiet Juyjlluij niet, siet Jijby niet, dat ik Schiet, en als Jyluy niet schiet, dan zal ziluij van dezelfde sop krigen, en had den Compt. en zijne makkers, als toen uit vrees dien geheelen dag met de voorm: Vier Europeesen meede geschoeten, dog hadden zijd: hettentotten hoewel gem: van zeijl zijne twee zoonen en wiesers geduurig van dezelve hattentotten dood ge¬ schooten hadden:/ altoos blind over dezelve hotten„ totten heen geschooten, terwijl dat geschiet ge„ duurd had van des morgens circa agt uuren tot laat in den nademiddag. Dat wanneer dien nademiddag met schieten uijtgescheiden was, hy Comp:t: neevens zyne makkers de andere hottentetten doer gem: van Zeijl, aan de overseide der rivier gezonden waaren (vermits zij l: met schilten aen deeze zyde van de rivier verkleeden zijn,/ om alle de beesten van die mishandelde hottentotten, aan deeze zyde van de rivier by hem van zeijl te brengen, gelijk zijl: dan ook ingevolge die ordre door de rivier gegaan zijn, dog vermits de beesten door het gedaanig schieten verwilderd Schoot waaren E waaren, hadden zijl: niet meer als twee Honderd twee en zestig zoo groot als klein kunnen door die rivier krijgen. Dat de Compt met zyne byhebbende makkers be„ needens van zeijl en de overige perzoonen, die nacht aldaar aan deeze zijde van de rivier verbleeven zinde, des anderen daags 's morgens van daar vertrokken waaren, en hun op weg weder na huis hebbende voort„ „gezet, als toen aangekomen zijn aan de derde kraal wanneer de doer gem: van Zeijl van die kraal gehuurde hettentotten van hun af en na hun kraal vertrokken waaren, hebbende gem: van zeijl aan een ieder dier hottentotten tot een belooning een streng Coraalen en een stuk tabak gegeeven. Dat de Comp:t: neevens de Voorsz: bij zig hebbende mackers hun weg na herwaards vervolgende omtrend de digtste kraal der hottentatten aan deeze zeyde van de Christenen gekomen zijnde, als toen de van hun afgegaane betoorm: bestaard hottentotten Stoffel, Paul en Gerrit, langs de weg aangetroffen had, kunnende gem: stoffel vermits toen ziek was, niet meer gaan, terwijl gem: Gerrit weder volkoe„ „men hersteld: was, Dat gem: van Zeijl ontdekt hebbende, dat daar omtrend eenig zoe zig bevond, aan gem: Taul gevraagd had, op wat plaats die kraah lijde, daar 't zee van liep, zulks dan ook door saul aan hem van zeijl was aangeweezen. Dat voorsz: van zeijl daar op in supstantie geantwoord hebbende, 't is goed dat hij dat weet Jn maet morgen met kleine piet Eijland, gerrit been Siet Namacqua ruijter en Gerrit daar na toe gaan en neemen al 't vee van die hottentotten weg„ en schieten die hettentetten altemaal dood, want al die hottentotten, die in deeze streek blijven, zyn maar schelmen. Dat Gem: paul daar op aan voorsz: van zeijl geantwoord hebbende in substantit, ja baas dat zal niet goed gaan, en ik weet niet wat kwaad die hetten¬ totten gedaan hebben, gem: paul, niet tegenstaande deeze reeden egter had moeten gaan, terwijl van Zeijl zyn eige geweer aan paul meede gegeeven had, onder het substantieel zeggen tot zyluij moet doen, wat ik ordonneere, en als zyluy dat niet doed, dan zal zyluij van 't zelfde overkoome want ik heb Jijluij zoo ver in 't Land gebragt. Dat de Voorsz: kettentitten hun ingevolge de voorm: ordre na die kraal hebbende begeeven, /:terwijl hy Comp:t en gemelde stoffel bij 't zee het welk door voorsz: van zeijl van de andere hotten tetten geroofd, derbleeven was, / en zoo den Comp:t: vernomen had, bij hun komst aan die Kraalen, alle de hittentetten by hun vee aange¬ troffen hadden. Dat wanneer zij bastaard hottentotten twee schooten met los kruijt, gedaan hadden, de Voorsz: daar onthoudende hettentotten, hun van den andere verstrooijd hadden. Dat gem: bastaarden ten einde van zeijl te voldoen, eenige beesten uit de troup gevragd en geantwoord. meede
English
had taken along, but that when they were some distance away from the kraal, some of those same Hottentot women and children had pursued them, weeping, and begged for their stolen cattle, whereupon those same basters had kept only fifteen cattle and out of pity had returned the others, without this having been told to van Zeijl by them upon their return, out of fear. That the said basters, having returned with the 15 aforementioned stolen cattle and having made their report, the aforementioned van Zeijl had scolded them, asking in substance, why have you people not complied with my orders, and brought all the cattle, and likewise shot dead all the Hottentots, the said basters having further said that they had refrained from doing so out of pity, because none of those Hottentots had ever done them any harm, while the said van Zeijl further on that occasion, as well as afterwards, had often scolded them about the negligence. The deponent testifying that when he, with the other Hottentots, had to go to the other side of the river, where the said van Zeijl had shot at the Hottentots, in order to fetch the cattle, they had at that time seen eight Hottentots and two small children dead, and still many wounded, also two Hottentot women who, out of fear, had fallen into the water and thus drowned, they having further learned from a Hottentot woman that there were still more dead and wounded, while those Hottentots had further asked him, the deponent, and his comrades, in substance, whether it was the custom of the Dutch people to shoot them dead so murderously, whereto the deponent and his comrades had answered that not all the Dutch were like that, but that van Zeijl had done so, and that he was an evil man, and that if they should come back upcountry, they would report this, and that they should just be satisfied. The deponent further testifying that when he had come back from across the river to van Zeijl, he had said in substance of him, alas, there are amply many Hottentots shot dead, the said van Zeijl having answered thereto, it is just as good to me as if I pluck a leaf from a tree, and the Gentlemen do not even ask about a Hottentot. The deponent further declaring that during the shooting, the Hottentots who were shot did nothing but drag their dead and wounded into the bushes, without having defended themselves in the slightest, as also that of the young livestock that had been stolen by van Zeijl from those Hottentots, during their journey hither, because of the hard driving, not being able to follow the herd, by order of van Zeijl, their throats were cut and they were thrown beside the road. The deponent further declaring not to have enjoyed anything for his share, nor had his comrades, the said van Zeijl having indeed wanted to give each of them three of the stolen cattle, provided they kept everything secret, yet they had declined that, but requested to have three of his own cattle, which he had not wanted to do, while van Zeijl with his two sons and the said Wieser, as soon as they arrived home, divided the said livestock among themselves, and Wieser also sold a portion of his cattle to a certain Paul Karsten, and a cow to Christiaan. The deponent testifying lastly that the said van Zeijl still kept with him his own Hottentots whom he had taken along, but that now two of them have departed for the Namacqua Land, while they had resolved to make all of this known to the Gentlemen, being afraid to remain longer among the Dutch people. Declaring nothing more, the deponent gives as reasons of knowledge as in the text, being prepared to confirm this further. Thus done at the Cape of Good Hope on 12 October 1787, before the Gentlemen Willem Ferdinand van Reede van Oudtshoorn and Hendrik Justinus de Wet, members of the Honorable Court of Justice aforesaid, who, together with the deponent and me, the sworn clerk, have duly signed the minute hereof. Below was written: Which I witness. Was signed: BJVD Riet, sworn clerk. Confirmation. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, the aforementioned Hottentot Piet Eijland, who, this preceding declaration of his having been read out to him clearly and distinctly word for word, declared to persist therein, with the desire that nothing more shall be added to or taken from it, testifying all the foregoing to be the pure truth. Thus done and confirmed at the Cape of Good Hope, 13 October 1787. Below was written: This cross the deponent made himself. Lower: In my presence. Was signed: RWVD Riet, sworn clerk. In the margin: As commissioners. Was signed: WF van Reede van Oudtshoorn, HJ de Wet. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, the Hottentots Paul and Gerrit, of competent age, who, at the requisition of the Merchant and Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Mr. Hendrik Lodewijk Bletterman, declared how true it is: That the deponent, to the best of his recollection, in the rainy season of the past year 1786, without being able to determine the exact day, together with the fellow Hottentots little Piet Eijland, big Piet Eijland, Piet Namacqua, Andries, and Ruiter, as well as the basters Stoffel and Gerrit Beer, which last-mentioned were at that time living with the Field Corporal Adriaan van Zeijl, however now already for a part [departed] to the Namacqua Land.
Dutch transcription
meede genoomen hebben, dog dat wanneer zij le= een End weegs van de kraal verwijderd waaren, eenige van diezelfde hottentattinne en kinderen, hun al huijlende agtervolgd en om hun geroofde beesten gesmeekt hadden als wanneer diezelfde bastaarden maar vijftien beesten gehouden en de andere uijt meedelijden zoude te rug gegeeven hebben, zonder dat zulks bij de te rugkomst door hun aan van zeijl uijt vreeze is gezegd geworden. Dat gem: bastaarden met die 15 voormelde gestoolene beesten te rug gekoomen, en door hun verslag gedaan zijnde voorst van zeijl hun geknord had, onder het substantieel vraagen, waarom heb Jijluij niet aan mijn ordres voldaan, en alle de beesten gebragt mitsg:s alle de hottentotten doodgeschooten, gem: bastaarden verder hadden gezegd, dat zij uijt meedeleijden zulks hadden gelaten, om dat geen van die hottentotten hun ooijt eenig heed hadden gedaan, terwijl gem: van zeijl verder bij die gelegenheid zoo wel als naderhand hun dikwils noch geknord had over de nalatigheid. Betuigende de Compt: dat wanneer hij met de andere hottentotten aan de Overzeijde der rivier alwaar gem: van Zeijl op de hottentotten geschoo¬ „ten had, hun hadden moeten begeeven, om het zee te haalen, zijl: als toen agt hottenlotten en twee kleine kinderen bood en noch veele gequetsten hadden gezien, ook twee hottentott inre„ die van angst in't water gevallen, en dus verdronken zijn, hebbende zijl: nog van een hottentoltinne vernomen, dat er nog meer dooden en gequetsten waaren, terwyl die hottentotten verders nog aan hem Compt en zyne makkers gevraagd had, en substantie of't de ge„ woonte was van 't luitsche volk om hun zoo moorsdadig dood te schieten waar op de Comp:t en zyne makkers geant„ „woord hadde, dat al de duitsche niet zoo waaren, maar dat van zeijl zulks gedaan had, en dat een kwaad man was, en dat indien zijl: weder na boven mogten komen, zij zulks zouden aangeeven, en dat zij d: maar moesten te vreden zijn Betuijgende de Comp:t: verder, dat wanneer hij weder van over de rivier bi van zeijl te rug was gekomen, hi in substantie van hem had gezegd, laas. daar is rykelyk hettentats deedgeschooten, gem: van zeijl daar op geantwoord. heeft, 't is voor mij even zoo goed, als off ik een blad van een boom trek, en daar vraagen de Heeren niet eens na een hottentot. Verklaerende de Compt: noch dat geduurende het Schretan de hottentotten, die geschooten wierden niets hadden gedaan, dan hunne dooden en gequetsten inde bosschen te sleepen, zonder hem in't geringste verweerd te hebben, als meede dat van 't jonge veel, dat door van zeijl van die hottenlatten geroofd te zijn, geduurende hunne reijze na herwaards, vermits hiet sterk dryven, de troup niet kunnende volgen, op ordre van van zeijl, de hals afgesneeden en bezeijden de weg gesmeeten te zijn. Declareerende de Compt: voorts niets door zyn aandeel zoo min als zijne makkers te hebben genooten, heb„ bende gem van zeijl wel van ieder hunner drie van de geroofde beesten willen geeven, mits zijl: alles moesten geheim houden, toch hadden zijd. daar voor bedankt, maar verzogt drie van zyn aanteel beesten, te mogen hebben 't geen hij niet had willen doen, verdronken terwijl terwil van zeijl met zyne twee zoonen en Gem: Wieser, 't gem: vee zoo draate huis gekomen waren, onder hun verdeeld en weeser een gedeelte van zijn Vee aan eene paul karsten, en een koeij aan Christiaan ook verzogt heeft. Betuigende de Comp:t: laatstelyk, dat gem: van zeijl zyn eijge meede genoomene hottentotten nog heeft bij hem gehouden, dog dat als nu twee derzelve na 't namacqua Land vertrokken zijn terwijl zijl: zig voorgenoomen hadden, dit alles aan de Heeren bekend te maaken, bevreesd zijnde om langer onder het duijtsche volk te blijven. Niets meer verklaarende, geeft de Compt: voor redenen van wetenschap als in den text, bereid zijnde, zulks nader gestand te doen. Aldus gepasseerd aan Cabo de goede Hoop den 12:e October 1787. voor de Heeren William Ferdinand van Reede van Oudshoorn, en Hendrik Justinus de Wet Leeden uit den E: Achtb: Raad dan Justitie voorm: die de minute deezes beneevens de Comp:t ende mij gesw: Clercq meede behoorlijk hebben onderteekend. /onder stond:/ 'T welk ik getuige /was getekend/ BJVD Riet gesw: Clercq. — Recollement. Compareerde voor ons ondergeteekende gecommitt:s uit den E: Achtb: Raad van Justitie deeze s Compareerde voor ons ondergeteekende Gecom: „mitt:s uit den E: Achtb: Raade van Iustitie deezes Gouvernements de hattentotten Paul en Gerrit van Com„ „petenten ouderdom dewelke ter requisitie van den Koopman en LandDrost van Stellenbosch en Drakensteijn, de Heer Hendrik Lodewijk Bletterman, verklaarde, hoe waar is. Dat de Comp:t volgens best onthoud in 't regensaisoen van den Gepasseerden Jaare 1786. zonder den positiven dag te kunnen bepaalen, neevens de meede holtentotten kleine Piet Eijland, groote Piet Eijland, Siet Namacqua Andries en Ruiter, mitsg:s de lastaarden Stoffel en Gerrit Beer, welke laatstgem: als teen by de Veld„ „wagtmeester Adriaan van Zeijl woonagtig waaren, egter nu reeds voor een gedeelte na 't Namacqua Aldus gedaan en Gerecolleerd aan Cabo de goede Hoop; den 13 October 1787. /:onder stond:/ dit/ kruijs heeft de Compt: zelfs gesteld /lager// mi praesent /was geteekend RWVD Riet gesw: Clercq. /in margine / als Gecommitt. t ( was „geteekend:/ WJtseede van Sudtshoorn, Holewet. Gouvernements voorm: hottentot Piet Eijland dewelke deeze zyne vorenstaande verklaaring klaar en duidelijk woordelyks voorgeleezen wezende, verklaarde daar by te blijven persisteeren, met begeerte dat er niets meer bij ofte van gedaan worden zal, betuigende al 't vorenstaande de zuijvere waarheid te zijn. /:onder stond:/ Gouvernements e Land 6 L: K.
English
country had departed, and the first-mentioned resided with the burgher Jan Wieser, while Piet Eiland the elder and his people, now their kraals situated in the Hantam, belonging under the command of the Field Corporal Willem Adriaan Nel, having been commanded by the former Field Corporal Adriaan van Zeijl to pursue the Bushmen Hottentots, who for the most part had stolen the cattle from the place of the burgher Paul Carsten, with him, van Zeijl, and his two sons, Andries and Petrus van Zeijl, alongside the burgher Jan Wieser, they, the appearers, alongside the other Hottentots, had properly complied with that order, and had joined him, van Zeijl, who had taken two wagons along. That the appearers having all come with the aforesaid persons into the Namaqua Land, the aforesaid van Zeijl had rented some pack oxen there from the Hottentots, which were loaded by him in the presence of the appearers and the other Hottentots with provisions and a quantity of beads and knives, while the said van Zeijl then for the first time declared to the appearers and the remaining Hottentots that it was not necessary to pursue the Bushmen, but that his intention was to go shoot elephants, in order to deliver the tusks to the Honorable Company, and to give each of the Hottentots a share, which the old Piet Eiland had shown he was not willing to do, since his kraal in the Hantam had been exposed to death by the Bushmen, yet by the said van Zeijl, as well as the appearers, had been forced to do so with threats, and thus continued the journey with him, van Zeijl, and the accompanying party, up to nearly one and a half months from the Hantam, along the Great River, where the appearers stayed with the aforesaid Stoffel, since the second appearer had fallen ill. That the aforesaid van Zeijl and his retinue, leaving the appearers behind, continued their journey inland, while the appearers with the aforesaid Stoffel began their journey back upward here, which journey, however, had to proceed very slowly because of the sickly condition in which the aforesaid Gerrit found himself, the aforesaid Gerrit having afterward fully recovered, and the aforesaid Stoffel having fallen ill again. That they, the appearers, thus gradually after the lapse of some weeks had advanced near the closest kraal of the Hottentots on this side of the Christians, when the aforesaid van Zeijl and his retinue, who had departed from them, overtook them from behind. That the said van Zeijl, having discovered that some cattle were located thereabouts, had asked the first appearer at what place that kraal lay, where the cattle walked, which was then also pointed out by the first appearer to him, van Zeijl, van Zeijl having replied thereto in substance, it is good that he knows that, they must go there tomorrow morning with little Piet Eiland, Gerrit Heer, Piet Namacqua, Ruijter and Gerrit, and take all the cattle of the said Hottentots, and shoot all the Hottentots dead, for all those Hottentots who remain in this region are rogues. That the appearer having replied thereto to the aforesaid van Zeijl in substance, yes master, that will not go well, and I do not know what evil those Hottentots have done, the appearers nevertheless, despite these reasons, had to go, while van Zeijl had given his own gun to the first appearer, with the substantial words, then you must do what I order, and if they do not do that, then the same will happen to them, for I have brought you so far into the field. That the appearers and the other Hottentots, having proceeded to that kraal pursuant to that order, while the old Piet Eiland and the aforesaid Stoffel remained with the cattle, which had been brought by the aforesaid van Zeijl and his retinue upon their return, to the number of two hundred and seventy odd, and arriving there, had found all the Hottentots of that kraal with their cattle, whereupon they, the appearers, and the other Hottentots, had fired two shots with blank powder, the Hottentots having thereupon scattered from one another and taken flight. That the appearers and the other Hottentots, in order to satisfy the aforesaid van Zeijl, only drove some beasts out of the herd and took them along, but that when they had advanced a short distance from the kraal, some of the same Hottentot women and children pursued the appearers crying and pleaded for their stolen cattle, whereupon the appearers and their companions returned all the cattle stolen by them to those Hottentot women, and kept only fifteen head, because they were afraid, if they brought nothing, that they would then have to lose their lives, without them daring to say anything of what had happened, except only upon the questioning of the aforesaid van Zeijl as to why they had not complied with his order to bring all the beasts along and shoot the Hottentots dead, they had replied that they had refrained from doing so out of pity, because none of those Hottentots had ever done them any harm, while the said van Zeijl had further on that occasion, as well as frequently afterward, scolded them about their negligence. The appearers declaring to have enjoyed nothing for their share, nor had their companions, while van Zeijl with his two sons and the said Wieser, as soon as the cattle arrived home, divided it among themselves, and Wieser sold a portion of his cattle to one Paul Karsten and one cow to Cornelis Bok. As well as the appearers finally declare to have learned from the other Hottentots who went along that the aforesaid van Zeijl, his sons, and
Dutch transcription
Land vertrokken zijn, en de Eerstgem: bij den Burger Ian Wieser ter woon waaren, terwijl Pet Eijland, de oude en de zijne, thans hunne legplaatzen in den Tantam geleegen, behoorende onder 't Commando van den Veldwagtmeester Willem Adriaan Hel, door den Oud Veld wagtmeester Adriaan van Zeijl gecommandeerd geworden zijnde om de bosjesmans hottentotten, dewelke voor 't grootste gedeelte 't zee van de plaats van den Burger Paul Carsten hadden geroafd met hem van Zeijl en zijne twee Zoonen, Andries en Petrus van Zeijl, neevens den Burger Jan Wieser te agtervolgen, zij Compten neevens de andere hottentotten, aem die ordre behoorlijk hadden voldaan, en hem van zeijl, dewelke twee waagens mede genomen had, gevoegd waaren. Dat de Comparanten met de Voorn:e: perzoonen alle tot in 't Namacqua Land gekomen zinde, voorm: van zeijl eenige draag ossen aldaar van de hottentotten gehuurd had, die door hem ter praesentie van de Comp=ten en de andere hottentotten met provisien en een parthij Eraalen, en messen gelaaden geworden waren, terwyl gem: van Zeijl, de Comp=ten en de overige Lottentotten, als toen eerst gedeclareerd had, niet nodig te zijn om de bosjesmans te agtervolgen, maar dat zijn intentie was, om Oliphanten te gaan schieten, ten einde de tanden aan den E: Comp:e te leeveren, en aan ieder der hottentotten een portie te zullen geeven, 't geen de Oude Piet Eiland getoond had, zulks niet gaarne te willen doen, vermits zijn heeen den Hantam voor de bosjes mans doodt gesteld waaren, dog door gem: van Zeijl, zoo wel als de Comp„ten met dreige„ „menten daar toe genoodsaakt was geworden, en dus de reize met hem van Zeijl en byhebbend geselschap vervolgd, tot by na een en een halve maand van den Hantam, langs de groote rivier, alwaar de Comp ten met voorsz: Stoffel verbleeven zijn, vermits den twee„ „den Comp„t ziek was geworden. Dat voorm: van Zeijl en zijn gevolg met agterlating der Compten hunne deeze landwaards in hebben vervolgd, terwijl de Comp=ten met voorn: stoffel hunne reize hier weder na boven hebben aangenomen, welke reize echter zeer langzaam heefft moeten geschieden, om de ziekelyke omstandigheid, daar voorsz: Gerrit zich in bevond, zynde Voorsz: Gerrit naderhand volkomen hersteld, en voorsz: Stoffel weder ziek geworden. Dat zij Compten. dus langsaamer hand na verloop van eenige weeken gevorderld waaren omtrend de digtste khaal, der hoftentotten aan deeze zyde van de Christenen, als toen de van hun afgegaane voorm: van Zeijl, en zijn gevolg hun haren agter opgekoomen. Dat gem: van Zeijl ontdekt hebbende, dat daar„ „omtrent eenig zee zich bevond, aan den Eersten Compt: gevraagd had op wat plaats die kraalleidde, daar 't „vee van liep, zulks dan ook door den Eersten Comp:t: aan hem van zeijl was aangeweezen, hebbende van Zeijl daar op in substantie geantwoord, 't is goed, dat Hij dat weet, zij moet morgen gchtend met kleine Piet Eilandt, Gerrit Heer, Piet Namacqua, Ruijter en Gerrit daar na toegaan, en neemen al 't vee van gem: de van de bottentots nag, en schieten allemaal de hottentots dood, want alle die hottentots, die in deeze streek blijven, zijn schelmen. Dat den Comp:t: daar op aan voorsz: van Zeijl ge„ antwoord hebbende in substantie, Jaa baast dat zal niet goed gaan, en ik weet niet wat kwaad die hotten„ totten gedaan hebben, den Comp:t echter niet tegenstaande deze Reeden, hadden moeten gaan, terwijl van zeijl zyn eigen geweer aan den Eersten Comp:t meede gegeeven had, onder 't substantieele zeggen, toen Jullen moet doen wat ik Ordonneer, en als zijluij dat niet doed, dan zal zyluy van 't zelfde overkoomen, want ik heb Jnluij zoo vere in 't veld gebracht. Dat de Comp=ten en de andere hottentotten hun inge„ „volge die ordre, na die kraal hebbende begeeren, „terwijl de Oude Piet Eiland en voorsz: Stoffel bij 't vee, 't welk bij voorn: van zeijl en zijn gevolg bij hun te rugkomst, ten getalle van twee honderd en in de zeventig waaren gebragt, verbleeven was, en aldaar komende, alle de Bottentotten van die kraal by hun vee hadden aangetroffen, wanneer zy Comptien en de andere kottentetten, twee schooten met los kruijt hadden gedaan, hebbende de hottentotten hun altoen van malkanderen verstrooijden op de vlugt begeeven. Dat de Compte en de andere hottentotten ten einde voorsz: van Zeijl te voldoen, slechts eenige beesten uit de troup gejaagd, en mede genomen, dog dat wanneer zijl: een eind weegs van de kraal gevorderd waarens, eenige van dezelve hottentottinnen en kinderen hun Comp„ten al huilende achtervolgd en om 't van hun geroofde zeer gesmeekt hadden, als wanneer de Compten en hunne makkers aan die hollentot, tinnen al 't door hun geroofde zee terug gegeeven hadden, en slechts vijftien stuks gehouden, om dat zij bevreesd waaren, indien zij niets mogten brengen, als dan hun leeven te zullen moeten verliezen, zonder dat zijl: iets hebben durden zeggen van 't voorgevallene, als alleenlijk op de afstraage van voorsz: van Zeijl, waarom zij L: niet aan zijne ordre hadden voldaan, om alle de beesten meede te brengen, en de Bottentotten dood te schieten, zijl: hadden geantwoord, dat zij uit meedelijden zulks hadden gelaaten, om dat geen van die hotten„ totten hun ooijt eenig kwaad hadden gedaan, terwijl gem: van zeijl noch verder bij die gelegenheid, zoo wel als naderhand hun dikwils noch geknord had, over hun nalatigheid. Betuigende de Compten niets voor hun aandeel zoo min als hunne makkers te hebben genooten, ternijt van zeijl met zijne twee zoonen en gem: Weesen, 't zee zoo drag te huis kwam, onder hun verdeeld, en wieser een gedeelte van zijn zeel aan eenen Paul Karsten en eene koeij aan Cornelis Bok verkogt had. Als meede verklaaren de Comp=ten laatstelijk van de andere hottentotten, die meede gegaan zijn, ver„ „noomen te hebben, dat voorsz: van zeijl zijne zoonen gevorderd en is
English
and the aforementioned Wieser to have treated the Hottentots in a murderous manner, from whom that large quantity of cattle was stolen, without those people having spoken a single word to them or done them any harm. Declaring nothing more, the appearers give as reasons for their knowledge as in the text, being prepared to confirm the same in more detail at all times. Underneath stood: Thus passed at Cape of Good Hope, the 12 October 1787, before the Gentlemen William Ferdinand van Reede van Oudtshoorn and Hendrik Justinus de Wet, Members of the Honorable Worshipful Council of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof along with the appearers and me, the sworn clerk. Underneath stood: To which I testify, was signed: RJVd Riet, sworn clerk. Examination. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, the aforementioned Hottentots Sant and Gerrit, who, having had this their declaration read out to them word for word clearly and plainly, affirmed that they stood by and persisted in it, with the desire that nothing more shall be added or removed, save only that they, the appearers, also went along to that kraal where van Zeijl hired out four hundred and forty Hottentots, and that those Hottentots were provided with assegais, arrows, and kieries, while they, the appearers, along with those Hottentots who went along from home and are mentioned in the heading hereof, by name were properly provided with firearms by van Zeijl, and furthermore that all the foregoing is the pure truth. Thus done and examined at Cape of Good Hope, the 13 October 1787. Underneath stood: this mark was made by Paul by his own hand; this mark was made by Gerrit by his own hand. Lower down: in my presence, was signed: RJVd Riet, sworn clerk. In the margin: as commissioners, was signed: WF van Reede van Oudtshoorn, H: de Wet. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, the Hottentot Andries, of competent age, who, at the requisition of the Merchant and Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Mr. Hendrik Lodewijk Bletterman, declared it to be true: That the appearer, to the best of his recollection, in the dry season of the past year 1786, without being able to specify the precise month or day through ignorance, together with the fellow Hottentots Great Piet and Little Piet Eyland, Piet Namaqua, Jas, and Ruijter, as well as the Baster Hottentots Paul, Gerrit, Stoffel, and Gerrit Beer, having been commanded by the Field-Sergeant Adriaan van Zeijl to pursue, with him, van Zeijl, his two sons Andries and Petrus van Zeijl, and the burgher Jan Wieser, the Bushman Hottentots, who for the greatest part had stolen the cattle from the farm of the burgher Paul Carstens; he, the appearer, with the aforesaid Hottentots, had duly complied with the order and followed him, van Zeijl, who had taken two wagons along. That the appearer, having come with the aforesaid persons all the way into the Namaqualand, the aforementioned van Zeijl had hired some pack-oxen from the Hottentots there, which were loaded by him, van Zeijl, in the presence of him, the appearer, and his companions, with provisions and a quantity of beads and knives; whereas the aforementioned van Zeijl only then declared to him, the appearer, and the other Hottentots, that it was not necessary to pursue the Bushman Hottentots, but that his intention was to go shoot elephants in order to deliver the tusks to the Honorable Company, and to give each of the Hottentots a portion; which the appearer and the other Hottentots had shown an unwillingness to do, but were forced to do so by the aforementioned van Zeijl through threats; thus the other Hottentots had continued their journey, while the appearer and the Hottentot Jas remained by the wagons by order of van Zeijl. That after van Zijl and his accompanying companions and Hottentots, after the lapse of a considerable time, had come to the wagons where the appearer and the Hottentot Jas had remained, with a quantity of cattle, which the appearer had learned from the other Hottentots had been stolen by force by van Zijl from the Hottentot kraals, and subsequently, being on the way hither with the wagons and those Hottentots and stolen cattle, had approached the vicinity of the farm of the burgher Petrus Pienaar, named the Hartebeesten River, situated on the Great River, where a small part of the stolen herd of cattle had gone missing in the night, the aforementioned van Zijl had then caused Ruijter and the aforementioned Jas to lie down and be beaten by the Baster Hottentots so that the welts can still be seen from it; subsequently, along with Jan Wieser, each mounted on horseback with a musket, had made him, Ruijter, and Jas run ahead of the horses, as fast as the horses could run, to the kraal of the aforementioned Pienaar; having arrived there, van Zijl and Wieser had immediately dismounted from their horses, and forthwith had so beaten the burgher Jan Blom, who had the oversight there and who wanted to make known to them that the cattle had been found in the field by his companions and taken into keeping by him, as he afterwards testified to have done, that that man remained lying on the ground; subsequently drove the missing cattle out of the kraal, and then continued the journey into the Hantam. That the aforesaid van Zijl now for some time to them appearer
Dutch transcription
en voorm: Wieser op eene moorddadige wijze de hottentotten behandeld te hebben, daar die groote quantiteit beesten van geroofd zijn, zonder dat die menschen hun een woord t hadden toegesprooken ofte eenig leed gedaan. Niets meer verklaarende geeven de Comp„ten voorree„ „denen van wetenschap als in den text, bereid zijnde, zulks altoos nader gestand te doen. /onder stond:/ Aldus Gepasseerd aan Cabo de goede Hoop„ den 12 October 1787. voor de Heeren William Ker„ dinand van Reede van Oudtshoorn en Hendrik Justinus de Wet, Leeden uit den E: Achtb :Raade van Iustitie Voorm: die de minute dezer be„ „neevens de Comp„ten en mij Gesn: Clercq meede behoorlijk hebben Onderteekend. /onder stond:/ 'T welk ik getuige /:was geteekend:/ R JD Kiet gezw: Clercq. Recollement. Compareerde Voor ons ondergeteekende Gecommitts uit den E: Achtb: Raade van Justitie deezer Gouvernements Hoorm: Pottentotten Sant en Gerrit, dewelke deeze hunne Verklaaring van woorde tot woorde klaar en duidelijk voorge„ leezen weezende, betuigde daar bij te blijven persisteeren, met begeerte, dat er niets meer Compareerde door ons Onderget: Gecommitt:s uijt C: den E: Achtb: Raad van Iustitie dezes Gouvernements den hottentot Andries, van Competenten Ouderdom, dewelke ter requisitie van den Koopman en Land Drost van Stellen bosch en Arakenstein, de Heer Hendrik Lodewijk Bletterman, verklaarde, hoe waar is. Dat de Comp:t: na best onthoud in 't teegen Slisoen van den Gepasseerde Jaare 1786, zonder den preeliesen maand of dog door onsetendheid te kunnen bepaalen, neevens de meede hettentotten Aldus Gedaan en Gerecolleerd aan Cabo de goede Hoop den 13 October 1787. /onderstond:/ dit 't kruys heeft Paul eigenhandig gesteld, dit '/ kruijs heeft Gerrit eigenhandig gesteld. / lager/ mij praesent /was geteekend/ RJVZKiet gesw: Clercq. — /in margine / als Gecommitt:s /was geteekend:/ WJW: Reede van Oudtshroorn, H: de Wet. bijgevoegd of van gedaan worden zal, als alleenlijk dat zy Comp=ten meede geweest zijn, tot die Craal daar van Zeijl vier honderd en in de Veertig hottenlatten uitgehuurd heeft, en dat die hottentotten voorzien zyn geweest van Apsegaaijen, pijlen en kieries, terwijl zijn Comp„ten met die hottentotten, die van huys zyn meede gegaan en in den hoofde deezes gemeld, met naame behoorlyk door van zeijl van geweeren zyn voorzien geworden, en voorts dat al 't voorenstaande, de zuijvere Waarheid te zijn. bijgezaegd groote 10 groote piet en kleine piet Eyland, piet Na„ Macqua, Jas en Ruijter, als meede de bastaard hottenvotten, pauf, Gerrit, Stoffel en Gerrit Beer, door den Vele wagtmeester Adriaan van Zeijl gecommandeerd geworden zijnde, om de bosjesmans hottentotten, dewelke voor 't grootste gedeelte 't Zee van de plaats van den Burger Paul Carstens hadden geroofd, met hem van Zeijl, zijne twee Zoonen, Andries en Petrus van Zeijlnevens den Burger Jan Wieser te agtervolgen; hy Compt: met de voorsz: hottentotten aan de Ordre behoorlik hadden voldaan en hem van zeijl, dewelke twee waagens meede genomen hadden, gevolgd. Dat de Compt: met de voorsz: perzoonen alle tot in 't Namacqua Land gekomen zynde gem: van Zeijl eenige draagossen van de notten totten aldaar gehuurd hadf, die door hem van zeijl, ter presentie van hem Compt: en zijne makkers met provisien en een parthij Kraalen en messen gelaaden geworden zijn, terwijl Gem: van Zeijl hem Compt: en de overige hettentotten als toen eerst gedeclareerd hadden niet nodig te zijn, om de bosjesmans hottentatten te vervolgen, maar dat zijn intentie was om Elephanten te gaan schieten, ten einde de tanden aan de E: Comp:e te leeveren, en aan yeder der hotten, totten een portie te zullen afgeeven, 't geen de Comp:t en de andere hottentotten getoond had, zulks 2 niet gaarne te willen doen, dog door gem: van Zeijl met dreijgementen daar toe genoodzaakt was, geworden, dus de andere kottentatten hunne reijze vervolgd hadden, terwijl den Comp:t en de hotten tot Jas by de waagens op ordre van van zeijl verbleeren is. Dat na dat van Zijl, en zijne by hebbende makkers en hottentotten na verloop van een geruime tijd met een parthij keesten, die de Comp:t van de Overige hettentatten vernoomen had, dat van de hottentots kraalen met geweld door van zijl geroofd zijn beide waagens alwaar den Comp:t en den hottentot Jas verbleeven was, gekoomen waaren, en vervolgens met de „waagens en die hottentotten en geroofde beesten op weg na herwaards hun bevonden, genaderd waaren, omtrend de plaats van den Burger petrus pienaar, de harte beesten rivier genaamd, geleegen aan de groote rivier, aldaar een te klein gedeelte van de geroofde troup beesten in den nacht waaren vermist, gem: van Zijl, als toen Ruijter en voorm: Jas haddaen nederleggen, en door de Bastaard hottentotten laaten slaan, dat er de vtriemen nog van te zien zijn, vervolgens neevens Jan Wieser, ieder met een snaphaan te paard gezeeten zijn en hem Ruijter en Jas b„ voor de paerden uyt hadden laten loopen, soo snel als de paarden loopen konden, na de kraal van gem: Sienaar, alwaar gekoomen zijnde, was van Zijl en Wieser direct van hunne paerden gesteegen, en terstond de daar de toe„ „zigt hebbende Burger Jan Blom, die hun wilde be„ „kend maaken 't dee inst veld door zijne makkers aange„ „troffen te zijn en bij hem in bewaaring, zoo als hij daar na betuigde te hebben genoomen, zoodanig hadden geslaagen, dat die man op de aarde was blijven leggen, vervolgens 't dermiste Zee uyt de kraal gezaagd, en vervolgens de reize tot in den Hantam voortgezet. Dat voorsz: van Ziijl hunlieden nu voor eenigen Compt: tijd