VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 4344

Cape · 543 pages · 234 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_4344_0226 view scan ↗

English

asked to go outside the door, and seeing the principal unwilling to do so, challenged the same, saying in substance to the principal insinuant, come outside, and if you do not come outside you are a bad fellow. Make distinctly on each point a short and categorical answer. And in case of refusal you shall expressly protest against all costs and damages already incurred and suffered in this matter, or yet to be incurred and sustained, including those of this present notice. Insinuate properly, give a copy if requested, and report your proceedings in writing. Below stood: Cabo de Goede Hoop, the 24th of November 1788. Was signed: J: V: Leeuwen qq: Today, the 25th of November 1788, I, the undersigned court messenger, went to Margaretha Helena Behrendse, wife of the burgher Frans Jurgens, and properly served the accompanying notice; whereupon I received as answer: 1st: It is true that on a certain day some time ago, while being at the house of my brother, I saw Moulin enter there. I did hear that Moulin was said to have handed an account to my aforementioned brother, but I did not see that my brother wanted to pay him, as I was in another room, having only heard my aforementioned brother say, we can settle up; whereupon Moulin answered, those are just dodges, so you do with everyone, or do you want to keep all the money for yourself. 2. That is true. 3. Is likewise the truth, as far as I could notice. 4. Is likewise the truth, and that Moulin said, if you do not come outside, I consider you no decent fellow. All of which I report to be my experience. Below stood: Cabo de Goede Hoop, date as above. Was signed: C: E: Ziervogel, court messenger. Today, the 28th of November 1788, appeared before me, Willem Stephanus van Rijneveld, sworn clerk at the Secretariat of Justice of the Castle of Good Hope, in the presence of the after-mentioned witnesses, the slave Hannibal, belonging to the burgher Arend de Waal, who, at the requisition of the burgher Johannes Baerends, declared it to be true: That the deponent, who was rented to the burgher Barend, or the requester in this matter, on an afternoon, without being able to specify the precise date, witnessed that a certain Moulin, servant in the warehouse of the Fire Master Pieter Laurens Cloete, having entered the house there, after much exchange of words, which the deponent did not understand, finally said in substance: you are a bad fellow, and if you are a man, then come out; whereupon the requester followed him immediately through the door, and afterwards gave the aforementioned Moulin some pushes and blows outside the door, without any resistance being offered by Moulin; whereupon his neighbor Jurgens jumped in and prevented the requester from striking Moulin further, who then also went immediately back through the door into his warehouse. Declaring nothing more, the deponent gives as reasons for his knowledge as stated in the text, affirming the foregoing to be the absolute truth. Below stood: Thus done at the Secretariat aforesaid, in the presence of the clerks Willem Bergh and Jacob van de Waereld as witnesses, who properly signed the minute hereof along with the deponent and me, sworn clerk. Which I testify. Was signed: W: S: van Rijneveld, clerk. Re-examination. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, the slave Hannibal, to whom this his foregoing declaration having been clearly read out, affirmed to persist by it, desiring that nothing more be added to or taken from it; testifying in the presence of the interim fiscal Gabriel de Klerk that the foregoing is the absolute truth. Below stood: Thus re-examined at Cabo de Goede Hoop, the 3rd of December 1788. Was signed: Cross. And around it was written: this mark was made by the deponent with his own hand as he was unable to write. Lower: in my presence. Was signed: W: S: van Rijneveld, sworn clerk. In the margin: as commissioners. Was signed: P: J: van der Riet, J: C: Gie.

Dutch transcription

heeft na buiten de deur gevraagd en den p„le daartoe ongeneegen ziende, denzelven heeft uytgetaant substan¬ tieelijk tot den p„le insinuant te zeggen, komt buiten en als jij niet buijten komt bentjig Een slegt keerel. maagd distenctelijk op Elken poinct kort en Catago riseh antwoord. En in cas van refus zult gij wel uitdrukkelijk protesteeren, teegen alle kosten en schaade, ter zaaken deezes reeds gehad en geleeden, ofte nog te hebben doen en te beiden, ook die van deezen daar onder begreepaan¬ Insinueerd behoorlijk, geeft Copia, des gevraagd wordende, en relateer Uw wedervaaren in Scriptis. /:onderstond:/ Cabo de goede Hoop den 24. November 1788. (:was geteekend:/ J: V: Leeuwen qq: Huiden den 25 Novembr: 1788. heb ik ondergeteekende Geregtsbode mij vervoegd, bij Margaretha Heeena Behrendse, Huis¬ vrouw van den Burger Frans Jurgens en de bij¬ „gaande insinuatie behoorlijk geexploicteerd; waar op tot antwoord heb ontfangen. 1e: 't is waar dat ik mij op zekeren dag eenigen tijd geleeden, mij ten Huize van mijn broeder Huiden den 28 November 1788. Compareerde voor mij Willem Stephanus van Rijneveld, gezw: Clercq ter Secretarije van Justitie, des Casteels de goede Hoop, praesent de nagenoemde getuigen, den slaaf Hantibal, toebehoorende, den Burger Arend de Waal, dewelke ter requisitie van den Burger bevindende, aldaar Moulin hebzien binnen komen, ik heb welgehoord, dat Moulin aan mijn gem: broeder een rekening zoude ter hand gesteld hebben, maar dat myn braer hem heeft willen betaalen, heb ik niet gezien, terwyl ik my in een ander vertrek bevond, hebbende ikalleenlyk myn meergem: broeder hooren zeggen, ons kan wel aff„ reekenen; waar op Moulin heeft geantwoord, dat zyn maar draaijerijen, zoo daer gy met een ieder, of wilt ey al het geld voor de hembd houden. Dat is waar. 3. Is insgelyks de waarheid, voor zo verre ik heb 4. kunnen merken. Is ingelyks de waarheid, en dat Moulin zegde, als gij niet buiten komt, houde ik zou voor geen praaf Kaerel. Het welk relateere mij nedervaaren te zijn. /:onder stond:/ e - Cako de goede Hoop datum ut Supra /:was geteekend:/ C: E: Zier Vogel. geregtsbraade bevindende Johannes Johannes Baerends, verklaarde hoe waar is. Dat den Compt die bij den Burger Barend ofte den reqt: in deezen, verhuurt geweest is, op een na„ de middag, zonder de praeciese datum te kunnen bepaalen, bijgewoond heeft, dat zeekeren Moulin, knegt in het pakhuis van den Brandmeester S:r Pieter Laurens kloete, daar ten huize binnen gekoomen zijnde, naar veele woordenwisseling, die de Compt niet verstaan heeft, eindelijk in Substantie heeft gezegd, gy zijt een slegt Keerel, en als je een keerel bent, komt den uyt zulks den reqt: hem daar op direct tot door de deur gevolgd weezende, daar na gem: Moulin buiten de deur eenige stooten en klappen regeeven heeft, zonder dat door Moulin eenig tegenweer gebaaden is; waar op zijn buurman Jurgens toegesprongen is, en den reqt: belet heeft, Moulin verder te Maan, die zig dan ook direct weeder over de deur in zijn pakhuis begeeven heeft Niets meer verklaarende, geeft den Compt. door reedenen van Wetenschap, als in den text, betuigende, het voorenstaande de zuivere waarheid te zijn. /:onder stond:/ Dat aldus passeerde ter Secretarije voorm: praesent de Clercquen, Willem Bergh, en Jacob van de Waereld, als getuigen, die de minute deezes Recollement. Compareerde voor ons ondergeteekende gecommitteerdens ust den E: Achtb: Raad van Justitie dezes Gouvernement, den slaaf Hanibal, dewelke deeze zijne vooren„ staande verklaaring duidelijk voorgeleezen zijnde, betuigde daar bij te blijven persisteeren met begeerte dat er niets meer bij ofte afgedaan worden zal; be„ tuigende in praesentie van den pro enterim Fiscaal d' E: Gabriel Exter, dat het voorenstaande de zuivere waarheid is. /:onder stond:/ Aldus gerecolleerd aan Cabo de goede Hoop, den 3 december 1788. /:was geteekend:/ Kruijs. (:en daarom geschreeven stond:) dit merk heeft de Compt: als niet kunnende krijgen, eigenhandig gesteld. /lager:) mij praesent. /:waas geteekend:/W: F: Brijneveld g:Clercq. /:in margine:/ als Gecomm:t /: was ge Jnfd /teekend:/ P: J: V: Riet. J: C: Geer beneffens den Comp:t ende mij gezw: Clercq meede //:laager:/ behoorlijk hebben onderteekend. 't welk ik getuige. /:was geteekend:/ W: S Peine reld Clergq beneffens Huijden.

NL-HaNA_1.04.02_4344_0228 view scan ↗

English

Re-examination. Today, the 25 November 1788. Appeared before me Willem Stephanus van Rijneveld, sworn Clerk at the Secretariat of Justice of the Castle of Good Hope, in the presence of the after-named witnesses, the Burgher Hermanus Keijtel, of competent age, who, at the requisition of the fellow Burgher Jan Baerends, declared it to be true: That the appearer knows very well that he saw the gunner of the Honorable Company, by name Moulin, walking down the street with a hat on his head some days after the incident between him and the requisitionist occurred in this matter, without however being able to say how many days after he had been struck by the requisitionist. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons for his knowledge as in the text, being prepared to further confirm the same by oath. Below stood: Thus passed at the Secretariat aforesaid, in the presence of the Clerks Willem Bergh and Jacob van de Waereld as witnesses, who duly signed the minute hereof along with the appearer and me, the said Clerk. Lower: Which I witness. Was signed: J: V: Sinaerd, sworn Clerk. Today, the 16 December 1788. Appeared before me Willem Stephanus van Ryneveld, sworn Clerk at the Secretariat of Justice of the Castle of Good Hope, in the presence of the after-named witnesses, the Burgher Adriaan Arends and Elias Tomas, both Thus re-examined and sworn at the Cape of Good Hope, the 3 December 1788. Was signed: Hermanus Keijtel. Lower: in my presence. Was signed: W: M: V: Rijneneld, sworn Clerk. In the margin: as commissioners. Was signed: R W D Kiet J:r P:s Gie. Below stood: Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, the Burgher Hermanus Keijtel, to whom this his preceding declaration having been clearly read, affirmed that he persists therein, desiring that nothing more shall be added or subtracted, and therefore, in confirmation of the truth thereof, in the presence of the Fiscal pro interim here, the Honorable Gabriel Exter, pronounced the solemn words, So help me God Almighty. Re-examination of of competent age, who, at the requisition of the Burgher Jan Behrends, declared it to be true: That the requisitionist, having arrived on a certain Saturday towards evening, it being in the month of October without however being able to determine the date, at the house of the appearers, who live together, recounted that the servant in the warehouse of the Firemaster J:s Laurens Kloete, by name Moulin, had that day insulted him, the requisitionist, in an outrageous manner in his house, and that he, having gotten into a quarrel with him, Moulin, had struck the same; the appearers testifying to having seen the said Moulen pass by the house of the appearers the following day, it being on a Sunday, properly dressed in order and with a hat on his head. Declaring nothing more, the appearers give as reasons for their knowledge as in the text, being prepared to further confirm the above by oath if required. Below stood: Thus passed at the Secretariat aforesaid, in the presence of the Clerks Johannes Henricus Vischer and Willem Burgh as Thus re-examined and sworn at the Cape of Good Hope, the 8 January 1789. Was signed: Cross, and written around it stood: this mark was made by the appearer Elias Tomas with his own hand. Adriaan Arense. Lower: in my presence. Re-examination. Appeared before us, the undersigned commissioned Members from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, the Burgher Adriaan Arents and Elias Tomas, to whom this their preceding declaration having been clearly and plainly read, declared that they persist therein, desiring that nothing more shall be added or taken away, and therefore each separately pronounced the solemn words, and this in the presence of the Fiscal pro interim, the Honorable Gabriel Eseter: So help me God Almighty. Below stood: witnesses, who duly signed the minute hereof along with the appearers and me, the sworn Clerk. Lower: Which I witness. Was signed: WSV Rijneveld, sworn Clerk. witnesses Was signed:

Dutch transcription

ƒ Recollement. OHhuiden den 25 November 1788. Compareerde voor mij Willem Stephanus van Rijneveld, gezw: Clercq ter Secretarije van Justitie des Casteels de goede Hoop, praesent de nagenoemde getuigen, den Burgers Hermanus Keijtel, van Compe„ tenten ouderdom dewelke ter requisitie van den meede Burger Jan Baerends, verklaarde, hoe waar is. Dat den Comp:t zeer wel weet, den bosschieter der E: Comp:e in naame Moulin, eenige dagen, na dat het geval tusschen hem en den req:t in deezen is gebeurd, met een hoed op het hoofd over straat te hebben zien gaan zonder nogtans te kunnen zeggen, hoe veel daagen, nadat hij van den reqt geslaagen is geworden. Niets meer verklaarende, geeft de Compt: voor reedenen van wetenschap, als in den text, bereid zijnde het zelve met Eede nader gestand te doen. /:onder stond:/ Dat aldus passeerde ter Secretarije voorm: praesent de Clercquen, Willem Bergh, en Jacob van de Waereld, als getuigen, die de Minute deezes beneffens den Compt: ende mij gem: Clercq meede behoorlijk hebben onderteekend. ƒ ƒ / lager:/ 't welk ik getuige. /:was getekend:/J: V: Sinaerd g:Clercq. — Huiden den 16 December 1788. Compareerden voor my Willem Stephanus van Ryneveld, gezwoore Clercq ter secretarije van Justitie des Casteels de Goede Hoop, praesent de nagenoemde getuigen, den Burger Adriaan Arends, en Elias Tomas, beide Aldus Gerecolleerd en Beledigd aan Cabo de goede Hoop, den 3 december 1788. /:was geteekend:/ Hermanus Keijtel /:lager:/ mij praesent. /: was geteekend:/ W: M: V: Rijneneld. JClercq. /:in margine / als gecomm.:s /:was geteekend:/ R W D Kiet J:r P:s Gie /:onder stond:/ Compareerden voor ons ondergeteekende Gecommitteerden uitt den E: Achtb: raad van Iustitie deezes Gouvernements, den Burger Hermanus Keijtel, dewelke deeze zijne vooren staande verklaaring duidelijk voorgeleezen zijnde betuigde daar bij te blijven persisteeren, met begeerte, dat er niets meer bij ofte afgedaan worden zal, en sprak derhalven, ter bevestiging der waarheid van dien, ten overstaan van den pres interim Fiscaal alhier, d' E: Gabriel Exter, de solemneele woorden, zo waarlijk helpe mij God Almagtig. Recollement van van Competenten ouderdom, dewelke ter requisitie van den Burger Jan Behrends, verklaarde, hoe Dat de reqt: op zeekere Saturdag, tegens den waar is. avond, zynde sulks geweest in de maand October zonder echter de datum te kunnen bepaalen in het huis van de Comparanten, die bij elkanderen woonen, gekomen zinde, verhaald heeft, dat de knecht en het pakhuis van den Brandmeester J:s Laurens Kloete, in name Moulin, hem reg:t: dien dog op eene verre „gaande wijze in zyn huis had gebrutaliseerd, en dat hij met hem Moulin twist gekreegen hebbende, denzelven geslaagen had; betuigende de Compten gemelde Moulen daags daar aan, zynde zulks geweest op een sondag, behoorlijk in ordre gekleed, en met een hoed op het hooft voor bij het huis van de Comptie te hebben zien passeeren. Niets meer verklaarende geeven de Compten voor reedenen van wetenschapp, als in den text, bereid zijnde, het borenstaande, des vereischt voor dende, nader met Eede gestand te doen. /:onder stond:/ Dat aldus passeerde ter Secretarije voornoemd, ter praesentie der Clercquen Johannes Henricus Vischer, en Willem Burgh, als Aldus gerecolleerd, en beeedigd, aan Caba de goede Hoop den 8 Januarij 1789. /:was geteekend:) Kruijs (:en (daarom geschreeven Stord:) dit merk heeft den Compt. Elias Tomas eigen handig gesteld. Adriaan Arense (laeer / mij praesent Recollement. Compareerde voor ons ondergeteekende gecommit„ tegrde Leeden uit den E: Achtb: Raade van Justitie deezes Gouvernements, den Burger Adriaan Arents, en Elias Tomas, dewelke deeze hunne vorenstaande Verklaaring klaar en duidelyk voorgeleezen wezende, verklaarden daer by te blijven persisteeren met begeerte, dat er niets meer by ofte van gedaan worden zal, en spraaken derhalven ijder afsonderlijk de solemneele woorden, en zulks in praesentie van „den pre interim Fiscaal, d' E: Gabriel Eseter Roo waarlyk helpe mij God almagtig. /:onder stond:/ getuigen, die de minute deezes, beneevens den Comparanten en mij gezwoore Clercq mede behoorlijk hebben onderteekend. /:lager:) 't welk ik getuige /:was geteekend:/ WSV Rijneveld. g Clercq. — getuigen /:was geteekend:/

NL-HaNA_1.04.02_4344_0230 view scan ↗

English

W S: J Rijneveld sworn Clerk. signed in the margin: as Commissioners signed AJ: V D Riet. J: Met. Today the 18 December: 1788. Appeared before me Willem Stephanus van Rijneveld, sworn Clerk, at the secretariat of Justice of the Castle of Good Hope, in the presence of the witnesses to be named hereinafter, the burgher Hermanus van der Schijff, of competent age, who, at the requisition of the burgher Jan Baerends, declared it to be true: That he, the appearer, around the end of the month of September, without being able to specify the exact day or date, having been at the dwelling house of his fellow burgher Barend Barends, while walking back and forth on the stoep of the said dwelling, among other conversations, they had also spoken of that which had occurred some three days before between the burgher Jan Baerends and the servant in the warehouse of the Fire Master Sr. Laurens Cloete, named Moulin; when said Moulin happened at that moment to pass by there, and having greeted them by taking off his hat, the appearer was then, however, completely unable to see that said Moulin had any external signs of mistreatment on his head, just as he, Moulin, some time thereafter also testified to the appearer that he had received no black eyes from the requester. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons for his knowledge as in the text, being prepared to confirm the same further by oath. Done thus at the secretariat aforesaid, in the presence of the Clerks, Johannes Henricus Fischer, and Jacob van de Waereld, as witnesses, who have duly signed the original of this, together with the appearer and me, the sworn Clerk. lower: which I witness signed W: J: V Rijneveld. sworn Clerk. Re-examination. Appeared before us, the undersigned commissioned Members from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, the burgher Hermanus van der Schijff, who, this his preceding declaration having been read out clearly and distinctly, declared that he abides by and persists with it, desiring that nothing more be added to or taken from it, and spoke therefore, in confirmation of the truth thereof, in the presence of the Fiscal pro interim, the Honorable Gabriel Exter, the solemn words; So help me God Almighty. Re-examined and sworn thus, at Cabo de Goede Hoop, the 8 January 1789. signed Harmanus van der Schijf. lower: in my presence. signed A: I: V: Rijneveld. Sworn Clerk. in the margin: as commissioners signed R: H: D Riet S: de Wet. Today the 18 December 1788. Appeared before me Willem Stephanus van Rijneveld, sworn Clerk at the Secretariat of Justice, of the Castle of Good Hope, in the presence of the witnesses to be named hereinafter, the burgher Barend Barends, of competent age, who, at the requisition of his fellow burgher Jan Baerends, declared it to be true: That he, the appearer, now three months ago, or in the latter part of September, the exact day or date having slipped his mind, being with the burgher Hermanus van der Schijff on the stoep of his, the appearer's, dwelling house, their conversation, among other things, fell upon that which had happened some three days before between the servant in the warehouse of the Fire Master Sr: Laurens Cloete, named Moulin, and the requester in this matter, when by chance the said Moulin had passed by, and had greeted them by taking off his hat; on which occasion the appearer was unable to perceive the slightest signs of any mistreatment that might have been inflicted on Moulin by Baerends: Declaring nothing more, the appearer gives as reasons for his knowledge as in the text, being prepared to confirm the same further by oath. Done thus at the Secretariat aforesaid, in the presence of the Clerks, Johannes Henricus Fischer, and Jacob van de Waereld, as witnesses, who, together with the appearer and me, the sworn Clerk, have also duly signed the original of this. lower: which I witness. signed W: J: Rijneveld sworn Clerk. Re-examination. Appeared before us, the undersigned Commissioned Members from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, the burgher Barend Barends, who, this his preceding declaration having been read out clearly and distinctly, testified that he abides by and persists with it, desiring that nothing more be added to or taken from it, and spoke therefore, in confirmation of the truth thereof, in the presence of the Fiscal pro interim, the Honorable Gabriel Exter, the solemn words; So help me God Almighty. Re-examined and sworn thus, at Cabo de Goede Hoop, the 8 January 1789. signed Barend Barends. lower: in my presence. signed A: I: V: Rijneveld. Sworn Clerk. in the margin: as commissioners signed R: H: D Riet S: de Wet.

Dutch transcription

W S: J Rijneveld g Clercq. /:was geteekend:/ /:in margine:/ als Gecomm:st /:was geteekend:/ AJ: V D Riet. J: Met. Huiden den 18 December: 1788. Compareerde door mij Willem Stephanus van Rijneveld, gezw: Clercq, ter secretarije van Justitie des Casteels de Goede Hoop, praesent de natenoemene getuigen, den Burger Hermanus van der Schijff, van Competenten Ouderdom, dewelke ter requisitie van den Burger Jan Baerends, verklaarde, waar Dat hij Compt: omtrend het eende van de maand September zonder eene zustere bepaaling van den dag of datum te kunnen opgeeven, zich bevonden hebbende ten woonhuize van den meede burger Barend Bavzrends, zijl: op de stoep van gem: wooning heen en weeder handelende, onder andere discour„ sen, ook gesprooken hadden van het geene nu 3 al daagen geleeden tusschen den Burger Jan Baerends en de kregt in het pakhuis van den Brand Meester S Laurens Cloete, in Naame Moúlin, was voorgevallen, Recollement. Compareerde voor ons Ondergeteekende gecommitteerde Leden uyt den E: Achtb: raade van Justitie deezes Gouvernements, den Burger Hermanus van der Schijff, dewelke deeze zyne voorenstaande verklaering, klaar en duidelijk voorgeleezen zijnde, verklaarde daar bij te blijven te persisteeren, met begeerte, dat er niets meer bij ofte van gedaan worden zal, en Spreek derhalven ter bevestiging der Dat aldus passeerde ter secretarije voorm: praesent de Clercquen, Johannes Henricus Fischer, en Jacob van de Waereld, als getuigen, die de minute deezes, beneevens de Compt: ende mij gezw: Clercq meede behoorlijk hebbende onderteekend. /:lager:/ 't welk ik getuige /:was geteekend:/ W: J: V Rijnekeld. g: Clercq. — wanneer gem: Moulen gevallig op dat oogenblik aldaar was voorbygekoomen, en hun met het afneemen van de hoed, gegraet hebbende, den Comp:t: als toen egter in het geheel niet heeft kunnen zien, dat gem: Moulin eenige uiterlyke tekenen van mishandeling aan het hoofd had, gelyk hy Moulin, den Comp:t eenige tijd daar na ook betuigd had, door den req:t: geen blaauwe oogen te hebben bekoomen. Niets meer verklaarende, geeft de Compt. voor reedenen van Weetenschap, als in den text, bereid zynde, het zelve met Eede nader gestand te doen. /:onderstond:/ wanneer waarheid te zijn. F Waarheid van dien, in praesentie van den pro interim Fiscaal, d'E: Gabriel Exter, de solemneele woorden; zo waarlijk helpe mij God Almagtig. /:Onderstond:/ Aldus Gerecolleerd en beeedigd, aan Cabo de Goede Hoop, den 8 Januarij 1789. /:was geteekend:/ Harmanus van der Schijf. /Sager:/ mij praesent. /:was geteekend:/ A: I: V: Rijneveld. G: Clercq. /:in margine:/ als gecomm:s /:was geteekend:/ R: H: D Riet S: de Wet. Huiden den 18 December 1788. Compareerde voor mij Willem Stephanus van Rijneveld, gezn: Clercq ter Secretarije van Iustitie, des Casteels, de goede Hoop, praesent de natenoemene getuigen, den Burger Barend Barends, van Competenten ouderdom, dewelke ter requisiti van den meede Burger Jan Baerends verklaarde, waer te zijn Dat hij Compt:, nu drie maanden geleeden, of in het laatst van September, de Juiste dag of datum hem ontschooten, zynde, zich met den Burger Hermanus van der Schrijff op de stoep van zijn Comp„ts woonhuis bevindende, hun gesprek onder anderen gevallen was, over het toen 3 ak dagen gepasseerde tusschen de kregt in het pakhuijs van den Brandmeester Sr: Laurens Cloete, Moulin genaamd, en den regt: in deezen, wanneer casueel gem Moulin, was voor bijgegaan, en hun met het affneemen Recollement. Compareerde voor ons ondergeteekende Gecommitteerde Leeden uijt den E: Achtb: Saade van Justitie deezes Gouvernements, den Burger Barend Barends dewelke deeze zijne voorenstaande verklaaring klaar en duidelyk voorgeleezen zijnde, betuigde daar bij te blijken persisteeren met begeerte, dat er niets meer bij ofte van gedaan worden zal, en sprak derhalven, ter bevestiging der van de hoed, gegroet had; bij welke gelegenheid, den Comp:t de geringste teekenen van eene mishandeling, welke Moulin door Baerends zoude toegebragt zijn, niet heeft kunnen gewaar worden: Niets meer verklaarende, geeft den Compt: door rederen van Weetenschap, als in den text, bereid zijnde het zelve met Eede nader te zullen gestand doen. /:onder stond:/ Dat aldus passeerde ter Secretarije voorm:— ten bijweezen der Clercquen, Johannes Henricus Fischer, en Jacob van de Waereld, als getuigen, die de minute deezes, beneevens de Comp:t ende mij gezw: Clercq, meede behoorlijk hebben onderteekend. /:lager:/ 't welk ik getuige. /:was geteekend:/ W: J:: Rijneveld g Clercq: van Waarheid ƒ

NL-HaNA_1.04.02_4344_0232 view scan ↗

English

Truth thereof, in the presence of the acting Fiscal, the solemn words: So help me God Almighty. Below was written: Thus done and recollected, at the Cape of Good Hope, the 8th of January 1789. Signed: Barent Barentsz. Lower: in my presence. Signed: W. S. van Rijneveld, Sworn Clerk. In the margin: as Commissioners, was signed: A. J. van der Riet, A. De Wet. Today, the 16th of December 1788. Appeared before me, Willem Stephanus van Rijneveld, Sworn Clerk at the Secretariat of Justice of the Castle of Good Hope, in the presence of the witnesses named below, Samuel Angelo, sergeant of the Regiment of Meuron residing here, of competent age, who, at the requisition of the burgher Jan George Behrends, declared it to be true: That the appearer having heard from one Hermanus van der Schijff that the regiment in the month of September, without knowing the precise date, on a Saturday, had beaten one Diederik Moulin, gunner of the Artillery here and servant in the warehouse of the Firemaster Johannes Laurens Cloete, in such a manner that he had received black eyes and was unable to put his hat on his head; yet the appearer must testify that on the following Monday he saw the said Moulin pass by the appearer's house, properly and orderly dressed and, take note, with a hat on his head, without being able to detect the slightest injury to his eyes or in his face. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons for his knowledge as stated in the text, being prepared, if required, also to confirm the foregoing under oath. Below was written: That this thus passed at the aforesaid secretariat, in the presence of the clerks Johannes Henricus Fischer and Willem Bergh, as witnesses, who duly signed the minute of this together with the appearer and me, the sworn clerk. Lower: Which I witness, was signed: W. S. van Rijneveld, Sworn Clerk. Recollection. Appeared before us, the undersigned commissioned members of the Honorable Council of Justice of the Castle of Good Hope, Samuel Angelo, sergeant of the Regiment of Meuron residing here, to whom this his foregoing declaration, having been clearly and distinctly read aloud, testified to persist and abide thereby, wishing that nothing more shall be added to or subtracted from it; and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, in the presence of the acting Fiscal, the solemn words: Ainsi m'aide Dieu tout puissant. Thus recollected and sworn at the Cape of Good Hope the 10th of January 1789. Signed: Angelo. Lower: in my presence. Signed: W. S. van Rijneveld, Sworn Clerk. In the margin: as Commissioners. Signed: R. J. van der Riet, C. Gie. Agreed. W. S. van Rijneveld, Secretary. Below was written: To the Honorable, Respectable Gentlemen, President and Members of the Council of Justice of this Government. Honorable, Respectable Gentlemen! On the 15th of March last, it was reported by the Caffres Lambang and Jasper that, having patrolled around that same afternoon in accordance with orders received to keep the slaves found on the street from all disorders and mischief, they had observed in a street near the house of the Widow Hoedele that a boy belonging to the said widow, named Manuel of Bengal, was fighting among a group of slaves with another boy. That they had immediately rushed forward, and having dispersed the other slaves with some cane blows, had seized and tied up or handcuffed the aforesaid boy; that the son of the Widow Hoedele had arrived there, had not only threatened the Caffres and held up his fist to them, but finally pushed them aside, loosened the rope, thrown it at their feet, and thus set the boy at liberty. Thereupon, both the said Jan Hoedele and the widow his mother were summoned by the Fiscal's office and questioned about the deed, as

Dutch transcription

Waarheid van dien, in praesentie van waarhrd aite„ „zien Fiscaal, de solemneele woorden, zo waarlijk helpe mij God Almagtig. /:onder stond:/ Aldus gedaan en gerecolleerd, aan Cabo de goede Hoop, den 8 Januarij 1789. /:was geteekend (:) Barent Barentsz: /:lager:/ mij praesent. /:was geteekend:/ W: S: RRijneveld„ g: Clercq. —. /:in margine:/ als Gecomm:s /:was geteekend:/ A: J: V: D: Riet. A: De Wet. Huiden den 16 December 1788. Compareerde voor mij Willem Stephanus van Rijneveld, Gezwoore Clercq ter Secretarije van Justitie des Casteels de goede Hoop, praesent de nagenoemde getuigen, den alhier remoreerde sergeant van 't regiment van Meuron, Samuel Angelo, van Competenten ouderdom, dewelke ter requisitie van den Burger Jan George Behrends, verklaarde, hoe waar is. Dat den Compt: dan eenen Hermanus van van der Schijff vernomen gehad hebbende, dat den reg:t in den maand september, zonder den praeciesen datum te weeten, op een Saturdag, eenen Diederik Moulin, cononierer van de Artillerie alhier, en knegt in het pakhuis Recollement. Compareerden voor ons ondergeteekende gecommitteerde Lteden uijt den E: Achtb: Raade van Justitie, des Casteels Niets meer verklaarende, geeft den Compt: voor reedenen van Weetenschap, als in den text, bereid zijnde, het voorenstaande, des vereischt wordende, nede met Eede gestand te doen. /:onder stond:/ Dat aldus passeerde ter secretarije voormeld, ter praesentie vaer Clercquen Johannes Henricus Fischer en Willem Bergh, als getuigen, die de minute deezes, beneevens den Comp:t en mij gezwoore Clercq meede behoorlijk hebben onderteekend. /:lager:/ 't welk ik getuige /:was geteekend:) W S: R:hijneveld g: Clercq. van den Brandmeester J=s Laurens Kloete, zodanig zoude hebben geslaagen, dat hij blaauwe oogen gekreegen had, en buiten staat was, zyn haed op het hoofd te kunnen zetten, de Compt. echter betuigen moet, gemelde Moulin, 's mandags daar aan volgende, behoorlijk in ordre gekleed en, NB: met een haed op 't hoofd door by het huis van den Compt: te hebben zien passeeren, zonder aan zijne oogen of in zijn gezigt, het geringste letzel te hebben kunnen van bespeuren de de goede Hoop, den alhier remoreerende sergeant van't Regiment Meuron, Samuel Angelo, dewelke deeze zijne voorenstaande verklaaring klaaren duidelijk voorge „leezen zijnde, betuigde daar by te blyven persisteeren, met begeerte, dat er niets meer by ofte aangedaan worden zal; en sprak derhalven ter bevestiging der waarheid van dien, in praesentie van den proenterin Fiscaal de solemneele woorden: Ainsi m'aide Dien zout, puissant. Aldus gerecolleerd en beledigd aan Cabo de goede Hoop den 10 Januarij 1789. /:was geteekend:) Angelo: /:lager:/ mij praesent. /:was geteekend:/ M: J: W: Rijneveld G: Clercq. — (:in margine: e als Gecomms. /:was geteekend:/ RDV D Riet Co Gie. Accordeerd. WJ D Ryneveld Secret /:onder stond:/ Op den 15 Maart Jongstlede, wierd door by de de Caffers Lambang en Jasper geraporteerd, dat zij dienzelven namiddag, volgens bekomene ordres rond gepatrouileerd hebbende omme de zig op de straat bevindende slaven, van alle disordres en baldadigheeden aftehouden, in een Straat, omtrend het huis van de Wede: Hoedele, ontwaard hadden, dat een aan dezelve Wede: toebehoorende Jonge, met name Manuel van Bengale, onder een troep slaven, met een andere Jongen aan het bakkeleijen was. Dat zijl: directelijk toegesprongen zijnde, en de overige slaven met eenige rotting slagen, iit malkanderen gejaagd hebbende, voort: jonge gepakt en vastgemaakt, ofte gesleugeld hadden; dat de soon van de wed:e Stoedele daar bij gekomen was, denzelven de Caffers niet alleen gedruygd en de vuist voorgehoude had, maar eindelyk dezelve op zij gestooten, het zoude losgemaakt, hun voor de laeten geworpen, en dusdanig den Jonge in vrijheid hadde gesteld. Men heeft daar op zowel den gem: Jan Hoedele, als de wedwe desselfs moeder door 't officie Ffiscaal doen appoincteeren, en over het fait onderhouden, WelEdele, Achtbare Heeren! Aan den WelEdele en Achtbare Heeren, Praesident en Leeden van den Raad van Iustitie dezes Gouvernements. als

NL-HaNA_1.04.02_4344_0235 view scan ↗

English

at which time the same was not in the least denied by the first-named, only with the pretext that the Caffres had not been threatened or otherwise insulted, adding that he had done everything by order of his mother. Who likewise acknowledged the truth thereof, alleging however that she did not fully understand that in having her slave brought back, who had gone out the door only a short time before, she could be committing any great harm. And whereas such public violence committed against the servants of Justice in the public streets, in the sight of everyone, and thus to the public contempt of Justice itself, if one is to be able in the future to administer the same in any proper manner, cannot nor may be tolerated in a well-ordered country, but ought to be punished as a deterrent to others. Thus it is that the Honorable Plaintiff, claiming in all better ways, concludes that the defendants shall be condemned to such penalty, fine, or punishment as the Honorable Council shall in equity deem fit, cum expensis. Dictum in the Court Roll. Right Honorable Lord President Honorable Lords! The undersigned, both for herself and for her minor son, finding herself most unexpectedly, to her utmost regret, cited today by Your Honors through the Honorable Independent Fiscal Johannes Nicolaas Steven van Lijnden Jan Blitterswijk, by reason of his office, in order to hear such claim and conclusion as the Lord Plaintiff, by reason of his office, should make and take on account of the committing of public violence against a Caffre. Thus the defendant takes the liberty most respectfully to present to Your Honors briefly the circumstances of the case. And may it please Your Honors to be informed that on Sunday evening the 15th of the recently passed month of March, the defendant was informed that one of her slave boys was being taken away, she the defendant, without knowing in the least what had happened, and whether her boy was being taken away by other slaves or by Caffres, or even whither, in haste ordered her son, who is only fifteen years of age, to run after them and bring the boy back, which was also immediately done by her said son, and upon his return she was informed by him that two Caffres had intended to bring the said boy bound to the jail. A few days thereafter, the defendant having been summoned before the Honorable Adjunct Fiscal Gabriel Exter, the defendant was informed that by her said son, in order to get the said boy back, violence was said to have been committed, of which the defendant was completely ignorant. She questioned her said son most strictly about this, but it is stated by him that he used no violence, but merely said to the Caffres that they might let the boy go, that he had done nothing, and after some exchange of words, the said Caffres had untied the boy and given him over to him, which statement the defendant was also informed of by other citizens who were present there, and if necessary could produce depositions thereof. Yet because the defendant is convinced that she nevertheless exceeded her bounds, and would never have given those orders had she known that her said boy had been in the hands of the Caffres, since this tends to cause an obstruction of Justice. But because this occurred on her part in ignorance and in no way with the intention to oppose the execution of Justice. Therefore the defendant takes the liberty most humbly to submit herself to Your Honors, and to request Your Honors' highest excuse for this her offence committed in ignorance. With the most humble supplication that it may please Your Honors to take her, the defendant, as a widow with seven children, under Your Honors' usual fatherly protection, and to moderate the demands made and taken by the Honorable Independent Fiscal, by reason of his office, in such manner as the circumstances of the case and the ignorance in which the act was committed by the defendant or her son may in any way permit. was signed Geertruyde Johanna Berrhold Widow Stijtter. Today, the 30th of March 1789. Appeared before me, Willem Stephanus van Reijneveld, sworn clerk of the Judicial Secretariat of the Castle of Good Hope, in the presence of the witnesses to be named hereafter, Geertruijda Johanna Heerhold, widow of the late burgher Johan George Stijdler, which appearer hereby declares to constitute and empower the assistant Marinus Marinussen specially to look after and conduct for the appearer such affairs as the appearer, both for herself and for her minor son, Johannes Jacobus Herrhold, is compelled to conduct before the Honorable Court of Justice aforesaid, as defendant against the Independent Fiscal, the Honorable Mr. Johannes Nicolaas Steven van Lijnden van Blitterswijk, Plaintiff, by reason of his office. To that end to appear before the said Honorable Court and to act and proceed as shall be required, and as the appearer herself would be capable, able, or allowed to do, all under promise of approval and obligation according to law. Thus passed at the Secretariat aforesaid in the presence of the clerks, Willem Berg and Marthinus Laurentius Neethling, as witnesses was signed Geertruijda Johanna Heerrholdt, widow of Stijtler. Agrees. W. S. v. Rijneveld, Secretary. below stood

Dutch transcription

als wanneer het zelve door den Eerstgemelde geensint„ is ontkend geworden, alleenlyk maar met doorgeesen, dat de Caffers niet gedreigd ofte andersints beleetigd zoude hebben, met bijvoeging, dat alles uit order zijner moeder gedaan had. welke insgelyks de waarheid daar van heeft geadvoneerd, met voorgeeven echter, dat niet heedele begreepen, daer 't doen te rug haalen van haaren slaaf, die maar kort te vooren de deur was uitgegaan, groot kwaad te kunnen bedrijven. En terwijl diergelijk publicq geweld, aan de dienaaren van de Justitie op s' Heeren Straaten; ten aanschouwen van Een ieder, en dus tot openbare Vilipendia, der Justitieszelke gepleegd, zal men in 't vervolg in staat zijn dezelve maar enigsints na behooren kunnen administreeren, in een welge„ „zeegeld Land niet en kan nogte mag worden getollereerd maar ten afschrik van andere behoord te worden gecorigeerd. zo is het dat den E: O: Eisscher omni meliori modo Con„ tendende is concludeerende, dat de gedaagdens zullen worden gecondemneerd in zodanige straffe poere ofte baete, als den Achtbaren Raad in billykheid zal oordeelen te behooren cum Expensis. Dictum ter Rolle. WelEdele Achtbare Heer Praesident Edele Achtbare Heeren! De Ondergetekende zoo voor haar als voor haar minderjaarige soon, zig op 't onverwagtist /: tot haar uiterste leedweesen, door den E: Achtb: Heer indepen„ dent Fiscaal Johannes Nicolaas Steven van Lijnden Jan Blitterswijk, ratione officie tegensheeden door UEdel achtbare geciteerd ziende, omme aan te hooren zodanige Eosch en conclusie, als den Heer R: O: Eisscher weegens 't pleegen van publicq geweld aan een laffe zoude komen te doen en te neemen. zo neemt de gedaagdesse de vrijheid om UEd: Achtb: kortelijk de boedragt der zaak Eerbiedigst vaor te draagen. En gelieven UEdel Achtb: geinformeerd te worden, dat op Sondag avond den 15 der even afgeweeken maand Maart, de gedaagderse wierd geinformeerd dat eene van haare slave jongens weggebragt wierd, zij gedaagderse, zonder orgens van te weeten, wat er gebeurd was, en of haar Jonge door andere sladen dan daor Cuffers weggebragt wierd, of ook waar heen, in haart teegen haar zoon die nog maar vijftien Jaaren oud is, heeft g'ordonneerd, om hun na te loopen, en de Jonge te trug te haalen, welke ook direct door haar gemelde soon is geschied, en by zyn wederkomst door denzelven is geinformeerd doe twee Caffers gem: Jonge gebonden, na de tronk hadde gemeend te brengen. De Meinige Weinige dagen na dien de gedaagdesse geroepen zijnde by den E: Adpiret Ficaal Gabriel Exter, wanneer de gedaagdesde wierd geinformeerd, dat door haar gem: zoon, tot 't weder krijgen van geseide Jongen, gemeld zoude gepleegd zijn, dog waar Aan de gedangderee ten eenemaal signorant was. Jaar gem: Soon ten Scherpsten daerover heeft onderhouden, dog door hem word gesegt niet te hebben geregt, dan aan de Caffer gezegt dat zij de daan Jongen mogte los laaten, dat hij niets gedaan had en gem Caffers na eenige noorden Wisseling, de Jongens hadde losgemaakt, en hem meede gegeeven, welk gezegde de gedaagdesse ook van andere daar bij praesent gestaan hebbende, borgen lieden is geinformeerd, en des naods verklaringen zoude kunnen produceeren. Doch door dien de gedaagdesse overtuigd zijnde, zig zelven egter te buiten gegaan te hebben en nimmer die orders zoude begeeven hebben, in die Sy hadde geweeten, dat haer gemelde Jongen in handen kan de Ceeffers was geweest, dewijl zulks toestrekt is strekkende tot stremning voor de Justitie. Maar dewil zulks by haar in onwetendheid is geschied en geensints met voorneemen, en zig tegen Huiden den 30 Maart 1789. Compareerde voor mij Willem Stephanus van Reijneveld gesw: Clercq van Secretarie van Justitie des Carteels de goede Hoop, praesent de natenoemene getuigen, heertruijde Johanna Heerhold wede. van W: den Burger Johan George Stijdler welke Comparante bij deesen verklaerd te constitu¬ eeren en magtig te maken, den adsistent Marinus Marinussen Speciaal om voor de Comparante waar te neemen en uit te voeren zodanige zaken ^ als de Compt: zo voor haar als voor haar minderjaarige de uitvoering der Justitie te hebben willen versetten. soo neemt de gedaagdesse de vrijheid op 't nederigste aan UEd: achtbaarheedens te submitteeren, en UEdel achtbaare over deese haare in onkunde begaane misdaad ten hoogsten excuus te versoeken. met ootmoedigste supplicatie, dat 't UEdel achtbare zal gelieven te behaagen haar gedaagdesse, als een weduwe met Leven kinderen onder UEdel: achtbare gewoone vader„ lievende bescherming te neemen, en de door den Ed: Achtb. Heer Jndependent Fiscaal r:O: gedane en genomene Eisen/ sodanig gelieven te modereeren, als de toedracht der zaak, lende onkunde, waar in 't fait, door de gedaagderse ofte haare zoon is gepleegt, enigsints kan permitteeren. (:was geteekend:) Geertruyde Johanna Berrhold Wedewe Stijtter. de soon soon, Joh:s Jacobus Herrhold, voor den Edelen Achtb: raade van Justitie voornt: als ged: genoodsaakt is te moeten voeren op ende jeegens den independent fiscaal den Ed: Achtb: Heeren Mr: Johannes Nicolaas Steven ten dien einde voor welgem: Achtb: raade te compareeren en zodanig te doen en handelen als vereischt worden zal, en de Comp„te zelve vermoogens zoude zijn te konnen ofte mogen doen, alles onder belofte van approbatie en verband, als na van Lijnden, van Bletterwijk, E: O: Cisser. Aldus passeerde ter secretarie voornt: ter praesentie van de Clercquen, Willem Berg en Marthinus Laurentius Neethling, als getuigen /:was geteekend:/ Geertruijda Johanna Heerrholdt Wed: Stijtlen. Accordeerd. D Rijneveld Sacret rechten. /:onderstond:/

NL-HaNA_1.04.02_4344_0238 view scan ↗

English

Account given in the presence of the undersigned Commissioners from the Honorable Council of Justice of this Government by the burgher Johannes Forbiseur, of competent age, and this at the requisition of the merchant and Landdrost of the colonies of Stellenbosch and Drakenstein, Mr. Hendrik Lodewyk Bletterman, reading as follows: That the person of Fredrik Kannemeijer, who remained the contractor at the most recently held lease of the lease of the Cape cool wines and brandies in Stellenbosch and Drakenstein, took on him, the deponent, in the past month of September as his sub-tapster, and transferred to him, the deponent, half of the lease for the sum of thirty Rijksdaalders a month, which would be paid off by him on that account to the said Kannemeijer, in such a manner that both he, the deponent, and the brother of the aforementioned Kannemeijer, namely Petrus Kannemeijer, to the exclusion of all others, would sell the wines and brandies by the small measure only in Stellenbosch; he, the deponent, consequently having already made use of it for two days and sold drinks by the small measure upon the aforementioned agreement until on or about the afternoon of, as the deponent believes, the 8th of the said month of September, when the aforementioned leaseholder Fredrik Kannemeijer, having come to the deponent, told him, the deponent, that he was no longer to tap or sell drinks, as this had been forbidden to him, wherefore he also immediately ceased doing so and broke the aforementioned agreement entered into with the frequently mentioned Kannemeijer. Declaring nothing more, the deponent gives as reasons for his knowledge as in the text, being prepared, if required, to confirm the foregoing further under oath. Below stood: Thus related at the Cape of Good Hope on the 28th of November 1780, before the gentlemen Ryno Johannes van der Riet and Gerrit Hendrik Meijer, members of the Honorable Council of Justice aforementioned, who duly signed the minute hereof along with the deponent and me, sworn Clerk. Which I witness, Was signed: A. van Rijneveld, Sworn Clerk. Extract from the renewed general placard of the 11th of October 1740. Article 1. Also, none of these inhabitants, not being a wine farmer, shall be permitted to lay in at his house any wines coming from outside, by the leaguer or other casks, without having first obtained a license slip for that purpose and handed it over to the Fiscal and the leaseholder, notwithstanding that he was expressly authorized and commissioned thereto by the wine farmer residing outside by power of attorney passed before the official secretary; which power of attorney must, moreover, first be shown and accepted by the Noble Governor and Independent Fiscal, for which, however, no Company servants may be employed, remaining likewise the leaseholder of the wines of this side, everything on a penalty of ƒ300. Article 8. None of these inhabitants shall likewise in any way be authorized to buy wines by the cellar or other smaller measure than a half-aam from the wine farmer, not being a wine leaseholder, under whatever pretext it might be, on penalty of 100 Rijksdaalders. Article 16. Likewise, no leaseholder having only a wine lease shall be authorized to sell or tap any other drinks beyond Cape wine, whether Dutch beers, wines, brandies, or other distilled waters, notwithstanding that he might have obtained an unauthorized permission from the other leaseholders for that purpose, on penalty of ƒ1000; being obligated to answer in this regard for the actions of their servants and families. No wine leaseholder shall also be permitted to sell or distribute any wines by collusion, in order thereby to set up any private taprooms directly or indirectly outside his usual and permitted public tap places, on penalty of ƒ1000. Lower: Agrees. Was signed: J. T. Faure, Sworn Clerk. Conditions and terms upon which, on behalf of the General Dutch East India Company, the Honorable and Valiant Governor Cornelis Jacob van de Graaff, together with the Honorable Council of the Cape of Good Hope, intend to lease the tapping or retail of Cape cool and Dutch brandies and distilled waters in the Village of Stellenbosch, calculating from the dwelling of Dirk Mol, Jan Cloete, the Jan Jonkershoek, Mrs. Robberts, and the former place of Matthijs Greef, thus in a circle, as well as over the entire Districts of Drakenstein; for the period of a whole year, as will be said further. Article 1. Firstly, permission is granted to the privileged innkeeper who shall undertake this lease, to the exclusion of all others within the aforementioned Villages of Stellenbosch and Drakenstein, as is said above, to tap and measure out Cape cool wines, Dutch and Cape brandies, and distilled waters, by

Dutch transcription

Dat de persoon van fredrik Kannemeijer, die bij de Jongst gehoudene verpagting aanneemer gebleven res van de pagt der Caabsche koele en brondewijnen Aan Stellenbosch en Drakenstein hem relattant in de Jongst verlopene maand september, als zijn bij tapper aangenoomen en hem relatant de helft der pagt voor Ruks d de somma van dertig 's maands, die door den zel„ diesweegens aan gemelde kannemeijer zoude worden afbetaald, overgelaaten hebbende, in dezer voeger, dat, en zij Relatant ende broeder van voorschreeve Kannemeijer, in name Petrus Kannemeijer, met uitsluitsing van alle anderen, alleenlijk te stellen barr Relaas gegeeven ten over„ staan van de ondergeteekende Gecommitteerdens uit den E: Acht¬ bare Rade van Iustitie deezes Gouvernements door den Burger Iohannes forbiseur van compe„ tenten Ouderdom, en zulks ter requisitie van den koopman en Land Drost ter Colonien, Stellenbosch en Drakenstein, de Heer Hendrik Lodewyk Bletterman luidende, als volgt. de : de wijnen en brandewijnen by de kleine maat zoude verkoopen, zij relatant gevolgelijk ook reeds twee dagen daar van de bruik gemaakt en op het voorschreeve accoord dranken by de kleine maat verkogt heeft, tot op ofteegens den middag van, zoo den relatant vermeend den 8 der gemelde maand september, wanneer voorm: pragter fredrik Kannemeijer, bij den relt: gekomen zijnde, aan hem relt. gefzegt heeft, van niet meer te moeten tappen of draaken te verkoopen, alzoo hem dit verbooden was, zulks den zel: daar mede ook dadelyk opgehouden en het voorschreeve met meermelde Kannemeijer aangegaane accoord verbrooken heeft. — Niets meer verklaarende geeft den relatant voor redenen van wetenschap als in den text, bereid zijnde het vorenstaande Zes vereischt wordende, met Eede nader gestand te soen. /:onder stond:/ Aldus gerelateerd aan Cabo de Goede Hoop den 28 November 1780. voor de Heeren Rijo Johannes van der Riet, en Gerrit Hendrik Meijer, Leeden uit den E: Achtbare Rade van Justitie voormeld, die de minute dezes beneevens den relt: en mij geswoore Clercq, meede behoorlijk hebben ondertekend /log 't welk ik getuige /:was getekend:/ A ded Rijneveld. gClercq: Art: J. Ook zal niemand dezer ingezeetenen geen wijngaorde, nier zijnde, eenige wijnen van buiten komende, by de legaer of andere Chistages ten zynen huize vtermogen in te slaan, zonder alvorens daar toe bekomen te hebben een licentis briefje, en aan den Heer Fiscaal Ende „penkent overgegeeven, niet tegenstaande daar toe, bij den Waongaardenier, buiten wonende, bij procuratie voor den b'Ampt schrijver gepasseerd, expresselijk g'authoriseerd en verdagt was, welke procuratie boven dien alvorens ook nog aan den Edelen Heer Gouverneur en independent fiscaal zal moeten wezen (vertoonden geaccepteerd, waar toe nogtans geen Comps dienaaren zig zullen mogen laten gebruiken, blivende Niemand dezer Jegeseetenen zal ensgelyks op enigerleij wize beroegd zijn, wynen by de kelder off andere klyndere maet, als een half aan by de Wijn door denier, geen Wijnpagter zijnde, en te koopen onder wat praetext zulks zoude mogen wezen op peine van 100 r:s Extract uit het gerenoveerd generaal placaat van den 11:e October 1740. Art: 8. Extraet mnsgelijks insgelijks de pagter der weijnen van deesen kempt alles op eene peine van ƒ300:—:— Artl: 16. Insgelijks zal geen pagter eeniglijk een wijnpagt hebbende bevoerd weesen, buijten de Caabsche mijn eenige andere dranken, 't zij Vaderlandsche bieren, wijnen, Brandewijnen, of andere gedisteteerde wateren, te verkoopen, of uit te tappen, niet tegenstaande een ongequalificeerde permissie van de andere pagters daar toe bekomen mogte hebben op poene van ƒ1000: zullende diesaangaande moeten verantwoorden, voor de behandelingen haarer dienst Rooden en familien. Geen wijnpagter zal ook vermoogens wezen door bedagtelik eenige wijnen te verkoopen off uit te geeven, ten einde daar mede buiten zijne gewoone en gepermitteerde publicque top plaatzen, eenige particuliere geslagen zitten direct of indirect op peine van ƒ1000:—: F /:lager:/ Accordeerd /:was geteekend:/ J T Faure Jm Clercq. Conditien en voorwaarden Waar op wegens de generale Nederlandsche Art: 11. Eerstelijk werd geconsenteerd, aan den gepraeceligeerden Herbergier, die deese pagt aanneemen zal, om, net huit schiiting van alle anderen binnen voorm: Dorpen Stellenbosch en Drakenstein, als boven is gezegd, te mogen tappen en uittinten Caabsche Caele Wijnen, Vaderlandsche en Caabsche brandewijnen, en gedisteleerde Wieteren, Nederlandsche, Oost Indische Comp:e den WelEdelen Gestrengen Heer Gouverneur Cornelis Jacob van de Graaff, benevens den E: Achtb: Raad: / van Cabo de goede Hoop van meeninge zin te verpagten den tap of sleet van de Caabsche coele en Vaderlandsche brandewijnen in Gedistleerde wvateren in den Dorpe van Stellenbosch te reekenen van de woninge van Dirk Mol, Jan Cloete de Jan Jonkers Hoek Juffw. Robberts en de geweezene plaats van Matthijs Greef, zo in 't ronde, mitsgaders mede over de gantsche Districten van Drakenstein; voor den tyd van een geheel Jaar, als nader zal werden gezegd. — bij

NL-HaNA_1.04.02_4344_0241 view scan ↗

English

consumed by the small measure, and that at such prices as they shall deem appropriate, but by the said leaseholder no taverns may be established, nor any of the aforementioned drinks retailed by the small measure, within one hour of the mill of Drakenstein, as well as in the district of Hottentots Holland, and the aforesaid privilege shall commence on the first of September of this year, and expire on the last day of August 1789. The said innkeeper shall not be permitted to purchase any Dutch brandies or distilled waters from any private individuals, but shall be obliged to procure the same from the Honorable Company, unless they cannot be obtained from it, in which case the said innkeeper shall be permitted to purchase the said drinks from private individuals, and this under penalty of ƒ 500: - as often as he shall be fined for it, one half to be applied for the Honorable Company and the other half for the Landdrost, without any grievances being heeded or the least regard being paid in this matter, from whatever cause they might arise. Payment must be made in cash, in good current coin of Cape valuation, and the contractor shall have to provide two sufficient sureties for the promised lease monies, to the satisfaction of the Honorable Company, who, each individually in addition to the contractor, must bind themselves in solidum for the payment, under express renunciation of the benefits ordinis, divisionis et excussionis, of the force and effect of which they must keep themselves informed. Finally, the contractor must pay the promised lease monies in two installments, of which the first, estimated in proportion to the time expired and spent, shall be on the ultimate day of February 1789, and the second on the ultimate day of August following, and that precisely without any delay, such that in case the leaseholder fails to comply in this respect, the Honorable Company shall be empowered to execute his property, none exempt, paratelly and without any delay or dissimulation; and if anyone in the aforementioned outer districts of Stellenbosch and Drakenstein is guilty of retailing any of the aforementioned drinks by the small measure, or keeping drinking parties, the leaseholder is hereby authorized to apprehend such persons and report them to the Fiscal or Landdrost, in order to be sentenced to a fine of one thousand guilders Cape valuation, to be applied according to custom. It remains furthermore interdicted and forbidden for the leaseholder to transfer his contracted lease to anyone else by contract or privately, under whatever title or pretext it might be, or to cede his right, without prior obtained permission from the Council of Policy, under penalty, if acting otherwise, of being punished as a broker according to the current general placcaat. On the above-mentioned conditions and terms, the burgher Fredrik Kannemeijer became the contractor of the aforesaid lease for a sum of one thousand, eight hundred guilders, and as sureties were appointed the fellow burghers Jan Jacob Schreuder and Bernhard Roedolph. Below stood: Thus done in the Castle of Good Hope, the 30th of August 1788. Was signed: F: Kannemeijer. I: I: Schreuder: I: B: Roedolph. Lower: In my presence, and signed: E: V: Aerssen, sworn clerk. In the margin: As commissioners, signed: R: J: Gordon, I: S: Le Sueur. Below stood: Agrees. Was signed: I: G: Faure, son of G., clerk. To the Right Honorable Johannes Isaak Rhenius, President, together with the further Honorable Members of the Council of Justice of this Government, at the Cape of Good Hope. Right Honorable Sir! Honorable Sirs! With due respect, your Right Honorable's very humble servant, the undersigned burgher Jacobus van Leeuwen, as representative of the fellow burgher Fredrik Kannemeijer, makes known: That his petitioner's principal, on the 8th of this current month of January, was summoned by the Merchant and Landdrost at Stellenbosch and Drakenstein, Mr. Hendrik Lodewijk Bletterman, ex officio, before this Honorable Council to the end as mentioned in the citation. That the petitioner, appearing in his aforesaid capacity on the appointed day on the court roll, the Mr. Plaintiff ex officio had served against the said petitioner a written claim, substantiated only with a single witness.

Dutch transcription

bij de kleene maat geconsumeerd, wordende, en dat tot zodanige prijsen, als hun oirbaar zullen achten, dog zal door gem: pagter, op een uur na van de molen van Drakenstein, mitsgaders meede in den omtrek van het Hottenlots Holland geen tapperig en mogen gezet, of eenige der voorm: dranken bij de kleene maat gedebiteerd worden, en zal voorsz: previlegie, en„ gaande met primo september dezes Jaars, en expireeren den laatsten Augustus 1789. Den gem: Herbergier zal niet vermogen eenige na„ derlandsche brandemijnen of gedistilleerde wateren van eenige particuliere) te koopen, maar gehouden zijn dezelve van d' E: Comp„e te moeten inslaan, ten waren die bij haar niet te bekomen waren, als wanneer aan hem Herbergier ge„ „permitteerd zal zijn, gem: dranken van particulieren te mogen kopen, en de zulks op peene van ƒ 500: - zo menigmaal daar op bekeurd zal worden, d' Eene helft t'eppliceeren voor d'E: Comp:e ende de andere helfte voor den Land Drost, zonder dat in deezen op eenige doleantien, uit wat oorzaken die mogten heen komen, zal worden gelet, of 't minste requard genomen. De betaling zal moeten geschieden in contanten gelde goede gangbare specie caabsche taluatie, en zal den aan„ neemen hebben te stellen twee sufficante borgen voor de beloofde pagtpenningen, ten genoegen van d' E. Comp:e die ieder in 't bijzonder beneevens den aanneemer, hun in solicum door de betaling zullen moeten verbinden onder uitdrukkelijke renuntiatie van de beneficien ordinis, disisionis et excussionis van welkers kracht en effect zij zig zullen moeten onderrigt houden. Eindelijk zal den aanneemen de beloofde pagt penn: moeten afleggen in twee termeijnen, waar van de Eerste begroot na proportie van den tijd, omgekomen en ver„ sleeten zal zijn, ult:o Febr: 1789, ende tweede Ult:o Augustus daar aan volgende, en dat precise zonder eenig uitstel, zodanig, dat ingevalle den pagter daar om„ trend ingebreeken blijft, d' E: Comp:e vermogens zal zijn, desselfs goederen, geene Exempt, paratelijk en zouder eenig Uitstel off dissimulatie te executeeren, en in voorm: buiten districten van Stellenboschen Drakensteijn, zich iemand schuldig makende aan eenige van de voorm: dranken bij de kleene maat uit te renten, of gelagen te leegen, zo word den pagter bij deezen gequalificeerd de zodanigen te mogen attrappeeren, en aan den Fiscaal of Land Drost aan tegeven, omgecordem„ neerd te worden, in een boete van duizend guldens Caatsche valuatie, t'appliceerena usu. Blijvende bovensdien den pagter g'inter„ diceerd en verbaaden, zijn aangenomen pagt, zoude Voorgaande bekomene permissie van den politicquen onder Raad Raad by contract of onder de hand onder wat tituls of pretext het ook zoude mogen zijn aan iemand anders over te laaten, of Cessie van zijn regt te gevem, op poëne van anders doende, als vmakkelaar na lind van het Vigeerend generaal placaat te zullen worden gestrafd. Op de hier vorenstaande Conditien en voorwaerden, zo is den Burger Fredrik Kannemeijer van Voorsz: pagt aanneemer gebleeven voor een Somma van Een Ruizend, Acht honderd guldens, en zijn tot Bergen gesteld de meede burgers Jan Jacob Schreuder en Bernhard Roedolph /:onder stond:/ Aldus gedaan in 't Casteel de goede, Hoop, den 30 Augustus 1788. /:was geteekend:/ F: Kannemeijer. I: I: Schreuder: I: B: Roedolph /:lager:/ mij praesent: /:en geteekend:/ E: V: Aerssen. p:l Act:s /:int margine:/ als gecommitteerden /get:/ R: J: Gordon I: S: Le Sueur. /:onderstond:/ Accordeerd. /:was geteekend:/ I: G: Faare, gezn: Clercq. Aan den WelEd: Achtb: Heer Iohannes Isaak Rhenius, Praesident, beneevens Geeft met de vereischte Eerbied te kennen uwer WelEd: Achtb: zee nederigen dienaar den ondergeteekenden burger Jacobus van Leeuwen, als gem: van den Reede burger, Fred:k KanneMeijer Hoe zijn Supt: principaal de dato 8 deezer loopende maand Januarij, door den Koopman en Land Drost te Stellen bosch en Drakensteijn, de Heer Hendk: Lodewijk Bletterman R:O: gedagvaard waaren, voor deezen E: Achtb: Raaden ten sinem als bij citatie vermeld. Dat zij suppl:t in zijn voorsz: qualiteit ten daage dienende, ter rolle Compareerende den Heer ratione Officie Eijssr: teegen den pelen Supt: hadde gediend van Schrif¬ telijken Eijsch, gemunieerd alleen met een linguliere getuigen. de verdere E: Achtb: Raade van Justitie dezes Gouvernements, aan Cabe de Goede Hoop. Wel Ed: Achtb: Heer! E: E: Heeren! Den de

NL-HaNA_1.04.02_4344_0243 view scan ↗

English

The petitioner therefore requested of Your Honorable Worships a copy of the conclusion of demand of the Lord Prosecutor in Office until such time as the statement on the part of the defendant should have been properly obtained according to the style of the court, in order then to serve as an answer. Which request, having been debated on the part of the Lord Prosecutor in Office, the petitioner has persisted in the same request, without however renouncing further production. That the principal petitioner, despite the pleadings held, was nevertheless condemned, and the Lord Prosecutor in Office, having made his demand and conclusion, was granted it by sentence of Your Honorable Worships. That the principal petitioner, by the said sentence, for these and other reasons feeling significantly aggrieved, was compelled to lodge an appeal from the same sentence within the proper time to the High Court of Justice of the Castle Batavia. Wherefore the petitioner, with no less respect, turns to Your Honorable Worships, humbly requesting that it may graciously please the same— Note: The petitioner takes the liberty, in the first place, to refer to the arguments presented in his submitted petition, and in the second place, to add that the conclusion of demand submitted by the Lord Prosecutor in Office is based solely on a single witness, who, moreover, drew wine without the consent of the principal petitioner and thus on his own authority, and therefore in the event of a trial could and might have been entirely challenged, as it is known to everyone, Honorable Worships, that a claim must be founded on such evidence that can indisputably verify the case in question. It is for this reason that the laws clearly state, in the final law of the Code on Evidence, that no one shall be able to accuse another unless he can prove his accusation by competent witnesses or credible statements, so that the proof regarding the alleged facts—that the petitioner —may be pleased to grant to the principal petitioner a writ of appeal, with the clause of inhibition in best form. Below was written: Doing which. Was signed: A Leeuwen as representative. In the margin: Exhibited in court on 22 January 1789. would have acted fraudulently, knowingly and willingly against the law, which the Lord Plaintiff attempted to apply for that purpose, can in no way be accepted as conclusive proof, since the singularity of that deponent does not permit such. For those and other reasons, the principal petitioner believes that what was brought forward on this matter on behalf of the Lord Plaintiff can never be accepted, since this would bar the course of law and leave the petitioner deprived of the ability to complain about an aggrieved sentence, as he believes, and to seek further justice. Since Your Honorable Worships, under respectful correction, cannot render judgment by arrest upon a matter consisting of facts, or such a judgment cannot have the force of res judicata, and having been definitively disposed of, such an appeal can never be disputed with reason to a defeated party, as such an ordinary and necessary remedy is permitted by the laws themselves for those who are aggrieved; Wherefore the petitioner, relying on the equity of Your Honorable Worships, shall persist in his request. Was signed: J. V: Leeuwen as representative. Thus it was resolved and decided, for the reasons cited therein, to dismiss the request of the aforementioned Kannemeijer as absurd, and to order him to comply strictly with the letter of the lease conditions. Below was written: Agreed. P: F: Faure, secretary. To the Right Honorable Cornelis Jacob van de Graaff. Thereupon was read a report submitted by the Landdrost of Stellenbosch and Drakensteijn, pursuant to the resolution of 7 October last, concerning the request made by the lessee of the Cape cooling wines and brandies within the limits of the aforesaid districts, Fredrik Kannemeijer, to be allowed to maintain an additional tavern there, which report reads as follows: Extract of the Resolution taken in the Council of Policy in the Castle of Good Hope on Friday, 25 November 1788. Extract. With due respect, Your Right Honorable and Honorable Worships' humble servant, the burgher Fredrik Kannemeijer, shows that the petitioner, having remained the successful bidder at the last leasing of the country's public revenues for the lease of Cape cooling wines and brandies within the limits of Stellenbosch and Drakensteijn, to carry on his business there, would very gladly appoint the burghers Petrus Kannemeijer and Ian Verbieur, the former for the petitioner and the latter, as his tavern-keepers there; The petitioner therefore takes the liberty of turning to Your Right Honorable and Honorable Worships, most humbly requesting that it may graciously please Your Right Honorable and Honorable Worships to graciously permit him to do so. Below was written: Doing which. Was signed: A. Kannemeijer. Lower down: Agreed. Was signed: G: F: Goets, sworn clerk. Honorable Worships! Right Honorable Sir Graaf, Governor of the Cape of Good Hope and its dependencies, etc., etc., together with the Honorable Council of Policy. The lessee of Cape cooling wines and brandies at Stellenbosch, Fredrik Kannemeijer, having requested by petition to be allowed to maintain an additional tavern there, it was resolved to place this petition in the hands of the Landdrost of Stellenbosch and Drakensteijn, in order to report thereon. Below was written: Agreed. Was signed: G. F. Goets, sworn clerk. Extract of the Resolution taken in the Council of Policy in the Castle of Good Hope, on Tuesday, 7 October 1788. J B Rijneveld. Extract. Agreed. Secretary.

Dutch transcription

Den sup:t derhalven bij uwel Ed: Achtb: heeft verzogt, Copia van des Heer R: O: Eisschers conclusie van eijsch, tot tijden en wijlen, dat de verklaaringe aan de kant van den gedaagde na Stijl van regten behoorlijk zoude ingewonnen zijn omme als dan te dienen van antwoord. Welk verzoek van weegen den Heer R: O. Eijsscher gedebatteerd zijnde, heeft den Supt bij het Zelve verzoek blijven persisteeren, zonder echter van verdere productie te renuntieeren Dat den pplen. Sup:t, nagehoudene dingtaale des niet tegenstaande is gecondemneerd, en den Heer R: O. Eisscher zijne gedaan en Eijsch ^ en daar agter genoomen en conclusie bij Vonnisse Uwer Wel: Ed: Achtb: is geadjudiceert. Dat den principaalen Supt: bij het gem: Vonnis om dezen en anderen redenen, zich merkelyk luidende gegraxeerd, genoodzaakt is geworden van het zelve vonnis, binnen de behoorlijken tyd appel te Interjecteeren, aan de Haeze Toeran van Justitie der Casteels Batavia Weshalven den Supt: met niet minder Eerbied hem tot UwelEd: Achtb: is keerende, Ootmoedig verzoekende, dat het hoogst dezelve goedguustig Nota. den supt: neemt de vryheid en de Eerste plaats zich in deezen te refereeren tot by zyn overgegeeven request aangevoerde middelen, en in de tweede plaats daar bij voegende, dat des Heer R:O: Eisschers inge diende conclusie van Eijsch alleen steund op een eenige singuliere getuigen en die daar en boven buiten onsent van den pxle Supt: en dus propria Autoritate heeft getapt, en mitsdien in cas van proces funditus had kunnen en mogen gereprocheerd worden, daar een ieder bekend is, Ged Achtb: Heeren, dat een Eijsch moet gestrofd zijn op zodanige bewijzen, die het geval in quaestie indisputabel verifieeren, kunnen, het is daarom, dat de wetten duidelijk zeggen, in L: ult: cod: de probat: dat niemand een lander zal vermogen te beschuldigen, zoo hij niet zijne accusatie kan probeeren door bekwaame getuigen of geloof„ „waardige verklaaringen, invoegen, dat het bewijs nopens de geobjicieerde feiten, dat den Supt: mooge behaagen, aan den principalen sup:t te verleenen, mandament in cas de appel, (met de clausule van inhibitie in optima forma /:onder stond:/ 't welk doende /was geteekend:/ A Leeuwen. qq: /:in margine/ Exhibitum in Iudicio den 22 Januarij 1789. Mooge dolieuselijk dolieuselijk weetens en willens tegens de wet zoude hebben gehandeld, welke den Heer Eisscher daar toe gepoogd heeft te adhibeeren, in geenen deele kan worden geadhibeerd voor een concludent bewijs, vermits de Singulariteit van dien dep:t zulks niet Om die en andere reedenen vermeend den pplen supt: dat het van weegen den Heer Eijssr op dit respeet voortgebragte nimmer kan worden geaccepteerd, aangezien, dit den weg van regten zoude sluijten en den sup:t: hem verstooken vinden, om zig over een (zoo hij vermeend:) bezwaard konnis te kunnen beklaagen en verder regt te zaeken. Naar Uwel Ed: Achtb: /:onder Eerbiedige Correctie:/ niet bij Arrest kunnen vonnissen op een zaak, die in feiten bestaat, of zulk een vonnis niet kan gaan in kragt van gewijsde, en ten diffinitive gedisponeerd zijnde, kan zodanig appel nimmer aan een succum bant met grond betwist worden, alzoo zodanig een ordinaris en noodzakelijk reme die voor de geenen, die bezwaart zijn bij de wetten zelve worden geadmitteerd; Neshallen den Supt: op de Aquiteit Uwer halld: Achtb: zich verlaatende, bij zijn gedaan verzoek zal blijven persisteeren. /:Was geteekend:) J. V: Leeuwen qq: toelaat. H: S: Zo is goedgevonden en verstaan om de daar bij gealligueerde redenen, het verzoek van voorsz: Kannemeijer, als ongerijmd, van de hand te wijzen, en denzelven te ordonneeren, zich stiptelijk te gedraagen naar den Letter der pacht Conditien. /:ongerstond:/ Accordeerd. P: F: Faure gere larag Aan den WelEdelen Gestr: Heer Cornelis Jacob van de Zynde vervolgens geleezen een bericht door den Land Drast van Stellenbosch en Drakensteijn, ingevolge besluit van den 7 October El: ingedeend, weegens het verzoek door den pagter der Caabsche koele en brande wijnen, binnen de limiten van voorsz: districten, Fredrik Kannemeijer gedaan, omme aldaar noch een bijtap te mogen houden luidende het zelve bericht Extract Resolutie ge¬ nomen in rade van Politie in 't Casteel de goede Hoop op Vrijdag den 25 November 1788. Extract Graaff Met verschuldigd respect geeft te kennen Uwe Wel Edele Gestr: en E: Agtb: onderdanige dienaar den Burger Fredrik Kannemeijer, dat den Sup:t bij de laatste verpagting van verlands gemeene middelen en inkomsten aanneemen gebleeven zijnde van de plegt der Caabsche kaele en brandenijnen in de limiten van Stellenbosch en Drakensteijn, tot voortzetting zijner neering aldaar, de Burgers Petrus Kannemeijer en Ian Verbieur, de Eerste voor den Sup:t en den tweede zeer gaarne tot zijne bijtappers aldaar zouden willen aanstellen; Den supp:t neemd over zulks de vrijheid zieh te wenden tot uwe WelEd: Gestr: en E: Achtb: nede¬ zigst: verzoekende, dat het uwe WelEd: Gestr: en Ed Achtb. goedgunstiglijk gelieve te behagen, hem zulks graceuselijk te permitteeren, /:onder stond:/ 't welk doende /:was geteekend:/ A„n hannemeijert lager:/ Accordeerd:/ /: was get:/ G: f: Goetsph: g: Clercq. E: Agtb: Heeren! WelEdele Gestr: Heer Graaf, Gouverneur van Cabo de Goede Hoop, en den ressorte van dien &c: Scs &c: beneevens den E: Agtb: Raad van Politie Door den pagter der Caabsche Koele en brandewijnen aan Stellenbosch, Fredrik Kannemeijer, per requeste zijnde verzogt, om aldaar noch een bijtap te mogen houden, is goed„ „gevonden dit request te stellen in handen van den Land Drost van Stellenbosch en Drakensteijn, omme daar op te dienen van berigt. /:onder stond:/ Accordeerd: /:was geteekend:/ Gf: Goets. p: E: g: Clercq. Extract Resolutie genomen in rade van Politie in 't Casteel de goede Hoop, op Dingsdag den 7. October 1788. H J B Rijneveld Extract Accordeerd. Secret ƒ ƒ

NL-HaNA_1.04.02_4344_0246 view scan ↗

English

the 7th O:Gr Article 1. And he caused to say that, in order to avoid all prolixity, he will solely refer to the declarations and post-mortem report annexed hereto. 3. From which it appears that the defendant has made himself guilty of an improper chastisement with respect to his slave boy named Fortuin. 4. Upon which the deed immediately followed. 5. Thus the defendant, according to the letter of the Statutory Law of the Netherlands Indies, has incurred that punishment stipulated by the legislature under the title of slaves or bondsmen. 6. It redounding, however, to the advantage of the defendant that the testimonies of the aforesaid deponents do not unanimously declare the course of events. 7. And it is also not properly established by the post-mortem report Upon and against the burgher Pieter Fourrie, defendant on the other part. Claim and Conclusion made, drawn up, and delivered to the Honorable, Right Worshipful Council of Justice here, by and on behalf of the Member of this Year, Rijno Johannes van Der Riet, qualified as proxy for the Landdrost of the Colony of Graaff Rijnet, Mr. Woeke, ratione officii, Plaintiff on the one part. how 2. how the mistreatment occurred, since that cadaver had already passed into putrefaction. Article 8. Thus, more or less, the punishment ought to be left to the discretion of the court. By virtue of which and other reasons and means, to be further deduced in due time /: if necessary :/, the Right Honorable Plaintiff, making his claim, concludes that the defendant shall be severely reprimanded in this Honorable, Right Worshipful Council, and further mulcted in a fine of two hundred rds. on behalf of the said Plaintiff, and furthermore that the slaves Floris, Pedro, and Celie, who have accused the defendant, may be sold judicially, to the benefit of the defendant, in order to prevent all disputes, with this condition: that they shall never again come under the power of him, the defendant, nor of any of his existing relations, and that he be condemned in all costs of this lawsuit, or to such other penalty as your Right Worshipful Honors shall in good justice find appropriate /: signed :/ RWVD Riet. /: in margin :/ Exhibited in Court on the 2nd of April 1789. That the slave belonging to the aforementioned Pieter Fourrie, named Fortuin, during the corn harvest in the year 1787, having left some cattle behind in the field, was for that reason punished by the deponent's master, without the deponent having been present at the punishment, as he was tending the sheep in the field. That the said Fortuin, on the very same day after receiving the punishment, had run away, and eight days thereafter, having been caught by the Hottentots Piet and Cobus Bantam and brought home, had passed away three days thereafter. Furthermore, that the deceased slave Fortuin was buried in the river by the deponent and the fellow slave Pedro of Madagascar on the day after his demise, and that the deponent had seen that worms were present in the inflicted wounds that were visible on the buttocks of the said Fortuin. Today, the 12th of July 1788. There appeared before me, Johan Jacob Frederik Wagener, Secretary of the Colony of Graaff Rijnet, present the hereinafter named witnesses, the bondsman of the burgher Pieter Fourie Louisz:, named Floris of Mozambique, who, at the requisition of the Landdrost of the aforesaid Colony, Mr. Morits Herman Otto Woeke, declared it to be true. today Nothing Declaring nothing more, the deponent gives as reasons of his knowledge as in the text, being prepared to further confirm the foregoing. /: at the bottom was written :/ That this was thus executed at the secretariat at Graaff Rijnet in the presence of the deputy drost Adolph Jurgense and the court messenger Johan Christiaan Helm, who have duly signed the minute hereof along with the deponent and me, the Secretary. /: which I witness. /: was signed :/ J: J: F: Wagener, Secretary Today, the 12th of July 1788. There appeared before me, Johan Jacob Frederik Wagener, Secretary of the Colony of Graaff Rijnet, present the hereinafter named witnesses, the Hottentot Cobus of Bantam, who, at the requisition of the Landdrost of the aforesaid Colony, Mr. Morits Herman Otto Woeke, declared it to be true. That during the corn harvest in the year 1787, the slave Fortuin of Malabar, bondsman of the burgher Pieter Fourie Louisz:, with whom the deponent resides, had absented himself from his master because he had left behind a cow that had calved in the field, and thus had hidden out of fear of punishment, and shortly thereafter was caught by the deponent. That the said Fortuin of Malabar, for his remaining Today, the 12th of July 1788. There appeared before me, Johan Jacob Frederik Wagener, Secretary of the Colony of Graaff Rijnet, That this was thus executed at the secretariat at Graaff Rijnet, in the presence of the deputy drost, Adolph Jurgensen, and the court messenger, Johan Christiaan Helm, who have duly signed the minute hereof, along with the deponent and me, the Secretary. /: lower :/ which I witness /: was signed :/ J: J: F: Wagener, Secretary absent, was punished by his aforesaid master, Pieter Fourie, with samboks, and was held down on the ground by the deponent together with the son of the said Fourie and the slave Pedro, (: after the said Fortuin had first been bound hand and foot with thongs :). That the aforementioned Fortuin made his escape that same evening, and on the 8th day thereafter was caught by the deponent and the Hottentot Piet, and brought home, and furthermore passed away three days thereafter, without the deponent being able to say whether Fortuin died from the received blows or from other accidents. Declaring nothing more, the deponent gives as reasons of his knowledge as in the text, being prepared to further confirm the foregoing. /: at the bottom was written :/ remaining present

Dutch transcription

den 7: O:Gr Art. 1. Ende deede zeggen. dat hij om alle wijdloopigheeden te eviteeren zig alleerlyk zal refereeren aan de hier bijgevoegde verklaaringen en Schouw Acte. 3. Naar uit consteerd, dat de ged:e zig aan een onbehoorlijke kastijding, ten opzigte van zyn slaasen Jongen, in naame Fortuin, heeft schuldig gemaakt. 4. Waar op de daad onmiddelijk is gevolgd. 5. dus den gede volgens den Letter der Statutaire wet van Nederlandsch India, heeft geineurreerd die straffe, onder den titul van slaaven of lyteigenen, door de wet „geevende mogt bepaald. E. koomende echter ten voordeele van den gede: dat de getuigenisse dan de voordaanden zijnde deposanten, niet eenstemmig declareeren den toedragt der zaaken. 7. en ook niet behoorlijk consteerd met de schouw acte, Op ende Jeegens. den Burger Pieter Fourrie gede: ter andere zijde. Eijsch ende Conclusie gedaan maaken en overgegeeven aan den wel„ Edele Achtb: Raade van Justitie alhier door ende van weegens den Lid deezes Jaars, Rijno Johannes van Der Riet, als voor den LandDrost der Colonie Graaf Rijnet, de Heer Woeke, gequalificeert, ratione officii Eijsscher ter Eenre. hoe 2. hoe de mishandeling is geweest, vermits dat Cadaven reeds tot de putre factie was overgegaan. dlus meer of min de straffe diend gelaaten te Artl: 8. worden aan 't arbitrium der rechten. Mits welke en andere reeden en middelen; en tid en wijlen /: is 't nood :/ nader te deduceeren, den R: d: Eijsscher Eijsch doende, concludeerd, dat de ged:te zal worden scherpelijk gereprimendeerd, in deezen Ed: Achtb: Raade, en voorts gemuliteerd in eene boete van twee honderd rd„s ten be„ „hoeve van den Z: O: Eijsscher, en voorts dat de slaasen Floris, Pedro en Celie, die de ged:e hebben aangeklaagd, om alle moegelykheeden voortiekomen geregtelijk, ten voordeele van den gede mogen worden verkogt, met deeze Conditie, dat zij nimmer weeder onder de magt van hem ged:e nog te een zijnez bestaande vermoogen te geraaken, en in alle kosten van deezen processe gecondemneerd, ofte tot zoo danige andere peene, als uwelEd Achtb in goede Justitie zullen vinden te gehooren /:was geteekend:/ RWVD Riet. /:in margine:/ Exhibitum in Iudicio den 2. April 1789 Dat den slaaf, toebehoorende opgem: Pieter Sjouri, in naame Fortuin, in den kooren Oogst, in't Jaar 1787. eenig zee in't teld agtergelaaten hebbende om die redenen door des Compts: Lyf Heer was gestraft geworden, zonder dat den Compt: bij de Straffe was praesent geweest terwijl in 't Veld de Schaapen opparte. Dat ged„te Fortuen dienzelfden dag na de ontfangene straffe, was vlugtig geworden, en agt dagen daar na door de hottentet piet en Cobus Bantam, opgevangen en 't huis gebragt zijnde, drie dagen daarna over„ leeden was. Voorts dat den overleedene slaaf Fortuin, door den Compt: en den meede Saar Pedro van Madagascar, dien dag na zijn overlijden, in de rivier was begraaven, en dat den Comp:t gezien had, dat in de geslaagene worden, die op de billen van gem: Fortuin te zien waaren, zig wonnen bevonden. Huiden den 12:e Julij 1788. Compareerde voor mij Johan Jacob Frederik Wagener, Secretaris der Colonie Graaffe Rijnel, praesent de naten: getuigen, den Lyfeegena van den Burger Pieter Touxi Louisz:, in naame Floris van Mosambicque denwelken ter requisitie van den Land Drost der voorsz: Colonie, d' Heer Morits Herman Otto woeke, verklaarde, hoe waar is. luiden Niets Niets meer verklaarende, geeft de Comp:t: voor reedenen van weetenschap, als in den text, bereid zijnde, voorenstaande nader gestand te doen. /:onder stond:/ Dat Aldus passeerde ter secretarije aan Graaffe Rijnet in 't bijweezen van den substituit Drost Adolph Iurgense en de geregtsbode Johan Christiaan Helm, die de minute deezes beneevens den Compt: en mij Secretaris behoorlijk hebben onderteekend. /: 't welk ik getuige. /:was geteekend:/ I: H: Wagener. Secret:s Huiden den 12e: Julij 1788. Compareerde voor mij Johan Jacob Frederik Wagener, Secretaris der Colonie Graaffe Rijnet, praesent de needer: getuigen, den botten tot Cobus van Bantam, denwelken, ter requisitie van den Land Drast der voorsz: Colonie, de Heer Morits Herman Otto woeke, verklaarde, hoe waar is. Dat in den Koorn Oogst in 't Jaar 1787, den slaaff, Fortuin; van Mallabaar, Lifeigene van den Burger, Pieter Fouri Louisz: bij denwelken den Compt: komt woonagtig te zijn, zig van zijn Lyf Heer geabsenteerd had, om dat hij een kaeij, die in 't veld gehalfd had, had agtergelaaten, en dus uit vreeze van straffe geschuild had, en kort daar na door den Compt: was opgevangen geworden. Dat ged„te Fortuin van Mallabaar voor zijn abrant Huiden den 12e Julij 1788. Compareerde voor mij Johan acob Frederik Wagener, Secretaris der Colonie Graaffe Rijnet, Dat aldus passeerde ter secretarije aan Graaffe Rignet, in 't bijweezen van den substituit Drost, Adolph Jurgensen, en den Geregts bode, Johan Christiaan Helm, die de minute deezes, beneevens den Compt: en mij Secretaris behoorlijk hebben onderteekend. /:lager:/ 't welk ik getuige /:was geteekend:/ I: H: Bagener. Secret:s blijven, door zijn Lyf Heer voorsz: Pieter Touri, was gestraft geworden, met sambokken, en door den Comp:t beneevens den zoon van gem: Fouri, en den slaaf Pedro, (:na dat ged:te Fortuin eerst met riemen aan handen en voeten was vast gebouden; (op den grond was vas gehouden geworden. Dat opgem: Fottuin, deaslfden avond zig had vlugtig gemaakt, en op den 8„e dag daar na door den Comp:t en den hotten tot Piet was opgevangen geworden, en na huis gebragt, en voorts drie dagen daar na overleeden was, zonder dat den Comp:t weet te zeggen, of Fertuin aan de bekomene slagen of bij andere toevellen gestorven is. Niets meer verklaarende, geeft den Compt: voor reedenen van weetenschap, als in den text, bereid zijnde, 't voorenstaande nader gestand te doen. /:onder stond:/ blyven praesent

NL-HaNA_1.04.02_4344_0249 view scan ↗

English

In the presence of the named witnesses, the Hottentot Piet, residing with the burgher Pieter Fouri, Louisz, who at the requisition of the Landdrost of the aforesaid Colony, Mr. Morits Herman Otto Woeke, declared to be true: That the deponent does not know how to state the month, much less the day, but to his knowledge says in the wheat harvest in the past year 1787, that his master, the aforementioned burgher Pieter Fouri, Louisz, had grievously beaten a slave named Fortuin van Mallabaar with sjamboks, without the deponent knowing how to state for what reasons. That the said Fortuin had taken flight that same evening, and after having been absent for about 8 days, was recaptured by the deponent and the fellow Hottentot, Cobus Bantam. That the same slave, Fortuin, died three days thereafter, the deponent being able to testify nothing other than that the said Fortuin was beaten very red upon his buttocks. Declaring nothing more, the deponent gives as reasons for his knowledge as stated in the text, being prepared to confirm the foregoing further. Underneath stood: That this thus occurred at the Secretariat in Graaff-Reinet, in the presence of the Deputy Drost, Adolph Jurgensen, and the Court Messenger, Johan Christiaan Helm, who have properly signed the original of this together with the deponent and me, the Secretary. Lower down: which I witness. Was signed: J. H. Wagener, Secretary. Today, the 27th of May 1788. Appeared before me, Johan Jacob Frederik Wagener, Secretary of the Colony of Graaff-Reinet, in the presence of the named witnesses, the slave currently held here in custody, by name Pedro van Madagascar, according to his statement and report the bondsman of the burgher Pieter Fouri, Louisz, who, at the requisition of the Landdrost of the aforesaid Colony, Mr. Morits Herman Otto Woeke, declared to be true: That his master, the aforementioned Pieter Fouri, living very strictly and harshly with his people, it had happened that the fellow slave, Fortuin van Mallabaar, belonging to the aforesaid Fouri, had allowed the cattle he was tending to wander off, and thus they had become scattered, and the said Fortuin, not having been able to gather them together again, out of fear of being punished for this by his master, had stayed away, and on a Sunday, having been recaptured by a Hottentot named Piet, also residing with his master, the aforesaid Fouri, and brought home, the said Pieter Fouri immediately tied the aforementioned Fortuin van Mallabaar to a wagon wheel, and with the help of his son, by name Louis, began to beat him with sjamboks. That the said Pieter Fouri and his son Louis had continued with the beating so long that, having become tired, they rested at intervals each time, and further began beating again, continuing with it so long until finally the said Fortuin van Mallabaar remained lying dead on the wagon wheel. That the aforesaid had happened on a Sunday afternoon shortly before the wheat harvest in the year 1787, and that the wife of the aforementioned Pieter Fouri was also present at the beating, who however had not dared to speak out of fear of then being mistreated by her husband. That furthermore almost all the people of his master were present at the beating, namely the slave Floris van Mosambicque, the slave woman Cilia van Mallabaar, the Hottentots Wildeman, Piet, Cobus, and several Hottentot women whom the deponent did not know how to name. Furthermore, the deponent declared that when the aforementioned Fortuin was dead, his master, the aforementioned Pieter Fouri, said, money is lost, and further ordered the deponent and the slave Floris to bury the aforementioned Fortuin, and to tell no one, but that he had died of an illness. That the deponent, assisted by the slave Floris, had buried the aforementioned Fortuin, not far from the dwelling house, close to a small river; that the deponent still knew the place very well, and that he would point out the corpse if this were desired. That the deponent, having become fearful and disheartened over the alleged incident, resolved to make what had happened known to the Landdrost, and to that end set off shortly before the last wheat harvest, and asked several inhabitants, whose names the deponent does not know how to state, where the Landdrost lived, but that instead of directing the deponent properly, they detained him and used him for work, so that the deponent, having run from one to the other, was finally caught by the burgher Jacob van Deventer, and was sent here in custody by the honorable Josua Joubert on the 10th of April last. Declaring nothing more, the deponent gives as reasons for his knowledge as stated in the text, being prepared to confirm the foregoing further.

Dutch transcription

preesent de naten: getuigen, den Hotten tot Piet woonagtig bij den Burger Pieter Fouri, Louisz: denwelke ter requisitie van den Land Drostster Voorsz. Colonie, de Heer Morits Herman Otte Woeke, verklaarden hoe waar is Dat den Comp:t niet de maand, veel minder den dag weet op te geeven /: maar na zijn kennis zegt, in den koorn oogst, in 't gepasseerde jaar 1787. / dat zijn Baas opgen: Burger Pieter Fouri Louiz: een slaaf gen:t Fortuin van Mallabaar„ met sambokken deerlijk geslaagen had, zonder dat de Compt: weet op te geeven, om wat reedenen. Dat gedte Fortuin zig deenzelfsten Acond op de vlugt had begeeven, en na circa 8 dager absent geweest te zijn, wederom was opgevangen, door den Comp:t: en den meede hottentot, Cobus, Bantam. Dat denzelfden Slaaf, Fortuin, drie dagen daar na is komen te overlijden, kunnende de Compt: niet anders getuigen, als dat gem: Fortuin op zijne billen zeer rood geslage was. Niets meer verklaarende, geeft den Comp:t voor reedenen van weetenschap, als in den text, bereid zijnde, 't voorenstaande nadergestand te doen. /:onder stond:/ Dat aldus passeerde ter Secretarije aan Graaffe Rijpet, in 't bijzijn van den Substituit Droot, Adolph, Jurgensen, en den Gerechts boode Dat zijn Lijf Heer, voorm: Pieter Fouri, zeer streng en straf met zijn volk leevende, 't gebeurd was, dat den meede slaaf, Fortuin, van Mallabaar, toebehoorende aan evengem: Fouri „ de beesten, die hij oppaste, had laten weg strijken, en dus verstraoijd ge„ raakt waaren, en gem: Fortuin, dezelve niet weeder hebbende kunnen bij een brengen, uit vreeze hier oder door zijn lijfsteer te zullen gestrafd worden, zich Huiden den 27e: Maij 1788. Compareerde voor mij Johan Jacob Frederik Wagener, Secretaris der Colonie Graaffe Rijnet, praesent de naten getuigen, den thans alhier in hegtenis zittende slaaf, in naame Pedro van Madagascar volgens zijn zeggen en opgaave Lijfeigene van den Burger Pieter Fouri, Louisz: denwelke, ter requisitie van den Land Drost der Voorsz: Colonie, d' Heer Morits Herman Otto woeke, verklaarde, hoe waar is. Johan Christiaan Hilm, die de minute deezes bant„ neevens den Comp:t an mij Secretaris, behoorlijk hebben onderteekend. /:lager:/ 't welk ik getuige. /:was geteekend:/ I: H: Wagener. Secrt:s Johan absent - c absent had gehouden, en op een sondag, door een hat„ „tentot gen: Piet, meede woonagtig bij zijn Lijf Heer voorn: Fouri opgevangen, en naar huis gebragt zijnde, gem: Pieter Foure, opgem: Fortran van Mallabaar aanstonds op een wagen wiel had vast gebonden, en met behulp van zijn Soon, in name Louis met Sambokken had beginnen te slaan.— Dat gem: Pieter Fouri en zijn zoon Louis met 't slaan, zoo lang hadden aangehouden, dat moede geworden zijnde, telkens bij tusschen prosing hadden uitgerust, en voorts wederom met 't slaan begonnen, daar meede zo lang gecontinueerd hadden, tot dat eindelyk gem: Fortuin, van Mallabaar, op de wagen wiel was duad blijven leggen. Dat 't voorsz: op een zondag namiddag kort voor den koorn Oogst in 't Jaar 1787. gebeurd was, en dat zig de huis-vrouw van opgem: Pieter Jouri meede bij 't slaan had praedent gehouden, die echter niet had durren spreeken, uit vreeze dan door haaren man te zullen mishandeld worden. Dat voorts bij 't slaan waren tegenwoordig geweest, meest al het tolk van zijn Baas, als de Slaaf Floris van Mosambicque, de Mavin Cilia, van Mallabaar, de Hottentotten, Wildeman, Piet, Cobus, en verscheide hottentots meeden, die den Comp:t niet wist op te noemen. Voorts verklaarde den Compt:, dat wanneer opgem: Fortuin, dood was, zijn kaas of zeijf Heer opgem: Pieter Fouri, gezegt had manqueert geld, en verder aan den Comp:t en den Slaaf Florus had geordonneerd, meerm: Fortuen te begraven, en aan niemand te zeggen, dat hij aan een ziekte gestorven was„ Dat den Comp:t g'adsisteerd door den slaaf Floris, voorm: Fortuin had begraven, niet verre van 't woonhuis, digt bij een riviertje, dat den Comp:t de plaats nog zeer wel wist, en dat hij 't lijk, zo zulks begeerd wierd, zoude aanwijzen. Dat den Comp:t: over 't g'allegueerde geval, bevreesden mismaedig geworden zijnde, hij zig zelve had voorgenoomen, 't voorgevallene aan den Heer Land Drost bekend te maken, en zich ten dien einde kort voor den laatsten koorn oogst op weg had begeeren, en aan verscheide ingezeetenen, wier naamen den Comp:t niet weet op tegeeven, had gevraagd, waar den Heer Land Drost woonde, doch, dat in steede van den Compt: te regt te helpen, hem hadde opgehouden, en tot werken gebruikt, zoo dat den Comp:t: Landen eenen na den Anderen overgeloopen zijnde, eindelyk door den Burger Jacob van Deventer, was opgevangen, en door den E Joqua Joubert, op den 10e. April Jongstl: alhier in hegtenis gezonden. Niets meer verklaarende, geeft den Comp voor reedenen van Weetenschap, als in den text, bereid zijnde 't voorenstaande nader gestand te doen. /:onder stond:/ Pottentots 't welk 3

NL-HaNA_1.04.02_4344_0251 view scan ↗

English

Which I witness, was signed, J. H. Wagener, Secretary. Today, the 12th of July 1788. Appeared before me, Johan Jacob Frederik Wagener, Secretary of the Colony of Graaffe Rijnet, in the presence of the undersigned witnesses, the female slave Celia of Bengalen, bondservant of the Burgher Pieter Fouri, Louisz., who, at the requisition of the Landdrost of the aforesaid Colony, the Honorable Morits Herman Otto Woeke, declared to be true: That the appearer does not well know how to state what month or day it happened, but to the best of her recollection during the corn harvest of the past year 1787, that her aforementioned master, the Burgher Pieter Fouri, had caused the slave Fortuin of Mallabaar to be punished, without the appearer knowing for certain for what reasons nor the manner in which he was punished, but according to what the other Hottentots and slaves say, he had been bound to wood. That the said Fortuin, after receiving the punishment, took to flight that same evening, was caught about 6 days later by the Hottentots Cobus and Piet, and after having been home for three days, had died. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons of knowledge as in the text, being prepared to further confirm the foregoing. Underneath stood: Which thus passed at the Secretariat of Graaffe Rijnet, in the presence of the substitute Drost, Adolph Jurgensen, and the court messenger, Johan Christiaan Helm, who have duly signed the original minute hereof, together with the appearer and me, Secretary. Lower: Which I witness, was signed, J. H. Wagener, Secretary. Today, the 12th of July 1788. Appeared before me, Johan Jacob Frederik Wagener, Secretary of the Colony of Graaffe Rijnet, in the presence of the undersigned witnesses, the Hottentot Wildeman, Zakhals, who, at the requisition of the Landdrost of the aforesaid Colony, the Honorable Morits Herman Otto Woeke, declared to be true: That it happened in the corn harvest of the past year 1787, that the Burgher Pieter Fouri, Louisz., with whom the appearer comes to reside, caused a slave boy named Fortuin of Mallabaar to be punished; but as the appearer was not present, he consequently cannot state why, nor in what manner the said Fortuin received the punishment. That the said Fortuin, on the same evening that he had received the punishment, took to flight, and on the 8th day thereafter, was caught by the Hottentots Cobus and Piet and brought home, dying three days later because the flies and worms had nested in the wounds he had received from the beatings on the buttocks, and the wounds had become inflamed. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons of knowledge as in the text, being prepared to further confirm the foregoing. Underneath stood: Which thus passed at the Secretariat at Graaffe Rijnet, in the presence of the substitute Drost, Adolph Jurgensen, and the court messenger, Johan Christiaan Helm, who have duly signed the original minute hereof, together with the appearer and me, Secretary. Lower: Which I witness, was signed, J. H. Wagener, Secretary. Upon received authorization from the Honorable Landdrost, the undersigned commissioned Heemraden went to the dwelling place of the Burgher Pieter Fouri, Louisz., in order to investigate whether that which was reported to the Honorable Landdrost by the slave Pedro, bondservant of the aforementioned Fouri, conformed with the truth, namely, that the said Pieter Fouri had caused the death of his slave boy Fortuin by an illicit punishment; and having held an inquest at the aforementioned place on the 19th of June in the presence of the substitute Adolph Jurgensen and the court messenger Johan Christiaan Helm, found that the dead body was buried about three feet to the side of the place that the aforementioned slave Pedro pointed out, but that nothing was to be seen on the corpse, as the same was already decomposed and the flesh consumed. Underneath stood: Graaffe Rijnet, the 7th of July 1788. Was signed, J. G. Tregard, P. Naude. Agrees. W. J. v. d. Rijneveld, Secretary. Appeared before the Honorable, Respected President and Council of Justice of the Castle of Good Hope, the Independent Fiscal, Johan Nicolaas Steven Baron van Lijnden, official plaintiff in a criminal case, on the one side, and the bondservant of the Burgher Firewarden Mr. Michiel Elzer, Matthijs of Mosambique, prisoner and defendant in the aforesaid case, on the other side. And did he say: 1. 2. That the prisoner and defendant, having been stationed as a cattle herdsman on one of the grazing posts of the Honorable Company around the Groene Kloof granted to one of the privileged butchers, has for some time kept a Hottentot woman named Rosetta on that place and cohabited with her. 3. That this Hottentot woman having absented herself several times from the prisoner and defendant, or, as he says, having been taken away by Januarij, a bondservant of the fellow Company butcher J. J. Meijer, who had his residence on another place as a cattle herdsman, she was nevertheless fetched back from him by the prisoner and defendant. 4. Such happened again in the middle of the past month of January. 5. Whereupon he, the prisoner and defendant, proceeded in like manner, with the same objective, to the grazing post of the said Januarij.

Dutch transcription

't welk ik getuigen /:was geteekend:/ J: H: Wagener secraec„ Huiden den 12. Julij 1788. Compareerde voor my Johan Jacob Frederik Wagener, Secretaris der Colonie Graaffe Rijnet, praesent de naten: getuigen, de slavin Celia van Bengalen, Lijfeigene van den Burger Pieter Houri, Lomsz:, dewelke ter requisitie van den Land Drost der voorsz: Colonie, de Heer Morits Herman Otto woeke, verklaarde, hoe waar is. Dat de Compte. niet wel weet op te geeven wat maand of dag 't gebeurd is, /:maar na haare beste beduiding in de koorn Oogst van 't gepasseerde Jaar 1787: / dat haaren Leijf Heer voorm: den Burger Pieter Fouri, den Slaaf Fortuin, van Mallabaar, had doen straffen, zonder dat de Comp„te regt weet te zeggen, om wat reedenen noch de manier, op dewelke hij gestraft is, maar na 't zeggen van den andere 2 Tottentotten, en slaaven op houte zoude vast gebonden geweest zijn. Dat ged=ten Fortuin, na de ontfangene straffe, dien zelfden avond zich op de vlugt begeeven hebbende, omtrend 6 daagen daar na, door de kettentots Cobus en Piet was opgevangen, en na drie dagen t' huis geweest te zijn, was overleeden. Huiden den 12e: Julij 1788. Compareerde voor mij Johan Jacob Frederik Wagener, Secretaris der Colonie Graaffe Rijnet praesent de naten: getuigen, den Botken tot Wildeman, Zakhals, denwelken ter requisitie van den Lan d Drost der voorsz: Colonie, de Heer Morits Herman Otto Hoeke, verklaarde, hoe waar is. Dat 't in den koorn Oogst van 't gepasseerde Jaar 1787, gebeurd is, dat den Burger Pieter Fouri, Louisz: bij den welken den Comp:t zig met en woon komt te bevinden; Een slaaven Jongen gen:t Fortuin van Mallabaar, heeft doen straffen /:doek dewijl Bataldus passeerde ter Secretarije van Graaffe Rijnet, in't bij weezen van de substituut Drost, Adolph Jurgensen, en den geregts boode, Iohan Christiaan Helm, die de minute deezes, beneevens de Compte: en mij Secretaris, behoorlijk hebben onderteekend. /: laager:/ 't welk ik getuige /:was geteekend:/ I H: Wagener. Secret. s. Niets meer verklaarende, geeft de Compt. voor redenen van wetenschap, als in den text bereid zijnde, het vorenstaande nader gestand te doen. /:onder stond:/ Niets den den Compt niet is praesent geweest, over zulks niet weet op te geeven, waarom, nog op wat maniere ged„te Fortuin, de straffe ontfangen heeft. Dat zig denzelven Fortuin, denzelfden avond, dat hij de straffe ontfangen had, zig op de vlugt had begeeven, en op den 8„dten dag, daaraan volgende, door den Hotten tot Cobus en Piet, was opgevangen en 't huis gebragt zijnde, drie dagen daar na was overleeden, om dat de vliegen en wormen zig in de worden, die hij door de slaagen op de billen ontfangen had; hadden gehuis dest, en de wonden ontstraken. Niets meer verklaarende, geeft den Compt: voor reedenen van Weetenschap, als in den text, bereid zijnde, 't voorenstaande nader gestand te doen. /:onder stond:/ Dat aldus passeerde ter Secretarije aan Graaffe Rijnat, in 't bijzijn van den substiteut Drast Adolph Jurgensen, en den Opregtehoode Johan Christiaan Heem, die de minute deezes beneevens den Compt: en mij secr„ts behoorlyk hebben onderteekend, /:laager./ 't welk ik getuige. /:was geteekend:/ I: H: Hagener. Secret:s Op bekoomen qualificatie van den Heer Graaffe Rijnet, den 7:e Julij 1788. /:was geteekend:) J: G: Fregard, P: Naude Accordeerd. Land Drost, hebben de ondergeteekende gecom„ mitteerde Heeren Heemraaden zich begeeren ter woonplaatse van den Burger Pieter Fouri, Louisz:, ten einde te onderzoeken, of 't geen, dat door den slaaf Pedre, lifeigen van opgem: Touré, bij den Heere Land Drost, was aangebragt, met de waarheid straakte, te weeten, dat ged:te Pieter Fouri, zijn slaaven Jongen Fortrien, door een ongepermitteerde Straffe, om 't leeven gebragt had, en op den 49 Junij, ter plaatse voorm: schouwing, in 't bijzijn van den substituut Adolph Iurgensen, en den Geregts boode Johan Christiaan Helm, gedaan hebbende, bevonden, dat het doode lichaam, omtrend drie voeten ter zijde der plaats, die opgen: slaaf Pedro, kwam aante wijzen, begraven was, doch aan 't lijk niets te zien was, vermits het zelve reeds verweezen en 't vleesch verteerd was /:onder: stond:/ Land Drast Secret WJD Rijneveld - 1. En deedere zeggen. 2. dat den gev: en ged:e op een der Zeeplaatsen, van d' E: Comp:e omtrend de greene Clooff aan welderzelder gepriviligeerde slagter vergund, als beesten wagter bescheiden geweest zijnde zeederd eenigen tyd een hottentotten, in naame Rosetta, op dien plaats heeft gehouden, en met dezelve verkeerd. Dat deeze battentotten tot verscheidene reijsen van den gev:e en ged:e zich hebbende geabsenteerd; ofte; zoo hij regt:) door Januarij een lyfeigeene van den meede Comp:s Slagter I: I: Meijer, die op een andere plaats als beesten wagter zijn verblijff heeft gehad, zijnde weggenoomen, doeh elder van hem gev:d en ged:e te rug gehaald geworden. zulks wederom in de helfte van den voorleeden maand Januarij is geschied. als wanneer hij gets: en gede: zich op gelyke wijze, met het zelfde daelwit, naar de weeplaats tan gem: Januaryj heeft begeeren. den Lijfeigene van den Burger Brand„ meester J:r Michiel Elser, Matthijs van Msambique, gev:e en ged:e in voorsz: Cas, ter andere zijde. Compareerde door den Edele acht¬ baaren Heere Praesident, en raade van Iustitie des Casteels de goede Hoop, den independent Fiscaal, Johan Nicolaas Steven Baron van Lijnden, r: O: Eisscher, in cas crimineel, ter eenre 3. 4. 5. C da -

NL-HaNA_1.04.02_4344_0255 view scan ↗

English

and having found his female servant there, he first attempted to make her return; but this having been absolutely refused by Januarij, he then requested that the clothes provided by him to the Hottentots should at least be returned. 10. That however much the female servant was inclined to return, Januarij, nonetheless completely unwilling to consent thereto, threw his knobkerrie at the head of the prisoner and defendant, with the result: 18. That the prisoner and defendant having been missed, took up the same knobkerrie, and threw it back at Januarij so unfortunately, that having struck him on the head, he immediately fell down upon the ground and died. 15. The prisoner and defendant having thereupon immediately taken flight with the Hottentot woman. 16. That the prisoner and defendant having been captured a few days thereafter, and having freely and fully confessed to both the one and the other matter, as appears from the responses given before the Commissioners from this Council, 17. it will only remain for the Officer as Plaintiff briefly to examine what punishment the prisoner and defendant will have merited. 18. His crime consisting of an actually perpetrated homicide or manslaughter, which, accompanied by the required circumstances that qualify it, according to all laws likewise carries with it the penalty of death. That, however, considering these circumstances, it appears therefrom: That however much the prisoner and defendant made use of an instrument that is lethal, and the act will immediately have resulted in death, yet on the other hand the corpus delicti is not established in a legal manner; nor does the prisoner and defendant seem to have acted with complete premeditation and intent; and apart from the absent female servant, there is no person who can give testimony regarding this; so that, for lack of these absolutely necessary requisites, the Officer as Plaintiff under correction believes 27. that the prisoner and defendant should not be punished according to the rigor of the laws, but in a mitigated manner, in conformity with and according to the qualification of the case and circumstances, at the discretion of the Judge; by reason of which and other grounds and arguments to be further deduced in due time and place if necessary, the Officer as Plaintiff, making his demand, concluded that by definitive sentence of your Honors the prisoner and defendant shall be condemned to be taken to the place where criminal sentences are customarily carried into execution, and there, being delivered to the executioner, to be bound fast to a post, severely scourged, and then branded; the prisoner and defendant furthermore to remain banished for the term of his natural life to Robben Island, there, being chained in irons, to work at the public works, with condemnation in the costs and expenses of justice, or to such other pains and punishments as your Honors shall deem proper. Signed: J: N: P: van Lijnden. In the margin: Exhibited 21 March 1787. Articles caused to be drawn up and handed over to the Commissioners from the Honorable Council of Justice of the Castle of Good Hope, in order to be heard thereupon at the requisition of the Fiscal pro interim Gabriel Exter, Matthijs of Mozambique, bondman of the Burgher Fire Master Johannes Michiel Elser, his responses to be given to be properly noted in the margin hereof. Article 1. The prisoner's name, birthplace, age, and whose bondman he is. In the margin: Matthijs of Mozambique, estimated age 30 years, slave of the Fire Master Michiel Elser. Article 2. How long he, the prisoner, has been with his aforesaid master, and what his ordinary duty has been. In the margin: Says five years, and always served at Groene Kloof as a cattle herder. Article 3. Whether he, the prisoner, also knew Januarij, the bondman of the Burgher Jacob Meijer. In the margin: Says yes. Article 4. Whether he, the prisoner, did not, about three weeks ago, stay with the aforesaid boys at a house in Groene Kloof, or at various places. In the margin: Says that he, the prisoner, stayed at the house in Groene Kloof, while Januarij remained with the cattle in the field.

Dutch transcription

en zijn meid aldaar gevonden hebbende, eerst heeft gezogt, dezelve te doen te rug keeren; doch dit dan Januarij volstrekt geweigerd zijnde. dan heeftt begeerd, dat de kleederen, door hem aan de hottenhotten geleeverd, ten minsten zouden te rug gegeeven worden. 10. dat zoo zeer de meid tot deeze te rug gaase genegen was. Januarij, echter op geenderbeij wijze daar in Willende Consenteeren. met zijn kirrij naar 't hooft van den gev:t en ged:e heeft gesmeeten, met 't gevolg: 18. dat den gev: en gedt: gemist zijnde, den zelven Kirrij heeft opgenoamen, en zoo ongelukkig tegens Januarij terug gegroijd. - dat denzelven aan 't hoofd getroffen, terstond op den grond is ter neder gevallen, en dood gebleeven. 15. hebbende den geve. en ged:e zig daar op met de hat„ ten tottin directelyk op vlugt begeeren. 16. dat den gev:n en ged:e weinige dagen daar na gevangen zijnde, zo wel teen, als 't andere, blykens de door Heeren gecommitteerdens uit deezen raade gegeevene responsiven, vrij en volmondig beleeden hebbende. 17. voor den r: d: Eisscher alleenig zal over zijn, kortelijks nategaan, welke straffe den gev: en ged:e zalhebben gemeriteerd. 14. 24. 18. bestaande desselfs misdaad in een weezentlijk geperpetreerde man ofte doodslag. dewelke verzeld met de gerequireerde en denzelven qualificeerende omstandigheeden, ingevolge alle wetten op gelijke wijze, de straffe des doods met zig voerd. dat echter deeze omstandigheeden considereerende daar bij blijkt. - dat zo zeer den gev: en ged:e zich van een instrument heeft bediend, dat doodelijk is. ook de daad onmiddelbaar den dood tot een gevolg 22. zal gehad hebben. doch op d'andere zijde niet legali mode, de corpere delieti, consteerd. ook den gev:e en ged:e niet schijnt met volkoomen voorbedagt en opzet gehandeld te hebben. en behalven de absente meid, geen mensch is, die 25. daaromtrend getuigenis kan geeven. zoo dat bij gebrek van deeze absolute nodige 26. requisitien, den Z: O: Eisscher /:onder correctie/ vermeend. 27. dat den gev:e en ged:e niet naar de rigeur der Wetten. maar op eene gemitigeerde wijze, in conformiteit 28. en qualificatie der zaaken en omstandigheeden ex arbitree Judicis zal behooren gestrafd te worden 18. mits 7. 11. 12. - 23. 21. 20. 19. Legd Matthijs, van Mosam, bicque, soud na gissing 30 Jaaren Slaaf van den Brandmeester zegt vyff Jaaren en altoos aan de groene kloof als bees„ ten wagter gediend te mitswelken en andere reden en middelen in tijd en wijle /:is 't nood:/ nader te deduceeren, den R: O: Eisscher Eisch doende, concludeerde, dat bij definitivte vonnis van uwE: Achtb: den geh:d en ged:e zal worden gecondemneerd, omme gebracht te worden ter plaatze, alwaar men gewoon is, crimineele sententien ter Executie te brengen, en aldaar aan den Scherp rechter overgegeeven Zijnde, aan een paal vast gebonden, en Strengelijk gegeesseld, en dan gebrandmerkt te worden; Zullende den geve: en gede: voorts ad dies vito ten roblen Eiland gebannen blijven, om, aldaar in de ketting geklonken zijnde, aan de gemeene werken te arbeiden, met condemnatie in de kosten, en misen van Justitie ofte tot alzulken andere peinen en Straffen, als Uw E Agtb: zullen oordeelen te behooren /:was geteekend:) I: N: P: van Lijnden /:in margine:/ Exhib C: 21. maart. 1787. — Articulen gedaan maken en Aan Heeren gecommitteerdens uit den E: Achtb: Raade van Justitie des Casteels de Goede Hoop, overgegeeven, omme ter zegt za. of hij gets: met voorsz: Jongens op een zegt dat hij gev=e zig aan het buis in de groene Cloof heeft. dan wel op verscheiden plaatze, zich opgehouden heeft. opgehouden, terwijl Januarij met het zee in 't veld is verbleeven. requisitie zegt zig te hebben begeeren hebben. Art. 1. des geve: naam, geboorte plaats ouderdom en wiens Lyftijgen hij is. hoe lang hij gev:e bij voorsz: zijn Lijfbeer, en wat desselfs ordinaire verrigting is geweest. Meijer. of hij gev:e ook wel gekend heeft Januarij den Lyfeigen van den Burger Jacob of hun gete: niet voor omtrend drie weeken requisitie van den pro interim Fiscaal Gabriel Exter daarop gehoord te worden Matthijs van Mosambique Lijfeigen van den Burger Brand Meester J:s Michiel Elser, zullende desselfs te gevene responsiren in margine deezer behoorlyk worden bekend gesteld. naar Michiel Elser. 1 4. 3.

NL-HaNA_1.04.02_4344_0257 view scan ↗

English

to the place where Januarij was staying. — Says yes. Says that he, prisoner, when he went to the house in the Groene Kloof to fetch food. Says yes. — weeks went in the evening to the place of Meijer, and to what end. Art: 6. Whether he, prisoner, at that place and with the aforesaid Januarij did not find a certain Hottentot woman, by name Rosetta, with whom he, prisoner, had previously cohabited. 7. Whether he, prisoner, further did not directly Says that he, prisoner, having cohabited for some time with his stick which he had with him with the prior knowledge and consent inflicted several blows on Januarij. of his master with the Hottentot woman Rosetta, the slave Januarij nonetheless repeatedly, however much the servant of Meijer also forbade him, had taken the aforesaid Hottentot woman away and brought her to his dwelling place, the prisoner nonetheless continually bringing the aforesaid Rosetta back. While the same Rosetta was also punished for it by the servant. That the aforesaid Januarij subsequently having again taken the same Hottentot woman Rosetta with him, he, prisoner, had then gone once more to fetch her back. That while the mentioned Januarij at that time flatly refused 18 to let that Hottentot woman follow him, prisoner, he, prisoner, thereupon only demanded to have back the clothes which the aforesaid Hottentot woman had received from him; but that the aforesaid Januarij, notwithstanding the matter, there by the servant 12. Where and in what manner he, prisoner, was then captured, and where the Hottentot woman has remained? how he, prisoner, dared to run after the Hottentot woman to bring her back. Whether he, prisoner, was not forbidden by his master to associate with this Hottentot woman, and whether she was sent away from the place. 10. Art: 8. To show the prisoner the kerrie and to ask whether this is not the same kerrie with which he, prisoner, wounded the aforesaid Januarij. Whether he, prisoner, did not thereupon take flight with the aforesaid Hottentot woman. Says no. Says yes. the same Hottentot woman was also willing to return the aforesaid clothes, nonetheless refused this and moreover threw a kerrie at the prisoner's head, that he, prisoner, thereupon picked up the kerrie of the mentioned Januarij and threw it at him, and also struck the said Januarij on the head to such an extent that he immediately fell down to the ground. the same and Art: 13. has become: Says yes! Says indeed 2 to 3 times to the place 14. What he, prisoner, can bring forward for his excuse. where Januarij resided, to have been to fetch his girl, and never had the intention to deprive him of life, but that he came to this because Januarij had first thrown the kerrie at him. beneath stood: Thus questioned and answered at Cape of Good Hope the 12th February 1789. Before the Messrs. Carel Matthiessen and Johannes Smuts Members of the Honorable Court of Justice of this Government, who along with the prisoner, the interpreter, and me, sworn Clerk, have also duly signed the minute hereof. — lower: to which I testify was signed: W S v Ryneveld, sworn Clerk. — Review. Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, the slave Matthijs of Mosambicque, who, his preceding interrogatories having been clearly read aloud, declared to persist therein, with the desire that nothing more shall be added Art: 13. Whether he, prisoner, will not confess to have done great evil and [illegible] punishment there to or taken away from it, assuring that all the foregoing is the pure truth. beneath stood: Thus reviewed at Cape of Good Hope the 3rd March 1789 was signed and around it was written: this mark thereunder was placed by the prisoner's own hand: for the interpretation. was signed: Hendrik Matthijssen lower: in my presence. was signed: W: S: v: Ryneveld. sworn Clerk. in the margin: as commissioners was signed: R: J: v: d: Riet. C: G: Maasdorp. J J Ryneveld Agrees. or Secret And did say that the aforesaid defendant, on Monday the 11th of the past month August, before noon, passing the house of the Citizen Hermanus Gerardus Keeve, and having noticed on the stoep with him and some officers, the Citizen Lieutenant, the Heer Jonas Albertus van der Poel; called the last mentioned van der Poel to him on the street to speak with him. That the defendant, after having conversed for a little while, thereupon turned to the abovementioned Hermanus Gerhard Keeve and called out, Manus; listen here, and Keeve having gone up to the defendant, the defendant asked him why he had invited him so late to the funeral of Petrus van der Poel. 5. 4 Versus. The Citizen Joachim Daniel Hubner, defendant in the aforesaid case on the other side. Appeared before the Honorable Lord President and Court of Justice of the Castle of Good Hope. the pro interim Fiscal G: Exter, r: o: Plaintiff, in the Case of Atrocious Injury on the one side. Art: 8. 2. 3. 7.

Dutch transcription

naar de plaats, alwaar zich Januarij ophield. — zegd za. zegt, dat hij gev: wanneer hij naar het huis in de groene Eloof is gegaan, om eeten te verzald. zegt ra. — weeken 's avonds zig naar de plaats van Meijer heeft begeeven, en tot wat einde. Art: 6. of hij gev:e op dien plaats en bij voorsz Ianuarij niet gevonden heeft zekere hottentotten, in naame rosetta, met welke hij gev:e: dante vooren heeft gehouden. 7. of hij get: voorts niet directelijk zegt, dat hij gev: eenigen tijd met zijn bij zig hebbende stok Januarij met voorkennis en bewille„ eenige slagen heeft toegebragt. „ ging van zijnen Lijf Heer bij de Pattentottin rosetta, gehouden hebbende, de slaef Januarij egter telkens, hoe zeer het toek van Meijer ook vyff mij den hied, de voorsz: hottentattin had weggenoomen en maar zijn derblijf plaats gebracht hebbende de gev: voorsz: rosetta egter geduurig te rug gehaald. terwijl dezelve rosettee noch daar over door de knegt was gestraft Dat voorsz: Januarij dervolgens dezelve hottentettin rosetta wederom meede genomen hebbende, hij gets: als toen Andermaal was gegaan, om haar te rug te haalen. dat terwijl gerepte Januarij op dien tijd volstrekt wijgerde 18 die hasten tottin aan hem get: te laten volgen, hy get: daer op alleenlijk had begeerd, om de kleederen welke voorsz: hebben tottin van hem had bekomen, te zug te hebben; dan dat toerst: Januarij, niet tegenstaande zaeken, aldaar door de kregt 12. Waar en op hoedanige wijze hij geve dan gevangen is geworden, en waar de hottentotten is gebleeven? hoe hij gev=n de hottentatten heeft durven naloopen, om haar te rug te haalen. of hem geve: niet door zijn lijf Heer is verbooden geweest met deeze hetten„ „totten te verkeeren, en dezelve van de plaats is weg gezonden geworden. 10. Art: 8. de gev: de Kirrij te vertoonen en off te vragen, off dit niet is dezelve kerrij, waar meede hij gev: voorsz: Januarij gewond heeft. of bij gev: zig daar op met voorm: Tottensotten niet heeft wegen op de vlugt begeeren. zegt neen. zegt za. dezelve hottenbotten ook geneegen was, de voorsz: kleederen aftegeeven, dit achten geweigerd en hem gev: daar en boven met een kirrij naar het hoofd had gesmeeten, dat hij ges: daar op de kirrij van gem: Ianuarij opgenomen en daar meede naar denzelven gegooijt, mitsgd:s geregten Iannuarij dermaten aan het hoofd getroffen had, dat den zelven terstond op de grond war needer gevallen. dezelve en Art: 13. geworden: zegt ja! zegt wel 2 a 3 maalen ter plaatse 14. wat hij gev:e tot zijne verschooning weet in te brengen. alwaar Januarij verblijf hield, geweest te zijn om zyn meed te haalen, en nooijt intentie gehad te hebben, on hem van 't leeven te berooren, maar dat hij hier toe is ge, koomen, om dat Januarij hem eerst met de kerrij had gegooyd. /:onder stond:/ Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de goede Hoop den 12. Februarij 1789. voor de Heeren Carel Mappa en Johannes Smuts Leeden uit den E: Achtb: Raade van Iustitie dezes Gouvernements, die de minute deezes beneevens den gev: den tolk en my gezw: Clercq meede behoorlijk hebben onderteekend. — /:lager/ tt welk ik getuige /:was geteekend:/ W W Rijnereld. g: Clercq. — Recollement. Compareerde voor de ondergeteekende gecomm.:s uit den E: Achtb: Rade van Justitie deezes Gouvernements den Haar Matthijs van Mosambicque, dewelke zijne vorenstaande inter„ rogatoria, duidelijk voorgeleezen zijnde, betuigde daar bij te blijven persisteeren, met begeerte, dat er niets meer bij Art:l: 13. of hij gev:e niet zal bekennen groot knaad te hebben gedaan mitsg:s streffe daar bij of afgedaan worden zal, verzeekerende, dat al het voorenstaande de zuivere waarheid is. /:onder stond:/ Aldus gerecolleerd aan Cabo de Goede Hoop den 3 Maart 1789 /:was /geteekend/= en daarom geschreeven stond:/ dit merk daar onder is door den gev:e eigenhandig gesteld: /:aaw:/ voor de vertolking. /:was geteekend:/ Hend:k Matthijssen /lager:/ mij praesent. /: was geteekend:/ W: S: V: Ryneveld. g: Clercq. /:in margine:/ als gecomm. s /:was geteekend:/ R: I: V: : Piet. C: G: Maasdoop. JJ Rijneveld Accordeerd. off Seeret En deedee zeggen dat den ged:t Voorm: op maandag den 11 der gepasseerde maand Augustus, eten voormiddag. 't huis van den Burger Hermanus Gerardus Keese voorbygaande, en met denzelven en eenige officieren, den Burger Lieutenant, de mank: Jonas Albertus van der Poel op de stoep ontwaard hebbende; den laatst gem: van der Poel heeft bij zig op de straat geroepen, om met denzelven te spreeken. dat den ged:e naar een paosje zig onderhouden te hebben, zich daar op teegens bovengem: Hermanus Gerlard Keeve hebbende gekeerd en toegeroepen, Manus; hoor hier, en Keeve na den gede: toegegaan zijnde den ged:e denzelven heeft afgevraagd, waarom hij hem zoo laat op 't begraffenis van Petrus van der Poel had verzogt. 5. 4 Contra. Den Burger Joachim Daniel Hubner gedt in voorsz: cas ter anderen zijde. Compareerde door den E: Achtb: Heer Praesident en Rade van Justitie des Casteels de goede Hoop. den pro interim Fiscaal G: Exter, r: O: Eisscher, in Cas van Atroee irpurie ter eenre. Art: 8. 2. 3. 7. / -

NL-HaNA_1.04.02_4344_0261 view scan ↗

English

that Keeve had answered that he could not have done so earlier, and furthermore, several more words having been exchanged, as will appear more fully from the attached report, the dispute arose to such an extent that the more-mentioned Keeve, in order to suffer no further insults, retreated onto his stoop; that the defendant, not yet satisfied then, holding the cane before the said person's face, added: if it were not in the street, I would read you a different lesson; to which Keeve answered by saying: Yes, you are used to threatening; for I have indeed heard that you did not shrink from doing this to your own mother, for which Mr. de Wet struck you on the stoop next to the clerk's house; the defendant then, with the reply, I shall go and ask Mr. de Wet that, departed first; that in the afternoon, the more-mentioned Keeve, going to the house of the manly Abr: de Smit, in order to attend to the corpse of his deceased wife, 6 and passing the residence of the fellow manly Albertus Johannes van der Poel, 16. the defendant, who happened to be standing there on the stoop with his mother-in-law and the wife of Schierhout, 17. 14 as will appear more broadly to Your Honorable Worships from the accompanying report and attached declaration, to which the Officer Prosecutor, referring himself under correction, believes he can establish: that the defendant has made himself guilty of real injury in an extreme manner, which, due to the circumstances connected therewith, ought to be classified among the more atrocious, and makes the defendant so much the more punishable; and having been politely greeted by the more-mentioned Keeve, following the same Keeve, the defendant dared to make bold, saying: you said earlier that Mr. de Wet struck me, now I will beat you; first giving Keeve a blow with the hand, subsequently raising the cane and giving four to five blows to the arm and back, 21. in such a manner that the welts from it were fully and distinctly visible, and the cane was broken to pieces, without taking any regard of his duties, and without the slightest verbal or physical resistance being offered, nor could the shouting of his mother-in-law, Hulner, what the devil is the matter with you, make any impression on the defendant. 18. Art: 27. 10. 11. 12. 13. 15. 24. 25. 26. 27. 23. 22. 20. 19. 1 18. While the insult or injury is not of a single significance, Art: 28. but according to the doctrine of all Doctors of Law, being judged in respect of the act, place, and person, no one will deny that it is thereby aggravated in every way. For it is beyond dispute a very grave and harsh matter for a free person who lives as a citizen in society, and in an irreproachable manner, to receive cane blows, which the defendant nevertheless dealt out in such a manner that the marks can attest to the occurrence; and this he did on a public street, which must be safe for everyone; to a person who was proceeding in the execution of his official duties, which could suffer no delay, and by the disruption of which the greatest disorder could have arisen at a solemn function for which un-Christians show respect and esteem; besides that he did this unexpectedly, coming from the side, without anything having been said or done to him, and not the slightest reason having been given for it at that moment; thus this act was committed with premeditated, deliberate intent, and malice. 35. 33 31. 30. Art: 36. It is true that the defendant had disputes with that person a few hours prior, which, however, can in no way whatever legitimately justify him in taking such a course of action for satisfaction, and in case of insult could only permit him to seek redress from the judge; but however much the degrees of insult may also be determined according to the laws, no further fixed punishments are decreed for it, and the same are left to the discretion of the judge, to be inflicted by increasing or mitigating the claim according to the circumstances of the case; in which manner then the defendant also ought justly to be punished; wherefore and for other reasons to be deduced further in due time if necessary, the Honorable Officer Prosecutor, making demand, concluded that by definitive sentence of Your Honorable Worships, the defendant shall be condemned to a fine of two thousand Caabsche guldens to be distributed according to custom, with condemnation in all incurred costs, or to such other punishments or penalties as Your Honorable Worships shall find and judge proper. Signed: G: Exter. In the margin: Exhibited 2 8ber 1788. Report given in the presence of the undersigned Commissioners from the Honorable Council of Justice of this Government. Art: 36. 29 32. 34. 40. 39. 38. 37.

Dutch transcription

dat van keeve geantwoord zijnde geworden, dat denzelven zulks niet eer had kunnen doen. en voorts noch verscheidene woorden gewisseld zijnde gelijk uit den annexen relaas nader komt te blyken. den disput zoo verre is gezeesen, dat meergem: Keere om geen verdere affronten te ondergaan, zich op zijn stoep heeft geretereerd. dat den ged:e als toen noch niet te treeden voorsz: heere den rotting onder het gezicht houdende, haeft toegevaegd als 't niet in de Straat wers, dan zou ik Jouw wat anders leezen. 't geen van keere beantwoord zijnde, met 't zeggen: Ja 't drijgen zijt gij gewend; want ik heb welgehoord /: dat zij dit aan uw eenen moeder te doen, u niet ontzien hebt, waar Voor u den Heer de Wet, naast het huys van de klerck op de stoep geslaagen heeft. den ged:e dan met de replicq, dat zal ik Mijn Heer de Het gaan vraagen, eerst vertrokken is.— dat 's agtermiddags meergem: Keeve naar 't huis vande mart: Abr: de Smit zich begeerende, ten einde 't lijk van desselfs overleedenen huisvrouw te bedienen. 6 en de wooninge van den meede manh: Albertus 16. Johannes Jan der Poel, passeerende den ged:e dewelke met zijn schoon moeder en de huisvrouw dan Schier hout aldaar op de staep Krom te staan. 17. / 14 gelijk zulks UEdE: achtb: breeder uit 't bijleggende relaas en annexen verklaaring zal komen te consteeren. aan welke zich derhalven refereerende den z: O: Eisscher /:onder correctie :/ vermeend te kunnen vaststellen. — dat den ged:e op eene verregaande wyze zich aan zeëële injuria heeft schuldig gemaakt. — dewelke door de daar meede verbondene omstandigheeden onder de atrociores zal behooren gesteld te werden, en den ged:te zo veel te meer strafwaardig maakt. en van meergem: Keese beleefdelyk gegraet zijn geworden, denzelven keeve navolgende zig heeft durzen verslouten even onder 't zeggen, ze hebt zo### gezeijt, dat de Heer de wet mij heeft geslaagen, nu zal ik zou vlaan keeze, eerst met de hand een schopt te geeven voorts den rotting op te ligten en vier a vyff slaagen op d' arm en rug te geeven. 21. „ zodanig, dat de striemen daar van volkomen en duidelijk te zien waaren. en de rotting in stukken is gebraoken. zonder eenige rukzigt te neemen op desselfs bezigheeden, en dat niet de geringste mondelijke nog dadelijke tegenweer gedaan wierd, noch 't roepen van zyn schoonmoeder, Hulner, wat duivel scheeld jou, eenige impressie op den ged:e magtie maaken. 18. Art: 27. 10. 11. 12. /. 13. 15. 24. 25./ 26. 27. 23. ƒ 22. 20. 19. 1 18./ terwijl den boon ofte injurie niet van eenerleij belang Art: 28. / zijnde, maar naar de Leere aller D D ten opzigte van de daad, plaats een perzoon bevoordeeld werdende niemand zal ontkennen, dat dezelve daar door op alle wijzen gequalificeerd word. Want 't zonder tegenspreeken eene zeer zwaare en harde zaake voor eene vrije persoon is, die als Burgeer in de maatschappij leeft, en op eene onberispelyke wijze, zig neerd rotting slaagen te ontfangen. dewelke den gede egter zodanig heeft uitgedeeld, dat de merken van 't gevael kunnen doen oordeelen. en dit heeft denzelven verrigt, op publicque straat, die voor een ijeder moet veelig zijn. Aan eene persoon, dewelke in zijne Amptsverrigting ging, dewelke geen uijtstel konde lijden, en door diens derhindering, de grootste disordres had kunnen ontstaan, bij eene plegtige handeling, waar voor on„ Christenen Eerbied en achting betoonen. behalven dat hij zulks nog invoorziens, van de zijde komende, heeft gedaan, zonder dat iets tegens den¬ zelven is gespreoken, ofte gedaan geworden, en in dit ogenblik niet de geringste reeden daar toe gegeeven zijnde. dus deeze daad met voorbedagt overlegen opzette¬ „lijke wille, en boosheid is gepleegd geworden. 35. 33ƒ 31. 30. Art: 36. / wel is waar, dat den ged:e eenige uuren te veren disputen met dien persoon heeft gehad. dewelke hem aahter tot een diergelijke handelwijze tot satisfactie onmogelijk maar eenigzints kan regitimeeren. en in cas van beleediging alleenig kon permitteeren, de voldoening bij den regter te zoeken. maar zoo zeer de graaden van hoon ook na de wetten kunnen bepaald worden, zoo vinden zig dog geen e vaordere straffen daer op gestatueerd. en zijn dezelve aan 't goedvinden van den regter overgelaten, om naar gelegenheid der zaake den Eisch verswaarende, of verligtende, geinfligeerd te worden. op welke wijze dan den ged:e billyk ook zal behooren gestraft te worden. mits welken en andere redenen in tyden wyle /:is 't nood:/ nader te deduceeren den H: O: Eisschen Eisch doende, concludeerde, dat by defenitive vonnis van uwe WelEd: Achtb der ged: zal worden gecondemneerd in eene geld baete van twee duizend Caabsche guldens te verdeelen a, Usu, met condemnatie in alle gevallene kosten, ofte tot al zulke andere straffen ofte poenen als Uw E: Agtb: zullen vinden en Oordeelen te behooren. /:was getekend:/ G: Exter. /: in margine:/ Exhibl: e 2 8ber 1788. Relaas gegeeven ten overstaan van de, ondergeteekende Gecommitteerdens uit den E: Achtb: Rade van Justitie dezes Art: 36. Gouvernements 29ƒ 32./ 34. 40. 39. 38./ 37.ƒ

NL-HaNA_1.04.02_4344_0263 view scan ↗

English

That when the deponent yesterday afternoon, in the company of some Württemberg officers together with the manly Burgher Lieutenant Jonas Albertus van der Poel, was standing and talking on his stoep, the Burgher Joachim Daniel Hiebner had also arrived there, who first asked the said manly Van der Poel to come to him in the street, and having spoken a little with him, had called out in substance to the deponent, Manus, listen here! That the deponent having then also come down from the stoep and gone to the mentioned Hiebner, on his asking why he had invited him so late in the afternoon to the funeral of Senior Petrus van der Poel, had answered that he, the deponent, had had no time to do this earlier, and that he had invited several respectable people after him, Hiebner; whereupon the said Hiebner immediately continued by saying, your duty is first to invite the family, and then the strangers, and I'll be damned if I come to the funeral when I am invited later than the strangers; to which the deponent had answered, and I'll be damned if I come to you first, for you live so far away and I go according to my district. Government, by and on behalf of the Burgher Hermanus Gerhardus Keeve, of competent age, at the requisition of the interim Fiscal here, the Honorable Gabriel Exter, reading as follows: That the said Hiebner having replied to this, Damning, that is what all bad boys can do, adding thereto, if you act like such a servant with me as to invite strangers first, and then the family, then I shall, lifting his leg, kick you out of my door; the deponent, seeing well that it was beginning to become serious, and fearing to suffer insults in the public street, had then immediately retreated onto his stoep, whither the said Hiebner (who however remained standing below the stoep) had followed him. That the said Hiebner, holding his cane under the deponent's face, then saying to the deponent, if it were not in the street, I would teach you something else; the deponent had replied thereto, you are used to making such threats, for I have heard well enough that you did not hesitate to do that to your own mother, for which Mr. De Wet beat you on the stoep next to the house of the clerk; to which saying the mentioned Hiebner, having answered, I shall go and ask Mr. De Wet that, had then departed from there. That when the deponent in the afternoon around three o'clock departed from his father to the house of the manly Abraham de Smid, in order to serve the corpse of his wife there, he passed the house of the manly Albert Johannes van der Poel, and the deponent having politely greeted the wife of both the manly Albert van der Poels, the wife of Schierhout, and the said Hiebner, which latter was leaning with one arm on his thick cane, who were standing there on the stoep; the said Hiebner then immediately came up to the deponent, gave the deponent a slap with his hand, while saying, you said just now that Mr. De Wet beat me, now I shall beat you, and subsequently inflicted with the said cane four or five such violent blows upon the arm and back (of which three welts were shown to the undersigned upon the passing of this) that the cane of the said Hiebner broke into pieces from it. That the deponent, both in order not to forfeit his rights nor to expose himself to the eyes of the world in the public street, as well as to prevent that he, the deponent, by offering resistance, might possibly become unable to perform his duties at the funeral, therefore having answered nothing else thereto but I will get you, had departed from there, and subsequently made this matter known this morning to the Honorable President of the said Council and the requisitor in this matter in order to obtain the necessary satisfaction. The deponent further declares that just as the said Hiebner had inflicted the blows upon him, his mother-in-law, the said wife of the manly Albert van der Poel, had called out in substance to him, Hiebner: Hiebner! what the devil is the matter with you? which he had answered by saying, that is my business. Re-examination. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this Government, the Burgher Hermanus Gerhardus Keeve, to whom this his preceding deposition having been read out clearly and distinctly word for word. That this was thus transacted at the Cape of Good Hope, the 12th of August 1788, before the Messrs. Ryno Johannes van der Riet and Jan Coenraad Gie, members of the Honorable Council of Justice of this Government, who along with the appearer and me, the sworn clerk, have also duly signed the minute hereof. Below: which I witness; was signed: W. H. Rijneveld, sworn clerk. And that furthermore the former Commissioner of Civil and Marriage Matters, Senior Jan Pieter Kirsten, coming to the funeral of the mentioned wife of Smit, had related to the deponent that he had been sitting with Jonas van der Poel on the occasion that the said Hiebner had entered there, and showing his cane broken into pieces, had said, I have given someone a lightning thrashing, while he at the same time to the repeated question of whom had answered, Manus Keeve. Just as the appearer finally also declares that he immediately showed the marks of the blows inflicted upon him to the surgeon Wiedeweijer. Deposing nothing further, the deponent gives as reasons for his knowledge as in the text, being ready always to confirm the foregoing with an oath. Below stood: And

Dutch transcription

eevens Dat wanneer de relt: op gisteren door de middag en geselschap van eenige Murtembergsche officieren met en beneevens den Manh: Burger Lieutenant Jonas Albertus van der Poel, op des zelf stoep stond te praaten, aldaar toen meede was aangekoomen, den Burger Joachim Daniel Hiebner, dewelke in 't eerst gem: manh: van der Poel bij zich op de straat verzogt, en met denzelven een weinig gespraoken hebbende, den relt: substantieelyk had toegeroepen Manus hoor hier! Dat de relt: zich toen meede van de Stoep, en bij gerepter Hiebner begeeven hebbende, op de vraage van den zelven, waarom hy hem zoo laatende agtermiddag op de begravenis van Sr: Petrus van der Poel, had verzogt, geantwoord had, dat hij relt geen tijd gehad had, om dit vroeger te verrigten, en dat hij nog verscheide fatsoenlijke Lieden van hem Hiebner geinviteerd had, op 't welke denzelve Hiebner terstond vervolgd hebbende, met te zeggen, zou plicht is om eerst de Familie, en dan de Vreemde te verzoeken, en ik verdom om op de begravenis te komen, wanneer ik later als de vreemden verzogt worde, hadde relt: geantwoord, en ik verdom om eerst na zou te komen, want zy woond zoo ver en ik gaa volgens mijn wijk. Gouvernements door ende van weegens den Burger Hermanus Gerhardus keeve, van Competenten ouderdomenter requisitie van den pro interim Fiscaal alhier d' E: Gabriel Exter, luidende het zelve als volgd. Dat geregte Hiebner hier op geregereerd hebbende Verdommen, dat kunnen alle kwaade Jongens doen, daar un teevens bij voegende, als ze by mij eenlyk bediende maakt dat zoo om eerst vreemden, of dan de familie te verzoeken dan zal ik zou, als toen zyn heen opligtende, mijn deure uitschappen, had hij relt: welinziende, dat het ernst begon te worden, en vreezende, om op de publieke straat affronten te ondergaan, zich toen terstond op zijn stoep geretereerd, werwaards hem gem: Heebner (:die echter onder de staapstaan bleeff / gevolgd was. Dat denzelve Hiebner hem relt: als toen onder het zeggen, als het in de straat niet was, dan zou ik zou wat anders leeren, zijn zotting onder des rel„ts gezegt houdende, had de relt: daar op gerepliceerd: za het drijgen kenjegewend, want ik heb welgehoord, dat de jouw niet ontzien hebt„ dat aan Jouw lige moeder te doen, waarvoor de Heer de wet je noch op de stoepnaast het huis van de klerk geslagen heeft, op welk zeggen gerepte Hiebner, geantwoord hebbende, dat zal ik Mijn Heer de Wet gaan vraagen, zich toen van daar had begeeren, Dat wanneer de zel t zich 's nademiddags omstreeks drie uuren van zijnen vader begeevende, maar het huir van de mank: Abraham de Smid, om aldaar het lijk van desselfs Huisvrouw te bedienen, het huis van den Marh: Albert Johannes van der Poel, p:r passeerde, en byzelt de aldaar op de stoep staande huisvrouw van beide de Manh: Albert van der Poels, de Vrouw van Schierhout, en gem: Hiebner, welke laatste met de eene Arm op zijn Dat dikke ƒ dikke rotting leunde, beleeftelijk gegroet had, als toen gerepte Hiebner, dadelijk na de rel:t gekomen zynde, hem relt met zijne hand, onder het zeggen, zij heb t zooven gezegd, dat de Heer de Wet mij heeft geslaagen nou zel ik zouw slaan, een staat gegeeven, en vervolgens met gem: rotting Vier a vijff dusdanige geweldige slaagen, op de Armenrug, (:waar van drie Streemen bij het passeeren deezer aan de onderget: vertoond zijn:) heeft toegebragt, dat de rotting van gem: Hiebner, daar door was in Stukken gesprongen. Dat hij zelt: zoo om zijn regt niet te verliezen, noch zig op de publieke straat voor het oog van de waereld, ten toon te stellen, als ook om voor te komen, dat hij relt: doer tegenweer te bieden, mogelijk dan buiten staat zou kunnen geraaken, om zijnen dienst bij het gedtelijk te preesteeren, derhalven daar op niets anders geantwoord hebbende, als ik je wel krijgen (zich van daar hed begeeven, en zal vervolgens die zaake deeze morgen aan den E: Achtb: Heer Preesident van gem: Rade en den reqt: in deezen ter erlanging van de nodige satisfactie, bekend gemaakt. Verklaarende de rebt. verder, dat zo als gem: Heebner hem relt: de slaagen had toegebragt, zyn Schoonmoeder gem: huisvrouw van de Mank: Albert van der Poel hen Heebner in substantie had toegeroepen; Heebner! wat Anixel scheelt zou, 't geen hij met het zegge, dat is mijn zaak, beantwoord had. Recollement. Compareerde voor ons onderget: Gecomm: uit den E: Achtb: Raad van Iustitie deezes Gouvernement, den Burger Hermanus Gerbardus Heeve, dewelke dit zijne vorenstaande relaas van woorde tot woorde, klaar en diidelijk voorgelezen weezende Dat aldus passeerde aan Cabo de goede Hoop, den 12 Augustus 1788. voor de Heeren Rino Iohannes van der Riet en Jan Coenraad Gie, Leeden uit den E: Achtb: Rade van Justitie deezes Gouvernements, die de minute dezes beneevens de Comp:t en mij gezw: Clercq, meede behoorlijk hebben onderteekend. /:lager:/ 't welk ik getuige /: was ge„ „teekend:/ W: H Rijneveld. g:Clercq. En dat Wijders den oud Commissaris van cirile en huwelyks Zaken S:r Jan Pieter Kirsten, op de begravenis van gereptie huisvrouw van Smit komende, aan den rel:t had verhaald, dat hij bij Ionas van der Poel gezeeten heeft, bij gelegenheid, dat gem: Hieiner, aldaar was binnen gekoomen, en onder vertooning van zijn in stukken gebrookene rotting, gezegd had, in heb remond blixems afgewikst, terwyl hy teffens op de herhaalde vraage, van wien zou hebben geantwoord, Manus Keeve Gelijk de Comp:t: ook eindelijk declareerd, de teekenen der aan hem toegebragte slaagen terstond aan den Chirurgijn Wiedeweijer te hebben vertoond. Niets meer relateerende, geeft de zelt voor redenen van Wetenschap, als in den text, bereid zijnde, het vooren, staande altoos met Eede te staaven. /:onder stond:/ En

NL-HaNA_1.04.02_4344_0265 view scan ↗

English

being, declared that he persisted therein, with the desire that nothing more shall be added to or taken from it, and therefore, in confirmation of the truth thereof, in the presence of the Assistant of the Honorable Company Jacobus Vercueil, as proxy of the Citizen Joachim Daniel Hiebner, pronounced the solemn words: So truly help me God Almighty. Below was written: Thus reviewed and sworn to at Cabo de goede Hoop, the 3 December 1788. Was signed: Hermanus Gerardus Keeve. Lower: in my presence, was signed: W H Sunneveld, Sworn Clerk. In the margin: as commissioners, was signed: RWD: Riet, J:n C:s Gier. Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, Johanna Aletta Cromhout, assisted by her husband, the Gunner of the Honorable Company Gerrit Schierhout placed under reduced pay, of competent age, who, at the requisition of the pro interim Fiscal, the Honorable Gabriel Exter, declared it to be true: That the appearer, on the 11th of this month in the afternoon around three o'clock, having found herself on the stoep of the worthy Citizen Ensign Albert van der Poel, the Elder, and the Citizen Daniel Hiebner, she, the appearer, had then discoursed with the aforesaid wife of van der Poel about the house sold that same morning by the appearer's mother, which the said Heebnen had outbid. That the appearer, having stood during this conversation with her back to the street, most unexpectedly heard some blows struck behind her, so that the appearer turning around, then became aware that the aforesaid Hiebner, with the cane which he had already had in his hands on his stoep, was dealing the Citizen Hermanus Gerhardus Keese several heavy blows, without the aforesaid Keese, as far as the appearer knows, having tried to defend himself; having only, upon receiving the blows, answered in substance: I take note of that; while the appearer testifies not to know when the said Heebner stepped down from the stoep, as the appearer, because she was busy in conversation, had paid no attention to that. Review. Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, Johanna Aletta Cromhout, assisted by her husband, the Gunner Gerrit Schierhout placed under reduced pay, to whom this her preceding declaration having been read aloud clearly and distinctly word for word, declared that she persisted therein, with the desire that nothing more shall be added to or taken from it, and therefore, in confirmation of the truth thereof, in the presence of the Assistant of the Honorable Company Jacobus Vercuel, as proxy of the Citizen Joachim Daniel Hubner, pronounced the solemn words: So truly help me God Almighty. Declaring nothing more, the appearer gives as reason of knowledge as in the text, being prepared to confirm this further under oath. Thus passed at Cabo de goede Hoop, the 28 August 1788, by the Gentlemen R: I: V: D: Riet and Hendrik Justinus de Wet, Members of the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, who, together with the appearer and me, the sworn Clerk, have duly signed the minute hereof. Lower: which I witness, was signed: W: S: V: Rijneveld, Sworn Clerk. Thus reviewed and sworn to at Cabo de goede Hoop, the 3 December 1788. Was signed: J: A: Schierhout. Lower: in my presence, was signed: W: H: Rijneveld, Sworn Clerk. In the margin: as commissioners, was signed: R: J: V: D: Riet, J:n C.:s Gre. Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, the Assistant of the Honorable Company Sr. Daniel Jacob de Neufville, of competent age, who, at the requisition of the pro interim Fiscal, the Honorable Gabriel Eater, declared it to be true: That on a certain day in the beginning of this month, without being able to determine it precisely, the appearer having found himself in the afternoon, around half past two o'clock, on the stoep of the Citizen Hermanus Gerhardus Keeve and in the company of his wife, he, the appearer, then saw that the Citizen Daniel Hiebner dealt the aforesaid Keeve several blows with a cane in front of the door of the worthy Citizen Ensign Albertus van der Poel, without the said Keeve having resisted. Declaring nothing more, the appearer gives as reason of knowledge as in the text, being prepared to confirm this further under oath. That this was thus passed at Cabo de goede Hoop, the 28 August 1788, by the Gentlemen Rymo Johannes van der Riet and Hendrik Justinus de Wet, Members of the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, who, together with the appearer and me, the sworn Clerk, have duly signed the minute hereof. Lower: which I witness, was signed: W: S: V: Rijneveld, Sworn Clerk. Review. Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, the Assistant of the Honorable Company Sr. Daniel Jacob de Neufville, who

Dutch transcription

weezende, verklaarde daar bij te blijven persisteeren, met begeerte; dat er niets meer bij of van gedaan worden zal, en sprak derhalven, ter bevestiging der waarheid van dien, in praesentie van den Adsistent der E: Comp:e Jacobus Vercueil, als gemachtigde van den Burger Joachim Daniel Hiebner, de salemneele woorden: zo waarlijk helpe mij God almagtig. /:onder stond:/ Aldus gerecolleerd en beEedigd aan Cabo de goede Hoop den 3 december 1788: /:was geteekend:/ Hermanus Gerardus Keeve. /:lager:/ mij praesent //:was geteekend:/ W H Sunneveld g: Clercq. /: in margine:/ als gecomm=s /:was geteekend:/ RWD: Riet, J:n C:s Gier Compareerde voor ons onderget: Gecomm:s uit den E: Achtb: Raad van Justitie deezes Gouvernements, Johanna Aletta Cromhout, geadsisteerd door haaren man, den onder afgesz: gage gestelden Constapel der E: Compe Gerrit Schierhout, van Competenten Ouderdom, dewelke, ter requisitie van den pro interim Fiscaal, d'E: Gabriel Exter, verklaarde, hoe waer is. Dat de Compte. zig op den 11 deezer ss nademidags omstreeks van drie uuren, op den stoep van den manh: Burger vaendrig Albert van der Poel, de Oude en den Burger Daniel Hiebner, bevonden hebbende, zy Compte. als toen met voorsz: huisvrouw van van der Poel, gediscoureerd, had over het door der Compte. moeder Recollement. Compareerde voor ons Onderget: gecomm:t uijt den „Aldus gepasseerd aan Cabo de goede Hoop den 28. Augustus 1788. door de Heeren R: I: V: D: Riet, en Hendrik Justinus de Wet, Leeden uit den E: Achtb: raad van Justitie dezes Gouvernements, die de minute deezes, beneevens de Comp„te en mij gezw: Clercqmede behoorlijk hebben onderteekend. /:leeger:/ 't welk ik getuige /: was geteekend:/ W: S: V: Rijneveld. G: Clercq.— /:onderstond:/ Niets meer verklaarende, geeft de Comp„te voor reeden van wetenschap, als in den text, bereid zijnde, zulks nader met Eede gestand te doen. dienzelven morgen verkogte huis, het welk gem: Heebnen had ingemeijnd. Dat de Comp„te in dit gesprek met de rug naar de straat gestaan hebbende, op het onverwagtst agter zig eenige slaagen, had hooren doen, zulks de Compte zig omkeerende, als taen was ontwaar geworden, dat voorsz: Hiebner met den rotting, welke hy reeds op zijn stoep in zyne handen gehad had, den Burger Hermanus Gerhardus Keese, eenige force slaagen toebragt, zonder dat voorm: Keese, voor zo verre de Compte weet, zig heeft tragten te verweeren; hebbende alleenlijk op het ontfangen der slaagen in substantie geantwoord, dat leg ik in kennis; terwijl de Comp„te betuigd, niet te weeten, wanneer gem: Heebner van de Stoep is afgetreeden; als hebbende de Comp„te vermits zij druk in discours was, daar op geene reflectie geslaagen. dienzelven 4 E: Achtb: Raad van Justitie deezes Gouvernements Johanna Aletta Cromhout, geadsisteerd door haaren man, den onder afgesz: gage gestelde Constapel Gerrit Schierhout, dewelke deeze haare voorenstaande verklaaring van woorde tot woorde klaar en duidelijk voorgeleezen weezende, ver„ klaarde daar bij te blijven persisteeren, met begeerte, dat er niets meer bij of van gedaan worden zal, en sprak derhalven ter bevestiging der waarheid van dien, in praesentie van den Adsistent der E: Compe: Jacobus Vercuel, als gemachtigde van den Burger Joachim Daniel Hubner de solemneele woorden, zo waarlijk helpe mij GGod Almagtig. Aldus gerecolleerd en beEedigd aan Cabo de goede Hoop, den 3 December 1788. /:was geteekend:/ J: A: Schierhout. /:lager/ mij present. /: was geteekend:/ W: H: Rijneveld. G Clercq. /:in margine:/ Als gecomm. s /:was geteekend:/ R: J: V: D: Riet. J:n C.:s Gre. Compareerde voor ons onder get: Gecomm: uit den E: Achtb: Raad van Justitie deezes Gouvernements ten adsistent der E: Compe: Sr: Daniel Jacob de Neufville van Competenten ouderdom dewelke ter requisitie van den pro interim Fiscaal d' E: Gabriel Eater, verklaarde, hoe waar is. /:onder stond:/ Niets meer verklaarende, geeft den Compt: voor reeden van Wetenschap, als in den text, bereid zijnde, zulks nader met Eede gestand te doen. /:onderstond:/ Dat aldus passeerde aan Cabo de goede Hoop den 28 Augustus 1788. door de Heeren Pimo Johannes van der Riet, en Hendrik Justinus de Wet, Leeden uit den E: Achtb: Raad van Justitie dezes Gouvernements, die de minute deezes, beneevens den Comp:t en my gesw: Clercq meede behoorlijk hebben onderteekend. /:lager:/ 't welk ik getuige /:was geteekend:/ W: S: V: Rijneveld. g:Clercq. — Recollement. Compareerde voor ons onderget: gecomm:s uit den E: Agtb: Raad van Iustitie deezes Gouvernements, den Adsistent der E: Compe Sr. Daniel Jacob de Neufville, dewelke Dat op zekeren dag in 't begin deezer maand, zonder die procies te kunnen bepaalen, den Compt zich 'snademiddags, omstreeks van halff drie uuren, bevonden hebbende op den stoep van den Burger Hermanus Gerhardus Keeve, en in gezelschap van desselvs huisvrouw, hy Compt: als toen gezien heeft, dat den Burger Daniel Hiebner, voorm: keeve voor de deur van den manh: Burger vaendrig Albertus van der Poel, met een rotting, verscheide slaagen heeft toe, gebragt, zonder dat gem: Keeve, zig daar teegen heeft te neer gesteld. Dat deeze

NL-HaNA_1.04.02_4344_0267 view scan ↗

English

This his preceding statement having been read out clearly and distinctly, he declared that he stood by it and persisted with it, desiring that nothing more be added to it or taken from it, and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, in the presence of the assistant of the Honorable Company, Sieur Jacobus Vercueil, as authorized agent of the Burgher Joachim Daniel Hiebner, the solemn words, So help me God almighty. Below stood: Thus re-examined and sworn at the Cape of Good Hope, the 3rd of December 1788. Was signed: D: J: de Sensuelle Lower: in my presence. Was signed: W: F: van Ryneveld, sworn clerk. In the margin: as commissioners, was signed: R: J: van der Riet, Junior Coenraad Gie. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, the Commissioner of civil and matrimonial affairs, Junior Jan Pieter Kirsten, who, at the requisition of the Fiscal pro interim, the Honorable Gabriel Exter, declared it to be true: That when the deponent found himself at the house of the manly Jonas Albertus van der Poel on Monday the 11th of this month of August, there had entered the burgher Joachim Daniel Hiebner, who, having said to the mentioned van der Poel in substance upon his entry, I have made a fool of him, the deponent had thereupon asked the mentioned Hiebner whom he meant by that, Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, the Commissioner of civil and matrimonial affairs Kirsten, who, this his preceding statement having been read out clearly and distinctly, declared that he stood by it and persisted with it, desiring that nothing more be added to it or taken from it, and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, in the presence of the assistant of the Honorable Company, Sieur Jacobus Vercueil, as authorized agent of the Burgher Joachim Daniel Hiebner, the solemn words, So help me God Almighty. Re-examination. and then received from him the answer: Hermanus Keese. Declaring nothing more, the deponent gives as reasons for knowledge as in the text, being prepared, if required, to maintain the same under solemn oath. Below stood: That this thus took place at the Cape of Good Hope, the 11th of August 1788, before the Messrs. Ryno Johannes van der Riet and Hendrik Justinus de Wet, who along with the deponent and me, the sworn clerk, have also duly signed the minute hereof. Lower: Which I witness. Was signed: W: J: van Ryneveld, sworn clerk. Below stood: Thus re-examined and sworn at the Cape of Good Hope, the 17th of December 1788. Was signed: J: P: Kirsten Lower: in my presence. Was signed: W: J: van Ryneveld, sworn clerk. In the margin: as commissioners, was signed: R: J: van der Riet, G: H. Meyer. To the Right Honorable Worshipful Mr. Johannes Isaak Rhenius, President, together with the further Right Honorable Gentlemen, Councillors of Justice of this Government. Right Honorable Worshipful Sir, Right Honorable Gentlemen! Shows with all due respect, in the most humble manner, the assistant of the Honorable Company placed without deducted salary, Sieur Jacob Vercueil, as general agent of the Burgher Joachim Daniel Hiebner: How it very favorably pleased Your Right Honorable Worships, four weeks ago today, upon the exhibition of the claim, to keep in advisement the case between the petitioner's principal and the Fiscal pro interim, the Honorable Gabriel Exter, and to have pleased to take a resolution thereupon fourteen days ago today, to grant the petitioner's principal a copy, in order to serve as an answer thereto. However, since the petitioner in his capacity had already caused some people to be cited on the previous court day whose testimony the petitioner indispensably needs, both in this matter and in the civil lawsuit of the petitioner's principal, but because the petitioner was informed that no new cases would be heard on the past court day, the petitioner was under the necessity of postponing those citations until today, all the more because among the mentioned witnesses there were people who were sent on commando during that time, and thus could not be cited by the petitioner, so the petitioner was placed in the impossibility of being able dutifully to obey the appointment of Your Right Honorable Worships. Daniel Reasons why the petitioner also turns in all humility and respect to Your Right Honorable Worships, humbly requesting that it may please Your Right Honorable Worships high

Dutch transcription

deeze zijne voorenstaande verklaaring klaaren duidelijk voorgeleezen weezende, verklaarde daar bij te blijven, per„ „sisteeren, met begeerte, dat er niets meer bij of van gedaan worden zal, en sprak derhalven ter bevestiging der waar„ „heid van dien, in praesentie van den adsistent der E Comp=e pr Jacobus Vercheil, als gemachtigde van den Burger Joachim Daniel Siebner, de solemneele woorden, zo waarlijk helpe my God almagtig. /:onder stond:/ Aldus gerecolleerd en beeedigd aan Cabe de goede, Hoop den 3 december 1788. /:was geteekend: /: D: J: dee zensuelle /:lager:/ mij preesent. /:was geteekend:/ W: F: RRyneveld. g:Clercq. /:in margine:/ als gecomm:s /:was geteekend:/ R: J: V: D: Riet. J:r C=s Gie. Compareerde voor ons ondergeteekende gecommitteerden uit den E: Achtb: Raad van Justitie dezes Gouvernements de Commissaris van civile en huwelijks zaken, J:r: Jan Pieter Kirsten, dewelke ter requisitie van den pro Jnterim Fiscaal d' E: Gabriel Exter, verklaarde, hoe waar is. Dat wanneer den Comp:t: zig op maandag den 11 deezer maand Augustus, ten huize van den manh: Jonas Albertus aldaar van der Poel, bevond als toen was binnen gekomen, den burger Joachim Daniel Hiebner, dewelke aan gem: van der soel, bij zijn binnen treeden en substantie gezegd hebbende, ik heb hem gezottingt had den Comp:ts daar op gem: Hiebriev gevraagd wie hy daar meede meende Compareerde voor ons onderget: gecomm:t uit den E: Agtb: raad van Justitie dezes Gouvernements den Commissaris van Cetile en hanly Kirsten, dewelke deeze zijne voorenstaande verklaring, klaaren duidelijk voorgeleezen weesende, verklaarde, daar bij te blijven per„ sisteeren, met begeerte, dat er niets meer bij ofvan gedaan worden zal, en sprak derhalven, ter bevestiging der waarheid van dien, in praesentie van, den adsistent der E: Compe Sr. Jacobus Vercueil, als gemachtigde van den Burger Joachim Daniel Hiebner, de solemneele woorden, zo waarlijk Recollement. en dan denzelven ten antwoord bekoomen: Hermanus keese Niets meer verklaarende geevt den Compt: voor reedenen van Wetenschap, als in den text, bereid zijnde het zelve des gerequireerd wordende, met solemneele Eede gestand te doen /:onderstond:/ Dat aldus passeerde aan Cabo de goede Hoop, den 11 Augustus 1788. door de Heeren Ryne Johannes van der Riet, en Hendrik Justanus de Wet, die de minute deezes beneevens den Comp:t en mij getw: Clercq, meede behoorlik hebben onder te kand. /:lager:/ 't welk ik getuige /: was geteekend:) W: J: V: Rijneseld. g: Clercq. helpe en helpe mij God Almachtig. /:onder stond:/ Aldus gerecolleerd en beeedigd aan Cabo de Hoop den 17 december 1788. /:was geteekend:/ J: P: Kirsten /:lager:/ mij praesent. /:was geteekend:/ W: I: V Rijneveld. g:Clercq. — /:in margine:/ als gecomm: s /:was geteekend:/ R I: V D: Riet. G: H. Meijer. Aan den WelEdele Achtbare Heer Johannes Isaak Rhenius Praesident, beneevens de verdere wel Edele Heeren raaden van Iustitie deezes Gouvernements. WelEdele Achtbare Heer. Wel Edele Heeren! Geeft met alle verschuldigde Eerbied op het Ootmaedigst te kennen, den sonder afgeschreevene gage gestelden adsistent der E: Comp J: Jacob Vercueil, als generale gemagtigde van den Burzer Joachim Daniel Hiebner Hoe het uwel Edele Achtbare zeer gunstig behaagd heeft, heeden over vier weeken, de zakek tusschen des shipp ltpp:l en den pro interim Fiscaal de E: Gabriel Exter H: Ocbij het exhibeeren van den Eisch, in advys te houden, en daar op heeden over veertien daagen een besluit hebben gelieven te neemen, E om des supps p:l te verleenen Copia, omme daar op te dienen van antwoord. Edog daar den suppl: qq: de voorleedene rechtsdag reeds eenige Llieden heeft laten citeeren welkers ge„ tuigenis den supp:t in dispensabel van naoden heeft, zoo wel in deezen, als in het civile proces van des supp:t pp=rl dog wyl hem suppl. is aangezegt geworden, dat op de gepas„ sseerde regtsdag geen nieuwe saaken zouden dienen, is den supp„lt en de noodsakelykheid geweest, die citatien tot op heeden uit testellen, te meer dewyl er onder gemelde getuigen, zig lieden bevonden hebben, welke in die tyd op Commando gezonden waaren, en dus niet door door den supp„lt kongen geciteerd worden, zoo is den supp„t in de onmogelijkheid gesteld geworden, omplicht schuldig aan het appoinctement van Uwel Edele Achtbare te kunnen reedenen, waaromme den supp:t og sig in aller ootmoed en Eerbied is keerende tot UwelEdele Achtb: nederig verzoekende, dat het UwelEdele Achtbaare obedieeren. Daniel hoog

NL-HaNA_1.04.02_4344_0269 view scan ↗

English

Noble and Honorable Gentlemen. May it please your High Honors very favorably to grant the petitioner an extension of time until four weeks from today, in order then to serve his answer. Underneath stood: Doing which. Was signed: P: Porcueil. In the margin: Exhibited in Court on the 30 October 1788. Appeared before the Noble and Honorable Gentleman Johannes Isaak Rhenius, President, together with the further Noble and Honorable Council of Justice of this Government, the Assistant of the Honorable Company, Jacobus Vereneel, on written reduced wages, as the attorney of the Burgher Joachim Daniel Hiebner, defendant in a case of atrocious injury to honor, Against The interim Fiscal, the Honorable Gabriel Exter, Official Plaintiff in the aforementioned case on the other side. Noble and Honorable Gentlemen! For the favorably granted copy and term to serve with an answer on this day, the defendant in his capacity will express his deepest gratitude, and principally remark and briefly say that from the first to the twentieth article, the Official Plaintiff presumed to be able to establish, under correction, that in an extreme manner an atrocious injury was committed on the public street by the principal defendant against the Burgher Hermanus Gerhardus Kriel, the Official Plaintiff legitimizing himself principally on the informant's account, which can be regarded as nothing other than a fabrication that in no way agrees with the truth and therefore merits no belief, while it runs entirely and completely outside the scope of the positive and can never or ever be proved. Then, to give Your Noble Honors a true account of how and in what manner this case originated: it happened on the eleventh of August last that, as the principal defendant passed the dwelling house of the informant, there were present the principal informant's wife's sister, named Aletta Faust, the former Burgher Lieutenant, the valiant Jonas van der Poel, and several others, whereupon the informant spoke and congratulated the principal defendant on the purchase of the house, which had been bought that same morning by the principal defendant, the informant requesting to speak a word, the principal defendant asking him in the friendliest manner why the informant always came in the evening to deliver an invitation to some funeral, as had recently happened in the case of the principal defendant's uncle, the late former Bookkeeper Sieur Petrus van der Poel, adding thereto: remember, my dear friend, it is day, my own uncle, and it is surely not permitted to invite one of the closest relatives so late; whereupon the principal informant, becoming choleric, venting himself: what, you rogue, are you thinking? I do not know that you are such a great gentleman, and that I must invite you so early; whereupon the principal defendant replied: you must not carry on like that, you can speak decently; and because the insult had already gained ground on the part of the principal informant, it could not conveniently happen otherwise than that the injury was answered again by reflection with injury; so the principal defendant added thereto: if you had only to serve me, and you do not invite the family while it is still day, then I will kick you out the door; but you are well used to kicking, for you have kicked and beaten your mother; the principal defendant then replied to this: you lie like a vile fellow; the principal informant again resuming the floor, said: I do not lie, Mr. De Wet (denoting hereby the Honorable Olof Gottlieb de Wet) told me this himself, that you beat your mother; and so forth, to make no further circumstances, the principal defendant went to the house of the said Honorable Mr. de Wet in order to inquire about the truth or untruth of the matter; however, not finding the said Mr. de Wet at home, the principal defendant went to his dwelling house in order to prepare himself to give notice of this to the interim Fiscal, the Honorable Gabriel Exter; but the principal defendant's wife restrained him from doing so, advising him rather to ask the principal informant amicably first whether he maintained the above-quoted statements of injury. Then, by chance, the principal defendant arrived at the stoop of the Burgher former Lieutenant, the valiant Johannes Albertus van der Poel, where there were also present the wife of the gunner Gerrit Scheerhout on written reduced wages, the Assistant Sieur Daniel Jacob de Neufville, then the [illegible]

Dutch transcription

WelEdele Heeren. hoog gunstig mooge behaagen, aan den suppl:t te verleenen atterminatie van termijn, tot heeden over vier weeken om als dan te dienen van antwoerd /:onder stond:/ 't welk doende /:was geteekend:/ P: Porcueil. /:in margine:/ Exhibitum in Judicio den 30 October 1788. Compareerde voor den WelEdele Achtbare Heer Johannes Isaak Rhenius, Praesident, beneevens de verdere welEdele Rade van Justitie dezes Gouvernements, den onder off „geschreeve gage gestelde adsistent der E: Comp„e, Iacobus Vereneel, als gemachtigde van den Burger Abachim Daniel Hiebher ge„ „daagde in cas van atroce injurie ter Eerre Contra den pro interim Fiscaal de E: Gabriel Exter, E: O: Eisscher in doorschreeve cas ter andere zyde. WelEdele Achtbare Heer! Dan om UwelEdele Achtbare een waar E verhaal te doen, en hoe en op wat wyze deze carus zijn oorsprong genomen heeft, zo is het gebeurd, op den Elfden Augustus Jongstleeden, des ten principaele Voor goed gunstig verleende Copia en ter„ „meijne, omme op heeden te dienen van antwoord, zal den gedaagde qq: zijn diepschuldigsten dank betuigen, en principaal remarqueeren, kortelyk zeggen, dat van 't Eerste tot het twintigste articul, den E: O: Eisscher vermeende, vast te kunnen stellen, dat onder correctie op een verregaande wijze, door den principale gedaagde aan den Burger Hermanus Gerhardus Keere, atroce onpirie op de publicque straat zoude zyn gepleegd, legitimeerende den R:O: zich principaal op 'Ste„ latants relaas, 't welk niet anders kan aangemerkt worden, als een verdigtsel, dat geenzints staat de waarheid over een komt, en dus geen geloer meriteerd, terwijl 't gantsch, en ten eene maal, buiten het bereik der positive heen loopt, en nimmer of nooijt beweezen zal kunnen worden. 8 gedaagde - en. gedaagde het woonhuis van den relatant passeerde, aldaar zich kwam te bevinden, des principale relatants vrouws Zuster, in naam Aletta Faute, den oud Burger Lieutenant, den manhafte Jonas van der Poel, en eenige andere meer, waarop den relatant sprak en feliciteerde den principale gedaagde, met het koop van het huis, dat denzelven morgen gekogt was, door den principalen gedaagde den relatant Versoekende een woordze te Spreeken den principale relatant in 't vriendelijkst afvragende, waarom dat den relatant altoos s' avonds kwam te Verzoeken bij een of andere begravenisse, soo als Jongst nog gebeurd was by des principale gedaagdens oom, wylen den oud Boekhouder Sieur Petrus van der Poel, daar bij voegende, gedenkt mijn lieve vriend, het is dag mijn eigen oom, en het immers niet geper„ mitteerd is, om een der naaste Familien zoo laat te verzoeken, waar op den principale relatant coloricq wordende, zich nittende, wat zonder beld zy kerel zou wel in, ik weet niet, dat gy een zoo groot Heer tijt, en dat ik zou soo vroeg moet verzoeken, waar op den principale gedaagde repliceerde, jij moet zo niet konderen, gij kunt wel ordentelijk spreeken, en om redenen de inzurff voor af reeds door den principale relatant een voet genoomen, had, zoo konde het niet gevoegelyker anders komen, off de injirie wierd door te rugkaatsing weder met injurie beantwoorde, dus den principale gedaagde daarbij voegde, als gij by mij eenlijk te bedienen had, en gij vertoekt & de Familie niet als nog dag is, dan zal ik zouw de deur uitschoppen, maar gij zijt het schoppen wel gewend, want gy hebt uw moeder wel geschopt en geslaagen, den principale gedaagden, dan hier op repliceerde, dat leegd gij als een slegte kaerel, den principale relatant wederom het woord her„ zattende, segden dat en liege ik niet myn Heer De Wet(deno„ teerende hier meede den E: Achtb: Olof Goelieb de Wet/ heeft mijn dit zelve gezegd, dat bij uwe Moeder geslaagen heeft en alzoo vervolgens, om geen verdere omstandigheeden te maaken, soo heeft den principale gedaagde zig ten huize van gemelde E: Achtbare Heer de Wet, dervoegd, om naar de waar of onwaarheid der zake te verneemen echtereren gemelde Heer de Wet niet 't huis vindende, zo heeft den principale gedaagde zig naar zijn woonhuis be„ „geeven, ten einde zig te praepareeren, den pro interim Fiscaeal d' E: Gabriel Exter, hier van kennisse te geeven, doch den principalen gedaagdens huisvrouw hier in weerhouden, wordende van zulks niet te doen, maar voor af den prin„ cipale relatant in der minne of te vraagen, of hij de boven, aangehaalde gezegdens van irjirie staande hield. Dan bij geval kwam den principale gedaagde op de Stoep van den Burger Sour Lieutenant ten Manhaften Iohannes Albertus van der Poel, waar bij meede praesent waaren de huisvrouw van den onderafgeschreeven gage gestelde Constapel, Gerrit Scheerhout, den dAdsistent sieur Daniel Jacob de Neufville, dan de niet

NL-HaNA_1.04.02_4344_0271 view scan ↗

English

Not tarrying long here, the principal deponent passed the house of the aforementioned van der Poel, when the latter addressed him once again, asking whether the principal deponent persisted in his statements, to which the principal deponent again gave to understand, I maintain that, you thundering fellow, that you struck your mother, and just go to Mr. de Wet, then you shall hear, fellow, that the law has said it. Therefore the principal defendant, being overcome by excessive anger, dealt the principal deponent two blows with the cane, whereupon the principal deponent reached for a rock to strike the principal defendant with it, but the principal defendant, jumping under the deponent's arms, dealt him another one or two blows. Therefore, Noble Honorable Sirs! The injury, whether it was first inflicted by the principal deponent or the defendant, it remains firmly established in law that an injury is compensated by the retaliation of an injury, and the principal deponent cannot escape in his account admitting to have committed an injury as well, as the declarations annexed hereto dictate under No 1, 2, 3, 4, and 5, which fully show that the principal deponent in substance. However, since this expression is too tender for a child, who is highly obliged to preserve the character of his parents, and also finds himself under this obligation, and it is demanded of him that to those to whom one owes one's life next to the Creator, he can never allow the injury that is done to them to attach to himself, to endure that; for what person, who displays even the least bit of a well-disposed soul toward his beloved parents in his bosom, would not protect their good name and reputation, it being the noblest and most precious thing next to life, and one who does not stand up for the same is regarded as a useless and senseless subject in civil society, being declared cruel toward himself and an evil instrument. And since the principal deponent can by no means deny, and also fully confesses, to have used insult, the deponent being the true foundation of this injurious case in question, and therefore, consequently, can undergo no profitable fine or other punishment, see Dutch Consultations, fifth volume, page two hundred seventy-six, consultation eighty-one, note two, and as it is furthermore explicitly taught, would have uttered, you are well accustomed to striking and threatening, for you did not hesitate to strike your own mother.

Dutch transcription

niet lange hier bij vertoerende, kwam den principale relatant, het huis van evengemelde van der Poel pas„ seeren, wanneer andermaal hem wederom aansprak, off den principale relatant bij zijne gezeidens bleef persisteeren, waar op den principale relattant wederom te kennen gaff dat houde ik staande, donderse kaerel, dat Jijffouw moeder geslagen heeft, en gaat maar nat de Heer de Wet, dan zal zij kaerel hooren, dat de wet het gezegd heeft, dus den principale gelaagde, door overtolligie drift vervaerd wordende, hem principale relatant twee slaagen met de rotting toegebragt, wanneer den princi„ „pele relatant naar een klip steen greep, om den princi„ „pale gedaagelen daar meede te treffen, doch den prin„ cipale gedaagde hem relatant onder de armen sprin„ gende nog een a twee slagen toebragt. — Dan Vermits, Edele Achtbare Heeren! de injurie, het zij door den principale relatant ofte den gede: 't eerst geaeffend is, 't en blijft in rechten veest staan, dat injurie door te rugge kaatzinge van injurie gebeeterd werd, kunnende den principeele relatant in zijne relaas niet ontgaan te passeeren van ook injurie te hebben gepleegd, soo als de hier anrexe ver„ klaaringe dicteere Sub: N:o 1, 2, 3, 4. en z ten volle em„ „sesseeren, dat den principale relatant en substantie Doch dewijl deeze uitdrukkinge te teeder voor een kind, en die Joogstens verpligt is, het caracter zijner orderen te bewaaren, ook in deeze verpligtinge zig bevind, en van hem gevorderd word, om aan die geene, dewelke men naart der schepper het leeven verpligt is, die hoor dewelke die geen aangedaan werd, nimmer op zich hegtenkan, dat te zelden, want wat mensch, die maar het minste staaltje van een welgeplaatste ziel omtrend zijne dierbaare ouderen en zijn boezem doed, zoude zijn het goede naam, en saam niet behortigen, zijnde het Edelste en kostlaarste naast het leeven, en een diergelijke, die dezelve niet voorstaat, word gehouden, voor een onnut en Sinneloos subject in de Burgerijler maatschappij wordende verklaard, als wreed over zich zelven en een kwaad instrument. En vermits den principale relatant geensints ontkennen kan, en ook volmondig geconferveerd, injurie te hebben ge„ beesegd, als zijnde den relatant de waare basis tot deeze injurieuse casus queestionis, en dus ingevolgen van dien, geen profitabeel amende, ofte andere straffe kan ondergaan, vide Hollandsche consultatien, vijfde deel, page twee honderd ses en seventig consultatien Eenen tachtig noten twee, en alsoo vervolgens wel uitdrukkelijk geleraard word, gerut zoude hebben, gij zijt het slaagen en drijgen wel gewend, want een hebt niet ontzien uw Eijgen moeder te staan. geuit dat

NL-HaNA_1.04.02_4344_0272 view scan ↗

English

that injury is inflicted upon someone by words if something is imputed to him that is dishonest and shameful, and something ignominious being objected, no injury can be claimed, nisi adsit animus injuriandi, unless the intention is present to injure. And thus it is certain that if someone objects false crimes to another, that there is an animus injuriandi; but it is also certain and sure that he who objects crimes to another is said to calumniate. All the proofs cited here show clearly and as plain as broad daylight that the principal relator is the true cause of the actual and verbal injury, since the principal relator cannot prove that the principal defendant is the cause of the injury. Thus it remains determined thereby that the action for injury can by no means be sustained, and rather the penalties might fall upon the relator. Now the principal relator expressly contests that there is a calumny and that an animus injuriandi is also presumed, which evidently appears from all the documents; thus it follows therefrom that the accused, the principal defendant, can in this case by no means be held liable for the verbal and actual injury. One supposes in this case, Honorable Sirs! One is accused of a crime, namely to have beaten his own mother or threatened her with blows, an outburst of the principal relator which he will never be able to prove; for it is indeed a well-known matter in law that such a crime is effectively punished, and thus what right-minded sentiment of mind could bear or tolerate being defamed with such a shameful crime, and if this were posited as the truth, the principal defendant could not at the present time have escaped judicial punishment. Thus this lesion is clearly far-reaching, and in case the principal defendant had not been more or less master of his passion, something could have resulted from this about which both might have complained too late, while thereby the bonds of love which one owes to his parents are torn loose at once, and it would be a misstep that could never be revoked, for it would be much worse than being a highwayman or murderer. Then these far-reaching provocations and incitements to wrath could not restrain the principal defendant from proceeding to a small and slight satisfaction, and thus his extreme impatience being burdened with passion and carried away, and the principal defendant, being of the intention, when he met the principal relator by chance for the second time, to ask in an amicable manner further about the aforementioned case; thus the principal relator, remaining once again in his passions, persisted in his arrogant sayings that the principal defendant had allegedly beaten his mother, and pointed him back again to go to the Honorable Mr. De Wet, as if his Honor had such a familiar acquaintance with the principal relator as to tell him such picked-up street gossip; and it is an astonishing thing that the principal relator has the audacity to be able to utter this in public, without having regard to the commanding character of the already mentioned Honorable gentleman. Shameful Right

Dutch transcription

dat injurie word iemand door woorden aangedaan, indien hem iets word voorgeworpen, dat oneerlijk en schandelijk is en iets ignominieus wordende geobgicieerd, kan geen injurie worden gepraetendeerd, nisi advit, animus inpirnandi, ten zye de intentie bij is, om te injurieeren. En alsoo is het zeker, dat als iemand Catsa crimina een andere objicieerd, dat er een Animus inpiriandi, maar het is ook zeker en gewis, dat die een ander objicieerd crimina, word gezegt te dalumnieeren, alle de hier bij geciteerde bewijzen, geeven duidelijk en zo klaar als het helle dag ligt te kennen, dat den principale relatant de waare besus der dadelijke en woordelijke injurie, vermits den principale relatant niet bewijse. kan dat den principale gedaagde de oorzaak der injurie is, dus blijft det daar bij bepaald, dat de institutien tot de enjurie geerzints kan worden genoomen, en welven op den relatent zoude kunnen toe vallen tot de Straffen Nu bepaald contesteert den principale relatant dat er een Columnia is en dat daar ook word gepraesumeerd een animus injuriandi dit kennelijke uijt alle stukken geschied, zoo volgt daar uit, dat den beklaagden, den principale ged:e in dit cas geensints over de woordelijke en dadelijke injurie kan worden aangespraaken. Men der ondersteld in dit geval WelEdele Achtbare Heeren! men word betigt met een crimen, namentlijk zijn eigen moeder geslaagen te hebben of gedreggd met slaagen, een uitstap van den principale relatant, die hij nimmer zal kunnen bewijzen, want het is immers in regten een bekende zaak, dat een diergelijke crimen met de daad gestraft worden, en alzoo wat weldenkende gemoeds beweging zoude dit kunnen leiden of dulden, met een diergelijke scharadelijke crimen beklad te worden, en dit ook de waarheid poseerde, zoo hadde den principale gedaagde ook ten prae„ senten tijden de regterlijke straffe, niet kunnen ontgaan alzoo klaerlijk deeze laesie verregaande is, en ingevalle den principale gedaagde min of meer zyn passie niet enigsints meester waare gemeest, uit dit had kunnen resulteeren, waarover beide zich mogelijk te laat beklaagd zoude hebben, terwijl hier door de bbanden der liefte dewelke men aan sijn ouderen verpligt is, met een los gerukt worden, en een uijtstap zoude zijn, dat nimmer te herroepen was, want het veel erger zoude weezen, als een struijk roozer of Moordenaar. Dan deeze verregaande uijttartingen en op gisterige tot gramschap, kon den principale gedaagde niet weeder houden tot een kleene en geringe satrofactie over te gaan, en dus zijn uitterste door ongeduldigheid overlaaden door drift en vervoerd en den principale gedaagde, in de meeninge was, terwijl hij den principale relatant cahseil voorde tweede maal, ontmoetende, in der minne nadere voor aangehaalde casus te vraagen dus principale relatant andermaal in de driften staande bleef, persisteeren by zyne arrogante gezegdens van dat den principale gedaagde zyne moeder geslagen zoude hebben, en hem noch weerom wees naar den E: Achtb: Heer De Wet te gaan, als of zijn E: Achtbaare zoo een familaire kennisse met den principale relatant heeft, diergelijke opgeraapte straat praatjes aan hem te vertellen, en 't'is een wonder stuk, dat hi principale relatant, die assurantie heeft, dit te kunnen uijtten, op een publicque, zonder aanschouw te neemen, op het hooggebiekend Caracter van reeds gemelde E: Achtbare Heer, Schaudelijke Jus

← previousnext →