Inventory 4344
Cape · 543 pages · 234 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
Article 7 Whether the prisoner, having been punished and placed in irons, did not immediately depart from home again and betake himself to the mountain? Answers: yes. Whether the prisoner did not agree with Baatjoe not to remain at home? Answers: no. Where they came together and in what manner the prisoner got out of his irons? Answers: that they came together in the woods behind the washing place, when the slave Pedro, while Baatjoe's irons were already struck off, split open the rings of the prisoner with an axe and took off the prisoner's irons. Whether the prisoner has stayed with the conspiracy at all times since then, of which persons it consisted, and who arrived or left during his stay? Answers: that he has stayed with the conspiracy at all times since then, there being furthermore the slaves Baatjoe belonging to Teunis Mulder, Batist belonging to Fruitje Bergh, and a person belonging to the Burgher Pieter Steintjes, and the slave Mattijs having joined the conspiracy afterward, while the aforementioned friend left them again. Article 8 Whether the prisoner with Baatjoe did not defend himself against the same, and where the others remained? Answers: yes, and that the other boys ran away as aforesaid, he the witness and Baatjoe having defended themselves with a knife and axe, as well as wounding one of the Company's boys. Article 12 Whether the prisoner did not frequently come down to and into the Cape, whether he was alone or in company? Answers: that he was at the Cape twice with the other folk. Article 13 Whether this did not occur in order to steal something? Answers: that he came to the Cape to fetch bread or vegetables. Article 14 Whether they did not steal sheep, vegetables, and fruits, how often, on what occasion, and by whom it was mainly done? Answers: that he once, with Pedro and Batist, stole four sheep at Table Mountain, and subsequently took some vegetables out of the gardens. Article 15 Whether they did not also break in on several occasions and steal rice and flour, also money? Where and when this took place? Answers: no. Article 17 Whether they were not provided with guns and instruments, as well as tools; what the witness and each person had? Answers: that Pedro had a musket with him, and Baatjoe a kris, the Madagascan slave, being the husband of the aforesaid maid, a bayonet, and the prisoner with the other folk were provided with knives, they also having had two kettles with them. Article 18 Whether they also had powder and lead, and where they obtained everything? Answers: yes, but does not know how Pedro obtained it. Article 19 Whether shots were also fired with a gun, at what and by whom? Answers: no. Article 20 Whether they always carried that musket and other arms with them? Answers: yes. Article 21 Whether they did not carry the same with them in order to defend themselves therewith, and whether they did not agree not to surrender themselves as prisoners? Answers: no. Article 22 Who was their leader, and what intention they had to do further? Answers: Pedro was Captain, and we had no evil intention, except only to remain in the mountain. Article 22½ Whether they also attacked people, or wounded or killed them? Answers: yes. Article 23 Whether the witness does not know of anything else done or executed by the boys of that conspiracy? Answers: no. Article 24 Whether the prisoner will not confess, through his absconding, conspiring, and other deeds, to have made himself highly punishable? Answers: no. Article 25 What the witness has to bring forward in his defense? Answers: requests not to be sent back to his master again. Thus interrogated and answered at the Cape of Good Hope, the 10th of July 1789, by translation of the Schout Hendrik Mattijsen before the Gentlemen Carel Mappol and Gerrit Hendrik Aleijer, members of the Honorable Court of Justice of this Government, who, together with the prisoner, the translator, and myself as Secretary, have duly signed the original of this document. To which I testify, Signed: W. H. van Rijneveld, Acting Secretary Re-examination Appeared before the undersigned Commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, the slave Batist of Madagascar, belonging to the young lady Geertruida Bergh. Articles drafted and delivered to the Gentlemen Commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government at the request of the Independent Fiscal. Appeared before the undersigned Commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, the aforementioned slave Februarij, to whom his preceding answers, having been read aloud clearly and distinctly, declared to abide and persist by them, desiring that nothing more shall be added or removed. Thus re-examined at the Cape of Good Hope, the 29th of June 1789. And written around it: this mark was made by the prisoner's own hand. For the translation: Signed: Hendrik Matthijssen In my presence: Signed: W. H. van Rijneveld, Acting Secretary In the margin: as Commissioners: Signed: R. J. van der Riet, Johannes Smits
Dutch transcription
Artl 7 zeyd ja, en dat de andere hij get: en Baatjoe zich met een mes en bijl te weer Jongens als vorengem: zegt ja. zegt neen. zyn weggelopen, hebbende off hy get: toengestrafd en in d' isers geslagen zijnde, niet directelijk van huis wederom weg gegaan en zig naar den berg heeft begeeven V: of hij gev: zulks niet heeft aff„ gesprooken met Batjoe om niet 't huis te zullen blijven. Waar zijl: te zamen zijn gekomen en op hoedanige wijke hij ged=e Uit drijsers is gekomen. 40. ex of hij get: zig zederd dien tyd allaes bij 't Complot heeft opgehouden uijt welke persoonen 't bestaen heeft en wie geduurende zijn vervald. verblijf bij gekomen of afgegaan is. zegt neen. zegt eens met Pedro en Batist aan den tafelbergh vier Schaapen te hebben gestoolen en vervolgens eenige groentens uijt de tuijnen te hebben weggenomen. 15. of niet ook tot verscheidene reijsen van hunL: is ingebrooken en rigst en meel, ookgeld gestolen geworden? Waar en wanneer zulks is geschied of zijl: niet schaapen graentens en vruchten hebben gestoolen, hoe dikwils, bij wat gelegenheid, en door wien t voornamentlyk is geschied. 13: of zulks niet is geschied, om t een of ander te steelen! zegt twee reijsen met het Andere kolk te zijn aan de Caab geweest. zegt om brood off groentens te halen, te zijn naar de Caab gekomen. van Fruitje Bergh, Ld ortent toebehoorende den Burger Pieter Steintjes ende slaaf Mattijs naderhand bij het Complot gekomen, terwyl echter voorsz: t' vrient weder van hun is afgegaan. Artl: 12. of zij gev:e: niet dikwils af en wel aan de Caab gekomen is, of hij alleen of in geselschap is geweest of zij gev: met Paatjoe zig niet tegens dezelve herweerd heeft, en waar d' overige zijn gebleeven! 8. gesteld, mitsgs een der Comp s jongens gewond. dde Wasch plaats te zijn bij elkanderen gekomen, wanneer de slaaf Pedtro, terwijl de ijsers van Baatjoe reeds waren afgeslaagen, de Ringen van de gevt: met ombijl heeft opengelagen en ten des gev:t peen gehaald. zegt in het bosch agter zegt, zich zederd altoos bij het complot te hebben opgehouden, zynde, nog de slaaren Baatjae van Teunis Mulder, Satist van Art:l 17. 14. — Art:l 17. zegt neen. zegd Ja. zegt neen. zegt dat Pedro een snaphaan bij zig heeft gehad, en Baatjoe van een kris, de Ma„ dagascarse Slaaf, zijnde de man van Voorsz: meijd van een bajonnet, en hij gev:e met het ander valk van messen zijn voorzien geweest, hebbende zij ook twee keetels bij zich gehad. zegt ja: maar niet te weeten, hoe pedra of er met geweer ook is geschaoten geworden, wat en daor wien? 20. of zijl: die Snaphaan en overige geweeren altoos hebben bij zig gehad: 24. of zijl: dezelve niet bij zig gedragen, om zig daar mede zegt ja. zegd neen. zegt neen Legt Peetro is Capitain geweest en wij heb„ ben geen kwaad voorneemen gehad, als alleen om in de bergh te blijven. 22½. of zijl: ook menschen geattagueerd, dan wel E verwond of gedaad hebben? 23. of zij get: niet nog 't een en ander weet, door de Jongens van dat complot gedaan of uitgevoerd te zijn! 24. of zij gev: niet bekennen zal door zijn opdrossen, Art: 22. Wie den aanvoerder van hunl: is geweest, en wat intentie zij gehad hebben om verder te doen. te verweeren, en of zij niet afgesproken hebben, zich niet te zullen gevangen geeven. of zijlieden niet met ge„ weeren en instrumenten mitsg s. gereedschappen Zijn voorzien geweest ' wat bij gert: en een yder gehad heeft 18. of zijl, oak kruit en lood gehad hebben, en waar zij kreegen. daar aan is gekomen, alles van daan hebben ge¬ te complotteeren 19: zegt te Verzoeken, om niet Nederom„ na zijn baas terug te worden gezonden. /:onder stond:/ Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de Goede Hoop, den 10. Julij 1789, bij vertalking van den Schout Hendrik Mattijsen voor de Heeren Carel Mappol, en Gerrit Hendrik Aleijer Leeden uijt den E: Achtb: rade van Justitie dezes Gouver¬ nements, die de minute dezes benevens den Geve: den talk, en Mijlof niet Secretaris meede behoorlijk hebben onderteekend. /:lager:/ 't welk ik getuige /:was geteekend:/ WI: R ijneveld Adj:t Seersts- Recollement. Compareerde door de onderget: ACcommitt d Articulen gedaan maken Compareerde voor de onder en aan Heeren Gecommitteerdens geteekende gecommitteerdens uit den E Achtb: Raad van uit den E: Achtb: Raad van Iustitie dezes Gouvernements Justitie dezes Gouvernements den slaaf Batist van overgegeeven omme ter requisitie Madagascar toebehoorende van den independent de Jonge Juff=rw Geertruidee Aldus gerecolleerd aan Cabo de goede Hoop den 29 Junij 1789. (:Na & en daar om schreeven. dit geteekend:/ merk is door den ger: eigenhandig gesteld. /lager:/ voor de vertalking. /:was geteekend:/ Hend:k Matthijssen: maglager/ mij praesent. /: was getekend:/ WH RijnereEd: Adj:t Secret:s /:in margine:/ als gecomms. /:was geteekend:/ R J VD Riet. Joh:s Smits. gecommitt:s uit den Ed: Achtb: Rade van Justitie dezes Gouvernements Voorn: slaaf Februarij, dewelke zijne vorenstaande responsiven klaar en duidelijk voorgelezen zijnde, verklaarde dezelve daar by te blyven persisteeren/ met begeerte, dat er niet meer bijgeraegd of afgedaan worden zal. /:onderstond:/ complotteeren en andere bedrijven, zig zeer straf baar te hebben gemaakt Artl: 25. Wat zij get: ter derschoning Neet by te brengen Bergh Ffiscaal 8 -
English
Bergh, who to the undermentioned questions has answered as is recorded beside the same. Bergh, by estimation about 26 years of age. Says not yet a year, and to have constantly fetched wood. Says since now six months ago. Says to have run away alone. Says to have lost his axe, and being afraid at that time to return home, having immediately gone to the Devils mountain. Fiscal, J: N: P: van Lijnden, to be heard thereupon, Batist of Madagascar, slave of Truytje Bergh, the Lord's prisoner; his answers to be given shall be properly recorded in the margin hereof. Article 1. The prisoner's name, birthplace, age, and whose slave he is. Answers: Says Batist of Madagascar, slave of Truytje Bergh, aged about 26 years. 2. How long the prisoner has been in the service of his aforesaid mistress, and what his ordinary work or duty has been. Answers: Says as above. 3. How long ago it is that he ran away and deserted from his mistress. Answers: Says as above. 4. Whether he ran away alone, or in the company of others. Answers: Says as above. 5. What moved the prisoner thereto, and whither he went. Answers: Says as above. Article 6. Whether the prisoner, having arrived on Table Mountain, did not meet any other runaway slaves, who these were, and where they stayed. Answers: Says to have wandered alone for six months and subsequently to have found one evening at the washing place three Madagascar slaves, but out of fear went away from them, while the prisoner, having met the following day the husband of a certain female slave found in the band, went with him to the band and also stayed with the same. 7. Whether he remained constantly with them during his absence. Answers: Says no. 8. Whether during that time other slaves did not also join them, who these were and where they are known. Answers: Says no. 9. Where they obtained their sustenance. Answers: Says that the prisoner fetched wood, sold it, and bought food therewith, while the band, being already provided with meat when the prisoner arrived, procured vegetables. 10. Where and from whose likes they stole, and who was always an accomplice therein. Answers: Says as above. 11. Whether they did not from time to time steal sheep and take vegetables from the gardens. Answers: Says that the band was already provided with meat when the prisoner came to them, and that they stole vegetables from the gardens. 12. Whether the prisoner did not also go along himself and help; on what occasion and how often this occurred. Answers: Says as above, and that the prisoner only once went down with the band; on which occasion the prisoner stole a sheep. Article 13. Whether they were not also provided with a firearm, krises, and knives; what weapon the prisoner had. Answers: Says that the prisoner found a firearm with the band, and learned from the people that they had that firearm to defend themselves against attacks by white people, while furthermore Baatjoe was provided with a kris and Pedro with a long knife, the band also having with them an axe to chop wood. 14. To whom the firearm belonged, and in what manner Pedro obtained the same. Answers: Says not to know this. 15. Whether the prisoner does not know that Baatjoe took that musket at the Cape and brought it along. Answers: Says yes, without the prisoner knowing how they obtained it. 16. Where the bayonet of that musket went, and who ordinarily made use of it. Answers: Says that the husband of the aforesaid female slave made use of it. 17. Whether they also had powder and lead, and in what manner they obtained it. Answers: Says not to know this. Article 18. Whether Baatjoe did not carry it principally and constantly take it with him. Answers: Says no, but that Pedro mostly had the firearm in his hands. 19. For what end and use the musket was always carried along. Answers: Says as to Article 12. 20. Where they obtained these tools. Answers: Says not to know this. 21. Whether they did not have other tools as well, among which was also a kettle to cook food. Answers: Says also as to Article 12, and that the kettle was already there when the prisoner came to the band. 22. Whether, besides the aforementioned thefts, they did not commit others; where and what they stole. Answers: Says not to know anything thereof. 23. Whether they did not then break into the warehouse of Bam and steal rice and flour, as well as climb through the window into the servant's room at the Looije Benning and take a sum of money out of the desk. Answers: Says to know nothing of that either. 24. Whether the prisoner then did not hear that Baatjoe performed both the one and the other, and whether he did not perceive money with him, while he bought tobacco and other things. Answers: Says as above, and that furthermore the band, although the prisoner stayed with them, never trusted the prisoner, while the prisoner, being unable to speak Malay or Dutch, had no opportunity to learn much from the people. 25. Why the prisoner did not return home earlier, and what he intended to do further. Answers: Says out of fear not to have dared to return. 26. Whether people were not also attacked and wounded by them. Answers: Says no. 27. Whether they, provided with arms, did not attack people. Answers: Says no.
Dutch transcription
Bergh, dewelke op de onderstaande vragen zodanig heeft geantwoord als bezyden dezelve Bergh, na gissing zegt nog geen jaar, en geeuurig hout gehaald te hebben. zeijt zederd nu ses maanden geleedens. zegt alleen opgedroot te zijn zegt dat hij gev:e hout Fiscaal, J: N: P: van Lijnden daar op gehoord te worden Batist van Madagaseer, Lijfeijgene van Truytje Bergh, 's Heeren gets: zullende desselfs te gee¬ dene responsiven in Margine deezer behoorlyk worden bekend gesteld. Achtr: S. Des gev:s naam, geboorte plaats ouderdom, en wiens lyf eijgen byd 2. — Boelang hij gev: in den dienst van voorm: zijn Lijfvrouw is, en wat desselfs ordinaire Werk of verrigting is geweest Hoelang 't is geleeden dat hij get: van zin Lyfvrouw reg en opgegroot is 4. of zij get: alleen is wegge loopen, dan wel in gezeeschap ten anderen. Wat hem geer: daor toe heeft gemoveerd en waar natoe hy zig heeft begeeren zegt zijn bijl verlooren te hebben, en alstoen bevreest Lyfeijgen van Truytje zegt Bakst van Madagasear, zegt neen. zegt als vooren Waar zijl: hun onderhoud hebben gekreegen daar voor medereeten ingekogt heeft, terwyl het complot zig steeds, als bij gehaald, verkogt en 8. of in dien tijd niet ook noch andere slaaven bij haart: zijn gekoomen, wie deeze e geweest en waar zij belend zijn. of hij geduuren de kijne absentie altoos bij dezelve is gebleeven bevreest te zijn geweest, om na buis te rug te keeren, hebbende zig verstond op de duivels berg begeeren Art=t 6. of hij gev: op den tafelberg zegt ses maanden alleen gekomen zijnde, niet noch te hebben gesworven meer getroode slaaven heeft en vervolgens op een ontmaet, wie deeze geweest zijn 't Avond bij de wasch plaats drie madagascarse slaaten te hebben gezonden, Edog uit vreese van dezelve te zijn afgegaan, terwijl hy get: daags daar aan ontmoet hebbende de man van zeekere zig in het complot bevonden hebbende slavin„ met den zelven naar 't Complot is gegaan, en zig ook bij het zelve heeft opgehouden. der staan aangeteekend. Ont 26. Jaaren 1 zegt als vooren. zegt neen. Antl of zijl: niet van tyd tot tijd zegt, dat het complot schaap en hebben gestoblen, reeds van vleesch en greentens uit de tuinen was voorzien, wanneer gehaald! zij Get: bij het zelve is gekomen, en dat zij graentens uyt de tuijnen hebben gestoolen. zegt als boven, en dat hij Geste: maar eens met het complot naer be¬ needen is gekomen; bij Welke gelegenheid hij gett: een schaap heeft gestrolen. het complot een geweer heeft gevonden, en van het Rolk vernoomen, dat zij dat gen eer hadden, om zig tegens zegt, dat hij gev:. bij 12. of zij lieden niet ook met geweer Krisen en Messen zijn voorzien geweest; wat Instrument hij get: gehad heeft of zij get: ook niet zelve meede gegaan en geholpen heeft bij wat gelegenheid en hoe dikw es dit is geschied Maar en van wiens gelijken hebben gestoolen en, wie altoes daadig daar bij geweest is 10. zegt ja, zonder dat Die Gerl: Weet, hoedanig men daar aangekoo„ „men is. zegt, dat de man van doorsz: slaar in zich daar van heeft bediend. of niet Baat toe denzelven zegt neen, maar dat voornamentlijk heeft Pedro het geweer meest of bij geve: niet neet, dat Baatjoe dien snaphaan aen de Caab heeft weggenomen en meede getragt. 15. waar de bajonet van dien Snaphaan is gebleeven, en wie zig ordinair daar van heeft bediend! 14. of zijl: ook kruijt en laad hebben gehad, en op hoedanige Wyze daar aangekoomen zegt zulks niet te weeten. aanvallen van planke menschen te verdeedigen, terwijl voorts Baatjoe van een kris en Pedro van een lank mes voorzien geweest waaren, hebbende het Complot ook noch een bijl, om hout te kappen bij zig gehad. Ant:t 13. Aan wien den snaphaan heeft toekehoord, en op welke wijze Pedro den zelven is magtig geworden des gevts: komst reeds van Vleesch voorzien g zijnde, groentens bezorgd heeft. aanvallen gedragen „ 11. 16. gehad. geweest is. zegt zulks niet te weeten. zegt, als boven en dat wyders zegt neen. zegt uit dreeze niet te hebben durren te rug keeren. zegt daar meede niets dan te weeten. meest in handen heeft Legt als op Artl: 12. zegt meede als op Art:l 12. en dat de keetel reeds, Wanneer hij gev:e bij het Complot kwam, daar zegt daar van meede niets te weeten. 21. of zij behalven voorstaande dies stallen niet nog andere hebben gepleegd, waar en wat zij gestoolen hebben! 22. of zijlieden dan niet in het pakhuis van Bam hebben het complet schoon hij gev:d zig bij 't zelve ingebrooken en rijst en meel heeft opgehouden hem gestoolen: gers=t nooijt betrouwd heeft, terwijl bij gev:e als geen 20. Waar zijl: deeze gereedschappen van daan hebben gekreegen of zijl: niet nog andere gereed„ schappen geheel hebben, waaronder ook een ketel is geweest om kost te kooken. Art:l 48. tot wat eende en gebruik den Snaphaan altoos is mede genomen geworden. gedragen en altons met zig genoomen. of hij gev: dan niet gehoord heeft, dat Baat jae, zoo wel 't een als het ander heeft verricht, en of hij niet geld bij denzelven heeft ontwaard, terwijl bij tukak„ en andere zaken gekogt heeft 2 Waarom hij gev:e niet lange naar suis wederom gekeerd is, en wat hij verder van meening is geweest om te doen? 25. 26. of niet ook menschen van hunl: zijn geattacqueerd en verwond geworden. of zijl: met geweer Voorzien Zegt Neen. maleits of Hollandsch spreeken kunnende, geen ge„ „legenheid gehad heeft, veel van het volk te verneemen. Art: 23. als meede door het Vengster in des knegts kamer aan den Looije Benning ingeklommen en een Somma gelds uit de Lessenaar uitgenoomen maleits niet 9. zegt neen. 24.
English
says yes. says to have always received beatings, and had otherwise not intended to do so, and to be in any case not to run away. Articles drawn up and delivered to the gentleman commissioners from the Honorable Court of Justice, in order, at the requisition of the Independent Fiscal J: N: S: van Lynden, to be heard Batjoe of Bougis, bondman of the Burgher Theunis Mulder, who has given such answers to the adjacent interrogatory articles as are noted beside each of them. whether they had not agreed upon this? Art: 28. whether he, the prisoner, will not confess to have rendered himself guilty and highly punishable through both the one and the other? says, Batjoe of Bougis, slave of the Burgher Theunis Mulder, who has given such answers to the adjacent interrogatory articles as are noted beside each of them. 29. whether he can add anything further in his defense. below was written: Thus questioned and answered at the Cape of Good Hope, the 17 July 1789. Before the gentlemen Carel Mappa and Gerrit Hendrik Meijer, members from the Honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the original of this, together with the prisoner and me, the Adjunct Secretary. lower: Which I witness. was signed: W S D Rijneveld Adjunct Secretary. Recollection. Appeared before the undersigned Commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, the aforementioned slave Batist, who, his preceding responses being clearly and distinctly read to him, declared to persist therein, wishing that nothing more or less shall be added or taken away. below was written: Thus recollected at the Cape of Good Hope, the 29 July 1789. was signed: so and therefore they wrote this is the mark made by the prisoner's own hand. and beneath it: for the translation. was signed: Hendk Matthijssen lower: in my presence. was signed: W W Rijneveld Adjunct Secretary. in the margin: as commissioner was signed: A W D Riet. Johs Smits. Art: The prisoner's name, age, birthplace, and whose bondman he is. says, to have lived for a year with his master and to have always carried wood or worked as a coolie. How long the prisoner has already been under his aforementioned master and what his customary duties have been. whether the prisoner had not for some time run away and deserted from his aforementioned master? says that the prisoner, while gathering wood, having lost his jacket, therefore did not dare go home and consequently kept himself absent for a week. Art: 4. on what occasion this occurred, and when, and how long the prisoner has been absent? says yes. 5. whither the prisoner went, whether he was alone or had anyone else with him? says that the slave Pedro, belonging to the Burgher Simon van Blerk, having met the prisoner at the so-called Platteklip, said that more of the prisoner's nation were on the Table Mountain; and the prisoner, since he would receive beatings anyway if he went home, should just go with him, Pedro, to the other people; wherefore the prisoner then went along with Pedro. whether he did not then betake himself to the Table Mountain, and meet other deserted slaves there, and who these were? says to have met on the Table Mountain the slaves Baart of Hemming, of Looijers, of Looijer, Februarij belonging to the cook Denner, a Madagascan slave named Batist, a female slave whose name is unknown to the prisoner, as well as the husband of the said female slave, whose name the prisoner is also unable to state. 7. whether the prisoner during the entire time of his absence remained on the Table Mountain, or came down, or went here and there? says to have come down once with the gang to steal vegetables, but out of fear remained sitting by the brick kiln across the ditch of the garden of van Blerk, and there waited for the other people; having subsequently returned again to the Table Mountain. 8. in what manner the prisoner during his absence obtained food and sustenance? says that the gang, when the prisoner joined them, had salted meat with them. 8. whether the prisoner or his companions did not on several occasions steal sheep and vegetables or fruits in the field and in the gardens? says no, that vegetables were stolen on only one occasion. Art: 10. Where and how they stored the stolen goods, and in what manner they prepared their food, and whether they also had implements for this purpose? says that they never had a great supply of food, but cooked the vegetables directly in a piece of a kettle, which was made by themselves from a piece of copper that Pedro said he had found at the Hanglip. 10½. Who brought the vegetables, where and from whom did they steal such? says from the garden of van Blerk. Says Pedro and October, the aforesaid October having still been shot at on that evening. 12. whether the prisoner was not also at the Cape at night to steal this or that, or to break into houses? says no, to know nothing of that. Art: 13. whether the prisoner did not hear from his companions that they did so or would do so? and whether he ever noticed cash money among them? says no, to know nothing of that.
Dutch transcription
zegt ta. zegt altoos slagen te hebben geloopen. gekreegen en anders niet van Sins waren zulks te doen, en zig daar meede in allen gevallen te weezen of zij zulks niet afgesproken hebben ? Art: 28. of zij Ger: niet bekennen zal, zig zoo wel door het een als ander schuldig en zeer Strafbaar te hebben gemaakt& 29. of zij nog iets tot zijn verschoo¬ ning kan bij voegen. /:onder stond:/ Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de goede Hoop, den 17 Julij 1789. voor de Heeren Carel Mappa, en Gerrit Hendrik Meijer, Leeden uit den E: Achtb: Raad dan Justitie doorm: die de minute deeze beneevens de Gev: en mij Adjt Secretaris meede behoorlijk hebben onderteekend. /:lager:/ 't welk ik getuige. /:was getekend:/ W S D Rijnereld Adj:t Secret: Recollement. Compareerde door de ondergeteekende Gecommitts niet te zullen zijn weg Articulen gedaan maken en aan Heeren Gecommitteerdens Ondergeteekende Gecommitts uit den E: Achtb: Raad van Iustitie ut den E: Achtb: Rade overgegeeven, om ter requisitie van den independent Fiscaal van Justitie deezes J: N: S: van Lynden, daar op ge„ Gouvernements Pat joe hoord te worden Batjoe van Aan Boeg is, lijffijgen Compareerde door de Aldus gerecolleerd aan Cabo de goede Hoop, den 29 Julij 1789. /:was geteekend:/ 50 en daarom schreeven dit is het merk door den gev: eijgenhandig gesteld. /en daar onder:) voor de vertalking. (:was geteekend:/ Hendk Matthijssen /:lager:/ mij praesent. /:was geteekend:/ W W Rijneveld Adjt: Secrets: /:in margine:/ als gecommt /:was geteekend:/ AW D Riet. Johs Smits. gecommitteerdens uit den E: Achtb: Rade van Justitie dezes Gouvernements, voorm: Slaaf Batist, den welken Zijne Vorenstaande respensiven klaar en duidelyk voorgeleezen Weezende, verklaarde dezelve daarbij te blijven persisteeren, met begeerte, dat en niets meer bij of afgedaan word en zal. /:onderstond:/ vem Boegies a Van den Burger Theunis Mulder, dewelke op de nevensstaande naag„ Articulen, zodanige Aut„ woorden gegeeven heeft als bezyden een ieder derzelven staan aan geteekend. zegt Baattoe van Boegies, Slaaf van den Burger Theunis Mulder, dewelke op de nevens staande Vrangentieulen zodanige antwoorden gegeeren heeft, als be„ Lyden een ieder derzelven staan aangeteekend. zegt, een jaar bij zijn Lyf bleer gewoond en altoos hout gedragen of Coelij gezogt te hebben. Hoelang bij get: reeds onder Voorm: zijn Lyf Heer staat en welke desselfs gewoonelyke verrigtingen zijn geweest 't of zij get: niet door eenige tyd zegt op den tafelberg te hebben ontmoet de slaaven Baat toe van Hemming, de of hij zig daar op niet op de taffelberg heeft begeeven, en nog andere gedrosde slaaven aldaar ontmoet, wie deze zijn geweest waar na toe hij gete: zich heeft begeeven) of zy alleenig is zegt dat de slaaf Pedro, toebehoorende den Burger geweest dan iemand anders Simon van Blerk, hem heeft bij zig gehad ger: aan de zogen: platte klip ontmoet hebbende, gezegt heeft, dat er meer van des gev:e natie zich in de tafelberg bevond; en de gev:, terwijl hij tog, zo hy naar huis ging, slagen krijgen zoude, zich maer met hem Pedro na het ander volk moeste begeeven; zulks hij gets: als toen met Pedre is meede gegaan. Art: des ges: naam ouderdom geboorte plaats, en wiens hyf eijgen hij is Boegies, Lijfeigen van den Burger Theunis Mulders Heeren get: zullende desselvs te geevene responsiken in morgn deezer behoorlijk worden bekend gesteld - zegt dat hij gev: in het hout haelen, zyn baatje wijt geraakt zijnde, over zulks niet heeft durven naar huis gaan en zig gesolgelijk een Heek te hebben abrent gehouden. van voorsz: zijn lijf Heer Weg en opgedrost is Artl: 4. bij wat gelegenheid zulks is geschied, en wanneer hoe lang hy get: absent is geweest) van Looijes zegt ja. 5. Art: 10: zegt uit den tuin van van Blerk. Looiger, Februarij toebehoorende de kok Denner, een Madagascarse slaaf, in name Batist eene slavin, waar van de naam hem gev:t onbekend is, mitzg=s de man van gem: slavin, waar van de gev:e de naammeede niet weet op te geeven. of hij gev:e de gantsche tijd zegt eens met het Complot van zijne absentie zich op den om groente te steelen, te tafelberg heeft opgehouden zijn na beneeden gekomen, dan niet afgekomen, ofte hier edag uit vreese bij de en daar gegaan is steenen Oven, over de sloot van den tuijn van van Klerk te zijn blijven Sitten, en aldaar het ander Volk te hebben opgemaekt; hebbende Zich vervolgens wederom naar den tafelberg: begeeven. zegt dat het Complot, wanneer hij get: bij het zelve kwam, ge„ zoute vleesch bij zich gehad had. zegt neen, dat alleenlijk eene reijse groente gestoelen is. of zij get: of zijne maats niet tot meerdere reijsen in 't Veld en in de tuinen, schaapen en groentens of vrugten gestoolen hebben. op hoedanige wijze hij geve geduurende zijne absentie, kost en Onderhoud heeft gekreegen. zegt, dat zij nooijt veel door raad van eeten hebben gehad, maar de Graenffens direct in een stuk van een keetel, die door hun zelven van een stuk koper, dat Pedro gezegt heeft, aan de hanglip te hebben gesonden, gemaakt was, gekookt te hebben. Waar en hoedanig zijd: de gestoolene goederen geborgen, en op welke wijze hij hunne kost klaar hebben gemaakt of zij ook gereedschappen daar toe gehad hebben. of hij geve: niet van zijne maats gehoord heeft, dat zij Lieden, zulks gedaan hebben of doen zouden? en of hij nooijt contanten bij dezelven heeft waargenomen of zij get: niet ook by nagt tijd aan de Caab is geweest, om 't een of ander te steelen, of in huizen in te breeken! 10½ Wie de groente gebragt heeft waar en van wien hy zij Lieden/ diergelyke hebben ontstaalen Zegt Peetro en October, zijnde op dien avond op oorsz: october noch ge¬ „schooten geworden. zegt neen daar niets van te weeten. Art:l 43. Artl: 13. 7. 8. 8 ƒ2 12.
English
Article 13. states to have eaten together. states Pedro was the chief of the plot. states that Baatjoe did also carry the gun, but that he, the deponent, heard that the gun belonged to Pedro, while Baatjoe was furthermore provided with a long knife. states as before, and not to know how they came by the gun. states not to know how they came by gunpowder and lead, and that with that gun, during the time that the prisoner was with the plot, not a single shot was fired. Article 18. whether she, the prisoner, has not seen or heard that people were also shot at with it or that such persons were attacked by them? states no. whether the other companions and he, the deponent, did not also have firearms, instruments, or knives with them? states that they all had knives with them, while he, the deponent, was only provided with a small knife. whether they did not have these primarily to defend themselves and to harm others? states no. whether he, the deponent, together with his companions, did not intend to do so and agree among themselves not to surrender themselves as prisoners? states no, but that they did agree, if people wanted to capture them, to then run away. 21. whether she, the prisoner, was good friends with Baatjoe, belonging to Henning? states no, that she first became acquainted with the aforementioned Baatjoe up on the mountain, and also learned nothing substantial from him. Article 22. whether he, the prisoner, is not guilty of anything more than what is stated here above? states no. 23. whether he, the prisoner, will not confess to having made himself greatly guilty and punishable through his desertion, plotting, and committed acts? states yes. whether he, the deponent, will still know anything to bring forward for his excuse? states to beg for pardon for this time, and being that Baatjoe knows nothing further to state of his actions. Below stood: Thus interrogated and answered at Cape of Good Hope, the 17th of July 1789, through the interpretation of the bailiff Hendrik Matthijsen, before the gentlemen Carel Matthiessen and Gerrit Hendrik Meijer, members of the Honorable Court of Justice of this government, who have duly signed the original draft hereof together with the prisoner, the interpreter, and me, the Adjunct Secretary. Lower: which I witness. Was signed: W. H. v. Rijneveld, Adjunct Secretary. Verification. Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government the aforementioned slave Baatjoe, who, his preceding responses having been clearly read out to him, declared to persist therein, wishing that nothing more be added or taken away. Below stood: Thus verified at Cape of Good Hope the 29th of July 1789. Was signed: and written around it: this mark was set by the prisoner with his own hand, as he is unable to write. Lower: for the interpretation, was signed: Hendrik Matthijsen. Still lower: in my presence, was signed: W. H. v. Rijneveld, Adjunct Secretary. In the margin: as commissioners, was signed: R. J. v. d. Riet, Johannes Smuts. Act thereof. Articles drawn up and delivered to the gentlemen commissioners from the Honorable Court of Justice, to hear thereon, at the requisition of the Independent Fiscal J. N. S. van Lynden, Therese of Madagascar, slave of the Burgher Groenewald, the responses to be given by her to the gentlemen deponents to be properly recorded in the margin hereof. Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government the slave woman Therese, of Madagascar, slave of the Burgher Groenewald, who to the adjacent interrogatories has given such answers as are noted down beside each of them. Article 1. The prisoner's name, birthplace, age, and whose slave she is? states Theresia of Madagascar, slave of a certain Groenewald, aged by estimation 25 years. Article 2. How long she was with her aforementioned master, and of what her usual work or duty consisted? states about five years, and that she had to occupy herself with washing and sewing. Article 3. Whether she did not run away from her master a long time ago, and deserted, and how long ago that happened? states to have run away recently during the last grapes season. Article 4. For what reasons she, the deponent, deserted, and whether she did not also entice the aforementioned boy thereto? states that they continually received beatings and her husband Cardoes then told her to go along. Article 5. Whether at the same time the boy of her master, by name Cardoes, did not run away and go with her, the deponent? states yes. Article 6. Whether they did not go directly to and up Table Mountain? states yes, to have proceeded directly up Table Mountain. Article 7. Whom they met there, and whether she or the boy accompanying her already had acquaintance with those deserters? states to have first met three boys, named Pedro, Mattijs, and Baatjoe, and not to have had any prior acquaintance with the said deserters. Article 8. Whether these boys were not also provided with a firearm? states that Pedro had the gun. 14. From whom they got such, and whether everyone always had an equal share of the stolen goods? states no. 15. Whether one or the other was not the first or leader of the gang, and whether this was not Baatjoe, the boy of the tanner Henning? 16. Whether this Baatjoe was not provided with a firearm, or with another weapon? 17. Where they obtained gunpowder and lead, and upon what occasion, and how often shots were fired? In what manner Baatjoe came by the firearm, and whether the same was not also used by others?
Dutch transcription
Artl 13. zegt te zamen gegeeten te hebben. zegt Pedro is de opperste van het Complot geweest. zegt, dat Baatjoe ook wel het geweer heeft gedragen, maar dat hij gerf: gehoord heeft, dat het geweer Pedro toekwam, terwijl Baatjoe nog van een lang mes is voorzien geweest zegt als voren, en niet te weeten, hoe men aan het geweer gekomen is. zegt, niet te weeten, hoe„ „danig zij aan kruit en laot thijn gekomen; zynde met dat geweer in den tyd 17. Waar zijt: kruijt en lood hebben gekreegen en bij wat gelegenheid, en hoe dikwils geschooten is geworden op welke wijze Batjoe aan 't schiet geweer is gekomen, en of 't zelve niet meede van andere is gebruijkt geworden of deeze Batjoe niet met een schiet geweer, dan wel ander geweer is voorzien geweest. of dan niet d' een of andere dieerste ofte aanvoerder van de bende is geweest ? of deeze niet is geweest Batjoe, den Jonge, van den Looier Henning. van haar zijl: zulkx hebben gekreegen, en of een ieder aan 't gestoolene altoos gelyke portie heeft gehad zegt neen. schoot gedaan geworden. dat den gev:e zich bij het Complot heeft gesonden, geen Arit: 18. of zij gev: niet gezien of gehoord heeft, dat, er daar meede ook op menschen is geschooten ofte dier„ gelijken door hunl: zijn aange„ vallen geworden of de overige Maats en hij get: niet ook geweer dan wel instru„ menten of messen hebben bij zig gehad of zijl: zulke niet voorna„ mentlijk gehad hebben, om zich te verweeren en andere te beschaadigen. of hij get: met zijne maats zich zulks niet heeft voor„ genoomen, en zijl: afgesproken, zich niet te zullen gevangen geeven. 21. of zij gev: goed vriend met Batjoe, van Henning geweest zegt neen, eerst boten in de bergh met voorsz: zegt neen, maar dat zij wel hebben afgesproken om wanneer men hun Wilde vangen, als dan Weg te loopen. zegt neen. zegt dat zij alle messen bij zich hebben gehad, tterwijl hij get: slegts van een klein mes is Voorzien geweest. dat Baatjae zijnde 1 1 14. 15 16. -. . 18. 20. Baatjae kennis gemaakt te hebben; en ook van denzelven niets zakelyks aernoomen. zegt neen. zegt voor deeze reijse execus te verzoeken. Artl 22. of hij gev: zich aan niets meer, als hier vooren Staat, heeft schuldig gemaakt. 23. of hij gev:e niet bekennen zal zig door zijn opdrossen, complot„ teeren, en begaane Stukken „grotelijks schuldig en strafbaar te hebben gemaakt of bij gets. nog iets tot ver„ schooning, zal weeten voor te brengen /:onder stond:/ Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de goede Hoop, den 17 Julij 1789. bij vertelking van den Schout Hendrik Matthijsen, voor de Heeren Carel Mappa en Gerrit Hendrik Meijer, Leeden dit den E: Achtb: Raad van Justitie deeze & Gouvernements, die de minute dezes beneevens zegt ja. zijnde, niets nader van desselfs bedrijven weet aan te geeven. den gev„e den tolk, en mij Adtjunet Secretaris meede behoorlyk hebben onderteekend. /:lager:) 't welk ik getuige. /:was geteekend:) WH Rijneveld Adjt: Secrets: Recollement. Compareerde voor de onderget: gecommit„ teerden uit den Ed: Achtb: Raade van Justitie dezes Gouvernements voorm: slaaf Baatjoe dewelke zijne vorenstaande responsiven zindelyk doorgeleezen zijnde, betuigde daar bij te blijven persisteeren, met begeerte, dat er niets meer bij of afgedaan werden zak. /:onder stond:/ Aldus gerecolleerd aan Cabo de goede Hoop den 29 Julij 1789. /:was getekend:/ en daaromschreeven, dit merk heeft den gev:e als niet schrijken kunnende, eigen„ handig gesteld. /:lager:/ voor de Vertalking. /:was geteekend:/ Hend:k Matthijs en. (:nog lager:) mij praesent /: was geteekend:) W M Rijnekeld. Aag:t Secrets /:in margine:/ als gecomm.:s /: was getekend:/ R WV D Riet. Joh:s Smuts. Acte daeren Een 24. zegd ja. zegd nu in de laatste geloopen. Compareerde door de Ondergeeteekende gecom„ mitteerdens ui den E: Achtb: Raade van Justitie dezes Gouvernements de flavin Therese, van Madagasear, LijfEijgen van den Burger. . . . . . Groenewald, dewelke op de nevensstaande vraagpoincten, zoo„ danige, Antwoorden gegaeven heeft, als be„ zijden een ieder derzelver staat aangeteekend. zegt Theresia van Ma„ dagascar slavin van eenen. . . . . . Groenewald, Oud na gissing 25 Jaaren. zegd omtrend Vijff Jaaren, en zig met wasschenen naaijen te hebben moeten bezig houden. Hoe lang zij bij voorm: haar Vyf Heer is geweest, en waar in haar gewoonlijk werk of over rigting is bestaan zegd eerst drie jongens, in namen Pedro, Mattijsen Baatjoe te hebben ont„ moet en te voren geen kennis Aan dezelve drassers te heb„ „ben gehad. op deese jongens niet ook zegd dat Pedro het geweer Wier zijl. daar ontmaet hebben, en of zij of den haar verzellen de Jongen met die drossers reeds kennis gehad hebben! of zijl: niet directelijk na en op de tafel berg zijdieg aan! Uijt wat redenen zij gete: gedrost is, en of zij voorm: jongen niet mede daar toe verleijd heeft t of niet met haar get: terzelver is gegaan de Jorgen tijd van haar syv seer weg is van geloopen haar lyfsteer, in naame Cardoes! zegt dat zij geduurig slagen kreegen en haren man Cardoes haar toen gezegd heeft meede te gaan. zegd ja, zig directelijk op de tafel berg te hebben begeeven. Art: 1. der gev: naam, geboorte plaats Ouderdom, en wienslyfengene zij is en aan Heeren Gecommitteerdens uijt den E Achtb: Raade van Justitie overgegeeven, omme ter requisitie van den independent Fiscaal, J: N: P: van Lijnden daar op gehoord te worden Therese van Madagascar, Lyfeigen van den Burger Groenewald, 's Heeren get:t zullende derzelve te geevene responsiven in Margine dezer behoorlijk worden bekend gesteld. Articulen gedaan maken druijren tijd te zijn weg Art. 3. off zij niet voorlangen tijd van haar lijf Heer weg is geloopen, en gedrost, hoe lang zulx is geschied Art:l 3. geweer 4. 5.
English
Article 13. had a gun, and Baatjoe had a knife with him. Says not to have seen any money. Said to have also had an axe and a kettle with them. Says not to know where the gun or the axe were obtained, but that the kettle was found in the water. Says to have always stayed on Table Mountain, and that she, the witness, once came down with her husband. Says that she, the prisoner, stayed on the mountain alone and continually saw meat, vegetables, and other provisions brought by other slaves, principally by Pedro, while she nevertheless had no flour or rice. Whether they did not steal sheep, vegetables, and fruits for their sustenance, as well as rice and flour? 12. Whether she, the witness, always remained on Table Mountain, or went elsewhere from time to time, where to, in company or alone? 10. Where they obtained these various things? carried a gun and tools with them to resist or defend themselves? Article 9. Whether they did not have other tools as well? Says to have had nothing in safekeeping, and only to have fetched water now and then. Says not to have known the aim or intention of the runaways, and only to have continually gone along with them wherever they wished to go. Says not to know this. Whether the boys, equipped with a gun and knives, did not also attack people, or wound or kill cattle? Below stood: Thus interrogated and answered at Cape of Good Hope, the 17 July 1789, and this through 16. What they collectively intended, and whether she, the witness, was not minded to return home? Whether she, the prisoner, did not keep custody of this, and what else her work was among the troop? Which of their people performed this, and whether they did not steal other goods, money, etc.? Article 13. Interpretation. 11. 15. 14. interpretation by the mandor from the Honorable Company's slave lodge, Johannes; before the Gentlemen Carel Mappa and Gerrit Hendrik Meijer, Members of the Honorable Court of Justice of this Government, who duly signed the minute hereof along with the prisoner, the interpreter, and me, the Adjunct Secretary. Below: Which I witness, was signed: W: W: Rijneveld, Adjunct Secretary. Re-examination. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, the slave woman Theresia of Madagascar, bondservant of the burgher Christoffel Groenewald, the Elder, who, after these above-mentioned questions along with her answers given thereto were read out clearly and distinctly word for word, declared that she wished to persist therein, desiring that nothing more be added or removed, except only regarding article 8: That Baatjoe had the gun. Below stood: Thus re-examined at Cape of Good Hope, the 29 July 1789, through the interpretation of the mandor Johannes. Was signed: and written around it: this is the mark that the prisoner made in place of her signature. And below it: for the interpretation. Was signed: and written around it: this cross was made by the interpreter's own hand, as he is unable to write. Below: in my presence, was signed: W H Rijneveld, Adjunct Secretary. Agrees, JJ Rijneveld, Secretary. Appeared before the Honorable President and Court of Justice of the Castle of Good Hope, the Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lynden, in his official capacity, Plaintiff in a Case of Contravention, of the one part, The residents Hermanus Mulder, Johannes Mulder, Nicolaas van der Schijff, Jacobus Appel, Jan Valentijns, Carel Moses, Pieter Joh: Caesier, the sergeant of the Battalion, N: Borneman, and the person stationed at the Armory, Ekenfriet Hofman, Defendants in the aforementioned Case, of the other part. And stated: That notwithstanding that by the prevailing edict it is most strictly forbidden to play with dice and with cards at heavy or hazard games, and this prohibition was renewed and amplified by the interdiction of the 10th April 1781 and 31 December 1782, in such manner that dicing and high-stakes gambling are forbidden to everyone.
Dutch transcription
Arlt. 13. geweer en Baatjoe een mes bij zig hebben gehad: zegt geen geld gezien te hebben. zeid nog een bijl en een Ketel by zig gehad te hebben. zegt niet te weeten, waar het geweer nog ook de bijl is gekreegen, maar dat de ketel in het water gevonden is. zegd altoos op de tafelberg te hebben verblijf gehouden en dat zij get: eens met haaren man naa onderen is gekoomen? zegt, dat zij gev: alleen in de berg is gebleeven en ge„ duurig door andere srlaaven voornamentlik door Pedro Vleesch, groentens en andere mondbehoeftens te hebben zien medebrengen; terwijl zij egter geen meel of rijst gehenkeef, of zijl niet tot derzelver onderhoud schaapen, groen ten en Vrugten hebben gestoolen, mitsgaders rijs en meel 12. of zij ger: altaos op de tafelberg is gebleeven dan wel van tijd tot tijd zig elders begeeven waar na toe in geselschhap of alleen ig 10. Waar zijl: het een en Ander hebben gekreegen geweer en instrumenten heb¬ ben bij zig gehad, om zich te verweeren of defendeeren 2. Art:l 9. of zijl: niet nog andere ge„ reedschappen hebben gehad. zegt niets in bewaaring te hebben gehad, en nu en dan eens water gehaald te hebben. zegt het dogmerk, of de intentie der drossers niet geweeten te hebben, en maar geduurig met hun te zijn meede gegaan, daar zij na toe wilden! zegt zulks niet te weeten. of de jorgens met geweer en messen voorzien niet ook men„ schen aangevallen, dan Veerer„ wond of gedood hebben! /:onder stond:/ Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de goede Hoop, den 17 Julij 1789. en zulks by 16. Wat zijt te zamen geintentioneerd zijn geweest, en of zij get: niet van Zints is geweest, wederom te huijs te gaen? of zij gev: zulks niet heeft bewaard, en wat anders by de troep haar werk is geweest welke van hun Lieden zulks hebben verrigt en of zij niet nog andere goederen geldete: hebben gestoolen! Art: 13. Vertalking 11. 15. 14. vertolking van den mandoor uit s'E: Comp:s slave p loge, Iohannes; voor de Heeren Carel Mappa, en Gerrit Hendrik Meijer, Leeden aut den E. Achtb: Raade van Iustitie dezes Gouvernement die de minute dezes beneevens den gev:e den tolk, en mij Adjunct Secretaris meede behoorlijk hebben onderteekend. /lager / 't welk ik getuigen /:was geteekend:/ W: W: Rijnereld: Ad:t. Seere t Recollement. Compareerde voor ons ondergeteekende gecom„ mitteerdens uijt den E: Achtb: Raad van Iustitie deezes Gouvernements de Slaav in Theresia van Madagascar, Lijfeijgen van den Burge Christoffel Groenewald, d'Oude, dewelke deeze haare bovengem: vraage met haare daar op gegeevene antwoorden van woorde tot woorde klaar en duidelijk voorgeleezen zijnde, verklaarde daar bij te willen per¬ sisteeren, met begeerte, dat er niets meer bijgeroegd ofte afgedaan worden zal als alleen op art: 8. Dat Raatjae het geweer gehad heeft. /:onder stond:/ Aldus gerecelleerd aan Cabo de goede Hoop, den 29 Julij 1789. bij vertalking van de mandoor Johannes. /:was geteekend:/ en Daarom schreeven, dit is het ƒ1 merk, dat den gev:e voor haar naam teekening heeft gesteld. /:en daar onder:) voor de vertolking. /:was geteekend:/ en daaromschreeven, dit kruis heeft de tolk, als niet schrijven kunnende, eygenhandig gesteld. (:lager:) mij praesent /:was geteekend:/ W H Rijneveld. Adj: Leerett. Accordeerd JJ Rijneveld geweer Secret d Compareerde voor den WelEdelen Achtbaren Heeren Praesident en Raade van Justitie des Casteels de goede Hoop, den independe pent Fiscaal Johan Nicolaas Steven van Lynden, R:O: Eisscher in Cas van contra Ventie ter Eenre. De inwoonders Hermanus Mulder Johannes Mulder, Nicolaas van der Schijff Jacobus Appel, Jan Valentijns Carel Moses, Pieter Joh: Caesier, den sergeant van het Bafaillon, N: Borneman en den op de Wapenkamer bescheidene Ekenfriet Hofman, gedaagdens in voorsz: Cas ter andere zijde. En deede zeggen. Dat niet tegenstaande bij vigeerende Geerst: placaat ten Sterkste verbjooden is. met dobbelsteenen, en met haarten, grof ofte harard Spellen te Speelen En dit verbod bij d' interdictie van den 10e: April, 1781. en 31 december 1782. gerenoveerd ende geamplieerd, is, zodanig dat aan een ijder het dobbelen en grofspeelen of S. 2. 4. 5. „
English
remains strictly prohibited, and those caught doing so, besides forfeiting the staked or won money, shall incur a fine of 25 ryksd:s for the first offense, 50 for the second, and so on for the third time, and in default of being able to pay such, shall be physically punished. Those persons who tolerate gambling and high-stakes games in their houses shall, without any connivance, be penalized with a double fine. The first defendant, Herms: Mulder, however, ventured to undertake. On Saturday the 25th of the past month of April, with and through the other defendants, at his house, first to have a lottery played with dice. And furthermore to invite the same persons to make a game of quinze. Which was also accepted, and was continued by some until midnight. Around 10 o'clock, Sergeant Borneman arrived there, and in the beginning played for a small amount. But finally also, as usually happens when people in such games of chance do not know how to limit themselves, played for 6 to 8 and even more Schellingen. That the defendants, having been summoned before the Fiscal office regarding this, though not all appearing, nevertheless will not dare to deny what has been put forward, since the same has already had to be avowed by the aforesaid Herms: Mulder, Evenfried Hofman, and Serg:t Borneman. That the Honorable Plaintiff, to whom, from the moment of his appearance at this place, several complaints have come forward regarding how heavily games of chance have been going on for some time in Swellendam. Causing the total ruin of various people. Bringing several households into disorder. Diverting the common man, already not overly inclined to diligence, from his daily livelihood. Thus making wives and children miserable. Causing disputes, quarrels, and fights, and giving rise to a multitude of further calamities. Found himself obliged to inquire into this with all diligence, and to disperse such assemblies and gatherings. In order to counter and stop such disorders and improper practices as quickly as possible for the common good. Just as the Honorable Plaintiff, having discovered a whole crowd of them, In order to avoid lengthy, unnecessary, and tedious proceedings, Has judged it best to summon these enthusiasts directly before Your Honors and bring them to justice. The same will only add here, as a small sketch of the truth of the passed consequences that usually arise from this: That the first defendant, Herm:s Mulder, committed yet further insolence. Abusing the wife of his brother Johannis Mulder over her husband's losses, and having gotten into words and a dispute with several persons because she requested her husband to leave the game and go home with her, treating her with fist blows, and finally thrusting her out of the house. A mistreatment, Right Honorable and Worshipful Sirs, so much the more punishable and dangerous, since the said woman says she is pregnant, and while she had one of her children in her arms, which the last defendant, Eerenfriet Hoffman, rushing forward to protect it from harm, took from her arms. On account of which and several other reasons and means, to be further deduced and added hereto in due time and place, if necessary, via Juris vel facti. The Honorable Plaintiff, concluding, contended that by definitive sentence of this Council, the defendants mentioned at the head hereof shall be condemned to the established fines of fifty and twenty-five rijxd:s respectively, and the defendant Herms. Mulders furthermore in particular, on account of the brutalities committed against his brother's defenseless wife, shall in addition be corrected as deemed appropriate, with further condemnation of all defendants in the costs, or such as Your Right Honorable and Worshipful Sirs in good and equitable justice shall find and judge proper. Was signed: I: N: S: Van Lijnden. In the margin: Exhibited in court, the 14th of May 1789. Agreed. W. D. Rijneveld, Secretary. And declared. That in the year 1771, at the request of the defendant and interested party in the matter of the land boundary separation, the late Landdrost J: Fr. Mentz and Heemraden of Swellendam performed a commission there. And the decision thereof having turned out to the disadvantage of the defendant. The same defendant requested a new commission from the succeeding Landdrost, Mr. Bonakker. Because, according to his statement, the first had not been properly conducted. Also, with the prior knowledge and approval of the Right Honorable and Valiant Lord Governor, the requested commission was again undertaken. The Burgher and Farmer Stephanus Faucke, in the aforesaid case on the other side. Appeared before the Right Honorable and Worshipful Lord President and Council of Justice of the Castle of Good Hope, the interim Fiscal G: Exeter, Honorable Plaintiff in a criminal case on the one side. Again. Etc.
Dutch transcription
op 't scherpste geinterdiceerd blijft, en die daar op agterhaald worden, behalven de verbeurte van het opgezette ofte gewonnen geld, in eene baete van 25 ryksd:s voor de Eerste van 50. voor de tweede en zoo voor de derde reijse, zullende zijn vervallen, en bij gebreeke van zulks te kunnen betaalen, aan den lijve gestraft worden. zullende de persoonen, die 't dobbelen en groospeelen in haare buizen gedoogen, zonder eenige konniventie, in eene dubbelde boete gemuliteerd worden. den Eerste gedaagde Herms: Mulder, echter heeft sturven onderneemen. op Saturdag den 25:e der gepasseerde maand April, met en door de overige gedaagdens, ten zijnen huisen, eerst met dobbelsteenen eene looting te doen speelen. en voorts dezelve persoonen te inviteeren eene quinse partije te maaken. Die ook is geaccepteerd, en van eenige tot middernagt is gecontinueerd geworden. 11. Zijnde omtrend 10 uuren, den sergeant Borneman daar bij gekomen, en in 't begin voor een atweese heel. „maer leindelijk ook, gelyk het doorgaansgaat, dat men zieh in soortgelijke hasard spellen niet weet te borneeren voor 6 a 8 en zelfs meer Schellingen gespeeld geworden. Dat de gedaagde hier over voor het officie Fiscaal geappoincteerd, dog niet alle gecompareerd zijnde, echter het geavanceerde niet zullen durven ontkennen, terwijle het zelve door den voorschr: Herms: Mulder, Evenfried Hofman, en serg:t Borneman, reeds geavoneerd heeft moeten worden. 13. Dat den E: d: Eisscher, wien, van het ogenblik zijner apparitie aan deese plaats verscheidene klagten zyn voorgekomen, hoe sterk het hosard speelen zeederd eenigen tyd in swareg ging. Eene totale ruine van deesen engeenen bewerkte. 16. Verscheidene huishoudingen in disonderbragt. 15. den gemeenen man, evenwel niet al te zeer geneegen 16. tot naarstigheid van zijne dagelijkse broedwinning aftrok. 17. Vrouwen kinderen dus ongelukkig maakte. — quaestien, zusien en vegterijen veroorsaakte, en eene 18. menigte onheilen meer deed gebooren worden. — zich verpligt heeft gevonden, hier op met alle vlijt te moeten inquireeren, en soortgelyke assemblies en par„ „teijtzes te verstuijveren ten einde zo ras mogelijk diergelyke disordres en onbehoorlijke gedoentens tegen te gaan en ten algemeenen nutte te stuiten. 21. gelijk den z: O: Eisscher dan ook hier van eene gantsche turba ontdekt hebbende omme wijdlopige, onnodige en verveelende proceduris 22. te vermijden. 23. het kelt heeft geoordeeld, deese lierhebbers directelijk 12. voor 6: 8. 9. 3o. :- 20. 19. 12. te stellen. 24. zullende denzelven alleen noch maar hier bij voegen tot eene kleine schets van de waarheid der geposseerde gevolgen, die er doorgaans, uit voortkomen. 25. Dat den Eersten gedaagden Herm:s Mulder noch de verdere insolentie heeft gepleegd. 26. de huisvrouw van zijnen broeder Johannis Mulder over het verlies van haren man gebelad, en met eenige persoonen in woorden en twist geraakt, om dat zij haaren man versogt, het spel te verlaaten, en met haar na huis te gaan, met vuist slagen te tracteeren, en eindelijk ten huise uit te stooten. Eene mishandeling WelEd: en Achtb: Heeren, zo veel te strafbaarder en te gevaarlijker, nadien gemelde vrouw zegt swanger te zijn en terwijle zy een harer kinderen op den Arm had, het welke den laatsten gedaagden, Eerenfriet Hoffman, daar op toegeschooten zijnde, om het zelve voor ongelukken te bewaaren, haar van den Arm heeft afgenoomen Overmits welke en meerdere andere redenen en middelen, hier toe in tyd en wijlen, des nodig, via Juris uelfacti nader te deduceeren ende te addeeren. den r: O: Eisscher concludeerende Con„ tendeerde, dat bij definitive Vonnisse van deesen Raden de gedaagdens voor UwelEd: en Achtb: te doen dagvaarden en te regt in 't hoofd deeser gemeld, in de gestarueerde boeten van vyftig en vijff en twintig rijxd:s respective zullen worden gecondemneerd, en den gede Herms. Mulders noch bijsonder, wegens de gepleegde brutaliteiten aan zyne broeders Weerloose huisvrouw, daar en boven naar goedvinden zal worden gecorrigeerd, met verdere Condecratie aller gedaagde, in de kosten ofte zodanig als UwelEd: en Achtb: in goede en billijke Justitie zullen bevinden en oordeelen te behooren. /:Was geteekend:/ I: N: S: Van Lijnden. /:in margine:/ Exhibituur in Iudicie, den 14 Maij 1789. Accordeerd. W. D Rijneveld in secret 27. 1. En deedde zeggen. dat in 't Jaar 1771. op verzoek van den ged:e en geinteres„ seerde partij in cas van Landscheidinge van wijlen den LandDrogt J: fr. Mentz en Heemraaden van Swellendam aldaar Commissie gedaan. 3. en de decisie derzelven ten nadeel van den ged:e uit„ gevallen Zijnde. denzelven ged:e bij den opgevolgden Landsrast d' Heer Bonakker, de Novo Commissie heeft verzogt. 5. terwijl naar zijn zeggen d' Eerste niet behoorlijk was gedaan. ook met voorkennis en approbatie van den Wel. Ed: Gestr: Heer Gouverneur, de begeerde Commissie wederom is voorgekomen geworden den Burger en Landbouwer Stephanus Faucke, in voorsz: cas ter andere zide. Compareerde door den Wel„ E: Achtb: Heere Praesident en raade van Justitie des Casteels de goede Hoop, den pro interim Fiscaal G: Exeter E: O: Eijsscher in cas crimineel ter eenre 2. 4. 6. Wederom C„o
English
7: but with no other result than in the first instance, that the defendant has succumbed for the second time; 8. that the defendant furthermore, having refused to pay the expenses of the commission, and being summoned on that account before this Honorable Court, 10. sought no fewer various excuses to keep Your Honors from doing justice, 11. but finally being condemned to that as well, 12. in order to avenge himself in another manner, saw fit to spread rumors and to say 13. that the commission carried out by Bonakker was improperly done and performed in a villainous manner. 14. Indeed, that he considered the persons who were present there to be scoundrels; 15. that the defendant, having already declared this publicly, finally also dared 16. during the ventilating and deciding of another lawsuit in the meeting of the Landdrost and Heemraden to repeat the same, 17. with the expression that the secretary had written a false report, 18. meaning the aforementioned commission, from which it then speaks for itself 19. that, the report being signed by the commissioners, they too must be guilty of a committed falsehood. 20. That then, on account of the reiteration of this outright injury, the gentlemen councilors and secretary who attended the aforementioned commission finally, under the date of 26 May 1788, addressed this Honorable Court, 21. and from Your Honors, the Officer Prosecutor was ordered to institute an action ex officio against the defendant as required, and pursuant thereto, the defendant having been summoned today in person by missive, and having appeared, 22. the Officer Prosecutor, subject to correction, believes he can establish from the cited and other circumstances 23. that the defendant has made himself guilty of an atrocious injury in an extreme manner. 24. For notwithstanding that both declarations attached to the request are unsworn, 25. yet the content thereof, with regard to the petitioners, shall sufficiently merit the same. 26. And the same declarations being employed only for elucidation, 27. the case itself is fully proven and substantiated by the extract from the Swellendam minutes, 28. principally that the injury was committed by the defendant, 29. and specifically against persons sitting in a judicial body, belonging among the magistrates and representing their lords and masters; 30. that it was reiterated and most recently occurred at the time and place of the meeting while the persons were in office; 31. thus with a true animo injuriandi, with all intention and foul malice, to the insult and slander of justice, which is sacred to everyone. 32. That in accordance with these and other circumstances, the defendant, in proportion with the laws, shall also merit being punished as an example. 34. However, this punishment not being fully defined by the legislator, 35. and the same in this case, as is customary in others, also remains left to the discretion of the impartial judge. To the Honorable President and Council of Justice of the Castle of Good Hope. Honorable Sir, Gentlemen. For which and other reasons and means to be further deduced in due course if necessary, the Officer Prosecutor, making demand, concluded that by definitive sentence of Your Honors, the defendant shall be condemned to remain banished from this Government and its jurisdiction for the period of two consecutive years, with condemnation of the defendant in all costs and expenses of justice, or to such other penalties and punishments as Your Honors in good justice shall find and judge to be fitting. Was signed: G: Exter. In the margin: Exhibited the 5th of February 1789. Submitted with due respect by the undersigned interim Fiscal. That the Heemraden of Swellendam, the Honorable Daniel du Plessis and Jan Andries Holzhauser, with the former Heemraad Jacobus Steyn and the Secretary there, C. Mense Blankenstein, having addressed this Honorable Court by request under the date of 26 May last, Your Honors, concerning their petition, have resolved to place the matter into the hands of the interim Fiscal of this Government, in order to institute against the burgher Stephanus Fauché, accused in the said request, such action as the circumstances of the case come to require. Considering then that the act, consisting of a very extreme atrocious injury done to the aforementioned persons sitting and serving in a council, and the state of the case and circumstances would involve an exemplary and by law absolute corporal punishment, which necessitates the personal appearance of the aforesaid Fauché; thus the undersigned Officer petitioner, hereby turning to Your Honors with a respectful request: To the Honorable Johannes Isaac Rhenius, President, together with the Honorable Council of Justice of this Government. Honorable Sir! Honorable Gentlemen! That Your Honors most favorably grant to the petitioner a decree of summons in person by missive under the seal of this Honorable Court, upon the burgher Stephanus Fauché, to appear in this assembly on a certain day to be determined, in order, in the case of the aforementioned very extreme and atrocious injury, to hear such demand and conclusion, or request, or requests, as the Officer Prosecutor, serving on the day, shall see fit to make and state, to answer thereto, and to proceed as according to law. Which doing. Was signed: G: Exter. In the margin: Exhibited the 21st of August 1788.
Dutch transcription
7: dog met geen ander gevolg, als by d' Eerste, dat den ged:e voor 't andermaal gesuccombeerd heeft 8. dat den ged„e voorts geresuseerd hebbende, de onkosten der Commissie te betaalen. en daar over voor deezen E: Achtb: raade aange spraaken zijnde. 10. niet minder allerleij uitvluchten heeft gezagt om UE Agtbr: van regt te doen, terug te houden, 11. dog eindelijk ook daar toe gecondemneerd zijnde, 12. om zich op eene andere wijze te wraaken, heeft kunnen goedvinden te Spargeeren en te zeggen. 13. dat de van Bonakker gedaane Commissien onbe„ hoorlijk gedaan en op een Schelmagtige wijze was verricht. 14. Ja dat hij de daar by praesent geweest zijnde persoonen voor schelmen houde 15. dat den ged. e zulks in 't publicque reeds gedeclareerd hebbende, zig eindelijk ook noch heeft durren verstouten, 16. bij rentilatie en decisie van een ander proces in Vergadering van Land Drost en Heemraaden 't zelve te herhaalen 17. met de Expressie, dat den secretaris een Valsche rapport had geschreeven. 18. bedoelende bovengem: Commissie, waar 't dan van zich zelve spreekt. 19. dat den rapport door Commissarissen getekend wordende, dezelve aan eene gepleegde valschheid meede schuldig zijn moesten. 20. dat dan wegens de zeiteratie van deze uitgeslotene inJurie de meergem: Commissie bijgewoond hebbende Heeren Raaden en Secretaris Eindelijk onder den 26. meij 1788. aan deezen wel E: Agtbr: Raade hebbende ge„ addresseerd. 21. en van UEd Achtb: den E: O: Eisscher zynde gelast ge„ worden teegens den gede R:O: naar vereisch, actie te „institueeren, en ingevolge van dien, den ged„e op heeden p:r missive in persoon gedagvaard, en gecompareerd zijnde. 22. den r: O: Eisscher /:onder correctie / vermeend uit de aangehaalde en andere omstandigheeden te kunnen vast stellen. 23. dat den ged„e zig aan atroce injurie op eene verre„ „gaande wijze schuldig gemaakt. 24. Want niet tegenstaande de beide verklaaringen 't request annex ongerolleerd zijn. 25. zo zal dog den inhoud daar van / in rukzigt op de supplianten geroegsaam idem Meritieeren. 17. 26. 9. 2 26. en dezelve verklaaringen alleenig tot Elucidatie geEmploijeerd woreende 27. de zaake aan zig volkomen door 't Extract uit de Swellendamse notuten beweesen en gefondeerd zijn. 28. Voornamentlijk dat de injurie door den ged:e ge„ pleegt is. 29. en wel teegens persoonen in een regterlijk Collegio sittende /:onder de Magistratus behoorende, en haare Heeren en Meesters representeerende 30. dat zij gereitereerd is geworden en laatstelijk geschied ter tijd en plaatse van Vergadering de persoonen in finetie zijnde 31. dus met een waare Animo injuriandi met alle Opzet en vuile quaadaardigheid tot hoon en lastering der voor een ijder heilige Justitie. 32. dat ingevolge dezer en andere omstandigheeden den ged„e in eevenredigheid der wetten tot een Voorbeeld ook zal meriteeren gestrafd te worden. 34. doch deeze straffe bij den wetgeever niet volkamen bepaald zijnde. 35. en dezelve dit geval, gelijk in andere pleegt te geschieden, ook aan 't arbitrium van den onpartijlijke regter overgelaaten blijvt. Aan den WelEAgtbaare Heeren Praesident en raade van Justitie des Cooteels de goede Hoop. WelEdele Achtbare Heer Heeren. mits welke en andere reedenen en middelen in tyden wijlen /: is 't nood:/ nader te deduceeren den R: O: Eisscher Ersch doende, concludeerde, dat bij definitive vonnis van UwEd. Achtb: den ged„e zal worden gecondem„ neerd, om voor den tid van twee achter eenvolgende Jaaren uit dit Gouvernement en diens ressorte gebannen te blijven, met condemnatie des gede in alle kosten en misen kan Justitie, ofte tot alzulke andere poene en Straffen, als UwE Agtbr: bij goede Justitie zullen vinden en oordeelen te behooren. /:was geteekend:/ G: Exter. /:in margine:/ Exhib: den 5. Febr: 1789: Mits Vertoond Vertoond met schuldige Eerbied den ondergetekende pro interim Fiscaal. Dat de Heem laaden van Swellendam d: E: Daniel du plessies en Jan Andries Holzhauser met den Oud Heem raad Jacobus Steijn, en den Secretaris aldaar C: Mense Blankenstein, onder den 26:' Maij Jonstleed: zich p:r request aan deezen E: Achtb: raade hebbende geaddresseerd, uw E Agtbr: over 't pecctum derselven hebben geresolveerd, de zaken te stellen in handen van den prointerim Fiscaal dezes Gouvernements, ten eind teegens den /: in 't gem: request Aangekraagde) Burger Stephanus Faliché, zodanige Actie te in¬ „stitueeren, als zaaks omstandigheeden koomen te vereisschen. zeer Gemerkt dan 't feit, bestaande in eene derre gaande atroce injurie, de bovengem: persoonen in een Collegio sittende en fungeerende aangedaan, en de gesteldheid der zaake en omstandigheeden en exemplaare en naar de wet absolute lijfstraffe zoude insolveeren, die de personeele sisteering van voorschr: sauche nodig maken; zo is den onder geteekende R: O: vertoonder, mits dezen zich keerende tot UwE Achtb: met Eerbiedig verzoek Aan den WelEdelen Achtbaren Heere Johannes Isaac Rhenius, Praesident beneevens den Ed: Achtbaren Rade van Justitie deezes Gouvernements. WelEdele Achtbare Heer! E: E: Achtb: Heeren! om aan den vertoonder E: d: hooggunstig te verleenen Decreet van dagvaerding in persoon per misseve onder 't speegel van deeze E: Agtbr: Raade, op den Burger Stephanus Fauché, om op zeekere te bepaalene dage indeze vergadering te compareeren, ten eende, in cas van voorm: zeer verregaande en atroce injurie aante hooren zodanige Eisch, en conclutie, dan wel versoek, ofte versoeken, als den E: O: Eisscher, ten dage dienende, te raade zal worden te doen en te noemen, daarop te antwoorden, en te procedeeren, als na rechten, 't welk saende. /:was geteekend:/ G: Exter. /:in margine:/ Exhib: den 21. Aug„s 1788. om Pertoonen 1
English
Show with proper respect to Your Right Honourable and Honourable Worships, Your Right Honourable and Honourable Worships' very humble servants, the Heemraden of Zwellendam, Daniel du Plessies, Jan Andries Holtshausen, together with the former Heemraad Jacobus Steyn, and the secretary Menso Blankenstein: How, in the year 1771, by the then Landdrost, the late Mr. Joachim Fredrik Mentz, and commissioned Heemraden, at the request of the parties, an on-site commission was held between the Burgher Stephanus Fauche and his neighbours in a matter of land demarcation, in which the said Fauche, having been unsuccessful, after the departure of the said Mr. Mentz, in the year 1776, addressed himself to his successor in office, Mr. Pieter Diederik Boonacker, alleging that the said commission had not been properly conducted and requesting a new on-site commission. This was granted to him after the said Mr. Boonacker had obtained the preliminary advice of the Honourable Governor; and in the month of November of the same year, the said Boonacker, having co-opted the third petitioner, as having attended the previous commission, carefully examined the circumstances of the dispute, and the matter was decided to the disadvantage of the said Fauche. Yet, as the often-mentioned Fauche was not inclined to pay the expenses incurred in that commission, the last petitioner saw himself compelled, in order to recover the same, to summon him, Fauche, in the year 1779 before this Honourable Council. Whereupon, on the day of the hearing, the often-mentioned Fauche, instead of answering the claim or contesting the same, brought forward by way of exception that he could prove with his papers and statements that the said commissions had not been properly conducted, but that he had handed the same over to the Honourable Governor and was now deprived of them, requesting—notwithstanding the terms for appeal and reformation had long since expired—time until the following month of August in order then to serve as proof. This having been granted to him, it resulted in the said Fauche being dismissed with his proofs on the 27th of that month and condemned with costs to the payment of those expenses, as the minutes and submitted documents kept here at the Secretariat of Your Worships could show. Whereupon the said Fauche saw fit, both in public places and in private gatherings, to defame the petitioners as though the commission conducted by Mr. Boonacker and the petitioners had taken place not properly, but falsely and roguishly, of which, however, at that time no legally sufficient proofs could be obtained. The said Fauche continuing in his calumnies, it happened on 10 April 1786, on the occasion of the auction at the premises of the Widow Abraham de Klerk at the Claas Voogds River, that the often-mentioned Fauche, in public and in the hearing of very many people, reproached the co-petitioner herein, Jacobus Steyn, saying that he, Steyn, together with Holtshausen and du Plessies, had conducted a false and roguish commission, and that he therefore considered them all to be rogues. Whereupon the last petitioner immediately, at the requisition of the said Steyn, obtained the two annexed statements under Letter B, which, having been handed over by the said Steyn to the Landdrost, His Honour judged that the said statements had to be executed upon his requisition; but whether this has occurred is unknown to the petitioner. In any event, as far as the petitioner is aware, no follow-up has occurred thereon to this day, and thus the matter would have lost its legal force through prescription, had he not, on 25 October of the aforesaid year 1787, on the occasion of a certain sentence passed by the Landdrost and Heemraden to the disadvantage of him, Fauche, as appears from the extract from the minutes under Letter C, had the extreme insolence to say in full meeting that the secretary had written a false report, which the last petitioner immediately requested to be entered into the record. Which atrocious injury, although the last petitioner is named therein alone, nevertheless redounds also and indeed principally upon the other petitioners, and as the intention to injure is sufficiently evident from all circumstances, the petitioners, subject to the highly wise and better judgment of this Honourable Council, are of the opinion that those grievous expressions uttered to the detriment of the petitioners in office in a full body can by no means be regarded as a private injury, and being inflicted upon the petitioners in their respective offices and functions, cannot be atoned for by any civil reparation, which, if in accordance with the truth
Dutch transcription
Pertoonen UWelEd: Achtb: en E: E: Achtb„re met behoorlijk respect UwelEd: Achtber en E: E: Achtb: zeer nederige dienaaren, de Heemraaden van Zwellendom, Daniel du Plessies, Jan Andries Holtskausen, beneevens den oude Heemlaad Jacobus steijn, en den secretaris Menso Blankenstein hoe in de Jaare 1771, door den toenmaaligen Land, Drost, wijlen den Heer Joachim Fredrik Mentz, en gecomm: Heemraaden, ten versoeke van partijen Commissie in foco is gedaan, tusschen den Burger Stephanus Fauche, en zijne buuren, in cas van Landscheidinge, waar bij gem: Fauche gesuccembeerd hebbende, na het vertrek van gem: Heer Mentz, in den Jaare 1776, zich by desselfs successeur in officie den Heer Pieter Diederik Boonacker, heeft geaddresseerd, en onder voorgeeven, dat gem: commissie niet behoorlijk was gedaan, op nieuw commissie in loco verzoekende, 't welk aan denzelve, na dat gem: Heer Boenacker het praadvies van den Weled: Gestr: Heer Gouverneur hadde ingenoomen, is geaccordeerd geworden en in de maand November desselven Jaars, door gem: Boonacker met en bereevens den supf zijn de donderde supp„t, als de vorige commissie hebbende bijgewoond, ten dien einde geassumeerd, de gelegenheid van 't verschil nauwkeurig geexamineerd zijnde, die zaak ten nadeele van gem: Feauché gedecideerd Dan Meerm: Fauché niet geneegen zijnde, de in die commissie gevallene onkosten te betaalen, heeft den laatste supplt zich genoodsaakt gezien, ter bekoominge van dezelve hem Fauche, in den Jaare 1770. voor deezen Ed: Achtb: Rade te contenueeren, als wanneer te dage dienen de meerm: Fauché, in plaats van op den Eisch te antwoorden, ofte denzelve te debatteeren, excipieerende bygebragt, dat hij met zijne papieren en verklaaringen konde bewijzen, dat gem: Commissien niet behoorlijk waren gedaen, edog dat hij dezelve aan den Edele Heere Gouverneur, hadde overgegeeven, en daar van als nu gecrusteerd was, verzae„ kende, niet tegenstaande de termeijnen van Appel en reformatie, reeds lange overstreeken waren doch in de volgende maand August, omme als dan te dienen van bewijs, 't ggeen aan denzelve geaccordeerd geworden zijnde, van dat gevolg geweest is, dat maarm: Fauche op den 27 dier maand, met zijne bewijzen is afgeweezen, en cum Expensis tot de betaalinge dier onkosten gecondemneerd, gelyk de alhier ter Secretarije van UEd: Achtb: berustende Angtaalen en overgelegde documenten zoude kunnen Uijtwijken nadeele Waar Waar na Gem: Fauche heeft kunnen goed en den zoo op publicque plaatzen, als in particuliere ge„ selschappen, de supp„ltn te traduceeren als of de Commissie door den Heer Boonaeker en de suppl„te gedaan, niet behoorlijk, maar valsch en sekelmagtig was geschied, waar van echter dies tijds geen in rechten voldoende bewijsen waren te bekoomen, Dat gem: Faucke in zijne caluminien voort vaarende is het op den 10 April 1786. bij gelegenheid der Vendutie, ter plaatze van de Wed„e Abraham de Rouse, aan de Claas Voogds rivier, geëxteerd, dat Meerm: Fauche aan den meede supp:t: in deezen Jacobus Steijn, in 't openbaar ten aanhooren van zeer veele menschen, heeft terweeten, dat hij steijn beneevens Holtshausen en du Plessies eene valsche en schelmagtige commissie hadden gedaan, en penl: over zulks allen voor schelmen was houdende, waar op den laatsten supp„t terstond ter requisitie van gem: Steijn, de twee hier neevensgaande Verklaeringen sublden 13: heeft ingewonnen, dewelke ) daer Maerm: Steijn aan de Heer Land Drost, zijnde ter hand gesteld, oor„ deelde zijn Ed: dat gem: verklaaringen ter zijner requisitie moesten worden gepasseerd, dan of zulks is geschied is den supp„lt onbewust, immers is daar op tot heeden, zo veel den supp„t bekend is, geen vervolg gevallen; en dus de zaak haar scherpheid van rechten gepraescribeerd zoude zijn, zoo niet op den 25 Oct: des voors: jaars 1787. bij gelegenheid van zeker vonnisse door den Heer Land Drost en Heemraaden ten nadeele van hem Fauché geslagen, blykens Extract uit de notulen sub L:a C: hyj de verregaande brutaliteit had gehhad, van in volle vergadering te zeggen, dat de se„ cretaris een valsch rapport had geschreeven, het welk den laatsten supp„t terstond verzogt heeft, dat ad natam magte worden genomen Welke atroce injuria schoon den laatsten suppl:t daar en alleenlijk is benoemd, echter op de overige supp„t meede en wel principaal is redundeerende, en uit alle omstandigheeden den animus in Juriandi genoegsaam is blijkende, zo zijn de supp=t / behoudens het hoog wijs, beter oordeel van deezen Ed: Achtb: Rade / wan gedagten dat die grievende expressie ten nadeele van de supplt in officio in een vol College geuit, geenzints voor een particuliere inzurie kunnen worden aangemerkt en als de supptn. in hunne respective ampteren bedie¬ ningen aangedaan, door geen civile beteringen kunnen worden geooffend, als welke bij aldien, Anform de Aem waarheid
English
were true, which is not the case, the petitioners would not only be dismissed from their offices as perjurers, but criminal procedures could also be initiated against the petitioners, and therefore, for the maintenance of the petitioners' honor and good reputation, should be extraordinarily corrected, regarding which, however, the Lord Landdrost seems to hesitate, and the petitioners are not authorized, the petitioners take the liberty most humbly to turn to Your Honorable and Most Honorable Worships with a submissive request, to the end that by decree of this Honorable Council the Lord Landdrost may be qualified thereto, or if necessary ordered, or that this matter may be placed in the hands of the Fiscal office, in order to proceed against the said Faucké as the circumstances of the case shall require, which doing, etc., was signed: Daniel du Plessies, F: A: Holtshausen, P: Steijn, M: Blankensteijn. Today, 10 April 1786. Appeared before me, Menso Blankstein, Secretary of the Colony of Zwellendam, in the presence of the after-mentioned witnesses, the Burgher Abraham Cilliers, of competent age, who, at the requisition of the Former Heemraad S:r. Jacobus Steijn, declared to be true: That the deponent was present today and heard that the fellow Burgher Stephenuw Exhibited in Court on 26 May 1786. The apostil was: The Council, having read this petition and having taken the reasons set forth therein into close consideration, places this matter in the hands of the pro interim Fiscal of this Government in order to institute such action against the Burgher Stephanus Fauché as the circumstances of the case may come to require. Below: By order of the Honorable Lord President and the Honorable Council of Justice of this Government, was signed: C: van Aerssen, Secretary. Below stood: Agrees. Was signed: W W Rijneveld, 1st Clerk. Fauche Frauché, said in substance to the applicant that the entire Boonacker affair, where Daniel du Plessies, Jacobus Steijn, and Jan Andries Holtshausen were present as Heemraden, was a roguish commission, and that he considered them all to be rogues. That the said Fauché had also said that he would cut anyone who struck him a blow so that his guts would hang over his shoes, at the same time striking the pocket in which his knife was. Declaring nothing further, the deponent gives as reasons for knowledge as in the text, offering to confirm the same by solemn oath. Below stood: Thus done at the place of the Burgher Gabriel Le Roux, in the presence of the said Le Roux and Simon Fredrik Ackerman, as witnesses, who duly signed the minute hereof along with the deponent and me, the Secretary. Below stood: Which I witness. Was signed: M: Blankstein, Secretary. Lower: Agrees. Was signed: V: B Ruyneveld, 1st Clerk. Today, 10 April 1786. Appeared before me, Menso Blankstein, Secretary of the Colony of Zwellendam, in the presence of the after-mentioned witnesses, the Burgher Jacobus Thus done at the place of the Burgher Gabriel Le Roux, named Goede Moed, situated on the Claas Voogs River, in the presence of the Head Master Frans Sommer and the Burgher Gabriel Le Roux, as witnesses, who the minute hereof along with Stephanus Brouwer, of competent age, who at the requisition of the Heemraad, S:r Jacobus Steijn, the elder, declared to be true: That the deponent was present today at the public auction at the place of the widow Abraham Le Roux, and heard that the fellow Burgher Stephanus Fauche said in substance to the applicant that the entire commission of Boonacker, in which Plessies, Steijn, and Holtshausen took part and acted as Heemraden, had been a roguish Commission, and that he considered the above-mentioned persons to be rogues, and that the said Fauché furthermore had said that he would cut the first person who struck him a blow so that he would never see daylight again, at the same time patting his pocket. Declaring nothing further, the deponent gives as reasons for knowledge as in the text, offering to confirm the same by solemn oath. Below stood: Stephanus the
Dutch transcription
waarheid waaren, (des neen:) de supp„t niet alleen als meeneedig, insaam van hunne bedieningen zouden doen deporteeren, maar ook teegens de supplt. Crimineele proceduures kunnen geëntameerd worden, en dus ter maintien van der supp„lte Eeren goede daraon Extra„ ordinaire, gecorrigeerd dienden te worden, waaromtrend echter den Heer Land Drost, Schint te hresiteeren en de supplianten niet bevoegd zijn, zo neemen de supp„r de vrijheid zich aller ootmoedigst te werden tot uwelEd: Achtb: en E: E: Achtb: met submis verzoeke. ten einde bij decreete van deezen Ed: Achtb: Rade den Heer Land Drost daar toe mogen worden ge¬ „qualificeerd, dan wel des noods ge„ ordonneerd ofte dat deeze zaak in handen van het officie Fiscaal mooge worden gesteld, ten einde teegen Meerm: Faucké zodanig te procedeeren, als de Omstandigheeden van zaken zullen vereisschen (onder stond:/ 't week doende &c: (: was geteekend:) Daniel du Plessies F: A: Holtshausen, P: Steijn, M: Blankensteijn. Huiden den 10 April 1786. Compareerde voor mij Menso Blankstein Secretaris ter Colonie Zwellendam, praesent de nagen: getuigen, den Burger Abraham Cilliers, van Competenten ouderdom, dewelke ter requisitie van den Oud Heemraad S:r. Jacobus Steijn, verklaarde hoe waar is. Dat den Comp:t op heeden praesent geweest is, en gehoord heeft, daat den meede Burger Stephenuw /:beziden het hoofd stond:/ Exhibitum in Judicio den 26 Maij 1786. /:d'apostille was:/ De Raad, dit request geleegen ende daar bij ter neder gestelde motiven in naauwe overweeging ge„ nomen hebbende, steld deeze zaak in handen vone den pro interim Fiscaal dezes Gouvernements ten einde teegens den Burger Stephanus Fauché, zodanige actie te institueeren, als 's zaaks omstandigheeden komen te vereisschen. /:lager:/ ter ordonn: van den E: Achtb: Heer President en den E: Achtb: Rade van Justitie dezes Gouverneurt /:was geteekend:/ C: van Aerssen Secrets /:onderstond:/ Accordeerd. /:was geteekend:/ W W Rijereld. & Clercq. bezijden Fauche Frauché, substantieel teegens den reqt gezegd heeft, dat de gantsche van Boonaeker, waar Daniel du Plesssies Jacobus Steijn, en Jan Andries Holtshausen, als Heem raaden preesent zyn geweest, een schelmagtige commissie was, en dat hy haar allen voor schelmen was houdende. Dat Gem: Franche noch gezegd had, dat hij die hem een slag gaff, zousnuden, dat hem de qaamen op de schoen hingen; teffens op de sak, waar in zijn mes was, slagende. Niets meer verklaarende geeft de Compt: voor redenen van weetenschap, als in den text, met praesentatie, 't zelve met solemneele Eede te staaven. /:onderstond:/ Aldus gepasseerd ter plaatse van den Burger Gabriel Le Roux, ter praesentie van gem: dle Rouxe, en Simon Fredrik Ackerman, als getuigen, die de minute deezes, beneevens den Comp:t ende mij secretaris, meede behoorlijk hebben ondertreekendd, /:onderstond:/ 't welk ik getuige. (:was geteekend:) Mr: Blankstein seer:s /:lager / Accordeerd. /:was geteekend:/ V: B Ruyneveld gClercq./— Hueden den 10 April 1786. Compareerde voor my Menso Blankstein, Secretaris der Colonie Zwellendam, praesent de nagenoemde getuigen, den Burger Jacobus Aldus gepasseerd ter plaatze van den burger Gabriel Le Roux, gen„t goede Moed, geleegen aan de Claas Roogs Rivier, in 't bijweesen van den Oppermeester Frans Sommer, en den Burger Gabriel Le Roux, als getuigen, die de minute deezer, beneevens Stephanus Brouwer van Competenten ouderdom, dewelken ter requisitie van den Heemraad, s:r Jacobus Steijn, d'oude, verklaarde, hoe waar is. Dat den Comp„t op heeden praesent is geweest op de vendutie, ter plaatze van de wed„e Abraham Le Roux, en gehoord heeft, dat den meede Burger Stephanus Fauche, teegens den requirant substantueel gezegd heeft, dat de gantsche commissie van Boonacker, daar Plessies, Steijn, en Holtshausen, by zijn geweest, en als Heemlaaden meede gedaan hebben, een schelm„ agtige Commissie was geweest, en dat hi de bovengem: persoonen door schelmen was houdende, dat den gem: Fiauché boven dien gezegd had, dat hij den Eersten, die hem een slag gaff, die snijden zoude dat hij nooijt geen dag zon zien teffens op zijn sak kloppende, iets meer verklaarende, geeft die Compt: voor reedenen van weetenschap, als in den text met praesentatie, 't zelve met solemneele Eede te staaten. /:onderstond:/ Stephanus den
English
Extract from the Minutes held at Swellendam, Thursday the 25th of October 1787. Heemraad Meeting, present the merchant and Landdrost, Mr. Constant van Nult Onkruijdt, President, and all the Members, except the Honorable Pieter Daniel du Plessies, Jan Andries Holtshauzen, and Gabriel Le Roux, due to indisposition. The court messenger Jacob van Antwerpen, as special proxy of the Burgher Jan Theunis Muller, plaintiff in his capacity, producing to establish his representation a special power of attorney dated 11 February 1784 executed before the then sworn Clerk at the Secretariat of Justice, Mr. Hendrik Lodewijk Bletterman, and witnesses, acting on behalf of the principal Plaintiff against the Burgher Stephanus Fauché, defendant, to hear demands and conclusions for the payment of the sum of One Hundred guilders Indian valuation, being the amount the defendant owes to the principal Plaintiff for the relocation of a water ditch, with costs. Presenting and delivering an Extract from the report of the inspection on the dates 25 and 26 November 1776 between the principal Plaintiff and the defendant made by the Landdrost Pieter Diderik Boonacker and commissioned Heemraden, reading as follows: That between the place of Fauché and Muller a distance of sixteen to seventeen hundred paces was found according to the statement of the parties, running across between the same at three hundred and fifty paces from the house of Muller the watercourse of Fauché, he Fauché claiming to be permitted to graze the field up to the said watercourse. Against which Muller requested half of the field, and also that the watercourse might be relocated and brought across the land of Fauché, because if it remained there, Muller was prevented from creating cornland thereby, or if it were already created, from being able to irrigate it. Whereupon the often-mentioned Fauché answered in a insolent manner that he could not possibly lead the water out of the river at any other place, and he therefore had to keep the watercourse at the place where it was presently running. Regarding which impossibility, it was proposed by the undersigned Landdrost and Heemraden to the often-mentioned Fauché that they would have the same made at his expense, or that he should contract it out to the frequently cited Muller, who likewise saw little difficulty in it, which the latter said he was indeed willing to undertake; demanding for putting in order that watercourse deemed impossible by Fauché, to the great surprise of the undersigned, no more than One Hundred guilders Indian valuation, which small sum at first still seemed much too high to the frequently mentioned Fauché, but he was finally persuaded to it with much difficulty. Thus the undersigned are of the opinion that the watercourse between the two litigating parties will need to be made at the distance of eight hundred paces from the house of the often-mentioned Muller, which 800 paces were also paced off by the messenger, where each of them both should haul a load of stones for a beacon, and that the often-mentioned Muller shall bring the watercourse along the river or across his land up to the established boundary, and from there across the land of Fauché into the old ditch for the demanded One Hundred Cape guilders. At the bottom was written: Agreed, in so far as the extracted text matches the authentic copy resting here at the secretariat. Was signed: M: Blankstein, Secretary. The plaintiff in his capacity added in further support of his claim that the principal Plaintiff complied with the Ruling made by the Landdrost and Commissioned Heemraden and constructed the frequently mentioned watercourse in conformity with the same, and also hauled the stones to the designated place, in which latter duty the defendant had until now remained in default; wherefore he, the plaintiff in his capacity, requested that his claim might be adjudicated to him. The defendant says in response that he does not want to pay because the petitioning plaintiff, by relocating the ditch, which was three hundred and fifty paces away from the house of the principal Plaintiff, has stolen four hundred and fifty paces of his land away from him, producing in support of his statements two private declarations stating that they, the deponents, measured four hundred paces from the designated spot that the commissioners ordered to Muller, and that Muller made the water ditch four hundred paces closer to Fauché. The Appearer and I, the Secretary, have also duly signed. At the bottom was written: Which I witness. Was signed: M: Blankstein, Secretary. Lower: Agreed: Was signed: W: S: v: Rijneveld, sworn Clerk.
Dutch transcription
meerende met eene ged„e omme te hooren Eijsschen en Bletterman en getuigen concludeeren, tot betaling van de somma gepasseerd, dood Eisch van Een Honderd guldens indische dit in praesentatione, en valuatie, zijnde zo veel den ged„e over't leeverd over een Extract verleggen van een watersloot aan den uit het rapport van de p=r t Eijss:r debet is met de kosten. in datis 25 en 26 Novb: 1776. tusschen den pp„le Eijss:r en den ged:e door den Heer Land Drost Pieter Diderik Booracker en gecomm: Steemhaade gedaan, luidende, als volgt. Dat tusschen de plaatze van Fauché en Muller een distantie van Donderdag den 25 October 1787. sestien a Seventien honderd treeden, naar 't zeggen van partijen wierd Heem raads Vergadering, praesent den koopman bevonden, loopende dwars tusschen dezelve door op drie honderd en en Land Drost de Heer Constant van Nult Vijftig treeden van het huijs van Muller of de waterleidinge van Onkruijdt, Praesident, en alle de Leeden, except, Haucht, pretendeerende hij Fauché 't veld tot aen gen: Waterloop d' E: P:r Daniel du Plessies, Jan Andries te mogen beweiden. Waar en tegen Muller de helft van 't Holtshauzen, en Gabriel Le Roux, bij indispositie deld verzogt, en teffens, dat de waterleeding verlegd, en over 't Land van Fauché mogt gebragt worden, vermits dezelve daar Den gerechts bode Jacob blijvende, Bij Möller daar door belet wierd koornland te den qq: Eijss:r zich legiti„ van Antwerpen, als Speciale maken, of zo het al gemaakt was, te kunnen bevochtigen, waarop gemachtigde van den Burger Meermel: Fauché, op eene brutale wijze ten anthoord gaff, dat dato 11 Feeb: 1784. voor Jan Theunis Muller, qq: den toenmaaligen gezw: hy het water onmogelijk op eene andere plaatze uit de rivier Clercq ter Secretarije konde uitleeden, en hij over zulks den waterloop moest behouden, den Iustitie de Heer ter plaatze, alwaar dezelve thans was loopende den Burger Stephanus Fauché Hendrik Lodewijk Bletterman speciale procuratie in Eessr. Extract uit de Notulen gehouden tot Swellendam, den Comp„t en mij Secretaris meede behoorlijk hebben onderteekend, /:onder stond :/ 't welk ik getuige /:was geteekend:/ M: Blankstein, Secret„s /:/lagers/ Accordeerd: /:was geteekend:/ W: S: V: Rijneveld g: Clercq: ged:e omtrend op omtrend welke onmogelijkheid, door den onderget: Land Drost en Heemraaden, aan Meerm: Hauché wierd voorgeslaagen, dat zij dezelve ten zijnen kosten zoude laten maken, of dat hij zulks aan meer geciteerde Mullen, die en insgelijks weinig zwarigheid in zag, aan zoude besteeden, 't geen dezelve zeidde wel te willen aanneemen; Eisschende voor het in order brengen van die, bij Frauché onmogelijk geachte waterleidinge tot groote verwondering van de ondergesz: niet meer deen Een honderd guld:s J: V: welke geringe somma dikwils gen: Fauche eerst noch veel te hoog scheen, doch daar toe met veel moeijte eindelijk wierd overgehaald, dus de onderget: vermeenen, dat de Waterloop tusschen de twee uitigeerende partijen zal dienen te worden gemaakt op de distantie van acht zonderd treeden van het huijs van Meerm: Muller, welke 8o0 treeden dan ook door den boode zijn afgetreeden, alwaer ieder van senl: beide een vracht klippen tot een baken zoude rijden, dat meerm: Muller de Water¬ leiding langs de rivier of over zijn land, tot aan de gemaakte Scheiding en van daer over 't Land van Fauché in de oude slaat voor de geuischte Een honderd Caatesche guldens zal brengen, /:onder stond:/ Accordeerd, voor zoo verre het geExtraheerde met de alhier ter secretarije berustende authentiecque Copie /was geteekend:/ M: Blankstein Secret„s Voegende den 99: Eisscher, tot verdere staving dan zijnen Eisch er bij, dat de pp„lo Eijss:r aan de Uitspraak van den Heer Land Drost en Gecomm: Heem raaden gedaan, en meerm: waterleiding conform dezelve gemaakt, mitsg„s de klippen, ter aangeweezen plaatse gereeden hebbende /in welk laatste den ged:e tot noch in gebreeke was gebleeven, hij gq. Eijss:r over zulks verzogt, dat zijnen Eisch aan hem mogt worden geeadjudiceerd. Den ged„e voor antwoord zegt, dat hy niet wil betaalen, om dat de suppl„te Eijsschen door 't terleggen van de sloot, die drie honderd en Vijftig treeden van't huis van den pp„le Eisscher afgeweest is, hem vier honderd en vijfftig treeden van zijn Land heeft weg gestoolen, produceerende tot staavinge van zijne gezegdens twee onderhandsche verklaaringen, dicteerende, dat zij L: dep sten afgegaan hebben op vier honderd treeden van de be„ stemde plek, die de gecomm:s aan Muller geordonneerd hebben, en dat Muller de watersloot vier honderd treeden nader na Faucké gemaakt heeft. Caabsche Ten
English
The said Plaintiff, in reply, acknowledges that the new water ditch was made 40 to 50 paces closer to the Defendant, and therefore in conformity with the ruling of the Landdrost and the appointed Councillors, and persists in his claim. The Defendant, in rejoinder, persists in his response; the parties renounce further submissions. The Landdrost and Heemraden, having considered the matter, administering justice in the name and on behalf of the High and Mighty Lords States-General of the United Netherlands, condemn the Defendant Stephanus Fauché to pay to the principal Plaintiff the sum of one hundred guilders Indian valuation, with costs. On the occasion of which ruling the aforementioned Stephanus Fauché, declaring himself intending to request commissioners from the Honourable Council of Justice for the decision of the dispute between him and the Citizen Martinus Godofridus Dioskij, because the Secretary had written a false report, which the Secretary requested to be noted in the minutes. Below stood: Thus done and sentenced in Swellendam in the meeting aforesaid, day and year as above. Below stood: In my presence, was signed: M. Blanksteijn, Secretary. Lower: Agreed, was signed: W. I. V. Rijneveld, clerk. Criminal claim and conclusion, drawn up and submitted to the Honourable Council of Justice of this Government by the Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lijnden, Officer of Justice, Plaintiff in a criminal case, of the one part; against Cassiem of Batavia, bondservant of the Citizen Jacobus Johannes van den Berg, prisoner and defendant in the aforesaid case, of the other part. J. H. O. J. J. Rijneveld Peeren 8 Agreed. Article 1. And he caused to be stated: 2. that the prisoner and defendant, on the 3rd of the past month of May in the evening, having left the house of his master, 3. proceeded to the street in which the house of the citizen Coenraad Luit is situated, Article 4. in order to wait there for a certain slave belonging to him, Luit, named Jek of Batavia, 5. who, according to the statement of the prisoner and defendant, by means of soothsaying had declared the prisoner and defendant guilty 6. of the theft of a garment missing from the master of the prisoner and defendant. 7. That the prisoner and defendant, having lingered for some time near the house of the aforesaid Luit, saw the above-mentioned Jek arriving, 8. and to the same, after having asked him whether he was Jek, and having received the answer Yes, 9. dealt a stab with a knife beneath the right breast; 10. whereupon the prisoner and defendant went away from there and proceeded to the prison into custody. 11. The wounds inflicted upon the aforementioned Jek having been found to be not at all mortal, 12. and he, Jek, also truly recovered completely after some time, 13. and, entirely restored, appeared in person before the commissioner Gentlemen from these Honourable Councils to confirm his given statement. Article 14. As this all further appears, 15. both from the Surgeon's Certificate and further sworn and confirmed depositions annexed hereto, 16. and from the answers of the prisoner and defendant to the interrogatories presented to him; 17. according to which it is placed beyond all doubt, 18. not only that the prisoner and defendant is the perpetrator of this deed, 19. but also that he truly committed the same with an animus occidendi and an intent to deprive Jek of his life. 20. The Officer of Justice, Plaintiff, therefore holding the act and the intent as proven, will now only briefly examine 21. what punishment the prisoner and defendant has incurred for this. 22. Prior to this, however, the Officer of Justice, Plaintiff, must remark 23. that, just as it is the duty of a judge not only to impose the well-deserved punishment upon the guilty and to acquit the innocent, 24. but also that they, when someone has not incurred a specific punishment and yet has committed something blameworthy, Article 25. punish such a person according to the circumstances, 26. and follow the middle course as much as possible; 27. so on the other hand it is the duty of a prosecutor 28. that he not be driven by a principle of bloodthirstiness, 29. whereby all that can ever be devised to the charge of an accused is painted with the darkest colours; 30. but that he, on the contrary, with the aggravating circumstances stated truthfully, in such a manner that he in good conscience believes 31. can contribute 32. to exempting the accused from the ordinary punishment, 33. especially when this would have to result in the death of the accused. 34. These are truths, Honourable Gentlemen, upon whose practice depends the preservation of those sacred things 35. which our supreme rulers have entrusted to the subordinate judges to uphold, Article 36. and whose neglect drags society to ruin. 37. Not only Citizens, not only the free, but also those 38. upon whom the unhappy fate has fallen to exert their strengths for the benefit of their fellow creatures 39. and at their pleasure, 40. they too, Honourable Gentlemen, must be reckoned among those 41. whose safety and happiness are entrusted to your hands. 42. A broad field would lie open for the Officer of Justice, Plaintiff, to tread, 43. if he, to demonstrate the proportionality of the punishment incurred by the prisoner and defendant, 44. wished to enter into a philosophical investigation; 45. yet he holds himself convinced that the statement of those circumstances 46. which ought to come into consideration by the Judge, 47. joined with the determination of general custom, will be sufficiently capable 48. to be able to conclude regarding the punishment incurred by the prisoner and defendant. 49. It is, according to the Roman laws, especially in the subject case, certain 50. that the will or attempt to murder someone, though without effect, must be punished with death. 51. and whose
Dutch transcription
Den 99: Eisscher door replieq: bekend: dat de nieuwe water sloot 4o50. treeden nader na den ged:e en dus conform de uitspraak van den Heer Land Drost en gecommde Heeren raaden gemaakt is, en persisteerd by Eisch Den ged„e voor duplieq persisteerd bij antwoord, par„ thijen renuntieeren van verdere productien. Den Heer Land Drost en Heemraaden, na Overweginge van zaaken, recht doende uit naam ende van weegens de Hoog Mog: Heeren Staaten generaal der ver Eenigde Nederlanden, condemneeren den Gede. Stephanus Fauché om aan den 4p„le Eisscher te betalen de somma van een Honderd guldens indische valuatie, met de kosten. Bij gelegenheid van welk vormisde den voorm: Stephanus Fauché, zich declareerende gecomms. uit den Ed: Achtb: Rade van Justitie ter decisie van het verschil tusschen hem en den Burger, Martinus Godofridus Dioskij te willen versoeken, wijl den Secretaris een velsch rapport hadde geschreeven, 't geen den Secretaris verzogt, dat ad Notaris mogt genomen worden. /:onder stond:/ Aldus gedaan en gevornist tot zwellendam in Vergadering voorm: dief et anno, uot supra (onderstond: my praesent /was getekend:/ M: Blanksteijn Secrt:s /: lager:) Accordeerd /was getekend:/ W: I: V: Rijnezeld. 9: Clercq. — Artic: 1 Ende dede zeggen; 2 dat de gev: en ged: op den 3 der gepasseerde maand Maij s'avonds uit het huijs van zijnen Lijfheer gegaan zijnde, 3 zich begeven heeft naa de straat, waar in het huijs van den burger Coenraad Luit gelegen is. Cassiem van Batavia, Lijfeijgen van den Burger Jacobus Johannes van den Berg, gev: en ged: in 't voorsz: cas ter andere zijde Crimineele Eisch ende conclusie, gedaan maaken, en aan den Edelen Achtb: Raade van Justitie deeses Gouvernements overgegeven, door den Independent Fiscaal Johan Nicolaas Steven van Lijnden R:O Eisscher in cas crimineel ter eenre contra J. H. O. J J Rijneveld Peeren 8 Accordeerd. Artij: 4. ten einde als daar op te wagten zekeren aan hem Luit toebehoorenden slaaf in naame Jek van Batavia, 5. welke volgens des gev: en ged: opgaaf door waarzeggerije hem gev: en ged: zou hebben schuldig verklaard, 6. aan het steelen van een bij des gev: en ged: Lijfheer vermist kleedje. 7. dat de gev: en ged: bij het huijs van voorn: Luit eenigen tijd vertoeft hebbende, heeft zien aankoomen bovengemelde Jek¬ 6 8. en aan denzelven, naa hem gevraagd te hebben, of hij Jek was ? en ten antwoord bekomen te hebben van Ja, 9. een steek met een mes onder de rechter borst heeft toegebragt: 10. waarop de gev: en ged: van daar is gegaan en zich naar den tronk in hegtenis heeft begeeven. 11. zijnde de aan meerm: Jek toegebragte wonden bevonden in 't geheel niet dode„ =lijk te weezen, 12. en hij Jek ook revera naa eenigen tijd wederom volkomen gereconvalisceert, 13. en tot het recolleeren van zijn gegeven relaas geheel hersteld in perzoon verscheene voor Heeren gecommitt=s uit deese Edele Achtb: raaden. zo als dit een en ander nader consteerd, Artic: 14. 15„ zoo uit het Chirurgicaal Attest en ver„ =deren beëedigde en gerecolleerde verklaa„ =ringen ten deese geannexeerd, 16. als uit des gev: en ged: responsiven op de aan hem voorgestelde vragpoincten; 17. volgens welke buiten allen twijffel gesteld word, 18. niet alleen dat de gev: en ged: is de daader van dit fijt; 19. maar ook dat hij het zelve waarlijk ge„ „pleegt heeft met een animus oridenti en een opzet om Jek van het leven te berooven. 20. Den R: O. Eijscher zal derhalven, het fijt en de wille voor bewezen houdende, noch alleen kortelijk gaan ondersoeken, 21 welke strafe den gev: en ged: daarover heeft geincurreerd! 22. Vooraf evenwel moet de R. s. Eijscher remorqueeren, 23 dat, gelijk het de plicht is van een rechter, niet alleen dat hij aan schul„ =digen de welverdiende straffe opleggen en de onschuldige vrijspreeken; 24. maar dat zij ook, wanneer iemand niet in eene bepaalde straffe is vervallen, voor en en nogtans iets strafwaardigs heeft bedreeven Artic: 25. den zodanigen naar gelang der omstan„ digheeden straffe 26. en zoo veel mogelijk is den middel weg bewandelen; 27. het ook van den anderen kant de plicht is van een beschuldiger 28. dat hij niet gedreven worden door een begindel van bloedderstigheid, 29. waar door al 't geen ten lasten van een beschuldigden maar immers kan worden uitgedagt, met de zwartste verwen worden afgemaalt; 30. maar dat hij in tegendeel bij de ver„ zwaarende omstandigheeden, naar waerheid opgegeven, dat geene voege, dat hij in goede concientie vermeent 31. te kunnen medewerken, 32. tot het onttrekken van den beschuldigden aan de gewoone straffe 33. vooral wanneer dese des beschuldigdens dood ten gevolge zoude moeten hebben. 34. dit zijn waarheiden, Edele en Achtb: Heeren, van welker uitoeffening de bewaa„ =ring afhangt van dier heiligdommen, 35. Welke onze oppergebieders aan de onder„ =geschikte rechters ter handhaving hebben aanbevoolen Artic:s 36: en wier verwaarlozing de maatschappij ten verderse sleept. 37. Niet alleen Burgers, niet alleen vrije, maar ook zij 38. aan welken het ongelukkig lot is te beurt gevallen van ten nutte hunner mede schepzela 39. en naar derselver welgevallen hunne kragten te moeten inspannen, 40. ook zij, Edele en Achtbaare Heeren, moeten gerekend worden onder die geenen, 41. wier veijligheid en geluk in uwe handen zijn aanbetrouwd 42. Een ruijm veld zou er voor den R. O. Eijscher te bewandelen zijn, 43. indien hij tot betoog van de evenredigheid e der straffe door de gev: en ged: geincurreerd, 44. in een wijsgeerig onderdoek wilde treden: 45: doch hij houd zich overtuigd dat de opgave van die omstandigheiden. 46. welke bij den Rechter in consideratie behooren te komen, 47. gevoegd bij de bepaling van 't algemeen ge„ =bruik, genoegzaam in staat zullen zijn, e 48. omme tot de door den gev: en ged: geincurreerde straffe te kunnen Concludeeren. 49. Het is volgens de romeinsche witten vooral„ in cas subject, zeker, 50. dat de wille of Conaties om iemand te vermooden, schoon zonder uitwerking, met de dood moet worden gestraft. en wier 51
English
Article 51. See 35 J. de publ: Jud: and L 7 ff ad L. corn: de sicariis, in which latter law it is explicitly stated: 52. In lege cornelia dolus pro facto accipitur. 53. Yet, when Your Honors consult our contemporary Doctors of Law on the matter, they will find, 54. that the general opinion of the largest and most notable part of these entirely diverges from the provision made in that 7th Law, 55. and that these legal scholars establish as something indubitable 56. that the intention to murder someone, if it has had no effect, is not sufficient 57. to be able to punish the perpetrator with death, 58. and with reason; 59. for (Your Honors please judge for yourselves) in such a case there would indeed be no distinction 60. between the intent and a crime that has had full effect; 61. which would be absurdity itself. 62. Ant: Matthaeus de crim: Lib: 48 Tit. 5 Cap 3 N. 11 expresses himself among others in this emphatic manner on the subject: Article 63. one must in such cases respect divine providence and mercy, which, by preventing the intent from being fully realized, seems to have wished to care as well for the preservation of the criminal as for the life of the offended or injured party. 64. add Sande dec: Lib. 5 tit 9 def. 11 and Barels Crim: adv: 13. 65. with which latter an entire list of distinguished Doctors of Law is to be found, who all contend 66. that nowadays the intent or attempts must not be punished as a consummated crime. 67. Theologians also seem to agree in these terms, when they restrict the Holy Scripture passage Exod: 21 V: 14 to a case 68. in which death has actually followed after the attempt. 69. And it is on the grounds substantiated up to here that the Officer Plaintiff, subject to correction of opinion, is convinced 70. that the prisoner and defendant cannot or ought not to be punished with a capital punishment: 71. especially when Your Honors please remark that Article 72: that when one examines the case in question accurately, 73. a well-founded presumption arises that the above-mentioned Jek, by his fortune-telling, gave cause to the case in question, 74. and caused a passion to be born in the prisoner and defendant, 75. which, it is true, according to the principles of our religion can never be regarded as a lawful motive for our actions, 76. but by which everyone nevertheless feels internally driven, 77. as soon as he is treated in an unlawful manner by his fellow creature. 78. If one now adds to this that the prisoner and defendant, born and raised in slavery, 79. has never received any instruction in the principles of the Christian Religion; 80. and thus, according to the notions of his blindness, perhaps regards vengefulness not only as not contemptible, but even as a noble passion, 81. as this can not groundlessly be inferred from the demeanor 82. maintained by the prisoner and defendant during his respective interrogations, Article 83, from the calmness and steadfastness that accompanied his arguments on those occasions, 84. and from the motives that prompted him to surrender himself voluntarily into custody; 85. all of which demonstrates a frame of mind entirely free of any anxiety or remorse over a committed transgression: 86. then the Officer Plaintiff trusts that Your Honors will easily comprehend with him 87. that the prisoner and defendant, however much he repeatedly stabbed the said Jek with the intent to murder him, 88. is nevertheless otherwise averse to villainy, 89. and that one can also rightly say in his regard with a certain Roman Jurist: 90. Justo dolori est ignoscendum. 91. The Officer Plaintiff nonetheless found these reasons not compelling enough 92. to acquit the prisoner and defendant of the poena mortis proxima; 93. because he, the prisoner and defendant, 1st, has actually transgressed with intent, 94. and 2nd, the motive of his actions cannot be regarded as lawful among us, 95. such that the prisoner and defendant could be absolved from the punishment established by general custom in the subject case. No. 2 By which and other means, (if necessary) to be deduced further, the Officer Plaintiff, taking action, concluded that the prisoner and defendant shall be condemned by definitive sentence of Your Honors, to be brought to the place where one is accustomed to carry criminal sentences into execution, and there, being delivered to the executioner, fastened to the gallows with the rope around the neck, to be severely whipped on the bare back and thereafter branded: that he, the prisoner and defendant, shall further for the time of his life be confined to Robben Island, to labor there on the public works, being riveted in chains: with condemnation in the costs and expenses of Justice, or to such other punishment as Your Honors, in good Justice, shall judge to be appropriate according to the measure of the crime committed by the prisoner and defendant. Account given in the presence of the undersigned Commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, by the slave Jek of Batavia, belonging to the burgher Coenraad Luit, of competent age, and at the requisition of the Honorable Independent Fiscal of this Government, Johan Nicolaas Steven van Lynden, the same reading as follows. was signed: I: N: S: Van Lynden. in the margin: Exhibited in Court the 6th of August 1789.
Dutch transcription
Artij: 51. Vid: 35 J. de publ: Jud: & L 7 ff ad L. corn: de ficar: in welke laatste wet uitdrukke„ =lijk gezegt word: 52. Jn lege cornelia dolus pro facto accipitur. - 53 Doch, wanneer UE: E. Achtb: er onze Leden„ =daagsche Rechtsdoctoren over naleezen, zullen dezelven bevinden, 54. dat het algemeen gevoelen van 't grootste en notabelste gedeelte van dezen geheel als een is van die bij die 7. Wetten gemaakte bepaaling, 55. en dat die rechtsleeraren als iets ontwijf„ =filbaars stellen 56. dat het opzet om iemand te vermoorden, indien 't zelve geen effect gehad heeft, niet genoeg is. 57. om den daader met de dood te kunnen straffen 58. en met reden; 59. want /: U. EE. Achtb: gelieven zelve te oorde„ =len :/ in zodanig geval zou er immers geen onderscheid zijn, 60. tusschen de wil en een deliet, dat volkomen effect gehad heeft; 61. 't geen de ongerijmdheid zelve zijn zou„ 62. Ant: Matthons de crim: Lib: 48 Tit. 5 Cap 3 N . 11. drukt er zich onder anderen op deze nadrukkelijke wijze over uit: Artic:ls 63. men moet in zodanige gevallen de goddelijke voorzienigheid en barmhar„ =tigheid ontzien, die door te beletten dat de wil volkomen beslag zou krijgen„ schijnt te hebben willen zorgen, zoo wel voor den behoudenis van den misdadiger als voor het leven van den beledigte of gequetsten. 64. add=s zaude dec: Lib. 5 tit 9 def. 11 en Barels Crim: adv: 13. 65. bij welken laatsten een geheele Lijst van voorname rechtsdoctoren te vinden is, welke alle beweeren, 66. dat hedendaags de wille of Conaties niet als eene geconsommeerde misdaad moet worden gestraft. 67. ook schijnen de Theologanten in die luster„ =men te verleeren, wanneer zijde H. schriftuur„ =plaats Exod: 21 V:t 14 bepaalen tot een geval 68. waarin de dood wezentlijk naa de Conatus is gevolgd. 69. En het is op de tot hier toe geadstrueerde gronden, dat de R. O. Eijscher onder coirectie van begrip is, 70. dat de gev: en ged: niet met eene doodstraffe kan of behoort te worden gestraft: 71. vooral wanneer U. EE Achtb: gelieven te remarqueeren dat - Artic:s 72: dat wanneer men het geval in quostie naauw„ =keurig nagaat, ƒ 73. 'er eene gegronde prosumtie geboren word, dat bovengem: Jek door zijne waarzeggerije tot het geval in quastie aanleiding gegeven, 74. en een drift bij den gev: en ged: heeft doen geboren worden 75. die wel is waar volgens de beginzelen van onzen godsdienst nimmer als een rechtmatige drijfveer onzer daaden kan worden besehouwd, 76. maar waar door zich een ieder evenwel in zijn binnenste gedreven gevoelt, 77. zoo dra hij op eene onrechtmatige wijze door zijne mede schepzele behandelt wordt 78. Voegt men hier nu bij, dat de gev: en ged: in klavernij gebooren en opgevoed, 79. nooit eenig onderwijs in de begintelen van den Christelijken Godsdienst heeft ontvangen; 80. en dus de wraakgierigheid volgens de begrippen zijner blindheid misschien niet alleen niet verachtelijk, maar zelfs als een edele leidenschap besehouwt 81. gelijk zulks niet ongegrond kan worden afgeleid uit de contenance 82. door den gev: en ged: bij zijne resp=e verhooren gehouden Artic: 83, uit de bedaardheid en standvastigheid, die bij die gelegenheden zijne redenen verzelden 84. en uit de motiven, die hem hebben aan„ =gespoord, om zich vrijwillig in hechtenis te begeven; 85. al 't welk een gemoedsgesteldheid aantoont, volkomen vrij van eenige ongeruetheid of wroeging over een begaanen misslag: 86. daar vertrouwt de Z. O. Eijscher dat U. EE. Achtb: met hem gemakkelijk zullen bezeffen, 87. dat de gev: en ged:, hoe zeer hij dikwils gem: Jek met opzet, om denzelven te vermoorden, gestooken heeft 88. evenwel anderzints afkeerig is van uweldaad en 89. en dat men ook ten zijne opzigte met zekeren R. Rechtsgeleerden te recht kan zeggen: 90. Justo dolozi ext ignoscendum. 91. de R. O. Eijscher viond deze redenen nogtans niet dringende genoeg. 92. om den gev: en ged: vrij te spreeken van de pana mortis profima; 93. om dat hij gev: en ged: 1=o wezentlijk met opzet gedelinqueerd heeft 94. en 2=e de drijfveer zijner daaden bij ons niet als rechtmatig kan worden beschouwd, 95. zodanig, dat de gev: en ged: van de door algemeen gebruik in cas subject bepaalde uit Straffe No. 2 straffe zou kunnen worden geabsolveert. Mits welke en andere middelen /: is 't nood:/ nader te deduceeren de R. O. Eijzcher doende con„ =cludeerde, dat de gev: en ged: bij definitive vonnisse van U. EE. Achtb: zal worden geondemneerd, omme gebragt te worden ter plaatze, alwaar men gewoon is Crimineele sententien ter executie te brengen, en aldaar aan den scherpregter overgeleverd zijnde, met den strop om den hals aan de galge vastgemaakt, op den blooten rugge strengelijk gegeesselt en daarna gebrand„ =merkt te worden: dat hij gev: en ged: voorts voor den tijd zijns levens zal worden geconfineerd ten robben eilanden, om aldaar in de ketting geklonken zijnde aan de gemeene werken te arbeiden: met condemnatie in de korten en missen van Justitie, ofte tot zodanige andere poene als U EE. Achtb: in goeden Relaas gegeven ten over„ =staan van de Ondergetekende gecommitt: uit den E: Acht: rade van Justitie dezes Gouvernements, door den slaaf Jek van Batavia toebehorende de burger Coenraad Luit van Competenten ouderdom en ter requisitie van den E: Achtb: Heer, Jndependent Fiscaal dezes Gouvernements Johan Nicolaas steren van Lijnden, luijdende het zelve als volgt. Justitie naar maate van des gev: en ged: begaane middaad zullen oordeelen te behooren. /:was getekkend:/ I: N: S: Van Lynden. /:in margine / Exhibitum in Indicio den 6 Augustus 1789. Justitie dat „„
English
That the narrator, who was previously a slave of the captain of the ship Avenhoorn named Tobias Zoon and upon his arrival at the Cape lived for several months with his aforesaid previous master at the house of the burgher Jacobus Johannes van den Berg, now last Sunday eight days ago, being called on behalf of the wife of the aforesaid van den Berg, also immediately thereafter went to the house of the said van den Berg. That the aforesaid wife of the same van den Berg, having then informed him, the narrator, that a quantity of cloths had been stolen from her, at the same time asked whether the appearer did not know which slave or slaves from her house might have been guilty thereof, and upon the answer of the narrator of no, whether he would investigate it afterwards. That the narrator then went back to the house of his present master, and in the meantime, having met on a certain day in the latter part of the previous week on the street the slave Cassiem of Batavia, belonging to the aforesaid van den Berg, and having with him some pieces of cloths, he, the narrator, subsequently on last Sunday the 3rd of this month went to the house of the abovementioned van den Berg and brought this to the knowledge of the wife of the same. That when the narrator subsequently that same evening, when it had already become dark, as usual intended to give water to the horse of his master, which was in the stable situated next to the small house of the burgher Fredrik Hurling, and proceeded thither with a bucket, he, the narrator, was then met on the street by the aforesaid slave Cassiem, who, having asked aloud who are you, immediately, as he believes, dealt the narrator a stab under the right breast with a knife; the mentioned Cassiem having thereupon walked away from the narrator, while he, the narrator, immediately went into his stable, and subsequently with the help of the servant of his master, named Hendrik Hijer, got into the house of his same master. Relating nothing more, the narrator gives as reasons of knowledge as in the text, testifying that the foregoing is the pure truth. Underneath stood: Thus passed at the Cape of Good Hope the 5th of May 1789. Before the gentlemen Salomon van Echten and Jan Coenraad Gie, members of the Honorable Council of Justice aforesaid, who have also duly signed the original draft hereof together with the narrator and me, sworn clerk. Lower: Which I witness. Was signed: W. S. van Rijneveld, sworn clerk. Confirmation of testimony: Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the slave Jek belonging to the burgher Coenraad Luijt, to whom this his given report having been read out word for word, declared to persist therein, with the desire that nothing more shall be added thereto or taken away therefrom, except only that he saw the said aforementioned slave Cassiem with only one cloth on the street around the vegetable market. Testifying in the presence of the slave Cassiem that the foregoing is the pure truth. Underneath stood: Thus confirmed at the Cape of Good Hope the 29th of July 1789. Was signed: X around which was written: this mark was made by the appearer with his own hand. Lower: In my presence. Was signed: W. P. van Rijneveld, acting secretary. In the margin: as commissioners. Was signed: Rijno Johannes van der Riet, and Johannes Smuts, P. son. Today, the 27th of July 1789, appeared before me, Willem Stephanus van Rijneveld, Adjunct Secretary of the Honorable Council of Justice of this government, present the afternamed witnesses, the female slave Galati of Boegies, belonging to Mr. Jan Boirs, of competent age, who, at the requisition of the Independent Fiscal of this government, the Honorable Mr. Johan Nicolaas Steven van Lijnden, declared it to be true: That the appearer, having already lived for some time with the burgher Jacobus Johannes van den Berg, I, the undersigned, hereby certify to have examined on Tuesday the 5th of May a boy of the burgher Coenraad Luijk, which boy testified to have been stabbed with a knife on Sunday the 3rd of May by a boy of the burgher van den Berg; this stab was located on the second and third of the bottom ribs on the right side and the wound was about three fingers broad long, and further he was not injured. In witness of the truth I have signed this with my own hand. Cape of Good Hope, the 5th of August 1789. Was signed: J. W. Wedemeijer, under-surgeon in the Honorable Company's Hospital.
Dutch transcription
Dat de relt die te voren een slaav is geweest van den Capitain van het schip Avenhoin in naam Tobias Zoon en bij zijn komst aan de Caab met voorsz: zijn voorigen lijfhier eenige maanden bij den burger Jacobus Johannes van den Berg gewoond heeft, nu laastleden zondag voor agt dagen, uit naam van den huisvrouw van voorsz: van den Berg geroepen zijnde, zich ook dade„ lijk daarop aan het huijs van ged:te van den Berg vervoegd heeft. Dat voorsz: Huisvrouw van denzelven van den Berg hem rel=t als toen te kennen gegeeven hebbende dat er eene quantitijt kleedjes van haar was gestoolen teffens gevraagd heeft: of de Compt: niet wist welke slaav of slaaven uit haar huis zig daaraan mogt hebben schuldig gemaakt! en op het antwoord van den Rel=t van Neen! of hij aan daarna wilde onderzoeken Dat de relt. als toen weder naar het huijs van zijn tegenwoordige lijfhier is gegaan, en inmiddels op zekeren dag in het laast der voorl: Week op de straat ontmoet hebbende den Haar Cassiem van Batavia, voorsz: van den berg toebehoorende, en bij zich heb„ =benden eenige stukjes kleetjes; hij zelt zich Vervolgens op laastl: Zondag den 3 dezer heeft begeven naar het huijs van bovengem: van den berg en zulx de huijsvrouw van denzelven ter kennisse gebragt. dat wanneer de ril=t vervolgens dien zelven avond, toen het reeds donker was geworden, volgens gewoonte, voornemens was om het paard van zijnen lijfhier, dat zig in de stal, staande naast het kleine huisje van den burger Fredrik Hurling bevond, Watertegeven, en zich met een emmer derwaards begaf, hem Rel. als toe op de straat voorsz: Slaaf Cassiem was tegengekomen, dewelke overluid gevraagd hebbende, wie ben jij ter stond den rel=t zo hij vermeend, met een mes, een stek onder de rechterborst toegebragt heeft: zijnde gerepten Cassiem daarop van den relt. afgegaan, terwijl hij rel=t zich terstond in zijn stal heeft begeeven, en vervolgens met behulp van de knegt van zynen lijfheer, Hendrik hijer genaamd, in het huijs van denzelven zijnen Lijfheir geraakt is. Niets mee relateerende, geeft den rel=t voor resenen van Wetenschap als in den text betuijgende dat het voorenstaande de zuivere waarheid is. /:onderstond:/ Aldus gepasseerd aan Cab de goede hoop den 5 Meij 1789. Voor de Heeren Salomon van denzelven Echten Echten en Jan Coenraad Gie, leden uit den E: Achtb: raden van Justitie voorn: die de minute dezes benevens de relte en mij gezw: Clerq mede behoorlijk hebben ondertekend /:lager:) 't welk ik getuige (:was geteekend: WS V Rijneveld. g Clercq. Recollement Compareerde voor ons ondergetekenden gecom„ =mitteerdens uijt de E: agtb: raad van Justitie dezes gouvernements, de slaaf Jek toebe„ hoorende de burger Coenraad Luijt dewelke deeze zijn gegeeve relaas van woorde tot woorde voorgeleezen zijnde, verklaarde daar bij te blijven persisteeren, met begeerte dat er niets meer bijgevoegd ofte van gedaan werden zal als alleenlijk dat hij ger: voorm: slaaf Cassiem maar met eene kleedje op de straat omstreeks de groente mart gezien heeft Betuigende in tegenwoordigheid van den slaaf casseer dat het vorenstaande de zuivere waarheid is /:onderstond:/ aldus gerecolleerd aan Cabo den goede hoop den 29 Julij 1789. — /:Was getekent.:/. X waarom schreve dit merk is door de rep=t eigenhandig gesteld /:lager/ mij prezent /was getekend:/ W: P: V: Rijneveld ad: Sec„ /:in margine:/ als gecommitteerdens /:was geteken Rijns Johannes Van der Riet, en Johannes Smuts, P: f: 3 Huijden den 27 Julij 1789 Compareerde voor mij Willem Stephanus van Rijneveld, Adjunct Secretaris van den E. Achtb: rade van Justitie dezes gouvernements present de nagenoemde getuigen, de slavin galati van boegies, toebee =hoorende de heer Jan boirs, van Competenten ouderdom, dewelke ter requisietie van den independent Fiscaal dezes gouvernements, d' E. Achtb: Heer Johan Nicolaas Steven van Lijnden, verklaarde, hoe waar is. Dat de Comp=te reeds eenige tijd bij den burgeer Jacobus Johannes van den berg ingewoond Jk ondergetekende certificeere mits deesen op dingsdag den 5 Maij gevisenteerd te hebbe Een Jonge van den Burger Coenraad Luijk dewelke Jonge getuijgde zondags den 3 Maij van een Jonge van den burger van den Berg met een mes gestooken t sijn, deese stuk was op de tweede en derde van den ondersten ribben regter sijde gesluijt en te wond was omtrend drie vingers breed lang en verders was hij niet beschadigt. Jn teken der„ waarheid hebben ik dezes eijgenhandig onder„ =getekend- Cabo de goede hoop den 5 aug: 1789. /:was getekend:/ J: W: Wedemeijer, ondermeester in het E: Comp: Hospitaal. hebbende
English
having, made the acquaintance there of a slave named Jek, now belonging to the burgher Coenraad Luik, on the occasion that the said Jek, immediately after his arrival at the Cape with his former master here, the Captain of the stranded ship Avenhorn, named Tobias zoon, had stayed for some months in the house of the aforesaid van den berg; which Jek had then recounted to the appearer that he was a fortune-teller. That when, a few weeks ago, without the appearer being able to state the time, a bedspread was stolen from the appearer in the house of the said van den berg, the appearer then had the said slave Jek called, and asked whether he could perhaps say who had taken that bedspread. That the aforesaid slave Jek, having answered the appearer that the slave Cassiem was guilty of this, the appearer then gave notice of this statement to the wife of the aforesaid van den berg, without the appearer knowing whether the said wife of van den berg called the aforesaid slave Cassiem to account over it; the appearer having subsequently learned that Cassiem, on that same evening, inflicted a cut with a knife upon the abovementioned Jek. Declaring nothing further, the appearer gives as reasons for knowledge as in the text, testifying the above to be the pure truth. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the female slave Galati of Boegies, bondservant of the repatriated gentleman Jan boers, who, having had this her preceding declaration read aloud clearly and distinctly word for word, declared to persist therein, with the desire that nothing more shall be added or removed, testifying in the presence of the prisoner Cassiem that the above is the pure truth. Re-examination Thus re-examined at Cabo de goede Hoop on 29 Julij 1789, by interpretation of the schout hendrik Matthijssen. Signed: X, this mark was made by the hand of the deponent, as she is unable to write. For the interpretation, signed: Hendrik Matthijssen. Below, in my presence, signed: W: S: V: Rijneveld, ad: secret:. In the margin, as commissioners, signed: Rijno Johannes van der Riet and Johannes Smuts. Thus passed at the aforesaid secretariat, by interpretation of the slave Bachus, belonging to the aforesaid van den berg, in the presence of the clerks Nicolaas Van Es and Jacob van de Waereld as witnesses, who duly signed the minute hereof, along with the appearer, the interpreter, and me, the assistant secretary. Lower: which I testify, signed: W: S: V: Rijneveld Ad: secret:. Today, 7 Julij 1789, appeared before me, Willem Stephanus van Rijneveld, assistant secretary of the Honorable Council of Justice of this government, in the presence of the after-named witnesses: Elisabeth Kamp, assisted by her husband, the burgher Jacobus Johannes van den berg, of competent age, who, at the requisition of the Independent Fiscal here, the Honorable Johan nicolaas Steven van Lijnden, declared to be true: That the female slave named Malati, who lives in the house with the appearer and belongs to Mr. Jan boers, a few weeks ago, without the appearer being able at present to state the exact day or date, made known to the appearer that she had asked a certain slave of the burgher Coenraad Luik named Jek who had previously also been a slave of the Captain of the ship Avenhorn, Arend Tobiaszoon, had also stayed for a few months with his master in the house of the appearer, and had claimed among the slaves to be a fortune-teller whether he did not know who had taken a certain bedspread that had been stolen from her, Malati. And that the said Jek had then said that this theft had been committed by the slave Cassiem, belonging to the appearer. That the appearer, having called the said Cassiem and asked whether he was guilty thereof, he immediately denied it, and having gone out of the house shortly thereafter, subsequently, as the appearer learned, inflicted a wound with a knife upon the said slave Jek; the appearer testifying not to have made the slightest reproach to the aforesaid slave Cassiem beforehand. Declaring nothing further, the appearer gives as reasons for knowledge as in the text, being prepared, if required, to confirm the above further by oath. Thus passed at Cabo de goede Hoop, in the presence of the clerks Jacob Van der Waereld and Petrus Diemel as witnesses, who signed the minute hereof along with the appearer and me, the assistant secretary.
Dutch transcription
hebbende, aldaar kennis gekreegen heeft aan een slaaf, in name, Jek, tans toebehorende aan den burger Coenraad Luik, bij gelegendheid, dat gemelde Jek terstond na zijn komst aan de Caab, met zijn vorige Lijv hier; de Capitain van het gestrande schip, Avenhorn, Tobias zoon, genaamd, eenige maanden in het huijs van voorm: van den berg, heeft verblijv gehouden, welke Jek aan de Comp=te als toen verhaald had, dat hij een waarzegger was. dat wanneer men nu eenige weeken geleeden, zonder dat de Comp=te den tijd opgeven kan, de Comp=te een sprij in het huijs van gerepte van den berg heeft ontstolen, de Comp=te als toen gerepte slaar Jek heeft laten roepen, en afgevraagd, of hij ook konde zeggen, wie die sprij had weggenome Dat voorsz: kaar jek aan de Compte geantwoord hebbende, dat den slaar Cassiem zig daar aan had schuldig gemaakt, de Compte. als toen van dit gezegde aan de huisvrouw van voorsz: van den berg heeft kennis gegeeven, zonder dat de Compte weet, of gem: huisvrouw van van den berg voorsz: slaavCassiem daar over heeft te rede gesteld; hebbende de Compte naderhand vernomen, dat Cassiem, bovengem: Jek, diezelve avond, met een mes een Treck zoude hebbe toegebragt. Niets meer ver„ klaarende, geevt de Compte voor redenen van Wetenschap, als in den text, betuigende het Compareerde voor ons ondergeteekende gecommitteerdens uijt de E: agtb: raad van Justitie dezes gouvernements te slavin Galati van boegies lijfeijge vande gerepatrie„ =eerde heer Jan boors, dewelke deze haare voorenstaande verklaaring van woorde tot woorde klaar en duijdelyk voorgeleezen wee„ =zende, verklaarde daar bij te blijven persis„ =teeren met begeerte dat er niets meer bij ofte afgedaan werde zal, betuijgende in tegenwoordigheid van de gev: Cassiem dat het voorenstaande de zuivere waarheid is. /:Onderstond:/ Aldus gerecolleerd aan Cabo de goede Hoop den 29 Julij 1789. bij vertolking van de schout Aldus Gepasseerd ter secertarije voorm: bij vertolking van den slaar Bachus, toebe„ =hoorende voorm: van den berg, ter presentie der Clercquen, Nicolaas Van Es, en Jacob van de Waereld, als getuigen, die de minute deezes, beneevens de Comp=te den vertolken en mij adjunct Secretaris, meede behoorlijk hebben onderteekend /: Lager:/ 't welk ik getuige /: was getekend:/ W: S: V: Rijneveld Ad: secret:. Recollement voorenstaande de zuivere waarheid te zijn. /:Onderstond: vooren hendrik hendrik Matthijssen /:Was getekend:/ X waarom schreve dit werk is door de deposante als niet kunnende schrijven eigenhandig gesteld, voor de vertolking /:Was getekend:/ Hendrik Matthijssen, /:lager:/ mij present /:Was Getekend:/ W: S: J: V: Rijneveld, ad: secret:. /:in Margine:/ als gecommitteerdens /: Was getekent:/ Rijno Johannes van der Riet, en Johannes Smuts. Huiden den 7 Julij 1789. Compareerden voor mij Willem Stephanus van Rijneveld adjunct secre„ =taris van den E: Achtb: raden van Justitie deses Gouvernements, prezent de nagenoemde getuigen; Elisabeth Kamp, geadsisteerd door haren man den burger Jacobus Johannes van den berg, van competenten ouderdom, dewelke ter requisitie van den independent Fiscaal, alhier, d'E: Achtb: heer Johan nicolaas Steven van Lijnden, verklaarde, hoe waar is. Dat de keere Slavin, in name Malati, welke bij de Compte. in huijs woond, en toebehoord aan den Heer Jan boers, nu eenige weeken geleeden, zonder dat de Compte. de preciere dag of datum thans kan opgeven, aan de Comp=te heeft bekend gemaakt dat zij ze keeren slaar, van den burger Coenraad Luik in naam ok /: die te vooren ook een slaav Aldus passeerde, aan Cabo de goede Hoop, ter presentie der Clercquen, Jacob Van der Waereld, en Petrus Diemel, als getuigen, die de minute dezes benevens de Compte en mij adjunct geweest zijnde van den Capitain van het schip Avenhorn, arend Tobiaszoon; met zijnen lijfhier, meede eenige maanden in het huijs van de Comp=t. verblijv: gehouden, en onder de klaaren voorgegeven had, een waar„ =zigger te zijn :/ had gevraagd, of hij niet wist, wie zekeren sprij, welke van haar malatie ge„ =stolen was, zoude hebben weggenoomen, En dat gerepten zik, als toen hadde gezegd, dat deze dieste door den Haar Cassiem, de Comp=te tee„ =behoorende, gepleegd zoude zijn: Dat de compte. gerepte Cassiem geroepen en afgevraagd hebbende, of hij daar aan schuldig was " denzelven zulx direct heeft genegeerd, en kort daar na het huijs uitgegaan zijnde, vervolgens zo als de Compte vernomen, heeft, guepte slaar Jek, met een mes eene wonde heeft toegebragt; betuigende de Comp=te voorsz: slaar Cassiem, te voren geen het minste verwijt gedaan te hebben. Niets meer verklaarende, geevt de Compte. voor redenen van wetenschap, als in den tixt, bereid zijnde het voorenstaande, des gerequireerd wor„ =dende, met eede nader gestand te doen. /:Onderstond:/ geweest Secretaris
English
states that Cassiem, 22 years old and born in Batavia, states, Jan Secretary, have also duly signed. Lower down: To which I testify. Signed: W:S: V: Rijneveld ad: Secret: Re-examination Appeared before the undersigned delegates from the Honorable Court of Justice of this government Elizabeth Kamp, assisted by her husband, the burgher Jacobus Johannes van den berg, who, her aforementioned given statement having been clearly read out, affirmed that she persists with it, desiring that nothing more shall be added or removed; and she therefore spoke in confirmation of the truth thereof in the presence of the said Cassiem of Batavia the solemn words: So truly help me God Almighty. Underneath stood: Thus done and sworn at Cabo de Goede Hoop, the 6th of August 1789. Signed: Elisabeth Kamp. Lower down: In my presence. Signed: W: P: Van Rijneveld ad: Secret: In the margin: As delegates, Rijno Johannes van der riet and Hendrik de Wet. Interrogatories drawn up by the Independent Fiscal and delivered to the gentlemen delegates from the Honorable Court of Justice of this government in order for the detained slave of the burgher Jacobus Johannes van den berg, named Cassiem of Batavia, to be heard and questioned thereon, his responses to be given having to be recorded in the margin hereof. Appeared before the undersigned delegates from the Honorable Court of Justice of this government the slave of the burgher Jacobus Johannes van den berg, who to the adjacent question articles gave such answers as are recorded alongside each of them. Article 1. The prisoner's name, age, and place of birth. States Cassiem, 22 years of age, and born in Batavia. Article 2. Whether his present master is not the burgher of this place, Jacobus Johannes van den berg. States, Yes. Article 3. Whether the prisoner has had more masters here in this country. States, No. Article 4. How long the prisoner has been here in this country. States, Two years. Article 5. For what reasons the prisoner was sold in Batavia and sent away from there. States that in Batavia he took away some gold and silver belonging to his wife, who is a female slave, and gambled it away, about which the said female slave complained to the prisoner's mistress, which is the reason why his master sold him and sent him hither. Article 6. Where the witness has always resided before he came hither and was sold to the aforementioned van den Berg. States always to have resided in Batavia. Article 7. To what service the prisoner, being in Batavia, was mostly used, and whether he also understands any particular trade. States always to have attended here in the house. Article 8. Whether he also knows that at the house of his present master van den berg some time ago, garments have gone missing. States to have heard that a bedspread had been lost in the house. Article 9. Whether the prisoner stole those garments, and whether he does not know by whom they were stolen. States, I have not stolen the garments, and also do not know who is guilty of that. Article 10. If the prisoner stole those garments, where he took them, or who bought them from him. Lapses. Article 11. Whether the prisoner also knows a slave of the burgher Coenraad Luijt, named Jek of Batavia. States, Yes. Article 12. Whether the prisoner also had intimate social contact with that slave. States that the aforementioned Jek, having lived in the house of the prisoner's master for some time, became acquainted with the prisoner there, without the prisoner having had intimate social contact with him. Article 13. Whether any dispute prevailed between him, the prisoner, and that slave, and about what. States, No. Article 14. Whether the aforementioned slave Jek did not meet the prisoner at the beginning of this month, carrying some garments under his arm. States, No. Article 15. Whether the prisoner did not find himself in the street and close to the house of the aforementioned Coenraad Luijt on the evening of the 3rd of May last. States at that time to have gone out to look for the aforementioned Jek. Article 16. What reasons induced the prisoner to go thither so unseasonably from the house of his master. States, because Jek had seen in a jug of water, and divined, as well as related to the woman Malati, that I supposedly stole the garment; so out of spite and grief, whereas God Almighty knows that I am innocent, with the intention of depriving Jek of his life, I went into the street at the aforementioned time; and all the more so since my mistress constantly reproached me with the theft of that garment and scowled at me for it. Article 17. Whether Jek did not also appear shortly after the prisoner's arrival there. States as before. Article 18. Whether that was not done with the intention of murdering the aforementioned Jek. States as to article 16. Article 19. Whether the prisoner was attacked by Jek, or whether the same wished to pass him unhindered. States, Jik did not attack me. Article 20. What the prisoner did upon encountering that slave. States, I first waited for Jek at the corner of the Company's stable, and when I saw Jek coming out of the street with a bucket, I went up to him, and first asked whether he was Jek, and subsequently dealt him a stab with a knife, whereupon I went away. Article 21. Whether the prisoner did not stab him, and with what instrument. States as to article 20. Article 22. For what reasons he committed that deed. States as to article 18.
Dutch transcription
zeegd Cassiem oud 22 Jaaren en van Batavia geboortig te zijn. Zegd Jan Secretaris, mede behoorlijk hebben ondertekend. /: Lager:/ 't welk ik getuige /:Was getekend:) W:S: V: Rijnevild ad: Secret: Recollement Compareerde voor de ondergeteekende gecom: uit den E: Achtb: rade van Justitie deezes gouvernements Elizabeth Kamp geadsis„ =teerd door haren man, de burger Jacobus Johannes van den berg, dewelke hare, vooren„ staande gegeevene verklaaring duidelijk voor„ geleezen zijnde betuigden daar bij te blijven perzisteeren met begeerte dat er niets meer bij of afgedaan werden zal; en sprak derhalve ter beresting der waarheid van die in pre„ =sentie van den Haar Cassiem van Batavia. de solemneele woorden: zo waarlijk helpe mij God Almagtig. /:Onderstond:/ Aldus gedaan en Beëdigt aan Calo de goede hoop, den 6 Augustus 1789. /:Was getekend:/ Elisabeth Kamp /:lager:/ mij prezent /:Was getekend:/ W: P: Van Rijneveld ad: Secret: /: in Margine:/ als gecommitteerden Rijno Johannes van der riet en Hendrik de Wet. Compareerde voor den ondergete„ =kenden gecommitt:s uijt de E: achtb: raden van Justitie deezes gouvernements de slaaf van den Burger Jacobus Johannes van den vraag articulen sodanige ant„ =woorden gegeven heeft als bezij„ =den een ijder derzelve staan Artil: des gev: naam ouderdom en geborte plaats.. „ 2. of zijn tegenwoordige lijfheer niet is de burger deezer steede Jacobus Johannes van den berg Jnterrogatorien gedaan maaken, en aan Heeren gecom„ mitteerdens uijt den E: Achtb: raaden van Justitie deezes gouvernements overgegeven deezes gouvernements omme daar op gehoort en ondervraagd te worden de gedetineerde slaaf van den burger Jacobus Jost hannes van den berg in name Carsiem van Batavia, zullende desselfs te gevene respensiven in margine deezer, mosten worden aangetekend. berg, dewelke op de nevenstaande door den indepondent Fiscaal aangetekend. Zegd Neen. Zeegd Twee Jaaren zegd altoos zijn hier zegd ik heb de kleedjes niet gestoolen, en weet ook er een sprij in huijs zegd gehoord te hebben dat zegd altoos te Batavia te hebben verblijf gehouden. te hebben opgepast. zegd te batavia eenig goud in„ zilver, zijne vrouw, welke eene slavin is, toebehoorende weg genomen en verdobbelt te hebben waarover zig gem: slavin bij zijn gev: lijfktrouw heeft beklaagd, het geen de reede is, waarom zijne lijfhier hem heeft verkogt en herwaards gezonden om welke redenen hij gev: te Batavia verkogt en van daar weg gezonden is. Tot welken dienst de gev: te Batavia zijnde, meest gebruikt is, en of hij ook eenig particu¬ =lier ambagt verstaat. Waar hij get: altijd zijn verblijf gehad heeft, voor dat hij na herwaards is gekoomen, en aan voorm: van den Berg verkogt geworden. niet wie zig daar aan heeft schuldig gemaakt. Vervald zegd Ja zegd dat voorm: Jak bij zijn gev: lijfhier eenigen tijd in huijs gewoond hebbende aldaar met hem gev: in ken„ =nis is gezaakt zonder dat hij gev: met den zelven gemeenzamen ommegang gehouden „ 12. of hij gev: ook gemeenzamen ommegang met dien slaar gehouden heeft! 11. of hij gev: ook kint een slaaf van den burger Coenraad Luijt in name Jek van Batavia. zo hij gev: die kleedjes ge„ stolen heeft, waar hij deselve gebragt, of wie deselve van hem gekogt heeft: „ 10. of hij gev: die kleedjes ge¬ =stolen heeft, aan of hij niet weet, door wien dezelve zijn ontvreemd geworden. of hij ook weit dat er ten huijze van zijn tegenwoordigen Lijfheer van den berg nu eeni„ =gen tijd geleeden; kleedjes zijn vermist= Hoe lang hij gev: hier te lande is geweest. Arty: 3 of hij gev: hier te lande meer lijfheeren heeft gehad: „ 4 „ 5 „ 6 „ 7 heeft. was relooren geraakt. Articl: 8 „ 9. zegd als voren Artic„s 17. zegd Neen. Zegd Neen. zegd op dien tijd er op uijt gegaan te zijn om voorsz: Jek te zoeken. Artic: 13. Of er tusschen hem gev: en dien slaaf eenige twist ge„ =heerscht heeft en waar over „ 14. of evengem: slaaf Jek hem ger: in het begin deezer maand niet heeft ontmoet, draagende eenige kleedjes onder den arm . of hij gev: zig niet s'avonds op den 3 Maij laastleden bevonden in de straat en digt bij het huijs van voorm: Coenraad Luijt¬ „ 16. Welke redenen hem gev: aange¬ =spoord hebben, om zig zo ontijtig van het huijs van zijn Lijfhier na derwaards te begeeven. zegd om dat Jek in een kan met water gezien en gelovert mitsgd:s aan de wijd malati verhaald heeft, dat ik het kleedje zou hebben gestolen: zo heb ik uijt spijt en hirtzeir, daar god Almachtig weet dat ik onschuldig ben, met het voornemen om Jek van het leven te beroven, mij op voorm: tijd in de straat begeeven; en sulx te meer nadien mijne lijfvrouw mij het steelen van dat kleedje geduurig voorhield en mij daarom gescholden heeft. zegd als voren. zegd als op artic: 16. zegd als op artij: 18: zegd, Jik heeft mij niet aangevallen. „ 20. wat hij gev: bij de ontmoeting van dien slaaf gedaan heeft. „ 21. of hij gev: hem niet gestoken heeft en met welk instrument= „ 22. om welke redenen hij die daad gepleegd heeft! of hij gev: door Jek is aange¬ =vallen geworden, dan of deselve hem ongehindert heeft willen passeeren. 18. of jek niet kort na des gev: komst aldaar mede is ver„ =schenen. of sulks niet is geschied met intentie om voorm: Jek te vermoorden! zegd ik heb jek eerst op de hoek van de Compagnies stal opgepast, en wanneer ik Jek met een immer uijt de straat heb zien aankomen, heb ik mij na hem toe begeven, en eerst gevraagd of hij Jek was, mits„ „gaders hem vervolgens een stuk met een mes toegebragt, terwijl ik daarop ben weggegaan. „ 15. 19.
English
Article 23. What he, the prisoner, did after committing that deed, and how he came into custody. Says that after committing that deed he voluntarily gave himself up into custody, and that after he, the deponent, had walked a little through the streets and considered to himself that in this displeasure of his he might possibly injure someone who had done him no harm. Article 24. Whether he, the prisoner, does not understand that he has committed a grievous crime thereby and thus deserved very severe punishment. Says yes, but hopes that God and the judges will show him mercy. Article 25. What he can bring forward for his excuse. Says he requests a merciful punishment. Underneath stood: Thus questioned and answered at Cabo de Goede Hoop on May 27, 1789, before the Gentlemen Rijno Johannes van der Riet and Gerrit Hendrik Meijer, members from the Honorable Council of Justice aforementioned, who have properly signed the minute hereof together with the prisoner and me, the assistant secretary. Lower: To which I testify. Was signed: W. S. van Rijneveld, Assistant Secretary. Review. Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government aforementioned slave Cassiem, who, having had his preceding answers clearly and distinctly read out to him, declared that he persisted and would continue to persist by them, desiring that nothing more shall be added or removed. Underneath stood: Thus reviewed at Cabo de Goede Hoop on July 29, 1789, through the interpretation of the bailiff Hendrik Matthijssen. Was signed: Why written this mark was set by the prisoner's own hand as being unable to write. For the interpretation was signed: Hendrik Matthijssen. Lower: In my presence was signed: W. P. van Rijneveld, Assistant Secretary. In the margin: As commissioners was signed: Rijno Johannes van der Riet and Johannes Smits. Agrees with me, Secretary P. J. van Rijneveld. Ex Officio. No. 1. Appeared before the Honorable Council of Justice of this government the Independent Fiscal, Master Johan Nicolaas Steven van Zijnden van Blitterswijk, plaintiff ex officio in a case of atrocious real injury, against the burgher Pieter Hamers, defendant in the same case. Article 1. And said: 2. That the defendant in this matter, instead of contributing his part as much as possible as a burgher of this town to the preservation of public safety, 3. on the contrary did not hesitate, when on the 2nd of the past month of March his fellow burgher Marthinus Keit came to speak with him, the prisoner, about some business, 4. after some exchange of words, to mistreat the said Keet in an extreme manner; 5. he, the prisoner, having inflicted several severe blows upon the said Kiet with an iron blacksmith's hammer; 6. of which blows Keet, at the passing of a report produced here under Letter A before the gentlemen commissioners from this Honorable Council, still bore the painful marks; 7. and whereby he was for a considerable time rendered unable properly to carry on his trade as a wagon maker, which is his only means of subsistence. 8. In order to convince Your Honors fully of the truth of what occurred and of the merits of these proceedings, the plaintiff ex officio will confine himself to a brief and factual substantiation of the following three points: 9. First, it will be shown that the defendant in deed made himself guilty of mistreating his fellow burgher; 10. and secondly, that the defendant by that conduct committed an atrocious real injury; 11. whilst thirdly the plaintiff ex officio will place beyond doubt that the conduct of the defendant involves a crime regarding which the office of the plaintiff must be active. 12. As regards the first point, may it please Your Honors only to inspect the report of the burgher Marthinus Keet, produced under Letter A, from which it will appear to Your Honors 13. that the said Kiet on the 2nd of the past month of March came to the defendant in his blacksmith shop to speak with him, the defendant, about some matters concerning their respective trades, as appears from the annex under Letter C; 14. but that those discussions, through the prisoner saying "I will give you timber money another time," did not long remain friendly, but turned to cursing and verbal abuse; 15. the defendant, giving free rein to his licentious passions, finally went to the extreme of first striking the often-mentioned Keet a blow on the chest with an iron blacksmith's hammer with which he had been working; 16. and subsequently, when this did not succeed as wished, inflicting three more blows upon him, of which one fell upon the forehead and two severe ones upon the left arm; 17. through which blows, as has already been said, the said Keet was for a considerable time prevented from being able properly to carry on his daily trade; 18. as Your Honors can further see from
Dutch transcription
zegd Ja maar te hoopen zullen. dat god en de Rechters hem genade bewijzen zegt een genadige straffe te verzoeken. zegd zig na 't Pleegen van die daad zelve vrijwillig in hegtenis begeeven te hebben, en zulx wel nadat hij get: nog een wijnig door de Straaten gewandelt, mitsgaders bij zig zelven overdagt had, dat hij mogelijk in deze zijne misnoegdheid ijmand zoude kunnen quetsen die hem geen leid gedaan had. /:Onderstond:/ Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de goede hoop den 27 meij 1789. voor de Heeren Rijno Johannes van der Riet en Gerrit Hendrik Meijer, Leeden uijt den E: achtb: raade van Justitie voorm: die de minute deezes benevens de gev: ende „ 25. Wat hij tot zijn verzchoning weet bij te brengen. - „ 24. of hij gev: niet begrijpt hier door zwaarlijk misdaan en dus zeer swaare straffe ver„ =diend te hebben. Artic: 23 Wat hij gev: na het pleegen van die daad gedaan heeft, en hoedanig in hegtenis is gekomen: mij adjunct secretaris meede behoorlijk hebben onderteekend. — /:lager:/ 't welk ik getuige /:was getekend:/ W: S: Van Rijneveld ad: Secretaris. Compareerde voor de ondergetekende gecom„ =mitteerden uit den E: agtbb: rade van Justitie dezes gouvernements voorm: slaaf Cassiem, denwelke zijne voorenstaande responsiven klaar en duidelijk voorgeleesen zijnde, ver„ =klaarde dezelve daar bij te blijven persiste„ =ren; met begeerte dat er niets meer bij of afgedaan worden zal; /:Onderstond:/ Aldus gerecolleerd aan Cabo de goede hoop den 29 Julij 1789. bij de vertolking van de schout hendrik Matthijssen /:Was getekend:/ waarom schreve dit werk is door de gev: als niet kunnende schrijven eigenhandig gesteld, voor de vertalking /:Was getekend:/ Hendrik matthijksen /: Lager:/ mij prezent /:was getekend:/ W: P: V: Rijneveld ad: Secret: /:in Margine:/ als gecommitteerdens /:Was getekend /:/ Rijno Johannes van der Riet, en Johannes Smits. Recollement. mij Accordeerd. Secret PJ J Rijneveld R: O. Compareerde voor den Edelen achtb: raade van Justitie deeses gouvernements de Jndependent Fiscaal M:r Johan nicolaas steven van Zijnden van Blitter&wijk R: O. Eijscher in cas van atroce reiele Jnjurie den burger Pieter Hamers gedaagde in 't zelve cas. Artic:s 1. Ende dede zeggen; 2. dat de ged: in dezen, in plaats van als burger deser steede zoo veel mogelijk het zijne te contribueeren tot conservatie vande publieke 3 zekerheid, 3 integendeel zich niet ontzien heeft, om, wanneer op den 2 der gepasseerde maand maart, zijn mede burger Marthinus Keit hem gev: over eenige affaires was komen spreeken, 4. denzelven keet; na eenige woordewisseling, op eene verregaande wijze te mishandelen: 5. hebbende hij gev: met een ijzeren smits hamer =gebragt; gem: kiet verscheide zwaare slaagen toe„ N=o. 1 contra Artil: 13. Artij: 6. Waarvan keet bij het passeeren van een ten deezer sub La A geproduceerde relaas voor heeren gecommitt:=s uit dezen edelen. Achtb: raaden nog de gevoelige kintekenen heeft gedraagen; en waardoor hij een geruimen tijd buiten staat is gesteld geweest, om zijn beroep als wage„ =maker, 't geen zijn eenigste middel van bestaan is, naar behooren te kunnen waar„ =neemen. 8. omme van de waarheid van dit gepasseerde in van de gegrondheid dezer procedures U. E. E: achtb: ten vollen te convinceeren; zal de 7. O. Eijzcher zich bepaalen bij eene korte en zakelijke adstructie der drie volgende poincten. 9. Voor eerst zal men doen zien, dat de ged: zich in de daad heeft schuldig gemaakt aan het mishandelen van zijnen medeburger; 10: en in de tweede plaats dat de ged: door die handelwijze gepleegt heeft een atroie reiele terwijl den R: O: Eijzcher ten derden buiten twijf 41. =fil zal stellen; dat de handelwijze van den ged: inzolveert eene misdaad; waaromtrend het officie van den Eischer moet werkzaam zijn. 12. Wat het eerste poinct betreft, gelieven U. E. E. injurie: Achtb: maar in te zien het relaas van den burger Marthinis Keet, geproduceert sub. L=a A., waaruit aan U. E. E. achtb: zal blijken, dat gem: kiet op den 2 der gepasseerde maand maart bij den ged: in derselfs smitswinkel is gekoomen, om met hem ged: te spreeken over eenige zaaken, hunlieder pesp=t ambach„ =ten comerneerende, blijkens de bijlage sub 14. doch dat die discousen door des gev: zeggen: „Jk zal je op een andermaal houd geld geeven, niet lang bij het vriendelijke gebleeven; maar tot vloeken en schelden overgeslagen zijnde; 15. de ged: aan zijne losbandige vristen den vrijen loop geevende, eindelijk tot dat uiterste is gekoomen, om met een ijzeren smitshamer, waarmeede hij bezig was geweest te arbeiden, eerstelijk aan meergem: niet een sag op de borst te geeven; 16. en vervolgens, wanneer dit niet naar wensch gelukte, hem niet nog drie slaagen toe te brengen, waarvan een op 't voorhoofd en twee zwaare op de linkwarm zijn gevallen; 17. door welke slaagen, gelijk reeds gezegd is, gem: keet een geruime tijd is belet geweest om zijn daagelijks beroep naar behooren te kunnen waarnemen: 18. gelijk U. E. E. achtb: zulks nader kunnen zien L=a C. Achtb uit 1.
English
from the attestation of Doctor of Medicine Liesching, Surgeon-Major of the Regiment of Wairtenburg, annexed hereto under Litera B. Article 19. Since the defendant has now in no way denied, nor can deny, that he is guilty of those misdeeds; but on the contrary fully confessed this when he was required by the Fiscal Office to investigate the matter; 20. the Plaintiff ex officio therefore confidently trusts that he may refrain from a lengthy argument to show to Your Noble Worships that the account of the aggrieved party, in so far as the Plaintiff ex officio makes use of it, joined with the exhibits under Litera B and C and further circumstances that took place, provide sufficient proof. 21. The Plaintiff ex officio nevertheless reserves the right, in due time, if necessary, to further substantiate both the sufficiency of the evidence and the validity of the confession. 22. Let this suffice, Noble Worshipful Sirs, to substantiate the first point; the Plaintiff ex officio will now proceed to demonstrate the second, namely that the defendant has committed an atrocious real injury. 23. Just as it is required by the nature of both a real and a verbal injury that the injurer had an animus injuriandi or a deliberate intention to injure; so it will not be unserviceable to note beforehand, Article 24. that when the act in question is of such a nature that someone's good name and reputation is damaged thereby, it is also beyond dispute that the perpetrator is presumed to have had an animus injuriandi, argumentum Legis 5, Codicis de Injuriis. 25. If this is so, Noble Worshipful Sirs, and there is on the other hand no doubt that Martinus Keet has been injured to the utmost by receiving those blows, having been treated by the defendant not as one ought to live with one's fellow citizen, but rather worse than a slave! 26. Then it goes, subject to correction, without saying that the defendant, as long as he does not prove the contrary, must be held to have truly dealt those blows to Kiet animo injuriandi, and then he has also undeniably committed a real injury. 27. The atrocity of which real injury cannot be subjected to the slightest hesitation: 28. for, as Emperor Justinian expressly teaches in paragraph 9, Institutionum de Injuriis: Atrox injuria aestimatur vel ex facto; veluti, si quis ab alio vulneratus sit, vel fustibus caesus: vel ex loco etc.: Article 29. that is, the atrocity of an injury is determined either from the act itself; for example, if someone has been wounded or beaten with sticks; or from the place, etc. 30. Which marks of an atrocious real injury Your Noble Worships will perceive without difficulty in the present case. 31. In order, finally, to place beyond doubt the third point, namely that the act of the defendant constitutes a crime concerning which the office of the Plaintiff ought to be active; 32. the Plaintiff ex officio will briefly take the liberty to say; 33. that whereas in all ordered societies every resident has divested himself of the right to obtain satisfaction upon his own authority in case of injury, and has deposited that right in the bosom of the Sovereign; 34. it ought also to be beyond dispute that the defendant, even had he been insulted by M. Kiet, which nevertheless has not appeared to the Plaintiff ex officio, in such case ought to have addressed himself to the Judge appointed for that purpose by the Sovereign; Article 35. in order to obtain through him such satisfaction as would be deemed necessary for the reassurance of the aggrieved party and the maintenance of the Supreme Authority. 36. The defendant has therefore, even if one wished, contrary to the truth, to suppose that he had been insulted, nevertheless made himself highly punishable by his conduct, having stepped into the office of his lawful magistrate; for whose authority the Plaintiff considers himself obliged ex officio to take the most meticulous care: 37. and it is also on those grounds that the Plaintiff ex officio has instituted these proceedings against the defendant; 38. in order to prevent that, by letting such unauthorized acts pass unnoticed, the authority of those to whom it exclusively belongs to command may not finally be reduced to nothing; and thereby the safety of peace-loving and honest residents might be exposed to the utmost danger. 39. Having thus far sufficiently demonstrated that the defendant has made himself guilty to the highest degree of an atrocious real injury Article 40.
Dutch transcription
uit de ten dezen sub: L=a B geannexeerde attestatie van den medecina doctor Liesching Chir: major van het Regiment van wairtenburg. Artij: 19. daar nu de ged: geenzints ontkent heeft, noch ook ontkennen kan, aan die wanbedrijven schuldig te zijn; maar zulks in tegendeel volmondig heeft geconfesseert, wanneer hij door het officie Fiscaal tot onderzoek der zaake is gerequireert geworden; 20. zoo vertrouwt de R. O. Eijscher zich gerustelijk te kunnen onthouden van een briedvoerig betoog, om aan U. E. E: achtb: te doen dien, dat het relaas van den beledigden, voor 20 verre de B. O. Eijscher er zich van bediend, gevoegd bij den producten sub: L=ra B. en C. en verdere plaats gehad hebbende omstandigheeden, een voldoende bewijs opleeveren. - 21. Reserveerende de B. O. Eijscher zich nochtans de faculteit, om in tijd en wijlen, is 't nood, zoo wel de sufficientie der bewijzen, als de deugdelijkheid der confessie nader te adstrueeren. 22. Dit zij genoeg, Edele achtbaare Heeren, tot adstructie van het eerste poinct; de R: O. Eijscher zal nu overgaan tot betoog van het tweede, dat namelijk de gedaagde gepluegd heeft eene atroce reëele injurie. 23. gelijk tot den aart zo wel van eene reiele als verbaale injurie vereischt word, dat de beleedigden gehad hebbe een animus injuriandi of een opzettelijk voornemen om te beleedigen; zoo zal het niet ondienstig zijn vooraf aan te merken, Art: 24. dat, wanneer de daad in queestie van die natuur is, dat iemands goede naam en faam en door geladeert word; het ook buiten contestatie is, dat de daader ge„ =praesumeert word een animus injuriandi gehad te hebben arg L. 5C de Jnjuries. 25. Jo dit zoo, Edele Achtb Heeren, en is er van den anderen kant geen twijffel, dat Martinus keet door het ontvangen van die klaagen ten uitersten is gehoord, als zijnde door den ged: met zo als men met zijn medeburger behoort te leeven, maar veel een erger als een slaaf behandelt geworden! aan spreekt het onder verbetering ook van 26. zelve, dat de ged: zoo lang hij het tegendeel niet bewijst, gehouden moet worden waarlijk animo injuriandi die slaagen aan kiet te hebben bedeelt, en dan heeft hij ook zonder tegenspraak gepleegd eene reëele injurie. 27. Van welke reëele injurie de atroriteit melle aan geene de minste haditatie kan onder„ =hirig gemaakt worden: 28. want, gelijk de keijder Justinianus in 39 J: de pigudiis uitdrukkelijk liert beledigen atrox 1 atrox injuria astimotur vel ex facto; veluti, si quis ab alio vulneratus sit, vel fustibus cosus: vel ex locoki: Art: 29: dat is de atrociteit eener injurie word op„ =gemaakt of uit de daad zelve; bij voorb: als iemand gequest of geslaagen is: of uit de plaats enz.— 30. Welke kenteekenen van eene atrou reëele injurie U. E. E. Achtb: in het voor handen zijnde geval zonder moeite zullen ontwaaren. — 31. om eindelijk het derde poinct, dat nom: het bedrijf van den ged: insolveert eene mizdaad, waar omtrend het officie van den Eisscher behoort werkzaam te zijn, buiten twijffel te stellen.; 32. zal de 7. O. Eijscher kostelijk de vrijheid ge„ =bruiken te zeggen; 33. dat daar in alle geregelde maatschappijen een iegelijk ingebeeten zich ontdaan heeft van het recht, om in cas van belediging zich eigener autoriteid satisfactie te bezorgen, en dat recht heeft gedeponeert in den boezem van den Soirercin; 34. het ook buiten kijf behoort te zijn, dat de ged: al was hij door M: Kiet beleedigt geworden 't geen nochtans aan den R. O. Eijscher niet gebleeken is, in zodanig geval zich had behooren te addresseeren aan den door den soeverein daar toe gestelden Rechter; Art: 35, ten einde door deezen te erlangen zodanige satisfactie; als tot geruststelling van den beledigden, en tot maintien van 't Oppergezag zou nodig geoordeelt worden. 36. De ged: heeft zich derhalven, alwilde men invita veritate gaan supponeeren dat hij beleedigt is geworden, door zijne handelwijze evenwel ten hoogsten strafwaardig gemaakt, als zijnde getreeden in 't officie van zijne wettige overigheid; voor welker gezag de Eizcher zich amptshalven verpligt reekend de naauwkeurigste zorge te moeten draagen: 37. en op die gronden is 't aan ook, dat de R. O. Eijscher deeze procedures tegens de ged: heeft geintomeerd; 38. ten einde te proevenieeren, dat door diergelijke onbevoegde daaden ongemerkt te laaten pas„ =seeren, de auctoriteit van die geenen, aan welken het privatievelijk toekomt te gebieden, niet eindelijk ad nihilum geredigeert; en daar door de veiligheid van rustlievende en braave ingezeetenen aan het uiterste gevaar blootgesteld moge worden. 39. tot hier toe genoegzaam gedemonstreerd heb„ =bende, dat de ged: zich ten hoogsten heeft schuldig gemaakt aan atroce reiele injurie zich Arty: 40
English
would the Right Honorable Plaintiff now have to proceed Article 40. to examine what punishment, according to the principles of law, ought to be inflicted upon the defendant; 41. but from this the Right Honorable Plaintiff, under respectful correction, deems himself dispensed, since the manifold circumstances that can occur in the commission of insults, and which often must cause an immense difference in punishment, have not permitted a proportionate punishment to be determined for each particular case according to its nature; 42. but on the contrary, for that reason, it has been judged best to leave the determination of proportionate punishment to the modest and equitable judgment of the judge. For which and other reasons, to be further deduced in due time if necessary, the Right Honorable Plaintiff, making his demand, concluded that by definitive sentence of Your Honorable Worships, the defendant Pieter Hamers shall be condemned to a fine of Two thousand guilders Indian valuation, to be distributed according to custom, for the benefit of the treasury, with condemnation in the costs; or to such other penalties as Your Honorable Worships shall judge proper. Was signed: I: N: S: van Lijnden. In the margin: Exhibited in Court, 2 April 1789. Report given before the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, by and on behalf of the citizen Martinus Keet, of competent age, and this at the requisition of the Honorable Independent Fiscal of this government, Master Johan Nicolaas Steeven van Lijnden van Blitterswijk, reading as follows: That, after the declarant, on the 28th of the recently past month of February, had agreed to make for the account of the citizen Pieter Hammers a frame of a wagon, for the sum of 40 R:d, the said Pieter Hamers subsequently, on Monday the 2nd of this current month of March in the forenoon, came to the house of the declarant and said that whereas he could get a frame, such as the declarant had agreed to make for 40 rix-dollars, made by the citizen Andries Brink for 36 rix-dollars, the declarant must therefore declare whether he would also be satisfied with 36 rix-dollars, or whether he, Hamers, would otherwise contract that frame out to the said Brink for that price. That the appearer, having answered thereto that in case Andries Brink would be willing to prepare that work for 36 rix-dollars, he, the appearer, would then also drop 4 rix-dollars from the agreed price of 40 rix-dollars, but nevertheless found it foul of the said Brink to undercut someone in that manner; wherefore the above-mentioned Hamers thereupon departed from the appearer. That the appearer, having met the aforesaid Andries Brink on the street in front of the door of the citizen Jan Jurgens on that same day, he, the appearer, then made known to him what was related above and asked him how he could thus undercut a beginner and a good friend of his. That the said Brink thereupon attested to the appearer that he in no way had in mind the work that was already contracted out to the declarant, but was indeed of the intention to take on other new and undiscussed work from the said Hamers; adding thereto that Hamers was also said to have told him that, as he still had to claim 28 rix-dollars from the declarant, he had therefore contracted that work out to the appearer solely to get his money through that way. That the aforesaid declarant, at the request of and together with him, Brink, who wished to convince the declarant that he had in no way intended to cause disadvantage to the declarant by his offer to make the underframe for 36 rix-dollars, having gone to the house of the said Hamers, the aforesaid Brink then, in the presence of the declarant, addressed the same Hamers regarding the foregoing
Dutch transcription
zou de 7. O. Eijscher nu moeten overgaan om Artij: 40. te ondersoeken hoedanige straffe volgens de gronden van het recht aan den ged: behoort te worden geinfligeert; 41. dan hiervan acht zig de R. O. Eijzcher, onder eerbiedige correctie, gedispenseert; aangezien de veelvuldige omstandigheeden, welke bij het pleegen van Jnjurien plaats kunnen heb„ =ben, en welke dikwils een hemelsbreed ver„ „schil in de straffe moeten veroorsaaken, niet toegelaaten hebben, op elk bijzonder geval naar desselfs aart eene geëvenredigde straffe te bepaalen; 42: maar integendeel uit dien hoofde best geoordeelt is, de bepaaling van geëvenredigde straffe aan het bescheiden en aquitabel oordeel van den rechter over te laaten, Mits welke en andere rede„ =nen in tijd en wijlen /: is 't nood :/ nader te deduceeren, de R. O. Eijscher eisch doinde concludeerde, dat bij de„ =finetive vonnisse van U. E. E: Achtb: de gedaagde Pieter Hamers zal worden gecondemneert in eene geldboete van Twee duijsent guldens Jndische valuatie, te verdeelen volgens gebruik Relaas gegeeven ten over¬ =staan van de ondergetekenden gecommitteerdens uit den E: Achtb: raade van Justitie deezes gouvernements door en van weegens den burger Martinus Keet van Compe¬ =tenten ouderdom ende zulx ter requisitie van den E: Achtb: Heer Jndependent Fiscaal deezes gouvernements M:r Johan Nicolaas Steeven van Lijnden van Blitterswijk luidende het zelve als volgd. /: Pro ficco:/ met condemnatie in de kosten; ofte tot alzulke andere poenen als U. E. E. Achtb: zullen oordeelen te behooren. /:was geteekend:/ I: N: S: van Lijnden /:in margine:/ Exhibetum in Judicio & 2 april 1789. met dat „ „ ƒ„ - J Dat, na dat de rel=t op den 28 der Jongste ver„ =loopene maand Februarij voor reecq: van den burger Pieter Hammers had aangenoomen te maaken Een stel van een waagen, voor de Somma van 40 R:d, gerepten pieter hamers vervolgens op maandag den 2 dezer loopende maand maart in den voorde middag aan het huijs van den relt. is gekoomen en gezegd heeft, dat terwijl hij een stel, zo als die rect voor 40 rijksd: te maaken had aangenoomen, van den burger Andries Brink voor 36 Rijkrd: gemaakt krijgen konde, de ul=t zich derhalve maeht declareeren of hij zig ook met 36 rijksd: zoude willen te vreeden houden; of dat hij Hamers dien stel ander„ =zints bij gem: Brink voor die prijs zoude aanbesteeden. — Dat de Comp=t daarop geant„ =woord hebbende dat ingevalle Andries brink dik werk voor 36 rijksd: zoude willem in gereedheid brengen, hij Comp=t. dan ook op de bedonge prijs van 40 rijksd: 4 rijkrd: zoude late vallen, maar het evenwel van gerepten brink slegt vond om iemand op die wijze te onder„ =kruipen; invoegen bovengem: Hamers daar op van den Comp= is vertrokken. — Dat de Compt. op die zelve dag voorz: andries brink voor de deur van den burger Jan Jurgens op de straat ontmoet hebbende, hij Compt den zelven als toen het hier vooren ver„ haalde te kennen gegeeven en afgevraagd heeft hoe hij een jonge beginder en goede vriend van hem zodanig konde onder kruipen. — dat gerepte brink daar op aan den Comp=s heeft betuijgd geenzints het werk dat reeds bij den rel=t was aanbesteed, daar meede te hebben in het oog gehad, maar wel in de meening geweest te zijn om ander nieuw en onbesproken werk van gerepte Hamers aan te neemen; voegende hier bij dat hamers hem teffens zoude hebben verhaald dat terwijl hij noch 28 rijksd: van den re=t had te praten„ =deeren, hij dus alleen om door dien weg aan zijn geld te koomen dat werk bij den Comp=s had aanbesteed. Dat de re=te voorsz: op verzoek van en nevens hem Brink, die de ul=t gaarne wilde overtuijgen, dat hij in geenen deelen bedoeld had om door zijne offirte„ van den onderstel voor 36 Rijksd: te willen maaken den rel=t nadeel toe te brengen, ge„ gaan zijnde naar het huijs van gem: hamers voorsz: Brink als toen denzelven hamers over het voorenstaande in presentie van den op de Rel=t
English
The deponent maintained; that said Hamers not only immediately to the face of the deponent denied everything he had related regarding the offer of Brink to the deponent, but at the same time essentially added to the deponent: that henceforth he would give the deponent earnest money; the deponent then answered this by saying, I damn your earnest money, and will not come to you for work since I have plenty of work with others, adding: that he, the deponent, in the meantime found it very mean to spread around everywhere that the deponent owed him, Hamers, 28 r:t, and the more so, since he, the deponent, still had a counter-claim and would soon be able to settle the aforesaid 28 rd:s. That thereupon many words were still exchanged between the deponent and said Hamers, and some abusive words were even uttered in anger, and said Hamers then had not shrunk from striking him, the deponent, a blow to the chest with the hammer he was then holding in one hand, through which the deponent received a wound to his lip. That however much the deponent pushed said Hamers away from himself and added that if he was an honest fellow, he should come outside to settle the matter, the same Hamers nevertheless with aforesaid iron hammer first dealt him, the deponent, a blow to the head and subsequently two such violent blows to the left arm and shoulder, that not only did the arm immediately swell up in such a manner that the deponent could by no means move the same, but the deponent is presently still not in a condition to be able to use it properly, and at the same time, upon the drawing up of this his report, showed the marks of those blows to the undersigned commissioners. The deponent testifying that, even after receiving these blows, he asked said Hamers calmly why he was so hot-tempered, and whether he knew that in that manner he could have struck the deponent's arm off his body; and to have received then as an answer: I advise you to leave, for otherwise you will get more, and if you want to make something of it, you can complain about me to the Fiscal; wherefore he, the deponent, departed from there upon this being said. Relating nothing more, the deponent gives as reasons of knowledge as declared in the text, being prepared, if required, to confirm the foregoing further upon oath. Underneath was written: Thus passed at the Cape of Good Hope, the 10th of March 1789, before the gentlemen Rijno Johannes van der Riet and Christiaan George Maarxdorp, members of the Honorable Court of Justice of this government, who duly signed the minute hereof along with the deponent and me, sworn clerk. Lower: To which I testify. Was signed: W: P: van Rijneveld, sworn clerk. Confirmation of Statement Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, the aforementioned Marthinus Keet, to whom this his foregoing report having been read out clearly and distinctly, declared to persist and abide by it, wishing that nothing more will be added or taken away from it, except only that the blow which the deponent received upon his lips was not dealt to him with a hammer, but, as he believes, with a pair of tongs, while he received the blows to the head and on the arm with a hammer, and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, in the presence of the below-written salaried assistant of the Company Jacobus Vercueil, as authorized representative of the burgher Pieter Hammes, the solemn words: So truly help me God Almighty. Underneath was written: Thus confirmed and sworn at the Cape of Good Hope, the 30th of June 1789. Was signed: Martinus Keet. Lower: In my presence. Was signed: W: P: Van Rijneveld, Assistant Secretary. In the margin: As commissioners. Was signed: Mappa and Hendrik de Wet. I, the undersigned, hereby declare it to be true that on the 2nd of this month I was called to the dwelling house of the burgher Martinus Keet and was requested by the same to examine his arm, whereupon I noticed that the arm was severely swollen, and in the middle of the upper arm was a mark from the hammer with which the blow was struck, blue and purple, somewhat mixed with blood beneath the outer skin, and subsequently behind on the same left shoulder blade, likewise a mark on the forehead bared of the skin, and the lower lip swollen by a small opening, through which he, Keet, has hitherto not been able to properly use his arm.
Dutch transcription
Rel=t heeft onderhouden; dan dat gerepte hamers niet alleen terstond in facie van de relt ontkend hebbende al het geene hij nopens de offerte van Brink aan den Rel=t verhaald had, maar teffens de rel=t substan„ =tieelijk toegevoegd: dat hij voortaan den ril=t hand geld geeven zoude; hij rec=t dit als toen heeft beantwoord, met het zeggen ik verdoem uw hand geld, en zal om geen werk bij u koomen daar ik bij anderen overvloedig te werken heb, met bijvoeging: dat hij rel=t het intusschen zeer slegt vond om overal rond te brengen dat de rec=t hem Hamers 28 r:t schuldig was, en zulks te meer, daar hij rel=t nog een tegen reecq: had ende voorz: 28 rd:s spoedig zoude kunnen vereffenen. - Dat hier op tusschen de relte. en gem: hamers noch veele woorden gewisseld en zelfs in drift eenige scheldwoorden geuijt zijnde, gerepte kamers zig vervolgens niet had ontdien hem rel=t met zijne toen in de eene hand hebbende Hamer een slag op de borst toe te brengen waardoor de rel=t eene worden aan zijn Lip heeft bekoomen. — Dat hoe zeer de rel=t gerepte hamers van zig afgestoten en toege„ =voegd heeft, dat wanneer hij een braaf karel was, hij dan om de zaak af te maaken, buijten de deur maerte koomen, den zelven Hamer hem re=t egter als nog met voor &2: ijzere hamer eerst een zlag voor het hoofd en ver„ „volgens twee zodanige geweldige klaagen op de linker arm en schouder heeft toegebracht, dat niet alleen de arm dadelijk zodanig is opgezet dat de rel=t dezelve geenzints konde beweegen, maar hij ul=t denzelven tans noch niet in staat is naar behooren te kunnen gebruijken, en te gelijk bij het passeeren van dit zijn relaas, de teekenen dier slaagen aan de ondergetekende gecommitteerdens vertoond heeft. Betuijgende de redte. noch na deeze ontfangene slaagen, gerepten Hamer in bedaardheid te hebben afgevraagd hae hij zo driftig was: en of hij wel wirt den rel=t op die wijze den arm te hebben kunnen van het lijf slaan; en als toen ten antwoord te hebben bekoomen: Jk rade u dat gij vertrekt want anders zult gij meer hebben. en als gij er wat van hebben wilt, kint gij mij bij den Fiscaal verklaagen; zulx hij rett: op dit zeggen van daar is vertrrokken. Niets meer relateerende geeft de rel=t voor redenen van weetenschap als in den text bereerd zijnde het voorenstaande des gerequireerd wordende met Ede nader gestand te doen. Onderstond:/ Dat Aldus passeerde aan Cabo de goede was hoop hoop. den 10 Maart 1789. voor de heeren Rijno Johannes van der riet in Christiaan george Maardorp lieden uijt den E: achtb: raaden van Justitie deezes gouvernements die de minute deezes beneevens den rel=t ende mij gezw: Clerq meede behoorlijk hebben onderteekend. /:lager: / 't welk ik getuijge /:was geteekend:/ Wr: P: van Rijneveld gezw: Clerq. Recollement Compareerde voor ons ondergetekende gecom„ „mitteerd:s uijt den E. achtb: raade van Justitie deezes gouvernements voormelde Marthinus kiet dewelke dit zijn voorenstaande relaas klaar en duijdelijk voorgeleezen weesende verklaarde daar bij te blijven persisteeren met begeerte dat er niets meer bij afte van gedaan werden zal, als alleenlijk dat de slag welke den rel=t op zijne lippen bekomen heeft, hem rel=t geenzints met een hamer waar, zo hij meend met een tang is toegebracht terwijl hij nt=t voor 't hoofd en op den arm de klaagen met een hamer heeft ontfangen, en sprak derhalven ter bevestiging der waarheid van dien in tegenwoordigheid van den onder afgeschreve gagie staande adsistent der Compe: Jacobus Vercuel als gemachtigde R: O. Ik ondergeteekende bekenne bij deezen hoe waar is, dat ik op den 2 deezer ben geroepen ten woonhuijze van den burger martinus Keet en van den zelven verzogt, zijn arm te bezien, waar bij ik ontwaarde, dat den arm sterk was gezwollen, en in de midden van de bovearm een teeken van den hamer, door welke de slag gedaan is, blaauw en paars enigzints met bloed tusschen de boven huijd vermingt, en vervolgens agter op derselfde linken schouderblad, insgelijks een teeken aan de voorhoofd ontblood van de huijd en den onderlip door een klijne opening opgezet, door welke hij keet tot dus verre niet in staat is zijn arm behoorlijk van den burger Pieter Hammes, de solemneele woorden; zo waarlijk helpe mij God Al„ =machtig. /:Onderstond:/ Aldus gerecolleerd en beëdigd aan Cabo de goede hoop den 30 Junij 1789. /:Was getekend:/ Martinus Keet /: lager:/ mij present /: Was getekend:/ W: P: Van Rijneveld adz: Secretaris /:in margine:/ als gecommitt: /:was getekend:/ Mappa een Hendrik de Wet. van te
English
All the above I acknowledge to be the absolute truth, and to confirm further if required by necessity. Cape of Good Hope, the 6th of March, Anno 1789. Signed: Dr. Liesching, Surgeon Major of the Regiment of Württemberg. Confirmation. There appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, the aforementioned Surgeon Liesching, who, having had this his aforementioned declaration clearly and distinctly read to him, declared that he persisted therewith, desiring that nothing more be added to or removed from it. For the Fiscal. Today, the 9th of March, 1789, there appeared before me, Willem Stephanus van Rijneveld, sworn clerk at the Secretariat of Justice of the Castle of Good Hope, in the presence of the after-named witnesses, the Firemaster Andries Brink Junior, of competent age, who, at the requisition of the Honorable Worshipful Independent Fiscal of this Government, Mr. Johan Nicolaas Steeven van Lijnden van Blitterswijk, declared it to be true: That when the appearer, who is a wagonmaker, went on last Monday, the 2nd of this current month of March, in the morning to the blacksmith shop of the burgher Pieter Hamers in order to inspect the work that the said Hamers had contracted to make for the appearer, the said Hamers on that occasion asked the appearer for how much the appearer would undertake to prepare a set of parts for a wagon; that the appearer having replied thereto in substance for forty rixdollars, the appearer nevertheless subsequently, while the aforesaid Hamers remained silent on this, said that he could well do it for 36 rixdollars; the said Hamers having then answered this by saying: I have already ordered it for 40 rixdollars, whereupon the appearer having replied: then I cannot make it! departed from there again. That in the afternoon, the burgher Martinus Kiet, who is also a wagonmaker, having met the appearer in the street, the said Kiet asked the appearer whether it was true that the appearer would have wanted to undertake to make a set of parts which he, Kiet, had in hand for forty rixdollars, for 36 rixdollars? adding thereto, however, that he could not think that the appearer would wish to undercut him. That the appearer having answered thereto that if the said Kiet would only go with the appearer to the aforesaid Hamers, he would immediately convince Kiet of the contrary; wherefore both of them having gone directly to the above-mentioned Hamers, the appearer then asked Hamers in the presence of the said Kiet whether the appearer had wanted to undercut Kiet, which was immediately answered by Hamers with the statement that the appearer, when he had offered to make the set of parts for 36 rixdollars, had not known that an agreement had been made between him, Hamers, and Kiet, and that this set had already been contracted out. That some further words having been exchanged between the said Hamers and Kiet, the said Hamers then further added to the same Kiet: when we agree again, we will do it differently and I will give you earnest money. That the aforesaid Kiet answered in substance: damn your earnest money, and the said Hamers having replied thereto: you have nothing to damn here; the appearer then, because violent abuse was being shouted at each other by the said Kiet and Hamers, without the appearer now being able to remember the words uttered, sought to leave from there; but that the appearer, having arrived at the back gate and not having been able to get it open, returned from there and then only saw that the aforesaid Kiet and Hamers, the latter having a pair of tongs and a hammer with which he had previously been working in his hands, stood very close to each other's bodies, cursing at the top of their voices, without the appearer knowing how this matter proceeded further, as the appearer immediately departed from the house of Hamers thereafter, the appearer testifying that the aforesaid Kiet, in the above-mentioned heated dispute, challenged the said Hamers outside the door. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons for his knowledge as stated in the text, being ready to confirm the above further with a solemn oath. Underneath stood: That this thus transpired at the Secretariat aforesaid.
Dutch transcription
Alle het bovenstaande be„ te gebruijken, =kennen ik de suijvere waarheid te zijn, en des noods vereijst werdende nader te staaven Cabo de goede hoop den 6 Maart A:o 1789. /:was getekend:/ D=r Liesching, Chirugijn Majoor van het regiment van Wirtemberg. Recollement, Compareerd voor ons ondergetekende gecom„ =mitteerdens uijt den E. actb: raade van Justitie deezes gouvernements voorm: Chirurgijn Liesching dewelke deze zijne vorenstaande verklaaring klaar en duijdelijk voorgeleezen weezen, de verklaarde denzelve, daar bij te blijven persisteeren met begeerte dat er niets meer bij ofte van gedaan werden zal. /: Pro fisco:/ Huiden den 9 Maart 1789. Compareerde voor mij Willem Stephanus van Rijneveld gezw: Clerq ter secretarye van Justitie des Casteels de goede hoop, present de nagenoemde getuijgen, den Brandmeester Andries Brink Junior, van Competenten ouderdom, dewelke ter requisitie van den E: Achtb: heer Jndependent Fiscaal deezes gouvernements M=r Johan Nicolaas Steeven van Lijnden van Blitters„ wijk, verklaarde hee waar is. Dat wanneer de Compt. die een wagemaker is, zig op laastl: maandag den 2 deeser loopende maand maart, in den voordemiddag begeeven heeft naar de smits winkel van den burger Pieter Hamers, ten einde aldaar te zien na het werk dat gem: hamers voor den Compt. te maken had aangenoomen: denselven Hamers; hem compte. bij die gelegendheid heeft afgevraagd, voor hoe ziel den Comp=te zoude willen aannemen Een stel tot een wagen in gereedheid te brengen? dat de Compte. daarop in substantie geantwoord hebbende voor veertig rijkzd:: hij Comp=te egter vervolgens, terwijl voorsz: hamers, hier op stil zweeg, heeft gezegd, dat hij het wel voor 36 Rijksd: zoude kunnen doen; hebbende gerepten hamers, dit als toen beantwoord met het zeggen: ik heb het al besteld voor 40 rijksd:, terwijl de Comp=t gerepliceerd heb„ =bende: dan kan ik het niet maaken! we„ =derom van daar is vertrokken. dat in de nademiddag den Comp=t op de straat tegen gekomen zijnde, den burger martinus kiet, die mede een wagenmaker is, gem: keel hem Comp=t heeft afgevraagd, of het Fixcaal waar - waar was, dat hij Comp=t een stl welke hij keet, voor veertig rijksd: onder handen had, zoude hebben willen aannemen te vervaar„ =digen voor 36 Rijk: ? daar bij egter voegende dat hij niet denken konde, dat de Comp=t hem zoude willen onderkruipen. — dat de Comp=t daarop hebbende geantwoord, dat hij, zo gem: kiet zig maar met de Comp=t naar voorsz: Hamers wilde begeeven, hem kiel terstond van het tegendeel zoude overtuij„ =gen; zulx zij beiden direct na boveng: hamers gegaan zijnde, de Compte. hem Hamers als toen in praesentie van gerepten kiet heeft afge„ =vraagd, of de Compte heem kiet hadde willen onderkruipen 't gunt door hamers, terstond is beantwoord met 't zeggen, dat de Comp=t wanneer hij de stel voor 36 rijksd: had aange =booden te maaken, niet had geweeten, dat daar over tusschen hem hamers en kiet een accoord getroffen endien stel reeds aan be„ =steed was. dat tusschen gem: hamers en keet, noch deeze en geene discoursen gewis„ seld zijnde, gem: hamers, denselven kiet, als toen noch heeft toegevoegd: als wij weeder accordeeren dan zullen wij 't anders maaken en zal ik ze geld op hand geeven. dat voorsz: kiet in substantie heeft ge„ „antwoord: ik verdoem jou handgeld, en gerepten hamers, daarop gerepliceerd hebbende: gij hebt hier niet te verdommen: hij Comp=t als toen, vermits door gerepten keel en hamers, tegen elkander herig wierd gescholden zonder dat de Compt. zig de geuijte woorden tans meer weet te errinneren, zig van daar heeft tragten te begeeven; dan dat de Comp=t bij de agter poort gekomen zijnde en deselve niet hebbende kunnen open krijgen, van daar weder is te rug gekeerd, in als toen alleenlijk heeft gezien, dat voorsz: kiet en Hamers, hebbende de laastgem: een tang en hamer, waar meede hij te vooren had staan werken in de handen digt tegens elkanders lijf. luijdkeels stonden te schelden, zonder dat de Comp=t weet hoe het met deeze zaak verder is toegegaan, als zijnde hij Compte. daar op dadelijk uijt het huijs van hamers vertrokken, Betuijgende de Comp=t dat voorsz: Riet in de bovengem: herige twist gem: hamers buijten de deur geijscht heeft - Niets meer verklaa„ =rende geeft de Comp=te voor redenen van weten„ =schap als in den text bereijd zijnde het voo„ =renstaande met solemneele Eede nader gestand te doen. /:Onderstond:/ Dat aldus passeerde ter secretarije voorm: gerepten ter