VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 4346

Cape · 486 pages · 112 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_4346_0385 view scan ↗

English

was, how public affairs, peace, as well as the interests of the good inhabitants and citizens were faring, and he was ruled by a complete indifference and inactivity, neglecting that which particularly deserved his attention and vigilance. That these are no mere words and pretenses has been demonstrated in the clearest possible manner, when, shortly after his arrival in this colony, a gang of thieves and vagabonds made it so unsafe here that no one was secure in their house any longer, but had to be on guard as if they might be surprised and attacked by that folk at any moment. Almost every night, and even in the finest weather and the brightest moonlight, houses—and primarily in the principal quarters and neighborhoods of this place—were not only broken open, but cupboards and chests were also forced with violence, the valuables found therein, such as money, gold, and silver, stolen and carried away, and some rooms and shops robbed of voluminous goods and piece goods, to which now and then murder and arson were added. And notwithstanding that the Independent Fiscal had been provided with a double number of deputies, a mace-bearing undersheriff, two provosts, a whole line of justice officers and kaffirs to watch over the public roads and to maintain general peace, and thus very many subordinates and lesser officers of justice—more than any of his predecessors ever had, among whom some dared to lead their subordinate servants pistol in hand when it came to apprehending notorious villains and murderers, although they were just as little obliged and bound to do so as the present Fiscal, and who nevertheless, at the first incident, were alert and on their feet, catching the wrongdoers and vagabonds red-handed or having them in their power a very short time thereafter and subjecting them to their deserved punishments—yet with all this, not one of the thieves, murderers, and arsonists has been discovered or captured, nor has anything stolen, however slight, been discovered or recovered to this day. Indeed, the very measures implemented and employed by the said gentleman have been of not the slightest use or effect; indeed, they have rather served and tended to make the public roads all the more unsafe and to disturb the general peace. For several persons, of whatever rank and condition, who were quietly and peacefully going their way, were on various occasions molested, assaulted, brutally mistreated with blows and pushes, and brought to the guardhouse by the so-called secret night-watches or auxiliary watches—who were generally disguised and rigged out in a very peculiar manner, giving them much resemblance to buffoons and Saint Nicholas figures, and provided and equipped with a pass for that purpose, and who at times, with very good reason, were taken for the thieves and wrongdoers themselves—and were released again without any notable satisfaction whatsoever, merely because they had been seized and taken into custody innocently. Yet this would only have caused the Fiscal trouble and headaches, and brought no profit, and therefore it was best not to think of it at all, and to let everyone watch and care for their own, come what may. It would cost the undersigned no trouble at all to cite yet a multitude of the strongest and most unassailable proofs to accompany these, in substantiation and reinforcement of their equitable and legitimate complaints concerning the unbearable, tyrannical, and very conspicuous conduct of the Fiscal, as well as the respectful and urgent request arising therefrom. To that end, they have a field before them so vast and wide that they cannot possibly survey it; indeed, they could very easily make a beginning, but not so readily

Dutch transcription

was, hoe het met de publicque za„ „ken, Rust, mitsgaders de belan„ „gens van de goede Ingezetenen, &Burgers ook ging, & hij door eene Complete onverschilligheid, & werkeloosheidt, geregeerd wierd, & dat geene verwaarloos de het welk zyne attentie & Vigilantie„ bijzonderlijk verdiende, dat dit geen bloote woorden & voorgee„ vens zijn, is ten allerduijdelijk „sten gebleeken, wanneer al Kort na zijn aankomst in deeze Co„ „lonie, een bende Dieven & Naga„ bonden, het hier zoo onveijlig maakte, dat niemand in zijn. Huijs langer zeeker was, maar zoodanig op zyn hoede moest weezen, eeven of hij alle momen„ „ten van dat volkje, zouden verrast & g'attaqueerd worden, bijna alle Nachten & zelfs bij 't Schoonste weer, & helderste Maan licht, wierden de Huijzen & wel Principaal in de voornaam„ „ste wijken & buurten, van deeze Plaats, niet alleen oopen ge„ „brooken, maar ook kasten & kisten, met geweldt geforceerd, de daar in te vindene Effecten van waarde, als geldt, goudt, en zilver gestoolen & wegge „dragen zommige vertrekken & Winkels van Volumnieuse & stuk goederen beroofdt, waarbij zig nu & dan al voegde moordt & brandtstigting, & niette gen „staande den hr Indeps PesCo voor zien is geweest, van een dubbelt getal adjuncten, een Massiere Onderschout, twee geweldigers, een reeks van Justitie dienaar¬ & Caffers, om voor de oopenbaren weegen te waken, & de alge„ „meene Rust te vigileeren, en dus zeer veele suppoosten & minder justitie dienaren, meer als oordt zijne Entecesseuren gehadt hebben, waar onder zom „mige geweest zijn, die met Pistool no de handt, hunne ondergeschikte dienaren dorsten voorgaan, als het er op aankwam, om voorna„ me Booswigten & Moordenaars te apprehendeeren, schoon zy daar toe eeven zoo min verplicht & bn „gehouden waren, als de praesenten h=r Fisc=t & die nogthans bij het eer „ste voorval, allert, & op de been waren, & de kwaadtdoenders & Vaga¬ „bonden op heeten Daadt, dan wel zeer korten tyd daar na in hunnen Macht hadden, & de verdiende straf „fen lieten ondergaan, dog met dat alles zijn van de Dieven, Moordenaar 751 „drage & & brandtstigters, nog geen ontdekt nog gevangen, of van het gestoo„ „lene tot dato deezes, nog niets hoe gezing ook ontdekt of ag„ „terhaalst geworden, Ja de maat„ regulen zelfs, die door d' Hr. van zynden zyn in het werk gesteldt &b: gebezigt, zijn van geen de minste Vut of Effect geweest, Ja hebben eerder gestrekt & gediend, om de publicque weegen al meeren meer onveilig te maken, en de algemeene Rust te verstooren, dewijl verscheide Menschen van wat rang & staat ook, die stil & Vreedtzaam hunnen weg vervolg, den, op differente reijzen, door de zoo genaamde geheeme Nacht of bij wagten, / in 't gemeen op eene zeer bijzondere wijze ver„ „momd & toegetakeldt, waar door zij veel rapport hadden, op Hansworsten & St. Nicolaas Lotten¬ & ten dien ainden met een pas gedekt & gemunieerd, & die zomtyd met zeer veel grondt, voor de Dievents kwaadtdoenders zelve zijn gehouden geworden:/ gemolesteerd aange rand, & op eene brutale Wijze met slaan & stooten, mishan„ „delt & in de Corps de Guarde ge„ „bragt, & zonder eenige de minste merkelyke voldoening, wederom gelargeerd zin geworden, om dat zij onschuldig waren opgevat, & in verzekering genoomen, dog dit zoude den h=r Fisc=ol maar moeijten & hoofdtbreeken gecauseerd hebben, & bragt geen voordeel aan, & daar om was teste daar maar niet eens om te denken, & een ieder voor het zijne te laten waken & zorgen, het mogt gaan zoo als het wilde, Het zoude de ongetekd=d in 't geheel geen moeyten behoeven te kosten, om nog een turbe van de sterkste & Onwraakbaars te bewijze, aan te roeren, om deeze te laten verzellen, tot adstructie & verster¬ „king van hunne billijke & recht„ „matige klachten, Concernerende de onverdragelike, mitsgaders Pyranniegue en zeer in 't oogloo„ „pind gedrag van den h=r Pisc=o mitsgaders het daar uijt voort„ „vloeijende Eerbiedig& in stantig verzoek, zij hebben ten dien ein„ den een Veldt voor zig, zoo ruijm & wijt uijtgestrekt, dat zi de „zelve onmooglyk ooverzien kun „nen, Ja zi zouden zeer las wel een begin, maar juijst zoo schie merkelijk „lijk 752.

NL-HaNA_1.04.02_4346_0387 view scan ↗

English

no end could be found, yet the fear of demanding too much of Your Right Honorable & Honorable Worships' precious attention, which otherwise has nevertheless been sufficiently occupied for some time, solely holds us back from it. Yet, in order to free ourselves from the suspicion that this is merely a bare pretext and that we occupy ourselves with boasting, we shall cite just a few more cases and, with a few strokes of the pen, bring them with the utmost reverence before Your Right Honorable & Honorable Worships' eyes. In the first place, we shall briefly mention the case of the famous burgher Jan Smit van Dilburg, who, by definitive sentence of the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, was confined for the term of five years on Robben Eiland, and after the expiration of that time, banished forever from this Colony as well as from the jurisdiction of the same. But either he immediately, or his accomplices, shortly after the arrival of the Mr. Independent Fiscal, knew how to find the secret to compound with the Mr. Fiscal, as well as to settle that affair, for which he had already been condemned by that tribunal to the punishments just mentioned, for an unheard-of sum of eighteen thousand guilders, he being subsequently directly released from his confinement. To which the Council, having been presented by the Fiscal with reasons that appeared plausible and coincided with his advantage, condescended and agreed, relying entirely on his experience and legal skills, as having already been President of a prominent court of justice. But whether Mr. Van Lijnden on that occasion brought to light all the reasons and motives that were necessary and required, as well as those that militated against it, of that we doubt very strongly. At least we assume for certain that if the character of that gentleman had been as well known at that time as it is at present, that settlement and composition would not have succeeded and proceeded in that manner, we being reliably informed that the Worshipful Mr. President of that assembly refused to confirm it, but had his protest entered against it. The aforementioned Smit van Dilburg now actually finds himself in loco, where he enjoys all privileges, just like the most honest burgher and inhabitants, carrying on his trade and conduct, livelihood, and occupation again as before, and as if nothing had happened to him and he had never been confined nor banished, the undersigned judging that enough has been said about the affair of that notorious Smit van Dilburg, since his person and conduct have been so widely known here for years that we need not dwell on that matter any longer. In the second place, there arises the case, well known to everyone, of the burgher Godfried Frederik Koch, who, after a very long criminal detention and incarceration, as well as the far-reaching and unheard-of mistreatment resulting from it, closely resembling those practiced and introduced in the Inquisition, whereby he was on the brink of death and, as it were, with one foot already in the grave, and at that critical and most unpleasant moment they would not even grant him a release for some time to recover his physical constitution, although it would have cost him no effort to find among the burghers many, indeed very many (since everyone was most keenly affected by the fate of that unfortunate man) who would have gladly stepped forward as sureties, had difficulty been made, or proposed, to release him under simple promise or oath, was indeed forced and constrained to compound with the Mr. Independent Fiscal, and that for a considerable sum of seven thousand five hundred guilders. Which certainly would not have happened had that man only dared to stand firm and requested to be accepted in an ordinary trial before the Honorable Worshipful Council; but fatigued, indeed exhausted by all the torments to extort that money from him, he thus only longed for a settlement and

Dutch transcription

lijk geen einden vinden kunnen, dog de Vreeze van Uw Ed=e Gestr: & E. Achtb: Prae„ „tieuse attentie, die buijten dat eeven wel zeedert eenige tijd genoeg is g'occupeerd gehouden geworden, te veel te zullen vergen, houd ons eenelijk maar daarvan te rug, dog om ons eevenwel van Sus„ „picie te bevrijden, als of dit ee„ „niglijk maar een bloot voorgee„ „ven is, & wij ons met groot spree„ „ken bezig houden, zoo zullen wij nog maar eenige gevallen Citee„ „ren, & met eenige weinige trekke van de Pen, met de meeste Spe¬ verentie Uw Ede Gestr: & E Achtb onder het oog brengen In de eerste plaats zullen wij kortlijk mentie maken van het geval van de Sameuse Burger Jan Smit van Dilburg, dewelke bij kou„ nisse definitief van den Ede: Agtb Raadt van Justitie deezes Gou¬ „vernements, voor den Tiddt van Vijf Jaren is geconfineerd gewor¬ „den, op het Robben Eilandt, & na verloop van die Tydt, ten eeuw gen dage uijt deeze Colonie, mits „gaders den Ressorte van die Ge¬ „bannen, dog die dan aanston dan wel zijne meedehelper kort na de aankomst van den h=r Indep=s Tisc=l het gehei# hebben weeten uijttevinden, om met den h=r Pisco te composeeren„ mitsgaders oover die affaire waar door hij bereids, door die Vierschaar was gecondemneerd geworden, tot de straffen zoo eeven gemeldt, af te maken voor een ongehoorde som„ „ma van Agtienduijzend Guldens, zynden hij vervolgens van zijn Confinement direct ontslagen, geworden, & waar in den raad door de schoonschijnende & met zijn voordeel oovereenkoomende reeden„ „nen door den Fiscaal voorgeligt zijnde, heeft gecondescendeerdt & toegestemd, zig volkoomen verlaa„ „tende op zijn ondervinding & be„ kwaamheeden in Rechten, als zynde bereids geweest Praesident van een voornaam Gerechtshof„ dog of d' h=r Van Lijnden, bij die ge„ „lengheid wel alle de Reedenen & Motiven, die daar toe noodig waren & gerequireerd wierden, mitsgaders daar teegen mili„ „teerden, voor den Dag heeft ge „bracht, daar twijfelen wij zeer Sterk aan, ten minsten wij veron„ „derstellen voor vast, dat bij al „dien het interieure van dien Heer, op die tyd zoo bekendt was geweest als tegenswoordig¬ het met die afdoening & Com„ „positie, zoo niet zoude gelukt 753. hebben & 754. en gevlot weezen, zinde wij in het zeekere g'informeerd, dat den Achtb Hr Praesid=t van die vergade ring, zig daar meede niet heeft willen Confirmeeren, maar daar teegens zijn Protest laten aante„ „kenen, bevindende gem=t Smit van Dilburg zig thans werkelyk nog in Loco, alwaar hij van alle de voorreg„ „ten jouisseerdt, eeven gelijk de braafste Burger & Ingezetenen doenden hij zijn handel & wandel, Neeving, & handtteering, weederom eeren als bevoorens, & of er niets met hem gepasseerdt, & hij nooidt geconfineerdt, nog gebannen was geweest, oordeelende de Ondergd=e dat genoeg oover de affaire van die be„ „rugte Smit van Dilburg, dewijl zijn Persoon & Conduites, zeedert Jaren lang, alhier zoo oover bekend zijn, dat wij daaromtrend niet langer behoeven te blijven stil staan, In de tweede plaats doet zig op het aan een ieder ooverbekende geval van den Burger Godfried Fre„ „der ik koch, die na eene zeer lan„ „ge Criminele detensie, & incarseratie mitsgaders daaruijt geproclueerde verregaande & ongehoorde mis¬ handelinge, veel sweemende na die bij de Inquisitie practicabel en ingevoerd zijn, waar door hij op den Oever van de Doodt is geweest, en als met het eene been, te „reedts al in 't graft, & in dat pe„ „nibel & alles onaangenaam„ „ste moment, wilde men hem zelfs geen ontslag voor eenige tyd ver„ „gunnen tot herstel voor zyne Lig„ „haams gestel, dewijl het hem geen moeiten gekost zoude heb„ „ben, onder de Burgers veele, Ja zeer veele te vinden /: nademaal een ieder op het gevoeligste aange„ „daan was, oover het Lot van die ongelukkige Man: / die zig zeer gaerne als borgen zouden gein„ „terponeerd hebben, bij aldien men „difficulteid hadt gemaakt, of geproponeerd, om hem onder handttasting, dan wel Cautie Iuratoir vrijtelaten, wel verplicht & geconstringeerd is geworden, om met den h=r Indep=t Pisc te Com„ „poseeren, en dat wel voor een aanzien„ „lijke Somma van Zeevenduijzendt Vijfhondert Guldens, het geen zee„ „kerlijk niet geschied zoude wee„ „zen, hadt die Man het maar dur„ ven rond staan, & verzogt om in een Ordinair Proces, bij den Ede Achtb Raad g'accepteerd te worden, dog gefatigeerd ja afgemat„ door alle de quellinge, om hem dat geldt aftepersen, zoo reik„ „halste hij ook maar na eene afdoening en

NL-HaNA_1.04.02_4346_0389 view scan ↗

English

settlement, no matter how hard and far-reaching it might be, and why he then simply chose that side, and in order not to demand too much of Your Honorable, Respected, and Highly Esteemed Sirs' momentous and precious attention regarding the case concerning that unfortunate man and his poor and pitiable children, we take the humble liberty of referring to the report or memorial annexed hereto under Sub La L, which he had undertaken, upon his return here—for he longed too much for his children, house, and possessions, from which he had been separated for so long, and whereby his affairs had been not a little neglected and had gone backward, making it impossible for him to suspend and postpone his journey any longer—to confirm with his customary signature and to present in person to Your Honorable, Respected, and Esteemed Sirs, as well as to request a resumption concerning the composition which he had indeed been obliged to enter into with the Lord Independent Fiscal; but that man was not permitted to live to see it, because on his journey home he was massacred in the most deplorable manner by one of his slaves, whom he had been obliged to buy back at the public auction of the same, though his own, and indeed principally by the one, as is guessed and conjectured, who had also served as one of the witnesses against him and upon which the condemnation also followed, whereby his poor children are now both fatherless and motherless, and will have to be taken in by good people; which report or memorial could then only be certified and signed by credible men, namely, the Citizen Lieutenant Jonas Albertus Van der Poel and the Citizen Jan Smit, Jurriaan's son, and which we judge to be valid and sufficient enough to attach the necessary trust and belief thereto. In the third and last place appears the well-known and much-rumored case of a certain farmer, Johannes Pieterse, who, as the Lord Independent Fiscal imagined, had done a great insult to him and his house, although it is no less true and indisputable that that man offended more out of ignorance and coarseness, as well as a lack of education, than with an evil intention and premeditated purpose to insult the Lord Baron van Lynden or to put anything in his way, which nevertheless in law ought and must be taken into account by the officer as well as the judge, and merits very much reflection; but that could help and avail that innocent man very little, since he was obliged by the Lord Independent Fiscal to atone for that error and mistake for absolutely no less than four thousand five hundred guilders, a sum that the farmer certainly had never seen together, and why he therefore also had to borrow a part thereof to satisfy the scraping greed and rapacity of the Lord Fiscal, remaining indebted for the other part on a private bond, and that under sufficient suretyship of another; and it is to be feared that this poor man, his wife, and children will long have to groan under this disastrous accident, now and then suffer a lack of bread because of it, without the least hope or prospect of overcoming this important damage in their lifetime. Who does not shudder, and whose hair does not stand on end, over all such unjust and heaven-provoking actions, yea, of such as have bid farewell to and abandoned all feeling and compassion for the disasters of their fellow man and kindred, and which only serve to fill the purse of a man who in every respect shows not to have the least regard for country and people, to whom in some respects he owes his fortune, if one can give it that name, and in which he will hereafter still take his honor and glory; we shall make no mention of other cases, although we repeat most solemnly that it depends solely on us, and that they are of just as good weight and quality as those already mentioned and cited herein, and we shall always be prepared and ready to do so, as often and whenever that is required of us. We now further presume to represent to Your Right Honorable and Respected Sirs most humbly, and to submit for favorable consideration, whether it is any longer possible that a man of that dangerous and rapacious nature, interiorly like the Honorable Van Lijnden, who engages in all kinds of

Dutch transcription

afdoening, dezelve mogt ook zoo hard & verregaande weezen, als zij wilde, & waarom hij dan die Partij ook maar heeft gekoozen, & om Uw Ed Gestr d E: Achtbr hoogwig„ „tige & kostelijke attentie oover het geval rakende die ongelukkige Man, & zin Arme & beklagens „waardige kinderen niet te veel te vergen, zoo neemen wij de ne„ „derige vrijheidt ons te refereren, aan de bij deezen Sub L=a L„ ge„ „voegde Rapport of memorie die hij aangenoomen hadt, bij zijne terugkomst alhier /:want hij verlangde te zeer na zijnen Kinderen Huijs, & bezitting, waar van hij zoo lan„ afgeschei„ „den was geweest, en waar door zij„ „ne affaire niet weinig waren verwaarloost geworden, en de kreeften gang gegaan waren, waar door het hem onmoog„ „lijk was zyne Reize langer te kunnen opschorten, & uijt¬ „stellen:/ met zijne gewoone handttekening te bekragtige, & in Persoon Uw Ede Gestr: &E Adtb aantebieden, mitsgaders resump„ „tie te verzoeken oover de Composi„ „tie, die hij wel verplicht was ge„ „weest, met den h=r in de p=l Tisc=o aantegaan, dog dat heeft die Man niet moogen beleven„ dewijl hij op zijne reijze na huijs, op een allerdeerlijkste wijze is gemas¬ sacreerd geworden door een van zijne slaven, die hij bij de gehoude„ „ne publicque vendutie van de zelve /:schoon zyn eijgen:/ weder¬ om hadt moeten inkoopen, & wel principalyk door die geenen zoo als er gegist & gespangeerd word, die al meede teegens hem als een der getuijgen heeft gediendt, & waar op de Condemnatie ook is gevolgdt„ waar door zijne arme kinderen, thans dan ook Vader„ toos & Moederloos zijn, & door goede Menschen zullen aan„ „genoomen moeten worden. welk rapport of memorie, dan ook maar eeniglijk heeft kun¬ „nen gecertificeerd & getekend worden, door geloofbare mannen te weeten, den Burger Luijt Jonas Albertus Van der Poel, en den Burger Jan Smit Surr:s Z=n, en het welk wij Oordeelen bestaan baar & suffisant genoeg te weezen, om het noodig Vertrouwen, & geloof daar aan te hegten„ In de derde of laatste plaats vertoond zig het bekende & zoo veel gerugt ge„ „maakt hebbende geval van zeekeren Landtman Johannes Pieterse, die zoo als d Hr. Indept Pirct zig verbeelden hem & zijn Huijs, een groote hoon dewil hadt hadt aangedaan, schoon het niet min Waarachtig & Onbetwisbaal is, dat die Man meer uijt onkunde & grofheidt, mitsgaders gebrek aan opvoeding misdaan heeft, dan we met een kwaad voorneemen, & voo „bedagten Raad, om den h=r Baron van Lynden te Injurieren of iets in den weg te leggen, het geen in rechten nogthans zoo wel door den Officier, als Rechter, diend & moet in acht genoomen worden, & zeer veel reflec„ „tie meriteerd, dog dat heeft die on „nozele Man, alles zeer weinig kun¬ „nen helpen & baten, dewijl hy door den Hr. Indept. Fiscaal verplicht is geworden die dwaling & misslap te moete boeten voor absoluut niet minder als Vier- duijzend vijfhondert guldens, een Somma die, die Landtman zeeker„ „lijk noord bij elkandere heeft gezien, & waarom hij dan ook een gedeelten daar van heeft moeten leenen, om aan de Schraap & Hebzugt van den hr. Fisct te voldoen, zynde hij het andere gedeelte op een onderhandt„ „sche Obligatie Schuldig gebleeven, & wel onder suffisante Borgtogt van een ander, & het is te duchten dat die Armen Aan zijn vrouw & kinderen, door dit Ta„ „cheus toeval nog lang daar onder zul„ „len moeten zuchten, Janu & dan daar door brood gebrek hebben, zonder de minste hoop of vooruijtzicht, die inportante schade hun Leevenlang te booven te zullen koomen, wie ijst & rijzen de haeiren niet om hoog„ oover alle zoortdiergelijke Onrecht „vaardige, & Hemel tergende hande„ „linge, Ja de zoodanige die alle ge„ voel & meede doogen, oover de rampen van hun Evenmensch & Natuur ge„ „nooten hebben vaarwel gezegdt & g'a„ „bandonneerd, & die eeniglyk maar dienen om de Beurs te vullen, van een kan, die in allen deelen toond, geende minsten agting te hebben voor Landt & Volk, waar aan hij in zommige opzig„ „ten, zyn geluk by aldien men die Naam daar aan kan geeven, te dan„ „ken heeft, & waar in hij hier na nog wel zijn Edem & Glorie zal stellen, zul„ „lende wij van geen andere gevallen mentie maken, Schoon wij nog wel op het So„ „lemneelste herhalen dat, dat maar eeniglyk van ons dependeert, & die van eeven zoo een goed gewicht & alloij zyn als de in deezen reedts gementioneer„ de & aangehaalde, & wij zullen altoos daar toe paraat, & bereidvaardig weezen, zoo dikwils & wanneer dat maar van ons gerequireerdt wordt Wij verstouten ons thans al verder U„ „WelEd=e Gest & E Achtb=r op het alleron„ „derdanigst te vertoonen, & in een gunstig ooverweging te geeven, of het langer moogelijk is, dat een Man van dat gevaarlijk & inhalen naturel, winterieur gelyk dE Van Lijnden is, die zig aan alle zoortt 20 van ƒ

NL-HaNA_1.04.02_4346_0391 view scan ↗

English

has made himself guilty of errors and missteps, whose boundless greed and lust for money is impossible to satisfy, who has paid or wished to pay not the slightest heed or reflection to the principal points and orders prescribed to him in his Instruction by his high-commanding Lords and Masters, and which he so solemnly and sacredly swore, and whereby he has also, in the strongest sense, made himself guilty of perjury, which in another he is bound and obligated according to the laws to punish so strictly; who on every occasion has given, and daily still continues to give, the most complete and transparent proofs that the interests neither of the Honorable Company, nor of its servants, nor of the good citizenry, nor of this colony matter to him very little, nay nothing at all; who simply summons and prosecutes in court anyone whatsoever, regardless of place and rank, according to his fantasy and arbitrarily, making the most unheard-of demands, but consisting solely of considerable and important sums of money, and that in the most unfounded manner, nay sometimes entirely without fault, which we are in a position to prove; leaves the guilty free, provided they only give sustenance to his lust for money, and equates them with the innocent, and thus does and undertakes everything that runs directly contrary to and clashes with his instruction, as well as his oath and duty, which were prescribed to him by his high-commanding Lords and Masters with that wise and prudent foresight to maintain the authority of the high Government as is proper, and to administer good and swift justice to everyone of whatever state and rank, without the slightest connivance or respect of persons, since their Honors themselves have always given, and daily still give, the most manifest proofs that the interests of this country and people are just as dear and precious to them, and just as close to their heart, as those of the Honorable Company and themselves, and therefore will not at all allow and tolerate that the same, either in their persons or properties, be prejudiced or wronged by an arbitrary and unlimited, as well as tyrannical, manner of proceeding or form of government, and will therefore also learn with special emotion and sorrow, if it has not already come to their High Mightinesses' ears, that the same are being treated, nay mistreated, and persecuted in so unheard-of as well as unlawful a manner by one of their servants, and indeed principally by him who is bound by oath and duty, were it done by another, to watch against it and oppose it with all seriousness, whether such a man, we say, is capable of looking anyone in the eyes with head held high and without shame and blushing, of performing longer and with decency the important and momentous service entrusted to him, of punishing the guilty and acquitting the innocent, and whether, by allowing him to continue longer in his post, not only the interests of the Honorable Company, but also those of this entire colony, as well as all the citizens and inhabitants, are being put at stake, and being exposed to certain ruin and total destruction, regardless of other lamentable disasters and misfortunes that have already sprung from such improper management and administration. It is therefore, and for all the reasons and motives cited herein, that the undersigned in their above-mentioned ascribed capacity, after long and mature deliberation, and having weighed and considered everything with the utmost accuracy and attentiveness, assume the thoroughly humble liberty to implore Your Honorable, Severe, and Honorable Lordships, who as upright fathers of the country and citizens, and under divine and human laws, are bound and obligated to take care and closely see to it that those who stand and live under their paternal supervision and protection are not subjected to or inflicted with the slightest grief or damage, either in their persons or goods and possessions, by whomever it might be, and indeed principally not by such as depend on Your Honorable, Severe, and Honorable Lordships' authority and order, in the most respectful manner, in all possible decency, that it may please their Honors to deliver this languishing country and people from so pernicious and harmful an object, and not only to dismiss the Senior Merchant in the service of the Honorable Company, the Independent Fiscal Johan Nicolaas Heeren Baron van Linden van Blitterswijk so often cited herein, from his present post, but also to appoint another capable servant in his place, according to their wise and prudent pleasure, for the maintenance of law and justice, as being entirely unworthy of and unfit for that prominent office, or else to provide therein in such a manner as Your Honorable, Severe, and Honorable Lordships deem proper according to

Dutch transcription

van dwalingen & misstappen heeft Schuldig gemaakt, wiens onbepaal de Schraap & Geltzugt onmooglijk te verzadigen is, die geen de min¬ „ste acht of reflexie geslagen heeft, of willen slaan, op de voornaam„ ste poincten & ordres hem bij zijne Instructie, door zijne hooggebieden„ de H=rn. & M=rs voorgeschreeven, & die hij zoo plegtig & heilig bezwooren heeft, & waar door hij zig dan ook in den sterksten Zin, aan meijn„ edigheidt, dat hij in een ander, vol¬ „gens de Wetten gehouden & verplicht is, zoo gestreng te straffen, heeft schuldig gemaakt, die bij alle ge¬ „legentheid, de volmaakste & door„ schijnendste preuves gegeven heeft, & dagelijks nog Continu¬ „eerdt te geeven, dat hem, nog de be„ „langens van d E. Maatschappij, nog van deszelfs Dienaren, nog van de goede Burgerij, nog van deeze Colonie zeer weinig, Janiets ter harte gaat; die maar aanstonds, een ieder van wat Plaat & lang ook na zijn fantasie, & willekeurig in Rechten betrekt, & vervolgdt, mitsgaders de ongehoorsten Eisschen, dog ook maar bestaande in Aanzienlijke & Inportante Geldt Somme, & dat op de ongefundeerste wij„ „ze, Jazomtyds ten eenemale buijten schuldt, het geen wij in staat zijn te kunnen probeeren, de schuldige vrijbaat, als die maar voedtzel aan zyn geld zugt geeven, & met de onschuldige gelijk steld, & dus alles doet & aanvangdt, wat maar direct teegens zyn instruc„ „tie, mitsgaders Eed & Plichtstryd en aanloopt, en die hem door zyne Hoog gebiedende H:n & M=rs, met dat wijze voorzigtige vooruijtzicht zijn voorgeschreeven, om het recht van de hooge Overigheidt, zoo als het betaamd te maintineeren, & een ieder van wat staat & rang ook, zonder eenige de minste oogluijking, & aanzien van Persoon, goedt & kort Recht doen geworden, dewijl hoogst dezelve altoos de allermanifes„ te preuves hebben gegeeven, & dage„ lijks nog geeven, dat de belangens van dit Landt & volk, hen eeven zoo lief & dierbaar zijn, &eeven zoo na aan het Harte gaan, als die van d' E Comp=e & hen zelve, & daarom ook in 't geheel niet toelaten & tolereren willen, dat dezelve, zoo in hunne Per¬ „zoonen & Goederen, door eene Wille„ keurige, & onbepaalde, mitsgaders Fijrannicque handelwijze of Rege¬ „rings form, benadeeldt of te kort„ gedaan wordt & daarom ook melk bijzondere aandoening & Leetweezen verneemen zullen, zoo dat haar hoog Achtb=r bereedts al niet ter ooren gekoo„ „men is, dat dezelve op zoo eene onge„ „hoorde, als onwettige wijze, door een van hunne Dienaars, & wel principaal door die volgens Eed& Plicht gehou„ „den is, zoo het door een ander gedaan wierdt, daarvoor te waken & met Aeldt alle 14 allen Ernst teegen te gaan, behandelt, Jamishandelt, & vervolgt wordt, of zoo een Man zeggen wij, instaat is, om met opgerechten hoofden, & zonder schaam te & bloozen, een ieder onder de oogen te zien, de importante & zwaarwigtige dienst, die hem toever„ „trouwd is, langer, & met Fatzoen waar te neemen, de schuldige te straffen, & de Onschuldige vrij te spreeken, & of, met hem langer in zijn Post te laten Continuëren, zoo wel de belangens van d, E. Maatschappij, als die van deeze geheele Volkplanting, mitsgaders alle de Burgers & Ingezetenen, niet in de waagschaal worden gesteldt, mits„ „gaders aan een gewissen ondergang & tota„ le ruine taan bloot gesteedt te worden ongeagt andere beklagens waardige Onheilen & Campen, die uijt zoodanige verkeerde huijshouding & directie bereedts gesprooten zijn. Het is daar om dan ook & om alle de in deeze aangehaalde reedenen & Motiven dat de ondergd=ts in hunne boovengem g'ad„ „scribeerde Qualiteid, na een langs rijp overleg, & alles met de uijterste naaun keurigheid & oplettenheid, gewiks & gewoogen te hebben, zich de gantsc nederige vrijheid aanmatigen Uw Ed=le Gest: & E„ Achtb=r die als regtscho „pen, Lands & Burger Vaderen met „gaders Godlijke & Menschelijke Wetten gehouden & verplicht zijn, te zorgen & naauwkeurig toetezien dat die geen die onder hoogstdes „zelfs Vaderlijke toezicht & bescher„ „ming staan & Leeven, geen de min„ ste Leedt nog schaden zoo in hun¬ „ne Perzoonen als goederen, & bezit„ „tingen worden aangedaan, of toe„ „gebracht, van wie het ook zoude moogen weezen, & wel Principaal niet door de zoodanige die van Uw Wde Gest & E. Achtb=r gezag & ordre dependeeren, op de meest Eerbiedig„ „ste wijze, in alle moogelyke decen„ „tie te Smeeken, dat het hoogst„ „dezelven behagen mogen, dit quij„ „nend Landt & volk; van zoo een pernicieus, & schadelyk Voorwerp te verlossen, mitsgaders den opper Koopman ten dienst der E: Comp den zoo dikwerf in deezen g'eciteer„ „den Fiscaal Independent Johan Nicolaas Heeren Baron van Linden van Blitterswijk uijt zyne tegenswoordige Post niet alleen te dimoveeren, maar ook een ander bekwaam Dienaar in zijn Plaats, na hoogst deszelfs wijze & voorzigtig goedtvinden aan te stellen, tot handthaving van Recht & Gerechtigheidt, als zinden dat aanzienlijk beram„ ten eenenmale onwaardig & daar toe ongeschikt, dan wel daar in zoodanig te voorzien, als uw Ed:e Gest & E: Achtbarens dat volgens

NL-HaNA_1.04.02_4346_0393 view scan ↗

English

according to his most highly enlightened and penetrating judgment, as well as acquired experience and fatherly love for the country, shall judge to be best, most advantageous, and most beneficial for the interests, both of our high and mighty Lords and Masters, and of this colony and its inhabitants, Just as we also humbly implore that a copy of this humble petition may be sent to the aforementioned high and mighty Lords and Masters, as well as to Their High Excellencies, the Noble High Indian Government. And whereas the undersigned lastly take the liberty most strongly to solicit Your Most Noble and Honorable worships to be pleased to provide that the active officers, when they acquit themselves of their duty and obligation as they ought, may not be exposed to the vexations and unlawful proceedings of the Fiscal Independent, as has so undeservedly and unfortunately befallen the undersigned Ensign Coenraad Nelson the younger, without having supplied the slightest reason or cause for it; by which favor to be shown, a service will be rendered to this country and people which time will never be able to make forgotten, and of which everyone well-disposed, who takes an interest in the welfare of this Colony and the good citizenry and other inhabitants, as long as breath and life are in him, will remember with the most perfect sentiments. Below was written: Which doing, etc. Signed: J. J. Moller, H. O. Eksteen, D. Z. D. Gie, J. P. van Breda, J. van Breda, Jens Janssen, C. P. Brand, J. A. Horak, F. Schickerling, A. van Breda, M. Hoffman, C. J. Gie, C. de Waal, L. Biel, C. Leeman, R. de Smit, L. van Pitters, J. V. van Rheenen, C. Nelson. Please turn over 766. Beside the heading was written: Collated van Ommeren In the margin: Exhibited in the Council of Policy the Exhibited the 10th of May 1791. Agrees Goetz First Clerk. M. Lentz, J. Eksteen, P. D. Today, the 31st of March 1791. Appeared before me, Johannes Daniel Karnspek, sworn Clerk at the Judicial Secretariat of the Castle of Good Hope, present the hereinafter mentioned witnesses, the Captain-Lieutenant, the Valiant Arnoldus Rogge, assigned to the repatriating ship Teijlingen lying here at the anchorage, of competent age, who, at the requisition of the Valiant Burgher Ensign Coenraad Nelson, declared it to be true: That when the deponent was lying with the above-mentioned ship here at the anchorage in the month of March of the last past year 1789, he had at that time sold some cordage, which he had purchased in the Indies for his own account, to the captain of a French private ship also lying at anchor here at the roadstead at that time; That the deponent having been prosecuted on that account by the then Adjunct Fiscal Gabriel Exter in the name of the Fiscal Office, he, because the above-mentioned ship was already mustered and thus ready to sail, and he did not want to let it depart without him, had taken the prompt resolution to reach a settlement with the aforementioned Adjunct Fiscal Exter; for the accomplishment of which the deponent having given an order to the burgher Jacobus Johannes van Velden, the same was also Copy 761 carried into execution by him; with which that matter having thus been settled, the deponent had paid to the aforementioned van Velden for that a sum of three thousand and sixty rixdollars. Declaring nothing more, the deponent gives as reasons for knowledge as in the text, being prepared, if required, to confirm the foregoing further under oath. Thus passed at the aforementioned secretariat in the presence of the Clerks Dirk Jacobus Aspeling and Christiaan Michiel Lind, as witnesses, who duly signed the original draft of this, together with the deponent and me, the sworn Clerk. Below was written: Which I attest. Was signed: J. D. Karnspek, sworn Clerk. Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, the aforementioned Captain-Lieutenant, the Valiant Arnoldus Rogge, who, having had this foregoing declaration of his clearly and distinctly read out to him, declared that he persisted by it, with the desire Reconfirmation. In the Castle of Good Hope, the 5th of May 1791. Below was written: Which I attest. Was signed: W. J. v. Rijneveld, Secretary. Agrees. A. G. Beit After collation was made, this was found to agree with the authentic copy and original reconfirmation shown by the requester to me, the secretary, that nothing more will and shall be added to or taken from it, and he therefore, to confirm the truth thereof, spoke the solemn words: So help me God Almighty. Thus reconfirmed and sworn at the Cape of Good Hope the 2nd of April 1791. Below was written: Was signed: A. Rogge. In the margin: as Commissioners, Signed: R. J. Van Der Riet and G. H. Meijer. Lower: Being present, and signed: J. D. Karnspek, sworn Clerk. that Collated. J. H. Haasdorp First Clerk. L. A.

Dutch transcription

volgens hoogst deszelfs zeer ver„ „licht & penetrant oordeel, mit „gaders verkreegene ondervin= „ding, 't Lands Vaderlijke Liefde, zullen oordeelen best, meestvoordeeligts, en heijlzaamst voor de belan„ „gens, zoo die van onze hoog„ „gebiedende Heeren en Mees„ „ters, als deeze volkplan„ „ting, er derzelver Inwoon„ „ders zal weezen, Gelijk wij ook nog onder„ „danig Imploreeren, dat van dit ootmoedig Supplieg Copia mag afgezonden worden aan welgemelde Hooggebiedende Heeren & Mees„ „ters, gelijk ook aan Haar hoog Edelens, de Edele Hooge Indi„ „aanse Regering E Dewyl de Ondergd=s laastelyk zig nog vervrimoedige Uw Ede Gestr & E: Achtb: op het krach¬ „tigste te Polliciteren, om te willen voorzien, dat de dienst doende Officieren, wanneer zij zig van hun bed & Plicht Acquitteeren zoo als 'tbehoord, niet aan de Soursintes & onregt„ matige procedures van den Tis¬ „caal Indept moogeblootstaan, ge „lijk dat den Ondergetekende Vaandrig Coenraad Nelson de Jongen, zoo onverdient & ongeluk¬ „kig te beurt is gevallen, zonder Eenige de minste reedenen of oorzaak, daar toe gesuppediteerd te hebben met welk te bewijzene gunst, dit Land & Volk een dienst zal geschieden, die de tyden nooid in staat zijn zullen, te kunnen doen vergeeten, & waarvan een ieder welkenkende, die deel neemt in het welzijn van dee„ „ze Colonie, & de goede Burgery & verdere Ingezetenen, zoo lange den Adem & het Leeven in hem is, met de volmaakste gevoelens zal gedenken„ /:Onderstond:/ twelk doende &c /:get:/ J„s J„s Molloe, H„: O„ Eksteen D„ Z„ D„ Gie J: P„ van Beeda, J„ van Breda, Jens Janssen, C„ P„r Brand„ I„ A„ Horasl F Schickerling A„ van Breda, M„r Hoffman, C„n I„ Gie, C„r de waal, L„d Biel, C„s Leeman, R: de Smit L„s van Pitters, J„s V„ van Rheenen, C„ Neeson niet Verte 766. Bezyden 't Hoofd stond: colls van Ommerl /:in margine:/ Extribitum in Rade van Politie den Exhibitumr den 10 Mei 1791. AAccordeerd Goett Eg Clercq. M„r Lentz, J Cksteen P„s D Huijden den 31 Maart 1791. Compareerde voor mij Johannes Daniel Karn„ spek gesw: Clercq ter Iustitieele Secretarije des Casteels de Goede Hoop praesent de naten: ge„ tuigen den op het alhier ter rheede leggende repatrieerende schip Teijlingen bescheiden Capitain Lieutenant de Hanh„s Arnoldus Rogge van Competenten ouderdom dewelkaster requisitie van den Manh„s burger Vaandrig Coenraad Nelson verklaarde hoe waar is Dat wanneer de Comp„s in de maand Maart van het Laast verl: Iaar 1789; met booven gem: schip alhier ter rheede Lag, hij als toen eenig touw-werk 't welk hij in de Indien voor zijne eijgene reekening had ingekogt, aan den Capitain van een te dier tijd alhier ter rheede meede ge„ „ankerd leggende fransch particulier schip verkogt had: Dat den Comp:s dies weegens door den toen„ malige adjunct Fiscaal Gabriel Exter in name van het officie Fiscaal geactioneerd zijnde, hij dewijl bovengem: schip reets gemonsterd en dus zeilree lag en hij het zelve niet wilde laten vertrekken, het spoedig besluit had ge„ nomen, om met gem: adjunct fiscaal Exter te composeeren, tot welkers vol„ brenging den Comp:s aan den burger Iacobus Iohannes van Velden last gegeeven hebbende, zulks dan ook HS door „ Copia 761 door denzelven was ter uitvoer gebragt, waar mede die zaak aldus afgemaakt zijn, de, had den Comp„s aan gem: van velden daar voor betaald eene somma van drie duizend en sestig rd„s Niets meer verklaarende geeft den Comp„s voor redenen van weetenschap als in den text bereid zijnde het voorenstaande res gerequireerd wordende, met Eede na„ der gestand te doen p. Dat aldus Passeerde ter secretarije voorm ten bijweezen der Clercquen Dik Iacobus Aspeling, en Christiaan Michiel Lind, als getuigen die de minute deezes beneevens den Comp:t en mij gesw: Clercq meede behoorlijk hebben onderteekend: /:onderstond:/ Quod Attestor /:was getekend:/ I: D: karmspek gesk: Cer„ Compareerde voor ons ondergeteekende Ge Comm:e uit den E: Achtb: raade van Ius„ titie deezes Gouvernements, voorm: Capit:n Lieut:t de Manh:r Arnoldus Rogge dewelke deeze zijne voorenstaande ver „klaaring klaar en duidelijk voorgeleezen weezende, verklaarde denzelven daar bij te blijven persisteeren, met begeerte Recollement. In 't Casteel de Goede Hoop, den 5 Meij 1791: /:onderstond :/ Quod Attestor /:was getekend/ - W: J: V: Rijneveld: secrets Accordeert AGbeit Na gedane Collatie, is deeze met het duthent: afschrift en origin: recollement, door ders requirant, aan mij se„ cretaris, vertoond, en accordeer„ rende bevonden dat er niets meer bij ofte van gedaan werd en zal, en sprak dierhalven ter bevestiging der waarheid van dien de solemneele woorden, zo waarlijk help mij God almachtig. Aldus Ge recolleerd en beeedigt aan Cabo de goede Hoop den 2 April 1791. - /:onderstond :/: was getekend:/ A: Rogge /margine : os Committs /getekend:/ R: I: Van Der Riet ƒ e G: H: Meijer /:lager / Aij praesent / en getek:/ I: D: karnspek gesw: Clercq: dat Coll: J. H. haasdorp Eg Clercq. HS L: A:

NL-HaNA_1.04.02_4346_0397 view scan ↗

English

762 Today, the 9th of April 1791. Appeared before me, Johannes Daniel Karnspek, sworn clerk at the Secretariat of Justice of the Castle of Good Hope, in the presence of the witnesses named below, the burgher Jacobus Johannes van den Velden, who, pursuant to the appointment of the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government dated 31 March last, and at the requisition of the Ensign of the Burgher Militia, the Honorable Coenraad Nelson, declared it to be true: That in the month of February or March of the past year 1790, without being able to determine the exact date, Captain-Lieutenant Arnoldus Rogge, stationed on the Honorable Company's ship Teilingen, called at the house of the appearer, informing the appearer how he was being sued by the Adjunct Fiscal Gabriel Ekster on behalf of the Fiscal's Office regarding the sale of some cordage, which he, Rogge, said he had purchased for his own account and in the Indies; the appearer being at the same time given to understand how he was apprehensive that the said vessel might be detained for that reason; with the request to call upon the said Adjunct Fiscal and speak with him about it, in order to settle this matter out of hand by a composition with the said Adjunct Fiscal. That the appearer thereupon went to the said Adjunct Fiscal Ekster, Copy Copy 763 and made known his commission, with the request to be allowed to compose with the said Adjunct Fiscal regarding that matter. That the said Ekster, while consenting to this, nevertheless also gave the appearer to understand that he could not settle these matters otherwise than that Captain-Lieutenant Rogge, together with Captain Carel Fredrik Schaaf and Second Lieutenant Menko Duyn, each had to pay a fine of two hundred rixdollars, amounting together to six hundred rixdollars; and as compensation for the said cordage to the Honorable Company, two thousand four hundred rixdollars, besides sixty rixdollars for incurred costs. That the appearer gave notice of this to the said Captain-Lieutenant Rogge, who thereupon placed into the appearer's hands two hundred rixdollars for himself, four hundred rixdollars for his Captain and Lieutenant, besides two thousand four hundred rixdollars for the Honorable Company and sixty rixdollars for incurred costs, with the request to now settle this matter completely, which the appearer then also did and duly arranged the said composition in that manner. Declaring nothing further, the appearer gives as reasons of knowledge as in the text, being prepared, if required, to confirm the foregoing further with a solemn oath. Done thus at the Secretariat aforesaid, present the clerks Johan Bernhard Hoffman and Nicolaas Johannes Hermans as witnesses, who have duly signed the minute hereof along with the appearer and me, the sworn clerk. Underneath stood: Which I attest. Was signed: J: D: Karnspek, sworn clerk. In the Castle of Good Hope, the 5th of May 1791. Underneath stood: Which I attest. Was signed: W: S: van Rijneveld, Secretary. Agrees. After collation was made, this was found to agree with the authentic copy shown to me, the Secretary, by the requisitionist C: Nelson. Collated: J. W. Haardorp First Clerk. 768 HS Letter B. We, the undersigned Captain of the vessel L'Aimable Jenny of Île de France, presently anchored in Table Bay at the Cape of Good Hope and lodging ashore at the house of Mr. Guiffardière, merchant, with whom I have established my domicile, certify to all whom it shall appertain, that in the month of March of last year, one thousand seven hundred and ninety, calling at this same bay, while then commanding the vessel La Marie Thérèse of Île de France, we were given notice that I might buy cables from the Dutch captain Schaaf, commanding the Dutch Company's vessel the Teylingen, anchored in Table Bay; that having gone on board this ship, I asked Mr. Rogge, Second Captain, whether in his store he had any cables for sale; that at my request he had some of them prepared by his crew, of which, after examination of the quantity of the cordage, I concluded the price with the said Mr. Rogge, on the condition that he would send my purchase on board. Today, Friday the twenty-fifth day of the month of February of the year one thousand seven hundred and ninety-one. Copy Copy 768 764

Dutch transcription

762 Heiden den 9 April 1791.— Compareerde voor mij Johannes Daniel Karnspek, gesw: Clercq ter secretarije van Justitie des Casteels de Goede Hoop, praesent de naten: Tetui u: gen den Burger Iacobus Iohannes van in Velden, dewelke ingevolge appoinctement in van den E Achtb: Raade van Iustitie deeses mij Gouvernements de dato 31 Maart I: L: en ter rud requisitie van den Vaandrig der Burgerij den Aanh: Coenraad Nelson verklaarde hoe waar is Dat zich in de maand februarij of Maart: van het gepasseerde Iaar 1790, zonder de Juiste datum te kunnen bepaalen ten huise van den Comp:s vervoegt heeft den op 'sE Comp:s schip Teilingen, bescheiden Capitain Lieutenant' ren Manh. Arnoldus Rogge, aan den Comp„s informeerende, hoe hij door den adjunct fiscaal Gabriel bester uit Naam van het officium Fiscaal geactioneerd wierd, over het verkoopen van eenig Touwwerk, het welk hij zogge zeide, voor zijn reeken: en Indien ingekogt had den Comp:t teffens te kennen geevende, hoe hij beduijt was, dat gem: Bodem om die reeden mogte werden opgehouden met verzoek zich bij gem: adjunct Fiscaal te vervoegen, en daar over te spreeken, om deezen zaak voor een Compositie met gem: adjunct Fiscaal uit de waareld te willen helpen Dat den Comp:t zich daarop naa gem: rdjuncht Fiscaal Ekster begeeven heeft; Copia Co Copia 763 en zijn Commissie te kennen gegeeven had„ met verzoek om daar over met gem: adjunct fiscaal te moogen Composeeren Dat gem: Ekster hier in bewilligende doch teffens den Comp:t te kennen gegeeven had, dat hij die zaaken niet anders konde afmaaken of den Capitl Lieut: Rogge benevens den Capit: Carel fredrik schaaf en den tweeden Lieut Menko Dupen, moesten eider voor een boete betaalen twee honderd rijksdaalders te zamen rijksd:s zes honderd EEn tot vergoeding voor ged:e Touw Werk aan d' E Comp„e Rijksd„s Twee duijsend vier hon„ derd, beneevens rijksd„s Zestig voor gevallen kosten Dat den Comp:t aan ged: Capitain Lieut roaeg„ hier van bericht gedaan hebbende, dewelke den Comp„t daar op twee honderd rijksd„s ko hem, vier honderd rijsd„s voor zijn Capitein en Lieutenant, benevens Twee duizend d honderd rijksd:s aan d' E Comp„e en zestig rijksdaalders voorgevallene kosten ter ha„ heeft gesteld met verzoek deese zad als nu geheel af te doen, het geen den Compt dan ook gedaan hebben den en gem: Compositie in dier vo gen in ordre gebracht Niets meer verklaarende geeft den Compt: voor redenen van tenschap als in den Text bereid zijnd In 't Casteel de Goede Hoop den 5 Maij 179 /onderstond:/ quod Attestor /was getekend:/ W: S: van Rijneveld secretaris AGbet Accordeert. Na Gedane Collatie, is deeze met het authent afschrift door den requirant C: Nelson aan mij secretaris vertoond en accordeerende bevonden Dat aldus passeerde ter secretarije voorm: pesent de Clercquen Iohan Bernhard Hoffman en Nicolaas Iohannes Hermanns als Getuigen die de minute deezes benevens den Comp:t en mij goswe Clercq: meede behoorlyk hebben onderteekend /:onderstond:/ quod Attestor /:was geteekend:/ I: D: Karnspek gesw: Clercq het voorenstaande des gerequireerd wor„ rende met solemneele Eede nader gestand te doen. het Coll: J. W. haardorp E: Clercq. 768 HS L„a B. Nous Sousignes Capitaine du Vais„ „secran Laimable Jannij de l'isle de france depresent moullé en la Baije de la Fable duCap de bonné Esperance & Logé à terre chez mr qui filsaire neqt. cher lequel s'Etablie mon domicile certiai„ „fions, a tous ceur qu'il appartien dra, qu'au mois de mars daa L'annee derniere mille sept cent qualte Vingtdir, de relache en cette meme Baije commandant alors le Vaisse au La marie therese de Lisle de france, il nous auroit Ete donne avis que je pourrois acheten des cables du capitaine hollandois Schaak Commandert Le Vais Jeau de la compe hollandoise Le tysinge moulle en la baye de la table qui metent rendu a Bord de ce navire que J'aurois demandé a mr Rogges Second Capitaine Sidans Sa paptille il auroit de sjables sa verdue que sur ma demande il en avat fait parer quilques unes par son Equiipage, dont apres Examen, dela quantité du funn je conclus de prin avec le dit sieur Rogge, à la Conditein qu'il m'enverroit mon ac kapt. a bond de Ce Ioundhuij Vendredij Vingt cirg„ „reme Jour du mois defevrier de L'annee mille sept Ant qucatre vingt onge mon Copie Copia 768 764

NL-HaNA_1.04.02_4346_0400 view scan ↗

English

my vessel La Maria Therese, because my longboat was too small to make this transport. This condition was accepted and fulfilled by Sieur Rogge; the cables were sent on board the next day, and upon the notice given to me by the watch officer of my vessel, I paid Sieur Rogge the agreed price. A few days after the completion of my bargain, I met Sieur Rogge, who warned me that he was being troubled over the sale he had made to me, because the captains of the Company were forbidden from including any cables in their private trade goods, the Company reserving this item of commerce solely to itself. Following this advice, and with the intention of saving my colleague from the claims that could be made against him for having had in his private trade goods effects forbidden to him by the Company and for having sold them to me, I answered negatively to all the questions put to me by Monsieur Exter, deputy to the Independent Fiscal Baron van Lynden. This honorable conduct on my part was not at all agreeable to Monsieur Exter, nor was it any more so, without doubt, to his superior, Monsieur the Independent Fiscal. To punish me for it, my correspondent Monsieur Guy Pierre, who was in charge of the affairs of my vessel, was forbidden from continuing to assist me with his services and from delivering my necessities to me. It was likewise forbidden at the embarkation point to permit the landing of any merchandise from my vessel. My status as a foreigner did not give me that second sight; I did not know what items were supposed to compose the private trade goods of a Dutch captain, what they could legitimately sell to me, and what I could buy with confidence. Monsieur the Deputy Exter and Monsieur the Independent Fiscal had served me no notice; no prohibition had been made to me on their part. If I could have been guilty of having transgressed a law that was unknown to me, who is the guilty party among these gentlemen or myself: they, for not having made the law known to me and for having made a secret of it to me, or myself, for not having guessed it? The operations of my vessel being halted, what did I not have to fear further for the consequences to my commerce, and even for the safety of my person and my vessel? Having nothing so much at heart as the freedom of my business, I presented myself to Monsieur the Independent Fiscal Baron van Lynden. I pleaded the interests of my shipowner without convincing him of the loyalty of my conduct, nor of my innocence. In his eyes, I was so guilty that the law commanded him to punish me. The success of my representations was limited to determining him to propose that I pay, for the benefit of the Company, the price of the cables I had bought; on this condition, he flattered himself that the Council would leave these cables on board, and that furthermore all prohibitions against my departure would be lifted. However burdensome this proposition was, however contrary it was to the law of nations, I subscribed to the imperious law of necessity. I resolved to pay the ransom demanded by Monsieur the Independent Fiscal Baron van Lynden, who referred me for the conclusion of this matter to his deputy Monsieur Exter. This very punctilious subordinate had Sieur Mattheise enjoin me that I had to pay him as soon as possible 1940 Rixdallers, in expiation of a fault that everywhere else would not have been one for me. In Siam, where I was three years ago, I did not experience from that fierce, greedy people, who are ignorant of the law of nations and who are not civilized, any similar proceeding. Upon the urgent demand of Sieur Mattheise, I went to Monsieur the Deputy Exter, provided with the nineteen hundred and forty Rixdallers, for which, after verification and counting, I asked him for a receipt to prove to my shipowner that I had paid this sum, and to show my fellow French captains the danger to which they would expose themselves if, in each of their operations, purchases, and speculations, they did not address Monsieur the Independent Fiscal van Lynden, who would have the goodness to tell them what they could do safely and what they ought not to do. Monsieur the Deputy Exter having answered me that a receipt was useless, I insisted that he give me one, since I was paying a substantial sum, as it was more than 9000 Livres tournois. He yielded to my observations and drafted his receipt in these terms: "I have received for the Noble Company from Monsieur Scohy, captain of the vessel La Marie Therese, the price of the confiscated cables, the sum of nineteen hundred and forty Rixdallers." My ransom having been paid, I went to inform Monsieur the Independent Fiscal and ask for his kindness and good offices so that Sieur Rogge would reimburse me the price of the cables that I had paid him, and of which I was newly paying the value a second time to Monsieur Exter on account for the Noble Dutch Company. Monsieur Baron van Lynden did me the favor of telling me that the best advice he had to give me was to abandon this matter, because upon the slightest inaccuracy or defect of form, I would lose it as a foreigner; and that in the event of an adverse judgment, he would appeal to Batavia, where I would be crushed by costs. I confined myself to awaiting the return and meeting of this captain to obtain from him the reimbursement of my money, since, according to what Monsieur the Independent Fiscal Baron van Lynden did me the honor of telling me, there are no legal recourses for me. I affirm as a man of honor and certify as true all the details and circumstances set forth above and elsewhere, in witness whereof I sign the present certificate, which I attach to the original receipt of Monsieur Baron van Lynden, and with which I instruct my attorney-in-fact to make use of it in all proceedings, diligences, and claims that he shall deem proper to make in my name, whether before Monsieur the Governor, the Council of Regency, or elsewhere.

Dutch transcription

765 mon Vaisseur La Maria Therese par ceque ma chalouper etoit trop Pitite pour faire ce Transport cetté conddition fut acceptee et remplie pau le Sr Rogge les cabléd furent Envoijees le Lendemain la bon bord, & sur L'avis qui me fut donné par L'officur degarde de mon Batiment Je payai are Sieur Rogge Le prir convenu peu de Jours apres La consomation de man marché Je een Contrac le Sr Roggé qui me presient qu'on L‛inquietoit pour la vente qu'il maroitfaite, parcequil etoit defendu aux cape dle la Compagne de comprendre aucun Ocable dans leurs fajotilles La Compe Se reservant a cette feuse cet obfet de sommerce d'apres ces avis dans, &. Jntention de Sauvermon confreré de s reclamations qui pourvoient lui ltre faites, pour avoir en dans sa palcotille de s Effete qui lui sont defendus par la Comp„ et pour me les avoir verdus, se repondis negativement, a toutes les questions qui mo prsent faites, par monfr Enter adgoinet dems Le fiscal Independant Le Baron van Lijnden, cette conduite horrette de ma part nefut point agreable à monsr. Exter, elle ne Lesut prs davantager sans doute a Sen seigns mr Le fiscal Independant et pour men punir il fus defendu a mon Correspondant Mr Guij Perre chargé des affaires de mon vais seau, de continuer à m'assisten de ses Poins et de me llivrer mes besoins il fut defendu egale„ „ment au pont de L' Embanquement de penmettre Le de barquement, d'au„ „cune des marchandises de mon Veissr ma quantité d'Etrangers ne me donnoit pas cetle Serrire Sorcier signonois qu'elle eterent les objets qui deveit Composer La vcotelte dien capl Hollandcis ceur guils pouroit Licitement me vendre ceur que je pouvris acheter avec colfianee mr L'adjunct Enten mr Le fiscal Independant ne mavocent rien Lait Signifier, nulle defence ne m'avoit été faite de leur part ai je javois pu etre ccupable d'avoir trans gressé une Loij qui meetoit inconniéé quie est les oup able de ces messieurs ou de moij Eur Ee ne m'asoir pas fait connoitre La Loij de men avoir fait un secret ou de moij de ne l'avoir pas dermee Les openations de mon Vaisseau arreties, que n'avois je par à Craindre d'avantage pour 768 76:6: pour les Puittes de mon Commer ce et même pour La Sureté de ma personne de mon Vais seau, n'aijant Trien tantajoeur que la liberte de mes affaires Jeme presentai chir mr Le fiscal Independant Le Baron van Lynden, Teplaidai Les Interets de mon Armateur sans le convaincre de le Loijante de ma conduite, ni de moninocence à ses Jeux F' Etris si coupable que Pla Loi lui commandoit de me Junir le succes de mes represin„ „tations se borna a le determines de meproposer de n paijer au profit de la Compe le prir des Cables que J'avois achetté a cette condition il se flatteit que te Conseil Laisseroit cercables = bon bord, et que d'ailleurs toutes defences contraires a mon depart Serees quelque onereuse qu'etoit cette proposition touter contraires quelle eteit au droit de s Gens je souscrivis ^ Le Loij Imperieuse de la necessite, jene de terminaj à paijer La rancon demandee par monsr. Lefiscal Independant le Baron van Lynden qui me renvoija pour la conclu sion de cette affaire à son adjoin et ner Exter ce subalterne tres Exact me fit enjoindre Jan Le Pieur matheise, que Peuse a luy payer au plus tot 1940 Rind alles, en Exfiation d'uene faute qui par tout ailleurs nien ent pas été ure pour moij, a Siam iu Jetus il ij a trois ans, je n' ae point seprouvé de ce peuple farruche avider qui Ignire le droit des gens, et qui west point civilisé aucun procedé siemblable surla requisition Instante du Sr. Mattheise Je me rendis chez mr L adjoint Ester, minir des dirneuf cent quarante hird, dont apres Venification et numeration, Je lui demindai un recu pour prouver a mon ar„ „mateur que J'avois paijé elt „te somme 2 de montren a mes Confrenes Les Capte françois Le danger aurquelsils d'Erpto „senoient Le à chaguiune de leurs openctions, achepts, specu„ „lations ils ne s'advois soient pas à monsr Le Fiscal Independant van Lijnden, qui auroit la bonte renvoija de 167 de leur dire cequtils pournoient faire ave c sesuré te ceyntils ne devnoient passaird, monsr L'adcienct Extent m'ayant repondu gusun Recu etoit in utile C' insertai prin qu'il m' en donna une, laij paijant ure Somme conceqnente, prisqu'elle etoit plus de9000 Livres tournois il se rendit à mes observateins & redigean son recu en ces termes„ s'ai recu pour la noble Compe „ de monsheur Sco hij capitaine „du vaisseau La Marie therese „lefrir desjables confisques „ La somme de dirneuf kent „guarante Seirdalles ma Rancon paijai T'allois en Informer monsr le fiscal Jndependant t lui deminder ses bontes 't ses bonnes offer pour que le S Rogge me rem„ „boursa Le prir des cables que je lui avois paijé, et dont je renonce de paijer ure second fois, La valeur a mr. Exter pour Compte de la noble Compe hollandoose, monsr Le Bano van Lynden mefit la grace de me dire que le meilleur Conseil qu'il ascita me donnes E toit d'abandonner cette affaire, car par la plas Legere Ineracti„ „tude oudefauit de forme je la perdrois Comme Etranger, qu'un Evenement de Condumnation contra il en kappellerois a Batavia ous servis Ecrasé de frais Je me suis borné a attendue le retour, et lakencon„ „tre de ce cape pour obtenis de luij Le rentoussement de won augent puinque d'apres ceque m'a fait L'honneur de medire mr Le fiscal Independant Le Baron van Lynden il nij a pas pour moij des resCoured ten justice Jaffirme en Homme d'Thonneur et certifie veritable trus les detacls et cixconstances Eroncees cy dessus et d'autre part en quey de quoi Je Signe le present certificat que je Joins au recu original de monsieur Le Beron van Lynden, et dont je rejoint monfonde de procura„ ution, pour s'en servir dane toutes les Puites, deliginces et reclamatione quil Jugena bonne afaire en mon nom soit par devant morsr de gouverneur, Le Conseil de regence Ant die 768

NL-HaNA_1.04.02_4346_0403 view scan ↗

English

or of Justice, to procure for me from Captain Schaak, or from any other, the reimbursement of my nineteen hundred and forty rixdollars with interest, to be counted from the date of the receipt of Mr. Exter. Made at the Cape of Good Hope, the day and year as above. Signed Siohij. Agrees. Goetz. G. Exter. Received for the Noble Company from Monsieur Scohij, Captain of the private vessel La Marie Therese, the price of the confiscated cables, the sum of nineteen hundred and forty rixdollars. Cape, 25 March 1790. Was signed. Agrees. Goetz. First Clerk Adriaanszen. Collated. Vrouwenselder, First Clerk. Copy Today, the 5th of May 1791, appeared before me, Willem Stephanus van Ryneveld, Secretary of the Honorable Court of Justice of this Government, in the presence of the witnesses named below, the man, Captain of the Burgher militia here, Johannes Gys van Reenen, of full age, who, at the requisition of the burgher Ensign Coenraad Nelson, declared it to be true: That on the occasion when the French ship Le Dogue, commanded by Captain Dupin, was driven from its anchors and arrived in Saldanha Bay, the appearer thereupon went to the aforesaid bay in order to settle the accounts of the said Dupin; That during the appearer's presence in the aforementioned bay, and while on board the said ship Le Dogue, the appearer was shown by the aforesaid Captain Dupin a cable which he, Dupin, had purchased from the captain of the ship De Sterrenschans, also lying anchored there, the man Van Valkenburg, for the sum of one thousand rixdollars, together with some other new cordage required by him for the further rigging of his ship; That upon examining that cordage, the said Captain Dupin attested to the appearer that the cables he had bought from Mr. Valkenburg, although cheaper than those delivered to him by the Equipagemeester, were much better, adding that if Captain Valkenburg had not fortunately been in the aforementioned bay, he would have been made unable to leave the said bay with his vessel; That the appearer, the day before he was to leave the said bay, was present at the purchase and sale of a boat which, after 1000 rixdollars had been demanded for it by Captain Valkenburg, was finally purchased by Captain Dupin for rixdollars 900; That the appearer, upon his return to the Cape, walking one day with Captain Dupin to the jetty, saw the aforesaid boat lying there, and on that occasion asking how it came to be painted yellow, received as an answer from the same Captain Dupin that he had done so at the request of Captain Valkenburg, with the paint that had been handed over to him for the painting of that boat by the aforesaid Valkenburg; The appearer finally testifying to have heard from the often-named Captain Dupin that he had also bought from Valkenburg some provisions, among others beans, which he had paid for at 10 rixdollars per 100 pounds, which latter concerning the beans, as the appearer declared, was also recounted to him, the appearer, by Valkenburg himself. Declaring nothing further, the appearer gives as reasons for knowledge as in the text, being ready, if required, to confirm the foregoing further with a solemn oath. Done thus in the Castle of Good Hope, in the presence of the clerks Dirk Jacobus Aspeling and Christiaan Ludolph Neethling as witnesses, who have duly signed the original of this along with the appearer and me, the Secretary. In the Castle of Good Hope, the 6th of May 1791. Which I certify. Signed W. S. van Ryneveld, Secretary. Agrees. Goetz. Which I certify. Was signed W. S. van Ryneveld, Secretary. After collation, this was shown to me, the Secretary, by the requisitionist C. Nelson with the authentic copy and found to agree. Collated. Vrouwenselder, First Clerk. Copy We, the undersigned Captain and senior officers of the ship Le Dogue of Bordeaux, Captain Guillaume Dupin, certify that after the ship Le Dogue was driven from its moorings, we were obliged to buy an eighteen-inch cable from Mr. Cornelis, Captain of the Port, and an anchor of three thousand six hundred and twenty pounds, which said Captain of the Port sold to us: the cable for fourteen hundred rixdollars and five schellings, and the anchor for seven hundred and thirty-four rixdollars and five schellings; We further certify that, having arrived at Saldanha Bay, we were obliged to buy various goods, both for the ship and for the slave trade, and that following the offers of Mr. Valkenburg, Captain of a ship of the Dutch Company, we

Dutch transcription

ou de Justice, pour me procures de Capitaine Schaak, oude tout autre Le remboussement de mee din neufcent quarante rind avec les Interets, a Compter de la datte du recu de mr Exten Fait auCap de borne Esperance Le jour & an cij devant. Aigney Siohij Accordeert Goetz G. Exter Cecu pour La Noble Compagnie de mon sieur Scohij Capitain du vaisseau particulier La marie Thereze le prix de Cables Confisques la somme de dix neuf C„t guaran„ te Eixd„n Cabole 25 Maart 1790— /was geteekend/ Accordeert Goetz G Clercq: Adriaansien Coll: Trouwenselder Eg Clercq. —– – -- - Nag: opia Huiden den 5 May 1791 Compareerde voor mij Willem Stephanus van Rijneveld Secretaris van den E. Achtb, Raade van Iustitie deezes Gouvernements, present de na„ „gen getuigen den man 't, Capitein der Burgerije alhier Johannes Gis van Competen ten ouderelom dewelke ter requisitie van den mant, burger Vaandrig Coenraad Nelson verklaarde hoe waar is; Dat bij geleegentheid dat het frans schip le Dogue gecommandeert door Capitijn Da„ „pin, van zijne Ankers geslagen en in de saldan„ nabaalj terhou gekomen was, de Comp:t zig daarop na voorsz Baaij had begeeven, ten einde de recq„ vangem: Dupin te vereffenen Dat bij des Comp„s aanwezen in voorm: baaqj als toen aan boord van het zelve schip te Dogue, aan den Comp:t door voorsz: Capitein Dupin was vertoond geworden Een Cabeltauw, 't welk hij Dupin van den Capitein van 't aldaar mede g'ankerd Zeg „gend schip de Sterrenschans, demant van Valkenburg had gekogt voor de Somma van Een duizend rijxd„s, beneevens nog eenig ander nieuwe Touwwerk, door hem verder tott het toetuijgen van zijn schip benodigd — Dat bij 't Examineeren van dat Touwwerk gem Capiteen Dapinaarden Comp:t had betuigd, dat de Cabelen die hij van den heer Valkenburg had gekogt Schoon goedkoper Copia 763. goedkoper als die hem door den Equipagie„ „meester was geleeverd, veel beter waren, met bijvoe„ „ging, dat wanneer Capitein Valkenburg zig niet gelukkig in voorm Maaij had bevonden, hij dan in de onmogelykheid zoude zijn gesteld geworden om gem: Baaij met zijn onderheb„ „bende bodem te verlaten Dat de Comp:e daags, voor dat hij gem Haag„ stond te verlaten, present is geweest bewe koop en verkoop van een Schuit die na dat daarvoor van Capitein Valkenburg was geEischt 1000 lb eijndelijk door Capitein Dupsin voor r:o 900:—: was gekogt geworden Dat de Comp„s bij zijn te rugkomst aan de Coop op zeekeren Dag met Capitein Dupin na het zeehoofd gewanstelt zynde voorsz, schuyt aldaar had zien leggen, en bij die geleegentheid vraagende hoe het quam dat de schuijt nugeel geschildert was van denzelven Capitein Dupin te ant„ „woord had bekomen dat hij zulx op versoek van Capitein Valkenburg gedaan had met de werff die hem tot het verschilderen van die Schuijt doo dukgem: Valkenburg was ter land gesteld geworden Betuigende de Comp:t laatstelijk van meerm: Cap „tein Dapin te hebben vernomen, dat hij ook nog van Valkenburg had gekogt eenige provisien onder anderen Boonen, die hij tegens 10 Oa 100 lt had betaald, welk laatste nopens de boor /lager stond/ In't Casteel de Goede hoop den 6 Meij 1791 /lager/ quod attestor (geteekt. W. S. Van Eijneveld secret:s Accordeert Goett 'T welk ik Getuige (was geteek:/ W: S. van Zijneveld Secret:s /lager/ Nagedaane Collatien is deeze door den requirant C. Nelson met het aunthent: afschrift aan mij Secretaris vertoond en accordeerende bevon„ /onderstond/ Dat Aldus passeerden In't Casteel de Goede Hoop ter praesentie der Clercquen Dirk Iacobus Aspeling en Christiaan Ludolph Neethting als getuigen, die de minute dezes beneevens den Compt: ende mij Secretaris meede behoorlijk hebben onderteekend de Compt: verklaard, door Valkenburg Zelve mede aan hem Comp:t verhaald te zin, Niets meer verklarende geeft den Compt voor reedenen van wetenschap als in den Text bereid Zynde het voorenstaande des gerequireerd werdende met solemneele Eede nader te willen bevestigen de. Frouwenselder Eg Clercq. „den Coll: Copie Naes Coussignés Capitaine, officiers Majors du navire le Dogue de Bordeaux, Capitaine G„m dupin; Certifisont que d'apres le Derade„ ment du navire le Dogue, nous auriont Eté obligés d'athetter un un Cable, de Dixhuit pouces à Mr. Cornelis, Captt de Port, &une ancre de trois Mille Six. Cents vingt livres, lequel dit Capité de Port nous au„ roit vendut le Cable, quatorze Cent Rixdallers & cing Escalins & l'ancre, sept Cent trente quatre Rixdallers & cing, Escalins, Certifiont de plus quitant arrivés à Cla Baye de Saldagne nous auriont Etêt obligés d'achetter divert Effete, tant pour le navire que pour la traitte des noirs & que d'apres les offres de Mr. Valkanburg, Capitaine de vais„ seau de la Compagnie holland uise nous 2

NL-HaNA_1.04.02_4346_0407 view scan ↗

English

we would have decided to buy from him the following articles, which were the most necessary for our situation 1. Cable of 17 inches Dutch measure 1000 — 1 Hawser of 4 and a half inches 300 — 1 Piece of cordage of 4 strands 50 - - ditto ditto of 42 strands 45 — — piece ditto of 27 40 — — piece ditto of 24 38 — — 2 pieces ditto of 21 70 — — 1 ditto ditto 18 30 — — 7 [illegible] of sail twine 44 — — 20 of red ochre 10 — Two barrels of tar 80 - Half a barrel of pitch 20 — 3000 weight at 90 rixdollars the thousand 270 — — one barrel of salt 20 — 1987 rixdollars Certifying furthermore that we would have been obliged to buy provisions to refresh our slave cargo, that the inhabitants of the surroundings of the said Saldanha Bay would have offered us oxen at twelve rixdollars, sheep at two rixdollars and a half, cabbages at two sols, onions at two rixdollars the mud, and that this Mr. Stoffberg would have forbidden the said inhabitants, in the name of the Fiscal, from selling us anything, despite the order he had received from the Governor of the Cape to give us all assistance, injunction having been made to us by the said Mr. Stoffberg to take everything from his place; to which we would have been forced to resolve ourselves, and have bought from him the following articles: Seven oxen at 20 rixdollars 140 rixdollars Two cows at 15 rixdollars 30 — 9 sheep at 4 rixdollars 36 — a horse hire for the Cape 20 — 400 cabbages for 64 — 50 leeks [illegible] 382 loaves of six pounds for 129 — one mud of onions 1 would amount to 226 rixdollars 773 Today the 29th of April 1791 Amount from the other side 226 rixdollars one leaguer of Cape wine without the cask 150 — 4 muds of peas 40 — 1 of onions 6 — 1 of potatoes 4 — 9 bunches of celery 1 — For washing 23: 2: — for pilotage of the said ship le Dogne here entered 150 for 25 days hire of a small boat at 2 rixdollars 50 - for 20 days of a longboat chaloupe at 6 rixdollars 120 — 3 more sheep 12 — mud of barley at 4 rixdollars 32 — 10147:26 Furthermore bought from Mr. Valkenburg, for a boat, its oars and sails 900 rixdollars In witness whereof we have drawn up and signed the present duplicate at Saldanha Bay on the 13th of February 1791. Signed: Gme Dupin, S. Chaigneau, C. Pechon, Labarbe, J. Bernard Dareix, Delpech, Jacob Agrees. Appeared before me, Johannes Daniel Karnspek, sworn clerk at the Secretariat of Justice of the Castle of Good Hope, present the hereinafter named witnesses, the Burgher Valentijn Alexius Schoonberg, who, pursuant to the appointment of the Honorable Council of Justice of this Government dated yesterday and at the requisition of the Valiant Burgher Ensign Coenraad Nelson, declared it to be true: That the appearer in the month of February of the past year 1790 bought from the Captain-Lieutenant at sea the Valiant Altrogj circa 1200 lb of tobacco at 17 stuivers the pound, which tobacco was transported by the said Altrogj illicitly in empty leaguers from on board his ship to the shore. That the Honorable Independent Fiscal here, Johan Nicolaas Steven van Zijnden, having discovered this, had confiscated that tobacco; whereupon the appearer had gone to the said Honorable Fiscal and requested whether it might not be possible, since he had indeed bought that tobacco, to be allowed to remain the buyer thereof, his Honor having replied thereto that this could not be, because something that had been confiscated was not allowed to be sold. That nevertheless in the month of March following, the aforementioned Honorable Fiscal had summoned him, the appearer, to his presence and asked whether he wanted to buy tobacco now, which was at first declined by the appearer, stating that he had already bought tobacco, but afterwards, because the said Honorable Gentleman told him, the appearer, that he could obtain it for 17 stuivers the pound, he had then bought eight hundred ninety-eight lb for that price, the appearer having delivered the money for it to the amount of 310 rixdollars 7 stuivers 4 pennings to one of his Honor's servants who was present at the weighing thereof. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons for knowledge as in the text, being prepared to confirm the foregoing by solemn oath if required. Thus done in the Castle aforesaid, present the clerks Christiaan Ludolph Neethling and Johan Bernaard Hoffman as witnesses, who have duly signed the original of this together with the appearer and me, the sworn clerk. Underneath stood: Which I attest, was signed: J: D: Karnspek, sworn clerk. After collation was made, this was presented by the requester, with the authentic copy, to me, Secretary of the Honorable Council of Justice here, and found to agree. In the Castle of Good Hope, the 5th of May 1791, underneath stood: Which I attest, was signed: W: J: Van Rijneveld, Secretary. Agrees. Goetz, first clerk. Trouwenselder 3 Examined HS

Dutch transcription

nous nous seriont decidés a lui achetter les articles suivants les plus nécessaires à Notre position 1. Cable de 17. pouces Messure hollandoise. . . . . . . „ 1000„—„ 1 Frelin de 4. pouceset½. 300„—„ 1 Piece de cordage de 4 fils 50„-„- d„o die 42 fil. . . . 45„ —„— piece piele d„o de 27. „. - - - . 40. —. — piele do de 24. „. . . . . 38„—„— 2 pieces d„o de 21 „. . . . . 70„—„— 1 d„o d„o „ 18 „ . . - . . 30„ —„ — 7=d de fil arville - - - - - - „ 44. —.— 20 de gron rouge. . . . . . 10„—„ Deux Barriques de Goudron 80„-„ Une demies Barrique debraij 20: —. 3000 de poid a 90 rixd. lemilli 270„ —. — une Barrique desel. . . . 20„ —. 1987. rixd„l Certifiont de plus que nous auriont etêt obligés D'achettes des vivres pour rafraichir notre traitte que les habitants des Environt de la ditte Baye de saldagne, nous auroient offerts les Bouefs a douze Rixdallen les Montant à deux rixdaaller & demie, leschoux à deux sols lesoignont à deux Rixdalles le Mud & geze Monsr. Stoffberg auroit fait la défence aux dito habitant au nom du fiscal de ne nous rien vendre, Malgré l'ordre quil avoit recu du Gouverneur du Cap de nous donnes toute assistance, in Jonction nous à eté faite par le Sieur Stofberg de prendre tout cher lui; à quoi nous auriont Eté forcés de nous decides & lui avont achettét, les articles suivants. Cept Baufs â 20 rixd:le 140 „ rixd: Deux Vaches à 15 rid: 30„— 9 Montont à 4 rixd= - - - 36 „ — in Loaage de cheval pourle Cap. – - - - „ 20 „ — 400 Moux pour. . . „ 64„— 50 poirel - - - - - - - 382 paint de sixclivres poar 129: — un Med d'oignont 1„ aurocent 226„ rixd:l 773 Hueiden den 29 April 1791 Montant de l'autre part 226. rijd une légre de vinducap Sansla - Lutaille. . . . . . . . . . 150 — 4 Muds foids - - .. 40. — 1 „ doignont - - . 6„ — 1 „ de pommes de terre. . . . . 4„ — 9 paquets Selerij 1„ — Pour Blanchillage. . . . . . 23: 2:— pour pilottage du dit navire le dogne Cij. „150„ pour 25 Journéé de louage d'ua Canot à 2 rixdaller 50„- pour 20 Journée dun canot Chaloupes. â 6 rixd:r. . . . . 120„— 3 Moutont de Plus. . . . . 12. — Mud D'orge à 4 rixd 32„— ƒ 10147:26: De Plus achette de Monsr. Valkenburg, pourun Canot ses avirons & Voilles 900 rixd: Enfoi de quoi nous avont drené & digné le présent d'ouble à la Baye de Saldagne le 13 fevrier 1791. /: Signe:/ Gme Dupin, S. Chaigneau C: Pechon Labarbe, J. Bernard Dareix Delpech, Jacob Accordeert Compareerde voor mij Johannes Daniel karnspek, gesw: Clercqte secretarije van Ius„ titie des Casteels de goede Hoop, present de naten: getuigen, den Burger Valentijn Alexius Schoonberg, dewelke ingevolge appoinctement van den E: Achtb: raade van Iustitie deezes Gouvernements van Gisterigen datum en ter requisitie van den Manh: Burger Vaandrig Coenraad Nelson verklaarde hoe waar is Dat den Comp:t in de Maand Februarij des gepasseerden Iaars 1790, van den Capitein Lieut„ ter Zee den Manh: Altrogj Circa 1200 lb: Tobak gekogt hebbende tegens 17 sts 't lb: die Tobak door gem Althog Sluikswijze in leedige Leggers, van Boord van desselfs schip naa de wal was getransporteerd.- Dat den E Achtb: Heer Independent Fiscaal alhier Iohan Nicolaas Steven van zijnden, zulx ontdekt hebbende die Tobak had geconfisqueert; waar op den Comp„t zich bij gem: E: Achtb: Heer Fiscaal had vervoegd, en verzogt, of het niet moogelijk was dewijl hij die Tobak doch gekogt had, daar van kooper te moogen blijven zijn Ed: Achtb: daar op geantwoord had zulx niet te kunnen zijn, dewijl iets dat geconfisqueert was niet mogt verkogt worden Dat echter in de Maand maart daar Trouwenselder Goetz Eg Clercq. aan Coll: HS aanvolgende, voorm: E Agtb: Heere Piscaal hem Comp:t bij zijn E: had ontbooden en gevraagd of bij nu Tobak wilde koopen zulx in het eerst door den Comp„t was afgeslaagen, onder het zeggen, dat hij reeds Tobak gekogt had door naderhand dewijl gem: E Achtb: Heer hem Comp:t zeide zulx voor 17 stuiv„s het Pond te kunnen bekoomen als toen agt honderd agt en negentig lb: voor dien Prijs had gekogt, hebbende den Comp„s het geld daar voor ten bedraa„ gen van rd„s 310„ 7„4„ aan een van zijn E agtb: Bediendens die bij het afweegen daar van praesent was afgegeeven.— Niets meer verklaarende geeft den Comp„t voor rede„ nen van weetenschap als in den Text bereid zijnde het voorenstaande des gerequireerd wordende met solemneele Ede te bevestigen Dat aldus passeerde in het Casteel voorm praesent de Clercque Christiaan Ludolph Neeth„ ling en Johan Bernaard Hoffman als getuigen die de minute deezes benevens den Comp:s ende mij gesw: Clercq meede behoorlijk hebben onderteekend. /:onderstond:/ quod Attestor /:was getekend:/ I: D: karnspek gesw: Clercq: Na gedane Collatie is deeze door den requirant, met het authent: afschrift aan mij secretaris van den E Achtb: Bade van Iustitie alhier vertoond en accordee rende bevonden In't Casteel de Goede Hoop den 5 Meij 1791/:onderstond/ quod Attestor /:was getekend:/ W: J: Van RijnerEld: Secret:s Accordeert. Goett Eg Clercq. Frouwenselder 3 Coll:

NL-HaNA_1.04.02_4346_0410 view scan ↗

English

774 Today, the 7 April 1791:— Appeared before me, Johannes Daniel Karnspek, sworn clerk at the judicial secretariat of the Castle of Good Hope, present the hereinafter named witnesses, the burger Christiaan Caroetz, of competent age, &c., who, pursuant to the order of the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government dated 31 March last, and at the requisition of the manly burger ensign Coenraad Nelson, declared it to be true: That the appearer, in the month of January or February of this current year, without being able to determine the exact time, having been on a certain morning at an auction of Mr. Eaman, had proceeded from there to the house of the burger Willem Steedle, where one of the appearer's slave women, whom the appearer had just bought at the said auction, had arrived, stating that the house was full of soldiers and the appearer was therefore requested on behalf of his wife to come home immediately. — That the appearer thereupon had gone in haste to his dwelling, and having arrived there had been informed by his wife that a force of a non-commissioned officer and some soldiers had barely left the house, P: G 4 Copy 795 who had searched there with violence for a certain Human, who had stopped with his wagon near the appearer's dwelling, in order to take him away as an arrestee, and that this guard, notwithstanding all protests made against it and assurances that no such person was to be found in the house, had nevertheless remained there and posted themselves in front of the house until the said Human himself had arrived, whom they, upon the pointing out of the appearer's wife, had detained and taken with them, just as the appearer also, on his way home, had encountered such a guard taking away an arrestee near his house. — That the appearer, immediately upon this report from his wife, had betaken himself to the house of the Adjunct Fiscal, Mr. Johannes Andreas Truter, and reported to him what had occurred at his house, upon which the said Adjunct Fiscal was given in answer that he was already informed of that matter and would also conduct further investigation into it accordingly, the appearer having subsequently heard nothing more of the said case, nor having concerned himself further with it. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons of knowledge as already stated in the text, Agrees. Goetz In the Castle of Good Hope, the 5 May 1791:— lower: which I attest, was signed: W: P: Ryneveld, Secretary. being ready, if required, to confirm the foregoing under oath. - below: Thus happened at the aforesaid secretariat in the presence of the clerks Dirk Jacobus Aspeling and Johan Bernhard Hoffman as witnesses, who have duly signed the original minute of this together with the appearer and me, sworn clerk. lower: which I attest, was signed: J: D. Karnspek, sworn clerk: - underneath: after collation was made, this was found to be fully agreeing with the authentic copy presented to me, the secretary, by the petitioner. below: being Examined. E.g. Clerk. ƒ Wege 152 776. Today, the 4th of April 1791: Appeared before me, Johannes Daniel Karnspek, sworn clerk at the Judicial Secretariat of the Castle of Good Hope, present the hereinafter named witnesses, the Fire Master, Mr. Andries Brink, of competent age, who, pursuant to the order of the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government dated 31 March last, at the requisition of the burger ensign, the manly Coenraad Nelson, declared it to be true: That in the month of August of the past year 1790, the farmer Barend Beukes having come into the appearer's house, who addressed the appearer for the payment of a sum of sixteen rixdollars and 2 schellings, which debt was denied by the appearer because he knew for certain that he had never, ever dealt with the said Beukes; that regarding this matter, since the appearer contradicted it, several insulting expressions were uttered by the said Beukes to the appearer in the presence of some persons, which the appearer ƒ 6. Copy

Dutch transcription

774 Huiden den 7 April 1791:— Compareerde voor mij Iohannes Daniel Karn„ spek gesw: Clercq ter Justitieele secretarije des Casteel de Goede Hoop praesent de naten:r getuigen, den burger Christiaan Caroetz van Comperten ten ouderdom, &e 7en „wella, dewelke ingevolge appoinctement van den E. Achtb Raad van Iustitie deezes Gouvernements de dato 31: Maart Iongstl: en ter requisitie van den Mantos Burger vaandrig Coenraad Nelsen verklaard, hoe waar is. - Dat den Comp:t in de maand Ianuarij of Februarij van dit loopende Iaar zonder de Juste tijd te kunnen bepaa„ „len, op zeekeren morgen geweest zynde by een vendutie van de Heer Eaman zig van daar had begeeven ten huizen van den Burger Willem Steedle, alwaar een van des Comp: slaven meiden die den Comp=tre reets op gemd vendutie gekogt had, was gekoomen te kennen geevende dat 't huijs vol Poldaaten was en den Comp:t dus van weegen sijn huisvrouw verzogt wierd terstond te huis te koomen. — Dat de Comp:t zig daar op in der haast naar zijn Wooning had begeeven, en daar gekoomen zynde door zyn huisvrouw was geinformeerd geworden; dat er een magt van een onder officier in eenige soldaaten naauwlyk ten huize uitgegaan waaren P: G 4 Copia 795 waaren dewelke aldaar met geweld zeekere Humar die met zyn wagen naar bij des Comp:ts worning w stil gehouden gezogt hadden; dezelve als arrestant weg te brengen en dat die wagt niet teegenstaande al daar teegen gedaane protestatien ten betuigingen een zodanig perzoon aldaar niet in huis te vind was, echter daar gebleeven waaren en zig voor het huis hadden geposteert, tot zoo lange dat gemd: Human zelve was aangekoomen die zij op de aan weezing van des Comp:ts huisvrouw, hadden aange houden en meede genoomen, zoo als den Comp:s aan ook in het naar huisgaan een zodanige wagt we „ke een arrestant wechbragte waar bij zijn huis had gerancontreerd. — Dat den Comp: zig terstond: naar dit bericht zijn huisvrouw ten huize van den Adjunct Fiscaal op Johannes Andreas Fruiter had vervoegt en aan de „zelve van 't geen ten zijne huize was voorgevallen verslag gedaan, op 't welk daar gemelde Adjunct R „scaal ten antwoord gegeeven wierd dat hij reeds van die zaak geinformeerd zynde ook dies wel gens verder onderzoek zoude doen hebbende den Comp:t vervolgens van 't gemeld geval niets meer vernoomen nog ook zig daar aan meer laaten geleegen zeg Niets meer verklaarende geeft den Comp:t voor reedenen van weetenschap als in den text bereid Accordeert Goetz Int Casteel de Goede Hoop den 5 Meij 1791:— /:lager:/ quod Attestor /:was geteekend:/ W: P: Ryneveld Secretaris. zeinde 't voorenstaande des gerequiereer wordende met Eeden te bevestigen. - /:onderstond:/ Dat Aldus passeerde ter secretarije voorm. ten byweezen der Clercquen Dirk Iacobus As„ peling en Johan Bernhard Hoffman als getuigen die de minute deezes beneevens den Comp: ende mij gesw: Clercq meede behoorlijk hebbe on„ derteekend /:lager / quod Attestor /:was geteekend/ I: D. Karnspek gesw: Clercq: - /:daar onder :/ na gedaane Collatie is deeze met 't aan mij se„ cretaris door den req t vertocht autentieg af„ schrift volkoom en accordeerende bevonden. /:onderstond/ zeinde Nagezoen Eg Clercq. ƒ Wege 152 776. Huijden den 4de April 1791: Compareerde voor mij Johannes Daniel Karnspek geszw: Clercq, ter Secretarije van Justitie des Casteels de goede hoop, praesent de naten: getuigen den Brandmeester S„r Andries Brink van Competen„ „ten ouderdom dewelke ingevolge appoinctement van den E: Achtb: Raad van Justitie deeses Gouvernements de dato 31 Maart Jongstl: ter requisitie van den Burger Vaanderig de Manh: Coenraad Nelson verklaarde hoe waar is. Dat bij den Comp„t in de maand Augustus des gepasseerden Jaars 1790 in huijs gekoomen zijnde den Landbouwer Barend Belukes dewelke den Comp„t tot de betaaling van een somma van Sestien Rijxd„s en 2 schetl: aangesprooken heb„ „bende, welke schuld door den Comp„s genegeerd zijnde vermits zeker wist dat nooit ofte ooit met gem: Beukes gehandelt had dat over deeze zaake /: vermits den Comp„s dezelve tegenspraak:/ door gerepten Boukes aan den Comp„t in presentie van eenige perzoonen verscheidene injurieuse Expressien toegevoegd zijnde welke den Comp„s ƒ 6. Copia

NL-HaNA_1.04.02_4346_0413 view scan ↗

English

could not let it pass in silence, but addressed himself in this regard to the Independent Fiscal, Mr. I: N: P: van Lynden, and made a complaint thereabout, with the request that the aforementioned Fiscal would protect him against that violence, which was then also accepted by the aforementioned Fiscal; that the appearer was thereupon summoned the following day by the aforementioned Fiscal, who made known to the appearer that his Honour had prosecuted the said Beukes for a sum of fifty Ducatoons; that the appearer thereupon asked the aforementioned Fiscal whether the said fifty Ducatoons or fifty Rixdollars—which the appearer, on account of the long elapsed time, does not now recall clearly—might then be granted to the Diaconate Poor, whereunto the aforementioned Fiscal answered, the poor are rich enough, I have more need of it than the poor; that the appearer, having been informed that the said Beukes was a poor man, and not wishing to cause further trouble, was satisfied with that matter. Below was written: In the Castle of Good Hope, the 5th of May 1737. Lower: Quod Attestor. Was signed: W: P: Van Rijneveld, Secretary. Agrees. Goetz. Thus passed at the aforementioned secretariat, in the presence of the clerks Jan Bernhard Hoffman and Christiaan Michiel Lind as witnesses, who have duly subscribed to the minute hereof together with the appearer and me, sworn clerk. Lower: Which I witness. Was signed: I: D: Karnspek. And below that: After collation was made, this was shown by the applicant, C: Nelson, with the authentic copy, to me, Secretary of the Honourable Court of Justice, and found to agree in all parts. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons of knowledge as in the text, being prepared, if required, to confirm the foregoing further by solemn oath. Below was written: Nothing. Adriaansen, Clerk. 696 Collated. 778 Letter A. Today, the 8th of April 1791, appeared before me, Johannes Daniel Karnspek, sworn clerk at the secretariat of Justice of the Castle of Good Hope, the Captain Lieutenant of the ship Teilingen lying at the roadstead, the worthy Arnoldus Rogge, who, at the requisition of the Ensign of the burghery, the worthy Coenraad Nelson Junior, declared it to be true that the first court messenger, Carel Ewald Ziervogel, having been on board here on the 6th of this month of March, asked the appearer on behalf of the Honourable Independent Fiscal here, I: N: S: van Lijnden, whether the declaration that the appearer gave at the requisition of the applicant had also arisen from any offer of friendship that the applicant might have made to him, the appearer, and whether the said declaration was also at the requisition of the Honourable Mr. I: I: Le Sueur; that the appearer thereupon answered the said Ziervogel that he never or at any time gave declarations at the requisition of the Honourable Mr. I: I: Le Sueur, but solely to the applicant, since the applicant had requested it of the appearer, without however knowing what purpose it would serve; the appearer lastly testifying that he has never spoken to the Honourable Mr. Le Sueur, much less that the said Mr. Le Sueur or anyone else on behalf of the said Mr. I: Le Sueur entertained him concerning a declaration, and that the declaration was given by him at the request of the applicant, without having been persuaded thereto by anyone. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons of knowledge as in the text, being prepared, if required, to confirm the same further by solemn oath. Below was written: Thus passed on board the ship Teijlingen lying at the roadstead, in the presence of the clerks Jan Bernhard Hoffman and Nicolaas Johannes Kerman as witnesses, who have also duly signed the minute hereof together with the appearer and me, sworn clerk. Below was written: Which I witness. Was signed: I: D: Karnspek, sworn clerk. After collation was made, this was shown by the applicant, Coenraad Nelson, with the authentic copy, to me, Secretary of the Honourable Court of Justice, and found to agree. In the Castle of Good Hope, the 5th of May 1797. Below was written: Quod Attestor. Was signed: W: van Rijneveld, Secretary. Examined. Agrees. Goeds, First Clerk. J: Vk: Haardorp HS 778 Copy. Account or detailed narrative of the true state of affairs of me, the undersigned, Godfried Frederik Koch, beginning with the year 1787, also including the criminal detention of my person and the further events that occurred therein in the year 1796, etc., etc. In the year 1787, namely in the month of August, I rode with several wagons from my dwelling place named d'Eylands Dans to Plettenberg Bay in order, according to an agreement reached, to cut wood for the Honourable Company, on account of which a camping place was also assigned to me there by the Honourable Commissioners present there at that time, namely Eybertus Bergh and Duminie, I having at the same time also taken along some trade goods in order to sell the same there to the surrounding inhabitants to my advantage, which I then also did with good success; whereupon I again in the year 1788, the month of August, loaded a wagon from my above-mentioned dwelling place Letter K.

Dutch transcription

7777 met geen stilbwijgen konde voor bij gaan, maar zig diesweegens bij den heer Independent Fiscaal I: N: P: van Lynden vervoegt en daar over klagtig gevallen zijnde met verzoek opgem:t Heer Fiscaal hem over dat gewal wilde maincteneeren 't geen door gem: Fiscaal dan ook is aangenoomen geworden dat den Comp„s daar op s' daags daar aan volgende bij gem: Heere Fiscaal ontbooden geworden zijnde dewelke den Comp„t te kennen gaf dat sijn E: gemelde Beukes g'actioneerd had voor een somma van Vijftig Ducatons dat den Comp„s daar op gem: Heel fiscaal verzogt hebbende of gem: vijftig Ducatons of vijftig Rijle„ „daalde is /: 't geen den Comp„t vermits de lange tijd nu niet meel voorstaat :/ als dan aan de Diaconij Armen weesen mogt door dukgomd Heere fiscaal daar op is geantwoord geworden, de armen zijn Rijk genoeg, ik heb het beeter noodig als de armen. dat de Comp„e vermits geinformeerd zijnde dat gem: Beukes een arm Man was, en niet gaarne meerdeze omstandigheeden willende hebben in die zaake genoegen genoomen had„ /:onderstond:/ In't Casteel de Goede Hoop den 5 Maij 1737 /:lager:) Quod Attestor /:was geteekend:/ W: P: Van Rijneveld Secretaris Accordeert Goetz Datuldus Passeerde ter secretarije voorn: pravent de Clercquen Jan Bernhard Hoffman en Christiaa„ Michiel Lind als getuijgen die de minute deezes beneevens de Comp:te en mij gezw: Clercq meede behoorlijk hebben gesubscribeerd /:lager:/ 'T Welk ik Getuige /:was Geteekend) I: D: Karnspek /: en daar onder:/ Na gedane Collatie is dezze, door den req„t C: Nelson, met het authent: afschrift, aan mij Secreta„ „ris van den E: Achtb: Raade van Justitie vertoond en in alle deele accordeerende bevonden, Niets, meel verklaarende geeft den Comp„ts voor redenen van wetenschap als in den Text bereid zijnde, 't voorenstaande des gerequireerd werdende met solemneele Eede naader gestand te doen /:onderstond:/ Niets -Adriaansen Clercq. 696 Coll: 778 L„a A. Huiden den 8 April 1791 Compareerde voor mij Johannes Daniel Karnspek gesw Clercq ter secretarije van Iustitie des Cas„ teels de goede hoop den Capitain Lieutenant van het ter rheede leggend schip Teilingen„ de manh: Arnoldus Rogge, dewelke ter requi„ titie van den vaandreg der burgerij den man„ Coenraad Nelson Iunior verklaarde hoe waar is Dat den eersten gerechtsbode Carel Ewald Ziervogel op den 6 deezer maand Maart, alhier aan boord geweest zijnde, den Comp:s uit naam van den E Achtb heer Indepen„ dent fiscaal alhier I: N: S: van Lijnden afvraagende, of de verklaaring die den Comp:s ter requisitie van den req: gegeeven heeft ook is geeweest uit eenige offerte van vriendschap, die den req:t hem Comp„ts gedaan zoude hebben, en of ged verklaa= ring ook op requisitie van de E Achtb: heer I: I: Le sueur geweest is Dat den Comp. t daar op aan gem: Liervogel geantwoord heeft, dat hij nimmer ofte oost ter requisitie van de E Achtb: heer I: I: Le Sueur verklaaringen gegeeven heeft, maar alleen„ „lijk aan den req„t vermits den req=t den Comp:t daar om verzogt hebbende, zonder echter te weeten, waartoe dezelve zoude dee„ Betuigende den Comp:s Laatstelijk dat hij nimmer de E Achtb: heer Lesueur gesprooken heeft, veel min dat ged:s heer Le sueur of iemand nen iemand anders van weegens gem: hee I:: Lesueur hem over een verklaaring ond houden heeft, en dat de verklaaring doo hem op verzoek van den reqt. is gegeeven geworden, zonder daartoe iemand gep „suadeerd te zijn Niets meer verklaarde geeft den Comp voor reedenen van wetenschap, als in den ter bereid zijnde, het zelve des gerequiree wordende, met solemneele rede nade gestand te doen. derstond: Dat aldus Passeerde aan boord v het ter rheede leggend schip Teijlingen, he presentie der Clercquen Ian Bernhard Hoffman en Nicolaas Iohannes Kerman als getuige, die de minute dezes benevens den Comp:t ende mij gesw: Clercq mede be„ hoorlijk hebben ondertekend /:onderstond /T welk ik Getuige /was geteken I: D: karn spek gesw: Clercq Nagedane Collatie, is deeze, door de requirant Coenraaed Nelson, met het authenticque afschrift, aan mij secretaris van den E Achtb. Rade van Iustitie vertoond en accordeerende bevonden In 't Casteel de Goede Hoop den 5 Maij 1797. /:onderstond:/ Quod Attestor /:was getekend/ W„ van Rijneveld secret„s Nagasien Accordeert Goeds Eg Clercq: J: Vk: Haardorp HS 778 Copia Relaas ofte omstandig verhaal van de waare toedragt der zaken van mij ondergeteekende godfried frederik koch, beginnende met 't Jaar 1787:- teffens ingeslooten de crimineele detentie mijnes persoons en het verdere daar in voorgevallene in den Jaare 1796: — p=s &=a Jn den Jaare 1787 en wel in de Maand augustus ben ik met eenige wagens van mijn woonplaats genaamd d' Eylands dans na de plittenbergsbaaij gereden ten eijnde volgens getroffen accoord voor de E Compagnie houd te kappen, uit hoofde van welke mij ook door de te dier tijd aldaar sig bevindende Eeren gecommit teerde in namen Eijbertus Bergh en duminie aldaar een legplaats is aan„ geweesen hebbende ik te gelijker tijd, ook eenige negotie goederen mede genomen omme het zelve aldaar aan de omleggende inwoonderen in mijn favens te verdebiteeren, 't welk ik dan ook met een goed succes hebben gedaan, — waar op ik weeder in den jaare 1788: — de maand augustus van mijn een wagen woonplaats bovengem: beladen L„a K.

NL-HaNA_1.04.02_4346_0417 view scan ↗

English

laden with a chest of trade goods to Plettenberg Bay, and specifically to the above-mentioned station, and rode along on horseback. When I arrived there, it happened on a certain morning that a Dutch private ship was stranded, and on this occasion I, as well as several other local inhabitants living there, was asked by the said commissioner, Mr. Egbertus Bergh, to come to his assistance with our wagons and slaves in this matter, and to transport the goods stranded there into the Honorable Company's warehouse standing there, which we then also did to the best of our ability. After these goods were brought into safety, Mr. Bergh gave me nine hundred and eighty pieces of white linen to have them washed, which goods I transported by several loads from the warehouse to my station, had them washed and dried there, and after that, well-conditioned and without any deficiency, delivered them back to Mr. Bergh in the warehouse. The sixth or seventh day after my arrival at my dwelling place, my wagon with trade goods only arrived at my place late in the evening, upon whose arrival I ordered the goods to be brought inside, namely a chest and some bags, but to my surprise I saw the contrary, as these goods were brought into my bedroom in loose, wet pieces, and the wagon driver reported to me that the wagon had overturned in a river named the Cangamma, just as I then also the next day, in consideration of my trade goods that I had there, and understanding that on the occasion of this stranded ship I would not be able to sell them satisfactorily, I asked Mr. Duminé whether a public auction would be held for those stranded goods, who answered me that he did not know, but indeed presumed so, whereupon I sent my goods from there back to my dwelling place, just as I then rode out of Plettenberg Bay with the gentlemen Bergh and Duminé. had the wet goods hung up around my house, dried, and again properly stored. In the month of September, the 2nd day, on a certain early morning, I went into the workshop where a certain joiner named Florentius Bove, who was then on loan to me, was working, and at the same time had a writing desk of mine in hand, on which he had already worked for over a year; and as the above-mentioned Bove showed that piece of work to his friends present with him, named Nicolaas Rademeijer and two woodcutters named Matthijs and Andreas, I said, Yes Florentius, everyone longs to see that piece of work finished, and even I; whereupon he snapped at me, You will always see the faults of others, but not your own; which obliged me to ask him, if he knew of any faults of mine, to name them then, which caused him to reply, You have stolen linen, you have beaten a woman to death, and also a boy. To this I answered that they were rascals who accused me of such things, which words resulted in him, Bove, unexpectedly striking a blow to my face and further pursuing with a heavy piece of wood with a blow to my head, and a stab with a side-arm into my left arm, whereupon he took flight. I, by these above-mentioned words received from him, Bove, was carried into my house for dead, and in this so grievous case was supported and helped by the wife of Rieberg and the burgher Johannes Mulder, who through their applied efforts brought me to my senses again. Eight days thereafter, which was the 2nd of October, the above-mentioned joiner dared to come onto my place again, provided with a club, as it is called here, a kirie, to look for me. The obligation in which I found myself, due to the words already received from him which had put me in a weak condition, compelled me to lock myself in my room, in order to prevent the further fatal consequences of such a murderer in his already demonstrated deeds, and out of whose windows of my room I gave orders to my slaves and subordinates to try, through diligence and resistance, to get this murderer off my place; who, instead of doing so out of the loyalty owed to me, spoke with him behind the house, and while he was still on the place brought me report that he was already gone. And whereas at the lighting of the candle that same evening my son Johannes, thirteen years of age, reported to me that Bove was hiding behind the door in his former workshop, upon which message I sent my above-mentioned son with a maid to the workshop to investigate the truth of this matter; from which inspection he, Bove, who was standing behind the door, discovered the knowledge that I had of it, which forced him to flee from the workshop and from my place, and made him take his course to the Drostdy of Swellendam; just as he, on this journey thither, stayed for some days with the burgher Jacob Fourie, where and to whom he, Bove, related that he was sorry I was still alive, since his intention had been to beat me to death, and at which words uttered by him, Bove, was present the burgher Fredrik Botha; subsequently, arriving before the Landdrost at Swellendam, Mr. Van Onkruijt, he denounced to the same that I had stolen the Honorable Company's linen in Plettenberg Bay; which above-mentioned Landdrost kept him, Bove, with him for some time to work for his Honor, and meanwhile specially charged his secretary, Sr. Menso Blankenstein, to gather the necessary information at the upcoming public auction that was to be held by him, Blankenstein, in Plettenberg Bay, at the same time regarding this accusation brought by Bove to my charge.

Dutch transcription

belaaden met een kist negotie goederen na de blettenbergsbaaij en wel op boven gem: legplaats heb gesonden, en ben te paard mede gereeden. — doe ik mij aldaar bevond gebeurde het op sekeren voordemiddag, dat er een hollandsch porticulier schip strande en bij deeze geleegendheid wierde ik als ook verscheijde anderen der aldaar woo„ „nende Jngezeetenen door gem: gecommit„ vraagd d Heer Egbertus Burge omme met onse wagens en slaven zijn E in dit geval te hulp te komen, ende daar gestrant zijnde goederen in 't aldaar staande 'S E Comp„s magaazijn te transporteeren gelijk wij dan ook na vermogen gedaan hebben. — Na deeze goederen ter berginge waren gebragt heeft de heer Bergh mij negen hondert en taggentig stukken wit Linnen gegeeven, om uijt te laten wasschen, welke goederen ik p=s ver„ scheijde vragten uijt het maguazijn na mijn legplaats hebben getranspor„ „teerd, aldaar late uitwasschen, en drogen en daar na welgeconditioneerd, en zonder manquement weder in het magaazijn aan de heer Bergh overgegeven den sesde of sevende dag na mijn arrivement op mijn woonplaats, is mijn wagen met negotie goederen eerst op mijn plaats aangekomen 'savonds Laat bij welkers aankomst ik ordon„ neerde 't goed binnen te brengen, namentlijk een kist, en enige sakken maarsag tot mijn verwondering het tegendeel, also deeze goederen bij stuk „ken los, en nat, na binnen in mijn slaapkamer wierde gebragt, en de wagenrijder mij rapporteerde, dat de wagen was omgeslagen in een rivier genaamd de Cangamma gelijk ik dan ook 's anderen daags in aanmerkinge van mijne negotie goederen die ik aldaar hadde, en ik begrip, bij geleegendheid van dit ge„ „staande schip, dezelve niet nagenoegen te zullen kunnen verkopen hebbe ik d' heer duminé gevraagd, of er van die gestaande goederen verdutie zoude gehouden worden, dewelke mij ten antwoord gaf, zulx niet te weeten, maar wel presumeerde waar op ik mijn goederen weder van daar na mijn woonplaats gesonden hebbe, gelijk ik dan met d' heren Bergh en dumine uijt de plettenbergsbaay ben gereeden. de 781 de natte goederen rondom mijn huijs heb late ophangen, drogen, en weder behoorlijk geborgen hebbe. — Jn de maand September den 2 p=te op sekeren morgen vroeg, hebbe ik mi begeeven in de winkel alwaar sekere te dier tijd bij mij in leening zijnde schijnwerker genaamd florentius Bove arbeijde en te gelijker tijd een schrijf Comptoir van mij onder handen hadde, waaraan dezelve reeds ruijm een Jaar hadde gearbeid; en alzo bovengemelde Bove dat stuk werk vertoonde aan zijn bij hebbende vrienden in namen Nicolaas Rade„ meijer en twee houtkappers genaamd Matthijs, en andreas, zeijde ik Ja florentius, alle menschen verlangen dat stuk werk klaer te zien, en zelvs ik waar op hij mij toevoegde gij zult altoos de faute van andere maar de uwe niijt 't welke mij verpligte hem te vraagen, indien hij eenige fauten van mij witte dezelve dan op te noemen en hem deede repliceeren, gij hebt Linnen gestoolen, gij hebt een vraaw dood geslaagen en ook een jonger Jk door deeze bovengem: worden van hem Bove ontfangen, wierde voor doodt in mijn huijs gedragen, en ben in dit zo drovig geval ondersteunt en geholpen geworden door de huis vrouwer van Rieberg, en den burger Johannes Mulder, dewelke daer hare aangewende moeijte mij wederom tot mij zelve gebragt hebben agt dagen daar na dewelke is geweest den 2 october heeft bevengen: schreijnwerker zig verstont weder op mijn plaats te komen voorzien met een goede zo men 't hier noemt /:kirie:/ om na mij te zoeken. de verpligting waar in ik mij bevond, door de reeds van hem ontfangene worden dewelke mij in een zwakke gesteldheid hadden gebragt noopten mij; in mijn Camer hier op antwoorde ik dat het Canalus„ waren die mij zulx te laste leijden welke woorden ten gevolge hadden dat hij Hove mij onderwagts, een sleeg in mijn gesigt heeft toegebragt en verder vervolgde p„r een sweer stuk hout met een slag op mijn hoofd, en een steek met een zijdgewees in mijn linker arm, waar op hij de vlugt heeft ge„ noomen. - hier mij 732 mij op te sluiten ten eijnde de verdere heijlloose gevolgen, van zoo eenen in zijne reeds getoonde daden Moordenaars voor te komen en uijt welkers vengsteren van mijn Camer ik mijne leifeigene en onderhorige ordres gegeeven hebbe door vlijt en tegenweer deesen Moordenaar te zien van mijn plaats te krijgen dewelke in steede uijt d'aan mij verschuldigde trouwe zulx te doen met den selven agter het huijs gesprooken hebben en doen hij nog op de plaats was mij berigt ge„ „bragt, dat hij al weg was. — en overmits met het opsteeken van de kaars dien zelfden avond mijn zoon Johannes oud derthien Jaaren mij berigte dat Hove zig in zijn te voren zijnde winkel agter desselvs deur was verbergende, op welke boodschap ik mijn bovengem: zoon met een meijd na de winkel gesonde hebbe om de waarheid deezer zaak te onderzoeken en welke visitatie waar uit hij Hove die agter de deur stont de kennis dien ik er van hadde ontdekt, en hem tot de Vlugt uijt de winkel en van mijn plaats obtrudeerde, en hem zijne Course deede neemen na de drosdije Swellendam, ge„ „lijk denselven op deese zijne reijze des„ waards, zig nog eenige dagen heeft op= „gehouden, bij den Burger Jacob forie, alwaar en aan wien hij hove verhaalde dat het hem specte ik nog Leefde, overmits zijne meninge ware geweest mij dood te slaan, en by welke door hem Pove geuijte woorden is present geweest den burger fredrik Botha; vervolgens hij ^ de landdrost te Swellendam Nuld van onkruijt aankomende, heeft densel„ „ven gedenuntieerd, dat ik in de plestenbergsbaai 's EComp„s Linnen gestolen hadde, welke bovengem: Landelrost hem Hove eenigen tijd bij hem gehoude heeft, om voor zijn E: te arbeijden ende intusschen aan zijne secretaris S„r Mense Plarkenstein hier op specialijk gelast omme bij de aanstaande publicque verdutie die in de Blettenbergsbaaij door hem Blankusteij stont gehouden te worden te gelijker tijd nopens dit aangebragte door Bove, ten lasten van wij de nodige hadde Jnformatien

NL-HaNA_1.04.02_4346_0420 view scan ↗

English

783 to make inquiries, just as the aforementioned Secretary, and Messenger by the name of Antwerpen, since they had to pass by my dwelling place on their journey thither, unexpectedly arrived at and entered my house, and upon their arrival directly conducted the necessary searches through the entire house and in all rooms, yet without finding anything of the sort that would have been consistent with the accusations or report of that joiner Florentius Bove, whereafter the mentioned Landdrost Onkruijt sent him, Bove, in the month of November following, Capewards via an orderly rider. In the month of May 1789, when I was at the Cape, I was summoned by the second court messenger, by the name of de Wit, to appear before the then independent fiscal, the Honorable Gabriel Exter; arriving there, he asked me what I had had to do with the joiner Bove, sent up by the Landdrost and currently held in custody, to which answer I handed his Honor a written account, corresponding to the details given above; this having been read by his Honor, his Honor asked me whether I had not been examined or questioned in the country district concerning this matter, whereupon, after I answered the same with no according to the truth, I received as an answer from his Honor: it is well, if I need you I will have you called, which however did not happen, and three weeks thereafter I rode back to the country, but having been on my farm for about a month, I learned from my servant Paulus Brudo that my boy named Goliat, who had been with me at the Cape at that time, had told him that he, Goliat, had been to Fiscal Exter, and the above-mentioned Fiscal had given him the answer that if his master, coming into the country, should make any fusses with him or the other slaves, he or they should just come Capewards and to his Honor to complain, whereupon, as soon as this came to my ears, I questioned and 184 and called to account the above-mentioned boy, asking how he could misuse the Fiscal's name, who answered me that he had said such because he was questioned by the servant and slaves, and for which deed I had him properly punished; upon all of which this boy thought fit to go Capewards in the month of October, not only that, but specifically to stay for some days with that joiner Bove, who certainly out of fear of the inconveniences that might arise therefrom brought the mentioned boy to the Fiscal Exter aforesaid, who had him apprehended, as at that time the murderer Bove accused by me had been released from his detention again. On the 25th of December, and at a moment when I, being sick myself, was tending to my sick children who lay ill with the measles, unexpectedly and without me suspecting such, the Landdrost of Swellendam A: A: Faure, his secretary van Hardenbergh, the Heemraden Hilgert, Mulder and Piet Pinaer, accompanied by the substitute of this colony and an orderly rider, arrived at my farm, on which occasion the above-mentioned Landdrost addressed me in this manner: This commission comes in the name of justice, in order to secure your person, and at the same time to inventory your goods; we hope you will submit yourself to the orders of justice and obey them. Whereupon I answered that I was inclined to obey the above-mentioned orders, the more so as I was assured to be pregnant with a pure innocence, and thus always found myself in a position to defend against those who might have accused me. Whereupon this commission, according to their Honors' order declared to me, by opening chests and cupboards, etc., inventoried everything, and subsequently took some of my bondservants into a closed room, and, as I must conclude from their conduct, examined them about various matters. After this performance, I requested the Landdrost to allow me to remain yet some days with my sick children

Dutch transcription

783 informatien te doen, gelijk voorm: Secretaris, ende Bode in name van Antwerpen dan ook door dien zij in de reijze derwaardts mijn woonplaats moeste passeeren, onver„ wagts bij mij zijn aan en binnen gekomen en bij derzelver aankomst directelijk door 't gansche huijs en in alle vertrekken de nodige visitatien gedaan hebben edog zonder bevinding van iets diergelijks dat overeenkomstig zoude zijn geweest het gaecuseerde of aangebragte van dien schrijn werker Florentius Bove, hier op heeft gem: Landeroet Onkruijt hem Bove in de maand November daar op volgende per een ordonn: huijter Caap„ „waards gesonden. — Jn de Maand Maij 1789 dat ik mij aan de Caab bevond ben ik door de tweede gerechtsbode in name de Wit g'appointeerd, omme te Compareeren bij den doenmaligen inprocuterien fiscaal d E Gabriel Eseter, aldaar komende heeft denselve mij afgevraagd, wat ik te doen gehad redde, met den door den Landdrost opgesondene en thans in regtenis zittende schrijnwerker Bove„ tot welkers antwoord ik zijn een schriftelijk relaas hebben overhandigd, overhandigd, overeenkomstig het voren gedetailleerde 't zelve door zijn E geleesen zijnde vraagde zijn E mij of ik buiten nopens deeze zaak niet was g'examineerd of ondervraagd geworden, waar op ik na het zelve volgens de waar¬ „heid met neen beantwoord te hebben van zijn E ten antwoord bekwam het is goed, als ik Ue nodig hebben zal ik te late roepen, dat egter niet is geschied, en ik drie weeken daar na buiten ben gereeden, maar omtrent een maand op mijn plaats geweest zijnde ontwaarde ik van mijn kregt Paulus Brudo, dat mijn Jonge in naame goliat, dewelke met mij te dier tijd aan de caab geweest was hem hadde gezegd dat hij Godel bij den fiscaal Efter was geweest, en den bogem: fiscaal hem ter antwoord gegeeven hadde, indien zijn Baas buiten komende, enige flausen met hem of d'andere slaven kwam te maaken, hij of zijl: dan maer Caabwaards ende bij zijn E moeste komen om te klagen, waar op ik zo dra mij dit ter ooren kwam, boven gemelde Jonge hebbe ondervraagd over ende 184 ende ten reede gesteld, hoe hij sfiscaal naam konde misbruijken, dewelke mij ten antwoord gaf, dat hij zulx gesegd hadde, om dat hij van de knegt en slaven wierde uitgevraagd en over welke daad ik hem na behooren heb laten straffen; op welk een en ander deese Jonge heeft kunnen goedvinden in de Maand october zig Coabwoords te begeeven, niet alleen maar specialijk zig bij dien schrijnwerker Hove eenige dagen op te houden, dewelke sekerlijk uit vreese der ongelegenheden die uijt het zelve zoude kunnen ontstaan gem Jonge na den fiscaal Exter voorn: gebragt heeft, dewelke hem heeft laten apprehendeeren, als zijnde te dier tijd, den door mij aangeklaagde Moordenaar Bove weder uijt zijne detentie ontslagen geweest. - Op den 25 December, ende in een tijd„ stip dat ik zelfs ziek zijnde mijne sieke kinderen die aan de maselen zonder ik lagen bewaakte, is onverwagts en zulx vermoede bij mij op de plaats ge„ „komen den Landdrost van Swellemdem A: A: Faure desselvs secretaris van Handenbergh de Heemraaden Eilgert, MCulder en Piet Pinaer, verseld met den substitunt dies Colonie en een ordonnantie ruijter, bij welke geleegendheid bovengem: Land drost mij in deeser voegen heeft aan„ „gesprooken. — Deeze Commissie komt uit naam van de justitie, ten einde ons van UW persoon te verzeekeren, en teffens om uwe goederen te inventarisseeren, wij hopen Uw zig aan de orders van de justitie zult onderwerpen en daar aen gehoorzaamen. Waar op ik antwoorde ik geneegen waare te obedieeren aan bovengem: ordres te meer daar ik mij verzekerd zoude beswangerdte zijn met eene blanke onschuld, en dus altoos mij in staat bevond tot defentie tegens - de geene, die mij mogten beschuldigd hebben - Waar op deeze Commissie volgens haar E aan mij gedeclareerde Last bij het openen van kisten en Kasten & alles hebben g'inventariseerd, en vervolgens eenige mijner Leijf„ eigenen in een beslotene Camer genomen, en zo ik uijt 't gedrag derzelve moet opmaken over 't een en ander g'examineerd. — Na deeze verrigtinge hebbe ik den Landelrost verzogt nog eenige dagen bij mijne Sieke kinderen Colonie n

NL-HaNA_1.04.02_4346_0422 view scan ↗

English

to be permitted to remain, all the more because I found myself in an unfavorable condition, which was granted to me by his Honor, provided it was under the supervision and guard of the Substitute named Everson, who remained there with me for the guarding of my person. Upon this, on 2 January 1790, to the best of my recollection, I rode from my residence with the Substitute to Swellendam, at which last-mentioned place I stayed a few more days, subsequently continuing my journey over the Roodezand to the Cape. The Substitute rode over Hottentots Holland and met up with me again at the Paarl, from where we rode together as far as the Cape, where we arrived on 3 February, just as I was then also transported by the said Substitute to the main guardhouse. Subsequently, the following day, which was 4 February, I was taken by a guard of soldiers to the jail and indeed into the very prison where the greatest and most criminal offenders are placed by the provost marshal Hendrik Matthijsen, who, after he had first taken from me the following goods, namely: a letter case which was locked with a well-conditioned lock and in which were three hundred and two Rds in paper currency, some bonds, notes, and further papers and letters; subsequently from my pocket a silver pocket watch, sixty-five Rds and sixteen stuijvers in silver coin, a silver snuffbox containing a pair of gold hand-buckles, a pair of gold ear-pins, and some other further trifles, locked me up. This Matthijsen, however, before he had locked the door, gave a heavy sigh in my presence, as if to show compassion, and thus, as I understood the matter, at that time to incline my mind to a trust in his person and to promote the advantage of the fiscal as his superior, whereupon I asked him why he sighed so, who, as if with a sorrowful face, answered me in this manner: oh yes, you have enriched yourself too much from the Company's property. Whereupon I, by virtue of pure innocence in which I found myself, and considering that the provost marshal was indeed the keeper of the prisoners but not a judge to interrogate me, directly answered that the accusers or otherwise my accusers in this matter were scoundrels, whereas honest people who dared to present themselves to convict me of the least of these charges—with a further offer by extension thereof—I then even declared myself worthy of being burned alive at the stake. On the 8th ditto, having been called out of my detention by the third provost marshal and brought into one of their rooms, I was asked by the deputy fiscal, Exter, whether I knew what the reasons for this corporal apprehension of mine were, which I answered by saying no, and the said Exter replied: it is because you have stolen salvageable goods from the stranded ship; which answer obliged me to answer his Honor that I had never done such a thing and it could be proven by no one against me. Whereupon the said Exter replied that he already had four depositions concerning those matters against me in his pocket, without, however, showing them to me, but at the same time he, Exter, advised me not to be headstrong, and since this matter was still in his hands, simply to settle it with him; whereupon I answered that I knew nothing of settling, since I considered myself convinced that, upon the outcome of those matters, I would be able to demonstrate my pure innocence to the satisfaction of the judge, and on that account requested the utmost and closest investigation to that end from your Honor; upon which answer the frequently mentioned Exter ordered that I be taken back into the prison and kept very strictly. A few days thereafter, I was again taken from my detention by Ruster, the provost marshal, and brought into the provost marshal's room, where were present the Gentlemen Gabriel Exter, Egbertus Bergh, and Fredericius, and I was asked by the Gentleman Bergh and Fredericius whether I recalled the contract that we had made together in Mossel Bay, and was answered by me with a question as to what that might have consisted of.

Dutch transcription

785 te moge blijven, te meer om dat ik mij zelve in een nadeelige toestand bevond, het welk door zijn E mij is g'accordeerd geworden, mits onder¬ opsigt en bewaking van den Substituut en Naame Everson dewelke aldaar bij mij is gebleeven ter bewaking mijns persoons. - hier op ben ik den 2=e Jannuarij 1790 na mijn best geheugen, van mijn woon„ „plaats gereeden met den Substituut na Swellerdam bij welke laastgem: ik nog eenige dagen heb vertoefd, ver„ volgens mijne reijze over het rodesant, na de caab vervorderde is den substituut over Slottentots tol„ land gereeden en aan de Paer Eeerst weder bij mij gekomen waar van wij te samen tot aan de laap zijn geheeden, alwaar wij den 3 februarij aankwaamen gelijk ik dan ook door gem: Substiteut in de hoofd wagt wierde getransporteerd,.— Vervolgens ben ik Sanderen daags 't welk is geweest de te februarij door een wagt soldaten na de tronk en wel in de selfde gevangenis gevoerd, alwaar men de grootste misdeedigers en crimineiliste plaats door 's Heeren geweldiger Hendrik Mattuijsen, dewelke mij nadat hij mij eerst hadde afgenomen deze volgende goederen als, Een brieve tot dewelke met een wel geconditioneerd slot versloten en waar in drie hondert en twee Exds papiere munt eenige obligatien memorien, en verdere papieren en brie„ ven waren vervolgens uijt mijn sak een silvere sak horlegie vijf en sestig rx=ds en sesthien stuijvs zilvere munt een silvere sruijfdoos waar in een paar goudene handgespes een paar goude oorpennetjes, en enige andere verdere kleynigheden meer, heeft versloten. — deesen Matthijsen egter eer tijde deur geslooten hadde deze in mijn presentie een sware zugt, omme als 't waare ene medagentheid te kennen te geeven en zo /:zo ik de zaak begreep, te dier tijd mijn hoot tot een vertrouwen op zijn persoon te neijgen en al van het voordeel van den fiscaal, als zijne superrieur te bevorderen, waar op ik dezelve vraagde waarom hij zoo zugte die mij /:quasie met een droevig gelaat :/ antwoorde in deeser voegen og Ja gij hebt te verrijkt aen 's Comp:s goed. Crimeneileste waar 188 Waer op ik uijt hoofde eene blanke onschuld daar ik mij in bevonde in aanmerkinge den geweldiger wel den bewaarder der gevangenen maar geen regter was, om mij te on„ der vragen; directelijk antwoorde dat de betigters derzelver of anders mijner beschuldigers is deese zaak Canalies waaren, maar daar en teegen eerlijke lieden, die zig dorsten opdoen om mij aan de minste deeser belastinge te overtuijgen, met verdere presente „tie bij Extentie daar van, ik mij als dan zelvs declareerde, waordig te zijn op een hout levendig verbrand te wor¬ den. — Den 8 dito door de derde geweldigen uijt mijne detentie geroepen en in ee hunner kamers gebragt zijnde, wierde mij door den adjunct fiscaal, Exter ge„ vraagt, of ik wel wiste wat de hedenen van deese mijne foporeele apprehentie waare het welk ik met neen te zeggen beantwoorden, en door gem Exter wierde gerepliceerd, 't is om dit gij bergsbaar goederen van het gestrande schip gestolen hebt, welk antwoord mij verpligte zijn E te antwoorden dat ik zulx nooijt gedaan hadde en mij door niemand konde beweesen worden waar op gem: Exter depliceerde hij reeds vier verclaringen nopens die zaken, die tegens mij waaren is zijn zak hadden, zonder mij zulk egter te vertoonen, maar te gelijker tijd rade hij Exter mij om niet hoofdig te zijn, en overmits deeze zaak nog in zijn handen was, het zelve met hem maar afte maken waar op ik antwoorde van geen afmaken te weten overmits ik mij overtuigd hielde, bij den uitslag dier zaaken mijn blanke onschuld den regter ten genoegen te zullen kunnen aantoonen en dieswegens het uitterste en naawste onderzoek ten dien eijnde van VE begeerde op welk antwoord meerm Exter ordonneerde mij weder in de gevange „nis te brengen en heel dieed te houden Eenige dagen daar na ben ik weder door Ruster den geweldiger uijt mijn detentie gehaald en in S'geweldigers kamer gebragt, al¬ waar present waren de Heeren Gabriel Exter Egbertus Bergh en frederitius, en mij door de Heer Bergh in frederiteur wierde E gevraagd of mij 't Contract die wij te zamen in de Mosselbaaij getroffen hadele, wel voorstond en door mij met een vraag waar in zulx zoude hebben bestaan is be¬ die antwoord „

NL-HaNA_1.04.02_4346_0424 view scan ↗

English

was answered, to which question Mr. Bergh replied concerning the Company's warehouse, which I had spoken to you about at that time regarding its length, to which I rejoined that it had to be one hundred and fifty feet long, to which answer Mr. Bergh asked me if it would indeed be that long, and I answered yes, whereupon Mr. Bergh replied to me that Mr. Frederitius, upon taking measurements, had found the warehouse twenty-three feet too short, to which I replied that I was convinced in my conscience, declaring the said warehouse to be a handbreadth longer than one hundred and fifty feet, whereupon Mr. Bergh said to me, but Koch can I rely on that, for my honor depends on it, I answered yes and offered to build an entirely new warehouse for the Honorable Company at my own expense if it were one space shorter than one hundred and fifty feet, whereupon Mr. Bergh said, Mr. Frederitius, then Your Honour has submitted a false report, after which I was brought back into my former detention and locked up. Meanwhile, the next day, I was strictly and sternly warned by the said Exter, who came to me in the prison, that it would cost me dearly that I had spoken so boldly the day before to Mr. Frederitius, and that I would now see who could help me in this matter, whether he Exter, or Mr. Bergh, and that he Exter already had fifteen statements against me, with the further offer to bring the givers or deponents of these statements into my presence, under the threat that if I did not confess then, he would have me undergo torture, to which very severe threats and deceitful pretexts made by him Exter to me, I answered him that I would await the sight of those witnesses with pleasure, and why, during the previous year when I was present at the Cape, when I had handed him the report concerning the joiner, and for which reasons I had stayed three weeks at the Cape, he had not apprehended, held, or arrested me, whereupon Exter answered in this manner, I showed the Governor your report, His Most Honorable Right Reverend asked me what I said of it, and I said I wanted nothing to do with it, of which account the provost named Kuster, being present at that time, would be able to give testimony. On a certain day, the above-mentioned Exter, having come to me in the prison, was pleased to offer me my release from this criminal detention on the condition that I had to report some of the inhabitants living in the Plettenbergsbaai and accuse them of theft of the Honorable Company's goods, to which I answered that I could not do so, since I knew nothing of it, for the reason that I had departed from there at the same time as the gentlemen commissioners. On a certain day, when this criminal and so grievous detention began to weary me and harmed my health, I requested Mr. Exter to bring my case before the full Council of Justice and have me appear before the same, in order to hear the decision of their Most Honorable Worships on this matter after examination of the facts, who gave me the answer that this would not happen for a year yet, and that he would have the rest of my slaves removed from my place in order to have them sold; hereupon the second provost named Kuster, coming to me in the prison on a certain day, advised me to submit a petition to the Council of Justice in order to request their Honorable Worships to declare this matter civilly composable and myself innocent, to which I answered him, let the said Sebastiaan Rotman come to me, then I will speak with him about it, just as Rotman did indeed come to me that same day, and of whom I requested, because otherwise I would have to die in this grievous prison, in God's name just to submit a petition for me, and indeed in such a manner that the deliverance of my person from this detention would have to result from it, as I had resolved to do, while my strength diminished from day to day.

Dutch transcription

787 antwoord geworden, op welke vrage de Heer Bergh repliceerde, nopens 'S Comp. s Mcaguazijn, daar ik uw te dien tijd over gesproken hebben, aangaande derzelfder langte, waar op ik dupliceerde 't zelve Een hondert en vijftig voeten lang moette zijn, op welk antwoord de Heer Bergh mij vraagde, of het wel zo lang zoude zijn, en ik antwoorde van Ia waar op de Heer Bergh mij ant„ „woorde dat de Heer frederitius bij gedane metinge het Maguazijn drie en twintig voeten te kort bevonden hadde waar op ik antwoorde in mijn gemoed over„ tuijgd te zijn in gem: maguazijn een hand breed langer als een hondert en vijftig voeten declareerde, waar op de Heer Bergh mij seijde maar koch kan ik daar staat op maaken, want mijn Eer hangd er aan, ik antwoorde Je en presenteerde een gantsche nieuwe Maguazijn voor de Edele Compagniee op mijn eigene kosten te zullen bouwen, indien dezelve een ruijm korter waare als Een honder ten vijftig voeten waar op de Heer Bergh zeijde, Mijn Heer frederitius dan heeft U Edele een valsch rapport gedaan, vervolgens ben ik wederom in mijn vorige detentie gebragt ver en geslooten. Jntusschen be ik 's anderen daags door gem: Eter die bij mij in de gevangen is kwam stiptelyk en strengelijk gewaarschuwrd, 't mij zuur zoude opbreeken dat ik 's daags te vooren zo brutaal tegens den heer frederitius gesproken hadde en ik teffens nu zoude zien wie mij in dit geval zoude kunnen helpen of hij Exter, of de Heer Bergh, en dat hij Exter nu reedts vijfthien ver„ claringe tegens mij hadde met verdere presentatie de gevers ofte passeerdens deser verclaringe in mijn presentie te zullen brengen, onder bedreijginge, indien ik dan niet bekende, de torture mij te zullen laten ondergaan, op welke zo sterke bedreijginge en leugenagtige voor„ wendselen door hem Exter aan mij gedaan, ik hem antwoorde, met genoegen 't gesigt dier getuigen te zullen afwagten, en waarom hij 't voorige Jaar bij mijn pre„ sentie aan de laap, doe ik hem het relaas nopens den schrijnwerker hadde ter hand gesteld; en om wel„ „ke reedenen ik mij drie weeken aan de Caab hebben opgehouden, niet hadde — Intossche aangedaan 788 aangedaan, gehouden of geprehendeert waar op Exter deeser voegen ant¬ „woorde, ik heb de Gouverneur Uist helaas laaten zien, zijn WelEdele Gestr: heeft mij gevraagd wat ik daar van zeijde Den ik heb gezegd, daar niets mede te doen te wilden hebben, van welker verhaal te dier tijd present geweest zijnde geweldige i naame Kuster, getuigenisse zoude konnen geeven. overzeekeren dag bovengem: Exter bij mij in de gevangenis gekomen zijnde heeft het kunnen gelusten mijn ontslag uijt deese Cremineele detentie mij te offereren, onder dien mits dat ik eenige der in de plettenbergsboeg wonende ingezeetenen moeste aangeven en van dieste aan sE Comp:s goederen beligten, waar op ik antwoorde zulx niet te konnen doen, overmits daar van niets wiste, uijt hoofde ik te gelijker tijd met d' heeren gecommit„ teerdens van derwaards vertrocken waare. — Op zekeren dag, dat mij deeze Crimineele en zo drovige detentie begon te verveelen en mij in mijne gezondheid benadeelde, hebbe ik de Heer Exter versogt, mijne saken voor den vollen raden van Justitie te brengen en mij voor 't zelve te laten Compareeren, ten eijnde na bevinding van saken het besluijt hunner Wel Edele Agtbaare. hier over te horen dewelke mij ten antwoord gaf zulx nog in geen Jaar zoude geschieden, en hij de rest mijner slaven van mijn plaats zoude laten heelen, om te laten verkopen hier op heeft den tweede geweldiger in naame kuster op sekeren dag bij mij in de gevangenis komende, mij geraden om een request te presenteeren in den rade van Justitie ten eijnde hunne E Achtb:s te verzoeken deeze zaak Civiel Composibel en mij onschuldig te verklaaren, waar op ik denselven g'antwoord hebben, laat mijn gem: Sebastiaan Rotman bij mij komen dan zal ik met hem daar over spreeken gelijk rotman denselfden dag dan ook bij mij gekomen is en aan dewelke ik verzogt hebbe, uit hoofde ik anders in deeze droevige gevangenis zoude moeten sterven in gods name maar een request voor mij te presenteeren en wel sodanig dat daar uit de verlossinge mijnes persoons uijt deeze detentie moette proflueeren alzo ik te rade geworden was, terwijl mijne kragten van dag tot dog vermin Saken derde

NL-HaNA_1.04.02_4346_0426 view scan ↗

English

third, to satisfy the fiscal in everything and thus to save my life. Just as on a certain day Mr. Leuver, who visited me in my illness as a doctor, even advised me not to take these matters so to heart, since his Honour believed my case would not be so severe, or rather tolerable, whereupon I replied that I took to heart not the case itself, but this criminal treatment in view of my pure innocence, of which I held myself assured now and at all times, and that I truly desired to appear before my death in the open court and before the eyes of my lawful and competent judges, in order to provide a truthful elucidation and contradict the aforesaid regarding this wrong and false report made to Their Right Honourables on my behalf. This dreadful circumstance had so much influence on my person and health that it brought me so far that, bedridden in prison, I was deprived of my senses and became delirious, as has become evident. Since the aforementioned Mr. Leuver came to me on a certain evening and I did not even recognize him, as shown by the testimony of the second provost Kuster, who declared to me the next day that Mr. Leuver had been with me in the prison the evening before. On a certain night when I was asleep, it happened that I received as it were a blow to my chest, and I discovered in the morning when I awoke that my bed and shirt were full of blood; concerning which singular incident I spoke that same morning with the provost Matthijsen, who answered me that it had been a heavy dream. Thereupon I asked Matthijsen to request the fiscal that I might have someone with me at night, even if it were only one of the criminal prisoners, so that in this severe illness they could at least lend me a hand during the night; who brought me as an answer that the fiscal would not permit such a thing. Thereupon I had the fiscal requested to allow my son to be with me at night for my help and assistance, which he also thought fit to refuse me, so that I, lying very ill in bed in such a dreadful prison, and indeed in such a section of it where the greatest criminals are secured, without help and assistance from anyone, have remained in it for so long and had to lie down there so miserably. On a certain day, through the provost Kuster, a certain gentleman whom I did not know came to me in the prison, who asked me about the state of my body and whence all that surrounding blood came, and to whom the answer was given by me that I grew weaker from day to day and that the blood had come from my nose and mouth; and I have meanwhile heard from the aforementioned Kuster that it had been the adjunct fiscal Fruter. On a certain late evening, a whole troop of people having come to me in the prison house, and among others one with a red coat who I believe was Matthijsen, who was escorted by a lantern, and from which troop of people one of them lifted me upright on my bed, and another along with the aforementioned administered something to me, then departed again and locked the prison; but the result of this was that that same night I became cold and utterly stiff throughout all my limbs. Yet through the exceedingly great thirst and dryness on my lips and chest which came upon me so severely, as well as a no lesser anguish, which made me imagine nothing other than an approaching sudden death, I crawled from my bed with the greatest effort to search for some drink for my relief; in which, however, I found myself thwarted, because some from the aforementioned troop had at the same time taken away everything from that room that was drinkable. This obliged me thus to remain lying the entire night alone in this dreadful prison without being helped by anyone or being able to obtain a single drop of liquid for refreshment, until the next morning, destitute of everything, languishing in bed that

Dutch transcription

789 „derde, in alles den fiscaal te voldoen en zo mijn leeven te redelen. — Gelijk op zeekeren dog de Heer Leuver die mij in mijne ziekte als Doctor Kwame besoeke mij nog rade, om deeze zaken mij zo niet aen te trekken, overmits zijn E geloofde mijne zaak zoo swaar niet, of wel lijdelijk zoude zijn, waar op ik antwoorde mij met de zaak maar wel deeze crimineele behandelinge in aanmerkinge mijner Blanke onschuld waar van ik mij nu, en ten allen tijde ver„ sekerd hielde, ter harte name, en ik wel begeerde voor mijn dood, in de openbaare vierschaar, en voor d'oogen mijner wettige en Competente regteren te verschijnen omme op deesen aan hunne E Achtb:s mijnent weegen verkeerd en valsch gedane berigt een ilusidatie na waarheid te doen en het voorenstaande te contrediceeren deeze akelige omstandigheid verwekte, zo veel invloed op mijn persoon en gezondheid, dat het mij zo verre bragte, dat ik in de gevangene bedleger van sinnen beroofd en Eylhoofdig geworden ben gelijk is gebleeken. — Vermits de Heer Eeuver hier vorengem: op zekeren avond bij niet ens mij is gekomen en ik zijn gekend hebbe blijkens belijdeni &van den tweede geweldiger kuster, dewelke mij des anderen daags verklaarde dat de heer Leuver 's avonds te voren bij mij in de gevangenis geweest was. - op sekeren nagt dat ik in de slaap wees gebeurde 't dat ik als 't waare een slag op mijn Borstkreeg en ontdekte 's mor„ gens doe ik ontwarkte dat mijn bed en hemd vol bloed ware, en over welke zo een Lingulier geval ik dien zelfde morgen, den geweldiger Matthijsen van 't selve hebben onderhouden die mij antwoorde het is een zware droom geweest, hier op versogte ik Matthijsen den fiscaal te verzoeken om ijmand 's nagts bij mij te moogen hebben, al waare het maar een van de crimineele gevangene bij einde mij in deeze zwaare ziekte dog in de Nagt eene handreikinge te kunnen doen, dewelke mij ten ant„ woord bragte, den fiscaal zulx niet wilde toestaan, hier op hebben ik den fiscaal laaten versoeken om tot zulp en adsistentie van my dan mijn zoon 's ragts bij mij te laaten, 't welk hij heeft goedgevonden mij ook te weigeren, zo dat ik zeer krank te hier bedde 6 790 bedde leggende in zo eene akelige ge¬ vangenis en wel i so een gedeelte derselver, alwaar men de grootste misdadigers, verzekerd, zonder hulf en adsistentie van ijmand ik mij zo lange in hebben bevonden en aldaar zo ellendig moeste nederleggen. Overzekeren dag kwam bij mij in de gevangenis pr den geweldigen Suster, een zeeker heer die ik niet kende dewelke mij naar den staat mijns lighaams vraagde en waar al dat omleggende bloed van daan kwam, en door mij ten antwoord wierde gegeeven dat ik van dae tot dag Swakker wierde, en dat het bloed uijt mijn neus en mond was gekomen en hebben intusschen van gem: Kuster gehoord dat het den adjunct fiscaal Fruter geweest was. - op zeekeren avond laat een gants„ „schen stoet menschen bij mij in het ge„ vangen huijs gekomen zijnde, en onder andere een met een rode rok die ik geloof Maltijssen is geweeds, dewelke wierde bijgeleijd door een lantaarn en uijt welke stoat Mense Een ee„ niger derzelver mij op mijn bed hebben overend geligt en een ander mij met gemeld heeft iets in gegeeven, vervolgens weder ver¬ trokken en de gevangen is geslooten maar 't gevolg derzelver is geweest dat ik dezelfden nagt kond, en ten eenemaal stijf door alle mijne leeden ben geworden, egter door d'over groote dorst, en droogte op mijne lippen en borst, die mij zodanig aan„ „kwam, als ook ene niet mindere benauwdheid, dewelke mij niet anders deede voorstellen, als eene aanstaande rosse dood met de groot„ ste moeijte van mijn bed gekropen bi om eenig drinken tot mijn soulaas op te soeken maar waar in ik mij verijdeld gevonden hebbe door dien eenige uijt den voormelde Staet, te gelijke tijd alles uijt dat vertrek woegegromen hadde, dat drinkbaar was, 't welke mij verpligte also den geheele nagt in deeze akelige gevangenis alleenen sonder van ijmand geholpen te worden ofte een troppel vogt tot ver quikking te kunnen erlangen zo lange tot den anderen morgen ontbloot van alles te blijven leggen Zieltagen: — bed Dat

NL-HaNA_1.04.02_4346_0428 view scan ↗

English

791 taking one thing and another into consideration, I finally had my attorney-in-fact draw up a petition, which, after I had signed it, was presented by him to the Council of Justice, which resulted in me being brought the next day into the meeting hall by the third provost on account of my weakness, where were present the commissioner members of the Council of Justice, namely the gentlemen Ryno Johannes van der Riet, Abraham Fleck, and the adjunct fiscal Gabriel Exter, and the secretary Willem Stephanus van Ryneveld, and which commissioner members, upon the request made by me to their Honors, allowed me to sit down on one of the chairs, and subsequently, owing to my extreme weakness, permitted me to lay my head down on the table. Hereupon Mr. van der Riet said, Koch, you have presented a petition to declare a matter civil and composable and to settle with the fiscal. To which I answered yes, on the condition that I could depart for my colony as an honest man. Hereupon Mr. Exter, being asked by Mr. van der Riet what His Honor answered to that, answered the same with silence. Whereupon Mr. van der Riet asked Mr. Exter what His Honor demanded of me for the Fiscal. And the said Mr. Exter answered, Ten Thousand Ducatoons. Whereupon Mr. van der Riet asked, what do you say, Koch? I answered that it was impossible to pay such, because I held myself assured that my estate could not endure such and that I even had many debts. Whereupon van der Riet had Exter stand outside, and Mr. Fleck ordered me to state my debts. As I then also stated the same to the best of my ability, in this so sickly condition, after having obtained some time for deliberation and reflection according to my request made to the commissioner gentlemen, and which was noted down by the said Mr. Fleck, after which performance Mr. van der Riet asked me what I wished to pay to the fiscal. Whereupon I answered that if I gave the same One Thousand rds, I would still be obliged to sell some of my goods to that end. 792 Hereupon, the said Exter stepping inside again, Mr. van der Riet asked what His Honor answered to the offer of One Thousand ryxds, who answered that he could not do it for less than Ten Thousand ryxds. Whereupon I persisted in the offered One Thousand ryxds, upon the question put to me by Mr. van der Riet what I said to that, and with which the matter remained undecided, and I was sent back again to this so criminal prison, although fiat had been granted to me by the judicial council upon the presented petition, and on which occasion this case of mine had been declared civil and composable by their Honors. The same day the said Exter came to me in the prison, to whom I said that I could give no more than One Thousand ryxds to the fiscal, who answered me substantially in this manner: Koch, then hand over your estate to the fiscal, then we shall pay your debts from it, and you will have reason to thank your God if you get off in this case by relinquishing your estate, and therefore do not mind a few Thousand Ryxds, because the governor and the fiscal are now in-laws because the son of the former is married to the daughter of the latter; they themselves can later put you in a position again to get such reimbursed, by favoring you with something, and granting you the liberty therein that would not be permitted to other fellow citizens of yours. Hereupon I said that I could not do such without my attorneys-in-fact, namely the Citizens Sebastiaan Rothman and Willem Sullicq. Whereupon the said Exter answered, oh, do not bother about your attorneys-in-fact, for they would gladly hear of your death in order then to wash their hands in your goods. On a certain day when the said Exter came to me in the prison again, he asked me to buy all my slaves from me for rds Three hundred a piece, to which I answered that I could not do such because I needed the slaves myself. On a certain day the aforesaid Exter, coming into the Prison, told me substantially: Koch, when you are healthy and are released from this detention and depart again for your place, then stir up some Hottentots and slaves to come complain here at the Cape about their masters and Bosses; it will be to no harm to you. Which propositions made by him, the adjunct fiscal, being so scandalous and contrary to every honest mind, compelled me to answer him with silence. Subsequently it pleased the same adjunct fiscal on a certain other day afterward that

Dutch transcription

791 dat een en ander in aanmekking geno„ men zijnde hebbe ik mijn gemachtigde tot man eijndelijk een request laten vervaardigen, dewelke dan ook nadat ik het zelve geteekend hadde door hem in den raade van Justitie is ge presenteerd, 't welk ten gevolge hadt dat ik 'S anderen daags door de derde geweldiger uit hoofde mijner zak heid, in de vergaderzaal wierde ge„ bragt, alwaar present waaren de gecommitteerde Leeken uit den raade van Justitie in naamen de heeren Rijne Johannes van der Biet, Abraham Hek en den adjunct fiskaal Gabriel Exter„ en den secretaris Willem Stephanus van Ryneveld en welke gecommitteerde leeden op mijn aan hun E gedane verzoek mij op een der stoelen hebben laten nedertekken„ en vervolgens door mijn overgroote zwakheid mij gepermitteerd, mijn hoofd op de tafel neder te leggen. — hier op zeijde den Heer van der Riet Roek gij hebt een Request gepresenteerd, om een Saak Civiel en Composibel te verklaaren en met den fiscaal af te maaken. — 't welk ik met ja beantwoorde onder conditie ik als een eerlijk man na mijn colonie konde vertrekken. Hier op heeft d' heer Exter door de heer vander riet gevraagd zynde, wat zyn E: daar op antwoorde, hetzelve met stil„ zwygen beantwoord. waar op de heer van der Riet, den heer Exter vraagde wat zyn Ed van mij Eischte voor de Fiscaal En gem heer Exter antwoorde Tien Duij„ zeud Ducatonnen waar op de heer vander Riet vraagde, wat zegt gij koch. — Ik antwoorde zulx onmogelyk te kun„ ne betaalen, uit hoofde ik mij verzeekerd hielde, myn boedel zulx niet zoude kunnen lyden en zelfs veel schulden hadde. — waar op vander Riet Exter liet buyten staan, en de heer Fleck mij ordonneerde mijne schulden op te geeven. - gelyk ik het zelve dan ook naa myn best vermoogen, in deeze zoo zieke gesteld„ heid, na eenige tijd van beraad, en beden„ king volgens mijn gedaan verzoek aan heeren Gecommitteerdens geobtineerd te hebben, hebbe opgegeeven en 't welk door gem heer Fleck is g'annoteerd geworden, na welkers verrigtinge de heer vander Riet mij vraagde wat ik aan de fiscaal betaalen wilde. — waar op ik antwoorde indien ik hier denzelven 1 792. denzelven Een Duyzend rd=s gaave nog verpligt zoude zijn eenige myner goederen ten dien ynde te moeten verkoopen. — hier op gem: Exter weder binnen treedende vraagde den heer van der Riet uat zynE ant„ woorde op den aanbod van Een Duyzend ryxd:s dewelke antwoorde het niet minder te kunnen doen als voor Theen Duyzend ryxds: Waarop ik by de aangeboodene Een Duyzend ryxd: bleve persisteeren op de vraag van de heer van der Riet aan mij gedaan, wat ik daar van zyde, en waarmeede de zaak onbeslest is Gebleeven, en ik weder na deeze zo Crimineele gevangen is benge zonden, daar egter door den justitieelen raade mij fiat was verleend op 't gepresenteerd request en bij (welke geleegendheid deeze myne zaak door hunne E Achtb Civiel en Composibel was verklaard. den zelfden dag kwam gem: Exter bij mij in 't gevangenhuis aan den zelven zijde ik niet meer als Een Duyzend ryxd:s aan de fiscaal konde geeven dewelke substantieelyk in deeze voege mij antwoorde, koch geeft dan uwen Boedel over aan den fiscaal, dan zullen wij daaruit uwe schulden betaalen, en gij reeden hebben uwen godt te danken, als gij (in deeze zaak met afstandaaes uwes boedels vrijkomt,, en daarom ziet op geen paar Duyzend Ryxd:s want den gouverneur en den fiscaal zyn thands zwagers uit hoofde den zoon van d' eerstgem: met de dogter van de laatstgem: gehuuwd is, zelve kunne uw naderhand weder in eene geleegendheid stellen om zulx vergoed te krijgen, door uw met iets te begans„ tigen, en daarin vryheid geeven, dat andere uwer meede burgen niet zoude werden toegelaaten. — hier op zeyde ik zulx niet te kunnen doen zonder myne gemagtigdens, namentlyke de Bur„ gers sebastiaan Rothman en willem Sullicq„ waar op gem: Exter antwoorde, ogstoort uw niet aan„ uwe gemagtigdens, want zij zoude gaarne van uwe dood willen hooren om als dan hunne handen in uwe goederen te wasschen, Op zeekeren dag dat gem: Exter weder bij mij in 't gevangenhuijs kwam vraagde denzelven mij om alle mijne slaaven van mij te koopen teegens rd:s Drie hondert het stick waar op ik antwoorde zulx niet te konnen doen overmits ik de slaaven selfs nodig hadde. Op zeekeren dag heeft voorm: Exter in 't Gevan„ genhuijs koomende mij substantieelijk gesegd koch als gij gezond zyt, en uit deeze detentie ontslaagen word en weder na uw plaats vertrekt, maakt dan eenige Hottentotten en slaaven op om hier aan de Caab over hunne heeren en Baasen te koomen klaagen, 't zal uw tot geen schaade verstrekken. — welke zo schandelyke en teegens yder eer¬ lyk gemoedstrydende, van hem heer Ajuct fiscaal gedaane propositiën mij noopten den zelven met stilzwygen te beantwoorden. — kelke na schandelijke teegens lijk Vervolgens heeft het denzelven adjunct fiscaal kunnen gelusten op zeekere andere dag naderhand dat

NL-HaNA_1.04.02_4346_0430 view scan ↗

English

793 that his Honour was with me in the prison, ordering me under heavy threats, and as his Honour further understood and advised, that I had to surrender my slave boy, belonging to me in ownership and named Goliat, to the Independent Fiscal, since he, Goliat, might otherwise still murder me this evening or tomorrow morning; and if I did so, he, Exter, would then instruct the release of the other slaves belonging to me, who were in the jail at that time, in such a manner that I could consider myself assured of the obedience owed by them to me, and be freed from all danger that might otherwise arise therefrom. A few hours thereafter the said Exter appeared before me again in the prison and said that I had to give more, as he could not satisfy the Fiscal with one thousand rixdollars and the Commissioners would immediately sit again for that purpose, and that I subsequently had to beware of letting the said gentlemen leave without this matter having been decided, since it would cost me dearly; whereupon, having been led before the said gentlemen again, I appeared. Upon which the said Mr. van der Riet asked Mr. Exter what his Honour demanded, who replied six thousand rixdollars. Upon which answer of the said Exter, and the question put to me by Mr. van der Riet as to what I said to that, I replied that I would add another two hundred rixdollars to the one thousand; which the said Exter would not accept, and he persisted in the demand of six thousand rixdollars; which resulted in my being ordered back to this dreadful criminal prison. However, on leaving the council chamber, I turned around and offered to give twenty-five hundred rixdollars to the Fiscal, in order, as I understood it to myself, to be rid of this tyranny and to prevent the cutting short of my thread of life in this prison, which I knew would notoriously otherwise be the result. Upon this offer made by me, Mr. van der Riet asked what Mr. Exter said to it, who in his answer entirely rejected the same, and subsequently had me imprisoned again, where from time to time I then became so sick, ill, and out of my senses that I know nothing of what occurred in the intervening time, except only this: namely, that on a certain day during that time, the said Mr. Exter, coming into the prison, made me promise under heavy threats that, upon being released from this prison, I would come to him, Mr. Exter, 794 to come and report to his Honour what I knew, or had seen or heard, of the inhabitants in Plettenbergsbaai, with the assurance that I would never be named, just as his Honour at the same time advised me that I had to keep quiet about my case, with the promise that his Honour would also remain silent about it, and that I could return to my colony as an honest man. Upon this, on the 3rd or 4th of May of the year 1790, I was released from my detention. On the 11th of May in the evening, the second court messenger, named de Wit, came on behalf of Exter to ask my authorized agent, Sebastiaan Rotman, how he dared to be so bold as to send into the countryside the slave maid of mine, Koch, who was mortgaged to the Fiscal; to which Rotman replied that he knew nothing of the whole matter. Whereupon the next day I asked Rotman what the messenger meant by the word mortgaged, who answered me that he had heard that in the prison I had signed my name for a sum of two thousand five hundred rixdollars for the benefit of the Fiscal, under mortgage of all my slaves; which statement I did not recall, because this was arranged at that time when I was gravely ill and out of my senses in the prison. And in order to obtain knowledge of these matters, I requested the assistant Mr. Weemeyer, who lodged with Rotman, to request from the Secretary of Justice, the Hon. van Ryneveld, on my behalf and for my account, a copy of that alleged debt for the benefit of the Fiscal; which his Honour refused to furnish to me, according to the report of the said Weemeyer. The further consequence of this was that, when on the next day the same second court messenger came to notify me on behalf of the Fiscal that I had to make an end to these matters, for otherwise the last error would be worse than the first; To which message I had him answered that I knew nothing and did not concern myself with those matters, but rather Sullig, who was my authorized agent and also the guardian of my children, so he should concern himself with it. And since I did not know how matters stood with those affairs, I went to Mr. Exter the next day and requested him to give me an extract thereof, and at the same time to ensure that my goods were returned to me.

Dutch transcription

793 dat zin Ed: zig bij mij in 't gevangenhuijs bevond, onder zwaare drygementen mij te ordonneeren, en zo zyn E: 't verder begreep en te raaden dat ik mijne in eigendom toebe„ hoorende slaave jonge in naame Godliat aan den independent fiscaal moest afstaan, over„ mits hij Goliat mij anders ten avond of te morgen nog zoude kunnen vermoorden, en in dien ik zulx deede, hij Exter dan de andere mij toebe„ hoorende slaaven, die zig te dier tijd in de tronk bevonden, hij derzelver largement zodanig zoude instrueeren, dat ik mij van d' haar aan mijn verschuldigde gehoorzaamheid konde verzeekerd houden, en van alle gevaar die ander daaruyt zoude kunnen proflueeren, bevreyd zijn Eenige Uuren daar na vertoonde zig weder gem: Exten in 't gevangenhuys bij mij, en zeijde, dat ik meer moeste geeven, alzoo hij den fiscaal met geen Een Duyzend lyxd: vol„ doen konde en de Gecommitt:s ogenblikkelyk ten dien einde weeder zoude zitten, en ik mij ver„ volgens wagten moeste welgem: Heeren zonder deeze zaak gedecideerd was te laaten heenen gaan vermits 't mij zuur zoude opbreeken gelyk ik dan ook weder voor gem: heeren geleijd zijnde gecompareerd ben Waar op gem: heer van der Riet den heer Exter vraagde wat zyn E: Eyschde, dewelke ten andwoord gave ses Duyzend ryxdaalders op welke antwoord van gem: Exter en de aan mij gedaane vraage door de heer van der reet Wat ik daarop zeyde, ik hebbe gerepliceerd dat ik bij de Een Duyzend nog twee Hondert Ryxd:s zoude byleggen, 't welk gem: Exter niet wilde accepteeren, en op den Eisch van ses Duyzend ryxds: bleeve insteeren, 't welk ten gevolge hadde dat ik weder na deeze akelige Cremineele Gevangenis wierde geor„ donneert, egter in 't uitgaan van de raad„ zaal, wende ik mij om en presenteerde vijff en Twintig hondert Ryxd:s aan den fiscaal te zullen geeven, ten einde zoo ik 't by mij zelve begreep, deeze dwingelandy los te worden ende afsnijdinge myner Leefdraad in deeze gevangenis voor te koomen, 't welk ik notar anders notoir ten gevolge zoude hebben. — Op deeze door mij gedaane aanbod vraagde den heer vanden Niet, wat hij heen Exter daarop zeijde dewelke in zyn antwoord daarop het zelve ten enemaal heeft van de hand geweesen, en mij vervolgens wee„ der deede gevangen zetten, alwaar ik doen van tijd tot tyd zoo ziek, slegt, en buyten kennisben geraakt, dat ik miets weete van het geene in die tusschen tijd is voor ge„ vallen, als alleenlijk dit, dat namentlyk op zeekeren dog in die tijd gemelde heer Exter in 't gevangenhuys koomende onder swaare drygementen mij heef doen belooven dat ik uit deeze gevangen is ontslaagen wordende, bij hem Heer Exter zoude wat koomen 794 koomen om zyn E aan te geeven, wat ik van de Ingezeetenen in de Pletten„ bergsbaaij wiste, ofte gezien ofte gehoord hadde met verzeekeringe ik als dan nooyt zoude genoemd worden, gelyk zyn E: mij dan ook te gelyken tijd aanraade ik noopens myn zaak stil moeste blyven berusten met belofte zyn E daar ook van zoude stel„ zuigen, en ik als een eerlijk man weder na mijn Colonie konde vertrekken. hier op Een ik den 3 of 4 Maij des jaars 1790: uit mijn detentie ontslaagen den 11 Maij s'avonds is de tweede geregts boode in naame dewit, mijn gemagtigde sebastiaan Rotman uit maam van Exter koomen afvraagen hoe hij zig derfde verstouten de slaaven meijd van mij koch; dewelke bij de fiscaal verpand waa re na buyten te zenden, is door rotman geantwoord hij van de geheele zaak niet wiste, waarop ik rotman s'ander„ daags vraagde wat de boode met het woord verpande zeggen wilde, dewelke mij antwoorde dat hij gehoord hadde ik in de gevangen is mijn naam ge„ teekend hadde voor een somma van Twee Duyzend vyf hondert ryxdaalders ten behoeve van defiscaal, onder verpan ding van alle mine slaaven, welke gezegdens die mij niet voorstond, door„ dien zulx is waargenoomen in dat tydstip dat ik in de gevangen is swaar ziek, en buyten kennis waare, en om kond„ schap deezer zaaken te moogen hebben, ik den adsistend S:r Weemeyer, dewelke bij Rot„ man inwoonde verzogt hebbe, uit naam van mij aan den secretaris van Iustitie d' E van ryneveld voor reecq: van mij Copia dier voorgewende schuld ten behoeve van de fiscaal te verzoeken, het welk van zyn E: heeft geweigerd mij te laaten toekoomen volgens berigt van gem: weemyer. het verder gevolg hier van was dat als anderen daags dezelfde tweede geregtsboode mij uit naam van den fiscaal kwam aan„ zeggen, dat ik een ynde van die zaaken maaken moeste, want anders de laatste dwaalinge erger zoude zijn als d'eerste. Op welke boodschap ik hem deede antwoor„ den dat ik van niets wiste en mij met die zaaken niet bemoeijde, maar wel sullig die mijn gemagtigde en ook voogd miner kinderen was, dus hij zig daar meede moeste bemoeijen. — En vermits ik niet wiste hoe het met die zaaken geleegen was, ben ik des ande„ ren daage bij de heer Exter geweest en den zelven verzogt mij daar van een uit„ treksel te geeven, en teffens te willen zorgen myne goederen my wierde dien ter

NL-HaNA_1.04.02_4346_0432 view scan ↗

English

handed over to those who had remained behind in the prison, who answered me that I had to pay twenty-five hundred Ryxds to the fiscal or else my slaves who were still in the jail would be sold, and if that were not sufficient, the rest of my left-behind property would be sold. Whereupon I offered to pay one thousand Ryxds immediately, and since I was destitute of cash at that time, to provide sureties for the other fifteen hundred Rexds to be paid in the upcoming month of October. Upon which offer Mr Exter ordered me to go to the provost Matthysen, and in His Honour's name to charge him with notifying the Independent Fiscal thereof, and subsequently to report His Honourable's answer back to him, as I indeed did, for the next day Matthijssen came to inform me that His Honour would accept one thousand Ryxds on the condition that I would have a judicial bond prepared for the remaining fifteen hundred Ryxds with a clause of immediate execution against the sureties who should sign it in case of non-payment by the due date specified therein, and at the same time, once that bond was prepared, I had to go to the house of Mr Exter in order, according to the promise made by me to His Honour in jail, to lodge a complaint against some residents of Plettenbergsbaaij so that these matters could be made rock-solid. Which above-mentioned proposals of the Independent Fiscal remained unfulfilled by me, since it appeared to me to be contrary to the conscience of an honourable man, which had the consequence that the fiscal saw fit on the 12th of June to have six of my slaves sold at public auction, all of whom were bought in by my authorised agent Willem Sullig, a few days after which the court messenger came to Sullig to ask him on behalf of the Secretary of Justice whether he was inclined to pay in cash what I still owed in debt to the fiscal, or otherwise to take my female slave who had already been sent to the country in place thereof, which latter proposal Sullig accepted. On the 19th of June Bastiaan Rothmann, as my authorised agent, went to the Deputy Fiscal Exter to demand my belongings which the provost Matthijssen had taken from me upon the apprehension of my person; the same answered that he would release nothing before the last penny was paid, further adding that he had already given orders to have my female slave who had been sent to the country brought up, and that it would not be long before she arrived. Hereupon the said Rothman went to the Honourable Secunde and, after having complained to His Honour about the said matter and Exter's conduct, requested to present a petition to the Honourable Council of Justice, upon which the said Secunde handed over to Rothman a letter prepared for that purpose by the Secretary of Justice to be shown to the said Exter, which resulted in Mr Exter answering him: it is well, he can have his property. On the same 19th of June in the morning around ten o'clock, as I was leaving the Castle, the first court messenger met me, whereupon the said messenger said: we wipe our backsides on your authorised agents, but how about the money for those slaves, for Sullig is not approved; I will sell the slaves again. I replied that I had nothing to do with it, and if he wanted to use bailiff's force, he could sell me as well. The same day in the afternoon after dinner, Mr Exter sent me, through His Honour's brother—who made every effort to make me accept it—my letter-case opened, some paper money, a pocket watch, a snuffbox, and an empty purse, etc., etc. But since my letter-case, at the time it was taken from me by Matthijssen, was locked and now open, and at the same time the other items were damaged, I refused to accept them and sent them back again. To this I answered that I did not know that I had been summoned, since I had not been at home, and that I also did not consider Mr Exter my ruler, but rather my opposing party, and that I was therefore surprised that, if he wished to speak to me so urgently, he had said nothing about it to my authorised agent Rothman, who had been at his place this very morning. Siervogel stopped me and asked why I had not gone to Mr Exter, since His Honour had summoned me up to three times, and whether I did not wish to come when I was summoned by my rulers. All the above related by me, I declare to be the pure truth, and am therefore prepared, if necessary or if required to do so, to confirm this with a solemn oath. Underneath stood: Cape of Good Hope, the 28th of June 1790. Thereupon followed: I, the undersigned Jonas Albertus van der Poel, certify that the above has been drawn up by me in due form from the draft notes which were given to me personally by the burgher Godfried Fredrik Koch, with his declaration to me that this was the pure and upright truth, and that he could confirm the same with oaths at all times. Underneath stood: Cape of Good Hope, the 21st of July 1790. Was signed: J: Smit Agrees Goetz I, the undersigned Jan Smit, certify that the above was handed over to me in his own hand by the burgher Godlieb Fredrik Koch, with the declaration that the above was the pure truth of his case. Under which similar presentations I usually sign this. Underneath stood: Cape of Good Hope, the 21st of July 1790. Was signed: J: A: vander Poel First Clerk Underneath: Examined C: Adriaansen

Dutch transcription

735 ter hand gesteld die in 't gevangen huijs waaren agter gebleeven, dewelke mij ant„ woorde dat ik vijf en Twintig hondert Ryxd:s aan den fiscaal moeste betaalen ofte anders mijne slaaven die nog in de tronk waaren zoude verkogt worden, en indien zulx niet toerykende was de rest myner agtergelaatene goederen zoude laaten verkoopen. - Waar op ik heb aangebooden Een Duij„ zend Eyxd:s direct te zullen betaalen en overmits ik van een Contanten voor dat tydstip ontbloot waare voor de andere vyfthien hondert Rexd:s borgen zoude stellen om in de eerst aanstaande maand october te voldoen. — Op welken aanbod de heer Exter mij ordonneerde na den geweldiger Matthyzen te gaan, en denzelven uit naam van zyn E: aan te leggen den Independent fiscaal daar van te praadverteeren en vervolgens 't andwoord van zyn UEd: Achtb. s daar op hem te moeten aandienen, gelijk ik zulx ook gedaan hebbe want sanderendaags kwam Matthijssen mij aanzeggen, dat zin E Achtb:e Een Duijzend Ryxd:s zoude ontfangen onder dien mits dat ik voor de resteerende vyfthien hondert Ryxd:s moes te late maaken een Iustitieele Obligatie met Insertie, van Parate Executie aan de borgen die het zelve kwaamen te teekenen, bij non betalin„ ge, ten tijde s' vervaldaags, daarinne bestemd, en teffens aan dat ike Heere Obligatie wierde ver„ vaardigd mij moeste vervoegen ten huyze van de hier Exter, omme volgens mijne in tronk aan zyn E gedaane belofte, eenige Inge„ zeetenenen uit de Plettenbergsbaaij aan te klaagen ten einde deeze zaaken bankvast konne werden gemaakt. welke boovenstaande propositien van den independent fiscaal door mij onvol„ daan gebleeven is, overmits het mij toe scheen strijdig te zijn teegens 't gemoed van een herlyk man, 't welk de gevolgen hadde dat den fiscaal heeft kunnen goedvinden op den 12 Juny Ses Mynen slaaven Publiege vendutie te laaten verkoopen dewelke alle door mijn gemagtigde Willem sullig is ingekogt, zynde eenige daagen daarna de Geregtsboode bij sullig geweest, om uit naam van den secretaris van Justitie hem afte vraa„ gen, of hij geneegen was, 't geene ik nog te kort kwam in de schuld aan den fiscaal in contant te betaalen ofte anders mijn reeds na buytengezondene meijd daar voor te houden welke laatste sullig heeft aange„ „noomen. - den 19 Iunij is Mbastiaan RRotmann als mijne gemagtigde bij den adjunct len fiscaal 736. fiscaal Exter geweest om myne goederen te vraagen, dewelke den geweldigen Mat„ thijssen bij het apprehendeeren myns perzoon mij heeft afgenoomen, de„ zelve antwoorde niets te zullen laaten volgen voor den Laatsten Penning voldaan was met verder byvoeging dat hij alreede ordres gegeeven hadde om de na buyten gezondene meyd van mij op te laaten koomen en het niet lange meer zoude zyn dat zij aankwam. — Heer op is de gemelde Rothman na den E Achtb: heer secunde gegaan een heeft /:na zig ten dien einde bij zin E: over gemelde zaak en handelwize van Exter beklaagd te hebben:/ verzogt daar omme een request te praesenteeren in den E Achtb: raad van Iustitie, waar op gemelde heer secunde eene ten dien einde vervaar„ digde brief door den secretaris van Iustitie om aan gem: Exter te vertoonen hem rot„ man overhandigde, en ten gevolge hadde de Heer Exter hem ten andwoord gave 't is goed, hij kan zijn goed krijgen den zelfden 19 Iunij s'morgens om„ trend thien Uuren dat ik uit 'tCasteel gong, bejeegende mij d' eerste Geregtsboode waar op gem: boode zeyde aan uwe gemagtigdens veegen wij onze gaf, maar hoe is het met het geld van die slaaven want sullig word niet voor goed„ gekeurd, ik zal de slaaven nog eens verkoopen Ik antwoorde dat ik er niets meede te doen hadde, en als hij boodegeweld wil„ de gebruijken, mij dan ook zoude konne verkoopen. Den selfden dag s' middags na het eeten wierd mij van de heer Exter door zyn E Broeder gebragt /: en dewelke alle vlijf aan wende om mij 't zelve hierop antwoorde ik niet te weeten dat ik geroepen was, terwijl ik niet te huys geweest waare, en ik ook niet eerste dat de heer Exter myn regeerder maar mijn Parthije was, en dat ik mij vervolgens verwon„ derde, als hij mij (zoo noodzaakelyk spreeken wilde, dat hij teegens myn ge„ magtigden Rothman die huijden mor„ gen t' zyn en't is geweest, niets daarvan gezegd hadde. Siervogel mij staande hield, en vraagde waar„ om ik niet na de heer Exter was gegaan overmits zijn E mij tot drie rijsen heeft laate roepen en of ik niet koomen wilde als ik van min regeerders geroepen wierde Seervogel doen ontfangen :/ myne Brieve tas geopend„ eenig papieren geld, een sak horlogie, een snuyfdoos en een leedige geldbeurs & &a: maar overmits myne brievetus te dier„ tyd toen het mij afgenoomen wierd door Matthijssen geslooten en nu open, teffens de andere goederen defect waaren hebbe ik niet willen accepteeren maar weder te rug gezonden Alle het hier voorenstaande door mij gere„ lateerde, betuijge ik te zyn de zuyvere waar heid, ende ben diesweegens bereid des Noods ofte zulx gerequireerd werdende met een solemneele Eed te bevestigen. /: onderstond:/ Cabo de hoedehoop den 28 Iunij 1790: /:daar op volgde:/ Certificere ik ondergeteekende Ionas Albertus van der Poel, dat dit booven„ staande door mij in forma is ter neder gesteld uit de minuten dewelke aan mij perzoonlyk is opgegeeven, door den Burger Godfried fredrik Koch onder betuyginge van dezelve aan mij, dat dit de zuyvere en op regte waarheid waare„ en hij het zelve ten allen tyde met eeden zoude kunnen bevestigen /:onderstond/ Cabo de Goedehoop den 21 Julij 1790 /: was geteekend:/ I: Smit Accordeerd Goetz Certificeere ik ondergeteekende Ian Smit dat dit boovenstaande eigen handig aan mij door den Burger Godlieb Fredrik Koch is ter hand gesteld met betuyging dat dit bovenstaande de zuyvere waarheid van zyn zaak was Onder welkers diergelijke presentatien ik deeze gewoonlijk teekene /: onderstond/ Cabod Boedehoop den 21 Julij 1790: - (:was geteekend:/ I: A: vander Poel Eg Clercq onder Nagesien C: Adriaansen 797

NL-HaNA_1.04.02_4346_0436 view scan ↗

English

The written grievance and complaint presented on the 10th of this month by the civic military council against the actions of the Lord Independent Fiscal van Lynden, which was read in council on the 13th following and, pursuant to what was then resolved, subsequently forwarded to the undersigned storekeeper and examined by him with all the attention that the nature and gravity of the matter required, he now finds himself thereby, now that the said writing has anew been laid before the Lord Governor and council for deliberation and decision, able to submit as his advice the following, to wit: That an authentic copy of the aforementioned document, if such has not already been done, as it lies, the sooner the better, ought to be delivered into the hands of him, the Lord Fiscal, in order to be able to answer as soon as possible to the points of accusation appearing therein against His Honour. That as soon as that defense shall have been received, the same, joined to the complaint of the military council, should be sent over with the first opportunity, if possible still per the ship Beverwijk present, to the Right Honourable the Lords Majores in the fatherland. That in consideration of the misconduct and excesses enumerated in that writing, as well as to prevent all disorders in the administration of justice, it ought to be suggested to the Lord van Lijnden that, pending their Right Honours' deliberations on this subject and while awaiting their highest final decision in that regard, he abstain from the exercise of his office, while with respect to the accusations against His Honour another person should be authorized to conduct only the necessary investigation with regard to the same, in order to inform the government as speedily as possible upon submission of the documents to be obtained by him, and thus to enable it to inform the High Commanding Lords and Masters what there is of truth in the malversations imputed to His Honour and to what extent they are or are not well-founded, without however proceeding any further or doing anything more in this matter. Yet that since, in the accusations appearing in the aforementioned writing and the appendices belonging thereto, there are also included other servants and persons who do not by any privilege fall within the terms of being able to withdraw themselves from the jurisdiction of the ordinary daily judge here, but must be tried before the same, the substitute Fiscal to be appointed shall immediately take in hand the points charged against them, investigate them accurately, and according to the findings proceed against them in such manner as he in good justice shall deem proper. That furthermore, with regard to the declaration made by the abovementioned Lord van Lijnden in the aforesaid session of the 13th of this month of wishing to depart for the Netherlands himself, in order to render his defense there in person before his Lords and Masters, the undersigned is of the opinion that, however much one would otherwise wish to have and show all regard for and consideration with him, the Lord Independent Fiscal, in this departure, if His Honour should make a request for it, the government could not and should not condescend, because: The instructions of the Company, which limit the term of service that the respective Fiscals will have to serve out, as the undersigned believes, to ten years, dictate that no servants whomsoever shall be permitted to repatriate before the expiration of their engagement, unless on account of continuous indisposition, when their discharge may be granted to them to return home without enjoying wages, emoluments, or premiums. Their Right Honours, by letter of the 10th of November 1695 directed to this Government, after having thereby communicated the appointment of a Fiscal, subsequently state that they understand that the government here should not be capable of dismissing those whom their Right Honours had already appointed, or should come to appoint in the future, to this or that function.

Dutch transcription

e fe Het op den 10 dezer door den burger krygstaad gepraesenteerd schriftuur van doleantie en beklagtee, „gens de handelingen van den Heer Independent Fiscaal van Lynden waarvan de lectuure den 13 daar aan in raade is geschied, ingevolge t altoen geresolveerde aan den ondergeteekende dispencier 't zedert toegeschikt en door hem met al de oplettendheid, welke den aard en 't gewigt der zaake vorderde ingezien zynde, vind hij zig daar door thans, nu dat schriftuur op nieuw door den heere Gouverneur en raade ter deliberatie en beslissing doorgelegt werd, in staat voor zijn advijs uit te brengen het navolgende te weeten. — Dat van 't voorsz: stuk, wanneer zulx bereids nog niet is geschied, zo als het legt hoe eer zoo liever aan hem Heer fiscaal diend te werden ter handen gesteld een au„ thenticque Copije, ten einde zig zoo spoedig moogelijk te kunnen verantwoorden op de daar in teegens zyn Ed: voorkoomende poincten van accusatien. — dat zo dra die verantwoording zal ingekoomen weezen dezelve gevoegt bij t' klagtschift des krijgsraads met de Eerste geleegentheid zoo mogelijk nog p:r 't aanweezend schip Beverwijk aan Haar WelEdele Hoog Achh: de Heeren Majores in 't patria dient te werden overgezonden. — Dat uit aanmerking van de bij dat geschrift op„ getelde wandevoiren en Excessen, mitsgaders om alle dis ordres in d' uitoeffening der Iustitie voortekoomen, den Heere van Lijnden diende, in Consideratie te worden L:a L: 738 799. worden gegeeven, om, hangende haar welEdele Hoog Acht deliberatien op dit Sujct en terwyjl men hoogst derzelver finale decisie daaromtrent zal in wagten, ziek te onthou„ „den van de uitoeffening van zijn ampt, terwijl met betrek„ king tot de beschuldigingen teegens zyn Ed: een ander perzoon zoude deenen te werden gequalificeert om met opzigt tot dezelve alleen 't nodig onderzoek te werk te stellen, om de regeering ten Spoedigsten mogelijk met overlegging der bij hem intewinnene stukken daarop te berigten en dezelve zoo doende in staat te stellen de Hoog Gebiedende Heeren Meesteren te kunnen infor„ „neeren, wat, er reëel zij van de zijn Ed aangetijgt wer„ „dende malversatien en in hoeverre dezelve al dan niet zijn gefundeert, zonder echter hier inne verder te gaan of iets meer te doen. Doch dat vermits in de accusatien bij het voorsz: schrif„ „tuur ende tot dezelve gehoorende bijlagen voorkoomende ook gecomprehendeert zijn andere dienaaren en lieden, die niet door eenig voorregt vallen in de termen van zig aan de Judicalure van den ordinairen dagelyksen regter alhier te kunnen ontrekken, maar voor dezelve moeten werden te regt gesteld den aantestellen pl Fiscaal met opzigt tot dezelve de poincten ten hunnen lasten dadelijk zal hebben bij der hand te neemen naauwkeurig te onderroeken en na bevind van zaaken zodanig teegens hen te procedeeren, als hij in goede Justitien zal vermeenen te behooren Dat wijders wat betreft de door op gemd: Heer van sijnden in voorsz: sessie van den 13 deezer gedane declaratie van zelver naar Nederland te willen ver„ brekken, ten einde aldaar in perzoon voor zijne Heeren en Meesteren desselfs verantwoording te doen, den ondergeteekende van oordeel is, dat, hoe zeer men anders alle eguards voor en Concideratie met hem Heer Independent Fiscaal hebben en gebruiken wil, in dit vertrek, wanneer zijn Edele daarom verzoek quam te doen, door de regering niet zoude kunnen of moogen werden gecondescendeerd. - om dat. D'instructien van de Comp: die het verband, 't welk de Respective Fiscaals zullen hebben uit te„ „dienen, gelijk den ondergeteekende vermeen op Thien Iaaren bepaalen dicteeren, dat geene dienaaren hoegenaamd voor de Expiratie van hun ingagement zullen moogen repatrieeren, ten zi uithoofde van aan„ houdende dispositie, wanneer hun derzelver ontslag kan worden verleend, om zonder genot van gagie Emo„ „lumenten of pramie te huis te koomen Haar welEdele Hoog Achtb: bij brief van den 10: November 1695:- aan dit Gouvernement gerigt, na daarby de aanstelling eens fiscaal Gecommuni„ „ceert te hebben, ten vervolge zeggen, dat hij verstaan„ dat de regeering alhier die geenen, dewelke haar WelEdele Hoog Achtb: in deeze of geene functie al bereids hadden aangesteld of in 't vervolg rou„ „den koomen aantestellen niet vermoogens zoude Lijnden weezen 2

← previousnext →