VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 4354

Cape · 488 pages · 223 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_4354_0097 view scan ↗

English

54 or with any other evil intent towards the victim, according to the nature of the committed act, 55 and such intent must be proven by him who alleges the same. 56 Doceri enim debet dolus ab eo, qui dolo aliquid factum esse dicit. L. 18. §. 1. ff de probationibus. 57 Yet this must not be understood as if one were always obligated to precisely prove through two concurring witnesses above all exception, 58 that the perpetrator acted deceitfully. 59 For if one were to adopt this hitherto unknown legal doctrine, 60 then the gravest crimes could often be committed with impunity, 61 and the greatest misdeeds would have to be acquitted, 62 since the wicked designs of men mostly remain hidden within their inner beings, 63 and are only very rarely brought to light by their own confession. 64 But when legal scholars say this, 65 they mean to convey that he who alleges dolus must present and prove circumstances 66 from which the judge can reasonably conclude that the act in question occurred with intent, 67 and thus belongs to the class of crimes. 68 Therefore, the Roman Emperors also replied to Hymenaeus in L. 26. C. de dolo malo: 69 Dolum ex indiciis perspicuis probari convenit. 70 That is, it is equitable that the intent or evil design be proven from clear indications. 71 The Advocate-Fiscal will therefore present the circumstances that took place in the present case, 72 from which the animus delinquendi can be legally inferred, 73 and from this seek to determine the question of whether and to what extent it is true of the questioned and detained person 74 that he acted deceitfully and with an intent prohibited by the Civil Law. 75 Principally, it must be considered in this matter that the conduct of the questioned and detained person was entirely unlawful, 76 and that he, as the jurists say, has engaged in actu illicito; 77 for the questioned and detained person, as appears from his own confession at article 19 of his first interrogation, knew very well 78 that it was not permitted to him to harbor foreign slaves, 79 of whose desertion he was likewise not ignorant (see the response to article 20 of the same interrogation), 80 on his property without giving any notice thereof. 81 If the questioned and detained person perceived and understood the illicit nature of his conduct, 82 then he has notoriously engaged in an unlawful act, 83 and if he has engaged in actu illicito and an unlawful trade, 84 then it must necessarily be deemed that he acted deceitfully and with intent, 85 until such time as the contrary shall come to appear, 86 as Menochius expressly states, de probationibus, conclusio 535, number 10, 87 where, after having taught that evil intent should not regularly be presumed, he says: 88 Limita non procedere quando actus per se esset illicitus, nam tunc dolus praesumeretur. 89 That is, that what he had previously determined does not apply 90 when the act is per se and by its nature unlawful, 91 for in such a case, the evil intent must indeed be presumed. 100 Since now in the case in question, as Your Honorable Court will see further below, nothing arises 101 by which the presumption of an evil design can be refuted, 102 it is clear that the same must continue to operate against the questioned and detained person, 103 and the questioned and detained person must be held to have substantially committed a delict, 104 especially when one adds thereto the following concurring circumstances: 105 First, that the questioned and detained person gave no notice to anyone of the detention of the five slaves in question, 106 yea, even concealed his intention from those persons. 92 But Your Honorable Court can also conclude what has been said regarding the presumption of dolus ex actu illicito 93 from what Matthaeus, de Criminibus ad Lib. 48. tit. 4. cap. 1. number 10, says: 94 Quod si reus factum scilicet per se illicitum confitetur, 95 jure autem factum contendit, 96 id ipsum jure factum probare debet. 97 A clear proof that engaging in an unlawful act solely and in itself provides sufficient grounds 98 to presume that the perpetrator had an evil design and acted deceitfully, 99 which presumption retains its force until the contrary is made evident to the Judge.

Dutch transcription

54 of met eenig ander kwaad op het besietd zy ge„ weest naar de hoedaanigheid van het begaane feijt „ 55 en moet zodaanig opzet beweesen worden door hem die hetzelve allegneerd 56 doceri enimi debet dolus abes, qui dolo alsquid factum esse, dieit L: 18. 3. J. f de probat 57 nochtans moet dat niet zoo verstaan worden, als of men altijd genoodzaakt zou zijn om door twee consonante, en boven alle exceptie verheven getuijgen proecisete bewysen. 1 54 dat de Dader doleus heeft gehandeld. 59 want wanneer men deeze tot hier toe on„ tekende rechtsdockrine wilde adopteeren. bo dan zoude dikwijls de swaars te misdaden straf soos kunnen gepleegt 61 en de groots te euvel daaden moeten vry„ gesprooken worden. 62 aangesien de booze aanslaagen der menschen meestentijd in hun bin„ nens te ver hoolen blijven 63 en niet dan zeer zelden door hun eigen com fessie aan den dag worden gelegt 6n Maar wanneer de rechts leeraren zeggen 65 dan willen zy te verstaan geven dat hij die dolum allegueert omstandigheden moet bij brengen en bewyzen. waar uit der rechter met grond kan opmaan 66. ken dat de Raad in questie met op act is geschud 67 en dus tot de Classe van misdader behoort 68 daar om hebben ook de R: Keysers aan Hym node de gerescribeerd in de Ly 26 de dolomale 69 dolum ex indicuis perspicuis probari convenit 70: dat is het is billijk dat het opzet of quaad voornemen uit klaare kenteekenen, worde beweesen, 71 de R: v: Eisscher zal derhalven de in het voor handen zynde geval plaatsgehad hebbende omstandigheden 72 waarii't de onmun delingrendi in rechten kan won„ den opgemaakt voorstellen. 73 en daar uit de questie trachten te bepaalen of en in hoe verre het van den gevr: en ged. waar is 74 dat hij doto en met eenig bij de Civiele Wet geprohi„ beerd voornemen hebbe gehandeld. 75 voornamentlyk komt ten deezen in aanmerking, dat des gerr: en ged: bedrijf geheel onwettig is geweest. 76 en dat hij gelyk de rechtsgeleerden zeggen gever„ reert heeft in actue illicito: 77 want de gevo en ged. heeft blykens zyn eigen Confessie ad. act: 19 van zyn eerste verhoor zeer wel ge weeten 78 dat het hem niet geoorloofd was vreemde seven „ 79. van welkers desertie hij insgelijks niet ignorant was. Vid: de resp ad art 20 van hetzelve verhoor zo op zyn blaats te herbergen zonder daar van eenige kennis begeeven, 81 Heeft den gevr: en ged: het ongeoorloofde van zijn gedrag, gepercipieerd en begreepen. 82. dan heeft hij notoir in een onwettige daad ge verceert. 83 en heeft hij in actie illicito en een enwettig lee„ drijf geverseert 84: dan moet noodwendig gereekend worden, doleus en wet opzet te hebben gehandeld. 85 tot zo lange dat het tegendeel alennde zal zoo men te blyken 86. zo als zulx niet alleen express is verbis leeft Marcardus de brob: concl: 535 N.o 10. 87 alwaar hy na geleerd te hebben dat het quaad opzet, regulariter niet moet worden gepresumeert. zegt 88 Limite non proiedere quando actus per ce esset illicitis nam func Volus presume retur 89 dat is dat hetgeen hy te vooren bepaald had niet voort gaat. 90 wanneer de daad perse en uit haaren aart onwettig is 91 want dat in zodaanig geval het quaad op det, wel degelijk moet gepraesumeerd word „ 100, daar nu in het geval in questie zo als U E: E: Achtb: in het vervolg nader zullen zien, zich niets opdoet. „ 101. waar door de praesumptie van een quaad voornemen kan worden geëlideerd. „ 102 is het klaar dat deselve tegen den Ged. en Ged„ moet blyven opereeren. „ 103 Ende gevr: en ged: gehouden worden wesent„ lijk gedelengueerd te hebben „104 voor al wanneer men daar bij voegt de volgende zamen loopende circumstantien „ 105: af dat de gevisen ged: van de ophouding der vijf slaaven in questele aan niemand eeni„ ge kennis heeft gegeven „106 Ja zelfs zijn voorneemen heeft versweegen aan die geenen. Art 92: maar uE: Achtb: kunnen het geen noopens de prosumptie dali ex actio illiciti gesegt is ook opmaaken, 93: uit het geen Matthous de Crim ad, Lib: 27 fo. tit 4: C: 1. n:o 10. zegt „ 94 guddies reus factum /: scil: per se illicitumr:/ con=/ fitetur „ 95: Jure autem factum conten dit „ 96: Id:ipsum, Jure factum probare debet „ 97: Tenklaaren blijk dat het verseeren in een onwettige daad, alleen en op zich zelve een ge„ noegsaamen grond uitleverd „ 98: om te presumeeren dat de Daader een quaad voorneemen gehad, enarglistig gehandeld hebbe „ 99: Welke prosumptie kaare kracht blijft behouden tot dat aan den Rechter van het tegendeel blijke

NL-HaNA_1.04.02_4354_0099 view scan ↗

English

107 who were lodging with him under the same roof 188: as can be seen from the declaration of the two soldiers of Wurtemberg, who had been rented out to the prisoner and defendant, annexed hereto under L: H: 109 from which concealment an evil intention is likewise presumed. 110, See: Mascardus de probat: Concl: 531: n:o 37. 111, as well as from the omission of the defendant to give immediate notice to the Owner or at least to the Officer. 112 for fraud is presumed against him who does not do what he ought or is obligated to do. Mascardus ibid. no 24 113 and this presumption works in this case all the more against the prisoner and defendant 114 because he could naturally understand. 115 that the slaves detained by him had to belong to one of the French ships. 116 and that he, the prisoner and defendant, thus in view of the uncertain departure of those ships, even with the best intention in effect robbed the Owner of his property. 117 especially since he, the prisoner and defendant, when the slaves were fetched had not yet determined for himself when he wished to transport them to the Cape 118: but had made this intention (of which the contrary nevertheless appears from the circumstances) dependent upon the capture of other slaves being in the Mountain 119, truly a good excuse to be able to house all runaway slaves. 120 6/ That the prisoner and defendant provided the slaves so carefully not only with food, but also with covering. 121. See the report of the Court Messenger, under Litt. C: and the deposition of September and Mariana, annexed to this Claim under L: 9. 122: together with the answers of the prisoner and defendant to Art 21 of his second interrogation 123 likewise furnishes proof that the prisoner and defendant had no good intentions. 124 for how could it have entered the mind of the prisoner and defendant, 125. in the uncertain prospect of the profits that he was to have enjoyed for turning in the slaves, 126: to incur more expenses than those profits could amount to, 127 surely if one assumes for a moment that the prisoner and defendant had obtained another five in addition to the five Mozambique slaves. 128: then he would have enjoyed 30 rixdollars for all his trouble 129 A sum that he could very easily have spent through a longer stay of the slaves. Art: 130: and of which at least the surplus would in no way be proportional to the trouble and Dangers, 131: which he, the prisoner and defendant, would have had to undergo and endure during the stay of the slaves at his place. 132: Furthermore, may it please Your Honors to take into consideration, 133 that the prisoner and defendant must have promised himself a particularly great advantage from the detention of the slaves, 134: for how is it possible to think that the prisoner and defendant, solely for the small sum of capture money, 135: of which only 15 rixdollars could be certain, and all the rest was very uncertain. 136: would have exposed his Place to a damage, 137. the certainty of which by far exceeded the expectation of him, the prisoner and defendant, 138. of being able to lure some other slaves in addition to the five, 139. to be convinced of the danger to which the prisoner and defendant exposed his Place 140, Your Honors need only examine the report of the Court Messenger, annexed hereto under L: C: 151. Finally, and herewith we shall consider the third point concluded 152: finally, the Prosecutor ex officio must further add here 153, that the sending of the five Mozambique slaves to the woods gives rise to the presumption. 134: that the prisoner and defendant has these same slaves. Art: 141, entailing that he, the Court Messenger, found a pit in the resting place of the five detained slaves. 142: in which NB: there was ashes and fire 143: can anything more dangerous be conceived for the trees lying around the Place of the prisoner and defendant, 144: than the stoking of fire in the midst of it by inexperienced creatures, 145 who, not seeing the danger, are consequently also not cautious enough to avoid it, 146, so that from this circumstance also, 147: however one may color it, 148: one is obliged to conclude to the detriment of the prisoner and defendant, 149 that by the detention of the slaves he aimed for a greater advantage than the capture money 150. And thus had an intention other than that which he wishes to make believe motivated him.

Dutch transcription

„ 107 die met hem onder het selfde dak huysvesten „ 188: zo als te zien is uit de verklaaring der twee soldaaten van Wurtemberg, die bij den gev: en ged=e zijn verhuurd geweest, hier nee„ vens sub: L: H: gevoegt. „ 109 uit welke reticentie almede een quaad voor nemen word gepraesumeerd. „ 110, Vid: Mascardus de probat: Conel: 531: n:o 37. „„111, zo wel als uit de omissie van den ged:e onver„ af aan den Eigenaar of ten minsten aan den Offi„ cier kennis van te geven. „ 112 dolus enim praesumitur contra cumqui non fa„ cit quod facere debet vel obligatus est. Mascardus ib idem no 24 „113 en werkt deese praesumtie in Cas subject te meer tegens den gevr: en ged=e „ 114 om dat hij natuurlijk kon begrijpen. „ 115 dat de door hem opgehouden wordende slaven op een der fransche scheepen moeste huijs hooren. „ 116 en dat hij gev. en ged,„e dus aangesien het onzee„ ker vertrek dier scheepen, zelfs met de beste in„ tentie in effect den Eigenaar van het zyne lee„ roofde. „ 117 vooral, daar hij gevz: en ged:e toen de slaven zijn afgehaald bij zich zelven noch niet be„ paald had, wanneer hij ze kaabwaards wilde transporteeren 118: maar dit voornemen (: waar van evenwel het te gendeel uit de omstandig heden blykt, :/ af„ hangelijk had gemaakt van de gevangen nee¬ ming van anderen in den Berg zijnde slaaven„ AA: 119, waarlijk een goed excus, om alle drossende slaven te kunnen logeeren. 120„ 6/ Dat de gev: en ged: de slaaven zo zorgvul„ dig, niet alleen van voedeel, maar ook van dek„ zel heeft voorzien. „ 121. , Vid. het relaas van den Gerechts Bode, sub„ La C: en de depositie van September en Ma„ riana, deesen Eisch, sub L: 9 geannexeerd. „ 122: mitsg=s des gevr: en ged: responsiven: ad: Art 21 van zijn tweede verhoor „ 123 levert insgelijks een blijk uit dat de gevr: en ged, niets goeds in zin heeft gehad. „ 124 want hoe zou het aan den gev: en ged: in de hersenen hebben kunnen opkomen. „ 125. om in het onseker vooruitzicht, van de voor„ deelen die hij voor het opbrengen, der slaven zou hebben moeten genieten „ 126: meer kosten te doen als die voordeelen kon„ den beloopen, „ 127„ immers wanneer men eens voor ondersteld dat de gev: en ged: bij de vijf Mosambiese slaven nog vijf anderen had gekreegen. „128: dan zoude voor alle zijne moeijte genooten heb„ ben 30 rijksd=s „ 129 Eene somma die hij door een langer op„ gen onthoud onthoud der slaven zeer gemakkelijk zou hebben kunnen depenseeren. ArtC: 130: en waar van ten minsten het superflu, geen„ zints g'eevenredigt zou zijn aan de moeijte en Gevaaren, „ 131: die hij Gev: en ged: geduurende het verblijf der slaven tot zijnent zou hebben moeten doen en ondergaan. „ 132: C:s Voorts gelieven UE: E: Achtb: in aanmerking, te neemen, „ 133 dat de gev: en ged: zich een bijsonder groot voor„ deel heeft moeten belooven, uit de ophouding der slaaven, „ 134: want hoe is het mogelijk te denken, dat de Gev: en ged: alleen om de geringe somma vang„ gelds, „ 135: waar van slegts 15 Rijksd:s zeker konde zijn, en al het overige zeer onzeeker was. „ 136: zijn P laats 20a hebben bloit gesteld aan eene schaade, „ 137. waar van de zekerheid in seer verre overtrof de verwachting van hem gev. en ged, „138. om bij de vijf noch eenige andere slaaven te kunnen lokken, „ 139. om overtuijgd te worden van het gevaar, waar aan de gev en ged: zijn Plaats heeft geexponeerd „ 140, behoeven UE: E: Achtb: slegts intezien het re„ laas van den Gerechts Bode, hier nevens gevoegt sub: L: C: „ 151. d' Eindelijk, en hier mede zullen wij het derde poinct voor afgehandeld houden „ 152: eindelijk moet de R: O: Eisscher hier noch bijvoegen „ 153, dat het zenden der vijf Mosambicquesche slaaven naa de bosschen, de prosunitie doed gebooren worden. „ 134: dat de gev: en ged: deselve slaaven heeft. Art: 141, mede brengende, dat hij Ger: Bode, in de Le„ gersteede, der vijf opgehoudene slaven, een Put heeft gevonden. „ 142: waar in NB: Assche en vuur was „ 143: kan er nu voor het om de Plaats van den gev: en ged: leggende geboomte iets gevaarlijker worden uitgedagt. „ 144: als het stooken van vuur midden in het„ zelve, door baarse Creatuuren. „ 145 die het gevaar niet insiende ook gevolglijk niet voorsichtig genoeg zijn, om hetselve te vermijden „ 146, zo dat men ook uit deese omstandigheid „ 147: hoe men deselve ook coloreere. „148: ten nadeele van den gev: en ged: verpligt is te besluyten. „149 dat hij door de ophouding der slaaven een grooter voordeel, als het vanggeld, heeft ge„ gebuteerd „ 150. En dus eene andere intentie heeft gehad als hij wil doen gelooven, dat hem besteld heeft. willen

NL-HaNA_1.04.02_4354_0101 view scan ↗

English

to wish to hide, in order thereby to withhold them from their lawful master. Art: 155. For if the prisoner and defendant had only had the intention to entice other slaves, 156: why would he have had no need to remove the five slaves in question so carefully from his estate, 157: and not even to allow that they themselves came to fetch their food? 158: For what would have prevented the prisoner and defendant in his alleged purpose, 159 if they personally, at least one or some of them, had come to the house at certain times, 160: to receive that which they needed? 161: And is it not improbable that the prisoner and defendant, 162: who is very poorly provided with slaves, 163 would have used his own female slave to carry over foodstuffs, 164 in order thereby to spare five healthy Mozambican slaves the trouble of a walk of two hundred paces, 165. if he had not wished to hide the five Mozambican slaves, 175 until one should have convinced him of the contrary, 176. quod quam fuisset difficile neminem fugit, 174. and thus the simple word of the defendant would have had to apply? Art: 166: Behold, Noble and Respected Sirs, a series of concurring circumstances, 167, which taken together and carefully weighed, will leave no doubt with the Judge 168: whether the prisoner and defendant was truly animated with an evil intention, 169 which can have consisted of nothing other than to enrich himself with those slaves, 170: by hiding the same until the departure of their master, 171: and afterwards to deal with them as if he had truly bought and paid for them, 172: which he also could conveniently have done, 173: because, as is known to Your Honors, in the sale of such slaves, deeds of transfer are seldom or never executed. Art 166. AA. 177 Art: 177 That meanwhile concurring presumptions, when they are conjoined, can convince the Judge, appears from this: 178: that in order to prove a fact, one can obtain a full proof from presumptions and indications. 179. For as Gayot de Pitaval, laus: lel: tem: 2 p: mihi 370, says from Hippolytus de Marsiliis: 180 Lorsqu'il s'agit d'un crime secret, 181. tel qu'est le larcin, 182, la conviction se fait par des conjectures, 183 et ces conjectures ne laissent pas de former une preuve evidente. 184 Ad: Farinacius, tit 1: qu: 50: n 38. 185. If it is now true that for proof of the fact, even conjectures and guesses provide a clear proof, 186. how much more will they not furnish sufficient proofs, 187: when, as in the present case, the fact being proven, it must only be investigated whether it was committed with an evil intention? 188 Especially since nothing is so hidden as the evil intentions of men, 189 and the only pretext of a proven crime is often drawn by the delinquents from their, as they say, good intention. Art: 190: Because they consider nothing more difficult to prove than that which they are assured to have entrusted to no one. 191 Now the duty of the Prosecutor by Official Duty calls him to the investigation 192: whether there are also circumstances militating in favor of the innocence of the prisoner and defendant. 193. Wherein the treatment of the fourth point shall consist. 194: Desirable it would be for the prisoner and defendant, 195 and it would be most agreeable to the Prosecutor by Official Duty, 196 that he might find in the investigation of this fourth question such a spacious field to tread upon 197 as in the determination of the previous point; 198, and that he could bring forward with so little trouble a series of concurring matters to the advantage of the prisoner and defendant, 199. as he has been compelled by virtue of his office to develop to his disadvantage. 200. In order nevertheless to fulfill the undertaken task, 201 the Prosecutor by Official Duty will, as faithfully as is in any way feasible for him, 202: present those circumstances to Your Noble and Respected Honors 203: which appear to militate for the innocence of the said defendant. Art: 1790 are

Dutch transcription

willen verbergen, om ze daar door aan hunne wettigen Leijfheer te onthouden. Art: 155. want zo de Ger: en ged: alleen een voorneemen heeft gehad om andere slaven te lokken. „ 156: wat had hij niet nodig gehad. de vijf slaven in questie zo zorgvuldig van zijn Plaats te verwij„ deren. „157: en niet eens te gedoogen, dat zezelve hun voedzal kwamen afhaalen. „ 158: Wat toch zoude den gev: en ged: in zyn voor„ gewend oogmerk belet hebben. „ 159 Indien deselve Persoonlijk ten minsten een of eenige derselven op zekere tijden, bij het Huijs waren gekomen, „ 160: om het geen zij nodig hadden te ontvangen. „161: en is het niet onwaarschijnlijk, dat de Gev: en ged: „ 16.2: die zeer armoedig van slaven voorsien is „ 163 zijne eigen slavinne zoude gebruikt hebben tot het overvoeren van eetwaaren. „164 om daar door de moeijte van twee hon„ derd schreeden gaans, aan vijf Mosambigsche gesonde slaven te bespaaren. „ 165. Indien hij de vijf Mosambicqsche slaaven niet hadde willen E verbergen. „175 tot dat men hem van het tegendeel zou hebben overtuygd. „ 176. quod quam fuisset difficile neminem fugit „ 174. en dus het simpel zeggen van den ged: zou hebben moeten gelden. Art: 166: zie daar Ed: en Achtb: Heeren, een reeks van zamen loopende omstandigheden. „ 167, welke te zamen genoomen en naauwkeurig overwoogen, bij den Rechter geen twijffel zal„ len overlaaten. „ 168: of de gevangen en ged: is waarlijk met een quaad voorneemen besield geweest 169 die nergens anders in kan bestaan hebben als om zich met die slaaven te verrijken „ 170: door deselve tot het vertrek van hun Lijfheer te verbergen. „171: en naderhand er mede te handelen, als of hij ze waarlijk gekogt en betaald had, „ 172: het geen hij ook ook gevoeglijk zou hebben kunnen doen. „ 173: om dat, gelijk aan UEE: Achtb: bekend is bij het verkoop van diergelijke slaven, zel„ den of nooijt Transporten worden gepas„ seerd. Art 166. AA. 177 Art: 177 dat ondertusschen zamen loopen de praesumtien wanneer deselve geconjungeerd worden, den Rechter kunnen overtuijgen, blijkt, daar uit „ 178: dat men om een feit te bewijsen, uit praesump„ tien en indicien een volleedig bewij kan haalen „179. want gelijk Gaijot de Pitaval laus: lel: tem: 2 p: mihi 370 uit Hijppotijtus de Marsilus zegt „180 Lorsquil s'agit d'un crime secret, „181. tel quest le larcin „182, la conviction se fait par des conjectures, „183 et ces conjectures ne lais sent pas de former une preuve evidente „ 184 Ad: Farinacius, tit 1: gu: 50: n 38„ „185, is het nu waar dat tot bewijs van het feit, zelfs conjecturen en gissingen een klaar bewijs op leeveren. „ 186. hoe veel te meer zullen deselven niet ben genoegsame bewijsen verstrekken. „ 187: wanneer gelijk in Cas subject, het feit bewesen zijnde alleen ondersocht moet worden, of het„ zelve met een quaad voorneemen is bedreven „ 188 Voor al daar niets, zo verborgen is, als de boose voornemens der menschen. „ 189 en het eenigste pratest van een bewee„ sen misdaad, door de delinquenten, dik„ wijls gehaald word, uit hunne, zo zij zeggen goede intentie Ar:t 190: Om dat zij niets ongemakkelijker te bewysen achten als het geen zij verzekerd zijn aan niemand te hebben toebetrouwd „ 191 Nie roept des R: O: Eisschers pligt hem tot het ondersoek „ 192: of er ook omstandigheden voor des gev. n en ged„e innocentie militeeren. „ 193. waarin de behandeling van het vierde poinct zal bestaan. „ 194: Wenschelijk waare het voor den gevs en ged:e „ 195 Een, zou 't de R. O: Eisscher ten hoogs tans aangenaam „ 196 dat hij in het ondersoek van deese vierde vraage zulk een zuim weld te bewandelen mogte vinden „ 147 als in de bepaaling van 't voorig poinct; „ 198, en dat hij met zo weinig moeste een reeks van concurren te zaaken tot des gev: en ged: voordeel kon te berde brengen. „ 199. als hij amptshalven genoodzaakt is geweest tot des„ zelfs nadeel te developeeren. „ zoo, als hij amptehalven genoodsaakt ie geweeste het desselfs „zoo om evenwel den ondernoomen Taak te vol„ voeren „201 zal den r: O: hisscher zo getrouw als hem maar eenigsints doenlijk is „ 202: die omstandigheden aan uwel Ed: achtb: voor te draagen. „ 203: Welke voor des geenen ged: onschuld schijnen te militeeren Art: 1790 zijn -

NL-HaNA_1.04.02_4354_0103 view scan ↗

English

Article 204. Two matters appear in the trial which were alleged by the prisoner and defendant to establish his innocence: Article 205. 1. The prisoner and defendant says that he had no intention of enriching himself, Article 206. because he did not send the slaves to the woods to hide them, Article 207. but to lure out other slaves whom he—NB: from the five slaves in question—had heard were in the mountain, Article 208. and subsequently to have them all brought together toward the Cape. Article 209. He says he was prompted to detain the five aforementioned slaves and to lure others still in the mountain Article 210. because he was afraid that the still absent slaves would set fire to his farm. Article 211. But since, as we have seen before from Article 131 to 145, it is beyond all probability Article 212. that the prisoner and defendant would have exposed himself to the danger of seeing his entire possession burned for the benefits of the capture money, Article 213. and since it is not credible that someone would expose himself to the rigor of the laws in order to earn, for example, 50 rixdollars, Article 214. thus the first pretext of the prisoner and defendant can operate nothing in his favor. Article 215. And this so much the less because in all the circumstances nothing is to be found Article 216. from which one could infer the alleged good intention of the prisoner and defendant. Article 217. And as for the other excuse of the prisoner and defendant, Article 218. the Officer of Justice leaves it to the enlightened and impartial judgment of Your Honorable Worships Article 219. whether it can ever occur to a reasonable creature Article 220. deliberately to undergo an almost certain danger— Article 221. as was demonstrated from Article 139 to 142— Article 222. in order to avoid a very uncertain danger. Article 223. But Honorable and Worshipful Sirs, besides the improbability of the excuses adduced by the prisoner and defendant, Article 224. they also lack truth. Article 225. For, not to mention that the prisoner and defendant has not alleged a single circumstance Article 226. on which his claim could be grounded, Article 227. it has moreover been proven quite clearly Article 228. that the prisoner and defendant could not have learned from the five Mozambique slaves Article 229. that there were more slaves in the mountain, Article 230. because the female slave Mariana, Article 231. whom the prisoner and defendant says he used as an interpreter, Article 232. could not speak with those detained slaves, Article 233. since they spoke a completely different language from hers, Article 234. as she declared upon the re-reading of the declaration annexed hereto under Letter G, Article 235. and this in the presence of the prisoner and defendant, Article 236. without him having been able to say anything against it. Article 237. And this circumstance is also corroborated by the fact Article 238. that in order to speak with the five aforementioned slaves, one could not use the usual interpreters from the Honorable Company's slave lodge. Article 239. The circumstances, therefore, with which the prisoner and defendant has attempted to exculpate himself are by no means of such value Article 240. as to be able to weaken and overthrow the aggravating circumstances proposed in the treatment of the third point, Article 241. with the consequences lawfully deduced therefrom, Article 242. Article 243. much less to cause any alteration in the conclusion Article 244. that the prisoner and defendant can have had no other intention than to enrich himself. Article 245. For this must necessarily follow Article 246. when, as has been shown, the excuses alleged by the prisoner and defendant can effect nothing, Article 247. and there are no grounds available to infer any other intention. Article 248. The prisoner and defendant must even have felt this himself Article 249. when in his second interrogation, ad Article 13, he says that it had to be attributed to his ignorance Article 250. that he gave no notice of the detention of the slaves, Article 251. and ad the ultimate article of the same interrogation, Article 252. that he knows nothing to adduce for his excuse. Article 253. Herewith the Officer of Justice finds himself obliged, Article 254. however much he would otherwise be inclined to expatiate upon the innocence of the prisoner and defendant, Article 255. because he regards it as a pernicious maxim Article 256. to search for crimes where there truly are none, Article 257. to consider the fourth point as concluded, Article 258. and to proceed to the fifth and last, Article 259. in order to test the case in question against the laws, Article 260. so as to determine therefrom a condign punishment for the prisoner and defendant.

Dutch transcription

Art: 204, Twee zaaken koomen in het proces voor welke door den gev: en ged: tot zijn onschuld zijn geallegneerd 0 „205 1. o zegt degev en gee. dat hij geene intentie heeft gehad om zich te verrijken „ 286 want dat hij de slaaven niet na de bosschen heeft gesonden om de te verbergen „ 207. maar om andere slaaven die hij NB: van de vijf slaaven in quaestie gehoord had in den Berg te zijn er bij te lokken. „ 208: en devervolgens alle te zaamen kaabwaards te doen brengen. „zog zegt hij tot het ophouden der vijf gem: slaaven en het lokken van anderen nog in den Berg zijnde aangespoord te weesen. „ 210: om dat hij bevreesd was, dat de nog absente slaaven zijn Plaats aan Brand zoude steeken „ 211 dan daar het gelijk wij te vooren, van Art: 131 tot 145. gesien hebben, buyten alle waarschijnlykheid is „ 212 dat de gev: en ged: om de voordeelen van het vanggeld zich aan het gevaar van zijn geheel be„ sit te zien verbranden zou hebben geexponeerd. „213 en daar het niet gelooflijk is dat iemand om bij voordeeld 50 rd. s te verdienen zich aan de ri„ geur der Wetten zal blootstellen. „24 zo kan het eerste voorwendsel van de Gev en ged: niets ten zijnen voordeele opereeren. „215 En zuck te minder om dat in alle omstan„ digheden, niets te vinden is. Art: 216. waar uit men, de voorgewvende goede intentie van de gevr: en ged: zou kunnen opmaaken. „ 217. En wat het ander excuus van de gevi en ged: betieft „ 218: laat de r: O: hisscher aan het verligt en onzijdig oordeel van UE: E Achtb: over„ „ 219 of het ooijt in een redelijk schepzel kan op komen „ 220 om voorbedaektelyk een by na zeker gevaar„ „ 221: zo als van Art: 139 tot 142. is aangetoond „ 222 te ondergaan, om een zeer onzeker gevaar te ont„ wijken „ 223 maar Ed. en Achtb: Heeren, behalven de onwaar„ schynlykheid van de door den geer, en ged: bij gebrachte excuusen. „ 224: zo laboreeren deselve ook aan waarheid „ 225 Want om nu niet eens te zeggen, dat de ger: en ged: geene enkelde omstandigheid heeft geallegueerd „ 226: waar op zijn voorgeeven zou kunnen gegrond worden. „ 227 zo is daar en boven vrij klaar beeweezen „ 228 dat de gev. en ged. van de vijf Mosambie quer Hare niet heeft kunnen verneemen. „ 229 Aater meer slaven in den Berg waren „ 230 om dat de slaven Mariana „ 231 welke de gev. e ged, zegt als Tolkgebruikt te hebben „ 232: Met die opgehouden slaven, niet heeft kunnen spreken dig Art: 233: vermits deselve en geheel verschillende taal van de haare spraaken. „ 234: zo als zij bij het reculleeren, van de hier nevens sub: L. G gevoegde verklaaring heeft gedeclareert „ 235: en zulx in het byweesen van den gev: en ged: „ 236: zonder dat deese er iets degen heeft weeten te zeggen „ 237 En word deese omstandighed hier door ook ge„ corrobereerd. „ 238. stat men om met de vijf voorm: slaven te kun„ nen spreeken, de feende gewoone Tolken uit s' EComp. s slaven Logi niet heeft kunnen gebrui ken, 239 de omstandigheden derhalven waar mede de ger. en ged. zich heeft trachten te disculperen zijn geensints van die valeur „ 240: om de veiswaarende omstandigheden, in de be„ handeling van het deede poinct. geproponeerd „ 24. met de daar uit wettig geproftueerde concequentien „ 242: te kunnen enerveeren en om verwerpen „243 veel min om eenige alteratie te veroorzaaken in het besluit. „ 244: dat de gev: en ged. geen andere Intentie kan hebben gehad, dan om zich te verrijken „ 245 want dit moet noodzaakelijk volgen. „ 246: wanneer, zo als getoord is de door den geer en ged: geallegueerde verontschuldigingen niets kunnen opereeren. "255 om, dat hij als een persuesieuse maxime be schout. 256, dat men mis daaden zoekt daar de re„ vera niet zijn 257 Het vreide poinct voor afgehandeld te houden, „ 258: en over te stappen tot het vijfde of laatste; 259 ten einde het gevel in quaestie aan de Wetten te toetsen „ 260, omme daar uit een condigne straffe voor den gev: en ged. te bepaalen 250. dat hij van de ophouding der slaven geen kennis heeft gegeeven „ 251 en ad artiult: van het zelfde verhoor, „ 252. dat hij niets tot verschooning weet bij te brenge „ 253: Hier mede vind zich de R. O: verplicht, „: 254: hoe zeer hij andersonts geneegen zoude zijn om over de onschuld van de gev. en ged: uit te werden. Art 247 en er geene gronden voor handen zijn, om eenige andere intentie op te maaken 248. ook zal de gev. en ged. zulx zelfs wel gevoeld hebben „ 249 als hij in zijn tweede verhoor ad. Art: 13 zegt dat men aan zijn onnoselheid moest attri„ bueeren. A24: 247 „

NL-HaNA_1.04.02_4354_0105 view scan ↗

English

Art: 261: First is the question of what crime the prisoner and defendant has committed 262: when one reads the enumeration of crimes presented to us in the Corpus Juris 263 then one finds among the private crimes 264: that the prisoner and defendant is guilty of theft L: 1 ff. de Furtis 265 and among the public crimes one finds the Lex Fabia de plagiariis 266: under the terms of which the prisoner and defendant falls 267: because according to that law all those were punished, 268: Who had committed the theft of a free person or slave 269 there thus appearing to be some distinction between theft and plagium 270: regarding which Your Noble Honorable Worships can consult Professor Voet ad titulum Pandectarum ad Legem Fabiam de plagiariis 271: which distinction, however, as resting solely on the subtleties of the Roman jurists, 272 is nowadays of no effect as far as the case in question is concerned 273 but the crimen plagii 274 or the suppression or concealment of a person 275 is categorized under the graver and qualified thefts 276: as may be seen in Matthaeus de Criminibus Lib: XLVIII tit: 1 Cap: 3 N: 13 and Art 277 since it has therefore been proven that the prisoner and defendant 278: essentially kept the five Mozambican slaves hidden on his plantation dolo malo 279 and would have deprived their master of them, had the Officer Plaintiff not discovered the matter 280: it speaks, subject to correction, for itself 281: that the prisoner and defendant has made himself guilty of man-stealing 282: therefore committing the crimen plagii 283. and consequently must be punished as a qualified thief 284: And with this doctrine the statutory laws also fully agree 285. In respect of the harboring and concealing of fugitive and other slaves. 286: for in the placard of the 3 Sept: 1751 it is expressly stated 287. that the fraudulent harborers and concealers of foreign slaves shall be considered and punished as Thieves 288: the final question to be determined will have to consist of an inquiry 289 into what punishment ought to be inflicted upon the prisoner and defendant, considered as such Art: 290: the punishments of plagiarii, as well as of other qualified thieves, were varied among the Romans 291 and the same were greatly exasperated in later times 292: in proportion as the stealing or concealing of people or slaves was practiced more frequently 293 so much so that qualified thefts, to which plagium also belongs, were even punished with death 294 with which latter law the Mosaic Laws fully square 295 or the Jus divinum positivum 296: see Exod: Cap: 21 verse 16. and Deut: C: 24 Verse 7 297 in the first passage of which from the Holy Scriptures this notable law is delivered from the mouth of God, 298: furthermore whoever steals a person, whether he has sold him, or that he be found in his hand, that person shall surely be put to death 299 and our modern laws and customs seem to follow this wholesome guideline 300 when they deem that the graver and qualified thefts must be punished with death. 301 as such can be verified in Professor Voet 308 be punished in life and limb 309 in life and limb, that is with death. 310: wherever one turns, one finds the death penalty enacted for qualified theft. 311. Whether such is well or ill and consistent with the philosophical principles of society 312: in which the change of times ought also to be taken into consideration 313 it pleases the Officer Plaintiff not to examine now 314: so as not to needlessly expand this writing with impertinent, however otherwise agreeable and instructive, digressions 315 the Officer Plaintiff will therefore leave that inquiry aside and have the honor of proposing to Your Noble Honorable Worships 316: What punishment he deems the prisoner and defendant has incurred Art: 302: in Carpzovius Practica Rerum Criminalium page 2 303 in Matthaeus de Criminibus Lib: XLVIII tit: 1 Cap: 3 paulo post initium and others, 304: to which is added the general placard of the 11 Octob: 1740: folio 449. 305. stating that whoever harbors a fugitive or runaway, whether a free person or slave, 306. or provides them with board or otherwise 307 shall as a harborer and receiver of runaways.

Dutch transcription

Art: 261: Vooraf is de vraage welke misdaad de gev„e en ged: heeft bedreeven „ 262: wanneer men de optelling der misdaaden ons in het Corpuis Juris voorgesteld naleesen „ 263 dan vind men onder de privaate misdaaden „ 264: dat de gev: en Ged: schuldig is aan diefte L: 1 fer de Jn getivrs „ 265 en onder de publicque mis daaden vind men de Ler Fabia deplagiarcis „ 266: in welke termen de gev: en ged. is vervallen „ 267: om dat volgens die wet gestraft wierden alle die geenen, „ 268: Welke diefte van een vrij Mensch of slaaf ge„ comitteerd hadden „ 269 schynende er dus eenige onderscheid, tusschen diefte en plagium te zijn „ 270: waar over uwel Ede: achtb: kunnen naleesen 8. prof:' voet: ad. sik: pv: ad: 2: fab: deplagiarius „ 271: welke onderscheid nochtans als eeniglijk steunende op spitsvinnigheden der romeinsche rechtsgeleenden „ 272„ heden daags voor de verre het geval in questie aan gaat van geen effect is „ 273 maar word het crimen plagii „ 27½ of de supressie of verberging van eensmensch = 275 geteekend onder de zwaardere en gequalificeerde dieferijen 276: zo als te dien is bij Matti de cren L: U: tis t Cap 3 N . 13 en Art 277 daar derhalven beweesen is dat den gev: en ged: de vijf Morsambicqse slaven „ 278: wesentlijk dolo malo op zijn Plaats heeft ver borgen gehouden 279 en deselven, zo de R.O: Eisscher de zaak niet ontdekt had aan hunne Lyfheerzou hebben onttrokken „ 280: zo opreekt het onder Correctie van zelven „ 281: dat de gev: en ged: zich aanmenshen diefte heeft schuldig gemaakt „ 282: derhalven het crimenplagie gecomm: „ 283. en dien volgens als een gequalificeerde dief moet werden gestraft „ 284: En met deese leere stemmen ook volkoomen overeen de statutaire Wetten „ 285. Ten opdechten van de ophouding en verberging van fugit en andere slaven. „ 286: want in het placcaat van den 3 sept: 1751 word uitdrukkelyk gesegt. 287. dat de doleuse ophouders en verbergens van vreemde slaaven als Dieren geconsidereerd en gestraft zullen worden „ 288: de laatste te bepaalen questie zal moeten bestaan in een ondersoek „289 welke straffe aan de gev en ged. als zodaanig geconsidereerd behoord g'enfligeerd te worden - Art: 290: de straffen der Blagiarissz, zo wel als der andere gequalificeerde dieven was by de Rom eenen verschillende „ 291 en is deselve in de laatste tijden zeer ge exaspereerd 292: naar maate dat het steelen of verbergen van menschen of slaven meenig vuldigen wierdlee, dreeven 293 zo daanig dat de gequalificeerde dieverijen waar onder het plagium mede behoord zelfs met de dood is geshraft geworden 292 met welke laatste regt volkoomen qua„ dreeren der nosaische Wettens „ 295 of het Jus divineum possitivuim „ 296: zie Exod: Cap: 21 v=t 16. en Dent C: 24 V:o 7 „297 in't welke eerste plaatse uit de heilige bladere deese notabele wet uit de Mand goeds word overgesteld, „298: voorder so wie een mensch steeld, het zij dat hij dien verkogt heeft, of dat hij in zijn hand ge and vonden die zal zekerlijk gedood werden „ 299 en schynen onze heedendaagse Wetten en gewoontens rigtenver deese heilsaame rechtnoer te volgen 300 wanneer deselve de zwaardere en gequali„ ficeerde vermeenen met de dood te moeten worden gestraft. 301 zo als zulx kan worden nagesien bij prots voet „ 308 aan Lijf en leeven gestraft worden „ 309 aan Lijf en leeven, dat is met de dood. „ 310: waar men zich dus heenen wende, men vind overal de straffe des doods. op gequalifi„ ceerde diefferij en gestatueerd. „ 311. of zulx wel of qualijk en met de wijgeerige begin„ sels der Maatschappije „ 312: waar in de verandering van tijden leeden, ook in aspert behoord te koomen strookende is „ 313 Lus 't de R. o: Eisscher nu niet te ondersoeken „ 314: om niet door impertinente, hoe zeer ander„ zints aangenaame en Leersaame digressie dit schriftuur buyten noodzaake uit te breeden 325 de r. O. Eis V. zal derhalven dat ondersoek daar laaten aan UE E Achtb de eer hebben voort te draagen „ 316: Welke straffe hij vermeend dat de gev. en ged. heeft geincurreerd Art: 302: bij Carpz. p: Crein pag: 2 „ 303 bij Mattz: de Crein L: UI. tit 1 Cap 3 p:r post post „nitium en anderen, „ 304: waarbij komt het generaal placcaat van den 110ctob. 1740: a a 1: 449. „ 305. meldende die een fugatief of weglooper, het zij een vrij persoon of slaaf herbeigt „ 306. of van kost of andersints voorziet „ 307 zal als een ophouder en heelder van wegloo„ pers.

NL-HaNA_1.04.02_4354_0107 view scan ↗

English

Art 317. Upon reading the punishments stipulated by Roman, Jewish, and pagan laws and customs, Your Honorable Worships will perhaps understand, 318. that the Prosecutor in the Official Capacity considers the death penalty proportionate to the crime committed by the prisoner and defendant. 319. But, Honorable and Worshipful Gentlemen, far be it from the Prosecutor in the Official Capacity that, in tracing the punishments 320. established for qualified thefts, 321. we should not at the same time scrupulously examine 322. whether in the case of the prisoner and defendant something may not be found 323. to save him from those extreme punishments, 324. without, however, letting the crime committed by him go unpunished; 325. and it has appeared to the Prosecutor in the Official Capacity, 326. that the crime of the prisoner and defendant, 327. although it is truly consummated, 328. has nevertheless not brought him the intended benefits, 329. since the five slaves in question have been returned to the owner, 330. without the prisoner and defendant having enjoyed the least profit from it, Art. 331. or the owner having suffered any considerable damage; 332. a circumstance that in abstracto seems of very little importance, 333. but which nonetheless, when it concerns the life of a human being, has been accepted by legal authorities, 334. and is considered of such weight, 335. that it can commute the death penalty into a lesser one. 336. Carpzovius, Practica Criminalis, part 2, question 80, number 9, establishes regarding this the following rule: 337. Quotiescunque res furto ablata absque damno dato et lucro percepto ad dominum redit, 338. fur laqueo non suspendendus, 339. sed virgis caesus in perpetuum est relegendus; 340. that is: 341. As often as the stolen property returns to the owner without damage caused and without profit enjoyed, 342. the thief must not be hanged, 343. but whipped and banished forever; 344. which translation is to be found in the Dutch translation of Carpzovius' treatise on Capital Crimes, page 681. 345. The Prosecutor in the Official Capacity has judged it his duty to also add this circumstance here, 346. and is also of the opinion, on the grounds thereof, subject to correction, that the death penalty can by no means be inflicted on the prisoner and defendant in this case. 347. And with this, the Prosecutor in the Official Capacity shall conclude this claim, 348. in the entirely reasonable expectation, 349. that Your Honorable Worships in your wisdom, 350. will arbitrate as you deem most consistent with the public good, 351. and furthermore will supply officio judicis all that which you, as conscientious judges, 352. shall judge may contribute to the favor and defense of the prisoner and defendant. Wherefore the Prosecutor in the Official Capacity, making his demand, concluded that the prisoner and defendant, by definitive sentence of Your Honorable Worships, shall be condemned to be taken to the place where criminal sentences are customarily executed here, and being delivered there to the executioner, to be severely whipped on his bare back; that the prisoner and defendant shall furthermore be confined for the period of ten consecutive years to Robben Island, to work there without wages on the public works, chained in irons, and thereafter banished from this Colony forever, with condemnation in the costs and expenses of justice, or to such other punishment as Your Honorable Worships in good justice shall judge proper. Was signed: I. N. S. V. Lijnden. In the margin: Exhibited in Court on 24 April 1790.

Dutch transcription

Art 317. op het leesen van de bij Jemeinsche, Joodse en heidensche wetten en gewoontens bepaalde straffen zullen UE. E. achtb: misschien in begrip vallen. „ 318: dat de r. O. Eisscher de doodstraf geevenredigd oordeeld aan de door den Gev: en ged: gepleegde misdaad. 319 dem Ed. en Achtb: Heeren verre zij het van de r: O: Eisscher dat wij in het raspooren der straffen „ 320. op gequalificeerde dieveryen gestatueerd „ 321: niet te gelijk religieus zou ondersoeken „ 322 of in in des gev: en ged: geval niet iets te vinden is „ 323. om denselven aan die uitterste straffen te ontrekken „ 324 zonder evenwel de door hem begaane mis„ daad strafloos te passeeren „ 325 en is aan de r. O. Eisscher voorgekoomen „326, dat de mis daad van de gev: en gel: 327 ofschoon deselve waarlijk geconsom meerd is „ 328: evenwel aan hem niet heeft toegebracht de gebuteerde voordeelen „ 329 aangesien de vyf slaaven in quastie aan de Eigenaar zijn gerestitueerd. „ 330 zonder dat hij gevr: en ged er het minste voordeel van heeft genooten Art. 331 of de Eigenaar eenige merkelijke schaade heeft geleeden 332: eene omstandigheid die in ales tracto van zeer weinig belang schijnt „ 333 maar die even wel wanneer eiquastie vald over het leeven van een wensch door de rechts dd: is aangenoomen „ 334: en van die kracht beschouwd word 335, dat deselve de dood straffe in eene mindere kan committeeren 336 Corpl: pr: Crim: part: 2: gu 80 n. o 9 steld hier omtrent deese regel „ 337 Quoties cunque res furto ablata absque demno dato et luero percepte ad dominum redit. „ 334 pur lagueo non suspendendus „ 339 sed virgis cosus in perpetium est relegan„ dus „ 340 dat is „ 345: 20 dikwels als het gestoolen goed, zonder toe„ gebrachte schaade en zonder genooten winsten tot den Eigenaar wederkeerd, „ 342: moet de dief niet gehangen „343 maar gegeeseld en voor eeuwig ge„ bannen worden - Ant: 344: welke verkaaling te vinden is in de nederd: overzetting van Carpr: verhandeling der Lijf= straffelijke misdaaden pag: mini 681. 345 de R0. risscher heeft het van zijnen pligt geoordeeld, ook deese omstandigheid hier te moeten bijvoegen. „ 346: en is ook op grond van deselve onder correctie van oordeel aan den gev. en gel: in deesen geensents de doodstraf kan worden geinfligeerd. 347 En hier mede zal de R. O. Eisscher deesen Eisch besluyten. „ 348. in de allesints billijke verwachting 349 dat u E: E: Achtb: naar derselver weisheid 350 als zij bono publicc meest overeenkom„ stig zullen arbitreeren „ 351 en voorts officio Judicis zullen sup- pleeren al het geen zij als gemoe¬ delyke rechters. „ 352 Voor des gev. en ged: onschuld en jare zullen oordeelen te kunnen mede„ werken Mits welke de R:O: Eisschen Eisch doende concludeerde dat de gev en ged: bij desi„ nitive Vonnisse van UWel Edee Achtb zal worden gecondem„ neert, omme gebracht te worden ter plaatse alwaar men hier gewoon is cremi„ neele sententien ter execu„ tie te brengen, en aldaar aan den scherprechter over geleeverd zynde, op den bloote rugge strengelijk gegeeseld te worden; dat hij get. en Ged. voorts, voor den tid van tien agter eenvolgende Jaaren zal worden geconfineerd ten Robben Eilande, om aldaar in de ketting geklonken zijnde, zonder loon aan de gemeene werken te ar¬ beiden, en daar na ten euui„ wige daage gebannen uit dese Colonie, met condemnatie in de kosten en misen van Ju„ stie ofte tot zodaanige andere straffe als UEE. Achtb: in goede Justitie zullen oordee„ len te behooren /:was geteek=:/ I: N: S: V: Lijnden, /:in margine:/ Ex, hibitum in Judicio den 24 April 1790 witere

NL-HaNA_1.04.02_4354_0109 view scan ↗

English

On 10 February 1790, I, the undersigned, pursuant to orders received to that effect from the Honorable and Worshipful Lord Independent Fiscal I. N. S. van Lynden, betook myself to the dwelling place and into the presence of the burgher Pieter Heintjes, in the presence of the undersheriff Hendrik Matthysen, and then heard that the said Matthyssen asked the aforesaid Heintjes whether five slave boys, who belonged to a Frenchman and had run away from their master, were not staying here with him, Heyntjes, to which the said Heyntjes replied: that I do not know, but the said undersheriff Matthyssen, pressing him sharply and finally saying with threatening words: if you do not know it, then I will know where they are sitting, the place has been pointed out to me, just have the slave woman who brings them their food called here, I will fetch those slaves out of there myself, whereupon the said Pieter Heijntjes declared that they were there, pointing to the farm, in the bushes, and declared that he had kept them there because he had understood from those slaves that still more slaves would come who had also run away, and when those had come, to send them Cape-wards all together, and thereupon gave direct orders to call the said slave who had brought them food, and whose name has slipped my mind, to show us the way to where the said slaves were staying; and after we had gone up a hill for an estimated fifty to sixty rods, the said slave led us through a road overgrown with shoots and bushes until we had walked about 70 to 80 paces into that wilderness, a slave boy was discovered by us, who was called by the frequently mentioned Matthyssen, and also came toward us, so that we, to the best of my recollection, having clambered 30 to 40 paces further through these bushes, and the said Matthijssen having also fallen to the ground, finally discovered a resting place that had been made by chopping down four to five standing small trees, wherein we found lying: three slave boys lying on woolen blankets, having with them a large copper teakettle, and found a pit made in the ground, in which there were some ashes and fire, and while we were inspecting their resting place, finally a fifth slave boy from the thickly overgrown wilderness came into our view, who had likewise been called by the aforesaid undersheriff, and from there they were sent together by him in the presence of the frequently mentioned Heijntjes to the farm, where the frequently mentioned undersheriff ordered him, Heijntjes, to have those slaves bound or pinioned and to send them Cape-wards, which also happened directly. Which I relate to have happened to me. Cape of Good Hope, date as above. Signed: Johannes de Wit, Second Court Messenger. Official Capacity. To the Honorable and Worshipful Lords President and Members of the Court of Justice of the Castle of Good Hope. Shows with due respect the Independent Fiscal of this Government, Johan Nicolaas Steven van Lynden. That he, the official petitioner, having been informed in February last that the burgher Pieter Heintjes was harboring on his dwelling place, situated near the Rondebosch, some Mozambican slaves who had come ashore from the French ship and had deserted, probably with the intention of keeping the same for himself after the departure of the aforesaid ship and making a profit thereby; that to discover this he sent to the place of him, Heintjes, the Second Court Messenger Johannes de Wit, assisted by the undersheriff Hendrik Matthijssen; that the court messenger, having arrived with the undersheriff at the place of the said Heintjes, and having interrogated him whether five Mozambican slaves who had run away from their master were staying with him, he, Heyntjes, first sought to deny this, but subsequently came to a confession and had the place pointed out where he had hidden the aforesaid slaves, and from where the same were also fetched by the undersheriff Matthyssen and subsequently transported Cape-wards, all as appears from the accompanying report of the 2nd Court Messenger; that the official petitioner, having considered all circumstances according to the findings of the said Messenger and Undersheriff, is of the opinion that the aforesaid P. Heijntjes has premeditatedly acted against the iterative placards issued on the subject of runaway slaves, and moreover has made himself guilty of the crime of man-stealing; that the official petitioner has therefore deemed that he must not remain silent, but on the contrary, to prevent irregularities, deems himself compelled in the aforesaid matter against Pieter

Dutch transcription

Op den 10 Februarij 1790 heb ik onderget: ingevolge daar toe van den E: Achtb: Heer Jndependent Fiscaal I: N: S: van zijnden bekoomen ordres, mij vervoegt ter woon„ plaatse en ten praesentie van den Burger Pieter Heintjes, ten byweesen van den onderschout Hen„ drik Matthysen, en als doen gehoord, dat gem, Matthyssen aan voorsz: Steintjes heeft ge„ vraagt of zich hier bij hem Heyntjes niet op„ hielden vyf slaven jongens die van een Frans„ man waren, en van hun Lijfheer weggeloopen, waar op gem: Heyntjes repliceerde; dat weet ik niet maar gem: onderschout Matthijs ten hem: scherpe„ lijk onderhoudende, en met dregende woorden eindelijk zeide, zo gij het niet weet, dan zal ik het weeten, waar zij zitten, de Plaats is mij aangewesen laat maar de slaven meid die haar kost brengt hier roepen, ik zal die slaaven daar zelfs uit„ haalen, waar op ged: Pieter Heijntjes decla„ reerde, dat zij daar, wijsende op de Plaats:/ in de Bosjes waren, en verklaarde deselve aldaar te hebben gehouden, om dat hij van die slaaven hadde verstaan, dat er noch meerder slaven zoude koomen, die mede weg geloopen waren en wanneer die zouden gekoomen zijn, hun deen te gelijk (aabwaards te zenden, en gaf hier op di„ rectelyk ordres om gem: slaven, die hun eeten had gebrackt /: en wiens naam mij relt is ontoehoe„ ten, te roepen en ons de weg te wijsen, waar dat gem: slaven zich op hielden; en na dat wij na gisting vyftig à zestig roeden, waren teegens een heuvel opgegaan, heeft ged. slaven ons door eene met spruiten en bossen bewassen weg geleid tot dat wij cirka 70 à 80 schreeden en die weester. nij hadden gewandeld. door ons een slaven Jongen ontdekt wierd, die door dikwils gem: Matthyssen wierd geroepen, en ook naar ons toekwam, zo dat wij /:na best onthouden / 30 à 40 schreeden nog verder door deese bossen waar in wij waren geklau„ terd zijnde, en gem: Matthijssen noch is tegen den grond gevallen, eindelijk eene Legerblaats ontdekten die door het omkappen van vier à vijf opgaande Boomtjes, was gemaakt, waar in wij vonden leggen: drie slaven Iongens leggende op wolle combaarsen, bij zich hebbende een groote koo„ pere Theeketel, en bevonden een but in den grand gemaakt, waar in eenige assche en vuur was, en terwijl wij inspectie van hunne legersteede naa„ men, kaan eindelijk een vijfde Haven Iongen uit de digt bewassene Wildernis ons in het gesigt, die almeede door den voorsz onderschout was geroepen en van daar gesamentlijk door hem ten bij weesen van meergem: Heijntjes naar de Plaats gesonden alwaar dikwils gem. ouder„ schout hem Heijntjes heeft geordonneerd die slaaven te laaten binden of vleugelen en hun Caabwaarts te zenden, 'te geen ten dan 2 ook directelijk geschiedde. /:onderstond:/ 'T welk relateere mij wedervaaren tezijn, /:laager:/ Cabo de goede Hoop datum uit supra. /:geeteekend:/ Iohannes de Wit. Twede gerechts Bode. R:O: Aan de Wel Edele en Achtb: Heeren Praese„ dent en Raaden van Ju„ stitie des kasteels de goe„ de Hoop. Vertoond met gepasten Eerbied- en de Jn„ dependent Fiscaal, deses Gouvernements Jo„ han Nicolaas Steven van Lynden. Dat hij z: O: vertoonder in februarij I: L: zijnde geinformeerde geworden, dat de Burger Pieter Heintjes, op deszelfs woonplaats geleegen gtex„ het ronde Bosje eenige van het Fransse schip aan land gekoomen en op gedroste Mosam„ bicqusche slaven, onderheed, waarschijnlijk met volmerk, om na het vertrek van het voorsz schip, deselve voor zich te behou„ den, en daar mede winst te doen tot antdekking hier van na de Plaats van hem Sleyntjes heeft gesonden den Tweeden gerechts Bode Johannes de Wit geadsisteerd met den onder„ schout Hendrik Matthijssen dat de gerechts Bode met den onderschout op de Plaats van gem: Heintjes gekomen zijnde, en hem ondervraagt hebbende, of zich bij hem ook vijf Mosambicquesche slaven op hielden, die van hun Lijfheer waren weg geloopen, hij Heyntjes zulks eerst heeft trachten te ont„ kennen, doch vervolgens tot confessie is ge„ koomen, en de Plaats heeft doen aanwijsen, daar hij de voorm: slaven heeft verborgen, en van waar deselve ook door den onderschout skat„ thijs ten zijn gehaald, en vervolgens (aabwaards getransporteerd, alles blykens nevens gaande relaat van de 2: Gerechts Rode. dat de r. O. Ver alle omstandigheden volgens bevinding van de gen Bode en Onderschout overwoogen hebbende: o. (: van oordeel is dat voorn: P: Heijntjes voorbedachtelyk tegens de iterative, op het stuk van opgedroste slaven geëmaneerde Placcaaten, heeft gehandeld, en zich daar en boven aan het crim en plagii heeft schuldig gemaakt, dat de R. O. Vert. overzulks gemeent heeft niet te moeten stille zetten, maar in tegendeel ter voorkooming van ongeregeldheeden zich genoodsaakt oordeelt ter zaake voorsz tegen tot Pieter 6

NL-HaNA_1.04.02_4354_0111 view scan ↗

English

to institute criminal proceedings against Pieter Heyntjes, and to have him taken into custody to that end so that he does not evade his due punishment. Reasons why the petitioner turns to Your Honorable Worships, with the request that Your Honorable Worships may be pleased to grant him their decree to take the Burgher Pieter Heijntjes into apprehension, in order then to be able to proceed effectively. Which doing etcetera. Was signed: I: N: S: V: Lynden. In the margin: Exhibited in Court on 18 March 1790. Thursday, 18 March 1790 Owing to the indisposition of the Independent Fiscal, an interrogatory was submitted by the Deputy Fiscal Master Johannes Andreas Truter regarding the Burgher Pieter Heyntjes, accompanied by a report of the second court messenger Johannes de Wit, which interrogatory reads as follows: Extract from the Criminal Court Roll held at the Cape of Good Hope. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, the Burgher Pieter Heyntjes, who has given such answers to the accompanying questions as are noted beside each of them. Interrogatories whereupon the detained Burgher Pieter Heintjes is to be heard and questioned at the requisition of the Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lynden before the Gentlemen Commissioners from the Honorable Court of Justice of this Castle of Good Hope, the responses given by him to be recorded in the margin hereof. No 5: Which having been read, the Court, after consideration of the matter, granted the petitioner the requested apprehension of the said Burgher Pieter Heyntjes. While, however, the Gentleman of the Law, who was of the opinion to grant the petitioner only a civil arrest, had his dissenting vote recorded. Subscribed: Agreed. Was signed: W. J. Wyneveld, secretary. No 4: Article 1: His name, age, and place of birth. States to be named Pieter Heintjes, aged 47 years and born in Guldap in Prussia. Article 2: How long he has already been here in this country. States to have been here 23 years. Article 3: Whether the prisoner also knows any trade, and which. States to be a tanner by trade. Article 4: If not, how he has then earned his living during his stay here. Lapses. Article 5: Where the prisoner resided before his apprehension. States to have resided on the place called Bosheuvel, situated at the Wynbergen. Article 6: Whether at the prisoner's place in the beginning of the month of February last there were not five Mozambique slaves. States yes. Article 7: Whether the prisoner did not call these slaves and instruct them that they had to come to his place. States no, that the said slaves came to the prisoner of their own accord. Article 8: Whether the prisoner did not then give them food to eat. States yes. Article 9: Whether the prisoner did not subsequently cause them to be taken, or took them, to a remote place in the woods. States yes. Article 10: How long the prisoner maintained these slaves there at that place. States by estimate a week, not wishing however to be bound by that. Article 11: And in what manner the prisoner maintained them. States to have sent bread daily. Article 12: Whether there did not come to the prisoner's place on 10 February last the second court messenger assisted by the deputy sheriff Hendrik Matthijssen. States yes. Article 13: Whether the aforesaid deputy sheriff did not ask the prisoner whether five Mozambique slaves were being kept at his place. States yes. Article 14: Whether the prisoner did not deny this upon this first question, or at least said that he did not know, or something similar. States to have told Matthijssen that those slaves were not at his house, but were indeed on the place. Article 15: Whether the deputy sheriff did not thereupon address the prisoner in a threatening tone and, repeating the same question, said: If you do not know, then I will know where they sit; the place has been pointed out to me; just call the housemaid here who brings them food. States yes. Article 16: Whether the prisoner did not thereupon call the female slave who was accustomed to provide the food to the aforesaid five Mozambique slaves, and ordered her to point out the place where the aforesaid five were being kept. States yes. Article 17: Whether this was also carried out by the aforesaid female slave. States yes, that the prisoner himself went along so that the questioner could see it immediately. Article 18: Whether it was not known to the prisoner that the slaves kept by him had absconded from their master. States yes. Article 19: And whether the aforesaid five slaves were not found at some distance from the prisoner's house in the woods, and sent to the place by the deputy sheriff Matthijssen in the presence of the questioned party, and subsequently pinioned and brought towards the Cape. States yes, that the said slaves were found there by Matthijssen and subsequently pinioned and brought towards the Cape. Article 20: [illegible]

Dutch transcription

Pieter Heyntjes crimineele proceduures te moeten en tameeren, en denselven op dat hij zijne cundignestrafie niet ontduuke ten dien einde in hechtenis te doen neemen. Reedenen waaromme de reOtert zich tot UE E: Achtb: is keerende, met versoek dat UEE Achtb: aan hem gelieven te verleenen derselver decreet omme de Burger Pieter Heijntjes te moogen neemen in apprehensie teneince als dan cum effectue te kunnen procedeeren ren /:onderstond:/ 'T welk doende & J. was„ geteekend :/ I: N: S: V: Lynden:/ in margine:/ Ex„ hibitum in Judicie den 18 Maart 1790. Donderdaa den 18 Maart 1790 Wierd door de adjunct Fascaal M:r Johannes Andreas Frater vermits indispositie vanden Heer Jndependent Fiscaal, nopens den Burger Pieter Heyntjes ingediend een verboog gemeinuerd met een relaas van de Tweeden Extract uit de Crimineele Rechts Rolle gehouden aan Cabo de Goede Hoop, op Interrogatorien omme daarop Compareerde voor ons ouder„ get: gecomm: uit der E: acht, ter requisitie van de Jndepencent Raade van Justitie deese Gou„ iscaal Johan Nicolaas Steven vernements, den Burgen Pier van Lynden voor Heeren Ge„ ter Heyntjes. dewelke op de committ: uit den E: Achtb: nevensgaande vraagponect Raade van Justitie des ka„ sodanige antwoorden gegeven heeft als besijden een iijderden steels de goedeHoop, gehoord zelver staan aangeteekend, en ondervraagt te worden de gedetineerde Burger Pie„ ter Heintjes, zullende des„ zelfs te geevene responsiven in margine deeses moeten N:o 5: het welk geleesen zijnde, heeft de raad na over¬ weeging van zaaken, aan de R. 3. Vertoonder de versogte apprakerse op gem: Burger Pieter Heyntjes verleend. Terwijl echter de Heere de Wet, dewelken van gevoelen was om alleen een Civiel arrest, aan den R: Vertoonder te accordeeren, desselfs & dorp heeft doen aenteekenen. /:onderstond:/ accon„ deerd /:was geteekend/ W J. Wyneveld, secrets. Gerechts Bode Johannes de Wit, luidende dat Ver„ boog als volg: Gerechts werder ƒ N=o 4: F: S: werden bekend gesteld: Art 5 geboortig van Goldop prinsze. te zyn. Art: v: des gennaam, ouderdom Legt Pieter Heintjes, ge„ en geboorte Plaats. naamd, oud 47 Jaaren en zegt 23 Jaaren. hier geweest Hoelang hij geen reeds hier te Lande is geweest of hij gev. ook eenig ambacht zegt een Looijer van zijn verstaat en welk. Ambacht te zijn vervald Is neen, maar meede hij zich dan, geduurende zyn ver„ blijf hier heeft gegeneerd zegt Ja. of hij gevn deese slaaven zegt neen, dat deselve slaven niet geroepen en beduid heeft van zelve bij hem gev. gekoo„ dat ze naar zijnE laasts moe„ men zijn sten komen „ 8: of hij ged: deselve als toen niet heeft te eeten gegeven of hij ged. derselve vervolgens of bij zijn gev. Plaats in het begin van de Maand februarij I: L: niet vijf Mowambiequesche slaven zijn geweest. waar hij gev. voor zijn gevangen-neeming gewoond heeft. aan de Wyn beigen. de Plaats Bosheuvel gel. zegt gewoont te hebben op zegt Ja. Art: 2. zegt. Ja„ ƒ 3. „ 4: ƒ: 6. Art 13 zijn! zegt daagelijks brood ge„ stuurt te hebben. zegt Jaa: niet na een afgeleegen Plaats in de Bosschen heeft doen brengen. of gebracht. Art: 10: zegt na gissing een week ech„ Hoe lang hij gev. deeze ter daar niet in bepaald te willen slaaven, daar ter Plaatse heeft onderhouden. En op welke wijse hij geor ze heeft onderhouden. of ter Plaatse van hem geer op den 10 feb: J: L: niet gekoo„ men zijn, de tweede gerechts Bode geadsisteert met den onderschout Hendrik Matthysten. zegt Jaa. zegt Ja¬ of de onderschout niet hier op hem gerr op een dreegende toon heeft aangesprooken en deselve vraage verhaalen, de gesegt heeft zo gij het zegt aan Matthissen ge, of den gevr: zulx niet op deeze regt te hebben, dat die eerste vraage ontkend, ten minsten gesegt heeft dat hij slaaven, niet bij hem in huijs waar wel op de blaat. het niet wist. ? of iets der„ waaren gelyks: of de onderschout voorn: hem: gev: niet heeft ge„ vraagd of er bij hem op de Plaats of vyf mosam bequese slaven wrerden opgehouden „ 11 12 „ 84: 15: zegt Ja: gens gevleugeld Caab„ niet weet dan zal ik het weeten waar zij zetten, de Plaats is mij aangeweesen laat maar de Have Meid die haar koot brengt hier roepen Art: 16: of hij gev. niet hier op de slaven, die aan voors vijfe Mosambicquse slaaven gewoon was het eeten te besorgen, geroepen en deselve gelast heeft de Plaats aan te wijsen, daar de vijf voorm: wierden op gehouden Art: 17 of zulks hier op ook door zegt Ja. dat de gev: zegt Ja dant den gesr: zulx aanstonds zien konde. of hem geer: niet bekend was dat de slaaven door hem gehouden van hun Lyfheer waaren op gedrost zegt Ja: dat gem: slaaven En oof de voorsz vijf slaaven niet oop eenig distantie van noor katthijssen aldaar gevonden is en vervol„ het Huis van hem Georin de Bosschen, zijn gevonden en door den ouderschout Mat„ thipten, in des gevr: byweesen na de Plaats gesonden, mitsg vervolgens gevleugeld en opgebracht zijn Caabwaards geworden. waards gebragt. zelfs meede gegaan voorm: eiet is uitgevoerd! Art: 18. voorn Ar120 is 1 -

NL-HaNA_1.04.02_4354_0115 view scan ↗

English

Article 20 Whether he, the prisoner, does not know that it is by no means permitted to harbour runaway slaves, to deliver them to the Cape. Answers: States to have heard from those slaves that there were still more slaves in the mountain, and that he, the prisoner, had detained those slaves so that he might in that way lure the others to them, and so that he, the prisoner, could in this manner the better get them into his power. States further to have had no intention to enrich himself, the prisoner, thereby, and to have done the same solely to be able to bring those slaves to the Cape, because he was afraid of harm if they remained longer in the mountain. Article 21 Whether he therefore does not have to confess that by his conduct he has acted directly against the laws and has deserved severe punishment for it. Answers: States to have thought that he was doing well thereby. Article 22 Whether he, the prisoner, also knows to bring forward anything, and what, for his defense. Answers: States to refer to his given answers. Thus interrogated and answered at Cabo de Goede Hoop on 22 March 1790, before the gentlemen Ryno Johannes van der Riet and Hendrik Justinus de Wet, members from the Honourable Court of Justice aforesaid, who have also duly signed the minute hereof along with the prisoner and us, sworn clerk. As I witness, signed, J. D. Karnspek, sworn clerk. Re-examination Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honourable Court of Justice of this government, the aforesaid prisoner, burger Pieter Heintjes, who, these his preceding interrogation points being read out clearly and distinctly, declared to persist therein, wishing that nothing more will be added thereto or taken therefrom, testifying that such is the pure truth. Thus done and re-examined at Cabo de Goede Hoop on 30 March 1790. Signed, Pieter Heyntjes. In my presence, signed, J. D. Karnspek, sworn clerk. In the margin, as commissioners, and signed, R. J. van der Riet and H. J. de Wet. No. 6 Today, 22 March 1790, appeared before me, Johannes Daniel Karnspek, sworn clerk at the Secretariat of Justice of the Castle of Good Hope, in the presence of the witnesses named below, Februarij van de Caab, slave of the said burger Pieter Heintjes, of competent age, who, at the requisition of the Honourable Independent Fiscal of this government, the Honourable Johan Nicolaas Steven van Lynden, declared it to be true: That now about four weeks ago, without the deponent being able to determine the time more closely, five Mozambican slave boys came to the place of the deponent's master, situated at the Wynberg, who, on the question of his master where they came from, had answered from the Cape, and specifically to have run away from Doctor Martin residing here, because they received no food. That the deponent's master, upon this received report, had asked them whether they wanted to stay with him, promising to provide them with food, to which they agreed, being hidden by his master in a room of the dwelling house, and provided daily with food and drink. That the deponent, after the mentioned slaves had remained there in the manner aforesaid for eight days, had set off toward the Cape, with the intention of informing the Lord Under-Sheriff Matthyssen of this affair, but on the way, having been caught by the worthy Burger Lieutenant Alexander van Breda, who was also going to the Cape, was sent back with his boys to his master. That the deponent, eight days after that incident, having enquired with his fellow slaves where the boys were, and upon their answer that they did not know it, had investigated it himself and seen that a slave woman of his master, by name Mariana, together with a boy named September, having been provided with food, left the house for a forest situated close to the place of his master; that he, the deponent, having followed them thither, had discovered the aforesaid slaves in the thickest part of that forest, whereupon he again went to this main place and had given notice of the aforesaid to the Lord Under-Sheriff Matthijsen. Declaring nothing more, the deponent gives as reasons for his knowledge as stated in the text, testifying the foregoing to be the pure truth. This was thus passed at the Secretariat of Justice aforesaid, in the presence of the clerks Jacob van de Waareld and Dirk Jacobus Aspeling as witnesses, who have also duly signed the minute hereof along with the deponent and me, sworn clerk. As I witness, signed, J. D. Karnspek, sworn clerk. Re-examination Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honourable Court of Justice of this government, the aforesaid Februarij van de Caab, who, his preceding declaration being read out clearly and distinctly word for word, testified to persist therein, wishing that nothing more will be added thereto or taken therefrom, testifying that such is the pure truth. Thus done and re-examined at Cabo de Goede Hoop on 11 April 1790. Was signed. In the margin, as commissioners, and signed, T. K. Ronnenkamp and A.n Falck. Lower down, in my presence, and signed, J. D. Karnspek, sworn clerk.

Dutch transcription

Art 20 om de aan de Caab te Antwoorden. Of hij gevr: niet weet dat hem zegt van die slaaren gehoord te hebben, dat geensints geoorloofd is doos„ er nog meerder slaven sende slaaren op te hiuden in den Berg waren, en dat hij gev. die slaven op gehouden had om door dien weg de andere er bij te kunnen lokken, en op dat hij gevz: op die wijse deselve des te beeter zoude kunnen magtig worden. zegt verder geen intentie gehad te hebben hem gevr„ daar mede te verrijken, en hetzelve alleen gedaan te hebben om die slaaven aan de Caab te kunnen brengen, door dien hij bevreest was, voor Baand indien zij langer in den Berg Art: 21 Jf zij over zulks niet bekennen zegt gedagt te hebben moet door zijn gedrag, reeht daar aan wel te doen streeks tegen de Wetten ge¬ handeld en daar over zwaa restraffe verdiend te heb„ ben Compareerde voor ons onderges. Ge¬ comm: uit den E. Achtb. Baede ven Justi„ tie deeser gouvernements voorm: ged Bui„ ger Pieter Heintjes, dewelke deese zyne voo„ rens taande vraag poincten klaar en duidelyk voorgeleesen weesende verklaarde Recollement /onderstond: Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de Goede Hoop den 22 Maart 1790 voor de Heeren Ryno Johannes van der Riet en Hendrik Justinus de Wet Leeden uit den E: Achtb: Raade van Justitie voorm: die de Minute deeses be„ nevens den gev. ende wij gesw Clercq mede behoorlyk hebben onderteekend /:lager:/ T. welk ik getuyge /:geteekend. / J: D: karnspek gesw: Clercq zogt zich te refereeren aan zyne gegeevene of hij gevn ook iets en wat hij tot zijne ontschuldiging weet bij te brengen. Art: 22 Art 2a denzelven bleeven ? besorgen. denselven, daar bij te blyven persisteeren met begeerte dat er niets meer bij afte van gedaan werden zal, betuijgende dat zulx de zuijvere waarheid is /onderstond:/ Aldus gedaan en gerecolleerd, aan Cabo de goede Hoop, den 30 Maart 1790, /: get: Pieter Heyntjes /:lager:/ Mij praesent /:get:/ I: D. karnspek, gesw Clercq /:in margine:/ als gecomm: /: en geteekend:/ R: J: van der Briet en H: J. de Wet: N: 6 Huiden den 22 Maart 1790 Compareerde voor mij Johannes Daniel Karnspek getw: Clercq ter secretarije van Justitie des Casteels de goede Hoop, pas„ rent de naten getuijgen, Februcerij van de caal Lijfggen van den ged. Burger Pieter Heintjes van competenten ouderdom, de„ welke ter requisitie van den E. Achtb Heer Jndependent Fiscaal, deeses gouvernement dat nu cirka vier weeken geleeden, zon„ der dat den Comp:t de tijd nader bepaalen van ter Plaatse van zijn Comp:ts Lijf heer, geleegen aan de Wynberg, gekoomen waren vijf Mosambig„ se slavenjongens welke op de vraage van zijn zijfheer waar zij van daan kwaamen, geant„ woord hadden van de Caab, en wel van den hier remoreerende Doctor Martin, op gedrost te zijn wijl geen post kreegen. dat des Comp ts Lyfreer op dit teekoomen bericht hun gevraagd had of zij bij hem wilden blijven met toesegging hun kost te zullen besorgen, waar en zij bewilligden, wordende door zyn Lijfkeer in een kamer van het woonhuysverborgen, en daagelyks van kost en drank voorsien. Dat den Compt nadat gerepten slaaven in„ gevoegen voorsz aldaar agt dagen verbleeven waren zich Cabwaars begeever had, met in„ tentie om s' Heeren Onderschout Matthys zen van deesen handel te verwittigen, doch onder weegen, door den Manh: Barger Luitenant A„ lxanda van Breda die ook na de Caabging op gevangen en met deszelfs Jongens naar zyn Lijfheer terug was gesonden. d' E: Achtb: Heer: Johan Nicolaas Steven van Lynden, verklaarde hoe waar is e Dat de Dat den Compt. agt daagen, naadat voor„ val zich geinformeerd hebbende by zyne mee„ de slaaven, waar de Jongens zich bevonden en op hun antwoord; dat zy het niet wisten zulx zelfs naagevorscht en gezien had, dat een slaven Rheid van zijn Lyfheer, in naa me Mariana beneevens een Jongen genaamd September, voorsien van kost zich ten huijsen uit naa een digt bij de plaats van zijn Lijfheer leggend bosch begeven dat hij Compt. hen derwaards gevolgd eijnde voorm: slaaven in het digste van dat bosch ontwaard had„ waar op hij andermaal naa deeze hoofd„ plaats zich vervoegd en s' Heeren onder„ schout Matthijsen en van het vooren verhaalde kennis had gegeeven Niets meer verklaarende geeft den Comp=t voor redenen van wetenschap als onder Text betuigende het voorenstaande de zuivere waarheid te zijn Dat aldus passeerde ter secretarye van Justitie voorm: praesent de Clercquen Ja /:onderstond: /:onderstond./ Aldus gedaan en gerecolleerd aan Cabo de goede Hoop den 11 April 1790 /:was geteekend) /:in margine:/ Als gecomm: en geteekend T: K: Ronnen kampen A=n Folek /: lager mij praesent en ge„ teekend J D Karspek, geswoor Clercq. Compareerde voor oms onderges: Gecommitt uit den E dekt raade van justitie deeses gouvernemenrs, voorn: februarij vande Caal, dewelke zijne voorenstaande verklaring van woord tot woord klaar en duidelyk voorz geleesen weesende, betuijgde deselve daar bij te blijven persisteeren, met begeerte dat en niets meer bij ofte van gedaan werden dat betuygende dat zulx dezuyvere waarheid is Recollement cob van de Waareld en Dirk Jacobus Aspeling als getuijgen, die de Minste dezes benevens den Comp: ende mij gidu Clercq mede behoorlyk hebben onderteekend. /:lager 'T welk ik getuijge /: get I D Karmspek ges reg Not 1

NL-HaNA_1.04.02_4354_0118 view scan ↗

English

Today, the 3rd of April 1790. Appeared before me, Johannes Daniel Karnspeck, sworn clerk of the Secretariat of Justice of the Castle of Good Hope, present the witnesses named below, September of Mosambicque and Mariana, also of Mosambicque, both belonging to the burgher Pieter Heintjes and of competent age, who at the requisition of the Independent Fiscal Joh: N: S: van Lijnden declared to be true: That on a certain Sunday, now about a month ago, in the morning at about eight o'clock, when the appearers' master was not at home, five Mozambican slaves had arrived at his farm, who were immediately provided with food by the appearers' mistress and sent to the kraal, not far from the house, where a glass of wine was distributed to each of them. While in the meantime the appearers' master had returned home in the afternoon. That because the appearer's mistress the next day had ordered the appearer in this matter to take the aforementioned slaves to a forest situated behind the house, and to tell them to remain there, she, the appearer, had then also carried out that order and escorted the aforementioned slaves to the forest. While she, the appearer, having returned from there, had received from her mistress some pieces of bread with meat, one or two blankets, and a piece of cloth serving as handkerchiefs, and by order of that same mistress of hers brought them back to the forest and handed them over to those slaves, the appearer having then, by order of her mistress, provided the aforementioned slaves for two days with food that had been handed to her by that same mistress of hers. Both appearers declaring lastly that after the lapse of those two days, two persons, of whom one was very fat and the other tall and lean of stature, arrived at the farm, who went with their master to the forest in which those slaves were staying, which forest was pointed out by the appearer, and took the aforementioned slaves away from there with them. Declaring nothing more, the appearers giving as reasons for their knowledge as in the text, being prepared to confirm the above at all times. Thus done at the secretariat aforementioned, in the presence of the clerks Dirk Jacobus Aspeling and Christiaan Ludolph Neethling as witnesses, who have duly signed the minute hereof along with the appearers and us, the sworn clerk. Below which: Which I witness. Signed: J: Karnspek, sworn clerk. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of the Castle of Good Hope, the aforementioned slaves September and Mariana, to whom their preceding declaration having been read clearly and distinctly, declared that they abide by and persist with it, desiring that nothing more be added to or removed from it, except only that the aforementioned slave Mariana testifies not to have been able to speak with the aforementioned five slaves, as she did not master their language; testifying in the presence of the detained burgher Pieter Heijntjes that all the above is the pure truth. Underneath stood: Thus done and verified at the Cape of Good Hope, the 16th of April 1790. Was signed: [illegible]. Before me, in witness: Signed: J: D: Karnspek, sworn clerk. In the margin: As commissioners, and signed: R: J: v: d: Riet and A: Fleck. Verification. Appeared before me, Willem Stephanus van Ryneveld, Secretary of the Honorable Court of Justice of this Government, present the witnesses named below, the soldiers Johannes Sprandel and Jacob Fredrik Groekans, belonging to the Regiment of Würtemberg lying here in garrison, both of competent age, who at the requisition of the Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lijnden declared to be true: That the appearers, who some time ago were hired by the burgher Pieter Heintjes to perform some farm work on his farm situated at Ronde Bosje, during that time on a certain Sunday, without being able to determine the day or date, when towards evening they returned from the Cape to the said farm, had discovered in a watermill standing on the farm five black boys, completely naked, who had gotten away from there the following day, being Monday, namely in the evening; without the appearers having seen them again. The appearers further testify that neither Heintjes nor anyone of the household. Today, the 3rd of April 1790.

Dutch transcription

Huijden den 3 April 1790 Compareerde voor my Johannes Daniel Kan¬ spekker gem: Clercq de Scrcctarije van Justitie des Casteels de goedeHoop, praesent de naten getuijgen September van Mosumbicque en Mariana mede van Mosambicque beide toebehorende aan den Burger Pieter Hantjes en van com„ petenten ouderdom, dewelken ter requisitie van den Jndep. fiscaal Joh: N: S: van Lijnden verklaarden hoe waar is. Dat op zekeren zondag nu omtrend een Maand geleeden des morgens zirka agt uuren wanneer der Comp=te Lijfheer niet te sluijs was op desselfs Plaatsgekoomen waren, vyf Mosam„ bicquese slaven, welke terstond door den Comp=t Lyfvrouw van kost waren voorsien en naar de kolen, niet verre, van het Huis ver„ sonden alwaar aan eider van hen een glas„ Wyn was uitgedeeld, geworden. Terwijl in„ tusschen der Compten. Lijfheer s' nademiddags weeste huijs gekomen. Dat vermits der Comp=t zijfvrouwe daags daar aan de Compte in deesen gelast had, voorm: slaven, naar een bosch, die Utley het Hluijs geleegen te brengen, en heenaan„ te zeggen om aldaar te verblijven zij Compt dan ook die ordre had ten uitvoer ge„ bracht en voorm: slaven naar het boverte begelen, Terwijl zy Compte van daar te rug gekoomen zijnde, van haare Lijfvrouwe eenige stukken brood, met vleesch Eene ver twee Com„ baasen, en een Lap, dien ende tot neusdoeken had ontvangen, en op ordre van deselve haare Liffvrouwe weder naar hetbosch gebracht en aan die slaaven overgegeeven, hebbende zij Compte. als toen gem. slaven op last van haare Lijfvrouw, twee daagen van eeten, dat haar door deselve haare door deselve haare Lyfvrouw was in hardigt voorsien Verklaarende beijde de Compt laatstelyk dat na verloop van die twee daagen, twee pen„ soonen, waar van de eene zes dik en de de andere lang en mager van statuur wes op de Plaats zijn gekoomen, die met hunne zyfkeer, naar het bosch waar in zich die Hlaven bevonden, en welke bosch door de Comp=te is aangeweesen, zijn gegaan, mitsgs. voorm: Haven van daar medegenoomen hebben Niets meer verklaarende geevende Compte voorreedenen van wetenschap als inden rext bereid zijnde het vorenstaande, altoos nader gestaad te doen. dat aldus passeerde te secretarie voorn: ten byweesende Clercquen, dirk Jacobus Aspe„ ling en Christiaan Ludolph Neetaling als getuy„ bracht gen, die de Minute deezes benevens de Coupt ende wij gesar Clercq mede behoorlijk beleben on„ derteekend: /: lager hetwelk ik getuige /get: J: karnspek gewweklercq Compareerde voor ons onderget. e geconn: uit den E: Achtb: Raade van justitie des Casteels de GoedeHoop, voorm: slaven September en Mariana, dewelke hunne voorenstaande Ver„ klaaring klaar en duidelijk voorgeleesen zijnde verklaarde deselven daar bij te blyven per„ sisteeren, met begeerte dat er niets meer bij ofte van gedaan worden, als alleenlijk dat voorn Haven Mariana betuijgd, met gem: vyfslaaven niet te hebben kunnen speekende, vermits zig hunne Taal niet magtig was, betuygende in praesentie vander gedetineerden burgen Pieter Heijntjes dat al het voorenstaande de suyvere waarheid is /:onderstond./. Aldus gedaan en gerecolleerd, aan Cabode goede Hoop, den 16 april 170x /:was geteekend:/ en 9 /:Eadgen:/ Mij jndoert /:get:/ F d: Karnspek gem: Clercq. /:in Margine: als gecomm: /en geteekend:/ R: J V: d: Piet en A=mn Fleck Recollement Compareerde voor mij Willem Stephanus van Ryneveld. Zecrebaks vande E Achtb Raade van Justiete deus Gouvernements present de nagen getuijgen, den ondralker in guarni„ roen leggend Regiment van Wartenberg be„ geheidene Soldaaten Johannes Sprandel en Jacob fredrik Groekans, beide van compe„ renten ouderdom, dewelke ter Requisitie van den Jndependent Fiscaal Johan Nicolaas Htevene van zijnden verklaerden hoewaar is dat de Comparanten, die eenigen tijd geleeden: door den Burger Pieter Steintjes gehuurd waren tot het verrigten van eenig Boeren werk op deszelfs Plaats geleegen aan Ronde Bosje ge„ duurende, dien tyd op zekeren zondag, zon„ dadendag of datum te kunnen bepaalen wanneer zijl tegens den Aerddag, van de Caab, naar ged: Plaats te rug keerden, in een op de Plaats staande Watermoolen ontwaard hadden vijf zwarte Jongens geheel nakend, die den volgende dag, zijne t' maandag en wel s'avonds van daar waren weggeraakt; zonder dat de Comp=ten. die meer d gesien hadden, Betuijgende de Compten. noch, dat geen Heintjes noch iemand der Huysgenst Huiden den 3 April 1790.

NL-HaNA_1.04.02_4354_0120 view scan ↗

English

whether at table or otherwise in the presence of the appearers, had spoken anything concerning those slaves. Declaring nothing more, the appearers give as their reasons of knowledge what is stated in the text, being ready to confirm the same under oath if required. Underneath stood: Passed thus at the aforesaid secretariat in the presence of the clerks Jacob van de Waereld and Dirk Jacobus Aspeling as witnesses, who have duly signed the minute hereof along with the appearers and me, the secretary. Lower down: Which I witness. Signed: W. S. van Ryneveld, Secretary. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of the Castle of Good Hope, the aforementioned soldiers Johannes Sprandel and Jacob Fredrik Groskars, who, having had their preceding declaration read out clearly and distinctly, declared that they persist in it, desiring that nothing more shall be added to or taken from it, and spoke therefore: Review of testimony. Further interrogatories to be answered before the Commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of the Castle of Good Hope, in the presence and at the requisition of the Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lynden, by the detained burgher Pieter Heintjes, named Heentjes at the previous interrogation, who gave the following answers to the questions below, the responses he is to give to be recorded in the margin hereof. Thus reviewed and sworn to at the Cape of Good Hope on 28 April 1790. Was signed: Sprandel and a mark. Lower down: In my presence: Signed: J. D. Karnspek, sworn clerk. In the margin: As Commissioners, and signed: R. J. van der Riet and A. Fleck. in confirmation of the truth thereof, each of them in the room below, in the presence of the said burgher Pieter Heentjes, pronounced the solemn words: So help me God Almighty. Article 1. Whether the examinee, when the five Mozambique slaves in question arrived or were brought to the examinee's place, was at home? Answers: says no. Article 2. If not, who was present then? Answers: says the examinee's wife. Article 3. Where the examinee was at that time? Answers: says on that day at Eksteen's at the Berg River, to buy cattle. Article 4. When the examinee came home? Answers: says that same day in the morning at eight or nine o'clock. Article 5. In what manner it became known to the examinee that there were five strange slaves at his place? Answers: says since the examinee saw the same slaves upon his arrival. Article 6. And what the examinee said and did when it was made known to him? Answers: says that he had the same slaves asked, through the examinee's female slave named Mariana, where they were from. Article 7. Where the examinee, when at the previous interrogation at Article 7 he said he had heard that the aforementioned five Mozambique slaves had arrived at the examinee's place of their own accord, whether that is to be understood to mean that they arrived at the place without being accompanied by anyone, or whether they were brought there by someone? Answers: says that the same slaves arrived at the place on their own. Article 8. If the slaves were brought there, by whom? Lapsed. Article 9. Whether he, the examinee, upon his arrival at the place, also conversed with the five Mozambique slaves about one thing and another, and what that conversation consisted of? Answers: says yes, he asked where they came from, and learned from the same slaves that they came from the Berg, and further says he told the same slaves that they had to remain waiting with him until the other slaves, who they said were still in the Berg, also joined them. Article 10. Whether the examinee approved the conduct of his wife, and what the examinee's wife told him about it? Answers: says yes, approved the conduct of his wife. Article 11. Whether the examinee's wife also related to him in what manner the slaves arrived at his place and why she had detained them? Answers: says he learned from his examinee's wife that the same slaves arrived of their own accord, and that the slaves were detained by her in order the better to get hold of the others who were in the Berg. Article 12. Whether the examinee did not approve of his wife and further cooperate with her to detain the aforesaid slaves? Answers: says as before. Article 13. Whether the examinee did not lodge them until Monday in a horse mill standing near his house? Answers: says yes, he sheltered the same slaves in the building of the mill, in a small room. Article 14. Why the examinee did not keep the aforesaid slaves in the horse mill, but sent them from there to the woods on Monday? Answers: says he sent the same slaves expressly to the woods in order the better to lure the others to them. Article 15. Whether the slaves were sent to the woods immediately, or remained at the place for one or two days, or after some time? Answers: says he kept the same slaves in the house before sending them to the woods, in so far as he was afraid of fire, in order to lure the others. Article 16. Whether this was not done out of fear that it would become known that the examinee had strange slaves at his place? Answers: says no, that this was not done out of any fear. Article 17. Why the examinee did not send the slaves Cape-wards, or at least gave proper notice of the occurrence, since the examinee resides so close to this principal place? Answers: says that the examinee's simplemindedness was to blame for that. Article 18.

Dutch transcription

het zij aan Tafel dan wel andersints in der Compt. bij zijn iets die slaven betreffende gesprooken hebben. Niets meer verklaarende, geeven de Compten voor redenen van wetenschap, als in den Text bezeid zijnde, het zelve des gere„ quireer wordende met Eede te staven /:onderstond: Dat aldus passeerde, ter secretarije voorm: ten bijweesen der Cbercquen Jacob van de Waereld en Dirk Jacobus Aspeling, als Getuijgen, die de Minute deezes benevens de Comp=te ende my secretaris mede be„ hoorlijk hebben onderteekend. /:laager:/ 'T welk ik getuijge. /:geteekend:/ W: S: V. Ryneveld Secretaris. Compareerde voor ons onder get: gecommitt. uit den E: Achtb. Raade van Justietie des Casteels de GoedeHoop, voorn: soldaten Johan„ nes Sprandel en Jacob Fredrik Groskars dewelke hunne voorenstaande Verklaring klaar en duydelijk voorgeleezen weesend verklaarden daar bij te blijven persisteeren met begeerte dat er niets meer bij ofte van gedaan werden zal, en spraaken derhalven Recollement. Nadere Jnterrogatorien omme Compareerde voor ons Onder„ daarop voor Heeren Gecomn get: gecomm: uit den uit den E: Achtb: Raade van E: Achtb: Raade van Justitie des Casteels de Goede Justitie nevensgem: Burger Pieter Heint, Hoop, ten overstaan en ter re„ jes, dewelke op de quinitie van den Jndependent onderstaande vraag,„ fiscaal Johan Nicolaas Heven articulen, zodaanige van Lynden gehoord te worden de gedetineerde Bur„ Aldus gerecolleerd en beëdigt aan Cabo de Goede Hoop den 28 April 1790. /:was ge„ teekend:/ bmandel en t /: lager my Pree„ sent: /:geteekend:/ I D Karnspek ger Clereq /:in margine:/ Als Gecommitteerdens /: en en geteekend:/ R: J: V: d: Riet en A Fleck./. ter bevesting der waarheid van dien, een eider van hun in het loy onder in praesen„ tie van den ged. Burger Pieter Heentjes de solemneele woorden, so waarlijk help mij God Almachtig /:onderstond:/ ten Ant ger zegt neen zegt de gevr vrouw 9 Antwoorden heeft ge„ger Pieter Heintjes geeven, als een eider du bij het voorig verhoor= zelver bekend gesteld Hentjes genaamd, zul„ lende deszelfs te geevene responsiven in margine deeses, moeten worden bekend gesteld Art V of hij gevr: wanneer de vyf Mosambicquse slaven in questie op zyns gev: Plaat zyn gekoomen of gebracht te Huys is geweest! zo neen, wie er als toen praesent was! zegt op dien dag bij waar hij gevr: op dien tijd Eksteen aan de Berg, geweest is Legt wanneer den daar den georbij zijn voorig Verhoon ad: Ac7 zegt door des gev:. En wat hij gevr: toen slavin in naame het hem bekend is ge„ Mariana aan de maaktgesegt en ge„ selve slaaven te daan heeft. hebben laaten vragen waar zij l: van daan waaren op welke wyze hij gevr: zegt vermits den ger. is bekend geworden, dat er deselve slaaven bij vyf vreemde slaaven op zijn aankomst gezien zijn Plaats waaren heeft wanneer hy geer is te zegt dien eigens ten dag. s' morgens om Huijs gekoomen agt of negen uuren Vliet gereest te zijn om beest te koopen Art 4: Viet Gen lijn „ 2 „ 3. „ 7. 6 „ 5 Vervald. gen te Huis gekomen heeft gesegt dat de daar was gehoort te hebben bij vermeld vyf Mosam„ O dat deselve slaven bicquesche slaaven, van door hun eigen op zelfs op eijns gev Plaats zyn gekoomen, of zulx te verstaan is, zodaanig, dat dezelve, zonder door iemand begeleid te worden op de Plaats zyn gekoomen, dan wel of zij er door ie„ mand gebracht zijn de plaats aangekomen Art 8. Zo de slaaven er gebracht zijn door wien.! of hij geen vyf Mosam„ zegt ja gevraagt te biegie slaaven bij zijn te hebben, waar zij l: van zug komst op de Plaats daan quaamen, en van ook over het een en an„ deselve slaaven ver„ noemen, dat zijl: van der heeft onderhouden de Berg kwaamen, en waar in dat en Legt Ja, het gedrag van zyn vrouw goed gekeurd of hij get. het gedrag van „ 12. wat zyn get. vrouw hem daar omtrent gesegt heeft zegt van zyn gev. vrouw of zyn: Gev: Vrouw hem ook vernoomen te hebben verhaald heeft, op welke dat deselve slaaven van wijse de slaaven, op zijn blaats waren gekomen. zelve aangekoomen zijn en dat de slaaven en waarom zij de ge„ door haar opgehouden 2 houden had. waren om de arderen die in den Berg des te beter en bij te kunnen krygen zegt als vooren Art: 10: derhoud bestaan zegt nader, dezelve slaaven gesegt te heb„ heeft! ben dat zyl: zo lange bij hem moesten blyven wagten, tot dat de andere slaaven, die zijlieden zeiden noch in den Berg te zyn, mede bij hun qua„ men. teg dek zijn waaren. - te „ 11: 0 Artil: 15 van schuld ge„ weest is? zegt deselve slaaven hebben, alvoorens in huijs gehouden te deselve na de bosch te kelellen te hebben, in ze verre om de anderen er bij te vreest was voor brand. Legt dat de onnozelheid van hem gev: daar Waarom hij Gedv: de slaaven niet Caabwaards heeft gesond en, of ten min„ sten van het geval behoor„ lijk kennis gegeeven daar hij gevnzo digt bij deeze hoofdPlaats woon. achtig inres of deslaven terstond naa de nog een of twee daagen Bosschen zyn gevonden dan wel na eenigen tijd op de Plaats verbleeven zijn Zeqdesteen, zulx uit geen vreeze gedaan te Of zulx niet is geschied uit vreese dat het bekend zoude worden, dat hy gevi vreemde slaaven op zyn Plaats op nietds zegt deselve slaven waarom hy gevr: voorm: expres naar beosch Slaaventriet en de Bastmoo„ gesonden te hebben ten heeft gehouden, maar deselve op maandag van om de anderen des te beeter er bij te kun, daar naar de Bosschen heeft versonden nen lokken zegt, Ja, deselve slaa, of hij gevr: deselve niet ven in het gebouw tot maandag in een bij van de Molen in een zijn Huijs staande Bart„ klein kamertje moolen heeft geher„ geherbergt te hebben beryd, Art: 13. zijn vrouw niet heeft goed gekeurd en verder niet lokken, terwijl hij be„ haar mede gewerkt om de voorsz slaaven op te houden" Ar 18 „ 74 eende „ ƒ „ 16.

NL-HaNA_1.04.02_4354_0124 view scan ↗

English

Article 18. Article 21. Lapsed. And whether that same fear is also the reason that he, the interrogated, before he sent the mentioned slaves to the forests, locked them up in the bark mill. Says not to have hidden the same slaves in the mill. If no, why he, the interrogated, hid the slaves in the bark mill. Whether he, the witness, if he had had no evil intention, could not have kept the slaves in safety simply before the eyes of everyone. Says that he could not keep the slaves in the house with the others. 20. had to keep those slaves with him. Says to have had no intention Whether the careful feeding of the slaves, and providing them with blankets and cloths, did not naturally indicate an intention on his, the interrogated's, part to keep those slaves for himself. If not, whether this was not done by his wife or another. 22. the interrogated, when the slaves were sent to the forests, gave them two blankets and a piece of linen to make headcloths from. Says to have given no more than an old blanket and a piece of linen for two of those slaves for headcloths. Says as before. Article 21. Article 19. mentioned. 23. Whether Article 24. Says yes, heard the same through interpretation. Says to have had no intention Says that he, the witness, with whether also unknown to him, the interrogated, are the soldiers of the Regiment of Wurtemberg stationed here in garrison, Johannes Brandel and Jacob Fredrik Grosrans. whether they did not hire themselves out to him, the interrogated, to perform farm labor. whether these soldiers were also present when the slaves arrived at the place. Says no, because the mentioned soldiers ordinarily departed from his, the interrogated's, place on Saturdays to be present at the Cape on Sundays. Says not to know this. whether they also had knowledge of the No. 27. Says through the maid Marian. Since he, the interrogated, at his previous interrogation on Article 20, said that he had heard from the five Mozambican slaves that there were more slaves in the mountain, whether he, the interrogated, also knows in what language they told him this. Whether he, the interrogated, does not understand that his keeping silent necessarily presupposes an evil intention in him, if the same was not done for that reason. had to conceal the same. his servant so many circumstances not Why he, the interrogated, kept concealed from those slaves that he had five Mozambican slaves on his place. Article 28. about a hundred and five aforementioned Mozambican slaves. 25. Says yes, were to know the soldiers. 26. made. 29. 30. Lapsed. Says no. slaves, whether he, the interrogated, also knows in what language they told him this. If the interrogated says through interpretation, to ask him who the interpreter was. Whether he, the interrogated, also had any intention to transport the aforementioned 5 slaves elsewhere. Article 33. Says to have kept the same slaves and provided them with what was necessary Whether he, the witness, must not now admit that he truly had an intention 32. Article 31. If the interrogated says to have had no intention to keep the same slaves for himself, then to ask him whether he could not have hidden the slaves much more securely in a locked room than in the field. Says to have placed the same slaves in the field only to be able to overpower the others all the more easily by that means. Why he then Says as before. Article 34. to have had to enrich himself by keeping the slaves here until the departure of their masters, providing them with what was necessary and keeping them concealed from everyone. in order to be able to get the others to join. for had to 35. States that he can bring forward nothing for his excuse, and refers to his previous answers. Whether he, the witness, also knows anything to bring forward for his excuse, and wherein such consists. at the bottom was written: Thus questioned and answered at the Cape of Good Hope on 7 April 1790 before the gentlemen Carel Mara and Abraham Fleck, members from the Honorable Respected Council aforementioned, who have duly co-signed the minute hereof together with the interrogated and me, the mentioned clerk. lower: To which I testify, was signed: J: D: Karnspek, sworn clerk. Re-examination. Appeared before us the undersigned commissioners from the Honorable Respected Council of Article 36. to the forests has sent. Justice aforementioned, the aforementioned Pieter Henkes, who, having had these aforementioned question points clearly read to him, testified to persist and maintain them, with the desire that nothing more be added thereto or taken therefrom, testifying that all the foregoing is the pure truth. at the bottom was written: Thus done and re-examined at the Cape of Good Hope on 1 April 1790. was signed: Pieter Henkes lower: In my presence, signed: J: D Karnspek, mentioned clerk in the margin: As commissioners, and signed: T: C: Bennenkamp and A-m Fleck. Karnspek Signed Clerk Agrees.

Dutch transcription

Art 18. Artil 21. vervald En of dieselfde Vreese ook met oorzaak is, dat hy gem. de slaaven, voor dat hij ze na de Bosschen heeft verson„ den in de Bastmolen heeft opgeslooten. zegt deselve Hlaven Isneen waarom hy gevan in de Molen niet aan de slaaven in de Bastmoolen heeft ver„ borgen. verborgen te hebben of hy get: zo hy geen zegt de slaven by de quaade Intiatie had gehad andere in huijs niet te de slaaven niet eenvan„ hebben kunnen bea„ dig voor hetoog van een yder in zekerheid had kun„ nen houden „ 20 had te hebben om die slaaven by hem te houden zegt geen Jntentiege„ of het zorgvuldig spipigen der slaaven, en de besorging van deselve met Combaarsen en doeken, niet natuurlijker wijze een voorneemen van hem gevr: aanduidde om die slaaven voor zichte behouden zo neen, of zulx den niet door zyn Vrouw of een ander is geschied ƒ „ 22. hy geven toende Haver zegt niet meer als een oude Combaars en een naar de Bosschen zyn gezon„ lap Linnen voor twee dier slaven tot hoofd den met twee Combaarsen doeken gegeeven te hebben heeft mede gegeeven en een Lap Linnen om Hoofd doe„ kenven te maaken zegt als vooren Art 21 Artich 19 gen. „ 23. Of Art: 24. zogt Ja geselde zol zegt geen Intentie ge¬ bij verbolking gehoord te hebben. zegt dat hy get. met of aan hem Gen ook onbe„ kend zijn de Soldaaten van het alhier guarnisoen hau„ dend Regiment van Mor„ temberg. Johannes pran„ del en Jacob Fredrik Gros rans. of deselve zich by hem geor: niet verhuurd hebben, tot het verrigten van Roeren„ werk of deeze Soldaaten ook present zegt neen, want dat waren doen de slaaven op de gem soldaaten ordi„ nair saturdags van Plaats zyn gekoomen zyn geve. vertrokken, om leendags aande Caab praeze„ sent te weesen zegt zulx niet te weeten of deselven ook kennis hebben gedraagen van de N 27. zegt door de Meyd Marian daar hy gevr: by zyn voo„ rig verhoor ad. Art: 20: gezegt heeft dat hy van de Vyf Mosam. biege se slaven gehoord had, dat er meer 's Javen in den Berg of hy ged: niet begeijpt dat ontstilswygen noodwendig een kwaad voorneemen in hem doed voor onderstellen, zo hetzelve met op het geschied is! selve te verswijgen. had te hebben om de zyn knecht zoveel omtandigheid niet Waarom hy Gesr: voor die slaaven verbrgen heeft ge„ houden dat hy Vyf Ma„ sambigse slaven op zyn Plaats hadde Art: 28. op hondert o: Edn vyf Mo„ sambiquese slaaven. voorn „ 25 zegt Ja: waren daaten te kennen. „ 26. maakt „ 29 „ 30. vervald zegt neen varen, of hij geer ook weet in welke taal der zelve, hem zulx hebben verhaald. zo de gevr: zegt by verbol„ king hem te vraagen wie de tolk geweest is 2 of hij gesz: ook eenig voorneemen heeft gehad om de voormelde 5 slaven na elders te transporteeren Art 33. zegt deselve slaa, of hy get. nu met be„ ven opgehouden kennen moet, dat hy en van 't nodige waarlijk een voornemen „ 32. Art: 31 zo de gev. zegt geen zegt deselve slaven voorneemen gehad in hetveld geplaatst. te hebben om dezelve te hebben alleenlyk om door dien weg de slaaven voor zich te behouden, hem als dan andere des te gemak„ lijker er bij te kun„ te vraagen of hy de Hlaa„ nen machtig worden. ven, niet veel tekerder in een verslooten ver„ trek als in het Veld heeft kunnen bergen Waar om hy zedan zegt als vooren. Art 34 voorzien te hebben gehad te hebben om zich„ te verryken, door de slaven om de anderen tot het vertrek van en by te kennen hun Lyfhier te be„ krygen houden, deselve van 't nodige te voorsien en voor een eider verbor„ gen te houden. voor F gehad naa „ 35 legt niets tot zyne of hy get ook iets tot verschooning te kun, zyne verschooning nen bybrengen, en zich weet by te brengen, en te refereeren aan zijne waar in zulx beslaas voorige antwoorden. /:onderstond: Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de Goede Hoop den 7 April 1790 voor de Heeren Carel Mapa en Abraham Bleck Leeden uit den E: Achtb: Raad voorm: die de Minute deezes benevens den geinterr: en my gem: Clercq. mede be hoorlyklyk hebben onderteekend /: lager T welk ik getuyge /:was geteekend I: D: Karn„ spek gesu Clercq Recollenen. Compareerde voor ons ondergetek„ geconm: uit den E: Accatb: Raadeven Art 36. naa de bosschen heeft geranten Justitie voorn: voorn. Pieter Henkes dewelke deeze voorenstaande Vraagpointten klaarenduijdelyk voorgeleesen, wee zende, betuygde, daar bij te blyven per tisteeren, met begeerte dat er niets meer bij ofte van gedaan werd en zal, betuygende dat al het voorenstaande de zuyvere waar heid is. /:onderstond:/ Aldus gedaan en gerecolleerd aan Callode Goede Hoop den 1 April 1790. /:was geteekend.) Pieter Henkes /:lager:/ My present /:get:/ I: D karnopik gem Cercq /: in margine:/ Als gecomen /: en geteekend:/ T: C: Bennenkamp en A=m Fleck. Dampek Get: Clercq Jant Accordeert

NL-HaNA_1.04.02_4354_0128 view scan ↗

English

No. 1 Appeared before the Honorable and Esteemed Gentlemen, the President and Councillors of Justice of the Castle of Good Hope, the Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lynden, prosecutor in official capacity, plaintiff on the one side, Against Maria Malang, widow of the late citizen Hendrik Engelaar, defendant on the other side. And stated: That when a certain slave named Pieter van de Kaap, belonging to the defendant herein, came in the month of November of the past year to complain about the treatment by his mistress, the plaintiff in official capacity immediately had him placed in the jail and subsequently examined by the second chief surgeon Leeuwer, in order to investigate whether the defendant had truly committed an offense in punishing or having that slave punished, and had also given above-mentioned Pieter any reason to complain of ill-treatment; That upon examination of the aforesaid slave, it appeared that not only had a wound on the forehead been inflicted on him, but also both of his buttocks were bruised and partially flayed, as shown by the accompanying surgical certificate under C; That this conduct, carried out by the defendant's servant Jan Nagel and approved by her as his mistress, was very far from falling within the terms of a moderate and domestic castigation; On the contrary, under correction, it may well be classified under the ill-treatments which, on grounds of humanity and in accordance with the written laws in the statutory laws of the Indies, have been so severely prohibited, see the title on slaves or bondsmen post initium; That the plaintiff in official capacity has therefore deemed it necessary to bring the defendant's conduct to the attention of Your Honorable Esteems, so that such deeds may be curbed in a lawful manner, and others may be punished as an example. For which and other reasons and grounds to be further substantiated in due time and place, the plaintiff in official capacity, making his claim, concluded that the above-mentioned slave named Pieter van de Caab, by order of Your Honorable Esteems, shall be publicly sold for the benefit of the defendant under the express condition of never again being allowed into the hands of the defendant or her family, with further condemnation of the defendant to a fine of two hundred rixdollars pro fisco cum expensis, or to other penalties. Signed: J. N. S. van Lynden. In the margin: Exhibited in court the 7th of January 1790. Account given in the presence of the Gentlemen Commissioned Members from the Honorable Council of Justice of this government by and on behalf of the slave boy Pieter van de Caab, of competent age, at the requisition of the Independent Fiscal, the Honorable Gentleman J. N. S. van Lynden, reading as follows: I, the undersigned, declare at the requisition of the Honorable Gentleman, the Fiscal Jurist J. N. S. van Lynden, that the relator, who was a bondsman of the citizen Hendrik Engelen, and residing at the farm named Koeberg, on a certain day according to his best recollection, now well over one and a half months ago, and eight days after the death of his aforesaid master, was ordered by a servant named Jan Nagel, still residing on the same farm with the widow of the said Engelen, to go along with other boys to a piece of land belonging to that farm to cut barley, and that he set to that work without any delay; That the aforesaid Nagel, in the afternoon, also went to the field. Having examined today in the Honorable Company's prison a certain male slave, named Piet van de Caab, belonging to the Miss Widow Engele, who was found to have had inflicted upon him by blows a slight, superficial wound on the forehead, and both his buttocks bruised and partially flayed. Cape of Good Hope, the 20th of November 1789. Signed: I. Leeuwer.

Dutch transcription

N=o 1 Ende deede zeggen. 2 dat wanneer zekere slaaf in naame Pieter van de kaap, toe behoorende aan de gedaagdesie in dee„ sen. 3. Zig in de maand November des gepasseerden Jaars over de behandeling zijner Lijfvrouwe was komen beklagen 4 de 2:0: Eisscher denselven terstond in de Tronk, heeft doen „plaatsen en vervolgens door den tweeden oppermeester Leeuwer laten examineeren. 5 ten einde te ondersoeken of de ged=te in het straffen oflaten straffen van dien slaaf zich wesentlijk vergreepen. 6 en aan bovengem: Pieter ook eenige reden gegeven had, om over mishandeling te klaagen. 7 dat bij visitatie van evengem: slaaf gebleeken is 8 dat aan denselven niet alleen was toegebracht eene wonde aan het voorhoofd 9. maer ook deszelfs beide billen gekneusd en gedeeltelyk ontveld waaren. 10 blykens het nevensgaande Chirurgicaal abbest sass: C „ dat deese handelwijze door den ged. te knegt Jan Nagel uitgevoerd en door haar als zyf vrouwe geapprobeerd wel verre van te vallen in de termen van eene modigeel en domestique Castigatie 12 Jn teegendeel, halvo meliori wel kan gebragt Contra Maria Malang Wed. wijlen den Burger Hendrik Engelar ged te ter andere zyde Compareerde voor de Wel Edele en Achtb: Heeren President en raden van Justitie des Casteels de goede Hoop de Jndep: fiscaal Johan Nico„ laaststeven van Lijnden R. O. Eisscher ter eenre. werden worden onder de mis handelingen 13 Welke opgronden van menschelijkheid en in navolgeng van de beschreevene rechten in de stotutaire Wetten van Jndien zo scherpelyk zijn verbieden geworden. 14 Vidi den titue van slaven of Leyteigenen portinitium 15 dat de r: o: Eisscher der ged=te gedrag, ovezul gemeene heeft onder het oog van u EE. Achtb. te moeten brengen 16 ten einde diergelijke daaden op een rechtmatige wijze beteugeld 17 en anderen ten voorbeelde zouden kunnen worden gestraft. Mits welke en andere redenen en middelen in tyd en wijlen is het rood nader te adstrueeren, de 2: O: Eijsscher Eisch doende concludeerde dat bovengem. slaaf in naame Pie„ ter van de Caab, ter ordre van UEE Achtb: publieq ten profijt vande ged=ne zal werden verkogt onder expresse conditie van mooyt wederom in handen vande ged=te of derselver famielje te mogen geraaken, met verdere Condemnatie vande ged=te in eene Boete van tweehonderd rijksdaalders, profisco cum expen¬ is ofte tot andere e (; was get:) J: A: A: van Lynden. /:in maigine:/ Exhibeteum in Judicis den 7 Jann 1790 - Jn ondergeteekende verklaare ter requisitie van den E: Achtb: Heer Jur fiscaal J: N: J. van Lynden op dat den relat=t die een Leijfeigenis geweest vanden Burger Hendk Engelen, en woonagtig te plaatse Koeberg genaamd, op zekeren dag na deszelfs besten onthoud, nu ruim een en een halve haard geleeden, en agt daagen na het overlyden van gem zijn zijfheer, door een op deselfde Plaatsen bij de Wed=e van ged: Engelen noch woonachtig zynde knegt in naame Jan Nagel, gelast zijnde geworden, om benevens andere Jongens naeen stukland aan die plaatsbehoorende te gaan, en gurst te snijden, ook zonder eenige uitstel, zich aandat werk heeft begeeven dat gem: Nagel, des nademiddags mede Relaas gegeeven ten overstaan van Heeren gecomm: Leeden uit den E: Achtb: Raade van Justitie deses gouvernements door ende van wee„ gens den slavenjongen, Pieter van de Caab, van competenten onder dom, ter requisitie van den Jndes„ pendentiiscaal d' E: Achtb Heer J: N: S: van Lynden luydende hetzelve als volgt. heeden in het E Comp. s gevangenhuijs gevisiteerd te hebben zekere mans slaaf, genaamd Piet van de Caab, toetee„ hoorende Juffrouw de Wede. Engele welke door slagen, bevonden te zyn toegebracht een ligt nyperficieele wende aan het vorhoofd, en deszelfs beide billen gekneusd en gedeeltelyk ontveld. Cabo de goede Hoop den 20 November 1789 /:was geteekend:/ I: Leeuwer. opt 2

NL-HaNA_1.04.02_4354_0130 view scan ↗

English

having arrived at the field, he had lain down between some sheaves of barley to sleep a little, after first having told the boys who were at work that they could rest a little and then had to go back to their work, while subsequently, toward the evening, inspecting the work and not finding the same advanced sufficiently to his liking, he had first beaten the boys who were assigned to binding the sheaves, and subsequently had also come to the relator, whom, notwithstanding his offered excuse, he had beaten with a rattan in such a manner that it was broken into several pieces thereby, while from those blows the relator had sustained a wound to the head, the relator having thereupon gone to the slave house; that the relator, the following morning, had found himself unable, because of severe pain caused by the aforementioned received blows, to go perform his work in the field, and had requested a shepherd who happened to be on the farm to go to the main house and report this situation of his to the relator's mistress; whereupon, also shortly thereafter, the relator's aforementioned mistress had come outside, while in the meantime the aforementioned Nagel was in the slave house and wanted to force the relator with blows to go work in the field, from which the relator requested to be excused, under the repeated declaration of not being able to work because of the pain that he felt; upon which statement the aforementioned Nagel had called out to the relator's mistress that the relator did not want to go to work, whereupon the aforementioned mistress of the relator ordered some boys to be called from the field to put him in irons; that a little while thereafter, when the relator's mistress had gone back into the house, some boys having arrived pursuant to her order, the relator was not locked in irons, but was thrown to the ground by them and held fast, while he was grievously beaten by the aforementioned Nagel with a sjambok, and to such an extent that several scars from it, which he has shown to the gentlemen commissioners, are still visible today; that the relator, after he was released again, had wanted to go to the main house in order to lodge his complaint regarding that mistreatment with his mistress, but was held back in this by the said Nagel, who drove the relator back to the field with blows of the sjambok, where the relator had gone back to work until toward 8 o'clock, when, it being mealtime, the other boys had left from there, while he, however, instead of returning home with them, had proceeded further inland and into some bushes, where he had spent the following night; and subsequently, while out of fear of further mistreatment he did not dare go home again, after considering that he could no longer endure it in such a manner at the place of his mistress, and also by wandering about further might become guilty of excesses through privation or otherwise, and thereby might end up in the most dreadful situation, he had resolved to proceed Cape-ward in order to make his complaint known there to the judge regarding the extreme mistreatment, which he then also put into effect, and arrived at the Cape on the third day following, where on that very same day, after first having been interrogated, he was placed in the jail; Relating nothing more, the relator gives as reasons for his knowledge as in the text, being prepared always to substantiate the foregoing further. Thus related at the Cape of Good Hope, the 6th of January 1790, before the gentlemen Salomon van Echten and Johannes Smuts, members of the Honorable Council of Justice aforementioned, who duly co-signed the original minute of this together with the relator and me, the secretary. Underneath stood: Which I witness, signed W: S: V: Rijneveld, Secretary. Verification. Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this Government, the aforementioned Pieter of the Cape, who, this foregoing statement of his having been clearly and distinctly read to him, declared that he persisted therein, desiring that nothing more be added to or taken from it, declaring in the presence of the Firemaster T. Arend van Wielligh, as attorney of Mistress Engelaar, that this is the pure truth. Underneath stood: Thus done and verified at the Cape of Good Hope, the 15th of March 1790, signed X and around it was written: this cross was made by the relator in his own hand as he is unable to write. Below: Present: signed J: d: karnspek, sworn clerk. In the margin: as commissioners: signed R: J: v: d: riet and M: J: deWet. The defendant in his capacity, after first having expressed to Your Honors with dutiful respect his humblest thanks for the copy favorably granted to him of the claim and accompanying documents submitted by the Honorable Official Plaintiff, as well as the term to respond thereto today, shall now have the honor to briefly remark the following: that one cannot with any reason expect of those who possess the use of their senses, that they, without urgent necessity, will punish or chastise their bondsmen, upon whom in these parts of Africa the principal part of their worldly livelihood is frequently connected and dependent, and especially in the countryside. Right Honorable Sir, Right Honorable Gentlemen, Response made and very respectfully submitted to the Right Honorable Sir Johannes Isaak Rhenius, President, as well as the other Right Honorable Gentlemen Members of the Honorable Council of Justice of this Government, by and on behalf of the Firemaster S: Arend van Wieligh as constituted attorney of Maria Malang, widow of the late burgher Hendrik Engela, defendant on the one side, Against the Independent Fiscal of this Government, the Right Honorable Sir Johan Nicolaas Steven van Lijnden, ex officio, plaintiff on the other side.

Dutch transcription

't land gekoomen zijnde, zich tusschen eenige ger„ vengarst, om wat teslaapen had nedergelegt, na alvoo„ rens de aan het werk zynde jongens gezegt te hebben, dat sij wel een weinig konde rusten, en dan weder aan hun werk moesten gaan, terwijl vervolgens teegens den avond hetwerk besigtigende, en het zelve niet genoeg na zijn zin bevorderd vindende, eerst de jongens die aan het opbinden dergerven gesteld waren, geslagen had, en vervolgens mede bij den rel=t was gekoomen welke hij niet tegenstaande zijne bijgebrachte veront„ schuldiging dermaaken met een rotting had geslaa„ gen, dat deselve daardoor in verscheide stukken gebrao„ ken was terwijl door die slagen, den rel=t en wonde aan het hoofd, had bekoomen, hebbende den rel. t zich daarop naar het slavenhuys begeeven dat den relt des anderen daags morgens, ziby weegens zwaare pijn door gem: bekoomen slagen niet in staat bevonden had, om op het Land zyn werk tegaan verrigten, en over zich aaneen op de Plaats zich bevindende, schaapen wachter versocht had, naar het woonhuijs te gaan, en aan de Lyfvrouw van hem rel:t: deese zijne situatie te berichten waar op ook kort daar na gem des relt. s Hlijf„ vrouw was buyten gekoomen, terwijl intusschen gem: Nagel zich in het slaven huys bevond, en den relt met slaagen wilde dwingen, om op het Land te gaan arbeiden, waarvan hij telt„ verzogt bevreid te blijven, onder verhaalde betuijging van niet te kunnen werken wegens de pyn welke hy gevoelde op welk zeggen gem Nagel, des reb s Lyfvrouw, toegeroepen had, dat hij rel. t zich niet aan het week welde begeeven, waar op gem: Lyffrouw vande rel.t nad gelast eenige Jongen van het Land teroepen, om hem in de boeijen te zetten. dat een weinig daar na, wanneer des relt Lijfvrouw zich weder in huys hadbegeeven, inge„ volge haar Last eenige jongens, gekoomen zijnde den rel=t niet inde boeijen geslooten, maar door hun was nedergelegt en vastgehouden terwijl, hij door voorm: Nagel, met een jambok deerlyk ge„ slaagen, en zodanig dat daar van eenige Lidtee„ kenen, welke hij aan h. h: gecomm: heeft ver„ toond, op heeden noch zichtbaar zijn. dat den rel=t nadat hij weder los gelaaten was zich naar het woonhuys had willen begeeven ten einde zijn beklag, wegens die mishandeling bij zijne Lijfvrouw in te brengen, doch hier in was terug gehouden, door gezegde Nagel, die hem rel:t, met 1 Jambokslaagen, tezug na het Land ge¬ dreeven, alwaar hij relt weder aan 't werk was gegaan, tot teegens 8 uuren, als wanneer het eetenstyd zynde, de andere jongens van daar weg„ gegaan waren, terwijl hij echter, in steede van met henl: na huijs te keeren, zich verder Land„ waards en in eenige bosjes had begeeven, alwaar hij den volgende nagt had door gebracht, en vervol„ gens terwijl hij uit vreese voor verdere mis hande„ lingen, niet wederdurvende naa huijs gaan, na overweeging, dat hij op dusdaanige wijse het ter Plaatse van zine Lijfvrouw niet langer konde uitstaan, en ook met verder omswerven zich door gebrek als andersints aan excessen mogt koomen schuldig„ te maaken, en daardoor in de akelingste situatie mogte koomen, beslooten had zich Caabwaards te begeeven, om aldaar weegens de verregaande mishandelingen, zijn beklag bij den rechter in kennis te te brengen, het welk hij dan ook werkstellig had gemaakt, en de derde dag daar aan volgende aan de Caab was gearriveert, alwaar hij noch dien zelfden dag, na alvoorens verhoord te zijn geworden, in de Tronk was geplaatst„ Niets meer relateerende geeft den relt. voor rede„ nen vanweetenschap als in den Text, bereid zijnde hetvoorenstaande altoos nader gestand te doen. Aldus gerelateerd aan Cabo de goede Hoop, den 6 Janu„ arij 1790. voor de Heeren Salomon van Echten en Johannes Smuts, Leeden uit den E: Achtbaare Raade van Justitie voorm: die de minute deeses beneevens den rel=t en mij secretaris mede bee„ hoorlijk hebben onderteekend. /:onderstond:) 'Twelk ik getuige /:get:/ W: S: V: Rijneveld Secret„s Recollement. Compareerde voor en: onder get: Gecommitt: tus den E: Achtb: raade van Justitie deeses Gouverne„ ments, gem: Pieter vande Caab, dewelke dit zyn vooren„ staande relaas klaar en duijdelijk voorgeleesen wee„ zende betuygde denselven daarbeij te blyven per„ sisteeren, met begeerte dat er niets meer bij ofte van gedaan werden zal, betuygende in praesentie vande Brandmeester T. Arend van Wielligh, als gem: van Juff: Engelaar zulx de zuivere waarheid te zijn, /:onderstond:/ Aldus gedaan en gerecolleerd aan Cabo de goede Hoop d 15 Maart 1790 /:get:/X/: en daarom geschreeve:/ dit kruijs heeft de rel:t als niet kunnende schrijven eigenpan„ dig gesteld /:laga:/ Tij present:/ geteekend / J: d: karn„ spek gen: Clercq /:in margine:/ als geconn: /:get:/ r: J: v: d: riet e M: J: deWet. den qq Ged: na alvoorens Uwel Achtb. met de plicht„ schuldige eerbied voor de gunstig aan hem verleende Copia van des E: Achtb: Heer 2: b: Eisschers ingediende Eisch en annexe docuimenten, mitsg.:s termein op ophee„ den te dienevan Antwoord zijnen nedrigsten dank betuygd te hebben, zal thans de eer hebben het vol„ gende kortelijk te remarqueeren, dat men met geen reden van die geenen, de„ welke het gebruijk nunner zinnen magtig zijn verwachten kenr, dat deselven buijten de drin„ gens te noodzaakelykheid, hunne Leijfeigenen waar aan in deze gedeeltens van Africa het voor„ naamste aldik wils van hun tidelyk bestaan verbonden en verknegt is, en welvoornamentlyk ten platte Lande zullen straffen of kasteijden, VWel Edele Achtb: Heer. WelEdele Heeren, Antwoord gedaan maaken, en zeer eerbiedig overgegeeven aan den Wel Edelen achtb: Heere Johannes paak Eke„ nuus praesident beneevens de vadere Wel Edele Heeren Leeden uit den E: Aem raade van Justitie deeses Gouverne„ ments, door ende van weegens den Brandmeester S: Arend van Wieligh als gen: gem: van Maria Malang Wed. wylen den Burger Hend=k Engela ged=de ter eenre. Contra de Jndepend: fiscaal deses Gouverne„ ments de WelEd. Achtb Heer Johan Nico, laastteven van Lijnden dat off„ Eisscher ter andere zijde. ƒ ƒ

NL-HaNA_1.04.02_4354_0132 view scan ↗

English

No, but it will surely be a special pleasure and satisfaction to every right-minded Christian when they are able to make their bondservants, slaves, obey by means of words and bring them to the performance of their duty; meanwhile, continuous experience has taught that it is almost utterly impossible to govern the slaves at this remote corner of Africa, and especially outside this capital place, by words or reason and to bring them to their duty. Indeed, some are even of such a spiteful disposition that they not only cannot or will not be governed by words, but that they thereby increase from day to day in wickedness, disobedience, and insolence toward their lawful masters or mistresses, whereby one is then not seldom brought to the utmost necessity of punishing and chastising them in a proper manner. And this, Right Honorable Gentlemen, is precisely the case in which the principal defendant found herself, who, for the continuation of her agriculture, was brought into the unavoidable necessity of having to keep a very considerable number of slaves, who, as far as the defendant is aware, were never mistreated in any respect either by her deceased husband or by her, there also never having been brought in on that account any complaints, neither to the Honorable Fiscal nor to anyone else, except now recently by one of her bondservants, named Piet van de Caab, who, by an account entirely devoid of all truth, has criminally misled the Right Honorable Fiscal; on which account the said defendant is obliged not only to lay open the true circumstances of this matter, but also the malicious disposition of this slave before Your Honors; regarding this latter, Your Honors will please reflect that this boy of hers, Piet van de Caab, has for three years past distinguished himself above the others of their bondservants in disobedience, rebelliousness, and insulting insolence against his master and mistress and their family, as appears from an annexed declaration marked L: A, deposed at the request of the defendant by the gunner's mate of the Honorable Company, J. Pauwels, who has already lived with the defendant for three years as a schoolmaster, from which it will manifestly appear that the slaves of the defendant, both during the lifetime of her late husband and after his death, have always been treated in a proper and reasonable manner; but however reasonably and properly the said Piet van de Caab was treated, he was nevertheless by no means improved thereby, but gave rein to his malice to such an extent, and lost sight of and trampled underfoot the respect which he owed to his master and mistress and their family, that now already more than a year ago, when something was ordered by the principal defendant to one of her slave boys, named Esauw, who is a child of the aforementioned Piet, which was not carried out, on which account the said defendant sent her youngest little son, named Hendrik Engela, to the said slave boy Esauw to see whether the order had been executed, which little son of the defendant

Dutch transcription

neen, maar het zal gewisselijk een eider rechtge„ rard Christen tot een bijzondere vermaak en verge„ noeging zijn, wanneer zij hunne Leijfeigenen, slaa„ ven, met woorden kunnen doen gehoorzaamen en tot het uitoeffenen van hunne plicht brengen, on„ dertusschen heeft de geduurige ondervinding gelees. „dat het bijnaar volstrekt onmoogelyk is, om de slaaven aan deeze uithoek van Afhica, en wel ins on„ derheid buijten deese Hoofd Plaats door woorden of reeden te regeeren en tot hunne plicht te brengen. Ja zelfs zijn zommingen van zodaanige wrevelen in borst, dat zij door woorden niet alleen niet kun„ nen off willen geregeerd worden, maar dat deselven daardoor vandag tot dag in slegtheid ongehoersaam„ heid en brutaliteit teegens hunne wettige Leijfkeeren of vrouwen teneemen, waardoor men dan niet zelden in de uittciste noodzaakelykheid gebracht word, om deselve op eene behoorlijke wijze te straffen en te kastijden. En dit wel Edele Achtb: Heeren is juist het geval waarin zich de p. l ged=ne bevond, de welke het voort„ zetting van haaren Ackerbouw in de onmeidelijke noodzaakelijkheid gebracht is, om een zeer aanzien lijkgetal slaaven, te moeten houden, dewelke zoo veel deged=te bewust is, nimmer noch door haar overleedene Man, noch door haar in eenigte Op„ zichten zijn mishandeld geworden, zynde ook diesweegens nimmer eenig te klagten, noch by de E. Achtb: Heer 2.O. Eiskher nog bij iemand au„ ders ingebracht, dan nu onlangs door een naa„ rer Leyfeigonen, genaamd, Piet van de Caab, de„ welke door een geheelen al van alle waarheid ontbloot relaas, den Edelen Achtb. Heer E. C: Eiss=r niet dan straflijk heeft misleid, weshalven de go ged. e ver„ „plicht is, omme niet alleen de waare omstandigheden deeser zaak, maar ook den quaad aardigen in borst van deesen slaaf voor uwel Ed: Achtb: open te leggen, betref„ fende dit laatste, zullen uwel Ed achtb: gelieven te reflec„ teeren, dat deeze Haren Jongen, Piet van de Caab, zedert drie jaaren, herwaards in ongebroozzaamheid, weer spannigheid en hoonende brutaliteit teegens zijne Lijfs heer en Lijfvrouwe en te hunne zich boven de andere van hune Leijfeigenen heeft gedistingueer blykens eene ten deesen geannexeerde Verklaar ring sub: L: A: door den Constapelmaat der EComp. e Jf„ Pauwels, die bij de ged=te reeds drie jaaren als school„ meester heeft gewoont, ter requisitie van de ged:n gede poneert, waaruit manifest zal blijken dat de Hlaa„ ven, van de ged=ne zo wel bij levenstijd van wijlen haren Man, als naa zijn overlijden, altoos op eene behoorlij„ ke en reedelijke wijze zijn behandeld geworden dan hoe redelijken behoorlijk ook gem: Piet van de Caab wierd behandeld, zo is echter denselven daardoor, geen„ zints verbeekerd; maar heeft zijne boosheden zo verre geviert, en het ontzag hetwelk hij zijn Lijfheer en Lijfvrouw ende hunne verschuldigt was uit het oog verloozen, en met voeten vertrapt, dat hij nu reeds ruijm een Jaar geleeden, wanneer door de p:l ged=te iets aan een haarer slavenjongetjes, met name Esauw, hetwelk een kind is van den meergecit. Piet geordonneert wierd; het welk niet wierd volbracht waaromme de 13: e zed:n haar Jongste zoontje in naame Hendrik Engela, naar gem: slaven Jon„ getje Esouw zond, om te zien of naar bevel volvoert was geworden, welke zoortje vande nietd Ged=n

NL-HaNA_1.04.02_4354_0133 view scan ↗

English

the defendant, seeing that his mother's order had not been carried out, had given him a few blows with the hand on that account, whereupon the said Piet van de Caab rushed up and dealt the son of the first defendant a few blows for that reason, an extreme insolence, not only, Right Honourable Sirs, but also a crime that according to the Statutes of India can be punished by death; it is no wonder, then, that the son of the first defendant complained about this to his now deceased father, who asked his slave Piet van de Caab, often mentioned, who gave him the authority to strike his children, and ordered him to remain standing where he stood, so that he might speak to him further; but having by now banished all obedience, he did not comply with this order of his master to stay put in the least, but went away immediately, whereupon his master, the late husband of the defendant, had a gun brought to him, as he was too corpulent to run after this rebellious slave, and aimed the gun at him; but this malicious slave, instead of standing still, went among a herd of horses and from there shouted with great fury these words at his master: "If you want to shoot anyway, go ahead and shoot, by thunder and lightning," all as appears from the said declaration of J. P. Duwels under Lit. A; upon reviewing which declaration your Right Honours will further perceive how in the month of October of the past year 1789, when the aforementioned slave Piet van de Caab was busy carrying some manure behind a kraal, at which work the eldest son of the widowed defendant, D. J. Engeler, was also present, when he asked the said Piet van de Caab where one of his fellow slaves was, the latter answered very impertinently and brutally that he, Piet, was no minder of that boy; for which improper remark, a few blows with a rattan cane were dealt to the slave Piet van de Caab by the defendant's aforementioned son, whereupon, uttering many curses spoken in the Portuguese language, this slave Piet went to the slave quarters, and came back shortly thereafter, keeping something hidden under his jacket with his hand, which was later discovered to have been a knife, as appears from the declaration cited above and produced above under Lit. A. The defendant in her capacity does not doubt in the least that these two passages will be sufficient to irreproachably demonstrate to your Right Honours the malicious and rebellious nature of the slave Piet; now the defendant in her capacity will have the honour of laying bare to your Right Honours, without adding or omitting anything, the true course of events, which was related entirely untruthfully and erroneously by the defendant's slave Piet van de Caab to the Honourable Lord [illegible], to which end may it please your Right Honours to be informed: how in the most recently elapsed year the slaves of the defendants were busy cutting the ripe barley from the field, over which labour the defendants had appointed as overseer their servant Piet

Dutch transcription

ged=te ziende dat het bevel van zyn Moeder niet was vol voert geworden, denzelven daar over eenige slaagen met den hand hadde gegeeven, waarop ged. Piet van de Caab was toegevloogen, en het soontje vande p. lo ged=n diesweegens eenige slaagen, heeft toegebracht, eene verregaande assurantie niet alleen WelEdele Achtb: Heeren, maar ook een misdaad, die volgens de Jndische statuuten, met de dood kan gestraft worden, geen wor der dan ook dat het zoontje vande p. l Ged=te dies wegens klagtig viel aan zijnen nu reeds overleedenen Vader denselven aan zijnen slaaf Piet vande Caab, dikwils genoemd, afvroeg wie hem magt gaf om zyne kin„ deren te slaan, en hem ordonneerde „ omme te blijven staan, waar hij stond, dat hij hem naderspreeken zoude, dog denselven nu reeds alle obedientie verbannen hebbende, voldeed geensints aan dit bevel van zijnen Heer om te blyven staan, maar ging wel terstond van daar, wanneer zijn Lijfheer win len der Ged. s man hem een geweerliet brengen, tei„ wijl hij te zwaarlijvig was, om deeze hem weerspan„ ingeslaaf naa te loopen, en leidde met het geweer op hem aan, damdeeren quaadaardigen staaf in Plaats van te blyven staan, begaf zich onder een trop Paarden en riep van daar zijnen Lijfheer met groote woede, deese woonenden woorden twe, als je toc h schieten wil, schiet dan maar toe /S:15 / voor den donder e Bilixem /:alles blykens de gemelde Verklaring van J: /. Pduwels sub: L: A:/ bij resumpti van welke verklaring uwel Ed: Achtb: alverder zal len ontwaren, hoe in de Maand October van het gepes seerde Jaar 1789: wanneer den evengem: Slaaf Piet vande Caab besig was eenig mist, agter een Craal te draagen, ten welk arbeid den oudsten zoon vande W. e ged=ne D: J: Engeler zich mede bevond, wanneer deusel„ ven aanged=e Piet van de Caal vroeg waar een zijner Medila„ venwas, als toen door denselven zeer impertinent en bru„ taal wierd geantwoord, dat hij Piet geen opasser dier Jon„ gen was, om welke onbetaamlijk zeggen, door des ged=t ovengems zoon, den slaef Piet vande Caab, eenige Hagen met een rotting wierd toegebracht, waarop denselven onder het uitten van veele in de portugeesche Taal uitgesprookene scheldwoorden, deeze slaaf Piet zich begaf, naar het slavenHuijs, en kost daarop wederkwam en iets onder zyn baatje met zyn hand verborgen houbende hetwelk naderhand wierd ontdekt een mes geweest te hebben, blykens de verklaaring hier vooren geciteerd en ub Lit. A: hier vooren geproduceert. den qq Ged. e twijffelt geensints af deeze twee pasagien zullen genoeg zijn om uwel Ed. Achtb: der kwaadaardigen en weerspannig en in borst van den slaaf Piet irreprocka„ teel aan te koonen, thans zal de gq ged. de Eerhebben, aan uwel Ed achtb: den waren toedracht der zaak, die ge„ heel onwaarachtig en verkeerdelyk door des ged. e Lijf„ eigen Piet vande Caab aan de E Achtb Heer h. O E Hiker is gerelateerd, zonderaf of toedoen, open te leggen ten welken einde UwelEdele Achtb: gelieven gein„ formeert te zijn hoe in het jongst verloop en Jaar de slaven van deged. ts besig waren, om vande Akker, derip gewordene garst af te wijden, over welken ar„ beid de pp: ged:n als toezichter hadde gesteld, naren Pier knegt

NL-HaNA_1.04.02_4354_0134 view scan ↗

English

servant, the Citizen Johannes Nagel, a person who is recorded by all members who know him even slightly as a man of very good conduct, and regarding whose mistreatment of slaves no one, wherever he has ever been, has made even the slightest complaints, the principal defendants being able, if necessary, to prove this further, When said servant Johannes Nagel during this work ordered said Piet van de Caab and the other slaves working on the land not to waste the barley, and especially recommended said Piet to take care of this, which was nevertheless entirely neglected by him, so that much of the cut barley was lost. Said servant Johannes Nagel, to whose supervision all this was entrusted, gave the disobedient slave Piet several blows with the cane for this, but this slave, far from being brought to his duty by this, assumed a fighting stance against said Johannes Nagel, seizing the cane and holding on to it, a conduct as improper as it is punishable for a slave. It was therefore also, Right Honorable Gentlemen, that this servant, having first forcefully snatched the cane from the rebellious slave Piet, inflicted several more blows on him with it, whereupon said slave Piet wanted to run off the land, which, however, was rightfully prevented by said servant and he was forced to work again. However, the following day, when said servant wanted to have the remaining barley still standing in the field cut by the slaves of the principal defendants, he found that said bondsman Piet was not present, and learned from the other slaves that said Piet could not come but wanted to remain lying in his bed, indeed that he had warned them that if any of them were sent to fetch him, they had better beware of doing so, because otherwise, according to his saying, accidents would happen, a conduct which the represented defendants trust Your Right Honors will certainly please to acknowledge does not in any way correspond with the deference, respect, and obedience that a slave owes to his Lord and Masters. Then the frequently mentioned servant Nagel left the field upon this report and called some of the slaves to him in order to have assistance in case the insolent slave, whom he now clearly saw was malicious enough to carry out his threats, wanted to commit any violence, When some slaves received orders from the just-mentioned servant to bring the slave Piet out of the slave house, who, when they came into the slave house, were urged once more by said Piet not to touch him, because otherwise accidents would happen, but said servant Nagel, rushing forward upon this, the same was seized by him and the accompanying slaves; and thereupon laid down and given a beating with a sjambok, as appears from a declaration annexed hereto, deposed at the requisition of the principal defendants by the Citizen Johannes Nagel under letter [illegible], However, far from this slave thereby being brought to his

Dutch transcription

konegt, den Burger Jeh. s Nagel, een persoon die bij alle Leeden die hem maar eenigsints kennen, te boekstaat voor een Man van zeer goede conduite, en over wiens mishandeling van slaven door niemand, waar hij ook ooyt geweest is, eenige de minste klagten is gedaan, kunnende de p. o ged=n desnoods, zul nader bewijzen, Wanneer gem: knegt Joh.s Nagel bij deesen arbeeiu meergem: Piet van de Caub en de andere op het Land er„ beidende slaaven, aanbevool om niet met de garst te morsen, en in het bijzonder gem: Piet recomman„ deerde om daarop te passen, hetwelk echter door den„ zelven ten eenemaal wierd verwaarloost zo dat veel der gesweedene garst verlooren ging. den gem: knegt Jeh. s Nagelaan wiens opzicht dit alles was toevertrouwd gaf den ongehoorsaamen Haar Piet hier over eenige slaagen met den rotting aan deesen slaaf wel verre van hier door tot zyn plichtgebracht te worden, stelde zich tegen meerw Joh. s Nagel in postuur, grijpende den rotting en den„ zelven vasthoudende, een handelwijs zo onbe„ taamlyk als strafbaar voor een slaaf Het was daarom ook wel Edele Achtb: Heeren dat deese knegt, de rotting eerst met geweld, den weerspannigen slaaf Piet ontrukt hebbende denselven nog eenige slaagen, daar mede twee bracht, waarop gem Maag Piet van het Land wilde afloopen, het geen echter hem door de meerm: knegt te recht belet en hij weder tot arbeiden genoodzaakt wierd. dog des anderen daags wanneer meergec„ knecht, door de slaaven van de sp=l geb=te de overige nog te veldstaande garst wilde laaten afsnijden, ben vond hij dat ged:e Leijfeigen, Piet niet prasent was, en verstond van de andere slaaven, dat ged:s Piet niet komen konde maar in zijnen kooij wilde blijven leggen, Jaa dat hij hun had gewaarschouwd, om wanneer eenigte vens hun wierden afgesonden om hem, te halen, zijl: zich wel zouden hebben te wachten zul te doen, terwij eran„ ders, volgens zijn zeggen ongelukken zouden gebeuren eene handelwijs dewelke den qq ged. vertrouwt, dat Uwel Edele: Achtb. wel zulken gelieven te advoueeren die geensint over eenkomt, met het ontzag eerbied en obedientie, welk een slaaf aan zijne Heer en en Meesteren verschuldigt is dan den dik werf gemelde knecht Nagel begaf, zich op dit rapport van het Land af en riep eenige der Haan ven tot hem on ingevalle de brutaale slaaf die hij nu welzag, dat kwaadaartig genoeg was, om zijne Vreigemen„ ten ten uitvoerte brengen, eenig gemeld wilde plegen adsistentie te hebben, wanneer eenige slaven door den knechtevengemeld ordre ontvingen omme den slaaf Piet uit het slaven huijs uit te haalen, dewelke wanneer in het slaaven huys in kwamen door ged: Piet andermaal wierden aangemaant hem niet aan te raaken, terwijl er an„ des ontelukken zouden koomen, doch den meergem: knecht Nagel, daarop toespringende wierd denselven door kem en de bij zijnde slaaven gegreepen; en daar op nedergelegt en met eenen Jambok eene Pakslaag en gegeeven, blijckens eene ten deesen ge„ annexeerde Verklaaring, door den Burger Johannes Nagel ter requisitie vande P=le ged:n gedeponeert subl:k dog wel werren dat deese slaaf, daar door tot zij dog des nen

NL-HaNA_1.04.02_4354_0135 view scan ↗

English

not returned, he seized the opportunity and secretly left the place of the principal defendant, betaking himself to the Honorable Judge-Officer, Plaintiff, [presenting] the same with an account utterly devoid of all truth, his complaints against his mistress and those appearing on her behalf. Now not to mention how greatly this slave has sought to incite others of his fellow slaves to the commission of all sorts of misdeeds, wherein he has also achieved his purpose with some of them, as Your Honors can observe from an annexed declaration of some slaves of the principal defendants sub lit. C, which on this side is not produced as proof, but merely added for Your Honors' contemplation; from all of which the qualified defendant trusts that Your Honors will observe as clear as day and noon the groundlessness of the claim exhibited and conclusion drawn by the Honorable Judge-Officer, Plaintiff, especially when Your Honors please to reflect upon what foundation of proof the same is grounded; for indeed, Honorable Sirs, the same is grounded upon nothing else than solely and exclusively upon the account related by the slave, which, Honorable Sirs, can never according to the written laws be accepted as lawful proof, and that for these reasons: because those who can give testimony in a case must be free persons and capable in legal matters, L. XVI tit. Cod. de Testib. & auth. Cod. Si Testis eod. And thus, Honorable Sirs, it speaks for itself that no slave can be admitted as a witness in any case, the more so quia servus caput sive personam non habet, because a slave forms or has no legal head or person, L. 3 Cod. Digest. de Cap. min., nor are slaves, as far as the Jus Civile is concerned, considered as anything, L. 33 Cod. dig. de reg. Jur., and because slaves are compared not only to the dead, but even to four-footed beasts, L. 53 fin. de Cond. & demonstr. L. 2 § 2 d. ad L. aquil.; and besides this, Honorable Sirs, one can never attribute to a slave that free will which is absolutely required in the giving of testimony, since they depend on the will and discretion of others, which is why they can never be produced as competent testimony, L. VI D. de Testib. C. 10 & de Verb. Signif., wherefore a slave with regard to his master is rightly rejected as a witness, in so far ut nec pro domino nec contra dominum testimonium dicere liceat, L. 8 Cod. h. t. L. 1 Cod. de quaest., that he can testify neither for nor against his master, unless in cases of adultery and laesae majestatis, L. 1 Cod. de quaest., in which cases the testimony of a slave is not accepted unless it is supported with credibility by others, according to Cl. v. Koodt L. 3 par. Cap. 5; therefore Terence rightly says servitem hominem causas orare leges non sinunt neque testimonii dictio est in his Eunuchus act 2 sc. 1, spoken are the words of a prominent jurist when he rightly says: nunquam servus ad testimonium admitti potest nisi in gravioribus delictis ubi reipublicae utilitas postularet, L. 55 de Judic. L. 1 D. De Testib., that never can a slave be admitted to the giving of any testimony, unless Witness

Dutch transcription

nen Elicht wederkeerde zo nam hij de gelegendheid waar en begaf zich clandestene vande Plaats van de p l ged=te vervoegende zich bij den Edelen Achtb Heer r:O: Eisscher den selven met een geheel van alle waar„ heid ontbloote relaas, zijn klachten teegens zijne Lijfvrouwe en de haar voorkoomende Omme nu niet te gewaagen hoe zeer deesen slaaf andere zijner medeslaaven, tot het pleegen van arle slegtheeden heeft trachten aan te spooren, waarin hij ook bij eenige van deselven zijn oogmerk heeft bereikt, gelijk uwel Edele: Achtb uit eene gean„ neveerde verklaaring van eenige Lyflegenen vande p=le ged=nen sublit: C: kunnen ontwaren, die ter deeser zijds wel als geen bewijs word geproduceert maar eenvoudig tot speculatie van UwelEdee hob: deesen is bijgevoegt, uit het welk een en ander den qq ged=n vertrouwt dat uw elEd achtb: de on„ gegeondheid van den door den Edele Achtb. Heer R: O: Eisscher geëxhibeerden Eisch en genoomene con„ clusie zon en middag klaar ontwaren, vooral wan„ neer uwel Edlepbl gelieven te reflecteeren, op welke fundamentvan Bewijs, deselve gegrondes, iim„ mers WelEdele Achtb: Heeren, deselve is nergens anders op gegrond, dem enkel en alleen op het relaas vanden slaafbiet gerelateerd, het welk, Wel Edelee Achte- Heeren nimmer volgens de beschreevene Wetten voor een wettig bewijs kan werden geaccepteerd en wel om deese redenen, om dat die geenen die getuijgenis in een zaak kunnen geeven, moeten zijn vrije en voor zaaken vat baare Lieden L: WVI: Xx. Coe: de Testib: At auth: Cod: Si Testis eod: Endus wel Edele Achtb: Heeren, spreekt het als ven zich zelven, dat geen slaaf in eenige zaak, als getuijge kan worden aangenoomen, te meer quiarer¬ vus Capietsive Personam nien habeet om dat een slaap geen hoofd of bersoon uitmaakt, of heeft, L: 3. lodendigest de Cap: min: vok worden de slaaven voor zo veele het Jas Civite aangaat voort niets gehouden, L: 33. Cod: dig: de reg: Jur en om dat deslaaven, niet alleen met de dooden maar zelfs ook met de viervoetige Dieren, vergeleeken worden, L: 53 fin: de Cond: Ademonst: L: Z B Z: d: ad: L: aguil: en behalven dit Wel Edele Achtb: Heeren men kan nimmer aan een slaaf die vrije wie boeeij genen, die in hetgeeven van getuygen is ten volstrekt vereischt werd; daar deselven van den werk en het goed„ vinden van anderen afhangen, waarom zij nimmer als een bequaame getuijgenis kunnen werden gepro„ duceert, L: VI D: de Festib: C: JO: & de Verb: Sign t. was halven een slaaf met betrekking tot zijn Liffheer te regt als een getuige verworpen word, in 2overre, ut„ hec pro domius nec centra dominum testimorum dicere ciliceat L: 8. Cod: h: t: L: 1: Cod: deqrest: dat hij nog voor noch tegen zijn Heer kan getuijgen, ten zij in kemis raad van overspel, en laesaer kaj ratis L: 1 Cod dequest: in welke gevallen, het getuigenis van een slaaf niet word aangenoomen ten zij hetzelve door anderen geloof word by geset, volgens Cl: s Koodt L: 3 parb: Cap: 5 hierom zegt Terentius te regt serviten, nominem Causas arare leges, non sinunt neque tedi nomi dictio est is zijn E honn: det 2: L:t - spreekende zijnde woorden van een voornaame rechts geleerde wanneer hij regt, nun quam serviis ad Testi monium admitti potest nisi in gravioribus delictis ubi respublice utilitas postularet L: 55 de Judic: L: J D: De Tesz:, dat nimmer een slaaff tot het geeven van eenig getuijgen is kan werden toegelaaten, ten zij Getuyge vete f 10

NL-HaNA_1.04.02_4354_0136 view scan ↗

English

in major offenses, where the general welfare so requires. Honorable Lords, the 2nd article of the Statutes of India on the manner of proceeding in no way contradicts this, where it is stated: And as regards the testimonies of Moors and heathens, when they are given by honest people of good name and reputation, and concerning matters and disputes arisen between Christians, Moors, or heathens, credit can and must be given to them, provided however that the parties may bring their objections against them, not in respect of their being Moors and heathens, but insofar as they are human beings, and therefore subject to their human passions, fear, or aversion, to or from the person for or against whom they bear testimony, which must be left to the strict examination and the discretion of the judge, especially when alongside this there run indications, presumptions, and other corroborating pieces of evidence, tending toward corroboration, or toward the weakening of such testimonies. For indeed, there is no mention here at all of slaves or serfs, but it clearly refers to such Moors or heathens who are their own lord and master and are not subject to any slavery or anything of the sort; but besides this, these testimonies of Moors or heathens must attract the strict examination of the judge, and close attention must be paid as to whether they are not weakened by presumption or other corroborating evidence, which is precisely the case here, while the account of the said slave Piet is entirely corroborated by the declarations produced sub Lit. A and Lit. B. Indeed, how cautious the judge must be in accepting these testimonies, Your Honors can see most clearly from the 27th article of the aforementioned Statutes of the Netherlands Indies on the manner of proceeding, being of this content: "Yet concerning matters that consist in facts, and must be proven by Chinese, Moors, or other heathen testimonies, the judges shall first take from the heads of that nation the necessary information concerning the quality of the persons who are produced as witnesses, so as to know to what extent they deserve credit or should otherwise be rejected." From all this, it will thus appear to Your Honors how much the claim of the Honorable Lord R. O. Plaintiff is entirely devoid of any appearance of proof, as also from the narrative of what occurred with the said slave Piet, which is founded upon the pure and naked truth, showing that this slave was by no means punished according to his deserts, much less mistreated. The said defendant in his capacity does not doubt for a moment that if it pleases the Honorable Lord R. O. Plaintiff to institute actions upon such grounds and unfounded complaints, His Honor will be able to find opportunity to do so nearly every day, not to mention now what harmful consequences it would drag in its wake if unexpectedly the conclusion of the claim in this matter were to be granted by Your Honors; for indeed, the other slaves, seeing that the said slave Piet not only escaped unpunished for his committed insolence, but that moreover the principal defendant was further condemned in a profitable fine, would refuse the least thing they were ordered to do,

Dutch transcription

in groote delicten, alwaar het algemeene welsijn zul vorderd van Wel Edele Achtb: Heeren hier teegens strijd geensints het 2E articul uit de staruten van Jndien op de maniere van procedeeren, alwaar gesegt werd, En wat de getuydenissen van Maaren en teidenen betreft, wanneer die gegeeven zijn door eerlijke zuiden ter goeder Naam en faam staande, en dat over zaa„ ken en questien, onstaan tusschen Christenen Mooren of Heijdenen, aan deselve kan en moet geloof ge„ geeven worden, behouden nochtans dat Parthij en daar tegen haar reproches mogen inbrengen, niet ten opzichten dat Moeten en Heidenen, maar voor zo veel het menschen zijn, en dierhalven onder worpen aan haare menschelijke passien, ducht ofte adversie, tot of van de Persoon, voor af teegen welke de getuygenis ten leggen, hetwelk aan het naauwkeurig ondersoek en de bescheidendheid, van den rechter moet worden gedefereert gelaaten, vooral wanneer daar neevens courreeren indicie praesumtien en andere adminiculen, strekkende tot corroborakie, al tot Veiswakking van zodaanige getuygenis ten Wantimmers, hier word geensints gesprooken van slaaven of Leijpeigenen, maar wel duijdelijk vin„ veld zodaanige Moozen of Heidenen, die hun eigen Heer en Meester en aangeene slaavernij ofte iets diergelijks onderworpen zijn, maar behalven dit zo moeten deeze getuygenis ten van Mooren of Heijdenen het naauw„ keurig ondersoek van den rechter, naa zich trekken en welgelet worden, of deselve door presumtie of andere adminiculen, niet verswakt worden, hetgeen in Cassubject juijst Plaats vind, terwijl het relaas van ged: slaaf Piet, door de Verklaringen, sal L: A:o L: B geproduceert geheel word gecorboreert, ja hoe om zichtige der rechter in het acccpteeren van deese Ge„ tuygenasten moet zijn, kunnen Uwel Edele Achtb: uit het 27 artil: van de evengem: Statuten van Neerlands Indien op de Maniere van procedeeren, ten klaarsten zien, zijnde van deesen inhoud. „ Dog omtrent zaaken „ die in faiten bestaan, en door Chinees en Mooren af „ andere Heidensche Getuijgenissen, beweesen moeten „worden, zal den rechters alvorens vande Hoofden vier „Natie moeten inneemen, het nodig bericht over de „hoedanigheid der Persoonen, welken tot getuijgen „geproduceert zijn, om also te kunnen weeten „hoeverre deselve geleeve verdienen of wel andersints „verworpen moeten worden; Ryt dit alles dae uwel Ed. Achtb. wivent blyken tweteer den Eisch van den Edelen Achtb: Heer E: O: Eisscher van alle schijn van dearjs geheel en al is ontbloot, als meede uit het verhaal, van hetgeen er met den gedag„ ten slaaf Piet is voorgevallen, het welk op de zuijvere en naaktewaarheid gegrond is, dat deeze slaaf geen„ zints naa merites gestraft veel minder mishandeld is geworden, den qq ged: twijffelt geen oogenblik of indien het den Edelen Achtb: Heer R. O: Eisscher, gelieve op dus daanige geonden, en ongefundeerde klachten, actien te institueeren, zijn Ed: Achtb: zal bij naar daagelyks daar toe gelegendheid kunnen vinden, om nu nierte gewaagen welke nadeelige gevolgen het naar zich zouden sleepen, indien onverhoopt de Conclus ie vaij Eisch in deeser door UelEdechtb: wierd geadjudicieert immers de andere slaaven, ziende dat ged: slaaf Piet„ niet alleen voor zijn gepleegde brubaliteit straffe„ loos ent kwam maar dat daar en boven de pp=le ged=te nog in eene amande profitabet wierd t gecondemneert zouden het minst dat kunl werd geordonneert wei„ om geraeht

NL-HaNA_1.04.02_4354_0137 view scan ↗

English

would be justified, and would immediately follow the same footsteps of their fellow slave Piet, also the principal defendant, were it not for these reasons, would gladly acquiesce in the sale of the mentioned slave, as is claimed in the demand, since the principal defendant has already for a very long time intended to rid herself of this insolent slave; but because this would now give far too much ground for her remaining slaves to follow the footsteps of this rebellious one, the principal defendant does not doubt in the least that Your Right Honourable Worships, to whom the nature of the slaves is fully known, will kindly deign to protect the principal defendant from the ruinous and dangerous consequences that could flow from the sale of the repeatedly mentioned slave with regard to her other slaves; wherefore the aforementioned defendant, on the grounds of all this, which if necessary can be further deduced, and very specially on the grounds of the Statutes of India, wherein in the title concerning slaves it is said that if a slave does not have great and poignant reasons to complain about his master or mistress, he shall be severely flogged, and shall be delivered back to his master. Now therefore rejecting all the grounds of the demand as being impertinent, irrelevant, and unfounded, and trusting to have demonstrated everything that could merit Your Right Honourable Worships' attention, she proceeds to the following counter-conclusion. Concluding that by definitive sentence of Your Right Honourable Worships, the Honourable Officer as plaintiff shall be denied his demand and conclusion taken against the principal defendant, as being inadmissible in law, with costs, or such other determination as Your Right Honourable Worships shall deem proper. Signed: A: v: Mellingh, in his capacity. In the margin: Exhibited in court on 1 February 1790. Demand. Today, 22 January 1790, appeared before me, Willem Stephanus van Ryneveld, Secretary of the Honourable Court of Justice of this government, present the undersigned witnesses, the gunner's mate in the service of the Honourable Company, Johan Fredrik Pauels, of competent age, who, pursuant to an appointment of the well-mentioned Court from yesterday, and at the requisition of Maria Malan, widow of the late burgher Hendrik Cornelisz, declared it to be true: That the deponent, who has now lived for nearly three years as a schoolmaster on the farm of the requisitionist situated at the Koeberg, experienced during that time that the slaves belonging to that farm were never treated other than in a proper manner, both by the requisitionist and by her late mentioned husband; that meanwhile one of the slaves, named Piet of the Cape, continuously distinguished himself from the other slaves through extreme insolence toward his master and mistress, of which the deponent has seen convincing evidence on repeated occasions, while among other things

Dutch transcription

gerachtig zijn, en hebselve voetspoor van hunne Meede slaafbiet terstond inslaan, ook zonde de p=le Ged=n „was het niet om deese redenen geerne willen berusten in de verkoop van ged: slaaf, waar toe bij Eisch, word geconcludeerd, ter wijl de pp=o ged=n reeds overlange tijd van voorneemen is geweest om zich van deesen brutale slaaf te ontdoen, doch dewijl dit thans al te veel voet voor haar overige slaaven zoude geeven om het voetspe van deese weerspannige in te slaan, zo twijffelt de pes Gedt geensint of uwel Edele Achtb: aan wien de geaardheid de slaaven, ten vollen bekend is, zullende p. l ged=te wel ge„ lieven te behoeven voor de ruineuse en gevaarlyke ge volgen, die uit de verkoop van meerged: slaaf met be„ trekking tot haare andere slaaven zoude kunnen voortvloeijen; weshalven den og Ged: opgrond van dit alles, het welk is het nood nader te dedicceeren, en welspe ciaal opgrond van destatuten van Jndien alwaar in den Titue van slaaven gezegt word, Dart in dien een slaaf, geen groote en proguante redenen heeft om over zijne ziff„ heer of Lijfvrouwe te klaagen, hij strengelijk zoe gegeeselt, en zijnen Lijfheer weder zal te kunp ge„ zouden worden. Thans ds afstaande alle de middelen van Eesch als mere, inpertinent, iarrelevant en ongefundeerd en vertrouwende alles wat uwel Ed: Achtb: attentie zou„ den kunnen meziteeren te hebben aangetoond tot de volgende Contra Conclusie zal overgaan. Concludeerende dat bij definitive Vennis van Jwel Edele Achtb: den Ed: Achtb Heer R: O: Eisscher zijnen op ende reegens de p=e. ged tes genoomen Huyden den 22 Januarij 1790 Compareerde voor mij Willem Stephanus van Ey„ neveld, secretaris van den E: Achtb: raad van Justitie der gouvernements, present de naten: getuigen den Con„ stapelsmaat in dienst den EComp=e Johan Fredrik Pau els vanexmpetenten ouderdom, dewelke ingevolge ap„ poinctement van welgem: raade, van gisteren, en ter re„ quisitie van Maria Malan, weduwe wilen, den Bur„ ger Hendrik Cornelising, elle verklaarde hoe waar is, Dat den Comp=t die nu bij na drie Jaaren, als school„ meester gewoont heeft ter Plaatse van de reqte aan de Coeberg geleegen, geduurende dier tijd heeft onderven„ den, dat de slaaven, ter Plaatse aldaar behoorende, nooit anders dem op een behoorlijke wijze, zo wel door de reqte als wijlen gem: haaren man zijn behandeld ge„ worden, dat ondertusichen een der slaaven in raame Piet van de Caab zich bij aanhoudendheid, door verregaande buibaliteiten teegens zijn Lijfheer en Zijfvrouw van de andere slaaven heeft onderschei„ den, waar van den Comp:t bij verhaalde reijsen de overteygens te blijken heeft gesien, terwijl onder Eischen Conuusie zal werden ontzegt als niet ontvankelijk in rechten niet de kosten, ofte zodaanig anders als uwel Ed: Achtb: zullen vinden te behooren. /:was geteekend:/ A: v: Mel„ ligh. qq /:in margine:/ Exhibitiem in Judicio den 1 febr: 1790 Eisch andere

← previousnext →