VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 8261

Japan · 656 pages · 169 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_8261_0149 view scan ↗

English

33 that the people sent out by me have violently carried off the wife and four children of the brother of Chaeng Tanette; these are subjects of Chaeng Balottje who are bound and obligated to perform court services for the aforementioned Craeng, with Maona usurping that right and authority for herself, which is why they have been brought hither in order the sooner to persuade her to appear in person before the Resident. For the rest, remaining with all high esteem and due respect, Honorable, Respected and Commanding Lord, Your Honorable Respect's humble servant, signed V: Hs van de walle in the margin: Maros in fortress Valkenburg, the 14th of December Anno 1782. Respectful report to the Junior Merchant and Maros Resident, the Honorable Bartholomeus van de walle, regarding the commission entrusted to us, the undersigned, to the mountain settlement of Balottje, to conduct an inquiry concerning the complaints lodged by Craeng Balottje about his sister Maoria and the glarrang of Padatangang, which reads as follows: Thursday, the 14th of November, upon arrival at the settlement of Babeanging, Maina, the glarrang of Padatangang, and the Poelematang of Balottje not being present, the first two mentioned, according to the general word of the Regents and various subjects, and particularly of the people from the settlement of Santeboeng, gave us to know that they had both departed in the night before our arrival at moonset, without the foreknowledge of the Regents, nor knowing whither; but after further inquiry among the people of Santeboeng, they declared having heard from the mouth of the aforementioned Maona on the evening before her departure from there that she wished to go to Maccasser to pay her debt to Miss Voll, the widow of the late Saleyer Resident Hendrik Jansz Voll. And the soelewatang, according to the statement of the repeatedly mentioned people, had gone to the settlement of Banting Moeroeng to make offerings to his ancestors buried there. The house of the first-mentioned was found uninhabited, but according to further inquiry it was learned that in the same house of Maona a female person named Amma Santi had been staying with her four children, who had departed from the house shortly before our arrival there; upon which it was deemed best to detain the aforementioned female person with her children as a security and likewise to obtain from her the best elucidation as to whither the repeatedly mentioned Maona had departed; she stated the same as the people of Santeboeng, yet with this exception: that the repeatedly mentioned Maona had said to her that she wished to spend the night at the settlement of Bergina; having repaired thither in the evening, we were nevertheless unable to intercept the two first-mentioned persons. Friday, the 15th of November, the interpreter went with the soldier Hendrik Trouwerbach and some emissaries to the settlement of Roembia to inquire after the repeatedly mentioned Maona and the glarrang of Padatangan, but all effort was in vain, the inhabitants of the aforementioned settlement not having seen them. Saturday, the 16th, at midday, an emissary with his retinue from the settlement of Kassie, sorting under Arou Ladjoe, came to us and, in the name of the aforementioned Arou, asked us for what reason we had detained the repeatedly mentioned Amma Lanti with her children, since she is a native Bonian from the settlement of Talankerie. Whereupon our answer served that we were not aware of having detained people or subjects of the Bonians by whatever name, but rather a Company's subject born under Tanette, sorting under the Chaeng of Balottje, according to the unanimous testimony of the aforementioned female person and the Regents. The aforementioned emissary thereupon informed us that Maona in person with her household was currently staying with the aforementioned Arou Ladjoe; we asking him whether the glarrang of Padatangang was also present there, he answered not knowing or being able to say that for a truth; the emissary thereupon departed. The soelewattang of Balottje, after having been summoned twice

Dutch transcription

33 dat de volkeren door mij uitgezonden op een geweldige wijze hebben meede gevoerd de vrouw en vier Kinderen van de broeder van Chaeng Tanette dit zijn onderdaanen van Chaeng Balottje dewelke gehouden en ver„ „pligt zijn bij even geciteerde Craeng hofdiensten te doen matigende Maona haar dat regt en gezag aan, alwaaromme herwaards zijn gebragt ten einde haar der te eerder te persuadeeren om in perzoon bij den Resident te voorschijn te koomen. voor het overige met alle hoog=agting en verschuldigde respect blijvende /onderstond/ welEdele Agtbaare en Gebiedende Heere /lager/ uwer welEdele Agtbaares onderdanige Dienaar /was geteekend/ V: H=s van de walle /in margine:/ Maros in 't fortres valkenburg den 14„e December A„o 1782. Eerbiedig Berigt aan den onder„ „koopman en Maros Resident DE: Bar„ „tholomeus van de walle wegens die aan ons ondergeteekende opgedraagene Commissie naar de Berg Negorij Balottje om onderzoek te doen weegens de ingebragte klagtens van Craeng Balottje over zijn zus„ „ter Maoria en de glarrang van Padatan„ „gang die luijd als volgt Donderdag den 14 November bij aankomst op de Negorij Babeanging: Maina„ Glarrang Padatangang en de Poelematang van Bacottje, niet present zijnde, de twe Eerst gemelde volgens algemeene traditie van de Regenten en verscheide onderdaanen en bijzonder van de volkeren uit 't Negorij Santeboeng, ons de weete gaaven dat zij beide 'snagts be„ „voorens onze aankomst met 'smaans ondergang waare vertrocken, zonder voorkennisse van de Regenten, ook niet weetende werwaards, dog na nader onderzoek bij de volkeren van Santeboeng, verklaar„ „de zij 's avonds bevooren voornoemde Maona haar vertrek van daar, uit monde van haar gehoort te hebben, dat zij naar Maccasser woude gaan om haar Debet aan Mejuff„r voll de wed„e van den overlee„ „ne zaleijers Resident Hendrik Jansz voll te voedoen 1 D en Den soelewatang volgens gezegde van meermelde volkeren waar naar het Negorij Banting Moeroeng om offerhande te doen aan zijne aldaar begravene voor ouders. Het Huis van den Eerst gemelde onbewoont bevonden, maar volgens nader onderzoek de weeze heeft bekoomen, dat op het zelfde Huis van Maona zig een vrouwsperzoon genaamt Amma Santi met haar vier kinderen heeft opgehouden, die kort voor onze arrive aldaar, uit het huijs waar vertrocken, daar op best gedogt, voormelde vrouws„ perzoon met haare kinderen, tot een verzeekering aan te houden en ge„ „lijkelijk om van haar de beste Elucidatie te bekomen werwaards meer„ „melte Maona was vertrocken, zij voorgaf het zelfde als de volkeren van Santeboeng, dog met die Exceptie dat meermelde Maona aan haar gezigt hadde. dat zij op het Negorij Bergina woude vernagten, ons 'savonds derwaards vervoegt, dog de twee eerst gemelde Perzoonen niet heeft kunnen onderscheppen. vrijdag den 15 November de Tolk met den zoldaat Hendrik Trouwer„ „bach, met Eenige zendelings naar de Negorij Roembia gegaan om na meermelde Maona met den glarrang van Padata= „ngan te verneemen, dog alle moeite te vergeefs, de Jnwoonders van voorm: Negorij haarlieden niet gezien te hebben. Saturdag den 16„e Smiddagh, is een zendeling met zijn gevolg uit z. Negorij kassie zorteerende onder Arou Ladjoe, bij ons gekomen, en uijt Naam van voornoemden Arou ons vragende uijt wat reeden, dat wij die meermelden Amma Lanti met haar kinderen heeft aangehouden, de„ „wijl ze een Bonier in boorling is, uit het Negorij Talankerie. waar op tot antwoord van ons diende, niet bewust te zijn, volkeren of onder„ „daanen van de Boniers hoe genaamt aangehouden te hebben, maar wel een 'sComp„s onderdaan gebooren onder Tanette, zorteerende onder de Chaeng van Balottje, volgens eenstemmige getuijgenisse van voornoemde vrouwsperzoon en de Regenten, voormelde zendeling ons daar na verwittigde dat Maona in Perzoon met haar huijsgezin zig thans bij voornoemden Arou Ladjoe ophoude, wij hem vragende of den glarrang van Padatangang daar ook present waar, hij ant„ „woorde zulx niet voor de waarheid te weeten of kunnen zeggen, den zendeling daar op vertrocken Den soelewattang van Balottje na twee maalen geroepen te

NL-HaNA_1.04.02_8261_0151 view scan ↗

English

to be, presented himself this evening, but since from his talk and further excuses for his absence we can easily deduce that he is the principal schemer in the plot of Maona against her appointed Craeng, wherefore, in order the more easily to arrive at the truth of all too far-reaching lies, we earnestly ordered him to dispatch an express messenger cito cito to Arou Ladjoe to demand of him the 7 head of slaves whom Maona took with her, and belonging to her brother the lawful Craeng of Balottje, to restore them to him again, or else to deliver them to the Honorable Resident. Sunday the 17th early in the morning the soelewatang came to us, reporting that during the night a messenger from Maona named Pallo had arrived at his place via Maccasser and further via Maros (though not seen by us) and brought the news that he had delivered a letter from the Right Honorable Governor to the Honorable Resident, and that the aforementioned Resident had promised him to send a messenger to us to recall us, adding further thereto that the Right Honorable Governor had ordered and conveyed to Maona through the said messenger that she might quietly repair to her residence without having to fear any offense. Shortly thereafter in the forenoon Maona appeared at the village of Lanteboeng, and she also immediately sent a messenger to the Soelewatang to make her arrival known to us through him, and at the same time to summon the soelewatang to her, which according to his statement he refused, letting her know that he would not come to her without the foreknowledge and order from us. Having been informed of her arrival, we with the utmost speed summoned the four chiefs of Balottje, namely the soelewatang, the second Craeng Balottje, Craeng Beroangieng, and Craeng Marro, and in the presence of their actual kraeng or king asked them as follows: 1. Who is the lawful Craeng or king here? To this served as answer from all of them: this actual and here present one. 2. Who followed him to Makasser when he was chosen and by the Right Honorable Governor was confirmed as Regent of Balottje? The soelewatang gave as answer: we jointly. 3. Whether he, the Soelewatang, and they had not made serious promises to the aforementioned Honorable Governor to maintain this their Craeng and to grant him good counsel and aid in the governance of his Regency until he reaches his years of majority? To that they answered: that we have promised and shall also endeavor to fulfill. 4. Whether they were not aware that Maona mistreated her brother the Craeng, or had him mistreated by the subjects, in the manner of having his hands held fast by the Glarrang of Padatangang so that she might the more safely exercise and execute her wrath upon him, namely giving blows with the fist to his face so that his cheeks and mouth were swollen from it, and after he took flight from the house still threw pieces of firewood after him; and whether they, by silence over such mistreatment against their Craeng, fulfilled their promises made to the Right Honorable Governor in such a manner, and for what reason they permitted such? The soelewatang gave as answer: that is known to us, but we thought and endeavored to settle that discord between the two of them and seek to reconcile them again as brother and sister with each other, for which reason I also, after my last return from Maccasser, earnestly reproached Maona for her bad mistreatment against her brother and appointed Craeng, and endeavored through my admonitions and reproaches to guide her to better sentiments, but alas, it is evidently apparent that she lends little ear to the same. 5. Why he as soelewatang had not presented himself in person to the Honorable Resident to state the complaints against Maona? He answered that he was not aware that the Craeng, his

Dutch transcription

35 te zijn heeft zig heeden avond ingevonden, maar dewijl wij door zijn reede en verdere Excutier van zijn absentie wel kunnen bewerken dat hij den voornaamsten konkelaar is in het spel van Maona tegens zijn voor gezette Chaeng waarom wij hem, om des te ligter agter de waarheid van alle te verregaande Leugens te komen, hem ernstig gelast, zito zito een Expresse zendeling af te vaardigen aan Arou Ladjoe om hem te onderhouden de 7 koppen slaven dewelke Maona heeft meede genomen, en haar broeder den wettigen Craeng van Balottje toebehoorende wederom aan hem te restitueeren, of niet dan wel aan d' E: Resident te overhandigen. Zondag den 17„e S morgens vroeg is de soelewatang bij ons gekomen, berig„ „tende dat 's nagts een zendeling van Maona gen„t Pallo over Maccas„ „ser en voorts over Maros bij hem waar gekomen (:dog van ons niet gezien:/ en de tijding gebragt, dat hij een brief van den welEd: Agtb: Heer Gouverneur aan DE: Resident hadde overhandigt, en dat welmelden Resi„ „dent aan hem heeft belooft, aan ons een zendeling te zenden om ons weederom te rug te doen roepen, nog daar bij voegende dat den welEdelen Agtb: Heer Gouverneur aan Maona door meerm: zendeling heeft laaten ordineeren en zeggen, dat ze haar gerust tot haar woonhuise zoude begeeven zonder voor eenige beleediging bedugt te zijn. kort daar na des voordemiddags is Maona op 't Negorij Lanteboeng opgedaagt, en heeft ze ook ipso een zendeling aan den Soelewatang gezonden om door hem haare aankomst aan ons te doen bekend maaken, en den soelewatang te gelijk bij haar te roepen, het welk hij volgens zijn gezegde heeft geweigert, haar laaten weeten, bij haar niet te komen buijten voorkennisse en ordre van ons, haare aankomst aan ons verwittigd, hebben wij ten spoedigsten de vier hoofden van Balottje, te weeten de soelewatang, den tweeden Craeng Balottje, Craeng Beroangieng en Craeng Marro laaten roepen, en haar in presentie van haare weezentlijke kraeng of koning gevraagd als volgt. 1/ wie hier wettelijke Craeng of koning is! „Hier op diende tot antwoord van haar alle deeze weezentlijke „ en hier presente 2/ wie hem naar Makasser heeft gevolgd, toen hij is verkooren en van den welEdelen Agtbaren Heer Gouverneur tot Regent s 36. Regent van Balottje is bevestigd. „De soelenatang gaf tot antwoord wij gezamentlijk; 3/ of hij Soelenatang en zijliedens niet Serieuse beloftens van den mld: „ Agtb: Heer Gouverneur heeft gedaan, om deeze haaren Craeng te mainctineeren en hem goede raad en daad in het bestier van zijn Regentschap te verleenen tot dat hij zijne mondige Jaaren komt te bereijken. „Daar op hebben zij g'antwoord, dat hebben wij belooft en zal ook „tragten naar te komen. 47 of het haarlieden niet bewust waar dat Maona haar Broeder den Craeng mishandelde of door de onderdaanen liet mishandelen, in maniere van hem de handen door den Glarrang van Padatangang vast te laaten houden op dat zij des te veijligen haar gramschap op hem kunnen oeffenen; en ter uitvoer brengen, te weeten vuijsslagen te geeven in zijn gezigt dat zijne wangen en mond daar van opge„ „zwollen waaren, en hem nog naar dat hij de vlugt van het Huijs nam met stucken van Brandhoud agter na heeft gesmeeten; en of zij lieden met stilzwijgendheijd over zulke mishandeling teegens haaren Craeng hunne beloftens aan den welEdelen Agtb: Heer Gouverneur gedaan op zulk wijze naar kwa„ „me, en uit wat hoofde dat zij zulx toeliet! „ Den soelewatang gaf tot antwoord dat is ons bewust, maar wij „hebben gedagt en getragt, die twee spall tusschen haar beiden te „slegten en haar weeder als broeder en zuster met malkanderen „zoeken te verbenigen, waarom jk ook naar mijn laaste terug „komst van Maccasser, Maona haar slegte mishandeling „teegens haar broeder en voorgezette Ciaeng, ernstig heeft „voorgehouden, en getragt door mijne vermaaninge en repro„ „cher tot beetere sentimenten op te leiden, maar Eijlaas het is „evident te blijken dat ze aan dezelve weinig gehoor verleend 5/ waarom dat hij als soelewatang niet zelfs in perzoon zig bij de E: Resident hadde vervoegt om de klagtens teegens Magna voor te dragen. „Hij antwoorde dat het hem niet bemust waar dan den Craeng, zijn

NL-HaNA_1.04.02_8261_0153 view scan ↗

English

his son: departed for Maros to lodge his complaint. This answer from the soelewatang was contradicted by the Craeng, declaring that he had spoken to the soelewatang about it and informed him, but that the soelewatang had absented himself the following day. 6 whether they, according to the laws of the land, well knew what punishment was due to one who raises or stretches out his hand to strike or mistreat his Ceaeng or King! Unanimously they answered, we do not know that. Hereupon the actual Ceaeng Babottje spoke with tears in his eyes, to the effect that if his sister Maona, who seeks to usurp the Regency in a sinister manner, should continue at Baleanging, he would then most humbly beseech the Right Honorable Lord Governor for a discharge from the Regency, fearing not only that his sister Maona, the imagined Regentess, would incite the subjects to rebellion against him, but that he, as well as his mother and sisters, were not safe at night and untimely hours from the evildoers of his aforesaid sister's faction. Furthermore, we made it understood to the Soelewatang and the Regents that we were sent by order of the Honorable Resident to bring Maona in person, along with the glarrang of Padatangang, to the aforesaid Resident, so that they might clear themselves against Ciaeng Balottje concerning her lodged complaints; that should they not consent to this, the Honorable Resident would make them pay the fine fixed thereon at 88 Spanish rixdollars each, and would make the due report thereof to the Right Honorable Lord Governor. The Soelewatang, having gone to them to inform them of the aforesaid, gave us to understand upon his return from her that she had no intention of going to Maros, much less to pay a monetary fine without the prior knowledge of Arou Ladjoe, further adding that if we did not ipso facto surrender Amma Santi with her children, the aforesaid Aroe would then come hither with his force and compel us to do so. Right Honorable Lord! The Soelewatang was immediately sent back to her, letting her know that no Company's servant, sent on Company's business, could be deterred from their resolve by the name of a Bonese Arou Ladjoe and his force, let it cost what it may, even if it were life itself; and that the Honorable Company was provided with more servants than us, and that we were also ready to await the aforesaid Aroue and meet him; also having her invited most kindly through the soelawatang to join us, in order to conduct the aforesaid conversation with her, or whether she would prefer that we proceed to her residence, and that she should have no fear of any molestation or violence. Thereupon Maona's answer served to say that she would come to us, but in the meantime she saw fit to take to her heels to the Negorij Malangie, whither we had the soelewatang pursue her to persuade her once more to enter into conversation with us; then the soelewatang sent us word that she would come to us the following day, but since we can place no faith in such promises, after the necessary admonitions to the Soelewatang and the other Regents with respect to their Craeng to keep a watchful eye on him, we departed thence back to Maros on Monday the 18th. While in the meantime remaining with due respect and high esteem Right Honorable Lord Your Right Honor's humble Servants signed C. Lecert, J. Billet, and O. C. Post Maros the 20 November Anno 1782. To the Right Honorable Lord Barend Rlijke Governor and Director of this Coast of Celebes, Pursuant to the honored written order from your Right Honor of the 9th of this month, we the undersigned special commissioners, accompanied by the sworn clerk Diederik Deeffhout, have proceeded to Maros to

Dutch transcription

37 „zijn zoon: naar Maros vertoek om zijn beklag te doen. „Deeze antwoord van den soelewatang wierd door den Craeng „gecontradiceert, declareerende dat hij den soelewatang daar over „heeft gesprooken en kennisse gegeven, maar dat den soelewatang „zig 'sanderen daags daar na heeft g'absenteert. 6 of zij lieden volgens 'slands wetten wel wiste, wat straf den geenen toekwam, die zijn hand opligt of uijtstrekt tot slaan of mishandelen van zijn Ceaeng of Koning! „Eenpaarig antwoorde zij, dat weeten wij niet. Hier op sprak den wezentlijken Ceaeng Babottje met de traanen in zijn oogen, invoegen dat in aldien zijn zuster Maona die zig op een sinis„ „tre wijze het Regentschap zoekt aantematigen te Baleanging zoude Continueeren hij dan op het allerdemoedigste den welEdelen Agtbaaren Heer Gouverneur, om ontslag van het Regentschap woude smeeken, bedugt niet alleen dat zijn zuster Maona de imagineerde Regentesse de onder„ „daanen tot opstand teegens hem zoude ophitsen, maar dat hij zo wel als zijn moeder en zulders bij nagt en ontijde voor de quaaddoenders van voornoemde zijn zusters aanhang haarlieden niet verzeekert waaren voorts gaven wij de Soelewatang en de Regenten te verstaan dat wij uit ordre van DE: Resident gezonden waare, om Maona met den glarrang van Padatangang in Perzoon bij welmelden Resident te brengen, op dat zij hun teegens de Ciaeng Balottje over haar gedaane„ klagtens kunne purgeeren, zulx niet inwilligde, dat dan dE Resident hun zoude doen betaalen die daar op staande boete a 88 rijxd=s spaans ieder en daar van den welEdelen Agtbaaren Heer Gouverneur verschuldigd verslag zoude doen Den Soelewatang naar hun lieden gegaan om haar het voorsz te verwittigen, gaf ons bij terug komt van haar te verstaan dat zij niet g'intentioneerd was om na Maros te gaan veel minder geld boete te betaalen zonder voorkennisse van Arou Ladjoe, nog daar bij voegende dat in aldien wij Amma Santi met haar kinderen niet ipso facto uitleeverde dat dan voornoemden. Aroe met zijn magt herwaards zoude komen, en ons daar toe doen dwingen. Den N 3. 8 wel Edele Agtbaare Heer! Din Soelematang aanstonds weder na haar gezonden haar latende zeggen dat te geen Comp„s dienaar gezonden in 'sComp„s affaires met de naam van een Boniese Arou Ladjoe en zijn magt van haar besluijt kunnen afschricken, het mogte kosten wat het kost alwaar ook het Leeven, en dat dEComp„e met meerder dienaar als wij voorzien waar en dat wij ook gereed waaren voor noemden Aroue aftewagten en te ge„ „moet te gaan, haar ook door den soelawatang op het vriendelijkste bij ons liet inviteeren, om voornoemde gesprek met haar te kunnen voeren off dat zij lieven zoude zien dat wij ons ten woonhuijse van haar zoude begeven, en dat ze voor geen molest ofr geweldenarij bedugt zoude zijn Daar op diende tot antwoord van Maona dat zij bij ons zoude komen maar intusschen tijd heeft ze goed gevonden het hase pad te ziesen, naar de Negorij Malangie werwaards wij haar van den soe„ „lewatang heeft laten agtervolgen om haar nog eens te persuadeeren om met ons in gesprek te gaan, doen soelewatang boodschap te ons dat ze anderen daags bij ons woude komen, maar dewijl wij op zulke beloftens geen gelooff kunnen refereeren, zijn wij na benodigde ver„ „maningen aan den Soelewatang en de overige Regenten, ten opzigte van hunnen Craeng om op hem 't waakend oog te houden, zijn wij Maandags den 18„e van daar weder terug na Maros vertrocken Terwijl Jntusschen met verschuldigde respect en Hoog agting blijve /onderstond/ welEdele Heer / lager/ uwer welEdelens onderdanige Dienaaren /was geteekend/ C„l Lecert, J„b Billet, en O: C: Post /in margine/ Maros den 20 November A„o 1782. Aan den welEdelen Agtbaaren Heer Barend Rlijke Gouverneur en Directeur deezer Kuste Cileber, Jngevolge de g'Eerde schriftelijke ordre van uw wel Edele Agtbaare van den 9„e deezer, hebben wij ondergeteekende Expresse gecommitteerdens verzeld van den gesworen FolE: Diederik Deeffhout ons begeven na Maros tot

NL-HaNA_1.04.02_8261_0155 view scan ↗

English

39 to conduct a thorough investigation into the complaints submitted by the Resident van de walle, regarding two Boniers who nearly murdered him in the presence of the five Company Regents and the Pennang Maros, as to how this occurred in all its circumstances, where we then arrived that same evening, and delivered to the Resident there the honored letter given to us by Your Right Honorable. The next day, the collective Chiefs of the plains of Maros were summoned by us, together with the sennang Maros or the head of the Boniers, as well as all such persons who were reported to us as having been present at the incident that befell the Resident in the assembly, all of whom also appeared before us on the 11th in the presence of the Boni interpreter Piede, who had also departed thither on this commission, and the Maros interpreter Iacobus Billet, with the translation by the said interpreter Delfhout and in the presence of the Resident the Honorable van de walle; all of whom unanimously declared that this matter was situated and had occurred in its context as indicated by the minutes we kept on the said day for the elucidation of this matter, which were read out again the next day, or the 12th, to the collective Chiefs and to which they continued to adhere; wherefore, in order not to make a duplicate account of this matter, we take the liberty of most humbly referring you thereto, and trust that the incident and what gave rise to it will be clearly evident from this to Your Right Honorable. Furthermore, we cannot refrain from dutifully bringing to Your Right Honorable's esteemed knowledge that all the Maros chiefs have lodged very great complaints about the far-reaching and daily increasing insolence and outrages of the Boniers in that region, and that the said Regents very politely requested us to propose this to Your Right Honorable, which we promised them we would fulfill, and pursuant to that, we take the liberty of setting down here this request made most humbly to us, in the hope of a favorable interpretation. Also, the Resident the Honorable van de walle, who, as said before, was present at the investigation on the 11th of this month, and of whom we requested further disclosure regarding this matter if he were aware of anything more concerning it, served us with the answer that he continues to refer regarding this incident to his letters already sent. Wherewith 40 Wherewith, hoping to have fulfilled the task entrusted to us to the satisfaction of Your Right Honorable, we take the liberty of subscribing ourselves with the deepest respect and high esteem. Below stood: Right Honorable Sir. Lower: Your Right Honorable's very humble and obedient servants. Was signed: I: G: Budach and P:s van Diemar. In the margin: Maros the 14 December Anno 1702. Wednesday the 11th December Anno 1782. In the forenoon at half past 11 o'clock. Appeared before us, the undersigned express commissioners: the following Company Regents of the plains of Maros, The L实施mo Maros, glarrang of Bontoa, Craeng Tanralilie, Craeng Simbang and glarrang of Tan Koerbe, constituting the Chiefs of the native assembly of this province, together with the Tennang of Maros or the Head of the Boniers, furthermore also the soelewatang of Craeng Simbang, glarrang Kassiedjala, the new and the deposed glarrang Tangalea, glarrang Baniaga, the emissaries Carre Manginroeroe, Radja, Carré toelolo and the Sergeant Passar Bapa Lolie, who, being interrogated through the translation of the sworn interpreter Delfhout, in the presence of the Maros interpreter Billet and the Boni interpreter Piede, regarding the lodged complaints of the Resident van de walle concerning two Boniers, Samariela and Sanoezoe, who, supported by the son of Daeng Malimpo, almost murdered him in their presence and along the way, where this matter actually originated from and how it fits into its context, all having been present at the incident at that time, for the investigation of which we have been commissioned by a written order from the Right Honorable Lord Barend Reike, Governor and Director of this coast of Celebes, they have stated the following regarding this:

Dutch transcription

39 tot het doen van een naauwkeurig onderzoek na des Resident van de walle opgegevene klagten, weegens Twee Boniers, die hem in presentie van de vijf 'sComp„s Regenten en den Pennang Maros bij na zouden hebben vermoord, hoedanig dezelve in zijn omstande is voorgevallen, alwaar wij dan dien zelfden avond g'arriveerd zijn, en uwel Edele Agtbaare gevene„ „reerde ons meede gegevene Missive aan den Resident aldaar overhan„ „digt hebben, 'sanderen daags zijn door ons ontbooden geworden de gezamentlijke Hoofden van de vlaktens Maros, neevens den sen„ „nang Maros of het hoofd der Boniers, mitsgaders nog alle zodanige Perzoonen die ons zijn opgegeven bij het geval dat den Resident in de vergadering is overgekomen present geweest te zijn, welke ook alle op den 11„' voor ons zijn gecompareerd „ in presentie van den in daze Commissie meede derwaards vertrokkene Bonijs tolk Piede en den Maros Tolk Iacobus Billet onder vertaaling van gedagte Tolk Delfhout en ten overstaan van den Resident D E. van de walle; dewelke alle eenparig verklaard hebben dat deeze zaak zodanig in zijn verband lag en voorgevallen was, als de Notul welke wij opgezegde dag tot opheldering van deeze zaak gehouden hebben komt aan te wijzen, wel„ „ke sanderen daags of den 12,„e aan de gezamentlijke Hoofden weederom is voorgeleesen geworden en welke daar bij zijn blijven persisteeren, wes„ „halven wij om geen dubbeld verhaal van deeze zaak te doen de vrijheijd neemen ons daar aan u ootmoedigst te refereeren, en vertrouwen dat daar uit uw welEd: Agtb: klaarblijkelijk zal consteeren het geval en wat daar toe heeft aanleiding gegeven. voorts kunnen wij niet afzijn uw welEdele Agtbaare bij deezen schuldpligtig ter g'Eerde kennisse te brengen, dat alle de Marosche hoof„ „den, zeer groote klagten hebben ingebragt over de verregaande en da„ „gelijx toeneemende stoutigheeden en geweldenarijen van de Boniers in die Landstreek, en dat gedagte Regenten ons zier beleefdelijk verzogt hebben zulks aan uw welEdele Agtbaare voor te draagen, het geen wij hun belooft hebben, te zullen naarkoomen, en neemen ingevolge van dien de vrijheid dit heen ootmoedigst aan ons gedaan verzoek, /:in hoop van een gunstige welduiding:/ hier ter needer te stellen. Ook heeft den Resident dE: van de walle die bij het onder„ zoek gelijk vooren gezegt op den 11„e deezer present is geweest, en aan wien wij omtrend deeze zaak nader opening verzogten, zo hem nog iets dientweegen mogte bewust wezen ons ten antwoord gediend; zig te blijven refeereeren weegens dit geval aan zijne reets verzondene brieven. waarmeede os 40 waarmeede verhoopende aan de ons opgedragene Last ten genoegen van uw welEdele Agtbaare voldaan te hebben, neemen wij de vrijheid ons met den diepsten Eerbied en hoogagting te onderschrijven /onderstond) welEdele Agtbaare Heer /lager/ uwer welEdele Agtb„s, zeer onderda„ „nige en gehoorzaame Dienaaren /was geteekend/: I: G: Budach en P„s van Diemar /in margine:/ Maros den 14 december A„o 1702. Woensdag den 11„e December A„o 1782. 's voor demiddags om half E l4 uuren Eng Verscheenen voor ons ondergeteekende Expresse gecommitteerdens; den volgende 'skomp„s Regenten van de vlaktens van Maros, Den Lom„ „mo Maros, glarrang van Bontoa, Craeng Tanralilie, Craeng Simbang en glartang van Tan Koerbe, uitmakende de Hoof„ „den der Jnlandsche vergadering van deeze provintie, mitsgaders den Tennang van Maros of het Hoofd: der Boniers, voorts nog de soelewatang van jeaeng simbang, glarrang Kassiedjala, de nieuwe en de afgezette glarrang Tangalea, glarrang Ba „niaga, de zendelingen Carre Manginroeroe, Radja, Carré „toelolo en den Zergeant Passar Bapa Lolie, dewelke onder vertaaling van den gesw: Tolk Deefhout, ten overstaan van den Mardstolk. Billet en Bonijs Tolk Piede ondervraagt zinde nopens de ingebragte klagten van den Resident van de walle, weegens twee Boniers Samariela en Sanoezoe die hem, gesterkt van de zoon van Daeng Malimpo in haar presentie en langs bijna zouden hebben vermoord, waar uit deeze zaak eigentlijk herkomstig is en hoe dezelve in zijn verband legt, als alle te dier tijd bij het voorval present geweest zijnde tot onderzoek van welke wij bij een schriftelijke ordre van den welEdelen Agtbaaren Heer Barend Reike Gouverneur en Directeur deezer kuste Celeber gecommitteerd zijn, zo hebben zij het volgende dien aangaande aan .

NL-HaNA_1.04.02_8261_0157 view scan ↗

English

41 unanimously submitted to us and declared for the truth to have occurred as follows. That the Bonian Lanoezoe, having some time ago taken as a pledge the boy in the maintop who was stolen from him without knowing by whom; that thereupon Poea Koba, also a Bonian, had said to Lanoessoe, If you pay me for it I will tell you who stole your boy, to which Lanoesjoe answered, It is well, I will give you Twenty Rijxd. if you point that out to me, whereupon Poea Koba replied, Male bought him and Mamma sold him, and he was transported to Maccasser with my vessel. That upon the complaints brought in by Lanoessoe to Datoe Baringang concerning this, Datoea had sent an envoy to the Interpreter Israel Pietersz: at Maros to inquire into the matter, and that Israel, according to what Sanoessoe says, had summoned Mama several times, but that he had not appeared, and that with the delay in this matter things went so far that the old Tennang of Maros meanwhile came to pass away, and Israel was relieved from here. That Lanoessoe, seeing no action being taken in his case, had gone himself to the village of Manappa belonging under Craeng Simbang, and there, for his claim, had taken away the wife of Mama along with her child, both being the Company's subjects. That concerning that act, Craeng Simbang had come to complain to the Resident, who thereupon immediately had sent the Interpreter Billet along with Hendrik Trouwerbach to Lanoessoe to reclaim those people, but that Lanoessoe answered him, the Interpreter, that he knew nothing of those abducted people, and that Samahiela might possibly have done it, but that the claim was actually his, which the Interpreter also reported. That the following day the Resident sent the envoy Poea Tjammoe to the Jennang of Maros to make the incident known and to demand those people on behalf of the Company; the said Jennang had answered that he had no power over those two insolent fellows Samahila and Lanoessoe, and that he had been told that the abduction was said to have taken place on the orders of Datoea Baringang, 42 and therefore gave notice that it would be good for the Resident to send to Datoe Baringang to have those people demanded there. That the Jennang came in person to the Resident the following day, and discussing this matter together, they thought it proper to send an envoy each, namely from Bonie Toborittoe, and from the Company Care Mangenroerse, along with the soelewatang of Craeng Simbang to the Datoea to make the case known to him, as also took place, to which Datoea answered that he had never given orders for the taking away of those people, but rather had referred Samaiela to the Interpreter Israel to seek his justice there, and that he, Datoea, was incensed in every way over that conduct, since Samahiela had thereby made himself guilty of an act which he was not permitted to do; that the Datoea had given them a letter on this matter to take with them to the Tennang of Maros, which letter contained orders to the Jennang to tell Samahiela that those people had to be returned immediately, but to remain under the custody of the Jennang until further notice. That Samahila thereupon brought those people to the Tennang of Maros and said, Do you want to have those people now? He, the Jennang, answered, Wait a little, I first want to speak to the Resident about it, as he also did, and had said to the Resident that he had received a letter from Datoea to receive those people from Samahila and to keep them with him until the matter should be investigated; the Resident hereupon immediately demanded the people on the Company's behalf, since according to the existing laws between Bonij and the Honourable Company it had to be so; he, the Jennang, had said that he was afraid to hand over those people, and that to avoid all disputes he would rather go in person to Datoe Baringang to inquire of him further about it. That upon coming to Datoea Baringang he had made the matter known to the same, who answered thereupon, If the laws say so, then hand them over; which he made known to the Resident upon his return, asking at the same time when they would together investigate and settle this matter, who answered thereupon, In five days; declaring further to have sent those people to the Resident on the following day. That

Dutch transcription

41 aan ons eenpaarig opgegeven en voor de waarheijd gedeclareerd zij aldus te hebben toegedragen. Dat den Bonier Lanoezoe voor Eenigen tijd den Ionge in 't Topbord in pand genomen hebbende, die hem ontstoolen is geworden, zonder te weeten door wie; Dat daar op Poea Koba ook een Bonier, teegen Lanoessoe gezegt zoude hebben, Jndien gij mij voor betaald zal jk uw zeggen wil uw Jonge gestoolen heeft, waar op Lanoesjoe antwoorde, het is goed jk zal rn Twintig Rijxd, geeven, als gij mij dat aanwijst, waar op Poea koba repliceerde, Male heeft hem gekogt en Mamma verkogt en hij is met mijn vaarthuijg na Maccasser getransporteerd geworden. Dat op de ingebragte klagten van Lanoessoe aan Datoe Barin„ „gang hier over gedaan, Datoea een sendeling aan den Tolk Israel Pietersz: na Maros had gezonden, om na de zaak onderzoek te doen, en dat Israel volgens het zeggen van Sanoessoe verscheide Reisen Mama had laaten roepen dog dat die niet verscheinen was, en dat met talmen in deeze zaak het zoo verre is geloopen, dat de oude Tennang Maros intusschen is komen te overleiden, en Israel van hier verlost geworden. Dat Lanoessoe ziende geen werk van zijn zaaken maaken, zelf na de Negorij Manappa gehoorende onder Craeng Simbang, was gegaan en daar de vrouw van Mama neevens haar kind zijnde beide sComp=s onderdaanen voor zijn pretensie had weggenomen Dat over dat bedrijf Craeng Simbang, bij den Resident was komen klagen; die daar op ten Eersten den Toek Billet neevens Hendrik Trouwerbach naar Lanoessoe had gezonden om die menschen te recla „meeren dog dat Lanoessoe hem Tolk g'antwoord heeft. niet van die geroofde menschen te weeten, en dat mogelijk Samahiela het konde gedaan hebben, dog dat de pretensie eigentlijk de zijne is, het welk den Tolk ook gerapporteerd heeft Dat 's anderen daags den Resident den zendeling Poea Tjammoe na den Pennang van Maros gezonden heeft, om het geval bekend te maaken, en die menschen voor de Comp„e op te Eijsschen, gedagte sen„ „nang g'antwoord hadde, geen magt over die twee brutaale knaapen Samahila en Lanoessoe te hebben, en dat hem gezigt is geworden, dat het nog voeren, op ordre van Datoea Baringang geschied zoude zijn - 42 zijn, en derhalven liet weeten dat het goed waar dat de Resident na Datoe Baringang zond, om daar die menschen te laaten afeisschen Dat den Temnang 'sanderen daags zelfs bij den Resident is gekomen en deeze zaak verhandelende te zamen goed gevonden hadden, ieder een zendeling te weeten van Bonie Toborittoe en van de Comp„e Care Mangenroerse neevens den soelewatang van Craeng Simbang na den Datoea te zenden om hem het geval bekend te maaken, gelijk ook geschied is en waar op Patoea g'antwoord heeft, nimmer ordre te hebben gegeven tot het wegneemen van die menschen, maar wel Samaiela na den Tolk Israel geweezen te hebben om daar zijn Regt te zoeken, en dat hij Datoea over die handelwijze alle zints vergrand was, dewijl Samahiela zig daar door schuldig gemaakt had aan een daad die hij niet mogte doen, dat den Datoea ten haaren geleide Een brief over die zaak aan Tennang: Maros had meede gegeven, welke brief ordre aan de Pennang inhield, om aan Samahiela te zeggen dat ten bersten die menschen moesten werden terug gegeven, dog tot nader blijven onder bewaaring van de Jennang Dat Samahila daar op bij den Tennang van Maros die, menschen gebragt en gezegt had, wilt gij nu die menschen hebben ? Hij Jermans g'antwoord heeft wagt nog iets, ik wil Eerst de Resident daar over spree„ „ken, gelijk hij ook gedaan heeft en aan den Resident gezegt had, dat hij een brief van Datoea ontfangen had, om die menschen van Jama„ „hila te ontfangen, en bij zig aan te houden tot de zaak zoude onderzogt zijn, den Resident hier op de menschen sComp„s weegen ten Eersten opge„ „Eijscht had, alzo zulks volgens de subsisteerende wetten tuschen Bonij en de Ed=e Komp„e zo moeste weezen, Hij Jennang gezegt had, bang te weezen om die menschen over te geeven en dat hij om alle Disputen te vermijden zij lieven zelf bij Datoe Baringang zoude begeeven om die daar nader over te vragen Dat hij bij Patoea Baringang komende denzelven de zaak had te kennen gegeven, die daar op g'antwoord heeft, als de witten zo leggen, geeft ze dan over, het welk hij bij zijn terug komst aan den Resident had te kennen gegeven, en met een gevraagt, wanneer zij te zamen deeze zaak zoude onderzoeken en afmaaken, die daar op g'antwoord hadde over vijf daagen betuigende voorts 's daags daar aan die men„ „schen aan den Resident te hebben gezonden Dat

NL-HaNA_1.04.02_8261_0159 view scan ↗

English

43 That having come to the Resident on the appointed day, the matter could not be investigated, because the alleged thief, according to the report of Craeng: Simbang, was ill, and that he, Jennang, at that time and subsequently several times requested the Resident, who expressly wanted to make Samahiela appear in the meeting, not to summon Samahiela and his brother into the meeting, as he was afraid of those insolent fellows, that they might sometimes by their wicked nature make trouble and affront the assembly, whereby he, Jennang, feared to bring down upon himself the displeasure of the King of Bonij for having brought such people into the meeting, but that the Resident said upon this that Samahiela must come here, for I must hear the complainant as well as the accused, otherwise no matters can be settled if that does not take place, That upon the continuous persistence of the Resident to make Samariela appear in the meeting, the Chiefs of the plains of Maros together with the interpreter Billet had found it good, without the prior knowledge of the Resident, to prevent any accidents, to have the Jennang of Maros requested that he would prevent Samahiela from appearing in the meeting until one of the Bonian Chiefs or Datoea Baringang comes to Maros, because they are fearful of his bad character, for which he was known, he, Jennang, had replied that he found difficulty in postponing the matter for so long, since he had to investigate this case anyway even if Datoea: Baringang comes, but that he requested that the interpreter would first investigate this case of Samahiela, and subsequently make it properly known to the Resident, and if the Resident absolutely wants Samahiela to appear in the meeting and the Resident might sometimes address him angrily and severely, or point with the finger, and he, Samahiela, should then commit some insolence, he would not be held accountable for it, since for Bonij as well as the Company there was fear for the consequences that could flow from it, but that he was informed by the interpreter Billet that Samahiela had to appear because he is the claimant, That finally and lastly he, Jennang of Maros, was ordered by the Resident to bring Samahiela along to settle this matter, by the Jennang of Maros; despite the repeated 44 repeated dissuasion to the Resident had appeared with the same, That upon his arrival, as soon as he saw Samahila, accompanied by Sapalajarang or the nephew of Daeng Malimpo, the Resident had asked, is that a prince? He, Jennang, answered, it is no prince or Daeng, but my equal, but I am always fearful of him because he is an extraordinarily insolent rascal, whereupon the Resident had ordered Samahiela to speak and present his complaints, as Samahiela then also did with the translation of the emissary Carre Mangenroeroe, but that while the Resident was busy writing down the claim of the parties, Lanoessoe came to ask in a very insolent manner whether the meeting was not yet over, saying according to the statement of the Jennang of Maros, just leave off investigating the matter any further; but the Chiefs of Maros and emissaries say that Lanoessoe said, if the meeting is not yet over, then I will come to break it up, since the thief and buyer are both upstairs, That upon this, Jennang of Maros, rising from his seat, said to Lanoessoe: what is the matter with you, the case is being investigated, keep quiet, after which Lanoessoe sat down rudely between the Craeng Simbang and Tanralilie, and after this small commotion had been quelled, the investigation of the aforementioned case was started anew, that while Care Mangeroeroe was busy with it, Samahiela struck Mallie on his knees with one hand, and with the other grasped the hilt of his badik, saying loudly to Mallie, speak now what you have to say or are you afraid of Mamma, whereupon Lanoessoe also said, speak up, that Mamma has stolen, That the Jennang, seeing this, had stood up again and said to Samahiela and Lanoessoe, rather go away, what are you doing, your case is being investigated, is it not, upon which Samahiela had said, let us go away for they dare not decide upon our case, they are afraid, and that coming downstairs Samahiela, while jumping, had taken his headdress from his head, saying, I am not afraid, I hold my life cheap, That upon this the Resident, wishing to have soldiers come from the Post, the Jennang had kindly requested him not to do so, which having also been refrained from by him, the two insolent fellows had gone away, That

Dutch transcription

43 Dat hij op den bestemden dag bij den Resident gekomen zijnde de zaak niet heeft kunnen werden onderzogt, dewijl de bezigte dief volgens Rapport van Craeng: Simbang ziek was, en dat hij Teiman g te dier tijd en vervolgens verscheide reijsen aan den Resident, die samahiela in de vergadering expres wilde doen verscheinen, verzogt had, om Samahiela en zijn Broeder niet in de vergadering te willen roepen, dewijl hij voor die brutale snaaken bevreest was, dat ze somtijds door haaren quaden jmborst, historiaalen mogten maaken en de vergadering affronteeren, wanneer hij Tennang vreesde zig de ongenate van den Koning van Bonij op den hals te zullen haalen om dat hij zulke menschen in vergadering gebragt had, dog dat den Resident daar op gezigt heeft samahiela moet hier koomen, want jk moet zo wel den klaager als beklaagde aanhooren, anders kunnen geen zaaken worden afgedaan als dat geen plaats vind, Dat op het geduurig aanhouden van den Resident om: Samariela in de vergadering te doen verscheinen, de Hoofden der vlaktens van Maros met den Tolk Billet goed gevonden hadden, zonder voorken„ „nisse van den Resident, ter voorkooming van alle ongelucken, den Pennang Maros te laaten verzoeken dat hij wilde verhoeden dat samahiela niet komt te verscheinen in de vergadering tot dat een der Bonische Hoofden of Datoea Baringang op Maros komt, dewijl ze bedugt zijn voor zijn quaad naturel waar voor bekend stond, hij Jennang gf'antwoord had, dat hij daar in zwaarigheid vond om de zaak zo lang uit te stellen, vermits hij dog deeze zaak schoon Datoea: Baringang komt, moest onderzoeken, dog dat hij liet verzoeken, dat de Tolk deeze zaak van Samahiela eerst wilde onderzoeken, en die vervolgens aan den Resident behoorlijk te kennen geven, en zo de Resident absolut hebben wil dat Samahiela in vergadering verscheind en de Resident hem zomtijds mogte quaad en straf aanspreeken, of met de vinger wijzen, en hij Samahiela als dan Eenige assurantie bedrijven, hij niet daar voor aanspreekelijk wil weezen gehouden, vermits voor Bonij zo wel als dEComp„e beweest was voor de gevolgen die daar uit konde voortvloeijen, dog dat hem door den solk Billet berigt is geworden dat samahiela moest verscheijnen dewijl hij pretendent is Dat Eijndelijk en ten laasten hij Tennang Maros door den Resident is g'appoincteerd geworden, om Samahiela meede te brengen tot het afmaaken van deeze zaak, bij Tennang Maros; niet teegenstaande de herhaalde 8 44 herhaalde afraading aan den Resident met denzelven verscheinen was, Dat den Resident met zijn komst zo dra hij Samahila zag, verzeld zijnde van Sapalajarang of de Neef van Daeng. Malimpo gevraagt hadde, js dat een prins. ? Hij Jennang g'antwoord heeft het is geen prins of Daeng, maar mijns gelijken, dog jk ben althoos voor hem bedugt om dat hij een buijtengemeen brutale zeerelis, waar op den Resident aan Samahiela gelast hadde te spreeken en zijn klagten in te brengen, gelijk samahiela dan ook onder vertaaling van den zendeling Carre Mangenroeroe gedaan heeft, dog dat terwijl den Resident bezig was de pretensie van parthijen op te schrijven; La„ „noessoe op eene zeer brutaale wijze kwam te vragen, of de vergade„ „ring nog niet uit was, zeggende volgens opgave van de Tennang Maros laat maar blijven de zaak verder te onderzoeken; dog de Hoofden van Maros en zendelingen zeggen dat Sanoessoe gezegt heeft als de vergadering nog niet uit is, dan zal ik komen om z' uit te maken, dewijl de dief en koper alle beide boven zijn Dat Tenmang Maros hier op van zijn zitplaatse opstaande teegen Lanoes„ „soe zeide; wat mankeert je de zaak werd immers onderzogt, houdje stil„ waar na Lanoissoe zig onbeschoft tusschen den Craeng Simbang en Tanralilie gong neederzitten, en na dat dit kleijn oproer gestild was, wierd met het onderzoek van gem: zaak op nieuws begonnen, dat terwijl Care Mangeroeroe daar meede bezig was Samaiela op Mallie zijn knien met de eene hand sloeg, en met de andere de hegt van zijn zies vatte, zeggende teegens Mallie overluijt, spreekt nu wat je te zeggen hebt of ben je bang voor Mamma waar op Lanoessoe ook zeide spreekt op, dat Mamma gestoolen heeft Dat den Tennang zulks ziende weder was opgestaan en teegens saua„ „hiela en Lanoesjoe gezegt hadde, gaat liever heenen wat doet gij, men onderzoekt immers uw zaak, waar op samahiela gezegt hadde, laat ons heenen gaan want zij durven over onze zaak niet disponeeren, zij zijn bang, en dat om laag koomende Samahiela al springende zijn Neusboek van de kop genoomen had, zeggende Jk ben niet bang, Ik heb mijn leeven veijl Dat den Resident daar op Manschappen uit de Post willende doen komen, den Iennang hem vriendelijk verzogt had, zulks niet te doen, dat dan ook door hem gelaaten zijnde, de twee brutaale snaaken waren wggegaan Dat

NL-HaNA_1.04.02_8261_0161 view scan ↗

English

That furthermore the Resident had requested the Perang to make the matter known in all its details to the King of Boni, just as he, the Resident, would do to the Lord Governor, expecting to obtain appropriate satisfaction for this suffered insult that was thereby inflicted upon the assembly and the Chiefs. Furthermore, the Jennang of Maros said upon our inquiry that he did not know where those two persons were, that they were people of Datoua Baringang, and that he was afraid, even if those people were here, to make them appear before us. Yet that the collective Chiefs and emissaries and the Jennang of Maros cannot say whether Samahiela and Lanoesjoe intended in any way to murder the Resident, but refer back to what was said before, adding that this matter has only arisen, according to their understanding, because for a long time no native assembly has been held between the Company's subjects and the Boniers concerning the mutual claims; whereby for the most part all unrest exists and still continues, and the Boniers arrogate too much right and power to themselves. Furthermore, the Lommo of Maros declared that the day after that incident he was called to the Resident, who told him to go alongside the Chiefs to Makassar to deliver a letter and to give a report of the case, but that he, the Lommo, refused to do so, professing it not to be the custom, though they did indeed go along together in the retinue of the Resident, yet they did not request to go up to Makassar. Lastly, the collective Regents requested of us that we might be pleased to request the Honorable Lord Governor in their name that commissioners might be sent hither to settle the mutual disputes between the Company's subjects and the Boniers, since, if that should not happen, they feared that the subjects will become scattered, with which the Jennang of Maros also concurred and even wished for the same, which we have accepted and promised to submit to the Honorable Lord Governor. Being Maros The foregoing having been read out once again and made clear the following day to the native Chief mentioned in the heading, they confirmed the same as containing the truth. Below was written: Thus done and recorded at Maros at the residence of the Honorable Lord Governor, date as above. Signed: J. G. Rudach and J. van Diemar. In the middle: For the translation, signed: D. Deefhout. In the margin stood: Present before us, signed: J. Billet and some characters. To the Junior Merchant Bartholomeus van de Walle Resident there. Honorable, Pious, Discreet. I would gladly do you the justice of believing that you are too well aware of how far the bounds of discretion extend not to exceed them, were it not that I was only too convinced of the contrary, particularly now again in the case of Maona, in which you have exceeded them too greatly; for apart from and besides the sending of military personnel completely into the mountains to the Negorij Balleangien, some hours away from our post, which has never at any time been practicable, so as not to expose them to the bloodlust of the native, especially in a time such as this, wherein we are so sparsely provided with the same, just as, according to the answer given by the Boni Prince Arou Ladjoe to Sergeant Lecerf, would have missed doing by very little; so, since this was purely the work of an interpreter and native emissaries, one can brand that expedition in itself with no other name than violent, the more so as it occurred entirely without my absolutely necessary permission obtained beforehand, yea, I even had not the slightest knowledge of this entire case. I do not wish to speak of the intention, certainly not unknown to you, of the Soelewatang Soelewatang to eliminate that discord between this older sister and young brother. Also, the fine of 88 Spanish rixdollars each, imposed without authorization from me upon this woman and the Glarrang of Padatangang, was beyond your power, as a Resident is not permitted to impose a higher fine than 25 rixdollars on anyone, provided proper account is even then rendered thereof; so that, however I view this matter, I cannot at all say that you have acted therein with that moderation and circumspection as ought to have been done. Nevertheless, I shall let the same pass as a done deed, ordering you to cause Ciaen g Balotje, alongside his Soelewatang and other grandees of the realm, to come hither, alongside the female person fetched from the aforesaid Negorij Balleangien with her four children, as I intend to settle the dispute between him and his sister here myself, if possible, amicably. Concerning the insolence displayed by the Boniers Samahiela and Lanoesjoe, I shall lodge a complaint about this at the Court of Boni through commissioners to be expressly dispatched, and thus try to bring it about that such bad and insolent conduct shall never again be committed, at least by these two. After greetings, I am, Below was written: Your good friend, Signed: B. Reijke. In the margin: Makassar, in Castle Rotterdam, the 16th of December Anno 1782. The Junior Merchant and Secretary of Police Johan Godfried Budach, and The Junior Merchant and Pay-Bookkeeper Godlieb van Diemat, shall tomorrow, assisted by the Second Sworn Interpreter Deefhout, betake themselves to the Court of Boni and there the

Dutch transcription

45 Dat voorts den Resident aan den Perang verzogt had, de zaak in zijn omstandigheeden aan Bonijs koning te willen bekend maken, gelyk hij Re„ „sident aan den Heer Gouverneur zoude doen, in verwagting over dit geleede„ „ne affront dat de vergadering en de Hoofden daar door is aangedaan een overeenkomstige satisfactie te zullen erlangen. wijders zeide den Iennang Maros op onze afvraage dat niet wiste, waar die twee menschen zijn dat zij volk van Datoua Baringang waaren, en dat hij bang was alwaaren die menschen hier om die voor ons te doen verscheinen Dog dat de gezamentlijke Hoofden en zendelingen en den Pennang Maros niet weeten te zeggen of Samahiela en Lanoesjoe aanzints geweest zijn om den Resident te vermoorden, maar refeceeren zig aan het vooren gezegde met bij voeging dat deeze zaak eenelijk is voorgekomen volgens hun begrip, dat dewijl in lange tijd geen Jnlandsche vergadering tusschen komp„s onderdaanen en de Boniers is gehouden over de weeder„ „zeydse pretensien; waar door meestendeels alle onlusten bestaan en nog blijven duuren, en de Boniers zig al te veel regt en magt aanmatigen. voorts verklaarde den Lommo Maros dat hij sdaags na dat voorval bij den Resident is geroepen, die hem gezegt heeft. om neevens de Hoofden naar Makassar te gaan tot het over„ „brengen van een brief en om verslag van het geval te doen, dog dat hij Lommo zulks heeft geweigert, voorgeevende, geen gewoon„ „te te zijn, maar wel dat zij te zaamen onder het gevolg van den Resident meede gongen dog dat zij niet verzogt hebben om na Makasser op te gaan. Laastelijk verzogten aan ons de gezamentlyke Regenten dat wij aan den welEdelen Agtbaaren Heer Gouverneur geliefden uit hunnen Naam te verzoeken, dat tot afmaaking van de onder„ „linge geschillen tusschen komp„s onderdaanen en de Boniers gecommit„ „teerdens mogten werden herwaards gezonden, dewijl zo dat niet mogte geschieden zij vreesten dat de onderdaanen verstrooit zullen raaken, waar meede zich ook den jennang Maros Confirmeerde en zulks zelfs wenschte, het geen wij aangenomen en beloofd hebben aan den welEdelen Agtbaaren Heer Gouverneur te zullen voordraagen. zijnde 46 Maros zijnde het voorenstaande aan de in Hoofde gem: Jnlandse Hoofd en des anderen daags nogmaals voorgeleesen en te verstaan gegeven, zo hebben dezelve, zig /:als de waarheid behelsende :/ daar meede geconfirmeerd /:onderstond:/ Aldus Gedaan en opgenoomen tot Maros op het woonhuijs van den welEdelen Agtbaaren Heer Gouverneur, Datum ut supra, door /:was geteekend:/ J=n G=s Rudach en J„s van Diemar /in 't midden :/ voor de vertaaling /:was geteekend:/ D„s Deefhout /ter zeide stond/ ons present /:was geteekend:/ J„s Billet en Eenige Caracters Aan den onderkoopman Eerzame, vrome, Discrete. Jk zoude UE: gaarne het regt willen doen van te gelooven dat uE te wel bewust is hoe verre de paalen van bescheidentheijd zig strecken om dezelve niet te buijten te gaan, waare het niet dat jk maar te veel van het Contrarie overtuijgt was, bijzonders nu weder in het geval van Maona, waar in UE: dezelve te zeer hebt overtreeden; want buijten en behalven de afzending van Militairen geheel na 't gebergte in de Negorij Balleangien Eenige uuren ver van onze Post, dat nooijt of ooit practicabel is geweest, om dezelve niet aan de moordlust van den Jnlander bij zonder in een tijd als deeze, waar inne wij zo schraal van dezelve voorzien zijn, bloot te stellen, gelijk volgens het antwoord van den Bonies Prins Arou Ladjoe aan den zergeant Lecerf gegeven, weinig gescheeld zoude hebben, zo kan nadien dit en„ „keld het werk van een tolk en Jnlandse zendelingen was, men die uitzending op zig zelve met geen andere Naam als geweldig bestempe„ „len, te meer daar dezelve geheel en al buiten mijn voor af absolut nood zakelijk erlangde toestemming is geschied ja jk zelfs de minste kennisse van dit geheele geval niet heb gehad, jk wil niet spreeken van het bij UE: zeekerlijk niet onbewust voorneemen van den Bartholomeus van de walle Resident aldaar soelepatang 47 Soelewatang om die tweespalt tusschen deeze ouder zuster en Jongen Broeder uit den weg te ruijmen. ook is de, zonder qualificatie van mij deeze vrouw en de glarrang van Padatangang, opgelegde boete van rd„s 88 spaans ieder buijten UE: magt geweest, alzo een Resident niemand geen hooger boete dan rd„s 25. vermag op te leggen, mits daar van dan als nog behoorlijke Reekening doende, invoegen jk hoe„ „danig deeze zaak beschouw gantsch niet zeggen kan daar inne door UE. met die moderatie en omzigtigheijd gehandelt te weesen als wel behoorde te zijn geschied. Egter zal jk het zelve als een gedaane zaak passeeren, UE: gelastende om Ciaen g Balotje neevens zijn soelewatang en verdere Rijx grooten herwaards te doen op komen, neevens het van voorsz Negorg Balleangien afge„ „haalde vrouwsperzoon met haar vier kinderen, alzo ik van voornee„ „mens ben het verschil tuschen hem en zijn zuster hier zelfs des mogelijk in der minne bij te leggen Aangaande de betoonde brutaliteijten van de Boniens Samahiela en Lanoesjoe, hier over zal jk bij het Hoff van Bonij door expresse aftezendene gecommitteerdens doen doleeren, en alzo zien te bewerken dat zulke slegte en brutaali gedoentens nooit meerder ten minsten door deeze twee, zullen geschieden Ik ben na groete /onderstond/ UE: goede vriend /:was geteekend:/ B„s Reijke /:in margine:/ Makasser Jn 't Casteel Rotterdam den 16„e December Ao 1782. Den onderkoopman en secretaris van Politie Johan Godfried Budach, en Den onderkoopman en zoldij Boekhouder Godlieb van Diemat, zullen zig op morgen, g'assisteerd van den tweede geswonen Tolk Deefhout, hebben te begeeven na het Hoff van Bonij en aldaar den

NL-HaNA_1.04.02_8261_0164 view scan ↗

English

48 to present to the King and the grandees of the realm the brutalities committed by the two Boniers Samahila and Lanoessoe at Maros, in the full assembly of the native chiefs and in the presence of the Tennang there, against the Resident van de Walle, which are already known to you, and moreover on this matter, in the name of the Noble Company, earnestly to request such suitable satisfaction against these two ruffians, so that in the future others may be deterred from ever committing such improprieties to the detriment of our Residents as well as of the Court of Boni itself. Below stood: Makassar, in Castle Rotterdam, the 17th of December in the year 1782. Was signed: Barend Reijke. To the Right Honorable Lord Barend Reijke, Governor and Director of this Coast of Celebes, etc. Right Honorable Lord! The undersigned special commissioners, having been ordered by the written, esteemed command of your Right Honor dated the 17th of this month to complain at the Court of Boni to the King and the grandees of the realm, accompanied by the sworn interpreter Diederik Delfhout, and in the name of the Noble Company to request suitable satisfaction for the brutalities committed by two Boniers, Samariela and Lanoezoe, at Maros in the full assembly of the native chiefs and in the presence of the Pennang of Maros against the Resident van de Walle, have the honor to report to your Right Honor that we proceeded thither yesterday morning, where we found with His Highness the Madanrang together with the Soelewatang of Bontoalaq. And after we had presented our grievances in the manner aforesaid in his presence and requested suitable satisfaction for that misdeed, so that in the future others might be deterred from ever committing such improprieties to the detriment of our Residents as well as of the Court of Boni itself, the Madanrang replied first, in the name of the King and the grandees of the realm, that 49 Makassar it was to be attributed solely to the Resident that this incident had arisen, since the Tennang of Maros had testified that he had strongly advised the Resident against summoning these two rascals. Whereupon we replied that the Resident had felt obliged to have both the complainant and the accused appear in the assembly, and that this could not serve to excuse their crime, since they had been obliged to behave quietly in the assembly without causing a commotion, or else they should rather have stayed away entirely. To this, the King added to us that it would have been good if they had both been killed on the spot, which they well deserved, just as the Madanrang cited a case in which Governor Smout had experienced nearly the same thing, and the Bonier had been struck down in the very act. Furthermore, His Highness said that he would deliberate further on this case with his grandees of the realm as to what punishment these people have thereby earned, and that the Noble Company would obtain a satisfaction corresponding to the magnitude of their crime, which His Highness requested us to report back to your Right Honor as a return message; for which kindness we thanked His Highness and took our leave. Trusting that we have carried out this our charge to the satisfaction of your Right Honor, we claim the honor to sign this with all respect and high esteem. Below stood: Right Honorable Lord. Lower: Your Right Honor's humble and faithful servants. Was signed: Jan Pieter Budach and Godfried van Diemar. In the margin: Makassar, the 19th of December in the year 1782. To the Right Honorable Lord Barend Reijke, Governor and Director of this Coast of Celebes. for the favorable accommodation with respect to the transgression of my Right Honorable Lord! duty

Dutch transcription

48 den Koning en Rijx grooten voorhouden de door de twee Boniers Samahila en Lanoessoe op Maros in de volle vergadering der Jnlandse Hoofden en ter presentie van den Tennang aldaar aan den Resident van de walle gepleegde en uwE: reets bekende brutaliteiten, mitsgaders daar over uijt naam van de Edele Compagnie op een Ernstige wijze verzoeken een zoodanige gepaste satisfactie teegens deeze twee bruteurs, dat daar door in het vervolg andere kunnen afgeschrift worden om ooit diergelijke ombetaamlijkheeden zo tot declin van onze Residenten als zelfs van het Hof van Bonij te pleegen /:onderstond:/ Maccasser Jn't Casteel Rotter„ „dam den 17„e December a„o 1782. /:was geteekend:/ B„s Reijke Aan den welEdelen Agtbaren Heer Barend Reijke gouverneur en directeur deezer Kuste Celebes &„o v„e WelEdele Agtbaare Heer! De ondergeteekende Expresse gecommitteerdens bij schriftelijk g'Eerde ordre van uwelEdele Agtbaare in dato 17„e deezer gelast zijnde, om verzeld van den gesw: Tolk Diederik Delfhout aan het Hof van Bonij bij den koning en Rijxgrooten te doleeren, en uijt naam van de Edele Kompagnie eene gepaste satisfactie te verzoeken over de gepleegde brutaliteiten door twee Boniers, Samariela en Lanoezoe op Maros in de volle vergadering der Inlandse Hoofden en ter presentie van den Pennang Maros aan den Resident van de walle, hebben d' Eer uw welEdele Agtbaare te berigten, dat wij ons op gisteren morgen derwaards heb„ „ben begeven, alwaar we bij zijn Hoogheijd aantroffen, den Madanrang neevens den soelewatang van Bontoalacq, en na dat wij onze doleancien in voegen als voorzegd in zijn omstande hadden voorge„ „draagen, en een gepaste satisfactie over dat wan bedrijff verzogt, op dat andere in 't vervolg daar door zoude kunnen werden afgeschrikt, om ooit diergelijke ombezaamlijkheeden zo tot deelin van onze Residenten als zelfs van het Hoff van Bonij te pleegen, Antwoorde den Madan„ „rang uit Naam des konings en de Rixgrooten voor af, dat het 49 Makasser het alleen aan den Resident was toe te schrijven, dat dit geval g'ex„ „teerd was, vermits den Tennang Maros betuigd had, den Resident het ontbieden van deeze twee snaaken sterk te hebben afgeraaden, waar op wij repliceerden, Dat den Resident zig verpligt heeft gevonden zo wel klaager als beklaagde in de vergadering te laaten verschijnen en dat dit niet tot verschooning van hunne misdaad konde strecken, dewijl zij verpligt geweest waaren zig in de vergadering stil te gedraagen, zonder opschudding te verwecken, op dat zij liever anders in 't geheel hadden moeten weg blijven, Hier op voegde ons den koning toe dat het goed zoude geweest zijn, indien z' alle beide op de daad waaren vermoord geworden, 't geen zij wel verdiend hadden, gelijk den Madanrang een geval bij bragte, waar bij den Gouverneur Smout omtrend het zelfde ontmoet was, en den Bonier op heeter daad ter needer was gelegd; voorts zeide zijn Hoogheijd, dat over dit geval met zijne Rijxgrooten nader zoude raadpleegen, welke straffe zij lieden daar door verdiend hebben, en dat de Edele kompagnie, een met de grootheijd van hun misdrijf overeenkomstige Satisfactie zoude erlangen, het welk zijn Hoogheid verzogte aan uwelEdele Agtbaare tot keer berigt te willen Rapporteeren, voor welke toegeneegendheijd wij zijn Hoogheijd bedankte, en ons afscheid naamen. Jn vertrouwen dat wij deeze onze Last na genoegen van uwel Edele Agtbaare volbragt hebben, matigen we ons de Eere aan deezen met alle Eerbied en Hoogagting te teekenen /:onderstond:/ welEdele Agt„ „baare Heer /:lager:/ uwer welEdele Agtbaare onderdanige en Trouwschuldige dienaaren /:was geteekend:/ I=n P„s Budach en G„s van Diemar /in margine:/ Maccasser den 19„e December a„o 1782 Aan den welEdelen Agtbaaren Heer Barend Reijke Gouverneur en Directeur deezer Kuste Celeber voor de gunstige in schicking ten op zigte het overtreeden van mijn welEdele Agtbaare Heer! pligt

NL-HaNA_1.04.02_8261_0166 view scan ↗

English

duty, express hereby my gratitude, being able in truth to assure your Right Honourable that with the executed commission to Baleangien, I intended nothing other than not to trouble your Right Honourable repeatedly, indeed to the point of disgust, with complaints, and, had it been possible, to maintain the character and authority of the Craeng and Regent whom your Right Honourable has been pleased to confirm, as he had not only been mistreated to the utmost, but also subjected to all contempt and disgrace, besides reconciling him again with his sister Maona, as had already been done some months ago upon my friendly exhortation, on which occasion I emphatically reminded the Poelewatang of his promise so solemnly made to your Right Honourable, to wit, to offer his paeng all help and assistance during his minority, and to support him with good advice and deed; but it has been far from the case that he has kept this promise of his, although he says that he wished to pacify brother and sister, this young Regent having been forced to take his refuge with others; it paining me internally that the aforementioned sending or commission can be baptized with no other name than that of violence, since to my knowledge I was not possessed of that outlook, and also postponement of self-interest took place, and had I known that the orders dictate the Resident may send none of his subordinates to the uplands except only the interpreter accompanied by the missionaries here, I would not have transgressed the same, for which reason most humbly requesting that for guidance I may be provided with a further memorandum of what a Resident must do and refrain from doing, so that he does not unwittingly bring upon himself the displeasure of his superiors, whether through negligence, or through exceeding the bounds of discretion. In pursuance of your Right Honourable's highly venerated order, there arrive alongside this the summoned Craeng of Ballotje together with his soelewatang, and some grandees of the realm, likewise the female person with her four children, having to assume under favourable construction that the lesser chiefs remaining here of Padatangang, Tanette, Banti-Moeroeng, Parang Lombasa, Pa-nga, Malacca, Sero, Birao, Kawoe, and Bonto Masoegie who all fall under the authority of the just cited Craeng care for no further orders, since they have been invited by me several times and have not appeared, following the footsteps of Maona, thus more Bonies than Company-minded, for which reason I most respectfully request that these disobedient lesser chiefs, as a deterrent to others in the future, may have such punishment or monetary fine imposed upon them as your Right Honourable shall find equitable, indeed especially the glarrang of Padatangang, who is indeed the principal instigator according to the statement of his aforementioned chief, who moreover still withholds from the Craeng his piken, bearer of the Tampat pienang, obligated and customary of old. Standing to follow in the coming days the female person named Gauw or Daeng Montjong of whom your Right Honourable makes mention in the letter of the 14th of September last, who is alleged to have been appointed impermissibly by the present ada-Touang of Sidenreeng as second Regent of the negorij Tjamba, instead of her deceased sister Makoe alias Arou Djalieeng, assisted by the Craengs Tjinrana, Laboeadja, and sHaroeanging with a multitude of their lesser chiefs, in order to demonstrate to your Right Honourable the baselessness of what was related, that she is not of the Bonijse family, as also not chosen and appointed by the said Ada Touang of Sitenreeng, likewise Arou Parrang with admissibility, whom your Right Honourable has confirmed as second Craeng, upon the satisfaction given hitherto to the present Regent of Tjamba, his nephew. Meanwhile remaining with all high esteem and due respect, was written beneath, Right Honourable Sir, lower, your Right Honourable's humble servant, was signed, Bs van de walle, in the margin, Maros in the fortress Valkenburg, the 24th of December Anno 1782. Translation

Dutch transcription

58: pligt, betuige bij deezen mijne danklaarheid, kunnende uwelEdele Agtb= in waarheid verzeekeren, dat met de geoeverneerde Commissie naar Ba„ „leangien, niets anders heb bedoelt als om Hoogst dezelve niet telkens ja tot walgens toe met klagten te vermoeijelijken, en om waare het moge„ „lijk geweest, te mainctineeren het Caracter en gezag van den Craeng en Regent die uwelEdele Agtbaare heeft gelieven te bevestigen, alze den zelven niet alleen ten uijtersten mishandelt, maar ook alle minag„ „ting en smaad was aangedaan, buiten des om hem met zijn zuster Maona weeder te verzoenen, gelijk reets voor Eenige maanden op mijn vriendelijke adhortatie is geschied, bij welke geleegendheid den Poelewatang nadruckelijk heb herinnert, zyne zo serieus gedaane belofte aan uwelEdele Agtbaare, te weeten zijnen paeng geduurende dies minderjaarigheijd alle hulp en bijstand bieden; mitsgaders met goede raad en daad te zullen ondersteuren, dog het is verre daar van afgeweest, dat deze zijne belofte heeft naargekomen, schoon hij zegt dat Broeder en zuster heeft willen bevreedigen, zijnde deezen Jongen Regent genoodzaakt geweest, zijn toevlugt bij andere te neemen; smer„ „tende het mij innerlijk dat voorschreeven afzending of Commissie met geen ander naam kan gebaptiseerd worden, als met die van geweld, dewijl mijns weetens met dat vooruijtzigt niet ben gehebt geweest, ook post positie van eigen baat plaats heeft gehad, en hat jk gewee„ „ten dat de ordres dicteeren, den Resident niemand van zijn ondergestelde dan alleen den tolk verzeld van de zendelingen alhier naar de bovenlanden mag stuuren, zoude de zelve niet hebben overtreeden, uit dien hoofde aller„ „onderdanigst verzoekende dat tot narigt mag werden gemunieert, met een nadere memorie wat een Resident te doen en te laaten heeft, op dat hij niet onweetende de misnoeging van zijn gebieden op den hals haalt, 't zij door nalaatigheijd, dan wel door het te buijten gaan van de paalen der bescheidentheijd. Agtervolgens uwel Edele Agtbaare hoog gevenereerde ondre komen bezijden deezes over, den ontbooden Ciaeng van Ballotje neevens zijn soelewatang, en Eenige Rijxgrooten, gelijkelijk het vrouws perzoon met haar vier kinderen, onder gunstige welduiding moetende ver„ „onderstellen, dat de hier verbleevene mindere hoofden van Padatangang, Tanette, Banti=Moeroeng, Parang Lombasa, Pa-nga, Ma „lacca, Sero, Birao, Kawoe, en Bonto Masoegie /:die alle onder het gezag van even geciteerden Craeng sorteeren:/ haar aan geene ordres meer kreunen, vermits verscheide maalen door mij zijn g'inviteerd en niet verscheenen, het voetspoor van Maona volgende, dus meer Bonies 06 57: Bonies als Comp„s gezint, alwaaromme Eerbiedigst verzoeke dat deze dis= obediente mindere hoofden, tot afschrik voor andere in het vervolg zoodanige straffe of geld boete mogen werden opgeligt, als zijn Edele Agtbaare na equiteit zal goed vinden, Ja bijzonder de glarrang van Padatangang denwelken wel de voornaamste bruteur is volgens gezegde van zijn voorgesteld hoofd, hier vooren die daar en boven de Craang nog onthoud, zijn piken, Tampat pienang drager van ouds 'er verpligt en gebruikelijk. Staande Eerst daags te volgen, het vrouwsperzoon genaamt Gauw of Daeng Montjong waar van uwel Edele Agtbaare bij brieve van den 14„e September /:Laastleeden:/ mentie maakt, dewelke door den presenten ada=Touang van Sidenreeng tot tweede Regentesse van de Negorij Tjamba ongepermitteerd zoude zijn aangesteld, insteede voor haar overleedene zuster Makoe /:alias:/ Arou Dja„ „lieeng, g'assisteerd van de Craengs Tjinrana, Laboeadja, en sHaroeanging met een meenigte van derzelvers mindere hoofden ten Einde de onbestaanbaarheid van het gerelateerde aan uw welEdele Agtb„s aan te toonen dat zij van het Bonijse geslagt niet is, zo meede door op gemelde Ada Touang van Sitenreeng niet verkooren en aangesteld gelijkelijk Arou Parrang met admisi„ „bel, die hoogst dezelve tot tweede Craeng heeft bevestigd, op de tot nog toe gegevene genoegen aan den presente Regent van Tjamba zijnen Neef. Middelerwijlen met alle hoog-agting en verschuldigd Respect blijvende /onderstond/ welEdele Agtbaare Heer /lager/ uw wel Edele Agtb„s onderdaenige Dienaar /:was geteekend:/ B„s van de walle /in margine / Maros in 't fortres valkenburg den 24=e December Anno 1782 — Translaat

NL-HaNA_1.04.02_8261_0168 view scan ↗

English

52 Translation of a Buginese Letter My humble compliments to Your Honourable and Esteemed Sir, and I inform Your Honourable and Esteemed Sir that I have learned from an inhabitant of Panmana named Lasakirang, who recently returned from Rio, that the English had conquered Pera, Malino, Padang, and Bengalen, in addition to twelve other places belonging to the Honourable Company of which he cannot say the names; likewise, the aforementioned Lasakirang told me that the English are said to intend to attack Batavia and Makasser at the end of this west monsoon. The reason why I write this to Your Honourable and Esteemed Sir is because the Honourable Company has appointed me as its confidant, and I am also accustomed to walk with the Honourable Company whether in good or in bad times; yet God the Lord is Almighty. Furthermore, I must declare to Your Honourable and Esteemed Sir that, although I am old and worn out, nevertheless, provided that during my absence no evil shall befall my wife and children as well as my lands, I am still ready to go to Batavia if the Honourable Company wishes to send me there, provided that Your Honours be pleased to provide me with the necessary vessels and ammunition so that I shall suffer no lack, in order to unite together with the Honourable Company; and Your Honourable and Esteemed Sir need not doubt in that case, as long as God keeps me alive, that they will never be able to conquer Batavia. Your Honourable and Esteemed Sir need only ask my peers what an upright heart and affection my ancestors have always had for the Honourable Company, who are accustomed to share both good and evil with Your Honours. Was undersigned: Written at Soping the 5th of December Anno 1782. Written by the old Datou of Soping To the Honourable and Esteemed Lord Governor and Director of this Coast of Celebes, of the following content: To 53 To the old Datoua of Soping Maros From the letter sent to me by you, I have understood the news you received regarding the intentions of the English. It is true that they have taken some places belonging to the Honourable Company, but how did this happen: at some out of overwhelming force, such as at Bengalen and at Pera, where we had only a handful of men, and at others, such as at Padang, through cowardice. Otherwise, I assure you that they could never ever match the Dutch Nation, nor have they ever known how, and that is why we are not in the least afraid of all those rumours which the English certainly cause to be spread about to frighten some people. Not here, on account of the faithfulness of the Company's allies, and at Batavia, because the main seat is so strong that they will never even dare to attempt coming there. However, it was particularly pleasant to me to perceive once again the tokens of your affection for the Honourable Company, and I thank you on that account for your willing and friendly offer, of which I will make the necessary use if the occasion requires it, and of which I shall not fail, to the renown of the Kingdom of Soping, to give notice to His Highness the Lord Governor-General and the Lords Council of the Indies in Batavia. Was undersigned: Written at Maccasser in Fort Rotterdam the 8th of January Anno 1783. To the Junior Merchant Bartholomeus van de Walle Resident there. Honourable, Pious, Discreet. Craeng Balodje and his older sister Maond having been pacified by me here, are returning to their residences. You will have to ensure that that which was deprived from Maoria according to her statement, consisting principally of Eighty Spanish Rixdollars in cash Two badjus Two handkerchiefs Two busu tallangs One kimbokang Two axes Three parangs One chisel One native adze and Four native mattocks, be promptly restored at once by those among the people whom you had sent to her and who made themselves guilty thereof, as she will otherwise, on the contrary, have to retain her recourse against you, as being the person who, by an imprudent and all too premature conduct, was the cause of the loss of those funds and goods. After greetings, I am, was undersigned: Your good friend. Was signed: B. Reijke. In the margin: Maccasser in Fort Rotterdam the 14th of January Anno 1783. Maccasser To the Honourable and Esteemed Lord Barend Reijke Governor and Director of the Coast of Celebes Honourable and Esteemed Lord! With due respect I have the honour to inform Your Honourable and Esteemed Sir that, according to annual custom, upon inquiring into the ploughing of the paddy fields, the Company's Regents here have unanimously declared upon my interrogation that they have no reasons that could prevent them from proceeding early with that work, and that already many

Dutch transcription

52 Translaat Boegineese Brief Mijne needrige Compliment aan uwel Edele Agtbaare, en maake aan uwelEdele Agtbaare bekend dat jk van een Jnwoonder van Panmana met name Lasakirang, welke onlangs van Rio gereverteerd is, ver„ „nomen hebbe, dat de Engelschen Pera, Malino, Padang en Benga„ „len hadde overwonnen, beneevens nog twaalf andere sComp„s plaatsen die hij de Naam er niet van weet te zeggen, als meede heeft mij gem: Lasakirang nog gezegt dat de Engelschen van intentie zoude weezen om met het afloopen van deeze westmousson Batavia en Makasser te attacqueeren, de reedenen waarom dat jk deeze aan uw welEdele Agtb: schrijve, is om dat de Ed: Comp„e mij als haare vertrouweling aangesteld heeft, en ik ook gewent ben om met de Ed: komp„e 't zij in het goede ofte Quaade te wandelen, dog God den Heere is Almagtig wijders moet ik uw wel Edele Agtbaare verklaaren, schoongenomen Jk oud en afgeslooft ben, Egter des niet te min, in geval 'er in mijn absentie mijne vrouw en kinderen beneevens mijne Landen maar niets quaads mogte overkoomen, ik nog gereed ben om mij na Ba„ „tavia te begeeven, zo de Ed„e komp„e mij daar na toe wilde zenden, mits dat haar Ed„s mij met de nodige vaarthuigen en Ammunitie gelieft te verzorgen, op dat jk geen gebrek zome te Lijden, ten einde te zaamen met de Ed=e komp=e te verEenigen, en uw welEdele Agtbaare als dan in dat geval niet behoeven te twijffelen, als so0 mij maar in 't Leeven laat, dat z' Batavia nooit zal kunnen overwinnen, uwelEdele Agtbaare gelieft zulx maar van mijns gelijken te vragen wat voor een opregt gemoed en zugt mijne voorouders altoos voor de Ed„e Komp„e gehad heeft, die met haar Ed„e gewoon zijn om het goede en quaade samen te deelen /:onderstond:/ Geschreeven te soping den 5„e December A„o 1782. geschreeven door den ouden Datou van Soping Aan den welEdelen Agtbaaren Heer Gouverneur en Directeur deezer kuste Celebes, van de volgende Jnhoud. Aan 53 Aan den ouden Datoua van Soping Maros uijt de mijn door uw toegezondene brief heb jk verstaan de tijding die uw ontfangen had weegens het voorneemen der Engelschen. stet is waar dat zij eenige plaatsen van de Ed: komp„e hebben weggenomen, dog hoe is dit geschied op zommige uit overmagt, zo als op Bengalen en op Pera, daar wij maar een handje vol volk hadden, en op andere, zo als op Padang, door lafhartigheijd. anders verzeeker jk uw dat zij nooit of ooit teegens de Hollandse Natie op kunnen of zelfs nooit hebben gekend, en daarom is het dat wij voor al die gerugten, die de Engelschen zeekerlijk zelfs laaten uitstrooijen om zommige bang te maaken, in het minst niet vervaart zijn. hier niet om de getrouwheid van sComp„s Bondgenooten en op Batavia om dat de Hoofdplaats zo sterk is dat zij zelfs nooit zullen durven onderstaan daar te komen. Egter is het mijn bijzonder aangenaam geweest de blijken van uw geneegendheid voor de Ed=e Comp„e weder te mogen ontwaaren, en bedanke UE: dienthalven voor desselfs gewillige en vriendelijke aanbod, waar van jk als het de geleegendheid vereijscht het nodige gebruik zal maken, en waar van jk niet mankeeren zal om tot roem van het Rijk van Joping zijn Hoogheijd den Heere Gouverneur Generaal en de Heeren Raaden van Indien te Batavia kennisse te geeven /:onderstond:/ Geschreeven tot Maccasser Jn het Kasteel Rotterdam den 8„e Januarij A„o 1783. Aan den onderkoopman Bartholomeus van de walle Resident aldaar, Eersame, vrome, Discrete. Craeng Balodje en zijn ouder zuster Maond door mijn alhier bevreedigt zijnde, zeeren weeder na hunne woonplaatsen te rug . zullende UE: s 1 ve 56 UE: zorge moeten draagen dat het geene men Maoria volgens haar opgave onthooft heeft en ten principaale bestaande is, in Taggentig Rijxd„s spaans aan Contanten Twee baatjes Twee Neusdoeken Twee Boesoe tallangs Een Kimbokang twee beijlen drie parrings Een beijtel Een Jnlandse dissel en vier Jnlandse Houweelen, ten Eersten door die geene uit dat volk die uwE: na haar toegezonden gehad heeft en zig daar aan schuldig hebben gemaakt prompetijt worde gerestitueert, alzo zij anders bij het teegendeel haar guarand op uwE: zal moeten blijven behouden als de geene zijnde die door een onvoorzigtige en al te voorbaarige han„ „delwijze oorzaak van het wegraaken dier gelden en goederen zijt geweest — Ik ben na groete /:onderstond:/ uwE: goede vriend / was getee„ „zend:/ B: Reijke /in margine:/ Maccasser Jn het kasteel Rotterdam den 14„e Januarij A„o 1783 — Maccasser Aan den welEdelen Agtbaaren Heer Barend Heijke Gouverneur en Directeur ter kuste Celeber Met verschuldigd respect hebbe de Eer uw welEd: Agtb„s te bedeelen dat volgens Jaarlijx gebruik mij informeerende naar het beploegen der padij velden sComp„s Regenten alhier op mijne afvraage eenparig hebben verklaart, geene reeden hebben dewelke haar kunnen kinderen om vroegtijdig met dien arbeid voort te vaaren en dat reets veele Cap WelEdele Agtbaare Heer! van

NL-HaNA_1.04.02_8261_0171 view scan ↗

English

5 55 Maros of their people are engaged therein, once again most humbly beseeching Your Honourable and Worshipful Sir that the Boniers (who have unlawfully retained the usufruct of the paddy fields belonging to the Honourable Company's subjects for three consecutive years now) may be ordered to relinquish them without further delay, they having rendered the orders of their King regarding this matter illusory. Remaining for the rest with the highest respect and esteem, (was written below:) Honourable and Worshipful Sir, (lower:) Your Honourable and Worshipful Sir's humble servant, (was signed:) B.s van de Walle (in the margin:) Maros in fortress Valkenburg, the 14th of January, Anno 1783. To the Junior Merchant Bartholomeus van de Walle, Resident there. Honourable, Pious, Discrete! Upon the urgent request of the chiefs of the village of Tjamba who visited me here, that they might have as their Second Regent, in place of the deceased Makkoe, her eldest sister named Bedja, whom I have been further informed is a true subject of the Honourable Company; so have I, since they also personally nominated her to me now, consented to this, on the condition that upon a future vacancy not only of this second regency but even upon the death of the First Regent himself, Arou Parrang, previously nominated by me, being a full nephew of the one currently serving and having shown many tokens of good qualities, shall have to occupy one of these two posts, in such a manner that he thus holds the survivorship thereof. All of which may serve for your information, as well as that I have already several times caused the King of Boni to be exhorted to have the Boniers return to our 56 subjects some of the paddy fields still retained by them (not since three years ago, but since the time that Maros was recaptured from the rebel Sankielang by Datoea Baringang), and that under the present circumstances of the times, where one can undertake nothing by force due to our own powerlessness, one must for the present leave matters as they stand. I remain, after greetings, (was written below:) Your Good Friend, (was signed:) B.s Reijke (in the margin:) Macassar in Castle Rotterdam, the 16th of January, Anno 1783. To the Honourable and Worshipful Sir, Barend Reijke, Governor and Director of this Coast of Celebes. Honourable and Worshipful Sir! The undersigned, having been sent by Your Honour to Tanette on the 7th of this month, the humble subscriber hereby has the honour to report to Your Honour in all respect concerning his mission: that, in accordance with that highly esteemed order, upon his arrival at Mandalle he immediately sent an envoy to the ruler of Tanette to make known the undersigned's arrival as well as to request access, for whichever day His Excellency might be pleased to receive me; whereupon he granted me audience for the 12th of this month, and I accordingly departed at the appointed time for Pantjana, where His Excellency was staying. Upon my arrival, after conveying Your Honour's greetings, I made known to him that I was expressly sent to communicate to him that Your Honour had learned with great displeasure how His Excellency had seen fit recently to send a

Dutch transcription

ƒ 5 55 Maros van hunne volkeren daar meede bezig zijn, andermaal uw wel Edele Agtbaare allerbemoedigst smeekende, dat de Boniers /:dewelke het usum fructum der Padij velden sComp„s onderdaanen toebehoorende nu drie jaaren na den anderen ongepermitteerd hebben behouden:/ mogen werden gelast daar van zonder verder dilaij afstand te doen, de ordres van hunnen Koning dies weegen illusoir makende voor het overige met de meeste Eerbied en Hoog agting blijvende /:onderstond:/ welEdele Agtbaare Heer /lager/ uwer wel Edele Agtbaares onderdanige Dienaar /was geteekend:/ B„s van de walle /in margine/ Maros in 't fortres valkenburg den 14„e Januarij A„o 1783. Aan den onderkoopman Eersame, vroome, Discrete! Op de Jnstantige beede van de alhier bij mijn aangeweest zijnde Hoofden van de Negorij Tjamba om tot hun Tweede Regentesse in plaats van de overleedene Makkoe te moogen hebben derzelver oudste zuster in name bedja, die Jk nader g'informeert den, een weezentlijke onderdaan van de Ed„e Comp„e te zijn, zo heb jk; dewijl z' die thans aan mijn perzoonlijk teffens voorgedragen hebben hier in g'accordeerd, onder die mits dat bij weeder vacature niet alleen van deeze tweede regentsplaats maar zelfs bij aflijvigheid van den Eersten Regent zelfs, Arou Parrang bevoorens door mijn benoemd als een volle Neeff van den thans present fungeerende zijnde en veele blijken van goede hoedanig heeden gegeven hebbende, een deezer twee posten zal moeten bekleeden, invoegen hij ous daar van de survivanse heeft, het geen alles dienen kan tot uwE: na„ „rigt, zo wel als dat jk de koning van Bonij reets diverse keeren heb laaten aanmaenen om door de Boniers aan onze Bartholomius van de walle Resident aldaar onderdaanen 56 onderdaanen terug te doen geeven zommige van de nog (:niet zee, „dert drie Jaaren maar zeedert de tijd dat Maros door Datoea Baringang van den Rebel Sankielang heroverd is:/ onder haar berustende padij velden, en dat men in deeze tijds gesteldheid, daar men door eigen onmagt niets met geweld onder„ „neemen kan, het daar bij als nog moet laaten berusten. Jk ben na groete /onderstond/ uwE: goede vriend /was geteekend/ B„s Reijke /in margine/ Maacdsser Jn het Kasteel Rotterdam den 16„e Januarij A„o 1783. Aan den welEdelen Agtbaaren Heer Barend Reijke Gouverneur en directeur deezer zuste Cileber. welEdele Agtbaare Heer! Den ondergeteekende door uwel Ed: Agtb: op den 7„e deezer na Tanette gezonden zijnde, zo heeft den needrigen Teekenaar bij deezen de Eere uwelEd: Agtb: van zijne verrigting bij deezen in alle Eerbied te berigten; dat hij, ingevolge van dat hoog g'Eerd bevel, met zijne aankomst te Mandalle ten Eersten Een zendeling na den vorst van Tanette gezonden, om des ondergeteekendens arrivement bekent te maken mitsgaders acces te verzoeken, teegens welken dag dat zijn Excellentie mij gelieft te accepteeren, waar op denzelven mij tee „gens den 12„e deezer g'accordeert heeft, en ik mits dien mij dan ook ter be„ „stemder tijd na Pantjana ben vertrocken, alwaar zijn Excellentie was bevindende, aan wien ik bij mijn aankomst, na het afleggen van uwel Ed: Agtb: groet, te kennen hebbe gegeven, dat ik Expies gezonden was, om den zelven te Communiceeren, dat uwel Ed: Agtb: met veel ongenoegen had vernomen, hoe dat zijn Excellentie had kunnen goed vinden, onlangs Een

NL-HaNA_1.04.02_8261_0173 view scan ↗

English

To send an emissary to the village of Patjiro, in order to forbid the persons who cultivate the paddy fields situated thereabouts from proceeding any further with the cultivation thereof; under threat that, if they failed to obey that order, his Excellency would then have the said persons driven away by armed men with force. For which reason your Right Honourable Honour, having ordered me to point out to his Excellency that his conduct in this regard appeared very absurd and unjust, although it is well known that the said paddy fields belong under Tanette, it had nevertheless been his duty to have presented his claim or pretension to your Right Honourable Honour before the plowing season, and he would have been assured in every way that your Right Honourable Honour would have maintained him in all respects and made arrangements so that his Excellency would have received his lands back again, but by no means to be his own judge, as his Excellency has shown in this matter, and also that he could not be unaware that there was a treaty between the Honourable Company and Bonij, namely that when someone has paddy fields which had already been plowed or planted by others, and the rightful owner appears in the meantime and desires to have his own back, then in such a case his claim is provisionally suspended until the crop shall have been harvested and the Honourable Company shall have received its lawful tithe thereof, so that same right ought to apply here as well. To which message the Prince of Tanette served me with the answer that it was indeed the truth that his Excellency had forbidden the laborers of the aforementioned paddy fields from proceeding further with the cultivation thereof, because the time had arrived that he desired to have his own back again, as his Excellency wished to have them cultivated himself; furthermore, that he is also aware that such a treaty existed, and that Bonij had also left them the freedom to maintain their local laws: stating further that if it were subjects of the Honourable Company or people of Bonij who cultivated the aforementioned fields, he would have had nothing against it, but that he would by no means allow the same to remain under Arou Pantjana or to be worked by his people; however, if the Honourable Company does not wish to permit his Excellency to take back what is his, he would then give notice thereof to the Court of Bonij, desiring furthermore and in addition the return of the paddy fields named Lapakan reang-djoonga and those of Datoua Ri Tjitta (being the wife of his Excellency) situated near Patjinongang, both of which were likewise worked by those of Arou Pantjana, along with other items which are currently under the said Prince or are detained by him, besides the buffaloes and horses which his people have robbed from the people of Tanette or have taken in an impermissible manner. Hereupon, the humble undersigned countered the Prince of Tanette that if his Excellency believed he had any claim against Arou Pantjana or against any of his subordinates, he could certainly present it to your Right Honourable Honour, in which case I did not doubt that your Right Honourable Honour would grant his Excellency justice according to equity therein, on which account I once again, in the name of your Right Honourable Honour, recommended his Excellency to allow the disputed paddy fields to be worked undisturbed by the present possessors, on the foundation of the aforesaid alleged treaty; if not, that I was then ordered by your Right Honourable Honour to protest against it, at the same time declaring to his Excellency in brief words that your Right Honourable Honour would by no means tolerate that any violence of whatever kind be committed on the Honourable Company's territory, or done to those who are under the protection of the Honourable Company, as one has means enough at hand to be able to punish such persons exemplarily, and therefore, if the repeatedly mentioned paddy fields remained fallow or uncultivated, all the damage that the Honourable Company should suffer thereby would be imputed to no one else than his Excellency and the Kingdom of Tanette; furthermore, that I have at the same time received orders from your Right Honourable Honour to command the laborers of all those fields that they shall proceed with the planting thereof, without troubling themselves about anyone else, while for that purpose I shall proceed to Sagerij to see who will have the audacity to disturb or forbid those people in their labor. Furthermore, I also informed the well-mentioned Prince that I also had orders to demand once more from his Excellency the person of the regent of Siang, who fled in anno passato and is being harbored by him, in order to render an account of his regency, which he abandoned in a rogue-like manner and without having had the slightest reason for doing so, as well as to give an accounting of the lands of the Honourable Company which he, in an irresponsible manner during his regency, pawned both to the people of Bonij and to others; the well-mentioned Prince here to me

Dutch transcription

57 Een zendeling na de Negorij Patjiro te zenden, ten Einde de Perzoonen die de daar omtrend leggende Padij velden, bewerkende te laaten verbieden, dat zij met het verder bewerken derzelve, niet zoude hebben voort te vaaren; on„ „der bedreijging dat zo wanneer zij aan dat bevel niet quaamen te gehoor„ „saamen; zijn Excellentie als dan ged„e Perzoonen door gewapende Man„ „schappen met geweld zoude laten wegjagen: uijt welken hoofde uwel„ „Edele Agtb: mij gelast hebbende om zijn Excellentie voor te houden dat zijn gedrag hier omtrend zeer ongereijmd en onbillijk te vooren gekoomen is, schoon men wel weet dat gemelde Padij velden onder Tanette gehorende, het egter van zijn pligt was geweest, voor de ploeg tijd desselfs Eijsch op pretentie aan uwelEd: Agtb: zonde hebben voorgedraagen, en hij allen'thalven verzeekerd zonde weezen, dat uwel Ed: Agtb: hem in allen deelen zoude hebben ge„ „mainotineert en ordre gesteld, dat zijn Excellentie desselfs Landerijen weederom terug hadde gekreegen, dog geenzints zijn eijgen Regter te moeten weesen, gelijk zijn Excellentie in deezen getoont heeft, als ook dat hij niet onbewust konde weesen, dat het een verbond was tusschen de Ed: komp„e en Bonij na „mentlijk dat wanneer iemand Padij velden heeft dewelke door anderen reeds waren beploegt of beplant, den regten eijgenaar intusschen komende opdagen, en de zijne begeerde terug te hebben, dan word zijnen Eisch in zulken geval bij provisie opgeschort zo lang tot dat het was zal gesneeden zijn, en de Ed„e Comp„e desselfs geregtelijke Thiende daar van zoude hebben ontfangen, dus dient dat zelfde regt hier meede plaats te hebben. Op welke boodschap mij den vorst van Tanette tot antwoord gediend heb„ „bende, dat zulks de waarheijd was, dat zijn Excellentie de werklieden der voor gem: Padij velden, met het verder bewerken derzelve hadde laten verbieden, vermit de tijd verscheenen is dat denzelven de zijne weeder terug begeerde te hebben, terwijl zijn Excellentie z zelfs wilde laten bewer„ „ken; voorts dat hij ook van bewust is dat 'er zoodanigen verbond lag, en dat Bonij haar ook de vrijheijd gelaaten heeft om hunne Lands wetten te mogen hand havenen: zeggende wijders dat wanneer het onderdaanen van de Ed„e Komp„e off Boniers zijn die meerm: velden bewerkende, hij 'er niets teegen zoude hebben gehad, maar geenzints te willen toestaan dat dezelve onder Arou Pantjana verbleef of door zijn volk bewerkt wierden; Edog indien de Ed„e Comp„e zijn Excellentie niet permitteeren willen dat hij de zijne na zich weederom mogte neemen, hij 'er dan kennis aan het Hof van Bonij zoude geeven begeerende wijders nog daar en boven de terug gave der Padij velden genaamt Lapakan reang=djoonga„ en die van Datoua Ri Tjitta /:zijnde de vrouw van zijn Excellentie:/ geleegen bij Patjinongang, welke beide insgelijks door die van Arou 58 Arou Pantjana bewerkt wierden, beneevens andere Articulen die teegenswoordig onder gem: Prins zijn off door hem worden aange„ „houden, behalven de Buffels en Paarden die zijn volk van de Ta„ „nettereesen geroofd of op een ongepermitteerde wijse hebben genoomen. Hier op heeft den needrigen teekenaar den vorst van Tanette te gemoed„ gevoerd, dat zo indien zijn Excellentie eenige pretentie op Arou Pan„ „tjana, dan wel op die van zijne onderhoorige vermeenende te hebben, dat hij die immers zulks aan uwelEd: Agtb: konde voordragen, als wanneer ik niet en twijffelde of uw welEd: Agtb: zal zijn Excellentie daar in na de billijkheijd regt doen erlangen, weshalven jk zijn Excellentie nog maals uijt naam van uwelEd: Agtb: recommandeerende om de questikuse Padij velden door den teegenswoordigen Possesseirs, op fundament van het voorsz: g'allegueerde verbond, ongestoord te laten b'arbeijden; zo niet dat ik als dan door uwelEd: Agtb: gelast was, daar teegen te protes„ „teeren, teffens zijn Excellentie, met korte woorden te verklaaren, dat uw welEdele Agtb: geen zints zoude dulden dat 'er eenige geweld. hoe ook genaamt op 'sEd„e komp„s grond gebied gepleegd, of den geenen die onder de protextie van haar Edele zijn, zoude worden aangedaan, alzo men middelen genoeg aan handen heeft om de zoodanige voorbeeldelijk te kunnen straffen, en dierhalven zo wanneer de meergem: Padij velden braak: op onbewerkt bleef leggen, dat als dan alle de schaade die de Ed„e Comp=e daar door kome te lijden. niemand anders zouden worden g'jmputeerd, als zijne Excellentie en het Rijk van Tanette; voorts dat ik teffens ordre van uwelEd: Agtb: hebbe gekreegen om de werklieden van alle die velden te ordonneeren dat zij met het beplanten van dezelve, zul„ „len hebben voort te vaaren, zonder zich aan iemand anders te be„ „kreunen, terwijl ik ten dien eijnde mij na Sagerij zal begeeven, om te zien wie de stoutigheijd zal durven gebruijken om die menschen in hun arbeid te stooren ofte verbieden. voorts heb k welm: vorst meede te kennen gegeven, dat ik ook last hadde om als nog van zijn Excellentie te reclameeren de perzoon van den in annopassato gevlugte en door hem aangehouden wordende somme van Siang ten Eijnde van zijnen Regentschap, die hij op een schelmagtige wijse en zonder de minste reeden daar toe te hebben gehad, verlaaten heeft, reekenschap te geeven, zo meede verantwoording te doen der sanderijen van de Ed„e Comp=e die hij op een onverantwoordelijke wijse geduurende zijne Regentschap, zo aan de Boniers als aan andere verpand heeft; welm: vorst heeft mij hier ƒ

NL-HaNA_1.04.02_8261_0175 view scan ↗

English

59 Boetong gave no other answer than that the mentioned fugitive is a Tanetterees by birth, notwithstanding that I asserted the contrary thereof to His Excellency, namely that the said Lommo is a subject of the Honourable Company, and that His Excellency could be convinced with proofs, but that the said rogue, in order to evade his well-deserved punishment, now came to pass himself off as a Tanetterees. And herewith I took my leave, after His Excellency first instructed me to convey his manifold compliments to Your Right Honourable; likewise I assured him that I shall furnish a proper report of one thing and another to Your Right Honourable. Subsequently I departed for Sagerij, where upon my arrival I immediately summoned all the Regents of the Company's districts to me, and ordered them in the name of Your Right Honourable that they shall have to take care that all the paddy fields that are under their districts are properly cultivated and planted, likewise to see to it that the workmen are not hindered or disturbed in their activities by others, as well as to prevent any hostilities or acts of violence from being committed on the Honourable Company's territory, and should anyone wish to attempt such, to oppose them forcefully. Wherewith the humble subscriber trusts to have complied with the highly esteemed order of Your Right Honourable, thus presuming the honour to be permitted to call himself with all submissiveness. Below stood: Right Honourable Sir. Lower: Your Right Honourable's humble and dutiful servant. Was signed: D.r Deefhout. In the margin: Macassar, the 18th of February 1783. Bosamie To the sergeant I make use of this opportunity to order you to give me notice with the utmost speed, even should a request have to be made to the King for that purpose, in case you should obtain any intelligence of English ships, or indeed anything that has even the slightest relation thereto or to the war with them. I rely on the prompt execution of this order and remain, after greetings. Below stood: Your friend. Was signed: B.s Reijke. In the margin: Macassar, in Castle Rotterdam, the 22nd of February Anno 1783. To Macassar Boelecomba To the Junior Merchant Simon Monsieur Resident there. Honourable, Pious, Discreet! The former King of Bangaij, who according to your letter of the 28th of February passato has let his vessel sail to Ternaten, or rather who remained on Bonthain through the indifference of the master of the sloop the Manado, you must cause to come up hither as soon as practicable with one of the pantjallangs available with you for the collection of rice, or other good opportunity, while there will certainly occur no further opportunity for the transportation of him to Ternaten. I remain, after greetings. Below stood: Your good friend. Was signed: B.s Reijke. At the side: Macassar, in Castle Rotterdam, the 7th of March 1783. To the Right Honourable Sir Barend Reijke Governor and Director of the Coast of Celebes. Right Honourable Sir! On the 17th of this month, late in the evening, I received overland from Sape news that two days before, far off the coast, three large English ships and a two-masted frigate had come to anchor there, that nobody had yet been ashore, but that the interpreter at Sape was about to go on board with them. I immediately requested an audience with the King and grandees of the realm for the tomorrow morning; arriving there, they asked me what they should do now, while they, being unable to withstand such a power, were at a loss in this matter. I then advised them to send someone thither directly 60

Dutch transcription

59 Boetong op niets anders ten antwoord gegeeven als dat gem: vlugteling een Tanette„ „rees van geboorte is, niet teegenstaande jk zijn Excellentie het teegendeel daar van hebbe beweerd, namentlijk dat gem: Lommo een onderdaan van de Ed„e Comp„e is, en dat men zijn Excellentie met bewijsen konde overtuijgen, maar dat gem: snaak ter ontwijking van zijn wel ver„ „diende straffe, als nu voor een Tanetterees quam uijt te geeven: En hier meede heb jk mijn afscheijd genoomen, na alvoorens zijn Excellentie mij te hebben opgedragen om desselfs veelvuldige Compliment aan uwelEd: Agtb: te verzeekeren; zo hebbe ik hem tefens betuijgd dat Jk van het een en ander een behoorlijk Rapport aan uwelEd: Agtb: te zullen suppediteeren, vervolgens ben jk na Sagerij vertrocken, alwaar ik bij mijn aankomst ten Eersten alle de Regenten van sComp„s districten bij mij hebbe laten ontbieden, en haar lieden uijt naam van uwelEd: Agtb: g'ordonneert hebbe dat zij zullen hebben zorg te dragen dat alle de Padij velden die onder hunnen districten zijn, na behooren worden bewerkt en beplant, teffens toe tesien dat de werklieden in haare bezigheeden niet door anderen worden ver„ „hindert of gestont, mitsgaders te beletten, dat 'er op 's Ed„e komp„s Terri„ „toir geene hostiliteijten of geweldenarijen gepleegd wierden, en die dat zulks willende tenteeren, dezelve met geweld te zeer te gaan. waarmeede den needrigen Teekenaar vertrouwd van aan het p 9 hoog g'Eerd bevel van uwelEd: Agtb: te hebben voldaan, dus de Eer aan„ „matigende zich met alle onderdanigheijd te mogen noemen. /onderstond:/ wel Edele Agtbaare Heer /:lager:/ uwel Edele Agtb=s onderdanige en Trouwschuldigen dienaar /:was geteekend:/ D„r Deefhout /:in margine:/ Marcasser den 18„e februarij 1783. Bosamie Aan den sergeant Jk bediene mij van deeze geleegendheid om uwE: te gelasten van mijn ten allerspoedigsten /:al zoude daar toe verzoek aan de Koning moeten worden gedaan:/ kennisse te geeven, bij aldien UwE: het een of ander narigt van Engelsche scheepen mogte krijgen dan wel iets dat daar toe of tot den oorlog met hun maar de allerminste betrecking heeft. Jk geruste mijn in de prompte uijtvoering deezer ordre en ben na groete. /:onderstond:/ UE: vriend. /:was geteekend:/ B„s Reijke /:in margine:/ Maccaier Jn't Casteel Rotterdam den 22„e Februarij Ao 1783. Aan Maccasser Boelecomba Aan den onderkoopman Simon Monsieur Resident aldaar. Eersame, vrome, Discreete! De geweezene koning van Bangaij die na volgens uwE: brief van den 28„e februarij passato zijn vaarthuijg na Ternaten heeft laten vaaren, of liever die door de onverschilligheijd van den gezaghebber van de Chialoup de Manado op Bonthain verbleeven is, moet UwE: zo dra doenlijk met een der bij uwE: ter afhaal van Rijst aanhanden zijnde Pantjallangs of andere goede geleegentheijd na herwaards doen op komen, terwijl 'er zeekerlijk geen geleegendheid meer tot transporteering van hem na Ternaten zal voorkoomen. Ik ben na groete /:onderstond:/ UwE: goede vriend. /:was geteekend:/ B„s Reijke /:ter zeide:/ Maccasser in't Casteel Rotterdam den 7„' Maart 1783. Aan den welEdelen Agtbaren Heer Barend Reijke Gouverneur en directeur ter zuste Celeber. WelEdele Agtbaare Heer! Den 17„e deezer 's avonds laat kreeg ik overland van Sape tijding dat aldaar twee dagen bevoorens verre uijt de wal ten anker waren gekoo„ „men drie groote Engelsche scheepen en Een twee mart fregat, dat nog niemand aan de wal was geweest, dog dat den Tolk te sape bij haar aan Boord stond te gaan, Jk liet aanstonds teegens morgen ochtend bij de koning en Rijxgrooten beletvraagen, daar koomende, vroegen zij mij wat zij lieden nu doen zouden wijl zij als teegens zo een magt niet be„ „stond in deezen radeloos waaren; Jk raaden haar dan om direct iemand der„ waards 60

NL-HaNA_1.04.02_8261_0177 view scan ↗

English

to send thither, in order to speak with the English if they should come ashore, to ask them whence they came, whither their destination was, and what they came to do here; and that it was best to accommodate them, against payment, only with the bare necessities, if the English gave their promise to depart as soon as they were provided with what was necessary. The Bimarese approved of this and, while I was still with them, sent someone to Sape. But on the 19th I received news from Sape that the new guests there would hear nothing at all of paying, but took everything away by force, and if anyone merely said, it is my property, or pay me, they presented them with a pistol or a cutlass; that at Sape they chopped down and ruined all the gardens, etc.; yea, to all those and other hostilities they even added the seizing and carrying off of children; that this one thing and another caused complete dejection among all the people of Bima and especially among the inhabitants of Sape and its environs; that the latter had brought their women, children, and buffaloes all to the mountains. The English had also asked where the Company was here, but having a clever interpreter before them, he answered them that if they wished to go from there overland to the Company's post, in this season of the year it would take them fully a month's work on account of the mud and the overflowing of the rivers they had to cross. Furthermore, they asked whether there were many Dutchmen, whereupon the Bima interpreter answered that on account of the great distance he seldom came to the Company's lodge, but that he knew well there were not more than 10 Dutch men, and that the rest had all departed for Makassar, as the Company currently sent no ships here; whereupon the English inquired no further about the Company. Upon this news, the Bimarese sent down to ask me what they should do now, since the English were ruining everything at Sape and carrying off their people as well. I then advised them anew that they should again send one of the grandees of the realm thither without loss of time, with a proper retinue, in the name of the King and the grandees of the realm, in order to ask the Englishman in somewhat firmer yet friendly terms what he came to do, and in their name to demand back all the stolen people, and furthermore to ask the English in direct terms whether they had come to act hostilily against them; if so, that he would then report thereof to his sovereign, and if not, that they should then deliver up the abducted people, and then tell him what they needed, whereupon he would, according to possibility, provide them with everything against proper payment; also, he was to make known to them that several Englishmen had come here before to refresh themselves who were never ill-treated by the Bimarese, and that they also absolutely did not tolerate such from theirs. The English pretend to be bound for China; others say again that their voyage is to Timor, so that one cannot rely on it firmly, yet they appeared out of the northwest, and whence they come is not yet known. I have drafted this with the utmost speed in order to inform your Right Honourable Worships most respectfully and as quickly as possible of this most important news, and I have been obliged to hire the bearer of this, named Intje Manco, for 50 Rds., while I obtained the proa and a part of the crew from the Bimarese, in the hope that your Right Honourable Worships will be pleased to seal this, as well as my actions herein, with your Right Honourable Worships' approval; looking forward with very great longing to your Right Honourable Worships' highly respected orders in this regard, I at the same time very humbly request that, in case of a long voyage and if they ask for it, the bearer of this may be provided yonder with rice for their return voyage, which I have promised them to request with all respect from your Worships. With the departure of the provisions proa, or should need require it sooner, I shall report to your Right Honourable Worships at the earliest opportunity on the outcome or whatever else might occur; and since the continuous stormy weather absolutely did not permit it, I have not been able to give notice to Java of the arrival of these ships. Herewith I remain with the deepest respect and submission, was underwritten, Right Honourable Worshipful Sir, lower, your Right Honourable Worships' humble and faithful servant, was signed, C.s Meurs, in the margin Bima. 53 Bima, in the Company's fortress, the 20th of February A.o 1783 — Batavia. To His High Honour, The High Noble, Right Honourable, Valiant, Far-Ruling Lord, Mr. Willem Arnold Alting, Governor-General, and The Honourable, Valiant Lords Councillors of the Netherlands Indies. High Noble, Right Honourable, Valiant, Far-Ruling Lord and Honourable, Valiant Lords! By the vessels currently making a collection voyage to Java to fetch rice, of which the inhabitants of this province have a great shortage, we avail ourselves of the opportunity to give your High Honours dutiful notice of the arrival of three English ships and a two-masted frigate in the Sape Strait at Bima, as well as the hostilities which they are committing in that place, described in the accompanying authentic copy of the letter sent to us by Bima's Resident, which we have just received, and to which we very respectfully refer ourselves; as also that we the along with Resident ditto fl.

Dutch transcription

— „waards te zenden om met de Engelsen bij aldien zij aan de wal kwaamen te spreeken, haar af te vragen van waar zij kwaamen, werwaards hunne destinatie was, en wat zij hier kwamen doen, en dat het beste was haar tee„ „gens betaaling slegts met het noodwendige te gerieven als zij Engelsen haar belofte deeden van zo haast zij van 't nodige voorsien waren, te zullen vertrekken, dit zeurden, de Bimaneesen goed en senden terwijl ik nog bij haar was iemand na Sape, dog den 19„e kreeg ik tijding van sape, dat de nieuwe gasten aldaar in 't geheel van geen betaalen wilden hooren maar alles met geweld wegnaamen, en zo iemand maar zij, het is mijn goed, of betaald mij, dat zij de zulken de Pistool of de Houwer presenteerden, dat zij op Sape alle de thuijn en &„e omver kapten en ruineerden, Ja:s zelfs bij alle die in meer andere hostiliteijten het wegneemen en vervoeren van zinderen, voegden dat dit een en ander eene gansche verslaagendheijd on„ „der al 't volk van Bima en voor al onder de Jnwoonders van Sape en daar omstreeks verwekte dat laast gemelde hunne vrouwen, kinderen. en Buffels alle na 't gebergte hadden gebragt; ook hadden de Engelsen gevraagd waar de Compagnie hier was, dog een slimme tolk. voor hebbende antwoorde haar dat als zij van daar over land na de Comp„ Post wilden, dat zij dan in deeze tijd van 't Jaar door de modder en 't overloopen der Rivieren die zij moesten passeeren wel een maand werk hadden, verders vroegen ze of er veel Hollanders waaren, waar op den Bimas tolk antwoorde, dat hij weegens de verre af„ „stand selden in 'sComp„s Logie kwam, dog dat hij wel wist dat 'er niet boven de 10 man hollanders waaren, dat de rest alle na Maccasser waaren vertrokken wijl dog de Comp„e thans geen scheepen hier sond, waar op de Engelsen verder zig na de Comp„e niet g'informeert hebben. op deeze tijding lieten mij de Bimaneesen needer vraagen wat zij nu zou„ „den doen, daar de Engelsen alles te sape ruineerden en haar volk er bij wegnaamen; ik raaden haar dan op nieuw dat zij op nieuw een van de Rijksgroot met een goed gevolg uijt naam van de koning en Rijksgrooten zonder tijd versuijm moesten derwaards senden, om in wat Cordater dog egter vriendelijke termen den Engelschman aftevraagen wat hij kwam doen en uijt naam van hun alle de gestoole menschen terug eisschen en verders hun Engelschen in directe termen moest moest afvragen of zij gekomen waaren om vijandelijk teegens hun te ageeren, zo Ja dat hij dan daar van Rapport zou doen aan zijn vorst en zo neen dat zij dan de weggenomene menschen zouden uijtleeveren, en dan aan hem zonden zeggen wat zij noodig hadden wanneer hij haar teegens ordentelijke betaaling dan na mogelijkheijd van aller zou voorsien ook moest hij haar te kennen geeven dat hier wel meer Engelschen zig hadden koomen ververschen die nooijt door de Bima „neesen zwalijk waaren behandeld en dat zij zulx ook absoluit aan de haaren niet tolloreerden. De Engelsen geeven voor na China te willen, anderen zeggen weer, dat haar reijse na Timor is, zo dat men hier niet vast op aan kan, doch zij zijn uijt het noordwesten koomen op daagen en waar van daan weet men nog niet Jk heb deeze ten allerspoedigsten vervaardigt om uwel Edele Agtb: zo schielijk mogelijk was van deeze aller inportantste tijding zeer Eerbiedig te informeeren, en ben genoodsaakt geweest brengen deezes genaamt Jntje Manco voor 50: Rd„s aftehuuren, terwijl ik de prauw en een gedeelte van 't volk van de Bimaneesen heb gekreegen, in hoope dat uwelEd: Agtb: dit zo wel als mijne verrigting „gen in deezen met uwelEd: Agtb: goedkeuring wel zult willen bestempelen; wel Edele Agtb: zeer gerespecteerde ordres des weegens met zeer veel verlangen te gemoed ziende, verzoek ik teffens zeer needrig dat brenger deezes ingevalle van Een lange rheise en zoo zij 'er om vragen @. Costij met Rijst tot hunne terug rheijse moogen voorsien worden 't geen ik haar beloofd heb in allen Eerbied van tweede Agtb: te zullen verzoeken, met het vertrek van de provisie prauw of zo 't nood eerder mogte vereisschen, zal ik uwelEd: Agtb: van den uijtslag of 't geen verder mogte voorvallen ten spoedigsten verslag doen; en dewijl het aanhoudend storm weer het absolut niet per„ „mitteerd heb jk na Java van 't arriveeren deezer scheepen geen kennisse kunnen geeven. Hiermeede verblijf met het diepst respect en onderdanigheijd /onderstond/ welEdele Agtbaare Heer /lager/ uwel Edele Agtb: on„ „derdanige en trouwschuldige Dienaar /was geteekend/ C„s Meurs / in marijn Bima 53 Bima in 'sComp„s vesting den 20„e Februarij A„o 1783 — Batavia Aan zijn Hoog Edelheijd. Den Hoog Edelen Groot Agtbaaren Gestrengen wijdgebiedende Heere M„r Willem Arnold Alling gouverneur generaal De welEdele Gestrenge Heeren Raaden van Neederlands India Hoog Edele Groot Agtbaare Gestrenge wijdgebiedende Heere en welEdele Gestrenge Heeren! Met de thans naar Iava Een ophaal togt doende vaarthuijgen, ter afhaal van Rijst, waar aan de Ingeseetene deezer Provintie groot gebrek hebben, bedienen w' ons van de geleegendheijd om uw Hoog Edelheedens zoo wel schuldpligtig kennis te geeven, van de Aankomst van drie Engelsche scheepen en Een twee Mast Fregat in straat Sape op Bima, mitsga„ „ders de hostiliteijten, die dezelve daar ter plaatse pleegen, beschreeven bij het overgaande Authenticq Afschrift van den Brieff door Bimas Resident aan ons gezonden, die wij zo even ontfangen hebben, en waar aan wij ons zeer Eerbiedig zijn gedragende; als dat wij den Beneevens Resident do ƒ

NL-HaNA_1.04.02_8261_0180 view scan ↗

English

will order the Resident there to exercise all possible prudence further in that case, by encouraging all the princes across the waters in a friendly manner toward steadfast loyalty to and the promotion of the Company's interests, and for the rest to comply with the orders already received from here and given by us in Ao 1781, in case the Company's post should be hostilely attacked by the English. Furthermore, we also have the good fortune to inform Your High Nobilities hereby that the Company's pantchiallang De Vreede, under the supervision of the commander De Sisoo, arrived here on the 3rd of this month provided only with a forwarding letter and an invoice of account, and that we are still looking forward to the duplicate and original reply of Your High Nobilities as well as the factory ship, as also that for the rest, through God's goodness, we find ourselves here in undisturbed tranquility. We commend the precious persons of Your High Nobilities and the Company's weighty interests to God's safe keeping, and remain with all respect and high esteem, underneath stood, High Noble, Right Honorable, Stern, Far-Commanding Lords, lower, Your High Nobilities' humble and faithful servants, was signed, B.s Reijker, I. M. Baserman, J. W. H. van Rossum, J.b L. de Vos, I.s Bosch, J. G. Budach and G. van Diemar, in the margin, Maccasser In the Castle Rotterdam the 10th of March 1783. To the Senior Merchant Rudolph Florentius van der Niepoort, Member of the Council and Authority over the Eastern Salient of Java at Sourabaija. Samarang Sourabaija Honorable, Prudent, Discreet! We have the honor respectfully to request your Honor to be pleased to provide a speedy and secure forwarding for the enclosed letter to Their High Nobilities and a ditto to the Lord Governor at Samarang, and in that expectation we remain with all esteem, underneath stood, Your Honor's good friends, was signed, B.s Reijke, I. M. Baserman, J. W. A van Rossum, J. L. de Vos, J.s Bosch, I. G. Budach and G. van Diemar, in the margin, Maccasser In the Castle Rotterdam the 10th of March Ao 1783. To the Right Honorable Lord Johannes Siberg, Governor and Director there, together with Right Honorable Lord and friend! With the vessels currently making a collection voyage to Java for the fetching of rice, of which the inhabitants of this province have a great shortage, I have the honor to give your Right Honorable notice of the arrival of three English ships and a two-masted frigate in the Sape Strait at Bima, together with the hostilities that they committed there locally, described in the accompanying authentic copy of the letter sent to me by the Resident of Bima, which I have just received, and to which for the sake of brevity I refer, mentioning at the same time that by this opportunity via Sourabuije I am providing the requisite notice of this to Their High Nobilities at Batavia. For the rest, everything here being in undisturbed tranquility, I conclude this with my cordial greetings and declare with very much esteem to be, underneath stood, Right Honorable Lord and friend, lower, your Right Honorable's humble servant, was signed, B.s Reijke, in the margin, Maccasser In the Castle Rotterdam the 10th of March Ao 1783. To the Junior Merchant Cornelis Meurs, Resident there at Bima. Honorable, Pious, Discreet. In reply to your Honor's received letter of the 20th of February past, communicating the arrival of three English ships and a two-masted frigate in Sape Strait and the hostilities which they are committing there, this serves to state that I, approving what has already been done by your Honor, in these delicate circumstances of the times cannot order your Honor otherwise concerning this than to exercise all possible prudence further in the case at hand, and to encourage in a friendly manner all the princes across the waters, especially the King of Sumbauwa who is by no means well-disposed toward the Company, and with steadfast loyalty and adherence to the interests of the honorable Company to resist this common enemy jointly, in case they should not cease the committing of their hostilities; your Honor being required for the rest to comply with the order already established in case the Company's post should be hostilely attacked by the English. Wherewith, after greetings, I remain, underneath stood, your Honor's good friend, was signed, B.s Reijke, in the margin, Maccasser In the Castle Rotterdam the 10th of March Ao 1783. To the Right Honorable Lord Barend Reijke, Governor and Director of the Coast of Celebes. Right Honorable Lord! My respectful letter written on the 20th of February to your Right Honorable, I take the liberty to let accompany this in duplicate, while I have the pleasure to inform your Right Honorable hereby that two of those English ships sailed on the 21st and the other two also two days thereafter, setting their course southward through Sape Strait; and as the English claimed to want to go to Timor or China, I have done my best to send that news also as speedily as possible to the first-mentioned place, and have succeeded so far that on the 22nd of this month a vessel has steered thither with the accompanying letter, which I also take the liberty to offer to your Right Honorable in copy; and although otherwise no shipping is open from here to Timor, I thought nevertheless that the weight of the matter in this instance required an exception, and hope that I shall not have deceived myself herein, while concerning this I shall very humbly await your Right Honorable's approval, or on the contrary let this serve me as a guide for the future.

Dutch transcription

Resident aldaar zullen gelasten om alle mogelijke omsigtigheijd in dat cas verder te gebruijken door de gesamentlijke overwalsche vorsten op Een vriendelijke wijse te animeeren tot den standvastige Trouwe aan, en be„ „hertiging van 'sComp„s Belangens en zig voor het overige te gedragen aan de reeds van hier in A„o 1781. ontfangene en door ons gegevene ordres ingevalle 'sComp„s Post door de Engelse vijandelijk mogte werden aan„ voorts hebben wij nog het geluk uw Hoog Edelheedens bij deezen te be„ „deelen dat 'sComp„s Pantjallang de vreede onder op zigt van den gezag hebber de sisoo, op den 3„e deezer Eenelijk versien van Een geleijde briefje en Een factuur van Aanreekening alhier is g'arriveerd, en dat wij de dupplicaat en origineele Rescriptie uwer Hoog Edelheedens mitsgaders het Comptoir schip nog te gemoet sien, als ook dat wij ons voor het overige hier ter plaatse in Een ongestoorde Ruste door Gods goedheijd bevinden wij beveele de dierbaare Perzoonen uwer Hoog Ed„s en 'sComp=s Swaarwigtige belangens in Godes veijlige Hoede, en blijven met aller Eerbied en Hoogagting /:onderstond:/ Hoog Edele Groot Agtbaare Gestrenge wijdgebiedende Heere /lager/ uw Hoog Edelheedens onderdanige en Trouwschuldige Dienaaren /was geteekend/ B„s Reijker I: M: Baserman, J: w: H: van Rossum, J„b L: de vos, I=s Bosch, J: G: Budach en G: van Diemar /in margine/ Maccasser Jn't Casteel Rotterdam den 10 Maart 1783— Sourobaija 647 „getast. 65 Aan den opperkoopman Hudolph Florentius van der Niepoort Samarang Sourobaija Erntfeste, voorsienige, Discrete! wij hebben de Eer uwelEdele gedienstig te verzoeken om Inleggende Brieff aan Hunne Hoog Edelheedens en Een dito aan den Heer Gouver„ „neur te Samarang, Een spoedig en secuur addres te willen doen Erlangen, en blijven in die verwagting met Alle Agting /onderstond/ UE: goede vrienden /was geteekend/ B„s Reijke, I: M: Baserman J: w: A van Rossum, J: L: de vos, J„s Bosch, I: G: Budach en G: van Diemar /in margine/ Maccasser Jn't Casteel Rotterdam den 10 Maart Ao 1783 — Aan den welEdelen Agtbaren Heer Iohannes Sieberg Gouverneur en directeur aldaar Wel Edele Agtbaare Heer en vriend! Met de thans na Iava een ophaal togt doende vaarthuijgen ter af„ „haal van Rijst, waar aan de Jngeseetene deezer provintie groot gebrek hebben, heb jk de Eere uw wel Edele Agtbaare kennis te geeven van de Aankomst van drie Engelsche scheepen en een twee Maste fregat Den Raad Gezaghebber over den oosthoek van Iava Neevens in Bima in straat sape op Bima, mitsgaders de korteliteijten die dezelve daar t plaats pleegen, beschreeven bij het overgaand Authenticq afsheift van de Brief door den Bimas Resident aan mijn gezonden dien jk zo even ont „fangen heb en waar aan jk mijn kortheijds halven gedrage met meldig teffens dat jk hier van met deeze geleegendheijd over sourabuije om de vereijscte kennisse aan Hunne Hoog Edelheedens te Bataviae koome te geeven voor 't overige hier alles in een ongestoorde rust zijnde zo beslukde Jk deeze met mijne hertelijke groete en betuijge met zeer veel agting te hij /onderstond/ welEdele Agtbaare Heer en vriend /lager:/ uw wel Edele Aa onderdanige dienaar /was geteekend/ B„s Reijke /in margine/ Macas„ Jn het kasteel Rotterdam den 10„e Maart a„o 1783 Aan den onderkoopman Cornelis Meurs Resident aldaar Eerzame vrome Discrete. In antwoord op uwE: ontfangene brief van den 20„e februarij passato be„ „deelende de Aankomst van drie Engelsche scheepen, en Een twee Mast fregat in straat Sape en de hostiliteijten die dezelve daar pleegen, dien dat jk approbeerende het reets door uwE: aangewende dezelve in die netelige tijds omstandigheijd niet anders daar omtrend gelasten kan dan om alle mogelijke omzigtigheijd in cas subject verder te gebruijken en de geza„ „mentlijke overwalsche vorsten, bijsonder de gantsch niet goed 'sComp=s gezinden koning van sumbauwa op een vriendelijke wijse te arrimeeren en met een standvastigen trouw en aankleeving van de ld„e Comp„e belan„ „gen dezen algemeenen vijand gezamender hand te keer te gaan, wanneer 66 67 Maccasser wanneer zij het pleegen zijner hostiliteijten niet mogte komen na te laten: zullende uwE: zich overigens moeten gedragen aan de reets gestelde ordre ingevalle 'sComp„s Post door de Engelsche vijandelijk mogten wor„ „den aangetast waarmeede Jk na groete blijve /onderstond/ uw E: goede vriend /was geteekend/ B„s Reijke /in margine/ Maccasser Jn't Casteel Rotterdam den 10„e Maart A„o 1703. Aan den welEdelen Agtb: Heer Barend Reijze gouverneur en directeur ter kuste Cileber wel Edele Agtbaare Heer! Mijne Eerbiedige in dato 20„e Februarij aan uwelEdele Agtb: geschreeven, gebruijk de vrijheijd deezen in duplo te laaten verzellen, terwijl ik het genoegen heb uwel Ed: Agtb: bij deezen te bedeelen dat twee dier Engelsche scheepen op den 21„e en de andere twe ook twee dagen daar na gezeijld zijn, stellende hunne Cours zuijd op door straat Sape, en wijl zij Engelschen voor„ „gaaven na Timor of China te willen, heb jk mijn best gedaan, die tijding ook ten aller spoedigsten na eerst gem: plaats te zenden en ben in zo verre gereusseert dat op den 22„e deezer een vaarthuijg met nee„ „vens gaande, die ik de vrijheijd gebruijk uwel Edele Agtb: almeede in Copia aan te bieden derwaards is gesteevend, en alhoewel van hier na Timor anders geen vaart open is; dacht Rechter het gewigt der zaake in deezen een Exceptie vereijschte en hoop dat mij hier in niet zal bedroogen hebben, terwijl ik desweegens uwel Edele Agtb: goedkeuring zeer needrig zal blijven afwagten, dan wel bij Contrarie mij zulks voor het vervolg ten rigtsnoer laaten strecken

NL-HaNA_1.04.02_8261_0184 view scan ↗

English

On the 30th of December Anno passato I held a general assembly of the country here, where the envoys of all the rulers were present, except for those of Pekat who arrived too late due to their tarrying. In this I settled according to wish all the disputes that had arisen between the respective rulers, except for those of Sumbauwa, because that ruler was pleased to send envoys who knew nothing of anything and said they had received no orders from their ruler to respond to anything, but that upon their return to Sumbauwa they would report what occurred here to the king and the grandees of the realm. The king of Dompo also seemed at first very disinclined to comply with and execute the resolution made in his regard concerning the extradition of the Sangarese subjects and slaves staying on his land, and during that time wrote me very unfriendly letters, until I finally brought his improper démarches to his Highness's attention in very firm terms on behalf of the Honorable Company. I had this letter brought to him by the Penghulu of the Malays, accompanied by an envoy on behalf of the king and the grandees of the realm of Bima, as well as one from those of Sangar. Whereupon that ruler, perhaps understanding that the matter might now become serious, sent me a very friendly answer requesting that I permit him to come speak with me here in person about one thing and another. This I granted him, whereupon he arrived here on the 27th of last month, and came to me in state on the 28th, having been with me several times after that. Meanwhile these negotiations accomplished so much that this ruler requested forgiveness of the Honorable Company and me in indirect terms for everything he might have done that could in any way tend to the detriment of the Honorable Company, with a friendly request to think no more of what has passed. At the same time he promised that he would restore or compensate all the slaves and subjects of Sangar to their legitimate ruler, just as he has now already delivered to Sangar the child of the Sangarese prince named Daing Maleux with the child's mother, and has also already delivered the value of 12 head of slaves to the satisfaction of Sangar, while he kindly requested me Timor requested that the Company would accommodate him as a loan with 400 Spanish rixdollars so that he might be able to discharge the remaining debt to Sangar for those slaves all at once. But I replied to that ruler that I would favorably propose to Your Honorable Worships on the first occasion both this request of his and that the Company would accommodate him with 8 to 10 flintlocks against payment, since he claims to have suffered much damage to his firearms during the war before Goa in the service of the Honorable Company, that many of them have become unserviceable, and his stock was already very small at that time, as I then take the liberty to do so very respectfully herewith. In the meantime I have had the aforementioned native resolution put in order and sent to all the rulers to have the same confirmed with their seals. As soon as I receive the same back I shall humbly present it to Your Honorable Worships on the first occasion, and at the same time also plead for Your Honorable Worships' approval of these my actions. On the . . . - - - - I sent a friendly letter to the Gusti of Salemparang and accommodated His Highness with what was desired upon Your Honorable Worships' authorization. Concluding, I commend Your Honorable Worships' illustrious person and the Honorable Company's weighty interests to the safe protection of the Most High, and remain with the requisite respect, Honorable Worshipful Sir, Your Honorable Worships' willing and very humble servant, was signed, C. Meurs, in the margin, Bima in the Company's fortress the last day of February Anno 1783. To the merchant Willem Adriaan van Este, Chief, and Thimotheus Wanjon, Bookkeeper and Second on behalf of the Company there. Honorable, Pious, Discreet! Since on the 17th of this month I received news from Sape that two days days before that three large English ships and a two-masted frigate had come to anchor there, who claimed to want to visit your region, and others of their crew also said that their voyage was to China, and although this latter is not very credible and the former is not at all to be wished for, I have nevertheless done my best to inform you of this most important news as quickly as was feasible, as I do herewith, although otherwise no voyage is open from here to your parts. Two of those ships already sailed yesterday, and set their course southwards through the Sape Strait. Meanwhile it is to be wished that they may sail past Coupang, of which I very kindly request to be well informed upon the return of the bearer of this letter, whom I hope you will have the goodness to provide with what is necessary for their return journey in case they should need anything, as well as whatever you might happen to hear there of that fleet. While after friendly greetings I remain with very much esteem, Honorable, Pious, Discreet, your humble servant, was signed, C. Meurs, in the margin, Bima in the Company's fortress the 22nd of February Anno 1783, further below, Agrees, signed, C. Meurs To

Dutch transcription

68 Op den 30„e December Anno passato heb k hier generaale Lands verga„ „dering gehouden, daar teegens woordig waaren de sendelingen van alle de vor„ „sten behalven die van Pekat die door hun draalen te laat zwaamen; hier in heb ik na wensch alle de tusschen de respective vorsten gereesene verschil„ „len afgemaakt, behalven die van Sumbauwa, wijl dien vorst sende„ „lingen heeft gelieven te senden die nergens van wisten en zeijden geen order van hun vorst te hebben ontfangen om op iets te antwoorden, maar dat zij de koning en Rijksgrooten bij terug komst te sumbauwa van 't hier voorgevallene verslag zouden doen De koning van Dompo scheen in 't eerst ook zeer ongeneegen om 't besluijt ten zijnen opsigten genoomen, aangaande de uijtleevering van de zig op zijn Land op houdende Sangareese onderdaanen, en slaaven na te komen en ter uijtvoer te doen brengen, en heeft mij in die tijd en al zeer onvriendelijke brieven geschreeven, tot ik eijndelijk aan zijn Hoogheijd in zeer Cordate termen uijt naam van de Ed: Maatschan „pij hem zijn verkeerde demarches onder het oog bragt, en die brief liet ik hem brengen, door den Pamhoeloe der Maleijer, verzeld van een sendeling van weegens de koning en Rijxgrooten van Bima en zoo meede een van die van sangar waar op die vorst, misschien begrijpende dat de zaak nu wel ernst kan worden, mij een zeer vriendelijk antwoord sond met verzoek dat ik hem wilde permitteeren mij hier in perzoon over het een en ander te mogen komen spreeken, het geen ik hem toestond, waar op hij den 27„e van voorleeden maand hier arriveerde, en den 28=en in staatie bij mij zwam, zijnde na die tijd diverente maalen bij mij gemae terwijl deeze onderhandelingen zo veel te weeg bragten dat dien vorst de Ed: Comp„e en mij indirecte termen vergeeving verzogt over al het geene hij mogte gedaan hebben dat eenigsints tot derlin van de Ed=e komp„e zon strecken, met vriendelijk verzoek van niet meer aan het gepasseerde te willen gedenken, en teffens beloofde hij alle de slaven„ en onderdaanen van Sangar aan kunnen wettigen vorst te zullen restitueeren, of vergoeden, zo als hij nu ook reeds aan Sangar heeft uijtgeleevert het zind van den sangareese Prins genaamt Daing Maleux met 's kinds moeder en ook alreeds de waarde van 12 koppen slaaven ten genoegen van Sangar uijtgeleevert, terwijl hij mij viendelijk verzogt 69 Timor verzogt dat de Comp„e hem ter lien wilde gerieven met 400 rijxd„ spaans op dat hij instaat mogte zijn de restant schuld aan Sangar weegens die slaaven nu in eens te voldoen; dan ik heb dien vorst g'antwoord dat ik uwelEd: Agtb: bij eer„ „ste occasie zo wel dit zijn verzoek als dat de Comp„e hem met 8 @b 10 snaphaanen teegens betaalen wilde gerieven, wijl hij voorgeeft voor Goa in den oorlog ten dienste van de Ed„e Comp„e veele schaade aan zijn gewieren geleeden te hebben en dat 'er veele onbruijkbaar van zijn geraakt, en zijn voorraad zo al te dier tijd zeer kleijn was, gunstig zoude voordragen gelijk ik dan de vrijheijd gebruijke zulks bij deezen zeer Eerbiedig te doen. Jntusschen heb jk gem: Jnlandsche Resolutie in ordre laaten brengen en aan alle vorsten gesonden om dezelve met hunne zeegels te bekragti„ „gen, zo haast ik dezelve weerom kreijg zal ik z: uwel Edele Agtb: bij Eerste occagie onderdaanig presenteeren en teffens ook uwelEd: Agtb: approbatie op deeze mijne verrigtingen afsmeeken op den . . . - - - - hebjk een vriendelijke brief verzonden aan den Gustij van Salemparang en zijn Hoogheijd op uwelEd: Agtb: qualificatie met het begeerde geriepfz. Eindigende beveele ik uwel Ed: Agtb: Jllustre Perzoon en 's Ed: Compagnies zwaarwigtige belangens in de veijlige protexie des Allerhoogsten en blijve met het verlijsct respect /onderstond/ welEdele Agtbaare Heer /lager/ uwel Ed: Agtb: Bereijdwillige en zeer onserdanige dienaar /was ge„ „teekend/ C„s Meurs /in margine/ Bima in 'sComp„s vesting adij ult„o februarij A„o 1783 — Aan den koopman Willem Adriaan van Este opperhoofd en Thimotheus wanjon Boekhouder en secunde 'sComp„s weegen aldaar Erntfeste, vrome, Discrete! Naardien op den 17„e deezer tijding heb bekoomen van Sape dat twee daagen daagen bevoorens daar waaren zoomen ankeren drie groote Engelshe scheepen en Een twee mast fregat die voorgaaven uwEd: Contreijen te willen gaan bezoeken, en ook anderen van hun volk zeijden dat hunne Rheijse na china was, en schoon dit laaste niet zeer geloofbaar en 't Eerste gantch niet te wenschen is, heb ik egter mijn best gedaan uw Ed: van deeze aller in portantste tijding zo spoedig doenlijk was kennisse te geeven gelijk bij deezen schoon anders van hier na Costij geen vaard open is; twee dier scheepen zijn reeds gisteren gezeijld, en hebben haar Cours zuijd op door straat Sape gesteld, te wenschen is 't intusschen dat z' Coupang mogen voorbij zeijlen, waar van jk zeer vriendelijk verzoeke met de terug komst van brenger deezes die ik hoop dat uwel Ed: bij aldien iets nodig mogten hebben wel de goedheijd zult hebben van met het nodige voor hunne terug rheijse te voorsien, zo wel mag g'informeert worden, als wat uwEd: zom„ „tijdes ginter van die vloot mogt verneemen Terwijl ik na vriendelijke groete met zeer veel Achting ben /onderstond/ Erntfeste, vrome, Discrete, /lager/ uwEd: D: w: mieinder Dienaar /was geteekend/ C„s Meurs /in margine / Bima in 'sComp=s vesting den 22„e Februarij A„o 1783. / nog lager / Accordeert /geteekend/ C„s Meurs 70 Aan

NL-HaNA_1.04.02_8261_0187 view scan ↗

English

71 Mr Willem Arnold Alting Governor-General Batavia To His Right Excellency The High Noble, Right Honourable, Severe, Wide-Ruling Lord, Together with The Right Noble, Severe Lords Councillors of the Dutch Indies, High Noble, Right Honourable, Severe, Wide-Ruling Lord, Right Noble, Severe Lords! Soldier Coenraad Hermanus Steijns, who arrived here yesterday evening from Bima with the ordinary annual provision prau, having reported that he had learned from a certain native, Intje Makka, who had come from Salemparrang, that around Bima eastward twelve English ships are said to be cruising, and indeed with the intention to continue their course toward Lifau and further toward Ternate, we therefore have the honour, dutifully according to our obligations, to communicate such to Your Right Excellencies while transmitting that report and extracts from the letters of the Resident received from Bima with him; and that in this regard we have immediately notified the ministers at Ternate and Amboina by an express vessel chartered by us for one hundred and fifty rixdollars, with the friendly request to further inform the administration at Banda thereof, as shown by the copies of letters directed thither respectfully attached hereto, and to which we request leave to refer. We have the honour to call ourselves with the deepest respect and high esteem, subscribed: High Noble, Right Honourable, Severe, Wide-Ruling Lord and Right Noble, Severe Lords, lower: Your Right Excellencies' humble and faithful servants, was signed: B:s Reijke, C: Kraane, J:n M:n Baserman, J:n W:m H:k van Rossum, J:b L:s de Vos, J:s Bosch, J:n G: Budach, and P:l van Diemar. in the margin: Makassar, in Castle Rotterdam, the 19th of March, Anno 1783. Amboina To the Right Noble, Honourable Lord Bernardus van Heuren, Governor and Director, Together with The Council there. Right Noble, Honourable Lord and Honourable, Good Friends! By an express vessel chartered by us, we have the honour to give notice to Your Right Noble Honour of the intelligence we have obtained, that around Bima twelve English ships are said to be cruising, and indeed with the intention to continue their course toward Lifau and further toward Ternate—which God forbid—as Your Right Noble Honour will be able to see more fully from the accompanying report of soldier Steijns, who arrived yesterday from Bima with the annual provision prau, and to which, as well as to the attached extract letters from Resident Meurs dated the 20th and the last of February and the 1st of this month, we refer, giving notice that what is necessary regarding this has been communicated by us to Ternate and by the Resident of Bima to Timor. 73 We remain with much esteem, subscribed: Right Noble, Honourable Lord and Honourable, Good Friends, lower: Your Right Noble Honour's friendly servants, signed: B:s Reijke, C:s Kraane, J: M:n Baserman, J: W: H: van Rossum, J: L: de Vos, P:s Bosch, J: G: Budach, and G: van Diemar. in the margin: Makassar, in Castle Rotterdam, the 19th of March, A:o 1783. Ternate To the Honourable, Right Respected Lord Alexander Cornabe, Titular Senior Merchant and Commander, Together with The Council there. Honourable, Right Respected Lord and Friends! By an express vessel chartered by us, we have the honour to give notice to Your Right Noble Honour of the intelligence we have obtained, that around Bima twelve English ships are said to be cruising, and indeed with the intention to continue their course toward Lifau and further toward Ternate—which God forbid—as Your Right Noble Honour will be able to see more fully from the accompanying report of soldier Steijns, who arrived yesterday from Bima with the annual provision prau, and to which, as well as to the attached extract letters from Resident Meurs dated the 20th and the last of February and the 1st of this month, we refer, together with the most friendly request to also give notice of these matters as soon as possible to the administration at Banda. We remain with much esteem, subscribed: Honourable, Right Respected Lord and Friends, lower: Your Honour's friends and servants, was signed: B:s Reijke, C:s Kraane, J: M: Baserman, J: W: H: van Rossum, J: L: de Vos, P: Bosch, J: G: Budach, and G: van Diemar. in the margin: Makassar, in Castle Rotterdam, the 19th of March, 74 19th of March, A:o 1783. Boelecomba To the Junior Merchant Simon Monsieur, Resident on the Company's behalf there. Honourable, Pious, Prudent. Since we have thought fit to have the Madurese currently dispensable with you come up from there, you are hereby ordered to send the same hither at the first opportunity. Furthermore, you are hereby given notice of the intelligence we have obtained, that around Bima eastward twelve English ships are said to be cruising, and indeed with the intention to continue their course toward Lifau and further toward Ternate; wherefore we recommend you to be on guard and vigilant, and in case your post should be visited by our enemies, to conform to the orders already given by us in A:o 1781. For the rest, after greetings, we are, subscribed: Your Honour's good friends, was signed: B: Reijke, C:s Kraane, J: M: Baserman, J: W: H: van Rossum, J: L: de Vos, P: Bosch, J: G: Budach, and G: van Diemar. in the margin: Makassar, in Castle Rotterdam, the 19th of March, A:o 1783. To

Dutch transcription

71 M„r Willem Arnold Atting Batavia Den Hoog Edelen Groot Agtbaaren Gestrengen wijdgebiedende Heere Beneevens De wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Neederlands India, gouverneur generaal Aan zijn Hoog Edelheijd Hoog Edele Groot Agtbaare Gestrenge wijdgebiedende Heere welEdele Gestrenge Heeren! Den op gisteren Avond hier van Bima met de ordinaire Jaarlijkse provisie Prauw aangekoomenen zoldaat Coenraad Hermanus steijns gerelateerd hebbende; dat hij van Een seeker Jnlander Intje Makka die van Salemparrang was gekoomen, vernoomen had. dat omstreeks Bima oostwaards Twaalff Engelsche scheepen zouden Kruijssens en wel met voorneemen om hun Cours naar Lifaul en verders na Ternaten voort te zetten, zoo geeven wij ons de Eere uw Hoog Edelhee„ „dens zulks volgens gehoudenis schuldpligtig onder overzending van dat Relaas en Extracten uijt de van Bima, met hem ontfangene Brie„ „ven van den Resident te bedeelen, en dat wij ten dien opsigte de Minis„ „ters te Ternaten en Amboina met Een Expres bij ons voor Rijxdaatd= Een Hondert vijftig ingehuurd vaartuijg ten Eersten hebben kennes gegeven, met vriendelijk verzoek om daar van verder 't Ministerie te Banda te willen verwittigen, gelijk de deezen in Eerbied bijgevoegde Copia Brieven na derwaards koomen aan te wijsen, en waar aan wij verzoeken ons te mogen gedragen wij F heepen na e teeken/ wij hebben de Eere met den diepsten Eerbied en Hoogagting te noemen /onderstond:/ Hoog Edele Groot Agtbaren Gestrengen wijd gebiedende Heere en welEdele Gestrenge Heeren /lager:/ uw Hoog Edelheedens onderdanige en Trouwschuldige Dienaaren /was geteekend/ B:s Reijke, C: kraane, J:n M:n Baserman; I„n W=m H„k van Rossum, J„b L„s devos, I„s Bosch, J„n G„ Budach, en P„l van Diemar /in margine:/ Maccasser Jn't Casteel Rotterdam den 19„e Maart Anno 1783 — Amboina Aan den wel Edelen Agtbaren Heer Bernardus van Heuren gouverneur en directeur Beneevens. Den Raad aldaar welEdele Agtbaare Heer en E: goede vrienden! Met Een Expier bij ons ingehuurt vaartuijg, hebben wij de Eere uw wel Edele Agtbaare kennisse te geeven van de kundschap die wij erlangd hebben, dat omstreeks Bima Twaalff Engelsche scheepen zoude kruijssen en wel met voorneemen om hunne Cours na Lifaie en verder na Ternaten /: het geen God verhoede:/ voort te zetten; gelijk uw wellde Agtbaare zulks uijt neevensgaande Relaas van den opgisteren van Bima met de Jaarlijkse provisie prauw gekoomene soldaat„ steijns breeder zult kunnen zien en waar aan wij ons zo wel als aan bij gevoegde Extract Brieven van den Resident Meurs de datis 20„e en ult„o februarij en Eersten deezer komen te gedragen, met de kennis geeving dat hier van door ons na Ternaten en door de Resident van Bima na Timor het nodige is bedeeld geworden wy 73. wij blijven met veel agting /:onderstond:/ welEdele Agtbaare Heer en E: goede vrienden /lager / uw welEdele Agtbaare vrienden Dienaaren pras„ „geteekend/ B„s Reijke, C„s Kraane, I: M„n Baserman, I: w: H: van Rossum, J: L: de vos, P„s Bosch, I: G: Busach en G: van Dieman /in margine/ Maccasser In 't Casteel Rotterdam den 19 Maart A„o 1783 — Aan den E: Agtbaren Heer Alexander Cornabe. opperkoopman titulair en gezaghebber Neevens E: Agtbaare Heer en vrienden! Met een Expres bij ons ingehuurt vaartuijg hebben wij de Eere uw wel Edele Agtbaare kennisse te geeven van de Rundschap die wij erlangd hebben, dat omstreeks Bima Twaalf Engelsche scheepen zoude kruijssen, en wel met voorneemen om hunne Cours na Lifact en verder na Ternaten /:het geen God verhoede:/ voort te zetten, gelijk uw welEd: Agtb: zulks uit neevensgaande Rilaas van den opgisteren van Bima met de Jaarlijxe provisie prauw gekomene zoldaat steijns breeder zult kunnen zien en waar aan wij ons zo wel als aan bij gevoegde Extract Brieven van den Resident Meurs de datis 20 en ult„o februarij en 1=e deezer koomen te gedraagen, met aller vriendelijkst verzoek teffens, om van dit een en ander ten spoedigsten kennisse aan het Ministe„ „rie te Banda te willen geeven wij blijven met veel agting /onderstond/ E: Agtbaare Heer en vrienden /lager/ uwE: Agtbaare vriend en Dienaaren /was ge„ „teekend:/ B„s Reijke, C„s Kraane, I: M: Baserman, J: r: H: van Rossum, J„ L: de vos, T: Bosch, J: G: Budach, en G: van Diemar, /in margine/ Maccasser Jn't Casteel Rotterdam den Den Raad aldaar Ternaten 19. Maart voo n 74 19„e Maart A„o 1783 — Boelecomba Aan den onderkoopman Simon Monsieur Resident 'sComp„s weegen aldaar, Eersame, vrome, Discrete. vermits wij goed gevinden hebben, de bij unE: thans wel te missene Ma„ „deereesen van daar te laaten opkoomen, zo word UE gelast dezelve bij Eerste geleegentheijd herwaards te zenden, voorts word UE: bij deezen kennis gegeven van de kundschap die wij erbangd hebben, dat om„ „streeks Bima oostwaards Twaalf Engelsche scheepen zouden kruyssen; en wel met voorneemen om hun Cours naar Lifau en verder na Ternaten voort te zetten, wes halven UE: rekomman„ „deeren op hoede en waakzaam te weesen, en zig ingevalle uwE: Comptoir door onze vijanden mogte worden aangedaan te ge„ „draagen aan de reets in A„o 1781. door ons gegevene ordres wij zijn voor 't overige na groete /onderstond/ uw E: goede vrienden /was geteekend /. B: Reijke, C„s Kraane, J: M: Baser„ „man, I: w: H: van Rossum, I: L: de vos, F: Bosch: J: G: Budach, en G: van Diemar /in margine/ Maccasser Jn 't Casteel Rotterdam den 19„e Maart A„o 1783— Aan

NL-HaNA_1.04.02_8261_0191 view scan ↗

English

75 To the Right Honourable Rudolph Florentius van der Diepoort Samarang Sourabaija Right Honourable Sir and friend! I very obligingly request Your Right Honourable to ensure that the enclosed letters to Their High Excellencies in Batavia and ditto to the Governor in Samarang obtain a speedy and secure delivery. While, having conveyed my greetings, I remain with very high esteem, underneath was written: Right Honourable Sir and friend, lower: Your Right Honourable's humble servant, signed: B.s Reijke, in the margin: Maccasser in Castle Rotterdam, the 20th of March Ao 1783. To the Right Honourable Johannes Sieberg Governor and Director there Right Honourable Sir and Highly Esteemed friend! Having, since the departure of my last of the 10th of this month, received the enclosed account regarding the English roaming about this region, I cannot fail to offer the same to Your Right Honourable for your information and to express that I remain with all sentiments of high esteem, underneath was written: Right Honourable Sir and Highly Esteemed friend, lower: Your Right Honourable's humble and obedient servant, signed: B: Reijke, in the margin: Maccasser in Castle Rotterdam, the 20th of March ao 1783, Senior Merchant and Commander there. To Junior Merchant Cornelis Meurs Resident there Bima Honourable, pious, prudent. It is very pleasing to me that the dispute between those of Dompo and Sangar, which has dragged on for so long, has been settled to the extent that the former has already given partial satisfaction to the latter. However, as for fully satisfying it, the Company cannot lend 400 Spanish Rixdollars to Dompo, at least as long as the war lasts and no ships are to be expected to collect sappanwood. So that you must gently refuse this to that monarch in a friendly manner. However, regarding the requested 8 to 10 flintlocks against the specified payment, I can indeed consent for the given reasons, and especially because in these precarious times our allies should be accommodated somewhat more than usual. Accepting the rest for information and at the same time approving the dispatch of a vessel to Timor to convey the aforementioned news of the English, I remain after greetings, underneath was written: Your good friend, signed: B.s Reijke, in the margin: Maccasser in Castle Rotterdam, the 27th of March Anno 1783. 77 To the Bookkeeper Ludovicus Theodorus de Swart Saleijer Maccasser Honourable, pious! This serves to give you notice of the intelligence obtained here, that around Bima eastward twelve English ships are supposedly cruising, indeed with the intention to continue their course to Lifau and further to Ternaten, wherefore you are once again recommended to be on guard and watchful in every way, and in case your station should be attacked by the superior force of our enemies, to conduct yourself according to the orders already given by us in Ao 1781, namely to find a safe escape hither with the Company's men and goods. I remain after greetings, underneath was written: Your friend, signed: B: Reijke, in the margin: Maccasser in Castle Rotterdam, the 27th of March Ao 1783. To the Right Honourable Barend Reijke Governor and Director of the Coast of Celebes, etc. etc. Right Honourable Sir! Resident there I would not have failed to obey Your Right Honourable's order contained in the letter of the 17th of March which reached me today, were it not that the former king of Bangaij had already crossed over with a vessel to Your Right Honourable a few days ago, which came to my knowledge no earlier than yesterday. For the rest, I take the liberty, with all requisite high esteem and respect, to call myself, underneath was written: Right Honourable Sir, lower: Your Right Honourable's humble and faithful servant, signed: S: Monsieur, in the margin: Boelecomba in the Company's fortress, the 19th of March Ao 1783. Translation of a Malay Letter from the Sultan of Banjermassing Soeleman Saijdulla to the King of Bonij Compliments according to custom. I hereby make known to my brother the King of Bonij that I let this serve to accompany my envoy named Andian Baadjo, whom I have dispatched expressly to deliver this my friendly letter to my brother, and containing no other purpose than that I kindly request my brother to please send me fine horses that are large and well-trained for the hunting of deer. Furthermore, I also request my brother, should my said envoy Andian Baadjo be in need of one thing or another, to please assist him, and I send herewith as a token of life a pair of rings, each set with seven diamond stones, a round shield plated with gold and silver, a pair of silk hunting.

Dutch transcription

75 Aan den welEdelen Agtbaren Heer Rudolph Florentius van der Diepoort Samarang Sourabaija welEdele Agtbaare Heer en vriend! Ik verzoek uw wel Edele Agtb: zeer gedienstig om ingeslootene Brie„ aan Hunne Hoog Edelheedens te Batavia en een dito aan den Heer Gouverneur te Samarang een spoedig en secuur addresse te willen doen erlangen. terwijl jk na aflegging mijner groete met zeer veel agting ben /onderstond:/ welEdele Agtbaare Heer en vriend, /lager /: uwer wel Edele Agtb: onderdanige Dienaar /:was geteekend/ B„s Reijke /in margine/ Maccasser Jn't Casteel Rotterdam den 20„e Maart Ao 1783 — Aan den welEdelen Gestrengen Heer Iohannes Sieberg gouverneur en Directeur aldaar welEdele Gestrengen Heer en Hoog Gagten vriend! Zeedert het afgaan mijner laaste van den 10 deezer het bijgevoegde Relaas weegens het rond zwerven van de Engelschen om deezen oord gekreegen hebbende, zo kan jk niet afzijn uw welEdele Gestrenge het zelve ter Communicatie aan te bieden en te betuijgen dat jk met alle gevoelens van Hoog=agting ben, /onderstond / welEdele Gestrenge Heer en Hoog g'agten vriend /lager/ uwer welEdele Gestrenge onderdanige en gehoorzaame Dienaar /was geteekend/ B: Reijke /in margine / Maccasser Jn't Casteel Rotterdam den 20„e Maart ao 1783 opperkoopman en gezaghebber aldaar Aan 1 E Sima Meurs Aan den onderCoopman Cornelis Resident aldaar Eersame vrome, Discrete. Det is mijn zeer aangenaam dat het zo lange getraineerd hebbende disput tusschen die van Dompo, en Sangar voor zo verre is bij ge„ „legd, dat de eerste aan de laaste reets een gedeeltelijk voldoening ge„ „geven heeft, Dog op het geheel te voldoen van de komp„e aan Dom„ „po geen 400: Rijxd„s spaans leenen ten minsten zo lange den oorlog duurt en men geen scheepen ter afhaal van Sappanhout te ver„ „wagten heeft. zo dat uwE: dit dien vorst op een vriendelijke wijze ontleggen moet. Dog in de verzogte 8 @ 10 snaphaanen teegens. de bepaalde betaaling kan ik om de gegevene reedenen en bijzonder om dat men in deeze haggelijke tijden onze Bondgenooten wat meer dan anders te wil diend te zijn, wel toestemmen Het overige voor Communicatie aanneemende en teffens appro„ „beerende de afzending van Een vaartuijg na Timor ter over„ „breng van de bewuste tijding der Engelschen, zo blijve ik na groete /onderstond/ uwE: goede vriend /was geteekend/ B„s Reijke / in margine / Maccasser Jn't Casteel Rotterdam den 27„e Maart Anno 1783 — Aan 77 Eudovicus Theodorus de Swart Saleijer Aam den Boekhouder Maccasser Eersaame vroome! Deeze diend om uwE: kennisse te geeven van de kundschap die men alhier erlangd heeft, dat omstreeks Bima oostwaards twaalff En„ „gelsche scheepen zouden kruijssen en wel met voorneemen om hun Cours naar Lifau en verder na Ternaten voort te zetten, weshalven uE: nogmaals gerecommandeerd word om alzints op hoede en waak„ „zaam te weesen, en zich in gevalle uwE: Comptoir door de overmagt onzer vijanden mogt worden aangedaan te gedraagen aan de reets in Ao 1781 door ons gegevene ordres namentlijk om met 'sComp=s Manschappen en goederen een goed heen komen na herwaards te zoeken Jk ben na groete /onderstond/ UE: vriend /was geteekend/ B: Reijke /in margine/ Maccasser Jn't Casteel Rotterdam den 27„e Maart Ao 1783 — Aan den welEdelen Agtbaren Heer Barend Reijke gouverneur en directeur ter Kuste Cleber &„o 8„e Jk zoude niet in gebreeke gebleeven zijn om aan uw wel Edele Agtbaare order vervat bij brieff van den 17 Maart die op heeden mij geworden is te obedieeren was 't niet dat de geweesene koning van Bangaij reets WelEdele Agtbaare Heer! Resident aldaar voor vonr Eenige daagen met een vaartuijg tot uw welEdele Agtbaare was overgegaan 't geen mij niet eerder als gister ter voren is gekoomen voor 't overige neem jk de vrijheijd met alle verEijscte hoog-ag„ „fing en Eerbied mij te noemen /onderstond/ welEdele Agtbaare Heer /lager:/ uw ElEdele Agtbaare onderdanige en Trouwschuldige Dienaar /was geteekend/ S: Monsieur /in margine/ Boelecom„ „ba in 's Comp„s vesting den 10„ Maart A:o 1783 — Translaat Maleijtse Brief van den sulthan van Banjer „massing soeleman saij Dulla aan den Koning van Bonij Compliment na gewoonte. Jk maake bij deezen aan mijn Broeder den Koning van Bonij bekend dat jk deeze laaten dienen ten geleide van mijne zendeling genaamt Andian Baadjo die ik expres hebbe afgezonden om deezen mijnen vriendelijken brief aan mijn Broeder over te brengen, en dezelve tot geen andere oogmerk behelsende dan dat jk mijnen Baoeder vriendelijk verzoekende van mij gelieve toe te zenden mooije Paarden die groot zijn, en wel gedresseert tot de harte beeste Wijders verzoeke ik mijnen Broeder ook om gem: mijne zendeling Andian Baadjo zo hij het een of het andere mogte benoodigt hebben, gelieve te assisteeren, en zende hier neevens tot een teeken van leeven Een paar Ringen ieder met seven Diamante steenen bezet, ben ronde schild belegt met goud en zilver, Een paar zijde Jagt.

NL-HaNA_1.04.02_8261_0195 view scan ↗

English

79 silk patolas, and a pair of silk embroidered handkerchiefs. Was subscribed: Written in Banjarmassing on the . . . day of the month of Rabiol Achier on a Wednesday in the year 1197, being according to our reckoning the 12th of March Ao 1783. Today, the 15th of April 1783, there arrived here in the roads the vessel of the Malay Intje Samauw, commanded by the Company subject Rade, who reported the following: That about three months ago he, the declarant, came to anchor at Salemparang close inshore at the east point, and having lain there for two months, he saw two English ships also come to anchor there, far offshore. That these two ships immediately ordered six large vessels, which were estimated to be manned with forty men each, to give chase to a gonting belonging to a Wajoese named Borahima, which lay further from the shore than the declarant. That when they had brought this gonting under their artillery, after hoisting a blue flag, which the Wajoese had flown in imitation of them, they fired upon him immediately. That subsequently the Wajoese, seeing that he could not escape them, 80 escape, also drew up in battle order, and after having been engaged in battle with them for four hours, subsequently lowered his blue flag and hoisted a red flag instead. That the English, seeing the red flag flying from the gonting, fired upon him even more heavily than before. Lastly, the declarant stated that he heard from the Wajoese Borahima that during the fight, which lasted until sunset, he had lost only one man, but that on the side of the English three were killed and four wounded, and that when the Wajoese went to lie close inshore, they sailed back to their ships with their boats, and shortly thereafter both ships also weighed anchor and set sail, without him being able to say where they intended to steer. Was subscribed: Macassar, date as above. To 81 Macassar To the Honorable Barend Reijke, Governor and Director of the coast of Celebes, and the Council. Honorable Sir and Gentlemen! Having received this morning a letter dated the 1st of May from the Bonthain sergeant and postholder Iohan Georg Smidt, I did not dare delay in sending Your Honor an extract from it herewith as soon as possible. While for the rest I take the liberty to call myself, with due high esteem and respect, Was subscribed: Honorable Sir and Gentlemen, lower: Your Honor's humble and faithful servant, was signed: S. Monsieur, in the margin: Boelecomba in the Company fortress, the 2nd of May Ao 1783. Along with an Extract 82 Extract from a letter written by the sergeant and postholder of Bonthain, Iohan Georg Smidt, to the junior merchant and resident of Boelecomba and Bonthain, the Honorable Simon Monsieur, dated Bonthain the 1st of May 1783, wherein it states among other things: With regret I must report to Your Honor the bad news from the guard boat received this evening, which brought report that it spoke with a Bugis prahu coming from Mandhar, stating that they saw 7 English ships at Mandhar, were even on board one of them, and bought half a picol of opium there; the Bugis having now learned that this fleet intends to call here or go directly to Macassar. I communicate this to Your Honor just as the cruisers reported to me, requesting to make it known to Your Honor as soon as possible, so at 7 o'clock this evening my letter to Your Honor was prepared and dispatched by the Company's subjects. I hope it is not so; should it be the case, I shall not fail to act according to the secret letters sent to me by Your Honor, or await further orders from Your Honor. Was subscribed: Agrees. Was signed: P. S. P. Doser, sworn scribe. Sunday 83 Sunday the 4th of May Ao 1783. In the afternoon at half past three o'clock, all present. Upon a message just received from Boelecomba, by which, according to the letter of the Resident Monsieur dated the 2nd of this month and an extract of a missive appended thereto from the sergeant holding post at Bonthain, Iohan George Smidt, dated the day before, it is reported that it was related to the cruisers by a Bugis coming from Mandhaar that seven English ships were lying at Mandhaar with the intention of setting their course for Bonthain or directly here, the Governor immediately convened this extraordinary meeting in order as much to inform the gentlemen members of this as to give notice that His Honor had provisionally notified the King of Boni of the necessary details so that he may be on guard and vigilant, and also to bring everything into readiness for a necessary defense in case of attack, both on our part and on his; it being likewise agreed by the Governor that our allies and friends, the princes Arou Pantjana and Datoe Sideenring, shall also be informed of this, however in all secrecy, in order to be in a position to come here with the necessary assistance of men upon the first summons. To avoid all unnecessary alarm that such rumors may cause, it was approved to immediately send a vessel from here to Mandhar with the assistant interpreter Bewers, and an ordinary envoy, Carre Mandjareekie, and some of our trusted subjects, in order to investigate the incoming reports from the cruisers.

Dutch transcription

79 zijde pathoolen, en Een paar zijde gestikte Neusdoeken. /:onderstond:/ Geschreeven te Banjermassing op den. . . -. dag van de maand Rabiol Achier op eenen woensdag in 't Jaar 1197. zijnde na onze Reekening den 12„e Maart Ao 1783 — Op Heeden den 15e April 1783. arriveerde alhier ter rheede het vaarthuijg van den Maleijer Jntje Samauw gevoerd door den 'sComp„s onderdaan Rade, dewelke het ondervolgende relateerde Dat nu circa drie maanden geleeden hij declarant op Salem„ „parang digt onder de wal aan de oost hoek ten anker is gekomen en aldaar twee maanden geleegen hebbende, hij gesien heeft twee Engelse scheepen daar meede ver buijten de wal ten anker komen. Dat deeze twee scheepen direct ses groote vaarthuijgen welke na gissing ieder met veerthig man bemand waaren op een gonting van eene wadjorels in name Borahima welke verder als den declarant van de wal lag hadde Jagt laaten maaken. Dat toen zij deeze Gonting onder hun geschut hadde gekreegen na het opheijsen van een blauwe vlag, die den wadjorees in na „volging van hun liet waijen direct op hem hadde vuur gegee„ „ven Dat vervolgens den wadjorees ziende hun niet t' kunne ontvlugten com ief 80 ontvlugten zig meede in slag ordre hadde gesteld, en na vier uure lang met hem 'slaags te zijn geweest vervolgens zijne blauwe vlag hadde neder gelaate, en daar en teegen een painde vlag opgeheijst Dat de Engelsche de prinde vlag van de Ponting ziende waijen nog veel sterker dan te vooren op hem geschooten hadde Laastelijk verklaarde den declarant van de wadjorees Bora„ „hima gehoort te hebben, dat geduurende het gevegt dat tot sons ondergang gebuurt heeft, hij maar een man hadde verlooren, dog dat 'er aan de bant van de Engelse drie waren gesneuvelt en vier gequest, en dat zij toen den wadjorees digt onder de wal is gaan legge, zij met hunne booten weeder na Boort waare geseijlt, en zort daar op ook de beijde scheepen het anker hebbe geligt en onderzeijl zijn gegaan, zonder te kunnen zeggen waar zij van sints zijn na toe te steevenen. /:onderstond:/ Maccasser Dato voors Aan 3: 81 Maccasser Aan den welEdelen Agtbaaren Heer Barend Reijke gouverneur en directeur der zuste Celeber Den Raad n wel Edele Agtbaare Heer, en Heeren! Heeden morgen een brief gedatteert v„o Mai van d' Bonthainse sergeant en Posthouder Iohan Georg Smidt ontfangen hebbende, zo heb jk niet durven afsijn zo dra mogelijk uwel Edele Agtbaare een Extract daar uijt bij deezen toetezenden. Terwijl Jk voor 't overige de vrijheijd neem mij met verschuldigde „de Hoog=agting en Eerbied te noemen. /:onderstond:/ wel Edele Agtbaare Heer en Heeren /:lager:/ uw wel Edele Agtbaares onderdanige en Trouwschuldige Dienaar /:was geteekend:/ S„ Monsieur /:in margine:/ Boelecombam in 'sComp„s Fortres den 2„e Maij A„o 1783. Neevens Extract - 82 Extract uijt een Brief geschreeven door den Zergeant en Posthouder van Bon„ „thain Iohan Georg Smidt aan den onderkoopman en Resident van Boelecomba en Bonthain dE: Si„ „mon Monsieur gedateert Bon„ „thain den 1„e Maij 1783. alwaar onder anderen staat. Met Leijdweesen moet jk uw Ed„s een niet goede tijding melden van die van dezen avond ontfangen wagt bauw, die nuricht heeft gebracht, met een Boggeneese Prauw van Mandhar gekoomen gesprooken heeft, als dat zij op de Mandars 7. Engelschen schippen heeft ge„ „zien, selbst aan een van denzelven aan Boord geweest, en daar een halven Picol oppium gekogt, den Boggenees thans vernoomen hebbende, die vloot gesint is, om hier aan te gieren of direct naar Maccasser te gaan, bedeele uwEd„s zulx zo als wie mijn die kruijters berigt hebben, en daar bij versogt om zo spoedig als mogelijk uwEd„s bekent te maken, zoo ook om 7 uuren deezer avond mijn brief aan uw Ed„e vervaardigt &„o per Comp„s onderdaanen weggesonden, Jk hoop niet, indien zulx zo weesen mogte, zal Jk niet mankeeren om mij naar uwEd„s aan mijn gestuurde secreete brieven te ge„ „dragen, of nadere ordres van uwEd„e afwagten: /:onderstond:/ Accordeert /:was geteekend:/ P: S: P: Doser gesw: Scriba„ Sondag 83 Sondag den 4„' Maij A„o 1783. S agtermiddags om half vier uuren alle Present. Op Een soo Even van Boelecomba ontfangen Takel waar bij volgens schrijven van den Resident Monsieur de dato 2„e dezer en een daar bij gevoegd Extract missive van den te Bonthain Post housende sergeant Iohan George Smidt gedateert 's daags bevoorens ge„ „meld word, dat door Een Boeginees van de Mandhaar komende aan de kruijssers gerapporteerd was; dat 'er seeven Engelsche scheepen op de Mandhaar zouden leggen, met voorneemen om hun Cours na Bonthain of direct hier na toe te neemen, heeft den Heer Gouverneur deze Extra ordinaire vergadering ten Eersten doen be„ „leggen ten Eijnde de Heeren Loeden hier van zoo vel te adverteeren als kennisse te geeven, dat zijn welEdele Agtbaare bij Provisie den koning van Bonij daar van het noodige had laaten weeten, om op hoede en waakzaam te weesen, mitsgaders alles zoo wel van onzen als zijnen kant in gereedheid te brengen tot eene noodige defensie in tijd van aanval; zijnde door den Heer Gouverneur teffens aangenoomen om onze Bondgenooten en vrienden de vorsten Arou Pantjana en Datoe sideenring hier van /:egter in alle stelte :/ ook kennis te zullen doen Erlangen, om op het Eerste op ontbod na herwaards instaat te kunnen zijn van met de noodige Assistentie van Mhanschappen hier te komen Ter vermijding van alle onnoodige beweeging, die zoortgelijke ge„ „rugten tot gevolg kunnen hebben, is goed gevonden ten Eersten Een vaarthuijg van hier na de Mandhar te zenden met den onder„ „tolk Bewers, en zen ordinairen zendeling Carre Mandjareekie en Eenige onzer vertrouwde onderdaanen, ten Eijnde zich na de Jngekoomen van sers

NL-HaNA_1.04.02_8261_0200 view scan ↗

English

4 84 to inquire into incoming news, whether and to what extent it might be true or not, so that whatever further is necessary in that case can then be planned with sound foundation. At the same time, upon the proposal of His Honorable, it was also resolved to propose to His Highness the King of Bonij to send one of his emissaries alongside one of ours as commissioners to the Mandhar, in order to remind the princes there, in our and the King's name, of the contents of the treaties formerly concluded and entered into with the Company, and by virtue thereof, should the English arrive there, not only to show them not the least assistance, even in the most indifferent matters, but also, if possible, to repulse and drive them away. Furthermore, His Honorable put to the question whether the honorable members also knew of anything else that, besides what has just been proposed and the means already put into effect up to now, could be done with benefit in this matter; they collectively answered in the negative, declaring that for the present nothing more should be done than what has occurred until now and will now be done. was signed: Thus done and decreed at Maccasser at the residence of the Honorable Lord Governor on the date aforesaid: was signed: B.s Reijke, C.s Kraane, J: M: Baserman, J: W: H: van Rossum, J.b L: de Vos, I.s Bosch, I: G: Budach, and G:s van Dieman On 85 On this day, the 5th of May, anno 1783. Boelecomba There arrived in the roads the Malay Daijn Padjonie, residing here, who, by honored order of the Honorable Lord Barend Reijke, Governor and Director of this coast of Celebes, was questioned by the undersigned shahbandar whether he, on Mandhaar, whither he departed five months ago to carry on petty trade, has not seen or heard that English ships have landed there. The said Daijn Padjonie replied that during that time he sailed up the Mandharese coast, and had even been up to the furthest corner, named according to his statement Bone Mamanjang, but had heard no word or sign of any English; furthermore, that he left that coast six days ago and, without having learned anything underway, arrived on this day aforementioned. was signed: J. P.s de Vos, shahbandar To the Junior Merchant Mr. Simon Resident there Monsieur Discreet. Honorable, pious, Upon the little letter received from Your Honor accompanying an extract missive from the Bonthain Sergeant Smidt regarding the rumor of seven English ships that are said to intend to come hither, although one can place almost no belief in it, I have immediately put into effect everything necessary in the event it might occasionally be true. And it were indeed to be wished that one could obtain those Buginese, or henceforth such 86 such bringers of news, hither by gentle means, in order to be able to punish them according to their deserts, once found to be lying, as an example to others; to which end Your Honor must also see to putting the necessary measures into effect. Meanwhile, regarding your subordinate posts in time of need, Your Honor must still conduct yourself according to the orders already received. After greetings, I remain was signed: Your Honor's good friend. was signed: B.s Reijke in the margin: Maccasser in Castle Rotterdam, the 5th of May, anno 1783. To the Bookkeeper Judovicus Theodorus de Swart Resident there Honorable, pious! Their High Mightinesses having entirely renounced the long pepper produced on Saleijer, according to their honored letter of the ultimate of December 1782, because enough of it is to be obtained on Java, this serves for Your Honor's information. The soldier Albregt mentioned in Your Honor's private letter of the 14th of April, not wishing to reform himself, Your Honor may just send hither; however, owing to our own shortage, one cannot replace the missing number. The Saleijerese being greatly needed here upon the appearance of the factory ship in order to help unload the same, I shall detain them for that purpose for so long, of which Your Honor must give notice to the Bonto Bango in a friendly manner. Wherewith I remain was signed: Your Honor's friend: was signed: B.s Reijke in the margin: Maccasser in Castle Rotterdam Saleijer the 8 87 Bima To the Junior Merchant Cornelis Meurs Resident there Discreet! Honorable, pious, As nothing has yet come to this day of the commission charged to Your Honor by letter of the 24th of April 1782, and subsequently promised to be executed in Your Honor's letters of the 20th of May, to urge the princes of Sumbauwa and Salemparrang concerning the delivery of the seven pieces of cannon still lying at the last-mentioned place, I hereby order Your Honor to exert your utmost diligence toward the obtaining thereof and not to let it rest upon mere promises; also to remember, when opportunity permits, those that are still lying at Bima and according to orders already given must be sent to the main station. Meanwhile, what was written to me by Their High Mightinesses in separate letters of the 21st of December 1781 and 31st of December 1782 with regard to those of Salemparrang and Balij, of which authenticated extracts accompany this, also serves for Your Honor's information and observance. After greetings, I am was signed: Your Honor's good friend. was signed: B.s Reijke in the margin: Maccasser in Castle Rotterdam, the 12th of May 1783. the 6th of May, anno 1782. — [illegible]

Dutch transcription

4 84 Jngekoomen tijding te inquireeren, of en in hoe verre die in waar„ „heijd mogt bestaan dan niet, op dat men als dan het verder nodige in dat Cas met gegrondheijd kan beraamen. Teffens is ook op de propositie van zijn welEdele Agtbaare verstaan zijn Hoogheijd den koning van Bonij te proponee„ „ren om een zijner zendelingen neevens een van de onze als gecom„ „mitteerdens na de Mandhar te zenden, om aan de vorsten aldaar uijt onze en 's konings Naam te herinneren den Jnhoud der Tractaten bertijds met de Compagnie gesloo„ „ten en aangegaan, en uijt kragte van dien zoo de Engel„ „schen daar mogten aankoomen, dezelve niet alleen geen de minste Assistentie zelfs niet in de onverschilligste zaaken te bewijzen, maar dezelve ook, is het mogelijk te repousseeren en te verdrijven. voorts wierd door zijn welEdele Agtbaare in omvraage gebragt of de Heeren Leeden ook nog iets anders wisten dat buiten het zo even geproponeerde en de reets tot hier toe in het werk gestelde middelen in deezen met nut gedaan konde worden, hebben dezelve gesamentlijk van Neen g'antwoord met betuij„ ^dan „ging daar in voor Eerst niets meer zonden worden gedaan ^ tot nog toe geschied is, en nu gedaan zal worden. /:onderstond:/ Aldus Gedaan en Gearresteert tot Maccasser ten woonhuijse van den welEdelen Agtbaaren Heer Gouverneur dato voorsz: /:was geteekend:/ B„s Reijke, C„s kraane, J: M: Baserman, J: w: H: van Rossum, J„b L: de vos, I„s Bosch, I: G: Budach, en G:s van dieman Op 85 Op Heeden den 5„e Maij Anno 1783. Boelecomba arriveerde ter Rheede den alhier te huijs hoorende Maleijer Daijn Padjonie welke door den ondergeteekende siabandhaar ter g'Eerde ordre van den welEdelen Agtbaaren Heere Barend Reijke Gouverneur en directeur deezer kuste Celebes is afgevraagd of denzelven op Mandhaar alwaar hij voor vijf maanden na toe is vertrokken ter drijving van smallen handel, niet gesien of vernoomen heeft dat daar Engelsche scheepen zijn aangeland, zo diende den gemelde Daijn Padjonie tot antwoord, dat hij ge„ „duurende die tijd de Mandareese Cust opgevaaren, en zelfs tot de uijterste hoek volgens zijn opgaan genaamt Bone Maman„ „jang geweest is, dog geen taal of teeken van Engelsche gehoort te hebben, vervolgens dat hij over ses dagen die Cust heeft ver„ „laaten en zonder onderweegen iets vernoomen te hebben op heeden voormeld g'arriveert is. /:was geteekend:/ J„ P„s de vos siabandhaar Aan den onderkoopman M„r Simon Monsieur Resident aldaar Discrete. Eersame, vroome, Op u wE: ontfangen briefje ten geleide van Een Extract missive van den Bonthains Zergeant Smidt aangaande het gerugt van zeven Engelsche scheepen die de wil na herwaarts zoude hebben, heb jk, schoon men bij na geen geloof aan het zelve kan slaan, hier ten Eersten al het nodige of het somtijds waar mogte weesen in het werk gesteld. En het waare wel te wenschen dat men die Bougineesch of voortaan zulke 86 zulke aanbrengers van nieuws op een zagte wijse na herwaarts kin„ „de overkrijgen, om ze, leugenagtig bevonden werdende eens na merite ten Exempel van anderen te kunnen straffen, waar toe uw E: dan ook het noodige moet zien in het werk te stellen. Terwijl uwE: zig aangaande desselfs onderhoorige Posten in tijd van noot als nog gedragen moet aan de reets ontfangene ordres. Ik blijve na groete /:onderstond:/ uE: goede wriend. /: was getee„ „kend:/ B„s Reijke /:in margine:/ Marcasser Jn't Casteel Rot„ „terdam den 5„e Maij A„o 1783. Aan den Boekhouden E Judovicus Theodorus de Swart Resident aldaar Eersame, vrome! Hun Hoog Edelheedens van de op Saleijer vallende lange Peeper volgens Hoog derzelver g'Eerd schrijvens van ult„o december 1782. ten eenemaal afgezien hebbende wijl daar van op Iava genoeg te bekomen is, zo diend dit tot uwE: narigt De bij uwE: particulier briefje van den 14„e April vermelde soldaat Albregt zig niet beeteren willende kan uwE: maar dit heen zenden, egter kan men mits eigen gebrek het mankeerende getal niet suppleeren. De saleijereesen hier bij opdaging van het komptoir schip om het zelve te helpen lossen zeer benoodigt zullende weezen, zal jk ten dien einde zo lange aanhouden, waar van uwE: den Bonto Bango op een vriendelijke wijse kennisse moet geeven. Waar meede blijve /:onderstond:/: uw E: vriend: /: was geteekend:/ B„s Reijke /:in margine:/ Maccasser Jn't Casteel Rotterdam Saleijer den 8 87 Bima Aan den onderkoopman Cornelis Meurs Resident aldaar Discreete! Eersame, drome, van de uwE: bij brief van den 24„e April 1782. opgedragene Commissie en vervolgens bij uwE: letteren van den 20„e Maij daar aan toege„ „zegde uitvoering om de vorsten van Sumbauwa en salem„ „parrang aan te dringen op de bezorging der op laast gemelde plaats nog leggende seeven stux kan ons, tot heeden toe nog niets gekomen zijnde, zo gelaste jk uwE: bij deezen om tot bekoo„ „ming van dien desselfs uiterste vlijt aan te wenden en het niet bij enkelde belofte te laaten berusten; ook om bij geleegendheijd te denken op die geene die nog op Bima leggen en volgens reets gegeevene, ordre na de Hoofd=plaats moeten gezonden worden; Terwijl ook nog tot uw E: narigt en observantie diend het door Hun Hoog Edelheedens aan mijn bij aparte letteren van den 21„e December 1781. en 31„e December 1782. geschreevene met op zigt tot die van Salemparrang en Balij waar van g'authentiseerde Extracten hier neevens gaan. Jk ben na groete. /:onderstond:/ uw E: goede vriend. /was getee„ „kend:/ B„s Reijke /:in margine:/ Maccasser Int Casteel Rotterdam den 12„e Maij 1783. den 6„e Maij Anno 1782. — Aan ge k dam

← previousnext →