VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 8261

Japan · 656 pages · 169 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_8261_0204 view scan ↗

English

Bima To the junior merchant Cornelis Meurs Resident there. Honorable, pious, Discreet! Since, by a letter received late last year from the Gusti of Salemparrang Carrang Assang, his continuing inclination to live in friendship with the Honorable Company has again come to my attention, and I cannot judge so well from afar the substantial importance involved in this as your Honor can from nearby, it will not be unserviceable that your Honor provide me with his Considerations on this matter, the more so as Their High Mightinesses also do not seem disinclined toward this prince. I enclose herewith the copy of his aforementioned last letter written to me along with the reply thereto, and remain, after greetings, underneath stood: your Honor's good friend, was signed: B.s Reijke in the margin: Makassar, In Castle Rotterdam, the 15th of May, Anno 1783. Makassar To the Right Honorable, Worshipful Sir Barend Reijke Governor and Director of the Coast of Celebes Upon your Right Honorable Worship's always highly respected letter dated 5 May, which was duly received by me on the 12th, I now take the liberty to reply that I shall not fail to observe the orders contained therein as much as possible, while I further have the Honor, Right Honorable, Worshipful Sir! to call myself with all due high esteem and respect. underneath stood: Right Honorable, Worshipful Sir. lower: your Right Honorable Worship's humble and faithful Servant, was signed: S: Monsieur, in the margin: Boelecombo, in the Company's fortress, the 17th of May, A:o 1783. Respectful Report To the Right Honorable, Worshipful Sir Barend Reijke Governor and Director of the Coast of Celebes Right Honorable, Worshipful Sir! In observance of your Right Honorable Worship's honored order, I have, in the company of the Bone commissioner, the sulewatang of Matjege, proceeded to the settlement of Lannga to the adatuang Sidenreng present there, as also from there to the datu of Suppa and Aru Pantjana, to whom I conveyed, under your Right Honorable Worship's greetings and name, and kindly requested that they lay down their arms against one another, and that according to the Bongaais Contract and their bounden duty they should address your Right Honorable Worship and present their interests regarding the dispute, in order to be decided by the Honorable Company and Bone; whereupon from the first-mentioned I received as answer that he must necessarily first speak with the adjatamparang about this and inform them of your Right Honorable Worship's desire before he would give us an answer, requesting to that end, if not two days, at least a single night's postponement, he having, while we were still there, immediately dispatched his emissaries to summon those Regents, which the undersigned granted, except for the sulewatang Matjege, who strongly opposed this and would not permit it, but demanded that he should decide at that very moment to give an answer whether he would obey in this matter or not, about which the datu of Sidenreng was not a little vexed and became troubled, yet repeatedly urged, begged, and pleaded that he, the sulewatang, would not refuse him this request of his, it not being unreasonable; but he, the datu of Sidenreng, seeing sufficiently that he remained adamant in his position and would hear of no delay, gave him and the undersigned shortly and not unclearly to understand that he, being appointed as head, considers himself obliged to fight for his subjects, so that they might not reproach him in the future, and therefore he finds himself burdened to obey the admonition of your Right Honorable Worship and the King of Bone, although he would do so very gladly and with all willingness; however, as regards the said Contract, that it is unknown to him. The reason for my arrival and your Right Honorable Worship's desire having then likewise been made known to the Datu of Suppa and Aru Pantjana, they showed themselves immediately willing to obey the same without the slightest opposition, but far from that, both of them having promised and undertaken to demolish their stronghold and entrenchment at once, as soon as they are convinced that the datu of Sidenreng will have abandoned his and laid down arms, though they do not find it advisable to be the first to do so for fear that in that case they would be robbed and plundered of wife, children, and all the rest of their possessions by the Datu of Sidenreng. The answer that the undersigned received further from the datu of Sidenreng at the departure was unchangeable, and consisted of the same wording said here above, yet with the addition that he was very sorry for the refusal of the aforementioned sulewatang, which, as I indeed maintain, was also certainly the main reason that he could not be brought to change his mind, or would not listen to any good counsel and admonition; yet, as far as it appears to me, I could not perceive from the whole movement otherwise than that the datu is well inclined to peace, the more so as I, while still being there, was informed that he has already had a fairly large number of horses summoned from his country for the transport of cargo, as also that his brother Aru Ngatakka, who was also present there, privately let the Sulewatang Matjege know that he could be assured that his brother the datu of Sidenreng will certainly break camp within a short time, and keep the weapons. Wherewith I hope to have complied with the honored intention of your Right Honorable Worship, so I have the Honor to call myself with all high esteem and respect, underneath stood: Right Honorable, Worshipful Sir, lower: your Right Honorable Worship's very humble and submissive Servant, was signed: A: Whijts, in the margin: Makassar, the 27th of May, Ao 1783.

Dutch transcription

Dima Aan den onderkoopman Cornelis Meurs Resident aldaar. Eersame, vrome, Discreete! Dewijl mijn bij een in het laast van het voorige Jaar ont„ „fangene brief van den Gustij van Salemparrang Carrang Assang weeder te vooren is gekoomen desselfs aanhoudende geneegentheid om met de Ed„e komp„e in vriendschap te leeven, en jk hier van verre zo wel niet oordeelen kan van de wezent„ „lijke aangeleegendheid die daar in steekt als uwE: van nabij, zo zal het niet ondienstig zijn dat uwE: mijn eens hier over zijn Consideratien suppediteert te meer Hunne Hoog Edelhee„ „dens ook geen ongeneegendheid deezen vorst scheijnen toe 1 te dragen. Jk voege de Copij van voorsz: zijn laast aan mijn geschreeven brie„ met het antwoord daar op hier neevens, en ben na groete /onderstond:/ uwE: goede vriend /was geteekend/ B„s Reijke /in margine /: Maccasser In't Casteel Rotterdam den 15=e Mai Anno 1783. — Maccasser Aan den welEd: Agtb: Heer Barend Reijke gouverneur en directeur der Custe Celebes Op uwelEd: Agtb: althoos hooggerespecteerde Letteren dat 5 maij die mij op den 12„e wel zijn geworden, neem jk thans d' vrijheid te rescri„ „beeren als dat Jk niet in gebreeken zal blijven om de daar in ver„ „vatte orders zo veel mogelijk te observeeren, terwijl Jk verders de Een welEdele Agtbaare Heer! heb 88 W„ &„ heb met alle verschuldigde hoogeagting en Eerbied mij te noemen. /onderstond/ welEdele Agtbaare Heer. /:lager:/ uwel Edele Agtb„s onderdanige en trouwschuldige Dienaar /was geteekend:/ S: Monsieur /in margine/ Boelecombo in sComp„s vesting den 17„e Mai A:o 1783: — Eerbiedig Rapport Aan den welEdelen Agtbaren Heer Barend Reijke Gouverneur en Directeur ter Custe celeber Twel Edelen Agtbaaren Heer! In observantie van uwel Edele Agtb: g'Eerde ordre, heb jk in geselschap van den Bonijs gecommitteerde den soelewattang van Matjege mij begeeven naar de Negorij Lannga bij den aldaar present zijnde adatoeang sideenreeng, gelijk ook van daar bij datoe soeppa en Arou Pantjana, wien jk onder uwel Ed: Agtb: groete, en uijt naa„ „me aangezegt, en vriendelijk verzogt van zich de wapenen teegen elkander needer te leggen, en dat zij volgens het Bongaijs Con„ „tract en hun schuldige pligt bij uwelEd: Agtb: zonde addresseeren en haar belangen omtrend het geschil inbrengen, om door de Edele Comp„e en Bonij te kunnen werden gedesideert; waar op van de Eerst gen: tot antwoord heb bekoomen dat hij noodzakelijk eerst met den adjatamparang daar over diend te spreeken en haar„ „lieden uwel Edele Agtb: begeerte onderhouden voor en al eer hij ons bescheid zonde geeven, verzogtende ten dien einde zoo niet twee dagen, ten minsten om een enkeld nagt uitstel, hebbende hij terwijl w nog - Een d nog daar waeren mediatelijk zijne zendelingen afgezonden om dier Regenten te ontbieden gelijk den ondergeteekende zulx heeft g'accordeert, Excepto den soelewattang Matjege die daar in sterk teegen hadde, en dat niet wilde gedoogen maar begeerde dat hij op dat moment resolveeren zoude antwoord te geeven of hij hier inne gehoorsaamen wilde, dan niet waar over datoua sideen„ „reeng niet weinig deede ergeren, en moeijelijk weerden, nog thans tot verscheide rheijse daar op aandrong, bid en smeekt dat hij soelewattang hem dog dit zijn verzoek als niet onbillijk zijn„ „de, niet wilde weijgeren, dan hij datoua Sideenreeng genoeg„ „saam ziende dat hij onverzettelijk op zijn stuk blief en van geen uijtstel willende weeten, zo gaf aan hem en den ondergetee„ „kende in 't kort niet onduijdelijk te kennen dat hij als hoofd gesteld zijnde, verpligt agt voor zijn onderdaanen te moeten strijen, op dat zij lieden in 't vervolg hem niet verwijten mogte en dierhalven hij zig beswaart vind de vermaening van uwel Edele A gzb: en bonijs Koning te obedieeren, ongeagt denzelve dat zeer gaarne en met alle bereijdwilligheijd zoude doen; Edog wat gesegde Contract aan„ „gaat, dat hem daar van onbekent is. Den Datoea Soeppa en Arou Pantjana dan de reedene mij „ner komst en uwelEd: Agtb: begeerte bij de almeede te kennen gegeven hebbende, thoonde zij hun al ten eersten bereijd dezelve te gehoorsamen zonder de minste teegen kanting maar wel verre van dat, die bijde beloove en aangenoomen hebbende haeren benting en beschan„ „sing ten Eersten te zullen demolijeeren zo ras maar overtuig zijnde dat dat ou Sideenreng de zijne zal hebben verlaeten en de wapenen neederleggen, dog dat zij niet geraeden vinde de Eerste te zijn die zulx deede uijt vrees dat zij in dat geval, door Datou Sideenreng hun van vrouw, kinderen en verders al haar bezit, zoude beroofd, en geplun„ „derd worden. Het bescheid dat den ondergeteekende op het afscheijd nader van datoea sideenreeng kreeg, was en verainderlijk, en bestond in dezelve bewoordinge alhier vooren gezegt, egter met bij voeging dat hem zier leet was het refur van voorm: soelewatang, het geen (:so als ik wel sustineer:) sustineeren/ ook seekerlijk de voornaamste reeden geweest is dat hij tot geen inkeer te brengen was, of na geene goede raad en vermaaning heeft willen luijsteren, Egter in zo verre het mij voorkomt, kon ik aan de geheele beweeginge niet anders merken of den datoea is tot den vreede wel g'inclineert te meer jk, terwijl daar nog zijnde, ben on„ „verrigt geworden als dat hij bereets een tamelijk groot getal paar„ „den ter vervoer van vragt uijt zijn land heeft ontbieden laaten, gelijk ook dat desselfs broeder Aroe ngatakka /:die meede aldaar present was:/ den Soelewatang Matjege, onder de hand heeft weeten laaten dat hij verseekert konde zijn dat zijn broeder datoua Sideenreeng wil binnen korten zal op„ „breeken, en de wapenen bewaare. waarmeede verhoope aan de g'Eerde Jntentie van uwel Edele Agtb: te zullen hebben voldaans, dus jk de Eer heb met allen hoog agting en respect, mij te noemen. /onderstond/ wel Edelen Agtbaaren Heer /lager/ uwE: wel Edele Agtb„s zeer onderdanigen en ootmoedigen Dienaar /:was geteekend:/ A: whijts /in margine/ Maccasser den 27„e Maij Ao 1783. even de

NL-HaNA_1.04.02_8261_0208 view scan ↗

English

Account given at the Secretariat of Policy here by the King of Bangai named Seli Bandaria, by the honored order of the Right Honorable Lord Barend Reijke, Governor and Director of this Coast of Celebes, concerning his encounters on his intended voyage from Batavia to Ternaten, and for what reason he remained at Bonthain and came hither from there. The King of Bangaij Seli Bandaria, named above, reports that his departure last year from here to Batavia was principally to propose to His Excellency the Lord Governor-General that he would submit himself to the Company in case they wished to restore him to his lawful Kingdom of Bangaij and support him against his rivals. That for this he would then cede to the Company in full ownership a village named Pondi Pondi with its appurtenances and dependencies, to deal with at their pleasure, together with a quantity of cloves which he, the narrator, says are found in abundance in that region, though he attested not to know that they were taken elsewhere for sale, but rather left on the trees as they grow, and one hundred pikols of wax yearly as a sign of homage. Furthermore, to request His Excellency that a trading post or small fort might be established on Bangaij by the Honorable Company, upon which he undertakes to deliver to the Company two Princes of his subordinate villages, by name Bongang and Matjampa, both of whom incited the common people of Bangaij against him, their lawful King, and brought the country into unrest. That His Excellency, after having thanked him thus far for his offer, had said that he should simply depart for Ternaten and from there subsequently return to his country, and that His Excellency would write to the Governor at that place concerning this matter. That by order of His Excellency he had undertaken the voyage on a two-masted sloop, the Manado, which was destined for that Government, in the company of the former fiscal and an ensign, and that His Excellency upon his departure had told him that it was a Company vessel and he would lack for nothing during the voyage. That two days after he had been on board, the mate had also come there, asking him what business he had on board and who had ordered him to come there, with various threats to beat him with a rope's end. That on the voyage from Batavia to Bonthain the mate had beaten his people and mistreated him, the narrator, and in many respects through insults, demanding that he must eat with the sailors, but that he, refusing this, had his own rice cooked, which was given to him by the Lord Governor here upon his departure for Batavia, to eat thereof with his people until it was exhausted, whereupon he, the narrator, requested rice from the mate, who at first would give him nothing, but rather directed abusive words at him, though by continuous praying and pleading he had at last done so, and provided him with a bag of rice while stating that this was out of his own and that upon arriving at Ternaten he could tell the same to the Governor. That upon arriving in the roadstead of Bonthain, the fiscal, the ensign, and the mate wishing to go ashore, he, the narrator, brought the gentlemen to the gangway, whereupon the mate asked him where he wanted to go, but was answered by him: nowhere; but out of politeness I wish to accompany you along with the other gentlemen to the gangway, whereupon the mate had insulted him by saying, among other things, your mother, etc. That in the afternoon, with the consent of the mate, he had also gone ashore, and having arrived there, had made known to the mate that he did not wish to depart for Ternaten with the sloop, as he could no longer endure the treatment from him, but would rather make the voyage in the company of the sloop with his own vessel that had remained at Maikassar, and therefore requested the mate that he might depart hither to fetch his vessel, which was fully granted by him; that being at Bonthain for 6 to 7 days, he requested the mate to let his water jar, which he had inherited from his ancestors, be fetched from on board, which the mate permitted him, but that his messenger could no longer find it. That subsequently the interpreter of Bonthain at the house of the sergeant asked him whether he had not yet received his water jar from on board, and having been answered by him with no, the interpreter thereupon said: I shall then go myself to the mate to ask for it, whereupon the mate had forthwith summoned him, and asked why he had not told him yesterday that the water jar was missing; he, the narrator, had answered: but I did indeed do so, whereupon the mate began insulting him, threatening him with beatings, and that in the presence of a mate and his wife who is stationed here at Makassar. Furthermore, upon express inquiry for what reason he went off board and did not depart directly with the sloop for Ternaten according to the desire of His Excellency, the narrator said that he only left the sloop the Manado because he could no longer bear it with the mate on account of the mistreatment suffered and because of his bad conduct, and that moreover

Dutch transcription

Relaas gedaan ter Sekretarije van Politie alhier door den Koning van Bangai Seli Bandaria genaamt ter g'eerde ordre van den wel Edelen Agtbaaren Heer. Barend Reijke Gouverneur en Directeur dezer kuste celebes, weegens zijn ontmoetingen op desselfs voorgenomene rheise van Ba= „tavia naar Ternaten, en om wat reeden hij op Bonthain is verblee= „ven, en van daar herwaards gekomen. Den koning van Bangaij Seli Bandaria bovengem: Relateerd dat zijn vertrek in anno passato van hier na Batavia principaal geweest is, om aan zijn Edel= „heid den Heere Gouverneur Generaal voor te stellen dat hij zig aan de komp=e zoude onderwerpen ingevalle die hem in zijn wettig. Rijk van Bangaij wilde her„ „stellen en teegen zijn meede dingers ondersteunen. Dat hij daar voor als dan aan de Comp=e in Eijgen„ „dom zoude overgeeven een Negorij genaamt Pondi Pondi niet dies ab- en dependentie, om daar meede te handelen na welgevallen, beneevens nog een quantiteit Nagulen die hij Relatant zegt deel en die Landstreek overvloedig gevonden werden, dog betuigde niet te weeten, dat ze na elders ten verkoop gebragt werden, maar wel zo als 7' groeijen aan de Boomen gelaaten werden en Een hondert pikols wax sjaars, tot een teeken van homagie„ voorts om zijn Edelheid te verzoeken dat op Bangaij Een Logie of fortje door de E Compagnie mogte aange„ „legt werden, wanneer hij aanneemt aan de Compagnie te leeveren twee Princen van zijn onderhoorige Negorijen, met naame Bongang en Matjampa, welke beide het gemeen van Bangaij teegens hem hun wettigen Koning ophitsten, en het Land in Onrust bragten. Dat zijn Edelheid na hem voor zijne presentatie in in zo verre bedankt te hebben, gezegt hadde dat hij maar na Ternaten zoude vertrecken en van daar ver= „volgens na zijn land te rug keeren, en dat zijn Edelheid den Gouverneur daar ter plaatse hier over zoude schrijven Dat hij de Rheise ter ordre van zijn Edelheid met een twee maste Chialoup de Manado die na dat Gou= „vernement gedestineerd was, in gezelschap van den Ge„ „weezen fiskaal en Een vaandrig hadde aangenomen, en dat zijn Edelheid bij zijn vertrek teegens hem gezegd had, dat het een 'sComp„s Bodem was en hij aan niets gebrek zoude hebben geduurende de Rheijse. Dat na twee daagen dat hij aan Boord geweest was, de stuurman daar ook was gekomen, hem vragende wat hij aan Boord moest hebben en wien hem g'ordonneerd had om daar te koomen? met verscheide dreigementen van hem met een Eintje te zullen kloppen. Dat op de Rheise van Batavia tot na Bonthain den stuurman zijn volk geslaagen en hem Relatant en veele oprigten door schelden mishandelt had, begeerende dat hij met de Mattroosen moest Eeten, dog dat hij zulks weij= „gerende zijn eigen Rijst die hem door den Heer Gouverneur alhier bij zijn vertrek na Batavia geschonken is, heeft laaten kooken, om daar van met zijn volk te beten tot dat die op was geraakt, wanneer hij Relatant den Stuurman verzogte om Rijst, die hem in het Eerst niets had willen geeven, maar wel scheldwoorden toegevoegd dog door aan= „honderd bidden en Smeeken zulks ten laaste hadde ge„ „daan, en hem een zak Rijst verstrekt onder te kennen gave dat zulks van zijn eigen was, en dat hij op Terna„ „ten komende het zelve aan den Gouverneur konde zeggen. Dat zij op de rheede van Bonthain komende de fiskaal de vaandrig en den Stuurman na de wal wil= „lende gaan hij Relatant de Heeren tot aan de Valreep bragte, wanneer den stuurman hem vroeg waar hij na toe wilde ? dog door hem ten antwoord wierd gegeven nergens; maar uit beleeftheid wil jk uw neevens de andere andere Heeren tot by de valreep brengen, waar op hem den Stuurman hadde uitgescholden met te zeggen onder an„ „deren Sou moer enz: Dat hij snademiddags met bewilliging van de stuur„ „man meede aan de wal was gegaan en daar gekomen zijnde, den stuurman te kennen had gegeven van niet de Chialoup niet na Ternaten te willen vertrekken, alzo hij de behandeling van hem niet langer konde ver- „dragen maar liever met zijn eigen vaartuig dat op Mai„ „kassar was gebleeven in gezelschap van de Chialoup de rheise wilde doen, en daarom den stuurman verzogte om herwaarts ter afhaal van zijn vaartuig te mogen ver= „trekken, 't welk door hem ten vollen wierd toegestaan, dat hij 6 à 7 daagen op Bonthain zijnde, den stuurman verzogte om zijn water Pot die hij van zijn voorouders had g'erft van Boord te willen laaten afhaalen, het welk hem den stuurman permitteerde dog dat zijn zendeling die niet meer gevonden had. Dat vervolgens den Tolk van Bonthain ten huise van den zergeant hem afvroeg of hij zijn water - Pot nog niet van Boord gekreegen had, door hem met Neen b'antwoord zijnde, den Tolk daar op zeide, jk zal dan zelve bij den stuurman gaan om die te vragen, waar op de Stuurman hem voorts had laaten roepen, en gevraagt waarom hij hem gisteren niet gezegt heeft, dat de water =pot absent was ? hij Relatant ten antwoord gegeven hadde jk heb het immers gedaan, gaande den stuurman daar op aan het schelden hem dreigende met slaagen en dat in presentie van een Stuurmeen en zijn vrouw die hier op Ma„ „kassar bescheiden is. voorts op Expresse afvrage, om wat reeden hij van Boord is gegaan, en niet direct met de Chialoup volgens de begeerte van zijn Edelheid na Ternaten vertrokken, reide den Relatant van de Chialoup de Manado alleen te zijn afgegaan om dat hij het bij den stuurman niet langer konde houden over ondergaane mishandeling, en weegens zijn slegte gedoentens, en dat hij nog daar en boven

NL-HaNA_1.04.02_8261_0211 view scan ↗

English

moreover feared that he might mistreat him even more during the voyage or throw him entirely into the sea. That during his stay at Bonthain at the house of the Interpreter, there was stolen from him a silver box set with gold flowers, alongside Twenty Spanish dollars in cash, and that he presumed this to have been done by a native brother of the said interpreter, the Relator having subsequently departed from Bonthain with an emissary belonging here named Poea wahe and arrived here this morning, when he was immediately sent by the Governor to the Secretariat Office to relate his adventures, all and singular of which he testified to contain the pure truth. At the bottom stood: Done at Makassar in Castle Rotterdam the 8th of March, anno 1783. In the presence of Johannes Arnoldus Geubels and Balthazeer Ravensberg, clerks requested as witnesses hereto, the minute of this has been duly signed by the Relator and myself, the Secretary, alongside the Interpreter for the translation. Lower stood: Which I attest. Was signed: In my presence, S. Budach, Secretary. To the Right Honorable Worshipful Sir, Barend Reijke, Governor and Director of this coast of Celebes etc. etc. Right Honorable Worshipful Sir. Pursuant to the highly respected order to provide further elucidation, according to the extract letter given to me from Their High Mightinesses dated 31 December of the past year, concerning a supposedly large vessel loaded with opium at Bancahoeloe and flying a foreign flag that arrived at Sumbauwa during my presence there, the humble undersigned has the honor to inform Your Right Honorable Worship: that on 2 April 1781, upon the ever-spreading rumor that the Balinese, on account of the dispute between Sankato and Deman Proija, would make an incursion into Sumbauwa, he departed from Bima at 9 o'clock in the evening and arrived on the 4th in the afternoon at Laboeang in the river of Sumbauwa: That on the next day he had all the Nakhodas of the vessels present there called to show their passes, which was also done, and all were found to be in order. That on the morning of the 7th an apparently large prahu, looking quite empty, flying a blue and white flag, sailed into the river and past me, upon the sight of which I immediately sent out my people to see where they were going and to call the Nakhoda to me; whereupon some natives also came to warn me that this prahu was heavily manned with people, provided with much ammunition, were likely pirates, and supposedly laden with opium, not an unpleasant piece of news! But as it went to anchor close by me, I placed a pair of soldiers to take care that nothing could be taken out of the vessel. Meanwhile the people first sent out returned to tell me that the Nakhoda, being an emissary from Balij and Salemparrang, had gone directly with a letter and a present of salted Balinese duck eggs to the village of Great Sumbauwe to the King. I immediately sent the Penghulu of the Malays along to the King to inquire after the truth and at the same time, according to article 3 of the contracts renewed in the year 1765 between the Honorable Company and the overseas Rulers and by order from here by letter of 29 July 1766, to demand the letter for perusal, which was not only complied with, but I even obtained a copy of it and sent it over to Your Right Honorable Worship. Upon the return of the Penghulu, the Nakhoda came with him asking pardon for not having come to me first, as he had known nothing of my presence, and he brought me likewise a few small packages of salted duck eggs, assuring me that he had nothing else aboard, just as I, notwithstanding all watching and spying until his departure, was unable to discover anything; firearms and ammunition, except for a few blunderbusses and some Balinese pikes, were likewise absent. On the 8th at 10 o'clock in the evening I departed from there, just as the emissary had done a few hours before. This is now the only vessel that arrived there during my four-day presence with a foreign flag and without a pass, and also the only time that I was on Sumbauwa as interim Resident. During my second presence there to attend the loading of the ship Azia with the sappanwood prepared there by me, I arrived on the 24th of June in the evening there at the roads or loading place, and after the arrival of Resident Meurs with the ship on the 26th at four o'clock thereafter, I still remained lying there, until I saw that the aforementioned Resident indeed had a house on shore prepared for the scribe, as he also did at Bambo, although on Sumbauwa contrary to custom, and not for me, so on the morning of the 28th, out of embarrassment before the dignitaries of the realm and the natives, I went to lie in the river, where they nevertheless came to visit me, especially Nene ranga. I saw vessels arriving and departing there daily, but having no authority to meddle therein, indeed even my faithful

Dutch transcription

boven vreesde dat hij hem op de Rheise nog meer mogte nies„ „handelen of gaar in zee werpen. Dat geduurende zijn verblijf op Bonthain ten huise van de Tolk van hem is gestoolen geworden, Een zilver doos bezet met goude bloemen, neevens Twintig Spaans aan Contant, en dat hij presumeerde zulks door een Jn„ „lands Broeder van gem: tolk gedaan te weezen, zijnde hij Relatant vervolgens met een alhier thuishoorende zen„ „deling Poea wahe van Bonthain vertrokken en heeden morgen alhier g'arriveert, wanneer hij door den Heer Gou„ „verneur terstond na 't secreteerij Comptoir is gezonden, om zijn wedervaaren te relateeren, welk een en eender hij be„ „tuigde de zuivere waarheid te behelsen. /onderstond:/ Actum Makassar in het Kasteel Rot= „terdam den 8=e Maart, anno 1783. ter presentie van Jo= „hannes Arnoldus Geubels en Balthazeer Ravensberg. klerken als getuigen hier toe gerequireerd de minute deezes is behoorlijk door den Relatant en mij Secretaris nee= =vens den Tolk voor de vertaaling geteekend: /: lager stond:) quod Attestor /:was geteekent:/ In P„s Budach Secret=s Aan s leen niet en en Aan den welEdelen Agtbaaren Heer. Barend Reijke, Gouverneur en Directeur dezer kuste Celebes &c=a &=a Wel Edele Agtbaare Heer. Op de hoog gerespecteerde ordre, om volgens aan mijn gege„ „ven Extract missive van Hun Hoog Edelheedens de dato 31=e xber: Anno passato, weegens een op Sumbauwa bij mijn aan„ „weezen aldaar aangekomen zijn, zullende groote en met Amphioen op Bancahoeloe gelaade praauw met een vreemde vlag, nader elucidatie te geeven. zo heeft den nedrigen teekenaar de Eer uwwel Edele Agtbaare te kennen te geeven: dat hij den 2=e april 1781 op 't zig meer en meer verspuijtend gerugt, dat de Baliers weegens het verschil tusschen Sankato en Deman Proija een inval op sum„ „bauwa zoude doen, 's avonds om 9 uuren van Bima ver„ „trocken en den 4=e 'Sagtermiddags op Laboeang in 't revier van Sumbauwa kwarn: Dat hij 'sanderen daags al de Anachodas van de daar zijnde vaartuigen liet roe= „pen haar passen te vertoonen, 't welk ook geschied is en alle wel bevonden zijn. Dat den 7=e Sogtends een op 't oog groote praauw /:als heel leeg zijnde :/ met een blaauw en witte vlag binnen 't revier en mij voorbij gezeilt is, op wiens gezigt jk aan= „stonds mijn volk uitzond te zien waar zij na toe gingen en de Anachoda bij mij te roepen; waar op ook eenige Jn= „landers kwamen mij waarschouwen, dat die prauwe sterk met volk bemant, met veele ammunitie voorzien, den= „kelijk zeerovers waren en met Amphioen zoude gelaeeden zijn, een niet onaangenaame tijding! maar digt bij mij ten anker gaande, rond jk een paar zoldaaten om agt te geeven, dat er niets uit 't vaartuig konde gehaald worden. Jntusschen kwam 't eerst uitgezonde volk te rug mij verhaalen, dat den Anachoda, als een zendeling van Balij en Salem„ „parrang den „parrang zijnde direct met een brief en een present van gezoute Balijse Eentvogel eijeren na de Negorij groot Sumbauwe bij den koning gegaan was. - jk zond direct den Panghoeloe der Maleijers meede bij den Koning om na de waarheid te verneemen en met een volgens articul 3 Contracten in 't Jaar 1765 tusschen d' E Comp=e en de overwalsche Vorsten vernieuwt en ordre van hier bij missive van den 29=e Iulij 1766, de brief ter lectuure af te Eisschen, zo als ook niet alleen van gevolg geweest is. maar heb zelfs Copij daar van verkreegen en uwwel Edele Agtbaare overgezonden. Bij de terugkomst van de Panighoeloe, kwam de anna„ „choda met hem excuus verzoekende, dat hij niet eerst bij mijn gekomen is, als niets van mijn aanweezen geweeten te hebben en bragt mij meede een paar tampattjes gezoute Entvogel Eijeren, verzeekerende niets anders op te hebben, zo als jk ook tot zijn vertrek toe, al oppassens en spionee„ „rens ongeagt niet heb kunnen bespeuren, Geweeren en ammunitie, buiten een paar Donderbossen en eenige balijse pieken waaren meede niet den 8„e 'savonds om 10 uuren vertrok jk van daar, zo als de zendeling eenige uuren van te vooren deed. Dit is nu het eenigste vaartuig dat bij mijn vier daagen aanweezen met een vreemde vleg en zonder pas daar aangekomen is en ook de ee= „nigste keer dat jk als prointerim Resident op Sumbauw a geweest ben. Bij mijn tweede aanweezen aldaar om de belaading van het schip Azia met het aldaar door mij in gereedheid gebragte Sappeenhout bij te woonen, kwam jk den 24=e Junij 's avonds aldaar op de rheede of laadplaats, en na de aankomst van den Resident Meurs met het schip den 26=e om vier uuren daar aan, bleef jk nog aldaar leggen, tot dat jk zag, dat meerm: Resident wel een huis aan de wal voor den Scriba, zo als hij meede op bambo gedaan heeft, schoon op Sumbaurwa buiten gewoonte liet klaar maaken, en voor mij niet zo ging jk den 28=e Togtens uit beschaamdheid voor de Rijxgrooten en den Jnlander in 't revier leggen, alwaar ze dog kweemen mij bezoeken, voor al Nene ranga, jk zag daar dagelijks vaartuigen komen en buiten gaan, maar geen magt hebbende wij meede te bemoeijen, ja zelfs mijn trouwe

NL-HaNA_1.04.02_8261_0214 view scan ↗

English

faithful warnings having been heard with contempt and made a laughingstock, I saw myself forced to abandon everything, lest I expose myself to the greatest affronts. I remained there until the 14th of July in the morning at 8 o'clock, when one to two hours after the sailing of the ship, I also had my departure made known to the Resident and set sail for Bima. Resident Meurs returned again to Sumbawa on the 26th of August with the ship De Wackerheid, and remained there until its loading; would nothing then have become known of such matters in so much time, where the Resident had such close watch kept? That is impossible, and thus I must think that these are trumped-up charges. What reason that gentleman had to do so and thus to seek quarrel with me, whereas I had never seen nor known him before, much less done or shown him any harm contrary to all politeness, is as incomprehensible to me as that I, according to his allegation of Sumbawarese, can be slandered behind my back in so malicious and defamatory a manner nearly a year after my departure, not from Sumbawa, but from Bima, which was only on the 14th of October 1781. I have indeed learned that the Wadjorese living between great Sumbawa and Laboeang obtain passes on Java for Banjaer and, instead of going there, sail to Palangor, Rio, Katta, of whose departure and arrival a Resident gets to know nothing; I therefore not only requested the bandheeder or sjabandhaar to let me know of their arrival as soon as possible for a good reward, but also offered money to other friends to do so; however, having had to hand over the post and authority to the junior merchant Meurs a short time thereafter, I could undertake nothing more in that regard. Hoping herewith to have complied with the highly respected order of Their High Noble Honours and your Honourable Worship; so I have the honour to call myself with the deepest respect below stood: Honourable Worshipful Sir lower your Honourable Worship's humble and obedient servant was signed: I M:s Tuhrer in the margin: Makassar the 10th of May Anno 1783. Extract That for the rest, those who offer for sale anywhere free persons or slaves who do not lawfully belong to them, shall be treated as slave thieves and prosecuted for such by the fiscal before the Council of Justice; as well as those with whom any free persons or serfs belonging to others are found in their houses or vessels, where upon vehement suspicion an investigation shall be conducted most unexpectedly by order of the Governor. below stood: Agrees was signed I-n J-s Budach Secretary. Extract from an ordinance renewed here in Anno 1773 on the 31st of March and published on the 19th of April thereafter, concerning the buying and selling of slaves, what needs to be observed therein, together with what punishments have been established to counter that illicit trade, in which among others also appears this following passage. Translation On this day the 10th of March Anno 1783; Appeared before me, Bastiaan Steijns, Bookkeeper and first sworn clerk of police of this Government, present the witnesses named below. The Captains of the Madurese, Dramantaka and Combo kananga, the Lieutenant Kalla Siab and the Ensign Kaertietroena, the Lieutenant under the company of Captain Lombo kananga, named Sila baeloe, and the Ensign Bangsatroena, the Captain of the Sumanappers, Tjaleingkarang, the Lieutenant Bangsatroena and the Ensign Djajawangsa, the Lieutenant also of the Sumanappers and stationed under the company of Captain Braja Maengala, named Brajantaka, and the Ensign Doema djaija, who at the requisition of the Honourable Worshipful Sir Barend Reijke, Governor and Director of this coast of Celebes, and in order to be able to serve where and as it ought, through the translation of the second sworn interpreter Diederik Leefhout, declared for the absolute truth, and that upon explicit questioning by the Honourable, Valiant Sir Iohan Marthin Bassermain, Captain and Head of the Military here. That they, during the administration of the well-mentioned Worshipful Sir Requirant, have nothing to complain about, declaring all together to have been treated by his Honourable Worship properly and to their complete satisfaction. Furthermore, they also declared together that they have nothing whatsoever to say or to complain about regarding the well-mentioned Sir Baserman, nor any of the officers of the garrison here. To the question explicitly asked by the aforementioned Sir Baserman, what reason they had to request their discharge and dismissal, they answered together: for no other reason than that they are very desirous to be with their wives and children, and also that it is the custom among them, when they have finished with the war, to have to request their departure again to their place of residence, all the more because they have not come here to trade, but indeed for the assistance of the Honourable Company. That which is set forth above having been read out once again and explained to the declarants, they declared this to contain the pure truth, giving as reason for their knowledge as in the text, and being prepared to further corroborate under oath that which has been declared, when required. Thus done and declared at Makassar at the residence of the Honourable Sir Joh: M Boeserman, date as above; in the presence of the aforementioned Sir Baserman, Captain, Jacob Rudolph, Captain Lieutenant, J: P: I: Drester, Lieutenant, Joh. C. Loore and H: E: van Wechel, Ensigns, as witnesses; the minute hereof is duly signed below stood: quod Attestor was signed: B: Steijns First Sworn Clerk. Agrees GBv Bodenpijl Sworn Clerk

Dutch transcription

trouwe waarschouwingen met veroegting aangehoord en belag= „gelijk gemaakt wordende, zo zag jk wij genoodzaakt van alles af te zien, zo ik mij niet aan de grootste affronten wilde Exponeeren. jk bleef daar tot den 14=e Julij Togtends om 8 uur, wanneer Jk een â twee uuren nn 't zeilen van 't schip de Resident meede mijn vertrek liet bekend maa„ „ken en na Bima onder reil ging. Den Resident Meurs is den 26=e Augustus met het schip de wackerheid weerom na Sumbauwa gegaan, en tot de belaading van 't zelve daar gebleeven, zoude dan in zo veel tijds van diergelijke zaaken niets bekend geworden zijn, daar den Resident zo scherp heeft laaten oppassen, dat is onmogelijk, en dus moet jk denken dat het gezogte zaaken zijn. wat reeden dien Heer daar toe gehaed heeft en mij zo te zoeken, daar jk hem nooit te vooren gezien nog ge= „kend veel minder eenig kwaad, contrarie alle beleeftheid gedaan en beweezen heb, zij mij zo onbegrijpelijk als dat jk, volgens zijn voorgeeven van Sumbauwaereesen, zo kwaad- aardig en eerroovend, bijna een jaar na mijn vertrek niet van Sumbauwa maar van Bima dat den 14=e October 1781 eerst geweest is, agter den rug kan belasterd worden. wel heb jk vernomen, dat de tusschen groot Sumbauwa„ en Laboeang woonende Wadjoreesen op Java passen na Banjaer zullen neemen en insteede van daar naar Palangor, Rio, katta vaaren, van welkers vertrek en aankomst een Resi„ „dent niets te weeten krijgt; jk heb dierhalven niet alleen aan de Bandheeder of sjabandhaar verzogt, bij haar komst mij zulks teegens een goede belooning ten spoedigsten te willen laaten weeten, maar ook aan andere vrienden geld gebooden zulks te doen, dog korten tijd na dato, de Post en het gezag aan den onderkoopman Meurs hebbende moeten overgeeven, konde Jk niets meer daar omtrend onderneemen Hier meede nu hoopende aan de hoog gerespecteerde ordre van Hun Hoog Edelheedens en uw wel Edele Agtbaare vol= „daeen te hebben; zo heb jk de Eer mij met de diepste Eerbied te noemen /onderstond:/ welEdele Agtbaare Heer /:leeger / uever wel Edele Agtbaare onderdanige en gehoorzame Dienaar /:was geteekent:) I M:s Tuhrer /:in margine:/ Makassar den 10=e May Anno 1783. Extract Dat voor 't overige de zulke die vrije Perzoonen dan wel slaaven ergens te koop brengen, dewelke haar niet wettig toebehooren, als slaaven dieven gehandeld en over zulks door den fiskaal voor den Raaed van Justitie zullen g'actioneerd worden; zo wel als die geene bij wien eenige vrije per= „roonen of beijfeigenen van andere in haare huisen of vaartuigen gevonden worden, alwaar op vehemente suspicie ter ordre van den Gouverneur op 't onverwagtste onderzoek zal worden gedaan. /onderstond:/ Accordeert /weet geteekent/ I=n J„s Budach Secretaris. Op Heeden den 10„e Maart Anno 1783; Compareerde voor mij Bastiaan Steijns Boekhouder en Eerst gezer klerk van Politie deezes Gouvernements, present de Getuigen nagenoemd. De Capitains der Madureesen Dramantaka en Combo kananga, den Luitenant Kalla Siab en den Vaandrig Kaertie troena, den Luitenant onder de komp=e van Kapitain Lombo kananga, genaamt Sila baeloe, en den Vendrig Bangsa troena, den Capitain der Sumanaeppers Tjaleingkarang, den Luitenant Bangsa troena en den vaandrig Djajawangsa, den Luitenans meede der Sumanappers en bescheiden onder de Comp=e van den Capitain Braja Maengala ge= „naamt Brajantaka, en den vaendrig Doema djaija, dewelke ter Requisitie van den WelEdelen Agtb: Heer Barend Reijke, Gouverneur en Directeur deezer kuste belebes, en om te kunnen dienen daar en zo 't behoort, onder Extract uit een alhier in A„o 1773 den 31„e Maaert gerenoveert en op den 19=e april daar aan gepubliceert Placaat, noopens het koopen en verkoopen van slaaven wat daar bij diend g'observeerd te werden, mitsgaders wat straffen tot tegengang van dien ongepermitteerden handel gesteld zijn, waar bij onder anderen ook voorkomt deze ondervolgende periode. vertaaling we r vertaaling van den tweeden gezw: tolk Diederik Leefhout, voor de waaragtige waarheid verklaarde, en zulks op Expresse afvraage van den E. Manheften Heer Iohan Marthin Bassermain Capitain en Hoofd der Militie alhier. Dat ry geduurende het bestier van welmelden Agtbaae„ „ren Heer Requirant niets te klaagen hebben, verklaarende alle gezamentlijk van zijn wel Edele Agtbaare Ordentelijk en met hun volle genoegen behandelt te zijn geworden. Voorts verklaarden zij almeede Gezamentlijk dat zij over welmelden Heer Baserman, nog geene van de ossi= „cieren van het Guarnisoen alhier iets hoe genaamt te zeggen of te klaegen hebben. Op de door gedagte Heer Baserman Expres gedaane afvraage, wat reeden zij gehad hebben om hunne verlos= „sing en ontslag te verzoeken, zo antwoorde zij gezamentlijk om geen andere reeden als dat zij zeer verlangende zijn bij hunne vrouwen en kinderen te willen weezen, en ook dat bij hun de gewoonte is wanneer zij met den Oorlog klaar hebben wederom hun vertrek naar derzelver woon„ „plaats te moeten verzoeken, te meer wijl zij alhier niet zijn gekoomen om handel te drijven, maar wel tot adsistentie van de Ed. komp=e Het geen voorst staat de declaranten nogmaals voorgeleesen en te verstaan gegeven zijnde zo verklaarden zij zulks de zuivere waarheid te behelsen, geevende voor reeden van weetenschap als in den text, en bereid zijnde het gedeclareerde als gerequireerd werdende met Eede nader gesteend te doen. Aldus gedaan en gedeclareert tot Makassar ten woonhuise van den E Heer Joh: M Boeserman dato voorsz: ter presentie van gem: Heer Baserman Expi= „tuin, Jacob Rudolph Capitain Luitenant, J: P: I: Drester Luitenant, Joh. C. Loore en H: E: van wechel vaandrigs als getuigen, de minute deezes is behoorlijk geteekend /onderstond:/ quod Attestor /:was geteekent:/ B: steijns E g: Clercq Accordeert GBv„ Bodenpijl gesw: Clercq ƒ te daane = bij ook ¬ Oot oor er da kend steijns

NL-HaNA_1.04.02_8261_0218 view scan ↗

English

translation of the second sworn interpreter Diederik declared for the solemn truth, and that upon questioning by the Honorable Valiant Gentleman Johan Ma Basserncam, Captain and Head of the Militia here, That during the administration of the aforementioned Gentleman Inquirer, they have nothing to complain about, fur all together by His Right Honorable Ord and have been treated to their complete satisfaction. Furthermore, they also declared together about the aforementioned Gentleman Baserman, nor any of ficers of the Garrison here, anything of any kind to say or to complain about. Upon the express questioning by the said Gentleman Baserman as to what reason they had to request their dis missal and discharge, they answered togeth for no other reason than that they were very desirous to be with their wives and children that it is the custom among them, when they with the are finished, to again request their departure to their place, all the more because they did not come to trade, bu to the assistance of the Honorable Company. The foregoing having been read out to the declarants and made understandable, they decla that it contains the pure truth, giving reasons of knowledge as in the text, and being prepared to further confirm what has been declared with an oath if required. Thus done and declared at Makai dwelling house of the Honorable Gentleman Joh: M Baserma aforementioned in the presence of the said Gentleman Baseri Captain, Jacob Rudolph Captain Lieutenant, J: S: Lieutenant, Joh. C. Looze and H: E: van Wechel, En as witnesses, the minute hereof is duly underneath stood: which I attest /:was signed:/ E g: Clercq Agreed GBD Boder 2 Some Annexes of the Incoming Secret Letters and Enclosures transferred 1784 First part 29 Lonriq Register Anno 1782 o 1783. Copy Secret Daily Register since the 9th of October anno 1782 until the 31st of May anno 1783. 22 N Anno 1782. Wednesday the 9th Thursday 10th Friday Sunday rescued crew members arrived from Bouton who gave a report about the English Sunday Soping Envoys Thursday the 17th Saturday 19th and Friday 18th to Batavia. the king of Bangaij to Batavia. October 11th and Saturday 12th nothing remarkable occurred 13th there arrived here an embassy from the King of Bouthon also bringing a letter from their prince and the crew rescued there from the Honorable Company pantjallang De Jonge Bernard, which had stayed at Calesoesoe and had been projected for Am boina. Monday 14th Because of the crew members mentioned yesterday, I had a written report given to me concerning two English ships that had been at Bouthong in the month of August passato, the contents of which can be seen in the annexes hereof Tuesday 15th On account of my own indisposition, I had the letter from the King and Realm Nobles of Bouthong, brought here the day before yesterday, received inside by the Senior Merchant and the letter from Boutongingen Second Merchant Kraane Wednesday 16th I dispatched a separate note to Samarang to the Gentleman Gover letters to Samarang nor Sieberg solely arranged to accompany the report given the day before yesterday regarding the English ships 20th there was nothing else to note than that during these days the Envoys of the King of Bonij and departure: of the Bonij and Soping departed for Batavia. Also those of the Macassars who, vide the ordinary Soping Daily Register, had already brought their letters on board with great ceremony some days beforehand Monday 21st the pantjallang het Geduld departed for Batavia with the Honorable Company papers, on which the prince of Bangaij, mentioned in my separate letter of the 12th, traveled thither Tuesday 22nd I sent the second Interpreter Deefhout to the King of Bonij, to hand back to His Highness a certain Bonian with name. beginning with the 9th of October Anno 1782. and ending with the 31st Secret Daily Register fetched. On

Dutch transcription

vertaaling van den tweeden gezw: tolk Diederik& voor de waaragtige waarheid verklaarde, en zulks afvraage van den E: Meenheften Heer Johan Ma Basserncam Capitain en Hoofd der Militie alhe Dat zy geduurende het bestier van welmelden „ren Heer Requirant niets te klaagen hebben, ver alle gezamentlijk van zijn wel Edele Agtbaare Ord en met hun volle genoegen behandelt te zijn gee Voorts verklaarden zij almeede Gezamentlij over weelmelden Heer Baserman, nog geene van „cieren van het Guarnisoen alhier iets hoe genaa zeggen of te klaagen hebben. Op de door gedagte Heer Baserman Expre afvraage, wat reeden zij gehad hebben om hunne „sing en ontslag te verzoeken, zo antwoorde zij gezi om geen andere reeden als dat zij zeer verlangende hunne vrouwen en kinderen te willen weezen dat bij hun de gewoonte is wanneer zij met de klaar hebben wederom hun vertrek naar derzelv „plaats te moeten verzoeken, te meer wijl zij ac niet zijn gekoomen om handel te drijven, ma tot adsistentie van de Ed. komp=e Het geen voorst staat de declaranten nog voorgeleesen en te verstaan gegeven zijnde zo verkla zij zulks de zuivere waarheid te behelsen, geevend reeden van weetenschap als in den text, en bereid het gedeclareerde als gerequireerd werdende met nader gesteend te doen. Aldus gedaan en gedeclareert tot Makai„ woonhuise van den E Heer Joh: M Baserma voorsz: ter presentie van gem: Heer Baseri „tuin, Jacob Rudolph Capitain Luitenant, J: S: Luitenant, Joh. C. Looze en H: E: van wechel va als getuigen, de minute deezes is behoorlijk /onderstond:) quod Attestor /:was geteekent:/ E g: Clercq Accorde GBD Boder ges E 2 Eenige Bylagen van het Ink: Sec. t Bb:l overg:s 1784 Eerste deel 29 Lonriq Register Anno 1782 o 1783. Copia Sag- Register Gekreet zeedert den 9=e October anno 1782 tot den 31=e Mai anno 1783. 22 N A„o 1782. woensdag den 9„e Donderdag „ 10„e vrijdag Zondag gesauveerde scheepelingen van Bouton gekomen die een relaas gaven van de Engelschen Zondag Sopingse Gezanten Donderdag den 17„e Saturdag „ 19„e en Vrijdag „ 18„e na Batavia. de koning van Bangaij na Batavia.. October „ 11„e en Zaturdag „ 12„e viel niet van aanmerking voor „ 13„e arriveerde alhier een gezantschap van den Koning van Bouthon meede brengende Een brieff van hunnen vorst en de ginter gesau„ „veerde Manschappen van de by Calesoesoe gebleevene en voor Am„ „boina geprojecteerd geweest zijnde 'sComp„s Pantjallang De Jonge Bernard. Maandag „ 14„e Liet jk door de opgisteren vermelde scheepelingen mijn een schriftelijk Relaas geeven, weegens twee in de maand Augustus passato op Bouthong aangeweest zijnde Engelsche scheepen, welkers inhoud bij de Bijlaagen deezes te zien is Dingsdag „ 15„e Liet jk mits eigen onpasselijkheid door den opperkoopman en de brief van Boutongingen sekunde kraane binnen recipieeren de opcergisteren hier aan„ „gebragte brief van den Koning en Rijxgrooten van Bouthong woensdag „ 16„ zond jz: na Samarang af een apart briefje aan de Heer Gouver„ schrijvens na Samarang „ neur Sieberg eenelijk ingerigt ten geleide van het op eergisteren gege„ „vene Relaas noopens de Engelsche scheepen „ 20„e viel niets anders te noteeren, als dat in deeze dagen na Batavia vertrek: der Bonijse en vertrocken zijn, de Gezanten van den koning van Bonij en Soping- Ook die den Makassaaren dewelke vide het gemeene Dag=Register reets met veel statie hunne brieven eenige daagen bevoorens na Boord hadden gebragt Maandag „ 21„' vertrok na Batavia met sComp„s Papieren de Pantjallang het Geduld, waarmeede na derwaards overvoer den vorst van Bangaij bij mijn aparte van den 12„e vermeld Dingsdag „ 22„' zond jk den tweeden Tolk Deefhout na den koning van Bonij, om zijn Hoogheid weder te overhandigen zeekere Bonier met „haald. beginnende met den 9„e october A„o 1782. en Eindigende met den 31=e De kreete Dag= Register naame. Op

NL-HaNA_1.04.02_8261_0226 view scan ↗

English

Anno 1782 October Returned to the King of Boni and reminded him of the beside-mentioned; answer thereto. A chain-gang convict named Kaloekoe, who at the repeated request of His Highness had been released from the long chain in which he had been shackled for some months for seduction into slave theft, as well as at the same time to help remind His Highness of the promised restitution of the settlement Patoekoe, which has stood under Tomilalang for so long, belonging under the regency of the Mountain Regent Chaeng Saija. Likewise to remind the aforementioned prince de novo of the promised assistance regarding the restitution of the plundered goods of the Amboinese Chinese at Neepo. Whereupon the King, having most kindly expressed his gratitude for the return and release of the aforementioned Kaloekoe, let me know that it would simply be up to me to appoint someone who could be sent with His Highness's envoy to Patoekoe to take over the settlement. However, regarding the goods plundered at Neepoe from the Amboinese Chinese, he replied that up to this day he had not even obtained any further report from Datoe Soeppa, whom he had ordered to demand those goods. Furthermore, there was nothing to note on Thursday the 24th, Friday the 25th, Saturday the 26th, Sunday the 27th, Monday the 28th, and Tuesday the 29th. Delfhout departs for the north to take over the settlement Patoekoe back from the Boni people. Wednesday the 30th, I sent the second interpreter Delfhout to the King of Boni to tell him that I had appointed him, the interpreter, to depart tomorrow for Maros, and subsequently from there to the settlement Patoekoe, and therefore requested that an envoy of his be dispatched with him; whereupon the King let me know that this envoy would be ready to depart tomorrow. Thursday the 31st, today, under accompanying letters from me, the second interpreter Delfhout departed for Maros alongside the Boni envoy Soeroe Kalibong, in order to proceed without any delay from there to Patoekoe to take over that settlement from the people of Tomilalang and hand it back to our Mountain Regent Crain Laija, under whose obedience it had stood from olden times. Wednesday the 23rd November . . . Anno 1782 November Friday the 1st and Saturday the 2nd, nothing occurred. Queen of Boni delivered of a prince. Sunday the 3rd, the King of Boni had communication made to me that his wife the Queen had delivered a prince, for which I offered my congratulations. Monday the 4th, had audience requested for our commissioners against tomorrow to congratulate the King on the obtaining of that young prince. The ordinary present offered thereby, and the beside-mentioned made known to the King. Tuesday the 5th, the ordinary commissioners for the Court of Boni, the fiscal van Rossum and shahbandar De Vos, departed thither for that purpose, taking along a small present to offer the same to that prince according to custom on such an occasion. On this occasion, I had the under-interpreter De Graaff inform the King of Boni of the complaints brought before me by the Macassars regarding the prowling of certain Boni people around Malangkerie, to kidnap, if possible, as they had already attempted or undertaken, this or that Macassar from there and thus subsequently sell them here or elsewhere; and that I had already given orders to drive them away from there by force, as it was not their place. Whereupon that prince let me be answered that this given order was very much to his liking, and further requested me to have it strictly carried out, as these were nothing other than the scum of the people who committed such outrages without his foreknowledge. An envoy from Bima with complaints about the Boni people who attacked the settlement Pota situated on Manggarai. On this day there also arrived here an envoy of the King of Boni, who, under accompanying letters from Resident Meurs, brought along a letter from the King and grandees of the realm there, containing a request for assistance of some gunpowder and lead flintlocks for defense against certain Boni people who had attacked the settlement Pota situated on the Manggarai. Wednesday the 6th, I sent the under-interpreter Israel Pietersz to the King of Boni to notify him of the unreasonable raid of certain Boni people under the command of Daeng Marandoe cum suis upon the settlement Pota, or properly Potta, which having previously belonged to the Macassars, together with the settlement Rio (vide the separate letter sent from here to Their High Nobles of 25 May 1754), I also had him told that the Boni people should not formulate the slightest claim, and that therefore the Boni people

Dutch transcription

Ao. 1782 october koning: van Bonij te rug gegeven en hem het nievenstaande herinneat andwoord daar op Zondag dingsdag „ woensdag „ woensdag den 23„e Maandag „ 28„e en Diefhout vertrekt nade Noord om de Negorij Pa= „niers over te neemen. naame Kaloekoe, die op het herhaald verzoek van zijn Hoogheid Een ketting gaugir: aande uit de lange ketting, waar in dezelve voor Eenige maanden over seductie van slaaven dieverij geklonken was geweest, ontslagen was mitsgaders om zijn Hoogheid teffens almeede te helpen indagtigen de beloofde terug gave van de dus lange onder de Tomilalang gestaan hebbende Negorij Patoekoe gehoorende onder het Regentschap van den Berg Regent Chaeng Saija. Gelijk meede welmelde vorst de Novo te herinneren de beloofde adjude omtrend de eerte „tutie der geroofde goederen van den Ambonsen Chinees, te Neepo waar op de Koning voor de terug gave en largatie van boven gemelde Kaloekoe op het vriendelijkst bedankt hebbende, mijn zegen liet dat het maar aan mijn zoude staan om iemand te benoemen, die met zijn Hoogheids zendeling na Patoekoe konde worden ge„ „zonden ter overneeming van de Negorij, dog ten aanzien van de te Neepoe geroofde goederen van den Ambons Chinees had hij g'ant„ „woord van tot heeden toe zelfs nog geen nader berigt van Datoea soeppa die hij over die goederen had laaten aanmaenen te hebben erlangd. voorts viel op vrijdag „ 25„e „ 27„e 29„e niets te noteeren 30„e zond jk den tweeden Tolk Deefhout na den koning van Bonij om hem te zeggen dat jk hem Tolk had benoemt om op Morgen na Maros te vertrecken, en vervolgens van daar na de Negorij Patoekoe en dierhalven verzoeken liet om een zendeling van hem met den zelven af te zenden, waar op den Koning mijn weeten liet, dat deeze morgen klaar zoude zijn om te vertrecken Donderdag den 31„e heeden vertrok onder geleide Letteren van mijn na Maros den tweeden tolk Delfhout beneevens den Bonijs zendeling soeroe kalibong ten einde van daar zonder eenig tijd verzuijm verder =toeko weder van de Bo= na Patoekoe te vertrecken, om die Negorij van Somilalangs volk over te neemen en weeder aan onzen Berg Regent Crain Laija onder wiens gehoorzaamheid dezelve van oude her gestaan had, te inhandigen Saturdag „ 26„e donderdag „ 24„e November . . . A„o 1782 November en de Koning het neever„ staande te kennen ge„ „geven. onderhouden word. vrijdag den 1„e en Saturdag „ 2„e viel niets voor Zondag „ 3„e Liet de koning van Bonij mijn de Communicatie doen dat zijn Bouijgkoningen van vrouw de Koningin van een prins bevallen was, waar voor Jk een prins bevallen. bedankte Maandag den 4„' Liet pacces vragen voor onze gecommitteerdens teegens Morgen om den koning met de verkrijging van die Jonge Prins te vergelucken Dingsdag „ 5„e vertrocken de ordinaire gekommitteerdens voor het Hof van Bonij de ordinaire Schenkagie de fiscaal van Rossum en sabandhaar De vos ten dien eijnde daar door aangeboden: derwaards, meede neemende een smal geschenkje om het zelve dien vorst, na den gebruike bij zoodanig een geleegendheid aan te bieden Bij deeze geleegendheid liet jk de Koning van Bonij door den onder„ tolk De Graaff, weeten de mijne van de Makassaaren voorgebrag„ „te klagten weegens het stroopen van zommige Boniers omstreeks Malangkerie om waare het mogelijk, zo als zij ook al eens geten„ „teert of ondernoomen hadden om deze of geene Makassaar van daar op te ligten en zo vervolgens alhier of elders te verkoopen en dat Jk daar op reets last gegeven had dezelve met geweld als hun plaats niet zijnde van daar te verdrijven, waar op dien vorst mijn liet antwoorden, dat die gegevene Last zeer na zijn zin was en mijn verder verzoeken liet om dezelve maar striktelijk te laaten uitvoeren, alzo dit niet anders dan scheum van volk was dat zonder zijn voor kennis zulke baldaadigheeden pleegden. Een Gezant van Bima Op heeden arriveerde ook alhier een sendeling van den Koning van Bima, die onder geleide letteren van den Resident Meurs„ meede bragt Een brief van den Koning en Rijxgrooten aldaar, inhoudende verzoek om adsistentie van Eenig kruijd en Lood miet klagten over de Boo-stem: snaphaanen tot defensie teegens Eenige de op de Mangarij leggende Negorij Pota aangedaan hebbende Boniers woensdag den 6„e Zond jk den ondertolk Israel Pietersz: na de Koning van waar over de Koning Bonij om hem kennis te geeven van de onredelijke inval eeniger Boniers onder het beleid van Daeng Marandoe C: S: op de Negorij Pota /:of Eijgentlijk/ Potta, waar op, als bevoorens neevens de Negorij Rio /: vide de van hier aan Hunne Hoog Edel„ „heedens afgegaane aparte brief van den 25„e Maij 1754. de Makas„, „jaaren toebehoord hebbende, jk teffens liet zeggen dat de Boniers rije„ de allerminste pretentie zonden formeeren en dat dierhalven de Boniers „niers me„

NL-HaNA_1.04.02_8261_0228 view scan ↗

English

Anno 1782 November the Boniers will also have to tolerate that they will be driven away from there again by force, yes, that even in this the King of Rima, as the actual Lord of Mangarij, will be maintained throughout by the Honourable Company. I received in reply to this that the King knew no better than that this negorij now belonged under Bonie, while during the war of Tan Kielang the people of Pota had placed themselves under his banner or protection, but that he would nevertheless inquire further into this matter. Thursday the 7th and Friday the 8th, there was nothing to note. Saturday the 9th, I took leave of the envoy of Bima mentioned under the 5th of this month, with such a reply as is dictated in the letter to be found among the appendices of this document. Sunday the 10th, I sent the chief interpreter Brugman to the King of Bonij, in view of the letter received from the Ministers at Ambon, to insist further on the King's promised assistance for the restitution of the goods robbed on Neepo from an Ambon vessel stranded there. Whereupon I received such an answer as is dictated by his written report given to me thereof. Monday the 11th, nothing occurred. Tuesday the 12th, I received a short letter from the Resident of Boelecomba, Monsieur, containing an excuse for his untimely fear, shown again recently, of the rebel San Kielang, about which I had rebuked him in a general letter. Wednesday the 13th, to avoid daily expenses, I gave their dispatch to the envoys of Boutong present here, with which they also departed for Boutong; just as the sergeant Pieter Bousamie and companions, appointed again for the spice extirpation there, departed thither, whose instruction as well as the letter sent to the King and Nobles of the Realm can be found among the appendices of this document. Thursday the 14th, nothing. Friday the 15th, nothing. Saturday the 16th, at the request made by the King of Bonij, I sent the under-interpreter de Graaff to the Madanrang or First Minister of State of this Court, in order to insist with him also on the restitution, mentioned under the 10th of this month, of the goods robbed at Neepoe; who brought me back such an answer for a report as can be seen in his note to be found among the appendices of this document, from all of which evasions it seemed quite clear to me that little was to be expected from this. Sunday the 17th, nothing. Monday the 18th, upon receiving word that some Bonian princes had set up a ronggeng dance in the kampong lying on the Company's land between the Bugis kampong and the Malay kampong, I had a protest lodged against the same with the King of Bonij, with the result that the monarch had it forbidden, although somewhat lingeringly. Tuesday the 19th, nothing. Wednesday the 20th, there arrived here, under the command of the juragan Intje Itang, a vessel of Gustij Made Moera Carang-Asjang, King at Salemparrang, bringing along a letter from that monarch, the contents of which can be seen in the appendices of this document. Thursday the 21st and Friday the 22nd, nothing happened. Saturday the 23rd, the second interpreter Deefhout, sent thither on a commission under the 31st of October last, returned from the North after duly performing his affairs. Furthermore, on Sunday the 24th and subsequently in this month, nothing further of importance occurred. December Sunday the 1st, nothing. Monday the 2nd, received a short letter from the Resident of Maros, van de Walle, dated 30th of November last, from which can be seen how much trouble one has, especially this year, with the collection of the tithe in the North. Tuesday the 3rd and Wednesday the 4th, nothing of importance occurred. Thursday the 5th, the vessel of the Gustij at Salemparrang, which arrived on the 20th of November last, departed again from here, to whose juragan I gave along such a letter for his master as can be seen in the appendices of this document. Friday the 6th, by a letter to the Resident at Maros, van de Walle, of this date, I demanded an elucidation regarding the complaints brought before me by the chief interpreter Brugman from the Mudanrang or First Regent of the Bonian Court, on account of certain acts of violence, as this Minister stated, committed by the said Resident. Saturday the 7th

Dutch transcription

A„o 1782 November vrijdag Saturdag Donderdag den 7„e en Zondag aanhouding op de restuti van een ambons vaar„ Maandag Dingsdag Een briefje van Boele= de Jaarlijkse Extirpateurs vrijdag „ 15=e de Madanaang ook over die van Nepo onder= Boniers ook zullen moeten gedoogen dat ze met geweld van daar weder verdreeven zullen worden, ja dat zelfs daar inne de Koning van Rima als weezentlijke Heer van de Mangarij, door de Ed=e komp„e althoor zal worden gemainctineerd. Jk kroeg hier op ten antwoord dat de Koning niet beeter wist of deze Negorij hoorde thans onder Bonie, terwije met de oorlog van Tan kielang de volkeren van Pota zig onder zijn vaandel of bescherming begeeven hadden, dog dat hij egter zig hier op nader zoude informeeren. „ 8„e viel niets te noteeren „ 9„e gaf Jk zijn afscheid de onder den 5„e deezer vermelde gezand van Bimas zendeling ver, Bima, met zoodanig een antwoord als de onder de Bijlaagen deezer te vindene brieff dicteerd „ 10„e zond jk den oppertolk Brugman na de Koning van Bonij om mits het ontfangene schrijvens van het Ministers te Ambon =tie van de op Neepo nader aan te dringen op 's Konings beloofde hulpe tot restitutie van de op Neepoe van een aldaar gestrand Ambons vaartuig geroofde goederen. waar op jk zoodanig een antwoord erlangde als desselfs mijn daar van gegevene schriftelijk Rapport dicteerd. 11„e viel niets voor 12„e ontfing jk een briefje van den Boelecombas Resident Mon„ sieur, houdende verschooning weegens zijne weder onlangs betoonde entijdige vreese voor den Rebel SanKielang, waar over Jk hem bij een gemeen brief onderhouden had woensdag „ 13„e gaf jk ter vermijding van dagelijkse onkosten hunne depeche de hier aanweezende gezanten van Boutong, waar meede dan ook te na Boutong vertrokken. gelijk na derwaarts vertrok de weder tot de specerij Extirpatie aldaar benoemde zergeant Pieter Bousamie C:S: welkers Jnstructie zo wel als de aan de koning en Rijxgrooten afgezon„ „dene brief onder de Bijlagen deezer te vinden is Donderdag den 14„e aen nihil Saturdag „ 16„e zond jk op 's konings van Bonij gedaan verzoek den ondertolk de Graaff na den Madanrang of Eerste Rijks Minister van dit Hof, ten einde bij deezen almeede aan te dringen op de onder den 10„e deezer vermelde restitutie van de te Neepoe geroofde goederen die mijn tot zeer berigt bragt zoodanig een antwoord als bij zijn onder de Bijlaagen deezes te vindene Aanteekening te zien is, uit alle welke draijereijen mijn dan ook genoegzaam toescheen dat hier van weinig te verwagten was. =tuig geroofde goederen Zondag =trekt. „ „ Comba = houden. 2 A„o 1782 Zondag den 17„e nihil November over de moed wil van eenige Bonische Princen weder Dingsdag „ 19„e nihil woensdag „ Een brief van salemparrang Deefhout van de Noord Donderdag „ 21„e en Zondag den 1=e nihil Een briefje van Maros Dingsdag „ 3„e en woensdag Donderdag „ het salemparrangs vaartuig vrijdag neevenstaande Elucidatie van den Maros Resident gevordert Maandag „ 18„e liet Jk op erlangd Berigt, als dat zommige Bonische Princen in de op 's komp„s grond leggende kampong die tusschen de kampong Boeges en de rampong Malaijo legt een ronging spel hadden aangeregt, teegens het zelve bij den koning van Bonij protesteeren met die uitslag dat den vorst het zelve, dog egter eenigzints draalende, liet verbieden 20„e arriveerde alhier onder gezag van den Iuragan Jntje Jtang een vaartuijg van den Gustij Made Moera Carang=Asjang Koning te salemparrang, meede brengende een brief van dien vorst, welkers inhoud bij de Bijlagen deezes te zien is vrijda 9 „ 22„e passeerde niets Saturdag „ 23„e rverteerde na behoorlijke verrigting zijner affaires van de Noord terug, de onder 31„e october passato in kommissie na derwaards gezondene tweede Tolk Deefhout voorts viel op Zondag „ 24„e en vervolgens in deeze maand niets verders van aanbelang voor Maandag. „ 2„e Een briefje van den Maros Resident van de walle ontfangen gedateerd 30„e November passato, waar uit te zien is hoe veel men, bijzonder dit Jaar te doen heeft met de impalming van de verthie„ „ning om de Noord viel niets van aanbelang voor 5„e vertrok weder van hier het op den 20„e November passato aangekoome„ „ne vaarthuig van den Gustij te Salemparrang, aan wiens Suragan jk zoodanig schrijvens voor zijn Meester meede gaf als bij de Bijlaagen deezer te zien is 6„e vorderde Jk bij een brief aan den Resident te Maros van de walle de dato deeses, Elucidatie, aangaande de mijn door den oppertolk Brugman voorgebragte klagten van den Mudanrang of Eerste Rijxbestierder van het Bonische Hoff, weegens zeekere, zoo deezen Minister opgaf, door ged„e Resident gepleegde geweldenarijen „ 4„o December Saturdag geprotesteerd terug vertrekt weder „ 50 5

NL-HaNA_1.04.02_8261_0230 view scan ↗

English

Anno 1782 December Saturday the 7th nothing Sunday 8: towards noon I received a letter from Saleijer and a letter from Maros, the latter containing the Resident's complaints about two insolent Boniers, and late in the evening his so-called defense demanded from him on the 6th of this month regarding his improper conduct. Monday 9th before noon I sent two commissioners, the junior merchants Budach and van Diemar, to Maros to investigate the aforesaid complaints about the two Boniers. Tuesday 10th nothing Wednesday 11th a letter dispatched to Saleijer Thursday 12th Friday 13th nothing to note Saturday 14th returned from Maros the commissioners mentioned as having gone thither under the 9th of this month; who gave such an account of their proceedings as can be seen in the report among the appendices of this document. I also received a letter from the Resident van de Walle as an accompaniment, and a further report drawn up concerning the history mentioned under the 6th of this month. To all these vexatious difficulties, brought about in ample measure by the Resident's foolish behavior, I Monday the 16th sent the appropriate reply. Tuesday 17th I had audience requested with the King of Bonij for the commissioners to be sent thither tomorrow Wednesday 18th I sent to the Court of Bonij the junior merchants Budach and van Diemar, to inform it of the insolences committed at Maros against the Resident van de Walle by two Boniers named Samahiela and Lanoezoe, and at the same time to request in an earnest manner a striking satisfaction for this. They returned towards noon and gave me such an account of their proceedings as is dictated in the report simultaneously delivered thereof, to be found among the appendices of this document. Furthermore, on Thursday the 19th Friday 20th Saturday 21st Sunday 22nd Monday 23rd and Tuesday 24th nothing to note Wednesday the 25th there arrived, upon my summons from Maros and under accompanying letters from the Resident van de Walle, Craeng Balotje and associates, in order to see settled and reconciled here the disputes that arose between him and his elder sister, about which the said Resident has made such an unnecessary fuss and of which my last letter sent to him on the 16th of this month makes extensive mention. Thursday 26th and Friday 27th nothing Saturday 28th the King of Bonij sent to me the anrongoeroe Poganka, and along with his greetings had me told that he had appointed this Poganka as his envoy, to serve for the delivery of messages in the absence of the Bonian interpreter. This same envoy also requested of me further, on behalf of the King, that a vessel arrived here recently from Boneratte, which had brought along 17 pikols of tripang, some cloths, and other trifles, besides some gift goods for His Highness himself, might be exempt from toll. Whereupon I, so as not to be daily plagued with such shameless requests, which would cause great damage to the tax farmer and a no less serious breach of the tax lease itself, replied that the King's gift goods were exempt, but that with regard to the others I would not breach the contract made in that respect by his late grandfather, both for himself and his successors in the realm, with the late Governor van der Voort on the 26th of February 1774, that such obligations had to be maintained sacredly, and that the King himself received for this an annual sum of one thousand Spanish rixdollars from the tax farmer, which would otherwise lapse just as well as the contract itself. Sunday 29th nothing to note Monday 30th at five o'clock in the afternoon the envoy of the King of Bonij came to me again, renewing once more the request made on the 28th of this month, to which I applied again the answer given on that day, while offering my otherwise very cordial greetings. Tuesday 31st nothing Anno 1783 Anno 1782

Dutch transcription

A„o 1782 December Saturdag den 7„e nihil die ontfangen word gekommitteerdens na die reverteeren vervolg van die Historie Dingsdag acces bij Bonijs koning verzogt de gecommitteerdens gaan derwaards en komen weder terug vrijdag Zondag „ 8: teegens de middag ontfing ik een briefje van Saleijer en een brieff van Maros de laaste houdende 's Residents Klagten over twee moedwillige Boniers, en 's avonds laat desselfs zo genaamde verantwoording van hem den 6„' deezer over zijn onhebbelijk gedrag gevordert. Maandag „ 9„e 's voor demiddags zond jk twee gekommitteerdens de onderkooplieden Budach en van Diemar na Maros om de voorsz: klagten over de twee Boniers te onderzoeken. Dingsdag „ 10=e nihil woensdag „ 11„e een briefje na Saleijer afgezonden Donderdag „ 12„e viel niets te noteeren vrijdag „ 13=e Saturdag „ 14„e reverteerde van Marosterug de na derwaards onder den 9„e deezer vermelde gekommitteerdens; dewelke zoodanig een verslag van hunne verrigtingen deede als bij het Rapport onder de Bijlagen deezer Ook ontfing jk een briefje van den Resident van de walle ten kunnen geleide en een nader berigt weegens het onder den 6=e deezer vermelde historiaal ingerigt. op alle welke verbrietige en door D Residents onverstandig gedrag genoegzaam bewerkte moeijelijkheeden, jk. Maandag den 16„e het gepaste antwoord zond. 17„e liet jk acces bij de koning van Bonij vragen voor de op morgen na derwaards af te zendene gekommitteerdens woensdag „ 18„e zond jk na het Hof van Bonij de onderkooplieden Budach en van Diemar, om het zelve kennisse te geeven van de op Maros aan de Resident van de walle door twee Boniers in naame Samahiela en Lanoezoe gepleegde Jnsolentien en teffens daar over op een ernstige wijze te verzoeken een eclatante, Jatis sac„ „tie. Dezelve kwamen teegens de middag terug en deede myn zodanig een verslag hunner verrigtingen als het daar van te gelijk overge„ „gevene Rapport onder de Bijlagen deezer te vinden dicteerd voorts viel op Donderdag den 19„e „ 20„e Saturdag „ 21„e Zondag „ 22„e Maandag „ 23„e en Dingsdag „ 24„e niets te noteeren Maros woensdag te zien is 4 December Craeng Balodje C: S: komt van de Noord Donderdag „ 26„e en vrijdag „ 27„e Bonij benoemt die met een, eene onbeschaamd verzoek doet antwoord daar op dat vernieuwd en op dezelve wijze welder be„ „antwoord word woensdag den 25„e kwam op mijn ontboo van Maros en onder geleide Letteren van den Resident van de walle over, Craeng Balotje C: S: ten einde alhier te zien beslissen en bij te leggen de tusschen hem en zijn ouder zuster ontstaane geschillen, waar over dien Resident zo een onnoodige op hef heeft gemaakt en waar van mijn laast aan hem afgezondene brief van den 16„e deezer breedsvoerig gewag maakt nihil Saturdag „ 28„e Zond den Koning van Bonij bij mijn den anrongoeroe Poganka Een nieuwe zendeling van en liet mijn onder het doen van zijn groete zeggen dat hij deeze Toganka tot zijn zendeling had benoemd, om te dienen tot het overbrengen van boodschappen bij ontstentenisse van de Bonische Tolk. Deeze zelfde zendeling verzogt mijn ook wijders uit naam des Konings dat een hier deezer daagen van Boneratte aangekoomene vaartuijg meede gebragt hebbende 17 pikols Trippangs, Eenige kleetjes en andere kleenigheeden buijten nog eenige present goederen voor zijn Hoogheid zelve, vrij van thol mogt weezen. waar op Jk om niet dagelijks met zulke onbeschaamde verzoeken, die een groote schaade den pagter en een niet mindere inbreuk in de pagt zelfs zoude veroorzaaken, gequelt te worden. antwoorde dat 's konings present goederen vrij waaren, dog dat jk omtrend de andere niet breeken zoude het door wijlen zijn groot vader zo voor hem als zijne opvolgers in het Rijk met wijlen den Gouver„ „neur van der voort op den 26„e februarij 1774. ten dien opzigte gemaakte kontract, dat zulke verbintenisse heijlig moeste onderhouden worden, en dat de koning daar voor zelfs van den pagter Jaarlijks eene somma van Een duijsend Rixdaalders spaans trok, die anders zo wel als het kontract zelve zoude vervallen Zondag „ 29„e viel niets te noteeren Maandag „ 30„e 'Sagtermiddags te vijf uuren kwam weeder bij mijn de zendeling van den koning van Bonij, vernieuwende andermaal het op den 28„e deezer gedaan verzoek, op het welke jk het ten dien dage gegevene antwoord weeder toepaste, onder het laaten doen van mijn anderzints zeer hertelijke groete Dingsdag „ 31„e nihil A„o 1783 A„o 1782

NL-HaNA_1.04.02_8261_0232 view scan ↗

English

Anno 1783 January Wednesday the 1st Friday the 3rd, Saturday the 4th, Sunday the 5th, nothing of importance occurred. Monday the 6th, I received a letter from the old Datoe of Soping, which contained a friendly offer of his person and resources for the help and service of the Honorable Company in case of necessity, upon which I Tuesday the 7th, nothing occurring. Wednesday the 8th, sent the appropriate answer. On this day, I also discovered through the channel of the writer of the King of Boni that the latter, in an official representation concerning certain matters, had complained to Their Right Excellencies, or rather let me say had written many gross untruths to Them, and that contrary to the content of the edicts issued against this, the rogue-like burgher Hendrik Voll, who here has already amply earned the scaffold, had carried over that letter without first notifying me of it, a copy of the letter to be found among the enclosures to this document, concerning which I shall await writings from Batavia before proceeding further. Thursday the 9th, nihil. Friday the 10th, I sent the second interpreter Deefhout, accompanied by the lessee of the strong liquors here, the Chinese Ongtoeiko, to the King of the Macassars, in order to make known to him that the said lessee had complained to me that at the present time he received little or no sagoweer from Goa, indeed not even enough to properly accommodate the common military men and seafaring people here, whereby they find reason to seek the same in the Campong Boegis and elsewhere, and that consequently the lessee would also no longer find himself in a position to pay his monthly contingent according to the agreement to the King, wherefore I had the King requested to give a stricter order to his subjects regarding this to provide the lessee or his servants with the necessary sagoweer, as well as to forbid that they should now and in the future deliver or sell any more sagoweer to the village of Sawakoeng, since it cannot be expected of the lessee to have it collected from there, especially in this west monsoon. Upon which the King sent me the answer that he would issue such orders regarding one and the other so that the lessee should no longer have any lack of sagoweer, just as His Highness, in the presence of the aforementioned interpreter and lessee, immediately sent out his interpreter to forbid the Lontang peasants from buying up any sagoweer before the lessee had obtained his. Furthermore, the said prince informed me that a few days ago a certain Macassar prince by the name of Daeng Tapalie, son of a certain Craeng Pankadjenne, had submitted to him, but that His Highness, on account of the continuous rains, had not yet had an opportunity to bring him to me, but that he would nevertheless do so at the first opportunity; His Highness also let me know that he had recently received a letter from his envoys Craeng Salemba and companions, who are currently in Batavia, regarding their arrival in Batavia and the good reception there. Saturday the 11th, Sunday the 12th, Monday the 13th, nihil. Tuesday the 14th, the King of the Macassars informed me through the sub-interpreter Fabia Theunisz, stationed there for our and his own security, that the old Craeng Candjielo, father of the already defected Craeng Sapanang, who through illness had not had the opportunity to follow this his son, had died six days ago on Tasseesse, Tankielang now having no other followers left than some scoundrels, both runaway slaves and others, who keep themselves hidden in the mountains and those regions. Wednesday

Dutch transcription

Ao 1783 Januarij vrijdag Zaturdag Donderdag Zondag Maandag presentatie van den ouden Datoe soping Een schelmstuk van den Burger Hendrik voll ontdekt Donderdag den 9„e nihil de koning der Maccassaaren over de leverantie van Saguweer voor den pagter onderhouden woensdag den 1„e „ 6„e ontfing ik een brief van den ouden Datoua van Soping dewel„ „ze en hield een vriendelijke aan bod van zijn perzoon en vermogen tot hulp en dienst van de Ed„e komp„e ingevalle van noodsakelijkheijd waar op Jk woensdag „ 8„e het gepaste antwoord zonde op Heeden ontrekte Jk ook door het kanaal van de schrijver van Bonijs koning dat deeze in stelte over Eenige zaakelijkheeden, bij Nuomer Hoog Edelheedens geklaagd dan wel laat ik liever zeggen Hoog Dezelve veele groove onwaarheeden had aangeschreeven, en dat teegens den inhoud van de daar teegens g'emaneerde plakkaaten den schelmag„ „tigen en hier genoegsaam het schavot reets verdiende Burger Hen„ „drik voll, die brief zonder 'er mijn eerst kennisse van te geeven had overgebragt zijnde het afschrift van de Brieff onder de Bijla„ „gen deezes te vinden, over dewelke jk zonder alvoorens verder te gaan, schrijvens van Batavia zal verwagten Dingsdag „ 7 niets voor vallende vrijdag. „ 10„ zond jk den tweeden olk Deefhout verzeld van den Pagter der sterke dranken alhier den Chinees ongtoeiko na de koning der Maccassaaren, ten Einde den zelven bekend te maken dat gemelde Pagter mijn had geklaagd, dat hij in de teegenswoordigen tijd weijnig ofte geen saguweer van Poa kreeg, Ja zelfs zo veel niet dat toerijken„ „de was om de Gemeene Militairen en zeevaarende alhier na behooren te kunnen gerieven, waar door deeze aanleeding krijgen om dezelve in de Campong Boegis en elders te zoeken en dat dierhalven den pagter zig ook niet langer instaat zoude bevinden om zijne maandelijkk „ 3„' passeerde niets van aan belang„ „ 4„e 5„ Contingent Anno 1783. „ aan Ao 1783 9 Januarij weeder een van Jankielangs aanhang overgekomen Saturdag den 11„e Zondag „ 12„' Cnihil Maandag „ 13„e den ouden Ciaeng Candjilo overleeden Contingent volgens accoort aan den koning te kunnen opbrengen, wes„ „halven Jk den koning verzoeken liet van daar omtrend eene strieter order aan zijne onderdaanen te geeven om den Pagter dan wel zijne bediendens met de benodigde saguweer te voorzien, als meede ook te interdiceeren dat zij geen saguweer nu en in het vervolg meer na de Negorij Sawakoeng zoude hebben aftebrengen ofte ver„ „koopen, vermits het den Pagter niet te vergen is om dezelve bij„ „zonder in deeze westmousson van daar te laaten afhaalen, waar op den koning mijn ten antwoord liet dienen omtrend het een en ander zodanige ordres te zullen stellen, dat den Pagter geen gebrek aan Saguweer meer zoude hebben, gelijk zijn Hoogheijd ter presentie van voorn: Tolk en Pagter, zijn tolk dadelijk uijtsond om de Lontangs Boeren te verbieden van geen Saguweer op te koopen, bevoorens dat den Pagter de zijne had gekreegen wijders liet gemelde vorst mijn Communiceeren dat voor Eenige daagen geleeden zeeker Makassaars prins met naame Daeng Tapalie zoon van eenen Craeng Pankadjenne, bij him was in Sub„ „missie gekoomen, dog dat zijn Hoogheijd door de Continueele reegens nog geen geleegentheijd gehad had om hem bij mijn te brengen dog dat zulx egter bij Eerste geleegentheijd zoude doen; ook liet zijn Hoogheijd mijn weeten onlangs een brieff van zijne thans te Batavia zijnde gezanten Craeng Salemba C: S: weegens hun arrivement te Batavia, en het goed onthaal aldaar, te hebben gekreegen. Dingsdag „ 14„e Liet mijn den koning der Maccassaaren door den aldaar tot onze en zijn eigene veiligheijd leggende ondertoek Fabia Theunisz weeten, dat den ouden Chaeng Candjielo vader van de reets overgeko„ „mene Craeng Sapanang, dewelke door ziekte geen geleegendheijd gehad had deeze zijn zoon te volgen, voor ses daagen op Tasseesse overleeden was, hebbende Tankielang nu geen andere aan hang meer als eenig geboefte zo van gedroste slaaven als anderzints die zig in de gebergtens en die Contrijen thuijlhouden woensdag W

NL-HaNA_1.04.02_8261_0234 view scan ↗

English

Anno 1783 January A second Regentess of Tjamba appointed New Year's compliment paid Grievances concerning some insolent Bonian princes Wednesday the 15th, I presented here, in the presence of the assembled village heads, as second Regentess of Tjamba, one Eldja; of which I immediately thereafter, on Thursday the 16th, gave the necessary notice by a letter to the Maros Resident van de Walle. In the afternoon the King of Boni had inquired when it would be convenient for me to receive him for paying the New Year's compliment. Whereupon I answered that I would let His Highness know tomorrow. Friday the 17th, I sent word to the King that I would have the honor to expect him next Wednesday. Saturday the 18th Sunday the 19th - Nothing Monday the 20th Tuesday the 21st Wednesday the 22nd, I received the King of Boni and the present grandees of the realm with the ordinary ceremony, and subsequently received the New Year's wishes from that monarch, who took the midday meal with me and departed again with the rest of the company around three o'clock. The King of Boni pays the New Year's compliment Thursday the 23rd, nothing occurred. Friday the 24th, in the afternoon at five o'clock, I sent the second interpreter Deefhout to the King of Boni, in order to make known to that monarch that the heads of the kampongs had brought severe complaints to me regarding the far-reaching insolence of several Bonians, and specifically the principal among them being a certain Lasimpoeang and Baso Barang, who have not hesitated publicly at the bazaar and elsewhere on the public roads to simply take the goods of the people by force and go off with them without payment; as well as also that just now the farmer of the topbaan has come to complain to me about the insolent and punishable conduct of the robber and murderer Latoewo, only too well known to the King, who had threatened the Chinese gamblers who have oversight of the top boards on behalf of the said farmer, that if they would not give him money, he would nevertheless take it by force, and moreover would murder them; that I therefore had the King most earnestly requested, for the preservation of the peace and safety of our inhabitants, as well as for the prevention of all such violent acts, and also for the maintenance of the said farmer who must yield the Company's dues, that he please give orders that are more powerful and of greater force than he had done up to today, or that I otherwise, having already complained about this matter several times, would be forced to have such mischievous acts punished in the act without regard to person. The King had me answered in reply that it truly grieved his heart to have to hear such things again; that he would not fail to issue such orders against it so that they would be unable to carry out such wicked deeds any longer, requesting me at the same time to establish such measures in the kampongs that the aforementioned rascals could be seized and, in case of resistance, simply struck down, except for one Lasimpoeang whom, being too closely related to him, the King, he would not gladly see killed; but that Latoewo, upon appearing in the kampongs, could simply freely be murdered, even though he might not commit any further harm himself, because he had long deserved death, and that the King would also do his best to have him done away with. Anno 1783 January Saturday the 25th - Nothing Sunday the 26th Monday the 27th, I received a report that the corporal Jeeger had been wounded in the arm by a Bugis who had tried to rob him. Tuesday the 28th, the Lieutenant of the Malays gave me notice that one of the Bonians who go out daily to steal, and specifically the one who had wounded the corporal Jeeger yesterday, had been caught again in a theft, and having offered resistance, was struck down in the Malay kampong. Who have wounded a corporal, but of whom one has been massacred Furthermore, from Wednesday the 29th until Thursday, nothing occurred.

Dutch transcription

A„o 1783 Januarij b een tweede Regentesse van Tjamba benoemt „pliment af doleantien over Eenige brutaale Bonische paincen woensdag den 15„e stelde jk alhier in presentie der opgekomene Negorijs Hoofden tot tweede Regentesse van Tjamba voor, eenen Eldja; waar van jk. sdaar daar aan of Donderdag „ 16„e den Maros Resident van de walle bij een briefje de noodige kennis gaf 's agtermiddags liet den koning van Bonij vraagen wanneer het mijn geleegen zoude komen om hem tot het afleggen van het Nieuwe Jaars Compliment te ontfangen. — waar op jk ten antwoord gaf„ dat jk zijn Hoogheijd zulks morgen zoude laaten weeten Vrijdag „ 17„e Liet jk den koning zeggen dat Jk de Eer zoude hebben hem woen „dag aanstaande te verwagten. Saturdag „ 18„e Zondag „ 9„' Enihil Maandag „ 20„e Dingsdag „ 21 woensdag „ 22„e recipieerde Jk den koning van Bonij en de aanweezende Rijx„ De koning van Bonij grooten met de ordinaire Ceremonie en ontfing vervolgens de legt het nieuwe Jaars Com„ nieuwe Jaars wenschingen van dien vorst, die bij mijn het middag„ „maal hield en met het overige gezelschap teegens drie uuren weeder vertrok Donderdag „ 23„e viel niets voor„ vrijdag „ 24„e snamiddags ten vijf uuren zond jk de tweede Tolk Deefhout na den koning van Bonij, ten einde dien vorst bekend te maaken dat de Hoofden der Campongs aan mijn gedaan hadden hevige klag„ „ten, over de verregaande brutaliteijten van verscheijde Boniers en wel de voornaamste daar van zijnde zeekere Lasimpoeang en Baso Barang dewelke zich niet ontsien hebben publicq op de Ba„ ge „zaar en elders op 's Heeren weegen, de goederen van de Menschen zo maar met geweld te neemen en met dezelve zonder betaaling weg te gaan, als meede ook dat zo even de Pagter van de Topbaan „saer mijn was klagtig komen vallen over het Brutaale en strafwaardig gedrag van den bij den Koning maar al te wel bekenden Roover en moordenaar Latoewo, dewelke aan de speel Chineesen die van weegens gemelde Pagter het toezigt over de Topborden hebben, gedreigd had, zo wanneer zij hem geen geld willende geeven, hij het dog zelve A„o 1783 „ Januarij Saturdag den 25„e prihil Zondag die een korporaal hebben gekwest dog waar van een gema„ woensdag den 29„e tot zelve als dan met geweld zoude wegneemen, en voorts haar daar en boven vermoorden zouden, dat jk dienthalven den koning op het ernstigste verzoeken liet om tot Conservatie van de rust en veijligheijd onzer Jngeseete„ „nen, mitsgaders tot teegengang van alle zulke geweldadigheeden, als meede tot mainctenue van gem: Pagter, die sComp„s geregtigheijd moet opbrengen, kragtiger en van meerder klem zijnde ordres geliefde te geeven dan tot heeden toe nog gedaan had, of dat jk anderzints over dit een en ander reets te meermaalen gedoleert, genoodzaakt zoude weesen zulke baldadigheeden zonder aanzien van Perzoon op heeter daad te doen straffen. Den koning liet mijn hier op tot antwoord dienen dat Item van Harten leed deed weeder zulke dingen te moeten hooren, dat hij niet mankeeren zoude om zodanige ordres daar teegen te stellen dat zij buijten staat zoude weezen zulke kwaade bedrijven meer uijt te voeren, mijn teffens verzoekende in de Campongs zoodanige maatregulen te willen stellen dat de voor„ „noemde snaaken opgevat en bij teegenweer maar ter needer gelegd konde worden, excepto eenen Lasimpoeang die als al te na aan hem koning geparenteerd weezende hij niet gaarne zoude omgebragt zien, dog dat Latoewo bij verscheijning in de Campongs maar vrijelijk konde worden vermoord, schoon hij al zelfs geen verder kwaad bedreef, vermits hij al lang de Dood verdiend had, en dat den koning ook zijn best zoude doen om hem te laaten van kant helpen. „ 26:' Maandag „ 27„e kreeg jk Rapport dat den korporaal Jeeger door een Bouginees die hem had willen afzetten, in de Arm was gekwest geworden. Dingsdag „ 28„e Gaf mijn de Luijtenant der Maleijers kennitje dat een der dagelijks op steelen uit zijnde Boniers en wel die geene die de korporaal Jeeger gister gekwest had op een diefstal weder g'attrapeert en zig te weer gesteld hebbende, in de Maleijdsche Kampong was neer gelegt voorts viel van Donderdag Ba„ n „sacreert is

NL-HaNA_1.04.02_8261_0236 view scan ↗

English

Anno 1783 February A message to those of Tanette Saturday the 8th to Some report of an intended tumult of which there is nothing A Bonies prince caught at theft. Thursday the 6th of February, nothing to note. Friday the 7th, I sent the second sworn Interpreter Deefhout to the King of Tanette in order not only to demand from him once again the Somma of Siang who deserted from us to him in July passato, but principally to protest in the strongest terms against his unreasonable conduct regarding the people of Sageerie, completely preventing them from cultivating a part of the paddy fields which, although they belong under Tanette, the Company has always enjoyed the tithe from of old since they were worked, so that the same would now, by such an unwise and entirely insolent conduct, be completely lost. Furthermore, from Sunday the 16th, nothing noteworthy occurred. Monday the 17th, in the afternoon, I was quietly informed by Corporal Coenraad Marschal that, as he had heard whispered and was further confirmed by a playing card shown to him by the soldier Gerard, there were again some ringleaders who intended to cause a kind of tumult. Tuesday the 18th, I had Commandant Baserman conduct the necessary investigation into this, but in vain, as the soldier Gerard swore by all that is dear that he had found the playing card in his pocket and had immediately shown it to Corporal Marschal, who was on guard with him at the outer guardhouse, without knowing who had slipped it to him, as this must have occurred somewhere in secret; nevertheless, I put everything in good order and, to prevent the misfortune threatened by the said playing card, sent the person who might carry it out, the aforementioned Corporal Marschal, to Boelecomba. Towards noon, the Bonijs prince Lapalajarang was brought to me, who had been caught in the act of violently taking away a silver box from one of the Chinese merchants; I sent him, after first earnestly confronting him with his crime, A 13 February returned to the king Diefhout back from Tanette insolent Boniers Sunday the 23rd, nihil. A letter to Bouton Wednesday the 26th Thursday the 27th Tuesday the 25th Friday the 28th nihil having returned him back to the King of Bonij, to whom he was related, with the request to discipline him according to his deserts for embarking upon such evil ways, which His Highness, thanking me for sending him, promised to do. In the afternoon, the second ordinary Interpreter Deefhout returned from Tanette, having departed thither on the 7th of January passato, who had executed his commission entrusted to him on that day according to the report submitted to me by him. Wednesday the 19th Thursday the 20th, nihil. Friday the 21st Saturday the 22nd, I had the second sworn Interpreter Diefhout and the Lieutenant of the Malays, Intje Saleman, go, as if in the name of the chief interpreter, to the Madanrang, or First Regent of the Realm and father-in-law of the King of Bonij, not only to inform him that a rumor was circulating that the nephews and some of the family of the Bonijs prince Lapaladjarang, who was apprehended on the 10th of this month in the Campong Maleijo and sent back to his place, were intending to commit some hostilities against the Malays on that account, in order that this Minister, upon whom the whole pivot of Bonij turns, might provide for this in good time. Monday the 24th, today I dispatched with a vessel sailing to Bouton for trade, to Sergeant Bosamie, who is there for the extirpation of spices, a further order to send intelligence here as quickly as possible if he should happen to hear any news there regarding the English or the war with them. 7th March Anno 1783 March their activities the news of the English distributed further by express to the Great East Sunday the 23rd paying his New Year's compliment letters to Bima and Saleijer and at the same time requested access for their King to come and pay the New Year's compliment, which I fixed for next Wednesday, on which occasion I handed over to the said commissioners for their prince a state assegai that had remained in the custody of the late Mr. van der Voort and still with me, belonging to the former King of Goah who fled to Bima but was intercepted there and subsequently sent away from here, of which mention is made in the Memorandum left in Ao 1767 by Mr. Sinkelaar, as well as of a kris or sidearm which, as I was informed, not being a state ornament and having belonged personally to the fled King, has remained in my possession. Today I also dispatched the express to convey the news to Ambon and Ternaten of the English ships roaming in the vicinity of Bima, in a hired vessel. Monday the 24th, nihil. Tuesday the 25th Wednesday the 26th, the King of Idah came to pay the New Year's compliment. the King of Goah comes, on which occasion I entertained him and his dignitaries to a formal dinner in the presence of all the Members of the Council of Policy and other qualified persons, after which, very pleased, they returned to their residence around four o'clock. Thursday the 27th, dispatched a separate letter to Bima and ditto to Saleijer, see secret letter book. Sunday the 30th Friday the 28th Saturday the 29th, nihil. Monday the 31st, the boom farmer Intje Sadulla came to warn me that a vessel from Banjermassing had arrived in the Kampong Boegis, which had on board an emissary of the King of Banjar to the King of Bonij, along with a letter and some gifts. I thanked him for this a vessel from Banjar warning the

Dutch transcription

A„o 1783 Februarij Een boodschap aan die van Tanette Saturdag den 8„e tot Eenig berigt van voorgenome„ „ne tumuls daar niet van is Een Bonies prins of dief„ „stal g'attrappeerd. Donderdag den 6„e Februarij niets te noteeren Vrijdag - - - - „ 7„e hebjk de tweede gesw: Tolk Deefhout na den koning van Pa„ „nette gezonden ten einde niet alleen van denzelven nogmaals op te eijsschen de in Iulij passato tot hem van ons overgelopene Somma van Siang, maar wel Principaalijk om ten scherpsten te protesteeren teegens zijne onreedelijke handelwijze in de volkeren van Sageerie geheel, en ul te beletten het bewerken van een gedeelte der Padij vrelden die wel is waar onder Tanette behooren, dog van dewelke de Comp„e altoos bewerkt zijnde van ouds af de thiende heeft genooten, dat dezelve nu zo doende ten eenemaal door zo een onverstandig en alzints bru„ „taale handelwijze zoude moeten missen. wijders viel 'er van Zondag „ 16„e niets naamwaardigs voor Maandag „ 17„e 'Snamiddags wierd mijn door den korporaal Coenraad Marschal in stilte kennisse gegeven dat 'er zo als hij had hooren mompelen en hem door een van den zoldaat Gerard vertoond kaarteblaatje nader verzeekerd was, weeder eenige belhamels zoude weesen die voorneemens waaren een zoort van timult aan te regten Dingsdag „ 18„e Liet ik den kommandant Baserman het noodige onderzoek daar na doen dog vrugtelros, alzo den zoldaat Gerard op het aller„ „dierbaarste zweerde het kaarteblaatje in zijn zak gevonden en zo ook aanstonds aan den Korporaal Marschal die met hem de wagt aan de buijten wagt hadde, vertoond te hebben zonder te weeten wie het er hem in gestooken had, alzo zulks in stilte ergens moet geschied zijn, egter stelde jk op alles goede ordre en zond tot voorkoming van het bij ged„e kaarteblaatje gedreigd ongeluk den geenen die het uit mogte brengen, den voornoemden Korporaal Marschal na Boelecomba Teegen de middag wierd bij mijn gebragt den Bonijs prins Lapala„ „jarang die op een geweldadige wijze een zilvere doos van een der Chineese Handelaars wegneemende op de daad g'attrappeert, was; Jk zond den„ „zelven na alvoorens op een ernstige wijze zijn misdaad voor oogen gehouden hebbende Een 13 Februarij de zoning te rug gegeven Diefhout van Tanette terug brutaale Boniers Zondag den 23„e nihil Een briefje na Bouton woensdag „ 26„e Donderdag „ 27„e Dingsdag den 25„e vrijdag „ 28. e nihil hebbende terug na de koning van Bonij aan wien Hij geparanteert was, met verzoek hem over het inslaan van zulke slegte weegen na verdiensten te Corrigeeren, het geen zijn Hoogheijd mijn onder dankbetuijging van zijn toezending, deed belooven 'S namiddags kwam van Tanette terug den onder den 7=e Ianuarij paijato na derwaards vertrocken tweede gewoonen Tolk Deefhout, dewelke zijn kommissie hem ten dien dage opgedragen zoodanig volbragt had als het mijn daar van door hem overgegeven Rapport dicteerd woensdag den 19„e Donderdag „ 20„e Enchil vridag „ 21„' Saturdag „ 22„e Liet jk den tweede geswooren Tolk Diefhout en den Luitenant der Ma„ „leijers Intje Saleman quasie als uijt naam van den oppertolk na de Madanrang of Eerste Rijxbestierder en schoonvader van den koning van Bonij gaan, om hem niet alleen kennis te geeven dat het gerugt liep dat de Neeven en sommige der Familie ^ in de Campong Maleijo van den op den 10„e deezer ^ l opgevatte en na het stof terug gezondene Bonijs prins Lapaladjarang van zints zoude weezen de Maleijers daar over eenige hostiliteijten aan te doen ten einde hier inne door deeze Minister waar op het geheel spil van Bonij draaid, bij tijds kan worden voorzien Maandag „ 24„e Op Heeden zond jk per een na Bouton ten handel vaarend vaarthuig aan den tot specerij Extirpatie aldaar zig bevindende ser„ „geant Bosamie af, een nader ordre om na herwaarts ten allerspoe„ „digsten kennisse te geeven bij aldien hij aldaar het een of ander nieuws aangaande de Engelschen ofte den oorlog met haar mogte koomen te hooren 7e Maart la„ A„o 1783 Maart hunne verrigtingen de tijding van de Engelschen per Expresse verder na de groote oost bedeeld Zondag den 23„e zijn nieuwe jaars kompliment afleggen schrijvens na Bima en Saleijer en verzogten teffens voor hun koning acces om het nieuwe Jaars kompliment af te koomen leggen dat jk tergens woensdag aan„ „staande bepaalde, bij welke geleegendheid Jk aan gemelde gekommitteerdens voor hunnen vorst ter hand stelde een onderwijlen de Heer van der voort /:z:/ en nu nog onder mijn berusting gebleevene Rijks assegaij van den geweezene en na Bima gevlugten dog daar agterhaalde, en ver„ „volgens van hier gezondene koning van Goah waar van men zo wel melding vind gemaakt bij de in Ao 1767. door de Heer Sin„ „kelaar nagelatene Memorie als van een kris of heup geweer, die gelijk mijn onderrigt wierd geen Rijks ornament zijnde en die gevlugten koning in het bijzonder toebehoort hebbende, onder mijn verbleeven is. Op Heeden depecheerde jk ook af het expres ter overbreng van tijding na Ambon en Ternaten van de omstreeks Bima zwervende Engelsche scheepen in gehuurde vaarthuijg Maandag „ 24„e nihil Dingsdag „ 25„e woensdag „ 26„e Kwam de koning van Idah het nieuwe Jaars Compliment afleggen de koning van Voakkomt bij welke geleegendheijd Jk hem en zijn Rijksgrooten ten bij weezen van alle de Leeden van Politie en verdere gequalificeerdens op de deftige middagmaal onthaalde waar na zij zeer vergenoegd teegens vier uuren na hun woonplaats terug keerde Donderdag „ 27„e Een aparte briefje na Bima en een dito na Saleijer afgezonden vide sekreet brief boek. Zondag „ 30„ vrijdag „ 28„ Saturdag „ 29„' nihil Maandag „ 31„e kwam mijn de Booms=pagter Intje Sadulla waarschouwen dat 'er een vaartuijg van Banjermassing in de Lampong Boe„ „gis was aangekoomen het welke op had een zendeling van den koning van Banjar aan den Koning van Bonij neevens een brief en eenige geschenken. Jk bedankte hem voor deeze een vaartuig van Banjar t waarvcrouwing lb de

NL-HaNA_1.04.02_8261_0239 view scan ↗

English

Anno 1783 14 March Tuesday the 1st nothing happened Wednesday which is addressed to the king of Boni. Thursday Friday the king of the Makassars party crossed over. warning and then kept quiet to see what the king would do. April 2nd The King of Boni had me informed, just as had occurred in Anno 1779 with that of Riau, of the arrival of the Banjarmasin envoy mentioned under 31st March and at the same time requested our Malay scribe to translate the letter brought to him by that envoy. I sent my thanks to His Highness for the communication and immediately sent him the requested scribe. Who also shortly after that date delivered to me a copy of it, to be found among the enclosures of this, which principally contained a request for large, fine horses trained for hunting deer, and an offer of a pair of diamond rings, a shield inlaid with gold and silver, a pair of silk patolas, and a pair of silk embroidered handkerchiefs. 3rd nothing was to be noted 4th the same Saturday 5th there came to me at my request the King of the Makassars accompanied by his principal grandees of the realm Craen Data Craen Barombong Craen Palemba and Craen Mandalle, besides Gallarang Mangasa Gallarang Tombolo and Gallarang Batoe, the Tomilalang not having appeared due to indisposition. Having been seated for a little while the king gave me to know that he had now brought with him Prince Daing Pabalie, who, separated from the rebel some time ago, see the note under 10th January last, had come over to him to submit and to obtain pardon, whereupon I had him enter unarmed, returned his sidearm under a suitable recommendation and granted a full pardon. Subsequently I turned the conversation to the letter from Their High Excellencies recently brought by their envoys, which I previously had read aloud by the Malay scribe, and represented to them therein the goodness of Their High Excellencies in the restitution of Samboppo, in which, however, Kampong Java, a piece of land lying south of this castle on the bank of the river of Goa, which in former times, see the Memorandum of Mr. Sinkelaar, has always been considered a harmful smuggling nest, was not to be included. Also the granting of superiority over the Torajas, while I also at the same time pointed out to them the impossibility of consenting to the other requests, particularly the exemption from the tithe, as it was self-evident that they, the instigators of the war or the rebellion that arose, should indemnify the Honorable Company for such enormous war expenses as were caused thereby, which, since they could make no cash compensation, absolutely had to be done in this manner. They expressed thereupon their joy over the first two articles, but at the same time wished, according to what they said, that the others could also have been agreed to. But I diverted them from that as well as possible, partly in a friendly and then again somewhat in a firm manner by clear representations of its impracticability, and then at the same time indicated that with regard to the half of the Sudiang lands previously managed by them something might perhaps yet be done, and that I would very gladly take it upon myself to submit their petition in that regard once more to Your High Excellencies. This pleased them, and after this they also appeared to become somewhat better humored, and after having enjoyed some refreshments, departed amicably for their homes under the ordinary ceremonial. Sunday the 6th Monday 7th nothing Tuesday 8th Wednesday 9th in the afternoon I sent Deefhout and Bewers, under the guidance of the assistant interpreter De Graaff, to the king of Boni, to give notice according to the custom here that in place of Brugman, promoted to Resident of Maros, the aforementioned Dilfhout had been appointed by me again as chief interpreter, and the said Bewers as second ditto, whereupon His Highness had me thanked for the notification. I also likewise had this message delivered to the king of Goa by the aforementioned assistant interpreter De Graaff. Furthermore, from Thursday the 10th to Wednesday 16th nothing remarkable occurred, except that on the 15th such a report was made to me by the Malay Intje Samauw concerning a certain encounter between some English boats or vessels and a Wajo gonting, as is to be seen among the enclosures of this. Thursday 17th there came to me the shahbandar of Goa, otherwise Craeng Palemba, to inform me that the disputes that had arisen between the king and his brother, Prince Data, from a misunderstanding of the latter that the former was said to have infringed upon his authority in his character as first ruler of the realm, had been settled amicably again, a commission which I had entrusted to this old and worthy minister of state, who has much influence over both of these princes. Furthermore, on Friday the 18th Saturday 19th Sunday 20th Monday 21st Tuesday nothing of importance occurred.

Dutch transcription

A„o 1783 14 Maart Dingsdag den 1„e passeerde niets woensdag dat aan Bouijs koning g'addresseert is. Donderdag vrijdag „ de koning der Makassaaren aanhang overgekomen paires. waarschouwing en hield mijn vervolgens stil om te zien wat de koning zoude doen. April „ 2„e Liet mijn de Koning van Bonij, even als in Ao 1779 met die van Riouw had plaats gehad, kennisse te geeven van de aankomst der onder den 31„e Maart vermelde Banjermassingse gezant en teffens verzoeken om onze maleijdsche schrijver tot het overzetten van de door die Gezant aan hem meedegebragte brief. Jk liet zijn Hoog„ „heijd voor de kommunicatie bedanken en zond hem terstond de ver„ „zogte schrijver toe. Dewelke mijn ook kort na dato bezorgde een afschrift van dien, onder de Bijlaagen deezer te vindene missive, die ten principaale inhield een verzoek om groote mooije Paarden tot de Hartebeesten Jagt gedresseert en een aan bod van een paar diaman te Ringen. Een met goud en zilver ingelegd schild; Een paar zijde patholen en een paar zeijde gestikte Neusdoeken. „ 3„e viel niets te noteeren 4„e ad idem Saturdag „ 5„e zwamen op mijn verzoek bij mijn den Koning der Maccassaaren verzeld van zijn voornaamste Rix grooten Craen Data Eraen Barombong Craen Palemba en Craen Mandalle neevens glarrang Mangasa glarrang Tombolo en glarrang Batoe zijnde den Tomilalang door indispositie niet verscheenen. Een weinig gezeeten weezende met eenen van Sankielangs gaf mijn de koning te kennen dat hij thans meede gebragt had den prins Daing Pabalie, die van den Rebel afgezondert voor die in van a gen leg zen de gen zonden binnen n ze 1 A„o 1783 April onderhandeling met de koning over het nevenstaande voor eenigen tijd, vide het genoteerde onder den 10„e Januarij pagsato tot hem was overgekomen om zig te onderwerpen en pardon te erlangen, waar op Jk hem ongewapend died binnen koomen, desselfs heup geweer onder een gepaste recommandatie weder over„ „gaf en een volkooman pardon verliende, vervolgens bragt jk het discours op de onlangs door hunne Gezanten meede gebragte brief Hunner Hoog Edelheedens, die Jk voor af door de maleies schrijver overluijt liet op leesen en stelde hun daar in voor de goedheijd van Hoog Dezelve in de teruggave van Samboppo daar sampong Java /: een stuk lands leggende bezuiden dit kasteel aan de boord van Goas Rivier, dat in voorige tijden vide de Memorie van de Heer Sinkelaar altoos als een schadelijk smokkel nert is geconsidereert geworden:) egter niet onder begreepen moest worden. Ook het toestaan van de superioriteijt over de Trojeenders, wanneer Jk hun ook te gelijk voorhield de onmogelijkheid die 'er is om in het andere verzogte, bijzonder de ontheffing van de verthiening te consenteeren, alzo het als van zelve sprak dat zij, aanlegger van den oorlog of de ontstaane Rebellie, de Ed„e Comp„e voor zulke ont„ „zaggelijke oorlogs kosten als daar door veroorzaakt waaren scha„ „deloos stelde, het geen, daar zij geen Contante vergoeding konde doen, dus absolut op deeze wijze moest geschieden. Zij betuigde hier op hunne blijdschap over de twee Eerste Artikulen maar wenschte naar hun zeggen teffens dat in het andere ook had kunnen wor„ „den toegestemrt. Dog jk heb ze daar van zo goed doenlijk ge„ „deeltelijk op een vriendelijke en dan weeder eenigzints op een Cordaate wijze door duidelijke voorstellingen van dies ondoenlijk„ „heijd gediverteerd, en toen teffens te kennen gegeven dat 'er met opzigt tot het halve door haar bevoorens beheerde sodiangse zomtijds nog iets te doen zoude zijn en dat Jk daar omtrend zeer gaarne op mijn wilde neemen uwe Hoog Edelheedens nogmaals hunne instantie dien aangaande voor te dragen. Dit stond haar aan en hier na scheenen zij ook wat beter gehumeurt te worden en vertrokken nog Eenige ververschingen genoten te hebben onder het ordinaire Ceremonieel vriendelijk na hunnent te W A„o 1783 April van de aanstelling van een nieuwe opper-en -on„ Donderdag den 10„e tot woensdag de belgelsche geslagen. „ning der Makassaaren en zijn broeder bigelegd. vrijdag den 18„e Zondag den 6„e Maandag „ 7,„e pnihil Dingsdag „ 8 terug. woensdag „ 9„e Zond J=k snamiddags Deefhout en Bewers onder geleide van de bide stoven kenmitgeven den ondertolk De Graeaff na den koning van Bonij om na den gebruijke alhier kennis te geeven dat in plaats van den tot Resident van Tharos bevorderde Brugman door mijn weeder tot oppertolk was aangesteld gemelde Dilfhout en tot tweede dito gedagte Bewers, waar op zin Hoogheijd mijn voor de bekentmaking bedanken liet. Deeze bootschap liet jk ook jnsgelijks aan den koning van Godh door voormelde ondertolk De Graaff doen. voorts viel er van „ 16„ niets merkwaardig voor, als dat mijn op den 15„e door den een wadjorens vaartuig teegens maleijer Intje Samauw zodanige opgave weegens zeekere rencontre tusschen eenige Engelsche boots of schuiten en een wadjoreese Gonting, is gedaan, als onder de Bijlaagen dezer te b'oogen is. Donderdag „ 17„e kwam bij mijn den sabandhaar van Godh anders Craeng verschillen tusschen de ko„Palemba om mijn bekend te maaken, dat weeder in der min„ „ne bijgelegd waaren de tusschen de koning en zijn Broeder Prins Data ontstaane verschillen uit een mis verstand van den laasten dat den Eersten hem in zijn Caracter als Eerste Rijxbestierder zoude hebben verkort en waar van Jk de kommissie dezen ouden en braeven staatminister die veel influentie op beide deeze vorsten heeft. hat opgedragen. voorts viel er op niets van aanbelang voor Zondag „ 20„e Saturdag „ 19„e Maandag „ 21:' Dingsdag ato dertolk e t 19

NL-HaNA_1.04.02_8261_0242 view scan ↗

English

Anno 1783 April Spread rumor of Sankielang, which is unfounded. From Thursday the 24th until Tuesday the 22nd Captain Commandant Baserman brought me a report that Sergeant Hendrik Stolberg, stationed at Malangzerie, had informed him that certain rumors had spread there that the rebel Sankielang was said to be in the negorij Kabalokang with over one hundred horses. Upon which report, although ridiculous, I nevertheless immediately sent the chief interpreter Deefhout to the King of Goah to tell him that I was very annoyed at having to be troubled time and again with such reports about such a vagabond, and at the same time astonished that if he dared to show himself, the King and the other grandees made not the slightest move to attack him and thus, if possible, totally destroy him; especially to do their utmost to get hold of the royal regalia still to be found with him, in so far as nothing has already been alienated. Indeed, that Their High Mightinesses had even recommended this to them as a matter of importance. Wednesday the 23rd the said chief interpreter brought me the reply that the King let me know, with his friendly regards, that the said Kaballokang, in which Sankielang was said to be, lies so far from Goah that in this rainy season neither could they reach him nor could he reach them; and that for this reason, as well as because these were only loose rumors, incredible to them, he had not wished to trouble me with such trifles. But that I could be assured that in case the said vagabond should come closer, he and his people, as faithful allies of the Honorable Company, would courageously confront him and, on such an occasion, inform me thereof. Wednesday the 30th nothing noteworthy occurred. Anno 1783 May Rumor of English ships. What was undertaken in that regard. that if it were only a matter of wishing, he would indeed wish that the English arrived here; because the Honorable Company would then first realize how faithful and well-meaning he is toward it. Thursday the 1st Friday the 2nd there was likewise nothing to note. Saturday the 3rd Sunday the 4th in the afternoon, just past one o'clock, I received news from Boelecomba that a Buginese coming from Mandhar had reported to the cruisers that seven English ships were said to be lying off Mandhaer, with the intention of steering their course toward Bonthain or directly here. Whereupon, toward half past three, I convened the Council of Policy, and there devised what was necessary, see the secret resolution. Pursuant to this, I also immediately sent the chief interpreter Deefhout to the King of Bonij to inform His Highness of this news and to request that he have the necessary preparations made, in order to be on our guard in time, since one cannot know whether that news might at times be true or untrue, while I, on my part, will likewise not fail to devise all necessary measures in every way to be able to resist our enemy. To which message the King of Bonij sent me his thanks, with the assurance that His Majesty, as the premier ally on this famous coast, would not fail on his part to have everything readied that was required for a brave defense; and furthermore also that His Majesty would immediately send a fast-sailing vessel today to Mandhar or its vicinity, to inquire into the authenticity of the report. And if it were found to be true, His Majesty would at once order that envoy to notify the lesser allies of Bonij to come up hither with the necessary men as quickly as possible and without delay to assist the Honorable Company. Anno 1783 May Furthermore, I also sent the under-interpreter Bewers this very evening, accompanied by the ordinary envoy Carre Mandjarckie, on the road out to Mandhaer, to obtain true news of the aforesaid report. Monday the 5th I sent the chief interpreter Deefhout again to the King of Bonij to submit to His Highness whether he did not deem it very necessary, as I did, that a joint commission be dispatched to Mandhaar, mainly to set before the seven head kings, Maradias, or the so-called princes of the seven rivers, and remind them of the contents of the contracts still existing between them and the Honorable Company, consisting in this: that they are not permitted to admit any foreigners into their land, much less to assist them with anything whatsoever, etc.; and that this is now most particularly expected of them, with regard to the English who are at war with us, for the maintenance of the treaty, lest they be treated as violators of the same. And in case His Highness should approve this proposal, that I then requested that His Majesty be pleased to choose one from among the grandees of Bonij for that purpose, in order to be able to depart immediately with one of our commissioners for Mandhaer. While I also at the same time had it proposed to the King to have the still-disputing parties, namely Sideenring, Soeppa, and Arou Pantjana, notified in my name and that of His Highness that they must desist from all hostilities and lay down their arms, since one cannot know how soon their assistance will be needed here, as it will also moreover be far more useful for them all to use their weapons against our common enemy than against each other over insignificant disputes.

Dutch transcription

A„o 1783 April verspaeid gerugt van sankie„ =lang daar niets aan is. Donderdag den 24„e tot Dingsdag den 22„e bragt mijn den kapitain kommandant Baserman Rapport dat den te Malangzerie bescheiden leggende zergeant Hendrik Stolberg, hem had bekend gemaakt, dat aldaar eeni„ „ge gerugten waren verspreid dat den Rebel Sankielang zig op de Negorij Kabalokang zoude bevinden met over de Hondert Paarben: Op welk Berigt schoon belachelijk jk egter aanstonds den oppertolk Deefhout na de Koning van Goah zond om den zelven te zeggen dat jk zeer moeijelijk was van nog telkens met zulke berigten van zo een vagabond te moe„ „ten lastig gevallen worden en teffens verwonderd te wezen dat als hij zig al durfde vertoonen den koning en de verdere Groo„ „ten geen de minste beweeging maakten om denzelven te gaan attacqueeren, en dus waare het mogelijk ten eenemaal te ver„ „delgen; bijzonder om hun uijterste best te doen om de nog on„ „der hem te vinden zijnde Rijks ornamenten, voor zo verre niets reets veraliëneert te zien magtig te worden. Ja dat Hunne Hoog Edelheedens hun zulx immers zelfs als een poinct van aangeleegentheid hadden aangerecommandeert woensdag den 23„e Bragt mijn gedagte oppertolk ten antwoord dat de ko„ „ning mijn onder zijne vriendelijke groete weten liet dat gem: kaballokang waar in sankielang zig zoude bevinden zo ver van Goah leid dat zij in dezen regen tijd nog bij hem nog hij bij haar konde komen en dat hij daaromme zo wel als om dat het maar losse en bij haar ongelooflijke gerugten waaren mijn niet met zulke beuzelingen had willen vermoeijd „lijken, maar dat Jk verzeekert konde weezen, dat ingeval gem: vagabond nader mogte koomen hij en de zijne als getro getrouwe Bondgenooten van de Ed: komp„e hem vris Comt te zeer zoude gaan en bij zo een geleegentheid mijn als dan daar van verwittigen, van woensdag „ 30„e passeerde niets van aanmerking Eng doen „ 8ar Mai wa w 21 A„o 1783 Mai. gerugt van Engelsche scheepen. wat daaer omtrend in het werk gesteld ^dat als het mat wenschen te geval doen was hij wel wilden dat de Engelschen hier aankwamen; terwijl de Ed: Comp„e als dan eerst zoude ontwaaren hoe getrouw en welmeenend hij omtrend dezelve is. Donderdag den 1„e vrijdag - - „ 2„e viel almeede niets te noteeren. Zaturdag - - - „ 3„e Zondag - - - „ 4„e 'S middags even over een uuren ontfing jk van Boelecomba tijding dat door een Boeginees van de Mhandhar koomende aan de kruijssers gerapporteerd was, dat 'er seeven Engelsche scheepen op de Mandhaer zouden leggen, met voorneemen om hun Cours na Bonthain of direct hier na toe te nee„ „men, waar op Jk teegens half vier de vergadering van Politie liet beleggen, en daar bij het noodige, vide de secreete Resolutie beraamde. Ingevolge van dien zond jk ook ten eersten den oppertolk Deef„ „hout na den koning van Bonij om zijn Hoogheijd deeze tij„ „ding te verwittigen en te verzoeken de nodige preparatien te willen laten doen, ten eijnde bij tijds op onze hoede te kunnen wee„ „zen, aangezien men niet weeten kan of die tijding zom tijds waar ofte onwaar mogte weesen, terwijl Jk van mijn kant almeede niet in gebreeke zal blijven om alle zints de noodige maat regulen te beraamen om onzen vijand het Hoofd te kunnen bieden: op welke boodschap den Koning van Bonij mijn bedanken liet met ver„ „zeekering dat zijn Majesteijt als Eerste Bondgenoot te dezer Custe celeber niet nalaten zoude van zijnen kant alles wat tot eene dappere defensie vereijscht wierde, in gereedheijd te laten brengenen voorts ook dat zijn Majesteijt ten Eersten een wel bezeijld vaarthuijg heeden nog na de Mandhar of daar omstreeks zoude afzenden; om na de Egtheid van 't berigt te verneemen, en waar mogte bevonden werdende, zijn Maje„ „steijt dien zendeling met eens zoude gelasten om de Bonijse mindere Bondgenooten aan te zeggen van ten spoedigsten en zonder uijtstel met de noodige Manschappen na het „waards ter assistentie van de Ed„e Komp„e op te komen. voorts t eeni„ oeije g als vzir van A„o 1783 Mai Voorts zond jk ook den ondertolk: Bewers nog heeden avond verzeld van den ordinaire sendeling Carre Mandjarckie de wig na de Mandhaer uit, om waare tijding van voorsz Rapport te erlangen. Maandag den 5„e sond jk den oppertolk Deefhout weder na den Koning van Bonij om zijn Hoogheid voortehouden of hij met mijn niet zeer nood zakelijk oordeelde dat men van weerskanten Eene Commissie na de Mandhaar decerneerde, hoofd zaekelijk om de seven hoofd koningen, Maradias of de zo genaamde vorsten van de zeven Rivieren te laten voorhouden en herinneren den inhoud van de Contracten tusschen haar en de Ed: Comp: nog subsisteerende daar in bestaande dat zij geen vreemdelingen op hun Land vermogen te admitteeren veel minder dezelve met eenige dingen hoe genaamt te adsisteeren etc:, en dat men dit wel in op zigt van de met ons in oorlog zijnde Engelschen thans wel aller bij zonderst verwagtende is, tot onderhouding van het verbond, willen zij niet als overtreeden van het zelve gehandelt weesen: en bij aldien zijn Hoogheijd deeze voorstel mogte koomen goed te keuren dat ik dan verzoeken lierst dat zijn Majesteijt Een uijt de Grooten van Bonij daar toe geliefden te verkiesen, ten eijnde met een van onze gekommit„ „teerdens na de Mandhaer ten eersten te kunnen vertrekken: terwijl Jk den Koning te gelijk ook liet voorstellen om uijt naam van mijn en die van zijn Hoogheijd de nog twistende parthijen, namentlijk Sideenring, Soeppa en Arou Pan„ „tjana te laten aanzeggen, dat zij van alle vijandelijkheeden zullen hebben aftesien en de wapens neederleggen, aangezien men niet weezen kan hoe spoedig men hun assistentie hier zal nodig hebben, daar het ook boven dien vrij nuttiger voor hun allen zal zijn hunne wapenen tegen onzen algemeenen vijand dan teegens elkanderen om niet noemens waardige verschillen te gebruiken. vervolg vervolg. lb een

NL-HaNA_1.04.02_8261_0245 view scan ↗

English

Year 1783 23 23 May two thieves returned to the king of Boni a vessel from Mandhar To both of these messages I received the answer that His Highness approved my proposals, but that before doing anything in that regard, he was obliged first to consult with his Councilors of State about it, whereupon he would then let me know his further answer. The king also had me requested on that occasion for the release of two of His Highness's subjects, who had been arrested here a few days ago in the sampans for theft committed, and according to custom chained in the long stocks, which I agreed to immediately, sending them back to him this very day with the assistant interpreter De Graaf. However, with the accompanying request that he would see to it that they would no longer commit such mischievous acts henceforth, for which I had been obliged to correct them. Today the Shahbandar De Vos reported to me that early this morning the Malay Daeng Padjonie had arrived here in the roads, who declared that he had departed from Mandhar for here just six days ago, and that neither during his presence there nor during his aforesaid return had he seen any English ships, much less heard anything of them. Of which I had a written statement made for me, see the Appendices. In the meantime I also dispatched a short letter to Boelecomba, a short letter to Boelecomba. in reply to the Resident's aforesaid letter. Tuesday the 6th nothing Wednesday Thursday the 8th, after having requested access beforehand, the glarrang of Bontoalacq appeared before me to say, on behalf of the Court of Boni in answer to my proposal made on the 5th of this month, continuation of the 4th of May that the King and Nobles of the Realm, with respect to those of Mandhar, are of the opinion that it would be better to send no one to them, for the reason that the continuation Year 1783 Year 1783. May continuation A short letter to Saleijer. Saturday the 10th among the Boniers, indeed among all the peoples of this country, it was a fixed law that if a superior ally sends an envoy or commission on his behalf to an inferior regarding another affair, no matter how much the latter might have sinned, it is then also firm proof that all past offenses are forgotten and forgiven. And that the crime of the Mandharese, both toward Boni and the Company, is far too great and manifold to do this; but that they heartily agreed with me in sending commissioners to Datu Sidenreng and associates to order them to cease the committing of hostilities against one another at once, and for that reason had already appointed the sulewatang Matjege to go thither on their behalf, with whom mine would join. With respect to the first matter, I said that I was satisfied with the answer given in that regard, since the customs of the Boniers were such, although I had indeed wished it were otherwise; and that with respect to the second point, I would appoint on my behalf the Bookkeeper and former Resident of Saleijer Alexander Whijts, who would then be able to depart for the North with the King's commissioners as soon as feasible. Furthermore, I dispatched today per the ordinary provision prahu to Saleijer a short letter to the Resident Swart, dated the 6th of this month. Friday the 9th, nothing Sunday the 11th, the king of Boni let me know that his couriers sent out along the way to Mandhar had heard nothing of the English ships, not even from a vessel that had arrived at Pare-Pare on the very day of their arrival there, having come from a day's travel away. continuation of the 4th of May Monday 2 Ee May 25 Year 1783 A stolen little boy returned to the king of Boni. Monday the 12th, I dispatched per one of our merchants a separate short letter to the Resident of Bima; A short letter to Bima. The commissioners mentioned under the 8th of this month also departed today for Soupa and Sawito, in order to quiet the troubled minds there to some extent, if possible. continuation of the 4th of May Tuesday the 13th, nothing occurred. Wednesday the 14th, at the request of the King of Boni, I had returned to that ruler, through the Burgher Krookwits, a little boy bought by him a few hours ago, though not yet paid for, belonging to one of His Highness's little sons, who, as he let me know, was crying terribly over it, and who had only this morning been stolen from in front of his house. Thursday the 15th, nothing occurred, except that I dispatched to the Resident Meurs, via Sumbawa to Bima, per one of our merchants, the duplicate short letter of the 12th of this month, as well as a ditto of today. Friday the 16th, the assistant interpreter Bewers, who had been dispatched by me on the 4th of this month along the way toward Mandhar, returned with the report continuation of the 4th of May that he had seen no English ships along the whole of Mandhar, nor had he heard of them from the people he met along the way. Saturday the 17th Sunday the 18th, nothing Monday the 19th Tuesday the 20th, Received a short letter from Boelecomba. Wednesday the 21st Thursday the 22nd Friday the 23rd, nothing occurred Saturday the 24th Sunday the 25th Monday the 26th, the ordinary envoy Daeng Mandjareekie was sent to Sanraboni An envoy to Sanraboni. to demand payment of debt and to fetch the two homage slaves that that little kingdom must deliver annually to the Company. letter to Bima. also to this month from Boni

Dutch transcription

A„o 1783 23 23 Mai twee dieven den koning van Bonij te rug gegeven een vaartuig van de man„ =dhar Op deeze beijde boodschappen kreeg ik tot antwoord dat zijn Hoogheijd mijn voorstellen goedkeurde, maar dat hij alvoorens daar omtrend iets te doen, verpligt was om Eerst met zijne Rijks Raden daar over te raadpleegen wanneer hij mijn als dan nader antwoord zoude laten weeten Ook liet den koning mijn bij die geleegentheid verzoeken om de largatie van twee zijner Hoogheits onderdaanen, die alhier voor eenige dagen in de zampongs over gepleegde dieverij waren opgepakt, en na den gebruike in de lange zetting geklonken, 't welk jk terstond accordeerde, zendende hem dezelve nog heeden met den ondertolk De Graaf terug. Egter met bijgevoegd verzoek om te willen zorgen dat zij voortaan geen diergelijke baldadigheeden meer zwamen te pleegen, als waar over jk verpligt was geweest haar te corrigeeren. Op Heeden berigte mijn den Siabandhaar De vos dat dezen morgen vroeg hier ter Rheede g'arriveerd was den maleijer Dain Padjonie, die verklaard had dat hij nu pas ses dagen geleeden van Mandhaer na herwaarts was vertrocken, en dat hij daar geduurende zijn aanweezen nog bij zijn retour voor„ „meld geen Engelsche scheepen gezien veel min iets van dezelve vernoomen had. waar van Jk mijn Een schriftelijke opgave liet doen, vide de Bijlagen. Inmiddens zond jk ook een briefje af na Boelecomba een briefje na Boelexmba. in antwoord op 's Residents voormelde schrijvens Dingsdag den 6„e nichil woensdag „ Donderdag „ 8„e verscheen na voor af verzogt acces bij mijn den glarrang van Bontoa„ „lacq om uijt naam van het Hoff van Bonij mijn in antwoord mijner vervolg van den 4=e maij onder den 5„e deezer gedaanen voorstel te zeggen dat den Koning en Rijxgrooten met opzigt tot die van Manbhaar van meening zijn dat het beter zoude weesen niemand aan hun aftezenden om reedenen het vervolg Ao 1483 A„o 1783. Mai vervolg Een briefje na saleijer. Saturdag „ 10„e het bij de Boniers Ja onder alle deze lands volkeren een vaste wet was dat als een meerdere Bondgenoot aan een mindere hoe veel die ook mogt gezondigt hebben, een sendeling off Commissie zijnentweegen omtrend eene andere affaire liet afgaan, het dan ook een vast bewijs is dat al de vorige misdaad vergeten en ver„ „geeven is. En dat der Mandhareesen misdrijf zo omtrend Bonij als de Comp„e al te groot en meenigvuldig is, om dit te doen; Dog dat zij het afzenden van gecommitteerdens na Datoe Sideenring C: S: om hun te gelasten het pleegen van vijandelijkheeden tee„ „gens den anderen terstond te staaken, met mijn zeer goedkeur„ „de en dienthalven reets den soelematang Matjege benoemd hadden hunnen tweegen derwaarts te gaan, waar bij de mijne zich voegen zon. Met op zigt tot dat eerste zeide jk dat Jk in het daar omtrend gegevene antwoord dewijl der Boniers gebruykelijkheeden zo waren genoegen nam, schoon jk wel gewenscht had dat het anders waare, En dat jk met betrecking tot het tweede poinct van mijnen tweegen benoemen zoude den Boekhouder en oud Saleijers Resident Alexander whijts die dan so spoedig doenlijk met 's Konings gecommitteerdens na de Noord zoude kunnen vertrekken. Voorts zond jk op heeden per de ordinaire provisie Prauw na Saleijer af een briefje aan den Resident Swart ged=t 6b„e deezer vrijdag den 9„e Cnihil Zondag „ 11„e Liet mijn de koning van Bonij weeten dat zijne de wequit na Mandhar gezondene Expresse niet van de Engelsche scheepen 2 vernomen hadden, zelfs niet van een op den zelfden dag van hun komst op Parre Parre aldaar, binnen een etmaal van daan gekoomene vaarthuijg— vervolg van den 4=e maij Maandag 2 Ee Mai 25 A„o 1783 Een gestoolen Jongetje bouijs koning terug laaten geeven. Maandag den 12„e zond 1/k per een onzer handelaars af, een aparte briefje aan den Een briefje na Bima. Resident van Bima; Ook vertrokken op heeden na Soupa en Sawito, de onder den 8„e deezer vermelde gecommitteerdens, om de onruste gemoederen vervolg van den 4=e maij aldaar, is het mogelijk eenigsints te stillen. Dingsdag den 13„e viel niets voor woensdag „ 14„e heb jk op het verzoek van de Koning van Bonij, door den Burger krookwits aan dien vorst weder doen terug geeven, een door hem eenige uuren geleeden gekogt, dog nog niet betaald kleine Ionge„ „tje, van een zijner Hoogheids Zoontjes, die 'er gelijk hij mijn liet weeten, schrickelijk over huilde, en pas deze moogen van voor zijn Huis gestoolen was. Donderdag „ 15„e viel niets voor, als dat Jk per een onzer handelaars het du„ „plicaat briefje van den 12„e deezer, als meede een dito van heeden, over Sumbauwa na Bima aan den Resident Meurs afzond. Vrijdag „ 16„e kwam terug de door mijn den 4„e deezer de weg na de Man„ „dhar uit afgezondene ondertolk Bewers met zeer Be vervolg van den 4=e maij „rigt dat hij geheele Mandhar langs geene Engelsche schee„ „pen gezien, ook niet van dezelve van de onderweegs ontmoeten menschen vernomen had. Saturdag „ 17„e Zondag „ 19„e Maandag woensdag „ 21„e Donderdag „ 22„e vrijda9 „ 23„e viel niets voor na Saturdag „ 24„e Zondag „ 25„e hun Maandag „ 26„e de ordinaire zendeling Daeng Mandjareekie na Sanrabonij Een sendeling na saura, gezonden ter aanmaening van schuld en ter afhaal van de twee homagie slaaven die dat Rijkje sJaarlijks aan de Compagnie moet leeveren. „ 18„e nihil pen Dingsdag „ 20„e Een briefje van Boelecomba ontfangen. schrijvens na Bima. ook na deezer daan bonij

NL-HaNA_1.04.02_8261_0248 view scan ↗

English

May king. Wednesday the 28th and a message to Baij. Also the assistant interpreter De Graaff to the king of Bonij to inquire about his well-being, as his Highness was somewhat indisposed. Tuesday the 27th, returning from Soupa and Sawitto, pursuant to the 12th continuing from the 4th of this May, the Bookkeeper Whijts, who had departed thither alongside the envoy of the Bonij Court, returned, rendering such an account of his commission as the written report submitted by him dictates, and of which I also let the king of Bonij be informed by himself, just as his Highness also informed me of the return and accomplishments of his envoy. Thursday 29th nothing of importance occurred. Friday 30th Saturday 31st Anno 1783 from Macasser and Bantam. Incoming secret letterbook and enclosures: Makassar Palembang Japan Java's Northeast Coast Copy of Separate Letters. No 1. Incoming Secret Letter Letter O While Macasser Received 1784 Third part First File 12 Z. To His Right Honorable Venerable, Strict, Far-Ruling Lord Willem Arnold Alting Governor-General Together with The Honorable, Strict Lords Councillors of the Netherlands Indies Venerable, Strict, Far-Ruling Lord and Honorable, Strict Lords. Gusti Ngurah Made Karang Asem and Gusti Karang Asem, kings of Karang-Asem and Selaparang, I have obtained on the 2nd of August last writings wherein they come to complain about the hostilities that allegedly were committed in their harbors by a captain king and the chiefs of an arrived bark and ditto frigate, manned with Europeans, with a request for restitution of the goods taken away by them, a. To His Right Honorable Venerable, Strict, Far-Ruling Lord Willem Arnold Alting Governor-General Together with The Honorable, Strict Lords Councillors of the Netherlands Indies Venerable, Strict, Far-Ruling Lord and The Honorable, Strict Lords. Gusti Ngurah Made Karang Asem and Gusti Made Karang Asem, kings of Karang-Asem and Selaparang, I have obtained on the 2nd of August last past writings wherein they come to complain about the hostilities that allegedly were committed in their harbors by a captain and the chiefs of an arrived bark and ditto frigate, manned with Europeans, with a request for restitution of the goods taken away by them, F 1 a. Batavia To His Right Honorable The Right Honorable, Most Venerable, Strict, Far-Ruling Lord Mr. Willem Arnold Alting Governor-General Together with The Honorable, Strict Lords Councillors of the Netherlands Indies His Right Honorable, Most Venerable, Strict, Far-Ruling Lord and The Honorable, Strict Lords. From Gusti Ngurah Made Karang Asem and Gusti Made Karang Asem, kings of Karang-Asem and Selaparang, I have obtained on the 2nd of August last past writings wherein they come to complain about the hostilities that allegedly were committed in their harbors by a captain king and the chiefs of an arrived bark and ditto frigate, manned with Europeans, with a request for restitution of the goods taken away by them, p goods, which they specify in a second letter, and at the same time strongly urge to enter with them into the treaty of friendship and alliance that had previously already been under negotiation, of which the letters exchanged between Your Right Honorables and the late Governor van der Voort in the years 174, 175, 176, 177, and 1773 make special mention. Since they would otherwise, as their expression goes, have to look around for another white sort of people in order to live in alliance with them, awaiting an answer thereto until the upcoming month of November, as Your Right Honorables will, if pleased, be able to perceive in its particulars from the enclosed translated letter. From Samarang, Governor Sieberg has written to me in private concerning the suspicious conduct of the aforementioned Karang Asem in respect of his willingness to oblige the English with rice, and following this, I ordered Resident Meurs by a separate Company's letter dated the 24th of June last to make all possible inquiries, whose answer, received on the 10th of this month, is most respectfully attached hereto. Resident Meurs has also submitted to me by a letter of the 14th of July last his considerations, respectfully attached hereto, concerning the entering into an alliance with these princes, and also reported that on Sumbawa rumors were circulating that those of Great Bali had requested assistance on Java from our people against Karang-Asem, e

Dutch transcription

Mai koning. woensdag den 28„e en een bootscheep aan Baij Ook de ondertolk De Graaff na de koning van Bonij om te verneemen na desselfs welstand, alzo zijn Hoogheid wat onpasselijk was, Dingsdag den 27„e reverteerde van Soupa en Sawitto terug de onder den 12=e vervolg vanden 4=e maij deezer neevens de zendeling van het Bonijse Hoff na derwaar vertrokkene Boekhouder whijts doende zoodanig een verslag van zijn kommissie als het daar van door hem overgegevene schriftelijk Rapport dicteert en waar van Jk ook den ko„ „ning van Bonij door hem zelfs liet kennisse geeven, gelijk zijn Hoogheid mijn ook kennisse gaf van de terug komst en verrigting zijner afgezondene. Donderdag „ 29„e viel niets van aanbelang voor vrijdag „ 30„' Saturdag „ 31=e d Ao. 1783 is van Macasser en Bantam. Inkomend secreet briefboek en bij l: manasse Palembang Japan Javaas Noord oostkust Copia Aparte Brieven. N„o 1. Inkomende Secreet Briefl:t 0 Wijl Mcasser Overgek: 1784 Derde deel Eerste Stell¬ 12 Z . Aan zijn Hoog Edelheijd Agtbaaren Gestrenge wijdgebiedende Heere Willem Arnold Atting Gouverneur Generaal Benevens De Wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Neederlands Indië Agtbaare Gestrenge wijdgebiedende Heere en Wel Edele Gestrenge Heeren. Stij Moera Madde karrang Assang en Gustij karrang Assang koningen van karrang-As„ Salemparrang. heb Ik den 2„e Augustus Jongstr„ Crijvens erlangd waar bij zij komen te klaagen over t ten die in hunne Havenen door eenen kapitain de Hoofden van een aldaar aangekomene en met bemande Bark en dito fregat zoude zijn gepleegd. „ek tot restitutie der door dezen weggenomene goederen a. Aan zijn Hoog Edelheijd Agtbaaren Gestrenge wijdgebiedende Heere willim Arnold Atting Gouverneur Generaal Benevens De WelEdele Gestrenge Heeren Raaden van Neederlands Indië Agtbaare Gestrenge wijdgebiedende Heere en D'Wel Edele Gestrenge Heeren. Custij Moera Madde Karrang Assang en Gustij Marrang Assang koningen van karrang-As„ n Salemparrang. heb Ik den 2„e Augustus Jongstr schrijvens erlangd waar bij zij komen te klaagen over t eijten die in hunne Havenen door eenen kapitain in de Hoofden van een aldaar aangekomene en met „ bemande Bark en dito fregat zoude zijn gepleegd. zoek tot restitutie der door dezen weggenomene goederen F 1 a. Batavia Aan zijn Hoog Edelheijd Den Hoog Edelen Groot Agtbaaren Gestrenge wijdgebiedende Heere M„r „ Willim Arnold Atting Gouverneur Generaal Benevens De WelEdele Gestrenge Heeren Raaden van Neederlands Indië S:Hoog Edele Groot Agtbaare Gestrenge wijdgebiedende Heere en DWel Edele Gestrenge Heeren. van Gustij Moera Madde karrang Assang en Gustij Madde karrang Assang koningen van karrang-As„ „sang en Salemparrang. heb Ik den 2„e Augustus Jongstr Leeden schrijvens erlangd waar bij zij komen te klaagen overt hostiliteijten die in hunne Havenen door eenen kapitain koning en de Hoofden van een aldaar aangekomene en met Europeese bemande Bark en dito fregat zoude zijn gepleegd. — met verzoek tot restitutie der door dezen weggenomene goederen p goederen die ze bij een tweede brief komen op te geeven en te ge„ „lijk sterk aandringen om met haar het reeds bevoorens in onder„ „handeling geweest zijnde Contract van vriend en Bond genoot„ „schap waar van de tusschen uwe Hoog Edelheedens en wijlen de Gouverneur van der Voort in A„o 174, 175, 176, 177, en 1773. ge„ „wisselde brieven speciale melding maken aan te gaan. De„ „wijl zij anders /:zo haar uitdrukkinge is. / na een andere blan„ „ke zoort van Menschen zoude moeten omzien om daar meede in verbintenisse te leeven, zullende daar op na andwoord tot in de maand November aanstaande wagten gelijk uw Hoog Edelheedens zulks des gelievende uit de hier neevens„ „gaande Translaat brief in zijn omstande zullen kun„ „nen ontwaaren. van Samarang heeft mijn de Heer Gouverneurs Sieberg in 't particulier geschreeven over het suspecte ge„ „drag van voormelde karrang Assang in opzigt van zijne gewilligheijd om de Engelschen met Rijst te gerieven en hier na heb Ik bij een aparte 'sComp„s brieff de dato 24„e Iunij pas„ „sato de Resident Meurs gelast de mogelijke navorsching te doen welkers antwoord, den 10„e deser ontfangen, Eerbiedigst deesen is bijgevoegd. De Resident Meurs heeft mijn ook bij een brieff van den 14„e Julij passato opgegeven zijne dezen in Eerbied bij gevoeg „de Consideratien omtrend het aangaan van een verbinte „nis met deeze vorsten, en ook gemeld dat op sumbauwa de gerugten liepen dat die van Groot Balij op Java bij de onzen om adsistentie teegens karang-Assang zoude verzogt e

NL-HaNA_1.04.02_8261_0263 view scan ↗

English

have requested, and this will, in my view, likely be the principal reason for the strong petition for our help, or the decision otherwise, out of desperation, to embrace the English. To the aforementioned letter of the two named princes Gustij Moera Madde Karang-Assang and Gustij Madde Karrang-Assang, kings of Karang-Assang and Salemparrang, I have, with the departure of their two vessels—first repaired here of their defects and somewhat provisioned—replied in such manner as Your High Nobles will, if it pleases you, be able to see from the copy of my letter respectfully enclosed herewith. I therefore request to obtain Your High Nobles' respected orders on this matter, while I take the liberty most humbly to remark that, since one will likely have to choose one of the two parties, namely either Great or this Little Bali, it would, in my humble opinion—if one does not wish to abandon Great Bali and bring the Sumbawarese, who are admittedly not the most upright but are nevertheless our allies, into enmity against us—be much better to assist Great Bali with force, upon favorable conditions to be stipulated beforehand for the Honorable Company, both regarding the delivery of the products falling there in great abundance and regarding Salemparrang taken from the Sumbawarese, so that those of Great Bali, through the help of the Honorable Company, would again become complete masters of Carrang Assang, which was taken from them in a violent manner; which, however, as well as Salemparrang, has for a long time been an intrigue spot of the English and a smuggling den of many smugglers detrimental to the Honorable Company. I commend myself most humbly to the high favor of Your High Nobles and remain with the greatest respect, High Noble, Right Honorable, Severe, Far-Commanding Lord, and Right Noble, Severe Lords, Macassar, In Castle Rotterdam, the 11th of September Anno 1783. Your High Nobles' Most Humble and Faithful Servant, signed: B: Reijke. separate 5 Paragraph 1 Introduction To His High Nobility, The High Noble, Right Honorable, Severe, Far-Commanding Lord, Mr. Willem Arnold Alting, Governor General, Together with The Right Noble, Severe Lords Councillors of the Dutch Indies, High Noble, Right Honorable, Severe, Far-Commanding Lord, and Right Noble, Severe Lords. In hope of the good delivery of my humble dispatches of the 31st of May, 22nd of July, and 11th of September last, I hereby take the liberty to respectfully inform Your High Nobles, in continuation of what has occurred here since the dispatch of the first-mentioned with regard to native affairs and that which pertains thereto. Batavia Paragraph 2 That the tithes of the Makassarese have been collected again, on what conditions. That concerning the Kingdom of the Makassarese, the tithe collection in those lands, insofar as the same have been cultivated, has had its proper progress again this year; but that I, upon the strong insistence of their king and all the people, who, according to the proud nature of the Makassarese, cannot be brought to pound paddy, was obliged—if one did not wish to leave many lands far abandoned and run the risk of bringing them to obstinacy—to collect the tithe of the paddy crop in money, and thus to receive five Rijxdaalders in cash for every hundred bundles. Consequently, the tithe collection both there and in the southern part of Tello has yielded seven thousand bundles of paddy, which, as stated, calculated at five Dutch rijxdaalders per 100 bundles, together makes an amount of Rijxds 350:—: Dutch, which was properly counted into the treasury; and although not a large amount, it has nevertheless increased considerably in comparison with anno passato, just as it must absolutely continue to increase from time to time, in proportion as the people become able to cultivate everything and demand back that which the brave gentlemen of Boni have successively appropriated for themselves, quasi as an original right arisen from the latest war; and in that manner, and this is also the only means, gradually cause the Company to be reimbursed for the considerable amount of war expenses that were advanced. Paragraph 3 Why the same was recently assisted with some gunpowder etc. Furthermore, on the 10th of this month, at his request, I assisted the king with 12 pieces of muskets, 24 bundles of sharp cartridges, 12 pieces of cartridge pouches, and 25 flints, for the reason that rumors were circulating that Sankielang, having emerged from his hiding place, was intending to raid here and there. Although I rather think that under this name it is a party of predatory Boniers. However, there is nothing to fear from this, as the Makassarese already constitute a number of well over a thousand fighting men, who, supported by the king of Saurabonij, upon whose loyalty I think I can firmly rely, will always be able to withstand such rabble. Paragraph 4 The Makassarese live in quiet, and the presentation of their king has been postponed for reasons. Otherwise, everything in this Kingdom is in quiet rest and peace. The only thing that remains is the king's presentation among his own, to which I have urged not only the prince himself, but also his court dignitaries on diverse occasions, and even recently on the 13th of September passato; which, however, they repeatedly postpone due to the lack of many requisites that belong to such a ceremonial, if they do not wish to make themselves ridiculous before the Boniers. Paragraph 5 The Boniers become unwilling. The Court of Boni, which has been requested so often to constrain those of Soupa and Neepo to the return or compensation of the goods plundered by them from an Ambon vessel stranded over there, seems to

Dutch transcription

verzogt hebben en dit zal na mijn gedagten dan wel de principaalste oorzaak zijn van de sterke aanzoeking onzer hulpe of het besluit om anders uijt disperatie de Engel„ „schen in de Arm te neemen. Op voorschreeve Missive der twee genoemde vorsten Gustij Moera Madde karang- Assang en Gustij Madde kar „rang. Assang koningen van karang-Assang en Salem„ „parrang heb Ik met het vertrek hunner hier eerst van hun gebreeken en weinig voorziene twee vaarthuijgen zodanig G'antwoord als uwe Hoog Edelheedens uit het hier bij in eerbied gevoegde afschrift mijner brief des gelie„ „vende zullen kunnen zien. Ik verzoeke dierhalven op dit een en ander uw: Hoog Edelheedens gerespecteerde beree„ „len te mogen erlangen, terwijl Ik hier bij de vrijheid neeme aller nedrigst aan te merken dat daar men den„ „kelijk een van beide parthijen het zij Groot- dan wel dit klijn Balij zal moeten verkiesen het mijns geringe bedunken, wil men Groot Balij niet afvallen en de sum„ „bawareesen die wel Iuist de pluiste niet maar egter onze bondgenooten zijn tegens ons in vijandschap bren„ „gen, vrij beter zoude zijn Groot Balij, op voor af voor d' Ed: komp„e te bedingene favorabele voorwaardens zo omtrend het leveren van de daar in een groote menigte vallende producten als omtrend het vande sumbauwa„ „reesen ontnomene Salemparrang zodanig met magt te assisteeren dat die van Groot Balij door hulpe van d' Ed: komp:e weder volkomen meester van het hun op een geweldadige wijze ontrokkene Carrang Assang wier„ de 0 3 de het geen dog zo wel als salemparrang sedert langen een konkel plaats der Engelschen en een sluijknest van veele voor d'E komp:e nadeelige smokkelaars is geweest. Ik beveele mijn aller ootmoedigst in de Hooge gunst uwer Hoog Edelheedens en ben met de meesten Eerbied SHoog Edele Groot Agtbaare Gestrenge wijd gebiedende Heere en Dwel Edele Gestrenge Heeren Maccasser In't Casteel Rotterdam den 11„e September A„o 1783 uwer Hoog Edelheedens Onderdanigste en Getrouwen Dienaar /:was geteekend:/ B: Reijke. apart 5 S. 1 inleiding Aan zijn Hoog Edelheijd. Den Hoog Edelen Groot Agtbaaren Gestrenge wijdgebiedende Heere M:r Willem Arnold Tilling Gouverneur Generaal Benevens De wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Neederlands Indië Hoog Edele Groot Agtbaare Gestrenge wijdgebiedende Heere en Wel Edele Gestrenge Heeren. ƒ Jn hoope van de goede bestelling mijner onderdanige van den 31„e Mai, 22:' Juli en 11. e September laastleeden, zo nee„ „me Ik bij deesen de vrijheid uwe Hoog Edelheedens, ten vervolg van het geene alhier zeedert het afgaan van eerstgemelde met opzigt tot de Inlandsche zaaken en dat geene wat daar toe betrekking heeft is voorgevallen Eerbiedigst te bedeelen. Batavia Dat aar „den weeder verthiend op wat Conditien Makassaaren. De verthiening in die Landen voor zo verre dezelve bewerkt zijn dit Iaar weeder behoor„ de Makassaarse van „lijk zijn voortgang heeft gehad: dog dat ik op de sterke Instantie van hunnen koning en al het volk dat na den Trotsen aard der Makassaaren tot geen Padij Stam„ „pen te brengen is, genoodzaakt ben geweest, wilde men daar veele Landen verre afleggen, geen gevaar loopen hunlieden tot baloorigheid te brengen, het Padij gewas voor geld te verthienen en dus voor de Hondert bossen vijf Rijxdaalders aan Contante te ontfangen; Invoe„ „gen de verthiening zo daar als in het zuider gedeel „te van Tello afgeworpen heeft zeeven Duijzent bossen Padij, dat /:zo als gezegd de 100 bossen teegens vijf rijf „daalders hollandsch gereekent:/ te zaamen uitmaakt de een bedraagen van Rijxd„s 350:—: hollandsch, dat behoor „lijk in kassa is geteld en schoon wel geen groot bedra„ en „gen egter in vergelijking van anno passato Considera„ „bel toegenoomen is, zo als het ook absolut van tijd tot tijd, na rato dat de Menschen in staat koomen om alles te bewerken en te rug te Eisschen het geene de braa„ „ve Heeren Booniers zig quasie als een oorspronkelijk regt uit den Iongsten oorlog ontstaan, successive toe„ „geeijgent hebben, nog verder moet toeneemen en de Maat „schappij indier voegen /: en dit is ook het eenigste middel:/ langzaamerhand vergoed doen krijgen de uitgeschoote„ „ne Considerabele meenigte van oorlogs ongelden. Dat ten belange van het Rijk der Voorts §. 2. 0 7 waarom dezelve on„ „langs met eenig de Makassaaren leven in stilte. „ling van Hunnen koning om reedenen uijtgesteld. De Boniers worden onwillig. voorts heb Ik den koning den 10„e deezer op zijn ver„ „zoek g'assisteert met 12 p„s snaphaanen, 24. bossen scher„ kruit etc: g'agsisteert„ pe pattroonen, 12 p„s pattroontassen en 25. vuursteenen, om reeden de gerugten liepen dat Sankielang uit zijn schuilnest te voorschijn gekoomen van voorneemens zou„ „de weezen om hier en daar te stroopen. Schoon Ik eer denk dat het onder deeze naam een parthij roofzieke Bo„ „niers zijn. Egter is hier niets voor te vreesen, maaken„ „de de Makassaaren nu reets een aantal van ruim Duizend strijdbaare Mannen uit, die ondersteunt word van de koning van Saurabonij, op wiens trouw Ik denk vaste staat te kunnen maaken, zulk gespuis altoos het Hoofd zullen kunnen bieden. Anders is het in dit Rijk alles in een stille rust en vreede. Het eenigste dat overig blijft is konings voorstelling onder de zijne, waar toe Ik niet alleen en hebben de voorstel den vorst zelve maar ook zijn Hofs-grooten diverse reise en zelfs nog Iongst op den 13„e September passa„ „to heb aangespoort, dog het geene zij telkens door ge„ „brek van veele vereischtens die tot zodanig een Ceremonieel, willen zij zig voor de Boniers niet belaggelijk maaken, gehooren, koomen uit te stellen. Het Hof van § 5. Bonij Dat zo dikwils verzogt is geworden om die van Soupa en Neepo te Constringeeren tot de te rug gaave of vergoeding van de door hun van een daar gin „ter gestrand Ambons vaarthuig geroofde goederen, schijnt ten E § 3. § 4.

NL-HaNA_1.04.02_8261_0268 view scan ↗

English

56. ...concerning the Company, which will have to be countered when the opportunity arises, to be utterly unwilling to do anything with emphasis in our favor in that matter; at least nothing comes of it, and therefore one can now surely assume that the Madanrang, father-in-law of Boni's king, who is also a father-in-law of Soupa's king, will have received his share of these looted goods. However, I will keep that claim alive in case it might happen in time that something could still be obtained from one party or the other. For if the king—of whom I always had better thoughts than has recently appeared to be the case—continues in his negligence regarding the requests made to him on behalf of the Company, and in his unjust protection, I will not only say of the rapacious and murderous Boni princes, of which another fresh example may come before Your High Nobilities in the secret Daily Register under the 18th September passato, but also, as has now happened in the case of those of Tanette to be reported hereafter, of the lesser princes and kings, in order thereby to make himself greater than is serviceable, then finally, when Your High Nobilities shall be in a position to assist Makassar with the men necessary for that purpose, it should be brought to that point to hold such conduct against him as punishable and to make him understand, indeed if necessary experience, that no one but the Honorable Company can hold mastery over Celebes. Paragraph 7. The King of Soping is said to have married a Loewoese princess, in spite of Boni's king, whose sister he has in marriage, which might well cause some dissension between these two kings. But how far this is true I do not yet know; at least neither of those two princes has given me any notice thereof. Paragraph 8. Those of Sandrabonij live quietly and well; however, I have not yet been able to get anything paid by them in reduction of their state debts, although they had made promises that to become able to do this they would sell some of their personal jewelry. Paragraph 9. Tanette, relying too much on his influence with Boni's king, to whose full aunt he is married, remains just as recalcitrant, and aims at nothing else than the ruin of his older brother, Aroe Pantjana, to which he is not a little incited by the Bonians. In their eyes, this prince—who in anno 1776 was taken under the Company's protection by the late Governor van der Voort and assigned a dwelling place at Sagerie, and furthermore has been of much help and service to us against the rebel Sankielang—is a great thorn, as indeed have always been all those who have placed themselves under the Company's protection. Paragraph 10. To stop this malicious intention and thereby not to cause unrest in the Company's lands and subjects, I employed beforehand all possible means, but all in vain; until finally, when he, supported by various Boni princes, had the audacity to invade the Company's territory at Sageerie, I found myself obliged to bring this perilous matter before the Council of Policy in order to deliberate maturely upon it with the advice of the councillors. This finally had the result that, upon the protests dispatched both to the Court of Boni and that of Tanette, both these princes somewhat submitted, and this matter has now quieted down a little. We must now further await the return of the commissioners sent by both sides to Tanette and Sagerie, after which I hope that Boni's fickle king will at last resolve to settle with me the claims of both brothers according to justice and equity, as Your High Nobilities, if you please, will be able to see in its full context from a separate bundle of papers concerning only this case, which is being sent over now, and to which, to avoid a long narrative, I most humbly refer. Paragraph 12. Having nothing further to report concerning Thaeng since the dispatch of my last respectful letter of the 31st May passato, I note with respect to the Datoua of Sideenring...

Dutch transcription

56. „trent d' het komp. e dat bij gelegentheijd zal moeten worden tegengegaan. ten eenemaale onwillig te zijn omme daar inne iets met nadruk ten faveure van ons te willen doen, ten minsten daar komt niets van, en dierhalven kan men nu wel voor zeeker stellen dat de Madanrang schoon vader van Bonijs koning die ook een schoonvader van Soupas koning is, zijn aandeel uit dit geroofde zal gekreegen hebben. Egter zal Ik die pretentie leevendig houden of het in der tijd gebeuren mogt dat er van de eene of andere parthij nog iets te haalen was, want als de koning, daak Ik altoos beetere gedagten van gehad heb dan nu zeedert korten komt te blijken, voortgaat in zijn ook onagtzaam om onagtzaamheid omtrend de verzoeken die hem 's Comp„s weegen worden gedaan en in het onbillijker wijse protegeeren, Ik wil niet alleen zeggen der roof- en moord gie„ „rige Bonische Princen, waar van uwe Hoog Edelheedens weder een versch staaltje te vooren kan koomen bij het se„ „kreet Dag Register onder den 18„e September passato, maar ook, gelijk nu in het hier agter te meldene geval van die van Tanette geschied is, van de mindere vorsten en konin„ „gen om zig zelfs daar door grooter te maaken als dienstig is, zo zal het eindelijk, wanneer uwe Hoog Edelheedens in staat zullen weezen Makassar met de daar toe nodige Manschappen te assisteeren daar heen dienen te worden ge„ „bragt om hem zulke gedoentens straffelijk voor te hou„ „den en te doen begrijpen Ia des noods ondervinden dat niemand als de Ed„le komp„e het Meesterschap op Celebes voeren kan. — De Koning van § 7. Soping zegt men dat een Loewoese Princes getrouwt heeft in 9 van nadenking die van sandrabo„ „nij hebben weder niets kunnen afleg„ „gen. tigheijd vermeerdert Aroe Pantjana sopings Huwelijk in spijt van Bonijs koning waar van hij een suster ten huwelijk heeft, het geen wel eenige twee spalt tusschen dee„ „ze twee koningen zoude kunnen verwekken. dog in hoe verre dit waar is weet Ik nog niet, ten minsten geen van beide die vorsten hebben 'er mijn eenige ken„ „nisse van gegeven. § 8. Sandrabonij Leeven stil en wel, egter heb Jk van deeze nog niets in mindering hunner Rijks-schulden be„ „taald kunnen krijgen, schoon zij beloften hadden gedaan dat zij om hier toe in staat te geraaken eenige hunner Lijfs-bieraaden zouden verkoopen. § 9. Sanette, te veel vaart loopende op zijn vermogen bij Bonijs Tanette 's weerbars koning, waar van hij met een volle Tante getrouwt is, blijft even wreevelig, en beoogt niets anders als het bederf van b'oorlogt zijn broeder zijn ouder Broeder Aroe Pantjana, waar toe hij niet wei„ „nig aangehits word door de Boniers, in wiens oogen dezen Prins /:die in anno 1776 door wijlen den Gouverneur van der voort onder 'sComp„s protextie genoomen en woon„ „plaats op Sagerie aangeweezen, mitsgaders ons van veel hulp en dienst teegens den Rebel Sankielang is geweest:/ een groote doorn is, zo als ook altoos geweest zijn alle die welke zig onder 'sComp„s bescherming heb„ „ben begeeven gehad. § 10. Ik heb tot stuiting van dit Boosaardig voorneemen Dog de koning van Die van Cen en invadeert 'sComp„s Grond gebied op Pageerie protestatien daar teegens waar op eindelijk stil„ „stand gevolgd is. uijt en om daar door 's Comp„s Landen en onderdanen niet te doen ontrusten alle mogelijke middelen voor af in het werk gesteld, dog alles vrugteloos. tot dat Ik mijn eijndelijk, wanneer hij ondersteunt van diverse Boni„ „sche Princen de stoutheijd had 'sComp:s Grond gebied op Sageerie te invadeeren, genoodzaakt vond deeze haglijke zaak in vergadering van Politie te brengen om met ad„ „vis van Raaden daar over met rijpheijd te delibereeren, het geen eijndelijk van dat gevolg is geweest dat op de afge„ „zondene protestatien zo aan het Hoff van Bonij als dat van Tanette deeze beide vorsten het Hoofd eenigsints in de schoot gelegd en deeze zaak thans een weinig gestild is„ zullende men nu verder moeten afwagten de te rug komst der weederzijdse na Tanette en Sagerie gezondene ge„ „kommitteerdens waar na Ik hoop dat Bonijs wispel„ „turig Koning eens eindelijk resolveeren zal om de preten„ „tien van beide de Gebroeders na regt en billijkheijd, met mijn af te maaken, gelijk uwe Hoog Edelheedens des gelie„ „vende alles in zijn te zamenhang zullen kunnen zien uijt eene daar van thans overgaande en enkeld tot dit geval betrekking hebbende Bondel aparte papieren, waar aan Ik: B mijn dan ook ter vermijding van een lang verhaal ootmoe„ sa „digst gedrage. e „tro § 12. Thaeng niets naadert zeedert het afgaan mijner Iongst Thaeng leevert niets Eerbiedige van den 31„e Mai passato te melden hebbende, zo noteere Ik met opzigt tot den Datoua. van gesch n Sideenring 5 11: van en de

NL-HaNA_1.04.02_8261_0271 view scan ↗

English

The disturbances between Sideenreeng and those of Neepo etcetera stemmed. Section 14. The sergeant departed for Boutong has not yet returned. Report concerning the artillery lying at Salemparang. Of our allies on the opposite shore. Section 13. Titteenring, that these and those of Neepo etcetera have finally laid down their weapons and that thus their disputes have ended through the mediation of myself and the King of Bonij. However, the Datoea keeps himself in retirement, and it is said that he, who had always submitted himself under Bonij, would now have betaken himself to the King of Soping. From Boutong, Sergeant Bosamie, who departed thither for the eradication of spice trees, has not yet returned to this day, although he wrote to me by a letter of the 12th of August passato that he intended to undertake his return voyage in September. Section 15: Concerning the Opposite Shore. From there I have received the Resident's letters of the 14th of July and 1st of September 1783. In the first he reports concerning the 7 pieces of cannon still lying on Balij, which one must now expect from the Gusti of Carrang-assang and those of Salemparrang following the promise made by them to Resident Meurs, since they did not entrust the same to the Sumbawarese, and in the latter he sends over a resolution adopted on the 30th of December 1782 in the General Land Assembly, by which will appear to your Right Noblenesses among other things the continued affection and the faithful adherence of the princes of the opposite shore, especially those of Bima, for the Honorable Company. 16. Except Sumbauwa. 17. The King of Sangar deceased. The new king will come hither. Insolences of the Bonians and Tanetterese on the Company's lands. Fortunate that the collection of tithes was done early. However, by no means included therein is the King of Sumbauwa, whose indifferent and arrogant conduct according to the Resident's statement increases more and more and shines clearly through from his manner of refusal to ratify with his royal seal the decisions taken in full Land Assembly, just as the other kings had done. The King of Sangar having deceased, I expect from there shortly the newly appointed king with the grandees of that realm, the latter to swear to the contracts instead of their prince, who is still very young and according to report not above seven years old, which otherwise through length of time might sometimes remain entirely in the book of oblivion. Section 18: With regard to the Company's lands and subjects, I have already had the honor under the main section of Bonij and Tanette to report the hostilities, both those committed by the Bonians on our negorijs to the North, as well as the invasion by the King of Tanette on the Company's territory at Sagerie, supported by various Bonian princes, especially the King's uncle Aroe Nanka and the King's illegitimate brother Daeng Malimpo, who at the last still marched off to Tanette with 300 men. Section 19: So that it has still been fortunate that I had the collection of tithes at Sagerie done early and furthermore made all possible haste with it even to the North, so much so that the same, although once again an exceptionally bad and meager crop, yielded this year still 15¼ lasten of rice and 605 bundles of padi more than the previous year. Section 20. On Saleijer some disputes occurred among the regents according to a letter received from there of the 11th of August passato, at least the Resident seemed apprehensive of trouble, but the pantjallang the Maria having been dispatched thither early by me with some Javanese warriors under a brisk European sergeant, nothing further came of it, all regents, see the Resident's further letter of the 30th of September last, having unanimously promised to serve the Company with all faithfulness. Just as they also promised the same to me in person these past days on the occasion of their annual arrival hither to fulfill their tribute. Revolt on Saleijer quelled. Correspondence maintained with the neighboring governments. Section 21: The correspondence with the neighboring governments has been observed from both sides on occasion. I have still recently received via Ambon, under the delivery of the burgher Willem Hendrik Piel who lost his bark around Bouton, secret writings from Amboina, Banda, and Ternate No foreign vessels seen. Section 22. The Javanese auxiliary troops dispatched except for one company. Request for military personnel. Conclusion. Ternate dated the 22nd of November 1782, 7th of April, 1st of May and 16th of August 1783. By which among other things it comes to appear that except for a vessel showing itself in the month of March passato between the islands of Katting and Ceram Laut and reported having passed itself off as a French ship, no foreign vessels have been sighted there. Around the article of War there is also nothing to communicate except the dispatch of the Javanese auxiliary troops save for a good one hundred men, whom I have absolutely had to retain on account of our weak garrison, thus I still most respectfully urge your Right Noblenesses that the requisition of European military personnel, upon relief from the Netherlands, may be completely fulfilled, since, besides the urgent reasons made known for this in the requisition itself, those troops are most highly needed in this present state of affairs here where the Bonians and others begin to act so insolently. Section 23. Regarding matters of less importance, not elaborated herein, I take the liberty to refer myself most humbly to the separate daily journal and further annexes respectfully enclosed herewith, while concluding this herewith with the most dutiful sentiments of Right Honorable

Dutch transcription

de onlusten tusschen sideenreeng en die van Neepo etc:a gestuit. § 14. de na Boutong ver„ „trokken sergeant nog niet te rug gekeert. Berigt wegens het op salemparang leggend geschut. onzer Bondgenooten op de overwal Titteenring, dat deezen en die van Neepo etc: hun„ „ne wapens eindelijk hebben neergelegt en dat alzo derzel„ „ver verschillen door tusschen komst van mijn en Bonijs Koning afgeloopen zijn. Egter houd zig den Datoea geretireerd en men wil wel zeggen dat hij, die zig altoos onder Bonij gesubmitteerd heeft, zig nu vervoegd zoude hebben bij den koning van Soping. Boutong is tot heeden toe nog niet te rug gekeert de na derwaards ter uijtroeijing van specerij Boomen ver„ „trokkene Zergeant Bosamie, schoon den selven mijn bij een Brief van den 12„e augustus passato geschreeven heeft dat hij zijne te rug reise in september meende te onderneemen. § 15: De Overwal betreffende. van daar heb Ik ontfangen des Residents Brieven van den 14„e Iuli en 1:e September 1783. Bij de eerste doet hij Berigt weegens de op Balij nog leggende 7: stuks Canons, die men nu van den Gusti van Carrang-assang en die van Salemparrang zal moeten verwagten na de belofte door hun aan den Resident Meurs gedaan, dewijl zij dezelve niet aan de sumbauwereesen toevertrouwde, en bij de laaste zend hij over eene op den 30„e December 1782. in de Generaale Lands vergadering en de trouwe aankleeving genomene Resolutie, waar bij uwe Hoog Edelheedens on„ „der anderen geblijken zal de aanhoudende genegentheijd der van overwalesche § 13. Ik: oe„ 16. Excepto Sumbauwa 17. F „gar overleeden. de nieuwe koning zal dit heen komen Brutaliteijten der Boniers en Tanettereesen op 'sComp:s Landen. bij geluk dat de verthie„ overwalsche vorsten, bijzonder die van Bima voor d' Ede„ „le kompagnie. Egter is daar onder geenzints begreepen die van Sumbauwa wiens onverschillig en trots ge„ „drag volgens Residents opgave meer en meer toe „neemt en duijdelijk doorstraald uit zijne manier van weigering om de in volle Landsvergadering ge„ „nomene besluijten, even als de andere koningen bad„ „den gedaan, met zijn Rijkszegel te bekragtigen. De Koning van Pangar overleeden zijnde zo verwagt d' koning van San„ Ik eerstdaags van daar de nieuw aangestelde koning met de Grooten van dat Rijk, de laaste om in plaats van hun„ „nen vorst, die nog zeer Iong en volgens opgave niet boven de zeeven Iaaren Oud is, de Contracten te bezweeren, dat anders door langheijd van tijd zomtijds geheel en al in het vergeet Boek zoude kunnen blijven Het opzigt tot § 18: 'S Kompagnies Landen en onderdaanen, heb Ik onder het Hoofddeel van Bonij en Tanette reets de Eere gehad van te melden de hostiliteiten, zo die der Boniers op onze Negorijen om de Noord gepleegd als de invasie van Tanettes koning op 'sCompagnies Grond gebied te Sagerie, ondersteund van diverse Bo„ „nische Princen bijzonders 's konings Oom Aroe Nanka en 's konings onegte Broeder Daeng Ma„ „limpo, die op het laast nog met 300 Man na Tanet„ § 19. „ te afgetrokken was. zo dat het nog geluckig is ge„ ning vroeg geschied is. „ weest dat Ik de verthiening op Sagerie vroegtijdig heb 13 revolte op Saleijer gestilt. met de nabuurige Gouvernementen onder„ „houden. heb laaten doen en verder daar meede om de Noord zelfs alle mogelijke spoed gemaakt, zodanig dat dezelve, schoon al„ „weeder een bijzonder slegt en schrael gewas, dit Iaar nog 15¼ Lasten Rijst en 605. bossen Padij meerder dan Annopassako heeft afgeworpen. § 20. Saleijer zijn eenige strubbelingen onder de Be„ „genten voorgevallen volgens een van daar ontfangene Brief van den 11„e augustus passato, ten minsten de Resident scheen voor onraad bedugd, dog de pantjal„ „lang de Maria met eenige Iavaase krijgers on„ „der een wakker Europees sergeant na derwaarts vroegtijdig door mijn afgezonden zijnde, is 'er niets verders van gekoomen, hebbende alle Regenten vide 's Resident nadere Brief van den 30„e September Iongst leeden eenpaariglijk beloofd de komp:e met alle getrouw„ „heijd te zullen dienen. Gelijk zij zulks ook dezer da„ „gen bij occasie hunner Iaarlijkse opkomst na herwaarts ter voldoening harer tribuit, aan mijn zelve in per„ „zoon hebben beloofd. § 21: De Correspondentien met de nabuurige Gou„ De correspondentien „ vernementen is van weerskanten bij geleegentheijd g'observeert. hebbende Jk nog Iongst over Am„ „bon onder bestelling van de zijn Bark omstreeks Bou„ „ton verlooren Burger Willem. Hendrik Piel ontfan„ „gen sekreet schrijvens van Amboina, Banda, en Ternaten Op a. geen vreemde scheepen „man. § 22. de Javase hulptroupen, „zonden. verzoek om Militairen slot. Ternaten de dato 22„e November 1782, 7„e april, 1„e Mai en 16„e augustus 1783. waar bij onder anderen komt te blij „ken dat behalven eene in de maand Maart passato zig tus„ „schen de Eilanden Katting en Ceram saut vertoond en vernoomen als een franse zig voor een Franschman uijtgegeven hebbend schip geen vreemde scheepen daar vernoomen zijn. Oorlog ook niets te bedeelen vallende als de afzen„ „ding der Iavase Hulptroupen tot op een groote Honderd op een komp„e na afge„man na, die Ik absolut uijt hoofde van ons zwak Gua„ „nisoen heb moeten aanhouden, zo insteere Ik als nog Eerbiedigst uwe Hoog Edelheedens dat den Eijsch van Euro„ „peese Militairen, bij ontzet uijt Neederland Compleet mag worden voldaan, alzo men, behalven de daar voor bij den Eisch zelve bekend gestelde drang redenen, die Man„ „schappen in deeze tijds gesteldheijd alhier daar de Boniers en anderen zo zeer den brutaalen beginnen te speelen, ten hoogsten benoodigt is. § 23. Aangaande zaaken van minder belang, in deezen niet geExtendeert, neeme Ik de vrijheijd mijn Ootmoedigst te gedraagen aan het hier bij in Eerbied bijgevoegde aparte Dag=Register en verdere Bij„ „lagen, terwijl Ik dezen hier meede besluijten „de met de allerschuldpligtigste gevoelens van Omtrend het Artikul van Hoog E

NL-HaNA_1.04.02_8261_0275 view scan ↗

English

15 I remain with high esteem and respect, High Noble, Right Honourable, Severe, Far-Commanding Lord, and Right Honourable, Severe Lords, Your High Nobilities' Makasser in Castle Rotterdam, the 15th of October, Anno 1783. Most humble and faithful servant, was signed: B: Reijke Complaints made by Boni's King to Batavia, in the answer thereto given by Governor Barend Reijke in Anno 1783. No 4. a. 16 Batavia. To His High Nobility, the High Noble, Right Honourable, Severe, Far-Commanding Lord, Mr. Willem Arnold Alting, Governor-General, together with the Right Honourable, Severe Lords, Councillors of the Dutch Indies. High Noble, Right Honourable, Severe, Far-Commanding Lord, and Right Honourable, Severe Lords. After a careful consideration of the complaints made by Boni's king, contained in a copy received among the secret papers of the letter dispatched on that account by His Highness, I have the honour to report most humbly: That the insolence and extortion of the Bonians were already evident even in the time of the High Noble Lord Speelman, exemplary, see His High Honour's Memoir left behind as Governor of Maccasser. These have subsequently, successively increased and not diminished. In the time of President Harthouwer, Radja Palakka already began to show what he had up his sleeve, to such an extent that My High Nobilities were forced in Anno 1675 to make the elected Governor of Banda, Bogaard, call at this place to settle the disputes that had arisen between that Gentleman and Boni's King Radja Palakka, which then also occurred in favour of the former, not without strong expressions in Their High Honours' letter of the 29th of December 1675 concerning the arrogance and ingratitude of this nation, as can be seen in detail in that letter. And I assure Your High Nobilities that they would gladly put their foot on our neck and wish to hold the mastery over Celebes, if only they saw an opportunity to do so; but they know this to be impossible, and therefore they seek to draw as much to themselves as is feasible for them, especially in these times when our weakness is all too well known to them, caring not in the least whether their pretensions are just or not, as I have partially cited in my recent respectful letter of the 31st of May, and as can appear from many papers, especially the Memoirs of the Governors Gobius and Sinkelaar, yea, can also be measured by their insolent demand recently made upon the Campong Baroe. My predecessor, Governor van der Voort, says in his letter of the 1st of October 1779 that the Bugis possess as abhorrent an internal character as can be found in any nation anywhere, and Lord Boelen, who held the administration here shortly before, also speaks no small praise of them; so that, notwithstanding I could well understand how matters stood with these complaints, I had to wonder more at the manner in which the complaints made by Boni's king

Dutch transcription

15 Hoog-agting en Eerbied blijve. Hoog Edele Groot Agtbaare Gestrenge wijdgebiedende seere en Wel Edele Gestrenge Heeren! Makasser in 't Casteel uwer Hoog Edelheedens Rotterdam den 15„e October - Onderdanigste en Getrouwen Dienaar /:was geteekent:/ B: Reijke Anno 1783 - Klagten door Bonies Koning nan Batavia Gedaan in het andwoord. daar op door den Gouverneur Barend Reijke gegeeven in A„o 1783. No 4. a. 16 tavia. Aan zijn Hoog Edelheijd Edelen Groot Agtbare Gestrenge, Wijd gebiedende Heere, M:r Willem Arnold Atting Gouverneur Generaal Benevens De wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands Indië. Hoog Edele Groot Agtbaare Gestrengen, wijd gebiedende Heere, en Dwel Edele Gestrenge Heeren. Na een nauwkeurige overweeging van de door Bonies koning gedaane klagten, vervat bij een onder de secreete Pupie „ren ontfangene Copia van zijn Hoogheids dientweegen afge„ „sondene Brief, heb jk de Eere allerneedrigst te melden. Dat der Boniers brutaliteiten en knevelarijen gebleeken hebben zelfs al ten tijde van den Hoog Edelen Heer Speelman /: E: G:/ vide Hoog Desselfs Memorie als Gouverneur van Maccasser so 16 tavia. Aan zijn Hoog Edelheijd Edelen Groot Agtbare Gestrenge, Wijdgebiedende Heere, M:r Willem Arnold Alting Gouverneur Generaal Benevens De wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands Indië. Hoog Edele Groot Agtbaare Gestrengen. wijdgebiedende Heere, en Vwel Edele Gestrenge Heeren. Na een nauwkeurige overweeging van de door Bonies koning gedaane klagten, vervat bij een onder de secreete Papie „ren ontfangene Copia van zijn Hoogheids dientweegen afge„ „sondene Brief, heb jk de Eere allerneedrigst te melden. Dat der Boniers brutaliteiten en knevelarijen gebleeken hebben zelfs al ten tijde van den Hoog Edelen Heer Speelman /: E: G:/ vide Hoog Desselfs Memorie als Gouverneur van Maccasser s 16 Batavia. Aan zijn Hoog Edelheijd Den Hoog Edelen Groot Agtbare Gestringe, Wijd gebiedende Heere, M:r Willem Arnold Alling Gouverneur Generaal Benevens De wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands Indië. Hoog Edele Groot Agtbaare Gestrengen, wijdgebiedende Heere, en Dwel Edele Gestrenge Heeren. Na een nauwkeurige overweeging van de door Bonies koning gedaane klagten, vervat bij een onder de secreete Pupie „ren ontfangene Copia van zijn Hoogheids dientweegen afge„ „sondene Brief, heb jk de Eere allerneedrigst te melden. Dat der Boniers brutaliteiten en knevelarijen gebleeken hebben zelfs al ten tijde van den Hoog Edelen Heer Speelman /: E: G:/ vide Hoog Desselfs Memorie als Gouverneur van Maccasser os Maccasser nagelaten. Dezelve zijn naderhand successive ver „meerdert en niet vermindert. Ten tijde van den President Har „houwer begon Radja Palakka al te toonen wat hij in zijn schild voerde, zodanig dat Munne Hoog Edelheedens genood„ „saakt waaren in A„o 1675. hier te doen aangieren den g'Eligeert Bandas Landvoogd Bogaard om te beslissen de ontstaa „ne verschillen tusschen dien Heer en Bonijs Koning Radja Palakka, dat dan ook in faveure van den Eersten geschiede, niet sonder sterke uitdrukkingen bij Hoog Derzelver missive van den 29„e December 1675. over de arrogantie en ondankbaarheid de zeer Natie, gelijk bij die Brief in zijn omstande te beoogen is. En Ik verzeeker uwe Hoog Edelheedens dat zij ons gaarne den voet op de nek zoude zetten en het meesterschap op Celebes voeren willen, zagen 'er maar kans toe. dog dit weeten zij onmoge„ „lijk te zijn en daaromme zoeken zij zo veel haar doenlijk is na zig te haalen, bijzonder in deeze tijden daar onze swakheid haar te over bekend is. kreunende zij zig geensints off haare pre„ „tentien regtvaardig zijn dan niet, gelijk Ik bij mijn Iongste ee biedige van den 31„e Mai gedeeltelijk heb aangehaald, en bij veele Papieren insonderheid de Memorien van de Gouverneur Gobius en Sinkelaar geblijken kan, Ia ook afgemeeten kan worden na hunnen brutalen Eijsch nog Iongst op de Campong Baroe. Mijn predecesseur de Gouverneur van der voort zegt bij zijn E: Brief van den 1„e october 179 dat de Boegineesen zo een verfoeijlijk interieur Caracter bezitten als men ergens eene Natie vind, en de kort bevoorens het bestier hier gehad hebbende Heer Boelen spreekt 'er ook niet weijnig lof van zo dat niet teegenstaande Jk wel begrijppen kon hoedanig het met deze klagten geleegen was, jk mijn meer verwonde „ren moest over de wijze waar op de klagten door Bonies koning

NL-HaNA_1.04.02_8261_0285 view scan ↗

English

18. the king had made, as well as over the complaints themselves which, viewed in the proper light, contain nothing other than advantageous articles for him and for his friend. And for that reason I was at first intended to have the king of Bonij spoken to concerning these various matters by two members of the Political Council according to the points of inquiry already drawn up by me on that account; however, having subsequently reflected upon the offense that this would undoubtedly have given to the young monarch before the grandees of the realm, in whose presence this would have had to take place, I refrained from doing so. Nevertheless, in order to be able to refute what is necessary regarding this, I had His Highness—who for some time still has been keeping his residence in the north, awaiting, as they say, his envoys who to this day have not yet returned—asked in secret through a trusted person to what extent he intends me with all these complaints; for I, conscious of having done nothing against my oath and duty, wished to justify myself regarding this to Your High Nobilities. Whereupon His Highness let me know that he himself would justify me to Your High Nobilities, as he had meant me neither in the one nor in the other; shortly thereafter I received from the hands of Aroe Tanette—one of the grandees of the realm who in the past year assisted me in the collection of the tithes, and who had come over together with my confidant—such a letter from the king addressed to Your High Nobilities as I take the liberty to attach most humbly hereto, not doubting but that Your High Nobilities will be able to see most clearly from the same, as well as from the attached translation, translation, that the monarch, whether he meant me or not, now that it comes to the matter at hand, has nothing to say against my conduct. But since this serves only for my satisfaction and does nothing to clarify His Highness's complaints in themselves, I have, in order to meet the actual intention all the more clearly and to demonstrate to Your High Nobilities at the same time the absurdity of such complaints, answered all the points one by one in a dividing manner in the margin. I implore God's blessing upon Your High Nobilities' precious persons and upon the weighty interests of the General Dutch East India Company and remain, with the deepest sentiments of high esteem and respect, beneath stood: High Noble, Great Honorable, Strict, Far-Commanding Lord and Noble Strict Lords. Lower: Your High Nobilities' humble and faithful servant, was signed: B: Reijke, in the margin: Maccasser in Castle Rotterdam, the 22nd of July, Anno 1783. Translation 20 hereupon To Respectful Answer Their High Nobilities. Translation of a Malay Letter Written by Padoeka Sirie Sulthan Ahmadoelt Salet Sjamsoedien, King of Bonij, to His High Nobility the High Noble, Great Honorable, Far-Commanding Lord Mr. Willem Arnold Alting, Governor-General of the Dutch East Indies, received at Batavia the 7th of November, Anno 1782: Reading, after the introduction, so far as is intelligible, as follows. Furthermore, the Radja of Bonij sends this letter of sincere friendship from a pure heart to his friend who is a merciful one, namely the Governor-General, with many greetings and in accordance with the content of the alliance which is constantly and for all time very firm and improves more and more. Furthermore, I make known to my friend the Padoeka Governor-General that at present in very many matters which have been contracted between the Company and Bonij there is a dispute, and I judge that the source of rest and peace for me is that neither of us make any alteration, change in matters that have been of old: in this manner I recount and arrange every matter in which a dispute exists, on the grounds that I place very great trust in you and it grieves me exceedingly that we reciprocal friends should have discord, for out of friendship one attains lasting welfare and prosperity, the bliss of which flows forth from the good brotherly condition of Bonij and the Company. Paragraph 1: At Bontowalak no contract was ever concluded with the Bonians. The Honorable Company has entered into almost no other treaty of importance with them than what is contained in the prominent Bongaya Contract of 1667, under which Bonij is specifically included. Nevertheless, through inquiry I have learned that the king here actually also referred to the 4 or 5 points presented by the old Aroe Palacka at the time of President Harthouwer to Their High Nobilities, amounting to this: 1. That they, as well as those of Ternate and Bouton, might be granted and allowed free trade without hindrance from the Company and without first being required to call at Castle Rotterdam, and that this should be in conformity with the promises made by Admiral Speelman, either during the war at Maccasser, or when the Bugis joined his Honor at Bouton, to them. Paragraph 1: In the first place, then, I confer with the Padoeka Governor-General concerning the content of the fifth article of the contract, which was established at Bontowalak by our lord Matanarowie and the Company; the same has been made weak by the Company toward us and shall not be followed by us here.

Dutch transcription

18. koning gedaan waren, als wel over de klagten zelfs die in het regte ligt beschouwt niet anders behelsen dan voordee„ „lige articulen voor hem en voor zijn vriend voll. En Jk was dienthalven eerst van voorneemen den koning van Bo„ „nij over dit een en ander te doen onderhouden door twee Leeden uit den Politicquen Raad na de door mijn reets dientweegen opgestelde vraag Poincten, dog naderhand mijn gedagten hebbende laten gaan over de aanstoot die dit voor de Jonge vorst bij de Rijksgrooten, in welkers bijwesen zulks moest geschieden, ongetwijffeld zoude gegeven hebben, zo heb jk daar van afgezien maar egter, om in staat te kunnen wezen het nodige daar omtrend te wederleggen, zijn Hoogheid /: die als nog sedert eenigen tijd zijn verblijf om de Noord ter afwagting zo men zegt zijner tot heeden toe nog niet te rug gekomene Gezanten is houdende :/ in secretesse door een ver„ „trouwd perzoon doen afvragen in hoe verre dezelve met al„ „le deze klagten mijn is meenende, want dat jk, bewust van niets teegens mijn Eed en pligt gedaan hebbende, mijn daar over bij uwe Hoog Edelheedens wilde regtvaardigen. waar op zijn Hoogheid mijn heeft laten weeten dat hij mijn zel„ „ve bij uwe Hoog Edelheedens zoude regtvaardigen alzo in gee„ „nen nog in het een nog in het andere mijn gemeent had; ont„ „fangende Jk kort hier op uit handen van de met mijn vertrouw „ling teffens overgekomene Aroe Tanette Een der Rijks„ „grooten die in annopassato mijn in de verthiening heeft g'assisteert, zodanige brief van den koning aan uwe„ „Hoog Edelheedens gerigt als jk de vrijheid neeme desen needrigst bij te voegen, niet twijffelende of uwe Hoog Edel„ „heedens zullen uit dezelve dan wel het daar bij gevoegde Translaat Translaat ten klaarsten kunnen zien dat de vorst, mijn gemeent hebbende of niet, nu, terwijl het tot stuk van zaken komt, niets op mijne behandeling te zeggen heeft. Dan dewijl dit eenlijk ter mijner satisfactie strekt en niets doet tot opheldering van zijn Hoogheids gedaane klag„ „ten op zig zelfs, zo heb jk, om zo veel te duijdelijker aan de eigentlijke meening te voldoen en om uwe Hoog Edelhee„ „dens teffens de ongerijmdheid van diergelijke klagten aan te toonen, alle de poincten een voor een afdeelender wijze in margine beandwoord. Ik Smeek Gods zegen over uw Hoog Edelheedens dierbaa„ „re Perzoonen en over de zwaarwigtige belangens van de Generaale Neederlandsche oostjndische Maatschap„ „pij en ben met de allerdiepste gevoelens van Hoog-ag„ „ting en Eerbied /:onderstond:/ Hoog Edele Groot Agtbaare, Gestrenge, wijdgebiedende Heere en WelEdele Gestren„ „ge Heeren. /:lager:/ uw: Hoog Edelheedens onderdanige en Trouwschuldigen Dienaar /:was geteekend:/ B: Reijke, /:in margine:/ Maccasser In't Casteel Rotterdam den 22„e Iuli A„o 1783: Translaat 20 hier op Aan Eerbiedig Antwoord Hunne Hoog Edelheedens. Translaat Maleijtse Brief Geschreeven door Padoeka Sirie Sul„ „than Ahmadoelt Salet Sjamsoe„ „dien, koning van Bonij, aan zijn Hoog Edelheid den Hoog Edelen Groot Agt„ „baaren wijdgebiedende Heere Mr Willem Arnold Alting, Gouverneur Generaal van Nederlands Indie, ontfangen Ba„ „tavia den 7„e November A„o 1782: Luijdende deezen na inleiding, voor zo veel verstaanbaar is als volgt. wijders zend het Radja van Bonij dee„ „zen Brief van sinceere vriendschap uit een suijver herte, aan zijnen vriend welke een ontfermer is, te weeten den Gouverneur Generaal, onder menigvuldige groete en na den inhoud van het verbond het welk steeds en voor althoos zeer vast is en langs zo meer verbeetert. Voorts maake aan mijnen vriend den Padoeka, Gouverneur Generaal bekend dat teegenswoordig in zeer veele zaaken welke gecontracteerd zijn tusschen de Compagnie en Bonij verschil is, en ik oordeele dat de bron van rust en vreede voor mij zij, dat wij geen van beiden ver„ „andering s §1: Te Bontowalak is nooijt een §: 1: In de eerste plaats onderhoude Jk dan kontract met de Boniers geslooten. den: Padoeka, Gouverneur Generaal De Ed komp„e heeft bij na geen andere over den inhoud des vijfden Articul /: van kontractatie met hun van belang aan„ 't Contract:/ het geen vast gesteld is gewor„ „gegaan als vervat is in het voornaame „den te Bontowalak door onsen heere Bongaijse Contract van 1667: waar Matanarowie en de Comp„e het zelve is onder Bonij wel bij zonder begreepen is. door de Compagnie omtrend ons swak ge„ Egter heb jk door navorsching vernomen „ maakt en zal alhier door ons niet opge„ dat den koning hier eigentlijk meede „volgt worden. bedoeld heeft de 4 of 5: poincten door den oude Aroe Palacka ten tijde van den President Harthouwer Munne Hoog„ „Edelheeden voorgedragen, daar op uijtkomende. 1. / Dat hun zo wel als die van Ternaten en Bouton den vrijen handel zonder belet van de Comp„e en zonder 't Casteel Rotterdam eerst zouden behoeven aan te doen, mogt werden vergunt en toegestaan, en dat dit zoude weesen in Conformi„ 5:3 „teit van de beloften door den Admiraal Speelman, of in den oorlog op „ Maccasser, of wel als de Bougis op Bouton bij zijn E: overquamen aan af andering maken in zaken die van ouds geweest zijn: in deezer voegen verhaale en rangeere ik ieder zaak /:waar in ver„ „schil plaats heeft:/ uit hoofde ik zeer groot vertrouwe op u stelle en het mij bij uitneemendheid Jammert dat wij wee „derzijdse vrienden oneenigheid zoude hebben want uit hoofde der vriendschap erlangt men de bestendige welvaart en voorspoed, welker geluksaligheid voort „vloeid uijt de goede broederlijke Condi„ „tie van Bonij en de Compagnie. haar

← previousnext →