Inventory 8261
Japan · 656 pages · 169 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
made to them jointly 2. That none of their subjects or slaves should be allowed to pawn their bodies to any of our people except with the consent of the lord or master. 3. That no one should be permitted to marry without the foreknowledge or consent of their master or with any of our people. 4. That whenever any of their people should happen to commit an offense and thereby fall into the hands of our justice, they might not be executed without disclosure and notification of the crime being given to them. Whereupon it was answered that the last three articles could indeed be granted in so far as it could be done without injury to the Company's lawful authority and prestige, but that the first, coming in too haughty a tone, could not be agreed to; just as your Right Excellencies, if you please, will be able to see in your very own letter sent hither of the 29th of December 1675, almost the only paper of that time still to be found here. Section 2. What they mean by this is uncertain. At least I do not know, and it is also not known from the records at the secretariat, that money is lent by our people to native grandees. It may be traders with traders, and if one wishes to prevent this, then the entire trade among the inhabitants falls to pieces. However, they could also understand by this those persons whom they gamble away in the gambling houses themselves. But this happens mutually, as well in their gambling houses with our subjects and slaves as in our gambling houses with their subjects and slaves. Section 2. Our subjects have been allowed to incur debts without our knowing of it; far be it from us to have agreed that they may incur debts. Section 3. That their subjects are imposed upon with soeroesok, or rather that their affairs are settled without the king's knowledge, is a false pretext. Disputes that occur between the Boniers and our subjects are always settled in the native assembly in the presence of members from both sides, and the fines that are levied, when a Bonier is condemned, go to the benefit of their side, and if a subject of ours, to the benefit of our side; and this is according to the ever-constant custom here and the compendium, approved both by your Right Excellencies yourselves and by the Lords and Masters in the fatherland, of such laws as have been and still are in use from ancient times between the Company and the courts of Bonij and Goa. Section 3. Our subjects are also imposed upon with soeroesok without his giving us notice thereof, except if we should sin together with him in what was agreed upon, or even if Bonij's children and children's children have sinned, should we not know of it. Section 4. How could the Honourable Company ever or at all have made any contract with the Boniers concerning the Simah or tithing! Bonthain and Boelecomba are the Company's conquered lands. All of Maros and its plains belong to the Company, which won the same by the sword from the Macassars who were rulers thereof, see the Memoir of Mr. Speelman, and then gradually, because of the vastness of the lands, permitted the Boniers, alongside our subjects, to cultivate plantations in the fields of Maros, provided they duly pay the tithe to the Company as lord of those lands. Section 4. Furthermore, with regard to the Simah at Maros, Bantaing and Boelokomba, cruel are the actions of those people who demand the Simah, which matter was not contracted by Radja Bonij with the Company, and this is the reason that all the Boniers are clamouring. This tithing has always taken place on one and the same footing as of old; at least the respective Governors here have succeeded one another in that practice. And never in my time has the king of Bonij nor anyone else complained to me about this, which absolutely ought to have happened in the first place. Indeed, never until now have complaints come from our side, whereas on the contrary one finds all the papers strewn with complaints about the Boniers, both concerning their brutalities
Dutch transcription
haar gesamentlijk gedaan 2. / Dat niemand van hunne onderdaanen of slaven hun lijf zoude mogen verpan„ „den aan iemand van de onze als met Consent van den Heer of Meester. 3. / Dat niemand zonder voorweeten of Consent van haar Meester of met ijmand van de onze zoude vermoogen te trouwen 22. 4 Dat wanneer ijmand van de haren mogt komen te misdoen en daar over in handen van onze Justitie vervallen wesende, niet ter executie mogte gesteld werden, zonder dat hun openinge en kennisse der misdaat wierde gedaan. waar op G' antwoord is dat men de drie laaste articulen in zo verre buiten krenking van 'sComp„s, wettig gezag en aanzien geschieden kan, wel konde inwilligen, dog dat in het eerste als uit te hoogen toon komende niet konde bewilligd worden; Gelijk uwe Hoog Edelheeden des gelievende bij Hoog Derzelver eigene brief na herwaarts van den 29„e December 1675 /: het eenigste bij na hier nog te vindene Papier van die tijd:/ des gelievende zullen kunnen zien. §2. wat zij hier meede meenen is on„ „zeeker. ten minsten Ik weet niet en ook is het bij de Protocollen ter secre„ ge„ „tarije niet bekend dat door de onze geld aan Inlandse grooten word geleent. het mogen handelaaren met handelaaren weesen, en wil men dit beletten dan valt de geheele Negotie onder de Ingeseetenen in duigen. Egter zoude zij hier meede ook kunnen begrijpen die geenen die zij in de top„ 9„ „borden zelfs verspeelen. dog dit geschied over en weer zo wel in kunne topborden met onze= als in onze topborden met haare =onderdaanen en slaaven. §: 3. Dat men hunne onderzaten foe §3. Ook worden onze onderzaten soeroe„ „roesok oplegt of eigentlijk hunne zaken Iok opgelegt, zonder dat hij ons daar van afdoet zonder 's konings weten is een valsch kennis geeft, dan indien wij met hem omtrend §2: Onze onderzaten heeft men toegelaten schulden te maken zonder dat wij daar van weeten: verre zij het dat wij zouden hebben over een gestemt dat zij schulden mogen maken. voorgeeven. pecceeren N voorgeeven. disputen die tusschen Boniers pecceeren waar in over een gekoomen, of en onze onderdaanen voorvallen worden in schoon dan ook Bonijs kinderen en kinds de Inlandsche vergadering althoos ten bij„ kinderen gepecceert habben, zouden wij / dan „weesen van weederzijdse Leeden afgemaakt, van :/ niet weeten. en de boetens die 'er vallen komen als 'er een Boniers in gecondemneert is ten voordeele van haare en zo een onderdaan ten voor„ „deele van onze-zeide, en dit is na het althoos Constante gebruijk alhier en het zo door uwe Hoog Edelheedens zelfs als de Heeren en Meesters in het vaderland g'approbeer„ „de Compendium van zoodanige wetten als tusschen de Maatschappij de Hoven van Bonij en Goa van al oude tijden in gebruijk zijn geweest en nog zijn. §4. Hoe konde de Ed: kompagnie ooit 54. Seevens wat betreft de Simal te Ma„ of ooit met de Boniers Eenige contrac„ „ros, Bantaing en Boelokomba ree„ „tatie omtrend de Simah off verthie„ „le zijn de behandelingen van die men„ H „ning gemaakt hebben! Bonthain „schen welke de Simah invorderen: wel„ en Boelecomba zijn 'sComp„s gecon „ken zaak niet is gecontracteert door Radja questreerde Landen. geheel Maros en Bonij met de Comp„e en dit is de reeden zijne vlaktens gehoort de Comp„e die dat alle de Bouijers schreeuwen. het zelve van de Maccassaaren die daar, vide de Memorie van de Heer Speelman, beheerschers van geweest zijn, met den zwaarde gewonnen heeft, en toen successive om de grootheid der sanden de Bo„ „niers gepermitteerd heeft nevens onze onderdaanen in de velden van Maros aan „plantingen te doen, mits de thiende behoorlijk aan de komp„e als Heer van die Lan„ „den op te brengen. Deeze verthiening is althoos op een en dezelve voet als van ouds geschied, ten minsten de respective Gouverneurs alhier hebben elk ander daar inne opgevolgd. en nooit heeft Bonijskoning nog iemand in mijn tijd hier over aan mijn, dat absoluit in de eerste plaats moeste geschied zijn, geklaagd, Ia nooit als thans zijn 'er klagten gekoomen over onze kant, daar men in teegendeel al de Papie„ „ren doorzaaid vind met klagten over de Boniers, zo omtrend hunne brutali„ „teiten
English
ties during the tithe collection season as well as regarding the difficulties one repeatedly encounters in appropriating it, so that one must try to accommodate them in all sorts of ways. Indeed, for a long time one has been forced to do this armed and not without danger to one's own life, unless one wishes, as has happened too often, to be turned away by these ruffians, who stand in their paddy fields like Polish noblemen armed with krisses, assegais, and blunderbusses; the very same happened to me in A:o passato, and resolute action made them sweet, but it even forced the late Governor van der Voort to have to conduct his last tithe collection with pieces of cannon. To further counter their insolence, a Governor, in conducting the tithe collection, always receives at his request one of the court dignitaries of Bonij, and yet, although it helps somewhat, they are nevertheless so shameless as to report paddy heaps, which one knows for certain contain more or less a thousand bundles, as three to four hundred, and then on top of that to demand that, apart from the King and the Madanrang, who everywhere have a multitude of lamphers, meaning paddy heaps, some of their priests and other notables shall be exempted, or at least tithed for paddy instead of rice, while the portion which they moreover embezzle and declare in the King's name already amounts to such an enormous quantity that one can safely calculate that the Honorable Company, through the actions of the worthy gentlemen of Bonij, does not receive anywhere near a twentieth part, not to mention their legitimate tithe. Shall one, High Honorable, Grandly Esteemed, Severe, Widely Ruling Sirs, now accommodate all of this and listen to their unjust and shameless complaints? Then they, never ceasing to formulate more and more of all sorts of similar pretensions, will finally draw everything to themselves, and then it will turn out as once remarked by the late Mr. Boelen, namely that so much slack has already been given to the Bonij rulers that one almost had to let go of the rope's end itself. Paragraph 5. This comes from the quiver of Hendrik. Regarding the lease here, many matters are made. Paragraph 6. Through our lord Matanarowie, it was contracted with the late Governor van der Voort at Maliemoengong that the King of Bonij would receive annually for his share from the lease, one thousand reales paijement. Paragraph 6. That is true. The agreement to pay one thousand Rijxd:s Spanish annually was made on the 26:th of February 1774. Paragraph 7. But the Boom does not pay paijement, but rupees, which are counted against small change, whereas the Bonij people do not know how to trade with rupees, being accustomed to going to market only with small change. Paragraph 7. But by no means the condition to pay the same in paijement. This would also be an almost impossible matter for the lessee, who finds it work enough to raise these Rit:s one thousand Spanish, especially when the King comes forward with more such unreasonable demands as mentioned in my recent humble separate letter of the 31:st of May, and of which lease moneys the lessee up to this day has not even enjoyed a single duit. Unreasonable demands that, were times different, this premature prince might well be taught to unlearn. Furthermore, his claim that he does not know how to trade with rupees is untrue, and he should even be ashamed, since his money changers sit here in multitude at the bazaar. It would also be in contradiction to the 12:th article of the Bongaij contract, which does compel him to trade in them. Paragraph 8. Furthermore, it was distributed to my friend Hendrik Jansz Voll himself, or the remainder of those who complained a few years ago about the Boom lessee; however, herein a redress has now been made according to what was already distributed to your High Honorables. Paragraph 8. I know nothing of this, that acts are carried out at the toll that have not been in use; goods for which no lease has been paid are nevertheless now subject to toll, under which manner of trading the merchants collectively cry out.
Dutch transcription
teiten in de verthienings tijd als omtrend de moeijte die men telkens heeft met de inpalming daar van, dat men op allerhande wijse moet zien te schikken. Ia men is al seedert lange genoodsaakt geweest dezelve niet zonder eigen leevens gevaar gewapenderhand te doen, wil men zo als te meermalen geschied is, niet van deeze bruteurs, die als de poolsche Edellieden gewapent met krissen, Assagaijen en Donderbussen in hunne Padij velden staan, afgeweesen worden; Het zelve voor„ door is niet alleen in A„o passato mijn nog gebeurt en Cordaatheid deed haar soet wor„ „den, maar heeft zelfs wijlen de Gouverneur van der voort genoodsaakt zijn laaste verthiening met stukken kanon te moeten doen. Om hunne Brutaliteiten verder tegen te gaan, krijgt een Gouverneur in het doen der verthiening althoos, op zijn verzoek, een der Hofsgrooten van Bonij, meede, en eg„ ter schoon het wel wat helpt, zijn zij nogthans zo onbeschaamt om Padij hoopen die men voor zeeker weet dat duizend bossen meer of min inhouden voor drie a vier Ma„ Hondert op te geeven en dan nog boven dien te pretendeeren, dat men buiten de ree„ 3 Koning en de Madanrang die over al een menigte van lamphers /: Padijhoopen:/ hebben, sommige hunner Priesters en andere Grooten vrij zal laaten of ten minsten voor Padij in plaats van Rijst te verthienen, daar het gedeelte dat zij buijtendien dja verduijsteren en op 's konings naam opgeeven reets zodanig eene en orme quantiteijd uijtmaakt dat men gerustelijk reekenen kan, dat de Ed komp„e door toedoen der brave Heeren Boniers in lange na geen twintigste gedeelte Jk swij„ „ge hunne regtmatige thiende krijgt. 30„ zal men Hoog Edele Groot Agtbaare Gestrenge wijd gebiedende Heeren dit aan nu alles inschikken en na haare onbillijke en onbeschaamde klagten luijsteren dan zullen zij, niet ophoudende van hoe langer hoe meerder allerhande diergelijke pretentien te formeeren, eindelijk alles na zig trekken en dan zal het uijtkomen op het eens aangemerkte door wijlen den Heer Boelen namentlijk dat aan de en Bonijse vorsten reets zo veel bot gevierd is, dat men bij na het eindje zelfs zoude hebben moeten laten ontslippen. § 5. Dit komt uit de koker van 3ten §5 wat de Pagt alhier betreft, veele zaaken worden l „drik §. 6. Door onzen heere Matanarowie is te §6. Dat is waar. Het accoord om Een duijsend Rijxd„s spaans 's jaars te Maliemoe=ngong met wijle den Gouver„ betaalen is den 26„e februarij 1774. ge„ „neur van der voort gecontracteerd, dat den Koning van Bonij, 'sjaars voor zijn aan„ „deel uit de Pagt zoude genieten, Een dui„ „sent realen paijement §7. Dog geensints de Conditie om 17. Edog de Boom betaald geen paijement maar wor het zelve in paijement afte leggen. dit ropijen, die teegen kleen geld worden aange„ zoude ook een bij na ondoenlijk zaak voorden „reekend, daar de Bonijers met geen Ropij= Pagter zijn, die genoeg werk vind om deeze „ en weeten te handelen, als gewoon zijnde Rit„s Duijzendspaans op te brengen, bijzon, eenlijk met kleengeld ter markt te gaan „der als de koning met zulke onreedelijkbee„ „den meer voor den dag komt als waar van mijne jongste onderdanige aparte van den 31„e Mai gewag maakt en van welke Pagtgelden de Pagter tot heeden toe zelfs nog geen duit genooten heeft. Onreedelijkheeden die waaren de tijden anders, die premature vorst wel eens mogte worden verleert. Voorts is zijn voorgeeven dat met geen ropijen weet te handelen onwaar, en moet zig zelfs schamen daar zijn wisselaars hier in meenigte op de Bazaar zitten. ook zoude het in teegenstrijdigheid van het 12: Ar„ „ticul van het Bongaijse kontract wezen, dat hem wel noodsaak om 'er in te handelen. §8. Hier weet jk niets van dat 58. Nog bedeelde aan mijn vriend aangaan„ worden aan den Tol verrigt die niet in ge drik Jansz Voll zelve of het overschot der geene die voor een paar Jaaren over de „bruik geweest zijn, de goederen waar van Boomspagter hebben geklaagd; dog hier geen Pagt is betaald, van dezelve word eg„ inne is nu volgens het uwe Hoog Edel„ „ter nu tol geheeven, onder welke handel„ „heeden reets bedeelde, een redres gemaakt. „wijs de gesamentlijke Negotianten schreeuwen. moet e „de „maakt. „
English
that all the friends who are subject to Bonij must have happened before my administration, since I have no interaction whatsoever with princes who are subject to Bonij. I also believe that the king extends this further than his power reaches, for I cannot think that the princes and grandees of the realm would submit themselves more in that regard to the king's pleasure than lesser Boniers, who daily wander about everywhere here in the houses of various people. However, it is very necessary that the stipulations and statutes enacted by the Edict of 24 December A:o 1764 be strictly observed in this regard. that they directly visit the Governor, without the prior knowledge of Bonij. Yet according to custom, no friends at all may go to the Governor, except in the presence of the Bonijers, and because this is permitted, all the friends constantly show themselves obstinate toward Bonij, which is why the Bonijers constantly say to me: perhaps there are currently, besides Bonij here, other friends whom the Company trusts, changing all the customs that were contracted between Bonij and the Company. To which sayings I answer: dispel such thoughts; there are no other friends here than Bonij whom the Company trusts and with whom it sympathizes. For such reasons, I present all this to my friend, so that mercy may increase for the benefit of the friendship between Bonij and the Company. § 9. Here the king will surely mean the late Mr. van der Voort, but I believe that his Honour will have given sufficient reasons in this regard in a letter to your Right Honourables of 1 October 1779. § 9. I also impart to my friend that I remember the cause of my ancestors, who were accustomed to obtaining good for Bonij through the Boniers. If there are state affairs, or if there is war on Celebes, the Company here may § 10. I do not know that in my time the slightest change has been made to established customs, and thus this will be as false a report as the one concerning stolen people, for during my administration I have already had several people returned to him who had been bought up by various persons, as also happened recently, among others, with a so-called lady-in-waiting of the queen, stolen by a Bonij Prince himself and sold to the mate De Siso, and a foster-brother of the king's eldest little son transferred to one of the Malays. As for not making Deeds of Transfer, the Bonij interpreters know well enough to watch out for that themselves, as it is to their own advantage. Also, those who are caught doing so are accountable to the fiscal, if it lasts longer than the set time of 2 times 24 hours. § 10. Regarding minor matters here, I shall make mention of this, for many changes are currently being made whenever there is a request or order from the king, especially regarding people who are stolen. Seldom are the contents of the Edicts, by which Bonij abides, complied with, for regarding the buyer, he makes no Deed of Transfer; how then could an Interpreter be present to see and investigate whether that Person may be sold or not? § 11. It is true, Bonij evil-doers, when they are apprehended by us, are handed over to the king for punishment according to the contract, but he must then punish them, and not, even if they have committed the very greatest crime, immediately let them go again to commit even greater evil and even, if possible, to take revenge on those who first apprehended them. And hence it will be that this law has already fallen out of use for many years; at least I know that in the time of my predecessor, Governor van der Voort, this was no longer in use, and that Boniers who had done evil and were apprehended were punished by the fiscal on the market and thus sent on their way again. I have not precisely followed this, but rather, following the custom found here, have had various common Boniers walk in the long chain, whom I then successively released upon the request of the king and upon good promises. And about this I have never heard any complaints, Right Honourable, Highly Respected, Valiant, Far-Ruling Sirs; and this matter, for the reasons stated, cannot well be handled otherwise, for it is easy to understand: that letting such vagabonds go unpunished would make everyone here unsafe and would make the insolence of the Boniers even greater than it already is now. § 11. Another matter: when someone has stolen something and is caught, they do not act here according to their own arbitrary will at all, but rather after it has been agreed upon with Bonij from the beginning to the end. Yet nowadays I seldom know its beginning, but only the end, of which notice is only given after the fact. How shall I judge thereof, if I know only the end? They let some be presented to me, and some not at all, whereas it has been the custom that when a Bonier has transgressed, notice thereof must be given to the Bonij Government, which convenes about it to pass judgment as is equitable. § 12, 13 and 14 not requiring an answer, I most humbly say: § 12. Furthermore, I request my friend the Governor General by no means to alter the mercy and compassion, for we say that it increases steadfastness and strength; great is our trust in the Company that it will not alter the mercy and compassion toward Bonij.
Dutch transcription
de alle de vrienden welke onder Bonij sor„ moet voor mijn bestier gebeurt zijn, also Ik in't geheel geen gemeenschap ben „teeren, dat dezelve regtstreeks den Gouver„ houdende met vorsten die onder Bonij sor „neur gaan bezoeken, buiten voorkennis van „teeren. Ook geloof Ik dat de koning dit ver„ Bonij. Edog volgens de usantie mooge „der trekt dan zijn magt strekt, want ik in't geheel geene vrienden bij den Gouver„ niet denken kan dat de vorsten en Rijks „neur gaan, dan ten bijweesen der Bonij„ „grooten zig meer ten dien reguarde zoude „ers en om reeden zulks word toegelaten, submitteeren na 's konings welbehagen zo is 't dat alle vrienden zig steeds halster„ dan mindere Boniers, die dagelijks over „rig teegen Bonij betoonen, alwaarom al bij deezen en geene hier in de Huijsen de Bonijers geduurig teegen mij zeggen: rondswerven. Egter is zeer noodsakelijk mogelijk zijn 'er teegenwoordig, behalven dat hier omtrend het gestipuleerde en gesta„ Bonij alhier /:andere:/ vrienden op welke de „tueerde bij Placcaat van den 24:e Decem„ Comp„e vertrouwd met verandering van alle de usantien welke gecontracteerd „ber A„o 1764. in een stipte observantie zijn tusschen Bonij en DE Comp„e op welke word gehouden. gesegdens Ik antwoorde verdrijft zulke 't gedagten: 'er zijn hier geen andere vrien„ „den als Bonij op wien de Comp„e vertrouwd en met welke dezelve meedelijden heeft om dusdanige reedenen draage Ik dit alles aan mijn vriend voor; ten einde de Barmher„ „tigheid vermeerdere ten besten der vriend„ „schap van Bonij met de Compagnie. §9. Hier zal den koning zeeker „ 59. Ook bedeele aan mijnen vriend dat Jk gedenke de zaake mijner voorvaderen die lijk wijlen den Heer van der voort mee„ „de bedoelen, dog Ik vermeen dat zijn Edele gewoon zijn geweest, Bonij het goede door de Boniers te doen erlangen. in„ /:zal:r/ hier omtrend bij brieve aan uwe Hoog„ „Edelheedens van den 1:e october 1779. genoeg „dien 'er Landzaaken zijn, of oorlog is „doende reedenen dientweegen zal hebben ge„ op de Celebes, zo vermag de Compagnie „geven. —: alhier 26 § 10. Ik weet niet dat bij mijn tijd eeni; § 10. Belangende geringe zaken alhier, zal „ge de minste verandering in stand gehou„ ik in deezen gewag maken, want 'er wor„ „den hebbende gewoontens gemaakt is en „ den thans veele veranderingen gemaakt dus zal dit zo wel eene valsche opgave wanneer 'er een verzoek of bevel van den zijn als dat weegens gestoolen menschen, koning is, insonderheid ook weegens want geduurende mijn bestier heb jk menschen die gestoolen zijn, zelden worde hem 'er al verscheidene die door deze en den inhoud der Placcaaten, waar aan geene waren opgekogt laten te rug geven, Bonij zig houd, nagekomen, want aan„ zo als ook nog onder anderen onlangs ge„ „gaande den kooper, denzelven maakt geen „schied is met een bij de stuurman De Transport hoe zoude 'er dan een Tolk Siso verkogte en door een Bonijs Prins bij zijn om te zien en te onderzoeken of zelfs gestoolene zogenaamde Hof-da„ die Perzoon verkogt mag worden of niet „me van de koningin en een aan een der Maleijers getransporteerde Hoog=broeder van 's konings oudste zoontje. wat aangaat het niet maken van Transporten, daar weeten de Bonijse Tolken zelfs genoeg, als haar eigen voordeel zijnde, op te passen. Ook zijn de zulke die daar op betrapt worden aanspreekelijk bij den fiscaal, als het langer als de besten „de tijd van 2 maal 24 uuren duurt. §. 11. Het is waar, Bonijse kwaad, S. 11. Nog eene zaak wanneer iemand wat „doenders als zij bij ons opgepakt worden gestoolen heeft en agterhaald word dan alhier in geenen deele iets na eijgen wille„ „keur /:verrigten.:/ maar /:wel na datse / over eengekomen / is / met Bonij van het begin tot het eijnde toe. Edog teegenwoordig weet Ik zelden dies begin maar wel het eijnde, waar van na dato eerst kennis word ge„ „geven, hoedanig zal ik daar van oordeele„ indien Ik maar het einde weeten. geeft laat 28 laat men sommige aan mij vertoonen geeft men volgens het kontract de en sommige in 't geheel niet daar het de koning ter straffe over maar deeze gewoonten is geweest, dat wanneer een moet ze dan ook straffen en niet, al Bonier heeft gepecceert men daar van hebben zij zelfs het allergrootste mis„ kennis moet geeven aan Bonijs /: Re„ „drijf begaan, opstond weder laten lopen „geering:/ welke daar over vergadert om om nog grooter kwaad te pleegen en zelfs als het mogelijk is zig te reverge„ te vonnissen zo als 't billijk is: „ren aan die geene die haar het eerst heb„ „ben opgevat. En hier van daan zal het weesen dat deeze wet al voor veele Jaaren uit het gebruijk is geraakt, ten minsten Ik weet dat dit ten tijde van mijn pre„ „decesseur de Gouverneur van der Voort, niet meer in gebruijk was, en dat Boniers die kwaad gedaan hadden en opgepakt waren door de fiscaal op de markt afgestraft en zo weeder haars weegs gezonden zijn. Ik heb dit Iuist niet opgevolgd, maar wel na het gebruik hier gevonden, diverse gemeene Boniers in de lange ketting lopen gehad, die Ik zo successive op versoek des konings en op goede belofte dan weder gelargeert heb. en hier over heb Ik Hoog„ „ Edele Groot Agtb: Gestr: wijdgebiedende Heeren nooit eenige klagten gehoort, en deeze zaak kan, om reeden gezegt ook niet wel anders getracteert worden, want het ligt te begrijpen is: dat het straffeloos laten lopen van zulke vagebon„ „den een ieder hier onzeeker en der Boniers brutaliteiten nog grooter zou„ „de maken dan ze reets nu zijn. §. 12: 13: en 14 niet te beantwoorden vallende: zo zegge ik needrigst § 12. voorts verzoek Jk aan mijnen vriend den Gouverneur Generaal om de Barm„ „hertigheid en ontferming dog niet te veran„ „deren, want wij zeggen dat dezelve de vastig„ „heid en sterkte vermeerdert, groot is ons ver„ „trouwen op de Comp:e dat dezelve de Barn„ „hertigheid en ontferming omtrend Bonij niet veranderen zal. 11 omtrend.
English
§ 13. I also request Your Right Honourableness to please order the Governor and Council here not to alter the Bone customs, and to lead us along that path which was walked and maintained by our Lord Matanarowie with the Company at Bontowalak. § 14. Everything contained in this letter of sincere friendship, and all my words, proceed from the heart. § 15. That Your Right Honourablenesses, notwithstanding the declaration made by the king regarding myself, will be able to see most clearly from this what intrigues are taking place here and from what actual source all of this arises, and therefore I do not think that Your Right Honourablenesses will take it amiss that, for the maintenance of my character and also for obtaining the most necessary satisfaction, I most humbly request that the Hendrik, or properly Hendrik Jansz Voll, mentioned herein, and Bookkeeper Klootwijk, currently residing in Batavia and very probably having colluded with the Bone interpreter Lapasseere, may be corrected as a deterrent to others; § 15. Furthermore, I deliver this letter into the hands of Hendrik Voll, because I place extraordinary trust in him and because the said Hendrik Voll is aggrieved, since the fiscal here has fined him, which is why I request my friend to be of assistance to him, to take note of his right and equity so that he may be brought along the customary European way, for I do not agree in my heart that on account of such a matter so large a fine must be paid; if his conduct is true, let not my friend mock me because I bring up this matter, the reason being that such is a breach of friendship with the Company, for the increase of its stability. End others, who in the end would be capable of throwing this entire place into uproar and turmoil, or at least that such subjects, who are harmful to this country and collude with indigenous princes to undermine a Governor's authority here, may be forever forbidden from ever setting foot on this coast of Celebes again. At the bottom stood: Macasser, In Castle Rotterdam, 22 July Anno 1783. Was signed: B: Reijke. Written in the land of Macasser at Oedjong Tanah in the King's Palace, 21 October Anno 1782. At the bottom stood: translated by, was signed: L: Goossen. Lower: Agrees, signed: D: D: van Haak, First Sworn Clerk. End of my pen. To the Well-Noble Venerable Sir Barend Reijke, Governor and Director of this Coast of Celebes. Well-Noble Venerable Sir, Pursuant to Your Well-Noble Venerable's esteemed order to reply to the complaints made by the Bone people that the treatments by the persons who collect the simah or tithes at Maros, Bouthain, and Boelecomba are excessive, or rather as they wish to say, are not conducted according to what was contracted by the Radja of Bone and the Honourable Company, and that this is said to be the reason why all the Bone people are crying out; it serves most humbly to state that we the undersigned, the present Maros Resident Gerrit Brugman and the present sworn chief interpreter Diederik Deefhout, do not know on what grounds these complaints of the Bone people rest, since the tithing under the administration of Your Well-Noble Venerable in the north (in the south it is ordinarily done by the Resident himself) has been carried out in the exact same manner as by the previous Governors van der Voort, Boelen, and Sinkelaar; that is, on the ancient customary footing, without any complaints having been made or having been able to be made about it to our knowledge, but rather to the contrary about the Bone people, who not only often—as happened recently even to Your Well-Noble Venerable—refuse to allow themselves to be tithed, and by whose large declarations of the King's paddy and otherwise the tithing from time to time becomes smaller, but with whom one also has more and more difficulty in collecting the tithe itself, so much so that Your Well-Noble Venerable has repeatedly been forced to make up the deficit out of your own pocket. In witness of the truth we have confirmed this with our usual signatures, and are moreover at all times prepared to confirm the same with an oath if required, while remaining in the meantime with high esteem. At the bottom stood: Well-Noble Venerable Sir. Lower: Your Well-Noble Venerable's humble and obedient servants, was signed: G Brugman and D: Deefhout. In the margin: Macasser, 14 July anno 1783. Cornelis
Dutch transcription
§ 13. Ook verzoeke aan uw HoogEdelheid om dog den Gouverneur en Raad alhier te beveelen; datse de Bonijse usantien niet verande. „ren mitsgaders ons op dien weg leijden welk is bewandelt geworden en gehouden door onsen heere Matanarowie met d' Comp:e te Bontowalak §. 14. Alles wat in deeze Brief van opregte vriendschap staat en alle mijne woorden: komen voort uit het herten. §. 15. Dat uwe Hoog Edelheedens niet; § 15. Ik geeve voorts deeze Brief in handen van Hendrik voll, uit hoofde Ik bij uit„ teegenstaande 's konings ten mijnen „neemendheid vertrouwe in hem stelle opzigte gedaane Declaratie uit het zelve ten duidelijksten zullen kunnen en welken Hendrik Voll beswaart is, zien, wat konkelarijen hier omtrend door dien den fiscaal alhier hem in de boete al plaats hebben en uit wat eigent„ geslagen heeft, alwaar om Ik mijnen vriend „lijke bron dit een en ander voorkomt, verzoeke hem behulpig te weesen, om agt te neemen op zijn regt en billijkheid en daarom denke Ik niet dat uwe Hoog„ ten einde denzelven in der Europeesen ge„ „Edelheedens het mijn qualijk zullen gelieven te neemen, dat Ik tot maine„ „woonen weg moge gebragt worden, want jk in mijn herte niet toestemme, dat „tenue van mijn Caracter en tot erlan„ ter oorsaake van zulken zaak zo vee „ging teffens eener allernoodsakelijkste satisfactie, ootmoedigst verzoek dat „le boete betaald moet worden: inge„ „valle zijn doen waar is, zo hoone mijn de in dezen gemelde Hendrik of eigent„ vriend mij dog niet ter oorzaake ik dee „lijk Hendrik Iansz voll en den op Ba„ „tavia zich bevindende en zeer waar„ „ze zaake aanhaale de reeden daar van „scheijnelijk met den Boniese Tolk is dat zulks een breuk van vriend„ „Lapasseere geheuld hebbende Boek„ „schap is met de Comp: ter vermeerde „houder klootwijk, ten afschrik van „ring van dies vastigheid andere Eijnde e 30 andere, die op het laast instaat zoude zijn deeze geheele plaats in rep en roer te brengen, mogen worden gecorrigeert, ten minsten dat zulke voor dit Land schadelijke en tot ondermeining van een Gouverneurs gezag alhier met Inland„ „sche vorsten konkelende subjecten, voor althoos mag verbooden worden om ooit of ooit een voet meer op deze kust Celebes te zetten. /:onderstond:/ Maccasser In't Cas„ „teel Rotterdam den 22„e Iuli Geschreeven op 't Land Maccasser A„o 1783 /:was geteekend:/ B: Reijke te hoedjong Tanah in 's konings Pa„ „leis den 21„e october A„o 1782. /:onderstond:) vertaald door /:was geteekend:/ L: Goossen /:lager:/ Accordeert /:geteekend:/ D: D: van Haak, E: Gesw: klerk Eijnde mijner Pennen. Aan Aan Den wel Edelen Agtbaaren Heer Barend Reijke, Gouverneur en Directeur deezer kuste Celebes. wel Edele Agtbaar Heer uijJingevolge uw wel Edele Agtbaare G'eerde ordre om te andwoorden op de door de Boniers gedaane klagten als dat de be„ „handelingen van de Menschen die Simah of verthiening te Maros„ Bouthain en Boelecomba invorderen veele zijn, of eijgentlijke zo zij zeggen willen, niet zodanig geschied navolgens het gecon„ „tracteerde door Radja Bonij en de Ed kompagnie en dat dit de reeden zoude zijn dat alle de Boniers schreeuwen, diend nee„ „drigst dat wij ondergeteekendens den presente Maros Resident Gerrit Brugman en den presente geswooren oppertolk Diede„ „rik Deefhout, niet weeten op wat grond deeze klagten der Boniers steunen, nadien de verthiening onder het bestier: van uwel Edele Agtbaare om de Noord /:omde zuijd word dezelve ordinair door de Resident zelve gedaan :/ even en inselver voegen gedaan is als door de voorige Heeren Gou„ „verneurs van der voort, Boelen en Sinkelaar, dat is op de al oude gebruijkelijke voet, zonder dat daar over onzes weeten eenige klagten gedaan zijn of soude hebben kunnen worden gedaan, maar wel ter Contrarie over de Boniers, die niet alleen dikwils zo als ook Jongst met uw welEd: 32. uw wel Edele Agtbaare zelfs gebeurd is, weigeren zig te laten verthienen en door wiens grooten opgave van 'sko„ „nings Padij als andersints de verthiening van tijd tot tijd geringer word, maar met wien men ook hoe langer hoe meerder moeite krijgt tot het inpalmen der thiende zelfs, zodanig dat uw wel Edele Agtbaare meermaals ge „noodsaakt is geweest het mankeerende van zijn eigen te suppleeren. Ten bewijze van waarheid hebben wij dit met onze gewoone handteekening bevestigd en zijn bovendien ten allen tijden bereid om het zelve des gerequireerd wordende met Eede te bekragtigen, terwijl wij in middens met hoog agting blijven. /:onderstond:/ wel Edele Agtbaare Heer . /:laeger:/ uwer wel Edele Agtbaare onderdanige en gehoorzame Dienaa„ „ren /:was geteekend:/ G Brugman en D: Deefhout /:in margine/ Macasser den 14„e Iuli anno 1783:— Cornelis
English
Cornelis Sinkelaar, Governor and Director on behalf of the General Dutch Chartered East India Company, and the Council on the Island of Celebes; To all who shall see this, or hear it read, greeting. Whereas the Noble High Indian Government has learned that private residents, both at the capital and in the governments and at the other offices in the Indies, now and then maintain an if not suspicious, then at least illicit correspondence with native princes, although it is an affair known of old that such may be done by no one, neither servant nor citizen, without the prior knowledge of his superior ruler, and wishing to provide against this, by an edict of August 9th last, has most seriously forbidden all and everyone, whether European, whether native, servant, or citizen belonging under the obedience of the Dutch East India Company, to exchange letters with any native king, prince, lesser regent, or grandees of his court, under whatever pretext such might also happen, desiring that those to whom any writing from a native prince or anyone of his court grandees might be delivered shall communicate the same immediately to the head of his place of residence without any reservation, and await orders thereon, all upon pain of banishment, likewise charging us publicly to advertise the above verbalized contents of that edict to the subjects of this Government and to take care for the observance of the same. Thus it is that we, in compliance with such venerated order and to counter many pernicious consequences formerly arisen from forbidden correspondences with the native and to be feared for the future, most earnestly warn the collective residents of this colony, standing under the territory of the Dutch East India Company, and in so far as it is necessary ordain; as they are warned and ordained by these presents, to be well on their guard against all correspondence with native princes, regents, or their grandees of the realm on the island of Celebes or elsewhere; and receiving any writing thereof, to hand the same over at once, without reservation, to the undersigned Lord Governor, with a request for his Right Honorable Esteemed approval regarding it; likewise to hold no conversations with, or receive visits from, any native grandees, without express consent of the aforementioned Lord Governor, and in the presence of an interpreter, who shall report on what was transacted at once, since those whom one might discover to have contravened and violated these salutary orders in any manner shall, without connivance, have to depart and remain banished to the place whither their High Honors shall be pleased to destine the same, the Fiscal of this Government and the subordinate Residents therefore being charged, each in his territory, most accurately to look and cause to be looked that the contents of this are in no way infringed, and discovering the contrary, to give notice thereof as quickly as possible where it belongs. Below stood: Thus enacted in the Council of Policy within Castle Rotterdam at Maccasser, on Friday the 21st of December and approved on Monday the 24th of December of the year 1764, and published on the 8th of January 1765. Was signed: C: Sinkelaar. In the middle stood: The Company's Seal, printed in Red Wax. Lower: By order of the Right Honorable Esteemed Lord Cornelis Sinkelaar, Governor and Director, together with the Council. Was signed: Js Bleeke, Secretary. Below stood: Agrees. Was signed: I: G: Budach, secretary. Agrees J Bodenpijl Sworn Clerk 19 Ganges. First shipment for the Netherlands: Incoming Secret Letterbook and appendices from Maccasser No: 107 ƒ the Year 1783. arrived 1784 36 Batavia. To the Right Honorable, Highly Esteemed, Severe, Wide-commanding Lord Master Willem Arnold Alting, Governor General. Together with The Right Honorable, Severe Lords Councillors of the Netherlands Indies. Right Honorable, Highly Esteemed, Severe, Wide-commanding Lord and Right Honorable, Severe Lords! The matters concerning Tanette, from their beginning up to the then-expected return of the commissioners of the Honorable Company and Boni dispatched thither, along with that which pertained thereto, having already been most respectfully imparted to your High Honors in my separate letter and appendices of the 15th of this month, I now have both the honor and the pleasure, in continuation thereof, to report most humbly to your High Honors: That, these commissioners having returned on the 20th of this month, the king was immediately informed thereof, with the request that the envoys from the Court might come inside tomorrow— To His High Honor
Dutch transcription
Cornelis Sinkelaar Gouverneur en Directeur van weegen de Generaale Needer„ „landsche G'octroijeerde Oost Jndische Compagnie, en de Raad ten Eijlande Celebes; Allen den Geenen die deezen zullen zien, ofte hooren leezen, salut. Alzo de Edele Hooge Indiasche Regeering in ervaaring gekomen zijnde, dat particuliere Ingezeetenen, zoo wel ter Hoofd=plaatse, als in de Gouvernementen en op de verdere Comp„ „toiren in Indiën, nu en dan met Inlandsche vorsten eene„ zo al niet suspecte, ten minsten ongeoorloofde brief= wis„ „seling onderhouden, schoon het eene van ouds bekende zaak is, dat zulx door niemand nog Dienaar nog Burger buij„ „ten voorkennis van zijn opper-Gebieder mag geschieden, en hier teegen willende voorzien bij een Placcaat van den ge„ Augustus /:Jongstleeden:/ allen en een iegelijk het zij Euro„ „pees, het zij Inlander, Dienaar of Burger sorteerende onder de Gehoorzaamheid der Neederlandschen oostjndi„ „schen Maatschappije op het Serieust verbooden heeft, met Eenig Jnlandsche koning, Prins, minder Regent of desselfs Hofs Grooten brieven te wisselen, onder wat pre„ „tert zulks ook zoude mogen verschieden, begeerende dat de geenen, aan wien eenig schrijven van een Inlandsche vorst ofte ijmand zijner Hofs=grooten mogte werden bestelt het zelve dadelijk aan het Hoofd der plaatse zijner inwooning, zon„ „der eenige agterhoudentheid zal hebben te Communiceeren, en daar op ordre verwagten, alles op straffe van Bannis„ „sement, ons teffens gelastende aan de onderhoorigen dezes Gouvernements te H H Gouvernements den hier boven geverbaliseerden inhoud van dat Placcaat opentlijk te adverteeren en voor de obser„ „vantie van het zelve sorge te dragen. Zoo is het, dat wij, in voldoening aan zodanige geve„ „nereerde ordre en tot teegengang van veele uijt verboode„ „ne Correspondentien met de Inlander eertijds geboorene en voor het vervolg te dugtene pernitieuse gevolgen, de ge„ „zamentlijke Ingezeetenen deezer Colonie, staande onder het gebied der Neederlandschen OostJndischen compagnie op het Ernstigste waarschouwen, en in zo verre het nodig is ordonneeren; Gelijk zij gewaarschouwt en g'ordonneert wer„ „den bij deezen, zig wel te wagten voor alle brief=wisseling met Inlandsche vorsten; Regenten, of hunne Rijx„ „Grooten ten Eijlande Celebes of elders; en daar van eenig schrijven ontfangende het zelve, zonder agterhoudinge ten Eersten te overhandigen aan den ondergeteekende Heer Gouverneur, met verzoek om zijn welEdele Agtbaa„ „rens goedvinden daar omtrend; desgelijken geene Conver„ „satien te houden met, of, visiten te ontfangen van ee„ „nige Inlandsche Grooten, zonder Expres Consent van welmelden Heer Gouverneur, en in presentie van een Tolk, die van het verhandelde ten eersten zal moeten ver„ „slag doen, alzo de geenen die men ontdekken mogte, deeze salutaire ordres op eeniger hande wijze te hebben gecontra„ „venieert en overtreeden, zonder Conniventie zal moeten vertrecken en gebannen blijven ter plaatse, werwaards Hunne Hoog Edelheeden denzelven zullen gelieven te desti„ „neeren, werdende derhalven den Fiscaal deezes Gouverne„ „ments; en de onderhoorige Residenten gelast, ijder in zijn 34 zijn territoir nauwkeurigst te letten en te doen letten dat den inhoud deezes op geenerleij wijze werde g' Jnfrin„ „geert, en het teegendeel ontdekkende, ten spoedigsten kennis te geven, daar het gehoort. /:onderstond:/ Aldus G'arresteert in Raade van Poli„ „tie binnen het casteel Rotterdam tot Maccasser, op Vrijdag den 21„en December en G'approbeert op Maan„ „dag den 24„e December des Jaars 1764. en gepubliceert op den 8„e Januarij 1765: /:was geteekend:/ C: Sinkelaar /:in 't midden stond:/ 's Compagnies Zegul, gedrukt in Roo„ „den Lacq /:lager:/ Ter ordonnantie van den wel Edelen Agtbaaren Heer Cornelis Sinkelaar, Gouverneur en Directeur benevens den Raad, /:was geteekend:/ J„s Bleeke Secretaris /:onderstond:/ Accordeert /:was geteekend:/ I: G: Budach, secret„s Accordeert J Bodenpijl G„ Geswr: Clercq 19 Ganges. Eerste stell voor Nederland: Aankomend Secreet Briefboek en bijlaagen van Maccasser Mancassed No: 107 ƒ dAo 1783. overgekomen 1784 36 Batavia. Den Hoog Edelen Groot Agtbaren, Gestrengen, Wijdgebiedende Heere M„r Willem Arnold Alting Gouverneur Generaal. Beneevens. De wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlandsch Indië. Hoog Edele Groot Agtbaren, Gestrengen, wijd gebiedende Heere en. WelEdele Gestrengen Heeren! De zaaken nopens Tanette van hun begin tot op de toen te verwagtene te rug komst van 's E komp„s en Bonijs na derwaarts afgezondene gekommitteerdens met het geene daar toe betrekkelijk was, uwe Hoog= „Edelheedens reets Eerbiedigst bedeeld zijnde bij mijne aparte brief en bijlaagen van den 15„e deezer, zo heb jk tans zo wel de Eere als het genoegen ten vervolge van dien uwe Hoog Edelheedens nedrigst te melden. Dat deeze gekommitteerdens den 20„e deezer te rug gekoomen zijnde den koning daar van ten eersten is verwittigt geworden met verzoek dat de afgezon= „dene van het Hof op morgen mogte binnen Aan zijn Hoog Edelheid koomen— Slen
English
to come, so that the outcome of their proceedings could be heard from both sides at the same time, and thereafter the dispute between the two brothers could be decided all the more firmly in a fair manner. That the King, having consented to this, the delegates of Bonij were received in full assembly on the 21st and fully confirmed the statement of the Junior Merchant van Diemar, namely that upon their arrival at Tanette all hostilities were immediately ceased and that the King of Tanette, by order of the King of Bonij, had left the Company's territory, while the decision of the mutual disputes between the two brothers was left to the Honourable Company and Bonij. That thereupon, the King of Bonij having been requested to come to my country house for the settlement of this matter, His Highness accordingly appeared there subsequently on the 23rd of this month, whereupon that entire affair, in the presence of all the Members of the Political Council and in the presence of the King and his Court Dignitaries, was settled and reconciled to the complete mutual satisfaction, as Your High Honours, if it pleases you, will be able to see from the separate Resolutions of the 21st and 23rd of this month respectfully accompanying this, and to which I then also take the liberty most humbly to refer, with the sole addition that for the handover of the lands in question etcetera, the sworn chief interpreter Diederik Deefhout departed today, the 25th of this month, for Sagerie, and that I hope the gentlemen of Bonij, who have now seen that one cannot always be equally yielding, especially in matters of such a nature as this has been, will henceforth refrain from choosing another's side again in such an underhanded manner in order to make themselves greater thereby than is beneficial for this Celebes. I commend Your High Honours' precious persons to the only safe keeping of the Almighty and declare with the deepest humility and high esteem to be, High Noble, Right Honourable, Valiant, Far-Ruling Lord and Noble, Valiant Gentlemen, Your High Honours' Humble and Faithful Servant, signed: Barend Reijke Makassar in the Castle Rotterdam, the 25th of October, Anno 1783. To The Noble, Honourable Lord, Barend Reijke, Governor and Director of this Coast of Celebes, together with the Council. Noble, Honourable Lord and Gentlemen, In fulfillment of the commission entrusted to the respectful undersigned by Your Noble Honour through the Political Council resolution of the 5th of this month, to proceed, assisted by the Bookkeeper Alexander Whijts and accompanied by the chief interpreter Diderik Deefhout, to the King of Tanette, in order to execute such orders as are noted down in the secret Resolutions of the 4th, 5th, and 8th of this month, he now has the honour to report by means of the Daily Register respectfully accompanying this, to which he humbly requests to be allowed to refer, as well as to the letters sent to Your Highnesses under date of the 13th of this month. While the humble undersigned, in the hope of a favourable interpretation, cannot refrain from bringing to Your Noble Honours' respected notice such rumours as have successively come to his ears at Mandalle, nevertheless not wishing to vouch for the authenticity thereof, as they originate from Natives who, without speaking ill of the good ones, are accustomed to retract their words, for which reason the undersigned only sets them down here for Your Highnesses' speculation, consisting chiefly of the following: That Datoea Baringang had notified Crain Tanette by a letter of the arrival and orders of the delegates of the Company and Bonij, who were to depart thither one day after the dispatch of these letters; That he, Datoea Baringang, advised him, the King of Tanette, by no means to listen to the proposals of the said Delegates before and until his entire claim against Arou Pantjana was satisfied, and that he therefore should also not withdraw earlier. The delegates of Bonij, having remained with the King of Tanette after our departure, carried out their secret commission, it having been learned from Crain Mandalle that when they had taken their leave, the King of Tanette expressed himself with great displeasure: That he would never have entered the Company's territory had he not been incited by the King of Bonij; that now, that King, instead of assisting him further, ordered him to withdraw. That he only now experienced what reliance could be placed on the promises of the King of Bonij, and that if the Company had attacked him in his realm and taken everything away, he would have had to blame that monarch for it. The aforementioned Crain Mandalle, having been requested to find out through spies what the delegates of Bonij actually had to carry out at Pantjana, reported to the undersigned on the 15th of this month: That they had delivered a letter from their King to the Queen of Tanette, named Datoe Tjita; who had declared: That from that day forth she would wait another ten days, and if by then the promises of the King of Bonij took no effect and not all the claims against Aroe Pantjana were satisfied, she would march out with an even greater force in order to seek her justice in person. In the hope of having carried out this my commission to the satisfaction of Your Noble Honours, I take the liberty to call myself with true high esteem and dutiful respect, below stood: Noble, Honourable Lord and Gentlemen, lower: Your Noble Honours' humble and dutiful servant, signed: I: van Diemar, in the margin: Makassar, the 20th of October, Anno 1783.
Dutch transcription
koomen om alzo van beide kanten te gelijk den uitslag Hunner verrigtingen te hooren en daar na des te zee= „kerder het verschil tusschen de beide broeders op een billijke wijze te kunnen beslissen. Dat de Koning hier inne gekonsenteert hebbende de gekommitteerdens van Bonij den 21„en in volle vergadering ontfangen zijn en zig volkoomen geconfirmeert hebben met de opgave van den Onderkoopman van Diemar„ namentlijk dat bij hunne komst op Tanette alle vijandelijkheeden ten eersten waaren gestaakt en dat de Koning van Tanette op ordre van den Koning van Bonij 'sComp„s territoir verlaaten heed, terwijl de decisie der ouderlinge geschillen tusschen de twee Broeders aan de Ed„e Komp:e en Bonij verbleeven was. Dat hier, op den Koning van Bonij in mijn buiten Huis ter afdoening deezer zaake verzogt gewor„ „den zijnde, zijn Hoogheid dan ook aldaar vervolgens den 23„e deezer is verscheenen, wanneer die geheele affaire in het bijweezen van alle de Leeden van den politicquen Raad en ter presentie van den Koning en zijne Hofs Grooten zodanig met volkomen weder= „zijds genoegen geschikt en bijgelegt is, als uwe Hoog= „Edelheedens des behaagende uit de dezen in Eerbied verzellende aparte Resolutien van den 21„e en 23=e deezer zullen kunnen zien en waar aan jk dan ook de vrijheid neeme mijn allernedrigst te gedragen, met enkelde bijvoeging dat tot overgave der Lande„ „rijen in questi etc: den gezworen oppertolk Diederik Deefhout op heeden den 25„e deezer na Sagerie ver„ „trokken is, en dat jk hoope dat de Heeren Boniers, die nu gezien hebben dat men niet altoos even toe „gevend kan zijn, bijzonder in zaaken van zodanigen natuur als deze geweest is, zig voortaan wagten zullen van weeder op zulke slinkse wijze de parthij van een ander te kiesen om zig zelve daar door guoter te 38 te maaken dan voor dit Eelebes dienstig is. Ik beveele uwe Hoog Edelheedens dierbaare Perzoonen in de alleen veilige hoede des Aller= „hoogsten en betuige met de allerdiepste nedrig= „heid en Hoog-agting te zijn. Hoog Edele Groot Agtbaren Gestrengen wijdgebiedende Heere en welEdele Gestrenge Heeren uwer Hoog Edelheedens Onder= „danige, en Getrouwen Dienaar /:was geteekent:/ Barend Reijke Makassar in het Kasteel Rotterdam den 25„e October Anno 1783. 39 Aan Den welEdelen Agtbaaren Heer! Barend Reijke; Gouverneur en Directeur deeser Custe Celeber; Den Raad Benevens V wel Edele Agtbaare Heer! en Heeren; In voldoening van de door uw wel Edele Agtbaare aan den Eerbiedigen Teekenaar opgedragene Commissie bij politicq raads besluit van den 5„e deeser, om g'assisteerd van den Boekhouder Alexander Whijts en verzeld van den oppertolk Diderik Deef „hout zig te vervoegen bij den koning van Tanette, ten einde zodanigen Last te volbrengen als bij secreete Resolutien van den 4: 5 en 8: deeser genoteerd staat, heeft den selven als nu de Eer van verslag te dienen bij het deesen in Eerbied verzellend Dag Register, waar aan needrig verzoekt zig zo wel te mogen refereeren, als aan de aan Hoog dezelve af„ „gezondene letteren sub dato 13„e deeser. Terwijl den needrigen Teekenaar /:in hoope van gunstig welduijden:/ niet kan afzijn uw: wel Edele Agtbaare ter g'eerde kennisse te brengen zodanige gerugten als hem successivelijk op Mandalle ter ooren zijn gekoomen, nogthans l E nogthans voor de egtheijd van dien niet willende instaan, als zijnde dezelve herkomstig van Inlanders, die haar woor„ „den / de goeden niet te na gesprooken /gewoon zijn te re„ „tracteeren, waaromme den Teekenaar dan ook dezelve al„ „leenlijk tot Hoog der zelver speculatie hier komt ter neder te stellen bestaande voornamentlijk in de volgende; Dat Datoea Baringang aan Crain Tanette bij een brieff hadde genotificeert de komste en Last van 'sComp„s en Bonij„ „se gecommitteerdens, dewelke Een dag naar afzending van deese letteren naar derwaards stonden te vertrekken; Dat hij Datoea Baringang hem koning van Tanette aanried geensins naar de voorslaagen van gem: Gecom„ „mitteerdens te luijsteren, voor en al eer hem de geheele pretensie op Arou Pantjana voldaan was, en dat hij dus ook niet eerder moest aftrekken. De Bonijese Gecommitteerdens naar ons vertrek bij den koning van Tanette verbleeven zijnde hebben hunnen secreeten Last volbragt, hebbende van Crain Mandalle vernoomen, dat wanneer dezelve hunnen afscheid genoo„ „men hadden, den koning van Tanette met groot misnoe„ „gen zig zoude / uijtgelaaten hebben. Dat hij nooit op 's Comp„s territoir zoude gekoomen zijn, ten waar„ dat hij niet door den koning van Bonij was aangeset geworden; dat als nu, dien koning in steede van hem verder te assisteeren hem gelasten liet af te trekken. Dat thans eerst ondervond wat staat op 's koning van Bonijs beloften te maaken was, en dat wanneer de Comp„e hem in zijn rijk aangetast en alles weggenoomen hadde, hij zulx aan dien vorst wijten moest. voormelde Crain Mandalle verzogt zijnde door spions te laaten verneemen wat eijgentlijk de Bonijse gecommitteer„ „dens 41 dens op Pantjana uijtvoeren moesten: heeft den Teekenaar den 15„e deeser berigt„ Dat dezelve een brieff van hunnen koning aan de koningin van Tanette Datoe Tjita genaamt overgehan„ „digt; dewelke zig gedeclareert hadde; Dat ze van die dag aff nog thien daagen zoude wagten, en wanneer als dan de beloften van de koning van Bonij geen effect sorteerden en dat niet alle de pretensien op Aroe Pantjana voldaan waa„ „ren dezelve met nog een veel grooter seeger zoude aantrek„ „ken ten einde haar regt in perzoon te zoeken. In Hope deesen mijnen last naar genoegen van uw: wel Edele Agtbaare volbragt te hebben, bevrijmoedige ik mij met waa„ „re Hoog agting en verschuldigden Eerbied te noemen /:onder„ „stond:/ Wel Edele Agtbaare Heer en Heeren /:laeger:/ uwer„ „wel Edele Agtbaare 's onderdaanige en Trouwschuldige Die„ „naar /:was geteekend:/ I: van Diemar /:in margine:/ Ma„ „kasser den 20„e October Anno 1783. —:
English
42 Tuesday the 21st of October in the year 1783: In the morning at nine o'clock. All present; The report submitted by our Commissioner van Diemar was read, in which, in accordance with the resolution of the 8th of this month, he gives an account of his completed commission to the King of Tanette and his elder brother Prince Aroe Pantjana. Whereupon it was resolved that the delegates from the Court of Bonij, whom the Governor had requested the King to send here, should also be heard regarding what and what manner of report they will make in this regard. Who, appearing shortly thereafter in the council chamber, were: The Glarrang Bontoala, Toelewattang Matjeje. And after they had taken their seats and delivered the King's greetings, asking what was at the service of the Governor and Council, they were informed that we are desirous of hearing a verbal report from their own mouths regarding their commission completed with the King of Tanette, so as to be able to settle the matter in question with greater certainty. Whereupon they answered that they did not doubt that our Commissioner had already acquitted himself of his duty and had properly reported on everything, to which they said they fully referred themselves, and therefore confirmed that upon their arrival in Tanette all hostilities were immediately ceased, and that the said King of Tanette had vacated the Company's territory by order of the King of Bonij; furthermore, that the decision regarding the mutual disputes between the two brothers was left to the Honourable Company and Bonij. The said delegates furthermore asked, on behalf of the King and Aroe Tanette, with regard to the four burned villages, who will have to compensate for them. Whereupon they were answered that the one will be decided along with the other in due course; with our remark that those four villages, for which Aroe Tanette comes to claim compensation, lie on the territory of the Honourable Company, which has suffered the greatest damage and disadvantage through the flight of their inhabitants and the failure to collect the lawful tithes of rice and paddy, and that this is to be blamed on no one other than Tanette's untimely invasion, who should even have considered himself fortunate had he lost his life in the process. And thereupon it was approved to send a message to the King of Bonij with his envoys and, for greater emphasis, through the sworn First Interpreter Deefhout with our greetings, that the affair of Tanette will be decided with His Highness the King of Bonij according to equity and justice; that for this purpose the King is requested to a conference and to settle this 44 matter in the outer garden of the Governor, whether tomorrow or the day after, in order to prevent thereby the further estrangements that are to be feared and could arise from a prolonged postponement; the more so as we, the Governor and Council, are assured and completely convinced that it depends almost entirely upon the King alone, and that therefore His Highness alone will also be to blame for the consequences that might arise from dragging the matter out. Lastly, upon the proposal of the Governor, it was resolved to record herein that it is not possible for His Honour, in the present state of affairs where His Honour's presence is most urgently required at this Castle, to perform this year in person the upcoming collection of the tithes to Boelecomba and Bonthain, which requires an absence of at least two months; and that the same is therefore, upon His Honour's proposal, once again assigned to the Resident Monsieur. Beneath stood: Thus done and resolved at Macasser in Castle Rotterdam, date as above. Was signed: B:s Reijke, C: Kraane, I:n M: Basserman, I: W: H: van Rossum, I: L: de Vos, I:s Bosch, I: G: Budach and Godlieb van Diemar. 45 Thursday the 23rd of October in the year 1783. In the morning at half past nine o'clock. Present. The Right Honourable Barend Reijke, Governor and Director of this Coast of Celebes. The Honourable Senior Merchant and Second Claas Kraane, The Valiant Captain-Commandant Iohan Martin Basserman, Merchant and Fiscal Master Jan Willem Hendrik van Rossum, Junior Merchant and License Master Jacobus Leonardus de Vos, Shopkeeper Theodorus Bosch, Secretary of Policy Iohan Godfried Budach, and Payroll Bookkeeper Godlieb van Diemar. After the members had assembled at the house of the Governor, there appeared at the conference, at our request pursuant to the resolution of the 20th of this month, at around ten o'clock, His Highness the King of Bonij, accompanied by the following grandees of the realm: Datoea rn baringan, Soelewatang Bontoala, Glarrang Bontoala, Aroe Teeko or Aroe Kaijoe, and further ordinary retinue, in order to decide the mutual claims between the King of Tanette and his elder brother Prince Arou Pantjana, the decision of which had been left to the Honourable Company and the King of Bonij with the mutual consent of the parties in dispute; and after His Highness had been received with all the required ceremonies, and had taken a seat alongside his grandees of the realm, the Governor
Dutch transcription
42 Dingsdag Den 21 October A:o 1783: — Smorgens te Negen uuren. alle present; Is geleesen het gediende Berigt voor onzen Commissiant van Diemar, waar bij denzelven Conform het beslotene op den 8=e deezer weegens zijn volbragte Commissie na den koning van Tanette en deszelfs onder Broeder den Prins Aroe Pantjana verslag doet, waar op verstaan is de Gecommitteerdens van 't Hoff van Bonij, die den Heer Gouverneur zijnde aan den koning te hebben laaten verzoeken hier te koomen, om almeede te hooren, wat en hoedanig verslag zij des aangaande zullen koomen te doen, dewelke kort daar op in de vergaderzaal verscheenen zijnde„ waaren Den Glarrang Bontoala, Toelewattang Matjeje. „ En na dat zij zitplaats genoomen en 's konings Groete afgelegt hebbende, vroegen wat ter van 's Heer Gouver„ „neurs en Raads dienst was, Is hun te kennen gegee„ „ven, Dat wij verlangende zijn om noopens hunne bij den koning van Tanette volbragte commissie Een Eijgen„ „mondig verslag te hooren, om als dan met meerder zeekerheijd de saak in queste te kunnen afdoen, door hun daar op g'antwoord wierd, Dat zij niet twijffelde of onser Commissiant zouden zig reeds van zijnen pligt g'acquiteerd en van alles behoorlijk Rapport gedaan hebben waar Aan Aan zij zeijden zig volkoomen te refereeren en dierhalven te Confirmeeren Dat bij hun komst op Tanette alle vijandelijk „heeden ten Eersten waaren gestaakt en dat gedagte kooning van Tanette op ordre van den koning van Bonij 's Comp„s Ter„ „ritoir had verlaaten, Dat wijders de Dicisie der onder„ „linge Geschillen tusschen de Twee Broeders aan de E: Comp„ en bonij was verbleeven, vraagende gem: gecommitteer„ „dens al wijders, met opzigt tot de vier verbrande Negorijen uijt naam van den koning en Aroe Tanette, wie die zal hebben te vergoeden, waar op hun g'antwoord is ge„ „worden; dat het Een met het ander na behooren zal beslist worden; onder deeze onze Aanmerking dat die vier Negorijen, waar van Aroe Tanette schaa verhoe„ „ding komt te pretendeeren op het Territoir van d' Ed: komp„s Leggen, die de grootste schaade en Nadeel door verloop hunner Jngesetene en het niet in krijgen der geregtelijke Thiende van Rijst en Padij geleeden heeft en aan Niemand als aan Tanettes ontijdige Invasie te wijten is, die het ook voor aangenaam had moe„ „ten houden indien hij daar bij zelfs het Leeven verloo„ „ren had; En is hier op goedgevonden den koning van Bonij met zijn afgesondene en, tot meerder nadruk, door den Eerste Getw: Tolk Deefhout onder onze groete te laaten boodschappen, Dat men de zaak van Tanette met zijn Hoogheid den koning van Bonij na Bil„ „lijkheid Regtmaatigheid zal beslissen, dat men ten dien Eijnde den koning ter conferentie en tot het afmaaken deeser 44 Dezer zaak in de buijten thuijn van den Heer Gouverneur verzoekt, alwaar het morgen of overmorgen om daar door voor te koomen de verdere verweijderingen die uijt het lang uijtstellen te dugten zijn en daar uijt voortpruijten te konden; te meer daar wij den Gouverneur en Raad versekert en volkoomen overtuijgt zijn dat het genoeg„ „saam van den koning alleen afhangt en dat derhalven aan zijn Hoogheid ook alleen te wijten zullen zijn de gevolgen die uijt het traineeren mogten spruijten. — Laastelijk is op de propositie van den Heer Gouverneur verstaan in deezen aan te tekenen dat het zijn Agtb: niet mogelijk is de ophanden zijnde verthiening na Boelecomba en Bonthain, die een afwezigheid van ten minsten twee maanden vorderd, in den gesteldheid van tijden, daar zijn agtb: presentie ten Hoogsten aan dit kasteel vereijst word, dit Iaar in persoon te doen, en „dat dezelve dus op zijn welEdelens voordragt den Resi„ „dent Monsieur weeder word opgedragen; /:onderstond:/ Aldus Gedaan en Geresolveert tot Mac„ „casser in het kasteel Rotterdam, dato voorsz: /: was getee„ „kend:/ B:s Reijke, E: kraane, I=n M: Basserman, I: W: H: van Rossum, I: L: de Vos, I=s Bosch I: G: Bu„ „dach en Godlieb van Diemar. — a. 45 Donderdag den 23„e October A„o 1783. Smorgens te half tien uuren. present. Den welEdelen Agtbaaren Heer Barend Reijke Gouverneur en Directeur deezer kuste Celebes. Den EE„ opperkoopman en Secunde Claas Kraane, Manhaften Capitain Commandant Iohan Martin Basserman. „koopman en Fiscaal M„r Jan willem Hendrik van Rossum „ Onderkoopman en Licentmeester Jacobus Leonardus de vos. „ winkelier Theodorus Bosch. „ Secret:s van Politie Iohan Godfried Budach en „ zoldij Boekhouder Podlieb van Diemar. Na dat de Leeden ten Huise van den Heer Gouver„ „neur bij een gekoomen waaren, verscheen ter Confe„ „rentie op ons verzoek volgens het beslootene op den 20„e deezer teegens thien uuren zijn Hoogheid de Koning van Bonij, verzeld van de volgende Rijx= „grooten Datoea rn baringan Soelewatang Bontoala Glarrang Bontoala Aroe Teeko of Aroe Kaijoe en verder ordinair gevolg, om de onderlinge preten= „sien tusschen den Kooning van Tanette en desselfs Ouder Broeder den Prins Arou Pantjana te be„ „slissen, waar van de decisie aan de E Komp„e en den Koning van Bonij met onderlinge bewilliging der in geschil zijnde Parthijen verbleeven was; en na dat zijn Hoogheid met alle de vereischte bere„ „monien gerecipieert, en zitplaats neevens desselfs Rijxgrooten genoomen had, wierd door den Heer Gouverneur a.
English
The Governor having once again made known to His Highness the reasons why the King and his Grandees of the realm had been requested to come here, with the request to settle this matter according to justice and equity as shall be found proper, and to that end having presented to the King the claims that Aroe Tanette and Aroe Pantjana had mutually lodged against each other; and the sentiment of the Honorable Governor and that of the collective Council members having been made known to the Prince in that regard, the King fully concurred therewith, and consequently, with mutual consent from both the Court of Bony and our side, after mature deliberation, it has been resolved and determined to settle the claims in the following manner, namely: That the lands of Patjinongang, Patjiro, and Lapakanreang Ioonga shall be surrendered to the King of Tanette, under the condition that they must not only be properly cultivated by the peoples of Tanette and Tjitta, but that they shall also be obligated to pay the lawful tithes to the Honorable Company as Lord of the territory. That with respect to the persons demanded back, all those who in Anno 1776, to the number of 300 souls, were taken under the Company's protection alongside Aroe Pantjana with the consent of his mother, shall remain with Aroe Pantjana insofar as they wish, provided they are free people; but that those who came to him after the decease of his mother must be returned by him to Tanette as belonging under the realm of Tanette, since the latter, according to the statement of the commissioners, claims no more than those who were taken away by Aroe Pantjana after the death of his mother. That for the rest, all mutual claims shall herewith be settled and balanced, without taking into account the damages they might have inflicted upon each other through the commission of hostilities and the robbery of buffalo cattle and otherwise, without Aroe Tanette reserving or withholding anything against Aroe Pantjana or the latter against the former on account of the aforementioned matter; while on our part it was noted here, and the King was very earnestly given to understand, that the Honorable Company suffered the greatest damage in the burning of the negorijs, and no one is the cause thereof but Aroe Tanette himself, who should not have presumed, contrary to the contracts and against the advice of the Honorable Governor, to enter the Company's territory under arms and commit hostilities there, wherefore the Honorable Company in all fairness could hold all the damages to his account, yet again allowing the customary clemency to prevail in this case as well, it will consider the matter settled herewith. The King of Bony binding himself on his part to subject Aroe Tanette, and we on ours to subject Aroe Pantjana, to the strict observance of this decision, without tolerating that anything to the contrary be done or undertaken in the least by either of them; wherefore it is understood to keep this record as proof of what was transacted. Below stood: Thus done and resolved at Makassar in Castle Rotterdam, date as above. Was signed: B. Reijke, C. Kraane, J. M. Baserman, J. W. H. van Rossum, J. C. De Vos, P. Bosch, J. G. Budach, and G. van Diemar. Letter Secret Copy from Maccassar on 21 October 1783 Together with Brief Strength of the Servants etc. Daily Journal concerning a Commission undertaken to Tanette. Batavia To His Right Honorable, Most Honorable, Highly Respected, Severe, Far-Ruling Lord, Mr. Willem Arnold Alting, Governor-General, together with the Right Honorable, Severe Lords, Councilors of the Netherlands Indies. Right Honorable, Highly Respected, Severe, Far-Ruling Lord, and Right Honorable, Severe Lords, In dutiful compliance with Your Right Honors' much-respected circular order, we take the liberty hereby reverently to present a brief summary of the general number of servants stationed here under today's date, compared against the latest establishment list, together with a return of the ordnance on hand, muskets, cutlasses, ammunition, and the vessels present, arranged according to the model sent to us for that purpose, which we hope will meet the esteemed intention of Your Right Honors, while for the rest we take the liberty to call ourselves, with all due respect and veneration, Below stood: Right Honorable, Highly Respected, Severe, Far-Ruling Lord and Right Honorable, Severe Lords. Lower: Your Right Honors' humble and faithful servants. Was signed: B. Reijke, C. Kraane, J. M. Baserman, P. W. A. van Rossum, J. D. Vos, J. Bosch, J. G. Budach, G. B. Diemar. In the margin: Maccasser in Castle Rotterdam, the 21 October Anno 1783. Agrees: D. van Haak Eyk. In this Government there are present today: From the Political administration down to junior assistants inclusive Ecclesiastical Medical Artillery Military Seafaring Trades Various duty personnel Native teachers, Malay scribe, and envoy According to the latest: 23 bronze cannon of various sorts 44 bronze swivel guns from 3½ to 1 lb 148 iron cannon of various sorts 24 iron swivel guns from ½ to 1 lb 25514 round shot of various sorts 7751 bar shot of various sorts 2 bronze howitzers of 4 inches 5 bronze mortars of 6 to 8 inches 12 iron hand mortars 300 loaded bombs 2207 lead grape shot of various sorts 778 iron grape shot of various sorts 192 light balls 1545 hand grenades 59016½ lb gunpowder 22748 pieces iron swivel-gun balls 1568 mortar shells and bombs 318 fireballs Maccasser the 21 October Was signed
Dutch transcription
Gouverneur aan zijn Hoogheid de reedenen waarom men den koning en desselfs Rijxgrooten hier verzogt had nogmaals te kennen gegeeven, met verzoek om deeze zaak na regtmatigheid en billijkheid, zo als bevonden zal worden te behooren, af te doen mitsgaders ten dien Einde aan den koning voorge„ „steld de Pretensien die Aroe Tanette op Aroe Pantjana en Aroe Pantjana op Aroe Tanette wederzijds hadden opgegeven en daar op den vorst 'S Heer Gouverneurs gevoelen en dat der gezament= „lijke Leeden ten dien op zigte te kennen gegeven zijnde zo heeft den koning zig daar meede volkoo= „men geconfirmeerd en is dientvolgende met wee„ „derzeidse bewilliging zo van 't Hof van Bonij als onzent weegen na rijpe deliberatie beslooten en vastgesteld om de Pretentien in volgender voegen af te doen namentlijk Dat de Landerijen van Patjinongang, Pa= „tjiro en Lapakanreang Ioonga aan den Koning van Tanette zullen worden afgegeeven, onder deeze Conditie dat z' niet alleen behoorlijk door de volkeren van Tanette en Tjitta moeten bewerkt worden, maar dat deze ook verpligt zullen zijn aan d' E Komp„e als Heer van het Grond gebied de geregtelijke thienden te betaalen. Dat niet op zigte tot de terug gevraagde Men„ „schen al die geenen die in Anno 1776 ten Getalle van 300. koppen neevens Aroe Pantjana met bewilliging van zijn Moeder onder 'skomp„s pro= „tectie genomen zijn bij Aroe Pantjana zullen blijven in zo verre zij willen als het vrije lieden zijn, dog dat die geenen die na het overleiden van zyn 47 zijn Moeder bij hem gekomen zijn door hem aan Ta= „nette te rug zullen moeten gegeeven worden als onder het Rijk van Panette gehoorende, Terwijl laast gem: volgens opgaaf van de gecommitteerdens niet meer komt te pretendeeren, als de zulke, welke na de Dood van zijn Moeder door Aroe Pantja- „na zijn weggenoomen. Dat voor het overige hier meede alle pretentien over en weeder zullen zijn afgedaan en verevend, zonder te reekenen de schaade die ze elkander met het pleegen van hostiliteiten en het berooven van Bussel beesten als andersints mogten toegebragt hebben, zonder dat Aroe Tanette op Aroe Pan= tjana of den laasten op den eersten ter zaak voor„ „schreeven iets zal blijven reserveeren of voorbehou„ „den; terwijl van onzentweegen hier bij is aange„ „merkt en den koning zeer ernstig te verstaan ge„ „geeven. Dat dE Comp„e bij het verbranden van de Negorijen de meeste schaade geleeden heeft en niemand daar van zelf oorzaak is als Aroe Ia= „nette zelf, die zig niet had moeten onderstaan om teegen de Contracten aan en teegens de aanraa= „ding van den Heer Gouverneur op 'Skomp„s Grond gebied gewaapend te koomen, en aldaar vijande= „lijkheeden te pleegen, al waaromme de EComp„e met billijkheid alle de schaade voor zijn reekening konde laaten dog alweeder de gewoone goedertierendheid plaats geevende ook in dat geval, de zaak daar meede voor afgedaan zal houden. Verbindende zig den Koning van Bony van zijnen kant om Proe Tanette en wij van de Onzen om Aroe Pantjana aan de stipte naarkoming deezer Decisie te doen onderwerpen, zonder te gedogen dat daar teegen door den e a. van den een of ander in het minste, gehandelt ofte gedaan worde; weshalven verstaan is ten blijke van het verhandelde deeze aanteekening te houden. /:onderstond:/ Aldus Gedaan en Geresolveert tot Makassar in het Kasteel Rotterdam, Dato voorsz: /:was geteekent:/ B„s Reijke, C„s Kraane, J„n M„n Baserman, J„n W„m H„k van Rossum, I„n G„d Budach en J„b C„s De Vos, P„s Bosch, G„b van Diemar a. Brief Copie Secrete van Maccassar in d:o 21. 8br. 1783: Nevens Korte Sterkte van de Dienaaren enz: Dagregister wegens eene gedane Commissie naar Sanette. en 49 Batavia Aan zijn Hoog Edelheid O on 7 e Hoog Edelen: Groot Agtb: . . Gestrengen wijd gebiedende Heere M=r Willem Arnold Alling „ Gouverneur Generaal Benevens Da wel Edele Gestrengen Heeren Raaden van Nederlands Jnder T Hoog Edele Groot Agtbaare Gestrengen Wijdgebiedende Heere 8:N WelEdele Gestrenge Deeren Ter schuldpligte voldoening aan uw Hoog Edeleheedens veel gerespecteerde circulaire : . . . . . . : :. . . . . . . . . 1 . . . C „ . . . . Circulaire bevel, neemen wij de vrije¬ heijd Voogst deselve hier nevens reve„ rentelijk aante bieden ben korte sa„ mentrekking van het generaal ge„ tal der onder heedigen datum hier bescheidene Dienaaren ver„ geleeken teegen de Iongste bepaa„ ling nevens Een opgave van het aan handen zijnde geschut, snaphaa„ „nen, Houwers, scherp, en de aanwee„ sende vaartuijgen, ingerigt na het ons ten dien zijnde toegesonde Model, het geen wij ver„ hoope dat aan de g'Eerde Intentie van uw Hoog Edelheedens zal voldoen, terwijlerij C voor het overige de vrijheid neemen ons met alle verschuldigde Eerbieden veneratie te noemen /on„ derstond:/ Hoog Edele groot agtb: gestrenge wijdgebie„ den de: Heere en welEdele gestr: Heeren /:Lager:/ uw Hoog Edelheedens onderdanige en Trouw schuldige dienaa„ ren /:was get:t/ B: Reijke, O: Kraane I: M: Baserma, P: W: „ A: van Rossum, I: D: Vos, I: Bosch, I: A: Budach, g: B: 1: Diemar /:in margine:/: Maccasser in't Casteel Rot„ terdam den 21: 8ber: A:o 1:183 „ D. Van Haar accordeert Eyk : : : .. : „ „ Op dit Gouvernement zijn op Heeden inw van de Politie tot Iong Assistenten in Clusive „ „ Kerkelijke „ „ Genees Kunde „ „ Arthillerij „ „ Militie „ „ Leevaard „ „ Ambagten „ Diverse Dienstdoenders Inlandse Liermeesters, Maleijdsche schrijver en zend Volgens de laasten 23 Metaale kanons in zoort 44 Metaale Bassen van 3½ tot 1lb 148 ijzere Canons in zoort 24 ijzere Bassen van ½ tot 1 lb 25514 Rondscherp in zoort 7751 Lang scherp „ 2 Metaale houwitsen van 4 d„m 5 Metaale mortiers van 6 a 8 d„m 12 ijzere Handmortiers 300 Bommen gevulde 2207 Loode druijven in zoort 778 ijzere druijven„ 192 Ligt Koogels 1545 Randgranaden 59016½ lb Buskruijt 22748 p„s ijzere Bas koogels 1568 Mortier grana den en Bommen 318 Brand Koogels Maccasser den 21. October /:was getekend/ _o
English
53 the following servants ammunition heads among which native Mohammedans together Europeans children [illegible] 48 20 28 3 3 11 12 1 53 53 40 - 439 399 4 62 168 102 1 28 61 32 8 10 2 5 169 799 622 i G 815 16 3 8 Emissaries Together the last determination thus less 480 pieces flintlocks grenadiers 1890 flintlocks grenadiers without bayonets 699 common flintlocks 45 carbines 4 small brass blunderbusses 24 musquetoons and muskets 36½ pairs of pistols 679 pieces cutlasses of various sorts with brass as well as iron hilts 47 swords of various sorts - the following vessels 2 pieces pantjallings 2 chiampangs 3 boats 1 skiff October Anno 1783 J D Bubait 2 [illegible] signed Checked by Junior Merchant J: H: Jacobs 54 Day-Register, kept by the Junior Merchant and Pay-Accountant Godlieb van Diemar during the commission assigned to him by the Macassarese Government to the King of Tanette and subsequently to his brother Aroe Bantjana. Thursday the 9th of October Anno 1783: In the evening at 5 o'clock received from the Right Honorable Lord Governor my dispatches consisting of some extracts from the secret resolutions dated 4, 5 and 8 October, together with a protest in the Dutch and Bugis languages, after which, accompanied by the chief interpreter Diederik Deefhout and the accountant Alexander Whijts, I undertook the journey to Sagerie at 9 o'clock in the evening, lay at anchor at night because of contrary wind; Friday the 10th of October Anno 1783: Set sail in the morning, and arrived around 9 o'clock at Great Ballang, where, having taken the midday meal, sailed to Poeloe Crandang and subsequently to Poeloe Saboetong, here were compelled by the land wind to remain for the night; Saturday the 11th of October Anno 1783: While the next day proceeded with the sea wind to Sagerie, where we arrived in the afternoon around five o'clock, seeing the Bonian commissioners lying at anchor in the mouth of the river with two vessels. After this sent an emissary to the same and, with friendly greetings, had them asked when it would please them to come to us, in order to consult with one another what was now to be done, whereupon the same with reciprocal greetings returned the answer that they would immediately present themselves to me. Meanwhile a good house was appropriated for them by the aforementioned chief interpreter and the care of that which belongs to them and is needed in the same was entrusted to the solo of Kalocqua, after which the aforementioned commissioners, consisting of the glarrang of Boutualacq and the soelematang Matjege, appeared before me around eight o'clock in the evening, making known that they had been commissioned by the King of Boni to act communicatively with the Company's commissioner toward the settling of the disputes that had arisen and the hostilities already committed by the King of Tanette and Arou Pantjana, whereupon, translated by the frequently mentioned chief interpreter, I replied to them that it was especially agreeable to me to weigh everything maturely with them, asking them at the same time when it pleased them to have access requested together with me from the King of Tanette at Pantjana; whereupon they gave me the answer that they had not received such orders from their King, but that they were instructed only to go to the King of Tanette and the Company's commissioner only to Arou Pantjana, in order for each to declare in the name of his principal to withdraw directly and cease all hostilities, and to communicate the answer of those two brothers at war to each other, and subsequently to consult about it, while their King had moreover ordered them to tell Arou Tanette that whatever he had to claim from his brother would be decided by the King of Boni and the Right Honorable Lord Governor, whereupon I made known to them the first article of my commission, consisting of the following: 1: To declare to Arou Tanette to clear and vacate the Company's territory as soon as possible. And that pursuant to that order I thought it good to proceed together with them to the aforementioned King, to demand of him as well in the name of the Bonian King as also of the
Dutch transcription
53 sen de volgende Dienaaren Ammunitienete koppen waar onder Jnlandse Mahome te zamen Europeesen kinderen taanen 48 20 28 3 3 11 12 1 53 53 40 - 439 399 4 62 168 102 1 28 61 32 8 10 2 5 169 799 622 i G 815 16 3 8 Zend:lingen Te zamen e laasten bepaeling dus minder 480 p„s snaphaanen granadiers 1890„ snaphaanen granadiers zonder Bajonetten 699 „ snaphaanen gemeene 45 „ Carbijns 4 „ donderbussen kleene Koopere 24„ Musquedons en Musquetten 36½ p„e Pistoolen 679 p„s Houwers in Zoort met Koopere als ijzere gevesten 47 „ Deegens in zoort - gen de volgende vaartuijgen 2p„s Pantjallings 2 „ Chiampangs 3. „ Boots 1 „ schuijt ctober Anno 1783 J D Bubait 2 se tekend Nagezien door Jrfr J: H„ Jacobs 54 Wag-Register, gehouden Donderdag den 9=de october Anno 1783: Vrijdag den 10: octo„ Baturdag den 11:' october A:o 1783: door den onderkoopmanen Zoldij Boekhouder Godlieb van Diemar in de hem door het Mac cassaarsch Ministeri uwa opgedra„ gene Commissie bij den Koning Ta„ nette en vervolgens bij desselfs. Broeder Aroe Bantjana 'S avonds om 5: uuren Erlangde van den WelEdelen Agt„ baaren Heer Gouverneur mijne depechen bestaande in Eenige Extracten uijt de secreete Resolutien de datis 4: 5: en 8: october beneevens Een Protest inde Hollandsche en Bou„ gineese taalen, waar na verzeld van den oppertolk Die„ „derik Deefhout en den Boekhouder Alexander Whijts s avonds om 9 uuren de rheise naar Sagerie on„ dernam, nagts weegens Contrarie wind ten anker lag; 's morgen onderzeel ging, en Omtrent 9: uuren arriveerde op groot Ballang alwaar het ter anno 1783 — middag maal genomen hebbende, naar Poeloe Crandang zeijlde en vervolgens naar Poeloe Saboetong, alhier wier„ den door de Land wind genoodsaakt snagts te verblijven ter wije sanderen daags over met de Zeewind naar Sagerie vertrokken alwaar wij snade„ middags omtrend vijf uuren arriveerden siende de Bonij„ se gecommitteerdens inde mond van de Revier met twee vaartuijgen ter anker leggen Hier na soud een zendeling naar dezelve en liet onder vriendelijke groete haarlieden vragen; wanneer het hun behaagde bij ons te komen, ten Einde met malkanderen raad te pleegen, wat als nu stonden te doen, waarop de„ zelve onder Reciprocque groote tot andwoord liet weeten dat zij in mediaat zig zouden bij mij laten vinde, Jntus schen wierd door voorm: oppertolk voor hun lieden Een goed huijs g'approprieert ende sorge van 't geen haar toekomt en inde zelve benoodigt hebben aan den solo van kalocqua opgedragen, waar na voormelde gecommitteerdens bestaande inden glarrang van Boutualacq, enden Soelematang Matjege omtrend 's avonds te agt uuren bij mij verscheenen bekend makende dat zij lieden door den Koning van Bonij gecommitteerd waren, om met somps gecommit„ teerde Communicatieff te werk te gaan tot bij legging van de ontstaane geschillen en bereeds gepleegde vijandelijkheeden van den Koning van Tanette en Arou Pantjana, waar op hun onder vertaaling van meerm: oppertolk repliceerde dat hij mij bijsonders aangenaam was met hun lieden al„ vragende „les rij pelijk te over weegen hun teffens vergade wan„ „neer het dezelve behaagde nevens mij op Pantjana ac„ ces bij den koning van Tanette te laten vragen waar op mij tot antwoord gaven, dat zij zodanige ordree van Hunneko„ „ning niet ontfangen hadden maar dat zij last hadden om alleenlijk naar de koning van Tenette te gaan en sComp„s gecommitteerde alleen na Arou Pantjana ten Einde ider uijt naam van zijnen principaal aante zeg„ „gen direct aftetrekken En alle hostiliteijten te staaken en't antwoord van die twee in Oorlog zijnde gebroeders den Een den anderen te Communiceeren, en vervolgens daar over te raadpleegen, terwijl hun koning haarlieden nog daar en boven hadde gelast Arou Tenette te zeggen, 't geen denzelven van zynen Broeder te pretendeeren hadde door den Koning van Bonij en den welEdelen Agtbaaren Heer Gouverneur zoude gedecideert worden, waarop hun 't Eerste Articul van mijne Commissie te kennen gaff bestaande in't volgende 1: Arou Tanette aante zeggen 's Comp:s territoir ten Eer„ sten te ruijmen en te verlaaten En dat involge die ordre goeddagt met hun te samen naar de koning voormeld mij te vervoegen hem zo wel uijt naam vanden Bonijschen Koning als vergook van de
English
to notify the Company to leave the Company's territory, to which the Bonij commissioners, so it seemed, would by no means listen, informing me that when the assistant interpreter Bewers was sent to the King of Bonij to learn when the aforementioned commissioners would depart, he received as an answer that it could not happen today but tomorrow, when the commissioners from both sides must await one another at Sagerie, and that then the Bonij commissioners must betake themselves to the King of Tanette, and likewise the Company's commissioner to Arou Pantjana, in order to notify each, in the name of his Lords and Masters, to cease all hostilities and to withdraw immediately. Whereupon I gave them as an answer whether they accepted and would be responsible that upon that order Crain Tanette would withdraw and cease warring; whereupon they replied, I will not and dare not answer for it, but I think that the aforementioned King will indeed listen to the orders of the King of Bonij. From which doubtful answer I did not dare venture to enter into a decision which was contrary to the orders of my superiors, partly because I feared for a good outcome, and partly because it might also be possible that the said commissioners had a secret commission with Crain Tanette from their King, whereby our presence might be deemed disadvantageous by them. For which alleged reasons, and because I considered that all delay in that regard and the writing back and forth to await further orders from my superiors could be disadvantageous to the Honourable Company, with the advice of the chief interpreter Delfhout and the bookkeeper Whijts, I submitted to them that the longer those brothers were at war, the Sunday the 12th less we would be able to pacify them, assuming that if Tanette once gained the upper hand, he would not want to settle the matter, and Arou Pantjana, who had been attacked, would in the event of an advantageous turn of events also not let himself be satisfied with the mere satisfaction of the withdrawal of both armies; wherefore it was better to deliberate upon it directly and not spend a single minute in vain in this matter, as it was disadvantageous to both parties, indeed even to Bonij and the Honourable Company, who wished to act as mediators in this. Therefore I had it proposed to them to promptly and even literally carry out both the orders of the King of Bonij on their part and those of my superiors on mine, and consequently to proceed together to Tanette or wherever that King might happen to be, to notify him in the name of his King and of the Honourable Company to withdraw immediately and to leave the Company's territory, and then likewise to order Arou Pantjana to cease all hostilities. Whereupon the said commissioners then finally replied that this was good, and that we should depart together for Tammaroepa, which is as close to the armies as to Tanette or Mandalle. This then having been agreed upon in such a manner, I gave the order to depart immediately for the aforementioned place, after which the aforementioned commissioners took their leave of me, and we departed at about 10 o'clock in the evening, lay at anchor during the night due to contrary winds, and the next morning, on October Anno 1783, weighed anchor and at about 10 o'clock arrived off the river of Tammaroepa, after which the aforementioned commissioners came on board again, with whom I agreed to immediately dispatch both the King's envoy and that of the Honourable Company, Carde Mand Jarekie, to the King of Tanette and Arou Pantjana, in order to make our arrival known to both of them and to order them directly to cease all hostilities, while we requested to know at what place the former wished to await us this very day. With which message those two envoys then also departed and returned at about two o'clock, reporting that the King of Tanette greeted me and sent word that he would commit not the least hostility, indeed would not even fire a single musket anymore, while he would await us directly near Mandalle. Arou Pantjana likewise sent me his greetings and let me know that he submitted to the orders of the Honourable Company, and that he would withdraw the moment he was ordered to do so by me; regarding speaking with one another, that he left that entirely to me, whether I ordered him to come on board, or ashore, or whether we wished to come into the fortifications thrown up by him for the defense and security of the Company's land, or to Sagerie. Having sent Bonij's envoy along with ours to Bonij's commissioners with this message, I had them requested to come to me in order to deliberate once more on what should be notified to the King of Tanette, so that thereby all differences that might result from it ashore might be cleared out of the way. Whereupon they also came to me on board, when I submitted to them that, to clear out of the way everything that might be disadvantageous to the settlement of this war, we ought to take counsel together as to what must be notified to the King, both in the name of the Honourable Company and of their King; while for my part I thought it best to tell Crain Tanette to immediately demolish all the fortifications thrown up by him, to recall his men stationed here and there, and subsequently to vacate the Company's territory directly with them and betake himself to his country, furthermore carefully avoiding all hostilities, both offensive and defensive.
Dutch transcription
de Comp: te kunnen aanzeggen; 's Comp„s ter retoir te ver„ laten, waar nade Bonijse gecommitteerdens /: zo het scheen:/ geensints wilden suisteren, mij te kennen gevende dat toen den ondertolk Bewers bij den Koning van Bonij was gezonden om te verneemen wanneer voorm: ge„ committeerdens vertrekken zouden, tot antwoord had bekoomen van deesen dag kan het niet geschieden waar morgen, wanneer de gecommitteerdens van weeskan„ ten de len den anderen op Sagerie moeten in wagtingen dat als dande Bonijse gecommitteerdens zig moeten ver„ „voegen bij den Koning van Tenette en zodanig ook 'sComp: gecommitteerde bij Arou Pantjana, ten Einde Een ieder uijt naam van zijn Heeren en Meesters aante zeggen alle vijandelijkheeden te straaten en directelijk afte„ „trekken, waar op ik hun tot andwoord gaf off denzelven aannam en responsabel wilde weesen dat op die last Crain Tanettie zoude aftrekken en met oorlogen uijt scheeden, waar op repliceerde, Ik wilen durfer niet voor instaan, maar ik denk dat voorm: Koning wel zal Luijsteren naar de ordres vande Koning van Bo„ nij, uijt welk twijffelagtig antwoord ik niet heb durven wagen in den besluijt te treeden 't welk tegenstrijdig de ordres mijner gebiedens was verniets Ek eensdeels vreesde voor den goeden uitslag, en ander„ deels dat het ook zoude kunnen mogelijk wezen, dat. gem: gecommitteerdens Een sekreete Commissie bij Crain Tanette van hunen Koning hadden waar bij onze presentie door hun nadeelig zoude kunnen g'oordeeld worden, om welke g'allegueerde redenen en omdat ik vermeende dat alle uijt stellen daar omtrendt en't over en weder schrijven om na„ dere ordres van mijne gebieders inte wagten nadee„ lige voor de EComp: konde weezen, met raad vanden opper„ „tolk Delfhout en den Boekhouder whijts hun voor„ koeg dat sive langer die gebroeders in oorlog waren hoe 56 Zondag den 12:' hoe minder wij instaat waeren dezelve te bevredigen veronderstellende dat Tanette eens de overhand bekomen„ de, dezaak niet zoude willen bijleggen, en Arou Pantja„ na (:wie g'attacqueert is geworden:) zig bij den voordeeli„ „ge Coupal meede niet zoude laten bevredigen met de bloote satisfactie van't terug trekken der beide legers, wes„ halven het niet beter was als directelijk daar over te beraads„ lagen, en geen minutt vergeefs indezen te besteede, alzo dezelve nadeelige voorde een en andere parthij was, Jazelp voor de Bonij en de E Comp: de welke zig als bemiddelaars indezen wilden stellen; waarom ik hun lieden liet voorstellen om zo welde ordres van de koning van Bonij van hunnen Kant, als mede die van mijne gebie„ „ders vande mijne promptelijk en zelfs letterlijk te volbrengen en dien volgende met malkanderen naar Tanette dan wel waardien, Koning zig quam te be„ vinden te begeeven, hem uijt naam van zijne Konin„ „gen van d E Comp: aan te zeggen direct aftetrekken en van sComp:s territoir te begeven, als dan Arou Pantja„ na van 'sgelijk te ordonneeren alle vijandelijk heeden te staaken waar op gem: gecommitteerdens dan binde„ lijk repliceeren dat zulx goed was, en dat men naar Tammaroepa gecombineerd zoude vertrekken, 't welk zo digt bij de legers is, als bij Tanette of mandalle dit dan in zodaniger voegen afgesproken zijnde gaff ik order om directelijk naar voorm: plaats te vertrekken waarna voorm: gecommitteerdens van mij hunne af„ schiednamen, en wij omtrend 10: uuren, savonds vertrok„ ken 'snagts weegens Contrarie wind ten ankerlag„ „geven 's' anderen morgen op october Ao 1783: Tanker ligten en omtrend 10: uuren voor de Revier van Tam maroepa arriveerden waar na voorm: gecom„ mitteerdens wederom aanboord quamen met dewelke affsprak om zo vel's Konings zendeling als die van de EComp: Car„ de Mand Jarekie in mediaat naar den Koning van Sanette H Tanette en Ave PantJana aftezenden, ten binde beide dezelve onze komst bekend temaken, en aante zeggen dereftelijk alle vijandelijkheeden te straaten, ter wijl wij ver„ zagten te woegen weten op wat plaats den Eersten ons nog heeden wilde afwagten, met welk boodschap die tweezin„ „deling dan ook vertrokken en omtrend twee uuren weder„ om: reverteerden en boodschappen dat de Koning van Tanette mij groete den zeggen Liet dat geen de minste vijandelijkhedf zoude pleegen; Ia zelfs geen snaphaan meer afschiet zoude terwijl ten Eersten ons omtrend Mandalle zoude inwagten Arou Pantjana diet mij van Igelijk groeten in wee„ ten, dat zig aande ordres ordres van dE Comp:e onderwiep, en dat op 't moment zoude aftrekken wanneer hem zulx door mij g'ordonneert wierden wat aanging om met malkanderte spreeken, dat den zelve zulk volkomen aan mij overliet, het ij dat ik hem ordonneerde aan Boord te konnen, dan wel aanstrand of dat wij wilden in zijne ter verdeeding en bevijliging van 's Comp: land op geworpene Bentinks dan ook op Sagerie koomen met dit boodschap Bonijszendeling beneevens de onze naar Donijs gecommitteerdens gezonden hebbende, liet ik dezelve verzoeken bij mij te komen, ten Einde nogmaalste be„ raadslagen wat aan den Koning van Tanette zoude aan zeggen, op dat daar door alle alle verschillen die daar uijt zoude kunnen aande wal resulteeren uijt de weg geruijmt mogten werden, waar op dezelve ook zij mij aan boord quamen wanneer ik hun liet voor houden dat alles wet tot bijleg„ „ging van deezen oorlog nadeelig zoude kunnen zijn uijt de weg te ruijmen met malkanderen dien den raad te pleegen wat aanden Koning moeste aanzeggen zo wel uijt naam van deE Comp: als van hunnen ko„ „ning, ter wijl ik voor mijn aandeel dagt niet beterte zijn als Carieni Tantte aante seggen directelijk de ge„ samentlijke door hem opgeworpene Bentinks aftebree„ ken zijn volk dat hier en daar geposteert is te rugte roepen, en vervolgens met dezelve direct sComp:s grond gebied te ruijmen, en zig naar zijn land te begeeren voorts alle hostiliteiten zo of als defensie ( sorgvuldigetenijd 58
English
And in that manner also to deal with Arou PantJana, with which the aforementioned commissioners concurred, as being in accordance with the order and desire of their King; after which we departed together for Mandalle and, alongside the Lieutenant of the Malays Intje Salemang, the head of Saboetong Intje Achinat Caxinglisson, and the Lieutenant of the Peranakan Chinese Intje Tengar, repaired to the camp of the King of Tanette, who came towards us from his headquarters with a corps of about 1000 armed men under a large tree, where he received us, his generals or field commanders consisting of the following, namely: Crain Sembang Parrang Aroe Nanka Datoe Sampoela and Daing MMalimpo, who arrived here from Maccasser this morning at 10 hours with 10 vessels, who shortly before our arrival on shore marched to the army of the aforementioned Crain Tanette with about 300 men and two banners. Subsequently, having taken our seats, I had the King of Tanette greeted in the name of the Right Honorable Lord Governor and Council of Maccasser by the chief interpreter Diederik Deefhout, for which he offered his thanks. After this, I informed the King that I had come here in the name and on behalf of the Lord Governor and Council, as representing the General United Chartered Dutch East India Company, together with the commissioners of the King of Boni, to summon the King of Tanette to immediately evacuate the Company's territory and to cease all hostilities, both offensive and defensive. Whereupon the King answered me: That when he had wished to inspect his lands, he had been attacked and hostily assailed by Aroe Pantjana; that he had therefore been obliged to defend himself, while he testified to having nothing against the Honorable Company. Whereupon I answered him that if his intention, as King, had been to inspect his lands, that he surely would not have needed to arrive with so great a multitude of people, equipped with banners and all signs of war, and thereby invade the Company's territory and inflict damage on the Honorable Company and its subjects, which was plainly and clearly evident from the plundering of the negorij Galla. Whereupon he replied that he had given no occasion for this war, for he had come onto the Company's land with the intention of inspecting his land, had been stopped on the way by the people of Aroe Pantjana, who had shown him hostilities, by which he was compelled to put himself in defense, since it was indeed evident from the burning of four of his negorijen by Aroe Pantjana; furthermore denying the plundering of the negorij Galla, likewise testifying not to be ill-intentioned towards the Honorable Company in any way, further complaining that the Company's subjects helped Aroe Pantjana, which was evident from the Lolo of Sagerie, who had erected a benting from which he even let his banners fly, while declaring that he would not withdraw before and until he had restitution of everything he had to claim from his brother. Whereupon was replied: Concerning the actions of the Lolo of Sagerie, that this was without the knowledge of the Honorable Company, and that the same had never given orders to the Company's subjects either to help Aroe Pantjana or to commit any hostilities against Aroe Tanette; and that in such cases, if he had anything to claim from Aroe Pantjana, he could have applied to the Right Honorable Lord Governor and the King of Boni, as his Right Honorable had indeed never refused to give him, Crain, satisfaction according to equity; but that he was for those reasons not justified in passing with an entire army through the Company's negorij Mandalle and subsequently erecting bentings on our territory without the foreknowledge of the aforementioned Honorable Lord Governor and the King of Boni, while the Honorable Company indeed had to regard such actions as if the King wished to make war against the Honorable Company. Whereupon was answered: That he regarded Mandalle as related by marriage to Tanette and from olden times always allied with one another, and since the high road was there, he, the King, had passed through here to go to his land. Whereupon it was brought to his attention whether he, King of Tanette, if our Company's subjects came marching into his land without his foreknowledge, even if they committed not the slightest hostilities, would tolerate such, or not regard it as if one wished to make war upon him; and thus that his actions in this matter must likewise be regarded as such by the Honorable Company if they did not withdraw and cease all hostilities. These words seemed to sit across the prince's stomach and to convince him of his mistake, which was why he was also unable to answer; whereupon the Glarang of Bontulacq likewise addressed him in the name of their king in such a manner that he finally promised to withdraw and cease all hostilities, provided that Aroe Pantjana also withdrew, which was also promised to him would be brought about with Aroe Pantjana; after which, having taken our leave at half past five hours, I departed for the army of Aroe Pantjana, while the Boni commissioners excused themselves from going along, being too fatigued. There, likewise making known my commission or order to this person, the same declared immediately upon my admonition to be ready to withdraw, submitting himself entirely to the orders of the Honorable Company, adding thereto: I compare myself to a sailor; wherever the Honorable Company, my Lords and Masters, wish to send me, there I go, while I testify not to have committed hostilities against Crain Tanette, but protected the Company's land against the invasions and plundering of Tanette.
Dutch transcription
En in diervoegen ook met Arou PantJana te handelen waar„ mede voormelde gecommitteerdens zig Confirmeerden, als zijnde over Een komstig met de ordre en begeerte van hunnen Koning waar na wij te samen naar Mandalle vertrokken En ons nevens den Luitenant Maleijer Intje Salemang het hoofd van Saboetong Intje Achinat Caxinglisson; en den Luitenant der Parakan Chineesen Intje Tengarwaar 't segere vanden Koning van Tanet„ te vervoegden de welken van zijn hoofd quartier met Een Corps van zui„ 1. . onder 1000: gewapende mannen naar ons toequam, en Een groote boom ons ontfing bestaande zijne Generaals off veldoversten inde volgende als Crain Sembang Parrang Aroe Nanka Datoe Sampoela en Den deesen morgen om 10: uuren alhier met 10: vaartuigen van Maccasser g'arriveerden Daing MMalimpo, de welke kort voor onze komste aan de wal met omtrend 300: illan en Twee vaan„ dels naar'tleger van voormelde Crain Tanette marcheer„ de, vervolgens zit plaatsgenomen hebbende; Liet ik den Koning van Tanette uijt naam van den welEde„ agtbaaren Heer Gouverneur en raadte Maccasser door den oppertolk Diederik Deefhout de Groetenisse doen waar voor denzelven zig bedenkte Hier na gaf ik den Koning te kennen dat ik hier uijt naam en van wegens den Heer Gouverneur en Raad, als re„ presenteerende de Generaale nederlandsche Gochtroijeerde oost Indische Compagnie gekomen was, om neevens 's konings vant Bonijs gecommitteerdens den Koning van Tanette aante zeggen 'sComp: territoir ten Eersten te ruijmen en alle Mostiliteijten zo off als defensief te staaken waar op den Koningh mij tot andwoord gaff Dat toen hij zijne Landerijn hadde willem besien door Aroe Pantjana gattacqueerd en vijandelijk aangelast was geworden, dat hij zig derhalven had moeten verweeren terwijl hij betuigde, niets tegen d' E Comp: te hebben Waar op ik hem tot andwoord gaff, dat als de Intentie van hem Koning geweest was zijne Landerijen te besien Dat 60 dat hij imers als dan met Een zo groote menigte van volk voorzien van vaandels en alle tekenen van oorlog niet had behoeven aan te koomen en daar meede 'sComp:s territoir te invadeeren en schaade aandE Comp: en dezelver onderdaanen te pleegen 't welk aan 't plunderen vande Negorijen Galla klaar en duijdelijk bleek waar op antwoorde dat hij geen aanleiding tot deezen oorlog gegeven hadde, want dat hij met die Intentie op 'sComp Land was gekomen om zijn land te bezien, onderweepen is tegen gehouden geworden door 't volk van Aroe Pantjana, die hem vij„ andelijkheeden hadden betoond, waar door hij, gedwongen, was zig in tegenweer te stellen, ter wijl het immers bleek aan't ver„ branden door Aroe Pantjana van vier zijner Negorijnontkennen, de voorts het planderen vande Negorij galla, teffen is betuijgende geensints tegen de E Comp:s qualijk g'intentioneerd te wesen zig wij„ „ders beklagende dat sComp:s onderdaanen Arve Pantjanahielpen 't welk bleek aanden solo van Sagerie die Een Bentink had opgeworpen vandewelke hij zelfs zijn vaandelsliet waijen terwijl verklaarde niet te zullen aftrekken voor en aleer hij alles gerestitueerd kreeg wat van zijnen broeder te pre„ tendeeren had, waarop repliceerde wat aanging de gedoentens van Lolo van Sagerie dat zulx buijten weten vande E Comp: was en dat dezelve aan sComp:s onderdaanen nimmer order gegeven heeft nog te Aroe Pantjana te helpen nogte Eenige hostiliteijten tegens Aroe Panette te pleegen, en dat bij den wel Edelen agtbaren Heer Gouverneur en den Koning van Bonij zig in zodani„ „ge gevallen, als iets van Aroe Pantjana te pretendeeren had vervoegen konde dewelke zijn wel Edelen Agtbaare immers hem Crain noit geweigert heeft naar billijkheid satis„ facactie te geven, maar dat hij om die reedenen niet ge„ wettigt was, met Een geheele Armee door sComp:s Negorij Mandalle te passeeren en vervolgens op ons grond gebied Bentieriks op te werpen zonder voorken„ nisse van welmelden Agtbaaren Heer Gou„ verneur Verneur en den koning van Bonij, terwijl de EComp: zoda„ „nige gedoentens immers moest aanmerken als waere het dat den Koning tegens de EComp:e wilde oorlogen, waar opent„ woorden, 8 Dat hij Mandalle aanmerkte als vermaagschapt aan Panette en van oudsalthoos met malkanderen in verbond gelieft en vermits aldaar de groote weg was hij Koning hier door gepasseert is om naar zijn Land te gaan, waar op hem onder 't oogbragte of bij Koning van Tarrette bij aldien onse sComp:s onderdaanen zonder voorkennisse van hem in zijn land quamen trekken, hoe wel geen de minste hostiliteij„ ten pleegden, zulx zoude gedoogen, ofte niet aanmerken als wilde men hem beoorlogen, en dus dat zijne gedoentens indeezen almeede zodanig door de E Comp: moesten aange„ merkt worden bij aldien niet aftrokken en alle hosti„ liteijten staakte deeze woorden scheenen den vorst dwars inde maagte zitlen, en hem te overtuigen van zijnen misslag waar om„ me dan ook niet instaad was te andwoorden; waar opgla„ rang van Bontulacq hem zodanig almeede uijt naam van hunnen koning aansprak, dat hij Eijndelijk beloofde te zullen aftrekken en allen hostiliteyten staaken miet troe Pantjana ook quam aftetrekken, 't welk hem almeede be„ hoofde bij Aroe Pantjana te zullen bewerken, waar na afscheid namen om halff ses uuren naar 't leger van Aroe Pantjana vertrok terwijl de Bonijse gecom„ meede mitteerdens zig kwamen te verexcuseeren weese te gaan als te vermoeijd zijnde Daar deezen almeede mijne Commessie ofte ordre te kennen gevende, verklaarde den zelven directelijk op mijne aanmaening gereed te zijn aftetrekken als zig ten Eenemaal aande ordres van de E Comp:e onderwerpende daar bij voegende, ik vergelijken mij bij Een MMattroos waar mij de E Comp: mijne Heeren en Meesters willen zenden daar ga ik, terwijl ik betuige geen vijandelijkheeden teegen Crain Tanette gepleegd maar sComp:s bandvoorde invassien en 't plunderen van Tanetta beschermt
English
Monday the 13th of October 1783: to have protected, furthermore that Aroe Mampoe and Crain Sapannak had come to congratulate him on the circumcision of the latter's son, however by no means to assist him in these troubles, as they had known nothing of them. After this, having taken our leave of Aroe Pantjana, we departed again on board. Having arrived there, I deliberated with the aforementioned Diefhout and Whijts whether I should immediately communicate this news, so agreeable to the Honorable Company, or whether I should first see to putting the effect of the promise into execution and only then write, wherein I also submitted for consideration that, if I did the former, the Right Honorable Lord Governor would have little to nothing of it, since everything amounted to mere and even doubtful promises on the part of Tanette, wherefore I deemed the latter proposal to be the best, in which they also concurred. Tuesday the 14th of October 1783: The next morning I let the Bonian delegates know again that it was a pleasure to speak with them in accordance with what had been agreed yesterday, and whether it pleased them to come on board or that we should speak with each other on shore, to which they returned the message that they would await us on shore, after which around eight o'clock in the morning we went to the shore of Mandalle, where Aroe Pantjana had sent us the necessary horses. We awaited the delegates still on board, with whom we deliberated to have the King of Tanette as well as Aroe Pantjana now execute their promise of yesterday, and that both the one and the other should abandon and withdraw from his bentings, with which the delegates concurred so far, provided that they went to Aroe Tanette and we to Aroe Pantjana to make them withdraw. But since Glarrang Bontoralax could by no means be persuaded to allow us to go with him to the King of Tanette, we agreed with each other regarding that matter, after which we proceeded to the camps and separated from each other near the outposts, the Bonian delegates to the headquarters of Tanette and we to that of Aroe Pantjana, whom I came to summon in the name of the Honorable Company to withdraw directly with his people from the bentings and to proceed to his dwelling place, which had been granted to him by the Honorable Company to dwell in, which was also accepted by him; and accordingly he immediately gave orders that all his people had to dismantle the bentings and each directly withdraw to his negorij, after which, following a short discourse, we departed again, yet were witnesses to the demolition of the bentings of Aroe Pantjana as well as to the withdrawal of Aroe Tanette with his entire army, Daeng Malimpo with all his people and vessels having departed for Pantjana, as well as the aforementioned Aroe Nankalrang, Simbang Parrang, and the said Lampoela. Having returned to Mandalle around one hour later, the Bonian delegates requested to depart for Tanette in order to deliver a letter from their King to the wife of the King of Tanette, named Datoe Tjitter, which I could as little prevent as permit them, considering that they were not subject to me, wherefore I left this to their choice and also to their responsibility; after which they promised me that they would be back in two days at the latest. After this, we, together with the aforementioned delegates, repaired each to his vessel, on which occasion we saw Daeng Malimpo depart with all his vessels that had arrived here yesterday and shape their course for Pantjana, since the Bonian delegates had already departed thither. On board it was resolved to send a vessel or two this evening to Macassar with this joyful news and to request further orders regarding various matters from the Right Honorable Lord Governor and Council, in order to fulfill my commission to the satisfaction of their Excellencies; which was then also done, the Honorable Company's emissary, being the Company's emissary Daeng Soette, having departed this evening with the letter to the Lord Governor and Council at Macassar. Wednesday the 15th of October 1783: This morning order was given to Crain Mandalle to demolish down to the ground all bentings not yet razed, and to order every subject of the Company to repair again to his negorij, while the planks that served for bentings and also to fire muskets from behind, which were left behind by Tanette's prince, were handed over to the aforementioned Crain, in order to re-erect therewith the Lord Governor's house, which is entirely dilapidated and torn down. In the morning at six o'clock we went to inspect the places where the army had stood and the bentings had been, and found then that most all of the same had been razed, except for two that Crain Mandalle, due to scarcity of people, has not yet been able to dismantle, promising to raze the same as soon as possible; subsequently riding to Catteniaen and from there to Kekian (being the negorij that Tanette's prince claims to have been burned by Aroe Pantjana), we found that there were five strong bentings which were still in good condition, though situated on a muddy
Dutch transcription
Maandag den 13.:' october 1783: beschermt te hebben, voorts dat Aroe Mampoe en Chain Sapannak gekomen waren hem 't mirteeren op de besnij„ denis van des laasten zoon, Egter geenesints om hem te atsisteeren in deese onlusten, als vandezelve niets geweeten hebbende Hier na onzen afscheijd van Aroe Pantjana genomen, hebbende vertrokken wij wederom naar Boord, om beruur g'arriveerd zijnde beraadslagde ik mij met voormelde Diefhout en w'hijts off ik deze voor de E Comp: zo aangenaam„ „me tijding ter Eersten zoude bedeelden, dan wel dat ik 't Efect n vande belofte Eerste zoude zien te bewerk stellingen als dan eerst=e schrijven, verniets ik teffens in overweeging gaf des, bij aldien in het eerste deede daaraan den wel Edelen Agtbaren Heer Gouverneur weinig niets zoude hebben vermits alles op Enkele Jazelfs twijffelagtige beloften aande zijde van Tanette uijt kwam, weshalven ik oordeel„ de 't laaste voorstel het beste te zijn waar meede dezelve zig ook Confirmeerden Sanderen daags 's morgens op Liet ik de Bonijse gecommitteerdens wederom weten dat genoegen was, dezelve ingevolge het afgesprookene van gisteren te spreeken en off het hun behaagde aan boord te komen dan wel dat wions aande wal zoude spreekene, waar op de zelve ons tote keer Berigt lieten dienen, dat zij ons aande wal zouden afwagten waar na omtrend agt uuren 's morgen naar de wal van Mandalle gingen, alwaar Aroe Pantjana ons de ondige Paarden hadden geschikt wagte den wijde nog aan Boord zijnd, gecommit„ „teerdens in met dewelke beraadslaagden als nu de koning van Tanette zo wel als Aroe Pantjana hun belofte van gisteren te doen Executeeren en dat zo wel den een als den anderen zijne Bentinks verlaaten en aftrekken moest waar meede de gecommitteerdens zig zo verre Confirmeerende mitsdat zij naar Aroe Tanette en wij naar AroePan„ tjanar gingen om dezelve te doen aftrekken dan de„ wijl glarrang Bont valax dog niet te beweegen was dat 62 roe t be„ naar te dat wij navens hem bij den koning van Tanette mogten gaan zijn wij dan ook daar omtrendt met malkanderen over eengekomen, waar na wij ons naar de legens begaven en omtrendt de voorposten van malkanderen scheijden de Bonijse: gecommitteerdens naar 't hoofd quartier van Tanette en wij naar dat dat van Aroe Pantjana dewelke Ik: uijt naam der E: Comp: kwam aanzeggen om direstelijk met zijn volk uijt de Bentings te trekken en zig naar zijn woonplaats dewelke hem door de E Comp: vergunt, wat ter wook te begeeren, 't welk door den zel„ ven ook aangenomen wierd; en dien volgende aanstonds order gag dat alle zijn volk de Benting moest afbreeken en directelijk den ieder naar zijn Negorij aftrekken „waarna wij na Een korte discours wedarom vertrekken „endog getuijgen waren van 't sloopen der Bantinks van Prve Pantjana als ook van 't aftrekkenn van Aam F tanette met zijn geheele Arme, zijnde Daeng malim„ po met al zijn volk en vaartuijgen na Pantjana Z: wel als: de vooren: geciteerde Aroe Nankalrang Simbang Parrang en dito Lampoela vertrok„ ken omtrend Een uur wederom op Manballa gekomen zijnde verzogten de Bonijse gecommitteerdens naar Tanette te vertrekken ten Einde Een Brief van hunne Koning aande vrouw van den Koning van Pa„ nette Datoe Tjitter genaamt te overhandigen te welk ik hun zo: weinig konde belette als toestaan als aan„ dat: deselve niet onder mij gestonden wishalven merkende „ ik zulks in hunne keuse en ook voor hun verantwoording liet; waar na dezelve mij beloofde in twee dagen uuijterlijk wederom te zullen wezen Dier na vervoegde wij ons beneevens voornoemde ge„ committeerdens een ider na zijn vaartuig welke occassie .. - .: : .. . : . : . . : .. . ƒ. . . . : : . Dingsdag den 14: October 1783: Woensdag den 113: octo:ber: 1783: wij Daeng Malimpo met alzijne op gisteren alhier g'ar„ riveerde vaarthuijgen zagen vertrekken en de Coursneemen naar Pan'tJana;, den wijl de Bonijse gecommitteerdens allree„ de naam denwaarts zijn vertrokken Aan Noord resolveerde een vaartuijg off Twee dezen avond naar Maccasser met deeze verheugelijke tijding te zenden en omtrend Een en anderen, zaken vanden wel Edele Agtbaaren Heer: Gouverneuren raad nader ordres te derzoekeij ten Eijnde mijne Commissie ten genoeg van Hoog dezelve te volbrengen; 'T welk den ook geschiedende, als zijnde der E: Comp:s zendeling, als zijn„ de den 'sComp: Den deeling Daenig soette dezen avond mit: den Brieff: aan den Heer Gouverneur en Raadgaard Maccasser vertrokken Deezen morgen gaffaan Train Mandalle order om al„ le nog nie't geslegte Bentings tot de grond toe afte bre„ ken en Een ieder sComp:s onderdaan te ordonneeren zig weder naar zijn Negorij te begeeven terwijl de planken die gedient hebben tot Bantings en ookomstel roeren afte schieten de welke door danettes voorst agterlaat „daar zijn aan voorm: Crain zijn overgegeven ten Einde „ meer„ de 's Heer gouverneur huijs t: welk ten Eenemaal ver„ „vallen en afgebrooken is weeder op te regten Daes morgens om ses uuren zijn de plaatsen alwaar het leger gestaan heeft ende Bentings geweest zijn gaan bezien en bevonden als toen dat meest alle dezelve geslagt ware tot op twee nadie Crain Mandalle, wegens swikheijd aan volk nog niet heeft kunnen afbreeken, beloovende ten spoe„ digsten dezelve te slegten vervolgens naar Catteniaen van daar naar Kekiantijdende /:den den Negorij die Ta„ nettes wvorst voor geeft door Aroe Pantjana verbrand te zijn :/ bevonden w' dac aldaar vijff strekte Bentings die nog in goede staat waaren egter op Een modder„ agtige den i na om en n Ciain na „ ƒ ƒ hun twee ge¬ casie ƒ 64
English
Thursday the 16th of October 1783. situated on swampy ground, which were therefore abandoned by the Tanetterese for that reason; and according to rumor were set on fire by the people of Datoe Pedenring. In the afternoon at two o'clock the Boniese commissioners returned from Tanette, and around 5 o'clock Glarrang Bontualacq came on board requesting that we should not yet depart from here, as he still had something to tell me on behalf of his King, which was to take place tomorrow morning, to which I then also consented. This morning I received a letter from the Honorable Honorable Governor and Council at Maccasser, after the reading of which I immediately summoned the Crain and the Kalie of Mandalle to come to me in order to ascertain how the hostilities had commenced, together with what damage had been suffered on the side of Tanette as well as on that of Aroe Pantjana, and also whether the subjects of the Honorable Company and the Company's lands had suffered any damage by this, whereupon I obtained the following report: That they, knowing nothing and also having heard of no hostilities between Crain Tanette and Aroe Pantjana, suddenly saw the King of Tanette himself arrive with 2000 men divided under nine banners, being already on the Company's territory; that he immediately posted himself at the mountains, erecting bentings there; the next day marched further on, subsequently made a bridge across the rivulet of Samaroepa, next to which he threw up a strong entrenchment; marching on along the other side, they do not know what occurred further, thinking that such will be known to the lesser chiefs; that they furthermore well know that the Company's villages Samaroepa and Palkang were robbed by the Tanetterese of their houses, whose bamboo and woodwork they used for the bentings; that upon this the Company's subjects saved themselves by flight, some to Pagerie, the others to Mandalle, and the Tanetterese and Boniers to Tanette, and thus had to abandon everything; that the Tanetterese devastated the village of Tjilalang by pulling down their houses and plundering the paddy; that after four days the people of Aroe Nataka, under the command of the Anrong Goeroe Danigi Mabeela, surrounded their houses with a banner and forced them to choose the side of Crain Tanette; and that the aforementioned Danigi Mabeela refused to leave the house of the former before and until he declared himself; that thereupon, seeing the danger before his eyes that the village would be set on fire and the Company's land ruined, he consulted with the chiefs and for that reason was compelled to choose the side of Tanette, and thereupon also immediately marched with all the people to Crain Tanette, who ordered Crain Mandalle to erect a benting and post himself there. That after having entrenched themselves here for two days, the King of Tanette marched out with his army in order to engage in battle with Aroe Pantjana; that Aroe Pantjana, however, kept quiet within his bentings. That this was repeated up to three times by Crain Tanette, but that Aroe Pantjana always kept quiet; that as long as he was in the army, the people of Crain Tanette engaged in battle only twice, in which first encounter Tanette had one man shot dead and three wounded; the second time Aroe Pantjana repulsed them from a benting, in which two men were wounded. That upon this the Company's commissioners arrived with those of the King of Bony, whereupon all hostilities ended, and the King of Tanette as well as Aroe Pantjana withdrew their armies. Upon the explicit question of who had lost the most in this war, he declared not to know such. Whereupon it was asked once more by whom the villages of Kekian, Lamassa, Limpanjang, and Palimba were burned, he answered that it was well known to him that the Tanetterese had already long since abandoned these villages and had taken all their property along with them, but that he did not know who had set fire to the empty houses; that Crain Tanette, about a month before the latest hostilities began, marched to Kekian with a small army and then made five bentings there; that after these were completed, he entrenched himself therein for three more days, and then withdrew with his entire army, leaving no one behind in the village. Around 11 o'clock the Boniese commissioners let me know through an emissary that they wished to speak with me, and that for this purpose I would please come ashore to them, whereupon I had them answered with friendly greetings that I awaited them on board our vessel, while reminding them that at their request I had stayed a day longer at Mandalle in order to hear what they had to say to me on behalf of their King, and that I was lodged not ashore but on board; whereupon they, after having requested once more that I should come ashore to them, which was once more refused by me, finally came on board and proposed to me that they as well as I had accomplished our charge, and that the consequence thereof had been that both warring parties had withdrawn and the King of Tanette had left the Company's territory, whether one would now proceed to the claims of the aforementioned King upon Aroe
Dutch transcription
Donderdag den 16: october 1783: agtige grond aangelegte zijn, dewelk door den Tanetteree„ sen om die reedenen dan ook verlaten; Een volgens gerugt door 't volk van Datoe Pedenring inde Brand gestroken zijn 'S middags om twee uuren retourneerden de Bonijse ge„ committeerdens van Tanette, en omtrend 5: uuren quam glarrang Bontualacq aan Boord verzoekende dat wij nog niet mogte hier vandaar gaan, als nog iets uijt naam van zijnen Koning mij te zeggen hebbende, en 't welk morgenstond te geschieden, waar in ik dan ook consenteerde Deesen morgen ontfing Een Brief van den Wel Edelen Agt„ baaren heer Gouverneur en Raad te Maccasser na welkers lecture ten Eersten den Cram enden Kalie van Mandalle bij mij liet komen ten Einde te verneemen hoedanig de vijan„ dellijkheeden begonnen, mitsgaders wat schaade aan de kant van Tanette Do wel als aandie van Aroe Pantjana ge„ leeden is, als meede opj de onderdaanen van de EComp: en 'sComp Landen hier door geen schade hebben geleden waar op 't onder staande bescheid bekomen heb. Dat dezelven van niets wetende en ook van geene hos „tiliteijten tasschen Crain Tanette en Aroe Pantjana ver„ noomen hebbende, met Eens den Koning van Tanette met 2000: man verdeeld onder Negen vaandels zien hebben zelven Aankomen, zijnde bereeds op 'sComp: terua„ toir dat den zelven zig ten Eersten aan de gebergtens geposteerd„ heeft aldaar dentings opgeregten 'sanderen daags ver„ den is opgetrokken vervolgens Een brug over het sprugtse van Samaroepa gemaakt naast het zelven Een sterken verschansing opgewerpen heeft aande overkante op marcheerende weten dezelve niet wat verder voorgeval„ „len is, denkende dat zulx de mindere hoofden bekend zal zijn, dat zij verders wel weeten dat 'sComp:s Nego„ „rijen Samaroepa en Palkang: E: door de Tanette reesen Sijn sen en houft werken dezelve toe de Bentingsgebruijke heb„ „ben; dat hier op sComp:s onderdanen Dig met de vlugt gesalveerd hebbende Een naar Pagerie, de andere naar Mandalle, ende Tanetterlesen en Boniers naar Tanette: en dus alles hebben moeten verlaten, dat de Tanettereesen de Negorij Tjila„ lang verweest hebben door 't afbreeken van hunne huijsen en planderen vande Padij, dat na vier dagen het volk van Aroe Nataka onder aanvoering van den Aurong Goeroe DanigiMabeela met Een vandel hunne huijsen omcingeld hebben, en gedwongen de Parthij van Crain: Tanette te kiesen en dat voorm: DaniaMabeela 't Huis van den Eersten niet heeft willen verlaaten voor en alberden zelven zig declareerde, dat hij daarop 't gevaar voor oogen ziende dat de Negorij inde Brand zoude gestooken mitsgaders sComp:s sandgeruineert worden met de hoofden geraadpleegt en om die reeden genoodzaakt zijn geweest de parthij van Danette te kiesen, en daar op ook ten Eersten niet al het volk naar Crain Tanette gemarcheerde is die Crain Mandalle g'ordonneerd heeft Een Bentings op te reg„ „tin en sig daar ite posteeren Dat na twee dagen zig hier en verschankt te hebben de Koning van Tanette met Zijn Arinee is opgetrokken ten Einde met Aroesan„ tjana Slaags te raaken, dat Aroe Pantjana Digeg„ ter stil heeft gehouden in desselfs Bentings Dat zulx tot drie maalen door Crain Tanette herhaalt is Egter dat altoos Aroe Pantjana, zig stil gehoude, heeft dat zolang hij intleeger heeft geweest 't volk van Crain Tanette maar twee maalen slaags is geweest, bij welke Eerste kier Tanette Een man is dood geschoten en drie gequeepde tweede kier heefe Aroe Pantjana dezelve uijt Een Benting ver„ slagen waar bij twee maan gequest zijn Dat hier op 'sComp:s gecommitteerde met die van de ko„ „ning van Bonij gekomen zijn wanneer alle hostiliteijteng tijn„ „digt, enden Koning van Tanette zo wel als Aroe Pantja„ na niet hun legers te rug getrokken zijn zijn beroofd geworden van den huijsen, welkers de wen bamboe„ op sond 66 al op Expresse of vrage wie dat het meeste bij deesen oorlog ver„ looren heeft betuijgd dezelve zulx niet te weeten waar op nog Eens afgevragd wierd door wien de Negorijen Kekian„ Lamassa, Limpanjang en Palimba verbrand zijn, antwoorde dezelve dat hem wel bekend was dat de Tanettereesen deze Negorijen bereeds voorlang verlaten mitsgaders al hun goedmeede genomen hadden maar dat hij niet wisten wie de Leegehuijsen inde brand gestoken hadde, dat Crain Tanette omtrend Een maand voor dat de laaste hostiliteijten begonnen zijn, naar Ke„ kian met Een kleijn leger getrokken is, en toen aldaar vijff Bentings gemaakt heeft, dat naar dat dezelve vet„ tooijt waren nog drie dagen zig daar in heeft verschanscht en als toen met zijn geheele leger is terug getrokken, nie„ mand inde Negorij agterlatende Omtrent 11:' uuren Lieten de Bonijse gecommitteerdens wij door Een zendeling weeten, dat dezelve mij Jaarne spreken wilden en dat ik ten dien Einde bij hun geliefden aande wal te komen, waar op ik hun onder vriendelijke groote liet antwoorden, dat ik hun verwagten aanboord van ons vaartuigen Terwijl ik hun liet indagtig maken op hun; verzoek mij nog een dag langer op Mandalle op gehouden te hebben ten Einde te verneemen wat mij uijt naam van hun Koning te zeggen hadden, en dat ik in„ niers niet aande wal maar wel aan Boord gelogeerd waal waar op dezelve na nogmaals verzogt te hebben dat ik bij hun zoude aande wal komen, 't welk door mij nogmaals gewei„ „gert zijnde, Eindelijk aan Boord quamen mij voorstelden dat zij zo wel als ik onzen last volbragt hadden, en dat het gevolg vandien geweest was, dat beide in voorlog zijnde parthijen terug: waren getrokken en den Koning van Danet„ te 'sComp:s grond gebied verlaaten hadden, of men nu zou„ de overgaan omde pretensien van gem: koning op Aroe . - . : :: :: 1
English
to settle with Aroe Pantjana and consequently, following the departure of the Honorable Lord Governor, to order their King to restore the claimed goods to Aroe Tanette; to which they were answered that these statements certainly did not agree with those which they had made to us, both at Sagerie and here, as well as even to the King of Tanette in our presence, having declared to us twice that they only had orders to make Crain Tanette withdraw, while the claims of the aforementioned King were to be decided by the Honorable Lord Governor and the King of Boni, upon which I had then also proceeded and written the letter to the aforementioned Honorable Lord, together with the Council, in order to learn their Honors' further orders. Whereupon they replied that such was the truth, but that they had meant it quite differently, as they were of the opinion that I represented the Lord Governor and Council and they the King of Boni, and that therefore the claims had to be demanded by me from Aroe Pantjana and placed into their hands, in order to be handed over by them to Crain Tanette. Whereupon I answered them that I considered myself far too humble to carry out what the Honorable Lord Governor and the King of Boni had intended to decide, while at the same time I had the contents of the letter just received from the Macassar ministry translated for them, and according to those orders asked whether they also wished to go to Sagerie, to attend the necessary inquiries that I was about to make regarding what damage both parties have suffered through the committing of hostilities, and particularly also regarding the damage suffered on the Company's territory caused by the King of Tanette. Whereupon they answered that they could not venture to depart for Macassar without orders from their King. Friday the 17th of October, Anno 1783. And that they would therefore await an envoy or a letter, and this happening, that they would then come to Sagerie to speak further with me, against which we could not object; I left this to their discretion, after which they took their leave. At about one o'clock we weighed our anchor and departed for Sagerie, where we then also arrived at five o'clock, having the following chiefs summoned directly for tomorrow, namely: Crain Mandalle Matoe Palla Tannang Tammaroepa Kalie Mandalla and Daing Manje. Subsequently, having been greeted and welcomed by Aroe Pantjana, he then sent to ask us when it would be convenient for us to speak with him, whether he should come to us or we would come to him; to which the answer was given that we would come to him tomorrow at 8 o'clock. This morning at around 8 o'clock we went to Aroe Pantjana, where we were received very kindly, he being accompanied by Aroe Mampoe and Crain Sapannas. After having informed Aroe Pantjana of my arrival yesterday, I asked him, with the translation of the chief interpreter and the Lieutenant of the Malays, Intje Salemang, what I should say or answer to the Honorable Lord Governor, in case I might sometimes be asked what he had brought against the accusation of Crain Tanette. Aroe Pantjana gave me the following answer: That he was informed by a letter from his brother Datoea Sampolabij to be on his guard, since the King of Tanette intended to make war upon him, Aroe Pantjana, two days after its dispatch; that he, however, caring little for that threat, had kept quiet pursuant to the order obtained from the Honorable Lord Governor Barend Reijke. That thereupon Crain Tanette marched onto the Company's land with an entire army divided under several banners and provided with many weapons, which he did not learn of until the subjects of the Honorable Company residing at Gallee, having fled out of fear, came to him, informing him, Aroe Pantjana, that the Tanette people had plundered their goods and also wanted to take away their houses for the use of their bentings; that upon this report his son Dain Manissa, wanting to protect that negorij, was attacked by the Tanette people, who routed them and chased them back to their already constructed bentings. That Dain Manissa, having informed his brother Daing Patombong of this incident, the latter reported such to him, Aroe Pantjana, and then went to his brother's aid without, however, having the least firearms. That Dain Patombong was immediately attacked by Crain Tanette with a great force, and although he was equipped with nothing other than krisses and assegais, he nevertheless defended himself bravely, during which skirmish Dain Patombong, among several wounds, was severely wounded in the head, not yet being recovered. While he, Aroe Pantjana, flatly denied having burned the four negorijen of Crain Tanette, much less having given orders to do so to anyone among his people, and that if Crain Tanette would not give credence to this declaration, he, Aroe Pantjana, submitted himself to the higher judgment of God, who sooner or later will set everything right. Furthermore, he testified that when the four negorijen were burned, he was peacefully and quietly at Sagerie. While during these dissensions, one man who fell
Dutch transcription
68 Arvo Pantjana te vereffenen en dien volgende laast gem: ingevolge de aftak van den welEdelen Agtbaren Heer gou„ verneur met hunnen Koning te gelasten, de gepretendeerde goederen aan Aroe danette te doen restitueeren, waar op hun in antwoord: diende, dat deeze gezegdensimmers niet over Een quamen met die de dewelke dezelve ons zo wel opsagerie als hier, misgaders zelfes aan den Koning van Danatte ten onzen bij weezen gedaan, als hebbende ons tot twee maalen verklaart alleenlijk maar last te hebben Crain Tanette te doen aftrekken terwijl de pretensien van gem: koning door den wel Edelen agtbaaren Heer Gouverneur enden Koning van Bonij stonden gedecideert te worden, waar op ik dan ook te werk was geljaan, en den Brieff aan welmelde zijn Agtbaare be„ nevens den Raad had geschreeven ten Einde hun wel Edele agtbaare s' ordre nader te verneemen Waar op dezelve repliceeerden dat zulx de waarheid was dat :egter door hun geheel anders was gemeend, terwijl inde gedagten waren dat ik den heer gouverneur en Raaden ziglieden de Koning van Bonij representeerden, en dierhalven de pretensien door mij van Aroe Pan:t Jana afgeEijscht, en Jn hunne handen gesteld moeste wor„ den, om door dezelve aan CroinTanette overtegeeven Waar op ik hunne antwoord diende dat ik mij veel te gering agte, om het geen: den welEdelen Agtbaaren Heer gouverneur en den Koning van Bonij voorgenomen hadden te decidee„ ren uit voeren tewijl ik hun teffens dan inhoud van den Zo Even ontfangene Brieff van het Maccassears minis„ teruim liet vertaalen en ingolge die ordre vroeg of dezel„ ve meede naar Sagerie welden gaan, ter bnede bij te woonen de nodige informatie die ik stond te neemen wat schaade beij„ de Parthijen door het pleegen van vijandelijkheeden geleeden hebben, en bij sonder ook op de geledene schaade op sComp:s grondgebied door de Koning van Tanette veroorzaakt is waar op zij Antwoorden, dat zij niet konden wagen zon„ der ordre van hunnen Koning naar Maccasser te vertrekken vrijdag den 17: october A.:o 1783: En dat zij dus naar Een zendeling dan wel Een Brieff zou„ den wagten en dit geschiedende dat zij als dan naar Tagerie zouden komen, om met mij noder te spreeken, waar tegen wij niet verzetten konde, heb ik dit aan hun goed vinden overgelaaten waar na dezelve hunnen afschiednamen am„ trent Een uurligt we onsanker en vertrokken naar Lagerie alwaar wij dan ook om vijff uuren arriveerden, latende de„ rect de ondervolgende hoofden tegens morgen oppoincteeren als„ Crain Mandalle Matoe: Palla Tannang: Tammaroepa Kalie Mandalla en Daing Manje Vervolgens ons door Aroe Pantjana de groetenisse ge„ welkomen daan zijnde, liet den zelven ons vervolgens en vragen wanneer het onsgelegen quam hem te willen spreeken het zijdat hij bij onsquam off dat wij bij hem wilde koomen, waar optotant„ woord liet dienen, dat wemorgen om 8: uuren bij hem„ komen houden Deezen morgen omtrend 8: uuren vervoegden we ons bij Aroe Pantjana alwaar wij zeer vriendelijk ontfangen wierden sijnde den zelven verzeld van AroerMampoe en Crain Sapannas, na Aroe santjanna mijne komste op gisteren bekend gemaakt hebbende liet ik den zelven onder vertaaling vanden oppertolk en den Luijtenant den Maleij„ ersjntje Salemang vrager wat ik aanden wel Edelen agtba„ „ren Heer Gouverneur zoude zeggen, ofte antwoorden, bij aldien mij somtijds mogte gevragt worden wat den zelven tegen de beschuldiging van Craen Tanetta hadde ingebragt, gasitroe Pantjana mij het ondervolgende antwoord Dat hij door zijn Broeder Datoea Sampolabij ben brief was verwittigd op zijn hoede te wezen vermits den ko„ ning van Tanette voorneemens was hem AroePantja„ „ na twee dagen, naar dies afzending te b'oorlogen dat hij Egter . . . . . „ ƒ Egter om die bedrijging weinig gevende zig ingevolge de„ erlangde ordre vanden WelEd: Agtbaaren Heer Gouverneur Barend Reijke Stil had gehouden Dat daar op Crain Tanette met Een geheele Armee ver„ deeld onder verscheide vaandelsen voorzien met veele wape„ „nes op 'sComp:s land is komen aantrekken 't welk hij niet ver„ der vernoomen heeft, als wanneer de onderdaanen van de EComp: op gallee woonagtig uijt vrees gevlugt en naar hem toe zijn gekomen; hem Aroe Pantjana Kennis geven„ de dat de Fanetteerden hun goed geplundert en ook hunne huijsen wilde weg neemen tot gebruijk van hunne Bentings dat op dit Berigt zijn zoon Dain Manissa die Negorij willende beschermen door den Tanettereesen g'attacqueerd is geworden, dewelke dezelve verslagen en tot hunne bereets gemaakte dentings verjagt heeft Dat Dain Manissa: van dit voor val zijn Broeder Daing Patombong Kennisgevinde, laast gem:t zulx rapporteer „de aan hem Arve PantJanaij vervolgens zijner Broeder te hulp is gekomen zonder egter de minste schiet geweeren gehad te hebben Dat Dain Patombong ten Eersten door Crams Fa„ nette met den groote magt aangetast is geworden en hoe wel den zelven met niet anders als Krissen en assegaijen voorzien was, heeft hij zig Eegter dapper verweerdn bij welke schermutseling Dain Patombong onder verscheide wonden swaar aan 't Hoofd gequest is, zijnde als nog niet hersteld Terwijl hij Aroer Pantjana wel generaalijk ontkende de vier Negorijen van Ieam Tanette verbrand te hebben nog min„ der hier toe aan wie het ook van zijn volk mogt zijn Last gegeven te hebben en dat bij aldien Crain Tanette geen gelooff aan deeze verklaering wilde slaan hij Aroe Pan„ tjana zig aan het hooger oordeel van God overgaff die vroe tog „ off laat alles te regt zal stellen voorts betuijgde dat toen de vier Negorijen verbrand zijn geworden, gerust, en stil op Sagerie geweest is Terwijl geduurende deeze oneenigheeden Een man die gesneuveld 70 : 1 3
English
was killed, had lost, and his son Dan Patombong was severely wounded. After which I took my leave and returned around 11 o'clock. Since the chiefs were not yet gathered together, we could not yet make a beginning with taking inquiries regarding the damages suffered by both parties, as well as those of the Company's subjects, as the Tanettes and Crain Sappanak came to pay us a visit. Around half past 5 o'clock, Aroe Pantjana sent to ask permission to visit me towards the evening, and towards 7 o'clock he also came aboard the vessel in a prahu, remaining until 1 o'clock at night, when he took his leave. The principal discourse was among others with Aroe Mampoe, who said that the King of Bonij was the cause of his having gone to Tan kilang, having even told him, do you not wish to help your brother, which words he had also recently reproached the King with, on the occasion when that prince asked him whether he was not going to help Aroe Pantjana in the late disputes with Datoe Padinring, to which he had answered that if Aroe Pantjana were in need, he would certainly help him, being related to him by kinship. Aroe Pantjana having asked how he should conduct himself if Crain Tanette were to come again onto the Company's territory with his army, and whether he was permitted to march out with his army as well to protect the Company's lands, to which I answered him that it was to be wished that such would not happen, while advising him to follow the orders recently given to him by the Honorable Worshipful Lord Governor and accordingly to keep quiet, and if the least signs of hostilities from the Tanetterese came to his ears, to report such as soon as possible to the said Worshipful Lord Governor, without making the least motion of resistance. Afterwards, he asked me whether the Company would indeed protect against all their enemies those who were under its protection, to which I answered: Saturday the 18: october 1783: answered that the Honorable Company would never withdraw protection from such persons as strictly followed its orders. He further asked me whether the Honorable Company would take Aroe Mampoe and Crain Sapanak under protection in case the King of Bonij should come to withdraw it from them, to which I replied that I could not answer this, as such concerned the Honorable Worshipful Lord Governor; whereafter Aroe Pantjana made known to me that if the Honorable Company would grant protection to oppressed princes, then a great multitude would place themselves under it, of whom the Honorable Company could always have service, and who would sacrifice their lives to the last drop of blood for it; that if this did not happen, however, they would be compelled to place themselves under the protection of other princes. I also learned from Aroe Pantjana that his son Aroe dila would have assisted him from the Mandhaar with a large force, had he not written to him that everything was settled again. This morning I had all the chiefs who could give any testimony of what occurred in this matter come to me, who gave such clarification as follows: The Matoa Seilla named Satjespo declares that when the King of Tanette came onto the Company's territory to wage war against Aroe Pantjana, he marched directly to gallailaut, otherwise called the Little Galla, and stripped the entire Negorij of its houses, which were used by that prince for the entrenchments, while he further testifies not to know what was taken or plundered from the subjects in that occurrence, but nevertheless that Crain Tanette was the first aggressor. The Crain and the Kali of Mandalle declare that they refer to what they related to us regarding this matter on the 16th of this month, which, having been read to them again, they confirmed therewith. While 72. Sunday the 19th october A.o 1783 Examined Runstorff While the son of the Lolo of Sagerie, named Dain Manje, about whom Crain Tanette comes to complain as having aided Aroe Pantjana during the hostilities and having even flown a banner from his entrenchment, is sick together with the Pennang Tammaroepa, and thus, in order not to delay myself any longer, I thought it best to undertake my journey to Maccasser this evening, having departed around 8 o'clock in the evening, and arrived in the morning at Saboetong. With the sea breeze we set sail at half past 12 o'clock in the afternoon; towards three o'clock we encountered a heavy storm that compelled us to stand inshore and anchor. At 7 o'clock in the evening we weighed our anchor and set sail with the land breeze, while due to headwinds we only Monday the 20: october 1783: arrived in the morning at half past 4 o'clock in the roads of Maccasser. Was signed: G: van Diema. Below stood: Agrees. Was signed: H: B: hodenpijl, sworn clerk. Agrees. D. Van Haak Eyke 38 2 6 VV C Incoming Secret Letterbook and enclosures of Palembang of the year 1783, arrived 1784. 10 Ganges. te d 2
Dutch transcription
gesneuveld is verlooren heeft, en zijn zoon Dan Patombong Swaar gequest waes Waar na ik mijn afschied verzogt en omtrend 11: uuren reverteerde, vermits de hoofden nog niet gezamentlijk bij malkanderen waaren kanden wij nog geen begin maken niet het nemen van Informaties nopens de geledene schaade van beide parthijen mitsgaders die van 's Comp:s onderdaanen door Tanettes en Crain Sappanab ons Een visite quamen afleggen omtrend ½, 6: uuren Liet Aroe Pantjana bij mij belet vraegen om tegens den avond bij mij te konnen terwijl prauw teegens 7: uuren ook aan Boord vande schep quam, en ge„ bieven is tot snagts om 1: uur wanneer zijn afschied verzogt zijn de de principaalste discoursen geweest van Aroe Mampoe onder anderen, dewelke zeijde dat de Koning van Bonij oor„ zaak is geweest dat hij bij Tan kilang was gegaan, Pahem zelfs gezegt, wilt gij uwen Broeder niet helpen welke ge„ „zegdens hij onlangs ook den Koning hadde voorgeworpen bij occassie dat hem door deen vorst gevraagt wierd ofeshij Aroe Pantjana inde laste stribbelingen met Datoe Padinring nietging helpen waar op hij gantwoord had, dat als Aroe Pantjana en nood was hij hem seekerheijk /:als aan den zelven ver„ magtschap zijnde:) helpen zoude door Aroe Pantjana gevraagd zijnde hoedanig zig gedragen moest bij al„ dien Crain Tanette op 'sComp: territoir wederom met zijn leger quam, off denzelven vergunt was niet zijn leger ook op te trekken en 'sComp:s landen te beschermen waar op ik hem antwoorde, dat het te wenschen was, dat zulx niet mogte ge„ beuren terwijl hem reed de ordres vanden welEdelen Agtbaaren Heer Gouverneur hem onlangs gegeven op te volgen en zig dien volgende stil te houden, en als hem, de minste be„ ginselen van vijandelijkheeden der Fanettereesen terooren kwam, zulx ten spoedigsten aanden welm: agtbaaren Heer Gouverneur te bedeelen, zonder de minste beweeging van tegen weer te maaken Naderhand. vroeg den zelven mij op de Comp:e die geene dewelke onder haare proteeri waren wel zoude willen tegens alle hunne vijanden beschermen, waar op ant„ woorde Saturdag den 18: october 1783: woorde, dat de E Comp: althoos zoodanige Perzoonen dewelke zig steken naar derzelver ordres gedroegen de protexie niet zoude onttrekken. Nog vroeg, mij off de E Comp:s wel Aroe Mampoe en Crain Sa„ panak in protexie wilde nemen, bij aldien de koning van Bonij dezelve aan hun quam te ontrekken waar op repliceer„ de dat ik hier op niet konde antwoorden terwijl zulx dan wel„ Edelen Agtbaar en heer gouverneur inporteerde, waar na froe Pantjana mij te kennen gaff, dat als de E Comp:s proteste wilde verleenen aan verdrukte Princen als dan Een groote minigte zig onder dezelve zouden begeeven waar van d'EComp: althoos dienst konde hebben, en die hun leeden te laaste drup„ pel bloeds voor dezelve zouden op offeren, dat bij aldien dit egter niet geschiedende, dezelve genoodsaakt waaren zig onder de bescherming van andere vorsten te begeeven ook vernaam ik van Aroe Pantjana dat zij n Joon Aroe„ dila vande Mandhaar met Een groote magt hem zoude gadsisteert hebben, bij aldien hem niet geschreven had „dat alles weder gestelt was Deesen morgen liet alle de hoofden die Eenige getuigenisse konde geeven van't voorgevallen indeeze zaak bij mij konnen de„ welke zodanige opheldering gegeeven hebben, als volgt Den Matoa Seilla gen„t Satjespo verklaard dat toen de ko„ ning van Tanette op 'sComp:s grond gebied gekomen is, om teegens Aroe Pantjina te oorlogen dan zeel ven directelijke naar gallailaut off de Kleijne Galla genaamt gemarcheert is ende geheele Nogorij vande huijser beroofd heeft, dewelke door dien vorst tot de Bantings gebruijkt zijn geworden, terwijl verders betuijd niet te weeten wat de onderdaanen bij dat voor val ontnomen ofte geplundeert is geworden, maar Egter wel dat Cram Tanette den Eersten aanvol„ „lek is geweest Den Crain enden Kali van Mandalle verklaaren zig te resereeren aan't geen dezelve op den 16: dezelver aan wij omtrend deeze zaak verhaald hebben, de welke hun noginaals voorgehouden is hebben dezelven zig daar meede geconfirmeert Tenwyl 72. Bondag den 19=de october A. o 1783 Nagesien =Runstorff Terwijl de zoon van den Lolo van Sagerie Dain Manje genaamt, waar over Crain Tanette zig komt te beswaaren als hebbende geduurende de vijandelijkheeden Aroessantjana geholpen en zelfs Een vaandel van zijn Benting Bonting late„ waijen met En beneevens den Pennang Tammaroepa ziek isen dus om mij niet langer op te houden, vond ik goed om deezen avondmijne reaizenaar Maccasser te onderneemen, zijn„ de omtrend 8: uuren 's avonds vertrokken en smorgens op Saboetong g'arriveerd met de zee wind gin„ „gen wes middagsam ½: 12: uuren onderzeijl, teegens drie uuren kreegen we Een: swaare storm die ons noodzaakte 't nad'wal te zetten en te Ankeren 's avonds om 7: uuren ligten ons anker en gingen met land wind onderzeijl terwijl door tegen wind Eerst Maandag den 'Smorgens om ½5: uuren op d' rheede van Maccasser 20: october 1783: arriveerde /:was getekend:/ G: van Diema /onderstond:/ Accordeert /was getekend:/ H: B: hodenpijl gesw: Clercq: Accordeert D. Van Haak Eyke 38 2 6 VV C Aankomend Secreet Briefboek en bijlaagen van Palembang d. A„o 1783. overgekomen 1784. 10 Ganges. te d 2
English
Secret 14 To His Honour By the Bark Den Arend Humble gratitude for Their High Honours' gra- cious satisfaction expressed The Lampong road, as well as the Malacca correspondence, is kept alive Mr. Willem Arnold Alting Governor General together with The Right Honourable Lords Councillors of the Dutch East Indies Right Honourable, Highly Esteemed Sir Right Honourable Lords Respectfully answering Your High Honours' most revered secret dispatch of 16 Aug: and 10 September last, directed to both humble signatories, we consider it our special duty. The Residents for Her express our humble gratitude with a sensitive heart as Your High Honours' most submissive declaration for Your most gracious satisfaction taken in our past conduct, both upon the appearance of the English privateer Macleary as well as his retreat in sight of our squadron under command of Rear Admiral Schrijver. We shall not fail to keep alive the route via Lampong Toulang Bouwang, which is now as good as cleared and likely will no longer suffer any hindrance at the court, and the correspondence with the Malacca Ministry in case of necessary events to be reported, of which it currently appears to us that the advantage completely The Right Honourable Highly Esteemed Sir hangs in favour, since His Highness's eyes have been opened by Your High Honours' serious letters recently received with the envoys. We have proceeded on this occasion in every respect according to the tenor of Your High Honours' most wise orders, and, as far as our modest capabilities allow, have diverted His Highness from his errors and mistaken notions: of which we look forward to seeing the desired proofs before long. His Highness, having been brought into no small embarrassment concerning Your High Honours' rightful displeasure, seems from that moment on to have changed for the better: having on the three points asked by Your High Honours with resolution, most dearly assured us: That he had not in the least any intention whatsoever to abandon his ally the Honourable Company, to whom his ancestors, he, and his descendants were infinitely obliged, nor to adhere to the English or any other nation in the world. That he would rather share his life with the Honourable Company than surrender himself or his lodge to our enemy, the English, so far as he, with his modest power supported by the Honourable Company, will be able to resist them, on which Your High Honours were pleased to rely, as well as that His Highness will constantly keep a watchful eye not to be misled by the mistaken notions of his courtiers. That in the course of time, upon occurring encounters, His Highness's conduct in that regard would be the best demonstration of his goodwill towards the Honourable Company, while he at the same time reserved the right to offer Your High Honours in writing the seal of his alliance and sincerity. Hereupon expressing our sensitive gratitude to His Highness with the assurance that not only His Highness, but also his throne, could safely rely upon all aid, assistance, and gratitude of the Honourable Company, the prince at the same time requested us that Your High Honours would now, putting aside all that has passed, be pleased to view the upcoming and forthcoming proofs of his goodwill and alliance with an eye of brotherly affection. The tenor of Their Honours' orders observed Conduct of the king upon the displeasure of Their High Honours Answer of the prince to three resolute questions from Their High Honours Compliment of grati- tude from the residents thereupon Request of the king to Their High Honours Explanation of the residents' secret correspondence at this court Will in future use more attentiveness with ordinary and secret [reports] Concerning the statement of Ipsen the king has not yet explained himself Answer of the king concerning the investigations of the lost Malacca letters. Our most respectful report given regarding the correspondence of this court with Macleary and his companions, having emboldened us as a warning communicated to us by a credible and disinterested person, in which we have been little disappointed by the outcome of affairs to dutifully offer it to Your High Honours, we, and especially the first respectful signatory, most obediently beg pardon for not having offered Your High Honours sufficient proofs with the warnings given to us, for which the first respectful signatory shall have the honour to explain himself further in all respect in his separate humble letter. We respectfully promise Your High Honours to use more attentiveness henceforth with the distinction between secret and ordinary reports, as well as in our report made to the Malacca Ministry, for which we implore a gracious excuse; concerning the statement of the mate Jacob Ipsen, and the king's dealings with Macleary in the past, the prince not having fully declared himself, we find ourselves compelled to await this until a further opportunity, having in the meantime made all possible investigations with His Highness regarding the lost papers thrown into the sea during the murder of a native sailor escorting them: but we could obtain nothing else from the king than that the letters were thrown into the sea and had not fallen into enemy hands, and that the perpetrator of the murder, having deserved the received punishment according to his own confession, was on his word as a king the true offender of the crime.
Dutch transcription
secreet 14 Aan zijn Edelheijd Per de Bark Den Arend Needrige dankbaarheid der Hoog Edelheedens genee „gene geuijtgenoegen Delampongse weg, zo wel als de Malacsche Correspondentie word leevend gehouden M:r Willem arnold Atting Gouverneur Generaal beneevens De WelEdele Heeren Raden van Neederlandsche Jndia Hoog Edel Groot Agtbaar Heer WelEdele Heeren Uw Hoog Edelheedens zeer gevenereerde secreete Missive van den 16 Aug: en 10 september Jo leeden, aan bij de needrige teekenaars gerigt eerbiedigst b'antwoordende agten wij het van onse byzondere pligt. Residente voor Haar onse ootmoedige aankbaarheijd met Censiebelen harte uw Hoog Edelheedens onderdanigste betuijgen voor hoogst dezelve gratieuse genoomen genoegen, in onze gepasseerde behandelinge zo wel bij de verscheijning van den Engelschen kaper Maclearij als ook dies retraite op het gezigt van ons Esquader onder be„ „vel van den schout bij nagt Schrijver Wij zullen ingeen gebreeken blijven de route over Lampong toulang bouwang die thans zo goed als baand is, en denkelijk geene hinderpaele meer bij het hof zal ondergaan leevend te houden, en de Correspondentie met het Malaksche Minis„ terium bij noodzaaklijk te verwittigende voorvalle waar van ons teegenswoordig toeschijnt, de boortje geheel ten faveure Den Hoog Edelen Groot Agtbaaren Heer overhangen Den teneur, Haaren g'observeert Gedrag des konings bij het ongenoegen haarer Hoog Edelheedens Antwoord des vorsten op drie Cordeete vraege van Haar hoog Edelheedens Compliment van dank„ baarheid der residente daar over verhangen te zijn, zeedert dat zijn hoogheid de oogen g'opent zijn, door uw Hoog Edelheedens serieuse Letteren met de gezante Jongst ontvangen. Wij hebben deeze geleegentheid in allen opzigte volgens den te¬ Hoog Edelheedens bevell„ neur Uw Hoog Edelheedens hoogwijse bereeke te werk te gaan en zijn Hoogheid, zoo veel onse geringe vermoogens maar toe laeten van deszelfs dwaelinge en Verkeerde begrippe gediver¬ „teert: waar van wij eerlangs de wenschte blijken te gemoet zien zijn Hoogheijd in geen geringe verleegentheijd gebragt zijn „de over uw Hoog Edelheedens regtmaetig ongenoege; schijp van dat moment af ten goede verandert: te zijn: hebbende denzelve op de door uw Hoog Edelheedens Cordact gevraagde drie poincte en op het dierbaarste verzeekert Dat hij hoegenaamt de minsten Jntentie niet had zijnen bondgenoot de E Comp: aan welke zijne voorzaete, hij en zijne naekomelinge oneijndig verpligt waeren, af te vallen¬ en nog de Engelsche nog eenige Natie in de waereld aan¬ „tehangen. Dat hij liever zijn leeven met de E Comp: wildeelen, als zig of delogie overtegeeven aan onsen vyand de Engelsche zo verre hij dezelve met zijne geringe magt ondersteunt door die de E Maatschappij het hoofd zal kunnen bieden waar op uw Hoog Edelheedens geliefde te berusten zoo wel als dat zijn Hoogheijd steed een waekent oog zal koesteren, door verkeerde begrippe zijner hovelinge niet mislijd te werden Dat in vervolg van tijd bij voorvallende recontres zijn Hoogheids gedrag dien aangaande, de beste wijse zijner wel„ meentheijd met de E. Maatschappij zouden zijn terwijl hij zig teffens voorbehied uw Hoog Edelheedens schriftelyk het zeegel zijner bondgenoodschap en op zegtheijd te offereeren Hier over zijn hoogheid onze sensieble dankbaarheid betuijgende met verseekeringe dat op alle hulpen by stand. en erkentelijkheid der E: Maatschappij niet alleen zijn Hoogheijd 1 „ ge „ ve Over 16. versoek des koning aan „dens Explicatie der residenten geheijme Corresponden„ „tie aan dit hof zullen meerder oplettent „creete voortaangebruijken over de verklaaring van van Jpsen den koning zig nog niet g'expliceert Antwoord des konings over de rechergies der ver„ miste Malacsche brieven. Hoogheid maar ook dessels Throon volgens vijlig berusten konden verzogt ons de vorst teffens dat uw Hoog Edelheedens Haar Hoog Edelhee„ thans met postpositie van al het gepasseerde, de aanstaan„ de en voorkoomende bewijse zijner welmeenentheid en bond¬ „genootschap met een oog van broederlijke geneegentheijd ge¬ „liefde te beschouwen ons gegeeven eerbiedigst repport nopens de Correspondentie van dit stof met Maclearij en zijne makkers, ons bevrijmoe„ digt hebbende als een van geloofbaare en ongintresseerde ons meede gedulte waarschouwing waarin wij bij uijtkomst van zaeken nog wijnig ter Leurgestelt zijn uw Hoog „Edelheedens pligtlijk te affereeren, zo versoeken wij en voor al den eersten eerbiedigen teekenaar gehoorzaamts om verschooning geene voldoende bewijse bij die ons gedaan zijnde waarschouwinge Uw Hoog Edelheedens te hebben g' offereert waarvoor den eersten eerbiedig en teekenaar de eer zal hebben bij zijn apart needrig schrijven Zig nader in alle eerbied te elucideeren versoeken onder uw Hoog Edelheedens in alle eerbied „heid bij gemeene en se „ met de destinctie der secreete en gemeene berigte voortaan meerder oplettentheid te zullen gebruijken, als ons gedaan rapport aan het Mallaksche Ministeerium waar over wij eene genegene verschooning zijn afzmeekende over de verklaaring van den stuurman Jacob Jpsen, en gehoudenisse des konings met Maclearij in den voorleedene den vorst zig niet fiaal gedecareert hebbende; zo vinden wij ons genoodzaakt, zulke tot nadere geleegentheid, te blijven afwagten hebbende intusschen alle mooglijke rechergies bij zijn Hoogheijd gedaan, nopens de vermiste en in Zeegeworpene papieren bij het vermoorden van een Jnlands Mattroos tot geleijde derzelve: maar niets anders uijt den koning kunnen kreijgen als dat de briefe in zee geworpen en niet in vijands hande gevallen waeren, en dat de dader van den moord volgens ijger bekent nis de ontvangene straffe verdient hebbende, op zijn woord van koning de waere overtreeder van het misdrijf geweest is
English
of the obstacle of the Padang overland route humble gratitude for Their High Nobilities' benevolent consideration regarding the king's complaints against him assurance of the residents that no deviation will be made from the ancient, constant customs and privileges of the Honorable Company having spoken to the king about the small embassy supposed advantage of a cruising patrol in the Strait of Bangka His Highness flatters himself that Your High Nobilities will be pleased to accept this satisfaction, as well as resting in the firm confidence that if there had been any likelihood at all of opening the Padang road, the king's assurance being prevented by the great distance, the inaccessibility of the wilderness, and the ignorance of his subjects in those parts, he would also very gladly have effected this. The king's complaints against the first humble undersigned, the first resident, were made with the intention of distracting Your High Nobilities' important concerns during the investigation of his committed treacherous dealings with our enemy, rather than arising from any legitimate dissatisfaction against him. Being so far-fetched and unaccompanied by proof, as were those in the past year, he expresses to Your High Nobilities his deepest gratitude for your most paternal and just judgment so graciously rendered thereon. Meanwhile, both humble undersigned dare most respectfully to assure Your High Nobilities that they will entirely adhere to the ancient and constant customs, without losing sight of the fact that the rights of the Honorable Company here must not be undermined in the slightest part. Having spoken to the king on a fitting occasion regarding the entirely un-brilliant embassy, the monarch declared that he had delayed this until the return of our fleet from Malacca, which they would answer ceremonially in the near future. Your High Nobilities' favorable intention of maintaining a cruising patrol in the Strait of Bangka will not only strengthen the king in his good intentions and instill greater awe for the Honorable Company, but will at the same time be of the greatest importance for the trade from Malacca all the way to Java, and instill in these fickle natives a great awe of the power of the Honorable Company, from which they were considerably diverted by the bold undertakings of the English in the past year. Furthermore, everything that Your High Nobilities might desire from this court can be facilitated to the utmost by that arrival and the orders received therewith. Regret of the Residents at not having succeeded in negotiating cash humble request for the necessary funds for the household also for gun carriages for the artillery here the center of the embrasures must be altered However gladly the undersigned also wished to avail themselves of Your High Nobilities' favorably granted permission regarding the negotiation of the cash that we will come to lack, to which end we have already made some inquiries, we must to our regret state that we cannot have recourse to that. For, due to the very meager profits, which are moreover diminished by the current generally unfavorable state of the times, none of the subordinates of the Honorable Company finds himself in a position to scrape together 1000 Spanish reals in cash. Those who still possess anything have it in slaves and furniture. We therefore most obediently request, according to Your High Nobilities' high-wise judgment, to be accommodated at the first opportunity with some further cash necessary for the household of this office, as well as with the following gun carriages: 5 pieces for iron 8-pounder cannon 14 pieces for 6-pounder cannon pursuant to Your High Nobilities' high-wise judgment regarding the defense in horizontal firing, which would certainly be weakened by the raising of the points. The center of the embrasures being only 2½ feet high from the platform of the artillery, they will certainly have to be altered, as given their present height, the carriages of such heavy ordnance cannot well be lowered. While, under serious assurance of our unceasing zeal for the highest interests of the Honorable Company here, we honor ourselves by being with deepest respect, Below stood: High Noble, Right Honorable Sir and Noble Gentlemen, Lower: Your High Nobilities' humble and faithful servants, Was signed: G. Hemmij and Ph. Joh.s van der Steng In the margin: Palembang, 5 November Anno 1783. Secret To His Honor By the sloop De Vrijheid, commanded by Christiaan Bess orders received from Their High Nobilities dated 18 October of the past year and 16 May of this year the arrival of the War Squadron mentioned in the letter of 18 December of the past year The High Noble, Right Honorable Sir Governor-General together with The Noble Gentlemen Councilors of the Dutch Indies, Mr. Willem Arnold Alting, High Noble, Right Honorable Sir and Noble Gentlemen. After the dispatch of our last submissive secret reports of 5 November of the past year, we have successively had the honor to receive Your High Nobilities' highly respected secret orders of 18 October of the past year and 16 May of this year. We do ourselves the honor of most obediently offering Your High Nobilities our submissive reply thereto. Having, in our general humble letter of 18 December of the past year, only humbly reported to Your High Nobilities the arrival of the War Squadron under the command of Captains Toger Abo and Hermanus Ciedenburg, the humble undersigned venture to
Dutch transcription
van de hinderpoele der po„ dangse route over Land ootmoedige dankbaarheid Haar Hoog Edelheedens goedertierende beoging noopens de klagten des koning over denzelve verzeekening der residente geene afwijking bij d' oude Constante gebruijken ende voorregt der E Maatschap„ pij te maeken Den koning over het kleijne gesantschap onder„ vermeend voordeel eenir¬ bekruijsiging in staat is flasteerende zijn Hoogheid zig dat uw Hoog Edelheedens in die satisfactie genoegen zullen gelieven te neemen; zo meede in een vast vertrouwen te verseeren dat wanneer er maar immers verzeekering des kopings eenige aparentie geweest was den Padangsen weg te baenen, verhindert door de verre afgeleegentheid, ongenaakbaarheid de 1 d wildernisse en onkunde zijner onderdaanen naderwaats: hij ook zeer gaarne zulks g'effectueert zoude hebben De klagten des koning over den eersten needrigen Teekenaer des Eersten resident voor wel meer met inzigt geschied om de gewetge bezigheeden uw Hoog Edelheedens bij het onderzoek zijner gepleegde ontrouwe behandelinge met onse vijand te stooven: der uijt eenig regt„ matig ongenoegen teegens denzelven: over zo verre gezogten zonder bewijze verzelt zijnde, als die in den voorleeden Jaare zo betuijgt denzelven Uw Hoog Edelheedens zijne diepste dankbaarheid voor hoogst derzelve vaederlijk en regtwaar„ „dig oordeel daar over zo gratieus geveld: terwijl bij de needrige teekenaars Uw Hoog Edelheedens eerbiedigst verzeekeren durven, zig ten eenemaal te houden aan de oude en Constan¬ „te gebruijken, zonder uijt het oog te verliesen, dat de regte der E: Maatschappij alhier voor het geringste gedeelte onderkoopen werden. Over het gantsch niet briliante gezantschap den koning bij een g'paste geleegentheid onderhouden hebbende: zo betuijgden den vorst, dat zig zulks had voorgehouden tot de retour onzer¬ vlood van Malacca waarvan eerstdaags Cerimonieel beant„ woorden zouden Uw Hoog Edelheedens geneegen voorneemen eener bekruijs „zeging in straat Banca, zal den koning niet alleen in zijn goed voorneemen sterken en meerder ontzag voor D'E Maat¬ „schappij in boezemen, maar teffens van het grootste belang zijn voor den handel van Malacca tot Java toe, en deezen virtigen Inlander een groote waarvan zij genoeg door de stoute onderneeminge der Engelsche in den voorlee¬ „denen Jaare gediverteert zijn van de magt der E Maatschap„ pij in boezemen: ook alles wat uw Hoog Edelheedens van dit hof ook zoude willen begeeren zal door die komst en daar¬ meede ontvangene beveele ten uijtersten gefaciliteet kun„ „nen houden Banca 78 Leedweesen der Residenten in 't Negotieeren van seert te zijn veedrig versoek om de de huijshouding voor het geschut alhier Oontrum der schiet gaete „nen werden. Hoegaarne de teekenaar zig ook hebben willen bedienen, van uw Hoog Edelheedens gunstig verleende permissie nopens het Contante niet gereus „ negotieeren de van de ons te ontbreeken zullende koomen Con„ „tanten waartoe wij reets eenige naeverschinge 1 gedaan hebben, moeten wij tot ons leedweesen deponceren, daar toe geene toevlugt te kunnen neemen terwijl door de zeer schraele, en daarenboven bij deeze algemeen nae¬ „delige tijds gesteldheid nog g'aimunueerde winste, geen der onderhoorige van DE Comp: zig in staat vind, Een duijzendspaan „se realen bij elkander Contante Schraepen: die nog alwat bezetten hebben zulks in slaeve en meubele Wij verzoeken over dus gehoorzaamst met nog eenige Contante na noodige penningen voor het Hoog wijs oordeel uwer Hoog Edelheedens voor de huijs hou„ „ding deeze Comptoirs met de eerste geleegentheid gerieft te moo„ zoo meede om affuijtengen werden zo meede om de volgende affuijte als 5ps voor ijzere Agtponders Canon 14 „ „ _ zes — ingevolge uwer Hoog Edelheedes hoogwijze b'oordeeling nopens de defensie in het schieten waeterpas, die door de ophooging der punte, zeeker verzwakt zouden werden Het Contrum der schietgaete maar 2½ voete hoog van de bedding van het geschiet zijnde zullen zeeker moeten verandert werden: terwijl na hunne teegens woordige hoogte; de affuijte van zulks waar geschut niet wel zullen verlaagt kunnen werden Terwijl wij, onder Serieuse verzeekering van onzen on ophoud¬ lijke yver tot de meeste belangens der E: Maatschappij alhier ons vereeren met diepstontzag te zijn /onderstond/ Hoog Edel Groot Agtbaar Heer en wel Edele Heeren /:Lager:/ uw Hoog Edeheedens onderdanige en Getrouwe Dienaeren /was geteekent:/ G=t Hemmij en Ph Joh:s van der Steng /in margine Palembang den 5 November Ao. 17832 - _ Secreet Aan zijn Edelheijd Per de Chialoup d' rijheijd gevoert bij Christiaan „ BeB ontfangen beveele van Haar Hoog Edelheedens de datis 18=' October A=o p:l en 16 Maij P: a: het arrivement van het Ootlogs Esquader, bij brief van den 18 December A=o p„r vermeld Den Hoog Edelen Groot Agtbaaren Heer Gouverneur Generaal beneevens De WelEdele Heeren Raden van Neederlandsch Jndia M: Willem arnold Atting Hoog Edel Groot Agtbaar Heer en Heeren WelEdele Nae depeche onzer laatste submisse secreete Rapporte van den 5 Nov: A=o p=mo hebben wij successive d' Eer gehad te ontfan¬ gen uw Hoog Edelheedens Hoog gerespecteerde secreate beveele van den 18e. October des voorleeden en 16 Maij deezes Jaars Wij geeven ons d' Eer Uw Hoog Edelheedens onze Submis „se b'antwoording daar op gehoorzaamst te offereeren. Bij onse gemeene needrige brieff van den 18 December Ao passo alleen het arrivement van het Oorlogs Esquader onder Commando, van de Capitaine Toger Abo en an te Hermanus Ciedenburg Uw Hoog Edelheedens onder „danigst gerapporteert hebbende onderwinden Zig de needri form „
English
The king informed thereof according to the tenor of the orders. The King's embarrassment thereat. His answers. The signatories most obediently insert here the further dutiful answer to that gracious notification and High orders. We immediately informed the King not only of the highly wise purpose of the High Government with this war squadron of Their Right Excellencies, but also at the same time seriously presented the tenor of Your Right Excellencies' further respected orders concerning this Court. His Highness seemed to be brought into embarrassment by a long silence over this statement, partly with regard to his practiced intrigues with the English, and on the other hand over the generous tokens shining through, notwithstanding this, of Your Right Excellencies' continued faithful maintenance of the treaties with the Realm of Palembang, for whose protection against European as well as native enemies His Highness knows very well he has only the Honorable Company to thank; subsequently giving us to know in a friendly manner: That it grieved him to have given Your Right Excellencies any displeasure on the presence of Macleari, against which she had nevertheless made all possible preparations for defense; that His Highness in his letter to Your Right Excellencies would further explain himself thereabout as well as on the three points already presented to him by us, concerning his disposition towards the Honorable Company and the English; that he, being sincere in his heart for the Honorable Company, flattered himself that he would thwart all accusations, meanwhile requesting us to assure Your Right Excellencies of his special gratitude for the benevolent assignment of a cruiser for the protection of trade and of his coast. The answer of the humble signatories thereto replying: That we expressed to His Highness our gratitude for His Highness's favorable assurances, in expectation that he would promptly answer Your Right Excellencies satisfactorily in his reply; regarding which we would observe our duty to Their Right Excellencies. We thereupon requested the prince in a friendly manner, against the return of the shipment of the pepper, to have his tin and pepper vessels brought in readiness for the above-mentioned fleet, which Your Right Excellencies had still had the goodness to permit convoy by the aforementioned squadron up to Lucipara; the prince promised us to effect this even sooner. We have meanwhile kept in a watchful observation Your Right Excellencies' highly respected orders regarding the return of the fleet from Malacca, received on the 14th of March last per the native Lieutenant Abdul Rahim, who, however, although having already departed from Malacca on the 20th of May of the current year, has to our regret not yet arrived here; hoping therefore that that small craft may have passed this river and, before the dispatch of this, reached the capital. The King, having been urged for a complete satisfaction pursuant to the above-mentioned Missive and Extract of the Bantam letter dated 11 December of the previous year, testified to us that he knew nothing of the whole case mentioned therein; that he would, however, cause an investigation to be made into it afterwards, and punish the guilty. We declare to Your Right Excellencies, however, that regarding the whole investigation, notwithstanding our continual reminders to the date of this letter, we have heard nothing other than frivolous exceptions, waiting daily for a decisive answer from the Court. The route to Lampong, which by this case will become even unsafe, we shall, pursuant to Your Right Excellencies' orders given on the date of 6 May last, keep in strict observation, as also the instructions regarding the matter of Assignations dated 22 July and the further matters commanded to us by Your Right Excellencies. Having seen with particular regret Your Right Excellencies' justified displeasure over our inattention in a dutiful response to Your Right Excellencies' missive.
Dutch transcription
den koning daar van g'in„ formeert nae den teneur van beveele 's Konings verleegentheijd daar over Desselfs antwoorden teekenaars teekenaars de verdere pligtlijke resciptie dier gratieuse verwit¬ „tiging en Hooge beveele, hier bij gehoorsaamst te insereeren Wij hebben immediaat aen Koning g'informeert niet alleen van het Hoogwijs oogmerk der Hooge Reegeering dit Oorlogs „Haar Hoog Edelheedens Esquader, maar ook teffens, den teneur uwer Hoog Edelhee„ verdere gerespecteerde beveele daar in dit Hof Conserneerende serieuslijk voorgestelt zijn Hoogheijd scheen door een lang stilswijgen over deeze uijting in verleegentheijd gebragt te zijn eensdeels met betrekking zijner gepleegde konkelarije met de Engelsche, en aande andere kant over de des niets teegenstaande doorstraelende grootmoedige blijken Uwer Hoog Edelheedens voortduurende trouwe onderhouding der verbonde met het Rijk van Palembang welkers be¬ „scherming, zoo wel teegens Europeese als Jnlandsche vij ande die Hoogheijd zeer wel weet alleen de E Maatschappij te danken te hebben: geevende ons vervolgens in het Vriende¬ lijk te kennen Dat het hem zmerte uw Hoog Edelheedens eenig onge„ „noegen bij het aanweesen Maclearij waar teegen zij eeven¬ „wel alle moeglijke proeparaties tot defensie gemaakt had, te hebben gegeeven: dat zijn Hoogheid in zijnen brief aan uw Hoog Edelheedens zig daar over zoo wel als op de drie hem reeds door ons voorgestelde poincten, raekende zijne ge„ „zindheijd omtrent de E Comp: en de Engelsche zoude naede ver„ „pliceeren. Dat hij in zijn haat opregt voor de E Maat„te schappij zijnde, alle beschuldiginge, zig vleijde te zullen verijdelen, ondertusschen ons verzoekende UW Hoog Edel¬ „heedens zijne bijzondere dankerkentenisse te willem ver¬ zeekeren, over de goedertierende benaeming eener bekruij¬ sing tot beveijliging van den handel en zijner kuste antwoord der needrige de needrige teekenaars daar op repliceerende Dat wij zijn Hoogheijd, onse dankerkentenisse betuijg„ „den, voor Hoogst de zelfs geneegene verzeekeringe in Expecten¬ ce, dat daar aan dadelijk in deszelfs rescriptie aan Uw Hoog, ors „Edelheedens satisfactoir zoude b'antwoorden: waar over wij onze 80 versoek versoek aan den vorst nopens en Thin vaartuijge Edelheedens beveele ontfan„ Abdul Rothim Antwoord des koninge bij het satisfactie over het genot „tamsche brieff Het gedrag van het Hof bij het onderzoek daar van het g'ordonneerde noopens 3 het stuk van Assignabies ^ zal g'observeert T werden onse verschuldigheijd bij Haar Hoog Edelheedens zoude ob servee¬ „ze; verzogten den vorst daar op vriendelijk teegens rebour van de verzending der Peeper boovengem vloot zijn Thin en Peeper vaartuijge in gereedheijd teekena te willen laeten brengen, die UW Hoog Edelheedens nog de goedeeden „heijd gehad hadde te permitteeren Convoij van eevengem Es„ „quader tot bij Lucipara; beloofde den vorst ons zulksen nog eerder te zullen bewerkstelligen Wij hebben intusschen in eene waakzaeme observantie gehou¬ „den Uw Hoog Edelheedens Hoog gerespecteerde beveele nopens de retour der vloot van Malacca den 14e Maart J=o observantie Heerer Hoog eeden ontfangen per den Jnlands Luijtenant Abdul aa „gen per den Luijtenant Rahim, die egter, hoe wel den 20 Meij H: A: van Malacca reeds vertrokken, hier tot ons leedweesen, nog niet g'arriveert is hoopende dus, dat die stuurette, deeze rivier gepasseert en voor¬ paresse deezes, de Hoofdplaats mag berijkt hebben Den Koning, ingevolge booven gen: Missive en Extract Bantamsche brief de dato 11 December 5: a: m eene vol„naa „doende satisfactie aangedrongen hebbende; betuijgde ons niets eijschen eener voldoende van het geheele geval, daar in vermeld te weeten: dat egter teerde bij Extract Ban daar na ondersoek zoude laaten doen, en de schuldige straffe Wij betuijgen uw Hoog Edelheedens egter dat van het geheele onder„ „zoek niet teegenstaande onze Continueele revinneringe tot dato deezes, niets anders als frivole excepties gehoord te hebben, wag¬ „tende daaglijks na eene discisieve antwoord van het Hof De route naer Lampong, die door dit geval, zelfs onveijlig wor¬ „den zal, zullen wij ingevolge Uw Hoog Edelheedens de dato de Lampongse route, en 6 Maij J:o leeden gegeevene beveele in Stipte observantie hou de, g'lijk meede het g'ordonneerde omtrent het stuk van Assignaties de dato 22 Julij en het verdere door uw Hoog¬ Edelheedens ons aan bevoolene Met bijzonder leedweesen gesien hebbende, Uw Hoog Edele pat heedens regtmaetig ongenoegen, over onze disattentie bij eene verschuldige b'antwoording op Uw Hoog Edelheedens Missi a ten Maij nder Nee denz geres e reseri
English
Humble excuse of the undersigned. The reply to Their Right Honorables' respected dispatch of 28 May of the past year. Humble answer thereto. Gratitude of the first respectful signatory. Humble request of the same. Respected secret dispatch of 28 May of the past year, the undersigned pray Your Right Honorables most humbly to be pleased most graciously to overlook this our misstep, while we in the course of time, by a more vigilant handling of our duties, will attempt to avoid the displeasure of Your Right Honorables earned by us through inattention, answering Your Right Honorables submissively herewith: That the humble signatories still strictly conformed to the contents of the aforementioned highly respected dispatch at that time, and specifically by urging the King to fulfill his made promises, as tangible proof of his goodwill toward the Honorable Company. The first respectful signatory, acknowledging with the deepest gratitude Your Right Honorables' righteous and merciful judgment upon the resumption of his justification given in a submissive separate letter of 30 August 1781 concerning the King's complaints, flatters himself henceforth to effect the highly wise intention of Your Right Honorables in all respects, as far as lies in his meager abilities, through the strictest compliance with the highly respected orders, and vigilance at the Court for the maintenance of the contracts, the constant encouragement whereof by the same is regarded as nothing other than a manner of acting of a dictatorial Resident, which is not agreeable to their alleged ancient customs and conflicts with his arbitrary, unrestrained way of thinking. I request Your Right Honorables in all deference to be pleased to view my humble justification, made concerning the search for a maidservant who stayed with the burgher Chevijn and deserted from there, with a favorable, gracious, and kindly eye; rather than that any neglect should have taken place in that regard, while with respect to the aforementioned burgher, I take the liberty to note that, in my humble opinion, he is regarded in the same light by the Palembang people as all other persons who know how to investigate underhand tin abuses and make them known to the authorities of the Honorable Company here. Low opinion of the same regarding the burgher Clevijn. The declaration of one Tjeno at Siak presented to the King, as well as the intention of Raadja Haedjie. Request of the Residents to the King. Assurance of the King thereupon. His expression regarding Raadja Riouw. With respect to the English, to instill into the King the cruel treatment of that nation, we, in accordance with the highly respected order of Your Right Honorables, not only explained to His Highness the declaration of a certain Tjeno at Siak, regarding which the Prince, shuddering, expressed himself that these are indeed no human treatment, but also made known to the King the intention of Raadja Haedjie in a very prudent manner, and kindly requested His Highness, by forceful measures to prevent the unrestrained smuggling trade, to give Your Right Honorables such proofs as could always be favorable to a continued assistance of the Honorable Company; all the more because Your Right Honorables were pleased to note, with disclosure of name and residence, the most notorious smugglers, and produced this to His Highness as undeniable proof of those abuses, in the confidence that the Prince would actively defer to this; His Highness assured us that he would make every effort to that end, while he harbored nothing other than an unbroken alliance with the Honorable Company, in which he always placed his trust. However, with respect to Raadja Haadjie, the Prince assured that he was in no embarrassment as long as the Honorable Company was not favorably disposed toward that enemy of his, His Highness regarding that adventurer as a bird that makes its nest here today and there tomorrow.
Dutch transcription
anderdanig excuus der needrige De rescriptie Haerer Hoog Edel goedheedens gerespecteerde Missive van den 28 Maij A:o p:r Needrige b'antwoording daar op dankbaarheijd des Eers„ ten eerbiedigen teeke„ naar Edel„ ootmoedig versoek van denzelven gerespecteerde secreete Missive van den 28=e Maij A:o p:o bidden teekenaars over eene verzuijn wij Uw Hoog Edelheedens onderdanigst deezen onzen misstap goe¬ „dertierenst te willen passeeren terwijl wij in vervolg van tijd door eene vigilantere behandeling onzer verschuldigheeden het ongenoegen uwer Hoog Edelheedens door disattentie ons verdiend gemaakt, zullen tragten te eviteeren uw Hoog Edelheedens submislijk bij deeze daar op antwoorden 7 82 „de Dat de needrige teekenaars zig ten Stipten aan de inhoud van welgem: Hoog gerespecteerde Missive in die tijden nog hebben ge¬ „draegen en wel bijzonders met voor houding bij den Koning tot nae„ „koominge zijner gedaane toezegginge, als dadelijke blijken zijner welmeenentheijd voor de E Maatschappij Den Eersten Eerbiedigen teekenaar met de diepste dank¬ „baarheijd erkennende uw Hoog Edelheedens regtvaardigen goedertierend' oordeel bij resumptie zijner gedaane ver„ antwoording in submis apart schrijven van den 30 Aug 1781 over de klagten des konings, vleijd zig voortaen de Hoog¬ „wijze intentie uw Hoog Edelheedens in allen opzigte, zoo veel in zijne geringe vermoogens is te Effectueeren door de stipste opvolging der Hoog gerespecteerde beveele, en waak¬ „zaamheijd bij het Hof tot onderhouding der Contracte wel„ „kers gestadige aanspooringe door het zelve niet anders aan „gemerkt word als eene met hunne quasie voorgegeevene te oude gewoontens niet welgevalligen met deszelfs wel„ „keurige teugelloose dankensweijze strijdende maniance van een ditteerend houdenden Gezaghebbende Resident Ik versoek uw Hoog Edelheedens in alle eerbied mijne needige gedaane verantwoording over de recherge van eene er bij den burger Chevijn zig opgehouden hebbende en van daar gedroste Meijd, met een geneegenen vog gratieus en 1878 lyk te willen beschouwen: dan dat daar omtrend eenig verzuijm zoude hebben plaats gehad, terwijl met opzigte van E id „ s„ g n gering gevaelen van ger Clevijn De verklaering van eenen „praesenteert zo wel het voorneemen van Raadja Haedjie versoek der Residen„ „te aan de koning Verzeekering des konings daar op Deszelfs uijtdrukkinge ovr Raadja Riouw van eevengem Burger de vrijheijd gebruijken te noteeren, dat na n denzelven over den bur„ mijn gering oordeel in het zelfde adspect bij den Palembang is daar als alle andere persoonen, die tinne slingse illimiteijten, we „ten na te gaan, en een Gebieden der E Comp: alhier bekend te maeken. Met opzigt der Engelsche, den koning de wreede behandelinkgeli „ge, dier natie in boezemen, hebben wij zijn Hoogheijd ingevolge Hoog gerespecteerde ordre uwer Hoog Edelheedens, niet Tjeno te Sias koning ge aleen de verklaering van zeekere Tjenate Siac; waar over den vorst grijzende zig uijtliet, zulks zijn immers geene menslijke behandelinge g'expliceert maar ook het Gerwa voorneemen van Raadja Haedjie den Koning op eene eet ingez voorzigtige wijze te kennen gegeeven en zijn hoogheijd vrien delijk verzogt door klemmende middelen ter weering van den teugellooze smokkelhandel uw Hoog Edelhee„ „dens zodaenige bewyse te geeven, die tot eene voortduuren,h sers „de bijstand der E Comp: altoos konden favorabel zijn. te meer Haar Hoog Edelheedens, met bekendstelling van Naam en woonplaats de beroemste Smokkelaars ge „liefden te noteeren, en zulks als een onderspreeklijk bewijs¬ dier illimiteijten, zin Hoogheijd produceerde in ver„ trouwen, dat den vorst daar omtrend werkzaam zig wilde defereeren; Zijn Hoogheijd verzeekerde ons daar toe alle po¬ ginge te zullen in het werk stellen terwijl denzelve niets anders koesterde, als eene onverbrookene alliantie met de E Maatschappij, waar op hij altoos zijn vertrouwen stelde Edog ten opzigte van Raadja Haadjie, verzeekerde den vorst in geene verleegenheijd te verseeren zoo lange de E: Maatschappij dien vijand van hem niet geneegen was: merkende zijn Hoogheid dien Avanturier aan, als een vogel die heeden hier en morgen daar zijn nest als maakt wij
English
Answer of the Resident thereto. Reply of the King. The inhabitants suspected and made known for smuggling shall be observed. The use of the cruisers for that purpose. We, on the contrary, made known to His Highness that the smallest birds sometimes could ruin sown fields, however large they might be, in a few hours to the great detriment of the planter, making known by their cries to the large ones where they found their nourishment. This seemed to make some impression upon His Highness, thanking Your High Nobilities for the kind warning of the pernicious designs of Raadja Haedjie, against which he assured us he would devise the necessary provisions. We assure Your High Nobilities that we shall observe with the greatest attention those inhabitants made known on the aforementioned list and further suspects here, to the thwarting of their evil and unpermitted design, having to that end earnestly recommended redoubled vigilance, in order that the cruisers stationed here, which since the given striking satisfaction of the King, kindly accepted by Your High Nobilities, seem to cause more awe. The kind confidence with which Your High Nobilities have been pleased to honour our given assurance of an honour-loving performance of duty, being venerated by the humble signatories with a grateful remembrance, they flatter themselves ever to make themselves deserving thereof through continuous redoubling of their devoirs. While we, in strict observance of all further orders of Your High Nobilities, arrogate to ourselves the honour, with the deepest awe and all respect, to be, was undersigned: High Noble Grand Honorable Lord and Well-Noble Lords, lower: Your High Nobilities' humble and faithful servants, was signed: G:s Hemmij and Pk Johs van der Steng, in the margin: Palembang, the 15 September A:o 1783. Palembang. Secret. To the Honorable M:r Gijsbert Hemmij, Merchant and First Resident, and the Honorable M:r Philipus Johannes van der Sleng, Junior Merchant and Second Resident there. Honourable, Pious, Discreet. The packet for the Noble High Indian Government, which we send herewith to Your Honour, is of such importance that we must request Your Honour with all urgency to let the same reach Their High Nobilities as speedily and securely as possible, whether by forwarding it overland to Lampong in order to be transported from there to Batavia, or in such other manner as Your Honour shall find advisable; and not only to inform us how Your Honour dealt with that packet, and whether such can always happen in the future, but also when the bearer of this arrived at Your Honour's and when he is sent back, so that we can let him enjoy, according to the time of his journey to and fro, the premium that has been promised to him. For the rest, we remain with respect, was undersigned: Honourable, Pious, Discreet, lower: Your Honour's serviceable friends and servants, was signed: P: G: De Bruijn, J: A: Hensel, F Thierens, R: B: Hoynek van Papendrecht and H=r J=s Wiederhold, in the margin: in the Castle, the 31 July 1783. Agrees: F Iemins Apart. No. 86. Per the bark Den Arend. Late receipt of Their High Nobilities' respected letter of 18 February of the current year. Reason thereof. Arrangements made for refreshments for the squadron. To His Honour, the High Noble Grand Honorable Lord, M:r Willem Arnold Alting, Governor-General, together with the Well-Noble Lords Councillors of the Dutch Indies. High Noble Grand Honorable Lord and Well-Noble Lords. Having only received Your High Nobilities' very venerated Separate Letter of the 18th of February of the current year upon the return of the fleet with the respected letter of the Lord Rear-Admiral Schrijver, because that naval commander was prevented at that time, by a favourable wind and the chasing of the pirate Maclear, from carrying out the delivery thereof, I have the honour to bring to the respectful notice of Your High Nobilities: That I at that time immediately informed the King of the reason of that kind protection of Your High Nobilities, and also had made the necessary arrangements regarding sufficient refreshments for the squadron, in case the same had had to stay here; regarding which the said King not
Dutch transcription
antwoord der Residente daar teegen Replique des Roaongs de weegens smakkelarij sus„ spectie en bekend gestelde ingezeetene zullen g„ bserveert werden het gebruijk der kuijt„ sers daar toe Wij gaven zijn Hoogheijd daar en teegen te kennen, dat de G kleijnste vogels zomtijds bezaaijde velde, hoe groot de „zelve ook mogten zijn, in wijnig uuren tot groot nadeel des planters konden ruineeren, geevende door hun geschreijde groote te kennen waar zij hun voet¬ „zel ronde Dit scheen bij zijn Hoogheijd van eenig indruk te„ bedankende uw Hoog Edelheedens voor de geneegene waarschouwing der verderflyke voor¬ neemens van Raadja Haedjie, waar teegen bij ons verseekerde, de Noodige voorzienig te Zullen beraemen Wij verzeekeren Uw Hoog Edelheedens met de meeste attentie te zullen observeeren die opgem. Lijst bekend gestelde en verdere suspecte Ingezeetene alhier tot verijdelinge van hun quaad en ongeper„ mitteert voorneemen hebbende ten dien eijnde ver¬ „dubbelde waakzaamheijd ernstig aanbevoole om de alhier bescheijdene kruijssers, die zeedert de gegee¬ „ven veclatante en door Uw Hoog Edelheedens geneegen g'accepteerde atisfactie des Konings meer ontzag schijne te veroorzaaken, 84 Het geneegen vertrouwen waarmeede Uw Hoog Edel¬ heedens onze gedaene verzeekeringe eener eerlievende pligts betragting hebben gelieven te vereeren bij de needrige tee¬ „kenaars met eene leedene aandenken gevenereert wer„ ste dende, vleijen dezelve zig door voortduurende ver¬ „dubbeling hunner devoire steeds verdiend te ma¬ „ken.. Terwijl wij in stipte observantie van alle verdere e ordres Uw Hoog Edelheedens ons d'Eer aanmatigen met het diepst ontzagen alle Eeerbied te zijn /:onderstond:/ Hoog Edel Groot Agtbaar Heer en WelEdele Heeren /:Lager:/ uw Hoog Edelheedens onderdanig en getrouwe vor Dienaaren /:was Geteekend:/ G:s Hemmij en Pk Johs van der Steng / in margine:/ Palembang den 15 September A:o 1783 Palembang Aan den E M:r Gijsbert Hemmij Secreet den E M:r Philipus Johannes van der Sleng Onderkoopman en Tweeden Resident aldaar Koopman en Eersten en Eerzaame, vroome, Discreete 't paquet voor de Edele Hooge Indische regeering, het welk wij hier neevens aan UWEd: zenden, is van die aan¬ „geleegenheid dat wij UW Ed: met alle empressement verzoe¬ „ken moeten &/ om het zelve op het spoedigste en secuur aan Haar Hoog Edelheedens te laaten toekoomen, 't zij met het overland naar Lampong voort te schikken, ten einde van daarnaar Batavia te worden overgebragt; of zooda¬ „nig anders, als UwEd het raadzaam zullen vinden en 2(ons niet alleen te onderrigten hoedanige Uwed: met dat paquet gehandeld hebben, en of zulks in't vervolg altoos kunnen geschiden, maar ook wanneer brenger deezes bij UWEd: aangekoomen is en wanneer hij te rug gezonden wordt op dat voij hem naar den tijd zijner heen - en wederreijze kunnen laaten genieten de priemie die hem beloofd is wij blijven voor het overige met agting /:Onderstond/ Eerzaame vroome Discreete /:Lager:/ uw Ed Dienstwillige vrienden Dienaeren /was Geteekend P: G: De Bruijn J: A: Hensel F thierens R: B: Hoynek van Papendrielt en H=r J=s Wiederhold/ in margi¬ „ne ( in het Casteel Den 31 Iuli 1783 ƒ Accordeert F lemins ge ot Apart No. 86 Pr de bark Den Arend Laate ontvangst van Haar Hoog Edelheedeens van den 18 febr: h: a: reeden daar van gemaakte schikking tot verversching voor het Esquader M:r Willem Arnold Alting Gouverneur Generaal beneevens De WelEdele Heeren Raden van Neederlandsch India Hoog Edel Groot Agtbaar Heer En Wel Edele Heeren. Bij retour van den Heer Schoud bij Nagt Schrijver gerespecteerde Missive met de vlect, uw Hoog Edelheedens zeer gevenereerde Aparte Missive van den 18:e febr: h: a: eerst ontvangen hebbende, uijt„ „hoofde die zee voogd, in die tijd door een faverable vind, en het Jagtmaaken op den Zeeroover Maclear, belet is geworden de bezorging daarvan, gevolg te Laaten neemen, zoo geeve ik mij d' Eer, ter g'eerbiedigen kennis van uw Hoog Edelhee„ „dens te brengen, Dat ik in die tijd, den koning ten eersten van de reede dier geneegene bescherming Uwer Hoog Edelheedens verwittigt heb„ „bende, des noodige schikking, omtrent genoegzame verver„ „sching voor 't Esquader ook gemaakt heb gehad, bij aldien de zelve alhier had moeten vertoeven; waaromtrent den vorse Aan zijn Edelheijd Den Hoog Edelen Groot Aagtbaaren Heer niet