Inventory 8435
Japan · 1,202 pages · 327 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
Aceh came, desiring according to her account to go to Malacca; forbade her to go inside, which she assured us she would not do. Brought her back to her vessel with our boat. At the same time a prahu came from the shore with the white flag, coming alongside with 2 envoys who paid me their compliments on behalf of the king. And since His Highness had seen that yesterday the Admiral departed from here, whether I was well aware that he had sent envoys to Malacca, to which I answered that I was indeed well aware of it, whereupon they immediately rowed back to land. In the afternoon saw 2 more balos, of which one got inside; could not prevent it, because the wind was strong; In the evening at 8 o'clock saw the 4 aforementioned balos go under sail, setting course for the outside; Wednesday the 17th ditto. At daybreak saw a balo lying at anchor 1½ miles from us; immediately sent the armed boats to it, which towed it toward us, and the juragan coming aboard us, we understood that he came from Aceh and had to go to Malacca, but wanted to go inside here because the mast-step of his mainmast was broken and he was short of water; gave water to him, and nails to repair the mast-step of his mast, and let him lie under our guns to put himself in order again. In the afternoon saw a balo and a kakap coming from the south. Sent the armed boats to it, which fired a shot to make them anchor, upon which they immediately fired from both prahus at the boats; fired back from both boats at them as much as we could, but the first-mentioned slipped away from us and sailed inside; the other, seeing it could not escape, ran the vessel aground and the crew who were aboard jumped overboard and reached land; the boats, taking the kakap in tow, brought it alongside, inspected it and found no cargo in it, but nothing other than plunder: 1 native firearm, 3 krisses and some powder and bullets; the other things being of little value, distributed it to the crew of both boats and broke up the prahu, as it was very leaky. In the evening at 8 o'clock the Acehnese went under sail, setting course for the outside. Thursday the 18th ditto, Friday the 19th ditto and Saturday the 20th ditto. In these days nothing noteworthy occurred; saw 2 balos toward the north, which I presumed to be cruisers since they kept tacking back and forth. Sunday the 21st ditto. In the afternoon saw a balo to the south displaying a Prince's flag and steering toward us, and it came aboard, being the envoys returning the pass and flag to me; inspected the prahu and found nothing other than what was stated on the pass; subsequently it sailed inside. Monday the 22nd. Today the carpenter Jan Michiel Korker of Leeuwenbergh passed away. Tuesday the 23rd and Wednesday the 24th. In these days nothing noteworthy occurred. Thursday the 25th. At sunrise saw 20 balos coming out of the river and going under sail toward the north, some showing their Buginese flags and one a white flag. In the afternoon saw a balo that set its course toward the river; sent the boats after it, but as we could not catch it, it sailed inside; saw the aforementioned 20 balos setting course toward the southwest; in the afternoon saw a balo coming from the Calang Strait and steering toward us, showing a Prince's flag, and came aboard us, being the Malay Intje Paijer coming from Malacca, bringing a letter from the Honorable Council of Malacca, having a pass to be allowed to go inside; inspected the prahu and found nothing other than what was permitted by the pass; subsequently he sailed inside. Friday the 26th. Made the signal for council, opened the Company's letter, in which was a letter for the king. Saturday the 27th. In the morning at 7 o'clock sent 2 officers with the letter for the king with the boat to land; fired 7 pieces of cannon shots upon departing from the ship; at 11 o'clock the aforementioned officers came back aboard. Sunday the 28th. Nothing noteworthy occurred. Monday the 29th. In the morning at 7 o'clock made the signal for Intje Paijer to come aboard, who came aboard at 7 o'clock with 2 of the king's people, who on behalf of the king requested some delay, since His Highness wished to write a letter for the Company; told them to make haste as quickly as possible, because we had to send to Malacca promptly. Tuesday the 30th and Wednesday the 31st. Nothing noteworthy occurred. Thursday the 1st of September. Again made the signal for Intje Paijer to come aboard; coming aboard, understood that the king was not yet ready with the letter; told him to tell the king that we could wait no longer, but had to send the prahu back to Malacca with papers; also understood from the same that the surgeon who had remained at Selangor had died. Friday the 2nd ditto. At daybreak saw a two-masted hoeker coming from the south, which showed an English flag and sent its boat aboard us, being the hoeker The Mary coming from Malacca desiring to go to Aceh, bringing a letter for Mr. Koek with the request to deliver it; also saw a bark lying at anchor to the west-northwest of us, which showed a Prince's flag; recognized it as the Company's bark De Standvastigheid coming from Perak. In the afternoon it anchored near us. Herewith we have the honor to name ourselves with high esteem, Right Honorable Valiant Sir and Honorable Sirs, Your Right Honorable Valiant and Honorable Sirs' humble servants, J. Boekx, I. C. D. Hartig, C. Dirksen, and H. de Vrij. Aboard the ship Mars, the 2nd of September 1785, lying in blockade before Selangor. Translation
Dutch transcription
Atetien quam willende volgens haar zeggen na Malacca verboden haar van niet na binnen te gaan 't welk zij ons verzekerde van niet te zullen doen. Bragte haar met onse schuit weder na haar vaartuig. op het zelfe tijdstip quam een praauw van de wal met de witte lug bij aan boord met 2. Gezanten die mij 'sCompliment uit naam des konings deeden En vermits zijn Hoogheid gezien hadt dat op gisteren de Amiraal van hier vertrok of ik wel bewust was dat hij Gezanten na Malacca hadt gezonden waar op ik antwoorden dat sulks mij wel bewust was wanneer zij direct weder na Land vaarden. Jn de Nomiddag zien nog 2. Baloos waar van een na binnen raakte konde 'te niet beletten, door dien de wind sterk was; 's Avondsom 1/8. uur zien de 4. voorm. Baloors onderzeil gaan coers settende na Woensdag den 17. de Met den dag zien een Baloor 1½. mijl van ons ten anker leggen, sond opstondt de gemappen „de schuiten na dezelve toe die hem na ons toe boegseerde en de Juragen bij onsadan boo komende verstonde dat hij van Atchien quam moetende na Malacca dog heer binne willende om rheede de koker van zijn grootste mast stuk was en gebrek aan waater hast, geeven waater aan hem, en spijkers om de koker van zijn menst te repareeren, en leten hem onder ons geschut leggen om zig weeder in order te brengen. 'S Nermiddags zien een Baloor en een kakap uit de zuid komen. Sondde, gewae„ „pende schuiten na dezelve toe, die een schot deede om ze te doen ankeren, waar op zij direct uit beide praauwe op de schuiten vuurden, vuurden weder uit beide schuite op haar zoo veel wij konden, dog eerst gem: ons ontslipte zeilde na binnen de enider ziende 't niet kunnende ontkoomen zette 't vaartuig op strant en de manschappen die zig daar in bevonden spronge over boord en raakten aan Land de schihite de kakap op sleeptouw neemende, boegseerde hem aan boord, visenteerde hem en bevonden geen Ladingen in dezelve maar niets dan plinderagie 1. Inl. schietgeweer, 3 kre„ „sen en wat kruiden kogels te andere van weinig waarde zijnde deelde 'te zele 2 uit buiten; 2 245 Donderdag den 18. d. o Saturdag „ 20. „ 7 O e Zondag „ 21. „ Maandag den 22 Woensdag „ 24 „ dede Donderdag „ 25 „ Vrijdag „ 26. ii't aan 't volk van de beede schuiten en klopte de draaeuws dewijl hij zeer lek waar. 's Avonds om 8. uuren ging de Alchiender onderzeil, zettende coers na buiten Vrijdag „ 19: „ en o In deeze daagen niets Aan tekenswaardigs voorgevallen, zien 2. Baloos om de N.:. die mij presumeerde kruijsers te zijn also dezelve 't over en weer houden. In de Nemiddag zeen een Baloor om de P.d Toonende een prinse vlag En sterende op ons aan en quam aan Boord zijnde de Gesanten geevende de pas en vlag aan mijn weder, visenteerde de praauw vonden niets den 't geen bij de pas gemeld stond, vervolgens zeilde dezelve na binnen. Heeden is overleden den Timmerman Jan Michiel korker van Leeuwenbergh, Dingsdag „ 23„ en Jn deeze daagen niets Annotabels voorgevallen. Met zous opgang zien 20. Baloos dit te Rivier koonen en onderzel gan en sk Noord toonende eenige van haare Boegineesche vlaggen en een, een witte Vlag. In de agterm: zien een Baloor die zijn coers na 't Rivier zetten zoudde schuiten er na toe dog wij dezelve niet krijgen konde, zo zeilde hij na binnen zien voorm: 20. Baloors die coers om de Z. W. t zetten, Jn de agterm. zien een Baloor uit straat Calancg koomen En na ons toeboegen zoonende een prinse Vlag en quam bij ons aan boord zijnde de Maleijer Jntje Paijers komende van Malaca meede brengende een brieff van de Achtb. Raad van Malacca, hebbende een pas om na binnen te moogen gaan. visenteerde de praauw en beronde niets dan 't geen bij de pas gepermitteerd was, vervolgens zeilde hij na binnen. Deede sein van pitsjaaren, op ende 'sComps. brief waar in een brief voor den ko„ „ning waar. Ct Saturdag ƒ oor Dingsdag den 30en Woensdag „ Verijdag Saturdag den 27. 'S Morgens om 7. uren zoude 2. offecieren met de Brief voor den koning, met de schuit na Land deede 7. p.s. Canonschooten bij 't van boord gaan, om 11. uuren quam voorm. officieren weder aan boord. Zondag den 28. Niets aantekens oaardigs voorgevallen. Maandarg „ 29. 'Smorgens 1. uur deede seij voor jntje Cuijer om aan boord te koomen die om 1. uur aan boord quam met 2. van 's konings volk die uit naam des konings mat uitstel versogten, vermits zijn Hoogheid een brief voor de Comp:e wilde schrijven, zeide haar zoo spoedig haasten merken als mogelijk was, door dien wij lijtig aan Malacca moeste zenden. Niets Merkwaardigs voorgevallen 31. E Donderdag „ p=mo sept:s Deeden weder Sin voor intje Taijer om aan boord te koomen, aan boord komende verstonde dat de koning nog niet klaar hadt met, de brief, zeide hem aan„ de koning te zeggen, wij niet langer konde wagden, maar de praauw wed na Malacca moeste zenden, met papieren verstonde ook van dezelve dat de Meester die op Salangoor gebleve, overleeden was. 2 d:o Met den dag zien een twee maste Hoeker uit de 2.d komen die een engelsche vlag toonde, en zijn schuit bij ons aan boord zond, zijnde de Hoeker de Merrij komende van Malacca de owil na Atchien, Brengende een brief voor de Heer Koek met verzoek om die adres te verleenen, zien ook een bark in 't W. N: W. van ons ten amk leggen de een prinse vlag toonde verkende hem voor de Comp. s Barke de Standvasten „heid komende van Pera. 's Nam. quam dezelve bij ons ten anker, Iier meede hebben de Eer ons met Hoogagting te Noemen. (onderstondt) wel- Edelen Gestrengen Heer en E. Here,/(lager/ uwEd. Gestr. en E. Heeren onderdanige enaar /getekend/ J. Boekx. I. C. D. Hartig, C: Dirksen en H. de vrij, /in margine:) Aan Boord van 't schip Mars den 2. September 1785. leggende in Bloguade voor flangenon. —. Translaat „
English
247 Translation of a Malay letter, written by Radja Brima at Slangenoor, to the Right Honourable, Right Noble Sir Pieter Gerardus de Bruijn, Governor and Director of the city and fortress of Malacca, with its jurisdiction; received on 21. September 1785: by an envoy of the said Prince named Ponghoebe Assan, and reading as follows: This letter is written from a pure heart of him who holds dominion at Slangenoor, the greatest, strongest and most praiseworthy Sultan, who rules all lands, can commit no error and is invincible, whose praise all mortals proclaim, whose sword triumphs over all, and whose orders nothing opposes, and whose banners and ensigns of honour are protected by God according to the glorious contents of the Alcoran from sentence to sentence unto the end; serving for communication to my Friend the Governor at Malacca, who is Regent of the great establishment of the Company, and rules with perfect wisdom, animated with sincerity towards all princes, unwaveringly benevolent towards all his Friends to overflowing according to custom, helping the servants of God and having mercy upon the poor, protecting all those who suffer injustice, and overshadowing all foreigners and orphans; whereof the fame has spread to all lands. I therefore thank God for this, and let His will please me. May God increase this greatness of his and grant him this for his own peace of mind forever, and prolong his days without any affliction, Amen. After this, it serves to state regarding the pure and sincere letter, brought by Captain Peijer, that I have happily received the same, and that it was received by me with many marks of honour and the affection of a pure heart, and with all tokens of majesty within the realm of Slangenoor, such as befitted me and could bestow distinction. So that I now, with my Friend, together with all the inhabitants of Slangenoor and others, by the help of God, may enjoy peace without adversity, I have therefore conferred with my brothers and all the Council in the government of Slangenoor as soon as I opened the letter of important content sent by my Friend the Governor, who is Regent of the city and fortress of Malacca, together with his Council, for I have examined with much pleasure from the beginning unto the end the entire arrangement and the expressions contained in the great letter. Wherefore I have also opened the second writing, containing 24 articles and four sections without paragraphs in addition. And I have now agreed with my brothers and the Council at Slangenoor to declare that the contents of both writings of my Friend the Governor are truthful and reasonable; yet the way to follow three points is known to the Most High, who knows all things, as well as everything else. Nevertheless, I request of my Friend, if it may be permitted, to be allowed to follow in the footsteps of my elders in the same manner as they walked in friendship with the Company. This is what I request if there be any possibility. Thamat. Written at Slangenoor on the mountain on the 5th day of the month Dulkaida on Friday at eight o'clock 1199, being the 9th September 1785. (underneath was written) Thus translated according to the statement of the Sworn Interpreter Intje Paijer. Malacca in the Castle the 21st September 1785. Below this / signed by me / C. G. Baumgarten. 249 To the Right Honourable, Right Noble Sir Pieter Gerardus de Bruijn Governor and Director of the city and fortress of Malacca, together with the Council. Right Honourable, Right Noble Sir and Honourable Gentlemen, In humble reply to the esteemed letters from Your Right Noble Sir and Honourable Gentlemen, dated 17 and 19 of this month with the bark De Standvastigheid and the hooker Katwijk aen Zee, together with the rations, water, medicine chest, vegetables, etc., sent to us by Your Right Noble Sir and Honourable Gentlemen, everything was duly received according to the bill of lading drawn up for it. Having seen from the esteemed letters of Your Right Noble Sir and Honourable Gentlemen that Your Right Noble Sir and Honourable Gentlemen were not well pleased regarding the sending up of the Malay Intje Jaijer, yet this occurred only upon the pretext of the said Intje wishing to depart for Malacca as soon as possible, since he could obtain nothing here at Salangoor, indeed barely even drinking water, and could also not come ashore unless Radja Brima wished to speak with him, When the aforesaid came on board with us, he reported to us that Radja Brima wished to send a letter and envoys to Malacca, and indeed with his own vessel, and that this would take another eight days, having then caused a request to be made to Radja Brima through the said Intje to make as much haste as was possible, since we must send a report thereof to Your Right Noble Sir and Honourable Gentlemen, and also that we wished to employ the said Intje for this purpose; yet this happened with no other intention than to make Radja Brima make more haste. Subsequently, on the 2nd of August, the bark De Standvastigheid arriving here from Perak
Dutch transcription
247 Translaat Maleitsche Missive, gescre„ „ren door Radja Brina te Slangenoor, aan den WelEdelen Gestrengen Heer Pieter Gerardus de Bruijn, Gouver„ „neur en Directeur der Stad en Fortresse Malacca, met dlies resort; ontvangen den 21. September 1785: met een zendeling van den gemelden, Prins genaamt Ponghoebe Assan, en luidende aldus, Deeze brief is geschreven uit een zuiver hart van hem die de Heerschappije heeft te slangeroor, den grootsten, sterksten en prijswaardigsten Sulthan, die alle landen beheerscht, geene fout kan begaan en onoverwinnelijk is, wiens lof alle stervelingen uitgalmen, wiens degen over alles trummphierd, en wiens beveelen niets wederstreep, mitsgaders wiens vaandels en eeren tekenen door God beschermt wor„ „den volgens den overheerlijken inhoud des Alkoren van zin sneede tot zinsneede tot aan het einde; dienende ter communicatie van mijnen Vriend den Gouverneur te Malacca, die Regent is van den grooten omslag der Compagnie, en met vol„ „maakte wijsheid heerscht, bezield met opregtheid omtrent alle vorsten, omwan kel„ „baar mildaadig omtrent alle zijne Vrienden tot overrloeijens toe naar de gewoon „tens, helpende de slaven Gods en zig ontfermende over de Armen, beschermende alle de genen welken onregt geschiedt, mitsgaders overschaduwende alle vereen„ „delingen en weezen; waar van het gerugt zig verspreid heeft in alle lamnden. Ik danke overzulks bod daar voor, en laat mij zijne beschikking welge, „vallen. God vermeerdere, deeze zijne grootheid en schenke hem dit tot zijn eigen gerustheid voor altoos, mitsgaders verlenge zijne dagen buiten alle ongemakken, Amen. Na zulks dient nopens den zuiveren en op regten brief, angebragt door Capitein Peijer, dat ik denzelven gelukkig ontvangen hebbe, en dat hij door mij gerecipieerd is met veele eerbewijzingen en de genegendheid eenes zuiveren hartens, mitsgaders mitsgarders met alle blijken van verhevendhad binnen het Rijk van slange„ „noor, zoodanig als het mij betaamde en een aanzien kon geeven. Op dat ik nu met mijnen Vriend, benevens alle de ingezetenen van slang„ „noor en anderen, door de hulpe Gods, zonder te genheden rust moge genieten, derhalven hebbe ik met mijne broeders en alle de Raaden in het bestier van Slangenoor gebesogneerd zoo dra ik opende den brief avan importanten inhoud„ gezonden door mijnen Vriend den Gouverneur, die Regent is van de Staden Josh „se Malacca, benevens zijne Raaden, want ik hebbe met veel genoegen van het begin af tot aan het einde nagegaan de gansche schikking en de uitdrukken „gen vervat in den grooten brief. Overzulks hebbe ik ook geopend het tweede Geschrift, vervattende 24. artikels en nog vierasdeelingen zonder paragraphen daarenboven. En, nu ben met mijne broederen en de Raaden te Slangenoor overeengekomen te ver„ „klaaren, dat de inhoud van beide de Geschriften van mijnen Vriend den Gouverneur, naar waarheiden billijk is; dog den weg tot opvolging van drie pointen, is den Allerhoogsten, die alles weet, zoo wel bekent als alle het overige. Nogtans verzoeke ik wijnen Vriend, bij aldien het kan worden vergunt, om in zelfe dervoegen als mijne oude Lieden met der Compagnie in vriendschap gewandeld hebben, hunne voet stappen te mogen opvolgen. Dit is hetgene ik bij eenige mogelijkheid verzoeke. Thamat. Geschreven te Slangenoor op den berg den 5. dag der maand Dulkaida op vrijdag om agt uur 1199., zijnde den 9. September 1785. (onderstondt) Aldus Getrenslateerd volgens opgrave van den Gezwooren Tolk Intje Paijer. Malacca in het Casteel den 21. September 1785. Jaaronder / door mij /Ggetekend/ C. G. Baumgarten kos. — Aem 249 Aan den Wel Edelen Gestrengen Heer Pieter Gerardus de Bruijn Malacca, benevens den Raad. Wel Edelen Gestrengen Heer en E: E: Heeren, In nedrig antwoord op uwE. Gestr. en E. E. Heeren gëerde Letteren, van datoten 17 en 19 deezer met de Bark de standvastigheid en de Hoeker katwijk aen zee benevens de Rantzoene, water, medicijn kist, groente &. a door Uw Ed. Gestr. en E: E. Heeren aan ons toegesonden, alles volgens, de daar van geformeerde Cognosse„ „ment wel ontvangen, Hebbende ui't UwE. Gestr. en E. E. Heeren, geerde Letteren gezien dat UwE. Gestr: en E. E. Heeren, niet wel voldaan weren, wegens het opsenden van den Maleijer Jntje Jaijer dog zulks is niet geschied den met voorgeving van gem: intje van hoe eer hoe liever na Malacca te willen vertrekken, wijl hij hier op Salangoor niets konde krijgen ja zelfs schaars drinkwaater en ook niet aan Lant mogt komen of Radja Brima zou met hem willen spreeken, Wanneer gem: bij ons aen boord quam ons rapporteerde dat Paelja Brima een brief en Gezanten na Malacca willende zenden en wel met zijn eigen vaartuig en dat zulks nog wel agt dragen zouden aanloopen, hebbende doen door gem. jntje aan Radja Brina laaten verzoeken om zoo veel spoed te maaken als mogelijk was door dien wij aan UwE. Gestr. en E. E. Heeren daar van rappot moeten zenden ook dat wij gem: Intje dar toe wellende emploijeren dog zulks gescheede met geen ander inzigt, dan om Radja Brima meer spoet te doen maaken. Vervolgens op den 2. Augs. de berk de Standvastigheid alhier van Perae arrivee Gouverneur en Directeur der stad en Fortresse „rende
English
September 1785. We made a signal for Intje Saijer to come on board in order to learn one thing or another from him, but he reported nothing to us. We gave the said Intje the choice to stay or to depart, as we currently had the opportunity to send papers to Malacca. However, the said Intje wished to depart for Malacca and requested his pass, which we gave him, as well as 90 lb. of rice since he claimed to be in want of it, whereupon he departed from here for Malacca. At the same time, we inform Your Right Honorable and Esteemed Sirs that on the vessel commanded by the first signatory there are five sick persons, and on the 19th of this month a European sailor passed away; and with the 2nd signatory there are 2 sick persons, who also most humbly requests a piece of linen for bandages, and he has no more rations for his crew beyond the month of November. Also, the first signatory sends twenty-five empty water leaguers with their iron hoops; the 2nd signatory sends 10 whole and 16 half empty water leaguers, also with full hoops. The receipts for the received goods as well as an extract from the journal since the 4th of this month are the enclosed papers. Knowing nothing further worthy of the attention of Your Right Honorable and Esteemed Sirs, we take the liberty to subscribe ourselves with all submission. Beneath stood: Right Honorable and Esteemed Sirs. Lower: Your Right Honorable and Esteemed Sirs' humble servants, signed: I. Boekz, I. C. D. Hartig, C. Dirksen, H. de Wij, and H. v: den Aeker. In the margin: On the Honorable Company's ship Mars, the 27th of September 1785. Lying in blockade before Salangoor. Extract from the journal of the Honorable Company's ship Mars. Sunday the 4th ditto: In the evening at 5 o'clock saw a salute fired from Fort Altingsburg. Monday the 5th ditto: Tuesday the 6th ditto: Nothing noteworthy occurred. Wednesday the 7th ditto: Thursday the 8th ditto: Friday the 9th ditto: In the afternoon saw a salute fired from Fort Utrecht. Saturday the 10th ditto: At sunrise saw a kakap come out of the river and come alongside us, being the envoys who were to go to Malacca with the King's letter. Granted a pass and a Prince's flag to the same; upon departure, saluted the King's letter with 7 cannon shots. Sunday the 11th ditto: Monday the 12th ditto: Tuesday the 13th ditto: Nothing noteworthy occurred. Wednesday the 14th ditto: Thursday the 15th ditto: Friday the 16th ditto: Saturday the 17th ditto: Saw 3 baloos coming from the South, one of which showed a Prince's flag and two showed blue flags, and altered course to the North. Made the signal for council; Mr. Hartig and his first officer came on board. Held a ship's council; in the same it was resolved, since we had no more than eleven and a half leaguers of water on board, to send a boat with an officer ashore to request the King to assist us with drinking water. The boat returning on board, we understood that the King was not to be spoken to today. Sunday the 18th ditto: Sent the boat ashore again to carry out the aforementioned commission; returning on board, we understood that the King permitted us to fetch water, but with no more than one boat at a time. Saw a sloop coming from the South and turning North, showing a blue flag. Monday the 19th ditto: Sailor Siemon Mem from Louise in Finland passed away, leaving nothing behind. Tuesday the 20th ditto: At night just after midnight got a heavy squall from the West-Southwest with much wind and rain; our mooring cable broke, whereby we lost our anchor and 22 fathoms of cable; dropped anchor again at daybreak. Saw several baloos coming from the North, all of which sailed inward. Wednesday the 21st ditto: Dragged for the anchor, but in vain. Thursday the 22nd ditto: Fetched 5 half leaguers of drinking water from the shore with the boat. Friday the 23rd ditto: Dragged for the anchor, but did not find it. Saturday the 24th ditto: At noon saw a vessel coming out of the Straits of Calam; identified her as the bark De Standvastigheid. In the afternoon the aforementioned bark arrived here at the roadstead. Made the signal for council; opened the letter. Received some vegetables for the crew. Sunday the 25th ditto: Discharged the rations from the bark. In the afternoon could not discharge due to hard wind and high swell, since the Steenbok was already somewhat damaged above from the violent rolling alongside the bark and the ship. Monday the 26th ditto: Saw a vessel coming from the South which anchored near us at 5 o'clock, being the hooker Katwijk aan Zee coming from Malacca. Received a letter from the same. Made the signal for council; opened the Honorable Company's letter; received some vegetables. Conveyed the commander back to his vessel, and he immediately set sail for Pera. Discharged 25 leaguers of water from the bark and gave 25 empty leaguers in return. The small ship De Hoop fetched its water from the bark. Done on the aforementioned ship lying in blockade before Salangoor. Signed: I: Boek, J: C: D: Hartig, C: Dirksen, and H. de Wij, H. van den Aeker. To the Right Honorable Sir Pieter Gerardus de Bruijn, Governor and Director of the City and Fortress of Malacca, together with the Council. Right Honorable Sir and Esteemed Sirs, The English two-masted hooker named the Merrij, wherewith Your Right Honorable
Dutch transcription
September 1785. „rende, deede wij sin voor gntje saijer om aan boort te koomen om 't een op ander van hem te verneemen dog ons niets rapporteerde den voormeld, geeven gemelde intje in zijn willekeur om te blijven dan te vertrekken wijl wij thans occasie hadden om papiere na Malacca te zenden dog gemelde intje gaarn na Malacca willend vertrekken verzogt zijn, pas die wij leen geraven als ook 90. lb. Rijst dewijl hij voorgaa„ daar gebrek aan te hebben, waar op hij van hier na Malacca vertrok. Teffens melden UwEd. Gestr: en E: E: Heeren dat op den Eerstgetekende zijn onder hebben „de bodem zig vijf zieken bevinden en op den 19. deezer een Europeese matroos overleden en bij den 2.e Tekenaar zijn 2. zieken, die ook ootmoedigst verzoekt om een stuk verband Linnen en heeft niet meer dan tot de maand November Rantzoenen voor zijn Equipagie. 34 2 Ook zend den eestgetekende vijf en twintig ledige waater Eiggers met haar va beslagen den 2. ' Tekenaar 10. heele en 16. halve ledige water leggers meede met vol bela De quitantes der ontfangen goederen als ok een gtract in t Journaal zede den 4. deezer, zijn den inleggende papieren. Verders niets neer wetende dat de attentie van uwEd: Gestr: en E. E. Heeren waardig is zo gebruike de vrijheid ons met alle onderdanigheid te onderschrijven. /onderstondt:) Wel Edelen Gestrenge Heer en E. E. Heeren /(lager) Uw Eds. Gestr. en E. E. Heeren onderdanige Dienaaren, /getekend/ I. Boekz, I. C. D. Hartig, C. Dirksen, H. de wij en 76. v: den Aeker, /in margine:) In 't'sComp:s stipe Mans den 27. September 174 Leggenden in bloquade voor Slangenoor. -. Extract uit 't Journaal van 't E. Comp Schip Mars, Zondag den 4. d:o S' avonds om 5. uuren zign een salut uit 't Fort Altingsburg doen; Maandag „ 5. „ d Dingsdag „ 6. „ Niets annotabels voorgevallen. Woensdag „ 7. „en Donderdag „ 8. „ Vrijdag. 2 251 Vrijdag den 9. 'S Namidags zien een salute doen van het Fort utrecht Zondag „ 18: „ Maandag „ 19. „ Dingsdag „ 20. „ Saturdarg „ 10: Met zousopegeng zien een kakap uit 't Rivier koomen en bij ons aan boord koomen. zijnde de gezanten die met 's konings brief na Malacca moesten, verleende een pas en een prinse Vlag aan dezelve bij 't vertrek salueerde voor' konings brief met 7. Caonschooten Zondag den 11. „ Maandag „ 12. „ „ Dingsdag „ 13. „ „ Niets Aantekenswaardig voorgevallen. and Woensdag „ 14„ „ d Donderdag „ 15 en „ Vrijdag „ 16, „ Saturdag „ 17, „ Zien 3. baloos uit de 2.d koomen waar van een, een prince vlag en twee blaeuwe vlaggen toonde en coersom de A:d Boegden, Deede sein van Pitsjaaren quam de Heer Hartig en zijn Eerste officier aan boord belegde scheepsraad wierd in dezelve geresolveerd dat vermits wij niet meer dan Elf ens Leggers water binne boort hadle om een schuit met een officier aan Land te zen, den om aan de Koning te verzoeken om ons met drinkwaater te willen adsistenen, de schuit weder aan boord komende verstonde dat de koning van daeg niet te spreeken was. zoud de schuit weder na Land om de voormd. commissie te verrigten weder aan boord komende verstonde dat de koning ons permitteerde water te haalen dog met niet meer dan een schuit gelijk. zien een Chialoup uit de Z. koomen en om de N. d boegen. toonende een blaauwe vlag. Is overleden den Maettroos Siemon Mem van Louise in Tinlant, niets nage„ laaten. 'S Nagts even na middernagt kreeg en zwaare buij uit 't W=ZW:t met veel wird en reegen quam ons Thuijtouw te breeken waar door wij ons anker en 22. v=m touws, liten op stond 't daags vallen. zien verscheide Baloos uit de N. e koomen die alle hebben Woensdag den 21. Donderdag „ 22. Saturdag „ 24. Zondag Maandag „ 26. alle na binnen zeilde. visten na 't anker dogn vrugteloos. Htaalde met de schuit 5: halve leggers met drinkwaater van de wal. visten na 't anker dog niet gevonden. Op de middlag zien een vaartuig uit straat Calam koomen . verkende hem voor de kark de standvastigheid. 's Aenm. arriveerde voorm. bark alhier ter reede, deede zin van Litparen opende B Brief. krege eenige groente voor 't volk Losten de Rentsoenen uit de Bark. in de Namidlag konde niet Lossen boorde harde wint en hooge deijning, dewijl de steenbok reeds van boven al wat geranpro„ „neerd was, door 't geweldig, reijen op zei van de Bark en 't schip. zien een vaartuig uit de 20 komen die om 5: uuren bij ons ten anker quam zijnde de Hoeker Katrijk aan zee komende van Malacca kreegd een brief van dezelve„ deede seij van pitsjaaren opende 'sComp:s Brief kreege eenige groente, voerder de Gesag„ „hebber weder na zijn Bodem en ging direct onderzeil na Pera. Losten 25. Leggers waater uit de Bark en geeve 25 ledige Leggers in plaats. Haalde 't scheepje de Hoop zijn waater uit de Berk. Actum in 't schip voormeld Leggende in Blogerade voor Salangoor /getekend:/ I: Boek, J: C: D: Hartig, C: Dirksen, en H. de rijen H. ven den Aeker. Aan den Wel Edelen Gestrengen Heer Pieter Gerardus de Bruijn, Gouverneur en Directeur der Stad) en Fortresse Malacca Benevens den Raad Wel Edele Gestrenge Heer en E. E. Heeren, De Engelsche Tweemaste Hoeker Genaamt de Merrij waar meede UwelEd. Gestr Vrijdag 23. „ 25.
English
253 Right Honorable and Esteemed Gentlemen, these our letters having been received, there arrived here on the 16th of this month, coming from Lideer with the intention to go to Malacca, but arriving here because he was very leaky, and his sails were mostly torn, and he had too few men to put himself back in order, he thus requested our assistance. We gave him as many men as were necessary to put his vessel back in order, so that he could reach Malacca. Since the departure of the bark the Standvastigheid, nothing remarkable has occurred here, except that on the 0 of this month the Tereunten on behalf of Radja Prina arrived here. On the 13th of this month a native sloop passed by here, whose juragan came to us, having a Malacca pass, coming from Queda with the intention to go to Malacca; an English ship also passed, setting its course toward the Strait of Calan. Yesterday a small proa from the shore with a white flag and an envoy came on board with us, requesting in the name of Radja Brima a pass and flag for the cargo that he would send to Malacca, and which would depart today or tomorrow. The first signatory longs terribly for a replacement because his vessel under command deteriorates from day to day, and parts of its standing as well as its running rigging snap daily, and he has none in stock to properly repair it. Having also currently no more than 9 leagers of drinking water remaining. As for the crew, everything is in good condition, having no more than one sick person. With the second signatory there is no more than one sick person, but provisions only until the 1st of November and still drinking water for 20 days. Further knowing nothing more that is worthy of the attention of the Right Honorable and Esteemed Gentlemen, we take the liberty to sign ourselves with all high respect. was signed: Right Honorable and Esteemed Gentlemen, lower: your Right Honorable and Esteemed Gentlemen's obedient servants, signed: Jan Bockr, I. C. D. Wertig, C. Dirksen, H. de Vrij, and H. v. d. Acker. In the margin: On the Company's ship Mars, the 17th of October 1785, lying in blockade before Slangenoor. Below that: P.S. Upon the closing of this letter we see Fort Utrecht deliver a salute of 11 shots after the hoisting of the blue flag. To the Right Honorable Pieter Gerardus de Bruijn, Governor and Director of the City and Fortress Malacca Right Honorable Sir, It will not be unknown to Your Honor that after my departure from Malacca I was delayed by many contrary winds and storms, through which I had the misfortune to lose my daily anchor and practically the entire cable on Monday the 10th of October; my mooring cable, which I have had in use since Punto Gaale and which also already snapped once on the roadstead of Malacca, is also becoming very bad, of which I already informed Your Honor before my departure. I am presently still provided with three cables; I request Your Honor, if there is a possibility, to send me one or 2 cables. I arrived here on the 23rd of October, and have delivered five leagers of water to the ship Mars. Furthermore, as regards the state of my crew, I have the honor to inform Your Honor that my entire crew, thank God, is healthy. And having commended Your Honor, together with Your Honor's esteemed family, to the protection of the Almighty, I remain with all high respect. Was signed: Right Honorable Sir, lower: Your Honor's humble servant, signed: B. v. d. Spek. In the margin: On the Company's ship Hoolwerff, the 23rd of October 1785. Below that: P.S. Since Mr. Hante, through the death of his boatswain, has no more than one deck officer, being a boatswain's mate, on board, he requests a deck officer. Translation. 255 Translation of a Malay letter written by Radja Abrahim at Slangenoor to the Right Honorable Pieter Gerardus de Bruijn, Governor and Director of the City and Fortress of Malacca, together with the Council. Received the 1st of November 1785. Usual introduction. Following this serves in response to the declaration made by my friends the Lord Governor and the Council of the City and Fortress of Malacca, how they cannot grant my request because matters are presently situated differently than in former times; that I, having been informed thereof, have taken this into good consideration, yet in the present and the past have found no difference. But, because I nevertheless desire to live in peace with the Company, I repeat my request to my friends most urgently and with a pure and white heart. If, however, what I request cannot be granted and my friends desire that I shall comply with the 24 articles contained in the document from my friends handed over to me by Intje Teijer, then I cannot bear such, but request in this case a delay of three months so that during that time I may have vessels sought, for we have no power and shall consequently evacuate Slangenoor. The Company therefore needs to take no trouble to send a military force here, for I desire to have no disputes at all with the Company, also I shrink from shedding human blood and desire that this be put an end to. This now is my request to the Lord Governor and the Council of the City and Fortress of Malacca if they have pity on me and all the inhabitants of Slangenoor and desire to see the good; and I therefore send my Shahbandar with
Dutch transcription
253 Gestr. en E. E. Heeren deeze ons Letteren geworden, is alhier op den 16. dezer gearri„ veert komende van Lideer de wil na Malacca, dog alhier aankomende dewijl hij zeer lek was, en zijn zeilen meestendeels stuk waaren, en te weinig volke haod om zig weder in order te brengen, dus hij ons om adsistentie verzogt, Geeven zoo veel volk aan hem als nodig was om zijn vaartuig weder in order te brengen. om Malacca te kunnen bereijken. zedert het vertrek van de Bark de Standvastigheid is alhier nietsaammerken„ „waardig vorgevalen als dat op den 0. deezen de Tereunten van wegens Radja Prina alhier zijn gearriveerd. Op den 13. deezer Een Inlandsch Chialoup alhier gepasseert waar van de Juragen bij ons quam hebbende een Malacse pas, komende van Queda de wil na Malac„ „ca, ook passeerde een Engels schip zettende zijn coers na Straat Calan. Op gisteren een praauwtje van de owal met een witte vlag met een Gezant bij ons aan boord komende verzoekende uit naam van Radja Brima een pasen Vlaen voor de Grante die hij na Malacca zoude zenden, en op heden of morgen zoude verteken. De Eerste Tekenaar verlangt met smerten na een vervanger dewijl zijn onderhed„ „bende Bodem van dag tot dag verergerd, en van zijn staande, zo wel als van 't loopen Touwerk dagelijks komt te breeken en niet in voorraad heeft om het behoor„ lijk te kunnen remedieeren. Hebbende tans ook niet meer dan 9. Leggers Drinkwater per Rest. wat het volk aangaat is alles in goede weestand hebbende niet meer dan een zieke. Bij de tweede Eekenaar zijn niet meer dan een ziek, dog niet langer dem tot pmo November rantsoen en nog voor 20. dagen drinkwater. ve Verders niet meer weetende dat de attentie van uwelEd. Gestrenge en E. E. Heeren waardig is zo gebruiken de vrijheid ons met alle Hoogagting te onderschrijven. /onderstond/ WelEedele Gestrenge Heer en E. E. Weeren / lager:/ uwelEd. Gestr. en EE. Heer: Gehoorzaame Dienaaren /(getekend/ J„n Bockr, I. C: D: Wertig, C: Dirksen, H. de vrij en H. v. D. Acker, / in margine/ In 't Comps. schip Mars den 17. October 1785 / leggende in Bloquade voor Slangenoor. /daaronder/ P. S. Met 't sluiten dezer Brief zien van t 't Fort Utrecht een salut van 11. schooten doen na 't heijzen der Blaauwe Vlag„ Aan den WelEdele Gestrenge Heer Pieter Gerardus de Bruijn, Gouverneur en Directeur der Staden Fortresse Malacca Wel Edele Gestrenge Heer, Het zal uwelEd Gestr. niet onbekend zijn, dat ik na mijn vertrek van Malaca door veel tegenwonden en storm ben opgehouden, waar door ik het ongelijk gehed hebben om mijn daags anker, en genoegzaam den heel touw op maandag den 10. October, hebbe koomen te verliezen, mijn thuijtouw dat ik reeds van Punto Gaale inge„ „bruik heb gehadt, en ook reeds eenmaal op de Rheede van Malacca is koomen te breeken, wordt ook zeer slegt, waar van ik UwelEd. Gestr: voor mijn vertrek reeds heb kennis gegeven, ben tans nog voorzien met drie Touwen, verzoeke Uweld Gestr. zoo indien er mogelijkheid is, om mij een of 2. Touwen toe te zenden: Ik ben alhier gearriveerd den 23. October, en heb aan het schip Mars vijf Leggers water al„ Wijders wat aangaat de Gesteldheid van mijn volk heb de Eer uwelEd. Gestr. te berigten, dat mijn heele Equipagie God zij dank gezont is. — En na uwelEd. Gestr. benevens uwEd. Gest. geërde famielie in de bescherming der Hoogsten bevoolen te hebbe, zoo blijve met alle hoogagting. (onderstondt:) Wel Edele Gestrenge Heer, (lager/ UwelEd. Pestr. D. W. Dienaar (getekend/ B. v. d: spek, /in margine/ Jn het Cuips. schip Hoolwerff den 23. october 1785. (daar onder/ P. S. Alzoo den Heer Hante door het sterfgeval van zijn Bootsman, niet meer als een deks officier, zijnde een schiemansmaat aan boord heeft zoo verzoekt dezelve om een deksofficier. —. Translaat „geven. .. 255 Translaat Maleitsche Missive geschieven door Radja Abrahim te Slangenoor aan den welEdelen Gestrengen Heer Pieter Gerardus de Bruijn, Golver„ „neur en Directeur der Stad en Fortresse Malacca, benevens den Raad. Ontvangen den 1. November 1705. Inleiding naar gewoonte Na zulks dient ten regueerde van het verklaarde, door mijne Vrienden den Heer Gouverneur en den Raad der stad en Fortresse Malacca, hoe zij, niet klunnen bewilligen in mijn verzoek dewijl het tans anders gesteld was dan eer tijds, ld. dat ik daar van onderrijt zijnde zulks in goede overweeging genomen dog in het tegenswoordige en het voorledene geene veraindering gevonden hebbe. Maer, dewijl ik ru nogtans met de Compagnie in vrede begeere te leeven herhaal ik mijn verzoek aan mijne Vrienden op het kragtigste en met een zuiver en withart. Kan egter hetgene ik verzoek niet worden toegestaan en begeeren mijne Vrienden, dat ik zal opvolgende in het door Intje Teijer aan mij overhandigde Geschreft van mijne Vrienden vervatte 24. Artikels, den kan ik zulks niet draagen, maar verzoek in dit geval om een uitstel van drie maanden op dat ik in die tijd vaartuigen kan laaten opzoeken, want wij hebben geene magt en zullen verzulks Slangenoor ontruimen. tens De Compagie behoeft dus geen marte te doen om eene orlogs magt herments ek te zenden, want ik beger in 't geheel geene geschillen met de Compagnie te hebben, ook skroon ik menschen bloed te vergieten en verlang dat daar mede worde uit„ „gescheiden. Dit nu is mijn verzoek aan den Heer Gouvernuur en den Raad der Stad en Fortrese Malacca bijalden zij met mij en alle de ingezetenen van Mangenoor medelijden hebben en het goede begeren te zien; En ik zende derhalven mijnen Sabandaar met
English
265 lying by the ships on the Roadstead of Slangeroor, I then immediately betook myself on board to Mr. Benjamin van der Spek and made known to him what is mentioned above, having heard it from the Slangenoor people. The pantjallang Bleton not being here, I resolved to sail alone to the aforementioned tin river as soon as possible, before the two aforementioned balloors should escape it, being informed by the aforementioned Slangenoor people that Radja Brima had taken the Langoelo with most of the people from the tin river to him at Slangenoor to reinforce his place against a night surprise by the Company. On the 22nd of January the Bleton arrived with me, and on the 23rd ditto entered the tin river together with the aforementioned pantjallang. On the 24th ditto a Portuguese snow ship passed through the Strait of Calang named Redogate, commanded by Captain Anthonij Rotteho, mounted with 8 cannon of 3 lb., manned with eighty-five heads, coming from Macau, lastly from Malacca, intending to go to Bengal. On the 25th ditto a Portuguese frigate passed named the St. Anthonij bon Successo, commanded by Captain Ignatio Rangel de Coste, mounted with 16 cannon of 3 and 4 lb., manned with one hundred and twenty heads, coming from Macau, lastly from Malacca, intending to go to the Malabar coast. Furthermore, I surveyed the tin river today with the armed boats, and found two more rivers running out of it, the one toward the False Gap and the other joining with the Strait of Calang; I immediately sailed upriver with the pantjallangs and stationed them in such a way that no vessel, whether small or large, by day or by night, can pass or slip through in or out of the aforementioned river. On the 26th ditto one of the aforementioned two balloors lying at the settlement came drifting down, but getting sight of the pantjallang, it laid out the oars and rowed back upriver with all its might. In the afternoon I went up the river with the armed boats to reconnoitre it, and seeing the aforementioned balloor no more, presumed that it had gone back up to the settlement. On the 28th of January in the morning I went up the river again with the aforementioned boats and came in the afternoon at 4 o'clock within a distance of the settlement such that I could see it through the spyglasses; I saw two laden balloors lying there, and some balloors and kakaps standing on the beach which were being built; on returning, a small prahu approached, and calling out from afar, said that the chief there requested that I might depart with the pantjallangs from the mouth of the tin river, whereupon I answered him in accordance with the last part of the article in the Instructions mentioning a prahu bearing a white flag, and told him that if their rajah, being the son of the aforementioned Langoelo who is presently at Slanganoor, had anything to request, he must come on board with me in the tin river tomorrow, letting a white flag fly from a prahu. On the 30th of January in the morning, while the boats were away from on board making a round in the Strait of Calang to see if vessels might pass by here to Malacca, because in passing they could not well see the pantjallangs through the forest, a scoop prahu came from upriver, thinking to slip away; we intercepted him and understood that he was intending to go to the ladangs to fetch paddy, and we found some bundles of tin in the aforementioned prahu. The boats returning on board reported having seen no vessels; I feared that it might continue for a long time before a vessel to and from Malacca passed here, and it might well happen that the aforementioned Radja Brima in the meantime receives help. While presently the entire tin river with its settlement is in our power so as to be able to destroy it. Consequently, having no doubt that if the aforementioned rajah should receive help, he will of necessity forcefully exert his primary power here for the preservation of the aforementioned river and settlement; as not only the outer passage, but also the surrounding ladangs of his settlement have been cut off by the pantjallangs. For this reason, being very desirous to find an early occasion to report the above-mentioned to Your Honour
Dutch transcription
265 staat bij de scheepen op de Raede Slangeroor vervoegde mij toen opestend bij den Her Benjamin van der sepek aan boord en gaf van 't geen bovengemeld is; als van den slange„ „noores gehoord hebbende, aan denzelven te kennen. De Pantjallang Bleten hier niet zijnde resolveerde om zoo dra als mogelijk was; alleen na het gem: tin rivier te zeilen, eerder de twee voorn: balloors het outstip„ ten, als van meergem: slangenoores onderrigt zijnde dat Radja Brina den Langoe„ „lo met het meeste volk van 't tin rivier na slangenoor bij hem tot versterking van deszelfs plaats voor Comps. bij nagt verrassing had genoomen. Den 22. Januari de Bleton bij mij arriveerende, den 23. do benevens de gem: pant„ „jallang in't tin rivier gekomen. Den 24. d o Paseerde door de straat Calang een Portugeesche snauw schip ge„ „naamt Redogate gecommandeerd door den Cap. t Anthonij Rotteho gemonteerd met 8. Canon â 3 lb. bemant met vijf en tagtig koppen koomende van Macak laast van Malacca de wilhebbende naar Bengale Den 25. d:o Passeede een portugese fregat genaamt de S:t Anthonij bon Sulccesso gecommandeerd door den Cap. n egnatio Rangel de Coste gemonteerd met 16 Canons â 3 en 4 lb. bemant met honderd en Twintig koppen komende van Macau laast van Malacca de wil hebbende naar de kust Mallebaar. Verders onderzogte heeden met de gewaappende schuijten het tin river, en bevonden nog uit dezelve twee rivieren loopende de een na 't falsche gat en de andere zig vereenende met de straat Calang, zeilde direct met de pantjallangs naar booven toe en posteerde dezelve zoodanig dat geen vaartuig bij dag sf bij nagt 't zij klijn of groot in of uitgem: river kan passeeren of door slippen. den 26. do quam een van de vormn: aan de Negorij gelegen twee baloos afdrijven dog dezelve de pantjallang in 't gerigt krijgende leide de riemen uit en roeide met kragt weder na boven toe. Des Agtermiddags ginge met ede gewaappende schuiten het rivier op om hetzelven te recognoseren en gem: baloor niet meer ziende presumeerde dat hij weder na boven bij Erde de Negorij zijnde gegaan. Den 28: Ianuarij des morgens ging ik weder met gem: schuiten naar boven 't rivar op en quam des agtermiddags om 4 uur op een distantie bij de Negorij zoo dat ik door de verrekijken dezelve konde zien, zagen aldaar twee gelaaden billoors leggen, en eenige baloor en cacabs op strand staande welke gebouwd wierden, in 't weder te rug koomen nader den een klijn praauw en roepende van verre dat het hoofd aldaar versogt dat ik met de Pantjallangs voor de mond van 't tin rivier mogte vertrekken daar op ik hem, antwoorde gelijk bij 't laaste van 't articul in de Instructie, een praeuw hebben „de een witte vlag vermeld staan, en zeiden hiem als haar radja, zijnde den zoon van gem: Langoelo welk thans op Slanganoor is, wat te verzoeken had, hij den morgen wet een praauw laatende van dezelve een witte vlag waaijn in 't tin rivier bij enij aan boord moeste koomen, den Den 30. Ianuari des morgens middelerwijl dat de schuliten van boord zijnde in de straat Calang ronde te doen, om te zien opvaartuigen na Malacca hier mo„ passeeren, door dien dezelve passeerende de pantjallangs niet wel door het bos koonde zien quam een scheppraauw van booven, en dagte te ontslippen vermielden hem en verstonden als dat hij willende naar de ladangs om padi te haalen, en bevonden in gem: praauw eenige bossen tin. De schuiten weer aan boord koomende, rapporteerde geen vaartuigen geziente hebben, wreesde dat het nog lang konde aanhouden, eer hier een vaartuig na en van Malacca passeerde, en 't zoude wel konnen gebeuren dat gemelde Radja Brima in die tussenteid hulp krijgende. Terwijl thans het heele tim rivier met deszelfs Negorij in de magt staat om het te kunnen vernielen. Vervolgens niet twiffelende als gem: radja mogte hulpkerijgen zijn eerste magt met kragt hier door noodzaakelijkheid van gem: rivier en Negorij tot behouding derzelve zal doen gelden; als door de Pantjaellangs niet alleen de buitenvaard maar ook de omleggende ladangs van deszelfs negorij zijn afgesneeden. Dieswegen zeer verlangend om spoedig ocagie te vinden van 't bovengem: aan de uwelEdele
English
277 All that has been reported happened in the presence of an inhabitant from the other side of the river and Negorij, to whom I demonstrated that they themselves, through their own conduct, were the cause of the destruction of their Negorij; therefore, by leaving his house, goods, and belongings unmolested, I made it evident to him that I had by no means come there for the destruction of their Negorij. I humbly beg Your Honor's pardon if I have erred in my conduct and for mistakes committed. Until today, pending Your Honor's highly respected orders of permission, I have not dared to undertake surveying the tin river further up than the former Negorij, and for that reason, upon its arrival here on the 14th, I had the galliot the Concordia depart directly for the Slangenoor roadstead in accordance with Your Honor's orders. In order to survey the tin river upriver as far as feasible, I request that Your Honor please honor me with orders regarding this matter, since it is impossible for me to be assured that this can take place without the slightest danger of being cut off. However, in the event of being driven back or besieged there, I could to some extent take care to prevent them from doing so, since in ascending upriver I would then have to act as an enemy in order to dislodge their ruses and strength by surprise, which would then bring about a free retreat without danger upon my return. Concerning the matter of being cut off from outside by Radja Brima: in compliance with the highly honored orders to close the tin river, I nevertheless had to position myself with the Pantjallangs in such a way that if he should receive significant assistance and wished to act hostilely here with the same—since I am deprived of the help of the ships or vessels lying at Slangenoor due to their distance—it is then the same whether I am upriver, here, or even in Strait Calang; and seeing no other prospect in that case than to offer them resistance with the force entrusted to me, with vigor and all feasible might, and I will always strive with all my best to observe all precautions, and I will seek to fulfill Your Honor's very highly honored orders to my utmost best. For this reason, I have not burdened myself with any prisoners of war or emptied vessels, and in the event of armed Burmese vessels passing by here, I will not fail to strictly observe and follow the order given to me for that purpose by Your Honor. At the same time, I have the honor to inform Your Honor that from the bark the Standvastigheid I have received one buffalo for refreshments for both Pantjallang crews and, according to Your Honor's orders, four half-leagers of drinking water. Otherwise nothing of importance occurred here, except that the mast of the Pantjallang Bliton broke off above the partners on the deck due to its bad state of rot; however, we have fitted the said mast with cheeks and timbers in such a manner that, as long as the Pantjallang remains here in the strait, it can still hold, though one could not properly cruise outside with it without putting oneself in danger; having provided for that purpose a spare jib-boom and an iron hawser for the cheeks and wooldings for the said mast, which I earnestly request of Your Honor, as it is needed, that it may be replaced from Malacca. For the rest, informing Your Honor that the lighter the Vos, after I had the honor to present my previous letter of 10 February to Your Honor, has been here three different times to fetch firewood and some casks of water for the ships at Slangenoor. On 20 February a baloor arrived here which wanted to enter the tin river, but catching sight of the pantjallangs, it turned back. On the 21st, a native sloop passed here coming from Pera, its intention or pass reading for Malacca. On the 23rd, a native bark passed here named De Tjem, commanded by Captain Narcisa Barette, coming from Tegu and intending to go to Malacca. On the 25th, the already mentioned English bark arrived here off the tin river, whereupon, at its arrival, I immediately sent my mate to
Dutch transcription
277 Dit alles gemeld is voorgevallen in presentie van een ingezeten van de overzijde der rivier en Negorij aan dewelke ik alles getoond heb dat zij lieden door haar bedrijf zelver oorsaak van de vernieling hunner Negorij geweest zijn, daarom ik hem blijke deede met 't ongemolesteerd te laaten van zijn huijs goederen en toebehooren dat ik geenzints tot vernieling van hun Negorij aldaar gekomen was. Versoeke zoo ik in mijn gedrag en over begaane fouten uwel Edele Gestr. ootmoedeg excuus. Tot heeden heb ik op uwelEd. Gestr: zeer gerespective orders van toesterming het niet durven ondergaen, om 't tin rivier verder als tot de geweezene Negorij op te neemen en daarom de galowet de Concordia bij zijn aankomst op den 14. e alhier, directna de reede Slangenoor volgens uwel Edele Gestr: ordres heb laaten vertrekken. Om het tin rivier zoo ver als doenlijk is na boven op te neemen, versoeke aan uwelEdele Gestr: om mij daar op met ordres gelieve te vereeren door dien ik onmogelijk verze„ „kerd kan zijn dat zulks zonder 't minste gevaar van ingeslooten te worden geschieden kan. Egter in 't gebeuren van te rug gedreven teworden of aldaar insluitinge zoude ik eenigzints kunnen zorgdraagen om 't zelve hun te beletten, vermits ik in 't opgaan na boven dan als vijand zoude moeten ageeren om hier door haar listen en sterkte bij verrassing te verwijderen, het geen dan zonder gevaar bij mijn terug komst een „ vrije retiraite zoude veroorsaaken. Aan belangendom van Radja Brima van buiten ingeslooten te worden, zoo heb ik egter tot nakoming der zeer geëerde orders van 't sluiten des tin rivier mij met de Tantjallangs daar na zodanig moeste posteeren dat als hij hulp van aanbelang mogt krijgen en met dezelve hier vijandelijk wilde ageeren door dien ik van d' hulp der scheepen of vaartuigen op Slangenoor leggende door deszelfs verheid ontbloot als dan het zelfde is of ik boven, hier of zelfs in straat Calang ben; en geen ander uitzigt weetende als in 't geval die aan mij toevertrouw„ „de magt met kragt en alle doenlijke vermooge tegenweer aan hun te bieden en altoos met al mijn best zal tragten om alle omzigtigheden in agt te neemen en UwelEd. Gestr: zeer hoog geëerde ordres met mijn uiterste best zal zoeken na Le te koomen. Deswegen heb ik mij met geen krijgogevangenen nog ontledigde vaartuigen belemmert em in 't gebeurde met het alhier passeeren van de gewapende barma„ „se vaartuigen, zal ik mij niet laaten manqueeren uwelEdele Gestr. daar toe aan mij gegeven order stiptelijk te observeeren en te volgen. Teffens heb ik de Eer Uwel Ed. Gestr. te berigten dat ik uit de bark de standvastigheid een buffel tot verversing voor beide Pantjallangs eq inpagie en volgens uweldele Gestr orders vier halve legers drinkwater ontvangen hebben. Anders hier niet van belangen voorgevallen als dat de Pantjallang Bliton zijn mast boven de visser op 't dek door deszelfs slegtheid van verrotting afge„ brooken is egter hebben de gem: mast met wangen en houtwerken zoodanig voorzien dat zoo lang de Pantjellang hier in de straat belang is nog kan houden, dog met dezelve zonder zig in gevaar te stellen niet buiten daar mede wel konde kruijsen hebbende daar toe een waarloos kluifhout en een ijzer tros tot de wangen en woelings voor gemd: mast, gegeven dewelk ik aan UwelEdele Gesr. zeer verzoeke door dien 't benodigd zijnde om van Malacca het te mogen wee„ „rom krijgen. Voor 't overige uwel Edele Gestrenge bekend maakende dat de ligter de vos na dat ik de Eer heb gehad uwel- Ed. Gestr. mijn voorige van den 10. feb=ri te offereeren, drie verscheide maalen om brandhout en eenig vaten water voor de schepen op Slangenoor te haalen hier geweestih Den 20. feb=ij quam alhier een balloor dewelke in 't tin Rivier willende dog de pantjallangs in 't gezigt krijgende wederom keerde. Den 21. Passeerde alhier een inlandsche sloep komende van Pera en de wil of deszelfs zas luidende na Malacca. Den 23. Passeerde alhier een Inlandse bark genaamd De tjem gecommandeerd door den Cap.n Narcisa Barette koomende van Tegu en willende naar Malacca Den 25 quam alhier voor 't tin rivier de daar van bereedsgemelde Engelsche bark, daar ik opstond bij zijn aankomst, mijn stuurman na
English
9 279 sent on board with orders as stated in the Instruction, but the Captain of the same remained in every respect unwilling according to the points to make himself known, and after having already protested in explicit terms against this, received nothing other than some abusive words with contempt from the said Captain, and it not being possible due to adverse current to approach the said bark with the Pantjallangs in order to make him repent for the refusal to make himself known, along with the shown contempt. Whereupon I informed the said Captain to depart immediately from the Strait of Calang, and regarding the refusal as contrary to all rights. In order that I would find myself compelled thereby to report such to Malacca to Your Right Honorable. Whereupon he answered, since there was currently peace between those two powers, that he had nothing to do with Malacca or otherwise with the Dutch Company, and after having understood from the same the closure of the tin river, he then with anger continued his course through the Strait of Calang by force of sail, however the vessel that made the rounds the following morning reported upon coming on board that the aforementioned bark was still lying in the Strait of Calang, whereupon I, sending a small prahu to keep an eye on the bark's activities there, yet when the Captain saw the small prahu approaching, he immediately set the lower sail to just outside the Strait of Calang and remained lying there for two days and two nights, and during that time, both inside and outside the Strait of Calang, continually by day flew the English flag, whether he saw vessels or not, and by night continually displayed a lantern from the main top, and upon these aforementioned signals the baloors from all corners and inlets came on board with him there, presuming that this aforementioned signal certainly must have originated from Slangenoor, which he obtained somewhere. On March 4, 2 balloors passed by here coming from Queda and wishing to go to Malacca. On the 8th of the same, a native sloop with 5 balloors passed by here, coming from Queda, having the intention to go to Malacca. On the On the 22nd of the same, with the arrival of the private bark here, I found myself honored with the receipt of Your Right Honorable's highly respected letter of the 17th of this month, and on the 23rd duly received the rations for both Pantjallangs according to the receipt; however, due to a lack of weights and measures we cannot know whether the received rations accord with the bill of lading. Today, with the departure of the said bark from here to Slangenoor, the lighter d' Vos arrived from there, having the intention to go to Malacca, and after the commander of the said lighter understood that rations for him were in the bark, he desired to receive the same here from the bark, but because the cutter's and lighter's rations were mixed together, and at the same time I, not wishing to detain the bark here any longer, then having asked the said commander, since Mr. Benjamin van der Spek of Slangenoor, at a time when the bark with rations was expected, now dispatched him to Malacca, whether something of great importance had occurred there, but having understood from the said commander that he knew of nothing extraordinary, whereupon I advised him, since he was so close to Slangenoor, to return from there again with the bark, and to receive the rations there, although he, necessarily knowing his orders and doing that which was best to do according to his orders; furthermore today passed by here a baloor in the Company's service coming from Malacca, having the intention to go to Queda, the aforementioned commander observing his orders, taking the liberty, because of not wishing to detain the lighter, to offer this to Your Right Honorable on the present occasion. For the rest, I recommend myself most humbly to Your Right Honorable's favorable protection and, with the due respect and all high esteem, call myself. Below stood Right Honorable Sir Lower Your Right Honorable's very humble Servant Signed I. H. Meijer, In the margin In the Company's Pantjallang the Philippine at Strait Calang the 23rd of March 1786. To 281 To the Right Honorable Sir, Governor and Director of the City and Fortress of Malacca, together with the Council, Pieter Gerardus de Bruijn, Right Honorable Sir and Honorable Sirs. In humble reply to Your Right Honorable and Honorable Sirs' highly honored letters of the 17th of this month, delivered to us on the 25th of the same by the private bark, Commander Carbos, together with everything sent, and the rations for the cutter the Ondernemer and the lighter de Vos, all received in good order. The First Signer requests Your Right Honorable and Honorable Sirs for a clerk, as the officer who writes the letters must also keep his watch day and night. On both ships there are twelve disabled men out of danger, and on the smaller vessels some who suffer from mild illness and sore legs, also out of danger, except the commander of the galley the Concordia, who suffers from dropsy. We also send from the ship Hoolwerf the quartermaster Pieter Schaars and the provost Jacob Kerseboom, and from the small ship de Hoop a Chinese, all of whom suffer from consumptive illnesses. We also send along the bills of lading, which due to haste were forgotten to be sent with the lighter de Vos. We shall observe Your Right Honorable and Honorable Sirs' highly honored orders in all respects, insofar as we are proficient in the Malay language. The First Signer also sends a list of needed medicines for his vessel and the small vessels, together with a report from both chief surgeons concerning the findings on the small vessels. The private bark has loaded sixty-two whole and fourteen half empty leagers, all fully hooped. Whereas
Dutch transcription
9 279 na boord heb gesonden met orders gelijk bij de Instructie vermeld staat, maar de Cap. derzelve in alles volgens de puncten, onwillig tot bekend stelling derzelven is gebleeven en na bereeds in uitdrukkelijke termen daar tegen geprotesteerd te hebben niets anders als eenige schimpwoorden met minagting van gemelde Cap. n bekoomen, en door tegenstroom niet mogelijk zijnde om de gem: bark met de Pantjallangs te kunne naderen om hem over de weigering van bekendstelling, met de betoonde minagting te doen berouw neemen. Waar op ik aan gem: Cap=t te kennen heb laaten geeven om direct uit de straat Calang te vertrekken en over de wijgering als strijdende tegen alle der regten. Om mij„ daar door genoodzaakt zoude vinden zulks na Malacca aan uwelEdele Gestr. te berigten, daar op hij antwoorde dewijl tans tussen die beide mogenheden vreede was niets met Malacca of anderzints met de Nederlandsche Comp. e van doen te hebben, en na dezelve 't sluiten van 't tin rivier verstaan hebbende, hij als toen met nijdigheid door kragt van zijlen zijn coers in straat Calang vervolgde, egter 't vaartuig dat ronde doende sanderendaags morgen met het aan boord koomen rapparteerden dat voorengem. bark nog in de straat Calang leggende, daar op ik een # praauwtje zendende om aldaar op de bark zijn doende te letten dog toen de Cap. n 't prauwtje ziende aankoomen hij direct het onderzeil leide tot even buijten de straat Calang en aldaar twee dagen en twee nagten is blijven leggen en gedur de „rende zoo wel in als buiten de straat Calang continueel bij dag de Engel, „sche vlag het zij vaartuigen hij ziende of niet liet waaijen en bij nagt geduuren„ de een lanthaarn van de groote top vertoonde en op deeze gem. seinen de baloors uit alle hoeken en spruiten bij hem aldaar aan boord quaamen, presumeerende dat dit gem. sein zekerlijk van slangenoor afkomstig moet geweest zijn dat hij ergens gekregen heeft. Den 4. Maart Passeerden hier 2 balloors komende van Queda en de wil na Malacca Den 8. d.o Passeerde alhier een inlandsche sloep met 5 balloors koomende van Queda de wil hebbende naar Malacca Den Den 22. d:o heb ik met de komst van de particuliere bark alhier met het ontvangen van uwelEdele Gestr. zeer gerespecteerde brief van den 17 dezer mij vereerd gevonden en heb op den 23. de randzoenen voor de beide Pantjallangs volgens recipisse behoorlijk ontvangen egter door gebrek van gewigten maaten wij niet kunnen weeten of de ontvangene randzoenen volgens Copnoscement acconden Op heden met het vertrek van Gem: berk van hier na Slangenoor qam de ligter d' Vos van derwaards en de wil hebbende naar Malacca en na den gelag„ hebber van gemd. ligter verstaan hebbende dat randsoenen voor hem in de bark waaren begeerde hij dezelve alhier uit de bark te ontvangen maar door dien de kotten en Ligter zijne randsoenen bij malkander was en teffens ik de bark hier niet langer willende ophouden als toen gem. gesaghebber gevraagd hebben, Benjamin „de dewijl d' Heer ^ van der spek van Slangenoor op een tijd dat de bark met randsoenen verwagt wordende hem nu na Malacca verzonden, of daar iets van groot belang was voorgevallen dog van gem. gesaghebber verstaen, hebbende van niets bijzonders te weeten waar op ik hem geraaden heb terwijl hij zoo digt bij slange„ „noor was met de bark van derwaards wederom te keeren, en aldaar de rantzoenen te ontvangen, egter wel moetende zijn orders weetende en doende 't geen wat volgens zijn orders best te doen stond, nog op heden Passeerden hier een baloor in Comp:. diendt komende van Malacca de wil hebbende naar queda, den gesaghebber voorn. zijn orders opsorveerende gebruikende de vrijheid door dien de ligter niet te willen op„ houden UwelEd. Gestr. deezes bij thans gelegenheid te offereeren: Voor voorige dier hebben mij zeer ootmoedig in uwel Edele Gestr: gunstige protexie te recommandeeren en mij met 't verschuldigst ontzag en alle hoogagting te noemen. /onderstond/ WelEdele Gestrenge Heer /lager:/ uwel Ed. Gestr. zeer onderdaanige Dienaar /(getekend/ I. H. Meijer, /in margine:/ in Comp s Pantjallang de Philippine aan Straat Calang den 23. Maart 1786. — Aan ren. 281 Aan den Wel-Edelen Gestrengen Heer Gouverneur en Directeur der Stad en Fortresse Malacca benevens den Raad. Pieter Gerardus de Bruijn, Wel Edele Gestrenge Heer en E. Heeren. In nederig antwoord op UwelEd. Gestr. en E E. zeer geëerde Letteren van den 17. dee„ „zer, ons op den 25 derzelver per de particuliere bark gesaghebber Carbos, benevens al het toegesondene, en de randsoenen voor de kotter de Ouderneemer, en ligter de vos, alles goed en wel ontvangen Den Eerste Tekenaar versoekt uwelEd. Gestr: en E. E. om een schrijver, alsoo den officier welke de brieven schrijft, daar bij zijn wagt dag en nagt moet waarneemen. op beide schepen zijn twaalf impotenten buiten gevaar, en op de minder vaartuigen eenige welke aan ligte ziekte en zeere beenen laboreren, mede buiten gevaar, except den gesaghebber van de Gallowe de Concordia welk aan de water sugt laboreerd. wij zenden mede van het schip Hool werf den quartiermeester Pieter Schaars en den Provoost Iacob kerseboom, en van Het scheepje de Hoop een chinees welk alle aan uitteerende ziekten Laboreeren. Wij zenden ook mede de Cognoscementen welk door haast met de Lig„ ter de vos vergeeten zijn mede te geeven. Wij zullen uwelEd. Gestr. en E. Heeren zeer geëerde orders voor zoo verre wij de maleitsche spraak kundig zijn in alles observeeren. Den Eerste zeke naar zend mede een Lijst van benoodigde medicamenten, voor deszelfs bodem en de klijne vaartuigen, benevens een berigd van beide oppermeesters wegens de bevinding op de klijne vaartuigen De Particuliere bark heeft geladen Twee en zestig heele, en veertien halve ledige leggers alle vol beslag. Alsoo
English
the arrival at Malacca to remain on board, and since he was acquainted everywhere with the creeks and the tin river, and because I had seen no bad signs from him and since he did not want to leave, he remained here, though I trusted him in no way whatever; nevertheless, the mentioned sergeant, disregarding this and contrary to all warnings, requested him and the mentioned slave into the small prahu and took them along. They not returning on board with the small prahu at the proper time, I feared that some accident or other had befallen them, and sending out armed vessels to search for them, which in a creek found the mentioned European soldier with four wounds (however of no danger) in the forest on the shore, who upon coming on board reported that the sergeant had gone ashore for a moment from the prahu there in the creek, and that the two had in that interim deliberated murder, of which he understood something; and because they had broken loose two pieces of wood and laid them ready, he had then gotten even more suspicions about those two, which occurrence he had made known to the sergeant immediately upon his arrival, but who had mocked it and, through the great trust that he had placed in those two, had not wanted to heed it. But when they returned with the small prahu towards the vessel, most unexpectedly, the two had thrown their fishing net over their heads and immediately the one, with a kris which he had kept hidden, had murdered the sergeant with five stabs before he could defend himself, and the other had taken one of the mentioned pieces of wood and struck him with it on the head; but he, being wary of this, defending himself immediately, had fled into the forest, after which the murderers, having first thrown the sergeant out of the prahu, had taken flight. Having understood all this, I had the body of the sergeant fished out and in the tin river had it buried ashore. The rest of the crew of both pantjallangs are still in good condition to this day, except that the pantjallang Bliton has two invalids. Furthermore, nothing remarkable has occurred here that I might have to report to your Honour in accordance with bounden duty, other than that on 8 April an English bark named Chiathen, commanded by Capt. Tipping, passed through the Strait of Calang, claiming to come from Bengal, in ballast, and intending to go to China. On the 15th ditto two baloors passed here, coming from Malacca and intending, with a Company letter, for the ship Iava at Queda. On the 15th ditto two baloors arrived here without a pass, and their mentioned nakhoda claiming to have departed from Queda and intending to go to Malacca. For the rest, taking the liberty very humbly to recommend myself to your Honour's favorable protection and to call myself with the most dutiful respect, (below stood) Right Honourable and Stern Sir, /lower/ your Honour's obedient and humble servant /signed/ I. H. Meijer, /in the margin/ on the Company's pantjallang the Philippine anchored in the tin river at the Strait of Calang, 25 April 1786. To the Right Honourable and Stern Sir Pieter Gerardus de Bruijn, Governor and Director of the City and Fortress of Malacca, together with the Council. Right Honourable and Stern Sir and Honourable Sirs! In humble reply to your Honour's and the Honourable Gentlemen's most honored letter of 24 April, it was delivered into our hands on the 30th by the bark the Standvastigheid, together with some leagers with drinking water, having sent along with the same to Sera de lesij casks and cooperage. That of the 5th was likewise delivered into our hands on the 13th following, together with the drinking water sent therewith and refreshments according to the annexed Malacca bill of lading, as well as the muskets and galley utensils, along with the soldiers with their weapons. The forwarded cash and cloths were properly distributed to the soldiers by the first signatory according to the forwarded note. The seized rice and paddy we send to your Honour and the Honourable Gentlemen according to the instructions by the private bark and a receipt signed by that captain, and also to report when the seizure took place: the first on 10 January, 3820 lb. of rice; the second on the 23rd, four hundred fifty lb.; the third on 6 April, two thousand eighty pounds of paddy, nine hundred thirty-eight lb. of rice, one hundred two lb. of pulut or katjang; and the fourth on the 17th: one thousand eight hundred ninety lb. of rice and seven hundred thirty-five lb. of paddy; so that together they add up to ten thousand fifteen pounds from four baloors, and we send your Honour and the Honourable Gentlemen ten thousand seven lb., so that the difference of eight pounds would have been wasted. On the 10th of this month two Selangor fugitives came on board to the first signatory in a small prahu and requested protection under the flag. We send the aforementioned fugitives along, and it was reported by them that Raja Brima is receiving supplies of provisions and other necessities from the Acehnese, and also that near the roadstead around the corner there is a blind creek or river where three vessels lie laden with rice, which they tow at night with small prahus along the shore inside Selangor; whereto I immediately dispatched the galivats and the cutter, and at sunset they came to anchor again at the outer roadstead. In the evening at the stroke of half past eight we had a heavy sumatra from the SW with rain and wind, so that the next day we could no longer see them. The afternoon following, an English sloop arrived near us, coming
Dutch transcription
289 de komst te malacca aan boord blijven, en dewijl hij overal in de spruitjes en tin rivier bekend was; zoo is dewijl ik geen quaade blijken van hem hadde en door dien hij niet weg wilde hier gebleeven, dog hem in geene deele ergens betrouwende, egter den gem. sergeant het nietagtende en tegen alle afradingen hem en gem. sleaf in 't praauwtje verzogte en meede heeft genoomen. zij niet weer op de behoorlijke tijd met 't praauwtje aan boord komende vreesde ik voor 't een of ander ongeval hun gepasseerd te zijn, en daar op gewapende vaartuigen om haar te zoeken uitzendende, dewelke in een spruitje den gem. Europeesche soldaat met vier kwetsuiren (eegter van geen gevaar/ in 't bosh aan de wal vonden welk aan boord komende rapporteerde dat den Sergeant, voor een moment uit de praauw aldaar in 't spruitje aan de wal was gegaan de twee zig als toen tot moorderijen in die tusschen tijd beraadslaagd hadden waar van hij iets verstaande, en door dien zij twee houtens hadden losgebrooken en klaar gelegd, hij doen nog meer vermoedens op die twee had gekregen, het welk gepasseerde hij direct bij de komst van den sergeant aan dezelve had te kenne gegeeven, dog die daar mede was spottende ge„ weesten door het goed vertrouwen die hij op die twee had gehad, zig daar niet aan heeft willen Htooren. Maar toen zij weder met 't praauwtje na boord waaren gekeerd op 't onverwagtste, die twee hun v visnet over t' hoofd hadden geworpen en ter„ „stond de eene met een crits dien hij verborgen had gehouden den sergeant daar mede met vijf steeken eer dezelve zig konde verweeren, had vermoord, en de andere een van de gem: houten genoomen en daar mede hem op het hoofd geslagen dog hij daar op verdagt zijnde, direct zig verweerende in 't bosch was gevlugt waar na de moordenaars eerst den sergeant uit de praeuw geworpen hadden de vlugt waaren gaan neemen. Na dit alles verstaande heb ik 't lighaam van den sergeant doen opvissen en in 't tin rivier aan aan de wal laaten begraaven. De overige Equipagie van de bijde Pantjallangs bevinde zig tot heden nog in een goede staat behalven de Pantjallang Bliton heeft twee inpotenten. Verders alhier niet merkwaardigst voorgevallen daar ik dezeer in zoude kunnen hebben UweEdele Gestr. volgens schuldige pligt te melden, als dat op den 8 Apri door de straat Calang gepasseert zijnde een Engelsche Bark genaamd Chiathen gecommandeerd Capt: Tipping voorgeevende koomende van Bengale en geballaa zijnde de wil hebbende na Chima. Den 15d o passeerde alhier twee baloors koomende van Malacca en de wil met e Comp. brief hebbende voor 't schip Iava op Queda. den 15. d o koomende alhier twee baloors zonder sas en deszelfs nagoda voorgem: de van queda vertrokken te zijn en de wil hebbende na Malacca Voor 'overige deer neemende mij zeer ootmoedig in Uwel Edele Gestr: gunstig protexie te recommandeeren en mij met het verschuldigste ontzag te noemen. (onder„ „stond) WelEdele Gestrenge Heer, /lager/ uwer welEdele Gestrenge gehoorsaame en onderdaanige Dienaar /getekend/ I. H. Meijer, /in margine/ en Comps: Bte „jalleng de Philippine geankerd in t tin rivier aan straat Calang den 25 Apri 1786. Aan den WelEdelen Gestrengen Heer Pieter Gerardus de Bruijn, Gouverneur en Directeur der Staden Fortresse Malacca, benevens den Raad Wel Edele Gestrenge Heer en E. Heeren! Jn nederig antwoord op UwelEd. Gestr en EE. zeer geëerde letteren van den 24. april is ons op den 30. ter hand gesteld per de bark: de Standvastigheid „beneven eenige leggers met drinkwater, hebbende bij hetzelve naar Sera de lesij vat werken 8 294 vaatwerken mede gegeven. De van den 5. is onsop den 13. daar aan ingelijker voegen ter hand geworden bene„ ven de daar bij gezondene drinkwaater en verversingen volgens bij geannex„ ceerde Malaccasche Cognoscement teffens de geweeren en combuis gereed„ schappen als mede de militairen met hunne wapens. De overgezondene contanten en kleedjes behoorlijk door den eerste tekenaar aan de mintairen uitgedeeld volgens de overgezonden Notitie. De aangehaalde rijsten padi zenden wij uwelEdele Gestr: en E. Heeren volgens aanschrijving met de particulire bark en een recipis door dien gesagvoerder getekend en teffens te be„ „rigten wenneer de aanhaaling geschied is, de Eerste op den 10 Ianuari 3820 lb. rijst, de tweede op den 23. vier honderd vijftig lb. de derde den 6 April twee dui„ zend tagentig ponden padi nagen honderdagten dertign lb. rijst, een honderd twee lb. poeloet of katjang en de vierde op den 17: Een duizend agthonderd negen „ tig ld. rijst en zeven honderd vijf en dertig ld pade zoo dat te zaamen vier addeeren tien duizend vijftien ponden uitd ^ alloors en zend uwelEd Gestr. en E. Heeren tien duizend zeven lb. zoo dat de minderheden van agt ponden ver„ „spild zoude hebben. Op den 10 dezer kwaamen twee slangenoorse vlugtelingen bij de eerste teke„ „naar met een praauwtje aan boord en verzogte bescherming onder de vlag wij zenden voormeld vlugtelingen mede en door deselve gerapporteerd als dat Radja Brima van de atchienars toevoer van levensmiddelen en andere benoodigtheden krijgen en teffens omtrend van de rheede om de hoek een slopje of rivier zijnde drie vaartuigen leggen met rijst geladen dat zij bij de nagt met kleijne prauw„ d „tjes langs de wal binnen slangenoor sleepen daar ik ten eersten de gallowets en de kotter na toe stuurde en met zons ondergang wederom op de buiten rhee ten anker quaamen 'savond de kloke half negen uuren kreegen wij een zwaare sumter uit Z. W. met reegen en wind, zoo dat wij sanderen daags dezelve niet meer konde zien's agtermiddags daar aan arriveerde bij ons een engelsch sloepje komende
English
coming from Madras with the intention of going to Malacca, and it was reported by him that they had seen the galliot and the cutter towards the morning with good weather off Perak, because of which the heavy sumatra had caused them to drag from their anchors, so that we presume they have sailed to Perak for water. The first signatory sends your Right Honorable and Honorable Sirs a foresail to salvage the djarang, as we found it not in a bag and loose on the vessel, and requests the same to be repaired by the sailmaker, and at the same time that the reply to the medicine sent by the chief surgeon be answered, and besides to your Right Honorable and Honorable Sirs humbly requests a messenger and a cable rope of 7 inches, which broke due to the heaving of the small bower anchor, according to the accompanying declaration, as well as the cable ropes that were issued to the bark Constantia by ordinance and are currently needed. Also sends a Chinese who, according to the mandador's report, is unable to be employed in the Company's service. The first signatory has three invalid sailors out of danger and also requests twenty-five pounds of soot. The second signatory has two invalid sailors out of danger and requests to have these goods repaired, six firelocks among which two with iron ramrods, two compass lamps, and three scrapers. We send your Right Honorable and Honorable Sirs with the aforesaid bark, 28 whole and 31 half leagers with their full ironwork. Further knowing nothing more worthy of the attention of your Right Honorable and Honorable Sirs, we take the liberty to sign with deep respect. (below stood) Right Honorable Sir and Honorable Sirs /lower/ your Right Honorable and Honorable Sirs' obedient servants, /signed/ B. v. der Spek, I. C. D. Hartig, A. W. Hars, and Ch. Iag. Brugman, /in margin/ on the Company's ship Hoolwerf the 17th of March 1786. that is to say in blockade before Salangoor. To To the Right Honorable Sir Pieter Gerardus de Bruijn Governor and Director of the City and Fortress of Malacca Right Honorable Sir I have found myself honored by your Right Honorable's highly respected letters of the 24th of April and the 6th of May, and upon the first with the greatest emotion regarding the accusation by the deceased of the ships lying before Salangoor that the vessels destined thither from Malacca were detained here in Calang with their unloading by me, taking the liberty with all respect to recount to your Right Honorable the arrival here together with the unloading of the vessels in question, in the hope that through this the contrary may be proven to your Right Honorable's wise judgment. As on the 5th of March in the morning the vessel making rounds in the Strait of Calang had caught sight of the bark Standvastigheid and had then steered towards it; and with the esteemed letter from your Right Honorable already, before the said bark had even come close here before the Tin River in the Strait of Calang, came back on board, whereupon after receiving that highly respected letter I immediately sent the pantjallang Bliton towards the Strait of Calang to meet the said bark and had four half leagers of drinking water received from it together with the buffalo without the bark having to anchor even once for that purpose. And on the 14th of March Commander Keer was sent by me to the Strait of Calang to the water wells there to see to repairing them somewhat, because although drinking water can always be obtained up in the Tin River near the former factory at spring tide, where also for the entire past time since I have been here all the water consumed for the crews of both pantjallangs was fetched, I nevertheless wanted to have the wells repaired in order to be able to get water there as well should the need arise in case of some accident; because those same wells (whether by orders or wantonness) after the lighter De Vos had fetched water from them on the 7th of February for the ships lying in the Salangoor roadstead, and after its departure were found by Commander Keer to have been ruined and filled in, and while the said Commander was there in the Strait of Calang he sighted the galliot Concordia and steered towards it, and having approached with the same to before the Tin River, immediately came on board with the highly esteemed letter from your Right Honorable, whereupon I at once sent my officer outside to the Commander of the galliot, stating that the same could depart immediately if he wished. And on the 21st of March I had gone cruising with my small vessel from the Tin River into the Strait of Calang to see if by chance any hostile balloors had gathered in the small creeks there to unexpectedly raid the pantjallangs in the Tin River at night. Then in the evening upon returning inside the said river, I noticed here the private bark of Radja Machomet Alie, laden with rations from Malacca, and because he had so much on board for both pantjallangs that it was absolutely impossible for me to take it all into my small vessel the next day on the 22nd if I wanted to keep the artillery unobstructed and not place myself in any danger regarding the spoilage thereof as it was heavy rainy weather; and on the 23rd early in the morning I had the pantjallang Bliton's rations unloaded from it with all the boats, and both after and during the unloading the Commander was not detained here in the least, for when I brought the bark inside into
Dutch transcription
komende van madras de wil hebbende na Malacca, en door hem geapporteerd is als dat zij de gallomet en de kotter tegen den morgenstond met goed weer gezien hadden bezijden Pera, waar door de zwaare sumater van hunne ankers gebreven zoude hebben, zoo dat wij ons presumeeren dat de zelve na Pera geloop„ zoude hebben om water. De Eerste tekenaar zend uwelEdele Gestr. en E. Heeren een fok tot het bergen van da tegrang zoo dat wij in gen zak bevonden hebben en los op het vaartuig te zijn, en versoek dezelve om door den zeijlemaaker gerepareert te worden, en teffens de ant„ woord van de gesonden bereijt, van den opperchiurgijn beantwoord word en benevens aan uwelEdele Gestr. en E heeren ootmoediglijk verzoek een Cabelaring en an bebeltouw man etf 7d„m, dewelke door het winden van de tuijanker is koomen te breeken, volgens de bij gaande verklaaring, als mede de Cabeltouwen die aan de bark de Constantia p.:s ordonnantie afgegeven en tans om verlegen den. zend mede een Chinees volgens rapport van den mandadoor niet in staat in comps. dienst te emploieeren. De Eerste tekenaar heeft drie impotenten buiken gevaar en teffens verboeke om vijf en twintig ld. roeth. De tweede tekenaar heeft twee impotenten buiten gevaar en versoek deze goederen te laten repareeren zes p. s snaphaanen waar onder twee met ijzere lade„ „stokken twee compas lampen en drie kratzers. zende wij UwelEd. Gestr. en E Heeren met de voorsz. bark, 28 heele en 31 halve leggers met hunne volle beslag. verders niets meer weetende dat de attentie van Mmelld Gestr: en E. E. waar„ „dig te zijn zoo gebruike de vrijheid ons met diep ontzag te tekenen. (onderstond) WelEd. Gestr. Heer en E. Heeren /lager/ uwelEd. Gestr. en E: E: gehoorsaame Dienaaren, /getekend/ B. v. der Spek, I. C. D. Hartig, A. W. Hars, en Ch. Iag. Brugman, /in margine/ in 'tcomps. schip Hoolwerf den 17 Mar 1786. seggende in Bloquade voor Slangenoor. . Aan 3 O 29 Aan den Wel Edelen Gestrengen Heer Pieter Gerardus de Bruijn Gouverneur en Directeur der Stad en Fortresse Malacca Wel Edele Gestrenge Heer Uwel Edele Gestr: Zeer gerespective Brieve van den 24 April en 6 Mai hebbe ik mij mede vereert gevonde en op de eerste met de grootste aandoeninge wegens de beschul„ „diging van de overleeden der voor Salangoor leggende scheepen dat door mij des van Malacca na derwaarts gedestineerd zijnde vaartuigen hier in Calang met de ont„ „lossing wassen Opgehouden, de vryheid met alle ontzag neemende, om de alhier komst met de ontlossinge nae van de vaartuigen daar over aan Uwel Edele Gestr: te herhaalen In hoope dat bij hetzelfe aan Uwel Edele Gestr: wijze oordeel het Contrarij mag blijken. Gelijk op den 5 Maart des morgens het vaartuig dat in de straat Calang Ronde doende de Barg de stand„ „vastigheid in het zigt hadt gekreegen en als toen na dezelffe gestevend zijnde; en met de van Uwel Edele Gestr: geeerde brieff bereeds eer gem: barg nog lang niet hier E hier voor 't Tin: Rivier in straat Calang was genaderd weer aan boord is gekoomen en waar op ik na 't ontfangen van des zeer gerespecteerde brief direct de pantjallang Bliton na de straat Calang bij gem: barg in gemoed het gezonden en vier halffe leggers drinkwater met den Buffel zonder dat den barg daarom eens hoefde te anke„ „ren, daar uit laaten ontfangen— En op den 14 Maart was den Gezaghebber keer door mij na de straat Calang bij de aldaar zijnde waater putten gezonden om dezelffen te zien wat te Repareere door dien wel booven in 't tin Rivier bij der geweesene Ae¬ „gorij met spring getij altijd drinkwaater te krijgen is o daar ook de geheele passeerde tijd sints ik hier zijn al het voor de byde pantjallang's Equipagie verbruik „te waater is gehaald dog de putten heb willen doen la ten Repareeren om bij een off ander toeval nood Zijnde ook daar water te kunnen krijgen; door dien dezelfsen putten (:'t zij door orders of baldadigheid (na de Ligter de Vos op den 7 febij: voor de ter reede Salangoor leggende Schepen daar uit waater had gehaald en na zijn vertrek daar op door de Gezaghebber Keer gerenueerd en gedempt wallen bevonden en toen den gemelden Gezaghebber daar in straat Calon zijnde heeft hij de Gallowet de Concordia in 't Zigt ge¬ „kreegen en daar na toe gestevend en met den zelffe tot voor het Tin rivier genaderd zijnde is daar op direct met den zeer g'eerden brief van UwelEdele Gest aan 29 aan boord gekomen en waar op ik als toen op stond mijn officier na buiten aan den Gezaghebber van den Gallomet„ heb gezonden dat dezelffe zoo hij willende direct konde Vertrekken En op den 21 Maart was ik met mijn onder„ hebbende bodemptje uit het Tin rivier in de straat Calang gaan kruisende om te zien of bij geval in de aldaar zynde Spruitjes sig eenige vyandelyke Balloors vereende om bij nagt de Pantjallang sin de Tin Rivier onverwagts te koomen overvallen Aviseerde als toen des avonds bij het weerom keeren na binnen van gem: Rivier; alhier de Particuliere Barg van Radja Machomet Alie, gelaaden met Randsoenen van Malacca en door dien hij voor de beide Pantjallangs zoo veel in hadden dat ik die volstrekt Onmoogelijk des anderen daags den 22. alle in mijn onderhebbende bodemptje konde neemen zoo in dien ik het geschut onbelemmert wel„ „de houden en voor deszelfs bederff dewijl 't zwaar regenagtig weer was mij in geen gevaar daar over te stelle en op den 23. des morgens vroeg heb ik met al de Schuiten de Pantjallang Bliton zijn rand zoe¬ „nen daar uit doen lossen en zoo wel na als bij de Ontlossing den Gezaghebber in 't alderminste hier niet opgehouden want als ik de Barg na binnen in
English
had made steer into the Tin River, then at least another twenty-four hours could have been lost by it, and if, upon the arrival of the pantjallang Bliton, after the current allowed it, I had made it come outside into Calang with all haste, then I would have had to leave the Tin River open for that reason, and thereby the highly respected orders mentioned in the Instruction would not have been complied with. Concerning which, since it was then becoming night and the aforementioned barque did not wish to delay here at all, I, upon its arrival, after understanding about the rations it had on board, immediately had my officer ask the Commander that evening whether he might see fit to steer directly on to Salangoor and discharge there first. Because, being fearful of an incident, whether by an undertaking by pirates or by the detention of vessels or otherwise, the blame for it might be laid upon me. And on the 3rd of April, when the lighter De Vos had approached in sight here from Malacca in the afternoon, I immediately sent my officer to it again, and he thereupon directly came on board with the honored letter from Your Right Honourable along with the Commander, as he had encountered an adverse current and thereby had not been able to advance any further with the lighter, and immediately, when by the slackening of the current it could be rowed up with the boat, I had him brought back with my officer to his vessel to receive the jib-boom and iron hawser on board for the pantjallang, which he had not been able to store or bring along previously when receiving the highly respected letter, since he had only been there with a small prahu. And when there alongside again with the boat, the iron hawser, as it lay loose under the water casks, could not yet be gotten so quickly, and consequently, because the current in the meantime had turned against him, he had to pass the night with the boat in the woods on account of this delay. And the next morning, the lighter still lying at anchor at the former place in Calang was seen by the vessel that was then doing rounds, although he indeed had a good opportunity and the current in his favor during the night. And on the 17th of April, the lighter De Vos having been sent here from Salangoor to fill its casks with drinking water, and at the same time, if the private barque from Malacca should already be here or arrive, to return thither with the same, because of which I could not send it up into the Tin River; and therefore I directed it to the Straits of Calang near the aforementioned water wells; yet being fearful of its further delay, I for that reason sent the Commander Keer thither as well, and when he was then in the Straits of Calang, he got sight of the private barque coming from Malacca, and upon its approach he fetched the highly respected letter from Your Right Honourable from on board it, whereupon, immediately after its receipt, I sent him back outside to the barque to receive from it four half-leagers of drinking water with the buffalo, and then let the aforementioned barque continue its voyage to Salangoor without any delay. If it might appear to Your Right Honourable's wise judgment that in the aforementioned any kind of negligence in detaining the vessels has taken place here, although unknowingly through ignorance on my part, I then very humbly request to be excused by Your Right Honourable for that. Further, I take the liberty to inform Your Right Honourable that on the 25th of April, after I had the honor to offer my last to Your Right Honourable, there passed by here a sloop named the Maria, commanded by Captain Argelander, coming from Malacca and intending to go to Barma, and a balloor coming from Queda and intending to go to Malacca, and the lighter De Vos coming here to fetch firewood for the ships lying at the Salangoor roads. On the 29th ditto, upon the passing here of the barque De Standvastigheid, I received from it the highly respected letter from Your Right Honourable without detaining the aforementioned barque in the least. On the 3rd of May, upon the approaching here of a Portuguese ship, I sent my officer with a small prahu to the same to request the report as is mentioned in the Instruction, and when they had then come close behind it, after having hailed the prahu from the ship—which they had also already answered as being from the Company's vessels here—a shot of hail-shot was immediately fired from it at them in the prahu, by which my officer and some of the crew were wounded, yet recovered again, and after they had then come on board again, I sent the pantjallang Bliton to the ship to investigate the incident, for what reason the captain, without already having fired a blank shot first, although he had heard that it was European and Company's personnel, had directly fired at them with live ammunition. Upon the return of the pantjallang Bliton, the Commander reported that the captain of the aforementioned ship had claimed that, before the prahu had approached the ship, he had already called out to it not to come closer, that he would anchor first, and that
Dutch transcription
in 't Tim Chivier had doen steevene dan konde daar door ten wynigste nog wel een Etmaal meer verloopen zijn en zoo ik de pantjallang Bliton bij deszelfs komst na de stroom het toegelaaten hadt met alle spoed bui „ten in Calang had doen koomen dan zoude ik ho tinrivier daarom moeten open gelaaten hebben en daar door de zeer g'eerde orders, bij de Instructie vermeld is dan niet nagekomen zijn waar over ik doordien het toen nagt wierdt en gem Barg teen hier niet willende ophouden op stond bij deszelfs komst na bereeds verstaaning van de inhebbende Randsoenen nog des avonds door mijn Officier aan den Ge„ „zaghebber heb doen vragen of hij niet goedt konde vinde om direckt na Salangoor voort te Sterene en aldaar eerst te ontlossen Dewijl ik toewal beweesd zijnde doet door Picants bij onderneeming het zij door ophouding van vaartuigen off anderzints de schuld daar van op mij verzonde mogte worden En den 3. April toen de ligter de vos 's agtermid„ „dags van Malacca hier in het zigt was genaderd heb ik opstond mijn Officier bij denzelven gezonden „weer en hij is daar op direct met den geeerden brieff van Uwel Edele Gestr beneffens den Gezaghebber terwijl hij Stroom teegen hadt gekreegen en daar door met de ligter niet verder heeft kunnen avanceeren aan boord gekoomen van Stroon en opstond toen het door vermindering met de Schud opgeroerd opgeroeid konde worden hem weer met mijn Officier na zijn vaartuig heb laaten brengen om het voor de pant„ „jallang inhebbende kluifhoud en ijzertros te ontfan„ „gen 't welke hij niet bevoorens met 't ontfangen van den zeer gerespective door dien hij toen maar met een prauwtje daar geweest zijn het heeft kunne ber„ „gen of mede brengen En als toen daar weer met de Schuit op zij zijnde de Ijzertros terwijl dezelfse onder de waater vaten los lag nog niet zoo spoedig heeft kunne krijgen en overzulkes deszelfs ophouding door dien de stroom in die tusschentijd teegen was gekoo„ „men, in het bosch met de Schuit heeft moeten vernag¬ „ten — En des anderen daags 's morgens is nog de ligter ten anker leggende op de voorige plaats in Calang door het vaartuig dat toen ronde doende, ge¬ „zien daar hij dog des nagts een goede gelegenheid en de Stroom meede gehad heeft En den 17 April zynde de ligter de Vos van Salangoor hier gezonden om zijn vaaten met drink¬ „waater te vullen en teffens zoo de Particuliere Barcq van Malacca mogte hier bereeds zijn off aan„ „koomen dan met dezelfse weerom na derwaarts te keeren waar door ik hem niet na booven in 't Tin vivier konde zende; en daarom in straat Calang bij de gem: water putten heb geweezen egter door deszelfs meer renueering bevreest zijnde zoo zonde ik desweegen desweegen den Gezaghebber Keer meede daar heene en als toen dezelve in straat Calang zijnde heeft hij de Parti „culiere Barcq van Malacca koomende in 't zigt gekree„ „gen en bij deszelfs naderinge heeft hij den zeer gerespectiv brieff van Uwel Edele Gestr daar van boord gehaald en waar op ik opstond na deszelfs ontvanginge hem weer na buiten bij de Barg heb gezonden om uit denzelve vier halffe leggers drinkwater met den buffel te ontvan„ „ge en als toen gem: barg zonder eenig ophouding heb laate zijn zijn rijs na Salangoor vervorderen zoo het mogte aan uwel Edele Gestr: wijze oor„ „deel gebleeken zijn dat in 't gemelde eenig sout van ver„ „zuim met de ophoudinge der vaartuigen Egter bui„ „ten weetens door onkunde van mij hier plaats gehad heeft verzoeke als dan zeer ootmoedig om van uwe„ Edele Gestr: daar over verExcuseert te mogen werden Verders neeme de vryheid Uwel Edele Gestr: te berigten dat op den 25 April na dat ik de Eer gehad heb„ „be mijn laaste aan UwelEdele Gestr te offereeren alhier Chialocp gepasseert is een ^ Cases genaamt de Maria gecomman„ deert door den Cap„tn. Argelander Koomende van Ma¬ ulacca de wil hebbende na Barma, en een Balloor koo„ „mende van queda en de wil hebbende na Malacca en de ligter de Vos koomende alhier om voor die ter reede Palangoor leggende Scheepen Brandhout te haalen Den 299 Den 29 d„o bij het alhier passeeren van de barcq de standvastigheid heb ik den zeer gerespective brief van UwelEdele Gestr: zonder gem: Barg in 't min„ „ste op te houden daar uit ontfangen genadert Den 3 Maij met het alhier ^ zijnde van een Portu„ „geesch Schip heb ik mijn Officier met een Praauwtje na hetzelfe gezonden om de opgaave gelijk in de Instructie vermeld is, te verzoeken en als toen zij digt agter hem gekoomen zynde, is uit het schip na aan het praauwtje toegeroepen te hebben, 't welk zij als van Comps. vaartuigen. hier zijnde ook be„ „reeds beantwoord hadde; opstond een schot met haa„ „gel op haar in 't praauwtje gedaan, waar door myn officier en eenige van 't volk geblesseert zijn gewor„ „den dogtans weder hersteld en na dat zij toen weer aan boord gekoomen zijn heb ik de pantjallang Bliton bij het schip gezonden om 't geval te onder„ „zoeken uit wat voor reede den Capt„n zonder niet „bereeds eerst een losse schot te doen daar hij tog gehoord hadde dat het Europeese en Comps. volk zijnde, di„ rect met scherp op hun hadt geschooten Bij de weeromkomst van de pantjallang Bliton rapporteerde den Gezaghebber dat de Capt„n van gem: schip hadt voorgegeven dat hij bereedseer de prauw het schip genaderd zijnde aan dezelve toegeroepen hadt om niet digter bij te koomen dat hij eerst zoude ankeren en dat