VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 8435

Japan · 1,202 pages · 327 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_8435_0828 view scan ↗

English

that they could then come on board with the prahu, but the hailing not yet being heard by any of the crew in the prahu by my officer, and approaching the ship, the said Captain then out of fear, as it was already growing dark, had fired with live ammunition at the prahu, the Captain being named I. Toach. de Bawos and the ship N. S. Lour mounted with 8 iron cannons of 3 lb., manned with 75 heads, coming from Bengal and intending to go to Malacca. On 12 May, with the passing here of the private bark of Radja Machomet Ali, I received the Sergeant who in place of the murdered Abjata Barnabas, along with the two Malay soldiers who were sent for those two whom I had spoken of to Joach Cardoza as having a suspicious eye on, and according to Your Right Honourable's very respected verbal orders given to Commander Cardoza, I received a buffalo with some vegetables for refreshments for the crew of both pencallangs from the said bark. Requesting at the same time very humbly to be excused by Your Right Honourable for the negligence regarding the bad suspicions I had of those two natives of whom I had spoken to Joachim Cardoza, for not having reported the same beforehand to Your Right Honourable according to my bounden duty, which freedom I did not dare to take then since I had no overt proof of evil from them and it was only presumed from their conduct; however, to prevent bad consequences, I had already then made arrangements for it, and since they are not both soldiers, but one being a sailor, and as I am here in the Strait of Calang in great need of all my sailors on board, hoping that I shall not thereby have transgressed against the very respected orders, I took the liberty to send, instead of the sailor, a native soldier named Waandang, and the other upon whom the bad suspicions rest, named Bachman, as well as, according to Your Right Honourable's previously very highly honored orders, the two disabled European sailors from the pencallang Bliton named Corneelis Blondeel and Philip Weling, along with the goods sealed in the chest of the murdered Sergeant Abjathar Barnabas, with the bark of Radja Machomet Ali to Malacca; of the rest of the crew of the pencallang Bliton, a European soldier named Jan Pieterman passed away on 6 May; further, the crews of both pencallangs are still in a good condition. At the same time, I have the honour to inform Your Right Honourable that on 12 May an English hooker passed here named the Dolphijn, commanded by Captain Johan Brima, who has written two letters to Malacca to the Governor and the Council, had said to one of his ministers that he dared write no more, and had therefore kept quiet because his letter was not answered, so if the Company wished to live in peace and friendship with him, he would doubly satisfy the Company and live in friendship. The bark the Standvastigheid arrived today, 11 June, from Pera at the roadstead of Slangenoor, having brought along 18 leagers of water, among which a large portion was half empty, along with the cutter the Onderneemer, and having understood thereby that the cutter had lost its mast and bowsprit, we find ourselves very reluctantly forced to send up the cutter the Onderneemer, the same having sustained a heavy leak upon the loss of its rigging, which we are not in a position to repair here, and can be done quickly at Malacca and we expect it back here at once; the galivat the Concordia does not have a single good grapnel of its two by which it can lie when the wind blows or it drifts away, the second draftsman has lent him one of his for the time being, the two ropes, each 70 fathoms long, are half worn out, no buoy-rope and cat-rope remaining, the running rigging bad, and everything in order; the master of the said vessel, who is ill, and one disabled, out of danger. The lighter the Vos has two good grapnels and still one and two-thirds rope in good condition, the topsail and foresail are very poorly conditioned, have no disabled, and all is well. Herewith Your Right Honourable and Honourable Sirs are informed of the deceased persons of the galivat the Concordia, namely Galand from Samarang, Sidin from Samarang, and Gijdin from Samarang, at the same time the declaration attached hereto, and they have left nothing behind. The First Draftsman requests Your Right Honourable and Honourable Sirs for rations, as the time would be up on 6 July next, as well as writing paper and ditto pens, a barrel of tar, six tar brushes, 50 cans of linseed oil, eighty pounds of paints in assorted kinds, six paint brushes, twelve small kegs of blacking, twelve iron hooks and thimbles of assorted kinds, two dozen blocks, twelve single-sheave and twelve double-sheave, and at the same time humbly requests Your Right Honourable and Honourable Sirs that the officers under me may take turns coming on a short trip to Malacca; and I also send two disabled, namely a military man with their gun and weapon, suffering from scabies and sores, and a Portuguese seaman Augustinus Pedro with scurvy, having seven disabled, out of danger. The second draftsman very humbly requests permission to come up in person at the first opportunity; at the same time I request for ship's use

Dutch transcription

dat zij dan met de prauw konde aan boord koomen dog het ree„ „re door mijn officier nog geen een van 't volk in't prauwtje gehoord Zijnde en 't Schip naderende gem. Captn als toen uit vrees dewijl het bereeds donker wierd met scherp op 't prauwtje hadt geschooten zynde den Capt gent: I: Toach: de Bawos en 't schip N. S. Lour gemonteerd met 8. ps. ijzere Canons â 3 lb. bemand met 75. koppen koomende van Bengale en de wil hebbende na Ma„ „lacca Den 12. Mai Met het alhier passeeren der parti„ „culiere Barq: van Radja Machomet Ali heb ik den Steede Chergeant, die in ^ van den vermoorde Abjata Bar„ „nabas beneevens de Twee Maleitsche Soldaaten die gezonden zijn voor die twee daar ik teegen Joach Car¬ „doza als een kwaad oog op te hebben van gesproken had bekoome en volgens Uwel Edele Gestr: zeer gerespee„ „tive aan den Gezaghebber Cardoza gegevene Mondlyke orders, zoo heb ik een Buffel met eenige groentens tot vervarsing voor de bide pantjallangs- Equipagie; uit gem: Barg ontvangen Verzoekende Teffens zeer ootmoediglyk om van Uwel Edele Gestr verexcuseert te moogen worden over de nalatenheid weegens de quade vermoedens die ik op die twee Inlanders daar ik teegen Taachim Cardoza van het gesprooken hadde om hetzelve niet bevooren aan Uwel Edele Gestr: volgens mijn Schuldige plij te hebben berigt 't welk ik de vryjheid toen niet heb durven 394 durven neemen dewijl ik geen opentlijke quade bewij„ zinge van hun hadde en het op hun gedrag maar ge¬ „presumeerd zynde, egter heb ik tot voorkooming van quaade gevolge daar bereeds altoen schikking voorge„ „maakt en dewijl alle byde geen soldaaten benne maar de eene en Matroos zijnde en door dien ik hier in straat Calang al mijn Matroozen aan boord hoog benoodigd ben zoo heb ik in hoope dat ik teegen de zeer gerespective orders daar door niet misdaan te zullen hebben de vrijheid gebruikt om in steede van den Matroos een inlandsche soldaat met naame waandang en de andere daar 't quaade vermoedens op zynde met naame Bachman als mede volgens Uwel Edele Gestr: bevoorens zeer hoog geeerde Orders de twee Jnpotente Europeese Matroozen van de pantjallang Bliton genaamt Corneelis Blondeel en Philip. We¬ „ling benevens het in de kist verzegeld zijnde goed van den vermoorde Sergeant Abjathar Barnabas met de Barg van Radja Machomet Ali na Malac¬ „ca mede gezonden van de overige der pantjallang Bliton zijn Equipagie is op den 6. Mai overleeden een Europeese soldaat genaamt Jan Pieterman verders bevin„ „den zig de beide pantjallangs Equipagie nog in een goede Staat Teffens heb ik de Eer Uwel Edele Gestr te berigten dat op den 12. Maij alhier gepasseert is een Engelsche Hoekertje genaamt de Dolphijn Commdt door den Capn Johan Brima naar Malacca aan den Heer Gouverneur benevens den Raad twee brieven geschreven heeftaan een van zijn Minister gezegt hadde dat hij niet meer durfde schryven derhalven in stil gehouden om dat zijn brief niet, beantwoord is, zoo bij aldien de Comp„e met hem in vrede en vrindschap woude leeven dat hij dubbel¬ „voudig met de Comp„e te bevredigen en in Vrindscha zoude leeven, De bark de standvastigheid is op heden den 11. Juni Van Pera op de rheede van Slangenoon gearriveerd mede gebragt 18. leggers Waater daar onder een groote gedeelte half leeg waaren, benevens de kotter de Onderneemer en daar bij verstaan hebben als dat de kotter zijn mast en boekspriet verlooren hadde wij vinden ons zeer ongaarne genoodzaakt de kotter de onderneemer op te zenden, hebbende dezelv bij 't verlies van zijn thung eene zwaare lekkagie be„ „koomen welk wij niet hier in staat zijn om te her„ „stellen en op Malacca spoedig kan geschieden en ten eersten hier weer Verwagten de Gallowet de Con„ „cordia heeft geen een goede dreg van zijn twee, daar hij voor leggen kan als het waijt of hij drijft weg de tweede teekenaar heeft hem zoo langeen van zijne geleend de twee touwen ijder lang 70. V„m zijn half slee„ „ten geen boeij-reep en kip-touw meer restand het loo„ pende thuig slegt en alles in order de Gezagvoerder van gem: bodem die ziek is en een inpotent buiten gevaarlijk 303 gevaarlijk de ligter de Vos heeft twee goede dreggen en nog En en twee derde touw in goede staat 't op- zijl en fok zeer slegt gesteld is geen inpotenten heb„ „ben en alles wel hier nevens meld Uwel Ed. Gestr: en E Heeren de Overledene persoonen van de Gal„ „lowet de Concordia als Galand, van Samarang Sidin van Samarang en Gijdin van Samarang teffens de Verklaaring hier bij gevoegd en niets heb„ „ben Nagelaaten. Den Eersten Tekenaar Verzoekt Uwel Ed. Gestr: en E Heeren om Randsoenen alzoo den tijd den 6 Iuli aanstaande Effen zoude weezen als mede Schrijf-papier en dito pennen een vat theer zes theer„ quasten 50 kan Lijn - Olij tagtig ponden verwen in zt. zees ps verfquasten twaalf tonnetjes Zwartzel twaalf ps. ijzere haaken en kousen in zoort twee dozijnen blokken twaalf p. s. van een schijf en twaalf twee„ Schijfden en teffens aan Uwel Ed. Gestr: en E Heeren nedrig verzoeken om de onder mijn hebbende officie„ „ren bij beurten op een spring togtje naar Malacca te koomen en Zend meede twee inpotenten als een Militair met hunne geweer en Wapen baboveerd aan Scabues ad Senera en Een Portugeese Zeevaarende Augustinus Pedro aan Seorbuken hebben zeven inpotenten buiten gevaarlijk, Den tweeden teekenaar verzoekt zeer ne„ drig om voor zijn Persoon te moogen opkoomen bij eerste gelegendheid verzoeke teffens tot scheepsge„ „bruik

NL-HaNA_1.04.02_8435_0832 view scan ↗

English

use half a hide of pump leather, four pounds of pump nails and flatheads, a barrel of tar, half a barrel of pitch, together with half a bundle of match, and send for repair a cook's kettle from the Chinese, and report that the cushion of the bedding has been gnawed through by white ants, therefore requesting a carpenter for the squadron, the same also having two non-critically ill men and also requesting rations, his time being up on 11 July. We send to your Right Honorable Sirs 7 Malays from the balor that was overpowered by Lieutenant Rheedeker and perished due to the severe Sumatra. We resolved to send the Nakhoda with 6 of his followers to your Right Honorable and Honorable Sirs, together with a list of their lost property, so that your Right Honorable and Honorable Sirs may judge therefrom. The first signatory, on his word of honor, testified to your Right Honorable and Honorable Sirs that he gave orders not to proceed so far with the voyage, but merely around the bend, as the two dispatched refugees had indicated that vessels laden with rice were there, and that they had to ensure they returned by sunset to the same place where they had been lying, as has happened many times. The chief surgeon of the first signatory requests medicines from your Right Honorable and Honorable Sirs according to the accompanying list, sending 23 whole and 9 half leaguers with their full hoopings. Knowing nothing further that is worthy of the attention of your Right Honorable and Honorable Sirs, we take the liberty to sign with deep respect, beneath which stood: Right Honorable Sirs, your Right Honorable and Honorable Sirs' obedient servants, signed: B. V. D. Spek, I: E: D. Hartigen, Ch Iag Brugman. In the margin: In the Company's ship Hoolwerff, 12 June anno 1786, lying in the blockade in the Salangoor roads. To the Right Honorable Sir, Pieter Gerardus de Bruijn, Governor and Director of the city and fortress of Malacca. Right Honorable Sir, Your Right Honorable's highly respected letters of 10 June were delivered to me on the following 12th upon the passing of the private bark here, along with the arrival of the pantchiallang Banca, which was sent instead of the pantchiallang Bliton when the latter was summoned to Salangoor. And upon the word of Master Cardoza, according to your Right Honorable's highly esteemed verbal orders given to him, we took the liberty of taking over and receiving from the bark a buffalo as refreshment for the crew of the pantchiallans stationed here. At the same time, I have the honor to inform your Right Honorable that on 25 May there passed here an English frigate named the Enterprize, commanded by Captain John Elmoze, mounted with 16 cannons of 12 to 9 lb, manned by 125 heads, coming from Bengal and intending to sail via Malacca to China, and On 26 May a Portuguese gurab named Sr. Rosello, commanded by Captain Josepho Mechiel, coming from Bengal and intending to sail to Malacca, mounted with 8 cannons of 8 lb, manned by 120 heads. On 1 June a balor passed, coming from Pera, its pass stating it was bound for Siack. On the 10th ditto a balor passed, coming from Atchin and intending to go to Malacca. Furthermore, I kindly request your Right Honorable to favor me, when opportunity arises, with an anchor and cable, as I am in great need of them, because owing to their poor quality I have already lost an anchor in a strong Sumatra and now have no more than three-quarters of a cable upon which the Honorable Company's small keel can be trusted. For the rest, the pantchiallang's crew is still in good condition. Taking the further liberty of recommending myself highly to your Right Honorable's favorable protection, and naming myself in all submissiveness, beneath which stood: Right Honorable Sir; lower: your Right Honorable's submissive and obedient servant, signed: I. H. Meijer. In the margin: In the Company's pantchiallang the Philippina, anchored at the mouth of the Tin River at the Strait of Calang, 14 June 1786. To the Right Honorable Sir, Pieter Gerardus de Bruijn, Governor and Director of this city and fortress of Malacca, as well as the Council. Right Honorable Sir, In humble reply to your Right Honorable and Honorable Sirs' highly revered letters of the 10th, they were safely delivered to us on the 14th of this month by the private bark of the Old King of Siak, Radja Mahomet Alie, along with the refreshments sent therewith, drinking water according to the accompanying Malacca bill of lading, and the cash proceeds from the sale of the seized rice. We have distributed it all among the men of the ships and smaller vessels. On Tuesday the 13th of this month, around one o'clock at night, strong smoke was discovered coming out of one of the ports on the starboard side between decks near the gangway. With the first signatory, the sill broke out of the port and it was found that the ceiling underneath was on fire, which was extinguished immediately and, through God's goodness, saved again. The first signatory has six non-critically ill men, sending two Chinese and one Portuguese sailor. The second signatory has received all the goods sent up recently for repairs; they also have two non-critically ill men. Honorable Sirs, While And

Dutch transcription

bruik Een halfe huid pomp leer, vier ponden p omtspijkers en platkoppen een vat theer een half vat pik benevens een halff kip lond en zenden tot reparatie een kokskeetel van de Chineese en melden dat des kussen van de bedink door de witte mieren doorknaagt is dierhalven verzoeken e Timmerman voor 't Esquader dezelve heeft mede tm inpotenten buiten gevaarlijk en verzoekt ook om ra „soenen zijnde zijn tijd uit den 11 Iuli, wij zenden uw Ed. Gestr en Heeren 7 Malijers van de balloor die door den Luitenant Rheedeker overmeesterd is en door de Zwaare Zumater vergaan is, wij resolveerde dien de Nachoda met 6. van zijn gevolk aan Uwel Edele Gestr: en E: Heeren over te Zenden benevens een lijst van hun weggeraakte goederen zoo als Uwel Ed Gestr: en E. Heeren gelieven daar uit oordeelen de Eerste tekenaar met het woord van Eer Uwel Ed. Gestr. en E Heeren betuigde als dat hij order heeft gegeven om de rijze niet zoo ver te vervordere maar wel om de hoek gelijk de twee opgezondene vlugtelinge bdagen beduid hadden als dat daar vaartuigen met rijst gelaaden en dat zij moeste maaken met zons on„ „dergang weeder op dezelve plaats te koomen daar zij geleegen hebben gelijk menigmaals geschied is De Opperchirurgijn van den Eerste teekenaar ver„ „zoekt Uwel Ed Gestr en E Heeren om medica¬ „menten 30 „menten volgens volgens nevens gaande lijst, zen„ „den 23 heele en 9 halve Leggers met hunne volle beslag Voorders niet meer weetende dat de atten„ „tie van uwel Edele Gestr: en E Heeren waardig is zoo gebruike de Vrijheid ons met diep ontzag te tekenen /:onderstond:/ Wel Edele Gestrengen en E Heeren Uwel Edele Gestr: en E: Heeren Gehoorzaame Dienaaren /:getekend:/ B. V. D. Spek I: E: D. Hartigen Ch Iag Brugman, /in margine:/ In 't Comps. Schip Hoolwerff den 12. Juni A„o. 1786 leggende in de Bloccado ter Rheede Slangenoor Aan den Wel Edele Gestrenge Heer Pieter Gerardus de Bruij¬ Gouverneur en Directeur der Stad en Fortresse Malacca Wel Edele Gestrenge Heer Uwel Edele Gestr Zeer gerespective Brieffens van den 10. Juni heb ik met het alhier passeeren der Par„ „ticuliere Barcq beneffens met de Comst van de Pant„ Tallang Banca die in steede voor de pantjallang Bliton als dezelffe na Salangoor op ontboden word gezonden gezonden is, mij op den 12 daar volgende meede m „eerd gevonden En hebben op het zeggen van den Gezaghet¬ „ber Cardoza volgens uwel Edele Gestr: zeer geeerd aan dezelve gegeven mondelyke orders; de Vrijhe# gebruikt uit de barcq een Buffel tot Vervarsing von de alhier zijnde Pantjallangs Equipagie Overge„ „noomen en Ontfangen Teffens heb ik de Eer UwelEdele Gestr te be„ rigten als dat op den 25 Mai alhier gepasseert zijnde een Engelsch fregat genaamt te Enterprize gecomman„ „deerd door de Cap„tn John Elmoze gemonteerd met 16 Canon van 12. â 9 lb bemand met 125 Coppen Koo„ „mende van Bengaale en de wil hebbende over Chin Malacca na China, en Den 26 Mai een Portugeesche goerak genaamt Sr. Rosello Gecommandeert door de Captn. Josepho Mechiel koomende van Bengaale de wil hebben„ „de na Malacca Gemonteerd met 8. Canon a 8. lb bemand met 120 Coppen Den 1 Juni Passeerde een balloor koomende van Pera en zijn pas Luidende na Siack Den 10 dito passeerde een Balloor koomende van Atchin en de wil hebbende naar Malacca Verders verzoeke zeer UwelEdele Gestr: om 309 om bij gelegenheid met een Anker en touw dewijl ik het hoog benoodigd zijnde begunstigd te mogen worden. door dien ik wegens deszelfs slegtheid; bereeds met een Sterke Sumatra; een Anker verlooren heb en thans niet meer als drie quart touw hebbende daar 'S. E. Comps Kieltje op vertrouwd kunnende worden Voor het overige bevinden zig de Pantjal„ e „langs Equipagie nog in een goede staat Neemende verders de Vrijheid om mij zeer in UwelEdele gestr: goedgunstige Protextie te Recommandeeren en met alle onderdaanigheid mij te Noemen (:onderstond:/ Wel Edele Gestrenge Heer, /:lager:/ Uwel Edele Gestr: Onderdaanige en Gehoorzaame Dienaar /getekend, I. H. Meijer /:in margine:/ In 's Comps pantjallang de Philippina Geankerd in de mond van 't tin Rivier aan Straat Calang den 14 Juni 1786. Aan den Wel Edele Gestrenge Heer Pieter Gerardus de Bruij„ Gouverneur en Directeur dezer Stad en Fortresse Malacca, benevens Den Raad Wel Wel Edele Gestrenge Heer In nedrig antwoord op uwel Edele Gestr: en E: Heeren zeer gevenereerde letteren van den 10=de is ons op den 14 deze p„r de particuliere bark van den Ouden Koning van Sia„ Radja Mahomet Alie wel geworden benevens de daar bij gezonden vervarsingen Drinkwater volgens nevensgaan Malaccasche Cognossement, en, de contanten van de verkogte der aangehaalde rijst Wij hebben het alle ond het volk van de Schepen en mindere Vaartuigen uitgeda O. p. Dingsdag den 13 deezer 's nagts omtrent een ondekt een sterke rook uit een der poorte tusschen dekse stuurboord zij, bij de valreep te koomen bij de eerste „kenaar braakte de drumpel uit de poort en bevond de binne wygering daar onder in de brand te zijn de wierd ten eersten geblust en door Gods goedheid wed gered De Eerste teekenaar heeft zes inpotenten buite gevaarbijk zende twee Chineesen en een Portug Zeevaaren De tweede teekenaar heeft alles ontvangen de Goederen die laastleden opgezonden is tot respar „tien ook hebben twee inpotenten buiten gevaarbij E. Heeren Terwijl En

NL-HaNA_1.04.02_8435_0837 view scan ↗

English

344 Since a small anchor was sent to the gallivat by the barque, the same has received back its borrowed grapnel; for the rest, all is well. Honorable Gentlemen, We send to your Honorable Sirs the soldier Comi and the deposition, since he has confessed to having walked between decks with fire, whereby we presume that the fire was caused there. On Friday the 16th of this month we captured a balang intending to sail inside Slangenoor, and found therein one thousand eight hundred pounds of rice and fourteen Spanish reals in cash, but the crew fled to land. We send to your Honorable Sirs via the private barque eleven whole and nineteen half leagers with their full iron hoops. Knowing of nothing else worthy of the attention of your Honorable Sirs, we take the liberty to subscribe ourselves with deep respect. Below stood: Honorable Sirs. Lower: Your Honorable Sirs' obedient servants. Signed: B. V. D. Spek, I. C. D. Hartig, and A. W. Hassch, Iacq Brugman. In the margin: In the Honorable Company's ship Hoolwerf, lying in blockade at the roadstead of Slangenoor, the 17th of June, anno 1786. Below that: Just at the closing of this letter, during a northwest squall, the gallivat Concordia dragged over its two grapnels and the small anchor sent to it, the latter sent anchor being too light; therefore, in addition to the above-mentioned grapnel, we have given the small vessel de Hoop another, and it is above all necessary to have a cable of 8 to 9 inches with a grapnel of a size of [illegible] pounds. van Saats. Agreed. the Concordia dragged over its two grapnels and the small anchor sent to it, the latter sent anchor being too light; therefore, in addition to the above-mentioned grapnel, we have given the small vessel de Hoop another, and it is above all necessary to have a cable of 8 to 9 inches with a grapnel of a size of [illegible] pounds. van Saak, Honorable East India Company Clerk. Agreed. Letters dispatched to the commanding officers of the ships stationed in the blockade off Slangenoor, together with further papers concerning the expedition to Slangenoor in 1785/6, there also being sewn in a report with an official statement concerning the investigation conducted by the Fiscal of this Government into what occurred before and during the attack by Radja Brima, as well as the reasons and motives for the subsequent abandonment of the said place by the Company's garrison in 1785. No. 15 313 To the Military Captain Gerardus Swijkhardt and Lieutenant August Gravensteijn, Commander of the Company's Garrison in Slangenoor. Honorable, Discreet Sirs, Since by the letter of Commander Gravensteijn and Second in Command Kreefft dated 19 June last we were informed that nothing more was heard of the ousted King Radja Brima, that the people of Slangenoor willingly assisted the Company's garrison in the work of preparing everything for defense, and that the Panghulus of Calang and Loekoet had promised that as soon as the Regent of Slangenoor (Abdul Rachman) had departed and that kingdom were placed under the rule of the Company, tin would be brought in abundance; it has therefore greatly surprised us to learn from your further letter received yesterday toward evening, dated 28 June, that you were attacked the previous night, presumably by the people of Slangenoor joined with the followers of Radja Brima. However, we cannot fail to express our particular satisfaction with the courageous resistance you offered the enemy, as it resulted in him being forced toward morning to take flight, leaving behind many dead and wounded as well as some prisoners. Unaware of the enemy's strength and situation, we have, upon your request for speedy assistance with troops and ammunition, not only resolved to send you seventy-five soldiers, with the ball cartridges and bullets specifically requested by you, together with such other goods as we presumed would be necessary there since we were not informed of what you lacked, but have also requested the Honorable Sir Albert Spengler, Sea Captain commanding in chief the State's frigates of war de Alarm and Monnickendam, to be pleased to depart thither with the first-mentioned frigate; which his Honor has also gladly undertaken, in order to convey part of the said troops and goods, to convoy the lighters de Vos and de Haas, and to give you such orders for the preservation and security of the Company's conquest as his Honor shall deem fit, to which you must most obediently and promptly conform. Upon the arrival of his Honor at the roadstead of Slangenoor, you must salute his Honor from Fort Altingsburg with thirteen cannon shots, and Captain Swijkhardt or Lieutenant Gravensteijn must repair on board that vessel to give a report on the state of affairs there; likewise, should his Honor come ashore, the garrison must present arms to his Honor, with the march being beaten and the spontoons saluting, while firing another thirteen cannon shots; just as must also take place upon his Honor's departure from there. Meanwhile, we order you to retain there, from the aforementioned personnel, the Sepoys and Malay soldiers, as well as the drummer whom Lieutenant Gravensteijn recently requested, but on the other hand to send back all the others as soon as the enemy shall have been driven from the environs of Slangenoor or circumstances permit, and also to send us the captured persons after having examined and interrogated them on everything that may serve for your information. Likewise

Dutch transcription

344 Terwijl de Gallowet Een Ankertje per de Barcq is toege„ „zonden zoo heeft denzelven zijn geleende scheepsdregwe„ derom gekregen overigens alles wel. en E Heeren Wij zenden Uwel Edele Gestr de Soldaat Comi en de verklaaring terwijl hij bekend heeft met Vuur tussen deks geloopen hadden waar door wij presumeer¬ „den dat daar de brand veroorzaak is. Op vrydag den 16 deezer hebben wij een balloon genoomen de wil hebbende binnen Slangenoor te zijlen en daar in bevonden een duizend Agt honderd ponden rijst en veertien Sp: reaalen aan Contanten dog het volk na land gevlugt Zende wij Uwel Edele Gestr en E Heeren pr de particuliere barg Elf heele en negentien halve leg„ „gers met hunne volle beslag Voor het overige niets meer weetende attentie van UwelEdele Gestr: en E Heeren waardig te Zijn zoo gebruike wij de Vryjheid ons met diep ontzag te tekenen /onderstond:/ Wel Edele Gestrenge en E Heren /lager:/ UwelEdele Gestr en E. Heeren Gehoorzaame Dienaaren /:getekend:/ B. V. D. Spek, I. C. D: Hartig, en A. W: Hass ch Iacq Brugman /:in margine:/ In 't Ed Comps schip Hoolwerf Leggende in Bloccade ter reede Slangenoor den 17. Iuni A„o 1786. /:daar onder:/ Reigt het sluiten deezes met een N. W: Buij is de Gallo„ „wet C. Gi blick „wet de Concordia voor zijn twee dreggen en het toegezon ankertje door gedreeven, zijnde het laast toegezondens te ligt hebben dierhalven boven gemelde Scheeps.dreg het scheepje de Hoop weerom gegeven en dient vooral een Cabeltouw van 8 â 9 d„m. met een dreg van een groote aa lb te hebben. an Saats Agcordeert „wet de Concordia voor zijn twee dreggen en het toegezon ankertje door gedreeven, zijnde het laast toegezondens, te ligt hebben dierhalven boven gemelde Scheeps.dreg het scheepje de Hoop weerom gegeven en dient vooral een Cabeltouw van 8 â 9 d„m. met een dreg van een groote al lb te hebben. van Saak E E. G. Klerk Afcordeert Brieven Jgegaane aan de Overheden der voor Slangenoor in bloquade gelegen hebbende Schepen, mitsgaders verdere Papieren concerneerende de Expeditie naar Slangenoor in 178 5/6, zijnde daar voor ook ingenaaid een Berigt met een Verbaal no„ „pens het door den Fiscaal deezes Gouvernements gedaan onderzoek naar het voorgevallen vooren geduurende de attague door Rad¬ „ja Brina mitsgaders der reden en motiven van de daar op gevolg„ „de verlaating van de gemel¬ „de plaats door Comps„ Bezetting in 1785. No. 15 313 Aan den Capitein Militair Gerardus Swijkhardt Den Eerzaame, Discreete Bij den brief van den Commandant Gravensteijn en Secunde ƒ Kreefft sub dato 19. Iuni laastleden ons berigt zijnde, dat 'er niets meer van den verdreven Koning Radje Brima gehoord wierdt, de slangenoreeschen Comp=s Bezettelingen in het werk van alles tot defensie gereed te maaken goedwillig hielpen, en de Ponghoeloes van Calang en Loekoet beloofd hadden dat zoo dra de Regent van Slangenoor /Abdtul Rachman) vertrokken en dat Rijk onder de beheersching van de Compagnie gesteld zoude weezen, rijkelijk tin zoude worden aangebragt; zoo heeft het ons groote„ „lijks verbaasd uit UwE: gisteren tegen den avond ontvangen nader schrijvens van den 28: Iuni te verneemen, dat UwE. 'snagts bevoorens, denkelijk door de Slangenoreeschen geconjungeerd met het volk van Radja Brima, geattaqueerd waren. Maar, wij kunnen egter ook niet onderlaaten ons bijzonder contentement te betuigen over de kloekmoedige resistentie, die UwE. den vijand hebben geboden, dewijl zulks van dat gevolg is geweest, dat hij tegens den ogtent met agterlaating van veele dooden en gekwoetsten mitsgaders eenige gevangenen de vlugt heeft moeten neemen. Hangenoor Luitenant August Gravensteijn Commandant van Compl. Bezetting Onkundig en Onkundig van 's vijands magt en sutiatie, hebben wij op UwE. ver„ „zoek om spoedlige adsistentie met volk en amunitie, niet alleen besloten UwE. toe te zenden vijf en Zeeventig Militairen, met de door UwE. Speciaal ge„ „vraagde scherpe patroonen en kogels, mitsgaders zoodanige andere goederen, als wij, dewijl ons niet gemeld is waar aan UwE. gebrek hebben, vermeenden gindernoodig te zullen zijn, maar ook den Wel-Edelen Getrengen Heer Albert Spengeler Capitein, ter Zee, commandeerende en chet 's Lands fregatten van Oorlog de Alarm en Monnickendam, verkogt om met het eerstgemelde fregat derwaarts te willen vertrekken, gelijk zijn Wel Edele Gestr: het ook genegenlijk heeft aangenoomen ten einde een gedeelte van de gemelde troupes en goederen over te brengen, de ligters de Vos en de Haas te convoijeeren, en UwE zodanige orders tot behouden zeker„ „heid van Comp=s Conquest te geeven, als zijn Wel-Edele Gestr: oordeelen zal te behooren, waar naar UwE. zig gehoorzaamst en prompt regulleren moeten. Bij arrivement van zijn Wel-Edele Gestr: op de reede van Slange„ „noor moeten UwE. Hoog den zelven van het fort Altingsburg met dertien Canonschooten begroeten en Capitein Swijkhordt of Luitenant Gravensteijn zig aan boord van dien bodem vervoegen om verslag te doen 6 van de gesteldheid der zaaken ginder mitsgaders wanneer zijn Wel Ed. Gestr: mogte aan land komen, door het Garnisoen het geweer voor zijn Wel Ee„ Gestr: laaten presenteeren, onder het slaan van de marsch en het salueeren met het sponten, doende weder dertien Canonschooten; gelijk zulks bij het vertrek van zijn Wel Ed. Gestr: van daar ook geschieden moet. Ondertusschen gelasten wij UwE. om van de voorschreven manschap„ „pen de Sipais en Maleitsche Militairen gelijk ook den Tambar, waar om de Luitenant Gravensteijn laast verzogt heeft, ginder aan te houden dog daaren teken alle de overigen te rug te zenden zoo dra de vijand uit de en virions van Slangenoor zal weezen verdreven of de omstandigheden zulks permitteeren en ons ook te laaten toekomen de gevangen persoonen na hun geexamineerd en uitgehoord te hebben op al hetgene UwE. tot narigt dienen kan. De selijks

NL-HaNA_1.04.02_8435_0847 view scan ↗

English

Likewise, due to a shortage of vessels, we expect both lighters to return soon, unless one of them should be necessary to Your Honor, in which case Your Honor may retain de Vos, but let de Haas return. Since Your Honor is now enabled by us as far as possible to resist and thwart all hostile undertakings, we trust that Your Honor and your subordinates will further conduct yourselves as men of honor and discretion, commend Your Honor to Heaven's protection, and remain after greetings (Underneath stood) Your Honor's Good Friends / Was Signed / P. G. de Bruijn, A. Couperus, I. A. Hensel, F. Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht, H. I. Widerhold, and C. G. Baumgarten. In the margin: Malacca, in the Castle, the 6th of July 1785. M. Baumgarten, Secretary. Agreed. To the Honorable, Valiant Sir, Pieter Gerardus de Bruijn, Governor and Director of this City and Fortress, together with the further Gentlemen Members of the Honorable Council of Policy. Honorable, Valiant Sir, Gentlemen, It has pleased Your Honor, Valiant Sir, and Gentlemen, by resolution of the 6th of July last, to require the undersigned Fiscal to conduct an accurate investigation into the course and the circumstances of affairs both before and after the attack undertaken by night between the 27th and 28th of June by Radja Rima and his followers, but repelled, upon Fort Altingsburg at Slangenoor, as well as into the causes and motives of the subsequent general evacuation of the Garrison from there, to the end of serving Your Honor, Valiant Sir, and Gentlemen with a written report of these findings. In compliance with this respected order, the undersigned has the honor hereby to submit the depositions and further documents obtained by him, with their Register, and from which documents it appears: That although the native Chiefs at Slangenoor had always made the strongest declarations of attachment to the Company and had also conducted themselves such that neither the Commandant nor anyone could conceive any suspicion of treachery, they nevertheless turned around, and not only this, but attacked their Landlord with fire and sword. The former Commandant Gravenhag, being purposed to have a stone powder magazine constructed, wished to that end to have a quantity of bricks that lay in the native settlement brought up the hill into the fort, for which purpose he needed some more coolies than he had obtained from the Regents for some days past, and to that end had the Datoe Soekoe come to him in the afternoon on the 26th of June, and requested the same to furnish him with twenty coolies on the following day, which that Datoe also very willingly promised to procure, see Lit. B. paragraph 3 and 4, Lit. A. paragraph 1. But since the Datoe Soekoe did not fulfill his promise, and no coolies came on the morning of the 27th of June, Lieutenant Gravensteyn sent a Malay Sergeant named Boekoer to the Pangauwa Toea to inquire why no coolies came, and this Sergeant, upon his return, reported that the Pangauwa Toea was not at home, but had gone to Pamattang, a native settlement situated a good half hour from Slangenoor, Lit. B. paragraph 5 and 6. That shortly thereafter there came into Fort Altingsburg a Chinese woman, who brought word to Captain Rweijkhardt and Lieutenant Gravenstein that the inhabitants were packing all their goods into prahus and fleeing, Lit. A. paragraph 1 and Lit. B. paragraph 7. That these Officers, in order to be assured of the truth of this matter and to be informed of the reason why, had sent down the Malay Lieutenant Camin, Lit. A. paragraph 2, Lit. B. paragraph 8, and Lit. A. paragraph 2. That this Lieutenant, going thereupon to the native settlement and having arrived there, had seen that women, children, and goods were being packed away into prahus, and that he had then proceeded to the house of the Pangauwa Toea, whom he did not find at home, and upon asking where he was, had received the answer that the Pangauwa of Pamattang had slaughtered a buffalo and prepared a feast from it for all the old people, and the Pangauwa Toea had also gone thither; but upon the counter-question of that emissary, why then the people from the village were taking flight, he had received in reply that they were people from the fields who came down now and then, but whenever they merely saw one or two ships arriving, they immediately remembered the recent war and fled back to the uplands out of fear, Lit. A. paragraph 10, paragraph 3, paragraph 8 and 9, and Lit. A. paragraph 3, 4, and 5. That

Dutch transcription

315 Desgelijks verwagten wij wegens gebrek aan vaartuigen de beride ligters spoedig te rug, ten zij een derzelven bij UwE. noodig mogte weezen wanneer UwE de Vos kunnen aanhouden, dog de Haas laaten wederkeeren: Daar UwE. nu door ons naar mogelijkheid in staat gesteldt worden om alle vijandelijke onderneemingen te kunnen tegengaan en vrrijdelen„ „zig met uwE. vertrouwen wij dat UwE onderhoorigen verder als mannen van eer en beleid gedragen zullen, beveelen UwE. in 's Hemels bescherming, en blijven na groete (Onderstond) UwE. Goede Vrienden / Was Getekend/ P. G. de Bruijn A. Couperus I. A. Hensel F. Thierens R. B. Hoijnck van Lapendrecht H. I. Widerhold en C. G. Baumgarten In margine/ Malacca in het Casteel den 6. Iuli 1785. M: Danugarten Sec. Accordeert 347 Aan den Wel- Edelen Gestrengen Heer Pieter Gerardus de Bruijn, Gouverneur en Directeur deezer Stad en Fortresse benevens De verdere Heeren Leden in den Agtb. Raad van Politie Wel Edele Gestrenge Heer Heeren, Het heeft uwel Edele, Gestr: en Heeren bij besluit van den 6. Iuli laastleden behaagt den ondergetekenden Tis„ „caal te demandeeren een nauwkeurig onderzoek te doen na den toedragt en de omstandigheden van zaaken zoo voor als na de snagts tusschen den 27. en 28. Juni bevoo„ „door Radja rima en zinen aanzaag, „rens „ ondernomen dog afgeweerde attaque op het fort Altingsburg te Slaugenoor, mitsgaders na de oorzaeken en metwven van de daar op gevolgde generale opbraake van de Bezetting van daar, ten kinde van dies bevinding aan Uwel Edele Gestr. en Heeren te dienen van schriffteyk berigt. In voldoening aan deeze gerespecteerde order heeft de ondergetekende de eer hier by over te leggen de door hem ingewonnen Verklaaringen en verdere bescheiden met dies Register, en uit welke documenten komt te blyken; Dat ofschoon de inlandsche Hoofden te Slangenoor altoos 6 1 altoos de kragtigste bestuiging van verknogtheid aan de Compagnie hadden gedaan en zy zig ook gedraagen hadden, dat de Commandant nog iemand eenige arg „waan van trouwloosheid konde opvatten, zy egter te ru gekeerd, en dit niet alleen, maar kunnen Landheer met vuur en zwaard geattaqueerd hebben De daar gelegen hebbende Commandaat Graven Hag„ voornemens zynde een ^ kruidkelder van Steen te laate metzelen, wilde ten dien einde een partij baksteren die in de negorij lagen op den berg in het fort laten brengen, waar toe hij eenige koelies meer noodig e hadt dan hij sedert eenige dagen van de Regenten ƒ ƒ hedt bekomen, liet ten dien einde de Dato zoekoe ende op den 26. Iuni sagtermaddags bij zig komen; en verzogt dezelve om 'sdaags daar aan hem twintig koelies te beschinken en hetweln die Dato ook zeer bereidwillig beloofde te bezorgen, vide La. B. 5 3: en 4. , La. 4. 51. Maar dewijl de Dato Loekoet niet voldeed aan zijn belofte, en 'er den 27. Iuni 'smorgens geene koe„ „lies kwamen, zoo zoudt de Luitenant Gravenseyn een Maleitsch Sergeant genaamd Boekoer naar den Pangauwa Poea, om te verneemen waarom 'er geen koelies kwamen, en deeze Sergeant bragt bij zyn te rug komste rapport dat de Pangauwa Toea niet te huis, maar naar Pamattang, een negorij die een groot 319 groot half uur van Slangenoor gelegen is, was gegaan La: B. § 5. en 6. Dat kort daar aan in het fort Altingsburg gekomen e was een Chineesche vrouw, welke aan Capittein Rweijkhardt en Luitenant Gravenstein berigt bragt dat de inge . „zetenen al haar goed in parsten en wegvlugte den La. N. 8. 1. en B. & 7. Dat die Officieren om van de waarheid deezer affaire verzekerd, en van de reden waar om, verwektigd te worden de Maleitsche Luitenaat Camin hadden naar beneden gezonden La: A. 82. , La: B. 8 8. , en Za. h. § 2. Dat deeze Luitenant daar op naar de negory gaan „de en daar gekomen zijnde gezien had, dat vrouw lieden kinderen en goederen in sprauwen wierden weggepart, en dat hy zig toen begeven hadt naar het huis van den Pƒ Langsuwai Poea, welke hij niet te huis vondt, en op de 0: vraag waar dezelve was, ten antwoord bekomen hadt, eand dat de Pangauwa van Pamattang een buffel geslagt ƒ 6 en daar van een gastmaal voor alle de oude Lieden aangeregt, mitsgaders de bangauwa soea zig ook naar derwaarts begeven hadt, dog op de wedervraag van die zendeling, waar om dan de Lieden uit het dorp de vlugt namen, hij tot wederantwoord bekomen 617 hadt, dat het lieden uit de ladangs waren, die nu en dan wel afkwamen, dog wanneer zij maar zagen dat 'er een â twee schepen aankwamen direct de jongste oorlog indagtig wierden en uit vreeze de vlugt weder naar de bovenlanden namen, La. A. 810. , 83. 8: 8 en 9.- , en La. A. 83. , 4 en 5. : Dat 1 1: ƒ

NL-HaNA_1.04.02_8435_0852 view scan ↗

English

That Captain Scheykhardt and Lieutenant Sravenseyn, being unable to accept this suspicious pretext, the former had sent off the Malay Sergeant Malim to go to Pamattang under the pretense of wanting to buy betel leaf, and to see what was being done there La. A. 54. , B. 511. and La. k. 5. 3. That this Sergeant Malim, upon his return, had reported that, having arrived halfway to Pamattang, he had met an old Buginese Panglima of Radja Brima, named Panakatie, who, having five persons armed with assegais with him, had told him that he must not go any further, and that all the people of Pamattang as well as the ponggawa were at a feast that was being given on Mount Camoenie, whereupon he, the sergeant, had been forced to turn back La. A. 84. , B. 8 11. , r. 18. , and La. G. & A. and 5. That, all these received reports regarding the conduct of the Selangor people appearing more and more suspicious to Captain Swijkhardt and Lieutenant Graven Reijn, they had therefore put everything in readiness there to be in a position to offer a proper defense La. A. V. 5. , B. § 12. , T. 19. etc. That in the afternoon Captain Wijkhart, having temporarily given the command to Lieutenant Gravensteijn, had proceeded to Fort Utrecht in order to arrange what was necessary there to offer resistance should the enemy come to attack that fort, since there (according to his contention) was no one who had any knowledge of military matters, La. A. 5. 6. read with La. B. 8. 13. Le. S. S. 1, P. O, ken 5. and La. D. 182. Captain Swijkhardt says that, having arrived at Fort Utrecht, the Bookkeeper Kreeft had reported to him that a Malaccan Muslim had arrived with a vessel, who had declared that he had heard on Calang that Radja Brima was already on the march to Slaagenoor in order to attack the Company's garrison there, and that he, the Muslim (in order to give notice thereof), had come expressly to Slangenoor Za. A. 8. 7. and 8. But this is contradicted by the Bookkeeper Kreeft, where he says in his statement that Swykhardt had arrived at Fort Utrecht and had inquired about the placement of the cannons and the condition of the weapons and ammunition without saying anything further; that Swykhardt wishing to leave again, Kreeft had asked him what was going on, since all the people were fleeing from the settlement; that Swykhardt had answered that he, Kreefft, only had to keep a good watch, because according to the received reports Radja Brima was in the highlands La. D. S. 2. 3. and 4. And because both Wykhardt and Kreeft continued to persist in what they had said, and the latter added to this that he had not interrogated the Muslim, the undersigned interrogated the Muslim named Caliappa himself, who declared that he had given no notice to the Bookkeeper Kreeft of the advance of Radja Brima La. B. B. Art. 1. and 4. , and La. C: C: V 5. That meanwhile, as Captain Swyjkhardt had gone to Fort Utrecht, this Muslim Caliappa in the meantime had arrived at Alringsburg and had brought news to Lieutenant Graven Rein that he had heard on Calang that Radja Brima was on the march, and that he, Gravensteyn, [illegible] That Captain Schuijkhardt and Lieutenant Gravenstein, being unable to accept this suspicious pretext, the former had sent off the Malay Sergeant Malim to go to Pamattang under the pretense of wanting to buy betel leaf, and to see what was being done there La. A. 84. , B. 5 11. and La. h. 5. 3. That this Sergeant Malim, upon his return, had reported that, having arrived halfway to Pamattang, he had met an old Buginese Panglima of Radja Brima, named Panakatie, who, having five persons armed with assegais with him, had told him that he must not go any further, and that all the people of Pamattang as well as the ponggawa were at a feast that was being given on Mount Camoenie, whereupon he, the sergeant, had been forced to turn back La. A. 84. , B. 8 11. , r. 58. , and La. G. & A. That, all these received reports regarding the conduct of the Selangor people appearing more and more suspicious to Captain Swijkhaedt and Lieutenant Graven Reijn, they had therefore put everything in readiness there to be in a position to offer a proper defense La. A. V. 5. , B. § 12. , T. 19. etc. That in the afternoon Captain Wijkhart, having temporarily given the command to Lieutenant Gravensteijn, had proceeded to Fort Utrecht in order to arrange what was necessary there to offer resistance should the enemy come to attack that fort, since there (according to his contention) was no one who had any knowledge of military matters, La. A. 7. 6. read with La. B3. 8. B3., L. d. S. 1, P. O, ken 5. and La. D. 182. Capi

Dutch transcription

Dat Capitein: Scheykhardt en Luitenant Sravenseyn in dit suspect voorgeeven niet kunnende berusten, de eerstgemelde den Maleitschen Sergeant Malim hadt afgezonden, om, onder voorwenddel van sirie, te willen gaan koopen, naar Pamattang te gaan en te zien wat daar gedaan wierdt La. A. 54. , B. 511. en La. k. 5. 3. Dat deeze Sergeantchalim by zyn te rugkomst gerapporteerd hadt, dat hy halver wegen Pamattang ge„ „komen zynde ontmoet hedt een oude Boegineesche Panglima van Radja Brima, met naame Panakatie, welke nevens vijff bij zig hebbende persoonen met assa„ „gaaijen gewapend, hem gezegt hadt, dat hy niet verder moest gaan en dat al het volk van Pamatiang zoo wel als de bangauwa op een feest was het welk op den berg Camoenie gegeven wierdt, en waar op hij sergeant genoodzaakt was geworden weder te rug te Keeren La. A. 84. , B. 8 11. , r. 18. , en La. G. & A. en 5. Dat alle deeze ingekomen Berigten van het gedrag der Plangoreesen aan Capitein Swijkhardt en Luitenant Graven Reijn meer en meer verdagt voorgekomen zynde, zij P. derhalven alles hadden daar in gereedheid gebragt, om in staat te zyn een behoorlyke defensie te kunnen bieden La. A. V. 5. , B. § 12. , T. 19. enz: Dat sagtermiddags Capitain wijkhart het commando temporeel aan den Luitenant Gravensteijn gegeven hebbende, zig vervoegd hadt naar het fort Utrecht, ten einde het noodige aldaar te beraamen tot het bieden van resisten„ „tie indien de vyjand dat fort kwam te attaqueeren, alzoo daar (volgens zyn sustenue / niemand was die eenige kundigheid van Militaire zaaken hadt, La. A. 5. 6. geeezen „ver met La. B. 8. 13. Le. S. S. 1, P. O, ken 5. en La. D. 182. , Capitain 321 Capitein Swijkhardt zegt, dat hij in het fort Utrecht geko„ „men weezende, de Boekhouder kreeft hem hadt gerappor „teerd dat een Malaccasche moor met een vaartuig was gearriveerd die gedeclareerd hadt, dat hiy op Calang hadt gehoord hoe Radja Brina bereeds na Slaagenoor in 's aanmarsch was, ten einde Comps. Bezetting aldaar te atta„ „queeren, en dat hij de choor (om daar van kennisse te geeven expresselijk naar Slangenoor gekomen, was Za. A. 8. 7. e„ 8. Maar dit wordt door den Boenhouder Kreeft tegenge„ „sproken, daar hij in zin Verklaaring zegt, dat Swykhardt in het fort Utrecht was gekomen en zig geinfeormeerd hadt naar de plaatzing der canons en de gesteldheid der wapenen en ammunitie zonder verder iets te zeggen, dat wijkharst weder willende weggaan Kreeft denzelven hadt gevraagt wat er toe te doen was, dat al het volk uit de negorij vlugstede, dat swykhardt hadt geantwoord, dat hij kreefft maer goede wagt moest houden dewijl volgens de ingelopen berigten Radja Brima zig in de bovenlanden bevondt La. D. S. 2. 3. en 4. En dewijl zoo wel wykhardt als twreeft bleven persi„ „steeren by hun gezegde, en de laaste daar by voegde de Moor niet te hebben ondervraagd, zoo verhoorde de ondergetekende de moor genaamd Caliappa zelfs, dewelke verklaarde aan den Boekhouder Kreeft geen kennis te hebben gegeven van de aanmarsch van Radja Brima La. B. B. Art. 1. en 4. , en La. C: C: V 5. Dat onderwijlen dat Capitein Swyjkhardt na het fort Utrecht was gegaan deeze moor Caliappa intusschen in Alringsburg was gekomen en aan Luitenant Graven Rein tiding hadt gebragt, dat hij op Calang hadd gehoord hoe dat Radja Brima u aanmarsch was, en dat hij Grovendegn by Dat Capitein Schuijkhardt en Luitenant Graven Ne in dit suspect voorgeeven niet kunnende berusten, de eerstgemelde den Maleitschen Sergeant Malim Ka afgezonden, om, onder voorwendzel van Sirie te wi gaan koopen, naar Pamattang te gaan en te zien daar gedaan wierdt La. A. 84. , B. 5 11. en La. h. 5. O Dat deeze Sergeantchalim by zyn te rugkor gerapporteerd hadt, dat hy halver wegen Pamatrang „komen zynde ontmoet hedt een oude Boegineese Panglima van Radja Brima, met naame Panaka welke nevens vijff bij zig hebbende persoonen met „gaaijen gewapend, hem gezegt hadt, dat hy net moest gaan en dat al het volk van Pamatia zoo wel als de bangauwa op een feest was het op den berg Camoenie gegeven wierdt, en waar op sergeant genoodzaakt was geworden weder te ru Keeren La. A. 84. , B. 8 11. , r. 58. , en La. . & A Dat alle deeze ingekomen Berigten van het ge der Pangoreesen aan Capitein Swijkhaedt en Luitena Graven Reijn meer en meer verdagt voorgekomen zyne derhalven alles hadden daar in gereedheid gebragt, in staat te zyn een behoorlyke defensie te kunnen La. A. V. 5. , B. § 12. , T. 19. enz: Dat 'sagtermiddags Capitain wijkhart het comm temporeel aan den Luitenant Gravensteijn gegeven he zig vervoegd hadt naar het fort Utrecht, ten einde noodige aldaar te beraamen tot het bieden van re „tie indien de vijand dat fort kwam te attaquee alzoo daar (volgens zijn sustenue / niemand was die eer kundigheid van Militaire zaaken hadt, La. A. 7. 6. geled „ver met La. B3. 8. B3., L. d. S. 1, P. O, ken 5. en La. D. 182. Capi

NL-HaNA_1.04.02_8435_0855 view scan ↗

English

321 Captain Swykhardt says that, upon his arrival in the fort Utrecht, the Bookkeeper Kreeft had reported to him that a Malaccan Moor had arrived with a vessel, who had declared that he had heard at Calang how Radja Brima was already on the march to Slaagenoor in order to attack the Company's garrison there, and that he the Moor had come expressly to Slaagenoor to give notice thereof, La. A. §. 7. and 8. But this is contradicted by the Bookkeeper Kreeft, where he says in his declaration that Swykhardt had come into the fort Utrecht and had inquired about the placement of the cannons and the condition of the weapons and ammunition without saying anything further; that Swykhardt wishing to leave again, Kreeft had asked him what was to be done about the fact that all the people were fleeing from the negorij; that Swykhardt had answered that he Kreeft should just keep good watch, because according to the reports received Radja Brima was in the upper lands, La. D. v. 2. 3. and 4. And since both Swykhardt and Kreeft continued to persist in their statements, and the latter added that he had not interrogated the Moor, the undersigned interrogated the Moor named Caliappa himself, who declared that he had not given notice to the Bookkeeper Kreeft of the advance of Radja Brima, La. B. B. Not. 1. and 4., and La. C: C: v 5. That meanwhile, when Captain Swykhardt had gone to the fort Utrecht, this Moor Caliappa had in the meantime come into Altingsburg and had brought news to Lieutenant Gravensteyn that he had heard at Calang how Radja Brima was on the march, and that he Gravensteyn, upon the return of Swykhardt, had given notice of this to the same, La. B. §. 15. and 16. and La. C: C: art. 8. That Lieutenant Gravensteyn had also meanwhile sent the Malay Lieutenant Camin with six men to the negorij with orders to apprehend some of the fleeing inhabitants and bring them up, and which Lieutenant accordingly also apprehended two of the fugitives and brought them up, who, being interrogated, confessed that Radja Brima, formerly King of Slaagenoor, was at Pamattang and the inhabitants of the same were joining that Prince, but would send their wives, children, slaves and goods to the upper lands, La. B. §. 13 and 14, d. 3, 4 and 5, G. and U § 10. 11. and 12. That Captain Swykhardt, examining these two people even more specifically, had learned from them that Radja Brima according to the rumors had already been at Pamattang for two days; that the evening before, or on the 26th of June, the Panglima of Pamattang, having come into the negorij, called together the chiefs of Slaagenoor and ordered them that they should come with as many inhabitants as possible to Pamattang to Radja Brima, and that accordingly on the 27th of June the chiefs along with the inhabitants had gone thither, La. N. § 9 and U. §. 12. That Capt. Swykhardt and Lieutenant Gravensteyn had summoned the Commander of the cutter De Ondernemer and told the same that the enemy was close by, and he the Commander should put and keep everything in readiness for offering defense, requisition whatever he needed for that purpose, and sink every vessel that wished to row to the opposite shore, even if they, the Captain and Lieutenant, were in it themselves; and that there had also been issued to that Commander 45 cartridge bags of powder of 2 and 6 lb., La. C. § 4, 5. and 6. That 323 That in that afternoon everything was brought into proper order, as well by keeping ammunition ready near the ordnance, placing the two kattekoppen on the rampart, examining the muskets, providing new flints where they were needed, distributing double bundles of cartridges, as well as reinforcing the battery of Braam beside the men stationed there with a Gunner, a Malay Corporal and three Sepoys, and De Bruyn with a Malay Sergeant and four ditto soldiers, and a Gunner, together with placing a picket on the road by which one comes up the mountain from the King's dalm with a Malay Corporal and three ditto soldiers, La. A. §. 10., B. § 17., C. v. 2. S. § 7 and 8, K 4, 5, 6 and 7., F. § 9, U, § 13 and 14 and La. W. §. 10. That everything subsequently remained quiet until into the night at more or less one o'clock, when the posted picket was attacked, and from which one Soldier was killed and one was wounded, La. A. § 10., B. § 20, H. 15., K. § 12. and 13, F. § 11., and La. U. § 16. It is most appropriate here to describe the strength of each post as the same existed on the evening of the 27th of June according to the statements of the Malay Captains Razim and Oesoph, the Malay Lieutenant Moessoe, the Sepoy Corporal Ramlingom and the Bombardier Isaak Welsink, to wit: In the fort Altingsburg Healthy: 1 Captain and Head, 1 Lieutenant, 1 Corporal, 1 Drummer, 1 Sergeant, 1 Soldier, 1 Sepoy Corporal, 6 ditto Soldiers, 1 Malay Captain, 1 ditto Lieutenant, 1 ditto Ensign, 2 ditto Sergeants, 36 ditto Soldiers, 1 Extraordinary Fireworker, 2 Bombardiers, 1 Cannoneer, 2 Gunners, 60 heads Sick: 1 Malay Corporal, 23 ditto Soldiers, 1 Surgeon, and 4 Gunners, 32 or 92 heads together In the battery of Braam Healthy: 1 Cannoneer, 2 Gunners, 4 Sepoy Soldiers, 1 Malay Sergeant, 1 ditto Corporal, and 6 ditto Soldiers, 15 Sick: 1 Bombardier, and 1 Gunner, 2 17 And

Dutch transcription

321 Capitein wijkhardt zegt, dat hij in het fort het recht geko„ „men weezende, de Boekhouder kreeft hem hadt gerappor „teerd dat een Malaccasche moor met een vaartuig was gearriveerd die gedeclareerd hadt, dat hyj op Calang hadt gehoord hoe Radja Brima bereeds na Plaagenoor in aanmarsch was, ten einde Comps. Bezetting aldaar te atta„ „queeren, en dat hij de choor (om daar van kennisse te geeven expresselijk naar llangenoor gekomen, was Za. A. 8. 7. en„ 8. Maar dit wordt door den Boenhouder Kreeft tegenge„ „sproken, daar hij in zijn Verklaaring zegt, dat Swykhairdt in het fort Utrecht was gekomen en zig geinformeerd hadt naar de plaetzing der canons en de gesteldheid der wapenen en ammunitie zonder verder iets te zeggen, dat swykhurdt weder willende weggaan Kreeft denzelven hadt gevraagt wat 'er toe te doen was, dat al het volk uit de negorij vluestede, dat swynhardt hadt geantwoord, dat hij kreefft maar goede wagt moest houden dewijl volgens de ingelopen berigten Radja Brima zig in de bovenlanden bevondt La. D. V. 2. 3. en 4. En dewijl zoo wel wyk hardt als twreeft bleven persi„ „steeren by hun gezegde, en de laaste daar by voegde de Moor niet te hebben ondervraagd, zoo verhoorde de ondergetekende de moor genaamd Caliappa zelfs, dewelke verklaarde aan den Boekhouder Kreeft geen kennis te hebben gegeven van de aanmarsch van Radja Brima La. B. B. Not. 1. en 4. , en La. C: C: V 5. Dat onderwijlen dat Capittein Swikhardt na het fort Utrecht was gegaan deeze moor Caliappa intusschen in Altingsburg was gekomen en aan Luitenaat Graven Rein tyding hadt gebragt, dat hij op Calang hadd gehoord hoe dat Radja Brima au aanmarsch was, en dat hij Grovendegn by bij de te rugkomste van Twykhardt aan den zelven van dit een en ander hadd kennis gegeven, La. B. en 15. en 16. en L„. C: C: art. 8. Dat Luitenant Graven Reyn ook inmiddens den Maleitschen Luitenant Camin met zes man hadt naar de negorij gezonden met order om van de vlugtende ingezetenen eenige op te pakken en boven te brengen, en welke Luitenant dien volgens ook twee van de vlugtelingen opvattede en boven bragt, de „welke ondervraagt zinde beleden dat Radja Brima (voorheen Koning van Slangenoor / op Lamattang was en de ingezetenen derzalven zig by dien Prinis vervoegden, dog hunne vrouwen, kinderen, slaven en goederen naar de bovenlanden zouden La. B. 8. 13 en 14 d. 34 en 5. , G. en U 510. 11. en 12. Dat Capitein Swykhardt deeze beide Lieden nog specieler examineerende, van hun hadt verstaan, dat Radja Brina volgens de gerugten reeds twee dagen op Pamatrang was geweest, dat 'savonds bevoorens of den 26. Iuni de Pangauw van Pamattang in de negorij gekomen zynde, de hoofden van Slaagenoor bij elkanderen geroepen en hun gelast hadt dat zy met zoo veel ingezetenen als mogelijk was naar Pamatrang bij Radja Brima moesten komen en dat dienvolgens den 27: Juni de hoofden benevens de ingezetenen derwaarts gegaan waren La. N. 59 en U. §. 12. Dat Cap: Swykhardt en Luitenant Gravenseijn bij zig hadden laaten komen de Gezaghebber van de kotter de Onderneemer en dezelve gezegt dat de vijand digt by was en hij Gezaghebber alles ttet het bieden van defensie in ge„ „reedheid brengen en houden, wat hy daar toe noodig hadt eisschen, en alle vaartuigen die na de overzijde wilden roeijen, alwaren zi (Capitein en Luitenant / daar zelfs in, in de grond schieten moest, en dat aan die Gezaghebber oon afgegeven was 45. –. kardoezen kruid van 2. - en 6. –. lb. La C. 84, 3. en 6. Dat ƒ 323 Dat in die agtermiddag alles in een behoorlyke staat was gebragt, zoo met het gereed houden van ammunitie by het geschut, het stellen der twee kattekoppen op de wal, het examineeren der geweeren, voorzien van nieuwe steenen dieze benoodigd waren, het uitdeelen van dubbelde bosschen patroonen, als ook het versterken der batterje van Braam by de daar leggende manschap met een Busschieter, een Maleitsch Corporaal en drie Sipais, en de Bruijn met een Maleitsch Sergeant en vier dito soldaten, en een Busschieter, mitsgaders het stellen van een piquet op den weg van welken men van 's konings dalm den berg opkomt met een Maleitsch Corporaal en drie dito soldaaten La. A. 8. 10. , B. 5 17. , C. v. 2. S. 87 en 8, K 4, 5, 6 en 7. , F. 89, U, § 13 en 14 en La. W. 8. 10. Dat alles vervolgens stil gebleven was tot in den nagt min of meer een uur, wanneer het uitgezette piquet geattaqueerd wierdt, en van hetwelk een Soldaat gesneuveld en een gekwetst geworden is, La. A. 5 10. , 83. 120, H. 15. , K. 8 12. en 13, F. 811. , en La. U. 816. Het komt alhier best te passe om de sterkte van ieder post zoodanig dezelve op den 27. Iuni 'savonds bestaan heeft te beschrijven volgens opgave van de Maleitsche Capiteirs Razim en Oesoph, de Maleitsche Luitenant Moessoe, de Sipaische Corporaal Ramlingom en de Bombardier Isaak Welsink, te weeten In het fort Altingsburg Gezonden 1. Cajitein en Hoofd, 1. Luitenant, 1 Corporaal, 1 Tamboer, 1. Pergeant 1. Soldaat 1. Pipaische Corporaal, 6. _. o Soldaten 1. chaleitsch. Capitein, 1. _ o Luitenant 1. _. o Vaandrig 2. _:o Sergeanten 36. _. o Soldaten 1. Extraordinair Vuurwerker, 2. Bombardiers, 1. Canonnier, 2. Busschieters 60. koppen Zieken 1 Maleitsch Corporaal 23. _. o Soldaten 1. Chirurgyn, en 4. Burschieters 32. —. of 92. koppen 't'zamen 1. -. Canonnier, 2. - Busschieters, 4. -. Pipaische Soldaten 1. -. Mhaleitsche Sergeant 1. –. _. o Cosporaal, en 6. –. _:o Soldaten 15. —. 1. Bombardier, en 1. –. Busschieter 2. –. 17. -. -. Lieken In de batterije van Braam Gezonden En

NL-HaNA_1.04.02_8435_0859 view scan ↗

English

325 1 Malay Sergeant 4 ditto Soldiers and 1 Gunner A picket on the road to the Dalm, Sent 1 Malay Corporal ditto Soldiers 3 6 2 Into Fort Utrecht sent 1 Bookkeeper and Second, 1 European Sergeant, 1 Malay Captain 1 ditto Lieutenant, ditto 1 ditto Ensign 2 ditto Sergeants 4 ditto Corporals 21 ditto Soldiers 1 Bombardier, 1 Cannoneer 2 Gunners Sick 12 Malay Soldiers 1 Gunner 13 49 168 in total 36 That thereupon, alarm having been raised, the enemy, Into the battery De Bruijn Sent which whose number is mostly estimated at well over five hundred men, had begun to fire from behind the trees and rocks, and from our side heavy firing was likewise carried out both from Fort Altingsburg and from the battery De Bruyn, and that this action had lasted until daybreak, as is cited in almost all depositions. That the enemy in the morning was forced to retreat after having sustained many dead and wounded, to which the artillery of the battery De Bruyn greatly contributed, Lit. B. § 25, C. § 3, D. § 18, etc. That on our side in that attack fell the European Sergeant David Dresscher, and the Malay Soldier Poera, belonging to the Company of Captain Rahim, and wounded were the Military Captain Gerardus Swykhardt and the Malaccan Malay soldier Salim. Captain Swykhardt and Lieutenant Gravensteyn both declare also that the Malay Captain Rahim, during the action with the enemy, behaved very poorly and despite all encouragement could not be brought from the rearmost to the attacked rampart, but that all the others had acquitted themselves bravely, Lit. A. § 29 and B. § 22. That after the retreat of the enemy Lieutenant Gravensteyn went to the battlefield with some soldiers and there found that the terrain where the enemy had positioned himself was full of blood, that there remained a death flag and some krises and assegais etc. etc., as well as one mule of a pair of mules, which the Malay Lieutenant Camin had formerly presented to Dato Loevoet, and which Dato during the attack had also been heard and recognized among the enemy by his voice, Lit. B. § 26, D. § 16, D. § 26 and Lit. W. § 8. That 327 That also Captain Swykhardt had detached the Malay Lieutenant Camin with a detachment of soldiers to the other side of the river, with orders to try to capture one or more persons and bring them to the fortress, in order if possible to obtain from them some information regarding the enemy, whither he had retreated, what his condition and the like might be, and whether succeeding in this or not, upon their withdrawal to set fire to the houses on the other side, which had also been ordered to the Commander of the cutter De Ondernemer, which latter part of that order was executed by that Lieutenant, simultaneously reporting that they had not encountered a single person, Lit. A. § 11 and 42, B. § 27, E. § 12 and 13, F. § 17 and 19 and Lit. H. § 21 and 22. That the Commander of the cutter De Ondernemer had further requested two small barrels of powder and twelve men to reinforce his vessel, that the powder was indeed received by him, but no men, as in answer to his request it was replied that no men could be spared from the Company's fort, Lit. E. § 14 and 15. That Captain Swykhardt, upon detaching the men to burn the houses in the nagari, had also sent thither the Extraordinary Fireworker Lies, in order to spike the 7 pieces of, albeit unserviceable, iron cannon that the Company had lent to Radja Machomet Ali, and that this was indeed done according to the report received by Swykhardt, Lit. A. § 46 and B. § 18. That the same Captain had ordered Lieutenant Gravensteyn to collect all the live cartridges together in order to replenish the cartridges, and to provide them again, as as on the day before, with double cartridges, but that this Lieutenant had replied that the men had fired away all the cartridges in the past night to the quantity of well over two thousand, the cartridges that had been in reserve had likewise successively been brought to the rampart and consequently there were none left in stock, that upon that Captain then asking for the balls in reserve, he had likewise received as an answer that there were also no balls at hand, Lit. A. § 13 and 14. That therefore the said Captain Swykhardt had sent to the cutter De Ondernemer for musket balls, and that the Commander had also delivered a bag or, according to his estimate, three to four hundred such balls and sent them to the fort, from which, as well as from the balls that were still found in the fort and from three opened grapeshot rounds, estimated at 180 pieces, six to seven hundred live cartridges were immediately made up, Lit. A. § 15, B. § 29, C. § 9, H. § 10, E. § 16, D. § 9 and Lit. BB. art. 8. That on that day also nearly two hundred paper cartridges for the cannons were made and filled, Lit. C. § 6 and Lit. J. § 18. That Captain Swykhardt had also sent a written order to the Commander of the cutter De Ondernemer, containing that he must go and lie directly in front of the King's dalm on this side of the river, keep good watch, and let no one pass, much less let anyone come to this shore, Lit. A. § 31, B. § 28, and E. § 17. That by the Captain and Lieutenant aforesaid in the morning a letter by a native vessel by a

Dutch transcription

325 1. Maleitsch Sergeant 4. _=o Soldaten en 1. Busschieter Een piquet op den weg naar den Dalm, Gezonden 1. Malertsch Corporaal _ o Soldaten 3. 6. . . . 2. - . In het fort Utrecht gezonden 1. Boekhouder en Secunde, „ 1. Europees Sergeant, 1: chaleitsch Capitein 1. . _. o Luitenant, _o 1. _. o Vaandrig 2. _. o Sergeanten 4. _. o Corporaals 21. _. o Soldaten 1. Bombardier, 1. Canonnier 2. Busschieters Zieken 12. Maleitsche Soldaten 1. Busschieter 13. —. -. 49. -. 168. -. in 't geheel 36. -. -. Dat daar op amer geroepen zynde, de vyand, In de bastterye de Bruijn Gezonden welk welks meest begroot wordt op zuim vyf honderd man, van aghter de bomen en klippen hadden beginnen te vuuren en van onze zijde zoo uit het fort Altingsburg, als uit de batterye de Bruyn mede herig geschoten was, en dat deeze actie geduurd hadt tot den dag aanbrave, zoo als dat by meest alle Verklaaringen wordt aangehaald. Dat de vyand in de morgen stond genoodzaakt is geweest te retireeren na veele doboden en gekwetsten te hebben bekomen waar toe veel gecontribueerd hedt het geschut van de batterij de Bruyn, La. B. 8 25, C. V3. , U. 8 18. , Nc: Dat van onze zijde in die attaque is gesneuveld de Euro„ „pesche Sergeant David Dresscher, en de Maleitsche Soldaat Poera, gehoorende onder de Compagnie van Capitain Rahim en gekwoetst geworden den Capitain Milatair Gerardus Wijk „hardt en de Malaccasche Maleitsche soldaat Salim. Capitein Swyvhardt en Luitenant Gravenseyn verklaaren e oom beide dat de Maleitsche Capittein Bahim, geduurende de actie met den vijand, zig zeer slegt heeft gecomporteerd „ en ongeagt alle aanspooring niet van de agterste naar de geattaqueerd wordende wal te kryjgen was geweest, maar dat alle de overigen zig dapper hadden gequeten, La. A. V 29 en B. §. 22. Dat na de reveraite des vijands de Luitenant SravenNeijn met eenige Militairen naar het slagveld was gegaan en daar gevonden hadt dat het terrem waar de vyjand zig hadt geposseerd vol bloed was, dat daar nog een doodevlag en eeni„ „ge kritzen en assagaagen &.:a 8. a, als ook een muir van een paar muilen, walke de Maleitsche Luitenant Camin wel eer aan den Dato Loevoet hadt present gedaan, en welke Dito geduurende de attaque aan zyn Item onder de vijanden oor gehoord en verkend geworden was, La. B. 1526. , 2. 316. U § 26 en La. W. 58. Dat 327 Dat oor Capitein Swykhardt de Maleitsche Luite E „nant Camen met een Commando Militairen naar de overzyde der rivier hadt gedetacreerd, met last om te tracten een of meer persoonen op te vangen en naar het fortres te brengen, ten einde was het mogelyk van hun eenig berigt aangaande den vijand 'te bekomen, werwaards hy geretereerd, hoedanig zzyn gesteldheid en wat dies meer was, mogt zijn, en daar in al of met reusseerende bij hun aftrek, aan de overzyde de huizen in brand te steeken, hetgene ook gelast geworden was aan de Gezaghebber van de kotter de Onderneemer, welk laast gedeelte dier order door dien Luitenant is volbragt teffens repport doende dat zij geen enkeld per„ n „soon hadden ontmoet, La. A. 8. 11. en 42. „ 63. 5 27, E: 312, en 13. , F. 8 17. en 19' en La. Et. §21. en 22. Dat de Gezaghebber van de kotter de Onderneemer nog hadd laaten verzoeken om twee vaatjes kruid en twaalf man tot versterking van zijn vaartuig, dat het kruid ook bij hem ontvangen is, maar geen volk, alzoo op zyn verzoek was geantwoord, dat 'er geen volk in't Comps. fort konde gemist worden Laa E. § 14. en 15. Dat Capitein Swykhart bij het detacheeren der manschappen om de Thuizen in te nagoij te verbranden omk derwaarts gezonden hadt de Extraordinair Vuur„ „werker Lies, ten einde de 7. –. ps. , schoon onbekweme ijzeren canons, die de Compagnie aan Radja Macho „met Ali hadt geleend, te vernagelen, en dat dit ook volgens bij Swykhardt ontvangen rapport geschied is Le. A. 346. en B. 8. 18. Dat dezelfde Capittain den Liutenant Gravenseyn hadt gelast, om alle de scheepe patroonen by elkanderen te brengen ten einde de patzoonen te suppleeren, en hun weder gelyk gelyk 's daags bevoorens van dubbelde pathoonen te voorzien, maar dat die Luitenant hadt geantwoord, dat het volk al de patroonen in de voorleden nagt ter quantiteit van ruim twee duizend hadden verschoten, de in reserve geweest zynde patroonen insgelijks successivelyk op de wal gebragt en overzulks geene meer in voorraad waren, dat die Capitein toen geantwoord hebbende om de in reserve zynde kogels, almede tot antwoord bekomen hadt, dat 'er ook geene kogels aan handen waren, La„ A. S. B. en, 14. Dat daar om genoemde Capitein wynhardt naar de kotter de Onderneemer hadt gezonden om snaphaanker „gels, en dat de Gezaghebber ook een gaertrag off na zyn 06 gissing drie â vier honderd zoodanige kogels afgegeven en maar het fort gezonden hadt waar van zoo wel als van de kogels, die nog in het fort gevonden wierden als van drie geopende druiven, naar gissing 1804. -. ps, direct aangemaakt wierden zes â zeven honderd scherpe patroonen La. A. 815. , B. 529, C. 59. , H. &10. , E. §16. O. 89 en La. BB. art. 8.. Dat er dien dag ook nog bij de twee honderd verdoe„ „zen voor de canons gemaakt en gevuld geworden zijn, La. C: H: 6. en La. J. 8 18. Dat Capitein Swykhardt ook een schriftelyke order heeft gezonden gehad aan de Gezaghebber van de kotter de Onder „neemen, behelzende dat hy direct voor 'KKonings dalm„ aan deeze zyde der rivier moest gaan laggen, goede wagt houden, en niemand passeeren, veel minder aan deeze wal komen laaten La. A. §31. , B. 828. , en E. §. 17. — Dat door den Capitein en Luitenant voornoemd des morgens een brief met een inlandsch vaartuig door een

NL-HaNA_1.04.02_8435_0863 view scan ↗

English

329 a Moor had been sent over there, Lit. K. § 23. and F. § 13. That also on that day two more pieces of artillery were placed on the left flank that had been attacked the previous night, but that this rampart was found to be so narrow that those pieces could barely stand there and, moreover, had to be provided with breeching ropes, which was nevertheless done with much difficulty because the garrison was weak due to the illness prevailing there, Lit. C: § 4 and 6., Lit. I. § 18 and K § 21. That by order of the two first officers, in the afternoon, there had been brought to the hill where the enemy had been posted the previous night an iron three-pound cannon and a brass one-pound ball cannon, and posted there with them a bombardier, two gunners, a Malay sergeant, a ditto corporal, and twelve ditto soldiers, together with a Bugis corporal with four ditto soldiers, with ammunition, etc., in order to keep the enemy far away from the fort and to prevent them from regaining possession of this post so advantageous to them, Lit. A. § 16., B. § 30., C: § 7., and I. § 19. That a picket had also again been placed on the road running to the King's Dam, consisting of a corporal and three soldiers, Lit. B. § 31. That Captain Swykhardt had also ordered the Master of the cutter De Ondernemer that when he should have arrived at the designated place before the King's Dam, to fire two shots, namely one toward the corners on the side of the hill of Altingsburg, and one toward the opposite side of the river to discover whether people were also keeping themselves there, and furthermore he had to pay attention to the signals that were made, and each time a shot was fired from the hill or the fort, to answer such with a shot from the cutter. That That this Master, having carried out this order, had fired two shots upon his arrival at the designated anchorage, and that then a shot with live ammunition was also fired from Altingsburg from the opposite side of the river, but that this Master had not seen or encountered a single person, Lit. E. § 18., 19., and 20., F. § 13., and Lit. K. § 29. That Lieutenant Gravenstein had sent out a detachment of a sergeant and five soldiers to cut thorns, in order to lay them against the rampart that had been attacked the previous night, to serve as an obstacle against the enemy's assault, but that in the evening around six o'clock, when the men were to be divided to keep the watches for the coming night, that Lieutenant received report that this detachment had deserted and gone over to the enemy at the King's Dam, and that although they were pursued to seek them out again, they had nevertheless escaped and remained away, Lit. No. § 19, B. § 32, 33., and 34, I. § 20. and 21, 22., and Lit. L. § 26½. The aforementioned deserted men are, according to the statement of the Malacca Malay Lieutenant Thoesoe and the Batavia Malay Captain Rahim, the following: Semar, Malacca Malay sergeant, Sami, ditto privates, and Awal, Zenal, Laar, Batavia Malay soldier, belonging under the company of Captain Borée. By which desertion of 6 persons, as well as the death of 2 and the wounding of 2 persons, and the establishment of a post on the hill of about two hours with 334 with 22 men, the number of 60 men in Altingsburg was reduced by 32 men, and thus there remained in all of healthy men 28 men, to wit: 1 Lieutenant 1 Corporal, 1 Drummer, 1 Soldier 1 Malay Captain 1 ditto Lieutenant 1 ditto Ensign, 1 ditto Sergeant 17 ditto Soldiers 1 Extraordinary Fireworker, 1 Bombardier 1 Gunner, compared with the attestation Lit. B. § 35. That in the evening at the division of the men to the special posts, the live cartridges from those that had been prepared that day were also completed, and that after the distribution of the same, no more were left over than more or less twenty bundles, Lit. B. § 45. compared with Lit. B. § 3. art. 12. That meanwhile inside Fort Utrecht, after having received three more small barrels of powder from Altingsburg, everything was likewise in a state of defense, and two more cannons and two swivel guns had been brought onto the battery facing the land side, Lit. D. § 25. and Lit. E. § 9 and 10. That thus everything having been brought into readiness, at nightfall the Malay Sergeant Halim to Captain Swykhardt and Lieutenant Gravenstein, from the hill that lies beside the fortress, through the Malay Corporal

Dutch transcription

329 een Moor ditheen was afgezonden, La. K. §23. en F § 13. Dat ook dien dag nog twee stuuken geschut geplaatst zyn op de Lyfflank die de voorige nagt was geattaqueerd geworden, dog dat die wal zoo smal bevonden was dat die stukken daar nauwlyjks konden staan en bovendien nog met broekings moesten worden voorzien, hetwelk egter met veel moeite geschiedde doordien het garnizoen zwak was wegens de daar heer schende ziekte La. C: 8 4 en 6. , La. 1. 3 18 en K § 21. Dat op order der twee eerste Officieren in de namiddag op den berg waer de vijand in de voorige nagt geposteerd hadt geweest, gebragt geworden was een ijzeren canon van drie en een metaal canon van een pond bals, en daar by geplaetst een Bombardier, twee Busschieters, een Maleitsehe Sergaant, een dito Corporaal en twaelf dito soldaaten, mitsgaders een Pipaische Corporaal met vier dito soldaten, met ammni „tie Ac. a, ten einde den vijand van het fort verre aff te houden en voor te komen dat zij deeze voor hun zoo voor „deelige post niet weder in bezit kregen La. A. 316. , 63. § 30. C: 57. en I. § 19. Dat 'er ook weder een piquet was gesteld op den weg die na ' konings daem loopt van een Corporaal en drie sol„ „daeten La. B. §31. Dat Capitein wykhardt ook geordonneerd hadt aan de Gezaghebber van de Kotter de Onderneemer om wanneer hij op de aangeweezen plaats voor 's konings daem zoude zyn geko„ „men twee schoten te doen, als een naar de huiken aan de zyde van den berg van Altingsburg, en aen naar de overzyde der rivier om te ontwaaren of zig daar ook volk onthield, en voorts moest letten op de seinen die 'er gedaan wierden en telkens wanneer 'er een schot van de berg of het fort windt gedaan zulks met een schot van de kotter brant„ „woorden Een Dat Dat die Tezaghebber deeze last volberagt, bij zijn aankomst op de bepaalde Ankerplaats: twee schoten gedaan hadt, en dat toen „naar ook een schot met scherp van Altingsburg van de overzyde van de rivier afviel, maar dat die Gezaghebber geen enkeld mensch gezien of ontmoet hadt, La. E. 5. 18. 149. en 20. , F 513., en La K. & 29. Dat Luitenant Graven Baijn een commando van een Sergeant O en vijff soldaten hadd uitgezonden om doorns te kappen, om dezelve te leggen tegens de wal die de voorige nagt was geattaqueerd geworden om te dienen tot tegengang van den aanloop des vijands, maar dat des avonds omtrent zas uuren, wanneer het volk tot het houden der wagten in den aanstaanden nagt zoude afgedeeld worden, die Luite„ „nant rapport ontving dat dit commando gedeserteerd en naar 's Konings dalm tot den vijand overgelepen was en dat offschoon men hun heeft nagezet om weder op te zoeken zy egter weg geweert en weg gebleven zyn La. N=o 819, B. 1532, 33. en 34, I. V 20. en 2122. , en La l. §26½. De voorschreven gedeserteerde menschappen zyn volgens op„ „gaaf van de Malaccasche Maleitsche Luitenant Thoesoe en de Bataviasche Malactsche Capitein Rahim de volgende Semar Melaccasch chaleitsch Sergeant, Sami„ o— d o. Gemeenen, en Awal, Zenal Laar Bataviasch chalentsch soldaat, gehoorende onder de Compagnie van Capitein Borée. Door welke desertie van 6. persoonen zoo wel als het sneuvelen van 2. –. en het kwetzen van 2. persoonen, als de uitzetting van een port op de berg van bij de twee Aurren met 334 met 22. koppen het getal van 60. man in Altingsburg ver „minderd was met 32. koppen en dus aldaar overschoten in alles aan gezonden 28: man te weeten 1. Luitenant 1. Corporaal, 1 Tamboer, 1. Soldaat 1. Mhalertsch Capitein 1. _ o Luitenant 1. _. o Vaandrig, _o 1. _. o Sergeaut 47. —_o Soldaten 1. Extraorsinaire Vuurwerker, 1: Bombardier 1. Canonnier, ƒ vergeleven met de attestatie La. B. § 35. Dat in de avond bij de verdeeling van het volk na de byzondere posten ook gecompleteerd waren de scherpe patroonen van degene welke dien dag aangemaakt waren, en dat na de uitdaeling van dezelve niet meer overgeschoten waren, dan min of maer twintig bosschen La: B. § 45. vergeleven met La. 83. 83: art: 12. Dat intusschen binnen het fort Utrecht, na nog drie vaatjes kruid uit Altingsburg ontvangen te hebben mede alles in staat van deffensie, en nog twee canons en twee draaibessen gebragt waren op de batterij naar de land„ „kant La D. § 25. en Le. 5 9 en 10. l Dat dus alles in gereedheid gebragt zynde met het vallen van den avond de bchalantsche Sergeant chalim aan Capitain Swykhardt en Luitenant Gravenstein, van den berg die beslijden de fortres legt, door de chaleitsch Corpa„ „raal :

NL-HaNA_1.04.02_8435_0866 view scan ↗

English

Corporal Darim had reported that the enemy was moving around the foot of the mountain, Lit. B. § 36, compared with Lit. a § 11, Lit. d § 17, § 23, § 25, and Lit. C. C. art. 11. That shortly thereafter the Bombardier Isaak Welsink had also sent a gunner to Captain Swykhardt and Lieutenant Gravenseijn, with a report that approximately five hundred Malays were advancing along the road from Straat Calang or along the seashore, that these troops and others who had come from the other side of the river had as good as surrounded the mountain on which Altingsburg stands, and that people were also stationed on the other side of the river or from Fort Utrecht, as he had been able to see, Lit. K. § 25, 26, and 27, compared with Lit. BB. § 37. Furthermore, the Fireworker Lies declares that at nightfall it was observed that the enemy was moving in large numbers around the mountain, he estimating from the view he had thereof from the battery De Bruyn that they were circling the mountain with well over eight hundred men, Lit. R. § 8, Lit. BB. art. 20. Lieutenant Gravenseijn also says that a Malay boy, whom he had sent out to obtain some intelligence of the enemy around six o'clock, had reported that the enemy had received three hundred men in reinforcements from the uplands, according to the rumors he had gathered from some people down in the settlement, Lit. B. § 38. That Lieutenant Gravenseijn, since Captain Swykhardt could not walk—having, despite the wound from a bullet in the right thigh just above the knee received in the fight of the previous night, been on his feet more than once—even went to the aforementioned mountain, and that the Bombardier Welsink and the Malay Sergeant Mhalim pointed out to him there the place along which the enemy, according to their statement, had marched around some 5 to 600 men strong, and that he, Gravensteyn, had then also seen approximately 60 men of their rearguard pass along that road, Lit. N. § 18 and Lit. B. § 39. But the Malay Sergeant Malem denies all knowledge of this large number and says, both in his declaration and during the confrontation, that he had seen no more than about twenty, or rather twenty to thirty men, Lit. Y. § 11 and Lit. BB. artt. 16 and 17. And since the Bombardier Welsink had appealed to the twelve Malay soldiers who were stationed at that time to cover the two cannons on the mountain, the undersigned interrogated Corporal Darim and six of those soldiers—as of the other six, three men had departed with the ships for the blockade of Salangoor and three Malaccan soldiers had departed from here, having been discharged from service—which Corporal and five soldiers say that they had seen not a single man of the enemy, though both the Corporal and one soldier give the reason therefor, Lit. BB. art. 19 and Lit. CC. art. 10, 11, and 12. But Corporal Darim declares that his Sergeant had ordered him to report that many people had been seen, though an indefinite number, and one soldier states that he estimated, as it was growing dark, that he had seen ten men, Lit. CC. art. 12. That Lieutenant Gravenstein, having gone to the fort to Captain Swykhardt with the aforementioned report, it was taken into consideration and reflection by both of them that the said detachment on the mountain could very easily be cut off, that the garrison of Altingsburg was already very weak and was weakened even further by the division of the troops, that it was therefore more advisable to keep the small force they had together, and that they consequently resolved to withdraw the detachment on the mountain, to bring the bronze cannon to the fort as well as the iron one, but if it grew too dark and that was not possible, then to spike the last-mentioned piece, Lit. A. § 20, Lit. B. § 40, compared with Lit. BB. art. 21. That Lieutenant Gravensteyn subsequently returned to the mountain and carried out this resolution, Lit. B. § 41, Lit. A. § 21, § 20, and § 13. The same Lieutenant also says that the men who brought the one-pounder cannon back inside had been very unwilling and discontented, that they had declared more than once that they would rather serve in the chain gang than work as soldiers for the Company, he, Gravensteyn, appealing in that regard to the testimony of the Fireworker Lies, who confirms this, Lit. B. § 42 and BB. art. 26. That subsequently both Officers Swykhardt and Gravensteyn, having discussed at length together the situation in which they found themselves, and on that occasion having taken into account the poor condition and vast extent of Fort Altingsburg, which with their small number of troops they could not even man, much less defend if it were attacked on more than one side, the impossibility of

Dutch transcription

„raal Darim hadd laaten rapporteeren dat de vijand zig rondom de voet van den berg trok La. B. 536. vergeleven met La. 9 8 11. , La d. 8 17. , 5 § 23. , l. 825 en La. f. C. art: 11. Dat kort daar aan de Bombardier Isaak Welsink ook een Busschieter bij Capitain Swykhardt en Luitenant Gra„ „venseijn hadd gezonden, met rapport dat 'er min of meer vyf honderd Maleyers de wag van straat Calang off langs het zeestrand kwamen aanrunken, dat deeze manschappen en anderen die van de overzyde der rivier waren gekomen de berg waar Altuigsburg oplegt, zoo goed als omcingeld hadden, dat 'er ook volk aan de overzyde der rivier of van het fort Utrecht geposseerd was, zoo als hij hadd kun „nenzien La K. § 25, 26 en 27. vergeleken met La. B3 BB. 537. Voorts verklaard de Vuurwerker Lies, dat met het ende vallen van den avond ontwaard was dat de vyjand in groot getal zig rond om de berg trox, gissende hij zies na het gezigt dat hij van de batterye de Bruyn daar van hadt dat zij met ruim agt honderd man den berg rond trekken La R: 58, La. B. B. art. 20. Ook zegt de Luitenant Gravenseijn dat een Maleitsche jonge, dien hij hadd uitgezonden om eenige narigt van den vyand te bekomen omstreeks zes uuren gerepporteerd hadt dat de vyand drie honderd man versterking van de boven landen hadt bekomen, volgens de gerugten die hij van eenige Lieden beneden in de negorij hadt ingetrokken La. B. § 38. Dat Luitenant GravenBeyjn, alzoo Capitein Swykhardt niet kon loopen, als hebbende niet tegenstaande de in het gevegt van den voorleden nagt bekomen kwetzuur van een kogel in de regter dije even boven de knie, meer dan 335 dan een Amaal op de beenen geweest /zelfs naar de meerge „noemde berg gegaan is, en dat de Bombardier Welsinn en Malentsche Sergeant Mhalim hem daar hebben aan „geweezen de plaats langs welke de vyand volgens hun zeggen ruim 5. â 600. - man sterk was rond getronken, en dat hy Gravensteyn toen ook nog min off meer 60. - man van deszelfs agterhoede langs dien weg hadt zien passeeren La. N. 818. en La. B3. 539. Maar de Maleitsche Sergeant Malem wil van dit groot getal niet weeten en zegt zoo wel bij Verklaaring als bij confrontatie niet meer als nu of meer twintig dan wel twintig â dertig man gezien te hebben La. Y. § 11. en La. B. B. artt: 16. en 17. En dewijl de Bombardier welsink zig hadt beroepen op de twaalf Maleitsche Militairen welke op dien tyd tot dekking der twee canons op den berg waren gesteld, zoo verhoorde de ondergetekende de Corporaal Darin en zes van die soldaten, alzoo van de overige zes, drie man met de schepen tot de bloquade van Slangenoor vertronken en drie Malaccasche soldaten als uit den dienst ontsla„ „gen zynde van hier vertrokken waren, welken Corporaal en ijf Soldaten zeggen, geen man van den vijand gezien, te hebben, schoon vook de Corporaal en een soldaat de reden daer van opgeeven La. B. B. art. 19. en La. C: C: art. 10., 11 en 12. Maar Corporael Darim verklaard dat zijn Sergeant hem gelast hadd te rapporteeren dat 'er veel volk, schoon onbepaald gezien was, en een soldaat dat hij na gissing, alzoo het donker wierdt tien man hadd gezien La. P: C: art: 12: Dat Luitenant Gravenstein met het gemelde berigt naar het fort by Capitein Swykhardt gegaan zynde by hun beide in overweegting en in aanmerkaing genomen was, dat het het gewelde detachement op den berg zeep ligt konde worden afge„ „sneden, dat de bezetting van Altingsburg bereeds zeer zoan was en door de verdeeling der menschappen nog meer ver„ „zwart wierdt, dat het over zulks raadzaamer was de ge„ „ringe magt die men hadt by elkanderen te houden, en dat zy daarom besloten hebben het detachement op den berg weder„ in te trekken, het metale canon na het fort te brengen als ook het yzeren, dog indien het te donker wierdt en zulks niet mogelyk was, dat laastgemelde stuk als dan te vernagelen La. A. 5 20. , La. B. § 40. vergeleken met La. B B. arV: 21. Dat Luitenant Gravensteyn vervolgens weder naar den berg is gegaan en dit besluit ter uitvoer heeft gebragt La. B. 841, La. A. &21, S. 820, en 4. § 13. Dezelfde Luitenant zegt ook dat het volk welke het . een ponder canon weder binnen bragten zeer onwillig en misnoegd waren geweest, dat zij meer als eens ver„ „klaard hadden dat zij liever in de lange ketting wilden loopen dan als soldaat by de Compagnie te werken, beroepende hij Gravensteyn zig dienaangaande op het getuigenis van den Vuurwerker zies, die zulks bekrag „tigd La. B. §42. en B. B. art. 26. Dat vervolgens de beide Officieren Swykhardt en Gravensteyn te zamen in het breede over de situatie waar in zij zig bevonden gesproken hebbende, en bij die gelegen„ „heid in agting genomen weezende de slegte gesreldheid en uitgestrektheid van het fort Altingsburg, het welk zij met het geringe aantal manschappen zelf niet bezetten veel minder wanneer het op meer dan eene zyde aange„ tadt wierdt defendeeren konden, de onmogelykheid om tot

NL-HaNA_1.04.02_8435_0869 view scan ↗

English

335 the reinforcement of Altingsburg by drawing some troops from fort Utrecht, which was likewise only weakly manned, without exposing that fort to the danger of falling into enemy hands at the first assault, and that one would then be surrounded on all sides and even deprived of any opportunity for a retreat; the weak, fatigued, and all too clearly demonstrated unwillingness to work throughout the entire day on the part of the Malay soldiers; the lack or scarcity of drinking water caused by the drought that had lasted for more or less fourteen days, and the fact that one could not reach the wells down at the mountain because of the enemy; the small supply of cartridges, there being—after cartridges were fully distributed to the men—only more or less twenty bundles in reserve, which had necessarily to be kept for defense during the retreat; for all of which reasons they resolved to abandon fort Altingsburg and depart for fort Utrecht, after previously spiking all the artillery, bringing the valuables and as much of the ammunition as possible to fort Utrecht, and destroying whatever could not be carried thither, La. A. §22, B. §15, C. §15 and 16, and B. B. art. 32: That the Fireworker Zies, having been spoken to about this by Captain Swykhart and Lieutenant Gravensteyn, and being told that as they saw no chance of offering further resistance against the number of the enemies who, according to the reports received from time to time, were advancing, what he thought thereof; he had answered that if they saw no chance of offering sufficient resistance, he, Zies, found himself even far less capable of doing so, having no more than two Europeans for all the artillery, and the ramparts moreover being in such a bad condition that he would rather face the enemy in the open field than on those ramparts, La. C: §13 and 16. Captain Swykhart declares that he subsequently asked the Malay Captain Rahim what he thought of the proposal to decamp, and that this Malay Captain answered that they could see for themselves how the men, who had been on their feet since the day before, in the attack of the past night, and by the manifold labor, were exhausted and needed rest; and Lieutenant Gravenstein says that, after asking Lieutenant Camin what they thought of the matter, he received as an answer: we are ready to fight, but the men are too weak to hold out, La. A. §25 and 26, B. §43 and 44, and La. BB. art. 27 and 28. That following this opinion received from these three persons, they then finally resolved to abandon the post, La. A. §26, B. §45 and 46 compared with La: BB. art. 26. But the Malay Captain Rahim and the same Lieutenant 337 Camin deny having given this aforesaid answer to those two officers, the former saying that, upon being asked by Captain Swykhardt, what is your opinion now, he had answered: what opinion other than that we must fight, as we have already done for one night; that Swykhardt had replied: how can we fight, the enemy is far too strong according to the report the Corporal brought me, and some of our men have also deserted; that Rahim had said in return: many or few, where shall we go; if we must fall here, patience, we shall die together; after all, we have already endured one night; that Swykhardt had then said: we shall simply go to fort Utrecht, and he, Rahim, had answered: as you command; and Lieutenant Camin says that Captain Swykhardt had asked him: how stands it now, Lieutenant, to which he had answered: we shall offer resistance as far as is at all possible; that Swykhart had said thereupon: it is true, we can offer resistance, but we are too weak and the enemy too strong, we will melt away and lose in the end, it is therefore nothing better than that we withdraw, spike the guns, and go to fort Utrecht; and that he, Camin, had answered thereto: it is well, my Lord has the command, La. T. §26 to 30, La. U. §30 to 33, and La. B. B. art. 29 and 30. On the other hand, the Fireworker Zies declares that he heard Lieutenant Camin say that that during the attack in the past night there had been only 37 men on the ramparts; that they willingly wished to fight as the Gentlemen chose, but that they were too weak and could not hold out, La. BB. art. 31. And since Lieutenant Gravensteijn, in his statement, gives as a reason for abandoning the fortress the all too clearly demonstrated unwillingness to work throughout the entire day on the part of the Malay soldiers and the lack of drinking water, the undersigned examined that Lieutenant on this point to obtain sufficient proof and demonstration of the truth, whereupon he, Gravensteyn, appealed in that regard to the Fireworker Zies and Bookkeeper Kreeft, both of whom, with respect to this first point, declared that they concurred with what Gravensteijn had deposed; and regarding the second point, where Gravensteyn says that they had suffered a long drought for days, and on the 28th of June no more could be gotten from the well than three galley kegs of water, the said Zies declared that he also had knowledge thereof, La. B. §45 and B. B. art. 32. And although this matter is contradicted by Ensign Pelon and Sergeant Malim, where they say that to their knowledge there was a lack of nothing, it is nevertheless also the case that they prove nothing, La. W. §15, Y. §19, and B. B. art. 33. That pursuant to the resolution taken to abandon Altingsburg, Captain Swykhardt had ordered the Fireworker Zies to immediately make a beginning with bringing down the ammunition, but that no more men could be obtained for this purpose than were solely necessary to [carry] four small kegs of powder

Dutch transcription

335 Ed versterving van Altingsburg eenig volr uit het uisge„ „lyks maar zwar bemande fort utrecht te trekken zonder dat fort bloot te stellen aan het gevaar om bij de eerste aanzanding in 's vijands handen te ver„ „vallen, en dat men dan rondsom ingesloten en zelfs van alle gelegenheid tot eenen aftogt verstoken zoude zijn, de zwar, vermoeid, en maar al te klaar den ganschen dag gebleken onwilligheid tot den arbeid der Maleitsche Militairen, het gebrek of schaarsheid aan drinkwater veroorzaekt door de min of meer veertien dagen lang geduurd hebbende droogte en men by de pukten beneden aan den berg wegens de vyand niet hadt kunnen komen, de geringe voor„ „raad van patroonen, als zinde na dat de patroonen aan het volk gecompleteerd waren maar min of meer twintig bosch in reserve die men noodzaakelijk dien„ „de aan te houden tot defensie bij den aftogt, om alle welke reden zy besloten hebben het fort Altingsburg te verlaten en naar het fat Utrecht te vertrekken, na bevoorens al het geschut vernageld, de constanten en zoo veel van de amunitie als mogelyk was naar het fort Utrecht gebragt en het geen men niet derwaarts kon brengen vernield te hebben La. A. §22, B. 815. , C. 815. en 16. en B. B. art. 32: Dat de Vuurwerker Zies door Capitein: Swykhart en Lute „naut Gravensteyn daar over gesproven en gezegd zynde, dat dewijl zy geen kons zagen langer resistentie te bieden tegen het getal der vyanden welke volgens de bekomen berigten van tyd tot tyd aangronden, wat hy daar van van dagt, deeze had geantwoord, dat bij aldien zy geen kans zagen tot het bieden van een genoegzaamen tegenstand hij zies nog veel minder zig daar toe in staat bevondt als hebbende by al het geschut niet meer dan twee Euro „peers, en zynde de wallen daaren boven in eenen zoo slegten staat dat hy liever in het vrye veld dan op die wallen den vyand zoude het hoofd willen bieden La. C: 8. 13. en 10. De Capitein Swijkhart verklaard dat hy ver„ „volgens aan de Maleitsche Capitein Bahum zoude hebben gevraagt wat deeze van het voorstel om op te breken dagt, dat die Maleitsche Capittein zoude geantwoord hebben, dat zij zelfs wel zagen hoe het volk dat sedert 's daags bevoorens op de beenen geweest, in de attaque van den voorleden nagt, en door het me„ „nigvuldige werk, vermoeid was en rust noodig hadt, en de Luitenant Gravenstein zegt, dat na gevraagt te hebben aan den Luitenant Camin wat zij van de zaak dagten, ten antwoord hadt bekomen wij zijn bereid om te vegten, dog het volk is te zwak om het uit te houden, La. A. §25. en 26. , B. § 43. en 44. en La. 83. B3. art: 27. en 28. Dat zij na dit ingekomen gevoelen deezer drie persoonen toen ofinaal geresolveerd hebben de post te verlaten La. A. 826. , B. §45 en 46 vergeleken met La: B63. art. 26. Maar de Maleitsche Capitein Rahim en dito Luite„ „naat 337 „nant Camin ontkennen dit bovenstaande aantvoord aan die beide Officieren gegeven te hebben, zeggende de eerste dat hy door Capitein Swykhardt gevraagd zynde wat is nu uw gevoelen, hij geantwoord hadt, wat gevoelen anders als dat wij moeten vegten gelik wij bereeds een nagt gedaan hebben, dat Swykhardt hadt gerepliceerd, hoe kunnen wij vegten de vyand is al te sterk volgens het rapport dat de Corpo„ „saal mij gebragt heeft, ook is volk van ons gedrost; dat Rahim by weder gezegt hadt, veel of weinig waar „zullen wij na toe, moeten wij hier sneuvelen, geduld, wij zullen te zamen sterven; wij hebben het immers bereeds een nagt doorgestaan, dat swykhardt toen gezegt hadt, wij zullen maer naar het fort Utrecht gaan, en hij Rahim hadt geantwoord, zoo als gij het ordon„ „neerd; En de Luitenant Camin zegt, dat Capitain wykhardt hem hadt gevraagd, hoe is het nu Luitenent dat hij hadt geantwoord, wij zullen tegen hand bieden zoo veel immers mogelyk is, dat swykhart daar op hadt gezegt, het is waar wij kunnen resistentie bieden doe wij zyn te zware en de vyand te sterk, wij zullen wegsmelten en het toe verliezen, het is der„ „halven niet beter dan dat wij wijken, de stukken vernagelen en naar het port Utrecht gaan, en dat hij Camin daar op hadt geantwoord, het is goed mijn Heer heeft te ordonneeren, La. T. § 26. tot 30. La. U. §30. tot 33. en La. B. B. art: 29 en 30. Daarentegen verklaard de Vuurwerker Lies, ge „hoord te hebben dat de Luitenant Camin gezegd heeft, dat dat er geduurende de attaque in de voorleden nagt maar 37. man op de wallen waren geweest, dat zij gaarne wilden vegten zoo als het de Heeren verkozen, maar dat ze te zwar waren en het niet konden uithouden, Loa. B363. art. 31. En dewijl Luitenant Gravensteijn bij zyn verklaaring als een reden tot de verlating der verttresse aangeeft, de maar al te klaar den ganschen dag gebleken onwillig„ „heid tot den arbeid der Maleitsche Militairen en het gebrek aan drinkwater zoo verhoorde de ondergetekende die Luitenant op dit stuk om een voldoend bewys en aantooning der waarheid te bekomen, als wanneer hij Gravendheyn zig dientwegen kwam te beroepen op den Vuurwerker zies en Boekhouder Kreeft, welke beide ten opzigte van dit eerste point verklaerden zig te confor „meeren met het door Gravensteijn gedeposeerde, en omtrent het tweede point daar Glavensteyn zegt, dat z„ sedert lange dagen droogte hadden gehad, en den 28. Iun niet meer uit de put te krijgen was geweest dan Vroe galey vaatjes met water; verklaarde gemelde zies daar van ook kennis te dragen, La. B. 845. en B. B. art. 32. En ofschoon dit stur door Vaandrig Pelon en Sergeant Malim wordt tegengesproken daar zy zeggen, dat met hun weeten aan niets gebrek was zoo is het egter ook dat zy niets bewijzen La. W. §15, 4. 5 19: en B. B. art. 33.— Dat ingevolge het genomen besluit om Altings bur te verlaten Capitein Swykhardt de Vuurwerker zies had belast, direct een begin te maaken met het afbrengen der amunitie, dog dat men daar toe geen volk meer hadt kunnen beromen dan eenlyk noodig was om vier vaatjes kruid

NL-HaNA_1.04.02_8435_0873 view scan ↗

English

339 to carry off gunpowder, Captain Swykhardt stating that he did indeed have Captain Rahim called at that time, but that the same could not be found, Lit. A. § 23. and 28, B. § 48. , C. § 18. , and Lit. B. B. art. 39. and 40. That Lieutenant Gravensteijn ordered Corporal Hendrik Bergman to take all the live cartridges in reserve along in one or two ballast baskets during the retreat to Fort Utrecht and to hand the same over to some soldiers for that purpose, Lit. B. § 50. That Captain Swykhardt had also ordered Fireworks Master Zies to have the cannons spiked, to destroy the ammunition that could not be carried off, to place burning slow matches by the gunpowder, and furthermore to ensure that nothing fell into the enemy's hands, and that Fireworks Master Zies had subsequently also reported to the Captain that each of these things had been properly executed. Lit. A. § 24. , compared with Lit. B. § 26 to 49 and Lit. C: § 17. However, since this point needs to be made somewhat clearer, it is established that of the 22 pieces of cannons that were in Fort Altingsburg, seven cannons on the flanks facing the land side were spiked by the Bombardier Ian Crombijn, and the thirteen pieces on the flanks facing Fort Utrecht, and two one-pounders on carriages in front of the Commandant's residence were spiked by Bombardier Izaak Welsink himself, and according to their testimony so well that these pieces could no longer be usable without being rebored, and that no native was capable of making the same usable again, Lit. C: § 47. Lit. I. § 22. and Lit. K. § 32. to 35. That That the pieces that were placed in the battery de Bruijn were spiked by Fireworks Master Zies himself, Lit. C: § 17. and S. § 23. Thus all the pieces in the fortress Altingsburg and the battery de Bruijn were spiked, which Lieutenant Gravensteijn declares to have seen himself, but it nevertheless also appears that they were not spiked as well as ought to have been done because there were no spiking bolts in stock, Lit. B. § 46. and 47. , Lit. A. § 45. , and C. § 17. but with respect to the four pieces in the battery of Braam, Fireworks Master Zies declares concerning this that he had recommended Gunner Jan Valentijn to spike those pieces, while from the statement that this person (being an old and sickly man) gives, it is sufficiently evident that he knows very little about what he performs or what is going on, as he says in that statement that he knew nothing of the abandonment of Fort Altingsburg, and noticing at the last that it was amiss, had also discovered that the garrison was gone, that having not a single nail he had not been able to spike the four pieces, as he otherwise, though having received no order thereto, would have done then; yet being confronted on this difference, this Gunner comes to testify that he did receive orders to spike the four pieces, but that he lacked the nails or spikes required thereto, Lit. L: § 17. , M. § 10. to 16. and Lit. B. B. art. 37. and 38. Regarding the ammunition supplies, it has been cited here before that no more than four small barrels of gunpowder were carried off, of which the cause is given by Captain Swijkhart to be that Captain Rahim had kept himself absent, and this Captain being examined about this, 371 examined about this, says concerning this that he was on the ramparts to place and keep his people at their posts, and acknowledges indeed that he had received orders from Swykhardt to provide people to carry off gunpowder, that he had looked for people but could find none since his people were all mostly sickly, Lit. A. § 28. and Lit. B. B. art: 39. and 40. And although Corporal Bergman says in his statement that Gravensteijn had ordered him to bring the remainder of the cartridges to him, and he had done so to the estimate of up to six hundred pieces, Gravensteijn having brought the same into his house and having said that he would destroy them, this is not plausible since of the 6 to 700 pieces that had been prepared, the soldiers having been doubly replenished, not 600 pieces could have remained. Since it had now been declared by Lieutenant Gravensteijn that the cartridges in reserve had consisted of more or less twenty bundles, and upon confrontation more or less 12 to 20 bundles, the undersigned interrogated the Malay Ensign Pelon, who had distributed the cartridges, who declared that having replenished the cartridges, he estimates there to have been 10 to 12 bundles in reserve, Lit. H. § 18. 19 and 20. , B. § 45 and Lit. B. B. art: 11. and 12. The soldier Ian Gallien also says that a basket with ammunition was brought to the cutter, Lit. O. § 27. Yet regarding the further ammunition, Captain Swijkhardt and Lieutenant Gravensteijn testify to have given orders to Fireworks Master Zies to destroy all the remaining

Dutch transcription

339 kruid af te brengen, zeggende Capitein Swykheirdt dat hy Capitein Rahim toen wel heeft laten roepen maar dat dezelve niet te vinden was geweest La. A. § 23. en 28, B. 848. , C. 518. , en La. B. B. art. 39. en, 40. Dat Luitenant Gravensteijn aan den Corporaal Hendrik Bergman heeft geordonneerd om alle de in reserve zynde scherpe partroonen in een of twee ballast mandjes in den aftogt naar het fort Utrecht mede te neemen en dezelve ten dien einde te overhandigen aan eenige Militairen La. B. § 50. Dat Capitein Swykhardt ook aan Vuurwerker zies hadt gelast de candus te laaten vernagelen, de amuni„ „tie die niet afgebragt kon worden te vernielen, bran„ „dende lonten by het kruid te leggen, en voorts te zor„ „gen dat niets in 's vyands handen kwam, en dat vuur „werker zies die Capitein vervolgens ook gerapporteerd hadt, dat het een en ander behoorlyk was geexecuteerd. La. A. 524. , vergeleven met La. B. 8 26 tot 49 en La. C: 517. Maar dewijl dit point wat klaarder dient te blyken zoo consteerd dat van de 22. ps. canons welke in het fort Altingsburg waren, zeven canons op de flanx na de landzyde door de Bombardier Ian Crombijn, en de dertien stukken op de flanx na het fort Utrecht, en twee een ponder op affuiten voor 's Commandants wooning door de Bombardier Izaak Welsink zelve zyn vernageld, en volgens hunne betuiging zoo goed dat deeze sturken niet zonder weder uitgeboord te worden verder bruin„ „baar waren, en dat geen inlander in staat was om dezelve weder bruikbaar te maaken La. C: §47. La. I. §22. en La. K. 532. tot 35. Dat Dat de stukken die geplaatst zyn geweest in de batterije de Bruijn door den Vuurwerker zies zelve zijn vernageld ge¬ „worden La. C: 8 17. en S. 5. 23 Dus alle de stukken in het fortres Altingsburg en de batterije de Bruijn vernageld zijn, het welk Luitenant Gravensteijn verklaerd zelf gezien te hebben, maar egter blykt ook dat dezelve zoo goed niet vernageld zyn als het wel behoorde te geschieden om dat 'er geen vernagelbouten in voorraad waren La. B. 8 46. en 47. , La. A. §45. , en C. 8. 17. maar ten opzigte van de vier stuiven in de batterij van Braam zoo verklaard de Vuurwerker zies dienaangaande dat hij de Canonnier Jan Valentijn heeft aanbevolen gehad die stukken te vernagelen, terwijl uit de verklaaring welke deeze persoon (zynde een oud en zieklijk man) geeft genoegzaam is op te maanen dat dezelve zeer wenig weet van het geen hij ver„ „rigt of wat er omgaat, alzoo hij bij die verklaaring zegt, van de verlating van het fort Altingsburg niets geweeten te hebben, en op het laast merkende dat het op zy zat, ook ondervonden hadt dat de bezetting weg was, dat hy geen eenen „hebbende spijker lasd. de vier stuuken niet hadt kunnen vernagelen, gelyk hij anders, schoon geen order daar toe bekomen hebbende, toen wel gedaan zoude hebben; edog op dit verschil die Canonnier geconfronteerd zynde zoo komt dezelve te betuigen wel last ontvangen te hebben om de vier stukken te vernagelen maar dat hem de daar toe benoodigde negels of spykers manqueerden, La. 2: 817. , M. 810. stot 16. en La. B. B. art. 37. en 38. Betreffende de amunitie goederen dienaangaande is hier vooren aangehaald dat 'er niet meer dan vier vaatjes bus„ „vruid zijn afgebragt geworden, waar van de oorzaak door Capitein Swijkhart gegeven wordt te zin, dat de Capitein Rahim zig absent hadt gehouden en die Capitein hier over„ onderhouden p 371 zynde onderhouden, zegt dien aangaande, dat hij op de wallen is ge „weest om zijn volk op kunne posten te stellen en te houden, en bekend wel dat hy order van Swykhardt hadt ontvangen om volk te geven om vruid af te brengen, dat hij na volk gezogt hadt maar geen hadt kunnen vinden vermits zyn volk alle meest zievelyjk was La. A. § 28. en La. B. B. art: 39. en 40. En ofschoon de Corporaal Bergman by zyn verklaaring zegt dat Graven Ateyn hem gelast hadt het restant patzoonen 6 bij hem te brengen, en hy zulks na gissing tot zes honderd Sps. gedaan, Gravensteijn dezelve in zijn huis gebragt en gezegt had:t dezelve te zullen vernietigen, zoo is dit niet aanneemelyk wijl 'er van de 6 â 700. –. ps. die aangemaakt waren de Militairen dubbeld gecomple„ „teerd zinde geworden geen 600. –. ps. konden overschretten, Daar nu door de Luitenant GravenReyn was ver„ „klaard dat de in reserve zynde patroonen bestaan hadden in min of meer twintig bosch, en bij confronta„ „tie min of meer 12. –. â 20. –. bosch, zoo verhoorde de ondergetekende de Maleitsche Vaandrig Pelon die de patroonen hadt uitgedeeld, welke verklaarde dat hy de patroonen gecompleteerd hebbende gist in reserve geweest te zin 10. . â 12. bosschen La. H. S. 18. 19 en 20. , B. § 45 en La. B. B. art: 11. en 12. Oon zegt de soldaat Ian Gallien dat een mand met amunitie aan de kotter is gebragt La. O. §27. Dog wat aanbelangd de verdere amunitie zoo ge„ „tuigd Capitain Swijkhardt en Luitenant Gravenseger order gegeven te hebben aan de Vuurwerker Zies om al het over schretende

NL-HaNA_1.04.02_8435_0876 view scan ↗

English

to destroy by shooting and to lay burning matches in the gunpowder chests at the end, so that nothing would fall into the enemies' hands, and that this fireworker had also reported that the one and the other had been executed, Letter A §24, and B 849. And persisting in this aforementioned statement upon confrontation, the Fireworker Zies comes to depose in that regard, that he had asked Captain Swykhardt what had to be done with the other gunpowder, whether burning matches should not be laid with it, but that it was answered to him by the said Captain that such was not necessary because the enemy would then discover their retreat too quickly, Letter BB art. 34 to 36. That also by order of Lieutenant Gravensteyn a chest wherein was Company's cash was removed, and brought into the cutter De Ondernemer, which has been received here. That after the one and the other had been carried out, the Captain and Lieutenant of the Malays were ordered to draw in the posts and to have their people assemble together, as well as to warn that they would withdraw, just as a similar order was given to the Fireworker Zies, and the Surgeon François du Paij was notified thereof by the Soldier Ioan Gallien as also by Corporal Bergman, Letter A §40 and 41, B 851, P 526, O §23, and Letter H §15. Herein Captain Rahim differs again, who says he did not receive any order to warn their people for the retreat, but the Lieutenant Camin acknowledges this and says that the same was also carried out; however they both do not know how it happened that the two soldiers, according to their own statement, only arrived at Fort Utrecht after midnight, since at the retreat all their people were together, so they suppose that they must possibly have fallen asleep, Letter T §38, Letter U §38, and BB art. 43 and 44. That the Surgeon du Paij and a Sepoy soldier (who had previously been assigned to him as an assistant by Lieutenant Gravenseijn) remained in Fort Altingsburg, and that upon being warned by various people that the fort was to be abandoned, he had answered that he was sick and could not walk, Letter A §39, 42, and 42½, Letter B 852, C §24, K 552, and Letter O §23. And although Corporal Hendrix Bergman in his statement Letter H §23 to 29 gives a detailed account as if that Surgeon and Sepoy had come with him into Fort Utrecht, this is nevertheless not plausible, but rather to be thought that his advanced age and sickly state have made him imagine this, as indeed also appears from his account §4, where he says he heard that on 27 Iuni, thus the day before the attack, a Sergeant and six soldiers had gone missing, while the missing of a Sergeant and five privates occurred the day thereafter, just as also his account given in that statement §35 appears very absurd, which according to Letter U §42 is also contradicted, so that his statement will not well be able to be sworn under oath. In like manner one finds the situation with the Gunner Ian Valentijn; Captain Swykhardt says in his statement Letter A §43, that retreating through the battery of Braam, the garrison of that battery then retreated with them to Fort Utrecht or followed immediately thereafter, and this Ian Valentyn in his statement Letter M §10 to 14 gives a completely opposite, yet also very self-contradictory account regarding that he was allegedly warned by no one; for if he saw the retreat and thereafter, finding no one, sent two sick men under him after them as he himself says, then he must not be in his right mind if he wants to pretend ignorance. After the undersigned had drawn this up thus far and summoned the Sepoy Corporal Ramlingom to him to inquire how the Sepoy who remained with Du Paij was named, the same declared that two more Sepoy soldiers had moreover remained in Fort Altingsburg, but that he did not know how this had happened, the one being so severely sick that he was practically dying, and the other blind. The persons remaining in Fort Altingsburg are four head, namely: François du Paij, Surgeon, Palani Tanjoet, Rama Tanjoet, Sepoy Soldiers Achamat Maskat. That subsequently, at about half past eight o'clock, the garrison left Fort Altingsburg, passed the battery of Braam, climbed down the mountain there, went along the seashore to Fort Utrecht, and there, at about nine o'clock

Dutch transcription

„schietende te vernielen en brandende lonten in de kruid„ einde „kisten te leggen ten „ niets in der vijanden handen viel en dat deeze duurwerker ook rapport hadt gedaan dat het een en ander was geexecuteerd La A. §24, en B. 849. — En bij deeze voorschreven verklaring bij confron „tatie persisteerende, komt de Vuurwerker zies dien „aangaande te deposeeren, dat hy aan Capittein Swyk „hardt gevraagd hadt wat met het ander kruid moest worden gedaan, ofer geen brandende lonten moesten bi gelegd worden, maar dat hem door gemelde Capitein ge „antwoord was dat zulks niet noodig was wyl de vijand hun retiraite dan te schielyk zoude ontdekken, La B B. arv. 34 tot 36. Dat ook op order van Luitenan't Gravensteyn een „ in kistje waar „ Comps. contanten, af, en in de kokter de Onderneemer is gebragt geworden, het welke hier is ont „vangen. Dat na dat een en ander was verrigt de Capitein en Luitenant der Maleyers gelast was de posten in te tren en hun volk bij elkanderen te doen komen, mitsgaders te waarschouwen dat men zoude aftrekken, gelyk aan den Vuurwerker zies even zoodanige order gegeven en de Chirurgyn François du Paij door de Soldaat Ioan Gallien als ook door Corporaal Bergman daar van kennisse gegeven was La. A. §40. en 41. , B. 851. , P. 526, O. 5 23. en La: H. § 15 Hier in verschild wederom Capittein Rahim dewelke zegt, geen order om hun volk tot den aftogt te waarschouwen te 343 te hebben ontvangen, maar de Luitenant Camin erkend zulks en zegt dat hetzelve ook uitgevoerd is, egter weeten zy beide met hoe het komt dat de twee soldaten na middernagt volgens hun eigen verklaaring, eerst in het fort Utrecht zyn aangekomen, wijl by den afzogt al hun volk by den anderen was, dus zy onderstellen datze mogelijk in slaap gevallen moetten zyn, La. T. § 38 La. U § 38 en BB. art. 43. en 44. Dat de Chirurgijn du Taij en een Pipaische soldaat, (welke door Luitenant Gravenseijn hem bevoorens ter hand „langing was gegeven) in het fort Altingsburg gebleven zyn, en datt hy door diverse Lieden gewaarschouwt wordende dat men het fort verlaten zoude geant„ „woord hadt dat hy ziek was en niet loopen, kon, za. A. §39, 42. en 42½, La B. 852, C: 8 24, K 552, en La. O. §23. En offschoon de Corporaal Hendrix Bergman bij zijn Verklaaring La. H. §23. tot 29. een omstandig verhaal doet als of die Chirurgijn en Sipaij met hem in het fort Utrecht zoude zyn gekomen zoo is dit egter niet aan „neemelyk maar eer te denken dat zin hooge onder„ „dom en ziekelijke staat hem dat hebben doen verheelden zoo als immers ook uit zyn relaas §4. komt te blyken daar hij zegt gehoord te hebben dat den 27. Iuni dus 's daags voor de attaque een Sergeant en zes soldaten absent geraand waren, terwijl de abient raaking van een Sergeant en vyf ge„ „meenen 'sdaags daar aan is voorgevallen, gelyk oom zeer absort te vooren komt zyn relaas bij die Verklaaring § 35. gedaan dat volgens La. U. §42, ook is tegengesproken, dus zyn verklaaring niet wel zal kunnen worden beeedigt Ingelyker voegen vindt men het gesteld met de Cononneer Ian Ian Valentijn; Capattein Swykhardt zegt in zijn verklaaring La. A. § 43. , dat hij door de batterije van Braam aftrekken „de, de Bezetting van die batterij toen met hun naar het fort Utreeht afgettrouken of aanstondt daar op gevolgd was, en deeze Ian Valentyn geeft by zyn verklaaring La. M. §10. tot 14. een geheel tegengesteld, dog ook zig zelve zeer tegen„ „spreekend Belaas wegens dat hy door niemand gewaarschouwd zoude zyn, want heeft hy de aftrenking gezien en daar na niemand vindende twee onder hem zynde zeeken nagezonden zoo als hij zelve zegt zoo moet hij niet bij zinnen zyn als hij onweetendheid wil voorwenden Na dat de ondergetekende deeze dus verre hedt op„ „gesteld en de Pijoaische Corporaal Ramlingom bij zig ontbood om te verneemen hoe de bij Die zaij gebleven Sipai was genaamd, verklaarde dezelve dat nog twee, Pipaische Soldaten bovendien in het fort Altingsburg gebleven waren maar dat hij niet wist hoe zulks was toegekomen, zynde de eene zoo zwaar zier dat hy als op het sterven lag, en de andere blind. De in het fort Altingsburg verbleven persoonen zyn vier koppen, als François du Paij, Chirurgijn, Palani Tanjoet,. Rama Tanjoet, Tipaische Soldaten Achamat Maskat Dat vervolgens na gissing half negen uuren de Bezettelinge het fort Altuigsburg verlaten, de batterij van Braam ge„ „passeerd, aldaar de berg afgeklommen, langs het Zeestrand naar het fort Uetracht gegaan, en daar na gissing negen uuren

NL-HaNA_1.04.02_8435_0879 view scan ↗

English

hours had arrived La. B. § 52 and 53. D. 530. and z. Captain Swyckhardt declares that upon arriving at fort Utrecht he found the Malay Captain Rahim already lying on the bunk with the Malay Captain Oesoph, La. A. § 30. That Captain Swyckhardt subsequently, by means of a note written by Bookkeeper Kreeft to the Master of the cutter de Onderneemer, had orders sent to come down immediately and anchor below fort Utrecht, and that this note was dispatched in a prahu by Corporal Boepon and two soldiers, Dul and Bahan, to the said cutter, but that those men returned, claiming that on account of the multitude of prahus coming down the river and from the other side, they had not reached the cutter, and that a shot had even been fired at them, La. A. § 31 and 32, P. § 21. and La. Z. That subsequently Corporal Bire and two Soldiers, having been sent away with that note, likewise returned without accomplishing their mission, La. A. § 33. and La. P. § 22. That thereafter the Batavian Malay Soldier Moestakim, having been sent out with two soldiers, delivered and handed over the note to the Master of the said cutter, and that they, immediately coming down with the same, heard on the way that people called out to them from the opposite bank of the river, drop anchor, drop anchor, but that on account of the darkness they had seen no one, and after the Master had fired a shot of grape and a musket ball at them, heard no one further until until he came down or near the mouth of the river, when he first heard people talking again on the opposite side of the river, La. A. § 12. and 13, and 6. § 22 to 29. Subsequently Captain Swyckhardt declares that being exhausted from watching and the pain from his wounds, which had not been dressed the entire day, he lay down to rest a little on the bunk of Bookkeeper Kreeft, yet after having rested for about three quarters of an hour got up again and went out of the house, that he then, to his astonishment, saw that Bookkeeper Kreeft, the Malay Captain and Ensign stationed in Altuigsburg, and a large portion of the men, without having obtained any prior order thereto from him, had already boarded a Pegu sloop lying in the mouth of the river, and that the others were also busy making their way thither: That he, Captain, having previously intended to hold the post in fort Utrecht, then, as well because of the departure of the aforementioned, as because they had already had no water in the fort the entire day and could also not obtain any, since the drinking water had to be fetched from a spring situated behind the mountain near 't koningsdalm, because the water provided by a well at Utrecht was brackish, together with Lieutenant Gravensteyn and Fireworker Zies, out of necessity had to decide also to abandon fort Utrecht and embark upon the cutter de Onderneemer, La. A. § 34, 35. and On the other hand, Bookkeeper Kreeft declares that he had asked Captain Swyckhardt and Lieutenant Gravensteyn what what they were now intending to do, and whether they wanted to hold the post in Utrecht, but that Gravensteyn in the hearing of Swyckhardt had answered, no, we must depart for Malacca, which conversation Captain Swyckhardt denies having heard, La. D. § 33. and La. B. B. art. 46. and 47. Yet regarding the drinking water, Kreeft confirms the statement of Swyckhardt, in so far as very little water remained and subsequently ran out entirely, and also that it had to be fetched daily from far away near 's konings dal, La. D. § 37. and 38. And Lieutenant Gravensteyn says in his declaration that having arrived in fort Utrecht they had made known to Bookkeeper Kreeft and the Malay Captain stationed in that fort that after the artillery would be spiked and the ammunition destroyed they intended to embark upon the cutter de Onderneemer and a Pegu sloop then lying in the mouth of the river, La. B. § 54 and B. B. art. 45. That subsequently a Sergeant was sent to the Pegu sloop with orders to the Pegu Master Pedro Martinus that he had to take men aboard his vessel, La. F. § 16. and G. § 15. That after these two vessels were ready, the cash and four small barrels of powder were sent and brought to the cutter, La. N. § 37., B. § 61., E. § 38., and F. § 17. That meanwhile Captain Swyckhardt gave orders to spike the cannon in Utrecht and hang burning slow matches in the powder chest, and that this was also carried out, La. A. § 37. and C. § 23. Then, in order that this matter should appear more clearly, it is established that Bombardier Philip Wederdorp 5 pcs. and Gunner Ian Valentijn 7 pcs. of cannons in that fort itself, and so

Dutch transcription

345 uuren aangekomen waren La. B. § 52 en 53. D. 530. en z. Capitein Swynhardt verklaard dat hij in het fort Utrecht komende dat Malertsche Capitein Rahim bereeds op de kooye by de Maleitsche Capittein Oesoph hadt vinden leggen, La. A. § 30. Dat Capitein Swykhardt vervolgens met een briefje door den Boekhouder Kreeft geschreven aan de Gezaghebber van de kotter de Onderneemer heeft laaten gelasten om direct af en onder het fort Utrecht ten anker te komen, en dat dit briefje met een prauw door den Corporaal Boepon en twee soldaten Dul en Bahan na de gemelde kotter is afgezonden maar dat die manschappen te rug gekomen waren, voor „geevende dat zy wegens de menigte der prauwen die het rivier af; en van de overzyde kwamen, de kotter niet hadden gekregen, en dat 'er zelfs een schot na hun gedaan was La: A. § 31 en 32, P. §21. en La. Z. Dat vervolgens de Corporaal Bire en twee Soldaten „met dat brieffje weggezonden zynde mede onverrigter 't zaaken was te rug gekeerd Za. A. §33. en La. P. § 22. —. Dat daar na de Bataviasche Maleitsche Soldaat Moestakim met twee soldaten afgezonden zynde het briefje gebragt op, en overhandigd hebben aan de Gezag„ „hebber van de genoemde kotter, en dat zij met dezelve daar op ook direct afkomende onderwage gehoord hadden dat van de overzijde van de rivier hun toegeroepen wierdt, gaat ten anker, gaat ten anker, maar dat zij wegen de donkerheid geen mensch hadden gezien, en na dat de Gezaghebber een schot van een druiff en een kogel naar hun gedaen hadt, geen mensch verder gehoord hadt tot dat dat hij beneden of omtrent de mond der rivier gekomen werd wanneer hij eerst weder menschen aan de overzyde der rivier hadt hooren praaten La. A. 812. en 13, en 6. 822 lb 29. Vervolgens verklaard de Capitein Swykhardt dat hij door het waken en de pijn aan zyn wonden, die den gan„ „schen dag niet verbonden was geweest, afgemat zynde, zig op de kooye van den Boekhouder Kreefft wat te kussen gelegd hadd, dog na omtrent drie quartier gelegen te hebben weder opgestaan, en uit het huis gegaan was, dat hij toen niet dan tot zijn verwondering gezien hadt dat de Boekhouder Kreeft, dig in Altuigsburg bescheiden geweest zynde Maleitsche Capitein en Vaandrig en een groot deel der menschappen, zonder bevoorens eenige last daar toe van hem bekomen te hebben hun bereeds begeeven hadden aan boord van eene in de mond: der rivier leggende Regusche sloep, en dat de andere ook bezig waren zig naar derwaarts te begeeven: Dat hij Capitein bevoorens geintentioneerd geweest zynde in het fort Utrecht te blyven post houden, toen, zoo uit hoofde van het vertren der voorschreven, als om dat men den ganschen dag bereeds geen water in het fort ge „had hadt en oor niet bekomen kon, als moetende het drin „water gehaald worden uit eene quel agter de berg bij 't koning dalm gelegen, dewijl het water dat eene bij Utrecht zig bevin „dende put gaff, brak was, benevens de Luitenant GravenHog en Vuurwerker zies uit noodzaakelykheid hadden moeten besluiten om ook het fort Utrecht te verlaten en zig op de kotter de Onderneemer te embarqueeren La. A. 834, 35. en Daarentegen verklaard de Boekhouder Kreeft dat hij aan Capitein Soephardt en Luistenant Geeventeyn had gevran„ wat 347 wat zij nu geintentioneerd waren, en of zij in Utrecht wilden blyven post houden, dog dat Gravensteyn ten aanhooren van Swykhardt hadt geantwoord, neen wij moeten naar Malacca vertrekken, welk gesprek Capittein Swikhardt ontkend ge„ „hoord te hebben La. D. §33. en La. B. B. art: 46. en 47. . Dog wegens het drinkwater doet kreeft het gezegde van Swijkhardt gestand, in zoo verre dat 'er zeer weinig water re„ „stant was en vervolgens geheel opzaakte, en ook dat het verre af bij 's hondings desen dagelyks moest worden gehaald La. D. & 37. en 38. En Luitenant Gravenstein zegt in zyn verklaaring dat zij in het fort Utrecht gekomen weezende aan den Boek„ „houder kreeft en den in dat fort bescheiden zijnden Maleit„ „schen Capitein hadden te kennen gegeven dat men na het geschut zoude weezen vernageld en de amunitie vermeld geintentioneerd was zig te embarqueeren in de kotter de Onderheemer en eene toen in de mond der rivier leggende Pegusche sloep La. B3 § 54 en B. B. art. 45. —. Dat vervolgens een Sergeant gezonden was naar de Regu„ „sche sloep met order aan de Regusche Gezaghebber Pedro Mar„ „tinus dat hy volk in zyn vaartuig moest neemen La. F. . 816. en G. 8 15. Dat na deese beide vaartuigen gereed waren de contanten en vier vaartjes kruid na de kotter gezonden en gebragt geworden zyn, La. N. 537. , B. 561. , E. § 38. , en F. § 17. Dat intusschen Capittein Swykhardt order heeft gesteld om het canon in Utregt te vernagelen en brendende louten in de kruitkist te hangen, en dat dat oor is volbragt, La. A. 537. en C. 823. Dan alzoo dit stux duidelyker diend te blyken zoo con„ „steerd dat de Bombardier Philip Wederdorp 5. ps. en de Canonneer Ian Valentijn 7. –. ps. canons in dat fort zelve, en zoo

NL-HaNA_1.04.02_8435_0882 view scan ↗

English

as the cited witnesses have spiked all the cannon and both named persons hung a burning match in the powder chest Lit. F. § 19, Lit. K § 45 and 46, L. 48, 10, and 13, and Lit. M. § 18 and 19. It also fully appears that the powder chest exploded some time thereafter, Lit. F. § 21, K § 27, L. § 15, M. § 22 and N. § 18. However, concerning the three pieces of cannon that lay on the ground in that fort, the Bombardier Wedderdorp states that those pieces, to his knowledge, were the only ones that remained unspiked, although the Fireworker Zies declares that, having received the orders to spike the pieces, he also ordered the same to the Bombardiers Herkes and Wederdorp, who had reported it to have been done, but that he did not know whether that order was carried out or not, Lit. L. § 14 and B.B. art. 48. Furthermore, that the same night, estimated at three o'clock, the embarkation of the garrison proceeded; that Captain Swykhardt, Lieutenant Gravenreijn (who meanwhile had fallen ill), Fireworker Zies, and a portion of the men embarked on the cutter De Ondernemer, and Bookkeeper Kreeft with most of the Malay officers and the remaining people on the Peguan sloop, Lit. A. § 37, B. § 58, and Lit. D. § 36. That this embarkation being completed, estimated at five o'clock, both vessels set sail, and having advanced a good distance out to sea, some shots were fired from the hill, though concerning this the depositions differ considerably, as appears from Document Lit. E. § 42, F. § 21, S. § 32, O. § 25 and 26, R., and several others. That while the embarkation took place, at the request of the Peguan commander, permission was granted to him by the Bookkeeper Kreeft to take along from the shore two swivel guns belonging to that Bookkeeper, and that Captain Swykhardt also had a small barrel of gunpowder handed over to that commander, since that commander had neither ordnance nor powder on board. The undersigned hopes that he has complied with the resolution of Your Right Honorable and Worshipful Sirs, and styles himself with respect (at the foot) Right Honorable and Worshipful Sir and Sirs (lower) Your Right Honorable and Worshipful Sirs' humble servant (signed) F. Thierens (in the margin) Malacca the 19th of August 1785. Minutes, being a continuation of the Report submitted on the 19th of August 1785 and presented on the 29th following in the Council of Policy here by the Fiscal Francois Thierens, concerning the investigation conducted into the reasons and motives of the general evacuation previously carried out on the 28th of June at Selangor by the Military Captain Gerardus Swykhardt, who during his presence there held the command over the militia and artillery, and such other persons as are responsible for the abandonment of that place. After the undersigned Fiscal was ordered by the Council of Policy by resolution of the 29th of August last to perform his office and duty against the Military Captain Gerardus Swykhardt, who during his presence at Selangor held the command over the militia and artillery, together with such other persons as are responsible for the abandonment of that place, as appears from Extract No. 2, there was at the same time returned to him his Report submitted in that meeting together with the documents appended thereto according to the Register, concerning the provisional investigation conducted into the course of events and the circumstances of affairs, both before and after the attack on Fort Altingsburg there undertaken, though repelled, during the night between the 27th and 28th of June last by Radja Brima and his faction, as well as into the causes and motives of the subsequent general evacuation of the garrison there, submitted herewith under No. 3, and handed over to him the extracts and copies attached hereto, marked with No. 4 to 40 inclusive and No. 51 and 52; by virtue of which order the undersigned requested and obtained from the Lord President of Justice here the secure military arrest without any access of the aforementioned Military Captain Gerardus Swykhardt, as having lately, and the Military Lieutenant August Gravenreijn, as having previously held the command at Selangor, together with the Extraordinary Fireworker Frans Joseph Zies, as having had the supervision over the artillery and ammunition, and the Bookkeeper and Second Daniel Maximiliaan Kreeft, as having held the command in Fort Utrecht, as well as the seizure of all their property after the same should be properly inventoried, as appears from Document No. 41. But

Dutch transcription

zoo als de aangehaalde attestanten al het canon hebben vernageld en dat beide genoemde persoonen een brandende lont in de kruidkist gehangen hebben La. F. 819. La. K 545 en 46, L. 48., 10. , en 13. en Za. M. & 18. en 19. Oon blykt volkomen dat de kruidkist eenigen tyd daar na gesprongen is, La. F. 5. 21. K 827. L. 815. , M. 822 en N . 818. Maar aangaande de drie ps. canon die op de grond in dat fort gelegen hebben zegt de Bombardier Wedderdorp dat die stukken met zyn weeten eenlyk onvernageld ge¬ „bleven waren, schoon de Vuurwerker zies verklaard dat hy de orders tot het vernagelen der stukken bekomen hebbbende zulks ook aan de Bombardiers Herkes en Wederdorp geordonneerd heeft, welke gerapporteerd hadden hetzelve te zyn geschied, dog dat hij niet wit of die order volbragt was dan niet La. L. 8 14. en B. B. art: 48. — Voorts dat diezelfde nagt na gissing drie uuren de in„ „scheeping van de Bezettelingen voortgang heeft gekregen, dat Capithein Swykhardt, Luitenant Graven Reyjn, (welke intus„ „schen zier geworden was / Vuurwerver zies en een gedeelte der manschappen op de kotter de Onderneemer en Boek„ „houder Kreeft met de meeste Maleitsche Officieren en het overige volk op de Legusche sloep zig geembarqueerd hebben La. A. §37. , B. 558. , en La. D. 536. Dat deeze inscheping na gissing vijf uuren volbragt zynde, die beide vaartuigen onder zeil gegaan en een goed stux op zee gevordert zynde, eenige scheten van den berg waren gevallen, dog hier omtrent verschillen de atte„ „staaten merkelyk als blykt by Acte La. E. 842. , F. 321, S. 032 O. 8 25 en 26. , R. en meer anderen. Dat 349 Dat onderwijlen de inscheping geschiede, op verzoek van den Peguschen Gezaghebber, door den Boekhouder Kreeft aan denzelven toegedtaan is om twee rantakken dien Boekhouder toebehoorende van de wal mede te neemen, en dat Capitein Swykhardt dien Gezaghebber ook nog heeft laaten afgeeven een vaatje buis„ „kruid alzoo die Gezaghebber geen geschut nog kruid aan boord hadt. De ondergetekende verhoogst dat hij aan het besluit van Uwel Edele Gestr. en Heeren zal hebben voldaan, en noemt zig met eerbied /onderstond/ Wel-Edele Gestrenge Heer en Heeren /lager/ Uwer Wel Edele Gestr: en Heeren onderdaenige Dienaarts /getekend / F: Thierens /in margine / Malacca den 19. Augs. 1785. ii Verbaal zynde een vervolg van het op den 19. Augs. 1785 overgegeven en den 29. daar aan in Raade van Politie alhier ingediende Berigt van den Fiscaal Francois Thierens, wegens het gedaan onderzoek na de reden en motieven der op den 28. Juni bevoorens gedaane generale opbrake te Slangenoor door den Capittein Milittair Gerardus Swykhardt, die geduurende zyn aanwezen aldaar het commande „„ment heeft gehad over de Militie en Artillerije, en zoodenige andere persoonen als voor de verlating van die plaats responsabel zyn Na dast: de ondergetekende Fiscaal door den Raad van van Politie bij besluit van den 29. Augs. laastleden gelast geword„n was zyn ampt en pligt te betregten tegen de Capitein Mi „litair Gerardus Swykhardt, die geduurende zijn aanweezen te Plangenoor het commandement heeft gehad over de Milita en Arthillerije, nevens zoodanige andere persoonen, dewelve voor de verlating van die plaats responsabel zyn, blykens Extract No. 2. , wierdt hem teffens te rug gegeven, zyn in die Ver„ „gadering ingediend Berigt nevens de daar by overgelegde Run volgens Register, wegens het provisioneel gedaan onderzoek na den toedragt en de omstandigheden van zaaken, zoo voo als na de snagts tusschen den 27. en 28. Iuni laastleden door Radja Brima en zynen aanzang ondernomen dog afgeweerde attaque op het fort Altingsburg aldaar, mitsgaders na d oorzaaken en metiven van de daar op gevolgde generale op „brake van de bezetting ginder, hier bij overgelegd onder No„ en hem ter hand getsteld de hier nevens gevoegde Extracten en copiën gequoteerd met n. o 4 tot 40. inclusive en No. 51 en uit hoofde van welke order de ondergetekende van den Heer President van Iustitie alhier verzogt en obtineerde verzekerd militair arrest zonder eenig acces van den voor„ „schreven Capitein Militair Gerardus Swykhardt, als laast en den Luitenant Militair August GravenReyn, als bevoo „rens, het commandement te Slangenoor gehad hebbende nevens de Extraordinairen Vuurwerker Frans Joseph Zied als het opzigt gehad hebbende over de Artellerij en amunit en de Boekhouder en Secunde Daniel Maximiliaan Kreeft, als het commandement in het fort Utrecht waarg „nomen hebbende, mitsgaders arrest op alle hunne goederen na dat dezelven behoorlijk zouden zijn geinventariseerd, blij „keus Acte N. o 411. Maar 52. _o

NL-HaNA_1.04.02_8435_0885 view scan ↗

English

351 But since these goods of theirs, consisting mostly of real estate and slaves, could not be preserved by the Petitioner without danger, the undersigned requested and obtained authorization that the same be sold ad opus jus habentium, as appears from Deed No. 42. After the annexes of these documents cited under No. 3 had been put in forma probanti, the undersigned heard not only the aforementioned arrested persons, but also various other persons, in order to discover the truth of what they had attested in all respects; and from those records which are submitted herewith under No. 53 to 64, the undersigned has drawn a brief demonstration and reduced it to the following eight main points, namely: The Condition of the Fortress The same, both the ramparts and everything else, has been in a very poor condition, both from the arrival of Lieutenant Gravensteyn until the time of the abandonment of Slangenoor, and, as that Lieutenant himself declared in deed No. 57 in the verification, addition to article 1, in such an utterly desolate state that not even one hundred good laborers could have brought it into a defensible state within a period of six months; but this assertion is not sufficient, for had he palisaded the fortress with tree trunks, which he certainly could have done, just as many other Company fortresses are constructed, he could have brought it into a proper state of defense in a much shorter time. And since he says in that same 1st article of No. 57 that he, having immediately informed the Government here of this poor condition, etc., was answered that no heavy expenses were to be incurred, because they had not yet received a positive instruction from Batavia as to whether Slangenoor would be maintained, it is evident from this that the Lieutenant does not act in good faith, or misapplies what was written to him, because from the accompanying Extracts No. 7 to 22 it is fully evident that he was indeed instructed to observe that frugality, but this was upon his request to build a new warehouse and to receive the necessary materials for it from here. But this could never have had any bearing, and indeed never had any bearing, on the fortifications or ramparts, which he absolutely and above all else should have brought into such a state that he and the souls placed under his care were secure within them; on the contrary, the Council of Policy here had to conclude from his letter, Extract No. 14, and from that of him and his second-in-command, Extracts No. 16 and 17, that everything was being and had been brought into a defensible state, although it now turns out afterwards that all those improvements consisted in the repairing of a few collapsed holes, as was testified in deed No. 56, article 12, No. 57, articles 1 and 6, No. 59, articles 1 and 8, No. 60, articles 4 and 14, and No. 62, articles 4 and 11. It is indeed evident from the obtained documents that much work was done on the orders of Lieutenant Gravensteyn, such as the construction of barracks, dwellings, a warehouse, a powder magazine, a galley, and the carrying up of artillery, ammunition, 353 ammunition, provisions, wood, stone, tree trunks, and the like; nevertheless, it should have been ensured above all else that the fortresses were brought into a defensible state, so the poor condition of the ramparts is to be attributed to his own improper conduct. And as regards the statement of Captain Swykhardt in Deed No. 58, article 1, that in his Instructions he was not in the least ordered to conduct an investigation into the condition of the fortifications, he thereby wishes to cast that matter off himself and lay it upon the shoulders of Lieutenant Gravensteyn, as is fully evident from the 7th article of that deed; but although he was only there for a short time, he had surely been sent thither upon the written report of the Commandant and second-in-command that hostilities might take place, and upon which writing the necessary orders had been given to those officials; Captain Swykhardt had also been given notice of the march of Radja Beima of Sahan, probably towards Slangenoor, as appears from Extract Instruction No. 36; therefore, it was indeed his primary duty upon his arrival to investigate whether the fortresses were proper and defensible, and if not, that they be brought into a good state as soon as possible, for which no expense should have been spared according to the authorization that had been given to the Commandant and second-in-command, No. 31, of which Swykhardt was aware, see No. 58, articles 3 and 5. And although Captain Swykhardt, in the aforementioned deed No. 58, article 5, answers that he did not receive the letter to the Commandant and

Dutch transcription

351 Maar dewijl deeze hunne goederen, als meest in vaste „ goederen en sslaven bestaande door den Requester zonder E perinel niet konden worden bewaard verzogt en verkreeg de ondergetekende qualificatie dat dezelve ad opus „ jus habentium wierden verkogt, blykens Acte No. 42. Na dat de „ bijlagen deezes onder n. o 3. aangehaalde documenten in forma probanti gebragt waren, heeft de ondergetekende niet alleen de voormelde gearre„ „deerde, maar ook diverse andere persoonen gehoord, om de waarheid van het door hun geattesteerde in allen te ontdekken en uit die bescheiden welken deezen onder n. o 53 tot 64. worden overgelegd heeft de ondergetekende een korte demonstratie getrokken en dezelve gebragt tot de ondervolgende agt hoofdpunten, te weeten De Gesteldheid der Fortresse Dezelve en zoo wel de wallen als alles zyn in een zeer slegte gesteldheid geweest, zoo van de komste van Luite„ „tenant Gravensteyn af, als tot den tyd van de verlating van Slangenoor, en, zoo die Luitenant zelve verklaard bij acte n. o 57. in het recollement, ampliatie op art: 1. in zulk een allerdesolaatste staat dat geen een honderd goede arbeidslieden dezelven binnen een tyd van zes maanden in een defensiven staat zouden hebben kunnen brengen, maar dit zeggen is niet voldoende, want hadt hy de fortresse met nnboomen gepalisadeert, dat hij wel heefdt kunnen doen, even zoo als veele andere Comps. Worten worden gemaakt zoo hadt hij dezelve in een veel korteren tyd in een behoorlyjken staat van defensie kunnen brengen. E En dewijl hij bij datzelfde 1. art. van n. o 57. zegt, dat hij on direct van deeze slegte gesteldheid aan de Regeering alhier kennis gegeven hebbende enz:, hem geantwoord was, dat er geen zwaare kosten moesten worden gedaan, dewyl men nog geen positief aanschrijvens van Batavia hadt bekomen of Slangenoor zoude worden aangehouden zoo blykt hier uit dat die Luitenant niet ter goeder vrouwe handeld, of het hem aangeschreven zeer kwalyk te passe brengt, want uit de deezen verzellende Extracten n. 7. = 22. blykt volkomenlyk, dat hem die spaarzaamheid te be„ „tragden wel is aangeschreven, dog op zyn verzoek om een nieuw parhuis te bouwen en het benoodigde daar toe van hier te ontvangen; maar dit hadt immers geen betren„ „kung kunnen hebben en heeft het ook nimmer gehadt op de vestingen of wallen die hij absolut en allereerst voor alles in een staat hadt moeten brengen dat hij en de zielen onder zyn opzigt gesteld daar in zeker waren, in tegendeel heeft de vergadering van Politie alhier uit zyn schrijvens Extract n. o 14. en van hem en zynen secunde Extract n. o 16. en 17. moeten besluiten dat alles in een defensiven staat wierdt en was gebragt, hoewel nu van agteren blykt, dat al die verbeteringen hebben bestaan in het repareeren van eenige ingestorte gaten zoo als getuigd wierdt bij acte n. o 56. art: 12. , No. 37. art. 1 en 6.„ n. o 59. art 1. en P. , n. o 60. art. 4 en 14 mn, n. o 62 art. 4. en 11. Het blykt wel uit de ingewonnen documenten dat 'er al veel werk op order van Luitenaat Graven Reyn gedaan is, zoo van het maaken van baraknen, wooningen, pak „huis, kruidkelder, kombuis, het opdragen, van artilleen amunitie 333 amunitie, am provisien, hout, steen, in boomen en diergelijken, egter moest voor alles gezorgt zyn geweest dat de fortressen in een defensiven staat waten gebragt, dus de slegte gesteldheid der wallen aan zyn eigen verkeerde handelwyze is toe te schrijven. En wat aan belangd het zeggen van Caipatein Swykhardt bij Acte u:o 58. art: 1. dat hem bij zijn Instructie met het minste was gelast omtrent het doen van onder„ „zoek na de gesteldheid der vestingwerken, zoo wil hij daar door die zaar van zig aff, en op de schouders van Luitenan't Gravensteijn leggen als uit het 7. artikel van die acte volstandig blykt, maar ofschoon hij maar voor een korten tijd daar was, zoo was hij immers derwaarts gezonden op het aanschrijven van den Commandant en secunde dat 'er mogelyk vijandelykheden houden te ge „beuren, en op welk schrijven die Bedienden de noodige ordres waren gegeven, ook was aan Capitein Swykhardt Kennis gegeven van de marsch van Radja Beima van Sahan denkelyk naar Plangenoor, blykens Extract Instructie n:o 36. , dus was het immers in de eerste plaatze zyn pligt by zyn aankomst te onderzoeken of de fortressen behoorlijk en defendeerbaar waren, en zoo niet, dat dezel„ „ven ten spoedigsten in een goeden staat wierden ge„ „bragt, waar toe geen kosten hadden moeten worden ontzien volgens de qualificatie die aan Comman„ „dant en Scunde n o 31. was gegeven, en die hem Swyk „hardt bewust was, vide rd. s 58. art: 3. en 5. En ofschoon Capitein Swykhardt by gemelde acte n. o 58 ƒ art. 5. wel antwoord, dat hij de brieff aln den Commandant en

NL-HaNA_1.04.02_8435_0888 view scan ↗

English

and Secunde no. 31, written under date of 12 May last, whereby those servants were ordered to put the fortifications into a state of defense with all possible speed, this can nevertheless in no way excuse him, since Lieutenant Gravensteyn had informed him of the order received in that regard, and since, according to his Instruction no. 36, a copy of that letter no. 31 had been given to him upon his departure for Plangenoor, he cannot pretend not to have read that letter, or else he showed at the same time a great indifference in the commission entrusted to him. 2. The Weakness of the Garrison Captain Swykhardt and Lieutenant Gravensteyn state that the garrison was too weak to offer further resistance, but they should also have considered what enemy they had before them; after all, they were merely a rabble of peoples from Lahan, Plangenoor, and similar nations, who were untrained and thus unskilled in handling firearms, and of whom it is known here by experience, and has often been seen, that when a few of them fall, the rest quickly take flight, which is well enough known to Lieutenant Gravensteyn (if not also to Captain Swykhardt). The number of sick in the respective forts at Plangenoor on 27 June last having been specified in the undersigned's first report, it appears therefrom that there were 32 heads in Altingsburg, 2 in the Braam battery, and 13 in Fort Utrecht, which, when compared with the statement of Captain Rahim submitted under no. 3, Lit. F, agrees very well, since he says in § 1 and 2 355 says that at that time about 30 men were sick in Altingsburg, yet he mentions in § 2 and 3 that only half of those sick were bedridden, and the rest did duty during the attack between 27 and 28 June last, which testimony is corroborated by the statements annexed under no. 3, Lit. H § 7, Lit. S § 10, Lit. O § 28, Lit. U § 17, and Lit. W § 4 and 5, and from which certificates, as well as from what was declared by Captain Swykhardt and Lieutenant Gravenstein themselves in the Council of Policy on 6 July last, no. 4, it sufficiently appears that everyone, officers as well as common soldiers, bore themselves bravely, so that Captain Swykhardt might well have trusted that in subsequent attacks his men would also have done their duty. Lieutenant Gravensteyn, in his interrogatories no. 57, art. 23, does indeed relate that after the attack 12 men were declared unfit by the surgeon, but various persons having been heard on this matter, Rahim, no. 61, art. 18, states in this regard that there were some, without knowing how many; Crombyn and associates, no. 60, art. 22, to their knowledge not one; Camin and associates, no. 62, art. 28, two to three men; thus this statement of that Lieutenant also has no solid foundation. Captain Swykhardt, to the question put to him in Document no. 38, art. 23, 26, and 27, answers that he had indeed noticed that the Braam battery, in the event of an enemy attack, could be of no effect whatsoever, but that that battery could as little have been withdrawn as Fort Utrecht, because through that battery the communication with this fort had to be kept open, and in the 25th art., that if they abandoned Fort Utrecht and the enemies took possession of it, they would then have been completely surrounded in Altingsburg, so that they could not even have received any relief from Malacca, unless the arriving relief made a landing and forced its way through the enemy by force of arms; but in this regard, consideration should be given to what was declared by the Lieutenant and former Commander there, Gerardus Smith and associates, in document no. 64, who say that that fortress could be bombarded from the northern corner of Altingsburg and from the De Bruyn battery with a four-pounder cannon in such a manner that it would be impossible for whoever held possession of it to remain therein; from which it is evident that the garrison of that fort could indeed safely have been withdrawn after as much of the provisions and ammunition as possible had been brought up, the remainder of the artillery destroyed, and the pieces spiked as best as could be done; whereupon the force, after the withdrawal also of the Braam battery—which was indefensible against an enemy approaching from the land side and therefore useless, indeed even dangerous—would have grown to over 110 healthy men, with which they could certainly have awaited the relief from here, which was shipped directly after the receipt of their letter of 28 June to come to their aid; and that relief having approached, and the enemy then being in possession of Utrecht

Dutch transcription

en Secunde n. o 31. sub dato 12. Mai laastleden geschreven, waar bij die Bedienden waren gelast om met allen mogelyken spoed de Vestingwerken in staat van de fensie te brengen, niet hadt geleezen, kan hem egter dit in het minste niet verontschulde „gen, dewijl Luitenant Graven teyn hem van de bekomen order dientwegen hadt geinformeerd, en dewijl hem blykens zyn In „structie n:o 36. een afschrift van deen brief n o 31. bij zijn vertrek naar Plangenoor was medegegeven kan hij niet voorwenden dien brief niet geleezen te hebben, off hy Voond teffens aan een groote onverschilligheid die hij gehad heeft in de hem opgedragen commissie. 2. De Zwakheid van het Garnisoen Capitein Swykhardt en Luitenant Gravenseyn geeven op dat het garnizoen te zwar was om verdere resistentie te bieden, maar zij hadden ook moeten overweegen, wel„ „ken vyand zy voor zig hadden, het waren immers allen bij een geraapte volkeren van Lahan, Plangenoor en dierg „lyven natien, die niet geinstrueerd en dus onkundig waren met het geweer om te gaan, en waar van men hier bij onder „vinding weet, en veelmaalen heeft gezien, dat wanneer 'er eenigen hunner vallen de rest al schielyk de vlugt neemen, het geen Luitenant Gravensteyn (zoo niet al ook Capitein Swyk „hardt / genoeg bekend is. Bij des ondergetekenden eerste Berigt gespecificeerd zynde het getal der zieken in de byzondere forten te slange „noor op den 27. Juni l. l. zoo blijkt daar uit dat in Acting „burg geweest zin. 32. , in de battery van Braam 2. en in het fort Utrecht 13 koppen, hetwelke vergeleven zynde met de Verklaaring van Capitein Rahim, de onder n. o 3. overgelegde La. F. al zeer wel over eenstemt, dewijl dezelve bij § 1 en 2. zegt 355 zegt, dat op dien tijd min of meer 30. manschappen in Altingsburg ziek waren, egter haald hij bij § 2. en 3. aan, dat van die zeeken de helfte maar bedlegerig geweest, en de overige in de attaque tusschen den 27. en 28. Iuni laastleden dienst gedaan hebben, welk getuigenis gesterkt wordt door de Verklaeringen, de onder No. 3. bygelegde La. H. 87. , La. S. 810. , La. O. 5 28. , La. U. §17. en La. W 84. en 5. , en uit welke attesten zoo wel als uit het verklaarde door Capitein Swykhardt en Luitenant Gravenstein zelve in Vergadering van Politie van den 6. Iuli laastleden No. 4. voldoende blykt, dat een ieder zoo Offi„ „cier als Gemeen, zig kloekmoedig hebben gedragen, zoo dat Capitein Swynhart wel konde vertrouwen dat zyn volk bij volgende attaques kunnen pligt ook wel zoude hebben betragd Luitenant GravenRein komt bij zijn Inverrogatoria w:t 57. art: 23. wel te verhaalen, dat na de attacuie door de Chirurgijn 12. man impetent waren gegeven, maar hier op diverse persoonen gehoord zynde zoo komt dienaangaan„ „de te verklaaren Rahim n. o 61. art: 18. wel eenige zonder te weeten hoe veel, Crombijn c. s. n. o 60. art. 22. met hun weeten geen een, Camin c. s. n. o 62. art. 28. twee â drie man, dus dit opgeven van dien Luitenaat ook al geen vastigheid in zig heeft. Capitein Swynhart komt op de hem voorgezouden vrage bij Acte n. o 38. art: 23. 26 en 27. te antwoorden dat hy wel hadt bemerkt dat de batterije van Braam, by eenen vyandelyken aanval, van geen het minste effect konde weezen maar dat die batterij zoo min hadt kunnen worden ingetrokken als het fort Utrecht, dewyl door door die batterye de correspondentie met dit fort moest worden opengehouden, en bij het 25. art:, dat indien zij het fort Utrecht verlaten en de vyanden daar van posessie genomen hadden zij als dan in Altingsburg geheel ingeslo„ „ten zouden zijn geweest, zoo dat zij zelfs geen secours van Malacca zouden hebben kunnen bekomen, ten zy dat aankomende secours een landing deed, en door geweld van wapenen zig door den vyand heenen sloeg, maar deezen aangaande diend in aanmerking genomen te worden het verklaarde door den Luitenaat en geweezen Comman„ „dant aldaar Gerardus Smitth c. S. by acte n. o 64, welve zeggen, dat dat fortres van de noordelyke hoek van Altuigs„ „burg en van de batterij de Bruijn, met een vier ponder canon zoodanig kon beschoten worden dat het voor den genen die daar van posessie hadt onmogelyk was daar in te blyven, uit hetwelke dan consteerd dat de bezeting van dat fortwel met gerustheid hadt kunnen worden ingetronwen na dat zoo veel van de provisien en ammunitie als mo„ „gelyk was bovengebragt, het overige van de arthillerije vermeld en de stukken zoo goed als doenlyk was, verna„ „geld geworden waren; wanneer als dan de magt na in„ „trekking mede van de voor een van den landkant komen„ „den vijsand onde fendeerbaare en dus onnutte, ja zelfs ge„ „vaarlyke batterij van Braam aangegroeid zoude zyn geweest tot ruim 110. gezonde manschappen, waer mede zy immers hadden kunnen afwagten het ontzet van hier Bat direct na den ontvangst hunner schrijvens van den 28. Iuni is afgescheept om hun te hulp te komen, en dat ontzet genadert zynde, en den vyand dan posessie van Utrecht

NL-HaNA_1.04.02_8435_0891 view scan ↗

English

having Utrecht, it could have been placed between two fires. And considering the enemy intended to overpower fort Utrecht, it would have been very difficult for our garrison to offer them resistance, all the more so if the enemy had attacked them from the other side of the river and from the landward side, for from the Braam battery one would not even have been able to prevent the enemy from advancing towards this last-mentioned fort; consequently, it is entirely evident that it would have been better to withdraw the garrison from Utrecht and Braam's battery than to abandon Slangenoor entirely. Since, according to what was said by Captain Winrardt, the force in Altingsburg was very much weakened, the undersigned asked him, the Captain, whether he could not and should not have realized beforehand that by establishing outposts their force would become even weaker, and thus could expect no good success in a closer attack; to which he, the Captain, answers, as appears by act no. 38, art. 27, that the post on the mountain could have been of great utility, because this was the only means to keep the enemy far from the fort, that as long as one remained master of that post the enemy could undertake nothing against Altingsburg, and that that post could be defended both from Altingsburg and from the Bruin battery. Upon which statement the undersigned thinks it necessary to note the contradiction inherent in this above-mentioned statement against his action; for if that post was of such utility that they could keep the enemy away from the fort from there, why then was it withdrawn again and Altingsburg abandoned? Was it the imagined sight of the enemy? What difficulty: after all, according to his own words, that post could be supported or defended by the artillery from fort Altingsburg and de Bruijn. Consequently, the Captain indeed declares herewith that he acted entirely contrary to his better judgment and was confused when he gave the order to withdraw that post and therefore to abandon Slangenoor. 3. The number of Enemies who were seen on the 28th of June last. The Fireworker Zies says and maintains that he saw more than eight hundred men from the battery de Bruijn, who were marching around the mountain, but declares at the same time that no one was with him when he had seen those troops, as can be found in the annexes belonging under no. 3, Lit. C: 58 and B. B. art. 20. And having heard Lieutenant Smith and associates on this, no. 64, it appears from that act that it was not possible to see from that place that men were encircling the mountain, because trees and woods are in the way. Bombardier Welsink says he saw more or less five hundred men, that these, with others coming from the other side of the river, as good as encircled the mountain, and that on the other side of the river, before fort Utrecht, troops were stationed, the annex Lit. K. § 25, 26, and 27 mentioned under no. 3. While concerning these matters the aforementioned Lieutenant Smith and associates, act No. 64, declare that although from the hillock from where Welsink saw the enemy advancing one could indeed see if troops came along the beach of the Calang strait and from the other side of the river, it was nevertheless impossible to follow them and see that those troops as good as encircled the mountain of Altingsburg, and that it was entirely impossible to see from there that troops were stationed on the other side of the river in front of the fortress Utrecht, for the reason that the fortress Altingsburg and the tall trees and woods prevented this. And since Welsink had referred to the native soldiers who were with him on the mountain at that time, as appears from the annex Lit. B. B. art. 19 mentioned under no. 3, as no others had seen or could have seen them, no. 53, art. 4, Sergeant Malim declares having seen no more than 20 to 30 men, and the soldier Wangsa no more than an estimated ten persons, while the other Corporal Darim and five other soldiers examined on that matter, as well as the Sepoy Corporal and three ditto soldiers, declare not to have seen a single man, the annexes Lit. C. C. belonging under no. 3 and no. 53, art. 2, and 55, art. 4; of the remaining six soldiers, five have been discharged from the service and all have departed from here. Although Lieutenant Gravenstein and Bombardier Welsink now say that Sergeant Malim still showed them the rearguard

Dutch transcription

357 Utrecht hebbende, zoude dezelve tusschen twee vuuren kunnen gesteld zyn geweest. Ende gemerkt den vyand hadt een toeleg gehad om het fort Utrecht te overmeesteren, zoo zoude onze bezetting al zeer zwar zyn geweest om hun resistentie te bieden, te meer als de vyand hun van de overzyde der rivier en van den landkant hadt aangetast, want van de batterij van Braam zoude men zelfs niet hebben kunnen beletten, dat den vyand na dit laastgemelde fort doortrek, over zulks is het volkomen blykbaar, dat het beter was geweest de bezetting uit Utrecht en Braams batterye in te teekven dan geheel Slangenoor te verlaten. Daar nu volgens het gezegde door Capitein win„ „rardt de magt in Althugsburg zeer was verzwakt heeft de ondergetekende hem Capitein afgevraagt of hy bevoorens niet hadt kunnen en moeten inzien dat door de uitzetting van podten, hun magt nog zwan„ „ker wierdt, en dus geen goed succes bij eene nadere attaque konde verwagten, op hetwelke hij Capitein komt te ant„ „woorden als blikt by acte n. o 38. art. 27. , dat de post op den berg van groot nut hadt kunnen zyn geweest, dewijl dit het eenigste middel was om den vyand verre van het fort af te houden, dat zoo lange men meester van die post bleef den vijand op Altingsburg niets konde onder„ „neemen, en dat die post zoo uit Altingsburg als van de batterij de Bruin konde worden gedefendeert Op welk verklaarde de ondergetekende vermeend te moeten aanmerken, de contradictie die in dit boven„ „staande tegen zyne handeling opgesloten legt, want is die die post van dat nut geweest dat zy den vyand van daar van het fort konden afhouden waar om dan dezelve weder ingetrocken en Altingsburg verlaten, was 't het (ver„ „beelde /gezigt van den vijand : wat zwarigheid, die post konde immers volgens zijn eigen zeggen gesecondeert of gedepo„ „deert worden door het geschut uit het fort Altingsburg en de Bruijn, over zulks verklaard hij Capitein immers hier mede dat hy geheel tegen zin beter weeten gehandeld heeft, en verbyderd is geweest, toen hij onrder gaf om die port in te trekken en dorr om Plaagenoor te quiteeren. 3. Het getal der Vyanden, welke den 28. Iuni laastleden zijn gezien. De Vuurwerker zies zegt en houdt staande van de batte „rij de Bruijn ruim agt honderd man gezien te hebben, welken den berg rondom trekken, dog verklaard teffons, dat niemand bij hem geweest is toen hij die manschappen hadt gezien, gelyk te vinden is bij de onder n. o 3 gehoorende bijlagen La. C: 58. en B. B. art. 20. En hier op gehoord hebbende de Luitenaat Smith c.s. n. o 64. zoo blykt bij die acte dat het niet mogelyk was, om van die polaats te kunnen zien dat menschen die berg„ omcingelden, dewijl boomen en bosschen in den weg zyn Bombardier Welsink zegt min of meer vijf honderd man gezien te hebben dat deezen met nog anderen die van de overzyde der rivier kwamen den berg zoo goed als omcingelden en dat aan de overzyde oft van het fort ut recht volk geposteerd stond, de onder n o 3. vermelde bijlaag La. K. § 25. 26 en 27. Terwijl deezen aangaande de voorschreven Luitenant Smith 359 Smith c. S. acte No. 64. verklaaren dat of schoon men van het heuveltje /van waar Weesink den vyand heeft zien aan „rukken (wel konde zien, zoo 'er volk langs het strand van straat Calang en van de overzyde der rivier kwam, het egter onmogelyk was dezelve te kunnen nagaan en zien dat die manschappen den berg van Altingsburg zoo goed als omcingelde, en dat het geheel onmogelijk was van daar te kunnen zien dat 'er volk aan de overzyde der rivier voor het fortres, Uetrecht geposteerd stonden, om redenen dat het fortres Altingsburg en de hooge boomen en bosschen zulks beletteden En dewijl Welsenk zig hadd beroepen op den bij hem ter dier tyjd op den berg geweest zynde inlandsche militairen blijkens de onder n. o 3. gemelde bijlaag La: B. Bart:a 19 alzoo geene andere dezelve hadden gezien of kunnen zien n. o 53. art. 4. , zoo verklaard de Pergeant Malim niet meer als 20. â 30. man, en de soldaat wangsa niet meer als na gissing tien persoonen gezien te hebben, ter „wijl de verdere op dat stux gehoorde Corporaal Darim en nog vijf soldaten, zoo ook de Pipais Corporaal en drie dito soldaten verklaaren geen enkeld man gezien te hebben, de onder n=o 3. gehoorende bylaag La. C. C. en n. o 53. art. 2. en 55 art= 4. ; zynde van de zes overige soldaten vijf uit den dienst gesteld en allen van hier vertrokken Ofschoon nu Luitenaat Gravenstein en Bombardier Weesenk zeggen dat Sergeant Malim hun nog de agter „hoede

NL-HaNA_1.04.02_8435_0894 view scan ↗

English

guard of the enemy, had pointed out up to an estimated 60 heads, yet that Sergeant denied this, even saying to demonstrate the truth that when Lieutenant Gravensteijn came up the mountain it was already so dark that they could no longer see any person, as appears from deed no. 58 art. 6. Moreover it is clearly established that Welsink does not stand firm in his statement, for in his declaration submitted under no. 3, annex Lit. Z § 28, he had said that after having caught sight of the enemy before the arrival of Lieutenant Gravensteyn on the mountain, he had reported thereof as well to Captain Swijnhardt as to Lieutenant Gravenstein, whereas upon the re-examination he had it recorded that he had only reported the sighting of the enemy to Lieutenant Gravensteijn, and indeed only when that Lieutenant came up the mountain to see the enemy himself. Also Fireworker Zies says in Lit. C. § 11 submitted under no. 3, that after nightfall word had been brought by some Chinese who had come from below that the enemy increased in numbers from time to time. And Gravensteijn in the deed Lit. B. § 38 annexed under no. 3, that a native boy had reported to him that the enemy had received three hundred men reinforcement from the upper country, according to the rumors that he had gathered from some people below in the village, and although this Lieutenant was indeed asked for proof regarding this received report, as appears from the deed Lit. B. B. § 14 submitted under no. 3, he has been able to refer to no one other than a Chinese, whom NB: he cannot identify, and upon the re-examination of that same deed in the amendment to that same article he says he received similar reports from several persons, but that due to the manifold work he could not pay such close regard to all those persons as to be able to remember them now with sufficient certainty so as to point out their person. It is also established by the declarations cited under no. 3, as in Lit. A. § 12, B. § 9 and 11, C. § 12, K. § 19, S. § 6, T. § 6, 8 and 18 and Lit. U. § 11, 12 and 22, that both on the 27th after the arrival of the patrols, and on the 28th, no people had been seen in the village, or that those who were still seen on the 27th or in the forenoon of the 28th took flight, so that the pretext, both of Zies regarding the report from Chinese, and the report of the slave boy made to Lieutenant Gravensteyn, appears frivolous. The testimony of Lieutenant Gravensteyn and Fireworker Zies cannot in this matter be accepted as authentic, as they are interested parties, and as far as the declaration of Bombardier Welsink is concerned, although he maintains both in his declaration and upon further examination to have seen the number of enemies named therein, his testimony likewise falls away, since those to whom he refers, namely the native soldiers who were supposed to have pointed out the enemy to him, persistently deny having seen such a large number of enemies; wherefore he, upon hearing that they did not agree with him, rejects their testimony in turn, adding that they were possibly persuaded thereto by their Captain, no. 53 art. 1. It is meanwhile remarkable that if the enemy, according to the declaration of Zies with fully eight hundred and of Welsink more or less five hundred men, besides yet another troop, surrounded the mountain, they, from six o'clock until at least after midnight, and as Captain Rahim says between two and three o'clock, undertook nothing against the fort, but kept themselves entirely quiet, as appears from the under no. 3 mentioned Lit. P. § 18 and Lit. I. § 38, and also that the surrounding of the mountain by a number of enemies as mentioned above was seen by no one other than merely two persons, the Fireworker Zies and Bombardier Welsink, the first being alone, and the other in the presence of yet seventeen persons who deny this. 4. The lack of ammunition and especially live cartridges. From the certificates submitted under no. 3 marked with Lit. N. § 6, Lit. D. § 2, and Lit. S. § 3, 4, and 5, it appears that Captain Swijnhardt in the afternoon of the 27th of June had gone from Altingsburg to Utrecht to inquire after the state of affairs there, and that having arrived there he had asked how matters stood with the weapons and ammunition, and Captain Oesoph adds thereto that he among others had answered Captain Swijnhardt that every soldier was provided with cartridges, but if Captain Swijnhardt had then had the remainder of the ammunition and live cartridges brought before him or properly inspected them, all the more since he himself says, and thus was assured, that there was no one there who had any knowledge of military matters, he would have

Dutch transcription

„hoede des vyands, tot na gissing 60. koppen hadt aangeweezen, zoo ontvend die Sergeant zulks nogtans, zeggende zelfs tot betooging der waarheid dat toen Luitenant Geaven „steijn op den berg kwam het bereeds zoo donker was dat zy geen mensch meer konden zien, gelyk blykt by acte r:o 58. art: 6. Bovendien consteerd het klaarlyk dat welsunr in zyn opgave niet vast gaat, want in zyn verklaaring de onder no. 3. overgelegde bijlaag La. Z § 28. hadt hy gezegt dat hij na het bekomen gezigt van den vijand voor de komste van Luitenaat Gravensteyn op den Vberg, daar van rapport hadt gedaan zoo wel aan Capitein Swijnhardt als Luitenant Gravensein, daer hij bij het recollement heeft laaten stellen, dat hy eenlyk den Luitenaat Gravensteijn van het bekomen gezigt van den vyand rapport hadt gedaan, en wel eerst toen die Luitenant op den berg kwam, om den vyand zelve te zien. Oor zegt Vuurwerker zies in de onder n„o 3. overgelegde La. C. 5 11. , dat na het vallen van den avond door eenige van beneden gekomen Chineeschen tyding gebragt was dat den vijand van tyd tot tijd in getallen toenaam. En GravenReijn in de onder n.:o 3: bijgelegde Acte La. B. §38. , dat een Thaleitsche jonge hem 't gerapporteerd hadt dat de vyand drie honderd man versterving van de boven„ „landen hadt bekomen volgens de gerugten die hij van eenige lieden beneden in de negorij hadt ingetroknen, en ofschoon deeze Luitenant wel is gevraagd bewijs wegens dit ontvangen rapport, blykens de onder no 3. overgeleijde acte La. B. B. § 14. , zoo heeft hij zig op niemand kunnen beroepen, als op een Chinees, die hij NB: niet weet aan te toonen 361 toonen, en bij het recollement van diezelfde Acte in de ampliatie op dat zelfde artikel zegt hij van verscheiden persoonen diergelyke rapporten te hebben ontvangen, doe dat hij door het menigvuldige werk geen zoo nauwneuzig reguard op alle die persoonen heeft kunnen slaan om zig hunner nu met genoegzalime zekerheid, om hun persoon, „lyk aan te wijzen, te kunnen herrinneren. Ook consteerd by de Verklaaringen aangehaald onder n o 3., als bij La. A. 812., B. 39 en 11. , O. 812. , K. 519. S. 56. T. 56. 8. en 18. en La. U. 511. 12. en 22:, dat 'er zoo wel den 27. na de komst van de patrouiljes, en den 28. geene menschen in de negorij te zien waren geweest, of dat de gene die den 27. off des voormiddags van den 28. nog gezien wierden de vlugt namen, zoo dat het voorgeeven, zoo van zies wegens het rapport van Chineeschen, als het rapport van de slavenjonge, aan Luitenant GravenRceyn gedaan, fri„ „vool voorkomt. Het getuigenis van den Luitenant GravenReyn en Vuurwerker zies, kunnen in deezen als in de zaak belang hebbende niet voor egt worden aangenomen en wat het verklaarde van Bombardier Welsink betreft, offschoon dezelve zoo bij verklaaring als bij nader verhoor staande houdt het daar bij opgenoemde getal vijanden ge„ „zien te hebben zoo vervalt dat zin getuigenis almede, dewijl de genen waar op hij zig beroept, naamelyk de inlandsche Militairen, die hun den vyand zouden hebben aangetoond volstandig ontkennen zulx een groot getal vijanden gezien te hebben; waarom hij, als hoorende dat zij het niet met hem eens waren, hun getuigenis weder verwerpt, zeggende daar bij, dat zyj mogelyk door hunnen Capittein daar toe ge gepersuadeert waren N:o. 53. art: 1. Het is intusschen opmerkenswaardig dat als den vyand volgens het verklaarde van zies met raim agt houderd en ve Welsenie min of meer vyf honderd man, buiten nog een ande hoop, den berg omcingeld hebben, dezelven van zes uur hot te„ minsten na middernagt, en zoo Capitein Rahim zegt tussch twee en drie uuren niets op het fort ondernomen, maar zig stille gezouden hebben, blyvens onder n. o 3. gemelde LL. P. ^gehellen §: 18. en La. l. §38, en ook dat de omcingeling van den berg door een getal vianden als bovengemeld, door niemand ander is gezien als door maar twee persoonen, de Vuurwerker zie en Bombardier Welsink, de eerste alleen zynde, en de andere in presentie van nog zeventien persoonen die zulks ontkennen 4. / Het gebeek aan amunitie en inzonderheid Scherpepatroonen. Uat de onder No. 3. overgelegde attesten gemerkt me La. N. 56. „ La. D. 82. , en La. S: 53, 4, en 5. , komt te blyken dat Capitein Swyvhardt in de namiddag van den 27 Junil van Altingsburg naar Utrecht was gegaan om te verneemen na de gesteldheid van het een en ander aldaar, en dat hij daar gekomen zynde gevraagd hadt; hoe het stond met de wapenen en amunitie, en Capitein Oesoph voegt daar bij dat hij onder anderen aan Capitein Swykhardt hadt ge „antwoord, dat ieder soldaat van patroonen voorzien was maar bij aldien Capitein Swijnhardt als toen voor zig hadt laaten brengen of behoorlyk hadt nagezien het restant der amunitie en scherpepatroonen, te meer dewijl hij zelve zegt, en dus verzekerd was, dat daar niemand was die eenige kundigheid van militaire zaaken hadt, zoo zoude hij

NL-HaNA_1.04.02_8435_0897 view scan ↗

English

he would have discovered that the number of cartridges was very small indeed and consisted of only 25 bundles, namely 7 bundles among the soldiers, which according to document No. 59, article 16, were later also found to be unserviceable, and 18 bundles in reserve, wherefore he would certainly have judged that the supply ought to be replenished, for which reason he would have wished to provide them with the necessaries from Altingsburg, and this having been done he would likewise soon have discovered how matters stood with, or it ought to have spurred him to investigate the number of the remaining live cartridges in Altingsburg, and he would then have found the small supply thereof, which he has now discovered after they were all expended. And whereas Lieutenant Gravensteijn was asked in document No. 57, article 19, why he had not in due time requisitioned from here the necessaries and especially live cartridges, the same responds thereto that he now perceived that this was an omission, but that the private letter from the Captain Commandant here regarding the number of cartridges he was to have at Slangenoor, and because the remainder had been known here, had led him to conclude that the cartridges lacking from the specified number would be sent to him without a requisition, to which reply it may indeed rightly be remarked that it had not been the duty of the Commandant here nor of anyone else, but of himself, to ensure that he had on hand that which he needed for the defense of the place entrusted to him, so that from this nothing else can be inferred than that he has devised this excuse to cover his carelessness. Above all this, it appears from the list of the remainders of the post Slangenoor No. 57 that an abundance of everything was on hand, and assuming that the remainder of the cartridges might not have been sufficient, one could indeed have had the necessary cartridges made in due time from the grapeshot in stock, which according to the attached report No. 52 is present there, and in which the required musket balls were to be found, for from this aforementioned report it also appears sufficiently that the claim of Captain Swykhardt in his answer in document No. 58, article 20, as if the balls in that grapeshot were too large for live cartridges, is not satisfactory, and assuming that they were too large to put into cartridges, the same could have been given with loose cartridges, and thus a virtue could have been made of necessity in order to remedy the failure of requisitioning the necessaries in due time, so that this statement also, as a reason for abandonment, does not serve to his advantage, but rather to his detriment. And as regards the pretext that there were no people who could make cartridges, the same is nullified by his own testimony No. 58, article 20, as well as by others with him, since on the 28th of June from three o'clock in the morning until about six o'clock in the evening, over 600 cartridges were prepared by Corporal Bergman and Soldier Gallien and some Sepoys, so that if attention had been paid to the remainder beforehand, those two persons and two Sepoys could already have prepared a great many. Captain Swykhardt says in document 58, article 20, that among the Malay soldiers there were no people who could have made cartridges, although he had specially asked for them; concerning which Captain Rahim and companions, in document No. 63, say that among the Malay soldiers there were none who could make live cartridges, but also that Captain Swikhardt had not asked for people for such work. 5. The lack of drinking water. By everyone who was heard on this matter, besides the arrestees, it is declared that the ordinary well gave enough water until the last day, that a guard was indeed placed at that well, but that this was done so that the water would be used for no other purpose than for drinking, that besides that well there is another very good well and also springs at the foot of the mountain, see document No. 54, articles 22 and 23, No. 60, articles 18, 19, and 20, and No. 63, articles 24 through 27 inclusive. But assuming that the lack of drinking water was truly real, as stated by Captain Swykhardt and Lieutenant Gravenstein, and as was the case in Fort Utrecht, it was indeed the duty

Dutch transcription

363 hij hebben ontdent dat het getal der patroonen al zeer gering was en maar bestond in 25. bosschen, als 7. –. bosschen onder de Mi„ „litairen (die volgens acte n. o 59 art. 16. naderhand nog on„ „berwaam bevonden zijn en 18. –. bosschen in reserve, weshal„ „ven hy zekerlyk zoude hebben geoordeeld dat het geval diende gesuppleerd te worden, waar om hij hun daar met de benoodigde uit Altingsburg zoude hebben willen voorzien, en dit geschied zynde zoude hy almede ras hebben ontdent Cahem hoe het gesteld was miet, of het had „ moeten aanspooren tot onderzoek naar het getal der restant zynde scherpe patroonen in Altingsburg, en als dan zoude hij hebben bevonden den gerangen voorraad daar van, dat hij nu ont„ „dent heeft, na datze allen verschoten waren. En daar Luitenant Gravensteijn bij Acte rd: s 57: art: 19. gevraagd was, waarom hy in tijds het benoodigde en inzonder„ „heid scherpe patroonen van hier niet hadt geeischt, zoo komt dezelve daar op te antwoorden dat hy nu ont„ „waarde dat zulks een verzuim was, dog dat het particulier aanschrijven van den Capitein Commandant alhier, nopens het getal der patroonen die hij op slaagenoor moest hebben, en dewijl men hier het re„ „stant hadt geweeten, hem zulks hadt doen besluiten dat hem zonder eisch de aan het bepaalde getal ont„ „breevende patroonen zouden worden gezonden, op welk antwoord immers met regt is aan te merken, dat het met de pligt van den Commandant alhier nog van iemand anders maar van hem zelfs was geweest te zorgen dat geene aan handen te hebben hetwelk hij benoodigt hadt, tot tot de defensie van de hem aanbetrouwde plaats, dus hier uit niet anders is op te maaken, dan dat hy deeze ver„ „ontschuldiging heeft uitgedagt, om zyne zergeloosheid te bedenken. Boven dit alles blykt uit de Lyst der restanten van het com„ „mandement Slangenoor n. o 57. dat van alles overvloedig aa handen was, en genomen dat het restant der patroonen niet genoeg doende mogte zyn geweest zoo hadt men van de in deezen voorraad zynde druiven, die blyvens het „ bygevoegd berigt No. 52 aldaar zijn, en waar in de vereischte snaphaan kogels te vinden waren, immers in tyds de benoodigde patroonen kunnen laaten maaken, want uit dit evengemelde Berigt blijkt ook genoeg doende dat het voorgeeven van Capitein Swykhardt byj zijn antwoord in de acte n„o 58. art. 20. , als of de kogels die in die druiven zijn voor scherpe patroonen te groot waren, niet veldoende is, en genomen dat dezelve al te groot zyn om in patroonen te doen zoo zouden de „zelven bij losse patroonen hebben kunnen werden gegeven en dus van de nood een deugd zijn gemaakt om het ver„ „zuim van in tijds de benoodigde te eischen te verhelpen zoo dat ook deeze opgaeve als een reden tot een reden ter verlaating niet in zin voordeel, maar wel tot zyn nadel strekt. En wat aanbelangd het voorgeeven dat 'er geen volk wa die patroonen konden maaken, zoo vervalt het zelve door zijn eigen getuigenis n. o 58. art: 20. zoo wel als van anderen met hem, dewijl op den 28. Iuni van 's morgens drie uuren tot tegen den avond zes uuren door Corporaal Bergman, en 365 en Soldaet Gallien en eenige Sipais ruim 600. –. patroonen zyn aangemaakt geworden, zoo dat als bevoorens op het restant gelet geworden was, die twee persoonen en twee i„ „pais al veelen hadden kunnen in gereedheid brengen. Capittein Swynhart zegt in Acte 58. art 20. , dat onder de Thaleitsche Militairen geen volk was die patzoonen hadden kunnen maaken, ofschoon speciaal daar na hedt gevraagd; waar omtrent Capitein Rahim C. S. actte n. o 63. zeggen dat onder de Maleitsche militairen geenen waren die scherpepatroonen konden maaken, dog ook dat Capitain Swikhardt niet na volk tot zulk werk heeft gevraagd gehadt. 5. Het gebrek aan Drinkwater. Door een ieder die op dit stuk is gehoord, buiten de gearreteerden, wordt verklaard, dat de ordinaire pout genoeg water tot op den laasten dag heeft gegeven, dat by die pust wel een wagt was gesteld, maar dat zulks geschiedde op dat het wester tot geen ander einde als om te drinken wierdt gebruikt, dat 'er buiten die put nog een ander zeer goede put en ook quellen aan den voet des bergs zyn, vide Acte No. 54. art. 22 en 23. No. 60. art: 18. , 19. en 20. , en No. 63. art. 24. tot 27. in„ „clusive. Maar genomen dat het gebrek aan drinkwater weezenlyk waar was, zoodanig door Capitein Swykhardt en Luitenant Gravenstein ks opgegeven, en zoo als het in 't fort utrecht plaats hadt, zoo was het immers de pligt 2

NL-HaNA_1.04.02_8435_0900 view scan ↗

English

duty of the Commandant to ensure that they had a sufficient quantity of drinking water in stock, if they believed that the wells could be cut off from them, all the more so since they had been ordered by the Government here to be on their guard against an approaching enemy, and thus he ought to have had water in stock, as on board a ship, in casks or water tanks, even if it were separate for each nation. Destruction of the Ammunition. Although Captain Suijkhardt says that, pursuant to what had been decided, he ordered Fireworker Zies to destroy all ammunition that could not be carried away, and that Zies had reported to him that this had been carried out, the said Zies declares to the contrary that he had received no other order from Captain Swijkhardt than merely to spike the cannons and to have as much gunpowder carried off as he could obtain men for, and that after spiking the pieces and delivering four small barrels of gunpowder, having reported this to Captain Swykhardt, he had asked what should be done with the remaining ammunition, whether a burning match should not be placed near the gunpowder, the said Captain had answered, no, the enemy might thereby notice our retreat too quickly. At least it appears from all declarations and answers together that everything was left in the state it was previously, except for the spiking of the pieces; and how the pieces were spiked, Captain Tweykhardt and Fireworker Zies themselves declare. 7. The Abandonment of Altingsburg. When Captain Swykhardt and Lieutenant Gravensteijn received the reports mentioned in their declarations of 21 and 22 June last regarding the said approach of the enemy, those officers must have become completely bewildered, for indeed it had been their duty not to trust reports that were so loose and groundless, as now appears in hindsight, so easily; indeed, they could have summoned before them all those who had been on the mountain or who had seen the enemy, convened a meeting of the principal officers, and had them declare before it what they had seen, whereupon they would have immediately discovered that they were being told impossible things, as is established by the testimony of Lieutenant Smith et al. act no. 64 compared with the statement of Zies and Welsenk in their attestations submitted under no. 3, Lit. C. 58 and Lit. K. 526 and 27, or otherwise weighed whether they held true or not; but no, such was neglected, and all those Malay soldiers as well as the Sepoys interrogated at that hour now deny having seen such a number of enemies; even among all of them there are only two persons who declare having seen only some troops, namely Sergeant Chalim up to 20 to 30, and Soldier Wangsa estimated at ten men. Moreover, Commandant Swykhart also neglected to hold a proper meeting to deliberate on the circumstances in which they were, and summoned neither Secunde Kreeft nor Captain Oisoeph, although it was well known to him that the Secunde and senior military officers had to be present at all principal matters that were dealt with, as Lieutenant Gravensteijn declares in no. 57, art. 37, and more specifically in the re-examination, amplification to that same article; only and as if in passing, besides Lieutenant Gravensteyn and Fireworker Zies, the Malay Captain Rahim and Lieutenant Camin were told that, since the enemy was so strong and their force weakened, they intended to abandon the post, asking what they thought of it, and after some exchange of words, which one might sooner call petty bickering, that Commandant persisted in his intention. Captain Rahim and Lieutenant Camin had, after all, declared that they believed they ought to fight according to their attestations cited under no. 3, Lit. S and U, and upon further interrogation no. 61, art. 21 and 23, Rahim says that he believed they were defensible and able to withstand a force such as had attacked them the previous night, and he as well as Lieutenant Camin, act no. 62, art. 38, say that they had to conclude from all circumstances that fear drove that officer to it, so that it is fully evident therefrom that groundless fear of a second attack bewildered them, for all other points, neither lack of water nor lack of ammunition, which he now wishes to pretend, existed; he could have prevented the illness of the garrison, and the strength of the enemy was not properly investigated, from all of which it is then established that the abandonment took place without grounded reasons and too precipitously, which opinion was also held by Ensign Selon and Sergeant Malim, see act submitted under no. 3, Lit. BB, art. 30. It was certainly the duty of Captain Rahim, and likewise of Lieutenant Camin, to demonstrate and say to Commandant Swykhardt in clear terms that they believed necessity did not yet demand embarking upon such a shameful flight, but they say that they to

Dutch transcription

poligt van den Commandant geweest om te zergen dat zij een genoegzaame quantiteit drinkwater in voorraad hadden, als zij vermeenden dat hun de putten konden worden afgesneden te meer daar hun door de Regeering alhier gelast was op hunne hoede te zijn voor een aannaderende vijand, dus hij even als aan een scheepsboord in leggers off waterbakken; al was het voor ieder natie afzonderlyk water in voorraad hadden moeten hebben. Vernieling der Ammunatie. Ofschoon Capitein Suijkhardt zegt dat hij navolgens het beslotene aan Vuurwerker zies hedt gelast ald aminitie die niet konde worden afgevoerd te vernietigen, en dat zies hem had rapport gedaan dat het een en ander was verrigt, zoo verklaard gemelde zies daaren tegen dat hy geen andere order van Capit swijkhardt hadt ontvangen als eenlijk de canons te vernagel in zoo veel kraid te laaten afdragen als waar toe hij volr konde bekomen en dat hij na vernegeling der stukken en afgave van vier vaatjes kruid, daar van rapport aan Capittal Swykhardt gedaan hebbende gevraagd hadt wat met de over „rige ammunitie moette werden gedaan of er geen brande londen bij het kruid moetten werden gelegd, gemelde Capita hadt geantwoord, neen de vijand mogt daar door te schielijk onzen aftogt bemerken Altans het blijkt door alle Verklaaringen en antwoorden reen dat alles gelaten is in dien staat als het bevoorens was buiten het vernagelen der stunken; en hoe de stukken ver „nageld zijn, verklaren Cap:n Tweykhardt en Vuurw: zees zelve 7. De Verlaesting van Altingsburg. soen Cap: Swynhardt en Luitenant Gravensteijn de berigte gemeld in hunne Verklaringen van den 21. en 22. Juni ll: wegens het 67 het gezegt der aanmarsch van den vijand hadden bekomen moeten, die Officieren geheel verbysderd zyn geworden want immers was het hun pligt geweest op berigten die zoo los en ongegrond waren 6 als nu van agteren blijkt zoo ligt niet te vertrouwen, immers hadden zij alle de genen die op den berg waren geweest of die den vijand hadden gezien voor hun kunnen laaten komen, Vergadering van de voornaamste Officieren laaten beleggen voor dezelve laaten verklaren wat zij gezien hadden, wan„ „neer zy direct zouden hebben ontdent dat hun onmoge„ „like zaaken wierden verhaald, gelik consteerd bij het getuigd door Luitenant: Smith c. S. acte n. 64. vergele„ „ken met de opgave van Zies en Welsenk bij hunne attesten de onder u. o 3: overgelegde La. C. 58. en La. K. 526. en 27. , of anders gepondereerd werden of zij gestand dan niet waren, maar neen zulks is verzuimd en alle die Maleitsche Militairen als oor de op dat Nur verhoorde Prpais ontkennen nu zulk een aantal vyanden gezien te hebben, zelfs onder die allen zin maar twee persoonen welke verklaren maar eenige man„ „schappen gezien te hebben, als sergeant chalim tot 20. â30. en Soldaat Wangsa na gissing thien man. Daaren boven heeft de Commandant Swykhart ook ver„ „zuimd een behoorlijke vergadering te houden om over de omstanden waar in zij waren te raad pleegen en nog secuide„ Kreeft, nog Capitin Oisoeph opgeroepen, schoon hem wel bekend was, dat den Secunde en Militaire Opper- officieren, by alle voornaame zaaken die verhandeld werden, present moesten zijn, zoo als Luitenant Graven„ „steijn verklaard bij n. o 57 Cart: 37. , en specialer in 't recolle„ „ment, ampliatie op datzelfde artivel; eenlyk en als ter ter loops is buiten Luitenant Gravensteyn en Vuurwerker Zies, de Maleitsche Capitein Bahim en Luitenant Camin gezegt datze dewijl den vyand zoo sterv en hun magt ver„ „zwakt was voorneemens waren de post te verlaten, met afvrage wat zy daar van dagten en na eenige woordewisseling R. die men eer hakverteering kan noemen persisteerde die Commandant bij zijn voorneemen. Capitein Rahim en Luitenaat Camin, hadden im„ „mers verklaard dat zij vermeenden te moeten vegten volgens hunne attesten, onder n. o 3. aangehaalde La. S: en U. , en bij nader verhoor n. o 61. art: 21. en, 23. zegt Rahim dat hij ver„ „meende tegen een magt als hun den voorigen nagt hadt geattaqueerd weerbaar en bestand te zin, en deeze zoo wel als Luitenant Camin acte n:o 62: art: 38. zeggen dat zy alle omstandigheden hebben moeten opmaaken dat banqiegheid dien Officier daar toe heeft gebragt zoo dat daar uit volkomen blykt, dat ongegronde vrees voor een tweede attaque hun verbijsterd heeft want alle andere ponieten, nog gebrek kan water, nog gebrek aan amunitie die hij nu wil voorwenden heeft geen plaats gehadt, de zulkheid van de Bezettelingen hadt hij kunnen voorkomen en de magt des vyands is niet behoorlyk onderzogt uit al het welke dan consteerd dat de verlaating zonder ge„ „gronde redenen en te voorbaarig is geschiedt, en welk ge„ „voelen ook geresideert heeft bij vaandrig Selon en Sergeant Malim vide acte, de onder rd. o 3. overgelegde La. B. B. art: 30. Het was zever de pligt van Capitein Rahim zoo ook niet van Luitenant Camin geweest in duidelyke termen Commandant Swykhardt aan te toonen en te zeggen dat z vermeenden dat de nood nog niet vergde zulkx een schandelyk vlugt te entameeren, maar dezelven zeggen dat zij zulks aan

← previousnext →