Inventory 8435
Japan · 1,202 pages · 327 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
had indeed represented this to Captain Swykhart, but out of timidity had not dared to press the same with force, as appears from no. 61 art. 22, and no. 62 art. 37; indeed, Captain Rahim ought to have protested against this abandonment. Also, Captain Swykhardt as well as Lieutenant GravenReijn were asked for a clear statement of wherein they believed that the treason would have consisted, as they had said in the Council of Policy, as appears from Extract no. 4, that they had been fearful of it; to which the first-named answers in document no. 58 art. 36 that the desertion of a sergeant and six privates had caused them to fear having the enemy both inside and outside the fort, and the second-named in no. 57 art. 40 that he does not know of having spoken of treason, but that the desertion of six men and, since almost all the Malay soldiers had wives in the native village, had caused him to conceive such a mistrust, and in particular against the Malaccan Malays. 8. Arrival at and Abandonment of Utrecht. After the garrison had abandoned Altingsburg and arrived in Fort Utrecht, it certainly would have been the duty of Commandant Swykhardt to hold a council in order to investigate whether he could maintain his post there, as he now indeed pretends to have intended, according to his declaration submitted under no. 3, Document Lit. A. paragraph 35, and further interrogation no. 58 art. 40; and although he says in those documents that he had gone to rest because of the pain in his wounds on account of fatigue, it is nevertheless also very probable that he must previously have been intended to depart for Malacca, as appears from the depositions of Lieutenant Gravensteyn and Bookkeeper Kreeft, the document submitted under no. 3, Lit. B. paragraph 54 and D. paragraph 11. Yet Captain Swykhardt says, to make good that matter, that no one had given him any cause to convene a council, and that he had not thought of it then either, although he had been so intended; but nowhere is there any proof that he had such an intention, although the contrary is established from the statement of Lieutenant GravenRein and Bookkeeper Kreeft cited herebefore. Subsequently, the same says that after he had gotten up, he saw that Second in Command Kreeft, the Malay Captain, and the Ensign with a large part of the troops had departed on board without his consent, and that he then, as well for that reason as for the lack of drinking water that they had in Utrecht, had out of necessity been forced to decide to abandon that fortress as well and to depart with the cutter the Onderneemer, as this all is cited in the document mentioned under no. 3, Lit. A. paragraphs 34, 35, and 36. But even assuming those people had gone on board beforehand without his consent and against his will, he was still the Commandant and could have given orders that they must return to shore immediately; but from the statement by Lieutenant GravenReijn, Master Kreuger, Sergeant van Teijst, Bombardiers Welsink and Herkes, Lieutenant Camin and associates, and others, it can sufficiently be gathered that Commandant Swykhardt and associates went from shore simultaneously, if not beforehand, and Captain Rahim maintains in document no. 61 art. 26 that Swykhardt had sailed on board first of all, and he himself had only departed with one of the returning prahus, which is confirmed to be the truth in document no. 62 art. 33. There is only one person who testifies to the contrary, namely the Portuguese resident at Segu, Pedro Martinus, who in the verification of his declaration, annexed under no. 3, Lit. L., relates that Kreeft and van Ziest upon their arrival on board were said to have said that the Commandant was still in the fort; yet if the testimony of the Master Kreuger in the document annexed under no. 3, Lit. E., in the verification is set against it, it appears therefrom that Captain Swykhard was intended, and also gave orders, to abandon Utrecht and depart for Malacca before Bookkeeper Kreeft sailed from shore to ship. And as regards the lack of drinking water, which that Captain now gives as a reason that compelled him to the abandonment, it was surely well known that there was no drinking water at Fort Utrecht, which he ought also to have taken into consideration beforehand. It appears then that the pretense of the necessity to abandon Utrecht as well, although against his intention, is frivolous and entirely beside the truth, and is certainly now given by him, the Captain, as if to incriminate other persons therewith. The Malay Captain Rahim, who is accused of cowardice during the attack between the 27th and 28th of June last by Captain Swykhardt in the declaration submitted under no. 3, Lit. A. paragraphs 8, 29, Lieutenant Gravensteijn Lit. B. paragraph 22, Fireworker Lies no. 56 arts. 16, 17, and 18, and Soldier Weesink no. 53 art. 1, wherefore the subscriber hereof has made inquiry into this with such persons as could have knowledge thereof; but from the testimony of various persons, as can be seen in no. 60 arts. 23 and 24, no. 62 arts. 29 to 32, it sufficiently appears that that native Captain, far from being cowardly, courageously encouraged his people, which agrees with the testimony in the document submitted under no. 3, Lit. O. paragraph 28 1/2, as well as with the statement by Captain Swykhardt and Lieutenant Gravensteyn themselves in the Council of Policy dated 6 July last, as appears from Extract no. 4, so that that accusation thereby entirely falls away. From all this set down, the undersigned believes to have sufficiently investigated and demonstrated the reasons and motives for the abandonment not only of Altingsburg, but also of the whole of Slaagenoor. Malacca, the 22nd of November 1783. signed P. Thierens Agrees BV Baumgarten Secretary
Dutch transcription
363 3 aan Capitein Swykhart wel hadden voorgehouden maar uit beschroomdheid hetzelve met kragt niet hadden durven aan„ „dringen blijkens n. o 61. art. 22. , en n:o 62. art. 37. , zelfs hadt Capitein Rahim behooren te protesteeren tegen deeze verlating. Ook is Capitein Swykhardt zoo wel als Luitenant Gra„ „venReijn afgevraagd een klare opgave waar in zij vermeenen dat het verraad zoude hebben bestaan, zoo als zij blykens Extract n. . 4. in Vergadering van Politie hadden gezegt, daar voor bedugt te zyn geweest, daar de eerstgenoemde bi acte n. o 58. art 36. op antwoord, dat de desertie van een Sergeanten zes gemeenen hun hadden doen dugten den vyand zoo wel binnen als buiten het fort te hebben, en de tweede gemelde bij n. o 57. art: 40. , dat hij niet weet van verraad gesproken te hebben, maar dat de desertie van Zes man en dewijl meest alle de Maleitsche Soldaten vrouwen in de negorij hadden gehad, hem zulk een mis„ „trouwen, en in 't byzonder tegen de Malaccasche Maleyer hadt doen opvatten. 8. /Komst en Verlaating van Utrecht. Na dat de Bezettelingen Altingsburg verlaten en in het fort Utrecht aangekomen waren, was het zeker de pligt van Commandant Swykhardt geweest Vergadering te houden om te onderzoeken of hy daar konde blyven post houden, gelyk hy nu wel voorgeeft, geintentioneerd geweest te zyn, volgens zyn Verklaaring de onder n. o 3. overgelegde Acte La A. §35. , en nader verhoor n. o 58. art. 40. , en ofschoon hy by die actens zegt dat hy om de pyn aan zyn worden we„ „gens vermoeidheid was gaan rusten, zoo is het egter ook al zeer waarschynlyk dat hy bevoorens al geintentioneerd moet zyn geweest naar Malacca te vertrekken, gelyk blyjk uit l uit de Atesten van Luitenant Gravensteyn en Boekhouder Kreeft, de onder n:o 3. overgelegde acte La. B3. 854 en D. S. 11 Dog Capitein Swykhardt zegt om die zaak goed te maaken, dat niemand hem eenige aanleiding hadt gegeven. om Vergadering te beleggen, en dat hij toen ook niet daar aan gedagt hadt hoewel hij zulks geinventioneerd wees ge„ „weest, maar nergens is eenige blyk dat hy zulke intentie gehad heeft schoon het tegengestelde uit het verklaarde van Luitenant GravenRein en Boekhouder Kreeft hier vooren aangehaald consteerd. Vervolgens zegt dezelven dat na hij was opgestaan, gezien te hebben dat Secunde Kreeft, Chaleitsche Capitein en Vaandrig met een groot gedeelde der manschappen zonder zyn consent naar boord waren vertrokken, en dat hy Voen zoo wel daar om als om het gebrek dat men in Utrecht aan drenk„ „water hadt, iit noodzaekelijkheid hadt moeten besluiten om ook dat fortres te verlaten en met de kotter de Onder„ „neemer te vertrekken, zoo als dit een en ander is aangehaald bij de Acte, de onder no 3. gemelde La. A. 5 34, 35 en 36. Maar genomen die menschen waren al eens zonder zyn consent voor af en tegen zijn wil naar boord gegaan, zoo was hij nog Commandant en sadt beveelen kunnen geeven, dat zi direct weder aan de wal moesten komen, maar uit het 6 C verklaarde door Luitenant GravenReijn, Gezagvoerder Kreuger:/ Sergeant van Teijst, Bombardiar Welsink en Herkes, Luitenant Caminc. s. en anderen is genoegzaam op te maaken dat Commandant: Swykhardt c. s. , zoo niet voor af, gelyk tydig van s' land is gegaan, en Cap:n Rahim rendt staande bi acte n:o 61. art. 26. dat swykhardt het eerste van allen naar boord gevaaren was en hij met een der te rug komende prauwen eerst vertronken was, het welk bevesteld is de waar„ „heid „heid te zijn bij acte n. o 62. art: 33. Daar is meer een persoon die het tegengeztelde ge„ „tuigd, naamlyk de dertugeesch inwooner te Segu bedro Martinus, welke in't recollement van zyn Verklaaring de onder n:o 3. bijgelegd La: L. verhaald, dat Kreeft en van ziest bij hun aankomst aan boord zouden hebben gezeijd dat de Commandant nog in 't fort was, dog als het ge „tuigd van den Gezagvoerder Kreuger in de onder w. C ƒ bijgelegde acte: La. E. in het recollement; daar tegen wordt gesteld zoo blykt daar uit dat Capiten Swyk„ „hard geintentioneerd is geweest en oon order heeft gesteld om uitrecht te verlaten en naer Malacca te vertrekken eer dat Boekhouder Kreeft van land naer boord gevaaren is En wat aanbelangd het gebrek aan drinkwater, dat 3 ƒ die Capittein nu opgeeft als een reden die hem nood„ „zaakte tot de verlating, zoo wat het immers wel be „wust dat bij het fort Utrecht geen drinkweter was, hetwelke hij ook albevoorens in opmerking hast moeten neemen Het blykt dan dat het voorgeeven der noodzaakelykheid - om oon Uitrecht, schoon tegen zyn intentie te verlaten frivool, en gansch bezijden de waarheid is en zekerlyk door hem Kapitain nu opgegeven wordt om andere per„ „soonen daar mede als te bezwaaren De Maleitsche Capitein Rahim waar door Cap. n e Swykhardt by verklaaring de onder n. o 3. overgelegde Lacct. §8. 29. Luitenant Gravensteijn La. B. & 22. -, Vuurwerker Lies n:o 56: art: 16. 17. en 18. en Soldaat Weesink n. o 53. art: 1: beschuldigd van larfhartigheid geduurende de atta„ „que „que tusschen den 27. en 28. Iuni laastleden, waarom de tekenaar deezes daar recherche na heeft gedaan bij de zoodanigen die daar van weeten konden, maar uit het getuigde van diverse als te zien is w=o 60. art: 23 en 24. , r„o 62. art: 29 tot 32. blykt voldoende dat die inlandsche Capitein verre van laffhartig te zijn, zyn volk kloejmoedig heeft aangespoord hetgene overeen stand met het getuigde by de acte, de onder n. o 3. overgelegde La. O. 8 28 ½, als met het verklaarde door Capitain Swykhardt en Luitenant Gravensteyn zelve, in Vergadering van Politie datis 6: Iuli laastleden blykens Extract n. o 4. zoo dat die beschuldiging daar door ten eenenmaale komt te vervallen. uit dit een en ander ter nedergestelde, vermeent de ondergetekende genoegzaam onderzogt en betoogt te hebben de reden en metieven der verlating niet alleen van Altingsburg maar ook van geheel Slaagenoor. Malacca den 22. November 1783. /getekend/ P. Thierens Accordeert BV Baumgarten ec
English
373 Instructions for the skippers Benjamin van der Spek and Jan Boekez, commanding the Company's ships Hoolwerf and Meers, to regulate themselves thereby in the expedition to Salangore. Valiant, Pious, Whereas the attack made by King Radja Brima, expelled from Salangore in the year 1734, and his adherents in the night between 27 and 28 June last on the Company's fort Altingsburg, has been of such fatal consequence that the garrisons, both of the same and of fort Utrecht and the battery of Braam, have retreated from there in the most irresponsible manner, we have, in concurrence with the Right Honorable Captains of the State's frigates of war the Alarm and Monnickendam, deemed fit and resolved, for the maintenance of the right which the Company has acquired over the Kingdom of Salangore by its arms, united with those of the Dutch state, to dispatch your Honors thither, to keep the place of that name provisionally or until further orders blockaded with the vessels under your Honors' command and other craft which we shall add thereto, and to prescribe to your Honors herewith what must be observed by your Honors. 1. Having arrived before Salangore, and having occupied the entrance of the river in such a manner that no large native vessels can pass unhindered, your Honors must prevent all such vessels, indifferent whether they belong to friends or enemies, from entering or leaving the river, warning the commanders of the vessels of our friends and allies who arrive there, and announcing that, whereas the Company has caused Salangore to be blockaded, they must stay away from there and depart elsewhere. We do not doubt that they will heed this warning; but otherwise your Honors must act towards them according to the law of war. 2. When your Honors, upon arrival at the roadstead of Salangore, encounter there any ship or vessel of the English or other European nations, or if such should arrive there afterwards, your Honors must notify the authorities of the same in the most friendly manner that your Honors have been sent to blockade that place, and that they must not interfere in the least with the disputes of the Dutch East India Company and its enemies, nor carry on any trade with the people of Salangore, but must depart within twenty-four hours; likewise your Honors, if the English should have any intentions to establish or settle themselves at Salangore, must represent to them that, since Salangore was conquered for the Company by the arms of the Dutch State and has not been taken from it again, but was abandoned by its own servants in a cowardly manner, and the said Company has thus lost none of its right to that Kingdom, they (namely the English) ought to desist from the execution of their designs. But, if they do not heed the said notification and representation, or refuse to comply therewith, your Honors must protest against all damages and further endeavor to impede them therein to the best of your ability, provided that the unhindered navigation, granted to them by the latest peace treaty, remains entirely free. 3. All enemy vessels, whether arriving from outside or attempting to go out, your Honors must endeavor to destroy or drive away, without however distancing yourselves from the roadstead of Salangore, or occupying yourselves with the taking of prisoners of war or booty. 4. Should it happen that Radja Brima, or the person who has set himself up there as Regent, makes an application to your Honors to make peace with the Company, your Honors must simply answer him that your Honors have no authority to treat with him thereon, but that, if he is sincerely inclined to reconciliation with the Company, he could send an embassy hither, provided with a proper credential or such a letter of credence whereby authority is given to the envoys to treat with the Governor in Council at Malacca concerning an agreement, and that your Honors, in that case, will not only give such envoys a pass together with a Dutch flag for their vessel, but will also pledge that not the least harm nor molestation shall be done to them here; just as your Honors may also do when that safe-conduct is requested from your Honors. 5. Your Honors will easily understand that all these orders are given under the assumption that your Honors, upon your arrival before Salangore, will find a Malay or Bugis flag flying ashore; but otherwise, or if your Honors see an English flag hoisted there, either upon your Honors' arrival or some time thereafter, your Honors must send two of your Honors' ablest officers and those most knowledgeable in the Malay language ashore in the boat with a white flag, in order to inquire in the most civil manner of the person who commands there on what grounds the English flag flies there, and whether he can produce any written proof according to which he is qualified to let that flag fly. If, contrary to our expectation, such a writing is shown to your Honors' officers, they must request to send some persons on board with your Honors along with it, in order that your Honors may take a copy of the commission and forward it to us.
Dutch transcription
373 Instructie vor de schipper Brgjanin van der Spek en Jan Boekez, commandeerende Comps. schepen Hoolwerf en Mears, om zig daar naar te reguleeren in de Expecitie naar f langenoor. Manhafte, Vroome, Nademaal de atterque door den in 't jaar 1734. van Slangenoor ver„ „drevenen Koning Radja Brima en zijnen aan hang inden nagt tusschen den 27. en 28. Iuni laastleden op Comps. fort Attingsburg gedaan, van dat bataals gevolg ge„ „weest is, dat de Bezeittelingen, zoo van het zelve als van het fort Uutrecht en de batterij van Braan op de alleronverantwoordelijkste wijze van daar zijn geretineerd, hebben wij, in zamen stemming met de Wel Edele Gestr: Heeren Capitoins van 's Lands fregatten van oorlog de Alarm en Monnickendam goedgevonden en verstaan tot handhaving van het reijt, het welk de Compagnie door haare waepenen, vereenigd met die van den Nederlandschen staat, op het Rijk van Slangenoor verkrogen heeft, UwE. derwaarts te expecieeren, om de r plaats van dien naam met UwE. onder hebbende bodems en andere vaartuigen welken wij er bij fvoegen zullen, provisioneel of tot nader ordergebloqueerd. te houden, en UwE. over zulks bij deezen voor te schrijven wat door Uw E. gebser„ „veerd moet worden. „ in dier Voor slangenoor gekomen zijnde, en den ingang der rivier„ wegen bezet hebbende dat 'er geene groote in landsche vaartuigen onverhinderd passeeren kunnen moeten UwE. aan alle diergelijke vaaartuigen, onverschillig of zij aan Vrienden of vijanden toebehooren, het in- of uitloopen van de rivier beletten, doende aan de„ Gesaghebbers der vaartuigen van onse Vrienden en Bondgenoten, die er aankomen waarschouwen E waanschouden al 't vermel de Compagnie s langenoor heeft baten blequeeren, zij van daar moeten blijven, en naar elders vertrekken. Wij twijfelen niet of zij zullen na deeze waarschuwing hooren; dog anders moeten UwE: met hun naar het regt des oorlogs handelen. Wanneer UwE, bij aankomst op de reede van Slangenoor, daar eenig schip of vaartuig van de Engelschen of andere Europesche Natien ontmoeten, dan wel zodanige kieden 'er naderhand aankomen, moeten UwE. aan de overheden van de „zelven op het vriendelijkste waten bekendmakens, dat uwE. gzonden zijn om die plaats te bloqueeren, en zijn met de geschillen van de Nederlandsche Oostinei„ „sche Compagnie en haare vijanden in het minste niet bemoeien nog eenigen lande met de slangenooreschen drijven, maar binnen vier en twintig uuren vertrek„ „ken moeten; gelijk UwE: ook, wanneer de Engelschen eenige intentien mogten hebben om zig op Slangenoor te stabileeren of te vestigen hun voorhouden moe„ „ten dat, dewijl Slangenoor door de wapenen van den Nederlandschen Straten de Compagnie voor haar over meesterd haar niet weder ontnomen, maar door haar eigen Dienaaren op eene laschanrtige wijze verlaaten zijnde de gemelde Compagnie dus niets van haare regt op dat Rijk verloren heeft, zij (de Engelschen naamelijk behooren af te zien van de volbrenging hunner oogmerken. Maar, indien zij zig aan de gemelde bekendmaaking en voorhouding niet kreunen, of aan dezelve weigeren te voldoen, moeten UwE. tegen alle nadeelen pratesteeren en hun voorts naar vermogen daar in tragten hinderlijk te zijn, mits de ongegeneerde vaart, bij het jongste Vredes tractaat hun togestaan, volkomen vrij blijve. Alle vijandelijke vaartuigen, 't zij van buiten aankomende, of naar Rute willende, moeten uwE, poogen te vernielen, dan wel te verjaagen, zonder Zig 2. 375 zig nogtans van de reede van Slangenoor te verwijden: of zig met het maaken van krijgsgevangenen of buit op te houden. Ca Gebeurt het dat Radja Brima, of de persoon, die zig daar tot Regent opge„ „worpen heeft, aan zoek bij uwEd. laat doen om zig met de Compagnie te bevredigen, dan moeten UwE. daar op een voudiglijk antwoorden, dat uwE. geene qualificatie hebben, om met hem daar over te handelen, dog dat hij zoo hij tot de verzoening met de Compagnie opregtelyk genegen is, een Gezantschap herwaarts kon zenden voorzien van een behoorlijke bredentiaal, of zoodanig een Geloofsbrief, waar bij aan de Gezanten last gegeven wordt, om met den Gouverneur in Raadt te Malacca over een vergelijk te handelen, en dat UwE in dien gevalle aan zoodenige Gelanten niet alleen eene Pas, benevens eene Hollandsche Vlag, voor hun vaar„ „tuig geeven, maar zig ook verbinden zullen dat aan hun hier geen het minste leed, nog molest, zal worden aangedaan; gelijk UwE: zulksook doen mogen wanneer dat vrijgeleide van UwE. wordt begeerd. 5. Alle deeze orders begrijpen uwE ligtelijk gegevin te zijn in de onderstelling dat UwE. bij derzelver arrivement voor slange noor, eene Maleitsche of Boeginee„ „sche vlag aan land zullen vinden waaijen, dog anders, of wannea uwE. daar, 't zij bij UwE. komste of eenigen tijd daar na, eene Engelsche vlag opgeheezen zien, moeten UwE. twee van Uw E. bekwaamste en den Maleitsche taale kundigste officieren met eene witte vlag op de schuit naar land zijnden, om aan den genen, welke daar het bevel vart, op de civielste wijze af te vraagen op wat grond de Engelsche vlaeg daar waait, en of hij eenig schriftelijk bewijs kan voortbrengen, volgens het welke hij tot het laaten waaijen van die vlag gequalificeerd is . Bij aldien tegen onze verwagting een zoodanig geschrift aan Uw E officieren vertoond woord moeten zij verzoeken daar meede eenige persoonen bij uwE. aan boord te zenden ten einde uwE. een afschrift van de Commissie kunnen neemen, en ons laaten toekomen
English
arrive, and await our further orders: you shall, if it becomes evident to you that the commission to allow the English flag to fly was granted by the ministry of Calcutta, Madras, or Bombay, or that Englishmen are found on land who claim to be authorized thereto, suspend the execution of our orders given in the 1st, 2nd, and 3rd articles until you receive an answer from us. But, if they have no such commission, or if the commission shown to you was granted merely by one or another private individual, and likewise if no Englishmen are found on land, you must not respect the English flag hoisted at Slangenoor, but enforce the blockade according to our prescribed orders, and reply to the English who might believe they have the right to visit that place because their flag flies there, that the people of Slangenoor were unable to show you any commission to fly the English flag. Meanwhile, you must inform us as soon as possible by your letters of whatever occurs regarding the English flag. At the assembly of the Broad Council to deliberate on the blockade of Slangenoor assigned to you, the Junior Merchant Gerrit Engel, whom we have judged necessary to send with you to evaluate with you the validity of the authority for hoisting an English flag there, shall take a seat above the naval Lieutenants and chief mates. During the presence of the ship Hoolwerf before Slangenoor, the master Benjamin van der Spek, as the senior of you both, shall hold the command over the said blockade, and with regard to occurrences not mentioned in these instructions, may proceed in such manner as shall be judged, after mature deliberation in the Broad Council, to serve to advance the interest of the Company. While expecting from you in particular, and from the other officers in general, the most faithful and attentive compliance with our orders, wishing you Heaven's protection, we remain with great pleasure, valiant, pious, your good friends, signed, P. G. de Bruijn, A. Couperus, I. A. Hensel, F. Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht, H. I. Wiederhold, and C. G. Baumgarten. In the margin: Malacca, in the Castle, the 9th of July 1785. To the masters Benjamin van der Spek and Jan Boeke, commanding the Company ships Hoolwerf and Mars assigned to the expedition against Slangenoor. Valiant, Pious, Some reports received this morning from the upper lands have caused us to decide to make this change in the orders given to you in the instructions of the 9th instant: that you must not send a boat ashore if you see the English flag flying at Slangenoor to demand the authorization for it, since officers and sailors might sometimes run the risk of being massacred, but that you must instead, without respecting that flag, enforce the blockade of Slangenoor until the said authorization is shown to you and recognized by you as valid by someone from Slangenoor or by one or another of the Englishmen who may be there or arrive after your arrival. You may nevertheless, if such presentation is not forthcoming, seize the vessel of any of our native friends and allies intending to go to Slangenoor until its Nakhoda goes ashore and, in your name, requests the Regent there to send five or six men with a white flag on board with you, in order to show you the aforesaid authorization, announcing at the same time that as long as this does not happen, you have orders to keep the place blockaded. We expect the cutter the Ondernemer back at the earliest opportunity with the news of what has occurred to you concerning the English flag, and remain, after greetings, valiant, pious, your good friends, signed, P. G. de Bruijn, A. Couperus, I. A. Hensel, F. Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht, H. I. Wiederhold, and C. G. Baumgarten. In the margin: Malacca, in the Castle, the 13th of July 1785. To the masters Benjamin van der Spek and Jan Boek, commanding the Company ships Hoolwerf and Mars in the expedition against Slangenoor. Valiant, Pious, The six leagers of drinking water that the bark the Standvastigheid brings for you must be discharged as quickly as possible and that vessel dispatched to Siak without a moment's delay. I remain, after greetings, your good friend, signed, P. G. de Bruijn. In the margin: Malacca, in the Castle, the 27th of July 1785. To the masters Benjamin van der Spek and Jan Boek, commanding the ships Hoolwerf and Mars assigned to the expedition against Slangenoor. Valiant, Pious, The captain of the English hooker The Money [illegible]
Dutch transcription
toekomen, en onze nadere order ste verlangen: zullende UwE. wanneer Uw E. komt te blijken dat de Commissie tot het waarijen laasten der Engelsche vlag door het Ministerie van Calonttal, Madras, of Bomboij veeleend is, of dat engelschen aan landgevonden worden, die zeggen daar toe geregtigd te zijn, de uit wering van onsze in het 1:ten 2. do en 3. de articul gegeven orders moeten opschorten tot dat UwE. antwoord van ons ontvangen. Dog, indien men zodanig eene Commis„ „sie niet heeft, of de commissie, welke aan uwE. vertoond wordt, slegts door den eenen of anderen particulieren persoon verleend is gelijk ook wanneer geene En„ „gelschen aan landgevonden worden, moeten uwE. de Engelsche Warg, op saingenoor geplant, niet respecteeren, maar de bloquade naar onse voorschreven bevelen doen gevolg hebben, En aan de Engelschen die uit hoofde dat te hunne vlag waar't vermeenen mogten regt te hebben om die plaats te bezoeken, ant„ „woorden dat de Aangenoreeschen geene Commissie om de Engelsche vlag te laaten waaijen aan uwE: hebben kunnen vertoonen. Ondertusschen moeten UwE. van UwE. brieven of hetgene wegens de Engelsche vlag voorvall ons ten spoedigsten informeeren. Bij de zamenkomste van den Breeden Raadt om over de UwE. opgedragen bloqueede van Slangenoor te delibereren, zal de Onderkoopman Gerrit Lungel dien wij nodig gerigt hebben uwE: mede te geeven om met uw over de deugdelijkheid der qualificatie ter ophijlinge van eene Engelsche Vlag ginder te oordeelen boven de Luitenants ter Zee en opperstuurlieden moeten zitten. Geduurende het aanweezen van het schip Hoolwerf voor slangenoor zaldaschippen Benjamin van der spek, als de oudste van uwE. beiden, het commandement over de gemelde bloquade hebben, en met opzigt tot voorvallen, waar van d eese Instructie niet gesproken is, zodanig mogen te werk gaan, als na rijpe overwee„ 66 „ging in den Broeden Raad geordeed zal worden tot boordering van 't beling der Maat„ „schappije 6. 347 schappije te kunnen strekken. Terwijl wij van UwE. in het bijzonder, en van de andere officieren in het generaal, verwagtende de getrouwste en attentste nakoming onszer bevelen, onder toewensching van 's Hemels bewaaring, zeer gaarne blijven /onderstondt/ Man„ „hafte, koome, /lager UwE. Goede Viemden, (getekend)/ P. G. de Bruijn, A. Couperus, I. A. Hensel, F: Thierens, R: B. Hoijnck van Pappen„ „drecht, H. I. Weederhold en C. G. Baumgarten, / In margine/ Mabacca in het Casteel den 9. Iuli 1735. Aan de schippers Benjamin van der Spek en Ian Boeke Commandeerende de tot de Expedita tegen Slangenoor geschikte Comps. scheepen Hoolwerf in Mleors Manhafte, Vroome Eenige heden ogtont ontvangen berigten uit de bovenlanden hebben ons het besluit doen neemen van in de orders, die aan uwE. bij de Instructie van den 9. Cou„ „rant gegeven zijn, te maaken deze verandering, dat UwE. geene schuit naar land moeten zenden, wanneer UwE. op slangenoor de Engelsche vlag zijn waaijen, om de qualificatie daar toe af te vraagen dewijl officieren en Matroozen som tijds gevaar zouden loopen van gemassaereerd te worden, maar dat UwE. daaren teegen, zonder die vlag te respecteeren, de bloquadte van t slange„ „noor moeten laaten gevolg hebben tot dat door iemand van de slangenoresschen dan wel door den eenen of anderen van de Engelschen, die daar mogten weezen, of na Uw E. arrivement aankoomen, de gemelde qualificatie aan UwE. vertoond en bij UwE. voor deugdelijk erkend wordt, kunnende Uw E. nogtans wanneer dusdanige vertooning agter blijft het vaartuig van iemand onzzer inlandsche Vrienden en Bondgenooten, dat den wil naar Slangenoor heeft, in arrest naamen tot dat de Nagoela daar van Zig naar land begeeven, en uit uwE. naem den Regent aldaar verzogt zal hebben, om Klipper 8 om vijff of zes man met eene witte wlag bij UwE. aan boord te zenden, ten einde UwE: de meergemelde qualificatie te laaten zien, onder aanzegg„ teffens dat, zoo lang dit niet geschiedte, uwE. lest hebben om de plaats geblogueerd te houden. Wij verwagten de kotter de onderneemer ten eersten terug matt de Eij„ „ding van hetgene UwE. wegens de Engelsche vlag zal weezen voorgeko„ „men en blijven na groete, (onderstond t/ Manhafte Vroome, /:Lager/ UwE. Goede Vrienden /getekend/ P: G. de Bruijn, A. Couperus, I. A. Hensel, F. Thierens, R. B. Hoijnck van Lapendrecht H. I. Wiederhold, en C. G. e Boumgorten, /in margine:/ Malacca in het Casteel den 13. Iuli 1785. Aan de schippees Benjamin van der Spek en Jan Boek Commandeerende Comps. schepen Hoolauerf en Mars in de Expeditie tegen Slangenoor Manhafte, Vroome, De zes leggers met brinkwater, die de berk de Standvestigheid voor UwE. medeneemt, moeterser ten eersten uitgelost en dat vaartuig zonder een oogenblik op houdens naar Sera gedepecheerd worden. Ik blijf na groete, /onderstondt/ UwE Goede Vriends/ getekend/ P. G. de Bruijn /in margine/ Malacca in het Casteel den 27. Iuli 1785. Mandeschippers Benjamen van der Speken Jan Berk Commandeerende de tot de Expeditie tegene Plangenoor geschikte Scheepen Hoolwerf en Mlars Manhafte, Vroome, De Capitein van den Engelschen hoeker The Monij le tons esteld us de van
English
of the 26th of July last, along with the enclosed report of what had occurred since the 18th of that month. We approve of your Honor's actions, both concerning the aforementioned hooker and with regard to the request that Radja Brima had made to the Commander of the blockade of Slangenoor, skipper van der Spek, to reconcile with the Company, solely excepting that your Honor did not disabuse him regarding the white flag, which he believed to have been waved from the ship Hoolwerf to summon him on board. We therefore desire that your Honor shall nevertheless make him understand in due time that, although it was not disagreeable to your Honor that he attributed that meaning to the hoisting of a white flag, the purpose thereof was nevertheless no other than to summon the ship's officers of Mars on board the ship Hoolwerf, since the request for peace—our side being the offended party—had to come from his side, in order thus to prevent that he, on the assumption that the first step toward mutual reconciliation had been taken by us ourselves, should become unmanageable in settling the points upon which that reconciliation must be effected. The delay, meanwhile, of the envoys who were to depart hither on Thursday the 20th of July, and the news that we have received from Rombouw as well as from Pera that Radja Brima has let it be known that he will pay a hostile visit to the last-mentioned place, causing us somewhat to doubt the sincerity of his intention to reconcile with the Company, we will not only have recommended to your Honor to observe a cautious distrust toward that Prince and the Selangorians in general, and accordingly to make as little use as possible of the offered refreshments, but also, whenever your Honor notices or perceives that his pretexts and offers are merely deceitful tricks to divert your Honor from executing our orders regarding the blockade or are intended to do harm to the crew, to cut off all correspondence with them, yet now and then, under the necessary precautions, but never by night, admitting a single small vessel with five or six men on board, in order through that means to spread the word on Slangenoor that a considerable war force will appear to put everything to the sword, unless Radja Brima should quickly prevent such a thing by promptly submitting to the Company. The small vessel de Hoop, which has come from Riouw, is now being sent to Slangenoor to relieve the ship Hoolwerf. Skipper van der Spek must therefore depart hither at once with it, after having handed over the command of the blockade to skipper Boekij and the accompanying instructions to the Commander on the vessel de Hoop, David Hartig. The junior merchant Pungel can return with Hoolwerf, since he now has nothing more to do there. We remain, after greetings, [lower down] Your Honor's Good Friends, [signed] P. G. de Bruijn, A. Couperus, I. A. Hensel, F. Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht, I. I. Wiederhold, and C. G. Baumgarten. [in the margin] Done in the Castle, the 10th of August 1785. [below that] P.S. The Selangor envoys arrived here after the signing of this document. The Governor and Director of the City and Fortress of Malacca and its dependencies, Pieter Gerardus de Bruijn, and his Council write this letter to their Friend Radja Ibrahim at Slangenoor, with the wish of a long and prosperous life, not to the ruin, but to the salvation of the inhabitants of the aforementioned Kingdom. The Governor and his Council have duly received the letter from their Friend Radja Ibrahim, sent with two Penghulus, and understood its contents. The Dutch East India Company, which takes no pleasure in the shedding of human blood, would have left Radja Ibrahim in the peaceful possession of the dominions devolved upon him after the death of his Father, Sultan Salehuddin, had he not violated the contract concluded by his aforementioned Father with the Company and sworn in his name, moreover meddled in the disputes between the Company and Radja Hadji, and committed hostilities on his behalf against the Company and its subjects; and still the Dutch East India Company would have forgiven Radja Ibrahim for the same out of principles of philanthropy, if, instead of undertaking the defense of Slangenoor with a force that was by no means a match for that of the Dutch, he had submitted to the Dutch East India Company when the respectable Dutch fleet had arrived there. But just as Radja Ibrahim's persistence in his hostility toward the Company gave it the right to pursue him in the manner that has occurred since, so it could now do so with even greater severity, since Radja Ibrahim has returned to Slangenoor to massacre the garrison of that place and thereby fulfill the measure of his injustices. The Governor and his Council have therefore long deliberated whether they should pay any regard to the assurance of Radja Ibrahim that he now desired to live in friendship with the Company; but considering that the inhabitants of Slangenoor, after this Kingdom was conquered by Dutch arms and thus made the lawful property of the Dutch East India Company, have become subjects of the same Company, and that it would consequently expose its own subjects to the calamities of war if it again used its power to drive Radja Ibrahim from there,
Dutch transcription
379 van den 26. Juli laastleden met het daar bij ingesloten verslag van hetgene sedert den 18. dier maand waf voorgevallen. Wij keuren goed uwE. verigtingen, zo wel omtrent den gemelden hoeker, als met„ opzigt tot het aanzoek, dat Radja Brima bij den Commandant der bloqueede van Slangenoor, schipper van der spek heeft laaten doen om zig met de Compagnie te bevreedigen, eenlijk uitgezonderd dat uwE. hem niet gedisabuseerd heben nopens„ de witte vlag, die hij waarde van het schip Hoolwarf gewraid te hebben om hem aan boord te roepen, en begeeren derhalven dat Uw E. hem als nog ter gelegener tijd zullen doen te verstaan geeven dat, schoon het UwE. niet onaangenaam was dat hij ƒ6 aan het ophijzen van eene witte wlag die beduidenis hadt toegeeigend, het oog„ merk daar mede egter niet anders geweest is, als om de scheeps-overheeden van Mars aan boord van het schip Hoolworf te ontbieden, dewijl het aanzoek tot den vrede niet van onze zijde, als de bededigde partij zijnde, waar van zijne zijde moeste komen, ten einde dus te prevenieeren dat hij op de onderstelling van Ee door ons zelfs den eersten stap ter onderlinge verzoeninge gedaan te zijn, on„ ƒ „handelbaar worde in het regelen van de punten, waar op die verzoening vroet worden geffectueerd. De agterblijving ondertusschen van de Gezeenten, die op Donderdag den 20 Juli herwarts slojeden te vertrekken, en de tijding, die wij van Rombouw zoo wel als van Pera ontvangen hebben, dat Radja Brima zig ledt laaten verhuiden aan de laastgenoemde plaats eene vijaendelijke visite te zullen geeven, ons eenigermaaten doende twijfelen aan de oprigtheid zijnes voorneemens om zig niet de Compagnie te bevreedigen, willen wij UwE. niet alleen gerecommandeerd hebben omtrent dien Prins en de Aangenoreeschen in 't generaal een voor„ „zigtig wan trouwen te observeeren, en over zulks zoo weinig immeers mogelijk gebruik te maaken van de aangeboden vorverschingen, maar ook, wanneer UwE. opmerken of bespeuren dat zijne voorwendzels en aan biedingen slegts bedriegelijke streeken om uwE. van de uitovering onzer orders met bebrek„ „king lenes u 1 „king tot de blegeuende te divrteeren of mtsbreken zijn, on den schepelingen en kwaad te berokkenen, alle arespondentie miet hun af te snijden, doen wel nu en dan, onder de nodige voorbehoedzelen, dog nooi 't bij nagt, een enkeld klein vaartuig met vijf of zes man aan boord te admitteren, ten einde door dat missi op slangewoor te doen uit strooijen, dat ter vrbling een aanzienlijke oorlag„ magt zal verschijnen om alles over de kling te doen springen, indien Rachje Brima Zulkis in muiddens niet mogte verheeden door schilijk bij de Compagnie het hoofd in den schoot te leggen. 't scheepje de Hoop, dat van Riouw gekomen is, wordt nu naer slungena gezonden; om het schip Vooloerf of te oen. De schipper van der spek moet daar mede derhulven ten eersten herwaarts vertrekken, na het commande„ „ment over de bloquade aan den schipper Boekij ende medegekregen Susticte aan den Gezaghebber op het scheepe de Hoop David Hrtig overgegeven te hebben De onderkoopman Pungel kan met Hoolwerf wederkeeren, dewijl hij er nu niets meer te doen heeft. Wij blijven na groete / onderstond/ UwE: Goede Vienden /getekend/ L. G. d Bruijn, A: Couperus, I. A. Hensel, F.: Thierens, R. B. Hoijnck van Lopendrecht, I. I. Wiederhord en C. G. Baungarten, /in margine /e ho „en in 't Casteel den 10. Augustus 1705. /daar onder / P. S. De Hlanjenoreesch Geslaaten zijn na de ondertekening dezes hier gearriveerd. De Gouverneur en Directeur der Stad en Fortresse Malacoa met der Ha „ver Ressort Leeder Gerardus de Bruijn en zijne Raaden schrijven deezen brief aan hunnen Vriend Raetja Ibiahim te Slangenoor, onder, hee wer„ „sching van een lang en voospoedig lieven, niet tot bederf, maar tot heilden ingezetenend 384 ingezetenend van het gemelde Koningrijk. De Gouverneur en zijne Raaden hebben den brief van hunnen Vriend Radja Obriahim, afgezonden met twee Pinghoebes, wel ontvangen en des inhoud verstaan„ De Nederlandsche Oostindische Compagnie, die geen behargen heeft in het ver„ „gieten van menschen= bloed, zoude Radja Ibrahim in het vreedig bezit der heer„ „schappjen, na de dood van zijnen Vader Sullhar Salihoedin op hem gedevolveerd, gela„ „ter hebben, indien hij het contrect, door zijnen gemelden Vader met de Compagnie gesloten en in dezzelfs naam bezworen, niet overtreden, zig daarenboven met de geschillen tusschen de Compagnie en Radja Hndgie bemoid, en ten zijnen gevalle vijandelijkheden tegen de Compagnie en haare onder hoorigen gepleegd hadt; En nog zoude de Nederlandsche Oostindische Compagnie hetzelve uitt begin zels van men schlievendheis aan Radja Ibrahim vergeven hebben, bij aldien hij in phaa van de defensie van Slangenoor te onderneemen met eene magt, welke immers tegen die van de Hollandsche niet bestand was, zig aan de Nederlandsche ostindische „ 2C Compagnie onderworpen hadt, toen de respectable Hollandsche vloot daar was gekomen. Maar gelijk de volharding van Radjes Ibrahim in zijne vijaend„ „schap tegen de compagnie haare regt gegeven heeft om hem indiervoegen te vervolgenalen sedert geschied is, zoo zoude zij het ook nu niet meer gestrengheid kunnen doen, dewijl Radja Ibrahim op Slangenoor is wedergekeerd, om de Betzettelingen van die plaats te massacneeren en de maat zijner onregtwaordigheiden daar door te vervullen De Gouverneur en zijne Raaden hebben derhalven lang in bedenking genomen of zij eenige agt zouden, slaan op de verzekering van Radja Ibrahim, dat hij nu verlangde met de Compagnie in vriendschap te leeven; dog overweegende dat de ingezetenen van Slangenoor, na dat dit Koningrijk door de Hollandsche wapenen overwonnen en dus tot een wettig eigendom van de Nederlandsche Oostindi„ „sche Compagnie gemakt is, geworden, zijn onderdaanen van dezelve Compagnie en dat zij gevolgelijk haare eigen onderdaanen aan de rampen des olegs zoude ma ten Matstellen wanneer zij haare magt weder gebruikte om Radja Ibrahim van daar te k verdrijven
English
expel them, the Governor and his Council, in order that those poor people, who certainly will not have been incited against the Company except through promises or threats from Radja Ibrahim, may be spared as much as possible, or not become more unfortunate than they already are through following the ill-advised designs of Radja Ibrahim, have seen fit to put the sincerity of his aforesaid assurance to the test, and therefore write this letter out of pure goodwill. Radja Ibrahim undoubtedly understands very well that the Dutch East India Company can reconcile itself with him on no other terms than those consistent with the honor of the Dutch Nation and with the right of ownership that the Company has acquired over Slangenoor. A draft of the Treaty that Radja Ibrahim ought to enter into with the Company in order to be restored to its friendship is annexed hereto; from which it will appear what terms and conditions he must accept and swear to, if he wishes to remain in possession of Slangenoor. The Governor and his Council request Radja Ibrahim to read that draft with attention, and, if he finds himself satisfied to agree to it without any reservation, to send two or three principal Ministers hither within the space of eight days after the receipt hereof, with the necessary Credentials, in order to conclude such a Treaty with the Company in the name of himself and the Grandees of the Realm of Slangenoor; whereupon the Governor and his Council will then do their best with the Noble High Indian Government at Batavia to obtain the ratification thereof. But, if Radja Ibrahim does not wish to enter into such a Treaty, or deliberates over it until the war force arrives here, which we expect daily, then all negotiations with him shall be held as broken off, and hostilities against Slangenoor will be pursued with so much fierceness that Radja Ibrahim and all his adherents will have to lament their obstinacy forever. 383 3 This is all that the Governor and his Council have to say for the present. Written in the Fortress of Malacca the 19. August 1785. signed P. G. de Bruijn in the margin Company Seal stamped in red Sealing Wax thereunder By order of the Noble Lord Governor and the Council signed C. G. Baumgarten Sec. To the Skipper and Ordinary Lieutenant at Sea Jan Bock, and David Hartig Commanding the ships Mars and de Hoop assigned to the Expedition against Slangenoor 67 Valiant, Pious, The Hooker Katwijk aan Zee arrived here yesterday with your letter of the 6. of this month. We are pleased as well with the speedy return of that vessel as that a grapnel from it has been delivered to the lighter de Haas destined for Pera, which needed it. The Sickness among the European Crew of the ship Hoolwerf we think to have been caused by the consumption of the fruits of Slangenoor, which are very harmful to health, and we therefore recommend that you take care against this, especially not tolerating that the common crew go ashore, as we trust that the blockade of Slangenoor will not last much longer. The Envoys of Radja Ibrahim returned home on the 16. of this month, to give their Master hope of reconciliation with the Company. Tamat Our . . Our letter for the same person goes herewith in a yellow wrapper; permitting you to have it delivered to his Highness by two of your officers, having seven Cannon shots fired upon their departure. All requests or questions that Radja Ibrahim might make to you with regard to the Contract that we have proposed to him, you must simply answer by declaring that you have no other orders than to give a small Dutch flag to the envoys who wish to depart hither, but that you judge that Radja Ibrahim will do well to make haste towards the settlement of the disputes between him and the Company, since a large force from Batavia is expected here daily. Meanwhile you must commit no hostilities against the Slangenoorese, as long as they leave you in peace, likewise observing towards the English and other foreigners who arrive there what was prescribed to you in the second article of the Instructions of the 9. July last. We wish you and your subordinates continued well-being, and remain. underneath Your Good Friends signed P. G. de Bruijn, A. Couperus, J. A. Hensel, F. E. Thierens, R. B. Hoynck van Papendrecht, H. J. Wiederholt, and C. G. Baumgarten, in the margin Malacca in the Castle the 19. August 1785. To the Skipper and Ordinary Lieutenant at Sea Jan Bock, and David Hartig Commanding the ships Mars and de Hoop assigned to the Expedition against Slangenoor Valiant, Pious, We have, with the bark de Standvastigheid returned from Pera via Slangenoor HE
Dutch transcription
verdrijven, hebben de Gouverneur en zijne Raaden op dat die arme menschen welke zekerlijk niet als door beloften of dreigingen van Raetje Ibrahim tegen de compagnie zullen weezen opgehitst, zoo veel immers mogelijk gespaeerd, of niet ongelukkiger worden, dan zij het reeds zijn door de involging der onberaden ontwerpen van Radja Ibiahim, goedgevonden een proef te neemen van de opregthed zijner voorschreven verzekering, in schrijven daarom deezen brief ueteen Zuiver Earste Radhja Ibrahim begrijpt ongetwijfeld zeer wel, dat de Nederlandsche Oostindische Compagnie zig op geenen anderen voet met den zelven kan laaten verzee„ „nen, als over eenkomstigd met de eere der Hollandsche Natie en met het regt van eigenoom, dat de Compagnie op stangenoor verkregen heeft. Een opstel van het Tractaat, dat Radja Ibrahim met de Compagnie zoude behooren aan te gaan, om in haare vriendschap hersteldt te worden, is dezen bijgerogd; war uit en blijken zal welke conditien en voorwaarden hij aanneemen en bezweeren moetn wil hij in het bezit van slangenoor blijven: De Gouverneur en zijne Randen verzoeken Radja Ibrahim dat op stel met aandrgt te leezen, en, zig genogen vindende om in hetzelve, zonder eenig uitbeding, toe, te stemmen, binnen den tijd van agte dagen na den ontvaingste deezes, twee of drie voornaeme Mi„ „nisters herwaarts te zenden, met de nodige Geloofsbrieven, ten einde in den naam van hem en de Rijksgrooten van Slangenoor, zoo een Fractaat met de Compagnie te sluiten; zullende den Gouverneur en zijne Raaden dan hun best doen bij de Edele Hooge Indische Regeering te Batavia om de ratificatie van hetzelve te verkrijgen. Maar, indien Radjas Ibrahim een diergelijk Trackaat niet wil angaen; of zig daar over bedenkt tot dat de oorlogs- magt hier komt, die wij dagelijks verwagten, den zullen allen„ „derhandelingen met denzelven voor afgebroken gehouden, en de vijende lijkheden tegen slangenoor met zoo veel herigheid voortgezet worden, dat Radja Anhon en alle zijne aanhangelingen zig hunne halstavrigheid eenwig zullen moeten beklaagen. 383 3 Dit is al wat de Gouverneur en zijne Raaden voor tegenwoordig te zeggen hebben. Geschreven in de Fortresse Malacca den 19. Augustus 1785. /getekend/ P. G. de Bruijn /in margine / Comp: Zegel gedrukt in rood Lak daar onder Ter ordouncentie van den Edelen Heer Gouverneur en den Raad /getekend/ C. s G.:s Baumgarten Seck Aan den schipper in Oedinair Luitenant ter Zee Jan Bocka, en David Hartig Commandeerende de tot de Expecditie tegen slange noor geschikte schepen 67 Mars en de Hoop Manhafte, Vroome, De Hoeker Katuijk aan ze is gisteren, hier geariveerd met UwE. bief van den 6. deezer. Wij neemen genoegen zoo wel met de spoedige terugzending van dat waartuig als dat van hetzelve eene dreg is afgegeven aan den naar Pera geclestineerden ligter de Hans, dieze noorig haadt. De Ziekte onder de Europesche Equipage van het schip Hoolwrf denken wij veroorzaakt te zullen zijn door het gebruik der voor de gezondheid zeer schadelijke vrugten van Slangenoor, en recommandeeren 26wE. derhalven daar tegen zorg te draagen, voor al niet gedoogende dat de gemeenen naar de wal veeren alzoo wij vertrouwen dat de bloquade van Slangenoor niet lang meer duturen Zal. De Zendelingen van Radtja Brima zijn op den 16. deezer naar huis gekeerd, om hunnen Meester hoop te geeven tot de bevreeiging met de Compagnie „ Thamat Onze . . Onze brief voor den zelven Tunsgaat hier nevens in een gel zoekje; met leestaan UwE. om dien door twee van UwE. officieren aan zijne Hoogheed te laaten bestellen, doende bij aftending van sijd Zeven Canonschorten Alle verzoeken of vaagen, die Raedja Brima aan UwE. mogte doen met opzigt hot het Contract, dat wij hem voorgeslagen hebben, moeten UwE. waar eenvoudig beantwoorden niet te verklaaren; dat UwE. geene andere oder hebben als om aan de gezanten, die herwaarts vertrekken willen, eene Lasen vol„ „landsche vlag te geeven, dog dat UwE: oordeelen dat Rahja Brima wel zal doen met spoed te maaken tot de bijleging der geschillen tusschen hem en de Compagnie, dewijl hier dagelijks eene grote magt van Batavia verwagt uid. Ondertusschen moeten UwE. geene feitelijkheeden tegen de slangenoreeschen pleegen, zoo lang zij UwE. met vrede laaten, een lijk omtrent de Engelschen en andere vreemdelingen, die ter aankomen, in agt neemende wat UwE. in het tweede articul der Instructie van den 9. Iuli laastleden is voorgeschreven. Wij wenschen UwE. en haare onderhoorigen een bestendig wel zijn, en blijven. /onderstond/ UwE. Goede Vrienden /getekend/ L. G. de Bruijn, A. Coupperus, I. A. Hensel, F. . Thierens, R. B. Hoijnck van Popenchecht, H. J. Wiederlad. en C. G. Bouimgarten,/ in margine/ Malaca in het Casteel den 19. Augustus 1785. Aan den schipper en Ordinaire Luitenant ter Zee Jan Bock& en David Hartig Commandeerende de tot de Expeditie tegen slangenoor geschikte scheepen Mars en de Hoop Manhafte, Vroome, Wij hebben met de van Dera over Hangenoor geretourneerde bark de sand„ „vestigheid HE
English
Standvastigheid received your letter of the 2nd of this month with its enclosures, and saw from it with pleasure that of the crew on the ship Mars no one more than the carpenter had died and only one man was sick, and that the eleven invalids on the ship de Hoop were also improving. But on the other hand, it has given us no satisfaction that you have, without having received any written orders to that effect, so pressed the Malay Intje Saijer, sent to you with our letter, to return hither, as came to our notice from the extract from the journal of the ship Mars; since we must attribute to his hasty departure the staying behind, for the present, of the envoys of Radja Brima, who might possibly have departed with Intje Saijer if he had been allowed to remain there some four days longer in order to make them understand, according to his commission, the necessity of a speedy crossing over. A shortage of seafarers compelling us to place the recovered men from the hospital on the first-departing vessel, we cannot therefore return all ten men who remained here from the small ship de Hoop to the same; yet we send with the bark de Standvastigheid four of them thither, together with two European sailors and one Javanese of the crew stationed here who came out of the hospital yesterday. Besides such rations and medicines for the ship Mars as we could furnish, and which you will find mentioned in the bill of lading drawn up for them, the said bark also brings over to you 25 leggers of drinking water for that vessel and 18 leggers for the ship de Hoop; you being required, in proportion to their unloading, to deliver to that vessel the empty leggers that you have, in order to be filled with seawater for the maintenance of sufficient ballast, and thus to be able, as soon as everything that we send for you has been delivered, to return immediately with the stone boat that has been sent with it for transshipping the various goods. While after greetings we remain, below stood: Your Good Friends, signed: P. G. de Bruijn, A. Couperus, J. A. Hensel, F. Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht, W. P. Wiederhold, and C. G. Baumgarten. In the margin: Malacca in the Castle, the 17th of September 1785. To the Captain and Ordinary Lieutenant at Sea Jan Boekz and David Hartig, commanding the ships Mars and de Hoop assigned to the expedition against Salangoor. The master of the hooker Katwijk, destined for Perak, has orders to call upon you in passing to deliver some vegetables planned for the crews of the vessels under your command; after receiving which, you must let that vessel proceed on its voyage to Perak without detaining it unnecessarily for a single moment. We remain after greetings, below stood: Your Good Friends, signed: P. G. de Bruijn, A. Couperus, J. A. Hensel, F. Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht, W. P. Wiederhold, and C. G. Baumgarten. In the margin: Malacca in the Castle, the 19th of September 1785. To the Captain and Ordinary Lieutenant at Sea Jan Boekz and David Hartig, commanding the ships Mars and de Hoop assigned to the expedition against Salangoor. Valiant, Pious. The bark de Standvastigheid arrived here yesterday, the 3rd of this month, with your letters of the 27th of September last. We are satisfied with your justification regarding the return of the Malay Intje Saijer, and send with the ship Hoolwerf such rations, together with a piece of bandage linen, for the small ship de Hoop, as are noted on the bill of lading enclosed herewith; just as we, upon obtaining sugar, tamarind, and cordage, will also supply what could not now be provided of those necessities for two months. The captain Jan Boekz must hand the command over the blockade of Salangoor back to the captain Benjamin van der Spek, and return hither with the ship Mars, without any the least delay. We remain after greetings, below stood: Your Good Friends, signed: P. G. de Bruijn, A. Couperus, F. Thierens, J. A. Hensel, R. B. Hoijnck van Papendrecht, W. P. Wiederhold, and C. G. Baumgarten. In the margin: Malacca in the Castle, the 7th of October 1785. To the Captain and Ordinary Lieutenant at Sea Benjamin van der Spek and David Hartig, commanding the ships Hoolwerf and de Hoop assigned to the expedition against Salangoor. Valiant, Pious, We have received your letters of the 17th and 23rd of October last. The assistance rendered to the English hooker The Mary meets with our approval. The envoys of Salangoor arrived here the evening before last, and since they say they are authorized to conclude a treaty with us, we think, if we can come to an agreement with them, that we may soon be able to recall the ships from there. Having no anchor cables on hand, we consequently cannot accommodate the ship Hoolwerf with them either; but for the small ship de Hoop ten whole and sixteen half leggers of drinking water are being sent with the lighter de Vos, together with
Dutch transcription
385 vastigheid ontvangen uwE. brief van den 2. deezer met dies bijlaagen, en daar uit niet aangenaamheid gezien, dat van de Equipage op het schip Mars niemand meer als de Timmerman overleden en slegts een man ziek was, mitsgaders dat de elf impotenten op het schip de Hoop ook al beterden. Maar het heeft ons daaren tegen geen genoegen gegeven dat uw E: den met onzen brief naar UwE. gezonden Maleijer Intje Saijer zonder daar toe eenig aanschrij„ „vens te hebben gehadi, zodanig gepresseerd hebben om hernaarts weder te keeren, als ons bij het Extract uit het Journaal van het schip Mars is te voren gekomen, k de wijl wij aan zijn verhaast vertrek moeten toeschrijven het agterblijven voor als nog der Gekanten van Radja Brima, die met Intje Saijer mogelijk vertrokken zouden zijn, indien hij daar een dag of vier langer hads mogen vertoeven om hun, volgens zijnen last, de noodzaakelijkheid van eene spoedige overkomste te doen begrijpen. Gebrek aan Zeerwarenden ons verplijtende, om de herstelden in het aCospitaal op het eerstvertrekkend vaartuig te plaatzen, kunnen wij nu over zulks wel niet alle de tien man, die van het scheepje de Hoop hier verbleven zijn, weder aan, hetbelve bezorgen, dog zenden egter met de berk de standvastigheid vier ti daar van naar derwaarts, benevens twe Europesche Matroozsen en een Javaan van de hier beschieden manschappen, die gisteren uit het Hospitaal gekomen zijn. Behalven zoodanige rantzoenen en medicamenten voor het schip Moorsals wij voldoens konden, en uwE. gemeld zullen vinden bij het daar van geformeerde Cognoscement, brengt de gemelde berk nog tot UwE: over 25. leggers met drin kwater voor dien bodem en 18. leggers voor het schip de Hoop; zullende UwE. naar maate van derzelver ontlossing, de ledige leggers, die UwE. hebben aan dat vaaor„ „tuig moetene afgeeven, om ter behoudinge van eene toe reikende onder Zwaarte met zeewater gevuld te worden en dus in staat te zijn van, zoo dria alles uitgeleverd is, dat wij voor UwE. zenden, immediaat te rug te keeren met de steen bok die tot het overscheeden van het eene en andere aan hetzelve is meedegegeven. 10 Terwijl Terwijl wij na groete blijven /onderstond:/ UuwjE: Goede Jrienden / getekend/ L. G. de Bruijn, A. Couperus, J. A. Hensel, I. Thierens, R: B. Hoijne& van Lapen, „drecht, J. P: Windterhad, en C: G: Bungenten,/in margine/ Halaan in het Casa den 17. September 1785. Aan de Schipper en Ordinaire Luijtenant ter Zee Jan Boekz en David Hartig Commandeerende de tot de Expeditie tegen slangenoor geschikte schepen Mars en de Hoop De Hedogheber van den noivr Eend gedestreerde heker Katrijk aan Za Gr heeft order om bij UwE: en passant aan te gieren, ur overgrve van eenige voor de Exui„ „pages van UwE: onderhebbende bodems geprojecteerde groenten; na welke ontvragen UwE. dat vaartuig, zonder een moment noodeloos op te houden, zijne reize„ naar Lera moeten laaten vervorderen. Wij blijven nee groete /onderstond/UuwE: Goede rienden/getekend/ P: P„r de Bruijn A. Couperus, J. A. Hensel, F. Thierens, R: B. Hoijnck van Lapendrecht, H. I. Wiederhold en C: G. Brumgerten / in maorgine / Malacca in 't Casteel den 19. September 1785. Aaen den schipper en Ordinaire Luitenant ter Zee Jan Bocka en David Hartig Commandeerende, de tot de Expeditie tegen Slangenoor geschikte schepen Mars en de Hoop Manhafte, Vroome. De bock de Aandtrostighuit sogeden 3 dete her arvieed met tede Manhafte, Vroome, Schrijvens 387 Schrijvens van den 27. September laastleden. Wij neemen genoegen met Uw E: verantwoording wegens het retour van den Maleijer Intje Saijer, en zenden met het schip Hoolwerf zodanige rantzoenen benevens een stuk verband linnen, voor het scheepje de Hoop, als op het deezen inge„ „sloten Cognoscement genoteerd zijn, gelijk wij bij orlanging van suiker, tammerinde en karwaat ook supplieren zullen wat nu van die behoeften voor twee maanden niet heeft kunnen voldaan worden. De schipper Jan Bookx moet het Commandement over de bloquade van slangenoor weder overgeeven aan de schipper Benjamin van der Spek, en met het k schip Mars herwaarts keeren, zonder eenig het minste tijd verzuim. Wij blijven na groete /onderstond:/ UwE. Goede Vrienden, /getekend/ P. G. de Bruijn A. Couperus T. Thierens, I. A. Hensel, R. B. Hoijnck van Papendrecht W. I. Wiederhold en C. P. Boumgeviten / in margine Malacar in 't Casteel den 7. October 1785. —. Aan den schipper en Ordinair Luitenant ter Zee v Benjamin van der Spek en David Hartig Commandeerende de tot de Expeditie tegen slangen oorgeschikte scheppen Hoolwerf en de Hoop Manhafte, Vroome, Wij hebben uwE. brieven van den 17. en 23. October lastleden ontvangen. De beweeten adsistentie aan den Engelschen hoeker The Marij s van onzegoeken„ Eergisteren avond zijn de Gezanten van Slange noor hier gearriveerd, Ens, dewijl zij zeggen, last te hebben om een Vordrag met ons te sluiten; denken wij, indien wij 1er6 het met hun kunnen eens worden, de scheepen haast van ginder te zullen mogen te rug ontbieden. Geene ankertouwen aan handen hebbende, kunnen wij gevolgelijk ook het schip Hoolwerf daar moede niet gerieven; dog voor het scheepje de Hoop worden met den ligter de Vos tien liele en zestien halve leggers met drinkwater gezonden e „ring. benevens
English
as well as Quartermaster Roelof Fredrik Lijzing of Vinband, to serve as boatswain or boatswain's mate on that vessel. Due to a lack of vessels, this could not have taken place earlier. Upon the dispatch of the bark de standvastigheid to Pera, we shall send Your Honors more water and also some refreshments; while the said lighter must return with Your Honors' empty leagers. We wish Your Honors and your crew continued well-being, and remain, /below stood/ Your Honors' Good Friends /signed/ P. G. de Bruijn, A. Couperus, J. A. Hensel, F: Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht, H: I. Wiederhold and C. G. Baumgarten /in margin/ Malacca in the Castle, the 3. November 1785. — To the Skipper and Ordinary Naval Lieutenant Benjamin van der Spek and David Hartig Commanding the ships Hoolwerf and de Hoop, appointed to the expedition against Slangenoor Valiant, Pious, The unwillingness of Radja Brima to reconcile himself with the Company on the terms communicated to him, compelling us to let Your Honors with the vessels under your command remain on the roadstead of Slangenoor longer than we had thought, we send Your Honors with the bark de Standvastigheid, destined for Pera, twenty leagers of drinking water, together with some refreshments mentioned in the enclosed note, and order Your Honors not to trust Radja Brima or his people, but always to be on Your Honors' guard against their intent. While we, after greetings, remain /below stood/ Your Honors' Good Friends /signed/ P. G. de Bruijn, A. Couperus, I. A. Hensel, S. Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht, H. I. Wiederhold and C: G. Baumgarten, /in margin/ Malacca in the Castle, the 9. November 1785. To Valiant, pious, Benjamin van der Spek and David Hartig Commanding the ships Hoolwerf and de Hoop, appointed to the expedition against Slangenoor Valiant, Pious, We have received with the lighter de Vos Your Honors' letter of the 16. of this month. Concerning the found shortages on the firewood, the rice, and dry fish, which were sent with the ship Hoolwerf for the vessel de Hoop, we shall dispose according to fairness. The refusal of permission to the Captain of the English snow Jennij to go ashore is fully of our approval, but not Your Honors' offer to accommodate him with water in case of necessity, since Your Honors indeed know how difficult it is for us to provide even Your Honors with a sufficient supply thereof. Fifty whole leagers of that liquid Your Honors now receive with the hoy de Verwagting, to be divided between both of Your Honors in proportion as each requires for the crew of his ship. We also send Your Honors some refreshments, and in a small box the required medicines for the vessel de Hoop. We await the said hoy back as soon as possible with Your Honors' empty water leagers, remaining after greetings /below stood/ Your Honors' Good Friends /signed/ P. G. de Bruijn, A: Couperus, I. A. Hensel, F. Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht, H. I. Wiederhold and C. G: Baumgarten /in margin/ Malacca in the Castle, the 27. November 1785. To the Captain and Naval Captain-Lieutenant Benjamin van der Spek and David Hartig Commanding the ships Hoolwerf and de Hoop, appointed to the expedition against Slangenoor Valiant, Pious, The hoy de Verwagting brought us on the 9. of this month Your Honors' letter of the 2. preceding. We were indeed very surprised to learn therefrom that of the refreshments sent to Your Honors with the said hoy, a great deal was found spoiled and some of the leagers of drinking water empty, notwithstanding that the vessel had had a voyage of only three days, and have therefore called Lieutenant van Pall to account regarding this, but received in answer from him that he had delivered the provisions fresh and the leagers of water full, just as he further attested by the statement granted under presentation of oath, and added hereto in copy. Although we are thereby given cause to think that the rigging of the vessels under Your Honors' command will also not be in such poor condition as Your Honors describe it, all the more since the ship Hoolwerf departed from Batavia in April and the ship de Hoop in May of this year, we shall nevertheless satisfy Your Honors' received requisitions for equipment goods with the pantchiallang de Philippine as much as we can spare from our meager supply. Meanwhile, we send Your Honors with the pantchiallang Bliton the provisions required for the ship Hoolwerf for two months and that which the ship de Hoop recently received short, except for firewood, which we cannot yet procure and therefore also cannot provide to Your Honors. The pantchiallang Bliton must remain with Your Honors until the arrival of the pantchiallang de Philippine, unless Your Honors should have something to report to us that requires haste. We wish Your Honors and your crew continued well-being, and remain /below stood/ Your Honors' Good Friends /signed/ P. G. de Bruijn, A. Couperus, I. A. Hensel, F. Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht, H. I. Wiederhold, and C. G: Baumgarten /in margin/ Malacca in the Castle, the 16. December 1785. To the Captain and Naval Captain-Lieutenant Benjamin van der Spek and David Hartig Commanding the ships Hoolwerf and de Hoop, appointed to the expedition against Slangenoor Valiant, Pious, The bark de Standvastigheid, destined for Pera, takes along for Your Honors twenty whole leagers of drinking water, some refreshments, and such provisions as are mentioned in the bill of lading accompanying this; of which Your Honors must unload that vessel at once, and let it proceed on its voyage thither with as many empty leagers as it can conveniently carry, to be filled at Pera. We remain after greetings /below stood/ Your Honors' Good Friends /signed/ P. G: de Bruijn, A. Couperus, J. A. Hensel, F. Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht, H. I. Wiederhold and C. G. Baumgarten /in margin/ Malacca in the Castle, the 24. December 1785.
Dutch transcription
benevens den Quartiermeester Roelof Fredrik Lijzing van Vinband, om als Boots„ „man of schieman op dien bodem dienst te doen. Wegens gebrek aan vaartuigen heeft stiff niet eerder kunnen geschieden. Bij depeche van de bark de standvastigheid naaar Pera zullen wij uw E. meer water en ook eenige ververschingen laaten toekomen; terwijl de gemelde ligter met uwE. leedige leggers moet wederkeeren. Wij wenschen uwE. en haare Equipargie een bestendig wel zijn, en blijven. /onderstond/ UwE. Goede Vrienden / getekend/ P. G. de Bruijn, A. Couperus, J. A. Hen„ „sel, F: Thienens, R. B. Hoijnck van Papendrecht, H: I. Wiederhold en C. G. Baungeerten /in margine / Malaca in het Causteel den 3. November 1785. — Aan den schipper en Ordineire Luitenant ter Zeel Benjamin van der Spek en David Hartig Commaendeerende de tot de Expectitie tegen slange noor geschikte scheepen Woolwerf en de Hoop De onwilligheid van Radja Brima om zig met de Compagnie te bevudigen op de hem medegedeelde voorwaarden ons noodzaakende, om uwE met haare onderheb„ „bende kielen langer op de reede van Slangenoor te laaten, daen wij gedlagt hadden, zenden wij uw E. met de naar Eera gedestineerde bank de Htandvastigheid twintig leggers met drinkwater, benevens eenige ververschingen, bij de hier ingesloten Notitie gemeld, en gelasten uwE. Radje Brima of zijn volk niet te vertrouwen, maar tegen hunnen toedeg steeds op UwE. hoede te zijn Terwijl wij na groete blijven. /onderstond / uwE. Goede Vrienden /getekend/ P. Gea Bruijn, M. Couperus, I. A. Hensel S. Thierens R. B. Hoijnck Van Papendreck H. 1/J. Wieder old en C: G. Baumgarten,/in morgine / Malacca in het Carsteel den 9. November 1785. Aan Manhafti, vroome, 389 Benjamin van der Spek en David Hartig Commandeerende de tot de Expeditie tegen slange noor geschikte scheepen Hootzoer An„ de Hoop Manhafte, Vroome. Wij hebben met den ligter de Vos ontvangen uwE. brief van den 16. dezer. „minderheden „het Omtrent de bevonden „ op het brandhout, de rijst, en drooge vissen, die met schip Hooloor t voor het schepje de Hoop gezonden zijn, zullen wij naar de billijk hid disponeren, De weigering van permissie aan den Capitain van de Engelsche Snauw Jennij om zig aan land te mogen begeeven is volkoomen van onze approbatie, maar niet uwE. aanbieding om hem bij benoodigheid met water te gerieven, dewijl UwE. immers weeten hoe difficiel het ons zij uwE. zelfs eenen toereikenden voorraad daar vante de bezorgen. Vijftig dele loppers met dat vogt bekomen. uwE tans met den hoeker de verwagting ome onder UnE: beiden naar maate een ieder voor de Equipagie van zijn schip noodig 6 heeft verdeeld te worden. Ook zenden wij uuE. eenige vervrschingen, en in een kasje de gerequireerde medicamenten voor 't scheepje de Hoop. Wij verwagten den gemelden hoeker ten spoedigsten te rug met uwE. ledige water„ „leggers, blijvende na groete /onderstond/ UwE. Goede Vrienden /getekend/ P. G. de Bruijn, A: Couperus, I. A. Hensel, F Thierens, R. B. Woijnck van Lapendrecht, H. I. Wiederhold en C. G: Baungarten /in margine/ Mericoa in het Casteel den 27. November 1785. Aan den Capitein en Capitain Luitenant ter Zee Lan oerf gen Aan den Capitein en Capiten Luitenant ter Zee Benjamin van der Spet en David Hartig Commandeerende de tot de Expeditie tegen Slangenoor geschikte scherepen Hoolwert en de Hoop Vroome Manhafte, De hoeker de verwagting heeft onsop den 9. deezer aangebragt tuwE. bin E van den 2. bevoorens. Wij zijn wel zeer verwonderd geweest daar uit te verneemen, dat van de metd gemelden hoeker UwE toegezonden ververschingen rijkelijk bedorven en eenige bo de leggers niet drinkwater ledig bevonden waren, niet tegenstaande dat verenti eene reize van maar drie dagen gehad hadt, en hebben derhalven den Luite„ „nant van Pall daar over te reede gesteld, dog van hem ten antwoord gekre„ „gen, dat hij de proenten versch en de leggers met water vol hedt overgegeven gelijk hij zulks nader getuigd heeft bij de verklaaring, onder presentatie van eede verleend, en deezen in Copie bij gevoegd: Schoon ons nu daar door aanleiding gegeven wordt van te denken dat met het tuijg van uw E: onder hebbende bodems ook zoo slogt niet gesteld zael weezen als uwE. hetzelve beschrijven, te meer, dewijl het schip Hoohwe in April en het schip de Hoop in mai deezes: Iaars van Batavia ver„ „trokken is, zullen wij uwE. egter met de pantjallang de Philippine zoo veel op uw E. ontvangen Eisschen van Equipage-goederen voldoen, als wi uit onzen soberen voorraad missen kunnen. Ondertusschen laaten wij uwE. met de Pantijallang Bliton toekom de voor het schip Hoolwerf benoodigde rantzoenen voor twee maanden en 394 en hetgene het schip de Hoop laast te min gekreegen heeft, harwaart uitge„ „zondert, die wij nog niet kunnende op doen en uwE. over zulks ook niet kun„ „nen bezorgen. De pantjallang Bliton moet bij uwE. blijven tot de komste van de pantjallang de Philippine, ten zij uwE. ons iets te berigten mogten hebben dat spoed vereischt Wij wenschen uwE. en haaren Equipagie een bestendig wel zijn en blijven Onderstond/ UwE. Goede Vrienden /getekend/ P. G. de Bruijn, A. Couperusz I. Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht, H. I. Wiecerhold, en 6. e r„ G.: Daumgerten /in margine/ Malacca in het Castel den 16. December en Aan den Capitein en Capitein Luitenant ter Zee Benjamin van der Spek en David Hartig Commandeerende de tot de Expeditie tegen 'slangenoor geschikte scheepen Voolwerf en de Hoop Manhafte, Vroome Ne naar Pera gedestineerde bark de standvastigheid neemt voor UwE. mede twintig heele leggers met drinkwater, eenige ververschidge„ en zodanige rantzoenen als bij het deezen verzellend Cognossement ver„nad „meld staan; waar van UwE. Dien bodem ten eersten moet ontlosseni, als en met zoo veel ledige lejgens, als hij bekwaamelijk vervoeren kon, om op Pera gevuld te worden, derwaarts laaten reisvorderen. Wij blijven na groete /onderstond:/ Uw E. Goede Vrienden / getekend/ L. G: de Bruijn, A. Couperus, J. A. Vensel, T. Thierens. R. B. Hoijnck Eerd van 1785. .
English
van Papendrecht, H. I. Wiederhold, C. G: Baumgarten /in the margin/ Malacca in the Castle, the 4th of January 1786. To the Captain and Captain Lieutenant at Sea Benjamin van der Spek and David Hartig Commanding the ships Woolwerf and de Hoop, appointed for the Expedition against Salangore Valiant, Pious. It having been perceived that the Buginese Prince Radja Brima, or he says, both in writing and through the mouth of his envoys, has repeatedly declared to us and to Your Honours that he desires nothing more than henceforth to live in peace and friendship with the Company, yet remains unwilling to conclude a treaty with us on reasonable and fair terms: thus this obstinacy of his has caused us to take the resolution to have the Strait of Calang and the stretch from the Salangore roadstead to the point of Caran cruised by all the sloops, pantjallangs, and other small vessels that we have at hand or shall obtain, in order thereby to cut off from him, as much as is in any way possible, all correspondence with foreign regents and peoples, as well as the supply of provisions, to test whether this will make him more manageable. We therefore, in company with the pantjallang the Philippine, provisionally dispatch thither the cutter the Ondernemer and the lighter the Vos, and order Your Honours to cause both those small vessels, on which we have placed, distributed besides the seafarers, ten European and eight Malay soldiers, to take such positions as Your Honours shall deem serviceable, to drive back or chase ashore all vessels coming down the river of Salangore and wishing to head outward, and to prevent native vessels coming from outside from entering, provided that in assigning the stations of the said cutter and lighter care is taken that they are not only secured against the artillery of Salangore and against stranding or running aground during arising heavy squalls, whereby the enemy could overpower them, but that they can also always support one another as well as obtain assistance from Your Honours whenever they might at any time be attacked by a force of enemy vessels. In return, as soon as the equipment goods and eleven half leaguers of drinking water loaded therein for Your Honours according to the Bill of Lading have been taken over from the pantjallang the Philippine, Your Honours must let that vessel and the pantjallang Bliton steer towards the Strait of Calang, since we have projected both those pantjallangs for the occupation of the tin river flowing into the said strait, as shall appear to Your Honours from the Instruction for the Lieutenant at Sea Johan Hendrik Meijer, of which we send Your Honours a copy for your information and guidance. Now considering that these serious measures, as can be gathered from the motives for them, solely aim to bring Radja Brima to repent of his obstinacy, Your Honours must do no harm to the vessel that he sends to the ships with a white flag, but receive and hear those who come aboard with it, and act regarding their proposals or requests in such manner as has been prescribed to Your Honours in the 4th article of the Instruction of the 9th of July 1785, without however permitting that, after the dispatch hither of a vessel with envoys from Radja Brima, another be dispatched again before the first has returned from here with a Pass, since Radja Brima could otherwise make use of the pretext that he sends a vessel hither in order to write letters to one or another of his patrons; while Your Honours must warn the first envoys who come aboard with Your Honours, and also confirm this by deed, that the Envoys may indeed safely sail back and forth to settle the dispute with the Company, but that the hostilities already begun shall not cease before peace has been concluded and notice thereof has been given to Your Honours by us. We expect from Your Honours a prompt and prudent execution of our orders, wish Your Honours and your crew a lasting well-being, and remain /was signed/ Your Honours' Good Friends /Signed/ P. G: de Bruijn, A. Couperus, I. A. Hensel, F: Thierens, R: B. Hoynck van Papendrecht, H. I. Wiederhold, and C. G. Baumgarten, /in the margin/ Malacca in the Castle, the 7th of January 1786. Instruction for the Lieutenant at Sea and Commander on the pantjallang the Philippine, Johan Hendrik Meijer, to regulate himself accordingly. Whereas the Buginese Prince Radja Brima, who upon the shameful abandonment of Salangore by the Company's servants placed himself again in possession of that Realm and all the effects left behind there, notwithstanding his repeated declarations since then that he desires nothing more than henceforth to live in peace and friendship with the Company, nevertheless remains up to now unwilling to conclude a treaty with us on reasonable and fair terms: thus we have, in order [to cut off from] him, Radja Brima, all correspondence
Dutch transcription
van Lapendrecht, H. I. Wiederhold, C. G: Baungarten /in marg ine/ Malacca in het Casteel den 4. Januari 1786. Aan den Capitein en Capitein Luitenant ter zeer Benjamin van der Spek en David Hartig Commandeerende de tot de Expeditie tegen slangevoor geschikte scheepen Woolwerf en de Hoop Manhafte, Vroome. Despeurd zijnde dat de Boregineesche Prins Radja Brima, of sech hij, zoo wel schriftelijk, als door den mond zijner zendelingen, en aanon en aan uw E. iteratief betuigd heeft niets meerder te verlangen, dan voorta met de Compagnie in vrede en vriendschap te leeven, ogter onwillig blijft om op redelijke en billijke voorwaarden een verdrag met ons te sluiten: zoo heef deezze zijne halstarrigheid, ons het besluijt doen neemen, om de straat Calam„ en de strekking van de Slangenoorsche reede tot den hoek van Caran te slaa „ten bekruisen door alle de sloepen, Pantjallangs, en andere kleine vaartuije die wij aan handen hebben of krijgen zullen ten einde hem daar door zoo veel in „ners mogelijk alle correspondentie met buiten landsche Regenten en volken gelijk ok den toevoer van virres af te suijden, ter beproevinge of zulks hem handelbaaren zal maaken. Wij laaten dienvolgens dan ook, ingezelschap van de pantjallang de Philippine, bij provisie de kotter de onderneemer en ligter de Vos naar den „waarts vertrekken, en gelasten uw E: beide die kieltjes waar op wij, beha „ven de Zeevaarend, verdeeld geplaatst hebben tien Europeesche en agt Maleitsche 9 3 83 Maleitsche Militairen, zoodanige te doen doen neemen als uw E. dien„ „stig zullen oordeelen, om alle de rivier van slange noor afkomende en naar buiten willende vaartuigen te rug of op strand te Iaagen, en aan de van buiten koomende inlandsche vaartuigen het naar binnen loopen te beletten, mits in het aanwijzen der standplaatzen van de gemelde kotter en ligter zorgende, dat zij niet allen voor het geschut van Slangenoor, en voor het stranden of vastraaken bij op koomende zwaare strombuijen, waar door de vijand hun zoude kunnen overmeesteren, beveiligd zijn, maar dat zij ook altoos zoo wel elkanderen kunnen secondeeren als adsistentie van UwE. er„ „langen, wan neer zij somtijd door enge von magt van vijgendelijke vaartuijen mogte worden aangebragt. Waar en tegen uwE. zoodra uit de Pantjallang de Philippine zullen weezen overgenomen de daar in, blijkens Cognoscement, voor UwE. geladen Equipage goederen en elf halve leggers met drinkwater, dat vaartuig en de Pantjallang Bliton naar de straat Calang moeten laaten steevenen dt„ „wijl wij die beide pantjallangs geprojecteerd hebben ter bezettinge van de in de gemelde straat uitkomende tinrivier gelijk uwE. zulks zal komen te blijken uit de Instructie voor den Luitenant ter Zee. Iohan Hendrik Meijer waar van wij uwE. tot narigt en speculatie eene Copie toezenden. Gemerkt nu deeze ernstige maatregelen, zoo als uit de beweegredenen voor dezelven is op te maaken, eenlijk ten doel hebben om Radja Brima tot inkeer van zijne obstinatie te brengen, moeten uwE. het vaartuig dat hij met eene witte vlag naar de scheepen Zendt, geen molest doen, maar de genen, die daar mede aan boord komen, ontvangen en hooren, mitsgaders omtrent hunne voorstellen of sollicitatien indiervoegen te werk gaan, als UwE. bij het 4=de articul der Instructie van den 9. Iulij 1785. is voorge„ „schreven, zonder nogtans toe te laaten dat, na de afzending herwaarts van een vaartuig met t gezanten van Radja Brima, weder een afge„ „zonden wrd, voor dat het eerste met een Pas van hier is te rug gekeerd nadien nadien Radja Brima anders zig van het voorwendzel, dat hij aen vaartuig herwaartszendt, zoude kunnen becienen, om brieven aan den eenen of anderen zijner begunstigers te schrijven; terwijl uwE. de eerste zendelin„ „gen, die bij uwE. aan boord komen, moeten waarschuwen, en dit ook met de daad bevestigen, / dat de Gezanten wel veilig over en weder kunnen vaaren, om het geschil met de Compagnie bij te leggen, dog dat de reeds begonnen vijan„ „delijkheden niet zullen ophouden voor dat de vrede geslooten en uwE. daar van door ons kennis gegeven is. Wij verwagten van uwE. eene prompte en voorzigtige uitvoering onzer bevelen wenschen UwE. en haarer Equipagie een bestendig wel zijn en blijven /Onderstond/ UwE: Goede Vrienden (Getekend/ P. G: de Bruijn„ A. Couperus, I. A. Hensel, F: Thierens, R: B. Hoijnck van Papendeekt: H. I. Wiederhold, en C. G. Baungarten, /in margine / Malacca in het Casteel den 7. Januari 1786. Jnstructie voor den Luitenant ter Zee en Gezaghebber op de pantjallang de Philippine Iohan Hendrik Meijer, om zig daar naar te reguleeren. Nademaal de Boegineesche Prins Radhja Brima, die op de schandelijke verlaating van Mlangenwoor door Comps. Bedienden zig weder in het bezit van dat Rijk en alle de daar agtergelaten effecten gesteld heeft, onge„ „agt zijne herhaalde betuigjingen sedert van niets meerder te verlangen, doen voortaan met de Compagnie in vrede en vriendschap te leeven, egter tot nog toe onwillig blijft om op redelijke en billijke voorwaerden een verdaag met ons te sloiten: zoo hebben wij ten einde hem Radja Brima alle orrespor „dentie E
English
dence with foreign regents and peoples, as well as to cut off the supply of provisions, to distress the Slangenoor people as much as possible, and thus move them to a prompt submission to the Company, it has been deemed proper to have the Strait of Calang and the expanse from the Slangenoor roadstead to the corner of Caran patrolled by all the sloops, pantjallangs, and other small vessels that we have at hand or shall further obtain; and consequently to have the so-called tin river, which discharges into the Strait of Calang, occupied by the pantjallangs the Philippine and Bliton, as well as to entrust the command over both those keels and the crew assigned thereto to your Honour, since we are convinced of your Honour's vigilance and good judgment. We therefore hereby order your Honour to proceed to the roadstead of that place with the cutter the Ondernemer and the lighter the Vos, which are destined to be stationed before the river of Slangenoor, and as soon as your Honour shall have delivered the ship's stores laden in the pantjallang the Philippine and eleven half-leaguers of drinking water to the commanders of the ships Hoolwerf and the Hoop lying there, to return to the Strait of Calang with the pantjallang Bliton already sent thither, and furthermore to position yourself in the mouth of the said tin river in such a manner that not a single vessel can pass out or in without being prevented from doing so; just as your Honour must also chase back or destroy all vessels coming down the river and wishing to go out, and not permit the entrance of any vessel, regardless of whether it belongs to friends or enemies, but have the commanders of native vessels arriving from outside called out to that they must stay away from there and depart directly for elsewhere. However, if contrary to our expectation they do not do so willingly, first try to intimidate them with threats or by firing a cannon shot across their bows, and if this also does not help, drive them back by force, run them aground, or sink them. However, your Honour is warned to do no harm to any vessel that comes down the river with a white flag and appears to be sent to your Honour, but to receive the persons aboard it, and if they have any request to make, to refer them therewith to the Company's ships, taking care not to let a second vessel slip through in this manner before the first has returned; while your Honour must tell those emissaries that the hostilities which have commenced will not cease before peace is concluded and your Honour has been informed thereof by us. If your Honour encounters at the mouth of the tin river any ship or vessel of the English or other European nations, or if such keels should arrive there subsequently, your Honour must, through one of your subordinate officers, inquire what vessels they are, what they are named, by whom they are commanded, whence they come, and whither their destination lies; and furthermore, after your Honour shall have been informed of all these particulars in order to keep a record, notify the commanders of those vessels in the most polite manner that, since the Dutch East India Company keeps Slangenoor blockaded by two ships, and your Honour has been sent with two pantjallangs to close the mouth of the tin river belonging to that kingdom, they must consequently not interfere in the least with the disputes between the Company and its enemies, nor carry on any trade within the Strait of Calang, but must depart again. But in case of refusal thereof, or if they do not heed the said notification, your Honour must protest in emphatic terms against it, as well as against any conduct they might observe toward us, and likewise against all damages that will arise therefrom and from the violation of the treaties existing between the respective Powers, as well as try to obstruct them in their designs as much as possible, provided that the unhindered navigation granted to the English in the latest peace treaty remains entirely free. In order that your Honour may be better able to fulfill the intention of this expedition and offer strong resistance in case of a hostile encounter, we have placed on board the pantjallang the Philippine, in addition to the seamen, nine European and five Malay soldiers with their full arms, along with an equal number of armed men for the pantjallang Bliton, whom your Honour must cause to transfer to the same. Lastly, we recommend your Honour not only to cause the pantjallang Bliton to take up a position in the mouth of the river in such a manner that your Honour can bring her immediate assistance if necessary, but also that both of you be constantly vigilant and on your guard, trusting no one, especially at night, so as not to be deceived or ambushed, and for the rest to maintain and cause to be maintained good order and discipline among your Honour's subordinates. Malacca, in the Castle, the 7th of January 1786. /signed/ P. G. de Bruijn /in the margin was written/ By order of the Honourable Governor and the Council /Signed/ C. G. Baumgarten. To the Captain and Captain-Lieutenant at Sea Benjamin van der Spek and David Hartig Commanding the ships Hoolwerf and the Hoop assigned to the expedition against Slangenoor. Valiant, Pious, We have received with the pantjallang Bliton on the 13th instant your Honour's
Dutch transcription
395 dentie met de buitenlandsche Regenten en volkeren gelijk ook den toevoer van vivres af te suijden, de slangenovreschen naar moegelijkheidt te benaau„ „wer en hun dus tot eene spoedige onderwerping aan de Compagnie te beweegen goedgevonden de straat Calang en de strekking van de Slangenooresche reede tot den hoek van Caran te laaten bekruissen, door alle de sloepen pantjallangs en andere kleine vaartuigen, die wij aan handen hebben of verder krijgen zullen, en dienvolgens de zoo genaamde tinrivier, dewelke in de Straat Calang uitkomt, te laaten bezetten door de Pantjallangs de Philippine en Bliton, mitsgaders het gezag over beide die kieltjes en de daar op bescheiden manschappen aan uwE. op te draagen dewijl wij van uw E. wakkerheid en goed beleid overtuigd zijn. Wij gelasten uwE: over zulks bij deezen, om met de kotter de ondernee„ „mer en den ligter de Vos, die gedestineerd zijn om voor de rivier van slan„ „genoor geplaatst te worden maar de reede van die plaats te stevenen, en„ Zoo dra uwE. de in de pantjallang de Philippine geladen equipage= goede„ „ren en elf halve leggers met drinkwater aan de Overheeden van de daar leggende schepen Hoolwerf en de Hoop zal hebben afgelegd, met de bereeds derwaarts gezonden pantjallang Bliton naar de straat Calang te ruij te keeren, mitsgaders zig in den mond van de gemelde tinrivier zoodanig te posteeren, dat geen een vaartuig naar buiten of naar binnen geraaken kan, zonder daar in belet te kunnen worden; gelijk uw E. dan ook alle de rivier afkomende en naar buiten willende vaartuigen moet terug jaagen of vernielen en aan geen een vaartuig, onverschillig of het aan Vrienden of vijanden toebehoort, het inloopers toelaaten, maar een Gezaghebbers der inlandsche vaartuigen, die van buiten aankomen laaten toeroepen dat zij van daar blijven en direct naar elders vertrekken moeten, dog, wanneer zij zulks tegen onze verwagting niet goedwillig doen hun eerst met dreigementen of met een Canonschoot voor over hunne vaartuigen te geeven tragten te verschrikken, en dit ook niet helpende helpende, met geweld terug of op het stand srijven, dan wel in den grond booren. Egter zij uwE: gewaarschurd geen molest te doen aan eenig vaartuig dat met eene witte vlag de rivier afkomt, en naar UwE. gezonden schijnt maar de daar op zijnde persoonen aan boord te ontvangen, en zoo zij iets te verzoeken hebben, hun daar meede naar Comps scheepen over te wijzen, zorg draagende geen tweede vaartuig zoo te laaten doorslippen voor dat het eerste is wedergekeerd; terwijl UwE. aan die zendelingen moet zeggen, dat de begonnen vijandelijkheeden niet zullen op houden voor dat de vrede gesloten en uwE. daar van door ons geinformeerd is. Bij aldien UwE. aan den mond der tinrivier eenig schip of vaartuig van de Engelschen of andere Europesche atien ontmoet, dan wel zooda„ „nige kielen 'er naderhand aankomen, moet uwE. door eenen van zij„ „ne onderhebbende Officieren laaten verneemen, wat vaartuigen het zijn, en hoe genaamd door wien zij gecommandeerd worden. van waar zij komen, en werwaarts hunne destinatie legt ? En voorts, of na dat uwE. ten einde aantekening te kunnen houden van dit een en ander zal weezen geinformeerd aan de overheden dier bodems op de vriendelijkste wijze laaten bekendmaaken dat, vermits de Neder„ „landsche Oostindische Compagnie slangenoor door twee scheepen gebloqueerd houdt, en uwE. met twee pantjallangs gezonden is om den mond van de tot dat Rijk behoorende tinrivier te sluiten zij over zulks zig met de geschillen tusschen de Compagnie en haare Vijanden niet in het minste bemoeijen nog eenigen handel binnen de straaet Calang drijven maar weder vertrekken moeten; dog bij weigering van hetzelve, of indien 7. zij zig aan de gemelde bekendmaaking niet kreunen moet uwE. daar tegen zoo wel, als tegen het gedrag, dat zij omtrent ons zouden mogen houden, gelijk mede tegen alle de nadeelen, die daar uit en uit 397 uit de overtreeding van de tusschen de respective Mogend heeden subsistee„ „rende Tractaaten zullen komen voort te spruciten, in nadrukkelijke termen protesteeren, mitsgaders hun naar vermogen in hunne dessei„ „nen tragten hinderlijk te zijn, mits de ongegeneerde vaart, bij het jongste Vredes-tractaat aan de Engelschen toegestaan volkomen vrij blijve Op dat UwE. te beter in staat moge weezen om aan de intentie van deeze Expedtitie te voldoen, en bij vijandelijke rencontre eene kragtige resistentie te kunnen bieden, hebben wij behalven de zeevaarenden op de pantjallang de Philippin geplaatst negen Europeesche en vijf Ma„ „leitsche militeiren met hunne volle wapens benevens nog zoo veel gewepende manschappen voor de pantjallang Bliton, die UwE. op dezelve moet laaten overgaan. Laastelijk recommandeeren wij Uw E: niet alleen de pantjallang Bliton zoodanig in den mond der rivier te doen postvatten, dat uwE. haar des noods eene onverwijlde hulpe kan toebrengen, maar ook met uwE. beide steeds waakzaam en op hoede te zijn, niemand te vertrouwen, in zonderheid bij nagt om niet misleidt of overvallen te worden, en voor het overige een goede order en discrpline onder uwE. onder hoorigen te houden en te doen houden. Malacca in het Casteel den 7. Januari 1786. /getekend/ P. G. de Bruijn /in margine stond/ Ter ordonnantie van den Edelen Heer Gouverneur en den Raad (Getekend/ C. G. Baumgarten. -. Aan den Capitein en Capitein Luitenant ter Zeel Benjamin van der Spek en David Hartig Commandeerende de tot de Expeditie tegen slangenoor geschikte scheepen Hoolwerf en de Hoop. Manhafte, Vroome, Wij hebben met de pantjallaing Bliton op den 13. deezer ontvangen Uw E.
English
Your letter of the 7th preceding. We begin the answering thereof by reminding your Honors of the following expressions, which were found in your Honors' letter of the 2nd of December last: In humble answer to your Honorable Worships' very honored letters of the 9th of November, duly delivered to us per the bark De Standvastigheid on the 18th, and that of the 27th per the hoeker De Verwagting on the 30th ditto, together with twenty leaguers of drinking water for the ship Hoolwerff, of which one empty and two half full, and fifty leaguers ditto for both ships, of which some empty, as well as the provisions, of which a great deal spoiled. Leaving it to your Honors' own judgment whether we could give any other meaning to the cited words than that of the fifty leaguers of drinking water carried along for your Honors by the hoeker De Verwagting, some were empty, and of the provisions sent to your Honors, both with that vessel and with the bark De Standvastigheid, a great deal had spoiled? But since your Honors now admit to having received the vegetables from the hoeker De Verwagting fresh and good, and the water to satisfaction, we must much rather express our indignation at your Honors' previous misleading report, and nevertheless at the communication of being surprised at the poor opinion that is formed of your Honors, than that we could accept your Honors' defense regarding this as sufficient, and we therefore wish to recommend that your Honors observe somewhat more accuracy and discretion in your Honors' letters in the future. While we, despite the further explanation of the report which your Honors gave us in the said letter of the 2nd of December concerning the condition of the ship's rigging, namely that everything is rotting and falling down from aloft due to the daily rain, still consider such to be quite exaggerated, since the running rigging and the sails could not have rotted so completely in the short time that your Honors have been in the roads of Slangenoor as your Honors would have us believe has occurred. And as regards the loss to the ship Hoolwerf of some rigging, two kedge anchors, and a boat grapnel on the occasion when that vessel ran aground between Lucipara and the first point of Sumatra, Captain van der Spek ought to have delivered the declarations thereof to us upon his arrival here in order to be sworn according to orders, instead of sending them over now to substantiate the said report concerning the ship's rigging. Meanwhile, with the pantjallang De Philippina, we have sent your Honors such equipment stores as we could spare from our stock, and we authorize your Honors to demand further from us what your Honors might still absolutely require, so that we may if possible accommodate your Honors with that as well, although we have received nothing for your Honors from Batavia. The unexpected leakiness of the ship De Hoop grieves us. But since the ship Iava, as soon as it is ballasted, must be dispatched to Queda to fetch rice and paddy, and consequently cannot come to replace the ship De Hoop, and it seems to us that the leak in the last-mentioned vessel will be no easier to locate and repair here in the roads than in the roads of Slangenoor, we are sending over thither for that purpose one carpenter and two calkers with the necessary pitch, resin, etc., and command your Honors to send those craftsmen back after the work is completed. What the pantjallang Bliton is carrying in addition for the ship De Hoop and also for the ship Hoolwerf, your Honors will find specified on the bill of lading thereof; after which unloading your Honors must immediately have that small craft depart for the tin river to cruise the same with the pantjallang De Philippina, as your Honors have already been instructed. Whenever your Honors have anything to report to us that cannot suffer delay until the arrival of the bark De Standvastigheid, the lighter De Vos must be sent hither, unless weighty reasons might move your Honors rather to employ the cutter De Onderneemer for that purpose. To the transmitted petition of your Honors and your subordinate officers, tending to request that board and table money might be granted to them, as formerly to the ships that were on expedition, we could take no other decision than to present the same favorably to the Honorable High Indian Government, as it does not rest with us to grant such gratuities to anyone. Holding the remaining points contained in your Honors' letter of the 7th of this month as communicated, we remain, after greetings, /was signed/ Your Honors' Good Friends /signed/ P. G. de Bruijn, A. Couperus, J. A. Hensel, F. Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht, H. I. Wiederhold, and C. G. Baumgarten /in margin/ Malacca, in the Castle, the 19th of January 1786. To the Captain and Captain-Lieutenant at Sea, Benjamin van der Spek and David Hartig, commanding the ships Hoolwerf and De Hoop deployed for the expedition against Slangenoor. Valiant, Pious. The bark De Standvastigheid arrived here on the 19th of February last with your Honors' letter of the 11th preceding. Approving
Dutch transcription
UwE. brief van den 7: bevoorens. De beantwoording dien beginnen wij met uwE: te erinneren de volgend uitdrukkingen, welke bij uwE. brief van den 2. December laastleden gevonden worden In nedrig antwoord op uwel Edele Gesz: en E. E. Heeren zeer geeerde „ lekteren van den 9. November, per de beerk de standvastigheid ons op den „ 18. en die van den 27. per de hoeker de verwagting op den 30. dito wel ter „ hand gesteld, behevens twintig legens drinkwater: voor het schip Hoolwerff „ waar van een ledig en twee half vol, en vijftig leggers dito voor beide „ scheepen, waar van eenige ledig, als mede de verversching, waar van rijkelijk bedurven. Laatende UwE. zelfsoordeelen, of wij aan de onderhaalde worden eenig anderen zin konden geeven, dan dat van de vijftig leggers niet drinkun„ „ter, door den hoeker de verwagting voor uwE. medegenomen, eenige leedig en van de verversching, zoo wel met dat vaartuig, als met de bank de standvastigheid UwE. toegeschikt, rijkelijk bedurven waren? Maar vermits UwE. nu bekennen uit den hoeker de Verwagting de groenteen versch en goed, en het water ten genoegen, ontvangen te hebben, moeten wij veel eerder onze ontstigting betuigen over uw E. voorig abusief berigt. en over de communicatie evenwel van verwonderd te zijn wegens de slegte openie, die van uw E. gemaakt wordt, dan dat wij uwE. verdeeliging dient„ „wegen voor voldoende zouden kunnen aanneemen, en willen uwE. der„ „halven gerecommandeerd hebben voortaan wat meerder naauwkeurig- en bescheidenheid in uwE. brieven te observeeren. Terwijl wij, ongeagt de nadere verklaaring van het berigt, het welk UwE. ons bij den gemelden brief van den 2. December gegeven hebben no„ „pens de gesteldheid van het scheepstuig, naamelijk dat door den dage„ „lijkschen regen alles verrot en van boven nedervalt zulks nog al als „ 399 34 als vrij wat vergroot aanmerken, nadien het loopend touwerk en de zeilen in den korten tijd dat UwE. op de reede van Slangenoor geweest zijn, niet zoo geheel hebben kunnen verrotten, als uwE. ons willen doen gelooven geschied te weezen. En wat betreft het verlies aan het schip Hoolwerf van eenig Louwerk „:twee worpankers, en eene bootsdreg, bij gelegenheid dat die bodem tusschen Lucipara en den eersten hoek van Sumatra was vastgeraakt, de verklaarin„ „gen daar van hadt Capitein van der spek met zijn arrivement hier ter plaatze aan ons moeten overgeeven om naar de order beeedigd te worden in plaatze van dezelve nu ter staavinge van het gemelde berigt wegens het scheepsting over te zenden. Wij hebben ondertusschen met de pantjallangde Philippina uwE: zoodanige equipage goederen laaten toekomen, als wij uit onzen voorraad zonden bij bren„ ƒ „gen, en qualificeeren uwE. om nader van ons te eischen wat UwE. nog absolut mogten noodig hebben ten einde bij mogelijkheid UwE. daar me„ „de ook te gerieven schoon wij niets voor Uw E. van Bataviagekregen hebben De onverwagte bekwording van het schip de Hoop is ons leed. Maar daar het schip Iava, zoo dra het geballast is, naar queda moetende worden „gedepecheerd om rijst en padi te haalen, over zulks het schip de Hoop niet kan koomen vervangen, en het onsdunkt dat het lekgat van den laastgemelden O bodem hier ter reede niet facieler, dan op de reede van Slangenoor, zal na te spooren en te repareeren zijn, laasten wij tot dat einde naar derwaarts over„ „vaaren een Timmerman en twee kalfaters met het noodige pik, harpuis en zz: en beveelen uwE. om die ambagtslieden na gedaan werk te rug te zenden. Wat ite pantjallang Bliton daaren boven voor het schip de Hoop en ook voor het schip Hoolwerf, medeneemt, zullen uwE: op het Cogpnrossement daar van ge„ „specificeerd vinden;, na welke ontlessing uwE. dat kieltje ten eersten waar de tin„ „rivier moeten laaten vertrekken om dezelve met de pantjelleng de Philipin „ d te te bekruissen, zoo als uwE reeds aangeschreven is. Wanneer UwE. ons het een of het ander te berigten hebben dat geen uitstel kan lijden tot de komste van de beolk de Standrastigheid moet de ligter de vos herwaarts gezonden worden, ten zij wigtige reedenen UwE. beweegen mogten om le„ „ver de kotter de onderneemer daar toe te emploijeeren. Op het overgezonden Request van uwE. en haare onderhoorige Officieren, tendeerende der toecen dezelven kost en tafelgeld mogte worden toegeligd, ge„ „lijk weleer aan de op expeditie geweest zijnde schepen, hebben wij geen ander besluijt kunnen neemen, als om het zelve aan de Edele Hoogs Indische Re„ „geering forvorabel vor te draagen, de wijl het aan ons niet staat diergelijke doubeurs aan iemand te accordeeren. De overige pointen, in uwE. brief van den 7. deezer vervat voor gecommit „ceerd houdende blijven wij na groete. /onderstond/ UwE. Goede Vrienden / getekend P G. de Bruijn, A. Couperus, J. A. Hensel F. Thierens, R B. Hoijnck aan Lapendrecht, H. I. Wiederhold en C. G. Baumgarten / in margine / malacca in het Casteel den 19. Januari 1706. Aan den Capitein en Capitein Luitenant, ter Zeer Benjamin van der Spek en David Hartig Commandeerende de tot de Expeditie tegen slange noor geschikkte scheepen Hoolwerf en de Hoop Manhafte, Vroome. De bark de standvastigheid is op den 19. Februari laastleeden hier gearriveerd met uwE. schrijvens van den 11. bevoorens Goedkeurende
English
Approving that your Honour has unloaded the rice found in two vessels intercepted on 18 and 23 January, which intended to sail into Slangenoor to supply the enemy with that grain, we expect that your Honour will likewise intercept all native vessels henceforth that, despite the warning to stay away and depart elsewhere, nevertheless attempt to enter the river, and will unload from them whatever they intend to convey to the enemy, and subsequently allow them to return to sea, without encumbering yourselves with prisoners of war, nor vexing the crew of the said vessels with any other punishment than the confiscation of the goods they bring; while the shedding of human blood must be carefully avoided, as long as your Honour can avoid it in good conscience. The Slangenoor refugees who arrived on board the ship Hoolwerf in a small prau were brought here with the bark De Standvastigheid, but were released as being entirely above suspicion. We find your Honour's fear regarding the use of the drinking water that can be obtained in the Strait of Caelang not to be unfounded. We shall strive to keep your Honour as far as possible from the necessity of fetching it from there, and accordingly send your Honour with the bark De Standvastigheid, besides the rations and other necessities noted on its bill of lading, twenty whole and thirteen half leagers of drinking water for both ships and small vessels; just as we shall also send your Honour more shortly and further from time to time with a private vessel hired for that purpose. We were pleased to learn that, with the help of the carpenter and caulkers sent, the ship De Hoop has been made tight so far that only 12 or 13 inches of water now enter the pumps in one watch. We hope that the leakage of that hull will not increase again during the short time it will still have to lie there. We cannot obtain enough pomeloes and sweet oranges at present to accommodate your Honour therewith, but we shall send your Honour as many other refreshments as we possibly can. The exchange of the boat from the bark De Standvastigheid for that of the small ship De Hoop meets with our approval. Highly displeased, on the other hand, by the irreverent conduct of Lieutenant Jan Christiaan Meijer toward your Honour, the undersigned Governor has called him severely to account in that regard. But since he has argued in his defense that he had to manage with the pretense of having orders to continue his voyage to Pera, if he were not soon relieved of the goods brought along for your Honour, in order to prevent all delay in that respect and to avoid the reproach he repeatedly received from the Governor concerning his long absence, we have for this time overlooked it with a sharp reprimand and recommendation never to oppose your Honour henceforth, but, if he is detained at the roadstead of Slangenoor without necessity, to report thereof upon his return here. We trust that he will heed that recommendation well, lest he be instructed in his duty in another manner. The fourteen native soldiers, who come over to your Honour with their full arms and forty-eight live cartridges for each man, are suited to reinforce the ships in order to keep them away from Slangenoor upon the appearance of the Achinese vessels, which Radja Brima, as your Honour was informed by both Lieutenants Meijer, expects for his assistance; for which purpose we shall also send your Honour the galiot De Concordia as soon as it is repaired of its defects. While remaining after greetings, your Honour's good friends. Signed: L. G. de Bruijn, A. Couperus, I. A. Hensel, F. Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht, H. V. Wiederhold, and C. G. Baumgarten. In the margin: Malacca, in the Castle, 2 March 1786. To the Navy Lieutenant Jan Hendrik Meijer, Commander on the pantjelang De Philippine, cruising back and forth in the Strait of Calang. Good Friend, I have received your Honour's letter of 10 February last. But since it has not become clear to me from it whether your Honour, upon sailing up the tin river as far as the settlement, attacked the same, or whether your Honour was attacked first by the people in that settlement, I cannot express myself about what occurred then other than that I trust your Honour will not have commenced the fighting, as your Honour had no orders to do so, and such actions can alienate the enemy further from us rather than move them toward peace with the Company. Approving the rest of your Honour's actions, I am willing to permit your Honour to survey the said river as far as possible, if
Dutch transcription
401 Goed keurende dat uwE. de gevonden rijst in twee op den 18. en 23. Januari angehaalde vaartuigen, welke slangenoor wilden binnen„ „zeilen om den vijand met dat graan te gerieven, daar uit geligt hebben verwagten wij dat UwE. ook voortaan alle inlandsche vaartuigen, die ongeagt de waarschuwing, dat zij van daar moeten blijven, en naar elders vertrekken, egter de rivier tragjten in te loopen, insgelijks zullen aanhaalen, en daar uit ligten hetgene zij den vijand willen toevoeren mitsgaders vervolgens hun naar buiten laaten waderkeeren, zonder zig niet krijgs- gevangenen te te belemmeren, nog de Equipage van de gemelde vaartuigen met eenige andere straffe te kwellen als de ontnee„ „ming van het goed, dat zij aanbrengen; terwijl het storten van men„ „schen bloed zorgvuldig vermijd moet worden, zoo lang uwE. hetzelve in goede conscientie vermijden kunnen. De met een praauwtje aan boord van het schip Hoolwerf gekomen slangenoorsche vlugtelingen zijn met de bark de standvastigheid hier overgebragt, dog als neogens van suspect vrijgelaten. UwE. vreeze voor het gebruik van het drinkwater, dat men in de straat Caelang kan bekomen vinden wij niet ongegrond. Wij zullen tragten UwE. zoo veel immers mogelijk buiten de noodzaakelijkheid te houden om hetzelve van daar te haalen, en zeneden uwE. overzulks met de beerk de standvastigheid, behalven de op het Cognoscement daar van genoteerde rantzoenen en andere benodigdheden, twintig heele en dertien halve leggers met drinkwater voor de beide schepen en kleine vaartuigen; gelijk wij UwE. ook binnen korten, en voorts van tijd tot tijd meerder zenden zullen met een daar toe in dienst genomen particulier vaartuig Lief is het ons geweest te verneemen, dat men met behulp van den gezonden Timmerman en Kalfaters van het schip de Hoop dus verre heeft heeft kunnen digtmaaken, dat er nu nog maar 12. –. of 13. duim ren„ „ters in eene wagt bij de pompen komen. Wij hoopen dat de lekkagie van dien boelem geduurende den korten tijd dat hij nog ginder zal moeten leggen niet weder zal toeneemen. Pompelmoezen en zoetappelen kunnen wij nu niet genoeg krijgen om UwE. daar mede te gerieven, dog van andere ververschingen zullen wij UwE. zoo veel laaten toekomen, als wij maar immers kunnen. De ruiling der schuit van de berk de standvestigheid tegen die van het scheepje de Hoop is van onze approbatie. Geheel ontsligt daarentegen, door het inreverent gedrag van den Luit„ „nant Ian Christiaan Meijer metopzigt tot uwE. heeft de ondergete„ „kende Gouverneur hem dientwegen ernstig te reden gesteld. Maar, dag hij tot zijne verontschuldiging heeft ingebragt, dat hij zig met het voorwend„ „zel van order te hebben om zijne reize naar Pera voort te zetten, indien hij niet spoedig ontlast wierdt van de voor UwE. mede genomen goederen, ho moeten behelpen om alle vertraaging daar omtrent voor te komen, en de de verwijting te ontgaan, die hij telkens van den Gouverneur ontving over zijn lang uit blijven, hebben wij het voor deeze keer gepasseerd met een scherpe reproche en recommandatie om zig voortaan nooit meer tegenh te opposeeren dog, indien hij buiten noodzaakelijkheid ter reede van Slangenoor wordt opgehouden, daar van bij wederkomste alhier rapport doen. Wij vertrouwen dat hij die recommandatie wel in agt zal neem om niet op eene andere wijze van zijnen pligt onderrigt te worden. De veertien inlandsche Militairen, die met hunne volle wapens en agt en veertig scherpe patroonen voor ieder man tot UwE. overkomen zijn geschikt ter versterkinge van de schepen om bij verscheining vande Atchiensche vaartuijgen, die Radja Brima gelijk uwE. door de beide Lun „tenants Meijer berigtis, ter zijner hulpe verwagt hun van slangenoor te weeren; waar toe wij uwE. de gallowet de Concordia ook zullen toezend Zoo 433 zoo dra zij van haare defecten gerepareerd is Terwijl wij na groe te blijven /onderstond/ Uw E. Goede Vrienden (Getekend/ L. G. de Bruijn, A. Couperus, I. A: Hensel, F. Thierens, R: B. Hoijnck van Lapendrecht, H. V. Wiederhold en C. G. Baum„ „garten /in margine/ Malacca in het Casteel den 2. Maart 1786. Aan den Luitenant ter Zee„ Jan Hendrik Meijer Gezaghebber op de pantjel lang de Philippine, kruissende af en aan de straat Calang Goede Vriend Ik heb uwE: brief van den 10. Februari laastleeden ontvangen. E Maar daar uit mij niet duidelijk gebleken zijnde, of uwE. bij het opzeilen van de tinrivier tot aan de Negorij dezelve geattaqueerd heeft, dan of UwE. van het volk in die Negorij eerst gealtaqueerd is ? Kan ik mij dus ook over hetgene toen is voorgevallen niet anders verklaaren, als dewijl dat ik vertrouw, dat uwE. het gevegt niet zal begonnen hebben, gelijk UwE: geene order daar toe heeft gehad, en diergelijke bedrijven den vijand meer van ons verwijderen dan tot de vrede met de Compagnie beweegen kunnen. De overige verrigtingen van uwE. goedkeurende, wil ik uwE. wel toestaan de gemelde rivier zoo vere immers mogelijk op te neemen indien zend toe
English
if your Honor thinks that this can be done without the least danger of being driven back or surrounded, and at the same time without detriment to the actual purpose of cruising that river; but otherwise it must be omitted in order not to recklessly jeopardize the Company's vessels and people, as your Honor has already been informed that Radja Brima is looking for help from Atchien. I cannot recommend enough to your Honor to always observe the utmost caution, and therefore also not to encumber yourself with any prisoners of war, nor with emptied or abandoned enemy vessels, but to strictly follow your Honor's instruction. A buffalo is being sent for the crew of both pantjallangs with the bark de Standvastigheid, from which your Honor can moreover take some half-leaguers of drinking water if your Honor has need of it. I remain, written below, your Honor's Good Friend, signed, P. G. van der Brugghen. In the margin: Malacca in the Castle, the 2nd of March 1786. To the Captain and Captain-Lieutenant at Sea, Benjamin van der Spek and David Vartig, commanding the ships Hoolwerf and de Hoop, appointed for the expedition against Slangenoor. Valiant, Pious, The galivat the Concordia, which according to our last letter of the 1st of this month was to come over to your Honor to help occupy the river of Slangenoor, and has therefore been reinforced with seven armed soldiers, is now being dispatched thither; but the Commander has orders to call en passant at the pantjallang the Philippine, in order to survey with the same and the pantjallang Bliton the tin river of Calang as far as is practicable, if Lieutenant Meijer should see no objection in that, and subsequently to sail on to your Honor. We have received news that some armed Burmese vessels are said to be heading through the Strait of Malacca towards Siam to make an invasion into that Kingdom. And, as it might happen that those vessels pass by Slangenoor, we order your Honor, after your Honor shall have learned that they are effectively Burmese vessels and not Atchienese coming to the aid of Radja Brima, to let them pass unmolested, nevertheless having them observed up to the tin river by the galivat the Concordia, lighter the Vos, and cutter the Onderneemer; but, if they unexpectedly wish to enter Slangenoor and do not heed your Honor's warning, or commit any hostilities against your Honor, it goes without saying that your Honor must treat them according to the laws of war, provided all caution and good judgment are observed in that regard. We remain, after greetings, written below, your Honor's Good Friends, signed, P. G. van der Brugghen, A. Couperus, J. A. Hensel, F. Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht, H. J. Wiederhold, and E. G. Baumgarten. In the margin: Malacca in the Castle, the 10th of March 1786. To the Lieutenant at Sea, Jan Hendrik Meijer, Commander on the Pantjallang the Philippine, cruising back and forth in the Strait of Calang. Good Friend, The Commander of the galivat the Concordia, which is appointed to help occupy the river of Slangenoor, has orders to call en passant upon your Honor, in order to accompany your Honor with the Pantjallang Bliton in surveying the tin river of Calang; but, if your Honor should already have done that survey or deemed it ill-advised, the said galivat must immediately sail on to the ships lying before Slangenoor. I have received news that some armed Burmese vessels are said to be heading through the Strait of Malacca towards Siam to make an invasion into that Kingdom, and therefore order your Honor, if they pass through the Strait of Calang, to let them pass unmolested in this direction, unless any acts of violence should be undertaken by them against your Honor, in which case your Honor, with the assistance of the galivat the Concordia, lighter the Vos, and cutter the Onderneemer, which will observe the said Burmese vessels from Slangenoor up to the tin river, will have to treat them according to the laws of war, provided all caution and good judgment are observed in that regard. I remain, written below, your Honor's Good Friend, signed, P. G. van der Brugghen. In the margin: Malacca in the Castle, the 10th of March 1786. To the Captain and Captain-Lieutenant at Sea, Benjamin van der Spek and David Vartig, commanding the ships Hoolwerf and de Hoop, appointed for the expedition against Slangenoor. Valiant, Pious, The bark of the old King of Siak, Radja Mahomet, which we have taken into the Company's service to continually provide your Honor with drinking water and other necessities, is now departing for the roads of Slangenoor, taking along some rations for both pantjallangs, the lighter the Vos, and the cutter the Onderneemer, as well as as much water and refreshments for your Honor as noted on the Bill of Lading. While it serves for your Honor's information that the delivery of the said rations must take place according to the Receipt granted here by Joaquim Cardozo Galvao, Commander on the said bark, and also enclosed herewith. We expect that vessel back immediately after a speedy unloading, with all the empty leaguers that your Honor has, to have them filled with water again, and order your Honor not to employ the same vessel for any cruises or other expeditions against the enemy, contrary to the purpose for which it was taken into service as already said, in order not to be held responsible for the detrimental consequences thereof.
Dutch transcription
indien uwE. denkt dat zulks, zonder het minste gevaar van te rug gedreven of ingesloten te worden, en teffens. zonder nadeel van het eigenlijke oogmerk der bekruissing van die rivier geschieden kan„ dog anders moet het agtergelaten worden om Comps. vaartuigen en volk niet roekeloos in de waagschal te stellen, daar UwE. reeds gein„ „formeerd is dat Radja Brina na hulp van Atchien uitziet. Ik kan UwE. niet genoeg recommandeeren de uiterste omzigtig„ „heid steeds in agt te neemen en zig oversulks ook met geene krijgsp „vangenen nog met ontleedigde of verlaten vijandelijke vaartuigen te belemmeren, maar uwE. Instructie stiptelijk te volgen. Een buffel wordt voor de Equipage van de beide pantjallangs gezon„ „den met de bark de standvastigheid; waar uit uwE. boven dien eenige halve leggers met drinkwa ter kan ligten zoo uwE. hetzelve ean„ „dig heeft Ik blijf /onderstond/ UwE. Goede Vriend /(Getekend/ L. G. de Bruijn /in margine/ Malacca in het Casteel den 2. Maart 1786. Aan den Capitein en Caepitein Luitenant ter Zee Benjamin van der Spek en David Vartig Commandeerende de tot de Expeditie tegen slangenoor geschikte schepen Hoolwerf en de Hoop Manhafte, Vroome De gallevoet de Concordia, die volgens onzen leusten avan denE deezer 405 deezer tot UwE. stondt over te komen om de rivier van slange noor te helpen bezetten, en over zulks met zeven gewapende Militairen versterkt is, wordt tans derwaarts gedepecheerd, dog de Gezaghebber heeft order om enpassant bij de pantjallang de Rhilippine aan te leggen ten einde met de zelve en de pantjallang Bliton de tinrivier van Calang zoo verre immers doenlijk op te neemen, indien de Luitenant Meijer daar geene zwaarigheid in Zien mogte, en vervolgens naar UwE. voort te Zeilen. Wij hebben tijding gekreegen dat eenige gewapende Barmasche vaartuigen door de straat Malacca naar Ziam zouden stevenen om eenen inval in dat Rijk te doen. En, dewijl het zoude kunnen gebeuren dat die vaartuigen langs slangenoor kwamen beveelen wij uwE. dezelven, na dat uw E. vernomen zullen hebben dat heteffectief Barmasche vaartuigen zijn, en geene Atchiensche, die ter hulpe van Radja Brima komen, ongemolesteerd te laaten passeeren doende hun nogtans tot aan de tinrivier observeeren door de gallowet de Concordia, ligter de Vos, en kotter de onderneemer; dog, indien zij onverhoopt slangenoor willen in loopen en na uwE. afmaaning niet hooren of eenige vijandelijkheden tegen uwE. pleegen, spreekt het van zelf dat UwE. hun naar het regt des oorlogs moeten behandelen, mitsalle om zigtigheid en goed beleid daar omtrent in agt neemende. Wij blijven na groete /onderstond/ UwE. Goede Vrienden / Getekend/ G: de Brijn, A. Couperus, I. A. Hensel, F. Thierens, R. B. Hoijnck 2. van Lapendrecht, H. I. Wiederhold en E. G. Baumgarten / in margi„ „ne/ Malacca in het Casteel den 10. Maart 1786. Aan t te an den 2 Aan den Luitenant ter Lee Jan Hendrik Meijer Gezaghebber op de Pantjallang de Philippine, kruissende af en aan de straact Cilang Goede Vriend De Gezaghebber van de gallowet de Congodia, die geschiktisom de rivier van Slangenoor te helpen bezitten, heeft order om en pas„ „sant bij uwE. aan te leggen, ten einde uwE. met de Pantjallang Bliton te verzellen in het opneemen der tinrivier van Calang; dog, zoo UwE. die opneeming bereeds gedaan of met raadzaam ge„ „oordeeld mogte hebben, moet de gemelde gallowet ten eersten naar de voor slangenoor leggende schepen voortzeilen. Ik het tijding gekregen dat eenige gewapende Barmaschel vaartuigen door de straat Malacca naar Siam zouden stevenen, om eenen inval in dat Rijk te doen, en beveel uwE. derhalven, indien zij door de straat Calang komen, hun ongemolesteerd naar herwaarts te laaten passeeren, ten zij door hun eenige feitelijkheeden tegen Uwl mogten worden ondernomen, al zoo UwE. hun dan met behulp van de gallowet de Concordia, ligter de Vos, en kotter de onderneemer welke de gemelde Baermasche vaartuigen van Slangenoor of tot aem de tin„ „rivier zullen observeeren, naar het regt de soorlogs zal moeten behem„ „delen, mitsalle om zigtijheid en goed beleid daar omtrent in uigt nee„ „mende. Ik 3 407 Ik den /onderstond/ UwE. Hoede Vriend /(Getekend/) L. G. de Bruijn /in margine/ Malacca in het Casteel den 10. Maart 1786. Aan den Capitein en Capitein Luitenant ter Zee. Benjamin van der Spek en David Vartig, Commandeerende de tot de Expeditie tegen slangenoor geschikte scheepen Hoolwerf en de Hoop Manhafte, Koome, De bark van den ouden Koning van Sia Radja Machometisti„ die wij in Comps. dienst genomen hebben om uwE. steeds van drinkwater en andere benoodigdheeden te voorzien, vertrekt tans naar de reede van Slangenoor, medeneemende eenige rantzoenen voor de beide pantjal„ „langs, den ligter de Vos, en de kotter de onderneemer, benevens zoo veel weeters en verversching voor UwE. als bij Cognoscement genoteerd staat. Terwijl tot uwE narigt dient dat de uitlevering van de gemelde ranttzoenen geschieden moet volgens de Recipisse, door Joaquim Cardozo Galvao Gezaghebber op de gemelde berk, hier verleend, en deezen meede bij ge„ „voegd. Wij verwagten dat vaartuig na eene spoedige ontlaading ten eersten te rug met alle de ledige leggers, die uwE. hebben, om ze weder met water te laaten vullen, en beveelen uwE. hetzelve vaartuig tot geene kruis„ „togten of andere expeditien tegen den vijand te emploijeeren, strijdig met het oogmerk, waar toe het, gelijk reeds gezegd, in dienst genoo„ „men is, ten einde niet voor de nadeelige gevolgen daar van aan„ „ specatelijk
English
held accountable. The opportunity that might occasionally present itself to you to send a message to Radja Brima through the released crew of intercepted enemy vessels or otherwise, you should readily seize in order to have demonstrated or pointed out to him in the most emphatic manner how much damage he brings upon himself and the inhabitants of Slangenoor through his stubborn unwillingness to reconcile himself with the Company upon the reasonable terms made known to him. You may even have him told that if some of those terms cannot be accepted by him, he should therefore have the necessary representations made to us through his envoys to ascertain whether a middle way might not be found in that regard, in order to see the mutual disputes settled soon. We wish you and your subordinates a blessed prosperity and remain very willingly Your Good Friends. Signed: L. G. de Bruijn, A. Couperus, I. A. Hensel, F. Thierens, R B. Hoijnck van Papendracht, H. I. Widderhold, and C. G. Baungarten. In the margin: Malacca in the Castle, the 17. March 1786. To the Lieutenant at Sea Jan Hendrik Meijer Commander on the pantjallang the Philippine, cruising back and forth in the Strait of Calang Good Friend, From the bill of lading of the cargo of the private bark that is currently being sent to Slangenoor, it will appear to you what rations have been loaded into it for the pantjallangs the Philippine and Blitom. The Commander Cardozo must deliver them according to the receipt attached to the bill of lading; after which you must immediately have that vessel proceed with the remaining cargo to the ships. I refer to my letter of the 10. of this month and remain Your Good Friend. Signed: P. G. de Bruijn. In the margin: Malacca in the Castle, the 17. March 1786. To the Captain and Captain-Lieutenant at Sea Benjamin van der Spek and David Wartig Commanding the ships Hoolwerf and the Hoop, designated for the expedition against Slangenoor. Valiant, Pious [Sirs], The lighter the Vos, sent hither by you for lack of drinking water with twelve full and six half empty leagers, brings the same back filled, in addition to what is further specified on the bill of lading; while we do not doubt that you will already have been accommodated with drinking water long before the return of that little keel by the private bark dispatched to you on the 17. of this month. As the rations for the ship Hoolwerf could not be loaded into the said lighter, we shall send the same to you with the next vessel; but to satisfy in its entirety the requisition for equipment goods for the ship the Hoop received alongside your letter of 2 December 1785 still remains impossible for us for the present. What we were able to send was taken along by the pantjallang the Philippine, and what the Hoop might require in addition, urgently or without delay, we shall likewise seek to provide, as far as we possibly can, when it is stated more specifically to us, since several requirements are noted in the said requisition which in our opinion are for the present not absolutely necessary, nor in stock or to be obtained here. Heartily wishing the speedy recovery of the sick on both ships, we meanwhile submit for your consideration whether those from whom you have no service could not be transported hither, either with the aforementioned private bark or with the vessel returning from here, in order to regain their health here. Radja Brima is certainly reinforcing the mountain in the hope that he will obtain help from the Achinese; but we trust that this hope will be rendered fruitless through your good conduct, and we also desire orders to be given to ensure that at night no small vessels sneak into Slangenoor with rice, as we understand is now happening, in order to compel the enemy through want of food to reach a peace settlement with the Company. One of the native soldiers stationed on the lighter the Vos arrived here without a musket, saying he had lost it when he was sent ashore with others to fetch water. We therefore order you to investigate this, and also in future whenever any musket goes missing again, so that through negligence or bad faith of those people the Company suffers no damage. Upon the death of any of the Malaccan seafarers or soldiers serving in the expedition against Slangenoor, whether on the vessels under your command or stationed on the small vessels, his name and the day of his death must be noted down, in order to have his pay written off as of that day. For the rest, after greetings, we remain Your Good Friends. Signed: P. G. de Bruijn, A. Couperus, I. A. Hensel, F. Thierens, R B. Hoijnck van Papendrecht, H. I. Wiederhold, and C. G. Baungarten. In the margin: Malacca in the Castle, the 30. March 1786. To the Lieutenant at Sea Jan Hendrik Meijer Commander on the pantjallang the Philippine, cruising back and forth in the Strait of Calang Good Friend, I have received your letter of the 23. of this month, and I am pleased both with your explanation regarding the affair that took place near the settlement at the tin river, and with your good conduct, trusting that you will furthermore on the one hand commit no acts of hostility without necessity, yet on the other hand also give the enemy not the slightest advantage over you. The reconnaissance of the tin river above the said settlement I conclude from your writing cannot be accomplished with the two pantjallangs alone without danger, since the enemy has shown himself ready to offer resistance. To force a way through with violence, I cannot [illegible]
Dutch transcription
„spraakelijk gesteld te worden. De gelegenheid, die uwE. somtijds zoude kunnen voorkomen om door het vijgelaten volg van agterhaalde vijandelijke vaartuigen of ander zins eene boodschap aan Radja Brima te zenden, moet UwE: ge„ „reedelijk aangrijpen om hem op de aller nadrukkelijkste wijze te laaten vertoonen of voorhouden hoe veel schade bij zig en den inwooneren van slangenoor toebrengt door zijne hartnekkige onwilligheid om zig op de hem aangekundigde redelijke voorwaarden met de Compagnie te verzoe„ „nen. zelfs mogen uwE. hem laaten zeggen, dat eenige van die voor„ „warden door hem niet kunnen worden aangenomen, hij dientwegen door zijne Gezanten de noodige vertoogen aan ons moet laaten doen ter ervaaringe of daar omtrent niet een middelweg zoude kunnen gevon„ „den worden, om de onderlinge geschillen haast bijgelegd te zien. Wij wenschen uwE. en haaren onderhoorigen een gezegenden welstand en blijven zeer gaarne /onderstond/ UwE. Goede Vrienden / getekend/ L. G. de Bruijn, A. Couperus, I. A. Hensel, F. Thierens, R B. Hoijnck van Papendracht, H. I. Widderhold, en C. G. Baungarten / in margine/ Malacca in het Casteel den 17. Maart 1786. Aan den Luitenant ter Zee Jan Hendrik Meijer Gezaghebber op de pantjallang de Pli„ „lippine kruissende af en aan de Straat Calang Goede Vriend Bij het Cognosement der laading van de particuliere bark, die tans 409 „naar tans„ slangenoor gezonden wordt zal UwE. blijken welke rantzoe„ „nen daar in geladen zijn voor de Pantjallangs de Philippine en Blitom. De Gezaghebber Cardo zo moetze uitleveren volgens de Recipisse, die aan het Cognoscement gevoegd is; waar na uwE. dat vaartuig met de overige laading ten eersten naar de scheepen moet laaten voortstevenen. bed Ik gedraag mij aan mijnen brief van den 10. deezer en blijf /onderstond UwE. Goede Vriend / Geteekend/ P. G. de Bruijn /in margine/ Malacca in hett Casteel den 17. Maart 1786. Aan den Capitein en Capitein Luitenant ter Zee Benjamin van der Spek en David Wartig Commandeerende de tot de Expeditie tegen slangenoor geschikte schepen Hoolwerf en de Hoop. Manhafte, Vroome De ligter de Vos, door UwE. uit gebrek aan drinkwater her„ „waarts gezonden met twaalf heele en zes halve ledige leggers, voert dezelve gevuld te rug, benevens hetgene verder op het Cognoscement bekendgesteld is; terwijl wij niet twijfelen, of uwE. zullen lang voor de wederkomste van dat kieltje reeds met drinkweeter geriefd zijn door de op den 17. deezer naar uwE. gedepecheerde par„ „ticuliere bark De rantzoenen voor het schip Hoolwerf in den gemelden Ligter niet kunnende worden geladen, zullen wij uwE. deszelven met het eerstvolgende vaartuig laten toekomen; dog dat de voldoening in zijn P G zijn geheel van den nevens UwE. brief van den 2 December 1785. ontvran„ „gen Eisch van equipage goederen voor 't scheepe de Hoop blijft ons voor als nog onmogelijk. Wat wij hebben kunnen zenden heeft de pantjal„ „lang de Philippine meedegenomen, en wat de Hoop daaren boven abscht of zonder uitstel, mogte noodig hebben zullen wij meede, zoo veel wij immers kunnen, tragten te beschikken, wanneer het ons bepaaldelij„ „ker wordt opgegeven, alzoo bij den gemelden Eisch verscheiden behoeften genoteerd staan, die onzes bedunkens, vooreerst niet absolut noodig nog ook hier in voorraad of te bekomen zijn. De spoedige herstelling der Zieken of beide de scheepen van harte wenschende, geeven wij uwE. ondertusschen in consideratie, of de zulken daar UwE. geenen dienst van hebben niet herwaarts getrenspor„ „teerd zouden kunnen worden, 't zij met de voorschreven particuliere berk, of met het van heere retourneerende vaartuig om hier hunne gesondheid weder te verkrijgen. Radhja Brima versterkt den berg zekerlijk in de Hoop dat zij van de Atchiners hulp zal erlangen; dan wij vertrouwen dat hens door Uw E. goed beleid die hoop vrugteloos gemaakt zal worden en willen nog gecommandeerd hebben te zorgen, dat bij nagt geene kleine vaartuigen, met rijst, zoo als wij verneemen dat nu geschiedt binnen Slangenoor sluipen ten einde den vijand door gebrek aan voedzel tot de bevrediging met de Compagnie te noodzaaken. Een van de op den ligter de Vos geplaatze inlandsche Militairen is hier zonder geweer aangekomen, zeggende het zelve verloren te hebben toen hij met anderen naar de wal gezonden was om water te haalen. Wij gelasten uwE. derhalven daar ondertzoek na te doen, en ook in het vervolg, wanneer weder eenig geweer absentraakt, op dat don onagtzaamheid of kwaade trouwe van dat volk de Compagnie geene scheide lijde. 444 Bij overlijden van iemand der Malaccasche zeevaarenden of Militeiren welke inde Expeditie tegen slange noor dienen 't zij op UwE. onder hebbende bodems of op de kleine vaartuigen bescheiden, moet zijn naam en de dag van zijn overlijden aangetekend worden, ten einde zijne guijs met dien dag te kunnen laten afschrijven. Wij blijven voor het overige na groete (onderstond/ UwE. Goede Vrienden, Getekend/ P. G. de Bruijn, A: Couperus, I. A. Hensel, F. Thierens, R B. Hoijnck van Lapendrecht, H. I. Wiederhold en C. G. Baungarten, /in margine/ Malacca in het Casteel den 30. Maart 1786. -. Aan den Luitenant ter Zee Jan Hendrik Meijer Gezaghebber op de Pantjallang de Philippine kruissende af en aan de straat Calang Goede Vriend Ik heb uwE. brief van den 23. deezer ontvangen, en neem genoegen zoo wel met uwE verantwoording over de voorgevallen affaire omtrent de negorij aan de tinrivier, als met UwE. goed beleid, vertrouwende dat UwE: verder aan de eene feitelijkheden buiten noodzaakelijkheid zal pleegen, dog ook aan de andere zijde ook den vijand geen het minste voordeel op UwE. geeven De opneeming van de tinrivier boven de gemelde nagorij besluit ik iit uil„ schrijven niet zonder hee zand met de twee pantjalla neijs alleen te kunnen worden volbragt nademaal de vijand zig gereed getoond heeft om tegenstand te bieden. Enver met geweld door te dringen kan ik uw E. na 't testaan„ maart toin F
English
but wish rather to have such suspended until news arrives, which I look forward to daily, and would have already received had the cutter Iava not been overtaken by a violent storm near Loeloe Tarella, which may have forced her to steer towards Palembang. Meanwhile, Your Honour must strive to comply with the orders given by Instruction; but if unexpectedly prevented therein by a superior force of enemy vessels, retreat to the ships in the most honourable manner, or choose such other course as Your Honour shall deem most advisable for the safety of the Company's vessels and men. Your Honour's conduct regarding the English snow that wandered in the Strait of Calang to trade in tin has my complete approval. An iron hawser and knee timber Your Honour shall receive with the lighter de Vos, in restitution of that which was delivered to the pantjallang Beliton to somewhat strengthen her cracked mast. Upon the death of anyone on either of the two pantjallangs, Your Honour must keep a record thereof, in order to report it to me with name and date at the first opportunity. I remain /beneath was written/ Your Honour's Good Friend /signed/ P. G. de Bruijn, /in the margin/ Malacca, in the Castle, 30 March 1786. To the Captain and Captain-Lieutenant at Sea Benjamin van der Spek and David Hartig Commanding the ships Poolwerf and de Hoop, appointed for the Expedition against Salangoor Valiant, Pious, The bark of the old King of Siac, Radja Mahomet Ali, which returned previously on the 7th of this month with Your Honours' letter of 27 March, now departing again for Salangoor to convey the whole and half leagers filled here with drinking water, dispatched therewith by Your Honours for that purpose, we are sending to Your Honours with that vessel not only the three months' rations for the ship Poolwerf promised in our letter of 30 March, but also the two months' rations for the ship de Hoop, together with such medicines and refreshments as the bill of lading will show Your Honours; after the unloading of which, the said vessel must return as quickly as possible with the casks that have meanwhile become empty. The conveyance hither of three seamen suffering from consumptive diseases, of whom the Chinese has already died, we consider well done, and on the other hand, at the request made by Captain-Commandant van der Spek in Your Honours' aforesaid letter for the copying of letters and other papers, we are sending over to Your Honours the Clerk Frans Floris Theodorus Salomons. As for the complaints that were brought forward, first by the Chief Surgeon Johan George Hendrik van Reeven, as appears from the Resolution of the ship's council under 25 March, and subsequently by Captain-Lieutenant Willem August Wass in his defence, regarding insults received from one another, Your Honours should not have referred the same to our decision without first making an inquiry as to whether and to what extent those complaints agreed with the truth, in order to serve us with Your Honours' considerations, so that we might be in a position to pass a rightful judgment thereon. But, since Your Honours have entirely omitted this, so that the reciprocal accusations of the said complainants now rest merely on their own word, and the matter also appears to us not to be of such consequence as to recommend the investigation thereof to Your Honours as yet, we wish, while expressing our displeasure at the hot-headed threat made by Captain-Lieutenant Wass to the Chief Surgeon van Reeven that it would come to blows if no orders were drawn up, to rest for the present in the recommendation that we desire Your Honours will most seriously present to them in our name, to treat each other with more respect and discretion henceforth, in order to prevent the unpleasant consequences that their impetuous conduct might otherwise entail, since we shall not show the slightest indulgence toward those who seek to disturb the necessary harmony on board ship; just as we also order Captain-Commandant van der Spek to take the necessary precautions against this, and not to tolerate that the officers ever insult each other, but always live in peace and unity with one another, for the promotion of the Company's service. Meanwhile, the dispute that arose between Captain-Lieutenant Wass and Chief Surgeon van Reeven regarding the quality of the tamarind supplied to the latter gives us occasion to remark hereby that, if not other reasons, at least humanity requires that what the sick need for their relief or recovery be provided from the best that is on board, without merely indifferently taking whatever comes to hand, and we therefore also approve that Captain van der Spek immediately had other tamarind brought out in place of the rejected tamarind. Of the 1-lb brass cannon on the cutter de Onderneemer, two pieces must be removed and sent hither with the aforementioned bark.
Dutch transcription
maar wil zulks lieves op geschort laaten tot dat sewus komt, daar ik dagelijks na uitzie, en reedsgekreegen zoude hebben indien de kotter Iava niet bij Loeloe Tarella van een fellen storm was belopen, welke haar mogelijk genoodzaakt zal hebben naar Palembang te stevenen. Ondertusschen moet uw E. aan de gegeven ordres bij Instructie tragten te voldoen; dog tegen verwagting door eene overmagt van vijandelijke vaar„ „tuigen daar in verhinderd wordende, op de honorabelste wijze naar de scheepen retireeren, of zoodanige andere partij kiezen, als UwE. tot veiligheid van Comps. vaartuigen en volk de raadzaamste zal oordeelen, UwE. gedrag omtrent de Engelsche snauw, die in de straat Calang geszworven heeft om tin in te handelen, is volkomen van mijne approbatie Een ijzertros en kluijthout bekomt uwE. met den ligter de Vos, in restitutie van„ hetgene rixk: vaan de pantjallang B3liton heeftafgegeven om haare gekraakt te mast wat te versterken. Bij overlijden van ie mand op de beide pantjallangs moet uwE. daaraan„ „tekening van houden, om het bij eerste gelegenheid met naam en dag mij op te gaven. Ik blijf /onderstond/ UwE. Goede Vriend /getekend/ L. G. de Bruijn, / in margi„ „ne Malacca in het Casteel den 30. Maart 1786. Aan den Capitein en Capitein Luitenant ter Zee Benjamin van der Spek en David Hartig Commandeerende de tot de Expeditie tegen slangenoor geschikt schepen Hoolwerf en de Hoop Manhafte, Vroome, De op den 7. deezer met UwE. brief van den 27. Maart bevoorens 413 bevoorens gereverteerde berk van den ouden Koning te Siac, Radja Mahomet Ali, tans weder naar Slangenoor vertrekkende, ter overbrenginge van de hier met drinkwater gevulde heele en halve leggers, door uwE. ten dien einde daar mede afgezonden, laaten wij Uw E. met dien bodem nog toekomen niet alleen de drimaandige rantzoenen voor het schip Poolwerf bij onzen brief van den 30. Maart beloofd, maar ook de tweemaandige rantzoenen voor het schip de Hoop benevens zodanige medicamenten en ververschingen, als het cognoscement UwE. zalaaanwijzen; na welker ontlossing de gemelde bedel met het intusschen ledig gevallen vaatwerk ten spoedigsten moet te rug keeren. De overzending herwaarts van drie aan uitteerende ziekten laboreerende zeevaarenden, waar van de Chinees reeds overleeden is, merken wij als welgedaan aan, en laaten daarentegen, op het door den Capitein Commandant van der spek bij uwE. voorschreven brief„ gedaan verzoek, tot het copieeren der brieven en andere papieren naar Uw E. overvaaren den Pennist Frans Floris Theodorus Salomons- Wat de plagten aanbelangt, die eerst door den opperchirurgijn Iohan George Hendrik van Reeven, blijkens de Resolutie van den scheeps„ „raad sub 25. Maart, en vervolgens door den Capitein Luitenant Willem August Wass in zijne verantwoording, voortgebragt zijn over ontvangen beledigingen van elkanderen, uwE. hadden dezelve niet aan onze decise moeten overwijzen, zonder eerst onderzoek te doen of en in hoe verre die klagten met de waarheid over eenstemden ten einde ons te dienen van uwE consideratien, op dat wij in staat konden weezen van daar over een regtmaatig oordeel te vellen. Maar, nadien uwE. dit geheel agtergelaten hebben, zoo dat de reciproque be„ „schuldiging van de gemelde klagers nu slegts op hun eigen zeggen stendt, en dezelve onsook teschijnt van die aangelegenheid niet te weezen Aean mast haam„ teg mergi„ Schepen weezen, om het onder zoek daar van uwE. als nog aan te beveelen, willen wij onder betuiging van onsorgenoegen over de heethoofdige be„ S. „dreiging, door den Capitein Luitenant Hass aan den opperchirurgijn van Reven gedaan van tot daadelijkheden te zullen komen, indien 'er geene ordres opgesteld wierden, voor tegenwoordig berusten in de re„ „commandatie die wij begeeren dat 'UwE hun ui't onzen naame op het serieuste zullen voorhouden, om voortaan elkanderen met meer agting en discretie te bejegenen, tot voorkoming van de onaange„ „naame gevolgen, die hunne drieftige handelwijze anders zoude kun„ „nen naar zig sleepen, alzoo wij geene de minste inschikkelijkheid gebruiken zullen omtrent de geenen, die de noodzaakelijke eendragt aan scheepsboord zoeken te stooren; gelijk wij ook den Capitein Com„ „mandant van der spek gelasten daar tegen de noodige voor zie„ „ning te doen, en niet te gedoogen dat de Officieren elkanderen ooit insulteeren maar onderling steeds in vrede en eenigheid leeven, ter bevorderinge van den dienst der Maatschappije Ondertusschen wordt ons door het ontstaan verschil tusschen den Capitein Luitenant Wass en Opperchirurgijn van Reven over de qualiteit van de aan den laastgenoemden verstrekte tammer inde aanleiding gegeven, om bij deezen te remarqueeren, dat, zoo al geene andere redenen, immers de menschlievendheid het vordert met het beste, dat aan boord is, de verstrekking te doen van hetgene de zieken tot hun soulaas of herstelling noodig hebben, zonder maar onver„ „schillig te neemen wat voor de hand komt, en wij over zulks ook goed„ „keuren, dat Capitain van der Spek, in plaatze van de afgekeurde tammerinde, opstonds andere heeft laaten uitkrijgen. Van de op de kotter de Onderneemer zijnde methalen canons van 1. lb moeten twee stuks geligt en met de voorschreven bark herwaarts gezonden worden.
English
415 We remain, after greetings, Your Honor's Good Friends. Signed: L. G. de Bruijn, A: Couperus, I. A. Hensel, I. Thierens, R. S. Wiederhold, and E. G. Baumgerten. In the margin: Malacca in the Castle, the 12. April 1786. To the Lieutenant at Sea To Hendrik Meijer Commander on the pantjallang the Philippina, cruising back and forth off the strait Calang Good Friend, Upon the return of the barque, which is now departing for the second time for Slangenoor, and on which a buffalo has been delivered for the crew of the pantjallangs the Philippine and Bliton, Your Honor must send hither four of the 1-lb bronze cannons that are on the vessel under Your Honor's command, for the service of Riouw. I remain Your Honor's Good Friend. Signed: P. G. de Bruijn. In the margin: Malacca in the Castle, the 12. April 1786. To the Captain and Captain Lieutenant at Sea Benjamin van der Spek and David Hartig Commanding the ships assigned to the Expedition against Slangenoor, Hoolwerf and de Hoop Valiant, Pious, With the barque de Standvastigheid, which is now departing again for Pera, we have received Your Honors' letter of the 4. current and shall reply thereto by this. It was pleasing to us that Your Honors, both by the said barque and the lighter de Haas on their return from Pera, as well as by the return of the lighter de Vos sent hither, were still accommodated in time with drinking water, of which Your Honors then had such a great shortage that Your Honors were on the verge of having to abandon this from Slangenoor. We hope that the private barque already dispatched from here on the 12. of this month, which has been taken expressly into the Company's service to sail to and fro, and with which we have sent Your Honors, besides some refreshments and other necessities, also a good quantity of the said liquid, will have arrived there soon enough to accommodate Your Honors anew. Your Honors must send back with the barque de Standvastigheid, which carries over fourteen leagers of water for Your Honors, all the casks in their stead that have become empty after the departure hither of the aforementioned private barque, in order to be filled again at Pera and subsequently delivered to Your Honors. Meanwhile, we cannot recommend to Your Honors emphatically enough that Your Honors, as is often or always practiced when necessary on the ships and smaller vessels, catch water during the heavy rain that now falls almost daily, and prevent its wastage, since we are doing everything we can with our cooperation to prevent an untimely lifting of the blockade of Slangenoor, as this would drag with it the most unpleasant consequences and a heavy accountability. 448 Just as the undersigned Governor is writing on this occasion to the Lieutenant at Sea Johan Hendrik Meijer concerning the long detention in the Strait of Calang of the vessels sailing from here to Slangenoor, about which their commanders have complained to Your Honors, so we also inform the Commander of the Dutch Garrison at Pera of the report received from Your Honors and communicated to us, that the Slangenoor vessels enter and leave the Pera river undisturbed or unhindered and obtain provisions from there, in order to take the necessary measures against that traffic. We wish Your Honors and your crew continued well-being and remain for the rest Your Honors' Good Friends. Signed: P. G. de Bruijn, A. Couperus, F. Thierens, R. B. Wynck van Papendrecht, H. I. Wiederhold, C. G. Baumgarten. In the margin: Malacca in the Castle, the 24. April 1786. To the Lieutenant at Sea Jan Hendrik Meijer Commander on the pantjallang de Philippine cruising back and forth off the strait Calang Good Friend, I have received Your Honor's letter of the 2. of this month. Upon obtaining European seamen, I shall provide the pantjallang Politon with two men, in place of those who through sickness cannot perform any service of importance, and therefore must be sent hither, unless they have improved in the meantime. The two Riouw vessels about which Your Honor had bad suspicions were sent from there solely to buy rice at Pera or Queda. Upon the news received from the authorities of the ships lying before Slangenoor, that the commanders of the vessels departing from here thither had complained to them that they were detained too long in the Strait of Calang to proceed on their voyage, I order Your Honor not to do so anymore, but to send them forward immediately after a speedy unloading of whatever they are carrying for Your Honor. I remain Your Honor's Good Friend. Signed: L. G. de Bruijn. In the margin: Malacca in the Castle, the 24. April 1786. To the Captain and Captain Lieutenant at Sea Benjamin van der Spek and David Hartig Commanding the ships assigned to the Expedition against Slangenoor, Hoolwerf and de Hoop Valiant, Pious, Having seen by Your Honors' letter of the 22. April last, brought to us with the private barque of Radje Machomiet Alli, that due to the foolishness of the sergeant, who went to lie with the small proa of the cutter de Ondernemer before the balu, wherewith Your Honors' armed guard was
Dutch transcription
415 Wij blijven na groete /onderstond/ UwE. Goede Vrienden (Getekend) L. G. de Bruijn, A: Couperus, I. A. Hensel, I. Thierens, R. S. Wie„ „derhold en E. G. Baumgerten /in margina/ Malacca in 't Casteel den 12. April 1786. Aan den Luitenant ter Zee Aan Hendrik Meijer Gezaghebber op de pantjallang de Philippina, kruissende af en aan de straat Calang Goede Vriend Bij wederkeering van de bark, die nu voor de tweede maal naar Slangenoor vertrekt, en waar op een buffel voor de Equipage van de pantjallangs de Philippine en Bliton is afgegeven, moet uw E. herwaarts zenden vier van de op uw E. onder hebbende bodempje zijn„ „de metaalen canons van 1. lb, ten dienste van Riouw Ik blijf /onderstond/ UwE: Goede Vriend (Getekend/ P. G. de Bruijn /in margine/ Malacca in het Casteel den 12. April 1786. Aan den Capitein en Capitein Luitenant ter Zee Benjamin van der Spek en David Hartig Commandeerende de tot de Expeditie tegen slangenoor geschikte schepen Hoolwerf en de Hoop Manhafte, Vroome. de s Wij hebben met de benk de standvastighed, die tans weder maar Pera vertrekt, ontvingen uwE. brief van den 4. Courant en zullen daar op bij dee„ „zen rescribeeren. Aangenaam is het ons geweest, dat UwE. zoo door de gemelde berk en den ligter de Haas op derzelver retour van bora, als door de wederkomste van den herwaarts gezonden ligter de Vos, nog in tijds geriefd zijn met drinkweter weer aan uwE. toen zoo groot gebrek hadden, dat uw E. op het punt stonden om deeze van slangenoor te moeten verlaaten. Wij loopen dat de reeds op den 12. deezer van hier gedepecheerde papnticuliere beerk, die omsooor en weder te vaaren expresselijk in Comp.s dienste genomen is, en waar mede wij uwE. behalven eenige ververschingen en andere benoo„ „digdheeden, ook eene goede quantiteit van het gemelde vogjt hebben toegezonden spoedig genoeg ginder zal weezen gereveiteerd, om uw E: op nieuw te genieven. UwE. moeten aan de bark de Standlvastigheidt, die na veertien leggers met water voor UwE. overbrengt in den zelver plaatze miedegeeven alle de fusten welke na het vertrek herwaarts van de voorschreven particuliere berk zijn leedig geraakt, om op Pera gemelden vervolgens weder aan uwE bezongd te worden. Ondertusschen kunnen wij uwE. niet nadrukkelijk genoeg aan bevelen dat UwE. zoo als elikwils, of altoos wan neer het noodisis, op de scheepen en mindere kielen gepractiserd wordt, door het opvangen van water bijden nu meest dagelijks vellenden zwaaren regen, en door het teiengaan van dies verspilling, daar wij alles doen wat wij kunnen met ons medewerken ter verhoedinge van eene ontijfdige opbraake der bloquade van Slangenoor, nadien dezelve de onangenaamde gevolgen en een zwaere verantwoordig zoude naar 448 naar Zig sleepen. Gelijk de ondergetekende Gouverneur nopens het leng ophouden in straat Calang der van hier naaar Slangenoor steevende vaartuigen waarover de Gezaghebbers dor„ „zelven bij uwE zijn klagtig gevallen, bijde te geleenhed aan den Luitenant ter Zee Johan Hendrik Meijer schrijft, zo informeeren wij ook den Commandanit der Nederland „sch Bezeting te bera ven het bij uwE: ontvangen en ons gecommuniceerde berigt dat de slangenvoorsche vartuigen ongestort of gerust de Perasche rivier in en uitloopen en van deerlevensmiddelen haalen ten einde tegen die vaart de noodige voorzie„ „ning te doen. Wij wenschen UwE. en haarer Equipagie een bestendig wel zijn en blijven voor 't overige /onderstond/ uwE. Goede kierden /(Getekend/ P. G. de Bruijn, A Coupons F. Thierens, R. B. Wrijnck van Papendreet, H. I. Wiederhold, C. G. Baum„ „garten / in margine/ Malacca in het Casteel den 24. April 1786. Aan den Luitenant ter Zee Jan Hendrik Meijer Gezaeghe ber op de pantjallang de Philippine kruissende af en aan de straat Calang Goede Vriend Ak heb rune: brief van den 2. deezer ontvengens. Bij erlanging van Europasche Zeevaarenden zal ik de pantjallang Politon van twee man voorzien, in plaatze van die door ziek te geenen dienst dienst van belang kunnen doen, en over zulks herwaarts ge zonden moe„ „ten worden, ten zij intusschen gebeterd. De twee Rivruwsche vaartuigen, daar uwE kwaarde suspicie op hedt, zijn van daar eenlijk gezonden om op Peree of Queda rijst te koopen. Op het ontvangen narigt van de Overheden der voor slangenoor leggen„ „gende scheepen, dat de Gesteghebbers der van hier naar derwaarts vertrek„ „kende vaartuigen bij haar waren klagtig gevallen, over dat zij in de straat Calang te lang wierden opgehouden om hunne reize te vervordeeren beveel ik uwE zulks niet meer te doen, maar hun na eene spoedige ont„ „lossing van hetgene zij voor UwE. medeneemen ten eersten voort te zenden. Dk blijf /onderstond:/ UwE: Goede Viend /(Getekend/ L. G. de Bruijn /in margine/ Malacca in 't Casteel den 24. April 1786. Aan den Capitein en Capitein Luitenant ter Zee Benjamin van der Spek en David Hartig Commandeerende de tot de Expeditie tegen slangen oorgeschikte schepen o Hoolwerf en de Hoop Manhafte, Vroome, ij uwE. brief van den 22. April laastleden, met de particuliere bark van Radje Machomiet Alli ons aangebragt, gezien hebbende dat aan de onnozelheid van den sergeant, die met het praauwtje van de kotter de onderniemer ging leggen voor de balo, waar mede UwE. gewapende schuild was
English
had engaged in battle, the wounding of three men and the loss of some weapons caused by the overturning of the said proa when the enemy jumped into it was to be attributed, we thus strictly warn the Commanders of the Company's small vessels that they must provide the best instructions to the crews they send out with their yawls or proas to attack enemy vessels regarding what they are to do, so that they do not recklessly expose themselves again. The empty leagers received with the said bark are, for the most part, as the remaining ones are not yet sealed, filled with drinking water and sent back to you, together with the repaired ship's muskets and galley utensils, just as you have also received as much of the requested provisions as we were able to supply. Regarding the remark of the Chief Surgeon of Reever concerning his requisition sent over, we refer to the enclosed rescript of our Castle Chief Surgeon Werkh. The corporal of the native soldiers sent up some time ago as incapacitated returns with the aforementioned bark, accompanied by three privates for you and the galliot the Concordia, in place of the sick who came over here. From the wages due to their comrades stationed over there, the two European soldiers, an advance of one month has been paid to the Captain Commandant of the Military to provide them with clothes, which have now been procured for them and must be distributed with the enclosed money as will appear to you from the note drawn up to that effect. The Commander of the aforementioned bark, Joaquim Cardozo, has both the money and the clothes in his charge. The rice and paddy seized by you may be handed over by you to the same Cardozo on one voyage, but you must report to us on which dates the seizure took place. We remain, after greetings, your good friends, signed: L. de Bruijn, A. Couperus, I. A. Hensel, F. Thierens, R. F. Hoijnck van Papendrecht, J. T. Wederhold, and E. G. Baumgarten. In the margin: Malacca, in the Castle, the 5th of May 1786. To the Naval Lieutenant Jan Hendrik Meijer Commander on the penjajap the Philippine, cruising back and forth in the Strait of Calang Good Friend, Although the unfortunate demise of Sergeant Abjakhar Barnabas, who left from your vessel in a proa to go fishing, as communicated to me by your letter of the 25th of April, is to be attributed to his own carelessness, since he heeded neither your order not to venture far from the penjajap, nor the warning of the soldier taken along by him that the native and slave in the proa had a heavy language, I nevertheless command you not to permit anyone henceforth to go sailing for pleasure, as one could also be captured and carried off by enemy proas. Meanwhile, you will receive another sergeant, together with two native soldiers named Tappa Bonghruet and Ismael, to be stationed with you, in place of the two of whom you told Joaquim Cardozo that they were no good to have, which, however, you might well have written to me. The estate of the said Barnabas must be sent sealed in his chest when the private bark of Raja Machomet Ali of Selangor returns. I remain, your good friend, signed: P. G. de Bruijn. In the margin: Malacca, in the Castle, the 6th of May 1786. To the Captain and Captain-Lieutenant at Sea Benjamin van der Spek and David Hartig Commanding the ships Hoolwert and the Hoop assigned to the expedition against Selangor Valiant, Pious, We have received your letter of the 17th of May last with its enclosures. From the extract from the judicial vendue roll that we forward to you herewith, you will see that the rice, paddy, and pulut seized in the roads of Selangor and sent hither with the bark of Raja Machomit Ali, having been sold at public auction, have yielded a net sum of rds. 73. 37. –. These funds have been delivered to the Commander of the said bark to be handed over to you and distributed by you according to equity. What is furthermore delivered to you with that vessel will appear to you from the bill of lading drawn up for it and enclosed herewith. The dispatch of the galliot and cutter to the place where, according to the account of two Selangor refugees, vessels with rice were lying and from which the enemy was supplied with that grain at night by means of small proas, meets with our approval, although you do not write to us what orders the commanders of the said galliot and cutter had received. We do not doubt that these small craft, which were driven to the Bight of Perak by a heavy squall arising from the southwest during the night after their return, and, as it appears to us, before you had received a report of their operations, will have since returned to you without any damage, and that you will have taken the necessary measures to ruin the said rice vessels, if it can be done without prejudice to the blockade
Dutch transcription
449 was slaags geraakt, geattribueerd moeste worden het kwitzen van drie man, n het verlieden van eenige wapens doorhet onslaan van het gemelde praauw tje toen de vijand daar in gesprongen was, zoo willen wij de Gezaghebbers van Comps. kleine vaaertui„ „gen omstiglijk gewaar schuwd hbben, dat zij de manschappen die zij met hunne jollen of praauwtjes ter attaque van vijandelijke vaartuigen uitzenden de beste onderigting geeven van hetgene haar te doen staat, om zig niet weder roe„ „kelooselijk te waagen. De met de gemelde beerk ontvangen leedige leggers worden voor het grootste deel alzoo de overige nog niet digtgemaakt zijn, met drienkwater gevuld uwE. weder toegzonden, benevens de gerepereerde scheeps geweeren en kombuis gereedschappen, gelijk uwE ok van de geworderde benodigeheeden zoo veel bekomen, als wij hebben, kunnen voldoen. Terwijl wijons nopens de aanmerking van den opperchirurgijn van Reever bij zijnen overgezonden Eisch gedraagen aan het deezen bij gevoegde Rescript van onzen Castels operchirurgijn Werkh. De voor eenigen tijd als impotent opgezonden Corporaal van de inlandsche Mili„ „toiren keert met de voorscheven beerk terug, vorzeld van drie Gemeenen voor uwE. en de gallowet de Concordia, in plaatze van de herwaaarts overgekomen Zieken. 46 Van de gagie, welke hunne ginder zijnde makkersen de twee Europesche lilitei„ „ren te goed gehed hebben, s de verstrekking voor eene maand aam den Capitein Comman„ „dant van de Mlilite gedaan, om hun van kleederen te voorzien, die hun nu bezorgd en met het ovorgesloten geld zoodanig verdeeld moete worden, als UuwE. blijken zal bij de daar van opgemaakte Notitie. De Gestaghebber van de meerge„ „melde berk Joaquim Cardozo heeft beiden het geld om de kleederen in bestelling. „ De bij uwE aangehaalde rijst en padi kunnen uwE: aan den zelven Caarde zo op eene Reeijs afgeven, don nmaten ons berigten op welke datums de eenhalig gescheedi s. Wij moe„ Wij blijven na groete (onderstond/Uuw . Goedes tienden/Ggtekend:/ L : de Bruijn, A. Couperus, I. A. Hensel, F. Thierens, R. F: Hoijnck van Zapendrecht, . T. Wederhold, en E. G. Baurngarten /in margine / Malaca in het Casteel den 5. Meni 1786. Aan den Luitenant ter Zee Jan Hendrik Meijer Gezaghebor op de pantjallang de Philip„ „pine, kruissend af en aan de Straait Calang Goede Vriend Schoon de ongelukkige omkoming van den met een praauwje om te visschen van UwE. boord vertrokkenen Sergeent Abjakhar Barnabas, door UwE. mij bedeeld bij brief van den 25. April, aan zijne eigen onagt zaamheid te wijten is, alzoo hij zig nog aan uwE order om zig niet vre van de pantjallangs te begeeven, nog aan de weron„ „schuuwing van den door hem medegenomen soldaart, dat de in het praauwtje zijnde inlander en slaat een zworden toalen haden, gekreund heeft, bevel ik UwE egter aam niemand meerste te staen vor souisier te gan vaaren, dewijl men dor vijandelijke pauct jes ok zoude kunnen genomen en weggevoerd worden: Ondertusschen bekomt UwE. eenen anderen sergeant, benevens twee inlandsche soldaa„ „ten, met naame Tappa Bonghruet en Ismael, om bij UwE. beschieden te weezen, in plaatse van de twe waar op uwE aan Jonquim Cardo zo gezeg heeft gen goed o tehben dog het welk UwE. aan mij wel hadt mogen schrijven. De nalatenschap van gemelden Barnabas moet uw. in zijn keigt verzegeld ver e wanneer de particuliere bark van Raedtje Machomet Ali van Slangenoor retourneert. Ik blijf (onderstond/UuwE: Godevried/(Getekend/ P. G: de Bruijn (in marijne/ Malaa in het Causteel den 6. Mai 1786. Aan 421 Aan den Capitein en Capitein Luitenant ter Zee Benjamin van der Spek en David Hartig Commandeerende de tot de Expedike tegen slangenoor geschikte schepen Hoolwert en de Hoop Manhafte, Vroome, Wij hebben uwE. brief van den 17. Mei laastleden met dies bij langen ontvangen. Bij het Extract uit de Iustitieele Vendurol, dat wij uwE. hier nevens laaten toekomen, zullen uwE. zien, dat de op de reede van Slangenoor aange„ „haalde en met de beerk van Radja Machomit A: herwearts gezonden rijst, padi, en poelaet, bij publique vendutie verkogt weezende, zuiver afgewoopen hebben rds: 73. 37. –. Deeze penningen zijn den Gezaghebber van de gemelde berk ter handen gesteld, om aan uwE. overgegeven en door uw E. naar de bil„ „lijkheid uitgedeeld te worden. Wat uw E. daaren boven met dat vaartuig bezorgd wordt zal uwE. blijken uit het daar van opgemaakte en dezen bij gevoegde Cognossement. De depeche van de gallowet en kotter naar de plaats, daar, volgens het verhaal van twee Hangenoorsche vlugtelingen, vaartuigen met rijst lagen en van dewelken de vijand door middel van kleine praauwtjes bij nagt met dat graan geriefd wierdt, is van onze approbatie, hoewel uwE. ons niet schrijven wat last de Gezaghebbers van de gemelde galleroet en kotter gehad hebben. Wij twijfelen niet of deeze kieltjes, die 's nagts na hunne wederke„ „ring, en, zoo als het ons toescheijnt, voor dat uwE. rapport van hunne ver„ „rigtingen hadden, door eene uit het Zuidwesten opgekomen Zwaare bui naar de bogt van Pera gedreven zijn zullen sedert zonder eenige schade bij uwE. wee„ „zen gereverteerd, en uwE. de noodige maatregelen genomen hebben om de gemelde rijstvaartuigen te tuineeren, indien het zonder prejudicie van de insluiting lacon
English
blockade of Slangenoor could have taken place. Regarding the arrogant answer of the chief surgeon of Reven to the report of our Castle chief surgeon Werth recently sent to your honor, we shall express our opinion after the return of the ship Hoolwerf, which we intend to have replaced shortly by the ship Java. Meanwhile, we wish your honor and your subordinates continued prosperity and remain, subscribed, your honor's Good Friends, signed, P. G. de Bruijn, J. A. Hensel, P. Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht, H. I. Wiederhold, and C. G. Baumgarten, in the margin, Malacca in the Castle, the 10th of June 1786. To the Lieutenant at Sea Jan Hendrik Meijer Commander on the penjajap the Philippine, cruising to and fro in the Strait of Calang. Good Friend, I have received your honor's letter of the 20th of May last, and am satisfied with your honor's defense against the unfounded complaint regarding the vessels destined for Slangenoor having been detained by your honor. The penjajap Banca coming over to your honor is suitable to replace the penjajap Bliton; however, it must remain with your honor until it is summoned to the roadstead of Slangenoor to receive a new mast, which I shall send thither with the ship Java. I remain, subscribed, your honor's Good Friend, signed, P. G. de Bruijn, in the margin, Malacca in the Castle, the 10th of June 1786. To the Captain and Captain-Lieutenant at Sea Benjamin van der Spek and David Hartig, commanding the ships Hoolwerf and de Hoop appointed for the Expedition against Slangenoor. Valiant, Pious, The bark de Standvastigheid has brought us your honor's writing of the 12th of this month. We are pleased with the contents of the letter written by your honor to Radja Brima, and consider the answer received thereto as communicated. Regarding the actions of Lieutenant Reedeker, we shall explain ourselves further. What your honor requested, both for yourself and for the galley de Concordia and the lighter de Vos, and which we deemed absolutely necessary, is to be supplied with the ship Java. In the meantime, your honor receives with the cutter de Onderneemer, which returns having been provided with a new mast, ten leagers of drinking water. After greetings we remain, subscribed, your honor's Good Friends, signed, P. G. de Bruijn, A. Couperus, J. A. Hensel, P. Thierens, R. B. Hoynck van Papendrecht, H. I. Wiederhold, and C. G. Baumgarten, in the margin, Malacca in the Castle, the 24th of June 1786. To the same as above. Valiant, Pious, The Honorable Chief Administrator Abrahamus Couperus, who is departing with the ship Java for Slangenoor, has been appointed Commander of the Company's War Squadron. We therefore order Captain van der Spek, upon His Honor's arrival at the roadstead over there, to lower the broad pennant that waves from the ship Hoolwerff, and to salute His Honor with thirteen cannon shots, as well as subsequently to present himself on board with His Honor, in order to hand over to His Honor the Instructions and other papers that the said Captain van der Spek received from us. After greetings we remain, subscribed, your honor's Good Friends, signed, P. G. de Bruijn, J. A. Hensel, P. Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht, H. I. Wiederhold, and C. G. Baumgarten, in the margin, Malacca in the Castle, the 29th of June 1786. To the Lieutenant at Sea Jan Hendrik Meijer Commander on the penjajap the Philippine, cruising to and fro in the Strait of Calang. Good Friend, I command your honor to join, with the penjajap the Philippine, Bliton, and Banca, the War Squadron that is now departing for Slangenoor, and to follow the orders that will be given to your honor by the Honorable Couperus, Commander of that Squadron. On the ship Java there is an anchor with a rope for the Philippine, which your honor can receive. I remain, subscribed, your honor's Good Friend, signed, P. G. de Bruijn, in the margin, Malacca in the Castle, the 29th of June 1786. Instructions for the Honorable Abrahamus Couperus, Senior Merchant and Chief Administrator of this Government, to serve for his guidance in the Expedition to Slangenoor. Valiant, Prudent, Discreet, The Noble High Indian Government having made known to the undersigned Governor, by honored separate letter of the 22nd of May last, Their High's expectation that matters with Slangenoor would have already been settled to a good end through mutual indulgence, or that peace with Radja Brima, who has occupied that Realm, would yet be concluded on more reasonable and moderate conditions than we had proposed to him; and in deliberation on this subject at our session of the 13th of this month having taken into consideration that, whereas the apparent unwillingness of the said Prince to openly acknowledge the right and supreme authority of the Dutch East India Company over Slangenoor has compelled us to break off the peace negotiations commenced with him, if we now, either by a letter or by an emissary, were to have a request made to him to reopen the same, that not only to dishonor or contempt
Dutch transcription
insluijting van Slangeroor heeft kunnen geschieden. Omtrent het laatdunkend antwoord van den opperchirurgijn van Reven op het uwE. onlangs toege zonden Berigt van onzen Calsteels opperchi„ „rurgijn Werth zullen wij ons verklaaren na de wederkomste van het schip Hoolwerf, dat wij eerstdaags door het schip Java denken te laaten vervengen Wij wenschen inmiddlens uwE: en haaren onderhoorigen een bestendig welken en blijven /onderstond/ uwE Goede Vrienden /Getekend/ L. G. de Bruijn, - . - - . . . . J. A. Hensel, P. Thierens, R. B. Hoijnck van Rependrecht, H. I. Wiederhold en C. G. Baumgerten / in margine/ Malacca in het Casteel den 10. Juni 1736. Aan den Luitenant ter Zee Jan Hendrik Meijer Gezaghebber op de pantijellaing de Philippine, kruissende af en aan de straat Calang Goede Vriend Jk heb uwE. brief van den 20. Mai laastleden ontvangen, en ben voldaan met uwE. verdeediging tegen de ongegronde aan klaijte van de naar slange noor gedestineerde vaartuigen bij uwE. te hebben opgehouden. De tot uwE. overkomende pantjallang Banca is geschikt om de pantjal„ „lang Bliton te vervangen; dog zij moet egter bij uw E. blijven tot dat zij naar de reede van slangenoor ontboden wordt om er eene nieuwe mast te krijgen die ik met het schip Iava derwaarts zal zenden! Ik 123 Ik blij /onderstond:/ uwE. Goede Vriend (getekend/ P. G. de Bruijn. /in margine/ Malacca in het Casteel den 10. Iuni 1786. Aan den Capiten en Capitein Luitenant ter Zee Benjamin van der Spek en David Hartig, „ commandeerende de tot de Expeditie tegen Slangenoor geschikte schepen Hoolwerf en de Hoop Manhafte, Vroome De bark de Standvastigheid heeft ons aangebragt UwE schrijvens van den 12. deezer. Wij neemen genoegen met den inhoud des briefs, door uw E: aan Radja Brima geschreven, en houden voor gecommuniceerd het daar op ontvangen antwoord. Omtrent de verrigtingen van den Luitenant Reedeker zullen wi ons nader verklaaren. Wat uwE. , zoo voor zig zelfs, als voor de gallowet de Con„ „cordia en ligter de Vos, gevraagd en wij absolut noodig geagt hebben, staat met het schip Iava voldaan te worden. Ondertusschen bekomen uwE met de kotter de Onder„ „neemer, die van eene nieuwe mast voorzien zynde te rugkeerd, tien leggers met drinnwater. Wij blyven na groete /onderstond/ uwE zoede Vrienden ƒ /getekend) P. P. de Bruyn, A.:s souperus, I. A. Hensel, F. Thie„ „rens, R. B. Hoynck van Papendrecht, H. I. Wiederhold en C: G: Baumgarten (in margine) Malacca in het Casteel den 24. Iuni 1786. Aan als even Mhanhafte, Vroome, De E. Hoofdadministrateur Abrahamus Couperus, die met het schip Iava naar Plangenoor vertrekt, is tot Comman„ „dant .. 3 „dant van Comps. Oorlogs esquader aangesteld. Wij gelast en derhalven Capitein van der Spek om bij zijn Eds. aankomste ter reede ginder de Stander neer te haalen die van het schip t Coolwerff waart, en zyn Ed. met dertien canonschoten te salueeren, mitsgaders zig vervolgens bij zijn Ed. aan boord te vervoegen, ten einde aan zyn Ed: over te geeven de Instructie en andere papieren, die de gemelde Cepi „tein van der Sper van ons ontvangen heeft. Wij blijven na groete /onderstond/ UwE. Goede Vrienden (getekend/ P. G. de Bruijn, I. A. Hensel, T Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht, H. I. Wiederhold en C. G. Baungorten /in margine) Malacca in het Casteel den 29. Iuni 1786. Aan den Luitenant ter Zee Jan Hendrik Meijer Gezaghebber op de pantjallang de Philippine, kreissende af en aan de straat Calang Loede Vriend, Ik beveel uwE. om met de pantjallang de Philipine, Bliton, en Banca zig te voegen bij het Oorlogs-esquader, dat nu naar Plangenoor vertrekt, en de orders op te volgen, die UwE door den E. Couperus, Commandant van dat Esquader, ge„ „geven zullen worden Op het schip Iava is een anker met een touw voor de Philippine, dat U E. kan ontvangen Ik blyf /onderstond/ Uw E. Goede Verend /(getekend/ P. G. de Bruijn /in margine/ Malacca in het Casteel den 29: Juni 1786. Instructie 425 Instructie voor den E. Abrahamus Couperus, Te. Opper„ „koopman en Hoofdadministrateur deezes Gouvernements, om te dienen tot deszelfs narigt in de Eepeditie naer Slaugenoor Manhafte, Voorzienige, Discreete, De Edele Hooge Indische Regeering bij geeerden aparten brief van den 22:' Mai laastleden aan den ondergeteken„ „den Gouverneur te kennen gegeven hebbende Hoog der„ „zelver verwagting, dat de zaaken met Slangenoor door wederzydsche toegevendheid reeds tot een goed eind zouden weezen geschekt, of dat de vrede met Radja Brima, die dat Ryn geoccupeerd heeft, op redelyker en modera„ „ter conditien, dan wij hem hadden voorgeslagen, als nog zoude worden getroffen; En bij deliberatie over dit sujet ter onzer sessie van den 13. hujus in consideratie genomen weezende dat, daar de beykbaare ongeneigd„ „heid van den gemelden Vorst, om het regt en de opper„ „magt van de Nederlandsche Oostindische Compagnie open over Plaugenoor te erkennen, ons genoodzaakt heeft om de met hem begonnen vredes -onderhandelingen af te breeven, indien wy nu, 't zy door eenen brief, off door eenen zendeling, aanzoek bij hem lieten doen om de„ „zelve weder te openen, dat niet alleen tot oneer of minag„ „tuig - E
English
advantage of the Company, but might also make him more unmanageable than he had been hitherto in granting us some interesting points, since he could easily understand that we would not seek peace in that manner if we had the power to force him into submission to the Company or the evacuation of Slangenoor: we have therefore, in order to comply with the intention and desire of the aforementioned High Government, but also at the same time to preserve as far as possible the recently and gloriously restored respect for the Company among the native Princes in this strait, deemed it necessary, for the resumption of the aforementioned peace negotiations, to make a demonstration respectable enough to expect success from it, and consequently resolved to dispatch as many European and native soldiers as we could possibly spare here, with the ship and the cutter Iava, the snow de Standvastigheid, the sloop de Iohanna, and the lighter de Haas to Slangenoor, where the ships Hoolwerff and de Hoop, together with the galley de Concordia, the lighter de Vos, and the cutter de Onderneemer, are blockading, to order Lieutenant at Sea Ian Hendrik Meijer to join them with the pantjallangs de Philippine, Bliton, and Banca cruising before the tin river of Calang, and to confer upon Your Honor the command over that entire Squadron, attaching to Your Honor as Secretary the former Provision Master Gerrit Leendert Velge, who is experienced in the Malay language and customs. We shall therefore hereby instruct Your Honor as to what Your Honor has to observe before, during, and after the conclusion of the peace with Slangenoor, as well as in some other respects. Upon Your Honor's arrival in the Strait of Calang, Your Honor should inquire into the disposition of the minds of the Calangese regarding the Company, in order that, upon obtaining sufficient certainty that they have already submitted to the Company, as we have been privately informed, proper use thereof may be made in the negotiations with Radja Brima, without however lingering in the said strait any longer than until Your Honor shall have spoken with Radja Abdullah, who has already departed thither, or with someone on his behalf. Having arrived at the roadstead of Slangenoor, Your Honor must, the sooner the better, have the ships Iava, Hoolwerff, and de Hoop warp in as close under the shore as can be done without the least danger, in order to be able to fire upon the fort Utrecht, and also have the remaining vessels stationed or maneuvered in such a manner as may give Radja Brima the impression that a landing will be undertaken there at one place or another. If Radja Brima then makes an application to Your Honor to reconcile himself with the Company, our objective of opening the negotiations with that Prince on a footing honorable to the Company will have been achieved; but otherwise Your Honor must endeavor to effect this by having the Ponghoeloe of Ginting, or some other Malay upon whom Your Honor can rely and whom Your Honor may take along from Calang for that purpose, point out to Radja Brima the danger to which he exposes himself, his family, and his subjects by awaiting the attack on the place, and that he cannot prevent it otherwise than by promptly making peace with the Company, promising at the same time to be of as much assistance to him therein as possible by virtue of the friendship that Your Honor previously maintained with him and his brother Radja Nella. We do not doubt that one of the said two expedients will persuade Radja Brima to send some persons on board to Your Honor in order to treat with Your Honor on the treaty points; to whom Your Honor must then not only declare that Your Honor has come to attack Slangenoor as an enemy if Radja Brima does not wish to avoid this in time by reconciling himself with the Company, but that we also, seeing him sincerely inclined to the latter, out of compassion for the inhabitants of Slangenoor, will relax or moderate some of the articles that were contained in the Draft Treaty sent to him, provided he will only consent to the rest. Of what these articles consist will appear to Your Honor from the new Draft of the Treaty, which is provided to Your Honor herewith. Your Honor must bring forward all persuasive arguments that Your Honor can devise to induce Radja Brima to accept the 1st article of the said Draft, containing the
Dutch transcription
„ting van de Compagnie zoude strekken, maer hem ook mogelyk on „handelbaarer maaken, dan hij tot hier toe geweest was, om ons eenige interessante punten in te willigen, dewijl hij ligtelyk zoude kunnen begrijpen, dat wij op die manier den vrede niet zouden betragten, indien wij de magt hadden van hem tot onda „werping aan de Compagnie of verlaasting van Slangenoor te dwingen: zoo hebben wij, om aen de intentie en het verlang van welgemelde Hooge Regeering te voldoen, dog ook teffens het onlangs glorieuselyk hersteld ontzag voor de Compagnie bij de inlandsche Vorsten in deeze straat zoo veel immers mogelyk te conserveeren, vermeend ter hervatting van de voorschreven vredes-negotiatien eene vertooning te moeten maaken, respectabel genoeg om 'er vrugt van te verwagten, en overzulks besloten zoo veel Europesche en inlandsche M „litairen, als wij hier immers missen konden, met het schip en de kotter Iava, de snauw de Standvastigheid, de sloep de Iohanna, en den ligter de Haas naar Slangenoor, daar de schepen Hoolwerff en de Hoop, benevens de gallo „wet de Concordia, den ligter de Vos, en de kotter de Onderneemer, in bloquade leggen, te expedieeren, den £ Luitenant ter Zee Ian Hendrik Meijer last te geeven om zig met de voor de tinrivier van Calang kruissende pantjallangs de Philippine, Bliton, en Banca, daar bij te voegen, en ruwEd. het commandement over dat voe geheele Esuader op te draagen, onder toefging tot UwEd. Secretaris van den in de Maleitsche taale en gewoon„ „ten ervaarenen Oud Dispensier Gerrit Leendert Velge Wij zullen uwEd. derhalven by deezen instrueeren van het gene Uw Ed. voor, onder, en na het sluiten van dan vrede met Slangenoor, gelyk ook in eenige andere op „zegten 424 „zigten, te observeeren heeft. Bij Uw Ed. aankomst in de straat Calang dient uwEd. zig te informeeren na de gesteldheid der gemoederen van de Calangers omtrent de Compagnie, ten einde bij erlanging van genoegzaame zekerheid, dat zy zig be„ „reeds aan de Compagnie onderworpen hebben, gelyk ons particulier berigt is, daar van het noodig gebruik te maaken in de onderhandelingen met Radja Brima, zonder zig nogtans in de gemelde straat langer op te houden, dan tot dat uwEd. den bereeds naar derwaarts vertrokkenen Radja Abdullah of iemand van Zij„ „nentwegen gesproken zal hebben. Op de reede van Slangenoor gearriveerd zynde, moet uw Ed. , hoe eer, hoe liever, de schepen Iava, Hoolwerf en de Hoop, zoo digt onder de wal laasten opkorten, als zonder het minste gevaar geschieden kan, om het fort Utrecht te kunnen beschieten, en de overige vaartuigen ook zoodanig posteeren of manoeuvereeren laaten, als Radja Brina in het denk„ „beeld kan brengen, dan men daar op de een off andere plaats eene landing zal onderneemen. Laat Radja Brima dan aanzoen bij ueEd. doen; om zig met de Compagnie te verzoenen, zoo is ons oogmerk, om de onderhandelingen met dien Vorst op eenen voor de Compagnie honorabelen voet te openen, bereikt, dog anders moet uwEd. dit poogen uit te werken met door den Ponghoeloe van Ginting, of eenigen anderen maleijer, daar UwEd. staat op maaken, en dien uwEd. tot tot dat einde van Calang medeneemen kan; aan Radja Brima te laaten voorhouden het gevaar, waar aan hij zig, zyn huisgezin, en zyne onderdaanen blootstelt met de attaque van de plaats af te wagten, en dat hij het „zelve niet anders verhoaden kan, als door zig spoedig met de Compagnie te bevredigen, onder belofte teffens van hem daar in zoo veel mogelik behulpig te zullen zyn uit hoofde van de vriendschap, die uwEd. bevoorens met hem en zynen broeder Radja Nella onderhouden Wy twyfelen niet of een van de gemelde twee expedienten zal Radja Brima overhaalen om eenige persoonen bij uwEd„ aan boord te zenden, ten einde met uwEd. over de verdrags- punten te handelen; aan dewelken uwEd. dan niet alleen verklaaren moet, dat uwEd- gekomen is om Plangenoor vijandelyk aan te vallen, indien Radja Brima zulks niet tydig wilde eviteeren door zig met de Compagnie te ver„ „zoenen, maar dat wij ook, hem tot het laaste opregte „lyp geneigd ziende; ii't medelyden tegen de Slangenoop„ „sche ingezetenen, eenigen van de artikelen zullen lacheeren of modereeren, die in het hem toegezonden Ontwerp van het Tractaat vervat waren, zoo hy maer in de overigen wilde toestemmen. Waar in deeze artikelen bestaan zal uwEd. blyken bij het nieuw Ontwerp van het Trectaat, dat UwEd hier nevens wordt medegegeven. Alle drangredenen, die uw Ed. bedenken kan, moet wEd. bijbrengen om Radja Brina te beweegen ter aanneeminge ste van het 1.:te artikel des gemelden Ontwerps, inhoudende de heeft.
English
the acknowledgment of the Company's ownership of and supremacy over Slaugenoor, and that he will possess and administer that kingdom as a fief of the Company; however, if Your Honour cannot succeed in this, Your Honour may let that article drop, and then needs not speak of the 2nd, 4th, and 19th either, which rest upon it, but must leave out these three articles from the Treaty just like the first, and accordingly make the necessary alterations wherever the word of Fief, Vassal, or Vassalage occurs. On the restitution of the Company's effects, which upon the departure of the Garrisons were left behind at their Fortresses at Slangenoor and are specified in the Memorandum drawn up thereof, which Your Honour receives along, Your Honour must strongly insist, in particular on the restitution of the cannons and other munitions of war, letting Radja Brima retain as little thereof as it will possibly be feasible for Your Honour to stipulate, and alter the 6th article of the Treaty in accordance with the agreement made in that regard; however, finding him entirely unwilling to comply with our demand in any part, Your Honour must at least endeavour to obtain a reasonable compensation, either for the said effects or for the war expenses, which Your Honour must estimate at 20000. –. Sp: reals, and, also not being able to make progress in this, leave out the 8th as well as the 6th article from the Treaty. Against the 12th and 13th articles, according to which no foreign Europeans, nor Chinese junks, will be admitted to trade at Slangenoor, and the tin will be delivered to the Company alone, we think that Radja Brima will oppose nothing, as he has already shown himself inclined to grant us that, and we therefore only note that without these two articles the peace cannot be concluded. Regarding the 21st article, Your Honour will certainly encounter more resistance if the 1st article is not granted to us. But Your Honour must make Radja Brima understand that Calang with its villages formerly constituted a separate Regency, dependent on the King of Iohor and Pahan, but not of Slangenoor; that the father of Radja Berma indeed since appropriated Calang and regarded it as property of the crown on account of the Regent's inability to oppose it, but that this could not deprive Radja Toea, now First Councillor of the Realm at Riouw, and his legitimate descendants, of their right and claim to that district, if it still belonged under Slangenoor; that the Company, on the other hand, through the conquest of the Kingdom of Zoher and Pahan as well as that of Slangenoor, when Calang stood under the same, or rather through the voluntary submission afterwards of the Calangers to the Company, has acquired more right to that district than Radja Brima ever had; that the Company is therefore authorized to dispose of the same as it pleases. However, if Radja Brima will not hear of the cession of Calang, Your Honour may let him retain the same, provided he is persuaded to let that district be governed by Radja Abdullah and his legitimate descendants, against the payment to the King of Slaagenoor of a reasonable Tribute; and then the 21st article could thus be altered: "Finally, as regards the district of Calang with the villages belonging under it, Radja Ibrahim and the grandees of the realm of Slaugenoor bind themselves hereby to leave the administration and governance of the same undisturbed to Radja Abdullah, son of the First Councillor of the Realm at Riouw Radja Toea, and his legitimate descendants, provided paying as tribute to the King of Slangenoir one Sp: real for every bahar of tin exported from there, or what else shall be deemed reasonable." While Your Honour, in order to prevent all disputes in that regard, prior to Your Honour's departure from the straits of Calang to Slaugenoor, must confer with Radja Abdullah what tribute he could pay in the said case, if he considers that the payment of one Sp: real for each bahar of tin is too much, so as to make the limitation on that matter in the repeatedly mentioned 21st article of the Treaty to the satisfaction of him as well as of Radja Brema. The treaty articles being regulated in the manner prescribed above, Your Honour must without delay have the Treaty written out in triplicate in the Dutch and Malay languages, to act therewith as the conclusion of the Draft indicates, and after its signing and sealing
Dutch transcription
9 429 de erkentenisse van Comps. eigendom aan en oppermagt over Slaugenoor, en dat hij dat Koningryn als een Loen van de Com„ „pagnie zal bezitten en beheeren; dog, indien uw Ed. daar niet in slagen kan, mag uwEd. dat articul laaten slippen, en behoeft dan ook van het 2.de, 4.de, en 19. de, die daar op rusten, niet te spreeken, maar moet dezelve dere arti„ „culen even als het eerste bij het Tractaat uit laaten, en dienvolgens overal, daar het woord van Leen aft, Leenman, of Leenmanschap voorkomt, de noodige verandering maa„ „ken. O de restitutie van Comps. effecten, die bij het vertrek der Bezettelingen van haare Fortressen te Slangenoor agtergelaten en gespecificeerd zyn bij de daar van opge„ „maakte Memorie, die uw Ed. medekrygt, moet uwEd. sterk aandrungen, inzonderheid op de restitutie van de canons en andere oorlogs-munitien, laatende Radja Brima zoo weinig daar van behouden, als het uw Ed. im„ „mers mogelik zal zyn te bedingen, en naar de overeen„ „komste dientwegen het 6de articul van het Tractaat veranderen; dog, hem volstrekt onwillig bevindende om aan onzen eisch in eenigen deele te voldoen, moet uw Ed. ten minsten eene billyke vergoeding tragten te verkrijgen, 't zy van de gemelde effecten, dan wel van de oordogs-onkosten, die uw Ed. op 20000. –. Sp: reaalen begrooten moet, en, hier in ook niet kunnende vorderen, zoo wel het 8:te als het 6:de articul bij het Tractaat uitlaaten. Tegen het 12de en 13. e articul, volgens dewelke geene vreemde Europeers, nog Chinasche jonnen, ten handel op Olangenoor Slangenoor zullen geadmitteerd; en het tin aan de Compagnie alleen geleverd worden, denken wij dat Radja Brina niets zal opponeeren, dewijl hij zig reeds genegen betoond heeft om ons dat in te willigen, en merken daarom maar alleen aan, dat zonder deeze twee articulen de vrede niet kan gesloten worden: Omtrent het 21. ste articul zal uwEd. zekerlyk meer te„ „genstands ontmoeten, wanneer ons het 1:ste articul niet wordt toegestaan. Maar UwEd. moet Radja Brima doen begrypen, dat Calang met dies negoryen bevoorens een afzonderlijk Regentschap heeft uitgemaakt, dependent van den Koning van Iohor en Pahan, dog niet van Slangenoor; dat de vader van Radja Berma zig wel sedert Calang genaast, en als een eigendom van de kroon aangemerkt heeft, uit hoofde van des Regents onmagt om zig daar tegen te stellen, dog dat dit aan Radja Toed, nu Eersten Rynsraad op Riouw, en zijne wettige descendenten, hun regt en aanspraak op det land. „schap niet kon beneemen, indien het nog onder Slangenoo„ behoorde; dat de Compagnie daarentegen door de overwinning van het Koningrik van Zoher en Pahan zoo wel, als van dat van Slangenoor, toen Calang onder hetzelve stondt, of liever door de vrijwillige onderwerping naderhand van de Calangers aan de Compagnie, meer regts op dat landschap heeft verkregen, dan Radja Brima oort gehad heeft; dat de Compagnie over zulks bevoegd is om van hetzelve naar welgevallen te disponeeren. Egter mag UwEd. , zoo Radja Brima van den afstand van Calang niet wil hooren, hem 34 4 431 hem hetzelve laaten behouden, mits hem persuadeerende om dat landschap door Radja Abdullah en zyne wettige descendenten te laaten besteeren, onder opbrenging aan den Koning van Slaagenoor van zever billyk Vri„ „but; En dan zoude het 21:te articul dus kunnen worden veranderd. Wat eindelyk het landschap Calang met de daar „ onder behoorende negorijen betrefft, Radja Ibrahim „ en de Rijnsgrooten van Slaugenoor verbinden zig bij deezen, om de beheeringen bestiering van het zelve ongestoord te laaten aan Radja Abdullah, zoon van d Eersten den „ Riksraad op Riouw Radja Toea, en zijne wettige descendenten, mits voor tribut aan den Koning van Slangenoir opbrengende een Ppo: reaal voor elke baek tins, die van daar wordt uitgevoerd. Of het gene anders redelyk geagt zal worden. Terwyl Uw Ed. , om alle verschillen daar omtrent te pre„ „venieeren, voor UwEd. vertrek uit de straat van Calang naar Slaugenoor, met Radja Abdullar moet overleggen wat hij in het gezegde geval voor tribut zoude kunnen op„ „brengen, indien hy vermeent dat de betaaling van een p: reaal voor eeke baar tins te veel is? ten einde met ge„ „noegen van hem zoo wel als van Radja Brema de limitatie op dat stux in het meergemelde 21. tme articul van het Tractaat te maaken. De verdrags-punten invoegen voorschreven gereguleerd zynde, moett uwEd. zonder verwijl het Tractaat Drievoudig laaten uitschrijven in de Nederduitsche en Maleitsche taale, om er zoodanig mede te handelen, als het slot bij het Ontwerp aanwyst, en na dies ondertekending en bezegeling
English
ratification, return hither with all the ships, vessels, and men. Some Selangor refugees have related here that Raja Brima now had little more than three hundred men with him, mostly Achinese, as the rest had died or deserted; that among the said men there were many who had already declared that they would abandon Raja Brima when the Company's military force appeared there to attack the place, being discontented with the lack of food and the heavy labor imposed upon them; that Raja Brima allowed no one armed to come to him in Fort Altingsburg, surely out of fear of being killed. If this is true, it might easily happen that Raja Brima, seeing the Company's ships and vessels make maneuvers to attack the place, will take flight with all who are with him. We therefore command Your Honor, when Your Honor is informed with sufficient certainty that he has left the place, to take possession of the same immediately for the Company, to have the cannons, ammunition, and whatever else is found transferred to the ships, to have the fortresses and batteries leveled, to have a post or pillar erected in a suitable place with the arms of the Company as proof of its ownership, and to return from there without leaving anything more behind on Selangor. Upon Your Honor's return, Your Honor must, with the ship and the cutter Java, as well as one or two small vessels, letting the others continue their voyage, remain in the Strait of Kelang until Your Honor shall have informed Raja Abdullah of the stipulation regarding him in the Treaty with Selangor, or of the flight of Raja Brima, in order to conduct himself accordingly until our further disposition. Besides 3000. –. Spanish reals, destined for the purchase of tin, we also give Your Honor two chests of opium, weighing gross 196. –. and 203. –. lb., to be sold, as well as the rice loaded in the snow De Standvastigheid and the sloop De Johanna, to the quantity of more or less 45000. –. lb., to those who desire it, either for cash payment or in exchange for tin, the chest of opium at 375. –. and the koyan of rice at 75. –. Spanish reals. Regarding all events of which we have not thought and have thus not instructed Your Honor, we give Your Honor full authority to proceed, with the advice of the Captains, Captain-Lieutenants at sea, Lieutenant Anthonij Stecher appointed as Commander of the Troops, the other Military Officers, and the Secretary Velge, as shall be judged to serve the promotion of the Company's interest; while for Your Honor's information we hereby note that we have assigned the said Stecher and Velge, during the Expedition, the rank between the Captain-Lieutenants and Lieutenants at sea. We wish Your Honor a prosperous outward and return voyage, together with Heaven's blessing upon Your Honor's actions, remaining very gladly, /underwritten/ Your Honor's Good Friends /:signed) P. G. de Bruijn, J. M. Hensel, F. Theerens, R. B. H. van Papendrecht, H. I. Wiederholt, C. G. Baumgarten /in the margin/ Malacca in the Castle the 29. June 1786. Credential. Credential. In case Raja Ibrahim and the Grandees of the Realm of Selangor, whither a considerable military force is now being sent, prefer peace rather than war, we, the Governor and Council, hereby give the Honorable Abrahamus Couperus, First Senior Merchant, Chief Administrator at Malacca, and Commander of the said military force, full charge and power, upon approval of Their High Mightinesses, the Governor-General and the Council of the Netherlands Indies at Batavia, to conclude such a Contract on behalf of the Dutch East India Company with Raja Ibrahim and the Grandees of the Realm at Selangor, as shall be possible to mutual satisfaction and security. Done in the Fortress of Malacca the 29. June 1786. /signed/ P. G. de Bruijn /in the margin/ Company's seal pressed in red wax (underneath/ By order of the Honorable Governor and the Council /signed/ C. G. Baumgarten Sec.s Treaty of Peace, Friendship, and Alliance, subject to the approval of Their High Mightinesses, the Governor-General and the Council of the Netherlands Indies at Batavia, entered into and concluded by Mr. Abrahamus Couperus, First Senior Merchant and Chief Administrator at Malacca, and Plenipotentiary on behalf of the Dutch East India Company, of the one part, And Whereas the illustrious Prince Raja Ibrahim, with his armed bands, on the night between the 27. and 28. June 1785, attacked the Company's fort Altingsburg built on the hill at Selangor, and, after the garrison of the same, as well as those of Fort Utrecht and the Van Braam battery, the following evening, without necessity, in an unauthorized and irresponsible manner, had departed from there, having put himself in possession of those strongholds and all the artillery ammunition and other goods left behind therein, has made to the Right Honorable Governor and his Council at Malacca the most powerful assurance of wishing to live with the Dutch East India Company no longer in estrangement, but just like his late Lord Father in the most sincere friendship, And whereas the said Company, notwithstanding it has the power to take revenge for the aforementioned hostile steps of Raja Ibrahim, yet moved with compassion for the disasters and miseries which the inhabitants of Selangor have already experienced, also wished to cause the same, along with the shedding of human blood, to cease: thus it is that Mr. Abrahamus Couperus, as thereto authorized by the Right Honorable Pieter Gerardus de Bruijn, Governor and Director, on the other part, The Illustrious Prince Raja Ibrahim, together with the Grandees of the Realm at Selangor, namely to
Dutch transcription
bezegeling met alle de schepen, vaartuigen, en manschappen herwaarts wederkeeren. Eenige Slangenoorsche vlugtelingen hebben hier verhaald, dat Radja Brina nu weinig meer dan drie honderd man bij zig hadt, meest Atchieners, alzoo de overigen, afgesturven off verlopen waren; dat onder de gemelde manschappen zig veelen bevonden, die reeds gedeclareerd hadden Radja Brima te zullen verlaten, wanneer Comps. krijgsmagt daar verscheen om de plaats te attaqueeren, als misnoegd zynde over het gebrek aan voedzel, en den zwaren ar„ „beid, die hun wierdt opgelegd; dat Radja Brima nie„ „mand gewapend bij zig in het fort Altingsburg leet komen, uit bedugting zeverlyk van omgebragt te worden, By aldien ditwaar is, zoude het ligtelyk kunnen gebeuren, dat Radja Brima, ziende Comps. schepen en vaartuigen manoeuvrees maaken van de plaats aan te vallen, de vlugt namen met allen, die bij hem zyn. Wy beveelen uwEd. der„ „halven, wanneer Uw Ed. met genoegzaame zekerheid on„ „derzigt is dat hy de plaats verlaaten heeft, dezelve di„ „rect voor de Compagnie in bezit te neemen, de canons, amunitie, en wat 'er meer gevonden wordt, naar de schepen te laaten overbrengen, de fortressen en batteryen te laaten rasseeren, op eene bekwame plaats een paal of pilaar te laaten oprigten met het wapen van de Com„ „pagnie tot een bewijs van haar eigendom, en zonder op Slangenoor iets meer agter te laaten van daar te verkeeren Op uwEd: retour moet UwEd: met het schip en de kotter Iava, mitsgaders nog een of twee kleine vaartuigen, de overigen 133 overigen hunne reize laatende vervolgen, in de Mraast Calang vertoeven, tot dat Uw Ed: Radja Abdullah van het beding ten zynen opzigte bij het Tractaat met Slaugenoor, of van de vlugt van Radja Brima, gein„ „formeerd zal hebben, om zig daar naar te regelen tot onze nadere dispositie. Behalven 3000. –. sp: reaalen, geschint tot den inkoop van tin, geeven wij luold- nog mede twee kassen amfioen, weegende brutto 196. –. en 203. –: lb. , om zoo wel als de rijst, welke in de snauw de Standvastigheid en sloep de Johanna geladen is, ter quantiteit van min of meer 45000. –. lb., aan dieze begeeren, 't zij voor contante betaaling of in ruiling van 'tin, verkogt te worden, de kas amshoen tegen 375. –. en de koijang rijst tegen 75. –. sp: reaalen. Omtrent alle evennementen op dewelken wij niet gedagt en uw Ed. overzulks ook niet onderrigt hebben„ geeven wij UwEd. volkomen qualificatie, om met advies van de Capiteins, Capitein Luitenants ter zee, den tot Commandant der Troupes aangestelden Luitenant Anthonij Stecher, de overige Militaire Officieren, en den secretaris Velge, zoodanig te werk te gaan, als men oordeelen zal tot bevordering van het belang der Compagnie te kunnen strekken; terwijl wij tot uwEd na „zigt by deezen noteeren, dat wij den gemelden stecher en Velge geduurende de Expedittie den rang toegevoegd hebben, tusschen de Capittein Luitenants en Luitenants ter zee. Wij wenschen UwEd. eene gelunkige heen - en weder-reize, mitsgaders 's Hemelszegen over Uw Ed. verrigten, blyvende zeer gaarne /onderstond/ uw Ed. Goede Vrienden /:getekend) P. G. de Bruijn J. M. Hensel F. Theerens, R. B. H. van Papendrecht H. I. Wiederholde, C. G. Baumgar „ten /in margine/ Malacca in het Casteel den 29. Iuni 1786 Credentiaal d Credentiaal. Bij aldien Radja Irazem en de Rynsgrooten van Slaugenoor, werwaarts taas eene aanzienlyke krygs„ „magt gezonden wordt; den vrede liever dan den oorlog verkiezen, geeven wij Gouverneur en Raaden den E. Abra „hamus Couperus, PE. Opperkoopman, Hoofdadministra „teur te Malacca, en Commandant van de gemelde kryjgsmagt, bij deezen vollen last en magt, om op ap „probatie van Hunne Hoog-Edelheden, den Gouverneur ^„ Nederlands Generaal en de Raaden van „ Indie te Batavia, zoodanig een Contract van wegen de Nederlandsche Oostindische Compagnie mett Radja Ibrahim en de Ryksgrooten te Slangenoor te sluiten, als tot onderlung genoegen en zekerheid zal kunnen geschieden. Actum in de Fortresse Malacca den 29. Iuni 1786 /getekend/ P=: G. de Bruin /in margine/ Comps. zegel ge„ „drukt in rood lak (daar onder/ Ter ordonnancie van den Edelen Heer Gouverneur en den Raad /getekend/ G. Baumgarten Pec. s E Tractaat van Vrede, Vriend- en Bondgenootschap, op appro „batie van Hunne Hoog-Edelheden, den Gouverneur Generaal en de Raaden van Nederlands Indie te Batavia, aangegaan en gesloten door den Heer Abrahamus Couperus, Pe. Opperkoop „man en Hoofdadministrateur te Malacca; mitsgaders Gevolmagtig „de van wegen de Nederlandsche Oost„ „indische Compagnie, ter eene 135 En Nademaal de doorlugtige Vorst Radja Abrahim met zyne krijgsbenden 'snagts tusschen den 27. en 28. Iuni 1785 het op den berg te Plangenoor aangelegd Comps. fort Altingsburg geattaqueerd, en, na dat de Bezettelingen van hetzelve, gelyk ook die van het fort Utrecht, en de batte„ „rij van Braam, den volgenden avond, buiten noodzaakelik„ „heid, op eene ongequalificeerde en onverantwoordelijke wijze, van daar vertrokken waren, zig in het bezit van die sterkten en alle daar in agtergelaten artillerij-amunitie en andere goederen gesteld hebbende, aan den Wel-Edelen Gestrengen Heer Gouverneur en zyjne Raaden te Malacca heeft laaten doen de allerkragtigste verzekering van met de Nederlandsche Oostindische Compagnie met langer in verzogdering, maar even als zynen overledenen Heer Vader in de opregtste vriendschap te willen leeven, En nademaal de gemelde Compagnie, niet tegenstaande zy de magt heeft om over de voorschreven vijandelyke de„ „marches van Radja Ibrahim wraak te neemen, egter met medogen aangedaan over de rampen en ellenden, die de ingezetenen van Plangenoor reeds beproefd hebben, ook wenschtte dezelve, benevens het vergieten van menschen — bloed, te doen cesseeren: zoo is 't dat de Heer Abraha„ „mus Couperus, als daar toe door den Wel-Edelen Gestrengen: Heer Pieter Gerardus de Bruyn, Gouverneur en Directeur ter aadere zijde. Den Doorlugtigen Vorst Radja Ibrahim, benevens de Rynsgrooten te Slangenoor, met naame te