Inventory 9566
Bengal · 936 pages · 147 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
52 3 25 have received to procure for us, the French having drawn only 13000 until now. Although this affair, in my opinion, now that Mr. Vereelst fails to keep his word, might in the future well be handled regarding the opium trade through the Council and by ordinary letters, I shall nevertheless await their High Noble Lordships' pleasure regarding this matter, to whom, in response to the reflection proposed in the secret dispatch as to whether an arrangement could not be made with the British to deliver our portion of saltpetre at Hoegli, and to allow them so much on it as to enable them to come out well enough, and the Company likewise find its account, I have the honor to report that such, according to my understanding, is not advisable. I submit myself, however, to the wise judgment of Your High Noble Lordships, but it appears to me that it would be a means of divesting ourselves more and more of our ancient privileges and prerogatives, to maintain which I would much sooner be of the opinion that that one ought not even to refrain from purchasing from private individuals and also ought to make a trial to collect something for the Company in the district of Poerania and other places outside Behaar from where the private English have the saltpetre fetched, since I cannot imagine that the Calcutta Ministry would pretend that their private traders had more privilege in this matter than our Company. I hope in the coming year to be able to elucidate further to Your High Noble Lordships regarding this last point and have in the meantime the honor to be with all conceivable high esteem, lower down: High Noble, widely ruling Sirs, lower: Your High Noble Lordships' humble and very obedient servant, signed: P. L. Vernet, in the margin: Hoegli, 11 January 1768. Agrees No. 3. Copy Secret Resolutions from 14 October to the last of December 1761. 561 deliberation on the received secret letter from their High Noble Lordships Friday the 14th of October Anno 1761 in the morning, absent the merchant and trade bookkeeper Rossmits due to indisposition. The matters circumstantially mentioned in today's public resolution having been dealt with, and upon the proposal of the Director proceeding now also to the deliberation on the esteemed secret rescript of the High Indian Government in response to the letters sent from here on 22 August 1766 and 31 January and 1 March of this year, dated 21 July past, it was initially, concerning the pleasure expressed by Their High Noble Lordships over the promise mentioned in our letters and obtained from Lord Clive regarding our privileges and the improvement of our affairs, in expectation that his successors will uphold the promise made by him, both with respect to the enlargement of our terrain, and regarding their other matters which Their High Noble Lordships remark upon; as already having reached their their conclusion, spoken about the poor success of all our efforts to bring those matters about in a manner advantageous to the Honorable Company, and understood, concerning the first, to report that the same, or the enlargement of our territory, has failed to occur because the previous Faujdar was dismissed at the time this matter was to reach its conclusion, and another was placed in his post, from whom one cannot expect such an advantage for the present, but must await a better time in that regard; while concerning the other arrangements affecting our trade, from the letters exchanged between the English gentlemen and us, and the decisions taken in that regard, it sufficiently appears to our great regret how little trust one can place in promises of people who do not hesitate to break their pledged word when it is not convenient for them, and thereby at their own pleasure to halt and again break off all transactions once agreed upon. Their 523 Their High Noble Lordships being pleased most favorably to approve that we have absolved the Kassembazaar servants from taking the oath before the Nazir, however with the remark that the same must be done in similar cases, it was understood to obey the same dutifully for the future. Their High Lordships also recommending, regarding the matter of the arrest of a chokidar in the Burdwan district, and about which the English gentlemen seemed very displeased, as appears from their letter of 18 December of the past year cited more extensively in our secret resolution of the 24th of that month, in case the same might not yet have been settled with that nation, to settle the same then amicably and in the friendliest manner, yet without committing base acts, it was understood respectfully to inform Their High Noble Lordships that that matter has died down of itself, without the 14 October. the English gentlemen having made any further stir about it after receiving our letter of 30 December in answer to theirs under the 18th preceding. Pursuant to what was further repeatedly ordered by Their High Noble Lordships in the said secret dispatch, not to maintain the Sepoys in service at Kassembazaar any longer than is absolutely necessary, it was understood to give notice thereof to the servants at that factory by extract, with the recommendation to obey that order as soon as feasible. It being ordered henceforth not to make such ample provisions of equipage goods to private Englishmen as were made in the past year, because such goods are sent not for trade but for private use, and that for that reason one must henceforth decline the same.
Dutch transcription
52 3 25 vangen hebben ons te besorgen, heb bende de franschen tot nu toe 13000 maer getrokken. schoon dese affaire myner erach„ teus, nu de Heer vereest zijn woord niet komt te houden, zo wel der de Afioen negotie voortaen ook niet de Raed en by gemeene letteren verhandelt zou konnen worden, zal in achter daeromtrent eerst af„ wagten het welbehagen van uHHoog Edelheeden, die ix op de by Secreete missive voorgestelde bedenking, of men met de Britten geen schikking zoude konnen waren, om onsen pon„ tie van salpeter op Htoegli te leeve nen, en hun daerop zo veel en, gelden goed te doen, dat zy ruim genoeg konden uitkomen, en de Compagnie mede hare reekening vinden, de eeren hebte melden, dat zulx na mijn begrep niet raed Laem is. Ik onderwerp my echter aen het wyzen oordeel van UHoog Edel heeden, maer my komt voor, dat het een middel zou zijn, om ons hoe langer hoe meer te ontdaen van onse aloude voorrechten, en prera„ gativen, om welke te mainteneen, ren in veel eer van concept zou zyn, dat o 000 dat men zelfs niet behoorde aftezig van den inkoop van particulieren en ook een praef diende te neemen om in het district van Poeramia en andere plaatsen buiten Behaar daer de particuliere Engelsche de zal peter van doen halen, voor de Compe ook het een of ander intezamelen, de wyl in my niet kan verbeelden, dat het kalaatsche Miurterium preten deeren zou, dat hunne particulie„ re handelaar in dit stux meer voor recht hadden, als onse Maatschappen Ik koop in het aenstaende jaar U Hoog Edelheedens omtrent dit laeste poriet nader te konnen elucideeren en heb intusschen de eere met alle bedenkelijke hoogachting te zyn /:onderstond / Hoog Edele wydgebiedende steers/:lager:/ uwe HoogEdeheedens onder danige en zeer gehoorzame dienaer /:getekend / P. L: Verret / ter zijde:/ Hoegli den 11 January 1768. Accordeert ƒr: So # ƒ n N2 3. Copia secreete Resolutien zeedert 14 octobr tot ult o december 1761. 561 beroigne of de ontvan gene segt br: van stae Hooghds Vrydag den 14' october Ao 1761 smorgens, absent de koopman en negorieboekhouder Rossmits indispositie De zalven by publieke resolutie van heeden omstandig ver„ meld, afgehandelt, en op de pro, positie van den Heere Directeur ook nu getreeden zynde tot de besoig ne over de g'eerde secreete rescriptie van de Hooge Indiasche regeering op de van hier afgegaene brieven van 22 aug. s 1766 en 31 January en 1 maert deeser Jaars, gedateert den 21 Juli passe zo wierd aenvankelijk wegens het genoegen door Haer HoogEdelhee dens betoond over de by onse brieven aengehaelde, en van LondClive verkreegene toesegging omtrent onse voorrechten en de verbezen ring onser zalken, in verwagting dat desselfs successeuren de door haar gedaene belofte zullen standdag houden, zowel ten opsigte der ver¬ grooting van ons te vrain, als om heur andere zalken, dewelke Huer HoogEdelens aenwerken; als reede huur hun beslagerlangd hebbende, gesproo„ ken over het slegt succer van alle onse pogingen, om die zaeken op een van de E Comps voordeelige wyze te weirde te brengen, en verstaen, omtrend het eerste te welden, dat het zelve, of de vergrooting van on territoirag„ ter weegen is gebleeven door dieen de voorige fausdaan ten tijde deeze zaek zyn beslag zoude erlangen, wierd afgeset, en een andere in des, selfs post geplaatst, van denwelke men zig voor eerst zodanig voordeel niet verwachten kan, maer daarom„ trend betere tijd moet afwachten, terwijl ontrend de overige onsen handel betreffende schikkingen, by de tur= schen de Heeren Engelsche en on gewigselde brieven, en weten dien opzigte genomene besluiten tot ons groot Leedwesen genoegsaam blijkt, hoeweinig vertrouwen me stellen kan op beloften van Lieden, die zig niet entzien, hun eentgegeven woord, wanneer het haer niet geleegen valt, te breeken, en daardoor alle eens toegestemde handelingen na eigen believen te stuiten, en weder aftebreeken. Haer 523 Haer Hoog Edelheedens gunstigst gelievende te approbeeren, dat wy de Kassembazaarsche bediends hebben orygesproken van het presteeren van den eed voor de Nesserance, echter onder aenwerking, dat deselve in soirtgelijke gevallen sal moeten ge„ scheiden; is verstaen, hetzelve voor den aenstaende schuldplichtig te obedienen. Hoog deselve mede recommen deerende de zaek nopens het in arrestneemen van een sjoukidaer is het Berduwaansche, en waerover de Heeren Engelschen zeer misnoegs scheenen te wesen, blijkens hunne brief van den 18' decembr a: p: bree„ der aengehaeld by ons secreet besluit van den 24 dier maend, indien deselve net die natie nog niet mogten vereevent wesen, deselve alsdan in der minne en op op de vriendelijkste wijze, echterzon, der basserses te begaen, afte ma„ ken, is verstaen, Haar HoogEdel heedens daeromtrent eerbiedig te bedeelen, dat die saek van zelvs is doodgebloed, zonder dat de h er 14 octobr. de Heeren Engelschen na het ont„ vangen van onse brief van den 30 december is antwoord van de hunne sub 18 bevoorens eenig ge verdere beweging daerover gemaekt hebben Ingevolge het door Haar HoogEdel„ heedens by gemelde secreete missi¬ ve verder iterative geordonneerde om de te kassembazaer in dienst zynde Sipaker niet langer, dan absolut noodsakelijk is, aan te hou„ den, is verstaen, den bediendens ten dien kantoore daervan by extract kenuis te geven, met recomvendatie, om aen dat bevel zo dra doenlijk te obediee ren. te last wordende voort aen geene zo ruime verstrekkin¬ gen van Equipage goederen aan particuliere Engelschen te doen, als die in den voorlee„ den Jaare gedaen zijn, dewijl zulke goederen niet tot negotie maer tot eige gebruik gesonden worden, en dat men, en die reeden deselve voortaen moet excuseers
English
566 14 October excuses, it is understood to record this herewith for dutiful compliance. With respect to the saltpetre, it being earnestly recommended by Their High Excellencies to do the utmost in order to completely fulfill the demand thereof, it is understood to record here that, pursuant to the promise of the English gentlemen and according to the arrangement made thereanent, one had formed the best expectations regarding this matter, but that one has found oneself noticeably duped in this regard, inasmuch as those gentlemen have only allocated 23000 maen to us, in which no other change has yet occurred, since, upon the further request made as per our letter of 15 July of the current year, one has only had to be satisfied with the promise to accommodate us, if possible, with a larger quantity. Done trade Done at Hoegli in Bengal, date as above /signed/ I. L. Vernet, M. Huuck, I. A. Zinner, M. Cafort, W. Kenincg, S. P. Humbert, Louis de Saumoire, O. W. Falk, S. H. Daniul. Saturday 567 Receipt of two letters of complaint from Hierboem and Tjenderkona Saturday 21 November Ao 1767 In the morning, absent the merchant Lafont due to continuous indisposition. It was communicated by the Honourable Director that His Honour had specially convened this extraordinary meeting to share with the members the receipt of two letters, one from the gomastor from Soerel, situated in the Bhierboem district where the coarse linens are manufactured, and the other from Tjenderkona, both containing an extensive report of the hindrances to which our collection continuously remains exposed through the vexations of the English servants, to such an extent that, with regard to the coarse goods, one must pretty much, and in respect of those manufactured in Tjenderkona, entirely dismiss the thought of receiving a single piece in due time, as can be seen in more detail from the translations thereof 21 November Reading of the same made and produced by His Honour. Translation of a Bengali letter written from Soerel, sorting under Bierbhoem, by the gomastor of the joint suppliers of linens to the Honourable Director George Louis Vernet and the Council at Hoegli, dated the 4th and received the 19th. The coarse linens that have been made ready up to now have all been delivered to the washers to be bleached, and will be ready after the course of 15 to 16 days. But to get the cloth washed requires considerable effort, because the bleachers have their hands full for the English. Previously, an obligation was introduced for the English Company according to which the weavers had to deliver two pieces of cloth per man each month, but that was increased to four and they were left free. Now, since the month of October, it has been stipulated that each month they would have to deliver three pieces for the Company, two for the Merkadoor (by which they mean the gentleman who is as much as superintendent-general over the work in the aurangs), and one for the Resident who is here, or in total six pieces. 1767 569 21 November Hereby the weavers are not in a condition to work for us. And if there should already be one or two who did so, the loom is snatched away by servants of the English, so that our affairs are as good as obstructed; and if 5 to 10 pieces of cloth are occasionally brought to us by the weavers, it is not even of the Company's sorting. However, one must make do with it, because currently it is not the time to exercise severity against the workman, for if that is even attempted, they go make their complaint to the gentleman Resident. We are not capable of accomplishing anything against this, this gentleman having summoned and detained all the dalals, even at Bhierboem and all around there, until they had stated how much money from us had entered the aurang, and how many pieces of cloth had been delivered to us, or were still brought in. It has also come to our ears today that the said Resident of Bierbhoem has allegedly written to the English chief gomasta to give him an accurate report of how many gomastas of the Dutch and French were in the aurangs, their names and those of their principals, each in particular, as well as where and in what places they belong, without us yet knowing for certain what the further content of his letter is. But there is a rumour as if they intend to seize our goods: however, it is not yet very public; as soon as we become aware of anything certain, we shall report it. We send herewith, for the consideration of Your Honours, a copy of the letters written to us by the gomasta of Jellindie and lesser weaving places, from which Your Honours may gather how matters stand here, and in what manner we shall keep it going, finding ourselves in great fear. But let us see what heaven has prepared for us this time. /signed/ Raudoelaal Serma, Tanokkerauserma, Nielkent Senna, Daturam de, Kisuekeu Breddent, Radhakissie, Poraan Manik, Bhagbot Serma, Kalie Porsaat Serma, and Roerraam Paal /below:/ translated according to the statement of Gopinaal Raaij by /signed/ Jacob Eilbracht. Translation
Dutch transcription
566 14 octobr excuseers, is verstaen zulx tot schuld plichtig observantie by deeze aente„ teekenen. Ten opzigte van de salpeeter door Haar Hoog Edelheed ernstig gerecommendeert wordende omr best te doen, ten einde den eisch daervan compleet te voldoen, is verstaen alhier aenteteekenen, dat men in„ gevolge de belofte der Heeren En, gelschen, en volgens de daerom„ trent gemaekte schikkingtig wegens deeze zaer de beste ge¬ dagten had gemaekt, maer dat men hier omtrent signee de gedupeert heeft gevonden, door dien die Heeren ons alleene 23000 maen hebben toe¬ gedeelt, en waer in nog geen ande„ re verandering is gekomen dewyl men zig op het nadere blijvens ons brief van den 15 Juli a: c: gedaen verzoek alleene met de belofte van ons by mogelijkheid met een meerdere quantiteit te zullen gerieven, moet ge koort. Actum l gotie Actum Hoegei in Bengale datum ut Supra /:get:/ I. L. Vernet. M. Huuck I. A. Zinner. M:Cafort. W Kenincg. . . -. . . S: P: Humber t. Louis de saumoire. O. W. Falk. S. H: H: Daniul Saturdag kor 567 ontvangst vn twee klagtschrifte uit Hierboen en Tjender kona saturdag den 21 novembr Ao 1767 smorgens abrent de koopman Lafont mets continueele envorse lykheid werd door den Heere Directeur ge communiceert, dat zijn E E Acht, bare deeze extraordinaire verga dering speciael hadde belegt, om de Leeden meede te deelen de ontvangst van twee brieven, de eene van de gomastor uit soerel gelegen in het Bhierboemsch, het dirtrict, daar de grove Lywaeten wor„ den aengemaekt, en de andere uit Ljenderkona beide vervattende een breed verslag van de kindenissen waaraen onzen inzaam door de veratien der Engelsche bedienden by continuatie gesponeert blijft, tot zo verre, dat men wat betreft de grove goederen, het genoegzaem, en ten belange van die, welke in sjender kona gefabriceert werden, het ten eenemael uit de gedach, Een maest stellen, een enkel stuk te behoorlijke tijd binnen te krijgen, gelijk zulx by de daer van 21 glr vesertie derzelve van gemaekte, en door zijn EE Acht„ bare geproduceerde translaeten enstandiger te zien is. Translaet van een bengaelsche brief geschreeven uit lovel, sortee rende onder Bierbhoem door de gomastor der gesamentlyke Le„ veranciers van Lywaaten aen d EE Achtbare Heer Directeur George Louis Vernet en de Raed te Hoegli sub dato den 4 e en ontvangen den 119=h De grove Lynwaten, die tot nu toe zijn gereed geraekt, zyn alle aen de wassers bezorgt, om gebleekt te werden zullende na verloop van 15 a 16 dagen klaer wezen Dog om het goed gewasphen te krijgen heeft men conciderabel veel moeite vermits de bleekers hunne handen vol hebben voor de Engelschen. Bevorens heeft men voor de Engelsche lomp ingevoerd een verbintenir volgens het welke de weversper man, en maend voor maend twee stukken goed moe„ sten leveren, dog dat is Cuceerdert, tot vier en men hun vrijliet Nie zedert de maend october 1s en be„ dongen dat zij smaends voor de Comp drie stukken, voor den Merka door /:waerdoor zy verstaen den Heer die zo veel als opziender generael is over het werk in de arreeegs (twee en voor de Resident, die hier is, één of in het geheel ses stukken zoden hebben 1767. 5609 21 9br hebben te bezorgen. Hier door zyn de wevers niet in staet, om voor ons te werken. En zoer al één of twee mogten zyn, die dat deeden, aan word het weefgetouw door bedienden der Engelsche weggerukt, zo dat mre zaeken zo goed als gestremt zijn; en werd al en eens 5 a 10 stukken goed door de weevers by ons gebracht dan is het nog niet eens van scomps sorteering. Echter met men er zegine behelpen, dewyl het tansde tyd niet is om strengheid tegen de arbeidsman te oeffenen, want zo dat al word getenteert, dan gaen zy hun beklag doen by den Heer Resident. wy zijn niet capabel hier tegen iets uit te reek, ten, hebbende deze Heer zelfs te Bhierbroem, en daer in het rond alle de Dalaels doen by zig komen, en aenhouden, tot dat zy had„ den opgegeven, hoeveel geld en van ons in de arreng was ge„ komen, en hoe veel stukken goed ons bezorgt waren, of nog thuir gebracht wierden. ook is ons heeden ter ooren gekomen, dat gemelde Resident van Dierneggen aen der Engels schen hoofdgomasta zou heb„ ben geschreeven, om hem een nauwkeurig bericht te doen hoe veel gomaster en van de Hollander elsche sortee doen de en George oegli t e maend e tot e Hollanders en franschen in de ar„ reugs waren, hunne namen en die van hunne principalen, ider in het byzonder, alsmede waer en op welke plaatsen zythuirhooren zonder dat we voor als nog necht weeten wat den verderen inhoud is van zijn brief. Dog daar loopt een gerugt, als of men van voorneemen zoude zyn, ons goed te arresteeren: echter is het nog niet heel publiek, zodra als we en maer iets zeekerd van ge waar werden, zullen we het wel den. we zenden hier bij ter speculatie van uwEdelens eopyder brieven door de goniactor van Jellindie en mindere weefplaatsen aen ons geschreeven, waaruit UEd mogen opmaken, hoe het hier ge¬ leegen zy, en op wat wijs wy het gaende zullen houden, bevinden de ons in groote vreeze. Dog laet on zien wat tot den hemel ons ditmael bereid heeft. /getekend:/ Raudoelaal Serma Tanokke rauserma, Nielkent, Senna. Daturam de, Kisuekeu Breddent, Radhakissie, Poraan Manik, Bhagbot Lerma, kalie Porsaat serma en Roerraam Paal /onderst:/ volgens Gopinaal Raaijs opgave vertaeld door /:getekd/ Jacob Eilbracht. Tracslaat
English
571 Translation of a note sent by the gomastas at Jelendie to those of Soerel. Alongside this you receive the letter that was written to us from Radenegger. In return, you ought to let us know that which has been communicated by him to you. We cannot understand the reasons for the summons. We all serve one master, therefore it is necessary to elucidate to us what might be best for the common interest, because according to that we shall regulate ourselves. Dated the 3rd of 9ber and signed: Obhysjen Sernia, Rauxikenni Wiswas, and Bindabor Poeraen Manix. Translation of a note received from Radenegger, by those of Jelendie, dated as above. From Diernegger a peon arrived yesterday at Rautjenderpaer with a letter to cause all the dalaals of the Dutch and French to come over, and today they will be summoned from the places where they reside. But what the reason for this may be is unknown to us. What do you think, shall we keep ourselves hidden or ready to appear? We shall conduct ourselves according to your advice, and we have adjusted the strings and everything accordingly. But there must be no delay in giving us advice. Signed: Radhanaerdaer. And below, according to the statement as above, signed: Jacob Lilbrag. 21 9br Translation of a Bengali letter written by the gomasta from Zenderkouw to their principal, the native merchant Rerbekerrie, dated the 11th and received the 15th of Novb 1767. We have to inform you that all the weavers have departed for Kalkatte to lodge their complaint with the Lord Governor Verelst, who demanded the investigation of their grievances from Mr. Batoe, who in this matter keeps putting them off from one day to the next with deceit, so that they conclude from this that it is not in earnest for this gentleman to concern himself with their case, and nolens volens they must bear their fate with patience. For that reason they have also returned to Bettaring. When they were at Kalkatte, the weavers who had still remained at home were summoned to Mottenna Mohem Bessaak and told that they would take measures to cause those who had departed for Kalkatte to return, under the promise that everything would be done that would serve their welfare and best interest. Relying upon this, and seeing that at Kalkatte satisfaction was delayed, they also all returned. Meanwhile, the aforementioned Bessaak gradually began to exercise severity with the pykaars with dragging along and other affronts, urging them to fulfill their contract, known by the name of Kistbendie, and proceeding just as unreasonably as before concerning the regulation of the price. All of which made the weavers put their heads together with a firm resolution rather to renounce the production of linen in such a manner than to see themselves ruined by the damage that is being done to them. By virtue of this decision they have now for ten days not laid a hand on the loom, nor made any delivery of that which they were bound to deliver according to contract. If Bessaak now wishes to use violence against the pykaars, these resort to the excuse that the weavers stop their work and are also not inclined to deliver linen, so that they likewise see no chance of obtaining it. This having come to the ears of Bessaak, he summoned the weavers several times, but they united and continually answered the peon who came to call them that they had renounced their work and could find no necessity to appear unless by means of violence. Now that is as far as it goes. If anything further occurs regarding this, we shall not fail to report it. On behalf of the French Company, a European arrived here for the establishment of a factory, having chosen and appointed Mithaniel Baboe as gomasta, and engaged Sewaranker as dalaal, in which capacity a certain Dorgo Lhem Honderrie acts for them at Khierpaey. When matters were to be taken in hand, Ramsjender Mekkepetsak went to the aforementioned Bessaak in order to inquire in what manner the business should proceed. The latter advised him to summon the pykaars and give them earnest money for the provision of about 1000 pieces of linen for this year. But Ramsjen well understood that this would be of not the slightest effect, since the pykaars were dependent on the English Company, and supposed that it would be best to enter into negotiations directly with the weavers and to provide them with money to advance the work, as also happened by giving them money in hand for the provision of 600 pieces of linen. But they do not receive any goods at home yet. The weavers, having been questioned about this, say that they would do their best for the delivery if one could only bring about some relief in their contracts with the English. Meanwhile, the Frenchman has departed for Oemara, and the looms still stand idle. Thus it goes. Over the appointment of Sewaranker as dalaal, Bessaak has repeatedly quarreled, and demanded from his nephew Siedoeker the fulfillment of the shortfall on his contract.
Dutch transcription
571 Translaat briefje gest door de zouastas te Jelin die aen die van soerel Neven deeze bekomen uE de brief die ons van Rade neggen geschreeven is. Daer en tegen dienen wieden ons te weeten, het geen door hem aen„ Uieden is gecommuniceert. wykoneen de reedenen van het ent bod niet bevroeden. Alle dienen we eenen Meester, dier halven is het nodig ons te eluci„ deeren, wat er best zy voor het al„ gemeene belang want daerna zullen wyar reguleeren Gedateerd den 3 9=e & getekend/ Obhysjen Sernia, Rauikenni wis was en Bindabor Poeraen Manix Translaetbriefje ontvangen uit Radenegger, by die van Felendie, dato der boven van Dierneggen is gisteren te Rautjen der paer een Tion aen„ gekomen, met een brief, om alle de Dalaels van de Hollander en fransen over te doen komen en men zal hun heeden ont¬ bieden van de plaatsen, waer zy zig ophouden. Dog wat hier van de reeden zy is ons onbe„ wast. wat duukt ulieden, zullen we „ of gereed, ons schuil houden om te verschinen. toe zullen on naer uwen raed gedragen h den laet ons a 21 9br gedragen, en we hebben de snaren en al na gesteld. Maer daer moet niet gedraelt worden, niet on advir te geven (:getekd:) Radha naerdaer. /:en derstd / volgens opgave van als vooren /:get:/ Jacob lilbrag Translaes van een bengael sche brief geschreeven door de gomastor uit zenderkouw aen hunne principael den inlandsche koopman Rerbekerrie gedate: den 11 een ontvangen den 15 Nov=b 1767. wy hebben u te bedeelen, dat alle de weever naer kalaatte vertrok ken zyn, om hun beklagte doen, aen den Heer Gouverneur Ver= elst die het onderzoek van hone beswaernissen gedemandeert heeft aen Mr Batoe, welke hun hier mede van den eenen tot den anderen dag op den tuil houd, zodat zy daer uit opmaaken dat het deesen Heer geen ernsti„ van zig hunne zalk aentetrek ken en nolens volens welge dult moeten hebben met haer lot. zy zijn ook uit dien hoofde naer bettaring terug gekomen toen zig rigte kalkatte bevon, den, wierden de nog thuis geblee ven weever ontboden by Motten na Mohem Bessaak, en aenge zegt 43 2s glr zegt, dat zy middelen in het werk zouden stellen, om de naer zal katte vertrokkene te rug te doen komen, onder belofte, dat er aller in het werk zou worden gesteld wat tot hun welzijn en bestkok strekken. Hier op zig verlatende en ziende dat er te kalvatte met het bezorgen van sater factie gedraelt, werd, keer den ze ook alle te rug. ondertusschen is bovengem Bersaak lang zaame hand begonnen niet de pynaers qet sleyp en andere affronten steegheid te oeffenen; „ aan ponrende, om te voldoen aen hun contract, bekend by de naem van Kistbendie en omtrent het reguleeren der payr even zo onreedelijk als voorheen te werk gaende. al het welke de weever de hoofden bij den anderen heeft doen steeken met een vast voorneemen om op zo een wijr van de aenmaking van Lynwaat aftezien, lie ver, als zig geruineert te zien, door de schaade, die men hun aendoet. uit hoofde van dit besluit hebben ze nu zee dert tien dagen geen hand aen het weetgetouw geslagen en ook geen leverancie ge daen voor het geen zy volgens contract a Radha pgave bra gael door kera all man en N a 8p alle 110 oet le e ƒ contract gehouden waren zo nu Borsaar de pykaer geweld wil aendoen, behelpen deze zig met het excuur, dat de weever hunne arbeid staaden, en ook niet genegen zyn Lynwaat te bezorgen, zodat zy meede geen kanszien het te bekomen. Dit Bessaar ter ooren gekomen zijn, de heeft hy differente vieren de weever ontboden, maer deze hebben zig vereenigt, en den pion, die hun quaam roepen telkens ten antwoord gegeven, dat zy van hun werk hebben af¬ gezien, en geen noodzadelijkheid konden vinden, om te verschijnen als door middelen van geweld Nie dat is tot daer toe zo er wer„ der iets hieromtrent voorvalt, zullen wy niet manqueeren het te welden. van wegen de fransche comp is hier een Europees aengekomen tot het etablis seeren van een loge, hebbende als gemosta verkonen en benoemd Mithaniel Baboe en sewaranker, als Dalaal aengeno¬ men, in welke qualiteit eene Dorgo Lhem Honderrie te Khierpaey voor hun ageert. toen de zaeken by der handston„ den genomen te worden begat Ramsjender Mekkepetsak zig naer Bessaak, voornoemt, ten einde 5 373 einde te informeeren, op wat wys de affaire zouden voort gaen. dese raadde hem, de Py kaar te ontbieden en huween handgeld te geven ter bezorging van ontrent 1000 stukken Lijnwaet voor dit Jaer. Dog Rauisjen begraep wel dat dit van geen het minste effect zou zyn, daer de pykaer van de Engelsche comp af aangelijk waren, en onder„ stelde dat het best zou zyn direct met de wevers in onderhandeling te tree den en dezelve tot bevordering van het werk verstrekking van geld te doen, zoals ook geschiedde door de zelve te bezorging van 600 stukken Lywaat geld op hand te geven. Dog ze krijgen nog geen goed thuis De wevers hier over onderhouden zijnde, zeggen, dat zy hunbert zouden doen tot de leveancie by aldien men maer eenige ver„ ligting in hunne contracten met de Engelschen kon te wege brengen. Ondertusschen is de franschian naer Oemara vertrokken, en de weetgetouwen staen nog stil zo gaat het toe. over de aenstel ling van Lewaranken als Dalaal heeft Bessaar meerm de uijdgekreegen, en zijn neef siedoeker gevergt de voldoening van het manqueerende aen zijn Contract
English
21 November discussion about it contract, to that end giving orders to some peons to lead him across the markets with his hands tied and while administering slipper-blows, which was also put into effect in a violent manner by two peons, of whom one pulled the rope with which the hands were tied, and the other steadily struck with a slipper. The conclusion containing nothing but some compliments; below stood, translated by, signed Jacob Eelbraekt. After the reading of which, the Director resumed the discussion, noting that there must be something secret in the wind regarding the survey which, according to the first letter, they intended to carry out concerning the business of the French and ourselves, and that what the gomastah further adds, as if they intended to seize our goods that have been purchased and already sent to the bleachfield, was a matter of too great importance not to consider how such a violent step, if put into execution, should be proved in the strongest manner, in order to convince the Gentlemen Directors and Their High Nobles thereof by sufficient evidence, and to enable the first-mentioned Their Right Honorable to support the complaints to be made in that regard with such documents; His Honor proposing to that end to commission two clerks who, as soon as it is perceived that the plan might become serious, will have to proceed to Soerel, and there, under pretext as if they came to divert themselves with hunting, pay close attention to the hindrances that might be inflicted upon us by the English, both in obtaining and in dispatching linens, for which purpose, in order to make the real intention appear less obvious, they would, upon one occurrence or another, be called as it were for assistance or as witnesses by the gomastah in the various places, with further instructions that whenever this happens, they must watch carefully what occurs and, when it is over, keep a clear record thereof, in which are distinctly contained all circumstances having any relation to the matter in which they might assist, especially if the English or their servants should undertake that which the gomastah fears in his letter, a translation of which will be given to them in copy for their information, namely the seizing of our linens; and finally to prepare such a report thereof that, if required, it can be confirmed by solemn oath, while the gomastahs would at the same time be forewarned and instructed to come hither in parties, in order to give sworn attestations of all that occurred, which, along with the report of the commissioners, would then be transmitted to the Netherlands and Batavia. Continuing, His Honor noted that the suspected outcome could be fully confirmed by what was laid down in a translation—which had already been circulated among the members for reading and was now read again—of the petition presented by the weavers who had fled to Calcutta to Governor Verelst, which was sent to the Netherlands per the ship Vrouwe Cornelia Stille under Governor Verelst, and is now also entered herein. Translation of an Arzi translated from the Bengali into the Persian language and addressed by the weavers of the below-mentioned linen districts to the Noble Lord Governor in Calcutta, reading as follows: The weavers from Sjenderkona, Beurie, Ghorpaey, Radanegger, Ramsjeuwenpoer, Raeydewaangends, Getwvaren, Naradewelkoortie, and other districts come to show to My Lord the Governor, whose protection be endless: That they have always earned their living by weaving linen for the Company, and that recently there arrived in the aurungs a certain Mr. Stoot, who had several looms erected and made us enter into kistbendi, a kind of contract regarding the number of pieces that each weaver takes upon himself, according to which we also set our hands to work. Subsequently Mr. Peter arrived, who increased the number of the kistbendi, so that we found ourselves in extraordinary trouble and care. Meanwhile, a certain Ramkissen Ghose, supported by the gomastah of the said English, also made a separate advance of money to all the weavers, while he, striking and carrying us off, has the linen torn by force from the loom and takes it with him. By this we are not able to fulfill the contract for the Company, and for that reason we are brought to the factory, beaten, and reviled. If the goods are not received in time, linen is purchased by pykars and supplied for what is lacking in the kistbendi; which causes a loss of six rupees on each piece and makes us perish. The English gomastahs also give us earnest money for supplying men's and women's clothing, whereby the Company also suffers a reduction in the goods it must have according to the contract. The price of the goods was likewise not regulated fairly, for whatever the pykars value the goods at, we must accept, and that causes an extraordinary loss. They also do not return to us the firti that is rejected from the linen after sorting and appraising, but after a lapse of two to three months we receive half of the value. Goods are also sold by the pykars to others, and yet they make the gomastah believe that they have been delivered to the factory, and the price they quote differs from ours by two to four rupees. If we complain about this to the gomastahs, we receive no hearing. The samples that are available are bleached linen, but the goods that are presently taken from us are merely rinsed and then sorted, yet then they do not turn out according to the sample. If, as before,
Dutch transcription
21 glr discours daerover contract, ten dien einde aen eenige sions ordre gevende, om hem net gebonde ormen en onder het geven van papoerslagen over de markten rord te lijden het welk ook op een violeute wijs door twee Pions /:waervan de eene aen het touw met het welke de honden gebonden waren, noe en de andere gestadig doorloeg met papaere, in het werk wierd gesteld. Het slot niets bekelsende als eenige complimenten /:onder stond /getranslateerd doen /:getd/ Jacob Eelbraekt. Na lecteere van dewelke de Heer Directeur het discours hervatte, wet aen te merken, dat er iets geheuw in de moolen moest weesen, met den opneem, welke men volgens de eerste brief voor had te doen, aengaende de zulke der franschen en ons, en dat het geen de gomastur vader daerby voegen, als of nien van intentie zou zijn onse ingezochte en bereets ten bleek gegevene goederen te arre„ steeren, een point was van te 21 glr te veel belang, zonder de gedach ten te laeten gaen, hoedanig zo een violente stap, zo ze mogt worden ter executie gesteld, ten krachtigsten zou worden geprobeerd ten einde de Heeren Majoores en Hun HoogEdelheeden daarvan door suffi cieerende bewyzen te overtuigen en eerst gemelde Haar welEdele Hoog Acht„ bare in staat te stellen, de derwegen te doene dolaantien niet zulke be scheiden te sterken; proponeeren de zyn EE Achtbare ten dien fine te committeeren, twee pennisten welke zo dra men bespeurd, dat het op zet evenst mogt worden, zig zullen hebben te begeven naer soerel, en aldaer onder pretext, als of zy quamen van zig met de jagt te diserseeren naukeurig agt geven op de kinder nissen, welve on van de zijde den Engelschen, zo in het bekomen als verzenden van Lynwaeten mogten worden toegebracht, waer toe zy, om de reeele insentie te minder schijn te doen te hebben, by het een of ander voorval, door de gemaster in de onderscheidene plaatsen, quati als als te hulp of tot getuigen zouden worden geroepen, met verdere last om zo wanneer dit gebeurde, wel toe te zien, wat er passeert, en daervan als het voorby is te houden duidelijke annotatie, waer by distinct vervat zy alle omstandigheden tot de zaak, waerby zy mogten assisteeren eenige relatie hebbende, voor al zo de Engelschen of hunne bedien den mogten onderneemen, het geen, waervoor de gemastor by hun„ ne brief, welkers translaat hun ter naricht in copia zal worden afge geven, beducht zyn, het arrestee ren onze Lynwaaten, namelijx en eindelijk om hum daervan te weten inrichten zodanig een rapport, dat, dls vereischt wordende met solemneele eede kan beven stigt worden, terwijl de gomaster hier van tevens gepreadverteert en aengeschreeven zouden worden, en by partyen herwaerds te komen, ten einde van al het gepasseerde te verleenen attestatien onder eede en met het rappens der gecommitt als dan naa Nederland en Bata„ via te a 37 requert door de wven gepresenteert. via over te gaen. vervolgende zyn EE Achtbare niet aen te mer„ ken, dat het bedeelde uitsjende kona volromen bewaerheid word dezen het ter nedergestelde in een by de Leeden bereets ter lectuure rond geweest, en tans mede herleezen translaat van den Request door de naer kalxatte gevluchte wevers aen den Heer Gou verneur verelst gepresenteert, dat per het schip vrouwe Cornelia Stille oeraen de Hteer verelst Genda naer Nederland is verzonden en tans by deeze almede wordinge schreeven. Translaat Aardaastuit het Bengaalsch in de persiaansche taal overgezet en gericht doon de weever der na te meldene Lymaat quartieren aen den Edelen Heer gouverneur te kalratta luidende aldus De wevers uit Sjenderkena, Beurie Gher paey, Radanegger, Ramsjeuwen poer, Raey dewaangends, Getwvaren Nara Dewel koortie, en andere dir„ tricten komen Mijn Heer den Gou verneur, wiens protexie eneindig zij te vertoonen Dat zy alteos hare kost hebben gewonnen met het weeven van lywaat voor de Comp en dat dezer dagen „ 21 9br dagen in de arrengs is aengeko„ men eene Myn Heer stoot, die ver„ scheide getouwen heeft laten op„ rechten en kistbendi / een soort van contracten wegens het getal der stukken, die ieder wever opzig neemt doen passeeren volgens het welke wy ook handen aen het werk hebben geslagen. ver¬ volgens arriveerde de Heer Peter die het getal der ae kistbendi verzwaarde, zo dat wy ons in een extra ordinaire beslommeringen zorg bevonden. Middelerwijl weder ook door zekere Rauikissen ghoos onder steernd door de gomasta der steeven Engelschen een aparte verstrekking van geld aen alle de weevers gedaen, terwijl hy ghoor ons slaende en afportee rende, het Lijnwaet net geweld van het getouwlaat afrukken en nazigneemt. Hier doen zijn wog dan niet in staet voor de comp aen het Contract te voldoen, en om die reeden worden we naer de Loge gebracht, geslagen en uitgescholden. Alr men ook op zyn tyd het goed niet krigge, word en door Pykalrs Lynwaet opge kocht, en gesuppleert, voor het manquerende aen de kistben„ di; het welk en op ieder stuk een 21 gh een schade vooorsacht van zes ropgen en das doet versmagten De Engelsche gemartor geven ons ook handgeld ter besorging van mansen vrouwe kleedjer, waer door de compe oon vermindering ondergaet in de goederen die zy maet hebben volgens extract. De paijr van het goed, wasmede niet naerbillijkheid gereguleert, want het geen de Pykaerr het goed war deeren, moeten wyneemen, en dat geeft om een buiten gemeen verlies. hen geeft on ook niet terug de firty die er na de sortee ring en prizeering uit het zy waatvalt, maer na verloop van twee a drie maenden krygen we de helft van de waerde. Ook worden goed doon de Pykaar aen andere verkocht, en men maart nochtans de gemostor wys, dat het in de loge bezorgt is, en de paijs, die zy opgeven, verschild met de onse twee avierrorijen zo wy hier ove aen de gemorten ons beklag doen, krygen we geen gehoor. De monsters die voor kan den zyn, zyn gebleekt Lynwaar„ maer het goed, dat men tegen woordig van onsneemt, word maer uitgespoelt, en dan ge sorteert, dog dan valt het niet uit na het monster, Jndien men gelijk voor
English
deliberation, decision on this matter. Previously, when proceeding with the sorting, there was a chance to complete a daily task of the colored goods required for the Company, such as piece-goods of 40 to 50 cubits in value, and we delivered two pieces, but the Paikar, taking upon himself the delivery here, has forced upon each asami an advance for the provision of 7 to 8 pieces of the various assortments, and we do not receive a proper price for this either. All this tends to our ruin. We are ready to deliver what the Company needs directly to the factory ourselves and request your order to that effect. Representing this to Your Honour, so that my master, being the master and directing everything to his liking, doing justice regarding our case, may be pleased to send a tolerable person as gomasta, to make the service of the factory flourish and maintain it. Underneath was translated by signed Jacob Eelbracht. All of which having been discussed attentively, and the adversity of the Company's affairs being viewed with very great sorrow, after mature deliberation of everything serving the matter, the expedient devised by the Director was regarded as the only one to which one can take resort in this unpleasant situation, seeing that all representations and protests are fruitless with people such as the present administration at Calcutta, and consequently it was resolved to conform in all parts with the proposition and to give effect to the commission in the manner aforesaid, to which were subsequently appointed the somewhat linguistically capable bookkeepers François Lamy and Adrianus Dingshoff, who, in order to hold themselves ready for travel, will be informed of this by the said Director, and will be provided with an instruction regarding what they are to perform, to be signed by the secretary by order of His Honourable and the Council; and regarding the reports from Sjenderkona, nothing else was found to be done than to await with patience whether the difficulties will turn for the best. 21 November Subsequently, by the aforementioned Director was produced the letter received yesterday from the Governor and Council at Calcutta of the 16th of this current month, containing an answer to ours of the 13th before, wherein grievance was made about the detention of one of our vessels at Kalna laden with coarse linens, the first that were about to arrive on the contract for this year, and which were refused release by the chokidar, because one had not consented to his unreasonable pretension, first of thirty and afterwards of twenty-one rupees, under a representation that it had previously been customary that the manjhi paid one or one and a half rupees according to the size of the 21 November laid down in one, will be delivered, be fearful of, namely the seizure of our linens; and finally to have a report drawn up by them in legal form such that, if required, it can be confirmed under solemn oath: whilst the gomastas of the seven should be pre-advised and written to, to come hither in parties, in order to grant attestations under oath concerning all that has passed, so as to be sent to the Netherlands and Batavia along with the report of the Commissioners. His Honourable continued by noting that what was related from Sjenderkona is fully corroborated by the translation of a petition, which has already been circulated among the members for reading and is now reread, presented by the weavers who fled to Calcutta to Governor Verelst, which was sent to the Netherlands by the ship Vrouwe Cornelia Hillegonda and is now also inserted herewith. Incorporation of an arzdast presented to Mr Verelst by the weavers who fled from Sjenderkona. Deliberation and decision fallen thereon. All of which having been discussed attentively, and the adversity of the Company's affairs being viewed with very great sorrow, after mature deliberation of everything serving the matter, the expedient devised by the Director was regarded as the only one to which one can take resort in this unpleasant situation, seeing that all representations and protests are fruitless with people such as the present administration at Calcutta, and consequently it was resolved to conform in all parts with the proposition and to give effect to the commission in the manner aforesaid, to which were subsequently appointed the somewhat linguistically capable bookkeepers François Lamy and Adrianus Dingshoff, who, in order to hold themselves ready for travel, will be informed of this by the said Director, and will be provided with an instruction regarding what they are to perform, to be signed by the secretary by order of His Honourable and the Council; and regarding the reports from Sjenderkona, nothing else was found to be done than to await with patience whether the circumstances will change for the better. Production of a Calcutta letter. Concerning the seizure of a vessel with linens at Kalna. Subsequently, by the aforementioned Director was produced the letter received yesterday from the Governor and Council at Calcutta of the 16th of this current month, containing an answer to ours of the 13th before, wherein grievance was made about the detention of one of our vessels at Kalna laden with coarse linens, the first that were about to arrive on the contract for this year, and which were refused release by the chokidar, because one had not consented to his unreasonable pretension, first of thirty and afterwards of twenty-one rupees, under a representation
Dutch transcription
deleberatig, be sluit voor omtrent voor deese met het senteeren te werk ging, dan was en kans ter afdoen ning van een dagelijkse taak van de voor de comp geeischte geconleurde goederen, dls Laerjes van 40 a 50 co bido weerden en lever„ den wy twee stuiken, haer de Pykaer, hier van de Leverancie op zig neemende, hebben van de onderscheidene sortementen ider assamie een handgeld ter be zorging van 7 a 8 stukken opge drongen, en wy krijgen hiervoor ook geen behoorlijke prijs. Dit aller strekt tot once ruine wy zyn bereid om het geen de compagnie nodig heeft zelt in de loge te bezorgen verzoeken daer toe u bevel. uEdele dit een en ander vertoonende, op dat mijn steer meerter zijnde, en aller na zyn zin dirigeerende, omtrent ons geval recht doende, een verdrage lyk persoon als gemasto gelieve te zenden, om den dienst van de lenige te doen floneeren en on staande te houden /:onderstond getranslateerd door (was get:/ Jacob Eelbracht. over al het welke aandachtig ge¬ sprooken en den tegenspoed van s Comps zaaken net zeer veel leedwezen beschouwd zijnde, zo is na 425 zyne overweeging van alle was ter materie was dienende het door den Heere Directeur uitgedachte expedient aenge merkt, als het eenigste waertoe men in deeze nare gesteldheid toevlucht kan neemen, gemerkt alle vertoogen en protestatien vrucht loon zyn byluiden als het tegen woordige ministerium te kal katte en mistsdien gearresteerd van zig met de propositie in alle deele te conformeeren en de commissie in voege voorsz te laeten gevolg neemen, tot welve volgens benoemd wier den de eenigsints toaekundige boerhouders François Lamy en Adrianus Dingshoff, die om zig veirvaerdig te houden, hier van door welmelde Heere Direc teur verwittigt en van het geen zy verrichten moeten, voor zien zullen worden met eene ter ordre van zijn EE Achtbare en de Raed door den secretaris te teerene instructie, zynde en omtrent de berichten uit sjen deskona 21 9br der kona niets anders te doen gevonden, als niet gedult afte wagten, of de zwarigheeden ten beste zullen veranderen Vervolgens werd door welvoor meede Heere Directeur geprodu= ceert het op gisteren ontvangen schrijven van den Heer Gou¬ verneur en Raed te kaluatte van den 16 deser lopende maend, houdende een ont woord op het onre van den 13 bevorens, waerby men gedaleert heeft over het ophouden van een van onse vaertuigen te kalna beladen met grove Lywaten de eerste die er stonden bin„ nen te komen op de aenbe steeding voor dit jaer, en welke door den Gousidaer geweigerd zijn te largeeren, om dat men niet had bewilligt in zijne onreedelijke pretensie eerst van dertig en naderhand van een en twintig ropijen onder eene vertooning, dat het bevorens gebruikelyk geweest was dat de mantier één of ans derhalve ropy na moete van de 502 325 den 21 9br. ter nedergestelde in een, zal worden afgegeven, beducht zijn, het arresteeren onzer Lijnwaaten namelik; er eindelyk om hun daar van te laaten in rechten zodanig een rapport dat, der ver= eischt wordende, met solem¬ neele Eede kan bevestigt worden: terwyl de Gours jas heer van sevens ge preadverteert en aange schreven zouden worden, om by parlyen teerwaerds te komen, ten einde van al het gepasseerde te verleenen Attestatien onder Eede, om met het rapport der Gecom¬ mitteerden, als dan naar Nederland er Batavia over te gaen vervolgende zyn EE Achtbae re net aan te marken dat het bedeelde int Sjendekkona, volkomen bewaarheid word, door rest by de Leeden beveels ter lecture rond geweest en thans meede herlee zen Translaat van een inlijving van een door de qut sjenderkona gevluchte wevers aan den Heer Verelst gepreschreven senteert Arzdaast dieliberatie en besluit daar omtrent gevallen een Request, door de naar kalkatse gevluchtse Weeverd aan den Heer Gouverneur Verclst ge presenteert, dat per het schip Vrouwe Cornelia Hillegonda naar Ne derland is verzonden en thuns bij deze, al meede word inge insertie/ Over al het welke aanduchtig gesprooken en den tegenspoed van sComp=s zaaken, met zeer veel leedwezen beschouwd zynde, zoo is na rype overweeging van alles wat ter maloree was dienen de, het door den Heere Directeur un't gedachte expedient aangemerkt als het eenigste waar toe men, in deze nare omstandigheid toesland toevlucht kan neemen, gemerkt alle verloogen en protes taten vruchteloos zyn by Luiden als het tegen woordige 529 3 woordige minsterium te kalkatte, d en mits dien gearresteerd van zig, met de o propositie in alleen deele te conformeeren en de commissie in voege voorsz te laaten gevolg neemen, tot welke vervolgens benoemd wierder, de eenigzints taal kundige boekhouder Francois Lamg en Adrianus Dings= hoff, we die om zeg reisvaardig te houden, hier van door welmte Heere Directeur van wittigt en van het gien zy verrichters moeten, voorzien zullen worden, met eene ten ordre van zyn EE Achtbaare en de Raad, te door den seerelager te teekene Instruc tie: zynde en omtrent de berechten int Sjendero kona, niets anders te doen gevonden, als met gedult E productie van een kalkatsche brief met zijnwaaten te kalna gedult af te wagten, of de omstandigheden ten goede zullen veranderen Vervolgens werd, door nopens het arresteeren van een vaartuig wel voormte Heer Directeur gegeproduceert, het opges teren ontvangen schryven van den Heer Gouverneur en Raad te Kalkatte, van den 16n dezer loopen de maand, houdende een antwoord op het onze van den 13„en bevoorens, van waar by men gedoleert heeft over het ophouden van een van onze vaar tuigen te kalna, bela den met grove Lynwae ten, de eerste deeer stonden binnen te komen op de aanbesleeding voor dit Jaar, en welke door den Sjoukedaar gewei gord zyn te largeeren om dat men niet had bewillige in zyne onreedelyke pretensie eerst van dertig en nader¬ hand van een en twin tig Ropyn, onder eene vertooning
English
685 20 November paid according to the size of the vessel, and that this had also been offered to the said watchman but rejected by him; item, and since the aforementioned chowkey falls under the Bardhaman district, which is farmed by Their Honours' servants, to please inform this Council whether the aforesaid demand originated from Their Honours' orders, and whether they insisted that the demanded money be paid, as one would then immediately make arrangements for that payment; to all of which, as shown by the translation of the aforementioned Calcutta letter, the English gentlemen reply that they were exceedingly desirous to demonstrate on all occasions within their power their readiness to assist in removing all hindrances in our affairs. But, Answer from Calcutta to the complaint made regarding the detention of a vessel. But that, as they could not learn from our letter where our vessel was detained, nor where the chowkey about whom we complained was located, they therefore had to request us to inform them of all circumstances relating to this matter, whereupon Their Honours would conduct a precise investigation into it, and provide such redress as the nature of the case requires. After the reading of which, the Director further showed the members that His Right Honourable had found this answer so frivolous that he had immediately drawn up the following letter in response: To the Honourable Harry Verelst, Esq., Governor, and the Council at Calcutta. Honourable Sir and Gentlemen, We have just had the honour to receive Your Honours' 1 331 21 November demonstration in that regard. May we be permitted to observe that, although Your Honours have more than once repeated their promise of readiness, and now again appear disposed to favour our Company and to ensure that its trade should proceed properly, it nevertheless has not the least effect, but rather appears to be aimed at prejudicing our interests, since it is otherwise incomprehensible how Your Honours can pretend ignorance of where Kalna, the guard station where our vessel is detained, is situated, as it cannot be unknown to the least sarkar. Therefore, to prevent our being delayed by any further evasions and uselessly losing the time to which we are so narrowly bound by writing back and forth, a servant of our vakil is sent herewith to Your Honours, who is instructed to give Your Honours the necessary elucidation regarding the said chowkey. We implore a speedy conclusion to matters, remaining in that expectation with all esteem, etc. But shortly thereafter, news not only arrived regarding the release without damages of the much-mentioned vessel, but that boat itself arrived on site a short time later, so that His Right Honourable thought that it would now be best k: 21 November to inform the English Gentlemen of this and to let them know that we must attribute this solely to the prompt orders of Their Honours, that we were obliged to them for it, and now deem it unnecessary to give any elucidation as to where Kalna is situated, and thus to be polite and at the same time not overly sensitive about the evasions with which we were progressively delayed. With all of which the members declared their agreement. Done at Hugli in Bengal, date as above. Signed: G. L. Vernet, Th. Tuinik, A. A. Zuider, M. . . . S M: Ross, J. P. Humbert, Louis de Soumaise, S. H. A. Damius, Jacob Eilbracht, secretary. Tuesday 592 325 Report received from Chandrakona. Tuesday, 15 December 1767, in the morning. Absent: the Honourable Head Administrator Huick, alongside the members Lafont and Ross due to indisposition. Report of an Produced by the Director was the translation of a Bengali letter, written from Chandrakona under the 1st, and received here on 4 December, containing a full account of the continuing indifference of the weavers in manufacturing silk goods, on account of the losses they suffer from the domineering and vexatious treatment by the English servants, of which a remarkable case has already been registered in the secret resolution of the 21st ultimo, and in this several examples also present themselves, as can be seen in further detail from the aforementioned translation itself; Translation: Translation of a Bengali letter written by the gomashtas from Chandrakona to their principal Rasbehari, dated the 1st, received the 4th of December 1767. Thottera Aichem Bosak has reported to his master, Mr Bathoe at Calcutta, all the circumstances of the aurang, mainly consisting in that the uprising of the weavers still continues and the loom stands idle, that they had provided themselves with lathis or sticks for their defence, with which they roamed about, so that he requested that some sepoys might be sent, since without receiving punishment they would not be brought to reason or to work. Mr Bathoe having reported this to the administration at Calcutta, a letter was dispatched by the Governor to the Resident in Bardhaman, and from the latter one to the faujdar here at this place, in order to summon the weavers to him and devise means to get them to work, there having moreover also been 26 telingas sent hither.
Dutch transcription
685 209br de groote van het vaertuig, betael de, en dat zulx den gezegde wag„ ter ook geoffereert was dog door hem afgeslagen was; item an vermits de voorn: sjoukie ge koorde onder het Berdewaansche het welk door hun Edelens be dienden in pacht is, dezen Raade te willen onderrechten, of de voorsz pretensie zijnen oorsprong had uit ondrer van stuur Edelens, en of zy er opstonden dat het gevraegde geld voldoen wierd, dewyl men als dan tot dier betaeling onmiddelijk endre zou stellen; op welk een en ander zo als het traus¬ laat van de voormelde kal„ katsche brief aentoond, de steven Engelschen rescribee ren, dat zy ten uitersten begeerig waren, om by alle gelegenheeden, die in hun vermogen zouden zijn, hunne bereidvaerdigheid te toonen, ten einde en te helpen, om alle verhinderingen in onre zaeken uit den weg te ruimen. Dog antwoordvene kalvatte op de wegens het oorertee ren van een vaertuig gedaene klagte Dog dat daer zy uit onse brief niet konden te weeten krijgen waer ons overtuig war aengehouden nog waer de sjouki daer over wien we klaagden zyn verblijf hield, zy ons dierhalven moe„ sten verzoeken, van hun te en derrechten van alle en„ standigheeden betrekkelijk tot deeze zaak, wanneer staen Edelens een nauwkeurig en derzoek daerna doen, en dit minuterie zodanig fgoeding bezorgen, zouden als de natuur der zelke veisch Na lecture van het welke de Heer Direc„ teur den leeden verder vertoonde dat zyn EE Achtbaare dikant woord zo beuzelachtig had gevonden, dat dezelve daer tegen ten eer= sten had ingericht de ondervol„to gende brief Aan den Edelen Harry Verelstschildk: Gouverneur en de Raed te kalkatte Edele Heer e Heeren wy hebben zo aenstonds de eene gehad te ontvangen uwerlde lens te. 1 331 21 9br ftoning daeromtrent Het zy ons geoorlooft aentemerken dat niet tegenstaende uwEdelens mee als eens herhaelt hebben hunne be¬ lofte van beeidvaardigheid, en zig taris weder als geneigt toonen, en onse compe te favoriseeren en zong te dragen, dat haren handel een behoorlijke voortgang zoude hebben het echter geen de minste ereert maer veel eer het ooguiers schijnd te zyn, om onse belangen te veragteren dewijl het ander en begrypelyk is hoe uw Edelens zig gecovant konnen houden, waer kalna, de wagt plaats, daar on vaertuig word ge arresteerd geleegen is, daar de min ste serkalr zulx niet en bekend kan weezen. om dan voor te komen, dat we„ met geen verdere uitvlugten worden opgehouden, en de tijd waeraen we zo nauw be paeld zijn, nutteloos verliezen niet over en weder te schryven, zo gaat met deze tot uw Edelens over een bediende van onse waxkiel, welke gelast is, ene uw= Edelens de nodige elucidatie te geven, ten opzichte der gezegde sjoukie wy imploreeren om een spoedig einde van zalken in die fwach„ ting met alle estime verblijvende etti maer dat er kort daerna niet alleen wegens de korten schadeloore lorga sie van het veelmelde vaartuig tijding gekomen, maer dat dat kieltje zelve weinige tijd daar na is loco g'arriveerd was zulx zijn EE Achtb fineende, dat het nu best zou weeren k: 21 9br weezen, de Heeren Engelschen hier van te verwittigen en te kennen te geven, dat we dit alleen moeten attrebueren aen de promte en dier van Hun Edelens, dat we hun daer voor verplicht waren, en als nu en nodig achten, eenige elucidatie te geven, waar kalna geleegen is em alzo beleeft en tevens niet en gevoelig te wezen over de uitvluch ten, waermede men on gaende weg ophield. Met al het welke de Leeden verklaar„ den mede genoegen te neemen, Actum Hoegli in Bengale datum ut supra /:getekent. / G. L. Vernet Sh Tuirk, A. A. Zuiver. M. . . . S M: Ross. I. P. Humbert, Louis de Soumaiss S. H. A. Damius. Jacob Eilbraeht rsser Dingsdag int G 592 325 Goudekona onts vongen frhael Dingsdag den 15 december 1767. smorgens absent de E Hoofd Administrateur Huick nevens de Leeden Lafent en Ross niets indispositie mertie van een uit Door den Heere Directeur geproduceert zynde translaat van een Bengael, se brief, geschreeven uit sjenderkena onder den i, en ontvangen alhier den 4e december, houdende een ampel verhael van de nog aen houdende en verschilligheid der wee veren, in het aenmaren van zijn waeten, uit hoofde van de schalde die zy komen te lyden, by de over heerschende en vexatoire behou delingen der Engelsche bedien den, waervan reets een aanmer„ kelyk geval geregistreert is by seqreet arrest van den 21 passato, en by de„ ze zig mede verscheide staeltjes komen op ten doen, gelik uit het voormelde transloet zelve nader kan gezien worden; Translaet hier lu Translaet van een bengall„ schen brief geschreeven door de qoucastor uit Sjenderkena aen hunnen Principael Rasbekerby de dato den 1en ontvangen den 4e decembr 1767. Thottera Aichem Bosalx heeft aen zijn Meerter den Heer Batoes te Kalkatta verslag gedaen van alle omstan digheeden der ovreng, principael daer in bestaende, dat de opstandder, weever nog plaats heeft, en het weeftouw stilstoet, dat zy zig tot hunne defentie voor zien hadden van latties of storks, waer mede zy rond dwaalden, zulx by versocht, dat er eenige sipakie mogten worden gezonden, dewijl ze zonder straffe te erlangen, niet tot reeden of werken te brengen zou„ den wezen. Ma Bathoe hiervan aen het Ministen rie te kalratta ropport gedaen hebbende, is en van den Heer Gou, verneur een brief afgevaerdigt, aen den Resident in Berduwaan, en van deezen een aan den sjeich daer hier ter plaetse, ten einde de weever byzigte ontbieden, en middelen te beroemen, om hun aen het werk te krygen, zynde er boven dien ook 26 tellinger dit heen gezonde
English
595 325 sent, of which on the 23rd four were dispatched to the sjeickdaer at Radanagore with orders to place the four head weavers there under arrest, for the execution of which the sjeickdaer there ordered what was necessary of the tannedoer or porthouder. The latter subsequently sent ten peons into each house of the said head weavers, but the ones they actually needed are still in hiding. At Nangou, about four hundred weavers assembled together on the market, among whom one of the heads being present was seized by the peons, without the opposition of the bystanders, consisting of words, being able to stop it, so that they made use of their sticks and began to stir up the fire, which went so far that one of them, through the blood he lost, fell to the ground as if powerless. This becoming known, the aforesaid peons were reinforced by four sepoys, which frightened the weavers and brought them to a standstill, while two of 15 xk them were captured and brought to Ghirpaei. Meanwhile, the dishonor has so overcome them that all who weave white linen have taken to flight with their entire families and settled in other villages to keep in hiding. On the same day, or the 23rd of November aforesaid, that the letter from the Burdwan resident was received here by the sjeichdaer, he, pursuant to the order, summoned all the weavers to him, whereupon a number of about 500 persons appeared before him, and by him the four head weavers were brought to Rada Mokeu Bozaar, who thereupon exhorted them to put their hands to work. However, they asked him from whom they should recover their damages, offering to proceed with it if he would provide them with service and wages; Bosaar advised them to put on an English or sepoy uniform, because they would then enjoy pay. They replied to this that if they were not to be taken into service, 537 15 xbi he should simply provide yarn, whereupon they would make a beginning with weaving, and the wages could be paid according to his pleasure. Rossaar answered this by saying that yarn would be bought on the market and given to them. These and similar words being exchanged back and forth, the sjeickdaer asked the weavers the reason why they let the loom stand still. Which the heads answered with a representation that for a piece of linen that cost twenty rupees, they were only paid seven or eight, and perhaps one would thus be informed how far the capacity of them poor people extended. Rossaar countered this by saying that if they would only put their hands to work, there would be no fear for them of cruel treatment, without this having any influence, however, as the heads of the weavers declared that they had already twice been deceived with such promises; the sjeichdaer chimed in, telling them that since they had previously endured the loss of so many pieces, it would not matter now to weave a single piece more or less each, and with that they were dismissed. They held a meeting together, and their heads demonstrated to the crowd that all those assurances were idle talk upon which no reliance could be placed, resolving at the same time to proceed to Burdwan; also that same night about three hundred persons departed secretly, who actually find themselves at Ramsieuwpoer, and the rest would follow that example in the morning and unite with the others. The same day early in the morning Bossaar made inquiries as to whether work was being done or not; when he heard that nothing was carried out, he became enraged, and in a very disgraceful and haughty manner summoned the Backsie of this Pargana to him, with orders to bring forth the eight heads of the weavers; the latter to that end sent 99 333 out some of his servants, but it was soon learned that they were not to be found in their dwellings, but they seized the wives of four of them, whom they took from the house and had locked up and guarded together in a room. This undertaking quickly flew over to Ramsieuwpoer, and the intended journey of the weavers to Burdwan was halted, and they themselves returned. Meeting again with one another over this, it was considered that things had gone so far that they were in danger of losing their castes, and they collectively took the resolution to free all the women, as was also put into action by all of them. But finding resistance from a certain Naib vakil of the zamindar, this was beaten off, and they subsequently secured the freedom of the women. Report of this incident being made by the Backsie to Bossaar, as well as regarding the continued flight of the weavers, he commanded some men, both sepoys and others, to the number of about 50 persons, to pursue those who had fled, but these were already a good way off; at least they overtook no more than eight to nine, who on account of corpulence were not well on foot, and being brought before Bossaar, were immediately condemned to be branded on the ears. But objection to the execution of this sentence was then made by the sepoys, representing to Bossaar that they were indeed subordinate servants of his and obliged to execute his orders, but that one must first know upon whom the accountability would fall in case those people should happen to die from it, desiring therefore from him a written order, whereby it would appear that they were declared free from all accountability in this regard; which was then requested to such an extent that Bossaar ordered
Dutch transcription
595 325 gezonden, waer van er den 23 vier na de sjeick daer te Radancg„ gen zyn afgevaerdigt net ordre, om de vier hoofdweevers daer ter plaatse in arrest te neemen tot uitvoering van het welke den sje ick daer het nodige aen den tannedoer of porthouder bevoolen heeft. Deeze heeft vervolgens in ieder huir der gedagte hoofdweezen tien pion gezonden, maer de geene, die zy eigentlijk hebben moeten zijn nog verborgen. Te Nangou hebben, zig om, trent vierhondert weevers op de markt by den anderen laten vinden, waeronder eender hoofden tegenwoordig zynde, door de pions opgepakt is, zonder dat de tegenkanting der omstande ren, in woorden bestaende in staet wor, zulx te stuiten zo dat zy zig bedienden van huune stokken, en de vior begonden te roeren, dat zo verging, dat één derzelve door het bloed, dat hy loosde, als moch, teloor ter aerde viel. Dit rugt baer wordende zijn de voorsz Piour door vier sipatir ver sterkt, het welk de weever verschiikte en huus tot stel stand bragt, terwyl er twee van 15 xk hun geval, en naer Ghirpaei gebracht zyn. ondertusschen heeft de oneer hun zo bevangen dat alle die wit Lynwaat we ven, met hun gansche huir gezin zig op de vlucht begeven en op andere vleaken nederge zet hebben, om zig schuilte houden. Ten zelven dage, ofte den 23 november voornoemd dat de brief van den berdewaansche resident by den sjeichdaer hier ontvangen is, heeft hy in gevolge de ordre alle de weder byzig doen komen, waerop een getal van omtrent 500 persoonen by hem verscheenen, en door hem zelve de vier hoofdweevers gebracht zyn, by Rada Mokeu Bozaar, die hun daarop vermaende, van landen aen het werk te slaen. dog men vroeg heem wie zy hun ne schade zouden verhallen, onder aenbieding van daertoe te willen overgaen, zo hi hun dienst en loon besorgen wil de; Bosaer raade hun een Engelsche of lipahir montee„ ring aentetrekken, dewyl ze dan zoon zoude genieten zy hervatten hiertegen, dat by al„ dien men hun niet in dieust wilde 537 15 xbi wilde neemen, hy dan maer gaere moest bezorgen, wan neer zy een begin zouden waren met weeven, en het maerloon na zyn welgevalle voldoen kon worden. Rossaar beantwoorde dit niet te zeggen, dat er gaenen op de markt gekocht en hun gegeven zou worden. Deeze en diergelyke woorden over en weder gewisselt zijnde vroeg de speickdaer aen de weevers na de reeden, waer om zy het getouw stil liets staen. Het welk de Hoofden beantwoordden met een ver tooning, dat hun voor een stuk Lywaat, dat twintig ropijen korte maer zeven of agt betaelt wierd, en mogelijk, dat men als onderrecht zou zin hoe verre het vermogen van hun arme lieden zig uitstrekte. Rossaar voerde hun hierop te gemoed dat zo zy maer handen aen het werk wilde slaen, en geen vree¬ ze voor hun war van mreede lyke behandeling, zonder dat dit echter eenige iuflecentie had, als verklarende de hoofden der weevers, dat zy met diergelijke beloften al tweemael gepaegt waren. e ven acht de woren; vallende de sjeich daer daer opin; met hun te zeggen, dat de„ wyl ze tog bevorens zig de schade van zo veel stuuken getroost had den, het er nu ook niet op aen zou komen met ieder een enkelstekje meer of minder te weeven, en daerme de kreegen zy hun af scheid. zij beleyden tezamen Vergaderiing en hunne koot den vertoonden de meenigte dat al die verzekeringen praet jes waren, daer men geen staat op kom waren, resolverende ter zelven tijd van zig te begeven naer Berdewaan, ook zijn en dien zelven nacht ontrent driehon„ dert persoonen met de noorder zon verkeurt, die zig werdelijk te Ramsieuwpoer bevinden en de vert zoude dat voorbeeld desmorgens volgen, en zig met de overige vereenigen. Dezel ve dag smorgens vroegliet Bor„ saak informatie doen, of er gewerkt wierd of niet, doen hy hoorde, dat er niets wierd uitge voerd, kreeg tij 't grauw, en liet op een zeer snadelijke en konen de wyze de Backsie van deeze Pergenuah by zig komen, met bevel, om de agt hoofden der weever te voorschin te bieen gen; deze zond ten dien einde 99 333 einde eenige van zyne bedienden uit, maer men ver= nam wel haart, dat zy in hune wooningen niet waaen te vinden maer men agter hoelve van vier derselve de vrouwen, die men uit het huis haelde, en by mald onder in een kamer liet opsluiten en bewaaren. Deze onderneeming vloog schielijk over naer Ram lieuwenpoer, en de voorge nomen reer der weever naer Berdewaenblief stee ken, en zy zelve quamen weder te rug. Hierover weder net den anderen verga, dereerde, werden overwoogen, dat het taar zo verre quam dat zy gevaer liepen huwel kasten te verliesen, en men nam gesamentlijk het be¬ sluit van al te wynen te verlossen, zo als ook door alle in het week wierd gesteld. Dog van zeevere Naib wakkiel van de ziemen daer tegenstand vindende werd deese afgeslaagen, en men kreeg vervolgens de wou wen in vriheid. van dit voor val aapront gedaen zijnde door de Bachtie aen Bossaars als wiede wegens het voortvloegten der weevers, commandeerde hy eenige manschappen zo van sipakir als andere ten getalle van omtrent 50 persoon en om de geene, die gevlug t wae ren te agtervolgen, dog dese lind woren al een goed weegs voort altans men onderhaelde niet meer, als agt a negen, die mits ongrosselijkheid niet wel ter been waren, en bij Bossjaer gebracht zijnde, immediaet gecondemneert wierden, aen de ooren gebrand wieratten wor„ den, dog tegen de uitvoering van dit vonuis werd doen de sipaker zwarigheid gemaekt, vertoonende hen Bossaak dat zy wel ondergeschikte be dienden van, en gehouden waren zyne beveelen uit„ tevoeren, maer dat men eerst weeten moest on wien de verantwoording zou komen by aldien die menschen daer van kwamen te sterven, begee„ rende dehalven van hen een schriftelijxe ordre, waerby zou blyken, dat zy vrij wier den verklaerd van alle den antwoording hieromtrent het welk toen zo verre wierd verzogt, dat Bosjaar ordonneer de
English
601 15 Cts that the apprehended persons should stand sentry, and through intimidation be made somewhat submissive, as indeed happened; because of this, the best and most capable weavers took flight; those who still remain are so terrified that, when addressed, they declare they will have nothing to do with the trouble, and these have also made a beginning again with weaving. In the girpaay one has no courage to leave his lands, and for that reason the looms are in operation there; nevertheless, three or four more have left the broad road; even up to this day, some forty households are counted that have sought refuge elsewhere. Monsr de Grange having returned from Olmara, and having arrived here, expressed on the 18th inst. the intention to travel to Kuikalla, and he has since also departed from here; their affairs are likewise at a standstill, although the money has been put out among the weavers, pressing on their part the weavers who continue with the work, and there are also actually 10 pieces held for them which they are promised as soon as they shall be ready, regulating themselves in obtaining goods according to private merchants, that is, to take the gentle path, because their severity would after all be of no avail. On the 26th of November the weavers here began to weave a piece of Doerias of their sorting, namely of 2¼ Cobidos, and warned the gomastor that only one cobido was still lacking, and also requested a peon who should keep watch by the loom until it was ready, as indeed happened. The Pykaars of the English informed Bossaak of this, who thereupon dispatched some sipahis; when half a Cobido was still lacking for the complete finishing of these goods, the said sipahis cut the loom to pieces and carried off the goods, and also took the weavers bound with them, 603 who were subsequently severely beaten and put under arrest. Mithaniel Baboo, agent of the French, himself sent some of his people to Bossaak, who showed him that these goods were not suitable for the English Company, claiming the same as theirs, and asked why he mistreated the weavers. Bossaak told them that they were his weavers, and that the loom likewise belonged to him, and that he would deal therewith at his pleasure, and that if they had advanced money to the weavers, they must then try to get it back by force. Seuwram Dalaal of the French is also at odds with his brother and others, and keeps indoors, his brother reproaching him that the 12000 rupees which were distributed by him as Dalaal among the weavers may well be considered lost, since there was unrest here and the power of the French could accomplish nothing, 15 Xbre and that one consequently had to wait to see who ultimately will be the heir to this money, or will account for the same. Now since eight days the previous disputes with the weavers at Gjenderkona and Radaneggor regarding the making of linen have been quelled, which the fear of the talliars has brought about; even some of those who had fled and been in hiding have returned, except for the eight headmen who have not yet dared to venture it. Bossaak has also waived the contract whereby a certain quantity of goods was stipulated per day, and ordered the pykaars that they should procure goods pursuant thereto, and buy for cash everything that might be lacking therein, on condition that the loss incurred thereby should remain for their and the weavers' account; recommending the same to procure for him whatever is delivered daily, of which condition a bond has also been executed by the Pykaars, whereby 605 15 plo whereby they have promised on their conscience that everything that was finished would be delivered by them, under penalty of incurring a fine and other correction. It therefore appears to us that the Pykaars will also have no opportunity anymore to deliver any goods secretly to private persons, for if Bossaak discovers it and can prove it, he will, while executing punishment, make himself master of the goods, and one will have no recourse for the money. At least this is the intention. Meanwhile, after having regulated all this in this manner, Bossaak departed for Calcutta to give his son in marriage; having said in secret regarding the affairs of the French against the pykaars that every weaver who presumed to declare that this or that was his fabric which they had woven and procured in the lodge for the French Company, would, on the same spot where he used such expression, Points of deliberation on a letter from Kersembazaer to send military to Kersembazaer be punished according to his deserts; that he was now going to Calcutta, but that they would discover by what means he would make those return who were staying in Reggerie. Below stood: According to Genietam's statement, translated by signed: Jacob Eilbracht. So it was resolved after the reading thereof, upon the proposition of His Honorable Worship, to record the same here as a proof of the absolute impossibility of being able to obtain a single piece of goods from the above-mentioned district this year. On this occasion, attention was also paid to the contents of a secret letter from the officials at the office mentioned in the margin, dated the 7th of this month, whereby they, regarding that which was recommended to them by letter of the 20th of October last,
Dutch transcription
601 15 Cts den, dat de geapprehendeer„ den op schildwagt zouden staen, en door bedreeging wat gedwee gemaekt words. zo als ook geschiedden, zynde dier de besie en suffixants te weevers op de loopen de gee ne die er nog oveig zyn is de schrik zodanigin, dat zy geval wordende, betui„ gen met de moeite niet te doen te hebben, en deze hebben ook weder een begin gemaekt niet weeven. de girpaay heeft men geen courage, zijn landen te laten zig, en overzulx zyn de weetgetouwen daeraen de gang, echter zin er drie en vier meerden breeder weg op, zelfs tot heeden teld in een veertig huisge ziene, die een goedheen komen gezogt hebben. shonsr de grange van Olma ra terug gekomen, en alhier gearriveerd zijnde liet zig den 18 g=t uit van in„ tentie te zyn naer kui kal la te reizen, en hy is ree¬ dert ook van hier vertrok ken hunne affairer staen mede stil, schoon het geld onder den weever uitge zet egten lle wae dese voort niet t van naer zet is, presseerende van hun zyde de weever, die met het werk continueeren, en daer zyn oox werkelijk voor hun 10 stukken onder houden die men hen toezegt, zo dra ze gereed zullen zyn, reguleeren de zig in het bekomen van goed na porticuliere traffe quanten, dat is met de zagtde weg inteslaen, dewil kunnen strengheid tog niet zou baaren Den 26 november hebben des weever alhier een stux Doerias van huur sorteering, te weeten van 2¼ Col de begonnen te weesen, en de gomastor gewaerschouwt, dat en nog maer een cobido aen manqueerde, mitsgad om een pion verzocht, die by het getouw de wagt zou houden, tot dat het gereed was, zo als oon geschied de; De Pynaers van de Engel sche hebben hiervan Bossaer verwittigt, die daer op eenige siparir, heeft afgezonden, tot een compleete vervaerdiging van dit goed nog een half Coba domanqueerende, hebben de gezegde sipakir het week„ getouw stuk gemeeden, en het goed weggenomen, mits gades den weevers gebonden met zig 603 zig gevoerd, welke vervolgens deerlyk geslagen en in ar„ rest gezet zyn; Mithaniel Baboe zaerbezorger van de franschen, heeft zelve eenige van de zyne by Bossaak gezonden, die hem hebben vertoond, dat dit goed geen gading was voor de Engelsche Compagnie, pretendeerende hetzelve als het hunne, en ge vraegt, waeram hy de weevers mishandelde Bossaar voeg de hum toe, dat het zijn wee verr waren, en dat het getouw mede hem toebehoorde, en dat hy daermede naer welge vallen zon handelen, en dat zo zy geld aen de weevers hadden verstrekt, dat zy het dan net force weder moetten zien te krijgen. seuwrain Dalael der fran, schen legt met zijn broeder en andere ook over hoop, en houd zig binnen huir, verwyten„ de zyn broeder hem, dat de 12000 rossa, die d hem als Dalael onder de weevers ge distribueert zyn, wel mogen gereekent worden voor verloo¬ ren, dewijl het hier in resen voer was, en de magt der fran¬ schen niets kon uitwerken, aer 5 die zagt de n baaten eeve ƒ hu ¾ Cob ,dat aen om een getouw dat het schied gel saer enige tot ging alf Coba 1 en uit met de weet„ en 15 x=ta en dat men gevolgelijk moest rat wagten, wie eindelijk erfgenaem van dit geld zal zijn, of het zelve verantwoorden zal. Nu zeedert agt dagen zynde voor rige on eenigheeden met de wei„ verr te Gjenderkona en Rada¬ neggen wegens het maken van Lywaat gedempt, het welk de vreese voor de tellinger heeft uitgewerkt, zelfs zyn er eenige van de geene, die op de loop en tekuil geweest zijn, terug gekomen, behalven de agt hoofd wede, die het nog niet hebben durven wagen. Borsaar heeft ook van het con„ tract, waerbij een zeekere quau„ titeit goed daegs bedongen wor„ afgezien, en den pykaer be voolen, dat zy ingevolge van dien goed bezorgen zouden, en al het geen daeraen mogt komen te ontbreeven pzo contant inkoopen, onder voorwaerde, dat de schaade, die men daer by liep, zou blyven voor hun ne en der weevers reekening; dezelve te vensoecommen„ deerende, om het geen er da„ gelijx geven word, hem te besorgen, van welke condi„ tie ook een verbandschrift door de Pynaers gepasseert is, waerbij 605 15 plo waerby zy op haere conscientie af belooft hebben, dat al, wat en gereedraekte, door hun zou geleevert worden, sub pene van te vervallen in een boete en andere correc Hetkomt ons dierhalven voor dat de Pynoer ook geen gelegenheid mee zullen hebben om in het geniep eenig goed aen particuliere te leveren, want zo Rossaak en agter komt, en het bewysen kan, zal hy on„ der het oeffenen van straffe zig meester van het goed ma ken, en men zal geen verhael op het geld hebben. Ten minsten dit is de intentie. Ondertus„ schen is Bosjaar na dit aller in dezer voegen geeguleert te hebben naer kalaatte vertrokken, om zijn zoon uittetrouwen; hebbende aengaende de zalken der fransihens te„ gende nijkaers in Lecreter¬ se gezegt, dat ieder wever die zig aenmatigde te ver„ klaren, dat dit of dat zijn waer het welk zy gewoeven, en in de loge besorgt hadden, voor de fransche Comp was, op de zelve plaats, daer hy zig van zulke expresie bediende tie na Pointe van de liberatie of een brief van karsen bazaer ter militairen na kersembaraer te zend na verdienste gestraft zou worden; dat hy nu naer kal katte ging, maer dat men gewaer zou worden, door wat middelen hy die geen wel ke zig te Reggerie ophielden, zou doen te rugkomen /:onder stond / volgens genietams onga ve vertoeld door /:getekend:) Jacob Eilbracht. zo ir na lecture van dien op de propositie van zyn EE Achtbare staen zulx alhier aan te hee kenen, als een blijk van de absolute enmogelijkheid om uit het bovengemelde district een envel stux goed dit Iaer te konnen magtig worden. Te deezer gelegenheid oon gelet zynde op het bedeelde by een secreetbriefje van de be dienden ten in marginee gemelde kantoore van den 7o deser, waerby zy omtrent de hun by brieve van den 20 october sleeden gerecom mendeerde
English
mended discharge of the sepahis currently in service, promising to comply with the same at the earliest opportunity, with the request that their military garrison might not be increased by another six above the twelve men; so it is, considering what they further demonstrated, namely that the full number is seldom present, since they had to serve for the transport of money and goods to this main office, so that they are sometimes all absent inclusive of the drummer, and that with the ordinary peons, as has appeared multiple times, nothing could be accomplished, which this ministry fully affirms to be true, approved and resolved to grant the aforesaid request for these and other reasons alleged by the servants, and thus to send them when opportunity arises another six privates. Done Hooghly, in Bengal, date as above. Signed: G. L. Vernet, S. H. Zimmer, Mr Keria, S. P. Humbert, Louis de Laumoire, J. H. Daniius, Jacob Eilbracht, Junior Council Secretary. Friday Resumption of a Calcutta letter regarding an incident at Fulta. Friday the 18th of December Anno 1767. Absent the members Lafert, Koning, Ross and Humbert, the first three due to indisposition and the last due to business in the Company's service. There was produced by the Lord Director for further resumption a missive from the Noble Lord Harry Verelst, Governor, and the Council at Calcutta under date of the 23rd of the passed month, which was received here on the 2nd of this month and has already been circulated among the members, communicating how their Honors, some days ago, received complaints made by their Collector General that some people belonging to our ships had come with force of arms into the cutcherry of Pathacula, situated near Fulta, and after having beaten a shikdar belonging to the English Company so severely that his life was in danger, Insertion of a letter written by the Lord Director. was in danger, had brought him as a prisoner on board one of our ships, and that the Honorable Verelst, their President, had at once written to the Lord Director and demanded his order for the release of the apprehended person and the punishment of the offenders, but that they found the answer of His Honor so strange, that they came to enclose and transmit a copy of the same for the instruction of the Assembly, being of this content: Sir, I have been honored with Your Honor's esteemed letter of the 1st of this month. Two days before the receipt thereof I received complaints from our provost, who is stationed at Fulta to maintain order among the common ship's crew coming ashore. That man wrote to the Fiscal that a shikdar of the English had dragged away a sarkar of the Fiscal bound, and had caused him to be beaten in a terrible manner, whereupon the provost with some people went to the aforesaid shikdar to retrieve that sarkar, but that the shikdar being unwilling to release that sarkar, such had to be done with force, whereby blows were exchanged on both sides, and one of your people was taken into custody on one of the ships by way of reprisal. And because I never judge on the report of my people, but wished to have these matters investigated before I should bring any complaints before Your Honor, and being now informed that your people were the aggressors, and treated the sarkar in a cruel manner, and that our people did nothing but defend themselves and set free him whom they had carried off bound. I must, Sir, in the name of the Dutch Company, request that Your Honors please give orders that the offenders be properly punished, as this cannot be done too severely for the sake of an example. As far as the shikdar is concerned, I have given orders that he should be released as soon as possible. That such disorders are committed by common folk is not to be wondered at, but rather that respectable people, or people who wish to pass for respectable, commit such disorders as were committed last night by two English officers, of whom one is George Wallen and another Finlayson. Those gentlemen entered by force into a house of one of our inhabitants, beat all the people of that house, and committed all sorts of wanton acts. Besides that, they wounded two peons of the cutcherry, who had come thither having been called by the neighbors. This morning I requested those gentlemen to leave our territory, and request, Sir, that Your Honor please deal with the same according to equity, so that such does not happen again, because otherwise I shall be compelled in the future to punish such housebreaking according to the exigency of the case. I am with respect, underneath stood: Sir, lower: Your Honor's humble and very obedient servant, signed: G. L. Vernet. On the side: Hooghly, the 5th of December 1767. Below that: Copy, signed: Simeon Droz, Secretary. Thoughts of the English thereupon. Their Honors thinking further that, upon a closer examination of the circumstances of the case, one would be fully convinced of the unreasonableness with which our people had proceeded, namely by penetrating with force into a cutcherry and carrying away a person who is under the protection of their flag, a crime which they thought deserved the highest punishment, even supposing that their servants were in the wrong, and further asking what they would not have had to suffer if they themselves had been the first offenders? That ours, if they had been ill-treated, should have asked for satisfaction
Dutch transcription
607 mendeerde afdanking der in dienst zynde sipakis, be„ boven aen het zelve by eerste gelegenheid te zullen voldoen, met verzoek, dat hunne militaire bezetting niet nog zes en der twaelf man mogt meerdert worden; zoo is, aengezig het verder ver¬ toonden, dat namelijk het valle getal zelven precent is, wijl zy moesten dienen tot afbreng van geld en goederen naer dit hoofd kantoor, zo dat ze somwijle alle tot de tamboer in eeu sive absent zijn, en met de ordinaire Pions gelijk meer maelr is gebleeken, niet was uitterechten, dit minu sterium ten vollen affin meert, waer te zijn, goedge¬ vonden en verstaen het voorsz verzoek om deeze en andere, door den bedienden geallegeerde reedenen te accordeere accordeeren, en hun dus by gelegenheid nog zer gemee ne toetezenden. Actum Hoegli, in Bengale datum ut supra /:getee„ kent:/ G. L: Vernet. . . . . . . S. H. Zimeer. . . . . . . Mr Keria . . . . . . S. P. Humbert. Louis ren de Laumoir e. I. H. H Daniius kal o Jacob Eilbracht je C: Secrets vol rijdag 603 renutie van een kalkatsch brief nopens en geval te voete Vrijdag den 18 december Ao 1767 absent de Leeden Lafert, koning Rossen Huibert, de drie eerste mits indispositie en de laeste door besigheeden in t Comps dienst. Is door den Heere Directeur na der ter resumtie geproduceerd een uur, sive van den Edelen Heer Harry Verelsf gouverneur en de Raed te kalkatie sub 23 der gepasseerde moend, weere den 2 dezen alhier ontvangen en bereets de leeden ten bo„ ture oord geweest is, houdende com„ municatie, hoe Haer Edelens eenige dagen geleden klachten woren gedaen, door kunnen Collecteurr ge neroel, dat eenig volk behoorende tot enre scheepen net geweld van wapenen in de katsjerie van Pathacula, gelegen by voltha ge„ komen waren, en na een Geich„ daar, gehoorende aen de Engel, sche Compagnie, zo strengelijk ge„ slagen te hebben, dat zijn leven in gevaer inlyving van een door den Heere Directeur getz brief. gevaar wor, denzelven, als gevange aen boord van een van onze schee pen hadden gebracht, en dat de Ho verelst hunnen President, ten eer stem aen den Heere Directeur ge schreeven en begeerd zyne beveel tot lorgatie van den geoppreken deerden en straffe van den belee digers, maer dat zy het antwoord van zijn EE Achtbare zo vreemd vonden, dat zijn een Copy van het zelve, ter onderrechting van de Vee¬ gadering quamen iitesluiten en over tezenden, zynde van de„ zen inhoud Myn Heer Ik ben vereert geworden met UEdeler geagte letteren van den 1 deeser twee dagen voor de ontvangst van dien heb ik kluyten gekreegen van onze geweldige, die te volta leid, om ordre te houden onder het gemeen¬ scheepsvolk, die aan de wal komt. Die man schreef aen de Fiscaels dat een tiegd aan der Engelsche een tercaer van de Fiscael gebonden weggesleept had, en hem op eene eize„ lyke wyze had laeten popoesen, waer„ op hy geweldiger met eenig volk na de 611 derzig daer voornoemt geweest is, om die sercaer wederom te haelen, dog dat de zig daer onwillig zijnde die tereaer te lorgeeren, zulx niet geweld had moeten geschieden, waer / door over en weder slaagen geswaagt hebben, en een van uw volk per repressaille op een der Scheepen in regtenisse genomen is. Een om dat ik nooit op het rap„ port van mijn volk oordeel, maer die zalken heb willen laaten onder zoeken, eer dat ik eenige kluyten voor uEdele zoude brengen en tans geinformeert zynde dat uw volk aggresseurs zijn geweest, en de sercaer op eene cruelle wyze getracteert hebben, en dat ons volk niets gedaen hebben, als zig te verweeren en vry te maaken die zy ge„ bonden weggevoert hadden. Moet ik, Myn Heer uit naem van de Hollandsche Com¬ pagnie, verzoeken, dat U, Edelens gelieve erdre te stellen dat de beledigens behoorlijk gestreeft werden, kunnende zulx tot een exempel niet te streng geschieden. wat de sigdoer aengaet hebik ondre gesteld, op dat hy ten eer„ sten gelorgeert zoude werden. Dat diergelijke en ordentelijk„ heeden 10 pk leeden door gemeen valk ge schiede, is niet te verwonderen, maer wel, dat ordentelijke lieden of lieden, die voor ordentelijk willen passeeren, zulke enon¬ dentlijkheeden begaen, als het gepasseerde nagt begaen is door ged twee Engelsche officieren, waer van den eenen George Wallen en een ander Tinlason. Die Heeren zyn niet gewelt in een huur van een meer inwoonderen gekommen, al het volk van dat huir geslaegen en allerhande soorten van bal„ dadigheeden gepleegt. Buiten dat hebben zy twee Pions van de cackery, die door de buuren geroepen zijnde aldaer gekomenen waren, ge¬ kwetst. stede morgen heb ik die Heeren getast van ons terri¬ toir te gaen, en versoeken, Myn Heer, dat uEdele met de zelve na billijkheid geliefd te handelen, op dat zulks niet weder gebeure, wantan ders zal ik genoodzaekt zijn, in het aenstaende diergelyke huirbraak na exigentie te straffen Ik ben niet agting /onderstond Mijn sch 63 18 p=t schen daervven. Heer /lager UEdeler onderdanige in zeer gehoorzame dienaer /:getekent:/ G. L: Vernetszer. zyde / Houglyden 5 decembr 1767. /daeronder /: Corp /:getekd:/ Simeon Drozsectr. gedagten der Engel denkende hun Edelens verder, dat men by eene nadere beschou wing van de omstandigheid der zaek volkoren overtuigd zou zijn van de onreedelijkheid, waer mede ons volk war te werk ge gaen, door namelix niets ge weld te dringen in een kettjerie en een persoon die onder de bescherming van hunne vlay is, weg te voeren, een misdaad, die zy dachten, dat ten hoogsten straf verdiende, schoon ondersteld zynde, dat hunne bedienden ongelyk hadden, en verder vraen gende, wat zy niet zouden heb ben moeten lijden, indien zy zel„ ve de eerste beleedigens geweest waren ? Dat de onre, zo zy quaa„ lijk behandelt waren geweest om voldoening zouden, verzocht hebben
English
have requested, and that such had also never been refused, as the assembly would have to testify, but that the undertaking to act in such an indefensible manner, and in which the Lord Director justified them in such a way, as appeared from the aforementioned private letter, and even demanded satisfaction in the name of our Company, appeared to their Honours to be little less than an open declaration of hostilities, an action which they flattered themselves would never be approved nor justified by the assembly, and that if his Right Honourable had seen fit to punish the offenders upon the first request of Mr. Verelst, they would possibly have avoided the unpleasant necessity in which they now were, to insist upon a public satisfaction for such a public insult; furthermore with respect to the complaints against the gentlemen Wallen and Tinlaron, mentioned in the letter of the Lord Director inserted here before, stating that Mr. Verelst had summoned these persons, but that they had roundly denied having any knowledge of that with which they were accused; finally declaring that if their Honours were provided with the necessary evidence against the same, it would then be their business to see that all the justice was obtained that was in their power. The Lord Director continuing, after the reading of the aforementioned letter, by remarking that it must appear strange to the members as well as to his Right Honourable that those gentlemen showed themselves touched by a manner of writing of which their governor the repeatedly mentioned Mr. Verelst availed himself, and as proof of which his Right Honourable exhibited a private letter received from his Honour the past month, which translation, in accordance with his Right Honourable's desire, and for a better understanding of the case, is also inserted herewith. Sir, Just now we are informed that a Dutchman named Welgan has beaten a shikdar belonging to the English in such a cruel manner that the man is at death's door, and not content with his impropriety, he keeps him in custody at Voltha. In the name of the English Company, I must request, Sir, that your Honour be pleased to order that the shikdar be released at once (if he is not yet dead) and the offender be brought to proper punishment, which cannot be too severe. I am with respect etc. And that whereas one can attribute such an imagined insult to nothing other than the present arrogance of the English nation, who had already long had the habit of treating others with contempt, and as if it were far beneath their dignity to notice them; his Right Honourable also did not intend to yield to them, but in a matter where the right is on our side, to defend and maintain the honor and respect of our Company; that since the gentlemen at Calcutta had seen fit to make a public matter of the case in question, his Right Honourable, before bringing the same into the assembly, had caused three sworn statements to be drawn up, the one passed by Coenjoe sercar and others, showing that in what happened at Voltha the English servants were the first aggressors and ours had acted purely defensively; the other provided by the chief surgeon of the ship Poprensburg, Johan Jacob Muller, as proof that the sercar Nendokisson, and not the shikdar of the katcheri, who it is said was at death's door, after examination, so to speak, lacked nothing; and the third provided by Ramia and others, whereby the violent conduct of the aforementioned two English officers Wallen and Tinlaron is confirmed in relative statements hereto, as can be seen in further detail from the attestations themselves. Today, the 9th of December 1767, appeared before me Pieter Hoffpt, first sworn clerk of the Bengal Secretariat, in the presence of the witnesses to be named hereafter, Coenjoe sercar, Hariechan, Sjeickstingen, and Cairalla, peons in the service of the fiscal of this Directorate, Louis de Sauwaire, and keeping watch at Voltha, together with Newaadjee, peon of the aforementioned place, under the provost Cornelis van Stemmel, assisted by the Bookkeeper Adrianus Dieghoff, now serving them as interpreter. Who, at the requisition of the Right Honourable Lord George Loues Vernet, Director over the Company's important interests in Bengal, Behar, and Orixa, and in support of the truth, declared, and first the first four deponents: That some time ago being at Voltha at the bazaar, they had seen that the comprador of the provost had gone there to buy fish. That they had also seen that that man had actually bought a fish, and paid the money for it. That while that man was still standing there, a carpenter from Chandernagore came up to it, and began to dispute with the said comprador over the purchase of that fish, and said that he wanted to have it. That subsequently an English sercar by the name of Nendokisson also came up, and using some abusive language asked the man why he did not want to give that fish to the carpenter, and as they fell further into dispute over it, that sercar had the comprador seized by some Bengalis and held fast
Dutch transcription
verzocht hebben, en dat zulx oox nooit geweigert was, gelijx de vergadering zou moeten getui„ gen, maer dat de onderneeming van op zo eene en verdeedigboren wyze te handelen en waerin de Heere Directeur hun op een wyze, als by voorsz particuliere brief bleek, rechtvaerdigde, en zelfs voldoening in den naem van onze Compagnie eischte hun Edelens voorquam, wei„ nig minder te wezen, dan een openbaere verklaring van vyandelijkheeden, eene handen ling die zy zig vleiden, dat door de vergadering nooit goed gekeurd nog gerechtvaerdigt zou wor den, en dat zo zijn E E Achtbaere hadde goedgedacht op het eerste versoek van den Heer Verelst de beleedigen te straffen, zi ste ven mogelijx geweid zouden hebben de onaengenoeme noodzadelijkheid, waerin zy taar waren, om aen te dringen op een 615 een openbare voldoening voor zulx een publiex beleediging voorts ten opzichte der klack, ten tegen de steeen wallen en Tiuelason, vermeld by de hier voor geinsereerde brief van den Heere Directeura meldende, dat de Heer Ver elst deze persoonen had ont boden, dog dat zy nond uit ontkend hadden, eenige ken„ uir te hebben van het geene waermede zy beschuldigt wierden; eindelijk verklaer rende, dat indien nien Hun Edelens wilde verzor gen de nodige bewijzen tegen dezelve, het als dan hunne zaek zou wezen, on al het recht te doen erlangen, wat in hun vermogen ware. Vervolgende de Heere Directeur na het leezen der voorsz brief, met aan te merken, dat het den leeden 20 18 xto van de heer Verelst sowel als zyn E Achtbare won, derlyk moest voorkomen dat die Heeren zig geraekt toonem over een manier van schrijven, van dewelke hunne gouverneur den Heere Vereest meermeld zelve zig bediende, en tot be wys van het welke zijn EE Aept¬ bare exhibeerde eene op pai¬ moder gepasseerde maend van zyn Edele ontvangen parti„ culiere brief, welken ver„ taling ingevolge zijn E Acht„ barer begeerte, en tot te beeter intertie van de brief Verstand van het geval by dee„ ze mede word ingelijkt. Myn Heer zo even word wij berigt, dat een Htollander genoemt, wel„ gan, een siegdaer behoorende aen de Engelschen op zulk een cauelle wyze heeft geda„ gen, dat de man op de oever des doods is, en niet te vreeds, met zijn onwenschelykheid, houd bij hem te volthain regtenis. uit naam der Engelsche Com„ pagnie, moet ik versoeken Mijn 617 18 xty Thyn Heer, uEdele gelieve te gelasten, dat de siegdaer ten eersten ontslagen / indien hij nog niet dood is / en de belee diger tot een behoorlijke straf gebragt worden, die niet te streng kan wesen. Ik ben niet agting etc: En dat daer men diergelyk een gewaande hoon, nergens anders aen kan toeschryven, dan aan de tegenwoordige trat„ heid der Engelsche natie, die al zeedert lange de gewoonte gehad hadde, andere als niet verachting te tractee ven, en als of het ware verre beneden hare waerdigheid aan te werken; zyn EE Achtbare hun ook niet meende toete geven, maer in een zaak waer aen het recht aan onze zyde is, de eere en het ontzag van onze Compagnie te verdedigen en te maintereeren; Dat vermits de Heeren te kalkatta hadden goedgevonden, van het geval in in quertie een publiexe zaek te maken, zyn EE Achtbare alvoo„ rens dezelve te brengen in vergade, ring had laten beleggen drie beëedigde verklaringen, de een ue gepasseerd door Coenjoe sereaer C:I aentoonende dat in het gebeurde te volthan de eerste Eigelschen bedienden de voen h aanlegger geweest woren en de onze slegt defensief te werk hadden gegaan, de andere verleend by den oppermeer ster van het schip Poprensburg Johan Jacob Muller, tot bewijs dat de sercae Neude Kisson en niet de spichdaer van de ketsjenie, welke men zegt dat op den oever der doods zou geweest zijn, na gedaene ver¬ tatie, om zo te zeggen niet gemanqueert heeft, en de derde verleend door Rania C: 1. waerbij het violents gedaag der voormelde twee Engelsche officieren wallen en Tinlaron„ word 60 betrekkelijn verklaringen hiertoe word bevestigt, gelijk by de at„ testatien zelve nader en an standige kan gezien worden. Heeden den 90 december 1767 compareerde voor mij Pieter Hoffpt: eerste geswore klerk der bengaelsche secretory paesent de natenoemene getuigen Coenjoe Lereaer, Hariechan sjeickstingen, en Cairalla pions in dienst van den fiscael dezer Directie, Louis de sauwaire, en op volta de wagt houdende, mits gaders Newaadjee, en aokt ganger van den opgemelde plaats, wagt houdende geweldige Cornelis van stemmel, gearsisteerd van den Boekhouder Adrianus Dieghoff, nu hum als tolk te dieven. Dewelke ter requisitie van den EE Achtbare Heer George Loues Vemet Directeur over s Compr importante belangen in Beugale, Behaer en ovixa en tot voorstaand der waerheid verklaerden en eerstelyk de vier eer ste attestanten. Dat 18 x=l Dat zy eenige tyd geleden op vol¬ than op de Razaer zijnde gezig hadden, dat den Coupaadoor van de geweldige daer was gede„ neen, om ver te koopen. dat zy ook gezien hadden dat die man werkelijk een vir kakop gekogt, en het geld daer voor betaeld had. Dat terwijl die man daernog stond, een tieuwer man van sjenderneggen daerbyge„ komen, en met de genoem de Compandoor over het koo„ pen van die verbegon te der puteeren, en zeide, dat hy re wilde hebben. Dat vervolgens ook een Engelsche ser kaer in naeme Nendoki son, daer by quam en de maan onder eenige scheldwoorden afvroeg, waerom hy die ver niet aen de Timerman wilde geven, en dat zij ver„ der daerover in diezut doe; kende die ser kaer meand, den Comparadoor door eenige bengaelens liet opparken vast
English
18 pln 621 tied up and beaten with slippers. That they also saw that this sarkar, after he had caused that man to be given slipper-blows, had gone to the shikdar of the English. That the fourth deponent, at the request of the comprador, went to inform the provost-marshal on board one of the ships about the incident. That the provost-marshal, coming ashore and to the bazaar, the first three deponents also joined him and went to the kachari of the English. That the provost-marshal asked his servant who had beaten him; that this man thereupon said that it was Nondokisson who had ordered it done, at once pointing him out. That the provost-marshal thereupon gave that sarkar three or four blows with his rattan cane, and subsequently ordered them, the deponents, to take him into custody. That they did so and brought him to the house of the provost-marshal. That after the said sarkar had sat there for fourteen days, a chief surgeon came and examined him, examined him, after which he was released, as nothing ailed him. The fifth deponent declared: That some time ago he was ordered by his master to go to the bazaar to make purchases. That at the bazaar he had a dispute with a carpenter from Chandannagar over the purchase of a fish. That the said carpenter wanted to take the fish away from him, although he had already bought and paid for it. That while he, the deponent, was disputing with that carpenter about it, an English sarkar named Nondoe Kisson came up and asked him, the deponent, why he, a pork-eater, did not want the carpenter to have the fish. That he thereupon told that sarkar that he was a beef-eater. That this person thereupon had him seized by three or four Bengalis, tied up, and given slipper-blows. That the said sarkar thereafter brought him to the shikdar of the English, and asked of him a letter, as he wished to bring him, the deponent, to Calcutta and deliver him to the governor. That the shikdar thereupon said, I will have nothing to do with the matter, bring 623 bring him to his master. That the said sarkar thereupon answered that he would then bring him on his own authority to Calcutta, if the shikdar would not grant him justice in this. That he, the deponent, in the meantime had sent someone to his master to inform him of this incident. That the provost-marshal, coming to him at the kachari with the first four deponents, asked who had beaten him, whereupon he answered that it was that sarkar, pointing to Nondokisson. That his master thereupon gave that sarkar three or four rattan blows, and subsequently took him along and placed him under arrest. The foregoing the deponents testify to contain the pure truth, giving as reasons for their knowledge as in the text, offering, the Bookkeeper Dingshoff for the translation and the deponents their given deposition, to confirm it by oath if required. Thus declared at Hooghly in Bengal, in the presence of Jan Janse and Jacob Coenraed Keiser, clerks, as witnesses. The minute hereof is duly signed. Underneath: had. 18 December Below: Which I attest. Signed: P: Hoff, provisional clerk. Today, the 12th of December 1767, appeared before the undersigned commissioned members of the Council of Justice of this office, assisted by the provisional secretary Pieter Hoff, the deponents mentioned more fully in the foregoing declaration, which, having been read out to them again and made understood in translation by the Bookkeeper Dingshoff, they remained and unalterably persisted therein, confirming this with solemn oaths, namely the Bookkeeper Dingshoff for the translation in the Protestant manner, by raising the two front fingers of the right hand and pronouncing these words: So truly help me God Almighty; and the second, third, fourth, and fifth deponents in the Mohammedan manner, by placing their hands on the Quran and pronouncing these words: If we have spared the truth, it shall not go well with us hereafter; and the first deponent performed this in the Hindustani manner, by 685 18 December taking Ganges water from the hands of a Brahmin and pronouncing these words: If I have spared the truth, I shall never enjoy the Ganges. Thus reviewed and sworn at Hooghly in Bengal, in the presence of the Junior Merchants Hans Carel Baron van Arnein and Leonard Verspijk, members of the Council aforesaid. The minute hereof is duly signed. Underneath: Agrees. Signed: P.r Hoff, provisional secretary. Today, the 14th of December in the year 1767, appeared before me, Pieter Hoff, provisional first sworn clerk of the Bengal secretariat, present the witnesses to be named hereafter, Johan Jacob Muller, chief surgeon on the ship Popkensburg, who, at the requisition of the Honorable George Louis Vernet, Director of the Company's important interests in Bengal, Behar, and Orissa, and for the maintenance of the truth, declared: That in the past month of November, by a written order of his said Honorable, dated the 5th of that month, he was ordered to proceed to the house of the provost-marshal Cornelis van Bemmel, keeping watch at Falta, and there to examine Pr. Hoff
Dutch transcription
18 pln 621 vast binden en papoeren. Dat zy almede gezien hebben dat die serkaer, na dat hy die man papoerslaegen had laten geven naer de Sjegdaer der Engelsche ge rage had. Dat de vierde attestant op het Ver zaek van de comparadoor, naer de geweldige werke aen boord van een der scheepen was, van hit geval ging kennis geven. Dat de geweldige aen de wal en op de Bazaer komende, de drie eerste attestanten zig meede by hem vervoegen en naer de catcherie der Engelschen gegaen waren. Dat de geweldige aen zyn dien naer vroeg, wie hem geslagen had. dat die man daerop zei de, dat het Nondokisson was, die het had laeten doen, hem niet een aenwijzende. Dat de geweldige daerop die der kaer drie a vier slagen met zyn rotting gegeven had, en vervol gens hun attestanten geordon¬ neerd, om denzelven in amerk te neemen. Dat zy zulx gedaen en hem naer het huir van den geweldige ge„ bragt hebben. Dat na dat gedagte sevaertien dagen daer had gezeeten, een oppermeester gekomen, en hem bezigtigd bezigtigd had, waerna hy gelargeert wierd, als niets mankerende erlaerde De vyfde attestant. Dat hy eenige tyd geleeden van zyn meester geordonneert wierd naer de Basaer te gaen om verte kopen. Dat hy op de Bazaer disput niet eens Timmerman van zende negger gekreegen heeft over het koper van een virkakob Dat gedagte Timmerman hem de vir wilde afneemen, daer hij hem reeds gekogten betaeld had. Dat terwyl hy attestant met gene timmerman daerover dis nu teerde, een Engelsch seveaer, genaam Nondoe Kisson daerby gekomen en hem attestant gevraegd had, waerom hy kerken eeter niet wilde hebben, dat de timmerman de virnom. Dat hy daerop tegen die zeraer gezegd had, dat hy een osseneeter was. Dat die selver hem daerop door drie a vier bengaelders liet op vatten, vastbin den en papoerslagen geven. Dat gemelde zeraer hem daerna by de tjegdoe der Engelsche gebragt, en van den zelve gevraegt had, ene een brief, dewyl hy hem attestant naer Calcatta wilde brengen, en aen den gouverneur over leveren Dat de ziegdaar daerop gezegd had, in wil met de zaek niet te doen hebben, brengt 623 brengt hem na zyn Meester. Dat meerm sercaer daerop antwoordde dat hy hem dan op zyn eigen houtje naer kalaatte zou brengen, zo de sjeg door hem daerin geen recht wilde fschaff. Dat hy attestant in turkhen iemand naer zijn meesters gezonden had, om hem van dit voorval kennis te geven. Dat de geweldige met de vier eerste atter, tanten aan de catcherie by hem kom nende gevraegt had, wie hem gesla gen had, waer op hy antwoorde, dat het die sercaer was, wyzende op Nondo kisson. Dat zyn Meester die tecaer daer op drie à vier rotting slagen gege ven, en vervolgens net zig mede genomen, en in arrest gezet Het voorenstaende betuigen de attestanten de zuivere waer heid te behelsen, gevende voor ree denen van weetenschap als in den text, presenteerende den Boekhouder Dingshoff voor de vertoeling en de Attestanten hunne gegevene dispositie der feischt wordende met eede te bevestigen. Aldus verklaert te Hoegei in Ben gale ter presentie van Jan Janse en Jacob Coenaed Keisen klerken als getuigen, de minu, te deser is behoorlijk getekend /:ondert:/ had. 18 xs /onder 2o/ quod attestor /. geterd:/ P: Hoff pelgclercq Heeden den 12 decb 1767 compareer den voor de ondergeteekende gecomten leeden in den Raed van Justitie deezer kantoor gearsisteert van den vl: secretaris Pieter Stoff de attestanten in ommestaen¬ de verklaring breeder vrveld, dewelke hen weder voorgelezen en by vetaling door den Baekhouder Dingshoff te verstaen gegeven zynde, bleeven en daerby onveranderlijk persistee ren, bevestigende zulx net sole neele Eede, namentlijk de Roed houder Dingshoff voor de vertaling op de protestantsche wyze, onder het opsteeren dar twee voorte vingeren van de regter hand en het uiten deese woords zo waerlyk helpe my god almag en de tweede derde wierde en vijfde attestanten op de maha„ medoensche wijse onder het lag¬ gen hunner handen op den Alcoraem en het uiten deezer woorden. zo wy de waerheid gespaart heb¬ ben zal 't ons namaels niet wel gaen. en de eerste attestant verrigte zulx op de hindortansche wijze, onder het tig 685 18 decb het neemen van ganger waater uit handen van een Bramineer en het uite deeze woorden, zo ik de waerheid gespoert hebbe zal ik nooit de ganger genieten. Aldus gerecoleerd en beeedigt te Hoeg li in Beugale ter presentie van de onderkooplieden HansCarel Baron van Arnein en Leonard Verspijk Leeden der Raeds voor meld. De minute deeser in behoorlyk getekend. /:onderstond Accordeert /:get:/ P=r Hoffpssec=ts Heede den 14e x:b Ao 1767. compa- reerde voor my Pieter Hoff provi„ sidneel eerste geswoore klekder beugoelsche secretary present de natenoemene getuigen Johan Jacob Muller, oppenee ster op het schip Popkeusburg Dewelve ter requisitie van den EE Achtb: Heer George Louis Vernet Directeur van sComps importan„ te belangen in Bengale be haer en orissa, en tot voorstand der waerheid verklaerden Dat hy in de tweeden maend November by een schriftelijk en dou„ nantie van welgemelde zijn EE Achtbare, gedateert den 5 dier maend, gelost is, zig te vvoegen aen het huir van den op voltha wagt houdende geveldige Cornelis van Bemmel, en aldaer te visen teeren Pr. Hoff
English
treat a native named Nander Loeder. That on November 7 he went there, examined the said native, and found that the left eye was inflamed, accompanied by a simple contusion and suffusion of blood, and some superficial welts across the back caused by some cane blows, but without danger. The affiant affirmed the above to contain the pure truth, giving as reasons for his knowledge as in law, presenting his given deposition to be confirmed by oath if required. Thus declared at Hoegli in Bengale in the presence of Jan Vermeulen and Jacob Coenraed Keisen, clerks, as witnesses. The original of this is duly signed; underneath stood: quod attestor; signed: P. Hoff, First Clerk. Today, December 15, Ao 1767, appeared before the undersigned delegated members of the Council of Justice of this office, assisted by the First Secretary P. Hoff, The affiant more fully mentioned in the preceding declaration, which having been read to him again, he persisted therewith and unalterably, confirming the same with a solemn oath, raising the two front fingers of the right hand, and uttering these words: So truly help me God Almighty. Thus Thus re-examined and sworn at Hoegli in Bengale in the presence of the Junior Merchants Haas Corel Baron van Arnen and Lenaerd Verspyk, members of the aforementioned court. The original of this is duly signed; underneath stood: agrees; signed: P. Hoff, Secretary. Today, December 10, Ao 1767, appeared before me, Fredrik Thost, sworn clerk of the Bengal secretariat, present the witnesses to be named hereinafter, Rania, Rottong, Dattarina, and Losman, native women, as well as Bolleram Holdaer, Assenulla, shikdar of the kachari at the so-called Sictermans garden, Saffer and Davis, peons of the Titular Merchant, Fiscal and Postmaster Louis de Sommaire, and Leggernaat, silk weaver residing here, and assisted by the Bookkeeper Adrianus Dingshoff as Interpreter. Who, at the requisition of the Honorable Lord George Louis Vernet, Director in Bengale, Behaer, and Orixa, declared, and first the four appearers Rania, Rottong, Dattarina, and Losman, both each individually and together: That That on the 4th of this current month, when they, the first appearers, were sleeping in their house, after midnight there was a knocking on their door. That she, the first appearer, having gotten up to see who was there, noticed that some Europeans were in front of her door, whereby she, becoming frightened, did not want to open it. That the said Europeans, because the door was not opened, broke it open with violence and entered the house. That she, the appearer, during that violence, had meanwhile hidden her daughter, the second appearer, in another room, and made her crawl under a cot. That the Europeans having forced their way into the house, four in number, also came into that room, and as the said second appearer also testified, lifted the cot, dragged her out from under it, and beat her pitifully, so that she remained lying there as if half dead. That she, the first appearer, being distressed over this violence and calling for help, had her hands tied by a servant of the aforementioned Europeans and by order of the same, and was mistreated with blows, declaring Declaring also the third appearer, Dattarina, that upon this screaming she came outside, and seeing this violence, addressed the Europeans, asking why they were mistreating those people so, keeping the mother bound, and beating the daughter so, but that she too, when she also raised an alarm by crying Douay, was pitifully kicked and beaten by them, so that she fell down from it. That the aforementioned Europeans thereafter went into another place where the fourth appearer was staying, the same, or Losman, declaring that hearing this commotion she had kept very quiet on a cot out of anguish. That the Europeans aforesaid, having arrived at her place, grabbed her to do violence to her, but that the same, when she tried to resist them, was also kicked, shoved, and beaten by them until she fainted. Declaring further the fifth appearer, Bolleram Holdaer, that around that time, or at midnight, coming from the house of the Lord Fiscal to go home, and hearing such a commotion and violence here, went thither. Went. That coming into that house and seeing that these women were being so mistreated, namely the one tied up and the others beaten, he addressed the Europeans aforesaid, whom he testified to be four Englishmen, saying that this was not right, and that if they would go with him, he would procure prettier girls for them. That the Englishmen thereupon drew their sidearms to beat him, but that he fled from this and ran to the kachari to make this known to the shikdar. This one declaring, being the sixth appearer, Assenulla, that when the said Bolleram came to him there that night and gave him notice of this, he was sitting in the kachari with only two peons and one paik. That he sent the said paik and the two peons to that house to see what was going on there. That also two peons of the Lord Fiscal, named Saffer and Davis, passing by the kachari, he, the appearer, called out to them and said that some Englishmen had forced their way into a house
Dutch transcription
teeren een Jnlander genaamt Nander Loeder. Dat hy den 7 November zig aldaar heeft ver„ voegt gemelde inlander bezigtigt en be vonden heeft, dat het liiker oog g'inflameet war, verzelt met een simple contutie en onsteltwif uit bloed, en eenige saperfilide le striemen, over de rugge veroorwaekt door eenige rotting sloegen, dog zonder ge„ van. Het voorenstaende betuigde de Attestant de zuivere waerheid te behelten gevende voor reedenen van wetenschap als in den regt presenterende zyne gegeve depositie des vereischt wordende met eede te bevesti„ gen. Aldus verklaerd te Hoegli in Bengale ter presentie van Jan Vermeuten en Jacob Coen raedkeisen klerken als getuigen. De minute deser is behoorlijk getekend /: onder stond:/ quod attestor /:get=d / R Hoff WEgClerq. Heeden den 15 decembr Ao 1767 compareerde voor de onder geteekende gecommitdde. Leeden in den Raed van de Iustitie dezer kantoor gearsisteert van den 1l: Secretarir Pr. Hoff De attestrnct in ommestaende ver„ klaring breeder vermeld, dewelke hem weder voorgelezen zijnde, bleef hy daerbij en veranderlijk persisteeren, bevestigende zulx met solemneele eede, onder het opsteeken der twee voorste vingeren van de regter hand, en het uiten deeser woorden, zo waerlijk helpe my God almagtig. Aldus 627 Aldus gerecoleerden b'eedigt te Hoegle in Bengale ter preven tie van de onderkoplieden Haas Corel Baron van Arnen, en Legnard Verspyk leeden der hoede voormeld. de minute dese is behoorlijk getekend /: onderstond accordeert /:getekend:/ P Hoff &eca Heeden den 10 december Ao 1767 compareerde voor mi Fredrik Thost, geswone kearse der bengaelsche secretarije, present de natenoemene getuige, Rania Rottong, Battavina en Losman inlandsche vrouwlieden, mitsga der, Bolleramholdaer / Assenul, la, sieg daer van de katjerie op de zogenoemde Sictemans boever, saf„ fer en Davis, pions van den Titu„ lain koopman, Pirceel en Dorss„ meester Louis de sommaire, en Leggernaat welkbaer alhier woon achtig, en door den Boekhou„ der Adrianus Dingshoff als Tolk g'assisteert. Dewelke ter requisitie van dEE Achtbare Heer George Louir Vernet, Dircc teur in Beugale, Behaer en erissa verklaerden, en eerstelij de vier comparanten Ranaa Rotteng, Dattarina, en Losman, zowel ieder afsonderlijk als te samen. Dat 18 pk Dat er op den 4 yk jongstleeden, wanneer zy zer, ste comparanten in haer huirbuyte slapen na middernagt op haer deur wier gevlept. Dat zy eerste Comparante opgestaen zijn de, om tezien wie er was, gewaar wierd, en eenige Europeesen voor haer deur waren, waerdoor zy bevreerd wordende niet had willen open doen. Dat gemelde Europeesen, dewijl de deur niet wierd opengedaen, dezel„ ve niet geweld hadden opengebroo= ken en uit huir waren ingedaan, Dat zy comparanten, geduurende dat geweld, haer dogter de tweede com paranten, intussen in een ander kamer had verschuilt, en onder een kadel doen kruipen. Dat de Europeesen in het huir zijn, de ingedrongen, vier uitgetal, mede in die kameer waren gekomen, en zo als gemelde tweede comparante mee de betuigde de kadel hadden opge digt, haer daeronder weggesleept, en deerlijk geslaegen, dat zy er als half dood bleef leggen. Dat haer eerste comparante over dit geweld genaer wonende, en om hullt roepende, door een dienaer van voor„ noemde europeeren, en op ordre van deselve de handen wierde vastgebon, den, en zy niet slaage mishandele verklarende gen. 683. 18 xbr Verklarende mede de derde compa rante Dattorina, dat zy op dit geschreuw buiten komende, en dit geweld ziende, de Euroneesen hadde toegesprooken, waerom zij die lieden zo uurhandelden, de moeder gebonden hielde, en de dogter so sloegen, maer dat zy meede wanneer zy ook met het roepen van Douay gevaer maekten, door hen lieden dierlyk gekcopt en geslae gen wierd, dat zy er by ueer viel. Dat voormelde Euroneeren daarnan in een ander plaats, waer de vierde comparante zig ophield, waren gegaen, verklarende dezelve, ofte„ Losman, dat zy dit leeven hooren de zig op een kadel uit benauwtheid heel stil had gehouden. Dat de Eur opeezen voormeld by haer geverven zijnde haer hadden aengepakt, om geweld aente doen, maer dat dezelve, wanneer se had gesogt, hen lieden tegen te staen, haer mede tot flauw worden toe geschopt, gestooten, en geslagen hadden. Verklarende wijders de vyfde comparant Bollecam Moldaer, dat hy om die tyd, ofte by middermagt van het huir van de heer Ficiael komende, om na huir te gaen, en hier so een leven en geweld hoorende, derwaerd was was gegaen Dat hy in dat huir komende en zien de, dat deese vrouwlieden zo uirhan delt wierden, nawelijk de eene vast gebonden, en de andere gesla„ gen, de Euroreesen voormeld, die hy betuigde vier Engelsche te weeren, had toegesprooven, dat zulx niet wel war, en dat indien zy met hem wilde gaen, hy hen mooijere meide zoude besorgen. Dat de Engelsche daerop hun zydgewees hadden getrokken, ean hem te slaen, maer dat hy sulx ont vlugt was, en na de katiherie geloopen, om zulx den sieg daer te kennen te geeven. Verklarende deze, zynde den ter de comparant, Assenulla, dat wanneer gemelde Bolle„ ram die nacht by hem aldaer was gekomen, en hem hiervan kennir had gegeven, hy alleen met twee in ons en een pack inde Cateherie had gezeeten, Dat hy gemelde paik en de twee Pions, na dat huer had gesonden, om te zien, wat daer te dien viel. Dat meede twee pions van de heer Fircael in naame satter en Davis de katiherie voor by komende hy comparant dezelve hadde aen, geroepen, en gezegt, dat er eenige Engelschen in een huir ingedaan gen
English
had gone, and were committing violence, that he had indeed sent three peons after them to settle the matter, but that he nevertheless feared that this might not succeed, because the Englishmen sometimes could not understand them, and that both of them for that reason, being better able to speak with them, might go there to quell that disturbance. That both of them had also departed, and he, the appearer, had remained alone in the cutcherry. Now declaring the peon Taffer, the seventh appearer in this matter, That he, wishing to go home with the peon Dauir at night after two o'clock, was hailed near the cutcherry by the aforementioned sirdar and requested to go to the house of a native woman, where some Englishmen were committing great violence, and likewise to try to settle the same. That he, the appearer, having arrived there, had seen the aforementioned four Englishmen, and also that the old woman Rauia was bound by the hands and the other women were pitifully beaten. That he had been asked by the Englishmen who he was, and that he had answered that he was a peon of the fiscal; That he had then spoken to them kindly, asking why they treated the people so pitifully, since it would be better, if they wanted something from them, to seek it in goodness and quietly. That his companion, Dauir, had stood at the door during that time, but now also came up and addressed them in the Moorish language to the same effect as what he, the appearer, had told them in Portuguese. That one of the Englishmen had thereupon seized Dauir, dragged him outside and beaten him, while the other three had held him, the appearer, fast and given him some punches. That he, the appearer, had nevertheless finally wrestled with the three Englishmen for so long that he broke free from them and took flight to the cutcherry. That the Englishmen then also let Davir go, and all four pursued him, the appearer, with drawn sidearms. That he, the appearer, coming to the sirdar, related what had happened to him and also said that because they were only the two of them there, and not strong enough to resist the Englishmen, it was better for them to hide; Both of them declaring together that they then both hid themselves in a room and closed the door behind them. That the Englishmen had come up the stairs cursing and swearing and had knocked at the door, and when they could not get it open, thrust through the window with their drawn sidearms. That they, however, seeing that they could not reach them, had gone down the stairs again, whereupon they, the appearers, heard the peon Dauir screaming and calling for help, without having seen what harmed him. That they, the appearers, finally went down quietly on the other side of the stairs, and betook themselves to the house of the lord fiscal to report what had occurred. Furthermore the eighth appearer, Dauir, declared, namely: That he, having gone with the aforementioned Taffer on the order of the sirdar to the more mentioned house, had also seen that the old woman was bound and that the other maidservants were beaten by the aforementioned Englishmen; That he had addressed the Englishmen in Moorish not to treat the people in such a manner, but rather to treat them quietly and kindly, as they could then better come to an understanding with them. That the Englishmen, upon this saying, had immediately dealt him some blows, whereby he had retreated outside. That after the Englishmen had also beaten the second peon, Taffer, and pursued the same, who had taken to flight, he had also gone to the cutcherry. That because the aforementioned Taffer had run up the stairs of the cutcherry, the aforementioned Englishmen had seized him, the appearer, at the foot of the stairs and beaten him. That he had thereupon screamed and called for help, wherefore the Englishmen had beaten him even more, and one of them had thrust him under the eye with a sidearm. That he, the appearer, had thereupon told them that they should not beat him, because he would then be forced to give notice of it to the lord fiscal. That the Englishmen had then answered, come, if you want to go to the fiscal we will go along, whereupon they had seized him and brought him to the fiscal. That he, arriving at the fiscal's and the latter coming downstairs, related to His Honour this occurrence just as it had happened, and showed him, in the presence of the said Englishmen, the mistreatment done to him. Finally, the ninth appearer, Leggenaer, milkman, declared: That while strolling through the street where the aforementioned Rauia lives on the aforementioned night, he heard a great noise in her house; That standing and looking after that, he had seen that four Englishmen had come out of that house, and that the same chased some peons, who had also been there, out of the house and pursued them with drawn sidearms. That the peons taking to flight, he had also followed as far as the bazaar, where he remained standing. That he has seen that two of the aforementioned Englishmen, who had all pursued the peons, had gone up the stairs of the cutcherry, and the other two had remained below. That he, the appearer, did not see what the two who had gone up the stairs did there, but indeed that those standing below had seized the peon Dauir, insulted and beaten him, as well as on the
Dutch transcription
631 gen woren, en geweld maekten, dat hy wel drie pionser nazoe gezonden had, om zulx te stellen maer dat hy echter vneerden dat zulx niet gelukken mogte; dewijl de Engelsche hen somwijle niet kom, den verstaen, en dat zy beide om die reeden, als beeter net hem spreeken konnende er eens mogten natoegoaen, om die rumoer te stellen. Dat die beide ook vertrokken woren, en hy Comparants alleene in de catchevrie gebleeven. Verklarende als nu de Tion Taffer de zevende comparant in dezen Dat hy net de Pion Dauirsnagts na twee uuren na huir willende gaen, by de catiherie door weermelde zegdaer was aengeroepen, en ver„ sagt, na het huir van een inlandsche vrouw te gaen, alwaer eenige Engel, schen een groot geweld a deden mitsgader hetzelve zoeke te stellen. Dat hy comparant daer gekomen zynde, voormelde vier Engelsche ge, zien had, als meede, dat de oude vrouw Rauia aen de hande ge¬ bonden en de andere Vrouwlieden deerlijk geslaegen waren. Dat hy door de Engelschen gevraegt, was geworden, wie hy was, en dat hy geantwoord had, niom van de fircael 18 vrso fircceel te wesen; Dat hy hen als dan vriendelijk toe gesprooken had, waerom zy de menschen zo deerlijk handelden, dewyl het beter ware, in die zij iets van hem hebben wilde, zulx niet goe„ de en stil te zoeken. Dat zyn marker, Daair, dier tid aen de deur had gestaen, maer nu ook by quam, en hett zelve in 't voorsch, wat hy comparant hem lieden in 't portugeesch gezegt hadde, toespaak. Dat eene der Engelschen, hierop Dauir aengepaat, na buiten getrouken en geslagen had, terwijl de andere drie hem comparant hadden vast gehouden en eenige stompje gege ven. Dat hy Comparant egter eindelijk zo lange met de drie engelsche ge worstelt hadde, dat hy van hen loraald ten, en de loop na de cattherrie nam. Dat de Engelsche als dan Davir mede lor lieten, en hem compa„ rant alle vier niet bloote dezere vervolgden. Dat hy comparant by de Liegd=e komende hemhet voorgevallenen had fhaeld, en meede gezegd, dat dewyl ze daer maer met hun beide waren, en niet sterk genoegen de engelsche tegen te staen, het maer bert 633 18 pt bert wor zig te verschuilen verklarende tweis zy beide tesamen, dat zy zig als toen alle beide in een kamer ver„ stoken, en de deur agter zig geslooten hadden. Dat de Eegelsche de tras net schelen den en vloeken boven waren gekomen, en aen de deur ge klopt hadden, mitsgaders wan, neer dezelve niet open konden krij gen, met hunne bloote dezen door het venster gestooken. Dat zy ieter ziende, hen niet te kunnen roren, weer de trap woren afgegaen, wan veer zij comparanten de Pion Daair hoorden schreeuwen, en om hulre roeren, zonder gezien te hebben, wat hem deerde. Dat zy Comparanten einde lijk op de andere zide van de trap stil woren afgegaen, en zig na het heur van de heer Fircael begeven om het gepasseerde te aapporteeren. wijders verklaerde de agtste compt Daair namelijk Dat hy met de voormelde softer op ordre van den zieg daer na meer genoemde huir gegaen zijnde meede gezig had, dat de oude vrouw gebonden was, en dat de andere meide door voormelde Engelsche geslagen wierden Dat Dat hy in tmoorsch de Engel leke toegesprooken had, om de menschen zodanig niet te behon delen, maer hem lieve stil en loet te tacteeren, wanneer ze beeter met hen te recht konde wazen. Dat de Engelschen hem op dit zeg„ gen immediaat eenige opstopper hadden toegedeelt waerdoor hy zig na buiten geretineerd hadde. Dat hy, na dat de Engelsche de tweede pion Sotter meede geclopt hadden, en den zelve, diet op den loopen had gezet, vervolgd mede na de Cattherie waren gegaen. Dat dewyl voormelde Taffer de trap van de Catcherrie opgelopen wor, de voormelde Engel che hem comparant beneden de trap aen gepout had een en gekclopt. Dat hy daer op geschreeu ut hadde en om hulpen geroepen, waardoor de Engelsche hem nog meer geklopt hadden, en eene derzelve hem wert zydgeweer onder het oogword gestoo„ Dat hy comparant daerop aes derd, ken. ve gezegt hadde, dat ze hem niet wilde slaen, want dat hy alsdan genoodzaekt was, de Heer Fircael erkenuir van te ge„ Dat de leegelsche, als dan geantwoord hadden, kom als gy na de Fircael wil den gae we wie, warop zy hem aenge„ pakt hadden, en na de fircael gebragt hadden. Dat hy by de Pircael en dezelve bene„ ven. de 635 den komende, zoude, hy syn Edele dit gepasseerde zo als gebeurd war ver haeld, en hun in presentie van de gemelde Engelsche aen hem gedaene mishandeling getrourd had. eindelyk verklaerde de negende comparant Leggenaer Melkboer. Dat hy opgemelde nogt de straat, waer genoemde Ravia woond, door kuierende, in haer huir en groot gevaer heeft gehoort: Dat hy daerna staende kyzen, ge„ tien had, dat vier legelschen uit dat huir waren gekomen, mitsgaders dat dezelve eenige nions, die daer mede waren geweest uit het huis joe„ gemen met het bloote zydgeweer vervolgden. Dat de piour aen t loopen gaende hy meede gevolgt was, tot op de bazaer, waer hy is blyven staen. Dat hy gezien heeft, dat twee der voornoemde engelschen ^ die alle de pionr hadden vervolgt, de trap van t Cacterrie waren opgegaen, en de andere beide beneeden gebleeven. Dat hy Comparant niet gesien heeft, wat de beide, die de trop waren opgegaen, daer gedaen hebben, maer wel, dat de benee„ den staende, de rion Dauir hadden aangerakt, hem uitgescholden en geslagen, mitsgaders op het
English
18 December. calling for help, had thrust the sidearm beneath his eye; that the English, after the four of them had seized him, had taken the road up to the fort with him, whereupon he, the deponent, went on his way. The deponents declared the foregoing to contain the pure truth, giving as reasons for their knowledge those stated in the text; the Bookkeeper Dingshoff offering to confirm the translation, and the deponents their given deposition, with an oath if required. Thus declared in Hoegli in Bengal in the presence of Hendrik Albregt Dolle and Jan Janse Clercq as witnesses. The original minute of this is duly signed. Below stood: which I attest. Signed: F. Thold, clerk. Today, the 12th of December, Anno 1767, appeared before the undersigned delegated members of the Council of Justice of this factory, assisted by the provisional secretary Pieter Hoff, the deponents in the declaration mentioned on the other side, which having been read to them again and made intelligible by translation through the bookkeeper Dingshoff, they unalterably persisted therein, confirming the same by solemn oath; namely the bookkeeper Dingshoff in the Dutch manner by raising the first two fingers of the right hand and uttering these words: "So truly help me God Almighty." The sixth, seventh, and eighth deponent in the Moorish manner by placing their hands upon the Quran and uttering the following: "If we have concealed the truth, it will not go well with us hereafter." And the first, second, third, fourth, fifth, and ninth in the Hindustani manner by taking Ganges water from the hands of a Brahmin and uttering these words: "If we have concealed the truth, we shall never enjoy the Ganges." Thus recollected and sworn at Hoegli in Bengal in the presence of Hans Carel Baron van Arnim and Leonard Verspyk, members of the aforementioned council. The original minute of this is duly signed. Reply to the Calcutta administration. Upon which sufficient evidence His Honor had further justified the conduct of our people, virtually in the same terms as those the English gentlemen had made use of, in the reply which His Honor further produced in the meeting, and whereby, along with the dispatch of a copy of Mr. Verelst's letter, it is also made known that the reply of him, the Director, could not be said to be stranger than that of the said Governor; furthermore, that Their Honors, upon closer examination of the circumstances, would be convinced of the violent acts of their servants by their forcefully carrying off and mistreating a person who is under the protection signed, below stood: Agrees, was signed: P. Hoff, Secretary. of our flag, solely because he would not surrender that which he had bought and paid for in an open market; His Honor also pressing upon them, with the very same words and remarks as the British, that this outrage deserved the highest punishment, and that the demand for satisfaction made by the same in the name of our Company must be viewed in the same light as that of their governor; finally showing that they in all fairness could do nothing other than refuse satisfaction, and not punish the aforementioned Nonde Kisson as the principal aggressor, because our people had taken the law into their own hands, concerning which, however, they had not failed to reprimand them sharply, with the request that they also severely rebuke their servants for their insolence, so that no further disagreements may arise between them, regarding which one could not, however, refrain from pointing out to Their Honors that all the difficulties that occur have continually arisen through the actions of their people, to which end explicit reference was made to the aforementioned attestation against Wallen and Tielason, who, it was lastly requested, might be corrected, but not prosecuted to the full extent of the law. All of which having been taken into careful consideration, and the view of the Director being unanimously approved, it was resolved to conform entirely to the aforesaid reply, and to dispatch it accordingly. Lastly, it was resolved to note here the declaration of the Director that His Honor had canceled the commission to Soerel resolved upon in the meeting of the 21st of last month, since matters there have since changed for the better, and the textiles have departed unmolested, and the Company has thus been spared the expenses that would otherwise have fallen upon the execution thereof. Done at Hoegli in Bengal, date as above. Signed: G. L. Vernet, M. Bsiuik, J. H. Liemeer, . . . . . . . . . Louis de Jaurai, L. J. A. Adamus, Saublilbracht, secretary. Saturday, the 26th of December, Anno 1767. Report of Ross on his commission to the aurangs. In the afternoon, absent the members Lafont, Koning, Ross, and Adamus; the first three due to indisposition and the last on account of duties in the service. Insertion of the report. Was read the written report requested in the meeting of the 21st of July last from the titular merchant Johannes Matthias Ross concerning the course and outcome of the commission to the aurangs charged to him by common resolution of the 4th of March of this year, accompanied by fourteen annexes serving to substantiate that which he brings forward in the aforesaid report, which is inserted here. To
Dutch transcription
18 xt. roepen van hulp met het zydge„ weer onder het ooggestooken had, Dat de Engelschen, na dat ze tem Dauir, met hun vier aenge part en den weg na het fort opge, bragt hadden, wanneer hij comparant syn weegs daar gegaen. Het voorenstaende betuig den de attestanten de zuive„ re waerheid te behelsen, geven de voor reedenen van weeten¬ schap, als in den text. presentee rende den Boekhouder Dingshoffs voor de vertaling en de attestan„ ten huuwe gegevene deposi„ die der vereischt wordende met eede te sterken. Aldus verklaerd te Hoegli in Bengale ter presentie van Hendrik Albreyt Dolle en Jan Janse Clerken als getuigen de minute deser is behoor= lyk getekent /:onderstond:/ quod attester /:get:/ F Thold gClercq: Heede den 12 decembr Ao 1767 compareerden voor den ondergetee kende gecommitt„d Leeden in de Raed van Justitie deser Comp¬ toirs geassisteert van den provs: secretaris Pieter Hoff De Attestanten in ommestan de verklaring breeder verield dewelke hun weder voorge den. lezen 637 18 xt leezen, en by vertaling door den boek zouder Diugshoff te verstaen ge¬ geven zynde, bleeven zy deer by on veranderlyk persisteeren, beverti gende sulx met solemneele eede, namentlijk de boekhouder Dirgshoff op de pooterlantsche wyze onder het opsteeken der twee voor de vingeren van de regter hand en het uiter deezer woorden zo waerlijk helpe wy god Almagtig De zesde zevende agtrte attestant op de moorsche wyze, onder het leggen huuver houden op de alcoraen, en het uitspreeken van t volgende zo wy de waerheid gespoerd hebben zal tonr namaals niet wel gaen. en de eerste tweede, derde vier„ de vifde en negende op de kindo„ stansche wyze onder het neemen van ganger water uit handen van een bramineer en uitspreeven van deeze woorden. zo wy de waerheid gespoert heb, ben zullen wy nooit de ganger genieten. Aldus gerecolleerd en beeedigt se Hoegei in Bengale ter pre sentie van Hans Carel Ba¬ aan van Arninu, en Leonard verspyk leeden der raedt voormeld De minute deeser is behoorlyk geteekend antwoordoen het kalkatsch ministerie op welke genoeg doende bewyzen zijn E Achtbare het gedrag van de onre genoegsaem in dezelve ben woording als waervan de Heeren Engelschen gebruik moehten na der had gerechtvaerdigt by het ant woord, dat zijn E Achtbare verder ter resitie produceerde, en waerby onder toezending van een copy van des Heeren Verelsts brief ook word te keunden gegeven, dat het antwoord van hem Heere De, tecteur niet gezegt kon worden vreemder te zijn, als dat van gemelde Heer Gouverneur, voort dat Haar Edelens by eene nadere beschouwing van de omstandighet den overtuigd souden zijn van de violentien hunner bedienden door te dieroen niet geweld te vervoeren en uir bandelen een persoon, die onder de bescherein geteekend. /:onderstond:/ Accordeert /:was getekend:/ P Hoff s Secrets van 633 van onse vlag is alleen, om dat hy geen afstand had wille doen van het geen, hy op een vrije plaats ge, en betaeld kocht had, drigende zyn EE Achtbaae daerby ook met dezelve woorde en aanmerkingen als de Britten aen, dat die uir daad ten hoogsten staf verdiende, en dat de eisch van voldoening in den naem van onsen compe door denselve gedaen in een gelijk gezichtspuit moet worden beschouwd, als die van hunnen gouverneur, eindelijk veroonende, dat zy na beleykheid niet ander konden doen, als satisfactie te weigeren, en voormelde Nonde Kisson als den voornoemste aggresteur niet te straften, om dat de onze zig zel, ve recht hadden verschaft, waerover men echter niet had gemanqueert hun scherp te reprimendeeren, met verzoek dat zy hunne be„ dienden over hunne mreede„ lykheid ook staengelijk wilden berispen, op dat er geene meerder oneenigheid 18 xt besluit om van de commissie na soerel afterig oeenigheiden tusschen dezelve ontstaen mogen, waervan men echter niet ofkom hun Edelens te verwyzen, dat alle de moeielykhee den, die er voorkomen geduurig door toedoen van de hunne ge„ reezen zijn, ten welken fine men zig wel expresselijk beriep op de voor„ meede attestatie tegen wallen en Tielason, die wen laestelyk versocht, dat geçorrigeert, maer niet na exigentie van zaeken gestreeft mogten worden. Al het welk in aandachtig over„ weging genomen, en het gevoe„ len van den Heer Directeur een, parig g'aggreeerd zynde is ver„ staan, zig net het voornzout, woord ten vollen te conformee„ ren, en het zelve also te laten afgaen. Laestelik is verstaen alhier te no¬ teeren de verklaring van den Htee„ ie Directeur, dat zijn EE Achtbee ce van de ter sestie van den 21 der 641 der voorleeden maend vastge stelde commissie naer soerel had afgezig vermits zeedert de zueeken aldaer ten goede verander, en de Lywaten en gemolesteert vertrokken zyn, en dE Compagnie dus bevrijd heeft konnen blijven van de ongelden, die ander by de uitvoering van dien zoude gevallen weren. Actum Hoeger in Bengale datum ut surra /:getekent:/ G: L: Vernet M: Bsiuik I H: Liemeer. . . - - . . . . . . . . . Louir de Jaurai Le. I. A. Adamnur Saublilbracht pesec=t aturdag 18 xbi Saturdag den 26 december Ao 1767. rigt van Rossemtrenk zyne conmissie na de orreng. sagtermiddags, absent de Leden Lafent Koning, Rossen Hagtadamius de drie eerte uits indispositie en de laeste door occuratie in den dienst invertie van het be„ Is geleezen het ter sessie van den 21 Iuli lastleeden gerequireerde schriftelijk bericht van den koop, man titulair Iohannes Mathius Ross aengaende de loop en uitslag van de hem by gemeen arrest van den 4e Maart dezer Jaers gedeman deerde commissie naer de onrenge verzeld van veertien bijlagen, die nende tot adstructie van het geen hy by het voorsz bericht komt te bezoo„ gen, het welk alhier g'insereert word Aan
English
To the Honorable Lord George Louis Vernet, Director of the Honorable Company's Important Trade and further interests, together with the Members of the Political Council at Hoogly. Honorable Lord and Respected Councillors. I judge it unnecessary, and therefore superfluous, to detail here to Your Honors and Worships the weight and difficulty of the commission which it pleased the same to assign to me on the 4th of March last; namely, to undertake, together with the English delegates appointed to that end, an accurate survey of all linen aurungs, more fully expressed in my instructions under Appendix letter A. These are abundantly known to Your Honors and Worships, and unfold themselves as well as the necessity thereof clearly enough, if one only considers and takes into account their valuable products, the decline and the unheard-of vexation regarding the collection thereof for some years past, as well as the considerable profits which the Honorable Company once obtained through their sale, together with the influence and advantage that redound from them to the general state of the Netherlands and its subjects. However difficult and almost impossible a complete execution of this charge appeared to me in the beginning, it was nevertheless the aforementioned motives that caused me to accept it not without pleasure, spurred me on, and established a firm resolution to employ all abilities, zeal, and application to bring it, if not to full completion, at least as near to execution as ever possible, and thus not only to answer Your Honors' and Worships' expectations, but also thereby to indemnify the Honorable Company in some measure for the heavy expenses which this costly journey was destined to amount to. Having laid this foundation, I was immediately intent on suitable means, both to obtain all elucidations concerning circumstances which were necessarily required for the execution, and to overcome all obstacles that could be foreseen; I informed myself thoroughly on the one hand, while on the other I studied as far as my acquired knowledge of this country and its appendages permitted. Proceeding herewith to a beginning of the commission, it was Saturday the 11th of April that nothing was yet heard from the English side concerning the same, wherefore Your Honors thought proper to send us, together with the merchant Marten Koning, since appointed as the second in the commission, to Calcutta to the aforesaid Governor, in order to learn what were the reasons that, pursuant to His Honor's own determination, it had made no progress on the 25th of the last-passed month, as well as when their commissioners would be ready for it, as we had already been since the aforementioned date. Having spent the 12th at his country seat, the said Governor returned to Calcutta on the morning of the 13th, whereupon we immediately went to see His Honor and discharged our charge. His Honor answered that multiple businesses, owing to the dispatch of their return ships, of which the last was to receive its papers today, had been partly the cause of this delay; that he had, however, long since warned the commissioners on their side, Messrs. John Bathoe and Claude Delaporte, to hold themselves in readiness, so that they could go with us in a few days, and that he would convene an extraordinary meeting tomorrow for their appointment. However, paying a visit to the said appointed gentlemen, they declared to us that they could not be ready for that journey within 14 days, and thus that we could quietly return to Chinsurah for that time. We decided, however, first to wait and see what might happen in the meeting tomorrow concerning it. We went therefore the following day, or the 14th in the evening at 6 o'clock, to the Governor aforesaid, making known to His Honor that we had understood from their commissioners that they could not depart for a long time yet; that, not waiting for them during that time, we could spend it usefully and necessarily at Chinsurah, and therefore had decided to return thither; that we would, however, hold ourselves ready to come back as soon as they were ready. His Honor showed himself very displeased with the said gentlemen, persisting that he had already long since warned them to hold themselves ready, adding thereto that he would order them, when ready, to come and fetch us at Chinsurah. Herewith ended this mission of Your Honors. Thereupon I received on the evening of the 21st thereafter a letter from Mr. Delaporte under that date, mainly containing that he with Mr. Bathoe would depart for Cutwa on the 27th and would await us on the 4th of May next at Soanabatta, to make a beginning with the commission there, namely, with the aurungs Harripaul and Dhaniakhali; that having done this here, we would go to Chandrakona, and then return home by water; that we could then afterwards go to Santipore, etc.; with the addition that I could easily gather from this that they had no orders to go to all aurungs; furthermore, that he would not be able to fetch me pursuant to their agreement, as their gentlemen had understood that this would be very much out of their way. The French gentlemen, who had since also entered into this commission, having also received a similar letter from Mr. Delaporte, and having thereupon decided immediately to send their commissioners appointed to the same, Messrs. Roeland and Desgranges, to Calcutta, it pleased Your Honors also to let us go thither, as the Governor aforesaid, as was learned, was on the point of his departure for the upper provinces.
Dutch transcription
643 Aan den welEdelen Achtbare Heer George Louir Venet Directeur over s EComps importanten Handel en verdere belangen bene, vens de Leden van den Politieve Raad te Hoeyli Weledele Achtbaare Heer en Gerespecteerde Raeden. Oordeele het eene onnodigheid en dus overbodig uwelEd Achtbaere en Edelens alhier de gewigtige en moeisaamheid der kommissie te detailleeren, welke het dezelve behangd heeft my den 4 maert jongstleeden op te dragen, namelyk oom met de Engelsche, ten dien ein, de mede gecommitt eenen accuraten opneem van alle Lywaet oareyt te doen breeder by mijne instruc, tie onder de bylagen La A geexpaer¬ seert, deselve zijn UwelEde Achtb: en Ees ten overvloede bekent, en ontvouwen zig zo wel als de noodzadelyk„ heid van dien genoeg van zelfs, zo men maer gode slaat en in aanwer„ king neemt, derzelver kostbare pooduiten t verval en de onge¬ hoorde veratie omtrent den inzoem daervan zedert eenige Jaren her¬ waerds, mitsgaders de oorsiderabe, len voordeele, welke dE maatschap, pye wel eer by verkoop daerdoor be„ halden haelden, mitsgadsde influentie en al latie, welke uit dezelve op den alge meene staat van Nederlanden derzelve in gezeekenen redundeeren. Hoe swaar en by na onmogelijk my ook eene volleedige executie van desen last in den beginne toescheen, waren het egter de hiervoor aenge¬ koelde motiven, die ze nog neet vermaak deden aanvaerden my aenspoorden en een vast voo neemen desen vertigen, alle vermogens iever en applicatien aen te wenden, om ze wonen het niet ten vollen, ten minsten zo na im„ mer mogelijk ter uitvoer te brengen, en dur niet alleen aen uwelEde Achtbare en Edelens verwagting te beantwoorden, waer ook daer door d E Maatschapper muirute des domageeren van de swaren ongelden welke deeze korkbaren voyage stond te beloopen. Dese grond gelegd hebbende was ik ten eersten bedagt op be„ kwaame middelen, zo ter verkrijging van alle elucidatien omtrent omstan digheeden, welke tot de executie werdende nootwendig maesten exteeren, alrter over koming van alle obstaciten, welde konde voorzig, ik informeerde my dea allerwegen, omtrent het eene, terwijl omtrent 66 omtrent het andere studeede zo verre myne verkreegene kundigheeden van dit landen den aenkleve van dien permitteerden. Hier mede tot een begin der commissie overgaende wor het saturdag den 11 april, dat men nog niets van der Engel schen zyde nopens denzelve vernam, waer om uwelEdele Achtb: goedvond, wij be, nevens den zeedert tot Tweeden in de Com missie benoemden koopman Maati uu koning na kalkatta aen den gouver neur voormeld te zenden; omme een te verneemen, wat of de reeden waren, dezelve ingevolge zyn Edelens zelfs ge doene bepaling den 25 der jongstgeper, seerde maend geen voortgang genomen had, mitsgader wanneer kunne gecom„ mitteerden daertoe gereed zoude wezen. gelyk wy zeedert opgemelde datum reeds geweest waren. gemelde gouder neur den 12 op zyne buitenplaats door gebragt hebbende, zwam den 13s mor gens weder te kalkatta, wanneer wy zyn Ed ten eersten ginge zien, en onse last bewerkstelligden: zyn E antwoorde en, dat meenigvoldige beesigheeden mits de depeche hunner retourschee pen, van de welke & laaste heeden zyne papieren stond te bekomen. een bik de oorvalk van deeze tand ean ce geweest waren, dat hy echtter de gecommittd van hunne zyde de Heeren John Bathoe en Claude de la la Pate reets voorlang gewaerschowt had zig reitvaerdig te houden, durze over een paer dagen met ons konden meede gaen, en dat hy morgen ex„ eene paer vergadering ter huuneramstel ling beleggen zoude, Edog by gemelde gecommitdd Heer eene virite doen de, verklaarden dezelve ons, dat ze in geene 14 dagen tot die reise konden gereedraeden, en dus dat we gerust naer Chiurura voor die tyd konden wederkeeren. Beslooten echter eerst aftewagten, wat er mogen in de ver gadering daervan stond voor te vallen. gingen dus der anderen daegs ofte den 14e savondr om buuren by den Heer gouverneur voormeld, zyn Edele te kennen gevende, dat van hunne gecommitteerde verstaen hadden dezelve nog in lang niet vertrekken konden, dat in dien tijd niet na haer te wagten, nuttig en noodzakelijk te Chriumna besteeden konde en deur beslooten had derwaerds te keeren, dat ons egter zouden vaerdig konde, om zodra zy gereed waren terug te nomen zin E toonde zig zeer moeielijk over gemelde heeren, persisteerende, dat by hen reet overlang gewaerschukt had zig neur vaerdig te hande, daerbij volgond dat hy hen gelasten zoude, gereed zijn de, ons te Chuurina aftekomen halen. Hier mede liepdue beron„ ding van uwelEdele Achtbare ten einde 647 Daerop ontving den 21 daeraen sa„ vonde een brief van den Heer de lapote sub dato hoofdzadelik inhoudende, dat hy met den Heer Bathoe de 27 na kattora vertrek ken en ons den 4 may aenstaende te Soeaarhatta verwagten zoude om aldaer met kommissie een be gin te waken, te weeten, met de arrengs Herriapaal en Denia calie, dat we hier gedaen hebben de na tjenderkoua zouden gaen, en dan te water weder na huis kee ren, dat we dan naderhand na Lan tepaer &a konden gaen, niet bij„ voeging, dat ik hier uitgemak kelyk kon opneemen, zy geen ordre hadden na alle arrenge te gaen, mits onse gad dat hy my ingevolge hunne afspraak niet zon kunnen afha len, wyl hunne keeren begreepen hadden, dat hen zulx zeer uit den weg zouweeren. De Heeren Franschen die zeedert ook in deeze commissie getee den waren, mede een dergelyken brief van de Heer de laporte ontvanger, en daerop beslooten hebbende inmedi alt hunne tot dezelve gecommitteer„ de de Heeren Roeland en der graaye na Kalkatta te zenden, behoegde het uwelEd Achtb ons mede derwaerts te laten gaen, wijl den Heer Gou verneur voormeld, gelyk men vernam op zyn vertrek na de bovenlanden stond
English
stood, partly to demonstrate to his Honour that the convention made last February by his Honour with the Director consisted of touring all linen-producing places and making an accurate survey of all the weavers present in each of them and of all further circumstances relating to the linen culture, in accordance with the instructions previously granted to us, and partly to proceed subsequently paired with the English commissioners from Calcutta, we therefore immediately ceased all preparations for undertaking this journey and thereupon departed on the morning of the 23rd for Calcutta. With a strong south wind we could get no further in the evening than Bernagoor, from where we set out overland at 5 o'clock in the morning for Calcutta, because according to the Chinsurah rumour the Governor was to leave today. Arriving there at about 7 o'clock, the French gentlemen let us know as we passed the old fort that they had been there for 2 days, and that we should come to them before we went to the Governor; but considering the aforementioned Hoogly rumour, and that the Governor on such occasions could hardly be spoken to except during or just after breakfast, we deemed it most advisable to try to achieve the purpose of our coming, because now was the time for it, so we let the French gentlemen know in return that they could find us there. We also found the Governor at the breakfast table; being seated next to his Honour, he himself turned the discourse to our commission. Thereupon his Honour, following the course and requirement of the matter, gave to understand one after another that this also formed the motive of our arrival, deriving from the letter of Mr de Laporte, who unfolded his purpose, citing the convention in February aforementioned and making mention of the 1st, 3rd, 4th and 6th articles of the instructions drawn up and granted accordingly. His Honour replied to all this that their commissioners had orders to go with us to all the aurungs, but that Mr Bathoe raised objections to being able to finish them all in one journey, since his presence would be required at Calcutta, yet that he had ordered him to do so if there was any possibility of it, just as he, the Governor, assumed could happen. That the article of their instructions relating to this commission would contain an accurate survey of the weavers, their assortment, and all further circumstances of the aurungs, and also, at the conclusion of the commission, to present from the findings an expedient which they deemed most suitable to accommodate the 3 nations with the required linens, without any further complaints from anyone being able to arise on that account with any reason. His Honour was pleased to add to this that he wished as much as anyone that this weighty matter, in order to avoid all further vexatious disputes and estrangements between the nations, might thereby be placed on a good and sustainable footing. This statement from the Governor including everything we could expect or desire, both to answer your Right Honourable's aim and for the complete execution of our instructions, we let the matter rest here, only further requesting his Honour to know how this journey would be arranged. In reply, his Honour said that this had been left entirely to their commissioners, and not to direct us, but that we might please consider they had more business than this commission in the aurungs, and would therefore do best to go first to those where their presence was required first. Having taken our leave upon this, we met the French gentlemen on going down the stairs; they asked us what had passed, which we communicated to them in few words. Mr de Laporte having told us in passing at the Governor's that Mr Bathoe had made a map of our voyage, asked at the same time if we wished to go see it, and that he would then go there beforehand; having answered yes, we went on our way thither. Having approached almost to the house of Mr Bathoe, the French gentlemen overtook us and asked where we were going; we communicated this to them as well as the reason for it, and invited them to go along, which they accepted. Having entered the house of the said first English commissioner, we found, according to agreement, the second also there, so that those of the 3 nations were now all together. Mr Bathoe showed us his plan, which we found to be nothing other than regarding the situation of the aurungs Harripaul, Dhaniakhali, and Chandrakona; he added to it what Mr de Laporte had written to me, namely to go first to Harripaul and Dhaniakhali, then to Chandrakona, and subsequently to return home. Thereupon we represented to their Honours whether it would not be better, to save time, costs, and detours, to begin with Chandrakona, then proceed with Harripaul and Dhaniakhali, Santipur, and the larger aurungs, and then via Cossimbazar or Rangamati to proceed to the aurungs on the other side of the great Ganges, such as Malda, Bauddhal, Jagannathpur, Chandia, etc., and finally return via those around Dacca and those of Barisal and Bowsing, since this constituted a route. But the English persisted, under the pretext that they could not be spared so long from Calcutta, and that it was absolutely required by them that Harripaul and Dhaniakhali be the first aurungs in their plan, and the French remained silent on the matter. Taking into consideration that Harripaul and Dhaniakhali was the aurung situated closest to Hoogly, and that one from there, upon encountering any obstacles, could most conveniently be provided with the necessary elucidation or orders from your Right Honourable
Dutch transcription
stond, eensdeels om zyn Edele te ver toonen, dat de konventie in februarii Jongstleeden van zyn Edele met den Heer Directeur bestond, om na alle Lywaat produceerende plaatsen rond te gaen, en een accuraten opneem van alle de in ieder derzelve aenwezende weder en alle vrdere tot de Lywaat kulture be trekkelyke omstandigheeden te doen, contoren once onderheeden verleeede instructie, en ten anderen om vervolgens met de Een, gelsche steeken van Kalkatta epaeir te gaen, staakte derhalven opstonds alle prepara tien tot het doen van desen togt, en ver tronken daerop den 23e smorgens na kal Katta. Mitr een sterke zuide wind kondere s avonds niet verder dan Ber nagoen komen, wan waerwe smon gens om 5 uuren overland na kalaatte vertrokken, wijl volgens 't Crinsurare gerugt den Heer gouverneur heeden vertrekken, zoude, cinca 7 uuren aldaer arriverende lieten de stee„ aen fransen ons in t passeeren van toude fort, zeggen, dat ze aldaer zeedert 2 dagen geweest woren, en dat wy eer by den gouverneur gingen by hem zou den komen, dog geconsidereert het evengem Hoegl is gerugt, en dat den Heer goeverneur by zulke geleegenheed den niet wel anders dan onder of even na 't ontbijt te spreeken was, oom deelden wy raadzaamst te tragten, van koogmerk onder komste te berei„ ken 643 ken, wijl tans de tyd daertoe wor, lieten dor de heeren franschen weederom zeggen, dat ze on daer konden vinden: wy vonder den Heer gouverneur ook aen de ontbyttafel naast zyn Edele gezeten zynde, leide byzelve het discours op onse kommissie hierop gaf zyn Edele volgens den loop en vereirde van t gewelk na elxander te kennen dat dezelve ook t motief onzer komst uitmaek te, deriveerende uit den brief van den Heer de laporte, die zyn toe le, ontvouwde, onder aenhaling van de konventie in februarij voormeld en te kennen geving van het 1e 3e. 4e en blid onder darna ingerigte en verlende instruc„ tie zijn Edele antwoorde op dit een en ander, dat hunne ge¬ kommitts last hadden, met ens na alle arrengsaord te gaen, dog dat sa Bathae swarigheid maekten ze alle in eene veir af te kunnen doen, wijl zyne presentie op kalcutte zoude vereischt werden, nochtans dat hy keen zulx geordoneert had, by al dien er maer mogelykheid toe was, gelyk hy goeverneur veron derstelde te kunnen geschieden. dat t artikel hunner instructie betrekkelyk tot deese kommis sie zou behelsen, eenen accura„ ten ten opneem der weevers, derzelve gading en alle verdere arrengs omstandigheeden, mitsgaders, by uiteinde der kommissie, dus uit de bevinding optegeeven een expedient, t welk zyt bekwaamst oordeelden, om de 3 natier met de benodigde Lywaaten te gerieven zonder dat er eenige verdere klagten van iemand daerover meer net reeden konden exteren, zijn Edele geliefde hier by te voegen, dat hy zo zeer als iemand wenschte, dit ge wigtig articul ten vermeiding van alle verdere verdrietige dispaten en verwy deringen tusschen de natier, daardoor op een goeden en bestaenbarevoet gebragt wierd. dit gesegde van den Heer gouverneur alles insluitende, wat wy konden verwagten of begeeren zo ter beantwoording van uwelEdele Achtbare oogneerk, als ter volledige executie onze instructie, het het hier by berusten, eenlyk zyn Edele nog verzoekende te mogen weeten hodanig deeze reize zoude inge recht werden, antwoordende zeide zyn Edele dat men zulx volkomen aen hunne gecommitteerdens overgelaten had, ene niet ons te re guleeren, dat wy egter geliefden te konsidereeren, zy mee verrigtinge als die desen kommissie in de aan reugs 651 rengs, en dus best zouden doen eerst na die te gaen, waer hunne presentie 't eerste vereischt wierd, stier opafscheid genomen hebbende ontmoeten de Heeren fransen in taafgaen der trappen, zy vroegen ons 't gepasseerde, t welk we hen in weinig woorden meede deelden De Heer de laposte ons by den Heer Gouverneur in rassant gezegd hebben de, dat na Bathoe een kaert van once voyage gemaant had, vroeg te gelyk, of wy die wilde gaen zien, dat hy dan vooraf derwaerts zoude gaen; Ja geantwoort hebbende gingen wij daerna toe opweg; byna tot aen het huir van Mr Bathoe genadert zynde, haelden ons de heeren fran een in, en vroegen, werwaerts wygingen, wy communiceerden hen zulx zo wel, als de reeden van dien, en nodigden hen om mede te gaen, t welk zy accepteerden By gemelde eersten Engelschen kommissiant ingetreeden zijnde vonden we volgens afspraagden tweeden mede aldaer, dus oe van de 3 natier nu alle byelaander waren Ma Rathae vertoonde on zyn plan, 't welk wy bevonden niet anders dan van de gelegen heid van de arrengs Herriapoel Deniacali en Gjendercona te zijn, by voegde en by t geen de Heer de la porte alle verwy aadoor et Heer t was dele ge korte my geschreeven had, namelijk eertna Herriapaal en Deniacatie danna sjender koua te gaen, en vervolgens 't huir te keeren. Hierop vertoonde hun Edelens, of t niet beter ware, om tyd kosten en omwezen uittewinnen, dat men niet sjender koua begonnen dan met sterni apaal en Denniacali sautipaer en de grootve arreugs vervolgde, en daerop over kassembazaer of Ragwangala ons na de anrengs aen de overzyde der groote Januys ges als nalaa Baddaal Jagemaat paer stendiaal etc ons begaven, en eindelijk over die omtrent Deca en die van Boerna en boering terug keerden, wijl zulx eene houte uitmaekte, dog de Engel schen persisteerden, onder t voor wendsel, dat re zolang niet van kalkatia konden gewist worden, en dat sterriapaal en Deniaca ly absoluut by hem vereischt wierd de eerste arrengs te zijn, by hun plan, en de fransen, sweeger er op stil. En overweeging neemen, de, dat Herriapael en deniacalie de arreug waer, wel de naest by Hoegli gelegen was, en dat men duu van daer by ontwoeting van eenige abstaculen, bekwaamst met de benodigde ducidatie of ordre van uwelEd Achtb: konde voorig
English
be provided, provided that, just as the execution of our commission was regulated in this aurang, it would be continued on that same footing in the remaining others, so I agreed without further objections tacitly to their project. Hereupon Mr. Bathoe said that he then requested us on the 4th of May at Doorkatta, where they would also arrive on that day to make a beginning with our commission on the 5th thereafter; that they beforehand on the 27th would go to Kattora, being a place situated 5 coss on the other side of the Ganges from Calcutta, because they must settle accounts there with their gomastahs covering 5 and 6 years, and then from there come to Doorkatta. I said that I was already travel-ready in all respects, and did not know how I would spend those 12 days; Mr. de la Porte said that by not going along to Kattora I was only avoiding wasted effort, because nothing was made there for anyone other than the English coarse rumals. Hereupon the French gentlemen declared that this afternoon with the incoming tide they would return to Chandernagore, as having nothing to do there; but I kept quiet in that regard, having as yet arrived at no firm resolution concerning Kattora for lack of certain information. The French gentlemen departed in accordance with what was said, after we had dined together at noon with the Governor, while I remained staying there until the 27th. During that time, having been joined by Sacuram, a free inland merchant and former second cloth broker added by Your Right Honourable to facilitate this commission, I also inquired with and through him about the mentioned Kattora; and all reports, both from him and from all other neutral persons taken by myself, agreed unanimously that this Kattora was only a weaving place of coarse neckcloths and dofottas, and that there, to the exclusion of all others, only the first-mentioned assortment was made exclusively for the English Company; that by going thither reluctantly and fruitlessly, I would give them a sign of mistrust that could only be of disservice, whereas we had until now at least outwardly been in very good harmony with one another. But having taken into consideration that Messrs. Bathoe and De la Porte had made that tour through the previously mentioned places, and were most accurately aware of all circumstances down to the smallest detail; moreover, that everyone in those weaving places, through their absolute mastery in these lands, willy-nilly, with or without reason or fairness, must be at their will and service; and that they finally, being prepared for any eventuality, could instantly give their opinion, whereas we could not judge many particulars except after gathering information, whence it must follow that we might sometimes, to the prejudice of the Honourable Company's interest, out of ignorance and lack of the necessary information, be rushed by them into one thing or another, and thus miss the mark; I therefore resolved, in order to prevent this as much as possible, to spend that time better, and to betake ourselves at once to that aurang to inspect everything that appeared able to serve me, and thereby to arm myself against them regarding everything as much as possible. Furthermore, that I would nevertheless send Saurau quietly to Kattora for 3 to 4 days, not only to take the necessary information regarding the place itself, but also regarding the actions of the English, and to notify us of it at Sterricpaal, in case he found that they differed from their given statements, so that if further required we could go find him there under the pretext of fetching him; but in the contrary and thus latter case, that we would then make sure to be at Doorkatta on the 4th of May, to begin our commission. Hereupon I went on the morning of the 27th to Governor Verelst, to take leave of His Honour and wish him a good journey; but after some time of waiting, His Honour sent Secretary Drost to me to make his apologies that he did not appear himself, as he could not spare so much time due to manifold business just on the point of his departure upcountry. I informed the said Secretary of the reason for my coming, and departed thence, as well as immediately afterward, after having first dispatched Saurau to Kattora, whither Messrs. Bathoe and Laporte had set out on their journey this morning, departed from Calcutta for a place named Duhum and situated between Serampore and the large French garden Palsetti, where we arrived in the afternoon at 5 o'clock. From here we had Sterricpaal lying fully 8 coss from us; we had our baggage brought ashore, it being the place from where we could take the shortest route to Sterricpaal, with the intention of departing thither early the next morning. We thus arrived there on the 28th in the morning at 11 o'clock, when
Dutch transcription
453 voorzien worden, mitsgad vast stellende, dat zo als de executie onzer commissie in deze arreng geven guleerd wierd, het op dien zelfden voet in de overige andere zou vervolgd werden, zo condercendeerde in zonder verdere te genkortingen tauite in hun projest. Hier opzeide Mr Bathoe, dat hy ons dan verzogt den 4e Mei te Doorhatta, waer zy ook dien dag zouden arriveeren om den 5e daeraen niet onse Com missie een begin te waren, dat zij voor af den 27e na kattora, gaen zou„ den, zynde een plaats va 5 conr aen de overzijde der ganger van kaldat, te gelegen, wyl zy aldaer met hunne gomartorsen zedert 5 en 6 Jaeren moeten afreekening houden, en dan van daer te Doorkatte komen. Ik zeide reets in allen op„ zigte reirvaerdig te zyn, en dar niet te weeten, waermeede in die 12 dagen ron doorbrengen, de Heer de la porte dat in niet na kettora meede te gaen maer vergeersche moeite deed wijl daer voor niemand dan de En geluke grofve roemaels gemaakt wierden, hierop declaaeerden de Heeren Franseken, dat ze van na¬ middag met de opkomende vloed na Chandernagoon zouden keeren, als daer niets te verigten hebbende, dog ix hield my daaromtrent stil, als uits ontstentenir van zeekere infon matie tie omtrent Kettera nog tot geen vast besluit geteeden zynde. De heeren Franschen vertrokken ingevolge gezegde na dat we zamen smiddags by den Heer gouverneur gesrydd hadden, terwijl ik aldaer nog tot den 27e. Juurgeur bleef vertoeven In dien tydden on ter faciliteering dezer commissie door uwelEdele Achtb: toegevoegde geweese tweede sleenes makelaer, daar vryen ielands koopman, sacuram, by onrd: gekomen wezende, informeerde in na mede by en door denzelven na het mermelde kettora, en alle berigten zo van hem als van alle andere indifferente perzoonen, door my selven genomen, kwamen eenrarig daarop uit, dat dit kettona eenlijk een weefplaats van grofve neurdoeken, en do fotassen wor, dat aldaer met uit sluiting van alle andere niet dan voor de Engelsche Comptaas eenlyk eerstgemelde gading gemaekt wierden, deer ik door metken derwaers te gaen noode en vrugteloor, dezelve een blijk van waantrouw, die niet dan tot in dienst kom strekken, geeven zou, daer ve tot nu toe immers uiterlijk in een zee goede harmonie met eenander waren. Dan in overweging genomen hebbende, dat de Heeren Bathoe en de laporte die tour door de ovreugs verhaelde keeren gedaen hadden, door alle omstandigheeden tot de ge„ ringste 405 vingste incluis ten rauwkeurig sten bewast waren, daeren boven, dut ken aller in die weefplaatsen, mits huur volstrekt weesterschap in deese landen, notens volens, met of zonder reden of billijkheid te wille en ten dienste moet staen, en dat ze ein delyk dees op aller geval zynde oogen blikkelijk hun gevoelen konden geeven, daerwy van veele bijzonder, heeden niet als na genome intor matien konden oordeelen, waeruit d voortvlocien moert dat wy souwijlen ter prejuditie van 't belangder E Maatschappy, uiitsiquorantie en ontstentenir van de noodige informatie in 't een of ander door hunlieden zouden kunnen overhalst werden, en dus den bal misslaan zo besloot ik, om dit zo veel moge lyk te prevenieeren, dien tyd beeter te besteeden, en wy ten eersten na die orreng ten opneem van aller wat voorzig kom my te kunnen dienen te begeeven, en mij daerdoor tegen haer, omtrent aller, zo veel mogelijk te wapenen. wijders dat saurani egter voor 3 a 4 dagen in stilte na kattora zou zenden, om niet alleen van de plaats zelve, maer ook van de verrigtingen der Engelsche de noodige informatie te neemen, en ois te steeriapaal daervan te verwittigen, by aldien hy bevond, dat zij net vast geregde Heer en door weese rgen by ons. in aan het gten rig n uit d vierden, gaen blijve tot daer in een en n c ge„ , en lyk e met hunne gedaene opgave diffe reerden, ten einde wyder verischt werdende onder pretext van hem aftehalen, aldaer konden gaen, vinden, dog byt tegendeel en dus laeste, lyx dat we dan den 4 mei te Doarratta zouden maken te zijn, om onre com, missie te beginnen. Hier op ging den 27e Smorgens by den Heer Gouverneur Velelst, om aan zyn Edele afscheid te neemen, en denzelven eene goede reize te wen„ schen, dog na eenige tyd vertoevens zond zijn Edele den secretaris Drost bying, om zyne schoo„ ningte maken, dat hy zelve niet voor„ kwam, als door menigvuldige besighe den, net op zin ophouden zynde ver„ tieh na boven, zo veel tijd niet kunnende uitbreeken; ik berigte gemelde Eene„ taris de reeden myne komst, en ging daeron„ heen, gelyk ook vervolgens aenstonds na alvorens Sauirau na kattera gedepecheert te hebben, werwaerts de Heeren Bathoe en laponte heeden morgen op reeze ge gaan waren, van kalkatta vertroq na een plaats genaemt Duhum en gelegen tusschen Lerampoer en de groote fran„ sche tuine Parhetti, alwaer wy snamid= dags om 5 uuren arriveerde. van hier hadden we sturicpaal vlakingt wezen ruum 8 Cors van ons, lieten dees ense bagage aen de wal brengen al de plaats zynde, van waer we woeyr den konts ten weg na sterricpaal kon, den komen, met voorneemen deran dere daags smorgens vroeg derwaars te vrtrekken; wy anriveerden dus den 28 smorgens om 11 uuren aldaer, wan„ neer —
English
Geelvinck as soon as our tents were pitched, had all our servants come before me, and ordered that they should take good care not to cause the inhabitants, both in this and all other aurungs, the least nuisance or violence, threatening that if such happened, he would punish them for it in the most rigorous manner without any leniency or distinction, drive them away, and have their monthly wages refunded by their guarantors. In the afternoon we already made a beginning with the execution of our aforementioned intention, by inquiring into one thing and another in all manners and ways, but we soon experienced and perceived the difficulty thereof, out of fear of the native for the English, and the necessity of our promptness, because upon the appearance of the English and their native servants the slightest information from the local dalaals, weavers, and other aurung workmen would be entirely cut off. We redoubled our efforts to that end, as we had no better opportunity to expect, however burdensome it might be, by [illegible] going around everywhere here and to all the hamlets and places situated around here, but we were not a little surprised that not one of the gomastas among the merchants appeared before us before the 1st; moreover, all the dalaals and the heads of the weavers had already gone to meet the English commissioner at Doarkatte, in order to make their salams to the same there while presenting all kinds of gifts. A prominent proof indeed of their submission and fear of that nation in comparison with ours, for not one of them came to us, neither to pay his respects, much less to offer us any refreshment of fruits, etc., as is otherwise customary among the natives toward Europeans who are of any standing, and we had to attribute all this to the fear of the English, who have their pykars, gomastas, and harkaras (informers) everywhere; indeed, it even cost us much effort to get a weaver to speak in his own cottage, and they also did not come to it unless we were assisted alone at most with a sarkar; but I shall subsequently be more detailed on this matter under the section of Harripaul and Dhaniakhali, as belonging more properly thereunder. It was on the 1st of May preceding, when Sacuram returned from Kottena and related to us his experience in this manner, namely that Mr Bathoe upon his arrival at the said place had immediately inquired after the reason for the same, that he, Sacuram, had therefore judged it advisable to go and make his salam to that gentleman the next day, that the same had then asked him who he was, what he came to carry out there, and by whose order that took place; that he had answered thereto giving his name and having nothing to perform there, coming from Calcutta to go to our master Harripaul; that upon this he had received his dismissal, and had gone to their head gomasta Radha Govind Bysack (whom he, Sacuram, said was a friend of his), but that he had advised him not to tarry there any longer, and therefore the sooner the better to depart, as he had also put into effect this morning at 5 o'clock; furthermore, that the English carried out nothing else there than what they had told us, namely to settle accounts for 6 years and to set new prices on the garre rumals, that these were manufactured solely there, that there were circa 400 of those weavers, that each weaver had to deliver 2 pieces of 20 in 18 cubits of goods per month, making together 9600 pieces per year, that they were not allowed to work for anyone other than the English Company, and as proof, that the French in No. 11 had made a contract for those cloths there, but that the English had no sooner discovered it than they had all of them cut from the looms, and punished the weavers for it in body and in purse; that the English acted completely supremely there, having anyone they pleased brought and punished by force, so that those people might well be considered their slaves, and lastly that the aforementioned English commissioners would arrive at Doarkatte on the 4th or at latest the 5th of this month. Immediately ordered Sacuram to write a circular letter to all the gomastas of the merchants, with orders to come hither and to us at once, also summoning the dalaals who served them. Upon this, there appeared the next day also some from the nearest situated places, who in the morning were augmented by the rest. All being assembled before us, I asked them the reason why they had remained so deficient in the delivery of the contracted linens of the past year. Their answer consisted unanimously in this, that this was solely to be ascribed to the despotic manner of trading of the English Company and that of their private merchants; that the former had on the 28th past distributed by force 155000 sicca rupees in this aurung on the new contract among the best weavers, namely to each weaver as much money as he was capable of delivering in goods in a whole year; and that the latter, who consisted of 37 and to whom it did not seem to make any difference what they spent for the goods as long as they profited by the utmost of their money, had already sent 350000 of those rupees hither for this year, so that the best weavers, who had always worked for the Honorable Company, had their hands full, and the remainder found it more profitable to work for the English private merchants than for them, who could not spend as much for it. Having caught wind yesterday evening through another channel that an order was being sent around by the English head gomasta
Dutch transcription
Geelvinck neer zo dra onre keuze opgeslogen waren, alle onse bediendens by my komen lieten, en gelaste, wel zorge te dragen, dat ze de inwoonder zo wel ter deezer als alle verdere anrengs, geene de mieste overlast of geweld zouden hebben aente doen, met bedrijging, dat zulx gebeurende, hem zonder eenige inschikkelijkheid of onder scheid daerover op 't rigoureuste shaf, fen, hen wegjagen, en hunne maed gelden door hunne borgen doen restitueeren zou. wy maerten snamiddags reets een begin met de ter executie stelling van evengemelt ons voorneemen, door allervoegen en wyzen in din een en ander te informeeren, dog we ondervonden, en bespeurden wel haert, de moeizaamheid van dien, uit vreeze van den inlander voor de Engelsche, en de noodzadelykheid enzer voorbaat, door nit by verschijning der Engelsche en hunne inlandsche bediendens de geringste informatie door de hier gezetene Dalael wever en verdre arrengs werklieden, ten eenemael zoude afgesneeden zyn. wyf dubbelden dier one ko, gingen ten dien fine, wijl we geen belter gelegenheid, hoe lastigze oor war te verwagten hadden, met overal hier en alle hier omtreekt geleegen gehugten en plaatsen rond diffe laeste tta Heer cheid te te wen„ in Edele schoo„ voor„ bezighed ver¬ ende eLeene daeren. dica depecheet Bathoe ege eqna gelegen fran, d hier weden onse de r kon, van at den wan¬ eer te gaen, dog wy waren niet weinig verwondert dat er geen een der gemortosse onder koorlieden by ons voor den 1 mog verscheen, daer en boven waren alle Dalveer en de hoofden der weever de Engelsche gecommitteerde te Doar katte reetste gemoet gegaen, om aldaer onder t voorleggen van aller han¬ de geschenken hun zaleen aen de zelve te maren, Een voorstaende blyk voorwaer van hunne submissie en vreese voor die natie in verge lyking van de onze, want er geen een van hen by ons kwam, nog om zijn salem afteleggen, veel min om eenig ge vverschieg van vrugten et a onr aentebieden, gelik by den ineander anders gebruikelyk is aen Euroreeren die maer iets zijn, en dit aller moe„ ste toeschrijven aan de vreeze voor de Engelsche, die hunne terkaer, goma„ storsen en herkamer /verklikker:/ over al hebben, ja het korte onr zelfs veel moeite, om een weever in zyn eigen huisje aen t praten te krygen, en ze kwamen er ook niet toe dan als we alleen op zyn koopst met een serca geassisteert waren; dog ik sal in den vervolg onder de afdeeling van Herrcapael en Deniacalie hierom truct breedvaeriger zyn, als daeron der gevoeglyker te huirhoorende. t was op den 1e Muys aoordr, wanneer Sacuram van Kottena bruijkwam en 233 ons zyn wedervaren in dezer voegen relateerde, namelyk dat Mr Bathoe by zyn aankomt ter gemelde plaetse zig immediaat na de reeden van deselve ginformeert had, dat hy saunam dier geraden geoordeelt had s anderen daags syn saleen by dien steer te gaen maren, dat denzelve hem toen gevraegd had, wie hy weri, wat hy daer kwam uitvoeren, en ter weens ordre zulks geschiede dat hy daerop in antwoord gedient had zyn naam en niets daer te ver„ regten te hebben, waer van sal katte kwam, om na on inster reapeel te gaen; dat hy hierop zyn conge gedreegen had, en zig na hun hoofd gouasto Rada Gowin Bossaak ( die hy suceraw zeide een vriend van hem te zyn: gegaen was, dog dat die hem gereeden had daer nietlanger te vertoeven, en dier hoe eerder hoe beeter te vrtreuken, gelyk hy ook heeden morgen an 5 uuren werkstellig gemaekt had: wyders dat de ingelsche daer niets ander uitvoerden, dan 't geene ze aen ons gezegd hadden, nament lyk zeedert 6 Jaeren reekening te houden en nieuwe prijsen op de gare roemael te woren, dat deeze eenlyk aldaer haar gefatriceert wierden, dat er cia„ ca 400 dier weever woren, dat ie, der der weever 2 stukken van 20, in tps. goet smaends maert leeveren, derte zamen 9000 print Iaer, dat ze voor niemand dan de Engelsche komp fmogten te werden, en ten blyke dat de fraccsen, in No 11 daen een aan besteeding van die doenen gedaen hadden, maer dat de Engelsche er zo drie niet agter gecomen waren, of ze hadden ze alle van de getou wen laten suyden, en de weeder aen de lywe en in de beurs daerover gestraft, dat de Engelsche volstrekt oppermagtig aldaer ageerden, latende met gewelt halen e straffen, wie het hen ge lasten, dus die lieden wel hunne slaven geleezen, en laestelijk dat mneermelde Engelsche gecom„ mitteerdens den 4 of op zyn hoogst den 5e deeser te Daaar hatte zouden ko„ men. Gelaste samram opstonds een cir„ culair briefje aen alle de gemastosse der kooplieden te schryven, net ordre, om ten eersten herwaers, en by ons te komen, meede beugen de de Dalaals, welke ken bedienden. Hier op verscheenen en sanderen daegs ook eenige uit de naest bijgelegen plaatsen die smorgens daeraen door de overige gecompleteerd wier den. Alle by ons genomen wezende vroeg in hen de reeden, waerom ze zogebrekkig gebleeven waren, in Cl1 in de bezorging der aenbesteede Lywaten d' ao p=ot hem antwoord bestond eenparig hierin, dat zulx eenlyk te adscribeeren was, aen de dispotiere handelwyze van de Engelsche komp en die hunner particuliere, dat de eerstgemelde op den 28 passato de 0ocro 155000 snaaroryen in deze avreng op de nieuwe aenbesteeding onder de beste weever niet geweld uitgedeelt had, name lyk ieder wever zo veel pennin, ge, als hy in staet war in een heel jaer aen goederen te leveren. en dat de lastgemelde, die in 37 bestonden, en het niet scheen te differeere, wat re voor de goe deren besteeden, als zeden uiterest van hun geld maer daerby profiteerden, reeds 350000 dier copeig voor dit Jaer herwaerts gezonden, dus de beste weder die altoos voor d E Conp gewerk hun banden vol hadden en de overige hun reekening beter maekten door voor de reegel sche particuliere dan voorhun die er zo veel niet voor besteeden konden te werken sisteren avond door een ander kanaal de snufgekreegen heb bende, dat er eene ordre door den Eigelscken hoofdgemoste rond gezonden wierd
English
was, thus I made every effort to learn the specifics of it, which also succeeded for me, for shortly after the dispatch of the said gomastas, a man appeared before me, who, after a prior request to keep the matter, but especially his name, a secret, and upon the ensuing promise, revealed the same to me. And this was found to consist herein: that every dalal and weaver was very expressly forbidden to declare, or to give statements, that the work of the Hollanders was hindered by the English, and that when called to Doarhatta they would have to say that the Dutch company was served equally with the English. The only thing that astonished me in this regard was that they had taken this precaution, since I found the native evidently in such a state of mind that it seemed unnecessary to me to expose themselves through it, for the fear and awe of that nation in him was so great that an English peon or other servant was more respected among them than we ourselves, from which it must naturally follow that they would never have dared to say anything that brought his disposition to light. I can therefore also not think that this order originated from the English commissioners, but rather imagine that the same is to be attributed to an unnecessary precaution of their head gomastas. In this state of affairs, the time of our meeting approached. The French gentlemen arrived at our place on the 4th at noon, but learning that Doarhatta was still only a large kos from here, they continued their journey thither; I would also have gone today, if news of the English arrival there had been received, while moreover I was hindered therein by the departure of the merchant Koning, who, on account of his indisposition originating from the almost unbearable heat, could no longer attend this commission, and the arrival of another as second in this commission in his place, or else a clerk to assist me in the clerical work, who then also appeared in the evening in the person of the provisional assistant A: A: Jasrin. The English gentlemen having announced their arrival at Doarhatta in the evening at 9 o'clock, we departed thither early the following morning, and arrived there around 6 o'clock. We went first to pay a visit to the English gentlemen, who had their lodging in a decent house, but finding Mr. Bathoe still sleeping, we only paid our compliments to Mr. de la Porte, and subsequently went to the French gentlemen in their tent. After having sat for a little while, Mr. Bathoe came there to me, and thereupon invited us all together to breakfast with them, which we accepted, and went with his Honour to their house. Having had breakfast, I expected that the English or French gentlemen would have begun about our commission, but they kept dead silent or took other indifferent discussions as their subject. It seemed to me therefore that they took it only for a ceremonial meeting. But considering that in such a commission and in such a hot season no ceremonials were appropriate, I brought it to a discourse whereby I gave them properly and in a friendly manner to understand. They, especially the English gentlemen, approved of this very much, and offered to make this troublesome commission in such a heat, through an amicable and unrestrained intercourse, as pleasant as was possible to them. Thereupon I asked the English gentlemen whether they had also destined this morning for other business; receiving a negative answer, I opened this commission, as indeed nobody seemed to want to be the first, by proposing to them whether we wished to spend the same to consider the necessary measures for the execution of our general charge. And they having fully agreed to this, we then began to converse about the diverse subjects concerning this matter, but I soon noticed that the charge of the English not only differed very greatly from ours, but also from what had been stated to the Lord Governor Verelst on the 24th ultimo. For that of the English seemed only to be to play the role of commissioned judges, namely to examine to what extent our successively made complaints about the linen procurement were justifiable; they had assigned to us the role of plaintiff, and to the dalals, weavers, etc. that of the accused. Truly, clever of them, namely to want to play the part of judge concerning the aforementioned improper practices, which are to be imputed to none other than themselves, and through their absolute authority and the fears of the natives for them flowing therefrom, to expose us at every step as liars and malicious complainers. At least it was so understood by me then, and that this truly had been their aim will appear very clearly and tangibly in the sequel. I broke off all further unnecessary discourse by expressing to them my astonishment at what they came to advance, since my instruction, which was drafted in conformity with the convention between the Lord Governor Verelst and the Lord Director, contained nothing of the sort, and the said Lord Governor had moreover verbally assured me on the 24th of April that their instruction would contain the same, namely to make an accurate survey of all the weavers and their assortments; but they declared that their charge said nothing of this, and even offered to give a faithful translation in parts thereof concerning this section, whereby we would see that the same solely dictated: First, to their ability
Dutch transcription
wierd, zo stelde alles in t werkemert rakelyke van te verneemen, uitgedui te my ook, wanteven na de depeche van gemelde genatorsen, een man by my verscheen, die my na vooraf gedaene instantie om 'tzelve, dog vooral zyn naem geheim te houden, en daerop gevolgde belofte deselve ontvouwde en hierin bevond ten bestaen, dat alle delael en weever wel expresselijk geinterdicerd wierd, te verklaren, of verklaringen te geven, dat t werk der hallander door de Engelsche verkindet wird, en datze te Doorhatte geroepen werdende zouden hebben te zeggen, dat de hollandse lomp equaal net de Engelsche bedient wierd. tienig, ste, dat my hieromtrent verwonderde was, dat ze deeze precentie ge reikt hadden, dewil ik den in londer in eene zodanige gesteld heid klaerblykelijk vond, dat het my onnodig scheen, zig door dezelve te expeneeren, want de vreese en t ontzag voor die natie in hem zo groot was, dat een engelsche rion„ of ander bediende by hen meer in aenzien war, dan wy zelfs, waeruit natuurlijk voortvloeien moet dat ze nmmers niets, twelk de dispotionie van hem aen den dagleide zoude hebben durven reg gen. Ik kan dus ook niet denzes, dat deze ordre van de Engelsche gecommitt=s 603 gecommitt herkomstig naar, mae eerder oortstellen, dat dezelve aan eene onnodige voorsorge van hun hoofdgomerts toete schryven is. In deese gesteldheid na derde de tyd onser bgeenkomt. De Heers Fransen kwamer den 4 op de middag by on, dog vernee mende dat Doar hatta nog maer een groot kor van hier leide, zetten een huuwereisen derwaerts voort; in zoude mede heeden gegaen hebben, by aldien tyding van der Engelsche arrive aldaer bekomen had, terwijl nog daren boven daerin verkinder wierd door te strec van den Koopman Koning, die mits zyne indispositie, vorspron„ klein van de bijna onverdragen lyke kette, deze kommissie niet langer kom bywoonen, en de aenkomst van een ander als tweede in deze kommissie in zyn plaats, dan wel een pennist ter myner adjude, in 't schryfwerk, die dan oor gavonds in de perzoon van de ph: assistert A: A: Jaerin verscheen. De Heeren Engelsche mijsavonds om 9 uuren hunne aankomst te Doeaahatta hebbende laten aenkondigen, begaven wy ons den volgende morgen vroeg derwaerts, en arriveerde aldaer circa circa 6uuren gingen ten eersten de Heeren Engelsche / die in een toene lyk huir hun logie hadden:/ eene visite geven, dog verder Mr Bathoe nog slapende, maerten dei een lyk by de Heer de Laperte ons Cou plincant, en gingen vervolgens by de Heeren Fransen in hunne tent, na een weinig gezeeten te hebben, kwam ier Bathoe al daer bij my, en verzogt, ens daerop gezomentlyk ten ontbyt by ken t welk wy accepteerden, en met zyn Ena hun huir gingen. ont¬ beeten hebbende verwagte ik dat de Heere Engelsche of fransche van onse commissie zoude be goncen hebben, dog ze kielden zig dood stil of namen andere in differente diccoussen tot hun onderwerp. tscheen mny durtoe, dat zeedeele maer voor eene eere„ monieele bijeenkerustkield dog concidereerende, dat in een derdanige kommissie een zulk een keete tijd geen ceremoria lia te parkwamen, bragt ik t op een discouag waerby hen rul voeglyk en op een vriendelijke wyze te kennen gat, zy, inzon„ derheid de Heeren Engelsche approbeerde dit zeer, en boden zig aen, om deze lastige kommissie in zulk een hette door een ami„ calen 6 calen, en geneerden, omgang zo aengenaam, als 'tunder mage„ lyk was te moden. Hierop vroeg ik de Heeren Engelsche, of ze dezen morgen ook voor andere besighee„ den bestemd hadden, neen ten antwoord bekomende, opende deze konmusie, wijl dog nie mand de eerste scheen te wil len zin, door hen te proponee ken, of we aan denselven wil den besteeden, om de nodige maatregelen ter executie van on sen algemeenen lastste beroenen, en zy steinden er voldoenen in toed wybe genden dan over de voze en derwerpen nopens dit sujet te discoureeren, dog wel haer t beneeate ik dat der Engel„ ten last niet alleen met den enten, waer ook niet 't voor den Heer gouveneur Verllst op den 24 jongstleeden gedeela veerder zeer differeerde, waat die der Engelsche alleen tree, te be¬ hebben, om de vol van gecon„ mitteerde rechter teeren te spee„ len, namelijk om te exaci„ neren, in hoeverre onde sui„ cessive gedane klagten, over de Lijwaatproeure bestaan baer waren, men had onr der de vol van klager en de dalaer dalaels, wever etc die van be kloegde toegelegd, waerlijk sin van hem overleid, uamelijk de zal als rechter te willen speelen entrent onoegtwatige gemelde noryen, die niemand ander dam hun zelven zynde mputeer ren, en ons door hun volstekt gezagen doen ik voortgevloeide vreezen der inlander voor hun op ieder stop tot leugenaer en kwaar aerdige klager ten toon te stellen, tenminsten het wierd toen zo by my begreepen, en dat 'treeke doel wel van hem daerop geweesti zal zig uit den vervolge zeer klaerblyke lijken handtoetelijk vertoonen. Brox dur alle verdere onnoodige discourss af, door hem myne verwondering te betuigen, over t geen zykwamen te advanderen, wijl mijne in structie, die conform de konventie tusshe de Heer gouverneur Verelst en den Heer Dircc, teur ingerigt was, daer niets van bekelsde, en gemelden Heer gouverneur my nog daer en boven op den 24 april by monde verzeedering gedaan had, dat de Instructie van hen lieden tzelve zou inhouden, namelik onsen annoa ten opneem van alle de weders en dezelver gading te doen; dog zy verklaerden, dat hun ne last niets hiervan, regte, en boden zelfs aen, on een getrouw translaat in 't paur daervan, dit gedeelte betreffende te willen geven, waerby wy beoogen zouden, dat den zelve eenlyk dicteerde, Eerdelyk om hun vermogen
English
may be able to employ to investigate, examine, or clear up the subjects of the disputes and disagreements between their gomostahs and those of the other nations, and to appease the same as much as they could; and secondly, to arrive at an amicable accommodation regarding the said manifold disputes. Thus the French and Dutch gentlemen each send two of their deputies to accompany you, with whom you can endeavor to prevent the causes thereof for the future, as appears from the copy of the extract drawn up in French, to be found among the annexes hereto under letter B. I expressed my utmost surprise at this, at the same time asking him to consider whether it was not well-founded if they would compare the aforementioned convention and what was said by Mr. Verelst, further taking the French gentlemen as witnesses whether this did not square with what was said to them by the said Governor, and thus with the truth. They then also affirmed this by repeating the exact words of the said Mr. Verelst. But the English gentlemen sought to pass over this unnoticed by turning the discourse to a plan, as the only means to accommodate the three companies with the linens required by them, and thereby to prevent all cause for any disputes or complaints in the future; namely, to purchase all the linens produced by each aurang on their behalf, to take each company's required share from it, and to leave the remainder for the private individuals, adding a request that we reflect upon this, or devise some other suitable means. Yet how very wildly imagined this was, I leave to the judgment of your Right Honorable, who know the disposition and interested manner of dealing of the English, and who can better comprehend than I can express the impossibility of executing such a plan, which would meet with infinite obstacles. I therefore replied to the English gentlemen: first, that I would not proceed to an investigation of complaints today, as this was entirely outside my commission; and second, that a beginning had only just been made with the purpose for which we had been sent hither, and that consequently I did not yet have the requisite and thorough information to judge their plan, much less to base another upon it. Moreover, it was unnecessary to rack my brains over it at present, since this was not required of me except at the conclusion of this commission, and even then only by way of proposal for the approval of your Right Honorable. The French gentlemen confirmed my statement. Master Bathoe was unable to conceal his resentment at seeing his design so abruptly spoiled, for in a tone very different from his ordinary politeness and friendliness, he asked impetuously, "Well, gentlemen, to what end have we come here then?" To which I answered him in like manner, that he might more properly put that question to Governor Verelst than to us, who desired nothing other than what conformed to the convention and the words of the said gentleman. He could bring forward nothing against this. He therefore returned to his former usual exterior, and said in an engaging manner, "I can never see, gentlemen, that there is any harm in hearing and examining those people, namely the dalals, weavers, etc. Concerning the census of the weavers, we will ask for further orders, but so as not to let time pass uselessly, we could begin with this." However, I persisted in my first declaration that I would certainly not enter into this without further orders. Seeing that the Englishman lost his patience, and that through words and counter-words there was nothing to be gained for us, I told him that I would write to the Director, and thereupon took my leave, as did the French gentlemen, who had conformed to everything said by me throughout. The said gentlemen, walking with me to our tent, expressed their surprise—notwithstanding that they had agreed to everything—that I had so absolutely continued to refuse to proceed to an examination of the dalals, weavers, etc. However, this surprise disappeared very quickly and turned into complete approval when I informed them that all those weavers had already been warned four or five days previously, and had been taught what they should say if they appeared for a hearing, and that those whom the English had selected to examine were already all here at Doeanhatta and in readiness. I simultaneously disclosed to them what their statements would have consisted of, and demonstrated what consequences this would entail for us, as all the circumstances clearly showed that the English intended only this with this commission. In short, they were exceptionally well satisfied, while Mr. Roeland added to this that he gladly
Dutch transcription
Claf mogen aentewenden uitnogaen, on„ derzoeken of opkelderen der onderwerpen van de durporten en oneenigheeden tusschen hunne gomostossen en die van de andere natier, en dezelve zo veel zy konden te appaireeren, en ten twee den, om te komen tot een vriendelijk accommodement nopens gemelde me„ nigvuldige dispucten, zo zende, de Heeren Fransen en Hollanders ieder 2 van hunne gecommitteerde, om uw te vergeselschap, pen, met dewelke gy kunt tragten te voorkomen de oorzaken deszelve voor t toekomende, uitwyzens het afschrift, van twyter hand gestelde extract int fracs onder de bylagen dezer sub letta B te vinden. Ik beduigde myne uiterste surpaise hierover, hem tegelijk in consideratie gevende of dezelve niet gegrond was als zo daerby wilden vergelyken de voorm conventie en t gezegde van den Heer Verelft, neemende voorts de heeren Fraclen tot getuigen, of dit een en ander niet met t door gemelde heer Gouverneur aen hem gesegde, en dus de waerheid quadreerde, die dan ook zulks affin weerden door de eige woorden van gem Heer Verelst te herhalen, dog de Hee aen Engelsche zogten dit enge„ merkt te passeeren, door 't discourr op een plaat te wenden, als 't eenigste middel aan de drie compagnien met de door hem gerequireerde lywaaten te gerieven, en daer door alle aen leiding leiding tot eenige dispucten of klagten in de aenstaende te voorkomen, namelijk om alle de Liwaten, welke ieder arreng voorts brengd, voor dezelve aente daen, t benodigde van ieder Maatschappy daervan te nee mengende resteerende voor de parti„ culiere te laten, onder byvoeging van het verzoek, dat wy er eens onse gedagten over laten gaen, dan wel een condenan bele middel uitdeusen zouden. Dog hoe zeer dit uit wild geschermd war, laet ik aen t oordeel van uwel Ed Achtb:, die de dispotiere en interressanten handel wijze der Engelse kennen, en die de on„ mogelykheid der executie van een alzulx plan, t welk obstaans in teneindige ontmoeten zoude, beter kunnen be„ vroeden, dan ik expresseeren, gedefe, reert. Gafdor de Heeren Engelsen ten ant woord, als op 't eerste, dat ik tot een onder„ zoek van klagten niet heeden zouden, als vostrek buiten mijnen last zynde, en op t twee de, dat eerst momentlyk een begin ge maakt had, met het geene, ten welken einde wyherwaerds gezonden waren, dat overzulks als nog de vereischte, dur geen grondige informatie had, om over hun plan te oordeelen, veel min om er een ander op te funderen, dat het ook onnodig was, daertans myne ter senen mede te breeken, wijl zulks niet als by uiteinde dezer commissie. van my vereischt wierd, en dan nog niets anders, dan voorstellende wyze, ter galdkeure 663 goedkeure of der approbatie van uwelEdele Achtbare. De Heeren frans schen confirueerden mijn gezegde. Meester Bathoe had het vermogen niet om zynen spijt, dat hy zyn ontwerp zo eensklaft vergaelt zag te verbergen, want hy op eenen toon zeer differeeren, de van zyne ordinaire politesse en vreendelykheid, driftig vroeg, wel Myn Heeren, tot wat einde zijn we dan hier gekomen ? was op hem in zelver voegen antwoorde, dat hy die vroeg gepaster zou doen aen den Heer Gouverneur Veelst, dan aen ons, die niets dan conform de con ventie en 't gezegde niet en van gem Heer begeerden. Niets wisk hyheertegen intebrengen. Hykeer de, dus ook tot zyn voorige gewone uiterlykheid terug, en zeide opeene inneemende wyze, in kan ninmers niet zien, myn steeren, dat er iets in steekt, men die luiden, te wee ten de Dallaels wevers etc eens hoort en examineert, omtrent den op„ neem der wevers zullen wy nadere ondre vragen, dar om den tijd niet nuttelder voorby te laten stryven zollen men hiermeede kunnen zou beginnen, dog in persisteerde by myne eerste declaratie, dat er na„ welyk niet sonder nadere ordre in treeden zoude, ziende dat den En gelsman zyne gedult vloon, en en door door woorden en weerwoorden voor ons niets te winnen was, zeide hem, dat en den Heer Directeur overschryven zou„ de, en nae daermede myn afscheid, gelyk de heren pansen, die zig in en omtrent al het door my gezegde telkens geconformeert hadden, meede deeden. gem steere met my na onse tent gaende, betuigden, niet tegen staende zy in allertoegestemd hadden, hunne verwondering echter, dat in zo absolut had blyven weigeren, om tot een examinatie der dallaels weevers el te treeden, dog deselve verdween zeer spoedig by hem, en veranderde in eene volkomen goedkeuring daer omtrent, toen in hen berigte, dat al die wevers niets een dag of 4 a 5 bevorens gewaerschouwt waren, en hen geleert was, wat of ze zeggen maerten, zo ze ten verhoor verscheenen, mitsgaders dat die geenen, welk de Engelsche uitgekozen hadden, om te verhooren, reets alle hier op Doeanhatta en in gereedheid waren, hen teffens ontvouwende, waerin hun gezegde zou bestaen hebben, en aentoonende van welke gevolgen zulx voor ons zoude strekken, wil alle de omstan¬ digheeden, klaer aentoonden, dat de Engelsche dit eenlyx net deeze kommissie bedoelden, enfin zy waren byzonder overuytevreeds, terwijl mr Roeland daer byvoegde, gaerne