VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 9686

Coromandel · 1,380 pages · 199 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_9686_0382 view scan ↗

English

before the letters from the soubah and his son were delivered here, there was also brought by a post messenger a letter in the Marathi language, written by the defeated prince, or rather written to me in his name, since the bearer, upon my inquiry made thereafter, declared that he had received the same from the soubah's son Madarroel Moelk, and had been ordered by him to say that it came from the prince himself, containing the demand for the return of all the granted deeds of sale and the pawned jewels, under the offer of sending over the money that had been borrowed thereon, appearing more in detail from its translation inserted into the Resolution of the 2nd following; and because many reasons arose to suspect that letter of being fabricated, the same was, on that ground as well as for other motives set forth at large in the aforesaid resolution, left unanswered, and the bearer was only told by me verbally that since the prince had been defeated, nothing more was known of him, nor were any letters expected or wished to be received from him, which I hope, just as well as the arrangement made in that same resolution concerning the military who are here or there in the field or on detachment, following the example that takes place in Ceylon and in proportion to the same, to grant them something extra, will merit Your Excellencies' favorable approval, which I also very humbly request in respect of everything that is treated herein, as having been done, according to the circumstance of times and affairs in which we presently find ourselves here, to the greatest benefit and service of the Honorable Company; also that we may soon be provided with Your Excellencies' respected orders as to whether, the advanced money being repaid for them, the lands may be returned to the soubah, or retained, in which latter case it will then be very necessary that the same, or our purchase, be maintained by force. Meanwhile, I still respectfully bring to Your Excellencies' notice that I and the Council, by letter of the 1st of this month, on account of the very apparent reports already received then of the soubah's evil intention against the Honorable Company, have most earnestly and amicably requested the Ceylon ministers to assist us, before the breaking of the northern monsoon or as soon as possible, with a further 200 European soldiers, and as many artillerymen under their officers, as well as Malays, as could conveniently be spared there, item some ammunition goods specified in the said letter, which accompanies this in copy, being very sorely needed; there having arrived here successively from that Government, since the dispatch of my respectful letters of the 10th of September past, besides the troops mentioned therein, a further 469, both Europeans and Easterners and sepoys under their officers. Finally, in accordance with my respectful promise in the aforesaid missive, I still submissively present to Your Excellencies a bundle containing a collection of all the contracts, privileges, and grant writings of the native princes and regents since the year 1612 to 1773 inclusive, provided with an extensive register showing what pertains to each office; wherewith commending Your Excellencies' illustrious persons, together with the state of the General Company, to the providence of the Almighty, I subscribe myself with profound respect, (it stood below) High and Mighty, Highly Esteemed, Widely Ruling Lord and Noble Lords, Your Excellencies' humble and obedient servant, (was signed) R. van Vlissingen, (in margin) Nagapatnam In the Castle, the 20th of October 1773. Agreed, J. Hus Cingen Via Ceylon Batavia. To His Excellency, The High and Mighty, Highly Esteemed, Widely Ruling Lord, Petrus Albertus van der Parra, Governor General, Together with the Noble Lords, Councillors of the Dutch Indies, High and Mighty, Highly Esteemed, Widely Ruling Lord and Noble Lords, Copy Secret. On that same morning, or the 21st of October last, that the ship Tempel set sail with my respectful letters of the previous day, whereby I had the honor to impart to Your Excellencies in detail all that had been transacted and carried out up to that time with the young nabob Madaroel Moelk with regard to the newly purchased lands and the redemption of the recognitions, together with his claim formed therefrom; the same, after having informed me by a letter late in the evening of the 20th of October that he was about to arrive at Naoer with his army, without awaiting the answer thereto, came marching into Naoer, joined with the English, and took possession of that place by hauling down the Dutch flag and hoisting the Moorish flag; and our garrison at Naoer, finding itself not strong enough to prevent the march of the Nabob's army with any effect, marched in good order from there to this city, pursuant to the order resulting from the arrangement made in the Resolution of the 11th of October, after the commander thereof, Captain Lieutenant Jan Scheerken, had served the protest, both in Dutch and Persian, upon the said Madaroel Moelk, who, having read the same and returning it to the aforesaid Captain, declared that protesting in this matter could have no place, since the land of which he had taken possession belonged to him

Dutch transcription

95 voor dat de brieven van den souba en zijn zoon alhier besteld wierden, door een post bode, almeede toegebragt geworden is, een brieff in de marattijse taale, door den overwonnen vorst, off liever op sijn naam aan mij geschreeven, alsoo den overbrenger op mijn daar na gedane vraag, verklaard heeft, deselve van des soubas soon Madarroel Moelk ontfan= gen, en van hem last gekreegen te hebben, om te seggen, dat se van den vorst selfs quam, behelsende de te rug eijssching van alle de verleende koopbrieven, en de verpande Juweelen, onder aanbod van het Geld, dat daar op geleend was, te sullen oversenden, nader bij dies Translaat ter Resolutie van den 2:' daar aan, g'insereerd Consteerende, en dewijl,'er sig veel reedenen op gedaan hebben, om die brieff voor g'inventeerd te suspecteeren, soo is, uijt dien hoofde soo wel, als om meer andere motiven, ter voorsz: resolutie in 't breede verthoond, deselve onbeantwoord gelaten, en den bren„ ger maar eenelijk door mij bij monde aangesegt, dat vermits den vorst overwonnen was, men dierhalven van hem niet meer wiste, nog ook geen brieven ver„ wagten off ontfangen wilde, het welke ik verhoope dat alsoo 357 alsoo wel, als de bij die selfder resolutie gemaakte schikking, van de Militairen, die hier off daar in 't veld off op Commando sijn, na het voorbeeld dat te Ceijlon plaats heeft, en evenreedig met deselve, iets Extra toe te leggen, uw Hoog Edelens gunstige appro„ batie verdienen sal, die ik almeede seer ootmoedig in„ steere, ten opsigte van alles wat in deesen verhandelt staat, als na de omstandigheijd van tijden en saaken, waar inne wij ons tans alhier bevinden, ten meeste nit„ te en dienste der E: Comp:e geschied sijnde, ook spoedig. met uw Hoog Edelens gerespecteerde ordres gemuni„ eerd mag werden off men de Landen, het uijtgeschote„ ne Geld daar voor betaald werdende, aan den souba sal mogen te rug geeven, dan wel aanhouden, in welk laast geval dan seer noodsakelijk sal weesen, dat de„ selve off onse koop met magt werde gemaintineerd, Terwijl uw Hoog Edelens intusschen nog eerbie„ dig ter kennisse brenge als dat ik en den Raad, bij brieve van den 1:e deeser, om de Wille van de toen reeds ingekomene seer schijnbaare berigten van des sou„ bas quaad voorneemen teegens D' E: Maatschap„ pij, de Ceijlonse ministers op het ernst vrindelijkst ver„ 11 versogt heb, ons nog voor het doorbreeken van de noorder mousson, off soo spoedig mogelijk, te ad= sisteeren, met nog 200 Europeese soldaaten, en soo veel arthilleristen onder derselver officie„ ren, mitsgaders Malaijers als aldaar voegelijk gemist konden werden, item eenige ammonitie Goederen, bij gedagte brieff, welke in Copia dee„ sen verseld, gespecificeerd, als seer benoodigt weesende, sijnde na het affgaan mijner eerbiedige letteren van den 10:e 7ber: passato, buijten de daar bij vermelde manschappen, 't seedert successive uijt dat Gou„ vernement, alhier nog aangekoomen 469. soo Europeesen als oosterlingen en Sipaijs on„ der derselver officieren, Eijndelijk biede ik uw Hoog Edelens ingevolge mijne Eerbiedige promesse bij voorsz: missive, nog onderdanig aan een Bondel, inhoudende een versameling van alle de contracten niet en pre„ veligie geschriften van, de Inlandse vorsten en Regenten 't seedert Anno 1612 tot 1773. inclu„ sive, voorsien, met een wijdloopig register ter aan„ tooning 96 8.6 359 heeft; aantooning wat tot ider Comptoir betrecking waar meede uw Hoog Edelens Jllustre persoonen, benevens den staat van de Gene„ raale Maatschappij in de providentie des Al„ lerhoogsten beveelende, mij met profunt respect onderschrijve, /:onderstond:/ Hoog Edele Groot Agtbare Wijdgebiedende Heere en WelEdele Heeren, uw Hoog Edelens ootmoedige en Gehoorsame Dienaar /:was geteekend:/ R=n van Vlissingen /:in margine:/ Nagapat„ nam In 't Casteel den 20:' October 1773. — O Accordeerd J Hus Cingen 8:ƒ 361 97 Over Ceijlon Batavia. Aan zijn Hoog Edelheijd, Den Hoog Edelen Groot Agtbaren Wijdgebiedende Heere Petrus Albertus van der Parra¬ Gouverneur Generaal, Benevens Raaden De welEdele Heeren India, van Nederlands Hoog Edele Groot Agtbaare Wijd gebieden Heeren, de Heere en WelEdele Op dien selfden morgen, of den 21. October Tempel onder J=o leeden, dat het schip den Copia Secreet. seijl seijl is gegaan, met mijne Eerbiedige Letteren van 's daags bevoorens, waarbij ik de Eere hadde uw Hoog„ Edelens in sijn Omstande te bedeelen al het geen tot die tijd toe, met den Jongen nabab Madaroel Moelk„ met betrecking tot de nieuw gekogte landen, en affkoop der Recognitien, mitsgaders sijne daar uijt geformeerde pretentie, verhandelt en verrigt is ge„ worden; is denselven na mij bij een brieff 's avonds laat van den 20. e October kennisse gegeeven te hebben, dat met sijn Leeger op Naoer stond te koo„ men, sonder het andwoord daar op afftewagten, geconjun„ geerd met de Engelschen, Naoer komen inrucken, en die plaats door het nederhalen van de Holland„ sche, en bijmaken van de Moorsche vlag in besit genoomen; en Onse besetting op Naoer, als sig niet bestand genoeg gevonden hebbende, om het inrucken van 's Nababs Leeger met eenige vrugt te beletten, is, volgens de ordre uijt de gemaakte schicking ter Resolutie van den 11=e October voortgevloeijd, van daar in goede Ordre na deese stad getrocken, na dat den Commandant derselve, den Capitain Luijtenant Jan Scheerken het protest soo in het Hollands, als Persi¬ aans, aan gedagte Madaroel Moelk gein¬ trageerd hadde, die het selve geleesen heb„ bende, aan voorm: Capitain te rug geevende, betuijgt heeft, dat het protesteeren in dee„ sen geen plaats hebben konde, dewijl het Land, waar van hij het besit hadde genoomen, hem 98

NL-HaNA_1.04.02_9686_0391 view scan ↗

English

belonged to him as conqueror of Tansjoer; all of which was repeated in French by one of the English officers by whom he was surrounded, and was translated into Dutch by Captain Gijsbert Zeegelaar, who, having had the picket that morning, was sent by me with a message to the said general, and at the same time had requested to send two members from the Council to him, in order to negotiate over the differences, just as everything that occurred in this regard is found recorded in further detail in the separate resolution passed to that effect on the 21st of the aforementioned month of October; whereby your High Nobilities may furthermore please consider that however great the inclination and zeal of the government here was, according to oath and duty, emphatically to maintain the Company's possession and rights to these newly purchased lands acquired through lawful purchase, and to avenge the insult inflicted upon the Dutch flag by the invasion of those lands, to which purpose one had moreover the satisfaction to see the forces presently on hand here so well disposed that their bravery and loyalty could be fully relied upon, yet on the other hand. taking into mature consideration the uncertainty of the event and the outcome of the same, as well as the consequences that can and must result therefrom, as also that in order to preserve the one, everything else would be put at stake; besides several other objections and consequences, discussed and adduced in the aforementioned resolution of the 21st of October last, the more so as one, with the utmost astonishment and against all expectation, had to see and experience that in this invasion the English joined with the troops of the subah, so that, making a virtue of necessity, it was deemed most salutary to adapt somewhat to the circumstances of time and affairs; and meanwhile to endeavor to keep the negotiation dragging on, as far as it could ever possibly be and happen, until one could be armed with your High Nobilities' wise orders; both concerning the purchase of those lands and recognition, and the infraction committed against the Company's right and property in them, so lawfully acquired thereby, as well as how the violent conduct of the subah in this regard toward the Honorable Company would be further regarded by your High Nobilities, since by the compulsory surrender of the same the Honorable Company would no longer have, nor be authorized to have, the power to contract with any native princes, or to negotiate any advantage and tranquility of and for the Company's trade and establishment, if one were to be exposed and subjected to the caprice and power of this or that usurper, as the subah is, and who also as such possesses all his states, wrested from time to time from the lawful princes and rulers of these lands solely with the aid of the English. The consideration of these principal reasons, and particularly to prevent as much as possible all obstruction to the trade and service of the Honorable Company, was the moving cause of the decision taken on that day to appoint two members from the assembly, in order to learn what the said His Excellency Madaroel Hoelk had to say or propose, at the same time instructing them, regarding the purchased lands etc., to refer entirely to the letters written both to him and to his father the subah. And in order not to be lengthy, and also not to delay your High Nobilities with any unnecessary detail of all that was negotiated and occurred on that occasion, as well as written back and forth, and thus to weary your High Nobilities through recitations of that which is found set down in the successive reports submitted each time by the said commissioners concerning their performance, I shall, after having with great respect referred in general to those writings inserted in the separate resolutions of the 22nd, 23rd, 26th, and 28th of October, 7th and 8th of November last, as well as to those and the further decisions passed in that regard on the 3rd, 6th, 13th, and 21st of November just mentioned, under your High Nobilities' favorable interpretation, merely occupy myself with bringing concisely to your High Nobilities' attention the claims put forward by the Nabob, consisting principally in: The annulment of the purchase made of the lands, and the redemption of the recognitions, as well as the surrender of the bills of sale pertaining thereto, and the receipt for the monies paid for the same. Item, the extradition of the jewels that had been pledged to the Company as well as to private individuals, but redeemed with a part of the purchase money and remained here. As well as the surrender of the former emissaries of the dethroned prince of Tansjoer.

Dutch transcription

363 hem als overwinnaar van Tansjoer toequam; al het geen door een der Engelsche officieren, waar van hij Omringt was, in het frans overgesegd, en door den Capitain Gijsbert Zeegelaar, die dien morgen als het picquet gehad hebbende, door mij met een boodschap aan gedagte scheer„ ken gesonden is, in het Hollands vertaald is geworden, en daar bij teffens heeft laaten ver„ soeken, om twee Leeden uijt den Raad tot hem„ te senden, ten eijnde over de verschillen te hande„ len, gelijk al het voorgevallene dienaangaande nader ter nedergesteld werd gevonden, bij de ten dien belange gevallene apparte Resolutie van den 21. der voormelde maand October; waarbij uw Hoog Edelens alverder gelieven te beschouwen, dat hoe seer de geneijgdheijd en iver van de Re„ geeving alhier geweest is, om volgens Eed en pligt, 'sComp„s door wettige koop verkreege Regten besit dier nieuw gekogte Landen, met na„ druk te maintineeren, en de Hoon de Hol„ landse vlagge door het invadeeren dier lan„ den, toegebragt, te Revengeeren, waar„ toe men boven dien het genoegen had, de tans alhier aanhanden weesende magt, soo wel gedisponeerd te sien, dat op derselver Bra„ voure en getrouwigheijd ten vollen staat ge„ maakt konde werden, egter aan de andere kant. kant de wisselvalligheijd van het geval en de uijtkomst van het selve soo wel, als de gevol„ gen, die daar uijt kunnen, en moeten resulteeren, in rijpe Overweeging neemende, als meede dat om het eene te behouden, alle het andere in de waagschaal gesteld wierden; buijten meer andere bedenkingen en sequeelen, ter voormel„ de Resolutie van den 21. e october J=o leeden, ver„ handelt en bij gebragt, temeer men, met de uijt„ terste verwondering, en teegens alle verwagting heeft moeten sien en Ondervinden, dat in die gedaane in„ vasie, de Engelschen, sig met de troupen van den souba geconjungeerd hebben, invoegen men, van de nood een deugd maakende, het heijlsaamste oordeelde, sig na de omstandigheeden van tijd en saaken eenigsints te schicken; en intusschen te tragten, om de onderhandeling, soo het maar immers moogelijk weesen en geschieden konde, soo lang sleepende te houden, tot dat men met uw Hoog Edelens wijse beveelen, gemuni„ eerd soude konnen werden; soo omtrent den koop dier Landen en Recognitie, als de toege„ bragte infractie, in 's Comp„s daar door soo wettig verkreegene Regt, en eijgendom, op deselve, mits„ gaders hoedanig verder bij Hoogst Deselve opgenoomen soude werden, de geweldadige Han„ delwijse van den souba deesen aangaande, omtrent de 29 - de E: Maatschappij, dewijl door het te noodsake„ ne te doene afstand derselve Haar Edele geem magt meer hadde, off hebben, nog bevoegd wee„ sen soude, met eenige Jnlandse vorsten meer te moogen Contracteeren, dan wel het een off an¬ der voordeel en Tranquiliteijt van = en tot 's Comp: Handel en feet te bedingen, soo men blootgesteld, en Onderworpen soude moeten weesen, aan de willekeur en magt van deese of geene Usurpa¬ teur, gelijk den souba is, en ook als sodanig al„ le sijne van tijd tot tijd, alleen door behulp der Engelsen, de wettige vorsten en Regenten deser Landen ontweldigde staten, besit. De Overweeging van deese voornaame ree¬ denen, en wel insonderheijd, om alle stremming in den Handel en dienst der E: Comp„e soo veel mogelijk voortekoomen, is de beweegende oor„ saak geweest, van het ten dien dage genoomen be„ sluijt om twee Leeden uijt de vergadering te Committeeren, ten eijnde te verneemen, wat gedagte sijn Excellentie Madaroel Hoelk te seggen of voortedraagen hadde, haar teffens gelastende; omtrent de gekogte Landen etc:a, sig ten eenemaal te refereeren aan de brieven, soo aan hem als desselvs vader den souba geschree„ ven. En om niet langwijlig te sijn, en ook uw Hoog Edelens. - 100 Edelens met geen onnodig detail van al het geene bij die geleegendheijd verhandeld en voorgevallen, mitsgaders over en weeder geschreeven is, opte hou„ den, en alsoo Hoogst Deselve door recitatien van het geen bij de successive overgegeevene Rappor„ ten der Gemelde gecommitteerdens van derselver ver„ rigting telkens ter neder gesteld werd gevonden, te vermoeijelijken, sal ik na mij aan die ge„ schriften ter apparte resolutien van den 22. 23. ' 26. en 28. october, 7. en 8. november J=o leeden geinsereerd, met veel eerbied in het generaal gere„ fereerd te hebben, als meede aan die en de verde„ re dienaangaande gevallene besluijten van den 3. 6: 13: en 21. november soo evengemeld, onder Uw„ Hoog Edelens gunstige welduijding, maar beesig houden, Hoogst Deselve beknopt onder het oog te brengen, des Nababs voortgebragte pre„ tentien, bestaande voornamentlijk in: De vernietiging van den gedaanen koop der Landen, en den afkoop der Recognitien, mits„ gaders Overgave der daar van sijnde koopbrieven, en de quitantie van de voor deselve betaalde penningen. Item de extraditie van de onder de Compie soo wel als particulieren verpand geweest sijnde dog met een gedeelte der kooppenningen gelos„ te en alhier verbleevene Juweelen. Als meede intrageering van de geweese sen„ delingen van den gedetroneerden Tansjoersen vorst.

NL-HaNA_1.04.02_9686_0395 view scan ↗

English

prince, in the name of Narsinga Rauw Bhosale and Cannagasawea poele. Furthermore, the delivery of the four elephants sent as a gift by the Candian prince to the ruler of Tansjoer, but left here undelivered, the arrival and abandonment of which in this place were already mentioned in my respectful letters of 10 September and 20 October last; and furthermore, how that troublesome affair was settled in nine meetings and conferences held regarding it in Naoer between the aforementioned sent commissioners and His Excellency Madaroel Moelk, and the Honorable Company was indemnified. The main point of the negotiation was therefore the cession of the purchased lands and the tributes, upon which the Nabab remained so unyielding that no representations nor demonstrations were able to dissuade him from it, but on the contrary, with very great earnestness and emphasis, accompanied by all kinds of threats, he demanded and insisted that the same should be given back absolutely, and thus everything should remain on that footing, and be brought back to the state it was in during the time of the prince Pretappa Singa, or the father of the now dethroned prince Toellaja, with the declaration that he could not and would not at all respect the actions and deeds of and by this latter ruler; and therefore disapproved of all his transactions, because he had been his tributary and thus owed him subjection, seeing that persisting with the purchase would gain no ground because of the violent manner of acting; I, together with the Council, therefore found myself compelled to resolve upon the demanded cession of the aforementioned lands and places so very important to the Honorable Company here on the Coast, as well as the burdensome servitudes of the recognition monies and elephants; the more so because he was far less willing to accept the proposal made to him that the final settlement of this matter might remain postponed until I should be honored with Your High Nobilities' orders regarding this, to whom I pretended not only to have sent the bills of sale, but also to have communicated his desire for the retrieval of those lands, etc., and to have requested orders. The venerated order given to me by Your High Nobilities by secret letter of 16 October 1772, dictating that if, contrary to hope and expectation, Tansjoer might have passed into the power of the souba, or into that of his son, without the debt regarding the money entrusted to the prince being settled, all practicable means should then be employed to obtain the same, has led me—although it only concerned the mortgaged money, yet judging it necessary to be able and obliged to apply the same regarding the aforementioned purchase, which, however lawful it may be, the tyrant nevertheless would not respect—to proceed all the sooner to that cession, in order thereby to become empowered to recover, and thus get repaid, the money paid out for those lands, etc., to the sum of 484545 pagodas (in which is included the money advanced by private individuals to the prince to the sum of 100000 pagodas, together with the accrued interest, which is due to them as well as to the Company on its money in part, or since the settlement held with the prince's emissary), which His Excellency Madaroel Moelk, after first having raised many difficulties in that regard and brought forward various unfounded exceptions, both concerning the illegality of the bills of sale and receipt, and the non-payment of as much money as was acknowledged therein, as is treated at length in the aforementioned reports of the commissioned members, has undertaken to pay; and the sowcar of this place, Nellabheraam tarwadie, for and on behalf of his master Boederje Dewe, and Comaroo, or otherwise commonly called Collende appa moddelij, in the name and on behalf of his principal Mr. Paul Benfield, who is a very wealthy English banker and directs an important commercial house in Madraspatnam, have bound themselves to account to the Honorable Company for the aforementioned contracted amount, with interest at 1/4 per cent per month since 21 October last, or the day that the nabab invaded the lands, in this manner: 180000 pagodas on 29 April next 100000 pagodas in the month of June 100000 pagodas in the month of August, and the remaining 104545 pagodas in the month of October following, with the stipulation that upon the payment of the first term there should be delivered to those two bankers the jewels mentioned hereinbefore as having been pledged, and in the coming month of June or July there should be handed over to the said Comaroo the five original bills of sale of the lands and tributes, together with the original receipt granted by the former Tansjoer emissaries Narsinga Rauw Bosale and Cannagasaweapoele, pending which, on the other hand, a certificate on behalf of the Honorable Company has been issued to His Excellency Madaroel Moelk regarding the cession made of those lands and the tributes, with respect to which latter, or rather the elephants, I have stipulated that the same shall be brought annually by the Company's people to Triwaloe, and there delivered to the souba or his servants present there who should be authorized for that purpose.

Dutch transcription

367 vorst, in namen Narsinga Rauw Bho„ sale en Cannagasawea poele. Voorts de overgave van de vier stuks door den Candiasen vorst, aan die van Tansjoer tot ge„ schenk gesondene, dog onafgegeeven alhier verblee„ vene Eliphanten, van welkers aanbreng en agterlating te deeser steede, bij mijne eerbiedi„ ge Letteren van den 10. september in 20. October pass=o. reeds melding gemaakt is; en voorts hoedanig die verdrietige affaire in negen dier„ wegens te Naoer gehoudene bij eenkomsten en Conferentien tusschen de voorsz: afgesonde„ ne gecommitteerdens en sijn Excellentie Ma„ daroel Moelk bijgelegd, en de E: Comp=e scha„ deloos gesteld is. Het Hoovd poinct van de onderhandeling is dan geweest, de afstand van de gekogte lan„ den, en de Recognitien, waar op den Nabab soo Onversettelijk is blijven staan, dat geene ver„ toogen nog Demonstratien in staat geweest sijn„ om hem daarvan aftebrengen, maar in teegendeel met seer veel ernst en nadruk; verseld van allerhande drijgementen begeerd en aangedrongen heeft, dat deselve absolut te rug gegeven soude werden, en dus alles op dien voet blijven, en ge„ bragt werden moeste, als het geweest is, ten tij„ de van den vorst Pretappa Singa, off de vader van den tans gedetroneerden vorst Toellaja met 8. met betuijging dat hij de gedoentens en het verrig„ te van en door deesen laatsten, in het geheel niet konde, nog wilde Respecteeren; en dierhalven alle sijne behandelingen, uijt hoofde hij sijn tribu„ taris geweest is, en dus onderdanigheijd aan hem verschuldigt sijnde, als ondervindende, dat met het blijven staan op den koop, geen veld te win„ nen sal weesen, door de geweldadige handel„ wijse, disapprobeerde; Ik heb dierhalven mij neevens den Raad gedrongen gevonden, tot de begeerde afstand van voorschreeve voor de E: Maatschappij hier ter Custe soo seer aangelee„ gene Landen en plaatsen, mitsgaders de Lasti„ ge servituuten van de recognitie penningen en Eliphanten, te moeten resolveeren; temeer Hij veel minder heeft willen amplecteeren, het voorstel aan hem gedaan, dat de finale afdoening deeser sake, dus lange uijtgesteld mogte blijven, tot dat ik met uw Hoog„ Edelens beveelen deesen aangaande, gehonoreerd soude weesen, aan wien ik voorgaff, de koop„ brieven niet alleen gesonden, maar ook sijne begeerte ter te rug erlanging dier Landen etc=a be„ deeld, en ordre versogt te hebben. Het gevenereerde bevel van uw Hoog Ede„ lens bij secreete brief van den 16. October: 1772: aan mij gegeeven, dicteerende dat wanneer tee¬ gens hoope en verwagting tansjoer in des sou„ bas magt, off wel in die van sijnen soon, mog„ te weesen overgegaan, sonder dat de schuld¬ weegens. 101 369 weegens de aan den vorst gefieerde penningen; ver„ evend was, als dan ter obtenu derselve, alle practi¬ cabele middelen te moeten aanwenden heeft mij schoon maar sijn opsigt hadde, omtrent de beleende gelden, egter noodsakelijk geoordeelt, het selve om„ trent de voorm: koop, die hoe wettig deselve ook is, nogtans den geweldenaar niet Respecteeren wil„ de, te kunnen en moeten applicabel maaken, soo veel te eerder tot dien afstand doen treeden, ten eijnde daar door magtig te werden, en dus weeder gerecourreerd te krijgen, de voor die landen etca, uijt„ gegeevene penningen, ter somma van 484545. pagoo„ den /:waar onder begreepen is, het geschotene geld door de particulieren aan den vorst ter somma van 100000. pagooden, nevens den verloopen Jnt„ rest, deselve soo wel, als de Comp„e op derselver geld voor een gedeelte, off 't seedert de gehoudene afreecq: met des vorstens sendeling Competeerende:/ die sijn Excellentie Madaroel, Moelk, na eerst veele difficulteijten dienaangaande gemaakt, en verscheijde ongefondeerde exceptien soo nopens de Onwettig„ heijd der koopbrieven, en quitantie, als nonbetaaling van soo veel geld, als daarbij bekend stonden, voort„ gebragt te hebben, gelijk sulks bij de voorsz: Rap„ porten van de gecommitteerde Leeden in het breede verhandelt werd, aangenoomen heeft te voldoen, en den saukaar deeser plaatse Nellabheraam tarwadie voor en van weegen sijn meester Boe¬ derje Dewe, en Comaroo, of anders in de wan„ deling genaamt Collende appa moddelij, uijt naame en van weegen sijn principaal Mr. Paul Paul Benfield, die een seer, vermoogend En„ gels Bankier is, en een voornaam Comptoir te Madraspatnam bestierd, sig verbonden hebben, om het voorsz: gecontracteerde montant, met den int„ rest van ¼. percento 's maands 't sedert den 21. ' oc„ tober J=o leeden, of den dag dat den nabab de Lan„ den geinvadeert heeft, aan d' E: Comptie. in deeser voe¬ gen te verandwoorden, als: 180000. pagooden den 29: april naastkoomende 100,000 pagcden in de maand Junij 100000. pagroden in de maand augustus, en de Overige 104545. pa/o in de maand October daaraan volgende met beding dat bij de betaling van het eerste ter„ mijn aan die beijde bankiers geintrageerd soude wer den, de hier vooren vermelde verpand geweest sijn de Juweelen, en in de maand Junij of Julij aanstaa de gedagte Comarco ter handen werden gesteld de vijff stuks Origineele koopbrieven der Landen en recognitien, mitsgaders de Origineele ver„ leende quitantie van de geweese Tansjoerse sen delingen Narsinga Rauw Bosale en Cannagasaweapoele, tot hoe lange daaren teegen, aan sijn Excellentie Madaroel Moel een Certificaat van weegen de E: Compie afgege ven is, weegens den gedaanen afstand dier Lan den, en de recognitien, ten opsigte van welke la te of wel de Eliphanten bedongen hebbe, dat des ve Jaarlijks door 's Comp„s volk op Triwaloe gebragt, en aldaar aan den souba, off sijne daar sijnde bediendens, die daar toe gequalificeerd sou weesen. 1102

NL-HaNA_1.04.02_9686_0399 view scan ↗

English

would be handed over, in order thereby not only to avoid the difficulties that could again arise and at Jaffanapatnam cause obstruction to the Elephant Trade, even more now than previously with those of the Tanjore prince, but also to keep the people of the subah as much as possible away from the island of Ceylon; however, the recognition moneys would be paid here as usual to whoever was sent with the receipt for the same, just as one had similarly been obliged to resolve upon the surrender of the 4 elephants from Candia, however unreasonable and unfounded that demand was; and has for that, as well as for the jewels, granted receipts, and thereby bound himself to stand surety for all claims arising in time regarding this, and thus to indemnify the Honorable Company against all present and future demands in this regard; just as he has also, by a granted Caul and Dastek, confirmed and ratified all the prerogatives and privileges that the Honorable Company has always had and enjoyed in the principality of Tanjore; that furthermore, no flag other than that of the subah should fly in the seaports situated in the Tanjore principality; all of which is to be seen more closely and broadly in the contract concluded with him, and the aforementioned papers mutually granted, inserted in the separate resolution of the 8th of this month, after the drafts thereof were previously reconsidered at an earlier session of the 21st of November, being drawn up by His Excellency Madavool Hoelk himself, instead of those which I submitted at the resolution of the 13th of November against his previous ridiculous and intricate models that were sent over, which also stand inserted in the just-cited resolution, but which were entirely rejected because of the improprieties and absurdities appearing therein; demanding, among other things, that one should be a friend of those who lived in friendship with the subah, and an enemy of those who were at war with the subah; further, that if it should happen that the former Tanjore envoys came forward and reported to the subah that they had not received as much money as the receipt stated, and this were proven by them, then the lesser amount paid would have to be disbursed by the Honorable Company; as well as that no more military personnel etc. should be kept or remain here than had always been here, and thus all the rest, aiming thereby at the reinforcement received from Ceylon, would have to be sent away; just as His Excellency insisted upon this with great emphasis during various conferences; besides many other unreasonable and vexatious matters which accompanied those negotiations, to such an extent that I had to break them off for a few days; and in order to present the same to Your High Excellencies in proper order, I must step back a little in this matter; for after everything had been planned and regulated, and according to what was resolved at the session of the 26th of October, almost everything that had been demanded by His Excellency with an unyielding stubbornness had been granted, in order thereby not to bring the Company's trade and affairs here into further vexatious circumstances, into which they had already completely fallen immediately after the fall of Tanjore; and thus only the drafting and preparing of the papers remained, His Excellency declared finally at the conference of the 27th of October that he would not enter into the least negotiation any further before and until the aforementioned Tanjore envoys, Narsinga Rauw Bhosale and Cannagasaweapoele, were handed over to His Excellency; expressing his astonishment that they had not been sent along with the commissioners, behaving on that day so unreasonably and abruptly that it was almost intolerable, making many enormous threats and reproaches, and using insolent expressions, as well as putting forward all kinds of far-fetched and unfounded claims, and particularly concerning the aforementioned two envoys, namely that he had to have them in order to interrogate and examine them as to how and in what manner the purchase moneys were paid, and that account was liquidated; demanding to that end that a specific account should be delivered to him, showing how much was first advanced both on the pledge of jewels and lands, in what manner the interest thereon was calculated, and in what way this was subsequently liquidated, as well as how the money of the purchase was paid, with an indication of the day and date of the delivery and payment of the same; without being willing in the least to lend an ear to the demonstrations and refutations of his improper conduct; so that at the session of the 28th of October it was decided not to send the commissioners before and until he should desist from his aforementioned newly broached claims; but to point out the unreasonableness of his conduct in a letter, and further to await how he should come to behave himself; as was persisted in by that resolution in a further decision of the 3rd of November following. Meanwhile, inquiring after that sudden and unexpected change for the worse in His Excellency, I soon became aware, and was also informed on good authority, that he was incited to harshness by malicious advisors, and other self-interested court grandees, and ill-intentioned people with whom he was surrounded, among whom were even some Tanjore courtiers.

Dutch transcription

37„ weesen, overgegeeven werden soude, om daar door niet alleen te ontgaan, de moeijelijkheeden, die op nieuw en op Jaffanapatnam tot stremming van den Eli„ 2r phants Handel, en nu nog meer soude konnen t veroorsaaken, dan te vooren, met die van den Tans„ Joursen vorst, maar ook om het volk van den souba soo veel mogelijk van het eijland Ceijlon te weeren, dog de recognitie penningen soude na gewoonte hier betaald werden, aan de geene die met de quitantie derselve affgesonden wierde, soo als men inselver voegen heeft moeten Resolveeren tot de overgave van de 4. stuks Eliphanten van Can„ dia, hoe onbillijk en ongefondeerd ook die begeer„ te was, en heeft daar voor soo wel, als voor de Juweelen, quitantien, verleend, en daarbij verbon„ den voor alle in der tijd opkoomende preten¬ tien dienaangaande te sullen Caveeren, en dus de E: Compie. voor alle aan en namaning dienaangaande indemneeren, soo als ook bij een verleend Caul en Dastek, bevestigt en ge„ confirmeerd heeft, alle de voorregten en privelegien die de E: Comp=e. steeds in het vorstendom van Tansjoer gehad en genoten heeft, dat wijders, geen andere dan des sou„ bas vlag in de in het Tansjoers vorsten„ dom geleegene sechavenen, soude waaijen, alles nader en breeder te beoogen, bij het met densel„ ven geslooten Contract, en voorschreeve over en weeder verleende papieren, bij de apparte 103 apparte Resolutie van den 8. deeser maand, ge„ insereerd, na dat de Concepten daar van bij een vroegere sitting van den 21 e novem„ ber bevoorens geresumeerd sijn weesende deselve, door sijn Excellentie Mada voel Hoelk selve opgemaakt, insteede van die, die ik ter Resolutie van den 13. november Overgelegd hebbe, teegens sijne voorige bespottelijke, en intricate overgeson„ dene modellen, dewelke almeede ter soo even aangehaalde Resolutie geinsereerd staan¬ dog die ten eenemaal om de daarin voorkoo„ mende ongeschiktheeden en absurditei„ ten, van de hand geweesen sijn; als on¬ der anderen begeerende, dat men een vriend soude sijn; van die, die met den souba in vrindschap leefde, en vij and van die, dewelke met den sou¬ ba Oorlog hadde; voorts dat wan neer het gebeuren mogte, dat de gewee sen Tansjoerse sendelingen ten voorschhri koomen, en den Souba aangeeven mogte soo veel geld, als de qua¬ tantie vermeld, niet ontfangen te hebben, en sulks door haar beweesen werden als. 373 als dan het mindere betaalde, door de E: Comp=e. uijtgekeerd soude moeten werden; Mitsgaders dat alhier geen meer militairen etc=a soude mogen werden aangehouden, off verblijven, dan altoos hier geweest sijn, dus al het ove„ rige, doelende daarmeede op de van Ceijlon bekoomene versterking, versonden soude moe„ ten werden; soo als sijn Excellentie bij ver„ scheijde Conferentien met veel nadruk daarop heeft aangedrongen; buijten meer andere onreedelijk en verdrietelijkheeden, welke die onderhandelingen verseld hebben gegaan in soo verre, dat deselve voor eenige dagen hebbe moeten affbreeken, en om het selve uw Hoog Edelens in ordre te vertoonen, sal ik in dee„ sen een weijnig moeten te rug treeden; want na dat alles beraamd en gereguleerd was, en men volgens het geresolveerde ter sessie van den 26. e October genoegsaam al het geen door sijn Excellentie met een onversettelijke hal„ stervigheijd begeerd was geworden, ingewilligd hadde, ten eijnde daar door, 's Comp„s handel en saken alhier in geen verder verdrietiger om„ standigheeden, waarin deselve reeds onmidde„ lijk na de overgang van Tansjoer te eene„ maal geraakt waren, te brengen; en dus eenelijk ƒ eenelijk, het inrigten en opmaken der papieren overbleeven, declareerde sijn Excellentie, bij de Con¬ ferentie van den 27=e October finaal, dat in geen de minste onderhandeling meer soude in„ laten, voor en al eer de voorsz: Pansjoerse sendelingen Narsinga Rauw Bhosale en Cannagasaweapoele aan sijn Excellentie over„ geleeveerd wierden; onder betuijging van sijne verwondering over dat, deselve met de gecom„ mitteerdens niet meede gesonden waaren, zig gedraagende ten dien dage soo onreedelijk en bruicq, dat bij na niet te verdraagen is geweest, onder het doen van veele Enorme Drij gementen en verwijtingen, en gebruijken van brutale Expressien, mitsgaders voortbrengen van allerhande verre gesogte en ongefondeer¬ de pretentien, en wel insonderheid omtrent de voorsz: twee sendelingen, namentlijk dat hij deselve moeste hebben, om haar te ondervraagen en examineeren, hoedanig, en op wat wijse de kooppenningen betaald wa ren, en die reecquening geliquideerd was, be„ geerende ten dien eijnde, dat hem een speci¬ fique reecquening overgegeeven soude werden met aantooning hoe veel eerst soo op pand van Juweelen, als Landen verstreckt, op wat. 104 8 375 wat wijse den intrest daar op bereekend, en in welker voegen sulks vervolgens geliquideert mitsgaders hoedanig het geld van den koop be„ taald was, met aanwijsing van den dag en da„ tum der afgave en voldoening derselve; sonder na de Demonstratien en wederleggingen sij„ ner ongeschikte gedoente, in het minst het oor heeft willen leenen; Jnvoegen ter sitting van den 28. ' October beslooten wierd, de gecom„ mitteerdens niet tesenden, voor en al eer hij niet quam te desisteeren, van sijne voorm: op nieuw te berde gebragte pretentien; dog bij een brief de onreedelijkheijd sijner handelwijse aan„ tetoonen, en voorts aftewagten, hoedanig hij sig verder soude koomen te gedraagen; gelijk bij die Resolutie gepersisteerd is bij een na„ der besluijt van den 3. november daaraan„ Ondertusschen mij, na die schielijke en Onverwagte verandering van sijn Excellentie ten quaden, informeerende, wierd ik wel haast gewaar, en Ook van goeder hand berigt, dat den„ selven door quaadaardige Raadslieden, en andere baatsugtige Hofsgrooten, en qualijk geintentioneerde menschen, waarvan hij omringt was, waaronder selvs sig eenige Jans„ Joerse Hovelingen bevonden, tot hardigheijd Opgestookt.

NL-HaNA_1.04.02_9686_0404 view scan ↗

English

was stirred up; therefore taking into consideration that, since sending commissioners back and forth would not lead to any settlement or conclusion of matters as long as His Excellency was not turned away or dissuaded from the aforesaid newly formed pretensions, I resolved to make use of the saukaar of this city, mentioned herebefore, on the occasion that he requested permission from me to pay his respects to His Excellency at Naoer, on account of such an obligation as was laid down in the resolution of 6 November, in order to let him sound out and probe what the said His Excellency Madavoel Moelk as well as his malevolent counselors and instigators were up to, principally the sinister and foul Goelam Allichan, who had repeatedly been mentioned in the separate resolutions, and who seemed to be the wheel upon which the whole affair turned, as the commissioners had in many respects to experience his contrariness, and who was the sole and principal cause that the nabab refused to consent to the requested postponement for the conclusion of this affair, which he would otherwise have done, as could clearly be discerned from his whole demeanor that he had already been inclined to do so, had not the said Goelam Allichan, having noticed this, managed to overthrow it; and thus whether it might not be possible to bring the same into a more favorable mood with respect to the Honorable Company. The saukaar succeeded in that commission in such a manner that, returning from Naoer, he gave a report and assurance that all difficulties would be cleared out of the way if Goelam Allichan, a certain Sadichan, and many others who could cause any obstructions in this matter and indeed thwarted everything, were corrupted by a cash gift and thereby mollified or softened, which he undertook to do; but that in the meantime the desire of the nabab for sending commissioners had to be complied with, in order to resume the broken off or suspended negotiation, with the assurance that His Excellency would indeed bring up the surrender of the Tansjoer envoys in question, but would not urge further upon it, as he, upon the saukaar's demonstration that such was an impossible thing and therefore could not nor would happen, had fully desisted from it. The sending of commissioners followed upon this, according to the resolution of 6 November cited herebefore, with such success that during three subsequent conferences the matter was brought to such maturity that he consented to virtually all the conditions prescribed to him according to the resolution of 8 November, except that he altered the papers thereof according to his taste and in the manner of the Moorish writing style, as well as conforming to his arrogance and haughtiness, though the sense of the contract remained the same; likewise that he did not want to have inserted into the contract anything concerning the honors to be paid to his father, or to him, or to one of his brothers who might be in the governance of Tansjoer, because one had been too specific in that respect, wherefore he judged it best that this should be arranged according to the circumstances of the time, considering himself assured that the Honorable Company would not deviate from their customary maxim; nevertheless indicating for his distinction that, the Tansjoer rulers having been his tributaries, he was thus greater and higher than they were. In the same manner one was unable to move him to pay higher interest than 1/4 percent on the aforementioned principal of 484545 pagodas, desiring moreover that the same should not even be incorporated into the contract, since he maintained that making it known tended to his disrespect, because he had consented to this not as an obligation, but out of friendship to the Honorable Company, and besides it was a matter that had to be settled between him and the saukaars, just as the same have also bound themselves by a separate paper for that, as well as for the terms for paying the aforesaid contracted amount limited by the resolution of 8 November, upon whose special request the latter, namely the aforesaid stipulation, was also left out of the contract, and thus no disclosure of it was made to the nabab either, because he would then put off the promised provisions to enable them to pay the Honorable Company.

Dutch transcription

opgestookt wierde, dierhalven in Overweeging neemende, dat dewijl door het over en rijeeder senden van gecommitteerdens, tot geen verge„ lijk off afdoening van saaken koomen soude, soo lang sijn Excellentie van de voorsz: op nieuw geformeerde pretentien niet gederiveerd of affgebragt wierde, resolveerde ik mij te bedienen van den saukaar deeser steede, hier vooren vermeld, ter geleegendheijd dat hij mij permissie versogtede, om sijn Excellentie op Naoer te mogen gaan opwagten, uijt hoofde van soodanige verpligting als bij de resolutie van den 6. november ter neder is ge„ steld, om door denselven te laten polsen en ondertasten wat gedagte sijn Excellentie Ma„ davoel Moelk soo wel als sijne quaadaar„ dige raadslieden en Opstrokers in hun schild voerden principaal den bij de aparte resolu„ tien meermaals aangehaalden sinisteren en vuijlaardigen Goelam Allichan, die het Rad scheen te weesen, waarop het gan„ sche werk draaijde, gelijk de gecommitteer„ dens in veele opsigten sijne dwars drijverijen hebben moeten ondervinden, en de eenigste en principaals te Oorsaak is geweest, dat den nabab in het versogte uijtstel tot de affdoening. 105 Jar 1 1 afdoening deeser affaire, niet heeft willen inwil„ en ligen het geen hij anders wel soude gedaan hebben, en uijt alle sijne houding duijdelijk had„ de konnen ontwaar werden, dat daar toe reeds geinclineerd is geweest, ingevalle gedagte Goelam Allichan sulks bemerkt hebbende, het niet om verre heeft weeten te werpen; en dus of het niet mogelijk soude weesen, deselve in een fa„ ie vorabelder Luijm ten opsigte van de E: Comp=ie te brengen. Den saukaar slaagde in die Commissie indier„ - voegen, dat denselven van Naoer te rug koomen„ de, verslag en verseekering deed, alle swaarig„ heeden uijt den weg geruijmd te sullen wee„ sen, indien Goelam Allichan, eenen sadi„ chan, en nog veele andere die in deesen eenige empechementen toebrengen konden en Ook werkelijk in alles dwars boomden door een geschenk in Contant gecorrumpeerd, en daarmeede gemollieerd, of week gemaakt wierden, het geen hij aannam te doen, dog dat intussen aan de begeerte van de nabab, tot het senden van gecommitteerdens voldaan moeste werden, ten eijnde de afgebrooke, off gesurcheerde onderhandeling te hervatten, met verseekering, dat sijn Excellentie van de Overgave van de bewuste Tansjoerse sende„ lingen wel ophalen, dog daar niet op ver„ der der urgeeren soude, alsoo hij, op des saukaars vertooning, dat sulks een onmoogelijke saak was, over sulks niet konde, nog soude ge„ schieden, daarvan ten vollen gedesisteerd hadde, De sending van gecommitteerdens volgde hier op, volgens het hier vooren aangehaald besluijt, van den 6. november, met dat succes, dat bij drie daaropgevolgde Conferentien, de saak tot die maturiteijt gebragt is geworden, dat hij ge„ noegsaam in alle de Conditien, die hem vol„ gens besluijt van den 8. november voorgeschree„ ven sijn, bewilligt heeft, alleen dat zij de pa„ pieren daarvan na zijn smaak, en na de ma„ „nier van de moorsche schrijfstijl mitsga„ ders met sijne verwaand en grootshertigheijd overeenkoomende; heeft verandert, egter de sin van de Contractatie het selvde is geblee„ ven, soo meede dat hij omtrent de te doene Eerbewijsingen, aan sijn vader, of aan hem, dan wel aan een sijner broeders, die in het bestier van Tansjoer soude weesen, niet bij het Con„ tract heeft willen gesteld hebben, om dat men sig ten dien opsigte te seer bepaald had„ de, dierhalven oordeelde hij het beste, dat deselve na tijds omstandigheijd geschikt wierde, als sig verseekerd houdende, dat de E: Comp=e, niet afgaan soude van hun ge„ woone maxime; nogthans ter sijner distinctie. - 106 9 distinctie te kennen geevende, dat de Tansjoer„ sche vorsten sijne tributarissen geweest sijnde, hij dus meer en hooger dan deselve was; Jnsel„ vervoegen heeft men hem niet kunnen be„ weegen, om hooger Jntrest dan ¼. percento te betaalen op het voormeld Capitaal van 484545. pagooden, daaren boven begeerende, dat hetsel„ ve, selvs bij het Contract niet ingevloeijd soude moeten werden, dewijl hij sustineerde het bekend stellen derselve tot klijn agting streck„ te, uijt hoorde sulks niet als een ver„ pligting, maar uijt vriendschap aan de E: Comp=ie ingewilligt hadde, en buijten dien het een saak was, die tusschen hem en de saukaars gevonden werden moeste, gelijk deselve daar voor so wel, als de bij resolutie van den 8. November gelimiteerde termijnen, ter betaaling van het voorsz: gecontracteerde montant, sig bij een appart papier sig ook verbonden hebben, op wel„ kers speciaal versoek ook, het laaste, na„ mentlijk de voorsz: bepaaling, meede uijt 't Contract gelaaten, en dus den nabab ook daar van geen Opening gedaan is, om dat denselven dan de toegesegde fournis„ sementen, ter hunner in staatstelling om d' E: Comp=ie te betaalen, op de lange bank.

NL-HaNA_1.04.02_9686_0408 view scan ↗

English

shelve it, or should seek to procrastinate therewith to the utmost of the made stipulations, to their damage and great inconvenience, to which they might otherwise very easily become subject. Regarding the expenditure that one, as said before, has been forced to make in order to make the malevolent courtiers and others more tractable, and thereby to direct the matter in such a way that no further damage would be inflicted upon the Honorable Company, especially not concerning the payment of the purchase monies promised and undertaken by the nabab, and furthermore to obtain confirmation of the old privileges, I found myself, according to what was recorded in the separate resolution of 13 November, in that utmost necessity of having to make use of the qualification granted by Your Right Honorables in Your Most Same's secret missive of 16 8ber: 1772; but, whatever effort was made and set to work, I could not settle it for less than a sum of 15000 new Nagapatnam pagodas, therefore twelve thousand guilders more than Your Right Honorables were pleased to determine for that necessity, although that amount can very conveniently be found out of the aforementioned contracted interest with the souba of circa 18000 pagodas, and the interest monies received on the capital loaned to the Tanjore prince to the sum of well over 18000 pagodas, or amounting together to well over 28000 pagodas. Yet I wished with all my heart that I had not needed to proceed thereto, but my efforts in that regard have turned out just as fruitless as my pursuit, which I assure Your Right Honorables reverently by everything that is dear to me in the most solemn manner, was aimed with a true zeal and loyalty for the Company's interests in the purchase of the aforementioned lands etcetera; but it was utterly impossible to retain the same, in view of the weak condition in which one finds oneself here, and the consequences that this matter might sometimes have dragged along with it if one had not proceeded to the cession, having had to deal with a tyrant who, glorying in the support of his allies and the conquest of Tanjore, was capable of proceeding to all kinds of extremes; besides that, I could neither foresee nor fathom what the English had up their sleeve, for just as they wanted to join with him in encroaching upon the lawful possessions of the Honorable Company by the nabab, they would have been just as little afraid to support the nabab in his further evil design against the Honorable Company or this city; at least from their entire conduct and movement one could infer nothing other than disadvantageous designs; at least I hold it for certain that if the English had not offended so far in that respect by marching into the territories of the Honorable Company, the nabab would also not have strung his bow so high; I am therefore not at all insensitive to the unfavorable course of that matter, and the frustration of all reasoned measures in that regard, trusting further that Your Right Honorables will be benignly pleased to view my actions and conduct in such a light that in that delicate circumstance I could not have done or effected otherwise than what prudence demanded of me and the Council, and namely primarily to take care that the Company's advanced money would be recovered again, and it was also the principal object of my pursuit to direct it thither as soon as the nabab made the promise and offer to be willing to restitute the same, just as for its receipt all humanly possible care and precautions have also been taken, and it will also be paid in due time, the aforementioned Mr. Paul Benfield, for my further assurance, having in a letter under date 12 November last, addressed to me and inserted in the separate resolution of the 8th of this month, confirmed in the most emphatic words the bonds and other obligations that his aforementioned factor Comaro Modeliaar would provide in the settlement of the matter between the souba and the Honorable Company; which he has further confirmed in a later letter of the 5th of this month, of which the copy accompanies this; so that I flatter myself with the firm hope that Your Right Honorables will be favorably pleased to crown my aforementioned conduct with Your Most Same's venerated approval, which I herewith implore with all respect, testifying by renewal that in that volatile state of affairs there was no possibility to keep the same lingering for so long until the receipt of Your Right Honorables' venerated orders, with which I had so greatly wished to be honored, both concerning my actions in the purchase of those lands etcetera and as could have served me as a guide in the doubtful circumstance in which I found myself concerning the maintenance of the purchase or rather the making of cession thereof. As soon as I received news of the movement of the nabab's army to invade the land of the Honorable Company, and that the English auxiliary troops were with it, I immediately had a protest, addressed by me and the Council to Brigadier General Smith, prepared; and had it delivered to him by an express messenger to Kiwaloer or Naoer, wherever he might be, as happened at the last-mentioned place, but the messenger without an answer to

Dutch transcription

bank schuijven, off tragten soude, daarmeede tot op het uijtterste van de gemaakte bepa„ lingen te traineeren, ter hunner schade, en groote ongeleegendheijd, waar aan sij anders veel ligt souden konnen subject werden. Belangende de spendatie, die men, gelijk voorsegt, genoodsaakt geweest is te doen, om de quaadwillige Hovelingen en andere, Handel„ baarder te maaken, en de saak daar door daar heen te dirigeeren, dat de E: Compie. geen ver„ dere schade werde toegebragt, insonderheijd niet omtrent de door den nabab beloofde en aangenoomene voldoening van de kooppennin„ gen, en voorts de Oude voorregten geconfir„ meerd te krijgen, heb ik mij na het aange„ teekende ter apparte resolutie van den 13. november in die uijtterste noodsaakelijkheijd gevon„ den, gebruijk te moeten maaken, van uw„ Hoog Edelens verleende qualificatie bij Hoogst derselver secreete missive van den 16=e 8ber: 1772 dog ik heb, wat moeijte ook aangewend is, en in het werk hebbe laten stellen, het met niet minder dan een somma van 15000. nieu„ we nagapatnamse pagooden konnen afkom pen, oversulks twaalf Duijsend gul„ dens meerder, dan uw Hoog Edelens voor die noodsakelijkheijd hebben gelieven te be„ paalen, alhoewel dat montant seer gevoege„ lijk 147 381 lijk uijt het voorm: gecontracteerd Jntrest met den souba cc: 18000. pa/o, en op de geleende Capitalen aan den Ians„ en joursen vorst, ingekreegene Jntrestpenningen ter som„ ar at ma van ruijm 18000. pa/o of te saamen 28000. pa„ 2 gooden ruijm, uijtmaakende gevonden kan werden soo wenschte egter van harten dat ik daar toe niet had behoeven Overtegaan dog mijne pogingen dienaan„ gaande, sijn al soo vrugteloos uijtgevallen, als mijne betragting, die ik uw Hoog Edelens reverentelijk op „ alles wat mij dierbaar is, op de plegtigste wijse verseekere, met een waare iever, en trouwe voor„ sComp„s belangen, beoogd hebbe, in den koop der voorsz: Landen &ca; dog alles is van de vol„ strekte onmoogelijkheijd geweest, om deselve te behouden, uijt hoovde van de swakke toestand waarin men hier sig bevind, en de gevolgen, die dee„ se saak, somtijds na sig hadde konnen sleepen, indien men tot de afstand niet getreeden hadde, als te doen gehad hebbende met eén geweldenaar, die op de Ondersteuning sijner geal„ lieerden, en de Overwinning van Tansjoer glorieeren„ de in staat was, tot allerhande uijtterstens over„ te gaan; buijten dien kon ik niet voorsien, nog doorgronden, wat de Engelschen in hun schild- voerden, want soo als sij, bij het indringen in de wettige besittingen van de E: Comp:e door den na„ bab, met hem hebben willen Conjungeeren, souden sij al soo min geschroomt hebben, den nabab in sijn verder quaad opset teegens d' E: Comp=e off deese. deese stad te ondersteunen, ten minsten men kom uijt haare gantsch gedrag en beweeging er niets an„ ders opmaken, dan nadeelige desseijnen, ten min„ sten ik stel dit voor seeker, dat soo de Engelschen sig daaromtrent met het inrucken binnen de sta„ ten van de E: Compagnie soo verre niet hadden ver greepen, den nabab meede sijn snaren soo hoog niet zoude hebben gespannen; Ik ben dierhal ven gants niet ongevoelig over de ongunstige loop van die saak, en de verijdeling van alle beraisonneerde maatregulen dienaangaande, vertrouwende wijders dat uw Hoog Edelens goe„ dertierendlijk behaagen sullen, mijne verrigting en be„ handeling in een soodanig ligt te beschouwen, dat ik in die netelige omstandigheijd, niet anders hebbe konnen doen, off bewerkstellingen, dan het geen de voorsigtigheijd van mij en den raad vor„ derde, en wel voornamentlijk sorge te dragen, dat 's Comp„s uijtgeschooten geld weeder gerecourreerd werde en ook het hoord oogmerk mijner betragting ge„ weest is, om het daarheenen te dirigeeren, soo dra den nabab belofte en aanbieding deed, van het selve te willen restitueeren. gelijk voor dies inkooming dan ook alle menschmogelijke sorge en precautien genoomen sijn, en op zijn tijd ook betaald werden sal, hebbende voorsz: Mr. Paul Benfield ter mijner meerder verseeke ring bij een brief onder dato 12. november J=o leeden, aan mij geregt, en ter apparte resolutie van den 8e. deeser geinsereert, in de allernadruckelijk ste bewoordingen bekragtigt, de obligatien en andere. 108 383 andere verbintenissen die sijn voorsz: factoor Co„ maro modeliaar, in de afdoening van de saak en tusschen den souba en de E: Comp„e verleenen soude; het geen hij bij een Latene brief van den 5. deeser, waar van het afschrift deesen verseld, nader beves„ tigt heeft; invoegen dat ik mij met die vaste hoope vlije, dat uw Hoog Edelens gunstiglijk behagen sullen, mijne voormelde behandeling te bekroonen met Hoogst Derselver gevenereerde goedkeure, het geen ik bij deesen met alle Eerbied afsmeeke, als betuijgende bij renovatie dat in die wisselvallige gesteldheijd van saken, geen mo„ gelijkheijd geweest is, om deselve dus lange draalen„ de te houden, tot den ontfangst van uw Hoog„ Edelens gevenereerde beveelen, waarmeede ik soo seer gewenscht hadde, gehonoreerd te mogen werden, soo omtrent mijne verrigting in den koop dier Landen etc. a als mij tot een streekwijser hadde kunnen dienen, in de twijffelagtige omstandigheijd waarin ik mij, omtrent het maintineeren van de koop, dan wel in het doen van afstand derselve bevonden hebbe. Soo dra ik tijding kreeg van de beweeging van 's nababs leeger om het land van de E: Comp. e inte„ dringen, en dat de Engelsche hulptroupen sig daarbij bevonden, heb ik ten eersten een protest, door mij en den Raad aan den Brigadier gene„ raal smith gerigt, in gereedheijd laten brengen; en door een Post-Bode naar Kiwaloer off Naoer, waar sig mogte bevinden, aan denselven laten bestellen, gelijk op laastgemelde plaats geschied, dog den bestelder sonder antwoord te

NL-HaNA_1.04.02_9686_0412 view scan ↗

English

was sent back, but the next day I received a letter from him, having served solely as an escort for an Eastern soldier, who, having fallen behind during the retreat from the Kiewaloer district, was seized by the cavalry of the Nabab and brought to Naoer; which letter, as well as two more pieces that I received from him, both in response to the deserters from the army extradited to him, and requesting the punishment of the violent acts committed by some of the army personnel in the Honorable Company's old villages, are inserted in the separate resolutions of 22, 26, and 28 October last, in proof that he was indeed with his troops in the army of the Nabab at Naoer, just as, in the same manner, three letters received one after another from Lieutenant Colonel John Bellingham are incorporated into the resolution of 6 November, who since the departure of General Smith to Madras has held command over the aforementioned troops, likewise dealing with the requested punishment regarding the robberies committed in the villages of the Honorable Company, and the requested return of three soldiers who deserted from here, of whom, however, only two were handed over, and regarding the third an objection was made that he was not with the army; although I have reason to have to believe the contrary, as there are proofs that the English do not adhere as strictly to the cartel regarding the extradition of deserters as they ought to do, for there are three of our deserters in Madraspatnam, namely Tam Bormeester from Nijstad, Hendrik Beerman from Drakenburg, and Frans Dirksz: struijk from Langebroek, who absented themselves from here in March of this year, without giving notice of their arrival there so that they could be collected, whereas Governor Wijnch was so greatly astonished that no communication was given to him of the arrival here of one of their deserters named Fredrik Schols, mentioned in the joint resolution of 16 June last and the respectful advices dispatched on 15 October following that. The aforementioned three deserters addressed themselves privately by two notes, copies of which accompany this, to the commissioners in Madraspatnam, and made known their inclination to return to the Honorable Company, provided they would be free from punishment and at the same time released from paying for their passage, but I ordered the commissioners to have them assured in general terms that upon returning they would undergo no punishment, for to demand them officially, having obtained knowledge of their presence there, I did not find advisable, since not only will it be objected that they are not there, but also those men could be made unfortunate for having revealed themselves. By the aforementioned protest that was made to General Smith, as well as that sent to the Governor and Council at Madraspatnam, both inserted in our separate resolution of 21 October, they were held liable and regarded as the essential causa movens of the insult thereby done to the Dutch flag, and for the damage that has already been caused to the Honorable Company and is yet to be caused to it, under the demonstration that notwithstanding the existing friendship and alliance between His Britannic Majesty and Their High Mightinesses, and thus both those high sovereigns in Europe lived in full peace and tranquility as well as observing the sacred compliance with the treaties, they nevertheless in these regions break and annul the same, and commenced open wars by rendering public assistance to the Moors against the Dutch Company, in such a manner and fashion as has been done by them, by helping to invade the Honorable Company's lands and possessions so lawfully acquired by purchase, thus acting explicitly against the secret article of the treaty concluded at Westminster on the date 5/19 February 1673/4 and confirmed on 6 February 1715/16; leaving all the damages and further consequences to their account and responsibility, with reservation of the right of summon to the rendering of assistance which, by virtue of the aforementioned alliances, they had been obliged to bring to the Dutch nation in this case, under further notice that meanwhile the sovereign would be informed of everything; but to which, by the aforementioned English ministry, to whom the commissioners, who were expressly ordered thereto by letter of 21 October, delivered the protest, it was merely answered that they would examine the same and send such an answer as they should think fit, according to the commissioners' letter of 31 October, but instead thereof, it merely answered, by a note of the following day addressed to the commissioners and to be found among the enclosures of this, that Governor Wijnch had laid the delivered protest before their meeting, and nothing more. Concerning the commission to Madraspatnam, I have the honor to inform Your High Nobilities that a few days after the departure of the trade bookkeeper Hendrik Ambrosius Johnson to Sadraspatnam, the Nabab Madaroel Moelk, through the commissioners Van Tessel and Simons, had delivered to me a letter from his father, the Subah Mahometh Alichan, dated 21 October, in which he wrote to me that he would not admit the dispatched commissioners before and until the differences between the Honorable Company and his aforementioned son, to whom he had given full power thereto,

Dutch transcription

terug gesonden is, dog daags daaraan, ontfing ik een brief van hem, eenelijk gedient hebbende ten geleijde van een Oostersche soldaat, die bij de reti„ rade uijt het Kiewaloerse, agter uijt geraakt sijnde, door de Cavallerij van den Nabab, opge„ vat te Naoer overgebragt is; welke brief soo wel, als nog twee stuks die ik van denselven soo in andwoord van de aan denselven g'extradeer„ de Deserteurs uijt het Leeger, als versogte straffoefening over de geweldenarij, door eenige van het Leeger volk in 's Comp=s oude Dorpen gepleegd, geinsereerd sijn bij de apparte resolutien van den 22: 26: en 28. October J=o leeden, ten blijke dat hij werkelijk met sijn troupen in het Leeger van den nabab op Naoer geweest is, soo als inselven„ voegen, bij de resolutie van den 6: november inge„ lijfft staan, drie na den anderen Ontfangene brieven van den Luijtenant Collonel John Bellingham, die 't seedert het vertreck van den generaal Smith naar Madras het gesag over de voorsz: troupen gevoerd heeft, almeede roulleerende over de versogte straff„ oeffening Omtrent de in de Dorpen der E: Comp=e gepleegde Roverijen, en versogte terug gave van drie van hier gedeserteerde soldaaten, dog waarvan maar twee Overgegeeven zijn, en Omtrent de derde gexcipieert is, dat den„ selven sig in het leeger niet bevond; hoewel ik reeden heb het Contrarie te moeten geloven. 10. 9 385 geloven, alsoo 'er preuves sijn, dat de Engelsen sig soo stipt niet houden aan het Cartel in het extraceeren van Deserteurs, als wel dienen te doen, want daar bevinden sig drie deserteurs van ons in Madraspat„ nam, in namen Tam Bormeester van Nijstad, Hendrik Beerman van Drakenburg en Frans Dirksz: struijk van Langebroek, die in maart deeses Jaars sig van hier geabsen„ teerd hebben, sonder van derselver aankomst al„ daar kennisse te geeven, op dat afgehaald konde werden, daar den Gouverneur wijnch soo seer ver„ wondert geweest was, over dat hem geen Commu„ nicatie gegeeven is geworden, van de aankomst al„ hier van een hunner Decerteurs in name Fredrik schols, ter gemeene resolutie van den 16. e Junij Jongstleeden en Eerbiedige afgegaane advijsen van den 15 October daar aan vermelt. xe Voormelde drie Decerteurs hebben sig onder de hand bij twee briefjes, waarvan de Coopijen deesen versellen, aan de gecommitteerdens te Madraspat„ nam geaddresseerd, en hunne genegendheijd te ken„ nen gegeeven tot te rugkomst bijt de E: Comp=e, in„ diens vrij van straffe en teffens gelibereerd soude sijn, van de betaaling hunner transport, dog ik heb de gecommitteerdens gelast, haar in generaale ter„ men te laaten verseekeren, dat se te rug koo„ mende, geen straffe Ondergaan sullen, want om haar, als kennisse van derselver aanweesen al„ daar gekreegen hebbende, te reclameeren, vond ik niet raadsaam, dewijl niet alleen g'excipi„ eerd sal werden datse daar niet sijn, maar ook die menschen ongeluckig soude kunnen gemaakt werden, over dat te sig hebben ontdekt. Bij het hier voorren vermeld protest dat aan den 110 den generaal Smith gedaan is soo wel, als dat aan den Gouverneur en Raad te Madraspatnam is gesonden beijde ten onser apparte Resolutie van den 21. October geinsereerd, heeft men haar onder aantooning dat niet teegenstaande de subsisteeren„ de vroind- en bondgenootschap tusschen sijn Brittanische Majesteit en Haar Hoog Mogende, en dus die beijde Hooge souverainen in Europa in volle rust en vreede liefden mitsgaders de heijlige nakooming der Trac„ taaten betragteden, sij egter in desese gewesten deselve verbreeken, en te niete deeden, mits„ gaders Openbaare Oorlogen aanvongen, door het bewijsen van publicque adsistentie aan de Mooren, teegens de Hollandsche Comp„e sooda¬ nig en indiervoegen als door Haar gedaan is, met het helpen invadeeren van 's Coomp„s soo wet tig door koop bekoomene landen en besittingen, dus uijtdruckelijk ageerende teegens het se„ creet articul van het tractaat in dato 5/19. februarij 167. ¾. te westmunster geslooten, en der 6. febr: 17. 1/16. geconfirmeerd; aanspreekelijk, en voor de weesentlijke Causa Movens gehou¬ den van de Hoon de Hollandsche vlagge daar door aangedaan, en voor het nadeel dat ^geworden en nog vander staat te werden toegebragt d'E: Comp=e reeds is toegebragt met lating van al de nadeelen en verdere gevolgen voor derselver Reecquening en verandwoording, met reservatie van het regt der sommatie tot het bewijsen van adsisttentie waartoe sij uijt kragte der voorschreeve verbonden; verpligt geweest waren, de Hollandsche natie in dit geval toetebrengen, onder wijdere bekendma„ king 387 king dat intussen van alles den souverain kennis„ se gegeeven soude werden; dog op het welke door het voorsz: Engels Ministerium aan wien het protest de gecommitteerdens, die daar toe bij brie„ ve van den 21. ' October expres gelast sijn, over„ gegeeven hebben, eenelijk geandwoord is, het selve te zullen nasien, en sodanig andwoord laaten toe„ koomen als goedvinden soude, na luijd der gecom„ mitteerdens brrief van den 31. ' October, dog instee„ de van dien, heeft het selve, bij een briefje van 's daags daaraan, aan de gecommitt=s gerigt, en on„ der de bijlaagen deeses te vinden, eenelijk geand„ woord, dat het overgegeeven protest, den gouver„ neur Wijnch in hun vergadering overgelegd hadde sonder meer. sen Belange van de Commissie na Ma„ draspatnam, heb ik de Eere Uw Hoog„ Edelens te bedeelen, dat eenige dagen naar het vertreck van den negotie boekhouder Hendrik Ambrosius Johnson naar Sadraspatnam den nabab Ma„ daroel Moelk door de gecommitteerdens van Tessel, en Simons aan mij heeft laaten bestellen een brief van desselfs vader den souba Mahometh Ali¬ chan, de dato 21. October, waarbij mij schreeff, dat de afgesondene gecommitteer„ dens niet admitteeren soude, voor en al eer de verschillen, tusschen de E: Comp:ie met sijn voormelde soon, die hij daar toe volle magt gegeeven. aan van 111 t gt in a vi

NL-HaNA_1.04.02_9686_0416 view scan ↗

English

given, and had sent this away, would be completed and settled. I immediately gave notice thereof to the said commissioners, and ordered them, both on that account and because people were already actively in negotiation about it with the said Madaroel Moelk, although one had as yet no prospect of its outcome, and therefore their departure to and arrival at Madras would be of little use, and would by no means answer to the purpose of that deputation if the souba persisted in his intention, that if upon receipt of the letter sent in that regard they had not already departed, to suspend the journey for the time being until further orders from the Government here, and to deliver the protest sent to them against the English Ministry at Madras to the same under their covering letter; but if, before the receipt of that order, they were already on their way to Madras, then to direct the meeting with the souba in such a manner that no affront or slight in one way or another were inflicted upon them, whether by suffering a refusal or otherwise; and to that end, in order to avoid the same, to pretend that further orders from here had to be awaited, and in the meantime to carry out nothing concerning their mission to the souba, other than solely to put the recommendation regarding the protest into execution in proper form, and further to retire from there for a time, if they should deem this necessary, but not otherwise. However, before this order, which was given to the commissioners by letter from here of 27 October, was received by them, they had, by virtue of the order by earlier letters of the 21st of that month, already set out on the road, having arrived on the 30th at Madraspatnam, where they were politely awaited at the garden of the English East India Company in the name of the souba, first by a servant and subsequently by the personal physician of the souba, Mr. Bosevall, and two prominent Brahmins, and were further escorted to a house appropriated for them to reside in by His Highness, and further provided and supplied with everything necessary in the way of provisions, etc., just as all of this, as well as the meeting and reception with the English Governor, Mr. Alexander Wynch, are related at large in the two dispatches of the commissioners, both dated 31 October, and the appendices pertaining thereto, accompanying these in copy along with the other letters and papers received from them; therefore, to avoid all unnecessary prolixity, I take the humble liberty of referring to them. Furthermore, as soon as the dispute between the souba and the Honourable Company was settled, they were immediately notified thereof, and instructed to urge for their admission to an audience, and having delivered the compliment of congratulation on the victory over Tansjoer, to depart from there immediately, each to his assigned post; because by the aforementioned agreement reached here, there remained nothing more for them to accomplish there. Just as, during the writing of this, news was received by a letter of the 7th of this month that on the 5th instant they obtained not only an audience, but also permission to depart, first with His Excellency Madaroel Moelk—which the souba particularly desired should happen first—and thereafter, or the following day, with His Highness himself, preparing to depart, each to his assigned post; just as the fellow commissioner Johnson returned here on the 22nd of this month. His report, along with the journal of what occurred and was performed during that commission, I shall, if those papers still arrive before the dispatch of this, have the honour to present to Your High Nobilities in all respect. To the further request of the commissioners to obtain a satisfactory answer to the protest delivered by them, the English Ministry merely replied that it did not appear necessary to them to give any answer to it, as otherwise they would have done so a long time ago, appearing more fully from the letter sent by them to the commissioners in that regard on the 7th of this month. The souba, as well as his aforementioned son, according to the contents of the commissioners' aforementioned letter of the 7th instant, made known on that occasion that although all the disputes that had arisen here on the Coast between him and the Dutch Company were now cleared away, something nevertheless remained with respect to the pearl fishery on Ceylon; wherefore His Excellency Madaroel Moelk had declared that he gladly wished to enter into negotiations with them, and the souba that, whenever it pleased the Company to settle that matter by some negotiation, he would always be found ready for it. However, the commissioners replied to the latter that for the present they were not qualified at all for any negotiation of whatever name, and in response to his special question to what end their deputation was then actually directed, served that their commission solely pertained to the matters decided by him and the Government here, and therefore, by that settlement, nothing remained for them other than to pay the compliment of congratulation on the victory of Tansjoer to the souba.

Dutch transcription

gegeeven, en dit heen gesonden hadde, afgemaakt en beslist soude weesen. Ik gaff daar van ten eersten kennisse aan gedagte gecommitteerdens, en Ordonneerde haar soo uijt hoofde van dien, als ook om dat men reeds met gedagte Madaroel Moelk werkelijk daar over in Onderhandeling was, schoon men van dies uijtslag nog geen vooruijtsigt hadde, en dus derselver verstrek na- en komste te Madras van weijnig nut weesen, en geen¬ sints beandwoorden soude, aan het oogmerk dier besending, indien den souba bij sijn voorneemen bleeff, dat wanneer op den t ontvangst van de dierweegens afgesondene brief niet reeds ver„ trocken mogte weesen, de reijse voor eerst tot nader order van de Regeering alhier, te staken, en het haar toegesonden protest tee„ gens het Engels Ministerium te Madras, onder hun geleijde Letteren aan het selve te doen toekoomen, dog voor de receptie dier ordre, reeds op weegen te Madras sijn¬ de, als dan de ontmoeting van den sou„ ba indiervoegen te dirigeeren, dat haar geen affront, off klijn agting in het een of ander wier„ de toegebragt, in het Lijden van refuus als andersintst, en ten dien eijnde, tot vermijding derselve voortegeeven, dat nader ordre wan hier afwagten moeste, en intusschen niets hunne besending, aan den souba belangende, werkstellig te maaken, dan eenelijk het aanbevoolene omtrent't pro„ test. 389 test in behoorlijke forma ter Executie te stel„ len, en sig van daar voorts voor een tijd te re„ tireeren, soo sij sulks noodsakelijk oordeelen mogten, dog anders niet. Dog voor dat deese ordre, die de gecommit¬ teerdens bij brieve van hier van den 27. October gegeeven is, bij haar ontvangen was, waren se uijtkragte van het bevel bij vroegere letteren van den 21. e dier maand, reeds op weg getoo„ gen sijnde, den 30. te Madraspatnam gear„ riveerd, daar se eerst door een bediende, en vervol„ gens door de lijffmedicus van den souba de heer Bosevall, en twee voorname bramineesen, be„ leefdelijk aan de thuijn van de Engelsche oost„ Jndissche Comp=ie uijt naam van den souba opgewagt, en voorts geleijd wierden naar een door sijn Hoogheijd voor haar ter bewooning geapproprieerd Huijs, en voorts met alles wat van provisien &=a noodig waaren voorsien, en toegesonden geworden, gelijk al het selve soo wel, als de ontmoeting en receptie bij den heer En„ gels Gouverneur Alexander Wijnch, in het breede vermeld staan, bij der gecommitteerdens twee missivens, beijde gedateerd 31. October en de daar toe specteerende bijlagen deesen nevens de verdere van haar ontfangene brie„ ven en papieren in Copia versellende, dier„ halven om alle Onnoodige wijdloopigheijd te t 112 te vermeijden, de nedrige vrijheijd neeme, mij daaraan te gedraagen; sijnde wijders soo dra¬ het geschil tusschen den souba en de E: Compe bijgelegd is, haar ten eersten daarvan kennisse gegeeven, en gelast, om op derselver admissie ter audientie te urgeeren, en het Compliment van de felicitatie met de Overwinning op Tans„ Joer afgelegd hebbende, ten eersten van daar, ider na sijn bescheijden post te vertrecken; de„ wijl door de voormelde getroffene Overeenkomste alhier, voor haar aldaar niets meer te ver¬ rigten viel, gelijk onder het schrijven dee„ ses bij een brief van 7. deeser maand tijding, bequam, dat sij op den 5. Courant eerst bij sijn Excellentie Madaroel Moelk, het geen den souba in het bijsonder begeerde, dat eerder ge„ schieden soude, en daar na, of 's daags daaraan bij sijn Hoogheijd selve, niet alleen audientie maar ook permissie tot vertrek kreegen, sig gereed maakten ider na sijn bescheijden post te vertrecken: gelijk den meede gecommitteerden Johnson den 22. ' deeser alhier te rug gea„ riveerd is. Het Rapport van denselven, neevens het dag ver„ haal van het voorgevallene en verrigte in die Commissie, sal ik soo die papieren voor het afsenden deses, nog inkomen, de Eere hebben uw Hoog Edelens in alle Eerbied aante bieden Het Engels Ministerium heeft op het na„ der requisit der gecommitteerdens om een vol„ doenend andwoord te erlangen, op het door haar overgeleeverd protest, maar eenelijk gerepliceerd. 91 6 gerepliceerd, dat haar niet noodsakelijk voorquam, om daar op eenig andwoord te geeven, dewijl sij anders het selve al over lang gedaan soude hebben, nader blijkende bij hun dierweegens aan de gecommitteerdens gesondene brief van den 7. deeser maand., Den souba soo wel, als desselfs voormelde zoon hebben na Luijd van den gecommitteerdens voorm: letteren van den 7. e deser, bij die geleegendheijd te ken„ nen gegeeven, dat schoon nu alle de geschillen hier ter Custe, tusschen hem en de Hollandsche Compte ontstaan, uijt den weg geruijmd waren, egter ten op„ sigte van de paarl Visscherije op Ceijlon, iets over„ bleeff, dierhalven sijn, Excellentie Madaroel Hoelk betuijgt hadde, hij gaarne met haar in onderhandeling wenschte te treeden, en den souba„ dat wanneer het de Compagnie behaagde door eeni„ ge onderhandeling, die saak aff te doen, hij sig daar toe althoos gereed soude laaten vinden, dog daar is door de gecommitteerdens aan den laastgemel„ den op geandwoord, dat sij voor het teegenswoordig in het geheel tot geene onderhandeling, hoe genaamd, gequalificeerd waren, en op sijne speciale vrage, tot wat eijnde hunne besending dan eijgentlijk ge„ rigt was, gediend hebben, hunne Commissie eeniglijk opsigt hadde, op de saken, door hem en de Regeering alhier beslist, en dus door die afdoening voor haar niets overbleeff, dan het Compliment van gelukwensching weegens de Overwinning van Tansjoer aan den souba afteleggen. ten 113

NL-HaNA_1.04.02_9686_0420 view scan ↗

English

Regarding the aforementioned dispute concerning the pearl fishery, His Excellency Madaroel Moelk, during his presence at Naoer, declared to the deputies that if they wished to negotiate with him in that regard as well as concerning the chank diving, he would then listen to the demand of the Honorable Company. Upon that, as appears from the separate resolution of 26 October, I had it represented to him that if His Excellency would embrace the proposals made by His Honor the Right Honorable Governor General in his letter of 26 July 1771 to the Subah, they could quickly come to an agreement, and at the same time and on that occasion I had the proposed points clearly laid before him upon which a permanent accommodation in that regard could be reached and concluded; but nothing came of it, as in the meantime His Excellency, having been summoned to Madraspatnam by his father by letter after letter, departed thither as soon as the matter of the lands, etc., was settled, without expressing himself further on the subject. It is said that the aforementioned summons took place because the Subah has found himself sickly for some time and is beginning to decline in strength from time to time, and is moreover full of anxiety over the rumored descent of the Marathas, combined, as it is said, with the army of the Golconda Subah Nizam Ali Khan, which would also be joined by the notorious Hyder Ali Khan; therefore to deliberate with him over that, and over the further affairs and government of these lands, since it is said and also held as certain that it is the Subah's desire, and he had also already decided, that this his son, being his favorite, should succeed him in the administration of the Subahship of these lower Carnatic lands; though time will have to show this, should the Subah come to depart this life. Meanwhile, this is certain: that the eldest son can by no means harmonize with the father as well as with his brother, as the close relation they bear to one another properly requires. It will, if it pleases Your Right Honorable Worships, have already appeared from the separate resolution of 11 October last, sent in copy with the ship Den Tempel along with my humble letter of the 20th of that month, regarding the rejected project to entrench in the Kivalur district, and thereby to cover not only the new lands but also the old ones. Since then, or on the 21st following, a further project served at the session of that day, drafted by Captain Christiaan Constantijn Wohlfarth; with whom, as well as with Major Haselman, I have conferred several times to prevent this city from a formal siege or blockade, in case it should please His Excellency Madaroel Moelk to come and encamp before this place. Pursuant to the proposals made therein, which appeared to me to be based on very good grounds, I, according to the resolution passed thereon, had him march outside on the very day of the invasion of Nagore, with as many men and all the necessities required for it as were demanded and proposed by him, and there caused them to camp and entrench under the cannon of the city. This precaution taken and movement made has had such a fortunate influence not only on the mind of the Nawab, but also on that of the English, as I have subsequently experienced, that the first-mentioned, seeing our resolution for a vigorous resistance in case of an attack or approach into our old limits, abandoned his intention to truly come and besiege us, or at least to camp closer under the city and in our villages—with which intention he had set out from Tiruvalur if we gave no satisfaction to his demands—and in time was rendered more tractable. It is otherwise certain, and I dare freely assure Your Right Honorable Worships, that he would otherwise have prescribed, and perhaps also extorted from us, much harsher and more disadvantageous conditions. For that reason, I very humbly pray Your Right Honorable Worships to also approve this conduct of mine and crown it with a favorable approval, the more so because, viewed in retrospect, it appears that the requisitioning of troops, etc., from Ceylon for the reinforcement of this place was not in vain, but was also in the highest degree necessary. Because, by that arrangement made for the defense of this place, the officers on hand were not sufficient to manage everything in proper order and garrison the posts as required, I found myself under the necessity of proceeding to the appointment of some new officers; namely, among the auxiliary troops received from Ceylon, as Captain-Lieutenant, Lieutenant Jan Fredrik Maus; as Lieutenant in his place, Ensign Johan Willem Weerman; and as Ensigns, the Assistant Adjutant Frans Sigfried Werner van Wulffen, the Sergeants Jan Hendrik Trip, Fredrik Godlieb Kornman, and Fredrik Raaijt, as well as, as Adjutant, the fellow Sergeant Jan Willem Ulmbeek, and furthermore as Lieutenant in place of the

Dutch transcription

Den belange van het voorsz: geschil omtrent de„ Paarl visscherij heeft sijn Excellentie Madaroel Moelk bij sijn aanweesen te Naoer, aan de ge„ committeerdens betuijgt, dat indien men ten dien opsigte soo wel; als omtrent de Chiankos Duij„ kerij, met hem handelen wilde, als dan den Eijsch van d' E: Compie. aanhooren soude. Ik heb hem daarop, blijkens het appart, besluijt van den 26: October laten voorhouden, dat wanneer sijn Excellentie de propositien door sijn Edelheijd, den Hoog Edelen Heere Gouverneur generaal bij brieve van den 26. Julij 1771. aan den souba gedaan, amplecteeren wilde men ten Eersten tot een accoord koomen konde en teffens bij die geleegend„ heijd duijdelijk laten voorhouden, de voorgeslage poincten, waarop men tot een bestendig vergelijk dien aangaande komen en treffen konde; dog daar is niets van gekoomen, alsoo intusschen sijn Excellentie, door desselfs vader, bij brieve op brie„ ven naar Madraspatnam ontbooden sijnde, soo dra de saak van de Landen &ca. bijgelegd was, naar derwaards vertrocken is, sonder sig daar over verder uijttelaten. Men segd dat het voormeld op ontbod ge¬ schied is, om dat den souba sig seedert eenigen tijd siekelijk bevind, en van tijd tot tijd in kragten begind affteneemen, en boven dien vol¬ sorge is, op de gerugte affkomst der Marattijs, soo men segd, geconjungeerd met het Leeger van 393 van den Golcondasen souba Nisam allichan, en waarbij sig ook voegen soude, den berugten Haijder allichan; dierhalven daar over, en over de verdere saaken en Regeering deeser Landen, met hem te beraamen, alsoo men segt, en ook voor vast steld, dat den souba sijn begeerte is, en ook reeds beslooten had, dat deesen sijn soon, als sijn Lieveling sijnde, hem in het bestier van het soubaschap deeser Car„ naticase beneede Landen succedeeren soude, dog het geen den tijd sal moeten Leeven, wanneer den souba het tijdelijke mogte koomen afteleggen, on„ dertusschen is dit seeker, dat de Oudste soon met den vader soo wel, als sijnen Broeder, soo wel niet harmonieeren kan, als wel de nauwe be„ trecking diese tot malkanderen hebben, het wel vereijscht. Het sal uw Hoog Edelens des behaagende, bij de apparte resolutie van den 11. October pass=o reeds met het schip Den Tempel Hoogt desel„ ve in Copia nevens mijne nedrige letteren van den 20. dier maand aangebooden, gebleeken hebben, het afgekeurd project om in het Kiewaloerse sig te verschansen, en daar meede de nieuwe Lan¬ den niet alleen, maar ook de oude te decken, 't seedert off op den 21. daaraan, heeft een na„ der project ter sitting van dien dag gedient, door den Capitain Christiaan Constantijn wohlfarth ontworpen; met wien soo wel als met den Majoor Haselman diverse. 114 E diverse malen geconfereerd hebbe, om dese stad voor een formeel beleg, of blocquade te verhoeden, inge„ valle sijn Excellentie Madaroel Moelk het gelusten mogte, voor deese plaatse te koomen Leegeren; Ingevolge de voorstellingen daarbij ge„ daan, als op seer goede gronden steunende mij te vooren gekoomen zijnde, heb ik hem volgens het besluijt daarop gevallen, met soo veel manschappen, en alle de benoodigtheeden daar toe ver„ eijsschende, als door hem geijscht en geproponeerd is, dienselvden dag van de Jnvasie van Naven, naar buijten laaten trecken, en aldaar onder het geschut van de stad doen Campeeren en verschan„ sen; Dese gebruijkte voorsorge en gemaakte beweeging is van dat geluckig invloed, op het gemoed van den Nabab niet alleen, maar ook dat van de Engelschen geweest, gelijk ik naderhand Ondervonden hebbe, dat den Eerst„ gemelde onse Resolutie tot een wackere resisten„ tie in Cas van aanval, off nadering in onse oude Limiten, siende, van sijn voorneemen, om Ons waarlijk te koomen beleegeren, of ten min sten nader onder de stad, en in onse dorpen te Campeeren. met welke opset hij van Triwa„ loer opgebrooken is, soo wij aan sijne Eijsschen geen voldoening geeven, afgesien heeft, en door den tijd handelbaarder gemaakt is geworden. Het is anders seeker, en ik durff Uw Hoog Ede„ lens vrijmoedig verassureeren, dat hij ons anders veel. 39 13/115 veel harder en nadeeliger Conditien voorgeschree„ ven, en ook misschien affgeperst zoude hebben, uijt dien hoofde, bid ik uw Hoog Edelens seer nedrig deese mijne gedoente meede te aggree„ ren, en met een gunstige goedkeuring te bekroo„ nen, te meer nu van agteren beschouwt sijnde, blijkt, dat het Eijsschen van volk etc=a. van Ceijlon tot versterking deeser plaatse, niet te vergeefsch, maar ook ten hoogsten nood„ sakelijk geweest is. Door die gemaakte schicking ter defentie dee„ ser plaatse, de aanhanden weesende officieren, niet toerijkende geweest sijnde, om alles in een behoorlijke ordre te beheeren, en de posten naar behooren te besetten, ben ik in de nood„ sakelijkheijd geweest, tot de aanstelling van eenige nieuwe officieren te treeden; te weeten onder de bekoomene Ceijlonse Hulptroupen, tot Capitain Luijtenant, den Luijtenant Jan fredrik Maus, tot Luijtenant in sijn plaats, den vendrig Iohan Willem weerman, en tot vendrigs den Onder adjudant Frans Sigfried Werner van Wulffen, de sergeants Jan Hendrik Trip, fredrik Godlieb Kornman, en Fredrik Raaijt, mitsgaders tot adjudant den meede sergeant Jan Willem Ulm„ beek, en voorts tot Luijtenant in steede van den.

NL-HaNA_1.04.02_9686_0424 view scan ↗

English

the deceased Frans van Bishausen, the ensign Philip Andreas Rooth, and as ensign in his place the sergeant Christoffel Hoffman, and further among the garrison here as ensigns the adjutant Pieter Smith, the sergeants Hendrik Willem Arnout and Michiel Thoorn, and as adjutants also sergeants Jan Lagoes and Adolph Sell; all of which appointments I take the liberty, with great respect, most humbly to request Your High Nobilities favorably to crown with Your High Nobilities' desired approval, to which end the promotees, being all brave and vigilant military men and select persons of ambition and promise, turn with their humble petitions to Your High Nobilities' benevolence. Of the 8 elephants for recognition for the Tansjoor prince brought over here in the month of May of this year by the dispatched mahaldar and cornar of Jaffanapatnam, one collapsed and died during the disembarkation, as I had the honor to inform Your High Nobilities in my respectful letters of 10 September, and since then two more of the same have collapsed and died, thus leaving five of those animals standing here. 397 1tb standing; His Excellency Madaroel Moelk, although the same lawfully belong to the dethroned Tansjoor prince, has nevertheless made not the slightest claim regarding them, possibly because he has not been able to obtain accurate information as to how matters truly stand with them; I am looking for means to sell the same in the best possible manner in order to avoid further expenses, as there is no possibility of getting them back from here to Jaffanapatnam. As an annex to the Tansjoor affair treated above, I still consider it my duty respectfully to bring to Your High Nobilities' knowledge; that on the day the repeatedly mentioned nabob Madaroel Moelk behaved so intractably, and threatened to compel us by force to satisfy his demands, fearing calamities, and it also not having been foreseen what might happen due to the negotiations broken off on that day, I judged it best to secure in good time the Honorable Company's cash on hand and other precious effects, spices, linens, and other goods, with the four chaloups, the pantjalling, and a thonij present here at that time, together with a Jaffanapatnam chaloup, and to that end had all the same transferred to Jaffanapatnam. Regarding the lease of Bimilipatnam and and the subordinate villages, concerning which I had the honor to inform Your High Nobilities amply in my respectful letters of 10 September previously cited herein, the resolved taking into lease of the same for 3 years at 18220 Ropijen a year, to be enjoyed in advance annually or to be deducted from the 100000 Ropijen that were granted on loan to the princes of Visianagaram at ½ percent interest a month, with whatever further on that occasion regarding the settlement or liquidation of what the princes might still remain indebted upon the aforesaid 100000 ropijs to be enjoyed on loan, the aforesaid three-year lease term having lapsed or expired, has been regulated and determined; I must now respectfully bring to Your High Nobilities' notice that by the chiefs' letters of 17 August in reply to the missive dispatched from here of 28 April previously, received here after the dispatch of my aforementioned humble advices of the repeatedly mentioned 10 September, quite the contrary was reported regarding the aforesaid contracted lease monies of 18220 ropijs, namely that the same should not serve in deduction of the 100000 ropijen to be loaned, but would have to be paid in each case in advance, or at the commencement of the lease year, and that the Honorable Company moreover on such conditions, 399 conditions as are described in the report of the servant Moetoe Ananda, would have to lend 100000 ropijen at the interest of ½ percent a month. That the princes would grant a bond for it, and the saukaar Wannamalidas in addition would give a certificate of the following content: That the mentioned amount be handed over to him, the saukaar, and he pay the same back, with the interest to accrue thereon, within the time to be determined in the contract, and whenever the princes might require money again, the chiefs be notified two months in advance, and the same should be obligated to provide the same, or an equal amount of 100000 ropijen, on loan. And that if the saukaar should fail to pay the money within the stipulated time, the Honorable Company would then collect it. Conditions directly conflicting with what was reported by the Chief in his letter of 7 July past, cited in my aforementioned humble advices of 10 September, and which served as the basis for the resolution taken concerning the prolongation of that lease.

Dutch transcription

den overleedene Frans van Bishausen, den vendrig Philip Andreas Rooth, en tot vendrig in sijn plaats den sergeant Chris„ toffel Hoffman, en voorts onder het quar„ nisoen alhier tot vendrigs den adjudant Pieter Smith, de Sergeanten Hendrik Willem Arnout en Michiel Thoorn en tot adjudanten te meede sergeanten Jan Lagoes, en Adolph Sell; alle welke aan„ stellingen, ik met veel eerbied de vrijheijd nee„ me, uw Hoog Edelens seer neding te versoeken, gunstiglijk te willen bekroonen met Hoogst Derselver gedesidereerd goedkeure, ten welken eijnde die bevorderdens, als alle wackere en vi¬ gilante militairen en uijtgesogte persoonen van Ambitie en verwagting sijnde, met hun„ ne nedrige Supplicatien sig tot uw Hoog Ede„ lens goedertierendheijd wenden. Van de 8. stuks Eliphanten tot recognitie voor den Tansjoersen vorst in de maand meij deeses Jaars, door de afgesondene mahaldar en Cornar van Jaffanapatnam alhier overgebragt is een bij de Ontscheeping neder gesakt en gecre„ veerd, gelijk de Eere gehad hebbe Uw Hoog„ Edelens bij mijne eerbiedige letteren van den 10. september te bedeelen, en 't seedert zijn nog twee derselve nedergesakt en gecreveerd, blijven„ de 'er dus nog vijff dier animaalen hier staan. 397 1tb staan; Sijn Excellentie Madaroel Moelk heeft, schoon deselve den gedetroneerden Tans„ Joersen vorst wettig toekoomen egter daarom„ trent geen de minste aanspraak gedaan, mogelijk dat hij geen regt narigt heeft konnen erlangen, hoedanig het daarmeede weesentlijk geleegen is; Jk sie na middelen om, om deselve ter vermij„ ding van de meerdere Ongelden op de best moge„ lijkste wijze te verkoopen, dewijl 'er geen moge„ lijkheijd is, om ze van hier weeder op Iaffana„ patnam te krijgen. Tot een aanhangsel van de hiervooren verhandel„ de Tansjerse afffaire, agt ik mij nog verschul„ digt uw Hoog Edelens eerbiedig ter kennisse te brengen; dat ten dage den meermaals genoem„ den nabab Madaroel Moelk sig soo on¬ handelbaar gedroeg, en dreijgde ons met geweld te sullen dwingen tot de voldoening sijner Eijsschen voor onheijlen vreesende, en ook niet te voorsien geweest sijnde, wat er konde gebeuren door de ten dien dage affgebrooke onderhandeling heb ik het beste geoordeeld, 'sComp„s aanhanden hebben„ de Contanten en andere dierbaare Effecten, spece„ rijen, Lijwaaten, en andere goederen, met de als toen sig alhier bevonden hebbende vier Chialoupen de pantjalling, en een thonij, mitsgaders een Jaffana„ patnamse Chialoup, bij tijds te sequreeren, en ten dien eijnde alle deselve naar Iaffanapat„ nam doen overbrengen. Bimilipatnam Nopens de pagt van en en de Onderhoorige Dorpen, welkendweegen ik de Eere hadde uw Hoog Edelens bij mijne hier voo ren reeds aangehaalde Eerbiedige Letteren van den 10. september p=o ampel te bedeelen, de geresol veerde in pagtneeming derselve voor 3. Jaaren gens 18220. Ropijen 's Jaars, om Jaarlijx voor uijt genooten off afgekort te werden van de 1000000: Ropijen, die aan de prinsen van visiana garam teegens ½. percento intrest 's maands ter len ingewilligd sijn, met het geen wijders bij die geleegendheijd met betrecking tot de aflegging of liquidatie van het geen de prinsen, de voorsz drie Jaarige pagt tijd verloopen off g'expireerd weesende, op de voorsz: ter leen te genietene 10'0'000 rop„s nog debet soude koomen te blijven, geregu„ leerd en bestemt is; moet ik als nu uw Hoog Edelens eerbiedig onder het oog brengen, dat bij der Opperhoofden letteren van den 17. ' aug. s in andwoord van de van hier afgevairdigde missi„ ve van den 28. april bevoorens, na het affgaan mijner voormelde nedrige advijsen van den 10. 7ber: meermeld, alhier Ontvangen, gantsch het 7 teegendeel bedeeld werd, omtrent de voorsz: gecontracteerde pagtpenningen van 18220. rop„s namentlijk dat deselve niet soude dienen in affkorting van de te leenene 100'000: ropijen, maar telkens voor uijt, of met den aanvang van het pagt Jaar voldaan soude moeten werden En dat de E: Compagnie daar en boven op sodanig Conditien. 117 399 Conditien, als bij het Rapport van den dienaar Moe„ toe Ananda beschreeven staan, 100000. ropij„ en teegens den intrest van ½. percento 's maands soude moeten leenen. Dat de prinsen daar van, een obligatie ver„ leenen, en den saukaar wannamalidas daar en boven een Certificaat geeven soude van de vol„ gende inhoud. Dat gemelde montant aan hem saukaar affgegeeven werden, en hij het selve, met de daarop te verloopene Jntrest binnen de bij het Contract te bepalene tijd, weder be„ taalen, en wanneer de prinsen weeder geld benoodigen mogte, twee maanden voor uijt, de opperhoofden aangekundigt wer„ den, en deselve verpligt weesen soude, het selve, off een gelijke montant van 100000. ropijen ter leen te besorgen. En dat wanneer den saukaar het geld in de bepaalde tijd niet quam te voldoen, de E: Compie sulx als dan soude invorde„ ren. Conditien direct strijdende tegens het bedeel„ de door het Opperhoovd bij sijn brief van den 7' Julij pass=o, bij mijne voorwaards aangehaalde nedrige advijsen van den 10. 7ber: geciteerd, en gedient heeft, tot den grondslag van het genoomen besluijt om de prolongatie van die pagt.

NL-HaNA_1.04.02_9686_0428 view scan ↗

English

to accept the lease for three years, and to condescend to the requested new money loan, but the chiefs now state, in their aforementioned letter of 17 August regarding the aforementioned annual lease sums to be paid in advance, that on the occasion Moetoe Ananda had once returned back and forth from the princes, he had orally reported to the chief that the same would be deducted from the principal to be loaned; but when he came back to Visianagaram, the princes had been unwilling to agree to this, which the chiefs cite as proof of how vacillating the princes were in their sentiments. Regarding which, as well as in relation to the term of the money loan, the chiefs amply remark in their aforementioned letter of 17 August that it appeared those princes were entirely disinclined to prolong the lease, but had invented the same merely as an evasion, in order to regard the Company as nothing more than one of their soucars or bankers, so as to achieve their unreasonable purpose under the guise of justice, and that furthermore under the condition that this must be granted without awaiting the consent of the Government here. Further showing that that proposal was not only highly disadvantageous to the Honorable Company, but also extremely dangerous for the chiefs of that factory, since the intention of the princes seemed to be to always keep that sum among them, and although paying it off annually, nevertheless to ask for it back shortly thereafter, and thus to be in perpetual debt. While notice of this change has been given hither and further orders requested, and the chiefs solicited a further prolongation of the lease for another three months or until the ultimo of November past, because the first prolongation of three months, which was granted during the first negotiation, was about to expire on the ultimo of August; the princes in the meantime having been forced by necessity to dispatch their aforementioned diwan to Madraspatnam, in order to mediate and settle the dispute that arose between them and the English deputy governor at Visiagapatnam, Mr. Stratton, over and concerning the fact that the princes, having occupied and seized the lands of some minor regents and land renters who owe tribute to him, held them arrested in the fort of Visianagaram, without being willing to release them upon the representations of the said Mr. Stratton, since those minor regents offered to pay much more tribute directly to the English than the princes did for them, wrote to the chiefs under dates of 18 and 30 August last that, since they needed the requested 100,000 rupees on loan not at Visianagaram but at Madraspatnam, the same might therefore not only be counted out there to Senpenne Jaggoenadoe Rasoe, but that the servant Moetoe Ananda might also be sent along, so that, matters at Madraspatnam having been settled, he might undertake the journey further hither alongside the aforementioned diwan to speak directly further with me about the lease and the aforementioned money requested on loan, adding at the same time that nevertheless not the slightest change will be made in that which was agreed and concluded with the said servant Moetoe; those princes furthermore in the meantime, according to the chiefs' letter of 16 October, having sent two of their court grandees named Jenpenne Padmanaboe Rasoe and Cotichina Panteloe to Bimilipatnam, to settle the account of the 100,000 rupees advanced on loan for the previous five-year lease contracted in the year 1768, and to pay off in cash that which they, according to the balance of the same, still owed after deduction of the one- and three-year gift moneys held to their credit for Bimilipatnam and the nawabship of Siccacol, in conformity with the accounts accompanying this in copy, as indeed happened, with a sum of 38,821½ rupees, on which occasion, in order to gain time to conclude a formal contract concerning that lease and the terms stipulated in that regard by the princes, that lease was prolonged as usual until the ultimo of May 1774, and the princes deducted the lease sums for it from their aforementioned remaining debt, according to the documents executed thereof and the aforementioned letter from the servants of 16 October, that settlement having taken place in the following manner, namely: For the lease sums of the now prolonged lease, for the year 1773/74: 18,500.– rupees To custimado in that regard: 198.– rupees For the annual gift of the financial year 1773/74: 325.– rupees Paid in cash by the princes according to the receipt granted to them thereof: 20,298½ rupees Total as above: 38,821½ rupees Thus Bimilipatnam and its dependencies have been left under the Honorable Company for another year on the footing as they have been and were directed up to now, though under these conditions nonetheless.

Dutch transcription

pagt voor drie Jaaren te accepteeren, en in de versogte nieuwe geld Leening te Condescendee¬ ren, dog de opperhoofden bedeelen als nu, bij hare voorm: letteren van den 17. ' aug=s ten belange van de voorsz: voor uijt te betalene Jaarlijxe pagtpenningen, dat bij occagie Moetoe Ananda eens heen en weder van de prin„ sen te rug gekoomen was, aan het opperhoofd mondeling gerapporteerd hadde, als dat desel„ ve, van het te leenene Capitaal affgetrocken soude werden; maar toen hij weeder te visia¬ nagaram te rug quam, de princen daar toe niet hadden willen verstaan, het geen de opperhoofden tot een bewijs allegueeren, hoe varieerende de princen in derselver sentimen„ ten waaren. Waaromtrent soo wel, als met relatie tot de periode van de geld leening, de opper„ hoofden bij haare voormelde letteren van den 17. aug„s ampel remarqueeren, dat het scheen„ dat die vorsten, gantschelijk niet geinclineerd waaren, om de pagt te prolongeeren, maar het selve eenelijk tot een uijtvlugt versonnen had„ den, om d' Compe soo veel, als voor een van hunne saukaar of bankier aantemerken, om daar door onder schijn van regt haar on¬ reedelijk oogmerk te bereijken, en dat nog wel onder die bepaling dat sulks sonder afwag„ ting van het consent van de Regeering alhier, inge„ willigd „ e 118 231 willigd soude moeten werden. Onder vertooning wijders, dat dat voorstel niet alleen ten hoogsten nadeelig voor de E: Comp„e maar ook ten uijttersten gevaarlijk was, voor de Opperhoofden van die factorij, dewijl de Jntentie der prinsen scheen te weesen, om dat montant altoos onder haar te hebben, en hetselve, schoon Jaarlijks affbetaalden; egter kort daarna, weder te rug te vragen, en dus Eeuwig duurend schuldig te sijn. Terwijl van die verandering dit heen kennisse gegee„ ven en de nadere Ordre versogt is, mitsg=s de opper„ hoofden, een nadere prolongatie van de pagt voor nog drie maanden off tot ultimo november J=o leeden, besolliciteerden, uijt hoorde de eer„ ste prolorigatie van drie maanden, die geduu¬ rende de eerste onderhandeling verleend was, onder ult=o augustus stond te expireeren; de prinsen intusschen in de noodsakelijk gebragt sijnde, om hunnen voormelden Duan naar Madraspatnam te depecheeren, ten eijnde het geschil tusschen haar, en den Engels vice gouverneur te Visiagapatnam Mr Stratton, over en ter saake de prinsen de Landen van eenige mindere regenten en Landpagters, die aan hem Eijnsbaar sijn, ge„ occupeerd en weggenoomen hebbende, deselve in het fort van Visianagaram gearres„ teert hielden, sonder op de remonstratien van gedagte. gedagte Mr Stratton te willen, largeeren, ont¬ staan, te bemiddelen en beslissen, dewijl die min„ dere regenten aanbiededen, veel meer Contributi„ en direct aan de Engelsen te willen opbrengen, dan de prinsen voor haar deeden, schreeven aan de Opperhoofden Onder datis 18. en 30. augustus lestleeden, dat vermits de versogte 100000. ro„ pias ter Leen, niet te visianagaram, maar te Madraspatnam benodigden, deselve dier„ halven aldaar aan Senpenne Jaggoenadoe Rasoe niet alleen geteld; maar ook den die„ naar Hoetoe Ananda mede gesonden mag werden, om de saken te Madraspatnam affgedaan sijnde, nevens den voorm: Duan verder de reijse naar herwaards te onderneemen, om over de pagt en voorsz: ter leen versogte penningen met mij direct nader te spreeken met bijvoeging teffens, dat egter geen de min„ ste verandering gemaakt sal werden, in het geen met genoemde Dienaar Moetoe geaccordeert en Overeengekoomen is; Hebbende voorts die prinsen intussen, na luijd der opperhoofden letteren van den 16. October, twee hunner Hoffsgrooten in naamen Jenpenne Pad„ manaboe Rasoe en Cotichina Pan„ teloe, naar Bimilipatnam afgesonden, om de reecquening van de voorige off op de in den Jaare 1768. gecontracteerde vijff Jaarige pagt, ter leer verschootene 100000. Ropijen, te 119 883 te verevenen, en het geen sij per slot derselve, na detractie van de door haar te goed behoudene een, en drie Jaarige Schenkagie penningen, voor Bimili¬ patnam en het nababschap van siccacol, Conform reecq. s, in Copia deesen versellende, nog schuldig blee„ ven, in Contant affteleggen, gelijk ook geschied is, met een montant van Rop=s 38821. ½. bij die geleegend„ heijd, om tot het treffen eener formeel Contract weegens die pagt, en het bedongene dien aangaande door de prinsen, tijd te winnen, die pagt â: uzo tot ult=o meij 1774. geprolongeert is, mitsgaders de pagtpenningen daar voor, de prinsen van derselver voorsz: Restant schuld gedecourteerd hebben, volgens daarvan gepasseerde geschriften, en voorsz: Letteren der bedien„ dens van den 16. October, sijnde die verevening invol„ gender manier geschied, teweeten: voor de pagtpenningen van de nu geprolongeerde pagt, van 't Jaar 177. /¾. - - - Rop. s 18500. –. 198. –. aan Custimado dien aangaande - - „ voor het Jaarlijks geschenk van In Contant door de prinsen affge„ legd volgens daar van aan deselve verleende quitantie het boekjaar 177. ¾. - - - - „ 325. -. - - „ 20298. ½. te saamen als booven Rop: 38821:½. dus is Bimilipatnam en dies Onderhoorig„ heeden Op dien voet als tot nu toe geweest, en gedirigeerd zijn, voor nog een Jaar onder de E: Comp=te gelaaten, dog onder deese mits nogthans. . -

NL-HaNA_1.04.02_9686_0432 view scan ↗

English

Nevertheless, if the princes proposals are rejected here, and therefore no means should remain to bring about an accommodation in that regard, the princes shall then immediately pay the 18198 ropijen, after deduction of the revenues that will have been collected since June of this year, and shall take Bimilipatnam and its dependencies back under their control in accordance with the old contract; and in order to avoid all disputes in case of the aforementioned return that might arise with respect to the collected revenues, the Brahmin Ramadas, stationed at Bimilipatnam by the princes since May of this year, would remain there for that duration. Having thereby gained or secured some months, or until the coming May, I shall await here the Duan Jenpenne Pagoenadoe Rasoe from Madraspatnam and endeavor to conclude with him as good a new contract as possible for the lease for three years, since the princes will by no means agree to a longer period, provided that the princes wish to waive the requested loan in the manner agreed upon with Moetoe, and also that the Duan wishes to waive his demand to be allowed to participate for one third in the procurement of linens there, which request Prince Sjittaramarasse also recommends in his letter to me. For the chiefs not only declare that they by no means consider the saukaar Wannamalidas so solvent that they can recommend him as a guarantor for such a considerable amount, but also that they dared not venture to submit to the government the entire project of making an advance of money to the princes as something certain or profitable, or to assume any responsibility for it in the future, but rather that if it might or had to be proceeded with as unavoidable, they would, in accordance with their duty, make every effort to recover the loaned sum for the Honorable Company. On account of these and other emerging difficulties, it seems to me most beneficial, subject however to the wiser judgment of Your High Excellencies, to lease only the villages of Bimilipatnam, Commerpalium, and Nagamaloepalium, together with the mouth of the river and whatever is further annexed thereto, just as was recently done for three months, or the previously mentioned first obtained extension, while negotiating a new contract for the lease with the princes, and as were leased to the Company merchants for an amount of 2000 ropijs, thus amounting to 8000 ropijs for a year, in accordance with the lease conditions thereof, which accompany this in copy. And although some loss will be suffered in leasing the aforementioned separate villages and annexed rights, that disadvantage will nevertheless not be of such importance that one will not be able to bear it, and if the chiefs are vigilant, it can be managed in such a way that in time it will yield just as much as was agreed upon with the princes and must be paid for it. For the Honorable Company does not need the outer villages, since the primary objective of taking the lease is principally to have Bimilipatnam, and thus also the mouth of the river, under the Honorable Company, in order to be free from all kinds of chicanery and obstruction concerning their honors affairs and transactions, to which one is otherwise subject in case it were governed, as of old or before the lease, by a haveldaar of the princes. Whereby I submit, subject to favorable interpretation, that not only will the loss of the Honorable Company be made more bearable thereby, but also all malpractice concerning the collection of the lease moneys from the villages etcetera, and the paying and liquidating of the same with the lease of the current or latest year for that of the preceding year, as I think not without reason to be taking place in that regard, from the fierce disputes between the chief Pfeiffer and secunde Brouwer, both concerning the outstanding lease moneys of the concluded trading year of 1772/3 and the preceding year 1771/2 to the amount of 26225 ropias, which would still have to be collected, and concerning the insolvent lessees and several other matters affecting the Honorable Company and its management at the office there. In accordance with the decision by the joint resolution of the 8th of this month, I have sent them the copies of the letters and papers written and sent back and forth to me in private by them concerning this, and, under severe reproach regarding those disputes and quarrels that have arisen between the two of them, ordered them to account for themselves satisfactorily in the margin of those papers. Although the rumor of the descent of the Marattijs is widespread, and that they would join with the notorious Haijder Allichan, as well as bring with them the great subah of Golconda Nisam Allichan, no reliance can as yet be placed on it as long as they have not crossed the river Kistna and penetrated through the cannewaijs, or the narrow mountain passes. One cannot yet have a proper idea of the conduct that Haijder Allichan will maintain if the Marattijs should actually penetrate into these lands. They must traverse the greatest part of his country, or that of Maijsoer, before they can reach these lowlands.

Dutch transcription

nogthans dat wanneer des prinsens voorslaagen alhier afgekeurd werden, en dus geen middel Overblijven mogte, om dierweegens tot een accomodement te gewaaken, als dan de prinsen de 18198. ropijen, naar aftrek van de Revenuen, die van Junij deeses Jaars aff, ingepalmd sullen weesen, terstond af¬ leggen, en Bimilipatnam en dies Onderhoorighee„ den, in Overeenkomste van het oude Contract, wee„ der Onder sig sullen neemen, en om alle disputen in Cas van voorm: te rug gave die ten opsigte van de ingekoomene Revenuen; resulteeren kun„ nen te vermijden, den door de prinsen 't seedert meij deeses Jaars te Bimilipatnam geplaat„ ste bramine Ramadas, aldaar dus lange vertoe„ ven soude Hier door eenige maanden off tot meij aanstaan„ de tijd verkreegen of uijtgewonnen sijnde, sal ik den Duan Jenpenne Pagoenadoe Rasoe van Madraspatnam hier afwagten, en met densel„ ven, soo goed mogelijk een nieuw Contract van de pagt voor drie Jaaren, vermits de prinsen in geenendeele tot een langer tijd verstaan wil„ len, tragten te sluijten, indien de prinsen van de versogte geldleening, op die wijse als met Moetoe overeengekoomen is, soo meede den Duan van sijn Eijsch, om voor een derde in den In„ saam van Lijwaaten aldaar te mogen participel„ ren en welk versoek den prins Sjittaramarasse bij sijn brief aan mij, meede aanbeveeld afsien wil„ len, want de opperhoovden verklaaren niet al„ leen den saukaar wannamalidas geensints soo. 120 405 soo solvabel te houden, dat sij hem voor soo een aan¬ sienelijk montant als Cautionair aanprijsen kun„ nen, maar ook dat sij niet dorsten onderwinden, om de regeering het gants project om een voor uijt„ schot van geld aan de prinsen te doen, als iets seekers of profitabels voortedragen, off diend„ weegen voor den volgtijd eenige verantwoording op haar te neemen, maar wel, dat wanneer als onvermijdelijk tot dies afgave getreeden mogte, off moeste werden, sij volgens hun pligt alles aanwenden souden, om het geleende voor de E: Compie. te recouvreeren. uijt hoofde van deese, en meer andere opdoe„ nende swarigheeden, komt mij, met onderwer„ ping egter aan het Hoog wijser Oordeel van uw Hoog Edelens, het salutairste voor, om alleen de Dorpen Bimilipatnam, Com„ merpalium en Nagamaloepalium, mits„ „gaders de mond van de revier, en het geen verder daaraan annex is, in pagt te neemen, soodanig als Jongst, terwijl men over een nieuw Contract van de pagt met de princen in onderhandeling was, voor drie maanden, off de hier vooren vermelde geobtineerde eerste prolongatie, geschied is, en aan 's Comp„s Cooplieden, Conform daarvan sijnde pagt Conditien, desen in Copia versellende, verpagt sijn geworden, voor een montant van 2000. rop„s uijtmaakende dus voor een Jaar rop„s 8000. , En schoon bij de in pagtneeming van alhier aan 121 van de voormelde afgesonderde Dorpen, en annexe ge„ regtigheeden eenig verlies geleeden werden sal, soo sal egter dat nadeel, van die importantie niet wee¬ sen, off men sal het selve wel konnen dragen, en wanneer de opperhoofden vigilant sijn, wel sooda nig kunnen dirigeeren, dat door den tijd even soo veel koomen optewerpen, als men daar voor met de prinsen veraccordeert heeft, en betalen moet„ want de E: Comp:ie heeft de buijten Dorpen niet nodig, alsoo het voornaamste Doelwit van het in pagtneemen, ten principaalen is, om Bi„ milipatnam en dus ook de mond van de re„ vier Onder de E: Comp„e te hebben, ten eijnde bevrijd te weesen, van allerhande Chikanes en dwars boomingen, omtrent haar Edele saaken en verrigtingen, waar aan men anders onder¬ havig is, ingevalle, gelijk van Ouds, off voor de in pagtneeming, door een Haweldaar van de prinsen geregeerd wierd, waarbij ik onder welduijding sustineere, niet alleen de scha„ de der E: Comp„e daar door dragelijker gemaakt, maar ook alle morserijen omtrent de in„ ning van de pagtpenningen uijt de Dorpen etc=a; en het betaalen en liquideeren derselve met de pagt van het loopende - off Jongste voor die van het voorgaande Jaar, gelijk niet sonder reeden denke sulx daaromtrent plaats te hebben, uijt de heevige disputen tusschen het opperhoofd Pfeiffer en secunde Brouwer. 407 Brouwer soo aangaande de agterstallige pagtpennin„ gen van het affgelegde handeljaar van 177 2/3. en het voorgaande Jaar 177:/2. , ten bedragen van Rd„ pias 26225. —. die nog g'incasseerd soude moeten werden, als over de Jnsolvente pagters en meer andere saaken de E: Comp. ie en de Huijshouding der„ selve daar ten Comptoire toucheerende, gereesen, Jk heb de Copijen der brieven en papieren door haar daar over aan mij in het particulier over en weeder geschree„ ven en toegesonden, volgens besluijt ter gemeene Resolutie van den 8. deeser maand, haar doen toe¬ koomen, en Onder ernstige reproche Over die tus„ schen haar beijde gereesene geschillen en Hacquet„ ten, geordonneert, satisfactoir in margine dier papieren sig te verandwoorden. Schoon het geroep van de affkomst der Marat„ tijs groot is, en dat zij sig met den berugten Haij„ der Allichan Conjungeeren, mitsgaders den groot souba van Golconda Nisam Alli„ chan, meede brengen soude, soo kan egter daarop als nog geen staat gemaakt werden, soo lange sij de revier kistna niet Overgetoogen, en door de Cannawaijs, off de nauwe berg„ weegen, doorgedrongen sijn; Mlen kan als nog ook geen regt denkbeeld hebben van het ge„ drag dat Haijder Allichan, indien de Ma„ rattijs werkellijk in deese Landen mogte koomen doortedringen, houden sal; sij moeten sijn land off dat van Maijsoer voor het grootste ge„ deelte doortrecken, eer in deese beneede landen kunnen. 122

NL-HaNA_1.04.02_9686_0436 view scan ↗

English

could be; thus he is the first in turn to suffer offenses from the plundering of these marauders. An emissary or ambassador from him is currently with the souba, but the true objective of his coming or mission is not known. It is said the Souba cajoles him strongly to get him on his side, or to have him choose his party or project, not only to keep the gentiles or their government out of these lands, but to destroy them completely. However, the emissary, as it is said, being instructed not to express himself on any matters, it is believed that Haijder allichan intends to choose the strongest party in due time, and meanwhile laments strongly to the souba over the feared ruin of his lands if the Marattijs should cross the Kistna. It is also divulged that there may be a secret project between him and the French, but what it actually contains or has as its objective, no one can truly penetrate. In general, it is said to not only thwart the souba in his far-reaching designs and prosperity, but also to restore his, namely Haijder alichans, friends the French, who were very strictly restricted in their affairs by the souba, and to revive their decayed trade etc., and also for that purpose to install the son of the well-known Sanda Sahib, Ras allichan, who has now become a son-in-law of Haijder allichan and continuously finds himself now with him, then with the marattijs, into the Nababship of Arcadoc. But whatever the truth of that may be, time will have to show, and the coming spring will have to demonstrate whether the report is true that the French are about to receive ships and men to execute the project. Meanwhile, the government of the French has been transferred to the Royal officers and servants, and it is believed and also firmly maintained that as long as their decayed affairs here in this country are not brought into a better state, no improvement is to be expected in those of Europe either. Meanwhile, the souba is full of care and deliberation over the movements of the marattijs and the conduct to be kept by Haijder Allichan, since much money is required to buy off the descent of the marattijs, as he thought and imagined he would find untold treasures in Tansjoer, where he has now experienced the contrary. The administration of the lands of Tansjoer, as far as their harvest is concerned, he has assigned to the former dabhier Naro pandidaar, and it is said that the Killedaar or castle governorship of Tansjoer itself will be conferred upon Narsingade Rauw, as he was under the prince. And the souba pretends only to have conquered Tansjoer in order to get fully paid the contributions that are still due to him, and this having happened, he will return the same, and only keep some lands or separate them from the same in order henceforth to get his tribute money, which he at the same time wants to negotiate higher, paid completely annually; surely to appease the marattijs and others somewhat through this or by this pretense. Meanwhile, the expectation and hope of the prince of Tansjoer to be helped back onto the throne by the marattijs with the cooperation of Staijder Allichan is very great. He, as well as his imprisoned Prime Minister Manoji Rauw Jagataph, have had an application made to me in secrecy through an emissary sent hither named Gopala Rauw, and request by no means to abandon the said prince in his present circumstance, but to show such assistance as would be necessary and required to recover his lost states, with the assurance of his gratitude and acknowledgment for the service that would be rendered to him in this. However, I have declined this as best as possible with a declining answer, just as was done in answer to the letter written by the great prince of the Marattijs named Ragoenada Rauw, which his wackiel or emissary wenket Rauw, because of the presence of the nabab Madaroel Moelk at Naoer, sent by way of the French Commandant at Carcal, Monsr. Hocquart, containing a request for assistance of troops and money, not only to reconquer Tansjoer, but also all other lands and places successively conquered by the Moors, with the promise both of the return of the lands bought by the Honorable Company from the defeated prince of Tansjoer, and that even more other lands would be ceded that the Honorable Company might need, together with an offer to mortgage the lands of Tansjoer, those of the Cattatheuver, and Naalcottei oedearteurer, as well as Tirnewillij situated in the Madurese, in order that from their revenues the war expenses to be incurred may be recovered again. All appearing more broadly both from the aforesaid letter and the separate writing found therein, as well as the paper that was drawn up from the message of the said Gopala Rauw and inserted in the separate resolution of 21 October, as well as my given answer to the aforesaid great prince incorporated into that of the 8th of this month, to all of which papers I take the humble liberty.

Dutch transcription

kunnen weesen; dus legd hij eerst aan de beurt, om aanstoot van de rooff dier stroopers te Lijden, daar bevind sig tans een sendeling of ambassadeur van denselven bij den souba, dog het weesentlijk oog„ merk sijner komst off besending is niet bekend, soo men segt den Souba Cajoleerd hem sterk om aan sijn sijde te krijgen, off sijn Parthij of project te doen kiesen, om de heijdenen off derselver Re„ geeving niet alleen uijt deese Landen te wee„ ren, maar in het geheel te verdelgen, dog den sendeling soo men segd, gelast sijnde, sig over geene saaken uijttelaaten, vermeend men, dat Haijder allichan van voornee„ mens is, om op sijn tijd, de sterkste parthij te kiesen, en doleerd intusschen sterk bij den sou„ ba, over, de te vreesene ruine sijner landen, in„ dien de Marattijs de Kistna passeeren mogte, Men divulgeerd Ook, dat 'er een geheijme pro„ ject tusschen hem, en de franschen soude weesen, dog wat het weesentlijk behelst, off ten doel„ wit heeft, weet niemand regt te penetreeren, in het algemeen werd gesegt, om den souba in sijn verregaande desseijnen in voorspoed niet alleen te fruijken, maar ook sijne te weeten Haijder alichans vrinden de francen, die door den souba omtrent hunne saaken seer naauw bepaald wierden, te herstellen, en hunne ver„ vallene handel &ca weder op te beuren, mits¬ gaders ten dien eijnde den soon van den beken„ den Sanda Sahib, Ras allichan, die 4109 die nu een schoonsoon van Haijder allichan ge„ worden is, en sig geduurig dan bij hem, dan bij de marattijs bevind, in het Nababschap van Arca„ doe te installeeren, dog wat daar van sij, sal den tijd moeten leeven, en in het aanstaande voor„ Jaar moeten uijtwijsen off de tijding waar is, dat de fransen scheepen en volk staan te krijgen, om het project uijttevoeren, Intusschen is de Regeering der francen aan de Koninklijke of„ ficieren en bediendens Overgedraagen, en men meend, en steld ook voor vast, dat soo lang haare ver„ vallene saaken hier te Landen, niet in een beeter staat gebragt werden, ook in die van Europa geen beeterschap te verwagten is. Onder„ tusschen is den souba vol sorge en Overwee„ ging, over de beweeging der marattijs, en het te houdene Conduite van Haijder Allichan alsoo daar veel geld vereijscht werd, om de aff„ komst der marattijs aftekoopen, alsoo hij ge„ dagt en sig voorgesteld heeft onnoemelijke schatten in Tansjoer te vinden, daar hij nu het Contrarie heeft ondervonden, het bestier der Landen van Tansjoer voor soo verre de recolte derselve aangaat, heeft hij aan den geweesen dabhier Naro pandidaar opge„ draagen, en men segd dat het Killedaar of slot voogdschap van Tansjoer selve, aan Narsingade Rauw opgedraagen sal wer¬ den, gelijk hij onder den vorst geweest is, en den souba geeft voor, Tansjoer eenelijk veroverd. 123 veroverd te hebben, om de Contributien die hem nog Competeeren, ten vollen betaald te krijgen, en sulks geschied weesende, het selve weeder overgeeven, en eenelijk eenige Landen houden off van deselve on„ derscheijden sal, om voortaan sijne tributpen„ ningen, het geen hij teffens hooger bedingen wil„ Compleet Jaarlijks betaald te krijgen; seekerlijk om hier door of door dit voorgeeven, de marat„ tijs en andere wat te paaijen. Ondertusschen is de verwagting en hoop van den Tansjoersen vorst, om door de marattijs met meedewerking van Staijder Allichan weederom op de throon geholpen te worden, seer groot, Hij soo wel, als sijn gevangene premier Minis¬ ter Manoji Rauw Jagataph hebben door een afgesondene dit heen in name Gopala Rauw in secretesse bij mij aansoek laaten doen, en ver„ soeken, gedagte vorst in sijne teegenswoordige omstandigheid in het geheel niet te ver„ laaten, maar soodanige bijstand te bewijsen, als nodig weesen, en vereijsschen soude, om sijne verloorene staaten weeder te bekoomen, met verseekering van sijn dankbaarheijd en erkentenis„ se voor den dienst die hem in deesen beweesen soude werden, dog het geen ik al soo wel, soo goed mogelijk met een declineerend andwoord afgeweesen hebbe, als geschied is, in andwoord van de brief door den groot vorst der Marat„ tijs in name Ragoenada Rauw geschreeven, die sijn wackiel of sendeling wenket Rauw¬ mits het aanweesen van den nabab Madaroel Moelk. 411 Moelk, te Naoer, door weegen van den frans Commandant te Carcal Monsr. Hocquart toegesonden heeft, inhoudende versoek om adsis„ tentie van volk en geld, niet alleen om Ians„ Joer, maar ook alle andere door de mooren suc„ cessive veroverde Landen en plaatsen, te her„ overen, met belofte soo ter te ruggave van de door de E: Compie. van den Overwonnene Tans¬ Joersen vorst gekogte, als nog meer andere Landen gecedeerd soude werden, die de E: Comp„e nodig mogte hebben, mitsgaders aanbieding ten verpanding der Landen van Tansjoer, die van den Cattatheuver, en Naalcottei oedearteurer, mitsgaders Tirnewillij in het Madureesche geleegen; ten eijnde uijt de revenuen derselve, de te doene oorlogs ongelden weeder gevonden te konnen werden, alles breeder blijkende soo bij voorsz: brief en het daarinne gevondene appart ge„ schrift, als het papier, dat uijt de bood„ schap van gedagte Gopala Rauw opge„ maakt is, en bij de apparte resolutie van den 21. ' October geinsereerd, gelijk bij die van den 8. deeser ingelijft, is mijn gegeeven and„ woord aan voorsz: groot vorst, aan alle wel„ ke papieren ik de nedrige vrijheijd nee„ me. 124

NL-HaNA_1.04.02_9686_0440 view scan ↗

English

to refer myself with much respect, as I may also be permitted to do, to what was recorded in the separate Resolution of the 8th of this month, relating to the very earnest applications made several times by the nabab Madaroel Moelk that a visit should be paid to him at Naoer, and my refusal of the same, which refusal I hope Your Right Honourables will be as pleased to accept as to look upon favorably, crowning it with Your venerated approval; as well as the grant made by that Council decision to the aforementioned saukaar Nellabheraam Tarwadi and the Company's brahmin here, oddeijawargam wenketta soebaraijer Aijen, for their applied efforts and demonstrated zeal in helping to settle the dispute between Your Honour and the souba, since these are matters or things by which the Honourable Company suffers no disadvantage nor will have any burden therefrom. Ending herewith, I commend the illustrious persons of Your Right Honourables, together with the state of the general Company, to the gracious protection of the Almighty, and remain with profound respect, was signed, Right Honourable. Honourable, Grand, Highly Respected, Widely Ruling Sir and Well-born Sirs, Your Right Honourables' humble and obedient servant, was signed, R. van Vlissingen. In the margin: Nagapatnam, in the Castle, the last of December Anno 1773. Postscript: After what was mentioned herefore regarding the five remaining recognition elephants was dealt with and this had already been prepared and concluded, an opportunity having presented itself to dispose of those animals, they were sold, pursuant to what was resolved in the General Resolution of the 27th of this month, in order to avoid further expenses, for 2200 new Nagapatnam pagodas, half to be paid in cash and the other half in Caliatour wood; which I also hope may gain the venerated approval of Your Right Honourables. Agrees. No. 2. Translation of a Marathi letter written to the Well-born, Rigorous Sir Reynier van Vlissingen, Governor and Director of this Coromandel Coast with its dependencies, by Narsinga Gadderauw, albeschiek at the Tanjore Court. After previous compliments. I have received Your Well-born Rigorous Sir's letter, and understood its contents. The Prince is very pleased that Your Well-born Rigorous Sir executes all matters that His Highness requires, of whatever nature they may be, and thus attends to the welfare of the Duan, and furthermore causes the friendship between the Honourable Company and the same to increase more and more thereby. Please send Raasja Sive Nagamalloe Chinaija Naijker and the writer Chinaija here to meet the Prince, and after that has taken place, and they will have returned, Your Well-born Rigorous Sir will come to know everything from their oral report. What more shall I write? Below was the ordinary seal of the albeschik, and further: For the translation according to the interpretation of the Brahmin Wengata Souberaijer Aijen, Nagapatnam, the 8th of February 1773. Was signed: Corn. Obdam, sworn translator. Agrees. W. Ruijnevelt, Secretary. No. 4. To Narsinga Gadkerauw, Moesinik at the Court of Tanjore. The letter that Your Honour wrote to me, I have duly received. That the Prince is pleased with my handling of His Highness's affairs has made me very glad; this gives me good reason to hope that His Highness will likewise not fail to give satisfaction on occasion to the Dutch Company that I serve. The close friendship with which the Principality of Tanjore and the Honourable Company have been bound and united with each other from the beginning of our arrival here, and of which the bond in the present time has been tied even closer, shall thereby increase more and more, to the wonder of the neighbors and the joy of all well-wishers. In compliance with Your Honour's request, I let the Company's interpreter Nagamalloe Chinaija Naijker, together with the Company's Brahmin Wenketa Souberaijer Aijen, depart for there to meet the Prince. I trust that their return from Tanjore will bring me all satisfaction, and they will be sent back as soon as possible. What more shall I write than that I request the continuation of Your Honour's friendship? Was signed: R. van Vlissingen. In the margin: translated the 13th of February Anno 1773. Agrees. J. Ruijnevelt, Secretary. No. 5. Translation of a Marathi letter written to the Well-born, Rigorous Sir Reynier van Vlissingen, Governor and Director of this Coromandel Coast with its dependencies, by Raasja Drie Maharaasja Toelaasja Raasja Sahib, Prince of Tanjore. Maharaasja Raasja Drie Toelaasja Raasja Sahib writes this letter to the Well-born, Rigorous Sir Reijnier van Vlissingen, Governor and Director of this Coromandel Coast. I have understood Your Well-born Rigorous Sir's good heart, good manner of conduct, and the affection that Your Well-born Rigorous Sir bears toward this Principality of Tanjore, and am very pleased thereat. I find myself in the firm confidence that Your Well-born Rigorous Sir always wishes for the welfare of this principality, and therefore I send herewith a letter for His High Excellency, the High, Honourable, Grand, Respected, Widely

Dutch transcription

me, mij met veel Eerbied te refereeren. — Soo als mij ook gepermitteerd sij te moogen doen, aan het aangeteekende ter apparte Resolutie van den 8=e deeser maand, met relatie tot de di„ verse maalen seer ernstige gedaane aansoe„ kingen door den nabab Madaroel Moelk dat hem een visite op Naoer soude koomen geeven, en mijne gedaane van de handwijsing derselve, het geen off welk refuis ik hoope uw Hoog Edelens al soo wel sullen gelieven hi te aggreëren als gunstiglijk behaagen, met Hoogst Derselver gevenereerde approbatie te bekroonen, het toegevoegde bij dat Raadslot, aan den hier vooren vermelden saukaar Nella„ bheraam Tarwadi, en 's Comp„s bramine alhier oddeijawargam wenketta soeba„ raijer Aijen, voor derselver geadhibeerde moeij„ te en bestoonde iever, in het helpen, beslissen van het geschil tusschen Haar Edele en den souba, alsoo deselve saken off dingen sijn, daar de E: Comp=ie geen nadeel komt te lijden, off eenig Last daar van hebben sal, Hiermeede deesen: fineerende, beveel ik de Jllustre persoonen van uw Hoog Ede„ lens, benevens den staat van de generaale Plaatschappij in de genadige bescherminge des Allerhoogsten, en verblijve met profunt Respect, /:onderstond:/ Hoog Edele. 413 Edele Groot Agtbaare wijdgebiedende Heere en welEdele Heeren, Uw Hoog Edelens Ootmoedige en Gehoorsaame Die„ naar /:was geteekkend:/ R„n van Vlis„ Nagapatnam singen, /:in margine:/ December Ao 1773; Jn't Casteel ultimo C:: S: Na dat het vermelde hier vooren omtrend de vijf over„ geblevene recognitie Eliphanten Wtssingen verhandeld en deesen reeds vervaer„ „digd en afgeslooten was, occagie te vooren gekomen weezende, die Amimaalen van de hand te zetten, zao heeft men ingevolge het geresolveerde ter Gemeene Reso„ litie van den 27=e deeser, dezelve, ter vermijding van verdere Ongelden verkogt voor 220v. nieuwe Nagapatnamse pagooden, om de helft in Contant en de auden helft in Calliatourhout voldaan te wenden; het geen ik almeede hoope de gevecireerde goedkeure van uw Hoog Edelens zal mogen wegdragen. Accordeert. 125 p en t te ar - No. 2. 415 Translaat eener marattijse „briev geschreeven aan Den WelEdelen Gestrengen Heer Reynier van Vlissingen gouverneur en Directeur deeser kuste Cormandel met den resorte van dien, door Nar„ Singa Gadderauw albeschiek aan het Tansjourse Hoff. Naar voor affgaande Complimenten Jk heb uwel Edele gestr: briev ontvangen, en dies inhoud verstaan. Den verst is seer vergenoegd, dat uwel Ed: gestr: alle saaken die zijn Hoogheijd requireerd, van wat natuur deselve ook weesen mogen ter uyt voer brengt, en dus het wel sijn van den Duan betragt, mitsg=s daar door de Vriendschap tuschen DE Comp: en deselve meer en meer doet aucresseeren Geliefd Raasja Sive Nagamalloe Chinaija Naijker en den schrijver Chinaija dit heen te senden, om den Vorst te ontmoeten, en na dat sulx geschied, en zij lieden weeder terug gekoomen zullen zijn, zal uwelEd: gestr: uyt Haar mondeling berigt alles te weeten te koomen. wat sal ik meer schrijven /onderstond/ het ordinair, segul van den albeschik /: en voorts:/ Voor de oversetting volgens ver„ taaling taaling van den Bramine Wengata„ Souberaijer aijen, Nagapatnam den 8 febr: 1773: /was geteekend/: Corn Obdam, gesw Transl=t. Accortseerd W Ruijnevertse Sec a No. 4 417 Aan Narsinga Sadkerauw, Moesinik aan het Hoff van Tansjoer De brief die uwel Ed: mij gesz: heeft, heb ik wel ontfan= gen, dat den Vorst vergenoegd is, over mijne behande¬ ling, ontrend sijn Hoogheide saaken, heeft mij seer verblijd, dit geeft mij regt te hoopen, dat sijn Hoog= heijr, meede niet nalaten zal, om de Hollandsz Conp=e die ik diene, bij geleegendheijd meede genoegen toek„ brengen, de naauw Vriendschap waarmeede het 2 Vorstendom van Tansjoer en EE Comp„e van het be„ gin onser komste hier, aan den anderen verknogt en verbonden, en waarvan de band in de presente heijd nog nauwer gelegd is, sal daar door hoelangs hoe meer toeneemen, tot verwondering der Nabuuren, en verheuging van alle welmeenende Ik gevolge VE versoek laat ik den Tholk van de Comp„e Nagamalloe Chinaija Naijker, met en neevens 'sComp„s Bramine Wenketa Souberaijer Aijen, naar derwaards vertrekken, om den Vorst te ontmoeken, Jk vertrouwe dat haare kerigk mst uijt Lansjoer, mijn alle vergenoeginge toebrengen zal, en sij soo spoedig mogelijk berug gesonden sul„ len werden Nats. Wak zalik neer schrijven, dan dat ik om de Continua¬ tie van UE Vrundschap versoeke /:was geteekend:/ R. r van Vlissingen /: in margine.:/ getranslateerd 773 den 13e febr: Ao. 173 Accordeerd J. Ruijnevelt Sec ina No. 5 419 Translaat eener Marattijse brief geschreeven aan den wel Edelen Gestrengen Heer Reynier Van Vlissingen Gouverneur en Directeur deeser Custe Cormandel met den resorte van dien, door Raasja Drie Maharaasja Toelaasja Raasja Sahib, Vorst van Tansjour. Maharaasja Raasja Prie Toelaasja Raas, k ja Sahib schrijft deesen brief aan den wel Edelen Gestr: Heer Reijnier Van Vlissin„ gen, Gouverneur en Directeur deeser Custe Cormandel. Ik heb Uwel Edele Gestr: goed hart, goede wijse van behandeling en de geneegend„ heijd die uwel Edele Gestr: dit vorstendom van Pansjour toedraagd, verstaan, en ben daar over seer vergenoegd. Ik bevinde mij in een vast vertrouwen, dat uwel Edele Gestr: steeds het wel sijn van dit vorstendom wenscht, en dierhalven send ik hier neevens een brief voor sijn Hoog„ Edelheijd, den Hoog Edelen Groot Agtb: Wijd

NL-HaNA_1.04.02_9686_0458 view scan ↗

English

Far-Ruling Lord Governor-General, which Your Right Honorable must send to Batavia and also write in detail about, in order to give the matters contained therein such effect, as well as to procure for me a speedy and desired answer thereto. All these matters Your Right Honorable will be able to confirm further from a detailed letter from Raja Sri Narsinga Ghadderauw, and a copy of the letter that I am presently sending to the aforementioned His High Excellency, as well as from what the Company's interpreter Nagamalloe Chinaija Naijker and Brahmin Wenketa Souberaijer-aijen will report orally. Why need I write extensively to Your Right Honorable, since your honorable self is a gentleman who must carry out all these matters himself, and who constantly desires the well-being of this Principality. In the heading was the Prince's seal printed in black ink. Below stood: For the translation according to the version of the Brahmin Wengeta Souberaijer-aijen; Nagapatnam the 22nd April Anno 1773. Was signed: C:s Obdam sworn translator. Lower: 2128 Lower: NB: on a small piece of paper that lay inside the letter is written the gifts as follows, to wit: 1 Turban of gold Surat fabric. 1 Shawl or coverlet of the same. 2 pieces of that same kind of fabric to make a long kabaya. 1 piece for trousers. 1 breast jewel. Agrees Wuijneveltje Secretary Lower, No. 6 423 To His Highness the Prince of Tansjoer, Rajasri Maharaija, Toelaji Raja Sahib The interpreter Nagamalloe Chinaija Naijker, and the Brahmin Wengata Soaberaijer aijën, have, upon their return here, duly delivered to me the letter which Your Highness did me the great honor to write, together with the gifts that were attached thereto. I thank Your Highness very kindly for the affection which Your Highness bears towards me, and which, by sending an extraordinary gift, you have wished to spread and make shine before everyone. My conduct and my manner of proceeding will always be directed towards affording Your Highness satisfaction as far as possible, just as the tokens thereof have presented themselves to Your Highness on various occasions; thus I do not doubt that Your Highness will also continually show all esteem and affection to the Dutch Company. The letter and the gift for His High Excellency the High Honorable Lord Governor-General at Batavia, I shall send with the first ship that departs from here, and write in detail about everything, and upon receiving the answer thereto, communicate it to Your Highness. What more shall I write, except that I most strongly recommend the interests of the Dutch Company to Your Highness's favor and affection. Was signed: R:r van Vlissingen. In the margin: translated the 27 April 1773. Agrees H Suijnevelte No. 7 425 Translation of a Marathi letter written to the Right Honorable Gentleman Reijnier van Vlissingen, Governor and Director of this Coromandel Coast with its dependencies, by Narsinga Ghadderauw, Prime Minister at the Court of Tansjoer. After preceding compliments. The letter which Your Right Honorable was pleased to send with the Company's interpreter Nagamalloe Chinaija Naijker and the Brahmin Wengeta Souberaijer Aijen, I have duly received and understood its contents, as well as procured an audience for them with the Prince; they are now returning thither, from whose oral report Your Right Honorable will come to understand everything clearly. His Highness is now sending to Your Right Honorable a letter for His High Excellency, the High Honorable, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord Governor-General, together with a present of robes of honor and jewels, as well as a letter and gift of robes of honor and jewels for Your Right Honorable yourself, all of which I request Your Right Honorable to kindly accept, and to forward the letter with the gifts for the aforementioned His High Excellency to Batavia, as well as to write a detailed letter alongside it yourself, in order to bring those matters to a good conclusion, and at the same time to obtain a speedy and desired answer thereto. Herewith Your Right Honorable receives a copy of the letter that was sent to the aforementioned His High Excellency, so that Your Right Honorable shall have knowledge of all matters contained therein. I have received the order from His Highness to write thus to Your Right Honorable. The Prince, having learned of Your Right Honorable's good manner of conduct, was very pleased therewith, and therefore I request Your Honor to bring these matters to a desired outcome, in order thereby to gratify the heart of His Highness, as well as to make the friendship increase more and more. What more shall I write. Below stood: the ordinary seal of the Prime Minister printed in black ink. Below stood: For the translation according to the version of the Brahmin Wengate Couberaijer Aijen Nagapatnam the 22nd April Anno 1773. Was signed: Corn: Obdam sworn translator. Agrees H Suijnevelte Secretary No. 8.

Dutch transcription

Wijd Gebiedende Heere Gouverneur Genera dewelke uwel Edele Gestr: na Batavia senden en teffens ook breedvoerig schrijven moet, om de Saaken, daarinne vervat, sooda¬ nig van gevolg te doen sijn, mitsg:s mij een ge„ wenscht antwoord daarop spoedig te doen erlan„ gen. Cille deese Saaken Sullen Uwel Edele Gestr: nader komen te Consteeren, uijt een breedvoerige brief van Raasja Drie Narsinga Ghadderauw, en een Copij van de brief, die ik tans aan hoog-gedagte sijn Hoog Edel„ heijd afsende, mitsg:s uijt het gene 's Comp:s Tholk Nagamalloe Chinaija Naijker en bramine Wenketa Souberaijer- Ceijen monde¬ ling Sullen berigten. Wat behoeve ik uwel Edele Gestr: wijdloopig te schrijven, daar hoog derselven een Heer is, die alle deese saaken selfs ten uijtvoer brengen moet, en die steeds het wel sijn van dit Vorstendom desidereerd. /: in't hoofd stond 'S Vorsten Segul in swarte Jnkt gedrukt /:onderstond:/ Voor de oversetting volgens vertaaling van den bramine Wengeta Souberaijer-aijen; Na„ japatnam den 22. ' April A„o 1773. /:was geteekend:/ C:s Obdam G: Transl:t /:lager, 2128 /:lager:/ NB: op een kleijn stukje pa„ pier, dat in de brief geleegen heeft staat. de geschenken in het volgende, te weeten: 1. Tulband van goude Souratje Stoff. 1. Sjaal of dekkleede ad idem. 2. stucken van die selfde zoort van stoff H om een lange Cabaij te maaken. 1. stuk tot een broek. 1: borst- Juweel. Accordeerd Wuijneveltje Sec nr d lager, No. 6 - 423 Aan zijn Hoogheijd den Vorst van Pansjoer, Rajasri Maharaija, Toelaji Raja Sahib Den Tolk Nagamalloe Chinaija Naijker, en den Bramine, wengata soaberaijer aijën, hebben met derselver terug komst, alhier aan mij wel over„ handigt, de brief die uw Hoogheijd mij de hooge Eere gedaan heeft, te schrijven, neevens de geschenken die daar bij gevoegd zijn geweest, Jm bedank uw Hoogheijd seer vriendelijk, voor de geneegendheijd, die hoogst deselve my toedraagt, en door het senden van een Extra ordinair geschenk deselve heeft willen verbrijden, en voor een ieder doen uijtblinken Mijn behandeling en mijn manier van doen, zullen althoos daarheenen geregt zijn, om uw Hoogheijd voor soo verre het geschieden kan genoegen toe te brengen, gelyk hoogst deselve de blijken daarvan bij diverse geleegendheeden te vooren gekoomen zijn; dus Twijffle ik niet off uw Hoogheijd sal meede de Hollandsche Comp: steeds alle agting en geneegendheijd toedraagen. De brieff en het geschenk voor zijn Hoog Edel„ heijd den Hoog Edelen Heere gouverneur ge„ „neraal te Batavia, sal ik met het eerste schip schip dat van hier vertrekt afsenden, en over alle breed„ voerig schrijven, en het antwoord daarop bekomende uw Hoogheyd meede deelen, Wat sal ik meer schrijven, als dat in uw Hoogheyds gunst en geneegendheijd op het kragtigste aan bevee„ „le de belangen van de Hollandsche Comp: /was geteekend/ R:r van Vlissingen /in margine:/ getranslateerd den 27 April 1773. Accordeerd H Suijnevelte No. 7 425 Translaat Eener Marrattijse brief geschreven aan den Wel Edelen Gestr: Heer Reijnier van Vlissingen Gouverneur en Directeur deeser Custe Cormandel met den resorte van dien door Narsinga Ghadderauw albeschik aan het Tansjoers Not ell Naar voor afgaande Complimenten De brief de uwelEd: Gest: met s Comp„s Rhol Naga„ malloe Chinaija Naijker, en den Bramine Wen„ geta Souberaijer Nijen, heeft gelieven te sonden heb ik wel ontfangen, en dies inhoud verstaan, mitsgaders haar lieden audientie bij den Vorst besorgd, gaande zij e thans weeder na derwaards te rug, uijt wiens mondeling betigt, uwel Ed: Gestr: alles klaat sal komen te verstaan Zijn Hoogheijd send thans aan Uwel Ed: Gestr: een Z briev voor sijn Hoog Edelheijd, den Hoog Edelen ^de d Groot agtb: Wijdgebiedende Heer Gouverneur Ge„ neraal, neevens een present van Eerkleeden en Juuren len, soo meede een Brief, en geschenk van Eerkleeden en Juweelen Juwelen voor UwelEd: Gestr: Selvs, alle het welkeik Uwel Ed: Gestr: versoeke geneegendlijk te willen acceptie„ ren, en de brief met de geschenken voor Hooggedagte sijn Hoog Edelheijd na Batavia voorttesenden, mits„ gaders daarneevens selvs ook een breedvoerige brieff. te schrijven, om die saaken van een goed gevolg te doen sijn, en teffens een spoedig en gewenscht andwoord daar op te doen erlangen Hierneevens bekomt uwel Ed: Gestr: een Copij van de brief, die aan Hoog gedagte sijn Hoog Edelheijd afgevonden werd, op dat Uwel Ed: Gestr: van alle de saaken daarinne vervat kennisse hebben zal Jk heb d' ordre van sijn Hoogheijd bekomen om uwel Edele Gestr: dusdanig te schrijven De Vorst uwel Ed:s goede wijse van behandeling vernoo men hebbende, is daar over seer vergenoegd geweest, en dierhalven versoek ik Hoogst Denselven, om deese saaken ee gewenschte uijtslag te doen erlangen, ten eijnde het hert van sijn Hoogheid, daar door te vergenoigen, mitsg„s de Vriend— schap hoe langs hoe meaer te doen accresseeren Wat sal ik weer schrijven /:onderstond:/ het ordinair Cecqul van den Albeschik in swaak inkt gedrukt /:onderstond:/ Voor d'oversetting volgens vertaaling van den Bramine Wets 428 Wengate Couberaijer Nijen Nagaparnam den 2=' april A:o 173. /: was geteekend:/ Corn: Obdam gesessr: Accordeerd H uijnevelte Sei ver Vernd No. 8.

NL-HaNA_1.04.02_9686_0469 view scan ↗

English

429 To the Regent of the Court of Tansjoer Narsinga Sadherauw Upon the return of the Thole Nagamalloe Chinaija Naijker and Brahmin Wengata Couberaijer Aijen, they have duly delivered to me the letter that Your Honour was pleased to write to me. Furthermore, they have given me a verbal report of everything the Prince and Your Honour told them to present to me. The received letter and the gift for His High Excellency, the Governor-General at Batavia, I shall send off with the first ship departing from here, and make the Prince's intention extensively known; the reply sent in return I shall communicate to the Court in due course. Your Honour knows, and I have given convincing proof of, the goodwill that the Dutch Company bears for the welfare of His Highness and his Realm, not doubting that His Highness shall do the same and seek to recompense such on all occasions. What is necessary to write more therefore /:was signed:/ R: van Vlissingen /:in the margin:/ translated the 27th of April Anno 1773. Agrees W. Ruyneveltje No. 9. 431 Translation of a Marathi letter, written to the Right Honourable Strict Lord Reijnier Van Vlissingen, Governor and Director of this Coast of Cormandel with its dependencies, by Narsinga Ghadderauw, Regent at the Court of Tansjoer. After preceding compliments I have received Your Right Honourable Strict's letter, and understood therefrom that 7 recognisance elephants have arrived there, with the request to have them collected and received, as well as to give order to the envoy Annagie Mahadagie to provide a receipt for them according to custom. Of the outstanding recognisance elephants, I acknowledge having received 7. And I have given order to the envoy Annagie Mahadagie, who is there, to provide a receipt for those 7 elephants, and therefore I request that you accept it; and deliver those elephants to Cannagasawea Poele. What shall I write more /:below stood:/ the ordinary seal of the Regent pressed in black ink. /:Below stood:/ For the translation according to the interpretation of the Brahmin Wengeta Souberaijen aijen; Nagapatnam the 3rd of September 1773. /:signed:/ Obdam Sworn Translator— Agrees J uijneveltse No. 14 433 To the Regent Narsinga Gadderauw. I do not doubt that Your Honour will have duly received my letter of yesterday, accompanied by another ditto for His Highness, and will have presented the matters contained therein to His Highness, and brought them to a good conclusion; if such has now happened, I request Your Honour to send a trusted person here for that purpose, with whom I shall deal in such manner and fashion as I have written, because Cannega sawea poele speaks now one way and then another again, notwithstanding that during the contracting of these matters he first said that the Prince was fully content therewith, and what he writes to His Highness is unknown to me, yet it seems to me not at all that he pursues the true interest of the Prince, and therefore I also do not incline to deal with him any longer, and since he entered into and concluded this contract in the Prince's name, I write about it in this manner, because were it not that this agreement was already in place, I would not concern myself with all these matters. I request Your Honour to make all these matters known to His Highness, and to have me receive a satisfactory answer within 2 to 3 days. What shall I write more /was signed/ Rr van Vlessingen /in the margin/ translated the 21 August 1773. —. Agrees H Duynevelt No. 13 2135 Herewith I send Your Honour a letter addressed to His Highness, which I request you to hand to His Highness himself, and to make the matters contained therein known to him, as well as to have me obtain a desired answer thereto within 2 to 3 days. What shall I write more. /was signed/ R:r van vlissingen /in the margin/ translated the 20 August 1773. To the Regent Narsinga ghadderauw Agrees J Duynevelte Sec No. 12 433 Translation of a Marathi letter, written to the Right Honourable Strict Lord Reijnier van vlissingen, Governor and Director of this Coast of Cormandel with its dependencies, by Narsinga ghadderouw, Regent at the Court of Tansjoer. After preceding compliments There currently arrive from Candia Dalawaij Naijker, being a son-in-law of Peeldie Naijker who is an uncle of the King of Candia, and Ramaswamie Naijker, who was previously sent thither from here; bringing along elephants and goods for the Prince, and as they are persons of distinction and come from afar, I request Your Right Honourable Strict to treat them kindly upon their arrival at Nagapatnam and do them honour. This is written to Your Right Honourable Strict for the sake of the concord and friendship that subsists between the Honourable Company and the Prince, and such by order of His Highness. What shall I write more /below stood: the ordinary seal of the Regent and for the translation according to the interpretation of the Brahmin wengata souberaijer aijen, Nagapatnam the 30 April Anno 1773 /was signed/ Corns Obdam Sworn Translator. Agrees W Luijnevelt No. 11

Dutch transcription

429 Aan den Albeschik van het Hoff van Tansjoer Narsinga Sadherauw Met de kug komst van den Thole Nagamalloe Chinaija Naijker, en Bram:ne Wengata Couberaijer Aijen, heb„ Een sij mij wel overhandigt, de brief die UwE mij heeft gelieven te schrijven zij hebben boven dien mij mondeling verslag gedaan, van alles wat den vorst, en UE haar gesegd heeft mij voor edraagen De ontfangene wrieff en het geschenk voor sijn Hoog Edelheijd, den Heer Gouverneur Generaal te Batavia, sal it met het Eerste schip dat van hier vertrekt, afsenden, en des Vorstens Jntentie breedvoerig te kennen geeven, het andwoord dat daarop gesonden word, sal ik op sijn tijd, aan het Hof meede dalen uwel Ed: weet, en ik het overtuijgende blijken gegeeven, van de geneegendheijd, die de Hollandsche Comp:e, voor het welsijn van sijn Hoogheijd, en sijn Rijk hoedragd, niet twifelenk of sijn Hoogheijd sal het selve meede doen, en bij alle occagien sulx wagten te recompenseeren. Wat is dierhalven noodig meer te schrijven /:was geteekend:/ R: van Vlissingen /:in margine:/ getranslateerd den 27. April A. o 1773. Accordeerd W. Ruyneveltje No. 9. 431 Translaat eener Marat„ tijse brief, geschreeven aan den Wel Edelen Gestr: Heer Reijnier Van Vlissingen, Gouverneur en Directeur dee„ ser Custe Cormandel met den resorte van dien, door Nar„ singa Ghadderauw Albe„ schik aan het Tansjourse Hoff. Complimenten Naar voor afgaande Ik heb ouwel Edele Gestr: brief ont„ fangen, en daaruijt verstaan, dat al„ daar 7. stux Recognitie Eliphanten aangekomen sijn, met versoek, deselve te laaten afhaalen en ontfangen, mitsg:s den sendeling Annagie Mahadagie ordre te geeven, om daarvan na den ge¬ bruijke quitantie te verleenen. Van de te goedstaande recognitie Eliphanten, bekenne ik 7. stux ontfan„ gen te hebben. En ik heb den sendeling Annagie mahadagie, die aldaar is, ordre gegeeven gegeeven, om voor die 7. Eliphanten qui„ tantie te verleenen, en dierhalven versoek ik, deselve te accepteeren; en die Eli„ phanten aan Cannagasawea Poele te entrageeren. Wat sal ik meer schrijven /:onder„ stond:/ het ordinair Segul van den M beschik in swarte Jnkt gedrukt. /:Onderstond:/ Voor de Eversetting volgens vertaaling van den bramine Wen„ geta Souberaijen aijen; Nagapatnam 1773. /: geteekend:/ den 3e. September: Obdam G: Transl:t:— Accordeerd J uijneveltse e ƒ No. 14 433 Aan Den Albeschik Narsinga Gadderauw. Ik twyffele niet, of uw Edele sal mijn briev van gisteren verseld van een ander d=o voor zijn Hoog„ heijd, wel ontvangen, en de saaken daarinne ver„ vat, aan zijn Hoogheijd voorgedraagen, en tot een goed eijnde gebragt hebben, indien sulx nu ge„ schied is, soo versoek ik uw Edele ten dien eijnde een vertroud persoon dit heen aftesenden, met wien ik soodaenig, en in dier voegen hande„ len sal, als ik geschreeven hebbe, want Cannega sawea poele spreekt, dan op de eene en dan weeder op de andere wijse, niet teegen„ staande hij bij het Contracteeren deeser saaken eerst gesegd heeft, dat den vorst daarmeede ten vollen Content was, en wat hy aan zijn Hoogheijd schrijft, is mij onbekend, dog het scheynd mij maar gansch niet toe, dat hij het waare belang van den vorst betragt, en dier„ halven in Clineere ik ook niet, om langer met hem te handelen, en dewil hij dit Contract uyt s' vorsten Naam, aangegaan en geslooten heeft, soo schryjve ik daar over in deeser voegen, want want was het niet, dat deese over eenkom ster reeds lag, soude ik mij aan alle deese saaken, niet ge leegen laaten zijn Jk versoek uw Edele alle deese saaken, aan zijn Hoogheijd te kennen te geeven, en mij binnen 2 a 3 daagen, een voldoenend antwoord te doen erfangen Wat sal ik meer schrijven /was geteekend R=r van Vlessingen /in margine /getranslateerd den 21 Aug=s 1773. —. Accordeerd H Duynevelt teerd No. 13 2135 Hierneevens sende ik uw Edele een brief aan zijn Hoogheijd gerigt, dewelke ik versoeke aan Hoogst denselven te willen inhandigen, en hem de saaken daarin vervat te kennen te geeven, mitsgs mij binnen 2 a 3 dagen daarop een gewenscht antwoord te doen erlangen. wat sal ik meer schrijven. /was geteekend / R:r van vlissingen /in margine /getranslaeteerd/ den 20 — Aug=s 1773. Aan den Albeschik Narsinga ghadderauw Accordeerd J Duynevelte Sec No. 12 433 Translaat eener marattijse briev, geschreeven aan den wel Edelen gestrengen Heer Reijnier van vlissingen, gouverneur en Directeur deeser Custe Corman„ del met den reforte van dien, door Narsinga ghadderouw, albe„ „schik aan 't Tansjoerse Hoff. Naar voor affgaande Complimenten Daar koomen thans van Candia, dalawaij Naij„ „ker, zijnde een schoon soon van Peeldie Naijker die een Oom van de konig van Candia is, en Rama swamie Naijker, die bevoorens van hier dat heen gesonden, is geworden; meede brengende Eliphanten en goederen voor den Vorst, En de wijl zij persoonen van aansien zijn, en van verre koomen, zoo ver„ soek ik uwelEd: gestr: Haar by derselver komst te Nagapatnam vriendelijk te bejeegenen en honeur aan te doen. Dit word aan UwelEd: gestr: geschreeven, om de wille van de eens gesindsheijd, en vriendschap die tussen de EComp: en den Vorst subsisteerd, en „de sulx op ordre van zyn Hoogheijd wat Wat sal ik meer schrijven /onderstond: het ordinair segul van den Albeschik en voor de oversetting volgens vertaaling van den Bramine wenga„ ta souberaijer aijen, Nagapatnam den 30 april A=o. 1773 /was geteekend/ Corns Obdam gesw Translt. Accordeerd W Luijnevelt No. 11

NL-HaNA_1.04.02_9686_0489 view scan ↗

English

439 Translation of a copy of a Malabar letter written to His High Excellency the Highly Noble, Right Honourable, Far-ruling Lord Petrus Albertus van der Parra, Governor-General of the Dutch East Indies, by Raja Sri Maharaja Tuljaji Raja Sahib, Prince of Tanjore. The greetings of Raja Sri Maharaja Tuljaji Raja Sahib to His High Excellency the Highly Noble, Right Honourable, Far-ruling Lord Petrus Albertus van der Parra. It is fully known to Your High Excellency the assistance that the Princes of Tanjore have in all respects from time to time provided and shown to the Dutch Company, and that all matters which Their Honours come to request, whatsoever named, are taken to heart by them as their own and granted. Between the said Company and the Principality of Tanjore lies a contract that the Company must assist the Prince, when circumstances so require, with whatever he comes to need, and therefore, by virtue thereof, it is also a firm obligation that rests upon the Honourable Company always to wish the well-being of this Principality, to take all its affairs to heart as its own, and and to carry them into execution. By reason of these motives, when I recently found myself in distress, I requested from Nagapatnam to assist me with some money, men, powder, and balls, but received in answer that they kept no more people there than were needed for the garrison of the castle and the town, but that they would write to Batavia about it, which answer greatly astonished me under the circumstances in which I then found myself, although by God's blessing the affairs of this Principality have nevertheless all turned out well; however, afterwards the Honourable Company helped me by lending some money on the pledge of jewels and lands, which will certainly also be well known to Your High Excellency. In order to make the friendship between this Principality and the Honourable Company increase more and more, and to answer to the obligation that the Prince must take the Company's affairs as his own and the Honourable Company those of the Prince as their own to heart, the Honourable Company must act with the Prince in such a manner as the English do regarding the Nawab Mahomed Ali Khan, who give him the Europeans he comes to need for his service, and for the prime cost also furnish the necessary powder and lead, as well as furthermore reinforce him, and consequently always leave a number of 1,000 Europeans in the service of the Prince, whose pay shall be paid by this Principality, as well as whenever the Prince in case of necessity requests powder and lead, deliver the same to him for its prime cost, item furthermore, when necessity comes to require such, without causing the least delay, send even more Europeans to reinforce him. If Your High Excellency grants this, and sends the necessary orders on that account to Nagapatnam, then I shall also treat the Honourable Company in the very same manner as the Nawab does regarding the English, according as the circumstances of matters require such, and in addition present to Their Honours the tribute money and the elephants which the Honourable Company is now obliged to pay yearly to the Prince, as well as the lands of Spkek Mahonam and Magelie Mahonam. What I write in this letter is no novelty, but is grounded upon the contract that lies between the Princes of Tanjore and the Dutch Company, and therefore Your High Excellency must send a perpetual order to Nagapatnam to be strictly maintained by all Governors who come there, so that as long as Tanjore and Nagapatnam shall exist, matters will be treated in such manner. Since Your High Excellency is a Lord who wishes the well-being of this Principality, I most highly request the same to take to heart the matters contained herein, and to cause them to have such effect, as well as to send a firm order on that account to Nagapatnam, item to convey to me a desired answer hereupon, and to cause the friendship to increase more and more. Your High Excellency is a Lord who knows everything; what need I therefore write much. Underneath stood: Vijaya Varsham, the 7th day after the new moon and the Maratha month of Chitterai, that is according to our reckoning of time the 29th of March 1773. Underneath stood: For the translation according to the interpretation of the Brahmin Venkata Subbaraya Aiyar, Nagapatnam the 22nd of April 1773. Was signed: Cornelis Obdam, Sworn Translator. Translation of a Malabar note of contents as follows: What is sent to His High Excellency, the Highly Noble, Right Honourable, Far-ruling Lord Lord Governor-General, consists of the following, namely: 1 turban of gold Surat fabric. 1 shawl or covering cloth, ad idem. 2 pieces of that same kind of fabric to make a long kabaya. 1 piece for a pair of trousers. 1 waistband. 1 head jewel called sirpesh, and 1 breast jewel. For the translation according to the interpretation of the Brahmin Venkata Subbaraya Aiyar, date as above. Was signed: Cornelis Obdam, Sworn Translator. Agrees: W. Buineverse No. 10 Ceylon To the Noble Lord Mr. Iman Willem Falck, Extraordinary Councillor of the Dutch East Indies, as well as Governor and Director of the said Island, the Coast of Madura, Inchiado, etc., etc., together with the Council, at Colombo. Noble, Firm, Valiant, Wise, Prudent, Very Discreet Lords: Doubtless the Jaffanapatnam ministers will already have given Your Honour notice of the necessity in which we were, and as yet remain, to obtain from them provisionally a reinforcement of 200 military men.

Dutch transcription

439 Translaat eener Copia mallabaarse brieff geschreeven aan zijn Hoog Edelheijd den Hoog Edelen groot Achtbaren wydgebiedende Heer. Petrus Albertus van der Parra. gouverneur generaal van Nederlands India, door Raasja Triemaha„ „raasja Toelaasja Raasja Sahib, vorst van Tansjoer De groetenisse van Raasja Trie maharaasja Toelaasja Raasja Sahib, aan zijn Hoog Edelheijd Den Hoog Edelen, Groot Achtb: wijd gebiedende Heer Petrus Albertus van der Parra„ Het is uw Hoog Edelheijd volkoomen bekend, de hulpe die de Vorsten van Tansjoer; in allen op„ sigten van tijd tot tijd aan de Hollandsche Comp: hebben toegebragt en beweesen, en dat alle saaken die haar Ed:s koomen te versoeken, hoe genaamt door deselve als eijgene ter herten genoomen, en in gewilligd werden, Tuschen gedagte Comp: en het Vorstendom van Tansjoer legd een Contract, dat DE Comp: den vorst, wanneer de omstandigheeden zulx vereijschen, met het geene hij komt te benoodigen adssisteeren moet, en dierhalven is uyt kragte van dien, ook een vaste verpligting die op de EComp: legd, om steeds het wel sijn van dit vorstendom te wenschen, alle desselvs saaken als eijgen ter harten te neemen en en ter uytvoer te brengen, Uyt hoovde van deese motiven, wanneer ik mij nu onlangs in verleegendheijd bevond, versogt ik van Nagapatnam, om mij met eenig geld man schappen, kruijt en koogels te adsisteeren, dog kreeg ten andwoord, dat men aldaar geen meer volk kield, dan tot de besetting van het Castee en de stad benoodigd was, maar dat men daar over na Batavia schrijven soude, welk antwoor mij in de omstandigheeden, waarinne ik my toen bevond, seer verwondert heeft, hoe wel de saaken van dit Vorstendom door Godes seegen, egter alle wel uijtgevallen zijn, dog naderhand heeft DE Comp mij geholpen, met het leenen van eenig geld op pand, van Juweelen en landen, het welk uw Hoog Edelheijd, seekerlijk ook wel bekend weeg zal. Om de Vriendschap tuschen dit Vorstendom, er DE Comp: meer en meer te doen toeneemen, en aan de verpligting, dat den vorst sComp=s saaken als zijn eijgen, en DE Comp: die van den Vors als haar eijgen ter tierten neemen moeten, te b'antwoorden, moet DE Comp: met den vorst zoodaenig handelen, als de Engelsen omtrent den Nabab mamoed alichan doen, dewelke ze 4141 ze de Europeesen, die hij tot zijn dienst komt te benoodigen geeven, en voor het kostende ook het noodige kruijt en Lood verstrecken, mitsg=s boven dien nog secondeeren, en mitsdien steede een getal van 1000 Europeesen in dienst van den vorst laaten, welkers besolding door dit verstend om zal werden betaald, mitsg=s wanneer de vorst in Cas van noodsaakelykheijd kruijt en loot versoekt, hem hetselve voor dies kostende afgeeven, item hem boven dien, wanneer de nood zulx komt te vereijschen; sonder de minste tardanie te maaken, nog meerder Europeesen zenden, om hem te secondeeren Indien uw Hoog Edelheijd dit inwilligd; en de noodige ordre dierweegens na Nagapatnam zend, zoo zal ik D E. Comp: ook op die zelvde wijse behan„ delen, als de Nabab: omtrend de Engelsen doet, na dat de omstandigheeden der saaken zulx requi reeren, en daar en boven de recognitie penn: en do Eliphanten, welke D' E Comp: thans verpligt is sjaarlijx aan den vorst op te brengen, aan haar Ed: schenken, zoo meede de Landen van spkek ma„ hanam, en magelie mahonam. Het geene ik in deesen briev schrijve, is geen nieuwigheijd maar gegrond vest op het Contract dat er tuschen de vorsten van Tansjoer, en de Hollandsche Comp: legd, en dierhalven moet uw Hoog Edelheijd. een althoos duurende ordre na Nagapatnam senden, om door alle gouverneurs welke daar Koomen en 2 Castee daar antwoor toen saaken er alle DE Comp geld op wee dom, er en aan aaken den Vor , te vorst tren dewelke ze 40 „ koomen, stipt onderhouden te werden, om soo lange Tans joer en Nagapatnam weesen zal, de saaken zoo„ daenig te tracteeren. Aangesien uw Hoog Edelheijd, een Heer is, dit het wel sijn van dit Vorstend om wenscht, zoo versoeke ik hoogst den„ selven de saaken hierin vervat ter herten te neemen, en soodaenig van gevolg te doen zijn, mitsg=s dierweegens een vaste ordre na Nagapatnam te senden, item my een gewenscht antwoord hierop te doen toekoomen, en de Vriendschap hoe langs hoe meer te doen accresseeren uw Hoog Edelheijd is een heer die alles weet, wat be„ hoev ik dierhalven veel te schrijven /onderstond Wisaya warsom den 7 dag na de nieuwe maan en de marattijse maand Chitterij, dat is na onse tijd reekening den 29 maart 1713. /:onderstond voor de oversetting volgens ver„ „taaling van den bramine wenga„ „ta Souberaijer aijen, Naga„ patnam den 22 april 1773 /was geteekend/ Cornelis Obdam geste Transl=t Translaat eener mallabaarse Notitie van inhoude als volgd. Het geen aan zijn Hoog Edelheijd, den Hoog Edelen Groot Achtbaren wyd gebiedende Heere 443 Heere Gouverneur Generaal gesonden werd, bestaat in't volgende te weeten. 1 Tubband van goude souratse Hoff. 1 sjaal of dek kleed, ad idem. 2: stucken van die selvde soort van stoff om een lange kabaije te maaken 1 stuk tot een broek 1 middel band. 1 hoofd Juweel sapees genaamt en 1 borst Juweel. Voor de oversetting volgens /onderstond/ vertaaling van den Bramine wengata souberaijer aijen dato als vooren. /was geteekend Corn=s. Obdam gesw Translt., Accordeerd W Buineverse Jans n ga„ a dam aarse vo d. ende Heere No. 10 41445 Ceijlon Aan den Edelen Heer M:r Iman Willem Falck Raed Extra ordinair van Nederlands Jndia mitsgaders Gouverneur en Directeur des gemelden Eijlands ter Custe madure Jnchiado &=a &=a ne„ „vens den raed Colombo Tot Edele Erntfeste, manhafte wijse voorseenige, seer Discreete Ongetwijffeld sullen de Iaffanapatnamse ministers uwel Edele reeds kennisse gegeeven hebben, van de noodsakelijkheijd waer in wij waren, en als nog versieten, om van haar bij provisie een versterking van 200: militai„ Appart. „ren E

NL-HaNA_1.04.02_9686_0498 view scan ↗

English

The precariousness of the state of affairs on this Coast, especially here or in the southern part thereof, which has prompted or moved us to make that application, remains as yet critical and dangerous, owing to the movements of the Carnatic subah Mahometh Alichan, who, notwithstanding that in the latter part of the year 1771 he made peace with the King of Tanssoer for 50 Lack rupees and also successively received those monies from the king—who for that purpose had to pawn all his jewels, and those of his family and principal court nobles, together with the crown jewels and many of his lands—is now again actually engaged in preparing not only to invade the kingdom of Tans Joer, but also to conquer it, for which purpose troops are already on the march from all sides, and are being assembled at Trijtjenspalij and Wallamcotte, with everything else needed for a formal victorious siege, and will shortly march on the capital and residence city of Tans Joer; so that the king thereof finds himself in the most distressful and desperate circumstance, destitute of money, and thus in all probability will have to succumb this time to his deceitful enemy; which will unquestionably have the consequence that the unjust subah, who is indeed capable of proceeding to all manner of extremes, will also wish to vex us here concerning the lands of Kiewalder taken in pledge by the Honourable Company, to which Naoer and Topotorree have since been added, and the customary recognition elephants have been redeemed, and there is a likelihood of also succeeding in the redemption of the tribute monies, if in the meantime Tansjoer is not too quickly besieged. The consideration of all of which has caused us to resolve, for the maintenance of the Company's authority and rights, as well as to maintain their Honours in their temporal possession of the lands already taken into possession, to request your Honours to assist us promptly with 500 Europeans and 500 Orientals, all provided with proper muskets and weapons, as well as 50 good artillerymen, in order to enable us as much as possible thereby to repulse the outrages which the said subah, upon the capture of Tanssour, might wish to initiate both against those possessed lands, as well as with respect to the pawned jewels, etc., and our further prerogatives; and since the early receipt of the aforementioned requested reinforcement is of great importance, we very earnestly and cordially request that your Honours please take such measures to that end, that the same may be brought to us, either directly by chaloups, or from Iaffanapatnam with freight vessels. Wherewith, after greetings, we remain, Noble, Honorable, Valiant, Wise, Prudent, very Discreet, Your Honours' willing friend and servants, Signed: R:n V:n Vlissingen, H: Leembruggen, J: E: G: Haselman, M:s Koning, H: A Zohnson, C:s Pieters:, J: Appingh, J v:n Tessel, W=m Duijmevelt, J: D: Simons. In the margin: Nagapatnam, in the Castle, the 25th of July 1773. Ceijlon To the same as before We cannot omit to inform your Honours herewith of the arrival here in the roads of two English warships, accompanied by a third small three-masted vessel also equipped for war, which have brought over hither an express ambassador from the subah Mahometh Alichan addressed to the undersigned Governor, and further pretend that the first two ships are destined for Trinconomale to cut wood for the service of the fleet, and that the third meanwhile was to remain here to carry the Ambassador back to Madras; but it has been discovered that those ships are not destined for TrinConomale for the aforementioned purpose, but are planned to cruise around Ceijlon, in order to prevent the troops which are to be sent hither from there from being able to arrive here. Wherewith, after cordial greetings, we remain, Understood and signed: as before. In the margin: Nagapatnam, in the Castle, the 7th of August 1773. Postscript: Although we do not think, much less can believe, that the English will proceed to that extreme, since such would be a complete and open breach of the peace, we nevertheless request your Honours to make the necessary arrangements so that the reinforcement requested by us, in so far as it has not already been sent directly around the outside, may be sent hither as quickly as possible via the inside route, over Manaer and Iaffanapatnam. Ceijlon To the same as before Since we, through the buying off of two servitudes from the king of Tans Joer, namely the recognition elephants and tribute monies, and the purchasing of some lands from him very important to the Honourable Company, such as the sea-places Naoer, Topotorre, and Tripondij, as well as the entire province of Kuwaloer, for which a considerable sum of money had to be paid, are not provided with sufficient funds for the trade of this Coast, we herewith very earnestly and cordially request your Honours, besides the small chest of gold brought there from Europe by the ship Oud Haerlem for the service of this government, to assist us with an amount of 70 to 80,000 pagodas, and to send the same hither as soon as possible, either in bar gold, or in minted pagodas themselves, as shall best suit your Honours; serving further for your Honours' esteemed information.

Dutch transcription

De Neeteligheijd van „ren te versoeken; den toestand der saken te deeser Custe insonderheijd hier, of in het zuijder gedeelts derselve, die ons tot die jnstantie gepermoveerd off bewoogen heeft; blijft als nog eden Critica en Dangereux, door de beweeging van den Carnaticasen souba Mahometh Alichan, die ongeagt, in het laast van anno 1771: de vreede met den Tanssoersen vorst voor 50: Lack ropijen gemaekt, en die penningen ook successive van den vorst, die daarom alle zijne Juweelen, en die sijner familie, in voornaamste Hofsgrooten, mitsgaders de rijxkleenodien, en veele sijner landen heeft moeten verpanden; ontfangen heb„ „bende tans weeder werkelijk beesig is sig te prepareeren, om niet alleen het vorstendom Tans Joer te invadeeren; maar ook het selve te veroveren waer toe de troepen van alle kanten reeds in aantogt zijn, en te Trijtjens „palij. 447. palij en wallamcotte versameld werden, met al het geen verder tot een formeel victo„ rieux beleg nodig is, en eerstdaags na de hoofd en Residentie stad Tans Joer opmarchee„ „ren sullen soo dat den vorst derselve sig in de allernaerste en desperate omstandig„ „heijd ontbloot van geld, bevind; en dus naer alle waerscheijnelijkheijd, ditmael voor sijn arglistigen vijand sal moeten beswijken; het geen onweederspreekelijk ten gevolge heb„ ben sal, dat den onregtvaerdigen souba, die tog in staet is, tot aller hande uijtter„ „stens te komen, ons meede alhier sal willen quellen; omtrent de door de E Comp:e in pand genomene Landen van kiewalder, waer bij 't seederd Naoer en Topotorree ge„ „komen, en de gewoonlijken Recognitie Eli„ phanten afgekogt sijn, en er apparentie is, in de afkoping van de tribut penningen mede te sullen ruisseeren, wanneer tansjoer intusschen, en T intusschen niet te scheelijk beleegerd werdt De overweeging van alle het welke, dan ons hebben doen resolveeren, tot handhaving van sComp:s gesag en regt mitsgaders haer Edelens in derselver temporeele possessie, der reets in besit genomene Landen, te main„ tineeren, uwel Edelens te versoeken ons ten eersten met 500: Europeesen en 500: ooster„ „ lingen alle van bequame geweir en wapens voorsien, soo meede 50: stux goede arthilla„ risten gelieven bij te springen, ten eijnde ons soo veel mogelijk daar door in staet te stellen, om te konnen Repouseeren, de attenta„ ten, die gedagte souba bij overmeestering va Tanssour soo op die gepossideerde Landen, als ten opsigte van de verpande Juweelen etc: en onse verdere prerogativen soude willen entameeren; en dewijl aan de vroegtijdige be„ „koming van het Voormeld versogt Renfort, grootelijks geleegen is, soo versoeken wij sier ernstvriendelijk 4149 ernstvruendelijk, dat uwel Edele ten dien eijnde soodanige maatregulen gelieven te neemen, dat het selve ons; het sij direct met Chialoupen, dan wel van Iaffanapatnam met vragt vaartuijgen toegebragt werde waermeede naer groete verblijven /:onder„ stond:/ Edele Erntfeste manhafte, wijse voor„ sienige, seer Discreete. UwEd: dienstwillige vriend en Dienaeren /:was geteekend:/ R:n V:n vlissingen H: Leembruggen J: E: g: Haselman M:s koning, H: A Zohnson, C:s Pieters: J: Appingh, J v:n Tessel, W=m Duijmevelt: J: D: Simons. - /:in margine:/ Nag:t Jn 't Casteel den 25: Julij 1773. — Ceijlon Aan als vooren wij kunnen niet afzijn uwelEdele bij deesen te bedeelen, de aankomste alhier ter rheede van twee Engels Oorlog scheepen verseld n delijk verseld van een derde kleijn drie mast scheepje meede ten oorlog g'equireerd, die een expres ambassadeur van den souba maho„ „meth alichan aan den ondergeteekende gouverneur geaddresseerd herwaerds over„ gebragt hebben, en wijders voorgeeven, de twee eerste scheepen naar Trinconomale ge„ destineerd te zijn, om hout te gaen kappen, ten dienste van de vloot en het derde in „tusschen hier vertoeven zoude, om den Am„ bassadeur naar madras te rug te brengen dog men heeft ontdekt dat die scheepen niet na TrinConomale ten eijnde voormel gedestineerd, maer geprojecteerd zijn om rondsomme Ceijlon te kruijsen, ten eijnde voortekomen dat de troupes die van daer dit hien gesonden staan te werden, hier niet aankomen kunnen. waermeede na Cordiale groete verblijven. /:onderstond:/ en /:was geteekent:/ als 438 als vooren /:in margine:/ Nagapatnam In 't Casteel den 7:' augustus 1773: /:lager:/ P: S: schoon wij niet denken veel min gelooven kunnen, dat de Engelsen, tot dat uijterste zullen komen, alzoo zulk een volkomen openbaare vreedebruik zal weesen, soo versoeken wij uwelEd: egter, de nodige schikking te willen maken, dat het door ons versogt renfort voor soo verre niet reeds direct buijten om gesonden is, binnen door, over manaer en Iaffanapatnam ten spoedigsten dit heen mag werden gesonden Ceijlon Aan als vooren Aangesien wij door het afkoopen van twee servituten van den vorst van Ians„ Joer, te weeten de Recognitie Eliphanten en ge¬ ge¬ n, en t:/. ende en Tribuit penningen en het koopen van eenige voor DEComp: seer aangeleegene Lam „den van denselven, als daar zijn de zee„ plaetsen Naoer en Topotorre, en Tripondij mitsgaders de gansche provintie kuwa„ „loer, waer voor een aansienelijke somma geld betaeld heeft moeten werden, van geen genoegsame penningen voorsien zijn tot den Handel deeser Custe zoo versoeke wij uwel Edelens bij deesen ernstvriendelijk ons buijten het kistje met goud per het schip oud Haerlem ten dienste van dit gouvernement uijt Europa aldaer aange„ bragt met een montant van 70: â 80'000 pagooden te willen adsisteeren, en het selve soo spoedig mogelijk dit heen senden, het zij in bhaar goud, dan wel in gemunte pagooden zelve, zo als dat uwel Edelens bestconvenieeren zal dienende wijders tot uwel Edelens g'eerde narigt

NL-HaNA_1.04.02_9686_0505 view scan ↗

English

notice that we have in the meantime requested the Jaffnapatnam Ministers to accommodate us, in deduction of this amount, at the earliest or as soon as humanly possible, with 30000 pagodas. Furthermore, this is accompanied by an invoice of account for the goods dispatched to Your Honours' Government by the sloop Gale and the thonij De Johanna Maria, amounting to f10664:16:8, with which we request that proper action may be taken. Below stood and was signed as before. In the margin: Nagapatnam, in the Castle, the 10th of September 1773. To the same as before. Whereas Tanjore was finally captured by surprise on the 17th of this month at noon by the troops of the subah of the Carnatic, the prince and the foremost of the court dignitaries, together with their wives and further family, were taken prisoner, and it was therefore judged by us to be of the highest necessity to give immediate notice of this important news and revolution of affairs on this Coast to Their High Excellencies, the Noble High Indian Government at Batavia; we have therefore been obliged to resolve, for the conveyance thereof, to dispatch the barque De Falck, and in the meantime to detain the ship Der Tempel until the middle of next month, in order to be able also to inform the aforementioned Their High Excellencies of whatever might further occur, since it cannot be foreseen what the subah or his son in Tanjore, Madar-ul-Mulk, will undertake with regard to our establishment here, especially regarding the recently purchased lands, as report has been received that he has taken possession of the lands which the Danes held in pledge and lease, and thus he is unreasonable enough to attempt the same also with regard to the aforesaid purchased lands; We request Your Honours on that account, if it should be necessary and required, to assist us with more troops upon our first written request to be received, and furthermore to render us all possible assistance. With which we have the honour, after friendly greetings, to remain with respect. Below stood and was signed as before. In the margin: Nagapatnam, in the Castle, the 21st of September, in the year 1778. Ceylon. Ceylon. To the same as before. Whereas since the departure of our latest separate missive to Your Honours of the 21st of the past month, the duplicate of which accompanies this, in which we informed of the capture of Tanjore by the army of the subah of these Carnatic Lowlands, His Highness Mahometh Alichan, joined with the English auxiliary troops, and our apprehension that he might at some time undertake something detrimental with respect to our cloth trade in that principality, principally regarding the lands recently purchased from the conquered prince, we are informed from all sides with very great probability that His Highness is firmly resolved to make himself master of those places by force, and especially or first of the sea village of Nagore, upon which he as well as the English have had their eyes for a very long time, and in case of any resistance to this design of his, also to attack this city and besiege us here; to which we must give all the more credit because the factors of the sowcars present here have been ordered by their principals from Trichinopoly to retire from here and to take the utmost care of what is in their custody, from which one certainly cannot conclude much good, as those people, whose business it is to have people everywhere in order to inform themselves accurately of such intentions of war as well as otherwise with respect to places where their factors are situated, would not issue such an order upon any loose rumour, and notwithstanding a multitude of converging and very credible tidings of that nature, we find ourselves in the utmost necessity hereby most earnestly and kindly to request Your Honours to assist us, before the outbreak of the northern monsoon and thus as soon as humanly possible, with the following, namely: 200 European soldiers, and as many artillerymen under their officers, together with Malays, as can conveniently be spared, besides 8 pieces of brass rapid-firing guns of 1-lb calibre, with 20 field boxes, together with further accessories in duplicate, because it is not very easy to obtain here, 4 pieces of howitzers of 5 to 7 inches with the corresponding grenades, 2 brass cannon of 6-lb calibre with their round shot and further accessories in duplicate, 20 purse-kegs with copper hoops, 2 pieces of brass cannon of 4-lb with round shot and duplicate accessories, 2 pieces of hanging mortars with their beds, the bombs of which must also be in stock, 20 reams of cartridge paper, 20 reams of pattern paper, 2 barrels of pitch, 2 barrels of rosin, extremely needed for the artillery, and 4 barrels of tar, 1000 pieces of ramrods, as we have the utmost need of all this, indeed even more men, if the said subah should be malicious enough to undertake anything of the aforesaid nature, since it would be irresponsible

Dutch transcription

L33 narigt dat wij intusschen de Jaffana„ patnamse Ministers versogt hebben, ons in mindering van dit bedragen; ten eersten of soo spoedig maer immers mogelijk is met 30000: pag: te gerieven. voorts verseld deesen een Factuur van aanreekening van de per de Chialoup Gale en de Thonij De Iohanna Maria na uwel Edelens Gouvernement afgestoo„ „kene goederen, groot ƒ10664: 16:8: waer „meede wij versoeken dat na behooren ge„ handeld werden mag. - /:onderstond:/ en /was geteekend:/ als vooren /:in margine Nagapatnam Jn 't Casteel den 10: sept: 1773: — Aan als vooren Hangesien Tans Joer eijndelijk op den 17: deeser des middags bij overrompeling door de troupen van den souba van Carnatica Ceijlon overmeesterd, overmeesterd is, den vorst en de voornaa „ste der Hofsgroten mitsgaders derzelve vrou „wen en verdere familie gevangen genomen sijn, en dierhalven bij ons van de hoogste noodsakelijkheijd geoordeeld weesende, om van dit gewigtig nieuws en omwerteling van saken te deeser Custe, Haar Hoog Ede „lens de Edele Hooge Jndiasche regeering te Batavia, ten eersten kennisse te doen erlangen: soo hebben wij ter overbreng der „selve moeten resolveeren, De Bark De falck te projecteeren, en het schip Der Tempel intusschen tot medio van de aan„ staende maend aen te houden, om het geene nog verder mogte komen voorte vallen almeede welmelde Haar Hoog Edelens te kunnen bedeelen, alsoo niet te voorsien is, wat den souba of sijn soon in Tansjoer Matarn moluck met betrekking tot onsen seet alhier, insonderheijd omtrent de Jongst 455 Iongst gekogte landen onderneemen sal, nadien men berigt erland heeft dat denselven, de Landen die de deenen in pand, en pagt hebben gehad, in possessie heeft laaten neemen, en dus denselven onreedelijk genoeg is, om het selve meede te Entameeren, omtrent De voorsz: gekog„ „te Landen; wij versoeken Uwel Edelens uijt dien hoofde, indien het nodig is, en vereijsschen mogte, op ons te erlangene eerste aanschrij„ „vens met meerder volk bij te willen sprin„ „gen en verders ons alle mogelijke adsisten„ „tie toetebrengen. - waarmeede de Eere hebben, na vrunde„ „lijke groete, met agting te zijn /:onderstond:/ en /:was geteekend: / als vooren /:In margine:/ Nagapatnam In 't Casteel den 21: septemb:r A:o 1778: Ceijlon. Ceijlon Aan als vooren Aangezien wij tseedert 't afgaen onser Jongste aparte missive aan uwel Edelens van den 21: der gepasseerde maend welkers Dupp:t deesen verseld, waer bij wij de over„ rompeling van Tansjoer door het Leeger van den souba deeser Carnaticase beneeden Landen, sijn Hoogheijd mahometh alichan geconjungeerd, met de Engelse hulp troupen, en onse bedugting als dat denselven ten opsigte van onsen Leeten handel in dat vorstendom, somtijds iets nadeeligs onderneemen mogte, voornament„ „lijk met betrecking van de Jongst van den overwonnen vorst gekogte landen, be„ deelden, van alle kanten met seer veel waer„ schijnelijkheijd berigt werden, als dat zijn hoogheijd vast van voorneemen soude 4837 soude weesen, om met geweld meester van die plaetsen te maeken, en wel voor„ namentlijk of eerst van het zee dorp Nader, waer op hij so wel, als de Engelsen al seer lang het oog gehad hebben, en in Cas van eenige resistentie teegens dit sijn desseijn, deese stad ook aante tasten, en ons alhier te beleegeren, waer aan wij nog te meerder geloof defereeren moeten, uijthoofde de zig alhier bevindende factoors der saukaars, door haare principalen uijt Tritjenapalij gelast geworden sijn, haer van hier te retireeren, en voor het geene onder haare berusting is, de uijterste sorge te dragen, waer uijt men seekerlijk „alsoo die menschen niet veel goeds opmaken „ welkers saek het is over al volk te hebben, om haar van diergelijke voorneemens van oorlog; als andersints, ten opsigte van plaetsen al„ „waer haare factoors gesieten sijn, nauw keurig keurig te informeeren, een soodanige ordre ^ sullen, onggagt nog een meenigte tsamen loopende op geen los gerugt expedieeren, en seer aan„ nemelijk tijdingen van die natuur, soo bevinden wij ons in de uijterste noodsake„ „lijkheijd uwel Edelens bij deesen, op het ernst vriendelijkste te versoeken, ons nog voor het doorbreeken der noorder mousson„ en dus soo spoedig maar immers mogelij is, nog te adsisteeren met het volgende te weeten. 200: Europeese soldaeten, en soo veel arthille„ „risten, onder derselver officieren, mitsga„ „ders malaijers, als er gevoegelijk ge„ „mist kunnen werden, nevens 8: p:s metaale geswinde stukjes van 1: lb: Caliber met 20: veld kistjes nevens verdere toebehooren dubbeld, om dat het hier niet zeer gemak„ „kelijk te bekomen is 4: p:s hauwitsers van 5: tot 7: d=m met toebehoorende - 459 toebehoorende granaaten 2: metaale Canons van 6: lb: Caliber met dies rondscherp en verdere toebehooren. dubbeld 20: beurs vaatjes met kopere hoepels 2: p:s metale Canons van 4: lb: met rond„ „scherp en dubbeld toebehooren 2: p„s hangende mortieren met haare stoelen, waer van de bommen, meede in voorraed dienen te zijn 20: reemen Cardoes papier patroon — 20: „ 2: vaten pik - - 2: „ harpuijs ten uijtersten benodigt 4: „ Theer. . . S voor de Arthillerij en 1000: p:s Laade houten, als hebbende dit alles, Ja selfs nog meerder mansz: ten hoogsten benoodigd, indien gedagte souba quaedaen„ genoeg „dig e weesen mogt iets van voorsz natuur te onderneemen, vermits het onverand woordelijk eli „

NL-HaNA_1.04.02_9686_0512 view scan ↗

English

it would be for us to look on with approval as he took away our lawfully purchased lands, and we cannot properly maintain ourselves therein without assistance, and are even much less capable of properly defending ourselves should he undertake anything against this city itself on account of our resistance. For although we have indeed resolved at today's meeting—notwithstanding he has not yet given notice of the victory—to have him congratulated within a few days by an express embassy on the conquest of Tanssoer and presented with gifts, just as is to be done today or tomorrow by the Danish gentlemen, in order to request the confirmation of our prerogatives obtained from old times in the aforementioned principality, and to convince him of the Company's lawful and in all respects equitable conduct regarding the newly purchased lands (to wit: in case he should bring up the latter, but otherwise not); nevertheless, if we consider the true interest of our Lords and Masters and at the same time wish to care for and protect our subjects according to duty, we cannot rely solely on the favorable outcome of that commission, being as yet uncertain what the end thereof will be, but are likewise necessitated to make all possible preparations for defense in proportion as the detrimental rumors arriving daily require, in order not to be surprised unawares or incapable of resistance. And we flatter ourselves, therefore, as well as on account of the fact that the men from Your Honor's government who have already been sent hither and are yet to arrive can always be sent back with the wind after the turning of the monsoon until the coming month of February, that Your Honors will not fail to provide us with all possible assistance, even if it were more than we request, if only it is at all possible; for by that time matters will certainly already be decided, and it will also have become apparent how the overthrow of Tansjoer is received by the Marathas or any other native princes, and what they intend to undertake in that regard. Was undersigned and signed: As before. In the margin: Nagapatnam, in the Castle, the 1st of October 1713. Colombo. To: As before. We have had the honor to receive one after the other Your Honors' various esteemed letters, but on account of the circumstances in which we presently find ourselves, we are still obliged to postpone formal replies to them until a further opportunity, owing to the pressing, full-handed business caused thereby, both with the dispatch of our papers to Their High Mightinesses with the ship Den Tempel, and otherwise by the proximity of the army of the subahdar, which lies encamped just outside the limits of our newly purchased lands and threatens at any moment to invade them, and particularly Naver. We therefore write principally both to express beforehand our gratitude to Your Honors for the prompt assistance that Your Honors have been pleased to provide us by sending men, etc., as well as chiefly to bring to Your Honors' notice that, because the ambassadors of the subahdar, who were sent hither by his son Madaroel Moelk from the encampment in Truwaloek to summon us not only to cede the aforementioned newly purchased lands but also to annul the redemption of the tribute money and elephants (under threat of war), made great efforts and emphatically demanded to meet the Kandy Nayakkars who recently arrived here from Jaffanapatnam, who claimed to have been sent as ambassadors to the now dethroned prince of Tansjoer but have remained here, asserting that they had brought a letter for them from the said Madaroel Moelk or the subahdar himself, and therefore absolutely had to speak with them, without being willing to surrender that letter to the undersigned Governor upon his demand and offer that he would have it delivered to them—which, not without reason, gave cause to suspect their conduct in this matter and the further stay of those Nayakkars here in every respect—we have therefore thought it best, in order to prevent all intrigues and collusion between them, as well as the detrimental consequences that might arise therefrom, to send those Nayakkars away from here most unexpectedly, as was done with a dhoni on the 13th of this month to Jaffanapatnam, under the pretext that, since the inhabitants of this city were taking to flight on account of the approaching troops of the nawab, it was thus not safe for them here either, but best to return back to Jaffanapatnam. The four elephants that they brought with them as a gift for the prince of Tansjoer still remain here, and care has been taken for them covertly, without it appearing to be done by the Honorable Company or with its prior knowledge; and we wish we knew a means, or that one could be suggested to us by Your Honor, to relieve ourselves of them, while Your Honors will very easily be able to understand from the aforementioned case the high necessity of their being sent away from here, in order thereby to cut off all correspondence between the nawab's party and the Kandyans, and that in this regard one should not

Dutch transcription

woordelijk voor ons soude sijn, met goede oogen aan te sien, dat hij onse wettig ge„ kogte Landen wegnam en wij ons buijten adsistentie, met nadruk daar in egter niet mainctineeren kunnen, en nog veel minder in staet sijn, om ons, soo hij ter saake van onsen tegenweer iets teegens deese stad selve onderneemen mogt, nabehooren te defendeeren; want of -schoon, wij ter vergadering van heeden wel beslooten hebben, hem niet teegen staende hij nog geen kennisse van de overwinning heeft laaten geeven, binnen eenige daagen door een Expres gesantschap met de verovering van Tanssoer te laten Com„ „ plimenteeren en beschenken, gelijk sulx door de heeren Deenen heeden of morgen meede staet te geschieden, ten eijnde de Confirmatie onser van oude tijden her„ waerts in het voorm: vorstendom ver„ kreegene: 4861 kreegene pierogativen, te besolliciteeren, en hem van het wettig en alle sints Equitabel gedrag der maatschappije ten opsigte der nieuwe gekogte Landen . te doen overtuijgen (:te weeten: indien hij van het laeste ophaelen mogt, dog anders niet:/ soo kunnen wij indien we het waere belang onser heeren en meesters betragten, en teffens voor onse onderdanen na pligt sorgen en haer beschermen willen, ons egter op den goeden uijtslag van die Commissie alleen niet gerusten, als nog onseeker sijnde, wat het eijnde daar van weesen sal, maer sijn teffens ook genefessiteerd, alle mogi„ „lijke preperatien tot defentie te maeken na mate dat de dagelijks inkoomende nadeelige gerugten sulks vereijsschen om niet onverhoeds of buijten staet van teegen weer overvallen te werden, en wij wij flatteeren ons daarom soo wel, als uijt hoofde dat de mansz: uijt uwel hd „le gouvernement die dit heen reets gesonden sijn, en nog staen te komen na het kenteren der mousson tot de maend februarij aanstaende toe, al„ thoos voor de wind te rug gestuurd kun„ nen werden, dat uwel Edelens niet nalate zullen ons alle mogelijke adsistentie toe te brengen, al was het selfs meerder dan wij versoeken, indien het maer immer mogelijk is, want teegens die tijd, sul len de saeken seekerlijk reeds gedesideerd en ook wel gebleeken zijn hoedanig de overrompeling van Tansjoer door de marratters of eenige andere Jnlandse vorsten opgenoomen werd, en wat sij dier„ weegens, voorneemens sijn te entameeren /:onderstond:/ en /was geteekend:/ als vooren /:in margine:/ Nagap:n Jn 't Casteel den 463 den 1: october 1713: Colombo Aan als vooren wij hebben na den anderen de Eere gehad te ontfangen, diverse uwel Ed:s g'agte missivens, dog wij vinden ons, om de wille van de omstan„ digheeden, waer in wij thans verseeren, als nog in de verpligting om de formeele beand„ woording derselve, tot nadere geleegendheijd uijttestellen, mits de volhandige pressante beesigheeden, daar door veroorsaekt, soo meede met de depeche onser papieren aan Haar Hoog Edelens met het schip Den Tempel, als andersints door de nabijheijd van het Leeger van den souba, dat even buijten de Limieteir onser nieuwe gekogte Landen gecampeerd legt, en alle momieten dreijd, de„ „selve, en in 't bijzonder Naver inte dringen, en rigten dus maer ten principalen, soo om. om uwel Ed:s voor af onse verpligting te be„ „tuijgen, voor de spoedige adsistentie, dat uwelEd. s ons door het senden van manscha„ „pen &a hebben gelieven toetebrengen, als wel voornamentlijk Uwel Edelens ter kennisse te brengen, dat uijthoofde de ambassadeurs va den souba, die door zijn zoon madaroel moelk uijt het Campement in Truwaloek dit heen gesonden zijn, ten eijnde ons te som„ „meeren, niet alleen om de voorsz: nieuwe gekogte landen te Cedeeren maer ook den afkoop van de Recognitie penningen en Eliphanten, /:onder bedreijging van den oorlog: te vernietigen, seer veel moeijte aanwendeden en met nadruk begeerden, de Iongst van Jaffanapatnam herwaerds overgekomene Candiasche Naijkers, die voorgaven als am„ bassadeurs aan den thans gedetroneerden vorst van Tansjoer gesonden te weesen dog alhier verblijven zijn, te ontmoeten onder 1695 onder betuijging dat voor deselve een brief van gedagte Madaroel moelk of den souba selve meede gebragt hadden, dierhalven haar absolut spreeken moesten, sonder dat sij die brief aan den onderge„ „teekende gouver„r op zijne afvordering en aanbieding, dat aan deselve soude laaten bestellen, hebben willen afgeeven, het geen niet sonder grond aanleijding gegeeven hebbende, om hun gedrag in deesen, en het verder verblijf van die Neijken alhier in allen deele te verdenken, hebben wij dierhal„ ven, om alle konkelarijen en 't samenspan„ „ning tusschen haar voor te komen als meede de nadeelige gevolgen die daar uijt voortspruijten kunnen, best gedagt, die Neij„ „kers op het onverwagtste van hier te versen„ „den, gelijk met een thonij op den 13: deeser naar Jaffanapatnam geschied is, onder pretext dat dewijl de ingeseetenen deeser Steede - steede mits de aannaderende troupen van den nabab, sig op de vlugt begeeven, dus voor haer ook hier niet veijlig maer het beste was, weeder na Iaffanapatnam te rug te vertrecken. De vier Eliphanten die zij tot geschenk voor den Tansjoersen vorst meede gebragt hebben, staen hier als nog, en men heeft onder de hand, sonder dat het blijkt, dat het door D E Comp: of met derselver voorkennisse geschied, de noode „ge sorge daer voor laeten dragen; en wij wenschen wel een middel te weeten, of dat het ons door uwel Edele aan de hand gegeeven konde werden, om sig daer van te ontlasten terwijl uwel Edelens uijt het voormeld ge„ „val seer ligt zullen kunnen begrijpen, de hooge noodsakelijkheijd van hunne ver„ sending van hier, ten eijnde daar door alle Correspondentie tusschen het nababsche en de Candianen aftesnijden, en men daeromtrent niet.

← previousnext →